MAP7(2). NAAR EEN BREDERE KIJK OP HET MESTBELEID: STRUCTURELE AANBEVELINGEN VOOR EEN SYSTEEMBENADERING
Advies van de Strategische Adviesraad Landbouw en Visserij, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.salv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@salv.be
Adviesvraag
MAP7
Adviesvrager
Zuhal Demir - Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme
Ontvangst adviesvraag
18 januari 2022
Wettelijke basis
Oprichtingsdecreet SALV (6 juli 2007)
Goedkeuring raad
29 april 2022
Kopie aan
Hilde Crevits - Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw; kopie aan: Patricia De Clercq – secretarisgeneraal van het Departement Landbouw en Visserij; Bart Dochy – voorzitter van de Commissie voor Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid van het Vlaams Parlement; Joris Relaes – administrateur-generaal van het Instituut voor Landbouw-, Visserijen Voedingsonderzoek (ILVO); Filip Fontaine – algemeen directeur van het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM).
Adviesnummer
2022-07
Dossierhouder
Wouter Vanacker
wvanacker@serv.be
Pieter De Graef
pdegraef@serv.be
Koen Carels
kcarels@serv.be
Contactpersoon
Zuhal Demir Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Koning Albert II-Laan 7 B-1210 Sint-Joost-ten-Node
Advies Naar een bredere kijk op het mestbeleid. Structurele aanbevelingen voor een systeembenadering Mevrouw de minister De SALV heeft op 18 januari 2022 uw vraag om advisering omtrent het 7 de Mestactieprogramma in goede orde ontvangen. Uw kabinet gaf tijdens de raadszitting van de SALV op 28 januari 2022 toelichting bij de adviesvraag. Aan de SALV wordt gevraagd advies te geven op welke manier de Vlaamse landbouwsectoren (veehouderij, akkerbouw, tuinbouw) de benodigde transitie naar een integraal duurzaam landbouwsysteem kunnen opnemen. Welke technologische maatregelen zijn socio-economisch haalbaar, welke alternatieven zijn er en hoe ziet de SALV een reconversie in de verschillende sectoren? Hoe kan het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid de realisatie van het mestbeleid mee vorm geven, aansturen en stimuleren? De adviesraad wenste deze vraag op een grondige wijze uit te diepen en stelde vast dat het beperkte tijdsbestek onvoldoende ruimte biedt om dit terdege te doen. Daartoe heeft de raad beslist om deze adviesvraag te benaderen in twee aparte adviezen, elk met een eigen timing: •
Advies 1. Een algemene appreciatie omtrent MAP6 en beloftevolle verbeteringen om binnen MAP7 te integreren (goedgekeurd op 1 april 2022)
•
Advies 2. Naar een structureel mestbeleid: aanbevelingen voor een systeembenadering.
Voorliggend document betreft advies 2, goedgekeurd door de raad op 29 april 2022. Hoogachtend
Hendrik Vandamme
Koen Carels
voorzitter
secretaris
Inhoud Krachtlijnen
5
Advies
6
Lijst met figuren en tabellen
14
Krachtlijnen •
Een duurzame bodemkwaliteit moet een overkoepelende doelstelling van het structureel mestbeleid zijn.
•
Meer circulariteit vormt een hefboom om een duurzame bodemkwaliteit te realiseren. Reik de Vlaamse landbouwers meerdere uitvalswegen aan om die circulaire omwenteling binnen een realistisch tijdsperspectief vorm te geven. De raad doet daartoe een aantal voorstellen.
•
Een actief socio-economisch (landbouw- en voedsel)beleid en een inclusief innovatiebeleid zijn absoluut noodzakelijk om de nodige vliegwieleffecten te genereren.
•
De SALV formuleert een aantal algemene principes die de overheid moet hanteren bij de uitwerking van het structureel mestbeleid ten behoeve van een goede waterkwaliteit, een duurzame bodemkwaliteit en meer circulariteit.
•
Betrek de SALV bij de verdere ontwikkeling van het structureel beleid en in het kader van de dialoog binnen de agrovoedingsketen en met andere maatschappelijke actoren.
5
Advies Op 18 januari 2022 ontving de adviesraad de volgende adviesvraag vanwege Zuhal Demir, Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme: “Aan de SALV wordt gevraagd advies te geven op welke manier de Vlaamse landbouwsectoren (veehouderij, akkerbouw, tuinbouw) de benodigde transitie naar een integraal duurzaam landbouwsysteem kunnen opnemen. Welke technologische maatregelen zijn socio-economisch haalbaar, welke alternatieven zijn er en hoe ziet de SALV een reconversie in de verschillende sectoren? Hoe kan het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid de realisatie van het mestbeleid mee vorm geven, aansturen en stimuleren?” Op 1 april 2022 bracht de adviesraad een eerste advies uit. In dat advies gaf de adviesraad een algemene appreciatie omtrent MAP6 en beloftevolle verbeteringen om binnen MAP7 te integreren. De SALV expliciteerde er ook het voornemen om in een vervolgadvies antwoorden te formuleren op het structurele luik van de adviesvraag: “De SALV engageert zich om, naast deze algemene appreciatie omtrent MAP6 en beloftevolle verbeteringen om binnen MAP7 te integreren, eveneens vanuit een bredere scope, zoals die in de samenstelling van de SALV tot uitdrukking komt, bijkomende aanbevelingen te zullen formuleren naar het Vlaamse beleid (onder meer MAP7) in een tweede advies met het oog op de verderzetting van de transitie naar een integraal duurzaam landbouwsysteem. Beide adviezen staan hierbij op gelijke voet en dienen als één geheel beschouwd te worden. Verschillende thema’s zullen in deel 2 van dit advies worden verkend, waaronder technologische maatregelen, ketenaanpak, socio-economische impact en handelsbeleid, bronmaatregelen (niet limitatieve lijst).” 1 De SALV vat de ruimere, structurele beleidskwestie samen als volgt: “Hoe bereiken we een goede waterkwaliteit binnen een landbouwruimte met een waaier aan winstgevende, duurzame landbouwbedrijfsmodellen die voldoende, veilige, kwalitatieve voedingsproducten kunnen voortbrengen en ecosysteemdiensten kunnen versterken, en dit op een inclusieve manier?” Een antwoord hierop formuleren vergt volgens de SALV een (socio-economische) systeemkijk, gelet op diverse cruciale weeffouten in het agrovoedingssysteem (waaronder de problematiek inzake competitiviteit en prijsnemersschap in een geliberaliseerde marktomgeving en het spanningsveld tussen de ambitieuzere omgevingsdoelstellingen en het ontoereikende kader voor een faire remuneratie van duurzaamheidsinspanningen). Daarom werden de afzonderlijke ledenor-
1
SALV, 1 april 2022, Advies MAP7 (deel 1).
6
ganisaties gevraagd om oplossingsrichtingen voor een structureel mestbeleid vorm te geven aan de hand van een vierledig interpretatiekader (cf. Figuur 1): (1) milieu- en klimaatimpact, (2) socioeconomische effecten, (3) impact naar beleid en begroting, en (4) effecten en verwachtingen naar voedselsysteem toe. Uit een gezamenlijke discussie puurde de adviesraad vervolgens een nietlimitatieve lijst van uitvalswegen (cf. par. [4]), waarover binnen dit korte tijdsbestek consensus kon bereikt worden. Door de relatief korte adviestermijn in combinatie met de breedte van de inhoudelijke scope van de adviesvraag, kon de SALV de aangeduide uitvalswegen bovendien niet verder in detail ontleden, verdiepen en prioriteren. De SALV vraagt de Vlaamse overheid om samen met de betrokken belanghebbenden deze strategische onderbouwing verder uit te werken en te vervolmaken overeenkomstig de vier voornoemde invalshoeken (nl. milieu, socioeconomische dimensie, impact beleid en begroting, voedselsysteem), en deze eventueel verder uit te breiden. De adviesraad wenst daarbij in de toekomst zijn rol op te nemen. De SALV kwam aldus tot de volgende aanbevelingen: [1]
Een duurzame bodemkwaliteit moet een overkoepelende doelstelling van het structureel mestbeleid zijn. Het mestbeleid, dat tot nog toe vooral was gefocust op een goede waterkwaliteit, mag het belang van een duurzame bodemkwaliteit niet uit het oog verliezen. Een goede bodemkwaliteit betreft een goede bodemvruchtbaarheid en een actief bodemleven. Daarbij speelt het element koolstof (het organische stofgehalte) een belangrijke rol. De landbouwbodems, die een belangrijke productiefactor vormen voor de land- en tuinbouw, zijn immers een van de weinige natuurlijke hulpbronnen waarover Vlaanderen beschikt. Ze vormen ook een enorme troef voor de toekomstige klimaatuitdagingen (onder meer omwille van hun potentieel voor koolstofopslag). Duurzaam bodembeheer is essentieel om de vruchtbare bodems in Vlaanderen voor de volgende generaties te behouden en te herstellen. Het toekomstig mestbeleid moet naast de goede waterkwaliteit ook de noodzaak van een goede bodemkwaliteit met een actief bodemleven erkennen en de ontwikkeling ervan stimuleren.
[2]
Meer circulariteit vormt een hefboom om een duurzame bodemkwaliteit te realiseren. Reik de Vlaamse landbouwers meerdere uitvalswegen en dus de nodige, gerichte korte- en langetermijnstimulansen aan om die circulaire omwenteling binnen een vooropgesteld realistisch tijdsperspectief vorm te geven (cf. par. [4]). Een veelzijdige invulling van manieren en schaalniveaus waarop kringlopen beter gesloten worden (op bedrijfsniveau, binnen een lokale gemeenschap van meerdere landbouwbedrijven, binnen de keten en via uitwisseling op intra- en interregionaal niveau) komt optimaal tegemoet aan de diversiteit aan bedrijfsvoeringen, verdienmodellen en ruimtelijke uitgangssituaties van de Vlaamse landbouwers. Tegelijkertijd moeten de verschillende uitvalswegen bijdragen tot een landbouwsysteem dat binnen de milieugebruiksruimte opereert.2 Hou
2
De SALV heeft in 2017 de uitdaging “Hoe kunnen we de milieu-, klimaat- en natuurimpact van de landbouw binnen de milieugebruiksruimte houden” geïdentificeerd en ontleed. Daarbij was er onder de ledenorganisaties geen gelijkluidende interpretatie van de betekenis van de begrippen “duurzame ontwikkeling” en “milieugebruiksruimte”. SALV, 31 mei 2017, Verkennende nota. Uitdagingen voor een duurzame toekomst van de landbouw in Vlaanderen.
7
daarbij rekening met de bijkomende baten die ze naast de effectieve verbetering van de water- en bodemkwaliteit opleveren op het vlak van milieu, landschap, klimaat en energie. [3]
Een actief socio-economisch (landbouw- en voedsel)beleid is absoluut noodzakelijk om de nodige vliegwieleffecten te genereren en een rechtvaardige verdeling van kosten en baten te bekomen. Dat actief socio-economisch beleid moet de overheid hanteren om te kunnen toewerken naar het bereiken van de goede water- en bodemkwaliteit zonder aanleiding te geven tot sociale en economische disrupties (trade-offs) op korte en lange termijn. De SALV doet daartoe een aantal specifieke aanbevelingen:
a.
Geef vorm aan een rechtvaardige marktomgeving, die een correcte prijs voor duurzame producten kan waarborgen. Dat vereist een gelijk speelveld en een faire verdeling van kosten en baten binnen de keten. Daartoe is een rol weggelegd voor elke overheid.
•
Ontwikkel of dring op gepaste beleidsniveaus aan op de ontwikkeling van milieueconomische (waaronder fiscale) instrumenten die de kosten van verduurzaming ketenbreed verdelen, vanaf de consument tot en met de primaire producent.
•
Verken op de gepaste beleidsniveaus (Vlaams, Europees) de mogelijkheden die de GMOverordening biedt om tussen landbouwproducenten of tussen landbouwproducenten en marktdeelnemers overeenkomsten te sluiten die een bovenwettelijke duurzaamheidsnorm tot doel hebben, waarvoor een uitzondering op de algemene mededingingsregels kan gelden.3 De SALV zal deze initiatieven in zijn werking verder opvolgen. De adviesraad wijst er echter wel op dat het zelfs binnen de bestaande wettelijke duurzaamheidskaders moeilijk is om land- en tuinbouwers een eerlijk en aantrekkelijk inkomen te garanderen. Dit maakt dat de aanpassing aan de GMO-verordening op zich onvoldoende is om gestalte te geven aan een inclusief actief socio-economisch beleid rond land- en tuinbouw dat een aantrekkelijk inkomen voor de landbouwer kan waarborgen.
3
Verordening (EU) 2021/2117 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten, (EU) nr. 1151/2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen, (EU) nr. 251/2014 inzake de definitie, de aanduiding, de aanbiedingsvorm, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnbouwproducten en (EU) nr. 228/2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie, https://eur-lex.europa.eu/legalcontent/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32021R2117&from=nl, artikel 1 die artikel 210 bis aan de GMO-verordening toevoegt: “Artikel 101, lid 1, VWEU is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van producenten van landbouwproducten die verband houden met de productie van of de handel in landbouwproducten en die tot doel hebben een duurzaamheidsnorm toe te passen die verder gaat dan hetgeen door het Unierecht of het nationale recht is voorgeschreven, mits die overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen slechts die mededingingsbeperkingen opleggen welke onontbeerlijk zijn voor het behalen van die norm.” Zie: SALV en Minaraad, 18 maart 2022, Advies. Strategisch GLB-plan 2023-2027. Het Europees Parlement en de Raad vragen aan de Europese Commissie om hierover concrete richtlijnen op te stellen tegen december 2023. Hierover loopt momenteel een consultatie onder stakeholders, waarna de ontwerp-richtlijnen in 2023 in openbaar onderzoek zullen gaan, zie: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_22_1352.
8
b. Ontwikkel een veelsporig en inclusief innovatiebeleid: schaal beloftevolle innovaties op met aandacht voor koplopers én volgers, afgetoetst aan de grenzen van de milieugebruiksruimte en inspelend op de diversiteit van de sector. Afhankelijk van het innovatiepad vereist dit al dan niet de nodige kennisdeling en/of financiële ondersteuning. Zet ook in op socio-culturele innovatie door middel van opleiding en praktijkvorming, met als doel landbouw meerdere vernieuwde rollen te geven in de maatschappij van de toekomst. Trek nieuwe starters aan in de sector en zet daarbij duidelijke doelen. Stuur het beleid gericht bij indien die doelen niet worden gehaald. Treed ook op als facilitator van samenwerking en partnerschappen. Breng actoren samen en zoek in overleg naar manieren om kringlopen te sluiten. Daarbij is het van belang dat kosten en baten billijk gedeeld worden (tussen de partners en doorheen de keten, tot en met de consument). c.
Werk met concrete acties aan een onderbouwde bijstelling van kwaliteitsvereisten van plantaardige producten in de keten tot en met de retail en handel. Handel en retail oefenen immers via bepaalde kwaliteitsvereisten een indirecte invloed uit op het gebruik van meststoffen en de implicaties ervan op de waterkwaliteit. De kwaliteit van plantaardige producten moet benaderd worden als een cruciaal element in de handel en bepalend voor de concurrentiepositie van de Vlaamse agrovoedingsproducten in de EU. In het agrohandelssysteem vormen uiterlijke kenmerken (zoals omvang, vorm,…) een heel belangrijk aspect van kwaliteit. Gelet op de impact van het streven naar uiterlijke perfectie op de primaire producent, de andere ketenschakels en het leefmilieu, zou de kwaliteitsdefinitie van plantaardige producten ook voldoende gericht moeten zijn op nutritionele inhoud en milieuvoetafdruk naast uiterlijke kenmerken. Ook een correcte prijs voor de primaire producent en voor de andere ketenschakels moet een aspect van kwaliteit zijn.
d. Stimuleer de vraag naar en betalingsbereidheid voor milieuperformante producten. Zet in op transparantie en sensibilisering inzake integrale duurzaamheid van voedingsproducten naar doelgroepen toe gaande van burgers (als consumenten en in andere hoedanigheden bv. kok, tuinder, restaurantbezoeker, e.a.) tot B2B (professionele aankopers), tot de consumenten van de toekomst en dus de onderwijspartners. Wijs daarbij op de implicaties van standaardisering en idealisering, de hoge kwaliteitseisen die de ketenschakels en uiteindelijk de consument aan de voedingsproducten stellen (cf. c.). Neem als overheid een actieve, coördinerende en consequente rol op, die doorwerkt in de verschillende beleidsdomeinen met als doel voedselgeletterdheid van elke burger te doen toenemen. Werk daartoe maximaal samen met het federale niveau. Beïnvloed de vraag naar de minst milieuperformante producten via aangepaste prijs- of verloningsmechanismen, en voer een coherent promotiebeleid. Waarborg bij dit alles de wetenschappelijke onderbouwing.
9
[4]
De raad onderlijnt een veelvoud aan uitvalswegen om de structurele omslag naar meer en betere vormen van circulariteit in de Vlaamse landbouw te realiseren. Een eerste reflectie heeft geleid tot onderstaande niet-limitatieve lijst van uitvalswegen. Binnen de relatief korte adviestermijn kon de SALV deze uitvalswegen vooralsnog niet verder in detail ontleden, verdiepen en prioriteren – gelet ook op de uiteenlopende mate van gedragenheid van de verschillende uitvalswegen onder de ledenorganisaties van de adviesraad:
•
Zet meer landbouwers aan tot aantrekkelijke grondgebonden verdienmodellen, al dan niet in samenwerking met andere landbouwers en met andere actoren (zoals burgers en natuurbeheerders). Grondgebonden modellen stemmen de productie af op de draagkracht van de lokale en ruimere omgeving, met inbegrip van de bodems en waterlopen, door het aantal dieren in overeenstemming te brengen met de ter beschikking staande grond. Om een inkomen te halen uit de grondgebonden productie, moet er echter ook vraag naar zijn. Ontwikkel daartoe een duidelijke socio-economische visie (met aandacht voor ecosysteemdiensten). Maak ook werk van de zeer urgente problematiek inzake toegang tot grond.
•
Stimuleer differentiatie in (vraaggestuurde) verdienmodellen in de dierlijke en plantaardige productie. In heel wat sectoren zijn er opportuniteiten inzake marktdifferentiatie. We moeten in Vlaanderen weg van bulkproductie en werk maken van onderscheidende niches. Dit behoeft een noodzakelijke flexibiliteit in de bedrijfsvoering en bedrijfsopzet. Zorg ervoor dat de regelgeving (op diverse beleidsniveaus) die flexibiliteit met het oog op die productdifferentiatie in de praktijk toelaat.
•
Herwaardeer graslandgebaseerde productiesystemen bij herkauwers.
•
Stimuleer de verdere ontwikkeling en toepassing van milieuperformante ruw- en krachtvoeders.
•
Onderzoek kansen, beperkingen en voorwaarden op het vlak van nieuwe technieken inzake mestverwerking en -bewerking.4 Eerder vroeg de SALV samen met de Minaraad om Europese beleidsinitiatieven in het kader van duurzame nutriëntenrecuperatie nauwgezet op te volgen en ten gepasten tijde snel te schakelen wanneer een vertaling naar Vlaamse regelgeving zich aandient.5
•
Faciliteer nieuwe teelten en teeltsystemen die de nutriëntenbehoefte reduceren en lokaal invullen, de nutriëntenuitspoeling beperken en de nutriëntenopname verbeteren. Stimuleer de ontwikkeling van nieuwe teelten en teeltsystemen die in lijn liggen met de eiwitstrategie, en/of bijdragen tot de klimaatrobuustheid van ons landbouwsysteem en
4
In het vorige SALV-advies met betrekking tot MAP7 bereikten de ledenorganisaties geen consensus over een aanvraag voor derogatie voor herwonnen meststoffen (RENURE) bij de Europese Commissie. Zie: SALV, 1 april 2022, MAP7 deel 1, par. 10, b.
5
SALV en Minaraad, 30 september 2020, Advies Actieplan Voedselverlies en Biomassa(rest)stromen, p. 30, par. 44.
10
de bodem- en waterkwaliteit, en tegelijk ook nieuwe niches en aantrekkelijke verdienmodellen genereren.. •
Onderzoek de kansen en uitdagingen van gesloten teeltsystemen en verticale landbouwsystemen.
•
Ontwikkel een teeltenatlas als sensibiliserend instrument.
•
Zorg ervoor dat innovaties op het vlak van oordeelkundige bemesting sneller ingang kunnen vinden, onder meer door middel van een slagkrachtig (financieel) stimulerend beleid. Stimuleer in het bijzonder innovaties die aanleiding geven tot een verbeterde en bredere toepassing (en toepasbaarheid) van dierlijke mest, zodat landbouwers in de plaats van kunstmeststoffen vaker voor dierlijke mest opteren. In vergelijking met kunstmeststoffen heeft dierlijke mest immers een gunstigere impact op de bodemkwaliteit, mits een oordeelkundige toepassing ervan, en een beduidend lagere koolstofvoetafdruk. De toepasbaarheid van dierlijke mest is evenwel begrensd, omdat de huidige regelgeving via een generieke brongerichte maatregel een norm van 170kg N per hectare voorschrijft.6 Ter aanvulling van de bemestingsbehoefte binnen de totale bemestingsnormen voor fosfaat en werkzame stikstof zijn land- en tuinbouwers daardoor aangewezen op kunstmeststoffen.
•
Zorg ervoor dat nuttige reststromen uit de voedingsindustrie ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een circulaire landbouw, op voorwaarde dat die reststromen voldoen aan fytosanitaire regelgeving, regelgeving inzake bodemkwaliteit en voorschriften op het vlak van voedselveiligheid.
•
Geef vorm aan een stimulerend kader voor boerderijcompostering, zodat land- en tuinbouwers lokale reststromen direct kunnen valoriseren als grondstof voor bodemoptimalisatie, ook als die reststromen van buiten het eigen landbouwbedrijf afkomstig zijn. De SALV herhaalt aldus zijn eerdere aanbeveling om werk te maken van een aangepast kader voor kwaliteitsopvolging met een minimum aan administratieve lasten.7
6
In het vorige SALV-advies met betrekking tot MAP7, bereikten de ledenorganisaties geen consensus over een aanvraag voor derogatie bij de Europese Commissie. Zie: SALV, 1 april 2022, MAP7 deel 1, par. 4.
7
Samen met Minaraad: SALV en Minaraad, 30 september 2020, Advies Actieplan Voedselverlies en Biomassa(rest)stromen, p. 31, par. 56.
11
[5]
De SALV formuleert een aantal algemene principes bij de uitwerking van de uitvalswegen voor het structureel mestbeleid in functie van duurzame bodemkwaliteit en meer circulariteit:
•
Het is van belang dat de diversiteit aan maatregelen en benaderingen effectief tot een daling leidt van de absolute milieudruk conform de wettelijke normen inzake waterkwaliteit. Die daling moet de overheid in de toekomst beter waarborgen. In het verleden werd deze benadering niet afdoende gegarandeerd ten overstaan van andere (economische) uitdagingen.
•
Onderwerp de uitvalswegen aan een vierledige toetsing: breng daarbij telkens de kansen en bedreigingen in kaart voor 1) het milieu, natuur en klimaat, 2) de socio-economische aspecten 3) beleid en begroting en (4) expliciteer de verwachtingen en effecten op het niveau van het voedselsysteem. Deze vierledige beschouwing moet ervoor zorgen dat toekomstgerichte verdienmodellen gestimuleerd worden, en lock-ins vermeden.
Figuur 1 Vierledig interpretatiekader voor het aftoetsen van structurele oplossingsrichtingen voor het mestbeleid (bron: SALV)
•
Stel in overleg met de hele keten effectieve en haalbare transitiepaden vast om het structureel beleid in de praktijk te brengen. Betrek daarbij ook de SALV, en neem een coördinerende rol op. Zorg ervoor dat nieuwe regelgeving en beleidsmaatregelen niet ten koste gaan van bestaande goede praktijken en processen.
•
Voorzie elke uitvalsweg zowel van een passend en stabiel regelgevend kader als van voldoende middelen.
•
Hanteer als overheid eerder een systeembenadering, en weeg daarbij kansen en trade-offs voor uiteenlopende beleidsdomeinen op een doordachte manier af. Als concreet voorbeeld kan stalmest dienen: de gunstige effecten van strosystemen op velerlei vlak (bodemkwaliteit, koolstofopslag,…) versus beperkende maatregelen gericht op een specifiek beleidskader (PAS).
12
•
Maak werk van de administratieve vereenvoudiging voor de landbouwer. In dat verband verwijst de SALV naar een eerder advies uit 2016 met tien aanbevelingen inzake het verlagen van de regeldruk, verdere administratieve vereenvoudiging en een verbetering van de praktische toepasbaarheid van Vlaamse (en Europese) regelgeving.8 Uit het activiteitenverslag van “Boeren op een kruispunt” blijkt dat voor heel wat landbouwbedrijven de steeds wijzigende en zeer complexe administratieve verplichtingen in de mestwetgeving vaak oorzaak zijn van heel wat bijkomende stress en spanningen. Op heel veel bedrijven zijn de bedrijfsleiders niet in staat deze administratie zelf op te volgen, zodat dit resulteert in extra kosten voor de bedrijven. Het gevoel overheerst dat men gezien de complexiteit van wetgeving het geheel niet meer kan overzien, waardoor de kans op administratieve fouten en overtredingen steeds om de hoek loert. Deze situatie is niet bevorderlijk voor het mentaal welzijn van land- en tuinbouwers.
•
Geef vorm aan robuuste beleidskaders, die perspectief en rechtszekerheid creëren.
•
Versterk de dialoog tussen de landbouwsector, de ketenschakels en andere maatschappelijke actoren, onder meer via de SALV.
8
SALV, 28 oktober 2016, Advies Betere regelgeving.
13
Lijst met figuren en tabellen Figuren Figuur 1 Vierledig interpretatiekader voor structurele oplossingsrichtingen voor het mestbeleid (bron: SALV) ................................................................................................................................................. 12
14