Skip to main content

Toelatingsexamen_arts_tandarts_2007.pdf

Page 1

Toelatingsexamen arts en tandarts 2007

Wil je in het academiejaar 2007-2008 starten met de opleiding van of de opleiding van

arts

tandarts

dan is deze

informatiebrochure voor jou van het allergrootste belang!

Ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs


COLOFON: Samenstelling: Ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs

Verantwoordelijke uitgever: Raymonda Verdyck Wnd. administrateur-generaal Hendrik Consciencegebouw, kamer 1A22 Koning Albert II-laan 15 B-1210 Brussel Oplage: 12.000 Depotnummer: D/2007/3241/006 Je vindt deze brochure op school, in elk CLB en bij de diensten voor studieadvies van de Vlaamse universiteiten. Je kan ze ook raadplegen in de openbare bibliotheken, op het gemeentebestuur of via internet, surf naar www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen. Een gratis exemplaar kan je schriftelijk bestellen op het volgende adres: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap voor Onderwijscommunicatie cel Publicaties Koning Albert II-laan 15 B-1210 Brussel www.ond.vlaanderen.be/publicaties Aandacht: de cel publicaties verdeelt alleen de brochure. Voor alle andere vragen kan je terecht op het gratis nummer 1700 (vanuit het buitenland: +32 2 553 50 70) of via internet op start.vlaanderen.be/contact.

2


INHOUD I. II.

Waarom? a. Voor wie? b. Voor wie niet? c. Twijfel? III. Lees aandachtig IV. Organisatie en beoordeling a. Kennis en inzicht in de wetenschappen (KIW) b. Informatie verwerken en verwerven (IVV) c. Beoordeling van en slagen voor het toelatingsexamen d. Waarschuwingen e. Informatie in verband met een mogelijke handicap V. Praktisch Wanneer, waar, wanneer inschrijven, hoeveel keer inschrijven/deelnemen, dagindeling Hoe inschrijven? Mededeling van het resultaat VI. Inhoud en beantwoording van vragen VII. Uittreksel van het decreet dat de wettelijke grondslag heeft gelegd voor de organisatie van het toelatingsexamen VIII. De leerstofonderdelen KIW

4 6 6 6 7 8 8 9 9 10 11 12 12 12 13 14 19 21

To the attention of the foreign students The restriction of the intake of students to the programmes of medicine and dentistry in Flanders occurs through an entrance examination. Passing this examination is an extra condition for these programmes. Since the decree on the universities in the Flemish community explicitly states that Dutch is the official educational language (with the exception of some cases which are not applicable to the regular programs of medicine and dentistry), the entrance examination must completely be taken in Dutch. The knowledge of the Dutch language is actually a qualitative prerequisite for the admittance to the program. All documents regarding the entrance examination and the examination itself are exclusively in Dutch.

3


I. WAAROM? De verhouding van het aantal zorgverstrekkers tot de behoeften van een maatschappij en het aantal inwoners van haar grondgebied, zijn determinerende elementen voor de volksgezondheid van een land. De overheid moet er dus zorg voor dragen dat de beschreven factoren steeds in evenwicht zijn. De federale overheid van BelgiĂŤ heeft daarom in 1996 de toegang tot het systeem van de sociale zekerheid (de aanvaarding door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, afgekort als Riziv) per Gemeenschap vanaf 2002 beperkt voor de tandartsen en vanaf 2004 voor de artsen. In de Vlaamse Gemeenschap gaat het over jaarlijks 84 tandartsen (vastgesteld tot 2010) en 420 artsen tot 2011, 500 artsen in 2012 en 585 artsen in 2013. De federale overheid heeft ook een verhouding ingesteld tussen huisartsen en geneesheer-specialisten en heeft bepaalde quota ingevoerd per specialiteit. Voor de tandartsen gaat het om 70 algemeen tandartsen, 7 parodontologen en 7 orthodontisten. Geconfronteerd met de federale beperking (vaak ook contingentering genoemd) hebben het Vlaams Parlement en de toenmalige minister van Onderwijs geoordeeld dat het onverantwoord zou zijn een kandidaat na vijf of zeven jaar studie een diploma te laten behalen om zich vervolgens de aanvaarding door het Riziv ontzegd te zien. Zij wilden daarom het aantal kandidaten die de opleiding van arts of tandarts wensen aan te vatten, beperken. Zij hebben daartoe vanaf 1997 een toelatingsexamen ingesteld dat zich als doel stelt de studenten te selecteren die de beste kans maken om een van beide opleidingen met succes aan te vatten. Het decreet van 4 april 2003 (betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen) heeft de juridische grondslagen voor het toelatingsexamen hernomen. Een uittreksel ervan is te vinden in deze brochure (p. 19). Dat zelfde decreet stelt ook de algemene toelatingsvoorwaarden tot het hoger onderwijs vast. Het slagen voor het toelatingsexamen is een bijkomende toelatingsvoorwaarde voor de opleidingen van arts en tandarts. De bijkomende toelatingsvoorwaarde geldt alleen voor het recht op inschrijven in de bedoelde opleidingen aan een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap. Belangrijk! De Vlaamse regering legt niet bij voorbaat vast hoeveel kandidaten mogen slagen. Er is dus geen numerus fixus voor de opleiding van arts of tandarts ingesteld. In 1997 gingen de eerste twee zittijden van het toelatingsexamen door. Sindsdien hebben meer dan 14.000 individuele kandidaten meer dan 22.000 examens afgelegd tijdens de twee jaarlijkse zittijden. Het is objectief vastgesteld dat het slaagpercentage in het eerste jaar van de academische opleiding arts of tandarts sindsdien gevoelig is gestegen. 4


De analyse van de examenresultaten heeft eveneens heel wat informatie opgeleverd. Daarom vraagt de examencommissie de kandidaten op vrijwillige basis te willen deelnemen aan een anonieme bevraging na het examen. Op grond van deze gegevens probeert de examencommissie terug te koppelen naar het secundair onderwijs, naar de universiteiten en uiteraard naar het toelatingsexamen zelf. Deze brochure vertelt je alles wat je moet weten over de inhoud en de organisatie van het toelatingsexamen. Mocht je interesse hebben voor de opleiding tot arts of tandarts en denk je over de daartoe nodige capaciteiten te beschikken, dan biedt de brochure jou een optimale voorbereiding op de examendag en het examen zelf. Al wie zich inschrijft krijgt ten laatste twee weken voor de examendag nog meer informatie en concrete richtlijnen. Op de website van het toelatingsexamen zal overigens uitvoerige informatie beschikbaar zijn. Aandacht: het toelatingsexamen is een zeer specifieke geschiktheidsproef voor de opleidingen van arts en tandarts. Het toelatingsexamen kan niet doorgaan als een globale geschiktheidsproef voor het academisch onderwijs. Daarvoor bestaan alternatieven.

Prof. dr. Daniel van Steenberghe voorzitter van de examencommissie

5


II.a VOOR WIE? Vanaf 1997-1998 voor iedereen die de gewone toelatingsvoorwaarden vervult en wil inschrijven voor de opleiding van arts of van tandarts of voor een opleidingsonderdeel ervan, ook als hij/zij deze opleidingen wil volgen op grond van een examencontract waarin het structuur- en flexibiliseringsdecreet voorziet.

II.b VOOR WIE NIET? ► Uiteraard de studenten die reeds voor 2007 voor het toelatingsexamen slaagden én uiterlijk op 31 december van het jaar van dat slagen hun diploma secundair onderwijs behaalden. ► Voor studenten die in het buitenland hun diploma van arts of tandarts hebben behaald en die de toelating hebben om zich aan een universiteit in Vlaanderen in te schrijven voor een mastersopleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tandheelkunde.

II.c TWIJFEL? Mocht je eraan twijfelen of jij aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde moet voldoen, dan stel je jouw concrete vraag schriftelijk aan de secretaris van de examencommissie (adres hieronder). Vermits de rechtsgevolgen van deze kwestie heel belangrijk zijn, zal de examencommissie geen enkel individueel geval telefonisch behandelen. Alleen het schriftelijke antwoord van de secretaris van de examencommissie op jouw schriftelijke vraag, geldt als definitief uitsluitsel. Vraag te richten aan Toelatingsexamen arts en tandarts t.a.v. de secretaris Hendrik Consciencegebouw, kamer 6A4 Koning Albert II-laan 15 (B) 1210 BRUSSEL (BELGIË)

6


III. LEES AANDACHTIG! ► Het slagen voor het toelatingsexamen arts en tandarts is een bijkomende toelatingsvoorwaarde. Kandidaten die eerst een andere opleiding volgen en later wensen over te stappen naar de opleiding van arts of tandarts (en daarbij rekenen op een aantal vrijstellingen van opleidingsonderdelen waarmee zij eventueel een studieverkorting kunnen genieten), zijn niet vrijgesteld van het slagen voor het toelatingsexamen. Het meest optredende voorbeeld is dat van de ‘omweg’ via de opleiding biomedische wetenschappen. De examencommissie legt hierop sterk de nadruk om ontgoochelingen bij de kandidaten te vermijden. Hetzelfde geldt trouwens indien een kandidaat eerst een deel van de opleiding in de Franse Gemeenschap of in het buitenland zou volgen. ► Het toelatingsexamen arts en tandarts is tevens een instrument tot beperking en volgt dus niet alle normaal te verwachten procedures van de academische examens. Er bestaat geen stelsel van vrijstellingen, noch van één sessie naar een andere, noch op grond van voorgaande curricula. Elke vraag om vrijstelling(en) van bepaalde onderdelen van het toelatingsexamen is derhalve nutteloos. ► Het toelatingsexamen wordt tweemaal per jaar georganiseerd. Wie niet slaagt voor de eerste sessie, kan uiteraard opnieuw in de tweede sessie proberen, maar het is geenszins verplicht in te schrijven voor de eerste om te kunnen deelnemen aan de tweede sessie. De mogelijkheid bestaat zelfs om een onbeperkt aantal keren deel te nemen aan het examen. Het is niet mogelijk om voor beide sessies tegelijk in te schrijven. ► Het slaagpercentage voor het betrokken jaar is de verhouding tussen het totaal aantal geslaagde kandidaten in beide sessies samen en het totaal aantal individuen dat heeft deelgenomen (alleen in juli, alleen in augustus, in juli en in augustus). Deze opmerking is belangrijk omdat het slaagpercentage per sessie een fout beeld oplevert. Bij wijze van voorbeeld, de resultaten van 2006: in de eerste sessie 551 geslaagden op 2184 (25,2%); in de tweede sessie 461 geslaagden op 1529 (30,2%); in het jaar 2006 1012 geslaagden op 2636 individuen (38,4%). ► De Vlaamse Gemeenschap behandelt de buitenlanders op identieke wijze als de Vlamingen (Belgen). Vermits de regelgeving duidelijk de centrale organisatie op één locatie in Brussel oplegt, is er geen mogelijkheid om dit examen bijvoorbeeld af te leggen in een Belgische ambassade of in een Belgisch consulaat. De Vlaamse regering kan evenmin in taalfaciliteiten voorzien omdat het wel degelijk om een beperking gaat voor toelating in het universitair onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap waarin de onderwijstaal, in ieder geval in de bachelorjaren, het Nederlands is.

7


IV. ORGANISATIE EN BEOORDELING Het toelatingsexamen bestaat uit twee even belangrijke onderdelen, Kennis en Inzicht in de Wetenschappen, in code KIW (a) en Informatie Verwerven en Verwerken, IVV (b). Alle vragen zijn meerkeuzevragen. Op het examen zelf kan je jouw antwoorden eerst aanduiden op een werkblad of in werkboekjes. Nadien breng je ze over op een optisch leesbaar formulier. Maak je dus tijdig vertrouwd met deze wijze van examinering. Lees aandacht het stuk over de beoordeling en het slagen (c), hou rekening met enkele belangrijke waarschuwingen (d) en met de vermelding over mogelijke handicaps (e).

a. Kennis en Inzicht in de wetenschappen (KIW) Dit eerste gedeelte peilt naar de kennis en het inzicht in de wetenschappen, toegespitst op de vakken fysica, scheikunde, biologie en wiskunde. Het niveau van de vragen is afgestemd op wat men redelijkerwijze kan verwachten als het gemiddelde van de geactualiseerde leerplannen van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs (ASO). De grote verscheidenheid van deze leerplannen over de onderwijsnetten, maar ook over de scholen binnen eenzelfde net heen, maakt het onmogelijk om met absolute zekerheid te stellen dat elke leerling in de derde graad van het ASO de leerstof, waarover een vraag handelt, in extenso bestudeerd zal hebben. Het gaat daarom niet enkel om kennis, maar ook om inzicht. Op grond van de gegevens moet een kandidaat bijgevolg ook de benodigde afleidingen kunnen maken om tot het gezochte, juiste resultaat te komen. Overigens is het duidelijk dat bepaalde leerstofonderdelen van de derde graad onmogelijk te begrijpen zijn zonder een stevig inzicht in de leerstof van eraan voorafgaande jaren die er de grondslag voor gelegd heeft. Aandacht: noch de examencommissie, noch de overheid kan ten behoeve van de kandidaten tussenbeide komen in het aanleveren van studiemateriaal. De vragen van het gedeelte KIW hebben doorgaans het karakter van een oefening. Zij peilen dus niet naar bewijzen of zuiver theoretische afleidingen. Ook kan een vraagstelling gebaseerd blijken op grafische gegevens; het kunnen analyseren van grafieken is dus een belangrijke vaardigheid. De vragen zullen verder zo opgevat zijn dat men de juiste antwoorden kan vinden zonder ingewikkelde berekeningen. Waar nodig, krijgen de kandidaten op het examen tabellen aangereikt met nuttige constanten, gegevens en formules. Gebruik van elektronische rekentoestellen of andere hulpapparatuur is niet nodig en derhalve verboden. Om de optimale leesbaarheid van de vragen te garanderen, noteert de examencommissie grootheden, symbolen en eenheden in principe volgens de geldende SI-normen. Indien verwarring mogelijk zou zijn, zal zij de 8


verschillende mogelijkheden vermelden. Hetzelfde geldt voor begrippen met verschillende synoniemen; in dat laatste geval zal de examencommissie deze synoniemen vermelden, bijvoorbeeld Javel (= bleekwater). De examencommissie zal wetmatigheden steeds verduidelijken en er niet van uitgaan dat de kandidaten ze in formulevorm kunnen herkennen. In deel VIII van deze brochure staat het overzicht van de leerstofonderdelen.

b. Informatie verwerven en verwerken (IVV) Dit tweede examengedeelte peilt naar het vermogen van de kandidaat om informatie adequaat op te nemen én om er vervolgens, dankzij de daarop door hem mentaal toegepaste verwerking, ook nog iets nuttig mee aan te vangen, d.w.z. problemen op te lossen. Dit laatste is niet enkel relevant voor zijn toekomstig functioneren als medicus; het bepaalt ook de eigen kansen op succes in de studie. IVV peilt m.a.w. in eerste instantie naar kandidaats leerpotentieel. Wetenschappelijk onderzoek, ook van dit toelatingsexamen, heeft inmiddels uitgewezen dat een hogere score qua leerpotentieel ook na toelating tot de opleiding nog steeds gepaard gaat met betere studieresultaten in de opleiding zelf. Het examengedeelte IVV bestaat uit drie proeven die leiden tot één totaalscore. Zij behelzen het verwerven van informatie, respectievelijk middels een casus bestaande uit twee delen, en het verwerken van informatie middels één specifieke proef, te weten ‘redeneren’: De casus (studie van een geval) confronteert de toekomstige student in de genees- dan wel tandheelkunde met twee specifieke taken: een ‘wetenschappelijke’ en een ‘medische’. - De eerste behelst zelfstudie van een wetenschappelijk onderwerp; dat geschiedt in een stilleestekstproef die het assimilatievermogen van de kandidaat peilt. - De tweede omvat analyse van ontmoetingen tussen een arts of tandarts én een patiënt. Hun dialoog handelt over een gezondheidsvraag van laatstgenoemde. De toekomstige student wordt hier beoordeeld op het kunnen verwerken en beoordelen van de zorgenverstrekker-patiëntcommunicatie in deze ontmoetingen. De specifieke proef inzake redeneren peilt naar de capaciteit tot informatie verwerken van de kandidaat. Elke verworven informatie dient immers mentaal verwerkt, in casu beredeneerd, om op basis daarvan effectief probleemoplossend te zijn. Deze verwerking dient daarenboven voldoende snel te verlopen, zoals in acute probleemsituaties een effectieve probleemaanpak ook nodig is. Dat verantwoordt de relatief stevige tijdsdruk waaronder deze proef wordt afgenomen.

c. Beoordeling van en slagen voor het toelatingsexamen Elk wetenschapsgebied krijgt evenveel vragen. Het examengedeelte KIW bestaat uit het geheel van deze vragen. De beoordeling gebeurt op dit geheel. Anders uitgedrukt: de kandidaat moet geen minimale score behalen op elk wetenschapsgebied afzonderlijk. 9


Hoewel het examengedeelte IVV bestaat uit drie onderdelen (redeneerproef, stilleestekstproef, gespreksproef) toch gebeurt de beoordeling op het geheel. Anders uitgedrukt: de kandidaat moet geen minimale score behalen op elk van de drie onderdelen. Elke kandidaat die ten minste 10 op 20 behaalt voor het examengedeelte Kennis en Inzicht in de Wetenschappen (KIW), ten minste 10 op 20 voor het examengedeelte Informatie Verwerven en Verwerken (IVV) én ten minste 22 op 40 op het geheel (dit als som) van beide examengedeelten, is geslaagd en mag zich bijgevolg inschrijven in de opleiding van arts of tandarts aan een universiteit binnen de Vlaamse Gemeenschap. AANDACHT! Vanaf 2007 zal de examencommissie de gewone theoretische giscorrectie toepassen. Ze wil hiermee het “gissen” of “gokken” ontmoedigen om het examen, nog meer dan vroeger, moreel te verantwoorden. Indien een meerkeuzevraag vier antwoordalternatieven heeft, dan is één ervan het juiste antwoord en de andere drie zijn fout (men noemt ze doorgaans afleiders). Het juiste antwoord levert dan 1 punt op en een fout antwoord -1/3 punt (theorie: -1 gedeeld door het aantal antwoordalternatieven -1). Bij vijf antwoordalternatieven levert een fout antwoord dus -1/4 punt op. Het is in deze constructie absoluut af te raden naar het juiste antwoord te gissen.

d. Waarschuwingen ► Het slagen voor het toelatingsexamen is een supplementaire toelatingsvoorwaarde die geen afbreuk doet aan de andere reeds bestaande toelatingsvoorwaarden. Gaat het bijvoorbeeld om de inschrijving in het eerste jaar door een kandidaat die nog geen hoger onderwijs heeft gevolgd, dan moet die kandidaat vanzelfsprekend ook tijdig in het bezit zijn van een diploma van secundair onderwijs. Mocht een kandidaat deelnemen aan het toelatingsexamen en hiervoor slagen, dan nog heeft dat geen enkele waarde indien hij/zij geen diploma van secundair onderwijs kan voorleggen bij zijn/haar inschrijving aan de gekozen universiteit. De formele regel luidt dat dit diploma van secundair onderwijs behaald moet zijn ten laatste op het einde van het kalenderjaar waarin de kandidaat voor het toelatingsexamen slaagde. Als aan die voorwaarde voldaan is, blijft het slagen voor het toelatingsexamen onbeperkt geldig in de tijd, ook al schrijft de kandidaat zich niet onmiddellijk in de opleiding voor arts of tandarts in. ► De examencommissie beveelt de kandidaten ten zeerste aan alleen deel te nemen als ze oprecht de intentie hebben de opleiding van arts of tandarts aan te vatten. Zoniet geeft dit een vertekend beeld van de resultaten, ook voor betrokkenen.

10


e. Informatie in verband met een mogelijke handicap De examencommissie geeft de mogelijkheid aan kandidaten die vermoeden dat zij, omwille van hun handicap, niet volwaardig kunnen deelnemen aan dit toelatingsexamen, de examencommissie daarvan op de hoogte te stellen. Met handicap is bedoeld elke langdurige en belangrijke beperking van de kansen tot sociale integratie van een persoon ten gevolge van een aantasting van de mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke mogelijkheden (decreet van 27 juni 1970 houdende de oprichting van het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap). Ongeacht de manier waarop de kandidaat inschrijft, moet hij een mogelijke handicap met een afzonderlijke brief aan de secretaris van de examencommissie melden (adres te vinden in deel II). Daarbij voegt hij een recent medisch stavingsstuk (niet ouder dan ĂŠĂŠn jaar ten opzichte van de datum van het examen). Deze brief dient de secretaris te bereiken ten allerlaatste op de uiterste inschrijvingsdatum voor het examen (= 6 juni 2007 voor het examen van 3 juli 2007 of 8 augustus 2007 voor het examen van 28 augustus 2007). De examencommissie zal vervolgens onderzoeken of er voldoende grond is om in bijzondere maatregelen te voorzien en brengt elke betrokkene hiervan tijdig en persoonlijk op de hoogte.

11


V. PRAKTISCH Wanneer?

Wanneer inschrijven?

1ste sessie

dinsdag 3 juli 2007

ten laaste op 6 juni 2007

2de sessie

dinsdag 28 augustus 2007

ten laatste op 8 augustus 2007

Waar?

Dagindeling

Waarvoor inschrijven?

In een paleis van het Tentoonstellingspark van Brussel BelgiĂŤplein 1020 Brussel (vlakbij Atomium en Koning Boudewijnstadion) Men telt makkelijk > 2000 kandidaten

Het examen vindt plaats van 9 tot 12u en van 13u30 tot 16u.

Per jaar hoogstens tweemaal.

Ochtend: KIW Namiddag: IVV

Tegelijk voor de 1ste en 2de sessie is verboden. Geen andere beperking.

Concrete gegevens volgen na inschrijving

Hoe inschrijven? Vanaf 2007 gebeurt het inschrijven op elektronische wijze via internet op de website van het toelatingsexamen (www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen). Na registratie van de inschrijving zal de examencommissie de kandidaat via het opgegeven e-mail adres vragen het inschrijvingsgeld te betalen aan de hand van een gestructureerde mededeling. Pas na ontvangst van het inschrijvingsgeld zal de examencommissie de kandidaat uitnodigen en de noodzakelijke informatie ter beschikking stellen. Kandidaten die in de volstrekte onmogelijkheid verkeren om elektronisch in te schrijven, kunnen ook schriftelijk inschrijven aan de hand van een verplicht inschrijvingsformulier, aan te vragen bij de secretaris van de examencommissie. Zij sturen dan het ingevulde formulier en het bewijs van de betaling van het inschrijvingsgeld samen op naar volgend adres Toelatingsexamen arts en tandarts 2007 Hendrik Consciencegebouw, lokaal 6A4 Koning Albert II-laan 15 B-1210 BRUSSEL Zonder het betalingsbewijs is de inschrijving ongeldig. 12


De examencommissie gaat ervan uit dat elke kandidaat – mee in het perspectief van een hoger onderwijsopleiding – gebruik zal maken van de elektronische inschrijving. Wie toch nog voor de schriftelijke procedure kiest, moet er rekening mee houden dat de verwerking ervan veel meer tijd in beslag neemt. Het inschrijvingsgeld voor het examen is vastgesteld op 30 euro. Het betaalde inschrijvingsgeld is nooit terugvorderbaar, ook niet in het geval de kandidaat niet echt zou deelnemen of om een of andere reden verhinderd zou zijn. Het inschrijvingsgeld kan ook nooit doorgeschoven worden naar een volgende sessie. De examencommissie moet dit bedrag wel degelijk netto ontvangen. Wanneer banken (bijvoorbeeld buiten België) kosten aanrekenen, moet de kandidaat ervoor zorgen dat de examencommissie het nettobedrag van 30 euro ontvangt.

Mededeling van het resultaat Nadat de examencommissie de resultaten van alle kandidaten vastgesteld heeft, deelt zij aan iedere kandidaat schriftelijk mee of hij/zij geslaagd is. In het geval van slagen is dat document het formele bewijsstuk dat de kandidaat moet voorleggen bij de inschrijving aan de universiteit van zijn/haar keuze. De examencommissie voorziet eveneens in de mogelijkheid om de behaalde resultaten aan de hand van een persoonlijke code te raadplegen op de website van het toelatingsexamen. De examencommissie zal de concrete werkwijze toelichten als zij de kandidaat op het examen uitnodigt.

13


VI. INHOUD EN BEANTWOORDING VAN VRAGEN Alle vragen in alle onderdelen zijn meerkeuzevragen. In de regel zullen telkens vier mogelijke antwoorden aangeboden worden, waarvan slechts één juist is. In het examengedeelte IVV kan het aantal antwoordmogelijkheden meer of minder zijn dan vier, maar telkens is er slechts één juist antwoord. Het komt er dus op aan elke vraag aandachtig te bestuderen en heel nauwkeurig de instructies te volgen. Het aangereikte materiaal zal voldoende ruimte bieden om aantekeningen te maken. Cruciaal is uiteraard het zorgvuldig overbrengen van de gekozen antwoorden op het formulier dat nadien optisch gelezen en gecontroleerd zal worden. De ervaring leert dat de meeste kleine ‘incidenten’ precies in deze fase optreden. De kandidaten moeten zich daarom heel strikt aan de richtlijnen houden en uitermate zorgvuldig te werk gaan bij het overbrengen van hun antwoorden. Modelvragen van het examengedeelte KIW en van de redeneerproef zijn te vinden op de website: www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen. Beide onderdelen van de casus in IVV worden hier nader toegelicht. Stilleestekstproef Deze proef meet de kunde om korte wetenschappelijke teksten over een diversiteit van onderwerpen binnen een beperkte tijd grondig te lezen, te begrijpen en te bepalen wat er eventueel uit af te leiden is. De kandidaat krijgt deze teksten gepresenteerd samen met hierop betrekking hebbende meerkeuzevragen. Over alle teksten heen worden 30 meerkeuzevragen gesteld. Deze vragen dienen beantwoord te worden op grond van de informatie, die de teksten – inclusief schema’s, figuren, tabellen, …. - aanreiken. De kandidaat mag de teksten zo vaak als nodig herlezen en continu raadplegen. Hieronder volgt een mogelijke tekst waaraan een kandidaat zich kan verwachten. Het betreft een tekst over hoesten gevolgd door enkele voorbeelden van meerkeuzevragen. Hoesten is nooit een ziekte op zich, maar een symptoom. Als arts moet men eerst – vooraleer te behandelen - op zoek gaan naar de oorzaak. Bij acute hoest is dit doorgaans eenvoudig: de oorzaak is bijna altijd een virale infectie van de bovenste luchtwegen (verkoudheid) en geneest spontaan. Een behandeling is niet nodig. Bij chronische hoest is dit moeilijker, maar ook belangrijker want er kunnen levensbedreigende aandoeningen achter schuilgaan. Roken is de belangrijkste oorzaak van chronisch hoesten: vooral het roken van sigaretten (meer dan sigaar of pijp) werkt rechtstreeks prikkelend op de hoestreceptoren. Er bestaat een duidelijk verband tussen het hoesten en het aantal sigaretten. Stoppen met roken doet bij 77% van de rokers de hoest verdwijnen. Bij kinderen kan hoest

14


veroorzaakt worden door passief inademen van sigarettenrook afkomstig van rokende ouders. Roken veroorzaakt - naast prikkelhoest - ook chronische bronchitis met een productieve, voornamelijk ochtendlijke, hoest. De gevaarlijkste consequentie van roken is ongetwijfeld longkanker. Zeventig tot 90% van patiënten met longkanker klagen van hoest. Vaak zijn er ook andere symptomen zoals vermagering of bloed in het opgehoeste slijm. Ook 8 tot 14% van niet-rokers heeft last van chronische hoest. De belangrijkste oorzaken zijn post nasale drip (zie verder) en astma . Post nasale drip ontstaat door overproductie van slijm in de neus, wat vervolgens naar achter geëvacueerd wordt (« post nasaal ») naar de keel en daar een hoestprikkel veroorzaakt. Dergelijke overproductie kan ontstaan door een verkoudheid, door acute of chronische sinusitis of door allergie en overprikkelbaarheid van de neus. Patiënten voelen het taai slijm afzakken in de keel, of moeten vaak de keel schrapen. Bovendien gaat dit frequent gepaard met neusklachten zoals verstopte neus, neusloop en/of niezen. De typische symptomen van astma zijn kortademigheid, piepende ademhaling en hoest. Soms is hoesten het enige symptoom. Astma kan veroorzaakt worden door een allergie of overprikkelbaarheid van de onderste luchtwegen. Vaak vermelden patiënten ook het optreden van hoestaanvallen bij contact met zogenaamde aspecifieke prikkels zoals temperatuursveranderingen, lachen, inspanning, mist enz. Dergelijke « overprikkelbaarheid » kan ook voorkomen gedurende enige tijd na een luchtweginfectie om dan spontaan weer te verdwijnen. In dit geval spreekt men van « postinfectieuze hyperreactiviteit ». De oorzaak van chronische hoest ligt niet altijd in de luchtwegen. Bij gastro-oesofagale reflux stijgt maagzuur op in de slokdarm waardoor patiënten meestal last krijgen van zure oprispingen, vooral bij vooroverbukken of neerliggen. Hoest kan echter ook het enige symptoom zijn. Bepaalde bloeddrukverlagende medicijnen hebben als nevenwerking prikkelhoest. Bij linkerhartfalen mist het hart de kracht om het bloed in voldoende mate weg te pompen vanuit de longcirculatie naar de grote bloedsomloop. De longen worden overvuld. Dit leidt tot hoest, vooral bij neerliggen. Vaak moeten deze patiënten ‘s nachts gaan rechtzitten om beter te kunnen ademhalen. Elk van bovenstaande ziektebeelden vereist een eigen aanpak (zie schema). Meestal zijn medicijnen niet aan de orde en bestaat de taak van de arts er vooral in om de patiënt te motiveren en te ondersteunen bij het stoppen met roken. Medicamenteus onderdrukken van het symptoom « hoest » zonder de oorzaak te kennen is volstrekt af te raden omdat men hierdoor belangrijke pathologie kan miskennen en de patiënt tevens de kans ontzegt op een adequate behandeling. In bepaalde omstandigheden kunnen hoestremmers wel nuttig zijn. Een acute prikkelhoest kan voor de patiënt overdag erg hinderlijk zijn of ‘s nachts de nachtrust verstoren. Hoesten op zich kan schadelijk zijn wegens een voorafbestaande ziekte of ongeval (bijvoorbeeld een gebroken rib). Soms slaagt een oorzakelijke behandeling er niet in de hoest volledig onder controle te brengen. De keuze in hoestremmers is bijzonder groot. (Zo stonden in het geneesmiddelenrepertorium 1999 94 verschillende merknamen vermeld.) Men kan ze indelen in twee grote groepen: enerzijds middelen die de hoestprikkels proberen te verminderen door ofwel het hoestcentrum in de hersenen te beïnvloeden ofwel de receptoren in de luchtwegen minder gevoelig te maken en anderzijds producten die het evacueren van het slijm proberen te vergemakkelijken waardoor de patiënt ook minder zal hoesten. In zo geheten hoestflessen worden deze producten vaak gecombineerd. De voorkeur van de arts zal vanzelfsprekend gaan naar producten waarvan de werkzaamheid in wetenschappelijke studies is aangetoond. Het is niet eenvoudig om te bewijzen dat een hoestmiddel echt hoestprikkels dempt: verandering of vermindering in

15


hoesten kan immers ook optreden als gevolg van het verloop van de aandoening zelf. De hoestprikkeldempende werking van verschillende producten werd o.a. bestudeerd door proefpersonen prikkelende stoffen te laten inademen en vervolgens de intensiteit en frequentie van de optredende hoest te meten. Het is ook moeilijk om aan te tonen of er daadwerkelijk een verandering optreedt in de slijmevacuatie ten gevolge van het gebruik van een geneesmiddel. De hoeveelheid opgehoest slijm is hiervoor een onbetrouwbare maat want opgehoest slijm is een mengsel van slijm uit de luchtwegen met speeksel uit de mond, en vaak wordt een deel onbewust ingeslikt. Bovendien moet men zich steeds realiseren dat een product in laboratoriumomstandigheden wel een bepaalde werking kan hebben, maar dat het enige wat echt telt de reële toestand van de patiënt is: voelt hij zich door het gebruik van deze producten beter? Heeft hij inderdaad het gevoel minder te moeten hoesten? Kan hij beter ademen? Geneest hij sneller? Daarenboven moeten werking en nevenwerkingen altijd tegen elkaar afgewogen worden. Laten we die lange lijst van hoestmiddelen toetsen aan bovenstaande criteria. Wat betreft prikkeldemping, is er slechts één klasse van producten waarvan onomstotelijk vaststaat dat zij inderdaad hoestprikkels onderdrukt, namelijk de « narcotische analgetica ». Dit is de groep van pijnstillers waartoe o.a. ook morfine behoort. De meer krachtige producten uit deze klasse worden niet bij hoest gebruikt, omdat de nevenwerkingen (slaperigheid en verstopping) en het gevaar op verslaving te groot zijn. Codeïne en afgeleiden zijn daarentegen wel geschikt : zij remmen effectief de prikkelhoest, hebben weinig nevenwerkingen en het gevaar op verslaving is zeer gering. De balans tussen voordeel en ongewenste effecten valt positief uit. Voor farmaca uit andere klassen is er ofwel helemaal geen werkzaamheid aangetoond, ofwel zijn de resultaten van verschillende onderzoeken tegenstrijdig. Qua slijmoplossende middelen: er bestaan producten die in laboratoriumomstandigheden het slijm vloeibaarder maken of die het trilhaartransport stimuleren. Het is echter niet op overtuigende wijze aangetoond dat deze middelen in gebruikelijke dosissen bij patiënten effecten hebben zoals veranderingen in volume van het opgehoeste slijm, verandering in de werking van de longen of de gaswisseling. Op dit ogenblik bestaat er dan ook geen argument om deze producten voor te schrijven bij hoest. Tot besluit: hoest is een verdedigingsreflex van het lichaam en wordt best niet onderdrukt. De beste behandeling bij hoest is ongetwijfeld de oorzakelijke. Wanneer omwille van comfort voor de patiënt of bij verwikkelingen toch een hoestremmer wordt voorgeschreven, is de beste keuze codeïne of één van zijn afgeleiden. Meerkeuzevragen : 1. Uw collega heeft sinds enkele dagen last van hoest. Wat raadt u hem aan? <A> Hoestsiroop nemen. <C> Zijn hart laten nakijken. <B> Snel een arts raadplegen. <D> Stoppen met roken. 2. Wat blijkt geen gevolg van hoesten? <A> Astma. <B> Medicatie nemen.

<C> Slapeloosheid.

<D> Werkverlet.

3. Indien een patiënt u zou consulteren naar aanleiding van een aanslepende hoest, bij welk verschijnsel zou u dan onmiddellijk aan het ergste denken? <A> Aanwezigheid van een virus. <C> Tranende ogen. <B> Postnasale drip. <D> Vermagering.

16


4. Hoestremmers zijn af te raden bij een <A> hinderlijke rokershoest. <B> verkoudheid met hinderlijke prikkelhoest. <C> verkoudheid bij een patiënt met een gebroken rib. <D> verkoudheid met hoest met slapeloosheid tot gevolg. 5. Een farmaceutische firma brengt een nieuwe hoestsiroop op de markt. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat bij patiënten die dit middel namen, het aantal keren dat zij moesten hoesten na twee dagen met de helft verminderd was. Wat concludeert u? <A> Dit is een goede hoestremmer. <B> Dit onderzoeksresultaat zegt niets over de waarde van deze hoestremmer. <C> Dit is een goede hoestremmer op voorwaarde dat er geen nevenwerkingen zijn. <D> Dit is een slechte hoestremmer.

Gesprekken arts/tandarts-patiënt Deze proef meet de capaciteit van een (tand)arts-in-spe om een schriftelijke neerslag van een reeks gesprekken tussen een arts of tandarts en een patiënt, gericht en kritisch te volgen. Het kan gaan om op zichzelf staande gesprekken, waarbij in elk consult een ander patiënt en een andere arts voorkomt. Het kan ook gaan om een beperkt aantal patiënten die gedurende een aantal consultaties worden gevolgd. De uitgangssituatie is telkens een momentopname uit een consult voor een veelvoorkomende klacht. Aan de kandidaat wordt gevraagd zich te identificeren met de betrokken medische deskundige en aan te geven hoe hij/zij het betreffende gesprek zou verder zetten. Bij de beoordeling van elk (tand)arts-patiënt gesprek dienen de kandidaten uit te gaan van de communicatie principes die men in een moderne (tand)arts-patiënt relatie hanteert. Een horizontaal communicatiemodel is hierbij belangrijk. Dit houdt volgende principes in: - de (tand)arts geeft voldoende ruimte aan de patiënt, zodat deze zijn/haar hulpvragen duidelijk kan formuleren. Dit impliceert openheid en luisterbereidheid van de (tand)arts en aandacht voor de bekommernissen van de patiënt. - De (tand)arts informeert de patiënt op een goed verstaanbare manier, wat de patiënt in staat stelt om zijn/haar gezondheidssituatie zo goed mogelijk in te schatten. Dit impliceert een voor de patiënt begrijpelijke taal. - Binnen de relatie (tand)arts-patiënt gaat veel aandacht naar het bevorderen van autonomie van de patiënt en naar zijn/haar eigen voorkeuren. Dit impliceert voor de (tand)arts een open en respectvolle houding t.o.v. de opvattingen en waarden van de patiënt. Een medisch/tandheelkundig consult omvat verschillende fasen en verloopt meestal in de volgorde zoals hier aangegeven: 1. Aanvang van het gesprek: de (tand)arts probeert te begrijpen wat er aan de hand is vanuit het standpunt van de patiënt. Hiervoor moet de (tand)arts luisteren naar het verhaal van de patiënt, verder bevragen wat de ideeën, gevoelens en verwachtingen zijn en een poging doen om zich in te leven in wat de klacht voor deze patiënt zou kunnen betekenen.

17


2. Anamnese en klinisch onderzoek: de (tand)arts bevraagt de medische aspecten en legt uit wat er verder zal gebeuren in woorden die voor de patiënt begrijpelijk zijn. 3. De (tand)arts geeft duidelijk aan wat de resultaten van het onderzoek zijn. 4. Samen met de patiënt overlegt de (tand)arts wat de volgende stappen kunnen zijn in het behandelingsproces. Belangrijk is dat de patiënt ook in dit gedeelte van het consult de mogelijkheid krijgt om zijn/haar bedenkingen te formuleren. 5. Als laatste wordt het gesprek afgesloten waarbij een korte samenvatting belangrijk is, evenals navragen of de patiënt alles goed begrepen heeft. Gezien het in deze proef gaat om het beoordelen van interacties tussen (tand)arts en patiënt kan het soms voorkomen dat in een concrete situatie meer dan één antwoordalternatief juist lijkt. In dit geval kiest de kandidaat het volgens hem/haar op dit ogenblik meest juiste antwoord. Voorbeeldvraag. Je bent huisarts en krijgt Mevrouw Deroover op consultatie. Zij is al vele jaren patiënte. Zij heeft last van hoge bloeddruk en neemt hiervoor medicatie. Zij komt regelmatig bij je langs om een voorschrift voor haar medicatie op te halen. Vandaag is ze terug op consultatie. Wat is de beste openingszin in dit gesprek? A “Ah, u komt om een nieuw voorschrift voor uw bloeddruk.” B “Mevrouw Deroover, ik zal uw voorschrift snel schrijven.” C “Mevrouw Deroover, wat kan ik vandaag voor u doen?” D “En hoe gaat het nog met uw bloeddruk de laatste tijd?” Juist antwoord: C. Dit antwoord getuigt van een open houding t.o.v. de patiënt en van luisterbereidheid van de arts. Het kan immers dat de patiënte vandaag een andere vraag heeft.

18


VII. UITTREKSEL VAN HET DECREET DAT DE WETTELIJKE GRONDSLAG HEEFT GELEGD VOOR DE ORGANISATIE VAN HET TOELATINGSEXAMEN 4 april 2003. - Decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen - uittreksel ……… art. 65. §1. Voor de inschrijving voor een bachelorsopleiding geldt als algemene toelatingsvoorwaarde het bezit van een diploma van secundair onderwijs, een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie of van een diploma of getuigschrift dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een andere internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend. art. 68. … §2. Voor de inschrijving in een bachelorsopleiding in het studiegebied Geneeskunde of het studiegebied Tandheelkunde, geldt als bijkomende toelatingsvoorwaarde het geslaagd zijn voor een toelatingsexamen, ingericht door één examencommissie, verder genoemd ‘toelatingsexamen arts en tandarts’. Het beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige of tandheelkundige opleiding met succes af te ronden. Het bestaat uit twee gedeelten: 1° kennis en inzicht in de wetenschappen en met name de vakken biologie, fysica, scheikunde en wiskunde ; het niveau is afgestemd op het gemiddelde van de programma’s van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs ; 2° informatie verwerven en verwerken : de themata hiervan sluiten aan bij de beroepspraktijk van artsen of tandartsen. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van deze examengedeelten. §3. Het toelatingsexamen arts en tandarts wordt georganiseerd volgens de hierna opgesomde nadere regels : 1° het wordt tweemaal per jaar voor het begin van het academiejaar ingericht ; de organisatie ervan wordt tijdig bekendgemaakt ; 2° de Vlaamse regering kan een examengeld van ten hoogste 25 euro vastleggen als bijdrage in het dekken van de organisatiekosten. Vanaf 1998 wordt het bedrag aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 januari 1997 ; 3° de Vlaamse regering organiseert het toelatingsexamen arts en tandarts volgens de nadere regels die zij daartoe bepaalt ; 4° na advies van de examencommissie, bedoeld in §2, regelt de Vlaamse regering de werking van de examencommissie en stelt ze haar huishoudelijk reglement en het examenreglement vast ; 5° de examencommissie, bedoeld in §2, stelt de examenvragen op en evalueert de examenresultaten. Het maximumaantal punten van elk examengedeelte is twintig. Geslaagd zijn de studenten die op elk examengedeelte ten minste tien op twintig behalen en ten minste tweeëntwintig op veertig voor beide examengedeelten samen. De voorzitter van de examencommissie maakt de resultaten bekend ;

19


6° het slagen voor het toelatingsexamen arts en tandarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt slechts aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde indien de student op uiterlijk 31 december van dat burgerlijk jaar in het bezit is van het diploma secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig of gelijkgesteld studiebewijs. §4. De Vlaamse regering benoemt de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie, bedoeld in §2. Zij telt, voorzitter en secretaris uitgezonderd, minimaal tien en maximaal vijftien leden. De leden van de examencommissie worden zo aangeduid uit de leden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten dat de nodige expertise aanwezig is op het vlak van de medische praktijk, de inhoud van de vakken van het eerste examengedeelte, de pedagogiek en de psychologie. §5. De bijkomende toelatingsvoorwaarde ‘geslaagd zijn voor het toelatingsexamen arts en tandarts’, bedoeld in §2, geldt eveneens voor de inschrijving in om het even welk studiejaar van een bachelors- of mastersopleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tandheelkunde in het geval de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen of verkorting van studieduur, op grond van een diploma behaald na een opleiding waarvoor de bijkomende toelatingsvoorwaarde, bedoeld in §2, niet gegolden heeft. Zij geldt niet voor de studenten die voor de aanvang van het academiejaar 1997-1998 in het bezit waren van een getuigschrift waaruit blijkt dat zij ten minste één studiejaar van een opleiding van arts of van een opleiding van tandarts met succes hebben voltooid en op basis daarvan in het academiejaar 1997-1998 theoretisch konden toegelaten worden tot het tweede studiejaar of een hoger studiejaar. Zij geldt evenmin voor de studenten die in het academiejaar 1996-1997 niet slaagden voor het examen van het eerste studiejaar van de opleiding van kandidaat-arts of van kandidaat-tandarts en zich in het academiejaar 1997-1998 opnieuw lieten inschrijven voor het eerste studiejaar van de betreffende opleiding. De vrijstelling van de bijkomende toelatingsvoorwaarde ‘slagen voor het toelatingsexamen arts en tandarts’ blijft voor deze studenten geldig zolang zij ononderbroken officieel ingeschreven blijven in de opleiding van arts of van tandarts aan een Vlaamse universiteit. Ze geldt evenmin voor personen die in het buitenland een diploma van arts of tandarts hebben behaald en die de toelating hebben om zich aan een universiteit in Vlaanderen in te schrijven voor een mastersopleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tandheelkunde.

20


VIII. DE LEERSTOFONDERDELEN KIW BIOLOGIE 1. De cel • • • • • • • •

de lichtmicroscopische bouw van de plantaardige en de dierlijke cel het verschil tussen plantaardige en dierlijke cellen eukaryote versus prokaryote celtype de submicroscopische structuur van een eukaryote cel celorganellen herkennen, benoemen en de functies ervan situeren de celcyclus basisstructuur en betekenis van biomoleculen (sachariden, lipiden, proteïnes, nucleïnezuren) energetische omzetting in een cel: ATP, aërobe en anaërobe ademhaling, fotosynthese

2. Homeostase bij de mens: het constant houden van het inwendig milieu • •

waterhuishouding: diffusie, osmose afweer of immuniteit

3. De voortplanting • • • • • • • • • • • • •

de kern in de interfase: chromatine, nucleoli het verloop van de verschillende fasen van mitose de betekenis van mitose het verloop van de verschillende fasen van meiose de betekenis van meiose de structuur van DNA en RNA DNA in de interfase: replicatie de eiwitsynthese (van gen tot proteïne) bouw van de voortplantingsorganen van de mens spermatogenese en ovogenese bij de mens primaire en secundaire geslachtskenmerken de hormonale regeling van de zaadvorming bij de man en de menstruatiecyclus bij de vrouw bevruchting en embryonale ontwikkeling bij de mens

4. Genetica Basisbegrippen van de genetica: chromosoom, gen, genlocus, allel, homozygoot, heterozygoot, genotype en fenotype, dominant, recessief Wetten van Mendel: • mono- en dihybride kruisingen met intermediaire, dominante en recessieve • kruisingsschema's voor de F1 en F2 • terugkruisingen en hun betekenis

kenmerken

Schijnbare afwijkingen op de wetten van Mendel: • gekoppelde genen en X-chromosoom gebonden genen • multipele allelen: vb. bloedgroepen • overkruising of 'crossing-over', centimorgan Erfelijkheid bij de mens: • karyogram • daltonisme, hemophilie als voorbeelden van X-chromosoom gebonden genen bij de mens • stamboomonderzoek • gevolgen van afwijkingen in chromosomen en in het genoom • basisinzicht in genetische manipulatie door de mens

5. Evolutie • • • • • •

modificaties: concrete voorbeelden, betekenis mutaties: oorzaken, soorten mutaties, concrete voorbeelden, betekenis wat is evolutie? aanwijzingen voor biologische evolutie evolutietheorieën: Lamarckisme, Darwinisme, hedendaagse opvattingen over ontstaan van nieuwe soorten (Neo-Darwinisme) evolutie van de mens

21


FYSICA 1. Mechanica • • • • • • • • • • • • • • • •

indeling bewegingen: translatie, rotatie, samengestelde beweging verplaatsing, gemiddelde snelheid en versnelling, ogenblikkelijke snelheid en versnelling eenparige rechtlijnige beweging, eenparig veranderlijke beweging, valbeweging verticale worp, horizontale worp, schuine worp eenparige cirkelbeweging beginselen van Newton Wet van Newton (tweede beginsel) onafhankelijkheid van inwerkende krachten - evenwicht dynamica van de eenparige cirkelbeweging gravitatiekracht zwaartekracht, gewicht, factoren die g beïnvloeden wrijvingskrachten - wrijvingsfactor arbeid en vermogen van een constante kracht kinetische energie; arbeid-energie-theorema potentiële energie: gravitationele en elastische behoud van mechanische energie

2. Vloeistoffen en gassen • • • • •

het begrip druk hydrostatische druk het beginsel van Pascal evenwicht van vloeistoffen archimedeskracht

3. Warmteleer • • • • • •

het begrip temperatuur, absolute temperatuur de toestandsvergelijking van een ideaal gas warmtehoeveelheid en soortelijke warmtecapaciteit smelten en stollen, soortelijke smeltwarmte verdampen, koken en condenseren, soortelijke verdampingswarmte calorimetrie

4. Elektriciteit en elektrodynamica • • • • • • • • • • • • • • • • • •

structuur van materie, geleiders, isolatoren. ladingsverdeling op geleiders, schermwerking, elektrostatische inductie Wet van Coulomb elektrische veldsterkte (puntladingen, bol), veldlijnen elektrisch potentiaal (radiaal veld, homogeen veld) elektrische stroom, spanning en weerstand Wet van Ohm Wet van Pouillet parallel- en serie-schakeling ampèremeter, voltmeter energie en vermogen in een elektrische kring permanente magneten, polen, veldlijnen de lorentzkracht kracht op een bewegende lading magnetische inductie van een rechte stroomvoerende geleider, een cirkelvormige winding, een solenoïde kracht tussen twee evenwijdige stroomvoerende geleiders (richting en zin) magnetische flux (loodrecht op oppervlak, niet-loodrecht op oppervlak, solenoïde) inductieverschijnselen: wetten en toepassingen

5. Radioactiviteit • •

α-straling, β-straling, γ-straling; transmutatieregels Radioactiviteit: isotopen, vervalwet, desintegratieconstante, halfwaardetijd, activiteit, geabsorbeerde dosis

22


Vervolg fysica 6. Periodieke verschijnselen • • • • • • • • • • • •

bewegingsvergelijking, kenmerkende grootheden, grafische voorstelling, energie relatie harmonische trilling en cirkelbeweging resonantie, samenstelling van harmonische trillingen (kwalitatief) mathematische slinger, massa aan een veer lopende golven soorten: mechanische, elektromagnetische, transversale en longitudinale lopende golven: golflengte, frequentie, algemene uitdrukking energietransport door een golf terugkaatsingverschijnselen, staande golven geluidsgolven: ontstaan, voortplanting, toonhoogte, intensiteit (decibel) geluidsgolven: resonantie, terugkaatsing, staande golven in luchtkolommen lichtgolven als elektromagnetische golven: eigenschappen, spectrum lichtgolven: terugkaatsing en breking

SCHEIKUNDE 1. Inleiding • • • • • •

elementen, enkelvoudige stoffen, samengestelde stoffen, mengsels de atoomtheorie van Dalton atoommassa symbolen, formules en chemische reactievergelijkingen afleiden van verhoudingsformules uit procentuele samenstelling van verbindingen belangrijkste nomenclatuurregels van de anorganische chemie

2. Stoichiometrie • • • • • • • • • • •

nauwkeurigheid bij metingen en berekeningen het getal van Avogadro en het begrip "mol" in evenwicht brengen van chemische vergelijkingen berekeningen steunend op chemische reactievergelijkingen rendement zuiverheidsgraad dichtheid concentratie-uitdrukkingen, eenheden, berekeningen en omzettingen chemische toepassingen met betrekking tot de gaswetten wet van Avogadro molair volume

3. Atoomstructuur en periodiek systeem • • • • • •

belangrijke eigenschappen van de deeltjes waaruit een atoom opgebouwd is atoomnummer en massagetal, isotopen de theorie van Bohr in verband met het waterstofatoom elektronspin elektronenconfiguraties van de elementen verband tussen elektronenconfiguratie en periodiciteit

4. Chemische binding • • • • • •

karakteristieken van ionenbinding, covalente binding en metaalbinding het schrijven van Lewisformules voorspellen van de ruimtelijke structuur van een molecule elektronegativiteit en polariteit van een binding polariteit van een molecule oxidatietrap (of -getal)

5. Chemische reacties • • •

reacties tussen ionen met neerslagvorming zuur-basereacties in waterig midden` redoxreacties: redoxkoppels herkennen en redoxvergelijkingen opstellen

23


Vervolg scheikunde 6. Chemische kinetiek • •

uitdrukken van een reactiesnelheid factoren die de reactiesnelheid beïnvloeden

7. Chemisch evenwicht • • • • •

onderscheid tussen een aflopende en een evenwichtsreactie verband tussen kinetiek en evenwicht, rol katalysator evenwichtsconstanten berekening van evenwichtsconcentraties of -drukken de invloed van wijzigingen van concentratie-, druk- en volumewijzigingen op de evenwichtsligging kwalitatief voorspellen (principe van Le Châtelier)

8. Zuren en basen • • • • • • • •

zuur-basekoppels volgens Brönsted-Lowry uitdrukking van zuur- en basesterkte ionisatie van water, pH en pOH sterke en zwakke zuren dissociatie van polyprotische zuren pH-berekeningen voor sterke zuren en sterke basen bufferwerking kwalitatief verloop van de pH tijdens een zuur-basetitratie: equivalentiepunt(en) en buffergebieden

9. Elektrochemie • •

elektrolytische dissociatie van sterke en zwakke elektrolyten elektrolyse en haar praktische toepassingen

WISKUNDE • • • • • • • • • • • • •

rekenen met reële getallen en veeltermen eerste- en tweede graadsvergelijkingen en ongelijkheden basisconstructies uit de meetkunde (geen ruimtemeetkunde) rol van formules en grafieken bij het oplossen van problemen basisprincipes van vlakke analytische meetkunde (rechten en kegelsneden) oplossen van stelsels van lineaire vergelijkingen eigenschappen van driehoeken, vierhoeken en cirkels onderzoek van functieverloop (veeltermfuncties, rationale, goniometrische, cyclometrische, logaritmische en exponentiële functies) limieten, afgeleiden en integralen berekenen van oppervlakten met integralen machten en logaritmen: getallen en functies goniometrische getallen en functies, cyclometrische functies elementaire combinatieleer

24


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Toelatingsexamen_arts_tandarts_2007.pdf by Vlaanderen-be - Issuu