Skip to main content

jaarverslag_VLOR_2013_2014.pdf

Page 1

JAARVERSLAG 2013-2014 26 juni 2014

Een scharnierjaar Een jaar onderwijsbeleid onder de loep van de Vlaamse Onderwijsraad

Vlaamse Onderwijsraad Kunstlaan 6 bus 6 BE-1210 Brussel T +32 2 219 42 99 F +32 2 219 81 18 www.vlor.be info@vlor.be


Het afgelopen werkjaar was een scharniermoment. 2013 was het laatste jaar van de lopende legislatuur. De Vlor bleef zijn rol ten volle spelen als strategische adviesraad, onder meer met zijn adviezen over de nog op stapel staande hervormingen en met de publicatie van de strategische verkenning van twee relevante thema's voor het onderwijsbeleid van de toekomst: het leren van volwassenen en de problematiek van capaciteit in onderwijs. Begin 2014 deed een nieuw samengestelde Vlor enkele krachtige aanbevelingen voor het onderwijsbeleid van de nieuwe legislatuur. Het opmaken van dat memorandum was opnieuw een boeiende oefening in het zoeken naar gemeenschappelijke krachtlijnen. In die typische ‘Vloraanpak’ zijn deskundigheid en betrokkenheid van alle stakeholders de belangrijke succesfactoren. In navolging van het memorandum verspreidde de Vlor na de verkiezingen van 25 mei, veertien onderwijsfiches en legde zo de concrete verwachtingen en vragen van het onderwijsveld op de onderhandelingstafel voor een nieuwe regering. De Vlor kijkt vol verwachting uit naar een nieuwe regeerperiode. Ook dan zal de raad zijn rol ten volle spelen als strategische adviesraad. Hij zal dit blijven doen als een brug tussen onderwijspraktijk en beleid, waarvan de stevige pijlers bestaan uit de inbreng van alle betrokkenen bij onderwijs.

Een wijs beleid door overleg! Harry Martens algemeen voorzitter

Mia Douterlungne administrateur-generaal

1


INHOUD Inleiding.................................................................................................................................................. 4 ‘Open, veelzijdige en sterke persoonlijkheden vormen’ ..................................................................... 7 1

Leerlingenbegeleiding en -ondersteuning .................................................................................... 7 1.1 Samenwerken met welzijn .................................................................................................... 7 1.2 Studiekeuze ........................................................................................................................... 8 1.3 Het preventieconcept in onderwijs ....................................................................................... 8 1.4 Onderwijs voor leerlingen met specifieke noden ................................................................. 8

2

Time-out ......................................................................................................................................... 9

3

Gezondheidsbevordering op school ............................................................................................. 9

4

Kunstonderwijs en cultuureducatie............................................................................................10 4.1 Conceptnota cultuureducatie .............................................................................................10 4.2 Verbreding en verdieping deeltijds kunstonderwijs ...........................................................10

‘Kansen geven aan elk talent’ ............................................................................................................11 5

Diversiteit en gelijke onderwijskansen: een vast aandachtspunt voor de Vlor .......................11

6

Kinderarmoede ............................................................................................................................11

7

Diversiteit in hoger onderwijs .....................................................................................................12

8

Hervorming secundair onderwijs ................................................................................................13

9

Verdere vormgeving en rationalisatie hoger onderwijs .............................................................14

10

Participatie levenslang leren...................................................................................................15

11

Digitaal leren ............................................................................................................................15

‘Nederlands en vreemde talen leren, stimuleren om mee te doen in de geglobaliseerde samenleving’ ........................................................................................................................................17 12

Nederlands Tweede Taal (NT2) ..............................................................................................17

‘Leerlingen voorbereiden op een succesvolle start op de arbeidsmarkt’ ........................................18 13

De Vlaamse kwalificatiestructuur (VKS): principiële bedenkingen .......................................18

14

Leren en werken: een evaluatie .............................................................................................19

15

Loopbanen in wetenschap en technologie (STEM) ...............................................................19

‘De leraar erkennen als sleutelfiguur in de vorming van open, veelzijdige en sterke persoonlijkheden’ ................................................................................................................................20 16

Onderwijs als aantrekkelijke werkplek ...................................................................................20

17

Geen onderwijscapaciteit zonder professionele teams ........................................................20

‘De maatschappelijke verwevenheid van onderwijs met lokale, regionale en internationale netwerken versterken’ ........................................................................................................................21 18

Internationaal onderwijsbeleid ...............................................................................................21 2


‘Ervoor zorgen dat elke onderwijsinstelling topkwaliteit kan bieden’ ..............................................22 19

Ondersteuning basisschool.....................................................................................................22

20

Inschrijvingssysteem ...............................................................................................................22

21 Hoger onderwijs .......................................................................................................................22 21.1 Minder planlast? ..................................................................................................................22 21.2 Nieuw accreditatiestelsel ....................................................................................................23 22

Wetenschaps- en innovatiebeleid ..........................................................................................23

‘Investeren in duurzame en moderne infrastructuur’ .......................................................................24 23 Capaciteit en onderwijs ...........................................................................................................24 23.1 Duurzame, structurele en strategische aanpak ................................................................24 23.2 Prioritair op de beleidsagenda ............................................................................................24 Overig advieswerk van de Vlor ............................................................................................................25 24 Beleidsmethoden ....................................................................................................................25 24.1 Timing verzameldecreten ....................................................................................................25 24.2 Meerwaarde strategische adviesraden ..............................................................................25 24.3 Beleidsvoorbereidend onderzoek .......................................................................................26 24.4 Participatieve conferentie: De school van de toekomst ....................................................26 25 Onderwijsaanbod en -organisatie ...........................................................................................27 25.1 Secundair onderwijs ............................................................................................................27 25.2 Opleidingsprofielen volwassenenonderwijs .......................................................................28 25.3 Afwijkingen programmatiestop dko ....................................................................................29 Bijlagen ..............................................................................................................................................30 Index ............................................................................................................................................ 31

3


Inleiding Op 18 september 2013 startte de Vlor het nieuwe werkjaar in het Vlaams Parlement. Ruim 270 deelnemers luisterden naar ideeën voor duurzame innovatie van het onderwijssysteem. Het adviesbureau McKinsey noemde vier cruciale factoren voor een succesvolle vernieuwing in onderwijs: kwaliteitsmensen aansporen om lee4rkracht te worden en te blijven, de pedagogische praktijken in de klas permanent verbeteren, hoge kwaliteit van directieteams garanderen en focussen op het succes van elke leerling. De bedrijfswereld toonde wat onderwijs kan leren over innovatie en ook de leerlingen en studenten gaven hun visie op vernieuwing in onderwijs.

¬

lees hier meer over de startdag 2013

In het laatste jaar van de legislatuur formuleerde de Vlor enkele kritische voorwaarden voor de resterende tijd en keek hij vooruit naar de volgende legislatuur. Samen met de andere strategische adviesraden toonde de Vlor de relevantie aan van de strategische advieswerking in het beleidsproces.

Advies over laatste beleidsbrief Gewoonlijk geeft de Vlor in zijn adviezen over de beleidsbrieven bij elke operationele doelstelling van de minister aan in welke van zijn adviezen er relevante standpunten kunnen gevonden worden. In zijn advies over de laatste beleidsbrief heeft de Vlor dat niet gedaan: de standpunten van de Vlor voor de doelstellingen die de minister nog wil realiseren, waren op dat ogenblik immers bekend. Het advies focust daarom op de kritische voorwaarden om de beleidsdoelstellingen in de laatste maanden van de legislatuur te bereiken. Zoals gebruikelijk in een advies op de beleidsbrief reageerde de Vlor ook niet op de realisaties van het voorbije werkjaar of de voorbije legislatuur. Dat betekent niet dat de raad die realisaties niet waardeert. Zo apprecieert hij onder meer dat de minister er in budgettair krappe tijden in geslaagd is om jaarlijks de nodige middelen te vinden om de capaciteitsproblemen op te vangen of de omkadering in het basisonderwijs uit te breiden. Ook in het hoger onderwijs heeft de minister heel wat gerealiseerd. De Vlor stelde vast dat de minister een ambitieuze beleidsbrief heeft voorgelegd. Ambitieuze doelstellingen zijn belangrijk, maar zo dicht bij het einde van de legislatuur is ook realisme nodig. Om de vooropgestelde doelstellingen te realiseren, ziet de raad drie voorwaarden: voldoende tijd, middelen en draagvlak.

¬

lees hier het advies over de beleidsbrief 2013-14

Wat verwacht het onderwijsveld van de nieuwe legislatuur? Op het einde van de vorige legislatuur zaten alle partners binnen de Vlor samen aan tafel om aanbevelingen te formuleren voor het onderwijsbeleid van de nieuwe Vlaamse regering 20142019. In januari 2014 presenteerde de Vlor zijn visie op de grote uitdagingen voor het onderwijsbeleid in een memorandum voor de aantredende regering. Hij gaf daarbij volgende aanbevelingen mee:  Maak van de vormende opdracht van onderwijs en het perspectief van de lerende de toetssteen van onderwijsbeleid en blijf vanuit die visie investeren in onderwijs als op zich na te streven publiek goed; 4


   

¬

Waak over de kwaliteit, de coherentie en het participatief karakter van het overheidsbeleid; Vertrek in de beleidsontwikkeling vanuit vertrouwen in de onderwijsinstellingen en waarborg en respecteer hun pedagogische vrijheid en autonomie; Maak van kwaliteitsvolle onderwijsinfrastructuur en onderwijscapaciteit een absolute topprioriteit; Voorzie gepaste ondersteuning voor leraren, directies, lerarenteams en onderwijsinstellingen, zodat werken in en voor onderwijs deskundige mensen met een passie voor onderwijs blijft aantrekken en instellingen zich ondersteund weten in het realiseren van hun pedagogisch project; Blijf met open vizier en met alle betrokken actoren uit het onderwijsveld en uit de brede samenleving een (permanent) debat voeren over de einddoelen van onderwijs; Creëer een helder en stabiel kader waarbinnen alle betrokken actoren en partners voor elke lerende de juiste zorg, op het juiste moment, op de juiste plaats kunnen garanderen; Voer een actief kwalificerend beleid. Zorg ervoor dat alle jongeren de school verlaten met een breed palet aan competenties en vaardigheden die hen toelaten hun hele leven maatschappelijk actief te blijven; hou ze daarom aan boord in het leerplichtonderwijs maar geef ze ook tweede kansen als het misliep; Creëer een helder en stabiel kader dat actoren binnen en buiten onderwijs toelaat om op langere termijn en vanuit een integrale visie op gelijke onderwijskansen, diversiteit in onderwijs als bron (en niet als hindernis) van leren te benutten; Geef onderwijsinstellingen de gepaste ondersteuning om toenemende digitalisering te benutten in functie van de inrichting van het onderwijsleerproces waarvan de vormende opdracht van onderwijs het uitgangspunt is; Versterk de internationale dimensie van onderwijs door de in- en uitgaande mobiliteit van lerenden te stimuleren (onder meer via taalregelingen en erkenning van buitenlandse diploma’s); Wees alert voor toenemende juridisering en beperk het risico op juridisering door duidelijkheid van de regelgeving en rechtszekerheid voor gebruikers en inrichters van onderwijs; Richt het onderwijslandschap in in functie van de vormende opdracht van onderwijs.

lees hier het memorandum

Op maandag 26 mei, de dag na de parlementsverkiezingen, stuurde de Vlor naar de partijvoorzitters 14 themafiches om mee te nemen op de onderhandelingstafel voor de nieuwe regering. De fiches bevatten enkele concrete vragen en voorstellen voor de aanpak van:  capaciteit en onderwijsinfrastructuur;  onderwijs als aantrekkelijke werkplek;  financiering van onderwijs;  onderwijsinnovaties;  einddoelen;  kwalificerende onderwijsloopbanen en hbo5;  gelijke onderwijskansen;  leerlingenbegeleiding;  het partnerschap tussen onderwijsaanbieder en onderwijsgebruiker; 5


    

¬

ict-integratie in het onderwijs; verankering van lopende processen en implementatie en bijsturing van maatregelen; samenwerking tussen onderwijs en welzijn; buitenschoolse kinderopvang in scholen; federale bevoegdheden met implicaties voor onderwijs.

lees hier de 14 themafiches voor de formateur

De Vlor brengt verslag uit van zijn werkjaar aan de hand van de acht strategische doelstellingen van de beleidsnota die onderwijsminister Pascal Smet hanteerde voor zijn beleidsperiode 20092014 Samen grenzen verleggen voor elk talent:        

Open, veelzijdige en sterke persoonlijkheden vormen Kansen geven aan elk talent Nederlands en vreemde talen leren, stimuleren om mee te doen in de geglobaliseerde samenleving Leerlingen voorbereiden op een succesvolle start op de arbeidsmarkt De leraar erkennen als sleutelfiguur in de vorming van open, veelzijdige en sterke persoonlijkheden De maatschappelijke verwevenheid van onderwijs met lokale, regionale en internationale netwerken versterken Ervoor zorgen dat elke onderwijsinstelling topkwaliteit kan bieden Investeren in duurzame en moderne infrastructuur

6


‘Open, veelzijdige en sterke persoonlijkheden vormen’ 1 Leerlingenbegeleiding en -ondersteuning Naar aanleiding van zijn memorandum voor de nieuwe legislatuur herhaalde de Vlor zijn pleidooi voor een versterking van een geïntegreerd model van leerlingenbegeleiding waarin de school en de centra voor leerlingenbegeleiding (clb) een gedeelde verantwoordelijkheid opnemen en samenwerken aan een positief leer- en ontwikkelingsklimaat voor de leerling, onder meer door interne leerlingenbegeleiding, onderwijsloopbaanbegeleiding en begeleiding van de studiekeuze, begeleiding van psychisch en sociaal welbevinden, stimulansen voor zorgbrede leerprocessen en uitbouw van preventieve gezondheidszorg. De raad vroeg daarom aan de volgende regering meer aandacht voor:  Uitbouw en versterking van vernieuwingen voor leerlingen met specifieke noden;  Leerlingenbegeleiding in het secundair onderwijs;  Studiekeuze- en leerloopbaanbegeleiding in de hele onderwijsloopbaan;  Begeleiding van psychisch en sociaal welbevinden en preventieve gezondheidszorg.

¬

lees hier de fiche die de Vlor uitwerkte voor de nieuwe regering over leerlingenbegeleiding

1.1 Samenwerken met welzijn De Vlor vindt dat onderwijs en welzijn constructief moeten kunnen samenwerken voor de begeleiding en waar nodig, de opvang van kwetsbare jongeren. De kijk op jongeren van beide sectoren verschilt maar moet wel coherent zijn. De raad vraagt daarom aan een volgende regering om meer samenhang te bewaken in de regelgeving van de beleidsdomeinen Onderwijs en Welzijn en om de onderwijspartners beter te betrekken bij beleidsontwikkeling daarover.

¬

lees hier de fiche die de Vlor uitwerkte voor de nieuwe regering over de samenwerking tussen onderwijs en welzijn

In zijn advies over het ontwerpbesluit over integrale hulpverlening stelde de Vlor vast dat die een duidelijke impact heeft op de organisatie van het onderwijs: zowel op de werking van het clb als op de leerlingenbegeleiding op school.

¬

lees hier het advies over het besluit integrale jeugdhulpverlening

Ook in de buitenschoolse kinderopvang moeten Onderwijs en Welzijn samenwerken. In zijn aanbevelingen aan de nieuwe Vlaamse regering vraagt de Vlor dan ook om een integraal en transparant beleid waardoor er meer samenhang ontstaat met andere relevante dossiers zoals capaciteit en kwaliteit van de infrastructuur, flankerend onderwijsbeleid, sociale voordelen, brede school, inclusie, buitengewoon onderwijs, internaten, gelijke kansen, …

¬

lees hier de fiche die de Vlor uitwerkte voor de nieuwe regering over buitenschoolse opvang

Illustratief voor een complementaire samenwerking tussen onderwijs en welzijn is het voorbeeld van de buitenschoolse logopedie. Als er duidelijk nood is aan een planmatige en intensieve individuele ondersteuning die de mogelijkheden van de onderwijssetting overstijgt, is een 7


samenwerking tussen meerdere partners (kind, ouders, school, clb, buitenschoolse logopedie) aangewezen. Op de startdag van de Vlor op 18 september 2013 ondertekenden enkele vertegenwoordigers uit het onderwijsveld samen met de Vlaamse Vereniging voor Logopedisten een engagementsverklaring.

¬

lees hier meer over de engagementsverklaring buitenschoolse logopedie

1.2 Studiekeuze Uit onderzoek blijkt dat slechte resultaten in het hoger onderwijs samenhangen met een minder goede oriëntering op het einde van het secundair onderwijs. Vorig werkjaar pleitte de Vlor in zijn advies over de studiekeuze van het secundair naar het hoger onderwijs (maart 2013) daarom voor een beleid dat het studiekeuzeproces op alle vlakken verbetert. In navolging van dat advies overlegden de onderwijsminister, de onderwijskoepels en het GO!, de associatievoorzitters en de voorzitter van de Vlor over het optimaliseren van de overgang van secundair naar hoger onderwijs. De minister gaf prof. dr. em. Ludo Melis de opdracht een onafhankelijke commissie samen te stellen om mogelijke denkpistes die in het overleg naar voren kwamen, uit te voeren. Het Vlor-secretariaat staat in voor de ondersteuning van die ‘commissie Melis’. In zijn aanbevelingen naar de nieuwe legislatuur herhaalde de Vlor zijn pleidooi om de studiekeuze- en leerloopbaanbegeleiding in de hele onderwijsloopbaan versterken. Dat moet gebeuren door het opzetten van een transparante begeleidingsstructuur met afspraken over de verantwoordelijkheden van iedereen die beroepshalve een rol opneemt in de studiekeuzebegeleiding in het basis- en secundair onderwijs.

¬

lees meer in de fiche die de Vlor uitwerkte voor de nieuwe regering over de leerlingenbegeleiding

1.3 Het preventieconcept in onderwijs Zowel het onderwijs zelf (onderwijs, pedagogische begeleiding, clb) als onderwijsexterne sectoren (zoals welzijn, gezondheid, integratie en andere) verwijzen regelmatig naar het concept ‘preventie’. De invulling van dat concept kan verschillen naargelang van het perspectief dat men inneemt: gelijke onderwijskansen, leerlingenbegeleiding, zorg, gezondheidsbevordering … De Vlor organiseerde daarom op 12 februari 2014 een seminarie voor zijn leden om verschillende denkkaders uit te wisselen, te expliciteren en te verhelderen.

¬

lees hier meer over het seminarie over het preventieconcept

1.4 Onderwijs voor leerlingen met specifieke noden In het najaar 2012 organiseerde de Vlor een seminariereeks over het onderwijs, opvoedings- en ondersteuningsaanbod voor dove en slechthorende kinderen en jongeren in het leerplichtonderwijs. De Vlor bracht in februari 2014 de inzichten en voorstellen van het seminarie samen in een verslag. De discussies in de seminaries werden gevoed door de dove en slechthorende mensen en hun belangenorganisaties, ouders en onderwijsmensen. Tijdens de seminaries werden de 8


inzichten van deze ervaringsdeskundigen geconfronteerd met de wetenschappelijke expertise van onderzoekers uit universiteiten en hogescholen.

¬

lees hier het rapport ‘Het onderwijs voor dove en slechthorende mensen uitgedaagd’

2 Time-out In verschillende types van het buitengewoon basisonderwijs stelt men een stijging van gedragsproblemen vast. Wanneer die uit de hand dreigen te lopen, wordt een leerling soms tijdelijk uit de conflictsituatie gehaald, uit de klas gezet, afgezonderd in een aparte ruimte of naar een prikkelarme, speciaal daarvoor ingerichte ruimte gebracht. Binnen de Vlor heeft een werkgroep zich gebogen over verschillende pedagogische modellen die in de praktijk worden gebruikt voor het omgaan met kinderen met gedragsproblemen en waarin time-out een plaats krijgt: het model van Došen, LSCI, Nieuwe Autoriteit, … Op basis van die verkenning werkt de Vlor aan een praktijkboek. Dat boek zal enkele theoretische kaders over de aanpak van gedragsproblemen bij jonge kinderen in het buitengewoon basisonderwijs beschrijven. Daarnaast zullen enkele scholen illustreren hoe zij met die modellen aan de slag gaan en hoe zij omgaan met time-out. Die aanpak zal het onderwerp zijn van een studiedag over time-out in het buitengewoon basisonderwijs in het werkjaar 2014-2015.

3 Gezondheidsbevordering op school Er wordt van scholen verwacht dat zij zich inspannen om een gezondheidsbeleid uit te stippelen op maat van hun leerlingen. Om de scholen daarbij te helpen, is voortdurend overleg nodig tussen de vele betrokken partners: onderwijsverstrekkers, leerlingen, personeel, ouders, overheid, pedagogische begeleiding, clb, gezondheidsexperts, … Voor de organisatie van dat overleg, is binnen de Vlor de commissie Gezondheidsbevordering actief. De commissie heeft een actieve rol in de wederzijdse informatie-uitwisseling tussen de verschillende stakeholders en faciliteert het overleg tussen expertisecentra en alle betrokken partners uit onderwijs en andere beleidsdomeinen. Zij fungeert als forum om nieuwe initiatieven aan elkaar voor te stellen en die af te stemmen op de behoeften van het onderwijsveld. Vanuit de informatie- en ervaringsuitwisseling kan de commissie ook signalen gegeven aan het beleid en/of het onderwijsveld over gezondheidsbevordering op school (al dan niet via een formeel advies). In 2012-2013 startte de Vlor een intensere samenwerking op tussen zijn verschillende commissies om zo de uitwisseling te stimuleren van theoretische kaders en concepten en overlap te vermijden. Dat actiepunt resulteerde afgelopen werkjaar in een gemeenschappelijk seminarie van de commissies Gezondheidsbevordering, Gelijke onderwijskansen en Leerlingenbegeleiding over het concept preventie in onderwijs (zie 1.3).

¬

lees meer op www.vlor.be/gezondheidsbevordering

9


4 Kunstonderwijs en cultuureducatie 4.1 Conceptnota cultuureducatie Samen met de Strategische Adviesraad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media en de Vlaamse Jeugdraad bracht de Vlor advies uit over het strategisch beleidskader cultuureducatie voor volwassenen ‘Doorgroeien in cultuur’. De raden zijn tevreden dat de cultuureducatie voor volwassenen erkenning krijgt en dat de conceptnota oog heeft voor de diversiteit van het cultuureducatieve landschap en bijzondere aandacht schenkt aan participatie en kansengroepen. Er ontbreekt echter de waardering voor de intrinsieke waarde en het plezier voor cultuur, een nieuwe transversale strategie en aandacht voor de culturele basisvaardigheden. De drie raden missen te veel elementen om echt aan de slag te gaan: sterkte-zwakteanalyse, werkpunten, evaluatiekader, acties gelinkt aan een tijdspad en middelen, etc. Zij pleiten dan ook voor input van en overleg met de verschillende cultuureducatieve sectoren en betrokken partners op korte termijn.

¬

lees hier het advies over de conceptnota cultuureducatie

4.2 Verbreding en verdieping deeltijds kunstonderwijs In opvolging van het Bamfordrapport en het rapport rapport Verdieping/Verbreding kondigde de overheid al tijdens de vorige legislatuur een hervorming aan van het deeltijds kunstonderwijs (dko). Die zou concreter moeten worden vorm gegeven via twee conceptnota’s. De Vlor bracht er in mei 2011 en in december 2012 advies over uit. De aftredende Vlaamse Regering had het voornemen om in het voorjaar van 2013 een voorontwerp van decreet voor te leggen, maar is daarop achteraf teruggekomen. De Vlor vraagt aan de nieuwe regering om ditmaal wel een niveaudecreet te realiseren dat het deeltijds kunstonderwijs kan versterken door verbreding en verdieping. Verbreden impliceert dat het dko erin slaagt nieuwe doelgroepen te bereiken zonder aan de bestaande doelgroep te raken, o.a. door een geactualiseerd opleidingsaanbod. Verdiepen slaat dan weer op het beter kunnen ingaan op de specifieke leervragen die bij een deel van de leerlingen leven, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van het onderwijs dat aan alle leerlingen geboden wordt.

¬

lees hier de fiche die de Vlor uitwerkte voor de nieuwe regering over de verankering van de vernieuwing dko

10


‘Kansen geven aan elk talent’ 5 Diversiteit en gelijke onderwijskansen: een vast aandachtspunt voor de Vlor In 2003 ondertekenden alle betrokken partners bij het leerplichtonderwijs in de schoot van de Vlor een engagementsverklaring over diversiteit als meerwaarde. In het voorbije werkjaar onderhandelden de partners over een nieuwe engagementsverklaring. Zij beslisten om een korte, morele engagementsverklaring te ondertekenen en aan de nieuwe minister te vragen zich daarbij aan te sluiten en te ondersteunen met concrete gezamenlijke acties. De nieuwe engagementsverklaring zal ook de basis zijn om samen te werken met het nieuwe Interfederaal Gelijkekansencentrum. De partners zullen de engagementsverklaring ondertekenen op de startdag van de Vlor van 25 september 2014.

¬

lees meer op www.vlor.be/gelijkeonderwijskansen

Op het einde van dit schooljaar loopt de laatste GOK-cyclus af in het secundair onderwijs. Omdat het voornemen om die extra omkadering te integreren in de gewone omkadering pas realiseerbaar zal zijn op langere termijn, vroeg de Vlor in zijn advies over onderwijsdecreet XXIV om bewarende maatregelen zodat deze uren niet verloren gaan voor de scholen. De Vlor verheugt zich over de inspanningen die de overheid aankondigde in onderwijsdecreet XXIV om de automatische toekenning van school- en studietoelagen te realiseren. Hij vroeg aan de overheid om ook werk te maken van een automatische toekenning van de eerste school- of studietoelage. Voor ouders die het meest nood hebben aan een school- of studietoelage, blijft die eerste aanvraag immers de belangrijkste drempel. Op vrijdag 4 oktober 2013 organiseerde de Vlor een ronde tafel over onderwijs voor leerlingen met een migratieachtergrond. Het centrale thema was vroegtijdig schoolverlaten. Aan de hand van succesvolle praktijken en wetenschappelijk onderzoek gingen de deelnemers na wat werkt om kinderen en jongeren 'bij de les' te houden en welke beleidsvoorstellen daaruit kunnen voortvloeien.

¬

lees hier het verslag van de ronde tafel

6 Kinderarmoede De kinderarmoede in Vlaanderen blijft toenemen. De Armoedebarometer 2013 geeft aan dat in Vlaanderen 9,7 % van de kinderen in een kansarm gezin wordt geboren. Ook op school is dat een harde realiteit. De Vlor heeft de problematiek verkend in het basisonderwijs en adviseert de overheid om ten volle in te zetten op de bestrijding van kinderarmoede. Onderwijs kan een belangrijke rol spelen in de aanpak van kinderarmoede. Door in te zetten op meer gelijke onderwijskansen kan de armoedecirkel doorbroken worden. In zijn advies legt de overheid enkele maatregelen voor om kinderarmoede te bestrijden via het leer- en leefklimaat op school.

11


‘Armoedevaardig’ onderwijspersoneel

Leraren moeten armoede beter leren waarnemen en interpreteren. Om beter te leren omgaan met armoede, moeten zij gedurende hun hele loopbaan daarover vorming krijgen. Bovendien vindt de Vlor dat de overheid scholen en clb middelen moet geven om personeelsleden in dienst te nemen die de kloof tussen de leefwereld van het kind en de school kunnen overbruggen. Schoolkosten en onbetaalde facturen

De Vlor adviseert een optrekking van de schooltoelagen voor de laagste inkomens. Verder pleit de raad voor een goedkoper basisonderwijs. Zo stelt hij voor om de prijs van de voor-, na- en buitenschoolse opvang en van de middagopvang aan het inkomen van de ouders te koppelen. Anderzijds vraagt de Vlor dat de overheid scholen een leidraad bezorgt om met onbetaalde facturen om te gaan. School kan het niet alleen

De Vlor dringt aan op meer samenwerking van welzijn en onderwijs om kinderarmoede aan te pakken. De problematiek is immers complex en vraagt om een integrale aanpak. Zo kunnen scholen niet (alleen) verantwoordelijk worden gesteld voor het verzorgen van maaltijden voor kinderen die met een lege maag en/of zonder lunchpakket naar school komen. De Vlor erkent dat opvoeden enkel kan wanneer er aan basisbehoeften voldaan is, maar vindt dat de maatschappij hier haar verantwoordelijkheid moet opnemen. Het advies kreeg heel wat persaandacht. De voorzitter van de Raad Basisonderwijs stelde op 18 november 2013 het advies voor tijdens een interkabinettenvergadering tussen de beleidsvormen Welzijn, Onderwijs, Armoedebestrijding en Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding.

¬

lees hier het advies over kinderen in armoede

7 Diversiteit in hoger onderwijs Beter communiceren naar kansengroepen

In januari 2013 bevroeg de Vlor de instellingen hoger onderwijs over hun communicatie(strategieën) naar kansengroepen. Die blijken immers van groot belang voor een betere instroom en doorstroom van die groepen in het hoger onderwijs. Uit de bevraging bleek dat de instellingen op dat vlak al heel wat initiatieven nemen, maar ook dat niet elke vorm van communicatie even effectief is. Om een beter zicht te krijgen op de behoeften van de kansengroepen zelf, voerde de Vlor ook enkele focusgesprekken met studenten uit etnischculturele minderheidsgroepen, studenten in armoede en studenten met een functiebeperking. De commissie Diversiteit Hoger Onderwijs binnen de Vlor zal daaruit enkele aanbevelingen formuleren voor instellingen hoger onderwijs en voor het beleid. Handelingskader voor vragen over diversiteit

De groeiende diversiteit in onze samenleving wordt zichtbaar in de dagelijkse werking van instellingen hoger onderwijs die worden geconfronteerd met allerlei nieuwe vragen van ‘cliënteel’ en personeel. Vanuit de integratiesector is er daarvoor een handelingskader uitgewerkt. Op 19 mei 2014 organiseerde de Vlor een workshop om de instellingen hoger onderwijs te laten kennismaken met het handelingskader en de achterliggende principes. Vlor draagt bij aan vormgeving nieuw Aanmoedigingsfonds

Via het Aanmoedigingsfonds krijgen instellingen hoger onderwijs extra middelen van de overheid om een diversiteitsbeleid te ontwikkelen en maatregelen te treffen die de instroom, doorstroom en uitstroom van ondervertegenwoordigde studentengroepen in het hoger onderwijs bevorderen. 12


De Vlor is overtuigd van de meerwaarde van het AMF en is dan ook tevreden dat de minister met een conceptnota werk heeft gemaakt van het AMF en dat de middelen tot 2021 gegarandeerd worden. De overheid legde daarmee ook de doelstellingen vast over de deelname aan het hoger onderwijs van studenten uit ondervertegenwoordigde socio-culturele en socio-economische groepen, met een functiebeperking en tweedekansstudenten.

¬

lees hier het advies over de conceptnota van het Aanmoedigingsfonds

In bovenstaand advies uitte de Vlor ook zijn bedenkingen bij het feit dat de laatste twee doelgroepen onvoldoende gedefinieerd en geoperationaliseerd waren. Op vraag van minister Smet overlegde de Vlor met de overheid over een invulling van die twee doelgroepen en concretiseerde hij dat in een advies. Onderwijsdecreet XXIV regelde uiteindelijk de doelgroepen volgens het voorstel van dat Vloradvies. Op 23 mei 2014 keurde de Vlaamse Regering een regeling goed voor de registratie van studenten met een functiebeperking volgens het voorstel van het Vlor-advies van 2007.

¬

lees hier het advies over de doelgroepen van het Aanmoedigingsfonds

8 Hervorming secundair onderwijs In oktober 2013 bracht de Vlor zijn advies uit over het masterplan van de Vlaamse regering voor de hervorming van het secundair onderwijs. De raad vindt het positief dat er een plan is en staat achter de marsrichting die het aangeeft voor onderwijsinnovatie. Hij ziet echter nog heel wat punten die nog verder moeten worden uitgewerkt in overleg met de onderwijsactoren. Kansen voor vernieuwing

Heel wat voorstellen uit het masterplan bieden reële kansen om het secundair onderwijs ten goede te vernieuwen: de gemeenschappelijke stam in de basisvorming in de eerste graad gecombineerd met specifieke sets voor de A- en B-stroom, de reductie van de basisopties en de versterking van de differentiatiemogelijkheden in de eerste graad. Ook vindt de Vlor de matrix een goed denkkader om het aanbod te objectiveren. Hij betreurt wel dat de ambitieuze doelstelling uit de oriëntatienota om studiekeuzes uit te stellen niet is behouden als een uitgangspunt. Nog veel onduidelijkheden

Bijna alle punten van het masterplan moeten nog verder worden uitgewerkt. Bovendien heeft de Vlor bij heel wat maatregelen nog vragen ter verduidelijking. Om een definitief oordeel te kunnen vellen over het masterplan, zijn ook de implementatievoorwaarden cruciaal. Meer dan een structuurhervorming

Het masterplan schenkt weinig aandacht aan de B-stroom en aan de samenhang tussen alternatieve leerwegen en het voltijds secundair onderwijs. De Vlor vraagt om verder te overleggen over een positieve en kwaliteitsvolle visie over het beroepsgericht onderwijs. Basisonderwijs

Een hervorming van het secundair onderwijs begint in het basisonderwijs. Het masterplan bevat dan ook heel wat maatregelen voor dat onderwijsniveau. De Vlor vindt dat ze te eenzijdig zijn bedacht vanuit de doorstroming naar het secundair onderwijs en vraagt om ze uit te denken op basis van een ontwikkelingsgerichte en geïntegreerde visie op kinderen.

¬

lees hier het advies over het masterplan

13


9 Verdere vormgeving en rationalisatie hoger onderwijs Uitstroom academisch gerichte master

Het Bolognaproces bepaalt dat de eerste cyclus van de academische opleidingen niet enkel moeten gericht zijn op de doorstroom naar de masteropleidingen, maar ook op de uitstroom naar de arbeidsmarkt. Daarom heeft de overheid in onderwijsdecreet XXIII de finaliteit van de academisch gerichte bacheloropleidingen gewijzigd. De Vlor bekeek de gevolgen van de decreetswijziging voor het hoger onderwijs en de arbeidsmarkt. De raad vindt dat de doorstroomfinaliteit van de academisch gerichte bacheloropleiding de prioritaire doelstelling moet blijven. De oorspronkelijke formulering van het structuurdecreet waarin de uitstroomfinaliteit als een aanvullende doelstelling gezien werd, sluit volgens de Vlor beter aan bij de realiteit van de arbeidsmarkt en de huidige structuur van het hoger onderwijs. De valorisatie door de arbeidsmarkt is nog onvoldoende duidelijk. Bovendien komt de transparantie in opleidingstypes mogelijks in het gedrang door het spanningsveld dat gecreëerd wordt in de verhouding tot de professioneel gerichte bacheloropleiding en tot de master. De minister antwoordde aan de Vlor dat hij het eens is met het feit dat de doorstroomfinaliteit van de academische bachelor de prioritaire doelstelling moet blijven.

¬

lees hier het advies over de uitstroomfinaliteit van de academisch gerichte master

Evaluatie hervorming

De Vlor pleit er bij de volgende regering voor om de hervormingen van het hoger onderwijs van de afgelopen jaren te monitoren, te evalueren en eventueel bij te sturen. Om een status quo te vermijden en om de bijgestuurde regelgeving te inspireren, is een maatschappelijk debat nodig met alle stakeholders hoger onderwijs. De Vlor is bereid om daarin zijn rol als overlegorgaan op te nemen en formuleerde t.a.v. de volgende regering alvast volgende vragen die de toekomstbestendigheid van het hoger onderwijs moeten nagaan:  In hoeverre is het hoger onderwijs van vandaag bestendig en voldoende zelfevaluerend om de maatschappelijke uitdagingen van morgen aan te gaan?  Zijn de instellingen stimulerende kenniscentra waar studenten in contact komen met onderzoek en waar ze zich kunnen ontwikkelen als autonome leerders?  Leidt het jongeren en volwassenen op tot geëngageerde, zelfstandige, kritische en competente burgers die bijdragen aan een welvarende en duurzame mondiale maatschappij?  Draagt het bij tot de verdere ontwikkeling van een democratische samenleving, door zich open te stellen voor ieder die daarvoor intrinsiek de capaciteiten en de motivatie heeft en door een forum te zijn waar ideeën in alle vrijheid kunnen groeien?  Speelt het in op de competenties die afgestudeerden vandaag en morgen nodig hebben om zich staande te houden in de zich snel en voortdurend ontwikkelende maatschappij?  Staat het open voor samenwerking tussen alle verschillende partners hoger onderwijs en maakt het zo kruisbestuiving tussen opleidingen, instellingen en maatschappelijke actoren mogelijk?  Is er een evenwichtig aanbod aan complementaire opleidingen en kunnen instellingen een eigen profiel hebben waarin elk opleidingstype continu gesterkt wordt in haar zelfstandigheid en specifieke rol?

14


Voor elk van de genoemde hervormingen moet worden nagegaan in hoeverre de oorspronkelijke doelstellingen nog voldoende actualiteitswaarde hebben. Om dat na te gaan, kunnen evaluatiecriteria worden vastgelegd en kan nagegaan worden of met de hervormingen de juiste keuzes gemaakt werden. Telkens moet ook bekeken worden of deelaspecten van de hervormingen geen ongewenste neveneffecten teweeggebracht hebben. Evaluatie taalregeling hoger onderwijs

De Vlor is al een tijd vragende partij om de taalregeling hoger onderwijs te evalueren. Hij vraagt een oplossing voor de complexiteit van de huidige regeling en de garantie voor de continuïteit van het huidige anderstalige aanbod en voor de aantrekkelijkheid van het Vlaamse hoger onderwijs voor buitenlandse studenten en docenten. Daarvoor is vorming nodig voor anderstalige docenten, moet de hoge kostprijs beperkt worden en moeten de taalbeperkingen voor docenten in nautische en kunstwetenschappen beperkt worden.

¬

lees hier de fiche die de Vlor uitwerkte voor de nieuwe regering over de taalregeling hoger onderwijs

10 Participatie levenslang leren Zowel op het Europese als op het Vlaamse beleidsniveau wordt het belang van de volwasseneneducatie benadrukt. Afgelopen decennia is er dan ook heel wat geïnvesteerd in het leren van volwassenen. Toch is Vlaanderen nog steeds geen samenleving waarin leren voor alle volwassenen een evidentie is. Vanuit de overtuiging dat vooruitgang mogelijk en noodzakelijk is, organiseerde de Vlor een strategische verkenning over het stimuleren van het leren van volwassenen. Daarmee wil de Vlor het debat voeden over hoe het leren van volwassenen in de komende tien jaar nog krachtiger dan voorheen kan gestimuleerd worden. In januari 2014 publiceerde de raad een boek met de resultaten van deze verkenning. Daarin komen enkele deskundigen aan het woord en geeft een platformtekst inspiratie voor het bevorderen van het leren van volwassenen en dat op middellange termijn.

¬

lees hier meer over het boek ‘Blijven leren: de toekomst!’

11 Digitaal leren In mei 2013 formuleerde de Vlor een strategisch advies over de ict-integratie in het leerplichtonderwijs. Daarin pleitte hij voor het opleiden van digitaal geletterde jongeren. Omdat ook in het hoger onderwijs het gebruik van onderwijstechnologie aan de orde is, formuleerde de Vlor dit jaar een nieuw advies over digitaal leren in het hoger onderwijs. Daarin vertrekt hij vanuit de stelling dat digitaal leren al het leren is dat gebruik maakt van digitale technologie en dus in essentie niet iets anders is dan ‘gewoon’ leren. Digitaal leren is een middel en geen doel op zich. Om na te gaan hoe onderwijstechnologie kan ingezet worden om de efficiëntie en de effectiviteit van het leren te verbeteren, is verder wetenschappelijk onderzoek nodig. Verder moet nagegaan worden hoe digitaal leren een bijdrage kan leveren aan de grote strategische beleidsthema’s,

15


zoals democratisering, internationalisering, duurzaamheid, etc. Dat is een opdracht voor alle partners betrokken bij het hoger onderwijs. De raad pleit ook voor het opstellen van een actieplan dat gebaseerd is op de te ontwikkelen visie. Hij vraagt de overheid het initiatief te nemen tot de oprichting van een platform met alle stakeholders voor monitoring en trendwatching. De Vlor pleit voor een stevige en gezonde basisfinanciering van de instellingen hoger onderwijs. Zowel voor infrastructuur, als voor professionalisering en inzetten van docenten zijn immers veel en extra middelen nodig. Verder waarschuwt de Vlor ervoor dat het gebruik van digitale onderwijstechnologie de sociale interactie wel kan stimuleren, maar de contacten, de groepsdynamiek en face-to-face contact met docenten niet kan vervangen. De raad formuleert ook enkele kritische bedenkingen bij het afleveren van diploma’s door de nieuwe (digitale) hogeronderwijsverstrekkers en het gebruik van open leermateriaal. Digitaal leren bevat ook kansen voor democratisering. Het kan potentiële studenten aantrekken. Hierbij moet dan wel gegarandeerd worden dat de startcompetenties gehaald worden en indien niet, dan moet hiervoor een remediëringstraject voorzien worden.

¬

lees hier het advies over digitaal leren in hoger onderwijs

Op 5 en 6 mei 2014 nam de Vlor ook deel aan het overleg van de Europese onderwijsraden (Eunec) over leren in het digitale tijdperk. De deelnemers bogen er zich over vragen als ‘Leren 'digital natives' op een andere manier?’ ‘Wat zijn de beperkingen van digitaal leren?’ ‘Wat zijn de implicaties van recentste ontwikkelingen voor de inhouden en de manier van leren?’ ‘Hoe kan een innovatief gebruik van ict in onderwijs worden aangemoedigd?’

¬

lees hier meer over het Eunec-seminarie 'Learning in the digital age'

16


‘Nederlands en vreemde talen leren, stimuleren om mee te doen in de geglobaliseerde samenleving’ 12 Nederlands Tweede Taal (NT2) Het afsprakenkader NT2 bevat een reeks taakafspraken tussen verschillende beleidsdomeinen over Nederlands als tweede taal. Het regelt onder andere de organisatie en afstemming van het aanbod, evenals de samenwerking tussen de aanbodverstrekkers NT2 en actoren zoals VDAB, de onthaalbureaus en de Huizen van het Nederlands. Het recentste afsprakenkader dateert uit 2009 en werd sindsdien niet meer geëvalueerd en aangepast, hoewel een tweejaarlijkse evaluatie is voorzien. Het is niet meer aangepast aan de evoluties van de afgelopen vijf jaar en creëert onduidelijkheid op het terrein. De Vlor bracht op eigen initiatief een advies uit om te onderstrepen dat aan die onduidelijkheid snel een einde moet komen en dat het afsprakenkader zo snel mogelijk herzien moet worden. De raad schetst de belangrijkste moeilijkheden in het huidige afsprakenkader en geeft hij een aantal contouren aan van het nieuwe afsprakenkader. De Vlor is nog steeds voorstander van een in overleg tot stand gekomen Vlaams afsprakenkader en vraagt daarom een nieuwe rondetafelconferentie NT2. Een centraal afsprakenkader biedt de kans om de effectiviteit en de efficiëntie van het NT2-aanbod te verhogen. Tegelijk blijft de raad ervan overtuigd dat een aantal operationaliseringen van het Vlaamse afsprakenkader het best lokaal worden vastgelegd.

¬

lees hier het advies over het afsprakenkader NT2

17


‘Leerlingen voorbereiden op een succesvolle start op de arbeidsmarkt’ Een goede afstemming tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt is een belangrijk thema in het Vlaamse en Europese onderwijsbeleid. De Vlor heeft een sterke traditie opgebouwd in het overleggen en adviseren over die afstemming. In de structuur van de Vlor zijn er dan ook verschillende commissies die – elk vanuit hun eigen invalshoek – kijken naar de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt. De commissie Onderwijs, Vorming en Arbeidsmarkt legt zich toe op de niveau- en sector-overstijgende dossiers. De commissies Tso en Bso, Leren en Werken, Buso, Volwassenenonderwijs en Hbo5 werken vanuit een niveau-gebonden insteek en de 13 sectorcommissies bekijken dossiers vanuit een sectorale invalshoek. In al die commissies zijn de sociale partners gegarandeerd vertegenwoordigd.

¬

www.vlor.be/o-a

13 De Vlaamse kwalificatiestructuur (VKS): principiële bedenkingen Het decreet op de kwalificatiestructuur trad in werking op 1 september 2009. De Vlaamse kwalificatiestructuur maakt zichtbaar welke kwalificaties of gehelen van competenties de arbeidsmarkt, het onderwijs en de samenleving vragen om een job uit te oefenen, verdere studies aan te vatten of te participeren aan de maatschappij. Dit werkjaar legde de overheid de samenstellingsmogelijkheden voor onderwijskwalificaties en de criteria voor de ordening in een opleidingenstructuur vast. Naar aanleiding daarvan formuleerde de Vlor enkele principiële bedenkingen bij de Vlaamse kwalificatiestructuur. De Vlor pleit voor een ontkoppeling van de kwalificatiestructuur en een opleidingenstructuur. De niveaudescriptoren van de kwalificatiestructuur zijn immers niet geschikt om einddoelen te beschrijven. Daarnaast wordt er op geen enkele manier verantwoord waarom een bepaald onderwijsniveau of bepaalde onderwijsvorm wordt toegewezen aan een kwalificatieniveau. De Vlor ziet in een strikte integratie van onderwijskwalificaties in de kwalificatiestructuur geen meerwaarde voor de kwaliteit van het onderwijs. De kwalificatiestructuur is wel relevant voor de arbeidsmarktgerichte opleidingen. De beroepskwalificaties bieden een eenduidig referentiekader waarop de inhouden van de opleidingen kunnen afgestemd worden. De Vlor kan echter niet akkoord gaan met het feit dat beroepskwalificaties onverkort overgenomen moeten worden in de opleidingen omdat ze de competenties van een volwaardig beroepsbeoefenaar omschrijven én omdat ze ook externe certificering kunnen omvatten. De Vlor vraagt dan ook dat er een vertaalslag mogelijk is van beroepskwalificaties naar onderwijsinhouden waarbij een maximale herkenbaarheid van de beroepskwalificaties wordt gegarandeerd.

¬

lees hier het advies over het ontwerpbesluit over de erkenning van onderwijskwalificaties 1 t/m 4

18


14 Leren en werken: een evaluatie In 2008 hervormde een decreet de verschillende systemen van deeltijds leren en deeltijds werken. Omdat de geplande evaluatie daarvan in 2013 uitgesteld werd naar 2015 en er bijsturing op een aantal vlakken nodig is, heeft de Vlor afgelopen werkjaar zelf een evaluatie gemaakt. Zo vindt de Vlor dat er te weinig plaatsen zijn om jongeren op elk moment te kunnen laten instappen in een traject dat aansluit bij hun behoeften. Daarvoor moet ook blijvend worden ingezet op trajectbegeleiding, in nauwe samenwerking met het clb. Om alle jongeren in de systemen van leren en werken de kans te geven op volwaardige kwalificaties, is het belangrijk dat er voldoende variatie in het aanbod zit. Daarom moeten er beroepskwalificaties van verschillende niveaus aangeboden worden in de centra. De Vlor roept alle sectoren op om zich te engageren in de systemen van leren en werken en de inspanningen te borgen in laagconjunctuur. Voor de samenwerking met de sectoren ziet de Vlor de sectorconvenants als het belangrijkste instrument. De samenwerking met de VDAB kan nog op een aantal vlakken verbeterd worden. Ondertussen werd het overleg met VDAB opgestart om deze samenwerking vlotter te laten lopen.

ÂŹ

lees hier het advies over de evaluatie van het decreet Leren en Werken

15 Loopbanen in wetenschap en technologie (STEM) Het letterwoord STEM verwijst naar Science, Technology, Engineering, en Mathematics. Het gaat om schoolvakken, leergebieden, opleidingen en studierichtingen op het gebied van exacte wetenschappen, techniek en technologie en wiskunde, met inbegrip van ict. Met het STEM-actieplan gaf de Vlaamse Regering gevolg aan het pleidooi van de Vlor en de adviesraad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI) om een stimuleringsbeleid op te zetten voor exacte wetenschappen en techniek in het onderwijs. Dat is nodig omdat er een structureel tekort is aan exacte wetenschappers en technici op de arbeidsmarkt. In het kader van haar actieplan om de keuze van jongeren voor STEM verhogen, gaf de overheid de opdracht aan de Vlor om een reflectie-instrument te ontwikkelen. Leraren en scholen kunnen voortaan een website gebruiken om te reflecteren over hun lespraktijk, visie en beleid. De website vertrekt van een aantal reflectievragen en geeft een paar goede praktijkvoorbeelden uit het basis- en secundair onderwijs die aansluiten bij de interesses en de waarden van jongeren. Bovendien heeft het instrument aandacht voor een innovatieve didactiek en voor het gebruik van dito lesmateriaal en een aangepaste infrastructuur.

ÂŹ

www.stemopschool.be

De Vlor gaf een gunstig advies over de invoering van eindtermen natuurwetenschappen in de tweede en derde graad van het kso en tso. Vanaf het schooljaar 2018-2019 zullen nu ook alle leerlingen die de derde graad kso en tso met succes afgerond hebben, de essentiĂŤle kernconcepten van de natuurwetenschappen kennen. (zie ook 25.1.2)

19


‘De leraar erkennen als sleutelfiguur in de vorming van open, veelzijdige en sterke persoonlijkheden’ 16 Onderwijs als aantrekkelijke werkplek Om onderwijskwaliteit voor alle lerenden te garanderen, is er nood aan voldoende en goed opgeleid onderwijspersoneel dat kan werken in een professionele werkomgeving. In zijn aanbevelingen aan de nieuwe Vlaamse Regering vroeg de Vlor dan ook om hier werk van te maken. De overheid moet onderwijsinstellingen en leraren voldoende professionele autonomie en vertrouwen geven om te kunnen handelen binnen de decretale kaders. Zij moet ook bedachtzaam zijn in het toeschuiven van extra opdrachten voor onderwijspersoneel. In het kader van het loopbaandebat moet onderzocht worden op welke manier het beroep van leraar (en onderwijspersoneel in het algemeen) aantrekkelijker kan worden en hoe mentoraat en jobdifferentiatie daartoe kunnen bijdragen. Onderwijsinstellingen moeten ook voldoende mogelijkheden hebben om aangename werkplekken te creëren. Andere cruciale factoren zijn de versterking van de lerarenopleidingen, de afstemming tussen onderwijsinstellingen, pedagogische begeleidingsdiensten en lerarenopleidingen, de ondersteuning van het professionaliseringsbeleid van de onderwijsinstelling als lerende organisatie en van het schoolleiderschap.

¬

lees hier de fiche die de Vlor uitwerkte voor de nieuwe regering over het onderwijs als aantrekkelijke werkplek

17 Geen onderwijscapaciteit zonder professionele teams Vaak wordt het debat over onderwijscapaciteit gezien als een discussie over onderwijsplaatsen en over kwaliteit van schoolgebouwen. Daarbij wordt over het hoofd gezien dat een toenemende schoolbevolking gekoppeld aan nieuwe pedagogische benaderingen bijzonder hoge eisen zullen stellen aan het personeelsbeleid in het onderwijs. Een structureel capaciteitsbeleid moet dan ook de werking van de arbeidsmarkt voor leraren incorporeren. In zijn strategische verkenning over onderwijscapaciteit (zie 24) schuift de Vlor dan ook voldoende onderwijspersoneel naar voor als een belangrijke beleidshefboom.

20


‘De maatschappelijke verwevenheid van onderwijs met lokale, regionale en internationale netwerken versterken’ 18 Internationaal onderwijsbeleid Ook afgelopen werkjaar volgde de Vlor de internationale agenda op de voet. De impact van Europese en andere internationale instellingen op de onderwijspraktijk wordt immers steeds groter – denk maar aan dossiers zoals het terugdringen van de schooluitval, het talenbeleid, de basiscompetenties of de kwalificatiestructuren in het beroepsgericht onderwijs. Trends Aan het einde van het werkjaar publiceert de raad telkens een rapport met de internationale ontwikkelingen die van invloed zijn op het Vlaamse onderwijsbeleid. In het rapport van dit werkjaar valt vooral op dat er op diverse niveaus van het beleid wordt geëvalueerd en geconsulteerd (omwille van het einde van de beleidscyclus en het scharnierjaar 2015 tussen 2010 en 2020). In de komende periode zijn dus zeker bijsturingen of nieuwe perspectieven te verwachten. De Vlor nam deel aan de consultatie die peilt naar de verwachtingen van de stakeholders over de Europese Ruimte voor vaardigheden en kwalificaties. Netwerk onderwijsraden Ook dit jaar was de Vlor een actief lid van Eunec, het Europees netwerk van onderwijsraden. Enkele vertegenwoordigers namen deel aan het Eunec-seminarie over de aanpak van vroegtijdig schoolverlaten in de EU-lidstaten (Vilnius, Litouwen - mei 2013) en over 'Learning in the digital age' (Athene, mei 2014). Op 7 juni 2014 organiseerde de Vlor een studienamiddag over de impact van Europa op het beroepsgericht onderwijs. Met een ‘position paper’ leverde de raad ook zijn bijdrage aan de Vlaamse standpuntbepaling over een European Area of Skills and Qualifications (EA-SQ).

¬

lees meer op www.vlor.be/internationaal

21


‘Ervoor zorgen dat elke onderwijsinstelling topkwaliteit kan bieden’ 19 Ondersteuning basisschool Directies van basisscholen signaleren al lang het gebrek aan administratieve, beleids- en pedagogische omkadering. Tegelijk wordt van elke basisschool verwacht dat zij over voldoende beleidsvoerend vermogen beschikt om een zelfstandig beleid te voeren. De vraag kan dan ook gesteld worden of de basisscholen met die beperkte omkadering wel in staat zijn om dat beleidsvoerend vermogen te ontwikkelen. In 2010 publiceerde het Rekenhof een onderzoek over de pedagogische en administratieve ondersteuning van basisscholen en secundaire scholen. De onderzoekers roepen daarbij op om de beleidsondersteuning van de basisscholen te versterken. Ook recent onderzoek over het bestedingspatroon van personeelsmiddelen in basis- en secundaire scholen voor de invulling van hun administratieve, beleids- en pedagogisch ondersteunende taken roept de overheid op om werk te maken van de versterking van het administratief, beleids- en pedagogisch ondersteunend personeel in basisscholen.

¬

lees hier het advies over de ondersteuning van de basisschool

20 Inschrijvingssysteem De commissie Diversiteit en Gelijke Onderwijskansen binnen de Vlor verzamelde de knelpunten in verband met het inschrijvingsdecreet. Enkele van die knelpunten hebben te maken met de wijze waarop het decreet geïmplementeerd wordt, andere zijn meer fundamenteel en vragen en wijziging van het decreet. In onderwijsdecreet XXIV werden reeds enkele wijzigingen aan het inschrijvingsdecreet opgenomen. De Vlor blijft echter pleiten voor een grondige evaluatie en aanpassing van het inschrijvingsdecreet.

¬ ¬

lees hier de knelpuntennota over het inschrijvingsrecht lees hier de fiche die de Vlor uitwerkte voor de nieuwe regering over gelijke onderwijskansen

21 Hoger onderwijs 21.1 Minder planlast? De Vlor is tevreden dat de overheid werk heeft gemaakt van de vermindering van plan- en implementatielasten voor de instellingen hoger onderwijs. In zijn advies over het zogenaamde vereenvoudigingsdecreet erkent de raad dat het nieuwe decreet voor een aantal zaken een effectieve vereenvoudiging zal betekenen. Hij is er echter niet van overtuigd dat dat ook zal leiden tot een effectieve en wenselijke reductie van de werkdruk in de instellingen.

¬

lees hier het advies over het vereenvoudigingsdecreet

22


21.2 Nieuw accreditatiestelsel In zijn beleidsnota kondigde de minister aan het stelsel van kwaliteitszorg en accreditatie in het hoger onderwijs te zullen herzien. Een nieuw decreet wijzigde het gros van de bepalingen voor de visitatie en accreditatie. Ook het accreditatieverdrag tussen Nederland en Vlaanderen werd aangepast. Daarmee breidde de taak van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) uit met de instellingstoets kwaliteitszorg (Nederland) en de instellingsreview (Vlaanderen). Bovendien geeft het hbo5-decreet een actieve rol aan de NVAO in de kwaliteitszorg van de Vlaamse hbo5-opleidingen. Naar aanleiding van zijn advies over het gewijzigde NVAO-reglement uitte de Vlor enkele bedenkingen bij het nieuw accreditatiestelsel. Zo geeft een eerste evaluatie in Nederland aan dat planlast een groot pijnpunt is. De Vlor was aanvankelijk verheugd over het feit dat het nieuwe stelsel inhoudelijke reflectie over de onderwijsprogramma’s zou stimuleren. De vraag is of dit vandaag ook echt het geval is en of het systeem toch niet te veraf staat van de dagdagelijkse onderwijskwaliteit. De Vlor vraagt de overheid dan ook om de geplande evaluatie van 2018 grondig uit te voeren en de discussie opnieuw ten gronde te voeren. Indien nodig moet het systeem daarna opnieuw herzien worden.

¬

lees hier het advies over gewijzigd NVAO-reglement

22 Wetenschaps- en innovatiebeleid Op vraag van minister Lieten bracht de Vlor advies uit over een voorontwerp van decreet dat de regelgeving voor wetenschaps- en innovatiebeleid meer moet stroomlijnen. De Vlor is van mening dat de middelen en de procedure van de Herculesstichting ook moeten openstaan voor de onderzoekers van de hogescholen, waaronder de academische opleidingen die niet integreerden in de universiteiten. Verder heeft de Vlor bedenkingen bij de regeling voor de vertegenwoordiging van de hogescholen in de raad van bestuur IWT en de VRWI en waarschuwt hij voor het oprichten van bijkomende financieringsstructuren. De raad pleit ook voor een ruim debat over het open-access-dataprincipe dat stelt dat resultaten van onderzoek met publieke middelen ook publiek bekend gemaakt moeten worden.

¬

lees hier het advies over de decreetswijziging wetenschaps-en innovatiebeleid

23


‘Investeren in duurzame en moderne infrastructuur’ 23 Capaciteit en onderwijs De Vlor publiceerde afgelopen werkjaar de resultaten van zijn strategische verkenning over de capaciteitsdruk op onderwijs. Die stelt vast dat capaciteit garanderen veel verder reikt dan één enkele plaats voor iedere leerling en geeft enkele hefbomen voor een duurzaam, structureel en strategisch beleid voor onderwijscapaciteit.

¬

lees hier meer over de strategische verkenning capaciteit

23.1 Duurzame, structurele en strategische aanpak Capaciteitsproblemen krijgen nu te vaak een antwoord vanuit te specifiek, geïsoleerd en verkokerd perspectief. De aanpak werd tot nog toe te veel geregeld op een ad-hocbasis en een oplossing voor een acute crisissituatie. Maar crisismanagement alleen is niet genoeg. De verkenning pleit daarom voor een ‘sense of urgency’ waarin een duurzame, strategische en structurele aanpak van capaciteitsproblemen in het onderwijs centraal staat. Daarvoor identificeert ze volgende hefbomen:  Een geïntegreerd monitoring- en prognosebeleid  ‘Onderwijsvraag’ adequaat omschrijven  Capaciteit incorporeert nieuwe leerconcepten  Kwaliteitsvolle schoolinfrastructuur  Onderwijs- en schoolinplanting maakt deel uit van integrale planning  Geen onderwijscapaciteit zonder professionele teams  Financiering van capaciteit: een absolute prioriteit  Duidelijke afspraken over de governance  Een specifieke aanpak voor Brussel, maar met aandacht voor de rand

¬

lees hier de platformtekst bij de strategische verkenning capaciteit

23.2 Prioritair op de beleidsagenda De Vlor plaatste de aanpak van het capaciteitsprobleem bovenaan op de lijst van aanbevelingen naar de nieuwe legislatuur. In zijn themafiche voor de onderhandelaars voor een nieuwe regering vraagt de Vlor om een dringende aanpak. Dubbele aanpak De raad vraagt de overheid om capaciteitsprobleem dubbel aan te pakken: op korte termijn een oplossing voor de dringende noden: minimale capaciteit waarborgen (één plaats voor iedere leerling) en tegelijk een strategische planning uitwerken die op middellange termijn waarborgen biedt voor een optimale capaciteit. Die overstijgt de fysieke normen en is gebaseerd op onderwijskundige en maatschappelijke principes (diversiteit, actieve en passieve keuzevrijheid, kiezen in functie van talenten), essentiële aspecten van kwaliteit van onderwijs, nieuwe leeromgevingen en didactische mogelijkheden, de lerende en zijn ontwikkelingsnoden en voorziet tevens voldoende en competent onderwijspersoneel.

¬

lees hier de fiche die de Vlor uitwerkte voor de nieuwe regering over de capaciteitsproblematiek

24


Overig advieswerk van de Vlor 24 Beleidsmethoden 24.1 Timing verzameldecreten In zijn adviezen over verzameldecreten herhaalt de Vlor telkens zijn bezorgdheid dat verzameldecreten die uiteindelijk in het Vlaams Parlement ingediend en goedgekeurd worden, steeds een groot aantal artikelen bevat dat nog niet opgenomen was in de versie die voor advies werd voorgelegd. Die werkwijze zorgt voor een democratisch deficit omdat een aantal geledingen van de Vlor dan op geen enkele manier kan reageren op cruciale wijzigingen in de onderwijsregelgeving. De Vlor is steeds vragende partij geweest om verzameldecreten tijdig goed te keuren. Een laattijdige goedkeuring en laattijdige communicatie naar scholen en naar de verschillende onderwijspartners belemmeren immers een vlotte organisatie van het volgende schooljaar. De Vlor vond het dan ook een pluspunt dat het onderwijsdecreet XXIV dit werkjaar tijdig ter advisering voorlag. De vertegenwoordigers van de verschillende geledingen in de Vlor betreuren echter dat zij opnieuw, zeker in het begin van het schooljaar, nauwelijks de tijd krijgen om hun achterban te consulteren. Bovendien heeft de strakke timing voor gevolg dat de adviesverlening over het onderwijsdecreet simultaan moest verlopen met de adviesverlening over het masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs, terwijl in het voorontwerp van OD XXIV al enkele bepalingen opgenomen waren die een operationalisering zijn van dat masterplan.

ÂŹ

lees hier het advies over OD XXIV

24.2 Meerwaarde strategische adviesraden In een conceptnota over de beperking van het aantal entiteiten bij de Vlaamse administratie deed de Vlaamse Regering enkele voorstellen voor de hervorming van de strategische adviesraden. De strategische adviesraden formuleerden daarom in december 2013 in een gezamenlijk advies zelf een aantal opties voor de verbetering van zowel de adviesprocessen als het advieslandschap.

ÂŹ

lees hier het advies van de strategische adviesraden over hun hervorming

De Vlor bracht in januari nog een eigen advies uit over zijn specifieke rol en positionering. Daarin toont de raad zijn blijvende meerwaarde aan als onafhankelijke strategische adviesraad voor het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. De raad gaat daarbij in op meer algemene vragen rond formele participatie, de vertegenwoordiging van het georganiseerde middenveld, het belang van de overlegfunctie, de plaats van strategische adviesraden in de beleidscyclus. Tot slot wijst de Vlor op zijn engagement om te blijven investeren in de optimalisering van zijn werking en daarover creatief en constructief mee na te denken met de overheid. 25


¬

lees hier het advies over de meerwaarde van de Vlor als strategische adviesraad

24.3 Beleidsvoorbereidend onderzoek Een evidence based onderwijsbeleid integreert de resultaten van wetenschappelijk onderzoek meer en beter in de beleidsvoorbereiding. Dat sluit aan bij de internationale tendens waarin zowel de OESO als de Europese Unie pleiten voor een sterkere wisselwerking tussen onderzoeksgegevens over het functioneren van het onderwijssysteem en het onderwijsbeleid. 24.3.1 Praktijkgericht onderwijsonderzoek (PGO) In navolging van zijn verkenning en studiedag over de relatie tussen neurowetenschap en onderwijs lanceerde de Vlor een oproep voor het maken van een praktijkgerichte literatuurstudie. Daarmee wil het onderwijsveld een zicht krijgen op wat de neurowetenschappen vandaag al kunnen betekenen voor de onderwijspraktijk. De opdracht zal worden uitgevoerd door een team van onderzoekers van verschillende hogescholen en universiteiten. De Vlor verwacht het eindrapport tegen het einde van 2014.

¬

lees hier meer over de review over neurowetenschap en onderwijs

24.3.2 Onderwijskundig beleids- & praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek (OBPWO) Het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 1994 dat de procedure regelt voor de projecten van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek (OBPWO) bepaalt dat de Vlor jaarlijks advies geeft over de prioritaire onderzoeksthema’s. De Vlor heeft dat enkele jaren proactief gedaan vanuit de verwachting dat de overheid bij de themazetting maximaal zou kunnen inspelen op de suggesties van de onderwijsgeledingen. Sinds 2012 ziet de Vlor af van dat proactief advies omdat de overheid weinig rekening hield met de voorgestelde thema’s. Het advies beperkt zich daarom tot een reactie op de thema’s die de minister aan de Vlor voorlegt. Op basis van het advies werden een aantal thema's uit de oproep van de minister scherper geformuleerd en/of verduidelijkt.

¬

lees hier het advies over de OBPWO-themazetting 2014

24.4 Participatieve conferentie: De school van de toekomst Afgelopen werkjaar leverde de Vlor samen met de Koning Boudewijnstichting en het Departement Onderwijs en Vorming zijn bijdrage aan het prospectief project De school als leer- en werkplek in 2030. Na een verkennende fase (literatuurstudie, interviews en focusgroepen) ontwierpen 10 creatieve mensen in de zomervakantie van 2013 in een vijfdaags ‘leerlab’ hun ideeën over het onderwijs van de toekomst.

26


Op 20 november 2013 organiseerde de Vlor een participatieve conferentie waar de resultaten van het creatief team werden verdiept en verfijnd met een bredere groep van stakeholders. In maart 2014 nam het Departement Onderwijs en Vorming het voortouw in een publieksevent waarop alle resultaten van dit project officieel aan de minister en het grote publiek werden voorgesteld.

¬

lees hier meer over de participatieve conferentie

25 Onderwijsaanbod en -organisatie 25.1 Secundair onderwijs 25.1.1 Erkennings- en programmatieaanvragen Zoals ieder jaar adviseerde de Vlor de erkennings- en programmatieaanvragen secundair onderwijs voor het schooljaar 2014-2015. De adviesvraag omvatte 204 aanvragen voor structuuronderdelen die programmeerbaar zijn mits goedkeuring door de Vlaamse Regering en 29 aanvragen voor programmatie van niet- programmeerbare studierichtingen. Daarnaast was er een adviesvraag voor de erkenning en programmatie van twee nieuwe structuuronderdelen in het gewoon voltijds secundair onderwijs. Voor de beoordeling van de programmatieaanvragen voor structuuronderdelen mits goedkeuring door de Vlaamse Regering gebruikt de Vlor vijf criteria:  Beantwoordt de programmatie aan de behoeften inzake onderwijsaanbod binnen de onderwijszone?  Sluit de programmatie inhoudelijk aan bij de behoeften op de arbeidsmarkt?  Zorgt de programmatie voor de studiecontinuïteit van de leerlingen binnen de school of scholengemeenschap?  Past de programmatie in een convenant?  Is de programmatie STEM-gerelateerd? In zijn advies maakt de Vlor ook enkele algemene opmerkingen over de timing van de bekendmaking van de nieuwe regeling voor de programmaties, de aanvragen voor hercombinaties.

¬

lees hier meer over het advies over de programmatieaanvragen SO

27


25.1.2 Eindtermen Dit werkjaar legde de overheid drie sets van nieuwe eindtermen voor het voltijds gewoon secundair onderwijs. De Vlor gaf telkens een gunstig advies over de voorstellen van de overheid. Hij vermeldde daarbij telkens daarmee geen uitspraken te doen over lopende discussies zoals die over competentiegericht formuleren van eindtermen en over de plaats van wetenschappen in het curriculum van het secundair onderwijs. Op 1 september 2014 worden in de derde graad aso geactualiseerde eindtermen natuurwetenschappen ingevoerd. De Vlor adviseerde die gunstig omdat ze voldoende generiek zijn geformuleerd om ruimte te laten voor het afleiden van leerplandoelstellingen, haalbaar zijn voor de leerlingen en realiseerbaar in de bestaande vakkenstructuur (natuurwetenschappen, fysica en/of chemie en/of biologie). De Vlor vindt deze aanpak een relevante stap in het debat over de haalbaarheid en wenselijkheid van descriptoren. Ook waardeert de raad het feit dat er bij het opstellen van de eindtermen overleg werd gepleegd met het hoger onderwijs.

¬

lees hier het advies over eindtermen natuurwetenschappen in de 3de graad aso

Later op het werkjaar kwam er het voorstel van de overheid om natuurwetenschappen ook in te voeren in de tweede en derde graad van het kso en tso. In het kader van het stimuleren STEM, beoordeelde de Vlor dit voorstel gunstig (zie 15). De raad deed dit ook vanuit zijn zorg de continuïteit te garanderen voor de leerlingen die straks overstappen van de eerste graad naar de tweede graad kso en tso.

¬

lees hier het advies over eindtermen natuurwetenschappen 2de en 3de graad kso/tso

In februari gaf de Vlor een gunstig advies over het voorstel van nieuwe eindtermen aardrijkskunde in de derde graad van het kso en tso. De raad vindt het een goed idee en realistisch om deze herziene eindtermen op 1 september 2017 samen in te voeren met de nieuwe eindtermen voor natuurwetenschappen. In zijn advies vroeg hij wel om enkele terminologische aanpassingen te doen. Zo adviseert hij de overheid om de term ‘leerinhouden’ te vervangen door ‘mogelijke operationaliseringen’ in de tabel met het referentiekader, zodat het duidelijk is voor leerplanmakers en gebruikers duidelijk dat deze tabel niet sturend is. De raad vroeg ook om de term ‘descriptoren’ te vervangen door ‘descriptorelementen’, conform het decreet over de Vlaamse Kwalificatiestructuur.

¬

lees hier het advies over de eindtermen aardrijkskunde derde graad kso/tso

25.2 Opleidingsprofielen volwassenenonderwijs In de modulaire onderwijsorganisatie werkt ook het volwassenenonderwijs met opleidingsprofielen. Die omvatten, naast de benaming en het volume van de opleiding, ook de basiscompetenties. In de opleidingsprofielen zijn ook de modules en leertrajecten opgenomen. De Vlor adviseert de eindvoorstellen op basis van een algemeen toetsingskader en specifieke beoordelingscriteria zoals de interne samenhang van het opleidingsaanbod, gedragenheid en de relatie tot de arbeidsmarkt of tot andere relevante maatschappelijke ontwikkelingen. Bij de advisering van die opleidingsprofielen wordt systematisch gekeken naar de beroepsprofielen of andere relevante referentiekaders en wordt hierover overlegd met de betrokken sectoren. De Vlor gaf in oktober 2013 een gunstig advies voor de twee voorstellen van opleidingsprofielen voor Residentieel elektrotechnisch installateur (studiegebied Mechanica-Elektriciteit) en Tandartsassistent (studiegebied Personenzorg) en over de uitbreidingsmodules aan de bestaande opleidingen Verzorgende, Zorgkundige, Jeugd- en gehandicaptenzorg en Intercultureel 28


medewerker (studiegebied Personenzorg) en over geletterdheidsmodules voor de opleidingen Nederlands tweede taal Richtgraad 1 en Richtgraad 2 (studiegebied Nederlands tweede taal).

¬

lees hier het eerste advies over de voorstellen van opleidingsprofielen SVO

In maart bracht de Vlor advies uit over de voorstellen van uitbreiding van de opleidingsprofielen voor Computeroperator, Netwerktechnicus en Informatica en voor het leergebied Alfabetisering Nederlands tweede taal.

¬

lees hier het tweede advies over de voorstellen van opleidingsprofiel SVO en BE

In juni adviseerde de Vlor de voorstellen van opleidingsprofielen uit de clusters Hout en Bakkerij. Deze opleidingsprofielen zijn de eerste volledige clusters van beroepskwalificaties die vertaald worden naar onderwijsopleidingen. Daarnaast is het ook de eerste keer dat de opleidingsprofielen samen met de modulaire opleidingenstructuren van het dbso werden ontwikkeld. De logica van de Vlaamse kwalificatiestructuur volgend, kunnen de keuzes die gemaakt worden in de opleidingsprofielen een belangrijke invloed hebben op het aanbod in andere onderwijsniveaus. Daarom werd er hier bij de adviesvoorbereiding extra aandacht aan besteed. De Vlor formuleert een aantal principiële bedenkingen over de totstandkoming van het onderwijsaanbod. In de eerste plaats is er een nood aan afstemming van de procedures van de verschillende onderwijsniveaus en -vormen. Dat is een absolute voorwaarde om tot een rationeel en transparant aanbod te komen. Daarnaast kan de diplomagerichtheid van een aantal opleidingen in het secundair volwassenenonderwijs gevolgen hebben voor de onderwijskwalificaties in het voltijds en deeltijds secundair onderwijs. Op een moment dat de debatten over de hervorming van het secundair onderwijs nog volop lopen, wijst de Vlor er op dat de diplomagerichtheid van opleidingen in het secundair volwassenenonderwijs geen gevolgen kan hebben voor het leerplichtonderwijs. Er moet wel een discussie over de samenhang tussen de basisvorming in de verschillende onderwijsniveaus opgestart worden.

¬

lees hier het derde advies over de opleidingsprofielen SVO

25.3 Afwijkingen programmatiestop dko Sinds het schooljaar 2011-2012 geldt in het deeltijds kunstonderwijs een programmatiestop. De Vlaamse Regering kan echter afwijkingen toestaan op die programmatiestop na een gemotiveerde aanvraag van het schoolbestuur. Op 21 januari bracht de Vlor advies uit over die aanvragen.

¬

lees hier het advies over de aanvragen tot afwijking van de programmatiestop kunstacademies

29


BIJLAGEN bijlage 1: De decretale basis bijlage 2: Specifieke bevoegdheden bijlage 3: Organigram bijlage 4: De raden a. Algemene Raad b. Raad Basisonderwijs c.

Raad Secundair Onderwijs

d. Raad Hoger Onderwijs e. Raad Levenslang en Levensbreed Leren

bijlage 5: Activiteiten bijlage 6: Publicaties bijlage 7: Permanent secretariaat van de Vlor

30


INDEX A

inschrijvingsrecht, 22 integrale jeugdhulp, 7

Aanmoedigingsfonds, 12, 13

K

anderstalige, 15 autonomie, 5, 20

kinderopvang, 6, 7

B

kwalificatie, 21 kwalificatiestructuur, 2, 18, 29

basisonderwijs, 4, 9, 11, 12, 14

L

buitengewoon, 7, 9 buitenschoolse opvang, 7, 12

C

leerlingen, 2, 4, 7, 9, 10, 11, 19, 27, 28 leerlingenbegeleiding, 5, 7, 8 leerloopbaanbegeleiding, 7, 8

capaciteit, 1, 5, 7, 24

leerplichtonderwijs, 5, 9, 11, 16, 29

clb, 7, 8, 9, 12, 19

leraren, 5, 20

competenties, 5, 15, 18

leren en werken, 19

D

levenslang leren, 2, 15 loopbaan, 12

deeltijds kunstonderwijs, 2, 10, 29

M

dko, 3, 10, 29

E

maatschappelijk debat, 14 middelen, 4, 10, 12, 13, 16, 23 migratieachtergrond, 11

einddoelen, 5, 18

N

F

Nederlands, 2, 6, 17, 23, 29

financiering, 5

NT2, 2, 17

G

O

gelijke kansen, 7 gelijke onderwijskansen, 2, 5, 8, 11, 22

ondersteuning, 2, 5, 7, 8, 20, 22

gezondheid, 8

onderwijspersoneel, 12, 20, 24

GOK, 11

opleidingsprofiel, 29 ouders, 8, 9, 11, 12

H hoger onderwijs, 2, 4, 8, 12, 13, 14, 15, 16, 22, 23, 28

overheid, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 25, 26, 28 overleg, 1, 8, 9, 10, 13, 16, 17, 19, 28

hogescholen, 9, 23, 26

P I

ict, 6, 16, 19 infrastructuur, 3, 6, 7, 16, 19, 24 innovatie, 4 inschrijvingsdecreet, 22

participatie, 10, 25 partnerschap, 6 pedagogische begeleidingsdiensten, 20 planlast, 3, 22, 23 preventie, 8, 10

31


professionalisering, 16

trajectbegeleiding, 19

S schooltoelagen, 12

U universiteiten, 9, 23, 26

secundair onderwijs, 2, 7, 8, 11, 13, 14, 19, 25, 27,

V

28, 29 stakeholders, 1, 9, 14, 16, 21, 27

volwassenenonderwijs, 3, 28, 29

studenten, 4, 12, 13, 14, 15, 16

W

studietoelagen, 11

T

welzijn, 2, 6, 7, 8, 12 Welzijn, 7, 12

taalregeling, 15

werk, 11, 13, 20, 22

traject, 19

32


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
jaarverslag_VLOR_2013_2014.pdf by Vlaanderen-be - Issuu