Onderzoek naar de klimaat-adaptieve aanpak van homogene naaldbossen in de Zeeuws-Wase grensregio Deelrapport 2 - Inschatting van de omvang van de aftakeling van het naaldbos, de mogelijke oorzaken en toekomstverwachting Stien Heremans, Arthur De Haeck, Bruno De Vos
Auteurs: Stien Heremans, Arthur De Haeck, Bruno De Vos Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Reviewer: Jan Wouters (INBO) Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: INBO Geraardsbergen Gaverstraat 4, 9500 Geraardsbergen vlaanderen.be/inbo e-mail: stien.heremans@inbo.be, arthur.dehaeck@inbo.be, bruno.devos@inbo.be Wijze van citeren: Heremans,S., De Haeck,A. en De Vos,B. (2022). Onderzoek naar de klimaat-adaptieve aanpak van homogene naaldbossen in de Zeeuws-Wase grensregio. Deelrapport 2 - Inschatting van de omvang van de aftakeling van het naaldbos, de mogelijke oorzaken en toekomstverwachting. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2022(10). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.DOI: doi.org/10.21436/inbor.73679635 D/2022/3241/111 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2022 (10) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Sterfte van Grove den in Stekene (15 mei 2019) foto A. De Haeck Dit onderzoek werd uitgevoerd in het kader van: het project ‘Onderzoek naar de klimaat-adaptieve aanpak van de homogene naaldbossen in de Zeeuws-Wase grensregio: onderzoek naar de bedreigingen en aanpak van het probleem via pilot’, in opdracht van EGTS Linieland van Waas en Hulst en gefinancierd door Euregio Scheldemond en de provincies Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Zeeland. Het project werd uitgevoerd door INBO, in samenwerking met het Zeeuwse Landschap en de Bosgroepen Houtland en Oost-Vlaanderen-Noord.
Dit werk valt onder een Creative Commons Naamsvermelding‐GelijkDelen 4.0 Internationaal‐licentie.
ONDERZOEK NAAR DE KLIMAAT-ADAPTIEVE AANPAK VAN HOMOGENE NAALDBOSSEN IN DE ZEEUWS-WASE GRENSREGIO Deelrapport 2: Inschatting van de omvang van de aftakeling van het naaldbos, de mogelijke oorzaken en toekomstverwachting Stien Heremans, Arthur De Haeck en Bruno De Vos – INBO
doi.org/10.21436/inbor.73679635
Dankwoord/Voorwoord Dit rapport kwam tot stand met de hulp van verschillende collega’s. Hartelijk dank aan: Nicole De Groof en Herwig Borremans voor de lay-out en de publicatie van het rapport. Wij danken de terreinbeheerders en eigenaars voor de medewerking en de toelating voor het betreden van de bospercelen, in het bijzonder Joris Goossens (Agentschap Natuur & Bos) en Simon Brandt (Bosgroep Oost-Vlaanderen-Noord) voor het delen van hun terreinkennis. Ook dank aan Leen Govaere en Anja Leyman (ANB, Vlaamse bosinventaris).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
Samenvatting Zowel in Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen als Zeeland wordt een groot gedeelte van de fijnsparren, maar ook meer en meer dennen, aangetast door schorskevers en andere ziekten en plagen. Daar heeft het veranderende klimaat veel mee te maken: door de hitte en droogte van de afgelopen jaren zijn veel bomen verzwakt. Deze problematiek doet zich in toenemende mate voor in Vlaanderen. EGTS Linieland (voluit: Europese Groepering voor Territoriale Samenwerking Linieland van Waas en Hulst) zette daarom, samen met de projectpartners Stichting Het Zeeuwse Landschap, Bosgroep Houtland en Bosgroep Oost-Vlaanderen Noord, een project op poten om toe te werken naar een klimaatadaptief bosbeheer in de grensregio. Dit gebeurt met steun van Euregio Scheldemondfonds. Doelstelling is het ontwikkelen van een gezamenlijke visie en aanpak voor de aantasting van bossen. In het kader van dit project rond klimaatadaptief bosbeheer werd een onderzoeksopdracht uitgeschreven om dit project wetenschappelijk te ondersteunen. Dit deelrapport schetst aan de hand van remote sensing de omvang en de toename van de schade in de Zeeuws-Wase grensregio. Aansluitend evalueren we de historische groei van een aantal bomen aan de hand van jaarringmetingen (dendrochronologie). Deze laten toe om in te schatten hoe de boomgroei evolueerde na eerdere incidenten zoals de historisch warme en droge zomer van 1976, de massieve storm van 1990, insectenschade en recentere warme en droge perioden. Deze metingen confronteren we met de bestaande informatie en terreinobservaties over de standplaatsfactoren zoals bodem, hydrologie en pathologie. Ten slotte schetsen we een toekomstverwachting van het bos.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 3 van 41
Inhoudstafel Dankwoord/Voorwoord ................................................................................................................ 2 Samenvatting ................................................................................................................................ 3 Lijst van figuren ............................................................................................................................. 5 Lijst van foto’s ............................................................................................................................... 5 Lijst van tabellen ........................................................................................................................... 6 1
MATERIAAL EN METHODE..................................................................................................... 7 1.1 Remote sensing ................................................................................................................... 7 1.2 Boomgroei ......................................................................................................................... 10 1.2.1
Staalname ............................................................................................................ 11
1.2.2
Verwerking van gegevens ................................................................................... 13
1.3 2
RESULTATEN ........................................................................................................................ 16 2.1
Remote sensing ........................................................................................................... 16
2.2
Boomgroei ................................................................................................................... 18
2.3
BEÏNVLOEDENDE FACTOREN: BODEM EN HYDROLOGIE ............................................ 22
2.3.1
Digitaal hoogtemodel en ecohydrologie van Stropersbos .................................. 22
2.3.2
Bodem en hydrologie nabij de testbomen van grove den .................................. 23
2.4 3
Beïnvloedende factoren: bodem en -hydrologie ........................................................ 13
BEÏNVLOEDENDE FACTOREN: ZIEKTEN EN PLAGEN .................................................... 28
TOEKOMSTVERWACHTING VAN HET BOS........................................................................... 30
Referenties .................................................................................................................................. 31 Bijlage .......................................................................................................................................... 32
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
Lijst van figuren Figuur 1 Figuur 2
Figuur 3 Figuur 4 Figuur 5 Figuur 6
Figuur 7
Figuur 8 Figuur 9 Figuur 10 Figuur 11
Figuur 12 Figuur 13
Figuur 14
Kaart van de bestanden fijnspar (a) en grove den (b) in het studiegebied volgens de Bosreferentielaag 2000. Voorbeeld van een ortho-tijdsreeks voor beschadigde fijnspar (boven, schadeklasse = totaal) en beschadigde grove den (onder, schadeklasse = verspreid). Stekene, Stropersbos : locatie van de bomen bemonsterd voor analyse van de jaarringen (groene driehoekjes) Bodemdata van bodemprofielen uit de databanken Aardewerk2010 (paars) en INBOdem (rood.) Locaties van Watina+ en VMM peilbuizen en overlappende data Op orthofoto ingeschatte schade in 2017-2020 voor fijnspar, voor de random geselecteerde percelen. Het aantal percelen per klasse staat tussen haakjes aangegeven. Op orthofoto ingeschatte schade in 2017-2020 voor grove den, voor de random geselecteerde percelen. Het aantal percelen per klasse staat tussen haakjes aangegeven. Verdeling van de ingeschatte schade over de verschillende schadeklassen, voor fijnspar en grove den. jaarringbreedte in 1/10 mm voor de periode 1960-2021 jaarringbreedte in verhouding tot de gemiddelde jaarringbreedte (=1); gemiddelde van alle gemeten bomen. jaarringbreedte in verhouding tot de gemiddelde jaarringbreedte (=1); gemiddelde van de bomen op de 4 locaties. De blauwe pijlen tonen de jaren met een gelijke groeitrend. evolutie van de gemiddelde jaarringbreedte in mm (bron VBI2: www.natuurenbos) Het digitaal hoogtemodel toont mooi de hoogteverschillen tussen de dekzandrug (rond 13 m TAW) en de lager gelegen delen (groen en blauwe kleuren). De locaties van de testbomen en peilbuizen zijn duidelijk aangeven binnen deze gradiënten. Dalende trends (blauwe stippellijn) van grondwatertafel in de periode 20092021 in alle bodemtypes. Op tijdstippen aangeduid met oranje pijl volstaat de peilbuisdiepte niet meer om peilen te monitoren. Op zandbodems is dit vocht dan ook nog moeilijk bereikbaar voor bomen en zijn zij voor hun watervoorziening vooral afhankelijk van neerslag
9
9 11 14 15
16
17 17 18 19
19 20
22
22
Lijst van foto’s Foto 1 Foto 2 Foto 3 Foto 4
Foto 5
aanwas- of Presslerboor (foto : A. De Haeck) houtstalen, klaar voor het opmeten van de jaarringbreedte (foto : A. De Haeck) Peilbuis STRP050 (foto: B. De Vos) Begraven Podzol profiel in wortelkluit van omgewaaide grove den (boom 1) met rechts een detailopname met vermelding van de pedogenetische horizonten. (foto: B. De Vos) Cascade-windworp van grove den op hoge grondwatertafel (foto B. De Vos)
12 13 15
27 28
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 5 van 41
Lijst van tabellen Tabel 1 Tabel 2 Tabel 3 Tabel 4 Tabel 5
Overzicht van de gebruikte winterbeelden met hun exacte opnamedatum voor het studiegebied ‘Scheldemondbos’. Inventaris en georeferentie van de bemonsterde bomen gemiddelde jaarringbreedte in 1/10 mm / boom / periode 10-tal jaar voor locatie 1, 2 , 3 en 4 Bodemtype en dichtstbijgelegen peilbuizen voor de bemonsterde bomen Bodemprofielbeschrijving in de wortelkluit van Boom 1
7 12 21 23 26
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
1 MATERIAAL EN METHODE 1.1 REMOTE SENSING Om de omvang van de schade op bestandsniveau in te schatten, werd gewerkt met de luchtopnames die aangeleverd worden door Digitaal Vlaanderen [1]. Elk jaar wordt over heel Vlaanderen een winterbeeld opgenomen met een ruimtelijke resolutie (pixelgrootte) van 25 cm, en om de drie jaar wordt ook een zomerbeeld opgenomen met een ruimtelijke resolutie van 40 cm. Om de schade in naaldboom bestanden in te schatten, gebruikten we vooral de winterbeelden, omdat er tijdens de winterperiode minder interferentie is met de ondergroei die vaak uit loofbomen bestaat én omdat deze beelden een hogere resolutie en dus een grotere mate van ruimtelijk detail hebben dan de zomerbeelden. Bovendien is er elk jaar een winterbeeld beschikbaar, zodat schade sneller en op een meer betrouwbare manier (als de schade op meerdere opeenvolgende winterbeelden zichtbaar is) ingeschat kan worden. De huidige schade werd geschat op basis van een tijdreeks van winterbeelden opgenomen tussen 2017 en 2020. De historische schade werd geschat op het winterbeeld van 2002, omdat dit het enige beschikbare beeld is over de periode 2000-2005. De exacte opnamedatum van de beelden varieert doorheen de jaren. In Tabel 1 wordt de opnamedatum voor elk beeld weergegeven.
Tabel 1 Overzicht van de gebruikte winterbeelden met hun exacte opnamedatum voor het studiegebied ‘Scheldemondbos’.
Jaar
opnamedatum (DD/MM/JJJJ)
2002
28/03/2002
2017
16/03/2017
2018
19/04/2018
2019
10/04/2019
2020
31/03/2020 (stukje 05/04/2020)
Schade werd in deze oefening gedefinieerd als een duidelijke afname in groenheid van individuele boomkruinen.Schade werd visueel ingeschat door operatoren in een ArcGIS
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 7 van 41
omgeving. Omdat het op orthofoto quasi onmogelijk bleek om het exacte percentage schade op bestandsniveau te schatten, werkten we met 7 kwantitatieve schadeklassen: ● ● ● ● ● ● ●
geen: er kunnen geen beschadigde boomkruinen worden vastgesteld binnen dit bestand lokaal: op één of een beperkt aantal locaties binnen dit bestand zijn één of een paar boomkruinen beschadigd verspreid: boomkruinen doorheen het hele bestand zijn beschadigd, maar in totaal niet meer dan de helft van het bestand heel algemeen: boomkruinen doorheen het hele bestand zijn beschadigd, in totaal meer dan de helft van het bestand, maar niet meer dan 3/4 van het bestand totaal: boomkruinen doorheen het hele bestand zijn beschadigd, in totaal meer dan 3/4 van het bestand gekapt: alle bomen in het bestand werden gekapt tussen 2002 en 2020 omgezet: er staan andere boomsoorten in 2020 dan in 2002.
Behalve de orthofoto’s werd ook gebruik gemaakt van de Bosreferentielaag 2000. Dit is een kaart die in verschillende fases werd opgemaakt en de locatie van alle bossen in Vlaanderen, aangevuld met de soortensamenstelling in referentiejaar 2000, weergeeft. De basis was een eerste kartering uitgevoerd door een visuele interpretatie van kleur-infrarode luchtfoto’s uit de periode 1978-1990, aangevuld met terreincontroles. Later werd een update gerealiseerd door visuele interpretatie van digitale zwart-wit orthofoto’s van 1995. Aanvullende terrein controles werden uitgevoerd door de afdeling Bos & Groen in de periode juli 1999-juli 2000 [2]. Deze kaart werd voornamelijk gebruikt voor het bepalen van de originele boomsoort. In figuur 1 worden de zuivere fijnspar- en grove den bestanden volgens de Bosreferentielaag van 2000 weergegeven op kaart. Het totaal aantal zuivere fijnspar bestanden is gelijk aan 174 met een gemiddelde grootte van 0.81 ha . Dat betekent dat er in 2000 in het gebied 141 ha aan fijnspar in zuivere bestanden aanwezig was. Het totaal aantal zuivere grove den bestanden is gelijk aan 162 met een gemiddelde grootte van 2.33 ha . Dat betekent dat er in 2000 in het gebied 377 ha aan grove den in zuivere bestanden aanwezig was. Telkens 20 % van de zuivere bosbestanden voor zowel fijnspar (n1 = 35) als grove den (n2 = 33) werd random geselecteerd. Voor de geselecteerde bestanden werd de schade in ArcGIS ingeschat volgens de methode die hierboven beschreven werd, zowel in 2002 als in 2020. Figuur 2 toont een tijdreeks van orthofoto’s voor grove den en fijnspar, op basis waarvan een schadeklasse werd toegekend.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
Figuur 1 Kaart van de bestanden fijnspar (a) en grove den (b) in het studiegebied volgens de Bosreferentielaag 2000.
Figuur 2 Voorbeeld van een ortho-tijdsreeks voor beschadigde fijnspar (boven, schadeklasse = totaal) en beschadigde grove den (onder, schadeklasse = verspreid). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 9 van 41
1.2 BOOMGROEI In de gematigde streken vormt een boom jaarlijks een nieuwe concentrische cirkel hout onder de bast : een jaarring. Deze aanwas vindt plaats tijdens de jaarlijkse groeiperiode (maart-april t/m september-oktober). De diktegroei van bomen is afhankelijk van meerdere factoren zoals onder andere : licht, temperatuur, water, bodem, onderlinge concurrentie, klimaat, aantastingen, adaptatie, genetische eigenschappen en beheer. Het jaarringpatroon en de jaarringbreedte kan de diverse groeiomstandigheden weerspiegelen. Het zijn de meest beperkende factoren die bepalend zijn voor de boomgroei. Tijdens de afgelopen jaren ontving het diagnosecentrum bomen (INBO) vooral uit Zandig Vlaanderen meerdere meldingen van toegenomen vitaliteitsproblemen en droogteschade in naaldhoutbestanden. Gezien de aanhoudende en hevige droogteperiodes die zich in de afgelopen decennia hebben voorgedaan is droogte de meest voor de hand liggende primaire oorzaak voor de bossterfte. Verzwakte bomen verliezen hun veerkracht en herstellen vaak langzamer en minder goed dan vitale bomen. Zij worden vatbaarder voor en minder weerbaar tegen ziekten en plagen en kan een negatieve spiraal ingezet worden. Dendrochronologie is de studie van jaar- of groeiringen in houtige gewassen. Het jaarringpatroon van bomen geeft een inzicht in hun historische groei. De jaarringpatronen van bomen op van elkaar verschillende standplaatsen worden met elkaar vergeleken. Dee jaren waarin zich bij alle groepen eenzelfde trend voordoet worden vergeleken met voorgekomen incidenten.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
1.2.1 Staalname In maart 2022 werd op vier verschillende locaties in het Stropersbos een verkennende steekproef uitgevoerd. De gekozen locaties vertonen telkens andere standplaats eigenschappen (figuur 3).
Figuur 3 Stekene, Stropersbos : locatie van de bomen bemonsterd voor analyse van de jaarringen (groene driehoekjes)
Voor deze steekproef werd enkel grove den geselecteerd omdat er van deze soort de laatste jaren relatief veel schade wordt genoteerd zowel in het studiegebied als in Vlaanderen. De geselecteerde bomen bevinden zich telkens binnen de invloedsfeer van een gedocumenteerde peilbuis. Per locatie werd uit minstens 2 en maximaal 4 bomen een houtstaal genomen op 130 cm boven de stamvoet. Er werd telkens 1 boorstaal per boom genomen, dwars uit de stam van staande of van recent ontwortelde bomen met een holle boor, een zgn. aanwas- of Presslerboor (foto 1).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 11 van 41
Foto 1 aanwas- of Presslerboor (foto : A. De Haeck) De te bemonsteren bomen werden random op het terrein uitgekozen uit dezelfde omtrekklasse. Van de staande bomen werd thv de staalname de stamomtrek gemeten. Indien de stamomtrek van de liggende bomen niet kon gemeten worden, werd deze afgeleid uit de diametermeting van de stam. Alle bomen krijgen een logisch nummer en zijn gegeorefereerd met hand-gps (Tabel 2).
Tabel 2 Inventaris en georeferentie van de bemonsterde bomen Stamomtrek Stamdiameter (cm) (cm) Windworp
Boomnr
Soort
groep
1
Pisy
1
119
38
ja
51.2469314
4.06795495
128995.7
215266.4
2
Pisy
1
113
36
ja
51.24666052
4.06831013
129020.4
215236.1
3
Pisy
2
107
nee
51.2403808
4.07882488
129751.9
214534.6
4
Pisy
2
88
ja
51.24057372
4.07880413
129750.5
214556
5
Pisy
2
107
ja
51.2405732
4.07913063
129773.3
214555.9
6
Pisy
2
137
nee
51.24050486
4.07909548
129770.8
214548.3
7
Pisy
3
125
ja
51.24396503
4.07344443
129377.7
214934.8
8
Pisy
3
112
ja
51.24391358
4.07368438
129394.4
214929
9
Pisy
4
124
nee
51.24587623
4.07819275
129710.1
215146.1
10 Pisy 4 Pisy = Pinus sylvestris
131
nee
51.24599991
4.07813063
129705.8
215159.9
28
LAT
LONG
LB72X
LB72Y
Er werd bij het nemen van boorstalen maximaal getracht om de oudste jaarring - de fysiologische kern van de boom - mee te bemonsteren. De oriëntatie van de takaanzetten en de stamvorm gelden hierbij als belangrijkste leidraad. De houtstalen werden geklemd en het kopse hout werd met een scalpel glad gesneden en zo nodig bijgeschuurd (schuurpapier P1200) zodat de jaarringen duidelijk zichtbaar zouden zijn. Elk staal werd dan in een houten groef gekleefd (foto 2).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
Foto 2 houtstalen, klaar voor het opmeten van de jaarringbreedte. 1 jaarring bestaat uit een licht en een donker strookje (foto : A. De Haeck)
1.2.2 Verwerking van gegevens De absolute breedte van alle jaarringen werd gemeten met het meetoculair van een microscoop type LeicaMZ6. Alle meetwaarden van de jaarringen worden uitgedrukt in 1/10 mm (bijlage 1). De verwerking van de gegevens start bij de jaarring die in 1960 werd gevormd en stopt in de laatst gevormde jaarring van 2021. De jaarringbreedte in de jeugdfase van bomen wordt minder sterk beïnvloed door externe factoren dan tijdens de volwassen fase. Daarom zijn deze oudste jaarringen minder representatief voor het beoordelen van de boomconditie en worden zij verder niet in beschouwing genomen. Er wordt een overzicht gegeven van de gemiddelde boomgroei in 6 tijdsreeksen van elk ca 10 jaar. De gemiddelde groei van elke bomengroep wordt weergegeven. De gestandaardiseerde waarden wordt bekomen door de gerealiseerde groei te delen door de gemiddelde groei (waarde 1). Waarden hoger dan 1 gelden voor een betere groei, lagere waarden voor een slechtere groei dan het gemiddelde. De jaren waarin alle bomen eenzelfde positieve of negatieve groeitrend vertonen worden benoemd. De groeitrend van de bomen op de 4 locaties wordt met elkaar vergeleken.
1.3 BEÏNVLOEDENDE FACTOREN: BODEM EN -HYDROLOGIE Om de standplaats- en groeicondities te karakteriseren binnen het projectgebied dient informatie over de bodem en het grondwater bijeengebracht te worden. Binnen het Vlaamse deel van het projectgebied halen we gebiedsdekkende informatie uit de Belgische bodemkaart, waaruit de bodemtextuur, de (historische) vochttrappen en de bodemprofielontwikkeling af te leiden is volgens zogenaamde bodemseries (rood omrande polygonen in Figuur 1). De chemische eigenschappen van die bodemseries werden tijdens de ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 13 van 41
bodemkartering (1947 - 1973) op specifieke locaties bepaald aan de hand van grondboringen. Deze data werd door Van Orshoven (1988) in de Aardewerk databank gebracht en reflecteren de bodemcondities (bvb bodemzuurtegraad) van 50 jaar geleden, toen de bosbestanden in Stropersbos en omliggende bossen werden aangeplant. Veel recentere bodeminformatie in bos en natuurgebieden werd door INBO verzameld via diverse projecten en gestockeerd in INBOdem. Figuur 2 toont de locaties van 31 Aardewerkprofielen binnen het projectgebied (3 gelegen binnen stropersbos) waarvan bodemdata werd gehaald uit de databank Aardewerk2010 (Van De Vreken et al. 2011) en 6 boringen (waarvan 3 in Stropersbos) die recente INBOdem gegevens bevatten. De analyse van de gegevens worden verder besproken.
Figuur 4 Bodemdata van bodemprofielen uit de databanken Aardewerk2010 (paars) en INBOdem (rood.)
Voor de grondwaterstanden werden gegevens bijeengebracht uit de Watina+ databank van INBO aangevuld met gegevens van het VMM meetnet. Een overzicht van de peilbuizen is te vinden in Figuur 5. Vooral de peilbuizen in de nabijheid van de bomen waarvan de jaarringen werden geanalyseerd werden in detail bekeken. Er werd immers getracht een verband te vinden tussen de jaarring-groei en de grondwaterstanden. De referentiepeilbuizen dienen wel in hetzelfde bodemtype te liggen als deze van de testbomen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
Foto 3 Peilbuis STRP050 (foto: B. De Vos)
Figuur 5 Locaties van Watina+ en VMM peilbuizen en overlappende data
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 15 van 41
2 RESULTATEN 2.1 REMOTE SENSING Figuur 6 toont de ingeschatte schade voor fijnspar op kaart, voor de 20% random geselecteerde percelen, voor de huidige periode 2017-2020. Figuur 7 toont hetzelfde voor grove den. Voor het referentiejaar 2002 worden de resultaten niet visueel weergegeven, omdat in geen enkel perceel visuele schade gedetecteerd kon worden. De verdeling van de ingeschatte schade over de verschillende schadeklassen wordt weergegeven in Figuur 8 opnieuw voor de huidige periode 2017-2020.
Figuur 6 Op orthofoto ingeschatte schade in 2017-2020 voor fijnspar, voor de random geselecteerde percelen. Het aantal percelen per klasse staat tussen haakjes aangegeven.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 16 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
FIGUUR
Figuur 7 Op orthofoto ingeschatte schade in 2017-2020 voor grove den, voor de random geselecteerde percelen. Het aantal percelen per klasse staat tussen haakjes aangegeven.
Figuur 8 Verdeling van de ingeschatte schade over de verschillende schadeklassen, voor fijnspar en grove den.
Uit de bovenstaande figuren zien we dat er voor de fijnsparren nog maar 1% van de oppervlakte niet of slechts lokaal beschadigd is. We verwachten daarom dat fijnspar volledig uit het gebied zal verdwijnen. Aangezien er in het gebied 141 ha zuivere fijnspar voorkwam in ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 17 van 41
2000 en 17 ha gemengde fijnspar, kunnen we verwachten dat op korte termijn 140 - 160 ha aan fijnspar zal verdwijnen. Deze oppervlakte komt vrij voor het aanplanten van alternatieve boomsoorten. Voor grove den zien we dat 15% van de oppervlakte aan zuivere bestanden als verspreid beschadigd (<= 50%) en 71% als lokaal beschadigd (≈10%) werd waargenomen op de orthofoto’s. Aangezien er in het gebied 378 ha zuivere grove den voorkwam in 2000, zou dit betekenen dat ongeveer 50 ha aan grove den op dit moment visueel beschadigd is. Uit de resultaten in de volgende secties zal moeten blijken of we de komende jaren een aanzienlijke toename in zichtbare schade aan grove den kunnen verwachten.
2.2 BOOMGROEI De jaarringbreedte van alle jaarringen van alle individuele bomen wordt gemeten (cijfers bijlage 1). Bij 3 bomen werden respectievelijk 73 (boom1), 75 (boom 6) en 76 (boom 7) jaarringen geteld. Enkel ter hoogte van de stambasis komen alle jaarringen van een boom voor. Omdat de staalname op borsthoogte werd genomen moeten de jaren die de boom nodig heeft om deze hoogte te bereiken, worden bijgeteld met naar schatting 5 jaar. Zodoende wordt de leeftijd van deze bomen geschat tussen de 78 en 81 jaar. De boorkern uit de overige bomen was te ver naast de feitelijke boomkern waardoor meer jaarringen ontbreken en een betrouwbare schatting van de leeftijd zonder meer onderzoek niet mogelijk is.
Figuur 9 jaarringbreedte in 1/10 mm voor de periode 1960-2021
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
Figuur 10 jaarringbreedte in verhouding tot de gemiddelde jaarringbreedte (=1); gemiddelde van alle gemeten bomen.
Merk in de bovenstaande grafiek het groeiverloop op na de droge zomer 1976 en de natte aansluitende seizoenen; een terugval tussen 1983 en 1993-1994, vanaf 2002, 2007 en 2014. De groeiafname vanaf 2014 stemt overeen met de dalende trend van de waterpeilen vanaf deze periode. In 2018 wordt de laagste aangroei gerealiseerd. In de jaren na 2019 en 2020 wordt er een lichte groeitoename gerealiseerd. De totale jaarringreeks is te beperkt om een gedetailleerd antwoord te kunnen geven over het groeiverloop van de bomen. Zo kan het afsterven van verzwakte bomen een concurrentievoordeel opleveren aan resterende bomen waardoor deze dan plots sterker gaan groeien. Dit kan een tijdelijk effect zijn en een mogelijke verklaring voor de groeitoename vanaf 2018, ’19 en ‘20.
Figuur 11 jaarringbreedte in verhouding tot de gemiddelde jaarringbreedte (=1); gemiddelde van de bomen op de 4 locaties. De blauwe pijlen tonen de jaren met een gelijke groeitrend.
In de periode 2011-2021 bedraagt de gemiddelde jaarlijkse diameteraangroei voor de diameterklasse 30-39 cm van grove den in het Stropersbos (meetpunten ten zuiden van de
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 19 van 41
Linie) 1,5 mm (Govaere, L.). Voor dezelfde boomsoort, periode en diameterklasse bekomen wij een jaarringbreedte van 1,2 mm voor de 10 bomen die ten noorden van de Linie staan. Gezien het beperkte aantal data zijn deze waarden slechts indicatief en moeten zij met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Belangrijker is de dalende trend die in de beide metingen worden vastgesteld (figuur 12)
gemiddelde jaarringbreedte in mm VBI2 1998-2011 Vlaanderen
2,05
INBO 2000-2011
1,8
VBI3 2011-2021 Stropersbos
1,5
INBO 2011-2021
1,2
Figuur 12 evolutie van de gemiddelde jaarringbreedte in mm (bron VBI2: www.natuurenbos)
Het 10-jaars gemiddelde toont een terugval van de jaarringbreedte tussen 1991-1981 en 20212011 die aanzienlijk onder het Vlaamse gemiddelde scoort. Op het einde van de periode 19811990 is er zware stormschade (1990) gevolgd door aantasting van dennenscheerder, hagelstorm (juni 1991), gevolgd door o.a. infectie Sphaeropsis sapinea, andere secundaire schimmelinfecties en aantastingen door dennenscheerder. Begin de jaren 1990 werd een daling van het grondwater genoteerd met 30cm (Roskams,P. 1995). In de periode 2011-2021 zijn langdurige droge en warme periodes voorgekomen. De droogteperiodes die zich tussen 2001 en 2011 hebben voorgedaan tekenen zich vooral af op de locaties 2, 3 en 4 en minder op locatie 1. Dit kan op basis van deze meting niet verklaard worden. Vanaf 2014 doet zich een sterke groeivermindering voor bij alle gemeten bomen. ¾ van de peilbuismetingen bevestigen een progressieve daling van grondwaterstanden tijdens de vegetatieperiode.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
Tabel 3 gemiddelde jaarringbreedte in 1/10 mm / boom / periode 10-tal jaar voor locatie 1, 2 , 3 en 4 jaarringbreedte in 1/10 mm/periode
boom1
boom2
boom3
boom4
locatie 1
boom5
boom6
boom7
locatie 2
boom8
boom9
locatie 3
boom10
gemiddeld alle bomen
locatie 4
2011-2021
22
17
13
1
10
21
12
18
3
8
12
2001-2010
29
23
10
7
17
23
11
14
18
25
18
1991-2000
19
15
7
12
11
20
11
13
16
26
15
1981-1990
15
11
13
17
13
19
7
12
26
25
16
1971-1980
16
9
14
22
13
18
12
19
26
30
18
1960-1970
19
16
26
24
17
19
14
23
37
23
22
Voor een overzicht van de absolute en relatieve jaarringbreedte per bomengroep (locatie 1, 2, 3 en 4) wordt verwezen naar bijlage 2.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 21 van 41
2.3 BEÏNVLOEDENDE FACTOREN: BODEM EN HYDROLOGIE 2.3.1 Digitaal hoogtemodel en ecohydrologie van Stropersbos
Figuur 13 Het digitaal hoogtemodel toont mooi de hoogteverschillen tussen de dekzandrug (rond 13 m TAW) en de lager gelegen delen (groen en blauwe kleuren). De locaties van de testbomen en peilbuizen zijn duidelijk aangeven binnen deze gradiënten.
Figuur 14 Dalende trends (blauwe stippellijn) van de grondwatertafel in de periode 2009-2021 in alle bodemtypes. Op tijdstippen aangeduid met oranje pijl volstaat de peilbuisdiepte niet meer om peilen te monitoren. Op zandbodems is dit vocht dan ook nog moeilijk bereikbaar voor bomen en zijn zij voor hun watervoorziening vooral afhankelijk van neerslag
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
2.3.2 Bodem en hydrologie nabij de testbomen van grove den Het bodemtype en relevante peilbuizen in de nabijheid van de 10 testbomen zijn opgegeven in Tabel 4. Tabel 4 Bodemtype en dichtstbijgelegen peilbuizen voor de bemonsterde bomen
Boom Nr
Zbg(o)(z)
Droge podzol met sterk STRP050 antropogene invloed (o) en humusarme bovengrond (z)
236
Zbg(o)(z)
idem
STRP050
236
ZcP(o)
Matig droog zand, zwak STRP027 gleyig, met onbepaalde STRP030 profielontwikkeling en sterke antropogene invloed
102 125
ZcP(o)
idem
STRP027 STRP030
82 123
ZcP(o)
idem
STRP027 STRP030
77 147
ZcP(o)
idem
STRP027 STRP030
85 143
ZdP(o)
Natte, matig gleyige zandbodem met onbepaalde profielontwikkeling en sterk antropogene invloed
STRP052 STRP041
31 52
ZdP(o)
idem
STRP052 STRP041
22 52
Sfp(o)
Lemige zandbodem, zeer nat, zeer sterk gleyig met reductiehorizont en onbepaalde profielontwikkeling, sterk antropogeen beïnvloed.
STRP017 STRP018 STRP019 STRP020 STRP021
14 26 40 52 53
Sfp(o)
idem
STRP017 STRP018
26 24
3
4
5 6
7
8
9
10
Afstand tot peilbuizen (m)
Omschrijving
1 2
Referentie Peilbuizen
Bodemserie
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 23 van 41
STRP019 STRP020 STRP021
53 65 66
Piëzometrie tijdsreeksen per boom : tijdsreeks van meting staat rechts boven de grafieken. Boom 1&2
Lage grondwaterstand tot 2011 en dalende trend vanaf 2013-2014 zie je dat ook in groeiringen Boom 3&4&5& 6
Dalende trend vanaf 2014 met steeds dieper wegzakkende en langer durende zomerpeilen en vanaf 2017 ook licht dalende winterpeilen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 24 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
Boom 7 &8
geen noemenswaardige trend op deze standplaats, althans tot 2016 - steeds hoge GWT (zie foto 5 : wortelplaat en cascade windworp) - vanaf 2012 grotere schommelingen. In 2009, 2010 en 2015 een langere periode van een laag zomerpeil. Boom 9 & 10
Vanaf 2014 duidelijk dalende zomerpeilen, gemiddelde dalende trend vanaf 2016
Bodemprofielen in wortelkluit Recente windworpbomen zijn interessante studieobjecten voor bosbouwers en bosbodemkundigen. Zonder dat een profielput moet gegraven worden exposeren zij het bewortelde bodemvolume, tonen hoe het wortelstelsel zich ontwikkeld heeft in elke bodemhorizont en wijzen zij op eventuele groeibeperkingen door bijvoorbeeld een hoge
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 25 van 41
grondwatertafel. In Foto 4 van ontwortelde boom 1 (Tabel 5) is de wortelkluit meer dan 1 m diep, en is het bodemprofiel opgebouwd uit volgende horizonten : Tabel 5 Bodemprofielbeschrijving in de wortelkluit van Boom 1
Horizont
Diepte (cm)
Omschrijving
Opmerking
Ap
0-55
Bewerkte en/of vergraven De bodem is hier duidelijk bodem vergraven (maken van panden) of ooit bewerkt
Ah
55-56
Rest van een humusaanrijkingshorizont
Dit is de oorspronkelijke Ah van een bos
E
56-65
Eluviatie horizont
Uit deze horizont zijn humus, Fe- en Al-oxiden uitgeloogd, vandaar witte zandkleur door cheluviatie
Bh
65-69
Humusaanrijkingshorizont Dit is de top van de ‘spodic horizon’ met accumulatie van humus
Bs
69-74
Ijzeraanrijkingshorizont
Deel van de spodic horizon waar de uitgeloogde ijzeroxide uit E zich opstapelen
C
> 74
Moedermateriaal
Dit is het oorspronkelijke bodemmateriaal waarin deze Podzol zich heeft ontwikkeld
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 26 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
Foto 4 Begraven Podzol profiel in wortelkluit van omgewaaide grove den (boom 1) met rechts een detailopname met vermelding van de pedogenetische horizonten. (foto: B. De Vos)
Dit profiel geeft aan dat deze bodems oppervlakkig zeer sterk door de mens werden beïnvloed door bewerking (landbouwcultuur) en vergraving (panden/grachten) of zelfs aanvoeren van grond (aangegeven op de bodemkaart met (o). Normaal is een Ap onder landbouwgebruik slechts 20-30 cm diep maar hier is dit dubbel zo groot. Diepspitten tot 2 spades diep was bij bosaanleg (vooral in de Kempen) gebruikelijk. Bij de windworp-profielen van de andere testbomen in Stropersbos was de bewerkte Ap horizont veel minder dik en meestal minder dan 30 cm. De cascade windworp van de grove dennen 7 en 8 (locatie in Figuur 1) op ZdP bodem hebben een zeer brede wortelplaat door de hoge grondwaterstand (duidelijk zichtbaar op de foto), in duidelijke tegenstelling tot de bomen 1 en 2 op de droge dekzandrug (vergelijk met foto 4). Bij hevig stormweer en zeker wanneer de expositie toeneemt door dunnen of kappen van omliggende bestanden hebben deze bomen te weinig wortelverankering in de diepte.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 27 van 41
Foto 5 Cascade-windworp van grove den op hoge grondwatertafel (foto: B. De Vos)
2.4 BEÏNVLOEDENDE FACTOREN: ZIEKTEN EN PLAGEN Eerder verzwakte bomen worden vaker en sterker aangetast door secundaire organismen zoals insecten en schimmels. De resultante hiervan is vaak een verhoogd blad- of naaldverlies. Een sprekend voorbeeld is de massale sterfte van fijnspar tijdens de afgelopen jaren : eerst verzwakt door droogte en warmte en secundair massaal aangetast door letterzetter (Ips typographus). Zo heeft de storm van 1990, gevolgd door meerdere insectenaantastingen tot gevolg gehad dat de bomen een duidelijk mindere groei vertoonden. Een relatief recent symptoom dat in Vlaanderen in toenemende mate wordt vastgesteld is harsuitvloei (Sioen,G.). Dit symptoom is atypisch en kan meerdere oorzaken hebben zoals : aantasting schorskevers, exploitatieschade, schimmelaantasting. De schimmel Sphaeropsis sapinea (Diplodia pinea) is een gekende oorzaak van scheut-, twijg- en taksterfte bij dennen. Als gevolg van droogte en warmte kan deze schimmel een bijkomende pathologie ontwikkelen. Het gevolg hiervan is (massale) harsuitvloei over de stam, vorming van stamkankers, kroon- en boomsterfte. In onze buurlanden wordt deze ziekte eveneens in toenemende mate vastgesteld (Mette, T.). Uit eigen observaties blijkt dat de ontwikkeling van uitgesproken stamkankers en -vergroeiingen meerdere jaren in beslag kan nemen met een progressieve groeivermindering van de bomen als gevolg. In de bestanden van het onderzoeksgebied worden deze symptomen in mindere of meerdere mate gezien. Het is zeker niet uit te sluiten dat de vaak extreem beperkte aanwas ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 28 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
die bij enkele bomen uit de steekproef blijkt, wijst op een verzwakking als gevolg van aantastingen door deze schimmel. Hij kan als endofiet gedurende jaren symptoomloos aanwezig zijn en getriggerd worden indien de boom een stressperiode als gevolg van warmte en droogte doormaakt. In geval van aanhoudende droogte kan een boom een deel van het vocht uit het kernhout verplaatsen naar het spinthout om het alsnog te benutten voor zijn verdamping. Hierdoor zal het kernhout enkele percenten droger worden. Zuurstof kan de plaats van het vocht in het kernhout innemen waardoor schimmelgroei mogelijk wordt (Boddy,L).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 29 van 41
3 TOEKOMSTVERWACHTING VAN HET BOS De recente sterfte fijnspar tijdens de periode 2016-2019 in de regio was voor ingewijden geen verrassing, alleen was de vraag wanneer deze zich zou voordoen. Sinds de laatste jaren worden problemen vastgesteld in dennenbestanden in het onderzoeksgebied. Maar deze worden ook in Vlaanderen en de ons omringende landen gezien. Dat lag veel minder in de lijn van de verwachtingen. Temeer omdat grove den traditioneel als een heel droogteresistente soort wordt aanzien. Lange droge en warme periodes vormen de initiële verzwakking van de bomen waardoor zij vatbaarder worden voor aantastingen (Hunziker,S.). In stabiele groeiomstandigheden is de kans op verstoring van de boomgroei minder uitgesproken omdat bomen en boomwortels zich in zekere mate kunnen ontwikkelen naar de voorkomende omstandigheden. Indien de groeiomstandigheden voor eenzelfde standplaats en binnen een relatief korte tijd van het ene naar het andere uiterste uitslaan, gaat dit meestal ten koste van de bosvitaliteit. Een groot deel van het Stropersbos staat onder invloed van grondwater. De afname van de bosvitaliteit wordt grotendeels beïnvloed door de toenemende daling van de grondwatertafel. Dit tekort aan water wordt in droge periodes vaak niet aangevuld door neerslag. In de gegeven omstandigheden worden naaldbomen sterker benadeeld dan loofbomen. Loofhout neemt nu reeds meer en meer de plaats in van afgestorven naaldbos. Er zijn meer inheemse loofboomsoorten dan naaldboomsoorten beschikbaar waardoor een grotere diversiteit en hiermee een grotere risicospreiding mogelijk wordt en het bos klimaatrobuuster wordt. Het 1e rapport van dit project geeft een overzicht van de ‘goodpractises klimaatadaptieve herbebossing’. Een grondwaterhuishouding met minder extremen zal ook in de toekomst van belang zijn voor een gezond en duurzaam loofbos.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 30 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
Referenties [1] https://www.vlaanderen.be/digitaal-vlaanderen/onze-oplossingen/luchtopnamen (geraadpleegd op 29/03/2022) [2] Goris, R., Vandenbroucke, P., Vandekerkhove K. en Verheyen, K., 2005, Ecologisch verantwoorde houtexploitatiewijzen voor bossen op kwetsbare bodems, Eindrapport. (3 volumes), in opdracht van Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Bos en Groen, uitgevoerd door Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, Vereniging voor Bos in Vlaanderen, Universiteit Gent – Laboratorium voor bosbouw. Roskams,P., 1995 , Sterfte van Grove den (Pinus sylvestris) te Kemzeke/St. Gillis-Waas. Nota ten behoeve van de Dienst Waters en Bossen. Govaere L. & Leyman A. (2021). Vlaamse bosinventarisatie (VBI2: 2009-2019, VBI3: 20202021), vs2021-11-01 [Dataset]. Agentschap Natuur en Bos. Tussentijdse resultaten, niet gepubliceerd. https://www.natuurenbos.be/vlaamsebosinventaris/duurzaamgebruik_aangroei.html#_________________23_Diameteraangroei___ ______________per_boomsoort_en_per_diameterklasse_______________ Hunziker, S., Begert, M., Scherrer,S., Rigling, A.,Gessler, A.(2021). Why are Scots pines dying in the Swiss Rhône valley? Poster.WSL https://forecomon2021.thuenen.de/fileadmin/forecomon/Presentations/113_Hunziker_3.pdf Sioen, G., Verschelde P., Roskams P. (2022). Bosvitaliteitsinventaris 2021. Resultaten uit het bosvitaliteitsmeetnet (Level 1). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2022 (7). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.71783042 Mette, T., Kölling,C. 2021 Landesanstalt für Wald und Forstwirtschaft 125. www.lwf.bayern.de/boden-klima/baumartenwahl/243914/index.php Boddy, L.(1992). Microenvironmental aspects of xylem defenses to wood decay fungi. in : Blanchette,R.A. Defence mechanisms of woody plants against fungi. Springer-verlag Berlin. Van De Vreken, P., Beckers, V., Jacxsens, P., Van Meirvenne, M. and Van Orshoven, J. 2011 AARDEWERK-Vlaanderen-2010 bodemdatabank. In opdracht van de Vlaamse Overheid, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen (ALBON).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 31 van 41
Bijlage
bijlage 1 : meting van de jaarringbreedte van alle aanwezige jaarringen in 1/10 mm
jaar
boom 1 23
boom 2 15
boom 3 9
boom 4 1
boom 5 4
boom 6 40
boom 7 12
boom 8 20
boom 9 2
boom10
2021
nr jaarring 1
4
gemiddeld alle bomen 13
2020
2
18
18
9
1
12
35
17
23
2
4
13,9
2019
3
20
8
20
1
7
24
11
20
3
3
11,7
2018
4
12
4
10
1
2
13
9
15
2
3
7,1
2017
5
21
4
10
1
5
15
9
20
2
3
9
2016
6
24
7
9
1
16
21
12
14
2
3
10,9
2015
7
21
24
10
1
15
15
14
16
2
2
12
2014
8
34
39
21
1
15
20
13
19
5
16
18,3
2013
9
26
31
17
1
11
15
11
15
4
16
14,7
2012
10
22
22
15
2
12
11
10
14
9
22
13,9
2011
11
25
22
14
7
11
10
7
13
8
18
13,5
2010
12
20
22
10
6
12
20
6
13
6
12
12,7
2009
13
34
19
11
7
9
20
7
8
7
16
13,8
2008
14
30
18
9
7
12
15
11
18
13
30
16,3
2007
15
33
19
12
3
20
26
10
19
15
34
19,1
2006
16
23
22
15
6
16
25
10
18
20
28
18,3
2005
17
30
26
9
7
20
22
12
12
22
28
18,8
2004
18
32
22
8
3
20
24
11
10
22
30
18,2
2003
19
29
25
10
4
23
25
10
11
22
21
18
2002
20
35
31
7
12
16
29
16
11
25
20
20,2
2001
21
24
28
12
18
17
26
15
15
32
29
21,6
2000
22
29
26
10
19
18
17
16
19
16
16
18,6
1999
23
28
22
10
17
15
16
14
16
26
20
18,4
1998
24
18
15
10
18
14
17
15
15
31
30
18,3
1997
25
24
18
12
19
17
29
13
16
28
30
20,6
1996
26
13
17
10
8
8
25
8
11
13
23
13,6
1995
27
12
13
3
9
10
27
13
13
11
30
14,1
1994
28
15
12
2
8
13
30
14
16
12
39
16,1
1993
29
17
10
2
5
6
17
8
8
12
22
10,7
1992
30
17
9
2
6
5
10
7
4
9
26
9,5
1991
31
14
9
5
7
5
12
6
9
6
22
9,5
1990
32
16
9
11
12
9
17
7
17
3
21
12,2
1989
33
12
12
10
12
13
17
4
15
4
14
11,3
1988
34
17
15
15
10
12
21
4
9
20
18
14,1
1987
35
13
11
14
12
11
18
4
7
28
30
14,8
1986
36
13
11
12
13
14
18
6
9
36
30
16,2
1985
37
14
12
13
21
16
23
6
10
27
18
16
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 32 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
1984
38
15
11
10
19
11
24
8
13
34
23
16,8
1983
39
16
10
11
29
13
20
12
11
41
36
19,9
1982
40
20
11
18
22
17
16
11
14
35
30
19,4
1981
41
16
8
14
22
12
20
10
13
29
25
16,9
1980
42
17
13
11
17
11
19
10
15
36
19
16,8
1979
43
14
9
12
13
7
20
10
18
27
22
15,2
1978
44
10
4
13
12
6
17
9
15
27
40
15,3
1977
45
4
5
7
22
7
12
11
17
25
29
13,9
1976
46
10
10
15
29
10
19
14
25
22
32
18,6
1975
47
21
9
13
27
14
21
17
25
25
36
20,8
1974
48
17
8
12
25
17
18
14
23
21
33
18,8
1973
49
22
11
16
22
20
15
12
19
23
33
19,3
1972
50
24
9
22
25
21
18
9
18
23
25
19,4
1971
51
21
8
21
25
17
19
10
14
30
31
19,6
1970
52
18
11
17
17
10
15
11
19
36
31
18,5
1969
53
15
14
19
23
11
15
10
21
49
30
20,7
1968
54
17
22
23
20
12
14
15
28
47
20
21,8
1967
55
21
22
22
18
17
14
13
21
33
30
21,1
1966
56
25
16
25
23
18
17
16
25
26
16
20,7
1965
57
21
13
30
42
17
18
17
22
38
20
23,8
1964
58
20
15
30
31
16
24
15
20
31
22
22,4
1963
59
17
15
27
30
22
20
11
17
30
18
20,7
1962
60
18
18
33
18
26
27
17
23
30
16
22,6
1961
61
16
13
35
20
22
31
15
28
43
26
24,9
1960
62
17
15
27
20
13
17
13
24
47
25
21,8
1959
63
8
19
30
20
12
16
12
22
50
17
20,6
1958
64
30
28
40
33
26
20
19
30
18
27,1
1957
65
13
41
39
35
25
25
23
28,7
1956
66
17
34
26
30
30
18
18
24,7
1955
67
24
40
35
30
22
25
29,3
1954
68
11
24
42
36
24
25
27,0
1953
69
28
25
53
30
19
30
30,8
1952
70
42
58
63
33
30
50
46,0
1951
71
48
84
80
42
45
60
59,8
1950
72
52
72
60
78
65,5
1949
73
KERN
59
73
66,0
1948
74
60
54
57,0
1947
75
KERN
50
50,0
1946
76
KERN gemiddelde
21,0
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 33 van 41
jaar
boo nr jaarring m1
boo m2
boo m3
boo m4
boo m5
boo m6
boo m7
boo m8
boo m9
boom 10
gemiddeld alle bomen
2021
1
23
15
9
1
4
40
12
20
2
4
13
2020
2
18
18
9
1
12
35
17
23
2
4
13,9
2019
3
20
8
20
1
7
24
11
20
3
3
11,7
2018
4
12
4
10
1
2
13
9
15
2
3
7,1
2017
5
21
4
10
1
5
15
9
20
2
3
9
2016
6
24
7
9
1
16
21
12
14
2
3
10,9
2015
7
21
24
10
1
15
15
14
16
2
2
12
2014
8
34
39
21
1
15
20
13
19
5
16
18,3
2013
9
26
31
17
1
11
15
11
15
4
16
14,7
2012
10
22
22
15
2
12
11
10
14
9
22
13,9
2011
11
25
22
14
7
11
10
7
13
8
18
13,5
2010
12
20
22
10
6
12
20
6
13
6
12
12,7
2009
13
34
19
11
7
9
20
7
8
7
16
13,8
2008
14
30
18
9
7
12
15
11
18
13
30
16,3
2007
15
33
19
12
3
20
26
10
19
15
34
19,1
2006
16
23
22
15
6
16
25
10
18
20
28
18,3
2005
17
30
26
9
7
20
22
12
12
22
28
18,8
2004
18
32
22
8
3
20
24
11
10
22
30
18,2
2003
19
29
25
10
4
23
25
10
11
22
21
18
2002
20
35
31
7
12
16
29
16
11
25
20
20,2
2001
21
24
28
12
18
17
26
15
15
32
29
21,6
2000
22
29
26
10
19
18
17
16
19
16
16
18,6
1999
23
28
22
10
17
15
16
14
16
26
20
18,4
1998
24
18
15
10
18
14
17
15
15
31
30
18,3
1997
25
24
18
12
19
17
29
13
16
28
30
20,6
1996
26
13
17
10
8
8
25
8
11
13
23
13,6
1995
27
12
13
3
9
10
27
13
13
11
30
14,1
1994
28
15
12
2
8
13
30
14
16
12
39
16,1
1993
29
17
10
2
5
6
17
8
8
12
22
10,7
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 34 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
1992
30
17
9
2
6
5
10
7
4
9
26
9,5
1991
31
14
9
5
7
5
12
6
9
6
22
9,5
1990
32
16
9
11
12
9
17
7
17
3
21
12,2
1989
33
12
12
10
12
13
17
4
15
4
14
11,3
1988
34
17
15
15
10
12
21
4
9
20
18
14,1
1987
35
13
11
14
12
11
18
4
7
28
30
14,8
1986
36
13
11
12
13
14
18
6
9
36
30
16,2
1985
37
14
12
13
21
16
23
6
10
27
18
16
1984
38
15
11
10
19
11
24
8
13
34
23
16,8
1983
39
16
10
11
29
13
20
12
11
41
36
19,9
1982
40
20
11
18
22
17
16
11
14
35
30
19,4
1981
41
16
8
14
22
12
20
10
13
29
25
16,9
1980
42
17
13
11
17
11
19
10
15
36
19
16,8
1979
43
14
9
12
13
7
20
10
18
27
22
15,2
1978
44
10
4
13
12
6
17
9
15
27
40
15,3
1977
45
4
5
7
22
7
12
11
17
25
29
13,9
1976
46
10
10
15
29
10
19
14
25
22
32
18,6
1975
47
21
9
13
27
14
21
17
25
25
36
20,8
1974
48
17
8
12
25
17
18
14
23
21
33
18,8
1973
49
22
11
16
22
20
15
12
19
23
33
19,3
1972
50
24
9
22
25
21
18
9
18
23
25
19,4
1971
51
21
8
21
25
17
19
10
14
30
31
19,6
1970
52
18
11
17
17
10
15
11
19
36
31
18,5
1969
53
15
14
19
23
11
15
10
21
49
30
20,7
1968
54
17
22
23
20
12
14
15
28
47
20
21,8
1967
55
21
22
22
18
17
14
13
21
33
30
21,1
1966
56
25
16
25
23
18
17
16
25
26
16
20,7
1965
57
21
13
30
42
17
18
17
22
38
20
23,8
1964
58
20
15
30
31
16
24
15
20
31
22
22,4
1963
59
17
15
27
30
22
20
11
17
30
18
20,7
1962
60
18
18
33
18
26
27
17
23
30
16
22,6
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 35 van 41
1961
61
16
13
35
20
22
31
15
28
43
26
24,9
1960
62
17
15
27
20
13
17
13
24
47
25
21,8
1959
63
8
19
30
20
12
16
12
22
50
17
20,6
1958
64
30
28
40
33
26
20
19
30
1957
65
13
41
39
35
25
25
23
1956
66
17
34
26
30
30
18
18
1955
67
24
40
35
30
22
25
1954
68
11
24
42
36
24
25
1953
69
28
25
53
30
19
30
1952
70
42
58
63
33
30
50
1951
71
48
84
80
42
45
60
1950
72
52
72
60
78
1949
73
KERN
59
73
1948
74
60
54
1947
75
KERN
50
1946
76
18
KERN dominan te boom
gemidd eld
21
16
18
18
14
22
13
19
22
22
18
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 36 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
Bijlage 2 : tabellen absolute en relatieve jaarringbreedte per bomengroep (locatie 1, 2, 3 en 4)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 37 van 41
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 38 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 39 van 41
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 40 van 41
doi.org/10.21436/inbor.73679635
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.73679635
Pagina 41 van 41