Uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/222
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2020/222
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 28 juli 2020 diende xxx een verzoek in bij het kabinet van Vlaams Minister Diependaele, Vlaams minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed, waarbij werd verzocht om een afschrift te verlenen van de volgende documenten voor de periode 1 maart 2020 tot en met 27 juli 2020:
Alle documenten uitgewisseld tussen het kabinet van de Vlaamse Minister zelf, zijn beleidsorganen en: • Exxon Mobil Petroleum & Chemical, met inbegrip van alle ondernemingen die deel uitmaken van de Exxon Mobil groep; • Total Belgium, met inbegrip van alle ondernemingen die deel uitmaken van de Total groep; • Fédération Belge de l'Automobile & du Cycle (FEBIAC Asbl); • Belgische Federatie der Brandstoffenhandelaars (Brafco); • Fédération Pétrolière Belge (FPB); • Federatie van Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven (FEBEG vzw); • Belgische federatie van de chemische industrie en van life sciences (Essenscia). Dit verzoek verstaat onder documenten iedere vorm van vastlegging, waaronder: • Papier; • Digitaal, waaronder ook databestanden; • Bijzonder digitaal = aanwezig op publiek dan wel privaat gefinancierde dragers: • Email; • SMS; • WhatsApp; • En daaraan gelijk te stellen platforms zoals Signal en Telegram;
www.vlaanderen.be
• Foto/film/audio, analoog of digitaal. Ook inhoudelijk vallen alle documenten onder dit verzoek, waaronder: • Notulen, gespreksverslagen/-notities en alles dat daaraan annex is; • Beleidsdocumenten en alles dat daaraan onderliggende of opvolgend aan is. Het kabinet van Vlaams Minister Diependaele heeft nagelaten om binnen de decretaal voorgeschreven termijn een beslissing te treffen. Op 25 augustus 2020 diende xxx beroep in bij de beroepsinstantie tegen de ontstentenis van beslissing vanwege het kabinet van Vlaams Minister Diependaele. Dit beroep werd geregistreerd op 26 augustus 2020. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijk verzoek dateert van 28 juli 2020. Op de datum van het ingestelde beroep, was de in artikel II.43, § 1, 2e lid van het Bestuursdecreet bepaalde beslissingstermijn van 20 kalenderdagen verstreken. In overeenstemming met artikel II.48, §1 van het Bestuursdecreet heeft de termijn om een beroep in te stellen, ingevolge het uitblijven van een tijdige beslissing, geen aanvang genomen. Het beroepschrift van 25 augustus 2020 werd tijdig ingediend en is bijgevolg ontvankelijk. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Inhoud van het beroepschrift
xxx geeft aan dat ze nooit een antwoord heeft gekregen op hun openbaarheidsverzoek d.d. 28 juli 2020 aan het kabinet van Vlaams Minister Diependaele en dat ze daarom beroep instellen. 2. Toelichting door het kabinet van Vlaams Minister Diependaele De beroepsinstantie nam contact op met het kabinet van Vlaams Minister Diependaele, om hun standpunt kenbaar te maken ten aanzien van dit openbaarheidsverzoek. Bij mail van 3 september 2020, 11 september 2020 en 14 september 2020 werd de noodzakelijke informatie bezorgd door het kabinet van Vlaams Minister Diependaele aan de beroepsinstantie.
3. Beoordeling door de beroepsinstantie De beroepsinstantie werd in kennis gesteld van het feit dat vanuit het kabinet van Vlaams Minister Diependaele aan verzoeker alsnog op 14 september 2020 de hierna vermelde documenten werden toegestuurd, waarbij rekening werd gehouden met alle aspecten van de vraag van verzoeker, mits weglating van een aantal persoonsgegevens, in toepassing van de artikelen II.34, 2° van het Bestuursdecreet:
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/222
pagina 2 van 4
-
Het mailverkeer tussen het kabinet van Vlaams minister Diependaele en FEBEG: Het mailverkeer tussen het kabinet van Vlaams minister Diependaele en FEBIAC., met de twee bijhorende bijlagen
De beroepsinstantie heeft een afschrift ontvangen van de mail d.d. 14 september 2020 waarmee de voormelde documenten werden bezorgd aan verzoeker. De beroepsinstantie stelt dan ook vast dat het ingestelde beroep, wat betreft de op 14 september 2020 openbaar gemaakte bestuursdocumenten, als zonder voorwerp moet worden beschouwd. Vanuit het kabinet van Vlaams Minsister Diependaele werd aan verzoeker meegedeeld dat de namen van de natuurlijke personen bij FEBEG en FEBIAC onherkenbaar werden gemaakt. Hiervoor werd verwezen naar de toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. De beroepsinstantie sluit zich aan bij die zienswijze. Voormeld decreetartikel bepaalt dat een verzoek tot openbaarmaking moet worden afgewezen indien de openbaarmaking afbreuk zou doen aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hoewel het hier om een absolute uitzonderingsgrond gaat, waardoor er geen belangenafweging moet plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, vertoont de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond niettemin een relatief aspect. De decreetgever is weliswaar van oordeel dat er geen afweging vereist is met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend (wat nogmaals uitdrukkelijk werd bevestigd in een recent arrest van de Raad van State, RvS, arrest nr. 243.607 van 7 februari 2019, TBP 2019/6, 339: “Zoals reeds overwogen, moet er geen belangenafweging plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, en de weigering tot openbaarmaking moet niet door deze belangenafweging worden gemotiveerd.”), maar wijst er desondanks op dat telkens en in concreto geoordeeld moet worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vlaams Parlement, Parl. St. 2017-2018, nr. 1656/1, blz.58). Artikel 22 van de Grondwet waarborgt uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, net zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dit doet. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond bestaat er precies in om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privéleven te beschermen. De beroepsinstantie merkt op dat bij het onderzoek naar de uitzonderingsgrond met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van informatie in een bestuursdocument die op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft. De namen van de natuurlijke personen die vermeld worden in het opgevraagde mailverkeer, behoren ontegensprekelijk tot het privéleven van de betrokkenen en het privéleven vormt de kern van de persoonlijke levenssfeer (F. SCHRAM, Het decreet openbaarheid van bestuur. Een juridische analyse in historisch perspectief, Brugge, Vanden Broele, 247; Concl. Adv.Gen. bij HvJ 8 april 2014, nr. C-293/12, Digital Rights Ireland Ltd, nr. 61). Het openbaar maken van deze gegevens (de namen van natuurlijke personen) heeft aldus betrekking op de kern van een belang – het door artikel 22 van de Grondwet en het door artikel 8 EVRM aan eenieder toegekende recht op eerbiediging van zijn privéleven – dat de uitzonderingsgrond uit artikel II.34, 2°, van het Bestuursdecreet wenst te beschermen tegen de openbaarheid van bestuur (RvS, nr. 234.609 dd. 2 mei 2016). De beroepsinstantie is dan ook van oordeel dat de mededeling van de namen van de natuurlijke personen uit het mailverkeer afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die natuurlijke personen en dat deze gegevens dan ook moeten worden afgeschermd in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/222
pagina 3 van 4
Artikel II.50, §1, derde lid van het Bestuursdecreet laat toe aan de beroepsinstantie om aan de betrokken natuurlijke personen om toestemming te vragen voor het openbaar maken van hun namen en adresgegevens. In casu heeft de beroepsinstantie de betreffende personen gecontacteerd met de vraag of zij konden instemmen met de openbaarmaking van hun persoonsgegevens. Tot op heden heeft de beroepsinstantie echter geen reactie en dus ook geen toestemming mogen ontvangen. De beroepsinstantie moet dan ook vaststellen dat het ingestelde beroep als ongegrond moet worden beschouwd, wat betreft de op 14 september 2020 onleesbaar gemaakte informatie (de namen van natuurlijke personen) in het mailverkeer tussen het kabinet van Vlaams Minister Diependaele enerzijds en FEBEG en FEBIAC anderzijds. Voorts kan de beroepsinstantie enkel maar vaststellen uit de ingewonnen informatie dat er wat betreft de overige bestemmelingen (Exxon, Total, Brafco, FPB en Essenscia), zoals vermeld in de openbaarheidsaanvraag van verzoeker, geen correspondentie is geweest met het kabinet van Vlaams Minister Diependaele in de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 juli 2020. In artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet wordt een bestuursdocument gedefinieerd als de informatie, ongeacht de drager ervan, die in het bezit is van een overheidsinstantie. Het recht op openbaarheid kan aldus maar uitgeoefend worden voor zover het gaat om informatie die gematerialiseerd werd op een drager. In casu wordt evenwel vastgesteld dat het kabinet van Vlaams Minister Diependaele niet in het bezit is van de overige gevraagde documenten. Er kan bijgevolg dan ook geen afschrift ervan worden verleend. Het ingestelde beroep wordt daarom, wat betreft de correspondentie tussen het kabinet van Vlaams Minister Diependaele en de overige bestemmelingen (Exxon, Total, Brafco, FPB en Essenscia), dan ook als ongegrond beschouwd. Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 25 augustus 2020 tegen de ontstentenis van beslissing vanwege het kabinet van Vlaams Minister Diependaele wordt als ontvankelijk en deels zonder voorwerp, deels ongegrond beschouwd. Brussel, 23 september 2020 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/222
pagina 4 van 4