Uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/112
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2022/112
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 18 maart 2022 diende xxx (hierna vermeld als: verzoeker), een verzoek in bij het Agentschap Onroerend Erfgoed (hierna : OE) om een afschrift te bekomen van alle vergunningsaanvragen, vergunningen, bijzondere voorwaarden en eventuele stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen in bijlage bij de vergunningsaanvragen van een lijst van 25 projecten. Op 7 april 2022 weigert het Agentschap OE het verzoek in te willigen wegens onredelijk grote werklast. Op 7 april 2022 diende verzoeker beroep in bij de beroepsinstantie tegen de weigeringsbeslissing van het Agentschap OE. Dit beroep werd geregistreerd op 11 april 2022 Op 10 mei 2022 werd, in toepassing van artikel II.50, §1, tweede lid van het Bestuursdecreet, de beslissingstermijn door de beroepsinstantie verlengd van dertig kalenderdagen tot een termijn van vijfenveertig kalenderdagen. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijke verzoek dateert van 18 maart 2022. De beslissing van het Agentschap OE dateert van 7 april 2022. Deze beslissing maakt melding van de beroepsmogelijkheid en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het Bestuursdecreet. Het beroepschrift van verzoeker d.d. 7 april 2022 is tijdig ingediend en ontvankelijk.
www.vlaanderen.be
Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
De bestreden beslissing
Het Agentschap OE weigert het verzoek in te willigen aangezien het groot aantal gelijkaardige verzoeken tot openbaarheid van verzoeker een onredelijke grote werklast veroorzaakt bij het agentschap.
2. Inhoud van het beroepschrift Beroeper verwijst in zijn beroepschrift naar de publicatie van een rapport waarin zijn naam staat vermeld zonder verdere gegevens, wat hem naar zijn mening reputatieschade toebrengt als leraar. Beroeper acht het een normale vraag dat hij als burger controle heeft over zijn eigen naam en over de correctie van gegevens onder zijn eigen naam, zelfs al blijken dat er veel te zijn. Voorheen werden al veel dossiers door het agentschap OE aan hem bezorgd en nu weigert men plots wegens onredelijk veel werklast.
3. Toelichting door het Agentschap OE Om met kennis van zaken het beroep te kunnen beoordelen contacteerde de beroepsinstantie het agentschap OE voor de nodige toelichting bij het ingestelde beroep. Het agentschap OE bezorgde de beroepsinstantie de nodige informatie en deelde mee haar standpunt te handhaven, zoals uiteengezet in de beslissing van 7 april 2022. In essentie draait het in deze zaak om het feit dat verzoeker een aantal jaren geleden heeft vastgesteld dat zijn naam wordt vermeld in archeologische rapporten of verslagen, zonder dat hij betrokken was bij het voorafgaand archeologisch onderzoek. Verzoeker heeft het agentschap OE hieromtrent gecontacteerd in de veronderstelling dat het agentschap dit probleem kon verhelpen, wat evenwel niet het geval was aangezien het agentschap in eerste instantie niet de auteur is van de desbetreffende documenten en dus ook niet verantwoordelijk is voor de erin vermelde informatie. Het agentschap is immers niet aanwezig bij de archeologische onderzoeken, zodat zij bij ontvangst van de vergunningsaanvragen met in bijlage de nodige stukken evenmin kan weten of verzoekers naam al dan niet terecht op het rapport staat vermeld. Het agentschap OE heeft echter alle begrip voor de situatie van verzoeker die inmiddels, naast een klacht bij de Vlaamse Toezichtcommissie, ook het parket van de procureur des konings in kennis stelde van deze zaak. Om verzoeker in staat te stellen een dossier samen te stellen tegen de studiebureaus die zijn naam gebruiken in rapporten of verslagen van archeologische onderzoeken die hij niet heeft uitgevoerd, heeft het agentschap in het verleden dan ook steeds alle verzoeken ingewilligd en het nodige opzoekingswerk in het archief gedaan om de opgevraagde stukken te kunnen bezorgen aan verzoeker. Ondertussen zijn we echter reeds verschillende jaren en ontelbare verzoeken verder en lijkt er geen einde te komen aan de drang van verzoeker om elk document waarin zijn naam zou vermeld kunnen zijn, te controleren.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/112
pagina 2 van 4
In 2021 werden maar liefst 33 dossiers door verzoeker opgevraagd waarvan 26 alleen al in de maand december aangevraagd. Alle aanvragen hebben bovendien telkens betrekking op oude dossiers van 2017, 2016, 2015 en ouder waarvan geen digitale versie bestaat en dus alle reeds lang gearchiveerde papieren dossiers telkens via het depot moeten worden opgevraagd, wat extra werklast met zich meebrengt. Eind december stelde het agentschap tot slot ook nog vast dat xxx een reeks dossiers opvroeg die hij reeds via Infopunt had opgevraagd en ontvangen. Vandaar dat het agentschap OE in haar beslissing van 5 april 2022 oordeelde dat de maat vol was en dat hij inmiddels voldoende dossiers en dus bewijsmateriaal had ontvangen om zijn zaak bij het parket te kunnen neerleggen. De grote impact en administratieve werklast die alle steeds wederkerige onophoudelijke vragen met betrekking tot reeds gearchiveerde dossiers teweeg brengt is dan ook buiten proportie.
4. Standpunt van de beroepsinstantie Tenzij het belang van de openbaarheid primeert, mogen de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1 van het Bestuursdecreet, een aanvraag afwijzen als de aanvraag kennelijk onredelijk blijft of op een te algemene wijze geformuleerd blijft, na een verzoek van de betrokken instantie tot herformulering van de eerste aanvraag als vermeld in artikel II.42 van dat decreet. De beroepsinstantie stelt vast dat het agentschap OE geen verzoek tot herformulering heeft gericht aan verzoeker, wat nochtans voorzien wordt in artikel II.33, 1° van het Bestuursdecreet. De afwezigheid van een dergelijk verzoek tot herformulering van de aanvraag is echter geen grond voor de beroepsinstantie om het beroep in te willigen en de openbaarmaking waartegen een uitzonderingsgrond zich verzet, te bevelen. Deze facultatieve uitzonderingsgrond werd in het leven geroepen om te beletten dat de openbaarheid onwerkbaar wordt. De aanvragen die erop gericht zijn of die tot gevolg kunnen hebben dat de goede werking van de administratie wordt verhinderd, kunnen als kennelijk onredelijk worden beschouwd. De openbaarheid van bestuursdocumenten is een fundamenteel recht dat in de Belgische rechtsorde door artikel 32 van de Grondwet wordt gewaarborgd. Openbaarheid is de regel, beslotenheid de formeel te motiveren uitzondering. Dit recht tot openbaarheid houdt een positieve verplichting in voor de openbare besturen waaraan ze moeten voldoen. De diensten moeten zich zo organiseren dat aan de verplichting tot openbaarmaking kan worden voldaan. Een weigering tot openbaarmaking van een bestuursdocument moet concreet worden verantwoord. De overheid moet bij de beoordeling van de kennelijke onredelijkheid een reële belangenafweging maken, die moet blijken uit de formele motivering van de weigeringsbeslissing (RvS nr. 227.394 van 15 mei 2014). In casu weigert het Agentschap OE na jaren lang inwilligen van alle gelijkaardige verzoeken van beroeper in zijn zoektocht naar alle documenten waarin zijn naam ten onrechte zou kunnen vermeld zijn, nu het verlenen van een afschrift van 25 verschillende dossiers aangezien de onophoudelijke gelijkaardige verzoeken een onredelijke werklast voor de administratie met zich meebrengt. Het grondwettelijk recht op openbaarheid van bestuur is een instrument dat de burgers moet toelaten controle uit te oefenen op het handelen van een overheidsinstantie. Het moet de burgers in staat stellen de rechtmatigheid van het overheidsoptreden te beoordelen en met kennis van zaken te beslissen of er grond bestaat dat optreden in rechte aan te vechten. Verzoeker heeft aldus het volste recht om gebruik te maken van de openbaarheid van bestuur om het doen en laten van bepaalde bestuursinstanties betreffende aangelegenheden die hij zich ter harte heeft genomen, na te gaan. Hij is er evenwel niet van ontslagen om zijn rechten op redelijke en zorgvuldige wijze uit te oefenen: het belang dat de verzoeker heeft bij de
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/112
pagina 3 van 4
uitoefening van zijn rechten, moet in redelijke verhouding staan met de gevolgen voor de werking van de betrokken overheidsinstantie. De vraag wanneer een aanvraag tot openbaarmaking de grens van de kennelijke onredelijkheid overschrijdt is zeer delicaat en moeilijk. Daar moet, het uitgangspunt indachtig dat de uitzonderingsgronden op de openbaarheid restrictief moeten worden geïnterpreteerd en toegepast, heel behoedzaam mee worden omgegaan. De beroepsinstantie kan in casu enkel vaststellen dat de vele gelijkaardige vragen van verzoeker in kwestie een disproportionele en onredelijke opdracht betekent voor het agentschap OE. Artikel II.33. 1° Bestuursdecreet bepaalt dat een aanvraag die kennelijk onredelijk is mag afgewezen worden, voor zover het belang van de openbaarheid niet primeert. De beroepsinstantie is van mening dat er in casu geen openbaar belang, zoals geduid in de parlementaire voorbereiding, gemoeid is met de openbaarmaking van de betrokken documenten. De memorie van toelichting stelt immers m.b.t. de belangenafweging het volgende: “De uitzonderingen worden alleen ingeroepen als het belang van de openbaarheid niet primeert. Daarmee wordt bedoeld: een met de openbaarmaking gediend openbaar belang. Deze bepaling betekent dus niet dat de private belangen van de aanvrager moeten afgewogen worden tegenover de belangen die met de uitzonderingen beschermd worden. Het gaat om het belang van de gemeenschap: de openbare orde, de veiligheid van de bevolking, grote maatschappelijke issues, globale bescherming van het leefmilieu enzovoort..” (Parl.St. Vl.Parl. 2017-18, 1656/1, 56). In casu is de beroepsinstantie van oordeel dat het agentschap OE haar behulpzaamheidsplicht naar verzoeker toe, met het inwilligen van alle gelijkaardige verzoeken zodat hij een zwaarwichtig dossier kan samenstellen tegen de studiebureaus die zijn naam ten onrechte zouden gebruikt hebben bij het opstellen van hun onderzoeksrapporten, ruimschoots heeft vervuld. Na billijke afweging van ieders belangen, komt de beroepsinstantie, gelet op wat hiervoor werd uiteengezet, dan ook tot de conclusie dat het openbaarheidsverzoek terecht moet worden afgewezen in toepassing van artikel II.33, 1° van het Bestuursdecreet. Het voordeel van de informatie die beroeper bekomt weegt kennelijk niet op tegen de last die het inwilligen van deze omvangrijke aanvraag inzake openbaarheid van bestuur zou veroorzaken voor de betrokken agentschap. Om deze redenen wordt het beroep als ongegrond beschouwd Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 7 april 2022 tegen de beslissing van het Agentschap OE dd. 7 april 2022 wordt als ontvankelijk doch ongegrond beschouwd. Brussel, 31 mei 2022 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/112
pagina 4 van 4