RAPPORT STATISTIEK VLAANDEREN, 2021/9
VERANDEREN VAN HUISHOUDPOSITIE IN HET VLAAMSE GEWEST: WAT GEBEURDE ER (NIET) IN 2020? MARTINE CORIJN & JAN PICKERY
INHOUD SAMENVATTING 3 INLEIDING 5 1 GEGEVENS EN METHODE
7
2
13
DEMOGRAFISCHE EVOLUTIES IN 2017-2020
2.1 Componenten van bevolkingsgroei
13
2.2 Kenmerken van de bevolking
17
3
VERANDEREN VAN HUISHOUDPOSITIE
23
4
STARTEN EN OPHOUDEN MET SAMEN TE
WONEN MET EEN PARTNER
29
4.1 Starten met samen te wonen met een partner
29
4.2 Ophouden met samen te wonen met een partner
31
5 VERLATEN VAN EN TERUGKEREN NAAR
HET OUDERLIJKE HUIS
39
5.1 Verlaten van het ouderlijke huis
39
5.2 Terugkeren naar het ouderlijke huis
40
6
WISSELEN TUSSEN KIND BIJ PAAR EN
BIJ ALLEENSTAANDE OUDER
45
BESLUIT 48 LITERATUURLIJST 51
VERANDEREN VAN HUISHOUDPOSITIE IN HET VLAAMSE GEWEST WAT GEBEURDE ER (NIET) IN 2020?
SAMENVATTING Door de COVID-19-pandemie waren er in het Vlaamse Gewest in 2020 meer overlijdens dan in de voorgaande jaren. De aanpak van de pandemie omvatte onder meer beperkingen van het reisverkeer die tot een daling van het aantal internationale migraties leidden. Daarnaast hadden beperkingen inzake het organiseren van bijeenkomsten een daling van het aantal huwelijken tot gevolg. In dit rapport wordt nagegaan of inwoners van het Vlaamse Gewest in 2020 meer of minder veranderden van huishoudpositie dan in 2017, 2018 en 2019. Dit gebeurt aan de hand van gegevens uit het Rijksregister. Belangrijke momenten in de levensloop die gepaard gaan met veranderingen van huishoudpositie en die in dit rapport worden belicht zijn: het
starten en ophouden met samen te wonen met een partner, het verlaten van het ouderlijke huis en het wisselen tussen als kind wonen bij een paar en als kind wonen bij een alleenstaande ouder. Uit de analyses blijkt dat in 2020 inwoners van het Vlaamse Gewest iets minder vaak dan in de 3 voorafgaande jaren veranderden van huishoudpositie. Ze gingen voornamelijk minder samenwonen met een partner. Vooral alleenstaande ouders, en in het bijzonder deze van buitenlandse herkomst, gingen minder samenwonen met een partner. Hierbij aansluitend werden kinderen wonend bij een alleenstaande ouder minder vaak kinderen wonend bij een paar. Gegevens over 2021 zullen duidelijk maken of wat minder plaatsvond in 2020 alsnog wordt ingehaald in 2021.
INLEIDING Het jaar 2020 verschilde door de COVID-19-pandemie en de erbij horende beperkende maatregelen in menig opzicht van de jaren die er aan voorafgingen. Het dagelijks opvolgen van het aantal besmettingen, ziekenhuisopnames en overlijdens ten gevolge van de COVID-19-pandemie kreeg volop aandacht. Daarnaast rezen in de loop van 2020 tal van vragen. Als bij een huwelijkssluiting slechts een beperkt aantal personen kan aanwezig zijn, worden huwelijken en de erbij horende feesten dan uitgesteld? Als partners door de beperkende maatregelen inzake aanwezigheid op het werk vaker samen thuis zijn, zullen er dan meer paren uit elkaar gaan? In dit rapport wordt vooreerst kort geschetst of en hoe de componenten van de bevolkingsgroei (geboorten, overlijdens, migraties) in het Vlaamse Gewest in 2020 veranderden in vergelijking met de
3 voorgaande jaren. Veranderingen hierin beïnvloeden immers de samenstelling van de bevolking naar leeftijd, burgerlijke staat en huishoudpositie. Gegevens over met wie inwoners van het Vlaamse Gewest op 1 januari van elk jaar wonen, worden door Statistiek Vlaanderen ontsloten op www.statistiekvlaanderen.be/ nl/bevolking-naar-positie-in-hethuishouden. De focus van het rapport ligt op veranderingen in de huishoudvorming en -ontbinding in 2020 in vergelijking met de periode 2017-2019. Werd er in 2020 meer of minder van huishoudpositie veranderd dan in de 3 voorgaande jaren? De volgende veranderingen werden bekeken: het starten en ophouden met samen te wonen met een partner, het verlaten van en terugkeren naar het ouderlijke huis, en het veranderen van wonen als kind bij een paar naar wonen als kind bij een alleenstaande ouder of omgekeerd.
5
1.
GEGEVENS EN METHODE
1
Het Belgische statistiekbureau Statbel brengt op basis van gegevens uit het Rijksregister elk huishouden in België onder in een welbepaald huishoudtype en kent aan elke inwoner een welbepaalde positie binnen een huishouden toe (zie Bijlage 1). De 12 onderscheiden huishoudposities kunnen worden herleid tot 7 posities als het ongehuwde of gehuwde karakter van het samenwonen van partners/paren buiten beschouwing wordt gelaten. De 7 posities zijn: kind bij een paar, kind bij een alleenstaande ouder, samenwonend met partner zonder kinderen, samenwonend met partner en kind(eren), alleenstaande ouder, overige positie in een privaat huishouden en bewoner van een collectief huishouden (instelling). Statistiek Vlaanderen ontvangt van Statbel gegevens omtrent de officiële huishoudpositie op 1 januari van elk jaar van alle inwoners die behoren tot de wettelijke bevolking van België. Daarnaast worden ook gegevens ontvangen inzake allerlei gebeurtenissen (geboorten, overlijdens, veranderingen van burgerlijke staat, verhuizingen binnen België, emigraties naar en immigraties vanuit het buitenland) bij de bevolking in de loop van elk jaar. Aan de hand van een identificatiesleutel kunnen die gegevens aan elkaar worden gekoppeld op individueel niveau alsook over opeenvolgende jaren. Voor elke persoon die op 2 opeenvolgende tijdstippen (1 januari van jaar t en 1 januari van jaar t+1) in het Vlaamse Gewest woont, kan worden vastgesteld of zijn/haar huishoudpositie al dan niet is gewijzigd en zo ja, om welke verandering het gaat. Personen die op 1 januari van jaar t+1 niet meer in het Vlaamse Gewest wonen, maar nog wel in België wonen, zijn naar een ander gewest verhuisd. Voor personen die op 1 januari van jaar t+1 niet meer in België aanwezig zijn, kan door de koppeling aan de gegevens inzake overlijdens en inzake emigraties naar het buitenland worden bepaald of dit komt door een overlijden of door een verhuis naar het buitenland. Deze koppelingen van toestanden en gebeurtenissen bieden de best mogelijke schatting van het aantal en van de aard van veranderingen in de huishoudvorming en -ontbinding van de inwoners op jaarbasis. De mate van ruis op de resultaten door tussentijdse veranderingen en door nietgeregistreerde veranderingen van huishoudpositie in de loop van een jaar is niet gekend (zie Bijlage 1). In dit rapport wordt vooreerst stilgestaan bij de jaarlijkse veranderingen in de componenten van de groei (of krimp) van het aantal inwoners (deel 2). Veranderingen in deze componenten beïnvloeden niet enkel de omvang van de bevolking, maar bepalen ook, samen met de wijzigingen in het aantal huwelijken en echtscheidingen, de samenstelling van de bevolking naar leeftijd, burgerlijke staat en huishoudpositie. In deel 3 wordt berekend in welke mate inwoners van het Vlaamse Gewest op jaarbasis officieel van huishoudpositie veranderden. Een verandering van huishoudpositie wordt geregistreerd als iemand een nieuwe huishoudpositie inneemt of als hij/zij de huishoudpositie verlaat door overlijden of door verhuis uit het Vlaamse Gewest. De veranderingen van huishoudpositie die in dit rapport worden belicht spelen een rol bij onderscheiden leeftijdsgroepen (tabel 1).
7
De groep die kan starten met samen te wonen met een partner wordt beperkt tot de 18- tot 79-jarigen omdat dit starten op andere leeftijden zeer zelden voorkomt. Voor alle 18- tot 79-jarigen die niet samenwonen met een partner wordt nagegaan hoeveel er op jaarbasis starten met samen te wonen met een partner. Dat aantal wordt berekend aan de hand van het aantal personen dat niet samenwoont met een partner op 1 januari van jaar t, maar wel samenwoont met een partner op 1 januari van jaar t+1. Daarnaast zijn er uiteraard ook personen die hun samenwonen met een partner niet (meteen) officieel laten registreren, alsook personen die bijvoorbeeld bij hun ouder(s) of bij anderen reeds samenwoonden met hun partner en die van daaruit een eigen huishouden als samenwonend paar starten. Voor alle volwassenen die samenwonen met een partner wordt nagegaan hoeveel er ophouden met samen te wonen met een partner. Dit niet meer samenwonen met een partner kan het gevolg zijn van een scheiding of van een overlijden of een verhuis uit het Vlaamse Gewest van de partners. Het wordt berekend voor alle volwassenen die samenwonen met een partner omdat naast scheiding het verlies van de partner door overlijden vooral op de hoogste leeftijden frequent voorkomt. Als een partner in een instelling gaat wonen, wordt dit in deze analyse als een scheiding beschouwd. Dit komt vaker voor in de oudste groepen (deel 4). Voor de 18- tot 39-jarigen die bij ouder(s) wonen, wordt nagegaan hoeveel er het ouderlijke huis verlaten en voor deze die niet bij ouder(s) wonen, wordt gekeken hoeveel er naar het ouderlijke huis terugkeren. De verandering wordt beperkt tot de 18- tot 39-jarigen omdat bij oudere personen het overlijden van hun alleenstaande ouder een grote rol speelt bij het niet meer bij die ouder wonen (deel 5). De veranderingen van huishoudpositie bij volwassenen met inwonende kinderen hebben implicaties voor de betrokken kinderen. Voor de 0- tot 24-jarigen wordt nagegaan hoeveel er wisselen tussen kind bij een paar en kind bij een alleenstaande ouder of omgekeerd (deel 6). In uitzonderlijke gevallen komt dat doordat het kind verhuist van de ene ouder (met partner) naar de andere ouder (zonder partner) of doordat één ouder het Vlaamse Gewest verlaat. Deze details werden eerder geanalyseerd voor de veranderingen in 2019 (Corijn & Pickery, 2021b).
Tabel 1. Overzicht van de onderzochte veranderingen van huishoudposities LEEFTIJDSGROEP 1 JANUARI JAAR T VERANDEREN VAN HUISHOUDPOSITIE
Alle inwoners
Huishoudpositie
1 JANUARI JAAR T+1
Andere huishoudpositie
AARD VAN VERANDERING
- Veranderd van huishoudpositie - Niet meer in Vlaams Gewest (verhuisd) - Overleden
GAAN SAMENWONEN MET PARTNER EN OPHOUDEN MET SAMENWONEN MET PARTNER
18- tot 79-jarigen Niet samenwonend met partner Volwassenen Samenwonend met partner
Samenwonend met - Start samenwonen met partner partner Niet meer samenwonend - Door scheiding met partner - Door overlijden - Door overlijden van partner - Door verhuis (niet meer in Vlaams Gewest)
VERLATEN VAN EN TERUGKEREN NAAR OUDERLIJK HUIS
18- tot 39-jarigen Kind bij ouder(s)
18- tot 39-jarigen Niet als kind bij ouder(s)
Niet als kind bij ouder(s) - Naar eigen huishouden - Naar overig huishouden - Niet meer in Vlaams Gewest door overlijden of verhuis) Kind bij ouder(s) - Terugkeer naar ouderlijk huis
WISSELEN TUSSEN KIND BIJ PAAR EN KIND BIJ ALLEENSTAANDE OUDER
0- tot 24-jarigen
Kind bij paar
Kind bij alleenstaande ouder
0- tot 24-jarigen
Kind bij alleenstaande Kind bij paar ouder
- Door scheiding ouders - Door overlijden ouder - Door verhuis ouder - Door samenwonen van ouder met partner
De in dit rapport gebruikte werkwijze om veranderingen van huishoudpositie te berekenen heeft beperkingen. Er zijn een ongekend aantal (tijdelijke) veranderingen die niet worden geregistreerd. Als een partner bijvoorbeeld binnen het kalenderjaar weggaat bij de ene partner en opnieuw gaat samenwonen met een andere partner, heeft hij/zij op 1 januari telkens de positie ‘samenwonend met partner’. De huishoudpositie blijft ook ongewijzigd als een kind binnen het kalenderjaar verhuist van de ene ouder met partner naar de andere ouder met partner. Dit soort specifieke veranderingen kwam aan bod in eerdere rapporten (Corijn & Pickery 2020a, 2021b) (zie Bijlage 1). De beschikbare gegevens laten niet toe na te gaan of een verandering voor de eerste keer of voor een volgende keer plaatsvindt in de levensloop. De komst van een niet-eerste kind of het vertrek uit het ouderlijke huis van een niet-laatste kind wordt in de gebruikte typologie niet onderscheiden: men blijft bij deze veranderingen in de positie ‘met inwonende kinderen’.
9
Het voorkomen van bepaalde veranderingen van huishoudpositie in 2018 en in 2019 werd in eerdere rapporten uitgebreid beschreven (Corijn & Pickery, 2020a, 2020b, 2021a, 2021b). In dit rapport ligt de focus op een vergelijking van de veranderingen in 2020 met deze in 2017, 2018 en 2019. Bepaalde details van de veranderingen worden hierdoor minder belicht. Verschillen in de mate en aard van de veranderingen van huishoudpositie worden belicht per leeftijdsgroep en per herkomstgroep. Om de herkomst van een persoon te bepalen, wordt gekeken naar de huidige nationaliteit van de persoon, de eerst geregistreerde nationaliteit van de persoon, de eerst geregistreerde nationaliteit van de vader en de eerst geregistreerde nationaliteit van de moeder. Als 1 van deze 4 criteria een niet-Belgische nationaliteit is, dan wordt de persoon beschouwd als zijnde een persoon van buitenlandse herkomst. Er worden in dit rapport, naast de groep van Belgische herkomst, 6 groepen met een buitenlandse herkomst onderscheiden (zie Bijlage 1). Verschillen naar herkomst hangen samen met verschillen naar leeftijd. De bevolkingsgroepen met een buitenlandse herkomst zijn gemiddeld genomen (soms tot 15 jaar) jonger dan deze van Belgische herkomst (zie Bijlage 2). Verschillen naar geslacht, nationaliteit en woonplaats worden in dit rapport buiten beschouwing gelaten. In deze eerste analyse wordt de impact van de samenhang tussen kenmerken niet via een multivariate analyse verrekend.
11
2.
DEMOGRAFISCHE EVOLUTIES IN 2017-2020 2
Om eventuele specifieke kenmerken van de veranderingen van huishoudpositie in 2020 te begrijpen, worden vooreerst kort enkele demografische evoluties in de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020 (of van 1.1.2017 tot 1.1.2021) in het Vlaamse Gewest geschetst. Het gaat om evoluties inzake geboorten, overlijdens en migraties, alsook om deze inzake huwelijken en echtscheidingen. Deze elementen hebben immers een invloed hebben op de samenstelling van de bevolking naar leeftijd, burgerlijke staat en huishoudpositie.
2.1 COMPONENTEN VAN BEVOLKINGSGROEI De componenten van de groei (of krimp) van het aantal inwoners zijn: het aantal geboorten en overlijdens (het verschil tussen beide geeft het natuurlijke saldo aan), het aantal immigraties naar en emigraties uit het Vlaamse Gewest respectievelijk vanuit en naar de andere 2 gewesten (het verschil geeft het interregionale migratiesaldo aan) en het aantal internationale immigraties vanuit en emigraties naar het buitenland (het verschil levert het internationale migratiesaldo op) (figuur 1, zie Bijlage 1). Gegevens over de jaarlijkse ontwikkelingen in deze componenten in het Vlaamse Gewest worden door Statistiek Vlaanderen ontsloten op https:// www.statistiekvlaanderen.be/nl/bevolking. Het Federaal Planbureau & Statbel (2021) belichtten in hun bevolkingsvooruitzichten enkele varianten van de impact van de COVID-19-pandemie op de componenten van de bevolkingsgroei.
13
Figuur 1. Componenten van bevolkingsgroei Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal Natuurlijk saldo 2017
1.971
2018
939
2019 2020 −10.000
1.301 −8.121 0
10.000
20.000
30.000
10.000
20.000
30.000
10.000
20.000
30.000
10.000
20.000
30.000
Interregionaal migratiesaldo 2017
11.481
2018
11.526
2019
11.840
2020
12.590
−10.000
0
Internationaal migratiesaldo 2017
23.871
2018
24.882
2019
28.511
2020
20.098
−10.000
0
Bevolkingsgroei 2017
36.956
2018
36.102
2019
40.074
2020
23.919
−10.000
0
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In 2017, 2018 en 2019 lag het aantal geboorten en overlijdens in het Vlaamse Gewest vrij dicht bij elkaar waardoor het natuurlijke saldo telkens beperkt positief was. In 2020 was er in het Vlaamse Gewest echter een oversterfte van 7% (Statistiek Vlaanderen, 2021). Het aantal overlijdens lag hierdoor hoger dan het aantal geboorten waardoor voor het eerst sinds jaren het natuurlijke saldo negatief was (-8.121). Het aantal inwoners dat verhuisde uit het Vlaamse Gewest naar het Waalse of Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, alsook het aantal inwoners dat vanuit die 2 andere gewesten naar het Vlaamse Gewest verhuisde, was in de jaren 2017 tot 2019 vergelijkbaar. In 2020 verhuisden ongeveer evenveel inwoners vanuit de 2 andere gewesten naar het Vlaamse Gewest als gemiddeld genomen in 2017-2019 en verhuisden iets minder inwoners vanuit het Vlaamse Gewest naar een ander gewest (4% minder dan gemiddeld genomen in 2017-2019). Hierdoor nam in 2020 het positieve interregionale migratiesaldo in het Vlaamse Gewest in beperkte mate toe (+8%). In het Vlaamse Gewest onderscheidde 2020 zich van de voorgaande 3 jaar zowel door een daling van het aantal immigranten vanuit het buitenland (12% minder dan gemiddeld genomen in 2017-2019) als door een daling van het aantal emigranten naar het buitenland (7% minder dan gemiddeld genomen in 2017-2019). De aanpak van de COVID-19-pandemie in 2020, die reisbeperkingen omvatte naar of vanuit een regio of land naargelang de besmettingsgraad in die regio of dat land, speelt hierin een rol. Het positieve internationale migratiesaldo voor het Vlaamse Gewest daalde in 2020 in vergelijking met de 3 voorgaande jaren met bijna 6.000 eenheden (-22%) tot 20.000. In vergelijking met 2019 waren er in 2020 17% minder internationale immigraties en 10% minder internationale emigraties, waardoor het saldo van de 2 bewegingen terugviel met 30%. De som van de 3 saldi bepaalt de veranderingen in de omvang van de bevolking. De jaarlijkse groei van de bevolking in het Vlaamse Gewest viel terug van tussen de 36.000 en 40.000 inwoners in de jaren 2017, 2018 en 2019 naar 24.000 inwoners in 2020. Dat komt overeen met een daling met 37% in 2020 in vergelijking met de periode 2017-2019. Het jaar 2020 onderscheidde zich van de 3 voorgaande jaren dus voornamelijk door de toename van het aantal overlijdens (ruim 8.000 meer dan gemiddeld genomen in 2017-2019) en door de daling van het aantal internationale immigraties (ruim 9.000 minder dan gemiddeld genomen in 2017-2019). De inwoners die overlijden en deze die vanuit het buitenland niet binnenkomen in het Vlaamse Gewest hebben echter andere kenmerken (Bijlage 3). Overlijdens treffen doorgaans vooral 80-plussers (61% van alle overlijdens in 2017-2019) en gehuwden (39%) en verweduwden (42%). Naar huishoudpositie treffen overlijdens zowel alleenwonenden (29%), gehuwde partners zonder inwonende kinderen (33%) als bewoners van een instelling (23%). In 2020 kwam de toename van het aantal overlijdens dan ook vooral in deze groepen voor. Procentueel steeg het aandeel in de overlijdens enkel bij bewoners van een instelling (tot 25%). Internationale immigratie brengt doorgaans veel jonge inwoners (bijna 60% is tussen 18 en 39 jaar) en hoofdzakelijk ongehuwden (75%) binnen in het Vlaamse Gewest. Het gaat naar huishoudpositie zowel om alleenwonenden (20%), personen in een overige huishoudpositie (20%) en gehuwde partners met hun kinderen (samen
15
20%). De terugval van de internationale immigratie in 2020 was echter vooral merkbaar bij de gehuwde partners met kinderen en bij hun kinderen. Bij alleenwonenden en bij deze in een ‘overige’ huishoudpositie was de terugval veel geringer. In de periode 2017-2019 was voor 27% van de EU-immigranten en voor 40% van de immigranten van buiten de EU gezinsherenging de aanleiding voor hun immigratie (afgeleid uit hun eerste verblijfstitel) (Federaal Migratiecentrum - Myria, 2021). In 2020 was de terugval van immigratie omwille van gezinshereniging groot (Dienst Vreemdelingenzaken, 2021). De samenstelling van de bevolking wijzigt niet enkel doordat vooral personen met een bepaalde burgerlijke staat het Vlaamse Gewest binnenkomen of overlijden, maar ook doordat inwoners veranderen van burgerlijke staat. In het Vlaamse Gewest daalde in de periode 2017-2019 het aantal huwelijken, maar steeg het aantal wettelijke samenwoningen waardoor het totale aantal nieuwe registraties in geringe mate steeg. In 2020 viel het aantal huwelijken in vergelijking met 2019 terug met 22% en het aantal nieuwe wettelijke samenwoningen met 13% (tabel 2). In 2020 waren er voor het eerst ook meer nieuwe wettelijke samenwoningen dan nieuwe huwelijken. Enkel nietgehuwden (ongehuwde, gescheiden en verweduwde personen) kunnen (voor een eerste of volgende keer) in het huwelijk treden en doorgaans doen ze dit in de leeftijdsfase van 18 tot 79 jaar. De voorbije jaren daalde de kans op een huwelijk voor niet-gehuwden in deze leeftijdsgroep (Corijn, 2019). In 2019 lag de huwelijkskans voor het eerst onder de 20 per 1.000 niet-gehuwden. In 2020 was die kans gedaald tot 15 per 1.000 niet-gehuwden. Tabel 2. Huwelijken en wettelijke samenwoningen Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal Huwelijken Wettelijke samenwoningen Totaal
2017
2018
2019
2020
24.982 23.332 48.314
25.509 23.098 48.607
24.483 24.561 49.044
19.145 21.457 40.602
In de periode 2017-2019 steeg het aantal echtscheidingen en het aantal stopzettingen van wettelijke samenwoningen door scheiding (tabel 3). De stijging van het aantal echtscheidingen in 2019 werd deels veroorzaakt door een wijziging in de registratie van echtscheidingen van huwelijken gesloten in het buitenland (zie Bijlage 1). Het aantal beëindigingen van relaties door het overlijden van een partner was in die periode eerder stabiel. In 2020 viel het aantal (echt)scheidingen in vergelijking met 2019 terug met 5% (respectievelijk -2% echtscheidingen en -10% scheidingen van wettelijke samenwoningen). Daartegenover stond een toename met 14% van het aantal overlijdens (+14% in huwelijken en +16% in wettelijke samenwoningen). Dit resulteerde in 6% meer beëindigingen van huwelijken en wettelijke samenwoningen dan in 2019. De echtscheidingskans in huwelijken (van 18tot 79-jarigen) daalde het voorbije decennium (Corijn, 2019). In 2020 was de echtscheidingskans ook iets lager dan in 2019, namelijk 9,7 echtscheidingen per 1.000 echtparen in plaats van 9,9 in 2019.
Tabel 3. Huwelijken en wettelijke samenwoningen Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal
Echtscheidingen Scheidingen bij wettelijke samenwoningen (Echt)scheidingen Overlijdens van huwelijkspartner Overlijdens van wettelijke samenwoonpartner Overlijdens Totaal
2017
2018
2019
2020
10.761 5.441 16.202 24.566 512 25.078 41.280
10.856 5.812 16.668 24.788 473 25.261 41.929
12.083 6.075 18.158 24.511 509 25.020 43.178
11.853 5.474 17.327 27.863 590 28.453 45.780
2.2 KENMERKEN VAN DE BEVOLKING Elke component van de bevolkingsgroei heeft een eigen leeftijdsprofiel. Hierdoor kan de omvang van een leeftijdsgroep per 1 januari van opeenvolgende jaren wijzigen. De omvang van een leeftijdsgroep is in eerste instantie het gevolg van het aantal geboorten in de erbij horende geboortejaren (lagere aantallen in de oorlogsjaren en in de jaren 1980 en 1990, hogere aantallen in de babyboomjaren). De impact van de COVID-19pandemie op het aantal overlijdens en op het aantal internationale migraties speelde in 2020 een bijkomende rol in de verschuivingen in de omvang van bepaalde leeftijdsgroepen (figuur 2). Veranderingen tussen 1.1.2020 en 1.1.2021 die grotendeels samenhangen met de terugval van de internationale immigratie zijn de daling van de omvang van jongere leeftijdsgroepen (3tot 6-jarigen die vaak meekomen met hun ouder(s) en 18- tot 29-jarigen die onder meer omwille van studie of werk naar het Vlaamse Gewest komen). Veranderingen die samenhangen met de oversterfte zijn de sterke daling van het aantal tachtigers en de afremming van de toename van de negentigers (een toename die sinds decennia inherent is aan de toenemende levensverwachting).
17
Figuur 2. Jaarlijkse toename/afname van aantal inwoners per leeftijdsgroep Vlaams Gewest, 1.1.2017-1.1.2021, aantal 1.1.2017-1.1.2018
1.1.2018-1.1.2019
1.1.2019-1.1.2020
1.1.2020-1.1.2021 15.344
95 jaar en ouder
90-94 jaar
65-69 jaar
−1.279 −4.992 −3.726
60-64 jaar
55-59 jaar
50-54 jaar
45-49 jaar
40-44 jaar
35-39 jaar
30-34 jaar
25-29 jaar
18-24 jaar
12-17 jaar
6-11 jaar
3-5 jaar
0-2 jaar
−180 −744−1.591 −1.294−55 −1.286 −1.363 −1.555 −1.853 −2.269 −2.367 −2.387 −2.431 −3.073 −3.165 −6.000−2.539 −4.604 −4.047 −3.559−4.883 −5.053 −5.231 −7.150 −7.320 −8.132 −9.363 −12.000 −10.707
85-89 jaar
3.000
9.171 9.390 8.033 9.099 7.771 7.792 6.513 6.331 6.1586.691 6.002 5.8736.846 4.470 4.655 3.180 3.078 2.926 4.008 2.8893.281 2.459 1.836 1.696 1.479 1.600 1.184 1.145 1.119 509 2601.262
80-84 jaar
9.000
75-79 jaar
11.167 9.591 9.059 6.4116.022 6.045 7.410 7.088 4.980 4.645 3.7823.567 3.621 2.8232.332 1.835 821
70-74 jaar
15.000
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De verdeling van de volwassen bevolking naar burgerlijke staat wijzigde de voorbije decennia door het uitstel en/of afstel van een eerste of volgende huwelijk en door het toenemende aantal echtscheidingen (waardoor er minder gehuwden zijn), door de toenemende levensverwachting (waardoor gehuwde partners langer samenblijven en er dus meer gehuwden en minder verweduwden zijn) alsook in mindere mate door de specifieke samenstelling naar burgerlijke staat van de internationale immigranten en emigranten (respectievelijk 75% en 65% is ongehuwd). In 2020 hebben de oversterfte, de terugval van de internationale immigratie en de daling van het aantal huwelijken de verdeling van de volwassen bevolking naar burgerlijke staat op een bijkomende wijze veranderd. Procentueel uitgedrukt gaat het om zeer beperkte wijzigingen. In absolute aantallen uitgedrukt zijn de jaarlijkse veranderingen duidelijker merkbaar (figuur 3). In de periode 2017-2019 daalde het aantal gehuwde volwassenen jaarlijks (verder) (gemiddeld bijna 10.000 per jaar minder), maar in 2020 was de daling sterker (25.000 minder). Vooreerst zorgen 5.000 huwelijken minder (zie tabel 2) voor 10.000 gehuwden minder. Daarnaast stierven er 2.700 meer gehuwden en kwamen er ook 2.600 minder gehuwden vanuit het buitenland dan in 2019. De daling van het aantal gehuwden was bijzonder sterk bij dertigers. De daling was ook sterk bij tachtigers omdat ze zelf stierven en omdat hun eventuele huwelijkspartner hierdoor weduwnaar of weduwe werd. Het saldo van minder verweduwden omdat de oudste verweduwden vaker overleden en meer verweduwden omdat oudere gehuwden hun partner verloren en weduwnaar/weduwe werden, leidde in 2020 tot een daling van het aantal verweduwden met 4.000 (een verdubbeling tegenover 2019). Het uitstel (of afstel) van een eerste huwelijk (met meer ongehuwden tot gevolg) in combinatie met de terugval van
de voornamelijk ongehuwde internationale immigranten (met minder ongehuwden tot gevolg) leidden in 2020 tot een iets sterkere stijging van het aantal ongehuwden dan in de voorafgaande jaren. De lichte stijging van het aantal gescheiden personen in 2020 kan niet worden toegeschreven aan het gedaalde aantal echtscheidingen. Ze kan wel deels worden toegeschreven aan het uitstel van een volgend huwelijk. Uit de huwelijksstatistieken van Statbel blijkt dat zowel het aantal eerste huwelijken (tussen 2 nooitgehuwden) als het aantal volgende huwelijken daalde in 2020 met 22%. Figuur 3. Jaarlijkse toename/afname van aantal volwassenen per burgerlijke staat Vlaams Gewest, 1.1.2017-1.1.2021, aantal 1.1.2017-1.1.2018
40.000
1.1.2018-1.1.2019
1.1.2019-1.1.2020
1.1.2020-1.1.2021
44.461 43.271 40.631 39.160
30.000 20.000 8.429 7.843 7.719 7.557
10.000 Gehuwd Ongehuwd −10.000
Verweduwd Gescheiden
−8.326 −8.879 −9.115
−1.875 −2.403 −2.451 −4.033
−20.000 −30.000
−24.938
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De hierboven besproken jaarlijkse veranderingen hebben directe en indirecte gevolgen voor de huishoudpositie van de inwoners in het Vlaamse Gewest (zie Bijlage 4 en figuur 4). De daling van het aantal huwelijken en de stijging van het aantal overlijdens van (gehuwde) ouderen in 2020 speelden een rol in de daling van het aantal inwoners dat op 1.1.2021 als gehuwde partner zonder of met inwonende kinderen is geregistreerd. De daling van het aantal kinderen bij een gehuwd paar hangt hiermee samen. Deze dalingen waren reeds langere tijd aan de gang (Corijn & Pickery, 2020c). Ze werden in 2020 versterkt: op jaarbasis waren er niet 10.000 (zoals in 2017-2019) maar bijna 22.000 gehuwde partners minder (en niet 10.000 maar 14.000 kinderen bij gehuwde paren minder). Het uitstel (of afstel) van een eerste of volgende huwelijk bracht een verhoogde toename van het aantal ongehuwd samenwonende partners (en kinderen bij ongehuwde paren) met zich mee. Het aantal alleenwonenden nam de voorgaande jaren toe (in de periode 2017-2019 jaarlijks ongeveer 14.000 tot 15.000 alleenwonenden meer). In 2020 was de toename met 16.000 het resultaat van uiteenlopende factoren. Er vielen enerzijds veel alleenwonenden weg door het hogere aantal overlijdens bij oudere alleenwonenden en door de terugval van de internationale immigratie kwamen minder alleenwonenden het Vlaamse Gewest binnen.
19
Er kwamen anderzijds veel alleenwonenden bij doordat er meer overlijdens waren bij oudere gehuwde partners zonder kinderen (waardoor hun partner alleenwonende werd). In 2020 was de toename van het aantal alleenstaande ouders (+2.400) (en van kinderen bij een alleenstaande ouder, +4.200) groter dan in de voorgaande jaren (respectievelijk jaarlijks +1.800 en +3.500). Verder in dit rapport zal hier een verklaring voor worden gevonden. De geringere toename van het aantal inwoners in een overige huishoudpositie in 2020 dan in de voorafgaande jaren is deels te wijten aan de daling van het aantal internationale immigraties (waarbij doorgaans 20% in deze positie binnenkomt). De oversterfte bij ouderen, zeker bij deze verblijvend in een woonzorgcentrum, vertaalde zich op 1.1.2021 in een sterke daling van het aantal bewoners van een collectief huishouden (instelling) (-5.000 tegenover beperkte schommelingen in de periode 2017-2019). Anders gesteld resulteerden de veranderingen in de loop van 2020 op 1.1.2021 in een verminderde toename van het aantal inwoners dat met een partner samenwoont (+6.000 in vergelijking met gemiddeld +12.000 in 20172019). Daarnaast was de daling van het aantal inwoners dat met kind(eren) samenwoont iets groter (-2.000 in vergelijking met gemiddeld -1.000 in 20172019). Tot slot was er ook een verminderde toename van het aantal kinderen bij ouder(s) (niet +5.000 zoals gemiddeld in 2017-2019 maar +3.000). Dit komt onder meer omdat in 2020 bijna 1.000 minder kinderen werden geboren en er ook minder internationale immigranten waren (waarvan doorgaans bijna 25% kinderen bij ouder(s) zijn).
Figuur 4. Jaarlijkse toename/afname van aantal inwoners per huishoudpositie Vlaams Gewest, 1.1.2017-1.1.2021, aantal 1.1.2017-1.1.2018
1.1.2018-1.1.2019
1.1.2019-1.1.2020
1.1.2020-1.1.2021
20.000 14.18613.792 12.875 12.662 11.732 11.440 10.685 10.294 10.654 9.416 8.360 7.088
15.000 10.000 4.992 3.766 3.540
5.000
16.066 15.186 14.405 13.945
13.650 11.896 10.726
5.787 4.061 3.990 1.417 440
4.200 3.786 3.434 3.336 2.397 2.002 1.677 1.653
6.142
−228 −1.101 −1.737 −2.107
−419 −1.025 −5.000
−3.540
−4.979
−6.124 −10.000 −9.773 −10.278
−10.478
−13.432 −14.199 −13.670
−20.000
Kind bij ouder(s)
Met kind(eren)
Met partner
Bewoner instelling
Overige huishoudpositie
Alleenwonend
Alleenstaande ouder
Kind bij alleenstaande ouder
Ongehuwde partner met kind(eren)
Ongehuwde partner zonder kind
Kind bij ongehuwd paar
Gehuwde partner zonder kind
Kind bij gehuwd paar
−18.296 Gehuwde partner met kind(eren)
−15.000
5.572 5.393 4.193 2.876
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
21
3.
VERANDEREN VAN HUISHOUDPOSITIE 3
Veranderingen van huishoudpositie op jaarbasis (verschil tussen positie op 1 januari van jaar t en 1 januari van jaar t+1) gebeuren enerzijds doordat men een nieuwe huishoudpositie inneemt, maar kunnen anderzijds ook ontstaan doordat men overlijdt of doordat men niet meer in het Vlaamse Gewest aanwezig is wegens verhuis naar een ander gewest of naar een ander land (figuur 5). In de jaren 2017-2019 namen in het Vlaamse Gewest jaarlijks 77 tot 78 per 1.000 inwoners een nieuwe huishoudpositie in (ongeveer 507.000). Daarnaast overleden er 9 tot 10 per 1.000 (ruim 62.000) en verlieten er 10 per 1.000 het Vlaamse Gewest (bijna 65.000). Tussen 1.1.2020 en 1.1.2021 trad hierin een geringe verschuiving op: 76 per 1.000 inwoners namen een nieuwe huishoudpositie in (ongeveer 505.000 inwoners), 11 per 1.000 overleden (ruim 70.000) en 9 per 1.000 verlieten het Vlaamse Gewest (ruim 61.000). Met andere woorden: in de loop van het jaar 2020 overleden er niet enkel meer inwoners en verlieten er niet enkel minder het Vlaamse Gewest, maar namen er ook iets minder een nieuwe huishoudpositie in. In absolute aantallen uitgedrukt steeg het aantal inwoners dat een nieuwe huishoudpositie innam van 503.000 in 2017, over bijna 507.000 in 2018 naar 513.000 in 2019. In 2020 viel dat aantal terug tot 505.000. Figuur 5. Veranderingen van huishoudpositie op jaarbasis Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal per 1.000 inwoners Nieuwe huishoudpositie
Niet meer in Vlaams Gewest
Overleden
2017
77
10
10
2018
77
10
10
2019
78
10
9
2020
76
9
11
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De mate waarin van huishoudpositie wordt veranderd, varieert naargelang van de kenmerken van de betrokkenen. In de eerste plaats is er een grote variatie naargelang van de aard van de huishoudpositie die men heeft bij het begin van het jaar (figuur 6). Deze variatie hangt uiteraard deels samen met de leeftijd (zie verder). Omdat in de jaren 2017, 2018 en 2019 de mate van verandering van huishoudpositie relatief stabiel was voor de meeste posities wordt het gemiddelde van deze 3 jaren berekend. In de periode 2017-2019 veranderden samenwonende partners met inwonende kinderen en kinderen bij een paar het minst van positie (respectievelijk 70 en 74 per 1.000). Samenwonende partners zonder inwonende kinderen namen vooral een nieuwe positie in (68 per 1.000), maar bij hen kwam overlijden ook in beeld (13 per 1.000). Deze partners behoren zowel tot de jongere leeftijdsgroep (als ze (nog) geen kinderen hebben) als tot de oudere (als ze geen kinderen
23
(meer) in huis hebben). Alleenwonenden (126 per 1.000) en alleenstaande ouders en kinderen van alleenstaande ouders (respectievelijk 143 en 147 per 1.000) veranderden vaker van positie. Bewoners van een instelling (230 per 1.000) en personen in een overige huishoudpositie (252 per 1.000) veranderden het vaakst van positie. Bij de eerste groep overheerst overlijden als aanleiding voor de verandering (178 per 1.000) en speelt het innemen van een nieuwe positie een beperkte rol (ongeveer 37 per 1.000). Bij de tweede groep speelt vooral het innemen een nieuwe positie (194 per 1.000) een rol, naast verhuis uit het Vlaamse Gewest (45 per 1.000). In 2020 veranderde vooral het leven van bewoners van een instelling omdat er meer overleden (224 per 1.000 tegenover 178 per 1.000 in de voorgaande jaren). Het leven van alleenwonenden, alleenstaande ouders en hun kinderen kwam in 2020 wat meer tot stilstand. Zij namen minder vaak een nieuwe huishoudpositie in. Dit verklaart ook deels de sterkere toename van hun aantal op 1.1.2021 (zie figuur 4). Bij de bespreking van de specifieke veranderingen zal worden gepreciseerd waarom zij minder vaak een nieuwe huishoudpositie innamen. Figuur 6. Veranderingen van huishoudpositie op jaarbasis per specifieke positie Vlaams Gewest, gemiddeld in 2017-2019 en in 2020, per 1.000 inwoners
Kind bij paar Kind bij alleenstaande ouder Alleenwonende
Nieuwe hhpositie 2017-19
Nieuwe hhpositie 2020
64
64
132
126
88
Alleenstaande ouder
85
Overleden Overleden 2017-19 2020
9
8
0
0
15
13
1
1
17
17
20
22
8
7
11
11
68
67
5
5
13
14
Met partner én kind(eren)
62
61
6
5
2
2
12
13
178
224
Bewoner instelling
118
Niet meer in VG 2020
Met partner zonder kinderen
Overige huishoudpositie
124
Niet meer in VG 2017-19
194
193
37
31
45 15
45 11
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De mate waarin van huishoudpositie wordt veranderd, varieert sterk naargelang van de leeftijd van de betrokkenen (figuur 7). In 2017-2019 veranderde de positie het vaakst bij personen van 90 jaar en ouder waarbij er 201 per 1.000 overleden. Ook bij tachtigers speelde overlijden een grote rol (73 per 1.000). Een overlijden van een persoon die samenwoont met een partner impliceert voor die partner een nieuwe huishoudpositie. De 25- tot 29-jarigen veranderden vaak van positie omdat velen op deze leeftijd het ouderlijke huis verlaten om een eigen huishouden te vormen (zie verder). Deels complementair aan deze stap van deze leeftijdsgroep is de grote mate van verandering bij vijftigers met kinderen als hun enige of laatste inwonende kind het ouderlijke huis verlaat en ze geen kinderen meer in huis hebben. Minderjarigen (minder dan 67 per 1.000) en zestigers en zeventigers (ongeveer 62 per 1.000) veranderden minder vaak van positie. In 2020 was bij 90-plussers
de mate van verandering groter dan in de voorgaande jaren door de hogere sterfte (niet 201 maar 225 overlijdens per 1.000) (in combinatie met een geringere inname van een nieuwe positie). Ook bij tachtigers was de sterfte hoger. Groepen jonger dan 50 jaar namen iets minder vaak een nieuwe positie in dan in de voorgaande jaren. Figuur 7. Veranderingen van huishoudpositie op jaarbasis per leeftijdsgroep Vlaams Gewest, gemiddeld in 2017-2019 en in 2020, aantal per 1.000 inwoners Nieuwe hhpositie 2017-19
Nieuwe hhpositie 2020
0-2 jaar
5
5
1
1
0
0
3-5 jaar
5
5
1
1
0
0
6-11 jaar
5
4
1
1
0
0
12-17 jaar
4
4
1
1
0
0
Niet meer in VG 2017-19
Niet meer in VG 2020
Overleden 2017-19
Overleden 2020
18-24 jaar
13
13
2
2
0
0
25-29 jaar
21
21
3
3
0
0
30-39 jaar
10
10
2
2
0
0
40-49 jaar
6
6
1
1
0
0
50-59 jaar
8
8
1
1
0
0
60-69 jaar
5
5
0
0
1
1
70-79 jaar
4
4
0
0
2
2
80-89 jaar
6
6
0
0
7
8
90 jaar en ouder
7
6
0
0
20
23
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De mate van verandering van huishoudpositie varieert uitgesproken naargelang van de herkomst van de betrokkenen (figuur 8). De gemiddeld jongere leeftijd van de inwoners van buitenlandse herkomst speelt hier een rol in (zie Bijlage 2). In 2017-2019 veranderden personen van Turkse of Maghrebijnse herkomst en personen van Belgische herkomst het minst vaak van positie (respectievelijk 85 en 90 per 1.000). Door de hogere leeftijd van inwoners met Belgische herkomst speelde overlijden bij hen een grotere rol. Inwoners van Oost-Europese herkomst (169 per 1.000) veranderden het vaakst van positie. Veel meer dan bij andere groepen met een buitenlandse herkomst speelde bij hen verhuis uit het Vlaamse Gewest een rol (57 per 1.000). In 2020 bleef de mate van verandering van huishoudpositie vrij gelijkaardig bij de 2 groepen met de geringste mate van verandering namelijk bij de personen van Belgische en van Turkse of Maghrebijnse herkomst. De mate van verandering viel veel sterker terug bij alle andere groepen. Hoewel groepen van buitenlandse herkomst door hun jongere leeftijd minder getroffen werden door overlijden, verlieten sommige groepen minder vaak het Vlaamse Gewest en namen andere groepen minder vaak een nieuwe huishoudpositie in. Vooral inwoners met herkomst van Oost-EU-landen en Overige landen namen in 2020 minder vaak dan voorheen een nieuwe positie in. Inwoners met herkomst van de Overige Europese landen verlieten minder vaak het Vlaamse Gewest.
25
Figuur 8. Veranderingen van huishoudpositie op jaarbasis per herkomstgroep Vlaams Gewest, gemiddeld in 2017-2019 en in 2020, aantal per 1.000 Nieuwe hhpositie 2017-19
Nieuwe hhpositie 2020
Niet meer in VG 2017-19
België
75
74
Noord- & West-EU-landen
82
82
32
Zuid-EU-landen
90
88
37
Oost-EU-landen
108
102
Overige Europese landen
79
79
Turkije & Maghreb-landen
69
69
Overige landen
94
87
4
Niet meer in VG 2020 3
60
11 28 35
57 27
14 37
Overleden 2017-19
23 13 33
Overleden 2020 13
5
5
4
4
2
2
3
3
2
2
1
1
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Bij de grotere mate van verandering door de inname van een nieuwe huishoudpositie bij alleenwonenden, alleenstaande ouders (en kinderen bij een alleenstaande ouder) (figuur 6) en bij 25- tot 29-jarigen (figuur 7) speelt het gaan samenwonen met een partner een grote rol. Bij de geringe mate van verandering van huishoudpositie van samenwonende partners (figuur 6) speelt zowel het uit elkaar gaan als het overlijden van een partner een rol. Deze 2 veranderingen worden beschreven in deel 4.
27
4.
STARTEN EN OPHOUDEN MET SAMEN TE WONEN MET EEN PARTNER 4
Het starten en ophouden met samen te wonen met een partner in het Vlaamse Gewest werd voor 2018 eerder in detail beschreven (Corijn & Pickery, 2020a). Doordat de voorbije decennia partners die in het huwelijk traden steeds vaker reeds (wettelijk of feitelijk) ongehuwd met elkaar samenwoonden, geeft het aantal huwelijken (en het aantal nieuwe wettelijke samenwoningen) steeds minder goed aan hoeveel personen veranderen van niet samenwonend naar wel samenwonend met partner (Mortelmans e.a., 2011; Pasteels & Mortelmans, 2013; Pasteels e.a., 2013). Ook het jaarlijkse aantal echtscheidingen (en scheidingen bij wettelijk samenwonenden) geeft slechts een beperkt beeld van het aantal samenwonende paren dat jaarlijks uit elkaar gaat (Corijn & Pickery, 2020a). Vele partners wonen immers op het moment van de officiële echtscheiding al een tijd niet meer samen. Bovendien houden samenwoonrelaties van niet-gehuwde paren vaker op dan die van gehuwde paren (Pasteels e.a., 2013; Van den Berg & Mortelmans, 2018). Daarnaast worden samenwoonrelaties niet enkel beëindigd door het uit elkaar gaan van partners, maar ook door het overlijden van een partner. Het wisselen tussen al dan niet samenwonen met een partner geeft een beter beeld van het starten en ophouden met samenwonen met een partner. Het aantal volwassenen dat jaarlijks in principe kan gaan samenwonen met een partner of kan ophouden met samen te wonen met een partner staat in Bijlage 4.
4.1 STARTEN MET SAMEN TE WONEN MET EEN PARTNER Enkel personen (van 18 tot 79 jaar) die niet samenwonen met een partner kunnen starten met samen te wonen met een partner. In 2017-2019 gingen op jaarbasis 66 per 1.000 van hen samenwonen met een partner. In 2020 was dat aandeel gedaald tot 62 per 1.000 (figuur 9). In absolute aantallen betekent dit dat in 2020 ongeveer 3.000 personen minder gingen samenwonen met een partner dan gemiddeld genomen in 2017-2019. Dat er ongeveer 1.500 minder paren gingen samenwonen, kan worden omschreven als een terugval op de ‘samenwoonmarkt’. In 2017-2019 gingen vooral personen in een Overige huishoudpositie met een partner samenwonen (86 tot 89 per 1.000). Zeker in deze groep is het niet uit te sluiten dat zij reeds met een partner samenwoonden bij anderen en als paar een eigen huishouden gingen vormen. Alleenstaande ouders gingen iets vaker met een partner samenwonen dan alleenwonenden (respectievelijk 67 en 62 per 1.000). Kinderen bij een paar deden dit vaker dan kinderen bij een alleenstaande ouder (respectievelijk 68 en 55 per 1.000). In de jaren 2017 tot 2019 steeg het aandeel dat ging samenwonen met een partner voor
29
personen met een overige positie, daalde het voor alleenstaande ouders en bleef het stabiel voor kinderen bij ouder(s). In 2020 viel het aandeel dat ging samenwonen met een partner vooral (verder) terug bij alleenstaande ouders (tot 62 per 1.000). Dit verklaart ook de toename van hun aantal op 1.1.2021 (zie figuur 4). Het aandeel viel (na een toename in 2019) eveneens terug bij personen met een overige positie (tot 84 per 1.000). Dit resulteerde echter niet in een sterkere toename van hun aantal (zie figuur 4) omdat deze positie vaak wordt ingenomen door personen die immigreren vanuit het buitenland en deze immigratie terugviel in 2020. Voor alleenwonenden was dit aandeel al sterk gedaald tussen 2017 en 2018 en daalde het verder in 2020. Figuur 9. Starten met samen te wonen met een partner per huishoudpositie Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal per 1.000 niet-samenwonenden met partner (18- tot 79jarigen)
Kind bij paar
Kind bij alleenstaande ouder
Alleenwonend
Alleenstaande ouder
Overige huishoudposities
18- tot 79jarigen
2017
68
55
68
67
86
65
2018
68
55
59
67
86
65
2019
68
55
59
65
89
65
2020
65
53
57
62
84
62
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De hogere mate van verandering van huishoudpositie bij 25- tot 29-jarigen (figuur 7) vertaalt zich deels in het grotere aandeel dat op deze leeftijd gaat samenwonen met een partner. In 2017-2019 startten op jaarbasis 153 per 1.000 25- tot 29-jarigen hiermee (figuur 10a). Het aandeel was ook hoog bij dertigers (112 per 1.000). In 2020 was er bij alle groepen jonger dan 60 jaar een terugval van het aandeel dat ging samenwonen met een partner. Vooral 25- tot 39-jarigen zetten toen minder vaak de stap naar het samenwonen met een partner. Gegeven hun jongere leeftijd (zie Bijlage 2) gingen in 2017-2019 alle groepen met een buitenlandse herkomst (behalve deze van Turkse en Maghrebijnse herkomst) vaker samenwonen met een partner dan de groep met een Belgische herkomst (figuur 10b). Personen afkomstig uit Oost-EU-landen deden dit het vaakst (98 per 1.000). In 2020 is de daling van dit aandeel groter bij personen met een buitenlandse herkomst dan bij deze met een Belgische herkomst. De terugval van de immigratie (van partners) vanuit het buitenland kan hierin een rol spelen.
Figuur 10a. Starten met samen te wonen met een partner per leeftijdsgroep Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal per 1.000 niet-samenwonenden met partner (18- tot 79jarigen) 18-24 jaar
25-29 jaar
30-39 jaar
40-49 jaar
50-59 jaar
60-69 jaar
70-79 jaar
2017
60
155
113
64
41
21
8
2018
57
150
112
62
40
21
8
2019
56
153
113
62
40
22
9
146
107
58
39
22
9
2020
54
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Figuur 10b. Starten met samen te wonen met een partner per herkomstgroep Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal per 1.000 niet-samenwonenden met partner (18- tot 79jarigen)
België
Noord- & West-EUlanden
Zuid EUlanden
Oost EUlanden
Overige Europese landen
Turkije & Maghreblanden
Overige landen
2017
63
70
72
97
66
64
69
2018
63
70
73
98
68
64
70
2019
63
70
73
100
66
63
70
2020
61
67
67
93
63
60
61
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De gemiddelde leeftijd bij de start van het (eerste of volgende) samenwonen met een partner bedroeg in 2017-2019 ongeveer 34 jaar (zie Bijlage 5). De groep van Turkse en Maghrebijnse herkomst was bij die start ongeveer 2 jaar jonger. In 2020 ging de lichte stijging van deze gemiddelde leeftijd bij de sommige herkomstgroepen verder. Bij de Zuid-EU-herkomstgroep daalde deze leeftijd.
4.2 OPHOUDEN MET SAMEN TE WONEN MET EEN PARTNER In 2017-2019 hielden jaarlijks 42 per 1.000 samenwonende partners op met samen te wonen. Anders gesteld hielden 42 per 1.000 samenwonende paren op met samen te wonen. De helft van de partners die ophielden met samen te wonen (22 per 1.000) deed dit omwille van een scheiding. Bij 15 per 1.000 kwam dit doordat ze zelf overleden of doordat hun partner overleed. De overige (5 per 1.000) waren (al dan niet met hun partner) verhuisd uit het Vlaamse Gewest. Deze cijfers waren anders naargelang de partners al dan niet inwonende kinderen hadden omdat deze partners tot andere leeftijdsgroepen behoren (figuur 11). Scheiding kwam relatief gezien iets vaker voor bij partners met inwonende kinderen (23 tegenover
31
20 per 1.000). Overlijden kwam relatief gezien veel vaker voor bij partners zonder inwonende kinderen (26 tegenover 5 per 1.000). In 2017-2019 waren deze jaarlijkse cijfers, op een enkele uitzondering na, redelijk stabiel. In 2020 trad een beperkte verandering op in deze aandelen. Samenwonende partners gingen relatief gezien iets minder vaak uit elkaar (21 per 1.000) en verlieten iets minder vaak het Vlaamse Gewest (4,9 tegenover 5,4 per 1.000). Ze werden wel iets vaker getroffen door een overlijden (16,2 tegenover 15,0 per 1.000). Dat is vooral merkbaar bij partners zonder inwonende kinderen die een grote groep oudere partners omvat. De globale balans bleef in 2020, net als in de voorgaande jaren, op 42 per 1.000 paren die ophielden te bestaan. In absolute aantallen betekent dit dat in 2020 4.400 paren meer werden getroffen door een overlijden van een partner, 800 paren minder uit elkaar gingen en 800 paren minder vertrokken uit het Vlaamse Gewest dan gemiddeld genomen in 2017-2019.
Figuur 11. Ophouden met samen te wonen met een partner Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal per 1.000 samenwonenden met partner Scheiding
Niet meer in Vlaams Gewest
Overlijden (van partner)
Met partner zonder kinderen 2017
20
5
26
2018
20
5
26
2019
21
2020
19 0
5
26
5 10
28
20
30
40
50
40
50
40
50
Met partner en kind(eren) 2017
23
6
5
2018
24
6
5
2019
24
6
4
2020
23
5
0
10
5
20
30
Met partner 2017
22
6
15
2018
22
5
15
2019
22
5
15
2020
21 0
5 10
20
16 30
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
33
In elk jaar komt ophouden met samen te wonen met een partner het frequentst voor in de jongste leeftijdsgroep (door scheiding) en in de oudste leeftijdsgroep (door overlijden). Paren worden het minst ontbonden bij vijftigers en zestigers (figuur 12a en 12b). In 2017-2019 vertoonden de aandelen per leeftijdsgroep geringe schommelingen. Bij de oudsten trad een daling op van beëindigingen door overlijden omdat partners door de toenemende levensverwachting langer samen bleven wonen. In 2020 trad bij hen een stijging op (figuur 12b). In alle jaren was bij partners met een Belgische herkomst het aandeel omwille van overlijden groter dan het aandeel omwille van scheiding. Dat deze groep het hoogste aandeel overlijdens heeft (en bijgevolg het laagste aandeel scheiding) komt doordat de bevolking van Belgische herkomst gemiddeld genomen ruim 15 jaar ouder is dan deze van buitenlandse herkomst (zie Bijlage 2). In 2017-2019 hadden partners van Turkse of Maghrebijnse herkomst een laag scheidingsaandeel. Partners afkomstig uit Oost-EU-landen of uit de Overige landen hadden het hoogste scheidingsaandeel (figuur 12a en 12b). Deze laatste groep is immers de jongste herkomstgroep waardoor overlijden bij hen amper een rol speelt. In 2020 trad ook bij de meeste buitenlandse herkomstgroepen een daling op van het scheidingsaandeel.
Figuur 12a. Ophouden met samen te wonen met een partner per leeftijdsgroep Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal per 1.000 samenwonenden met partner Scheiding 2017
2018
2019
2020
18-24 jaar
113
109
112
110
25-29 jaar
60
59
60
58
30-39 jaar
35
40-49 jaar
36 25
50-59 jaar
36 26
15
35 26
15
26
15
16
60-69 jaar
7
7
8
8
70-79 jaar
6
6
6
5
80 jaar en ouder
6
7
6
2
2017
2018
2019
Overlijden 2020
18-24 jaar
1
1
1
0
25-29 jaar
0
1
0
0
30-39 jaar
1
1
1
1
40-49 jaar
2
2
2
2
50-59 jaar
5
5
5
5
60-69 jaar
14
15
14
14
70-79 jaar
39
39
37
39
80 jaar en ouder
120
119
116
127
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
35
Figuur 12b. Ophouden met samen te wonen met een partner per herkomstgroep Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal per 1.000 samenwonenden met partner Scheiding 2017
2018
2019
2020
België
20
20
20
19
Noord- & West-EU-landen
27
28
28
28
Zuid-EU-landen
32
31
32
32
Oost-EU-landen
40
41
41
39
Overige Europese landen
29
27
27
28
Turkije & Maghreb-landen
26
25
25
25
Overige landen
41
39
38
36
2017
2018
2019
2020
17
17
17
18
Overlijden
België Noord- & West-EU-landen Zuid-EU-landen Oost-EU-landen
10 8
8
3
Overige Europese landen
5
Turkije & Maghreb-landen
5
Overige landen
10
3
11 8
3
5 3
8 4
7
11
4
5
6
5
7
2
4
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De voorbije jaren lag de gemiddelde leeftijd van partners bij een scheiding lager dan bij het overlijden van een partner (respectievelijk 50 jaar en 75 jaar). Door de jongere leeftijd van de samenwonende partners van buitenlandse herkomst zijn zij ook jonger bij een scheiding of bij een overlijden (zie Bijlage 5). De gemiddelde leeftijd bij een scheiding nam in 2017-2019 toe en die trend zette zich verder in 2020. De gemiddelde leeftijd bij een overlijden als samenwonende partner bleef eveneens toenemen.
37
5.
VERLATEN VAN EN TERUGKEREN NAAR HET OUDERLIJKE HUIS 5
De verandering van bij ouder(s) wonen naar niet meer bij ouder(s) wonen in het Vlaamse Gewest werd voor 2019 eerder in detail beschreven (Corijn & Pickery, 2021a). De beschikbare gegevens laten niet toe te bepalen of het om een eerste of volgende vertrek uit het ouderlijke huis gaat. Het aantal 18- tot 39-jarigen dat bij ouder(s) woont, dat het ouderlijke huis kan verlaten en dat naar het ouderlijke huis kan terugkeren staat in Bijlage 4.
5.1 VERLATEN VAN HET OUDERLIJKE HUIS In 2017-2019 verlieten er in het Vlaamse Gewest per 1.000 kinderen die bij een paar of een alleenstaande ouder woonden jaarlijks ongeveer 125 het ouderlijke huis. Dit aandeel nam licht toe van 123 in 2017 tot 126 in 2019 (figuur 13a). In 2020 daalde dit aandeel naar 124 per 1.000. In absolute aantallen verlieten in 2020 800 jongvolwassenen minder het ouderlijke huis dan gemiddeld in 2017-2019 (72.700). In 2017-2019 verlieten vooral 25- tot 29-jarigen het ouderlijke huis (gemiddeld 239 per 1.000) (figuur 13a). Jongvolwassenen van Belgische herkomst deden dit relatief gezien vaker dan deze met een buitenlandse herkomst. Jongvolwassenen met een Turkse of Magrebrijnse herkomst en deze met een herkomst uit de Overige landen verlieten het minst vaak het ouderlijke huis (respectievelijk gemiddeld 88 en 86 per 1.000) (figuur 13b). Bij 25- tot 29-jarigen en bij 30- tot 34-jarigen alsook bij de groep met Belgische herkomst trad in 2019 een hoger aandeel op. In 2020 viel het aandeel dat het ouderlijke huis verliet in de meeste leeftijdsgroepen en in bepaalde herkomstgroepen iets terug. Figuur 13a. Verlaten van het ouderlijke huis per leeftijdsgroep Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal per 1.000 kinderen bij ouder(s) (18- tot 39-jarigen) 18-24 jaar
25-29 jaar
30-34 jaar
35-39 jaar
2017
88
235
180
133
2018
87
236
186
142
2019
87
246
196
136
2020
87
238
186
132
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
39
Figuur 13b. Verlaten van het ouderlijke huis per herkomstgroep Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal per 1.000 kinderen bij ouder(s) (18- tot 39-jarigen)
België
Noord- & West-EUlanden
Zuid-EUlanden
Oost-EUlanden
Overige Europese landen
Turkije & Maghreblanden
Overige landen
2017
132
107
100
109
92
88
86
2018
133
107
103
111
97
89
86
2019
137
109
102
109
96
2020
136
109
102
111
93
87 88
85 78
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De 18- tot 39-jarigen verlieten in 2017-2019 het ouderlijke huis gemiddeld genomen rond de leeftijd van 25 jaar. Deze leeftijd verschilde in geringe mate naargelang van de herkomst van de betrokkenen (zie Bijlage 5). Jongvolwassenen van Zuid-EU-herkomst en van Turkse en Maghrebijnse herkomst deden dit op een iets latere leeftijd. In 2020 veranderde de gemiddelde leeftijd bij het verlaten van het ouderlijke huis amper (25,3 jaar).
5.2 TERUGKEREN NAAR HET OUDERLIJKE HUIS Terugkeren naar het ouderlijke huis in het Vlaamse Gewest is slechts mogelijk als de ouder(s) nog in leven zijn en in het Vlaamse Gewest wonen. De beschikbare data laten niet toe om deze groep 18- tot 39-jarigen af te bakenen. Los van hoeveel van hen (nog) ouder(s) in leven hebben die in het Vlaamse Gewest wonen, keerden er in 2017-2019 op jaarbasis 12 per 1.000 terug naar het ouderlijke huis (of 13.500). In 2020 daalde dit aandeel tot 11 per 1.000 (figuur 14). In absolute aantallen ging het om 700 18- tot 39-jarigen minder die dit deden in 2020. In 2017-2019 keerden vooral jongvolwassenen met een overige huishoudpositie terug naar hun ouder(s) (of gingen samen met hun ouder(s) een eigen huishouden vormen waardoor ze kind bij ouder(s) werden) (29 op 1.000). Ook alleenwonenden en samenwonenden met een partner zonder kinderen keerden frequenter terug naar het ouderlijke huis (17 tot 18 per 1.000) (figuur 14). In de jaren 2017-2019 was niet echt een trend merkbaar. In 2020 viel het aandeel jongvolwassenen dat terugkeerde naar het ouderlijke huis in elke groep terug. De daling was meer uitgesproken bij samenwonenden met een partner zonder kinderen en bij alleenstaande ouders. Bij hen vormen (de gevolgen van) een scheiding vaker een aanleiding om terug te keren naar het ouderlijke huis. In 2020 deden ze dat dus minder. Het advies om in de context van de aanpak van de COVID-19-pandemie het contact met oudere personen te beperken, kan hierin een rol hebben gespeeld.
Figuur 14. Terugkeren naar het ouderlijke huis per huishoudpositie Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal per 1.000 die niet bij ouder(s) wonen (18- tot 39-jarigen)
Alleenwonend
Alleenstaande ouder
Met partner zonder kinderen
Met partner en kind(eren)
Overige huishoudposities
18- tot 39jarigen
2017
18
8
18
5
30
12
2018
19
7
17
4
29
12
2019
18
8
17
4
29
12
2020
17
15
4
29
11
6
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In 2017-2019 keerden vooral 18- tot 24-jarigen terug naar het ouderlijke huis (gemiddeld 42 per 1.000) (figuur 15a). De 18- tot 39-jarigen met een Oost-EUherkomst keerden het minst vaak terug naar het ouderlijke huis (figuur 15b). De variaties en schommelingen in de aandelen hangen uiteraard samen met het feit of de ouder(s) al dan niet woonachtig zijn in het Vlaamse Gewest. Bij een aantal groepen van buitenlandse herkomst steeg het aandeel in 20172019. In 2020 daalde dit aandeel bij de meeste herkomstgroepen. Figuur 15a. Terugkeren naar het ouderlijke huis per leeftijdsgroep Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal per 1.000 die niet bij ouder(s) wonen (18- tot 39-jarigen) 18-24 jaar
25-29 jaar
30-34 jaar
35-39 jaar
2017
43
17
7
4
2018
41
17
7
4
2019
41
17
7
4
2020
41
16
7
4
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Figuur 15b. Terugkeren naar het ouderlijke huis per herkomstgroep Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal per 1.000 die niet bij ouder(s) wonen (18- tot 39-jarigen)
België
Noord- & West-EUlanden
Zuid-EUlanden
Oost-EUlanden
Overige Europese landen
Turkije & Maghreblanden
Overige landen
2017
13
10
13
6
12
10
7
2018
13
11
14
5
12
11
7
2019
13
10
14
7
10
12
7
2020
12
10
13
6
10
11
7
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
41
De 18- tot 39-jarigen die in 2017-2019 terugkeerden naar het ouderlijke huis waren gemiddeld genomen ongeveer 27,5 jaar. Deze leeftijd wijzigde amper in die jaren (zie Bijlage 5). De meeste groepen van buitenlandse herkomst keerden op jongere leeftijd terug naar het ouderlijke huis dan de groep met Belgische herkomst. De meeste groepen van buitenlandse herkomst verlieten immers ook op jongere leeftijd het ouderlijke huis (zie Bijlage 5). Dit gold echter niet voor deze van Zuid-EU-herkomst en van Turkse of Maghrebijnse herkomst. In 2020 waren enkel jongvolwassenen met Oost-EU-herkomst, West- en Noord-EU-herkomst en herkomst van overige landen iets jonger bij hun terugkeer naar het ouderlijke huis dan in 2017-2019.
43
6.
WISSELEN TUSSEN KIND BIJ PAAR EN BIJ ALLEENSTAANDE OUDER 6
In een eerder rapport werd uitgebreid beschreven hoeveel kinderen en jongeren in het Vlaamse Gewest in 2019 veranderden van kind wonend bij een paar (ouders of ouder en partner) naar kind wonend bij een alleenstaande ouder of omgekeerd (Corijn & Pickery, 2021b). De veranderingen die (jonge) kinderen meemaken hangen doorgaans nauw samen met de veranderingen die de ouder(s) meemaken. Het beeld inzake kinderen die wisselen van huishoudpositie is dan ook deels complementair aan het beeld van de ouder(s) met inwonende kinderen. Het aantal 0- tot 24-jarigen dat jaarlijks bij een paar of bij een alleenstaande ouder woont, staat in Bijlage 4. In 2017-2019 veranderden van alle 0- tot 24-jarige kinderen die bij een paar woonden er jaarlijks gemiddeld genomen 25 per 1.000 naar wonen bij een alleenstaande ouder (figuur 16). In die jaren wijzigde dit aandeel amper en in 2020 ging het eveneens om 25 per 1.000. In absolute aantallen kenden elk jaar ongeveer 34.000 kinderen deze verandering. Voor deze leeftijdsgroep kwam dit voornamelijk (85%) door een scheiding van de ouders en zelden door het overlijden van een ouder. Hoger werd aangeven dat het gedrag van partners met inwonende kinderen in 2020 weinig was veranderd in vergelijking met 2017-2019 (figuur 11). Dit geldt bijgevolg ook voor de inwonende kinderen. De jongste en oudste leeftijdsgroep wisselden iets minder vaak dan de andere leeftijdsgroepen (figuur 16). Alle kinderen met een buitenlandse herkomst, behalve deze met een Turkse of Maghrebijnse herkomst, maakten deze verandering vaker mee dan kinderen met een Belgische herkomst (figuur 16).
45
Figuur 16. Veranderingen van kind bij paar naar kind bij alleenstaande ouder per leeftijdsgroep en herkomstgroep Vlaams Gewest, 2017-2020, aantal per 1.000 kinderen bij paar (0- tot 24-jarigen) 2017
2018
2019
2020
0- tot 24-jarigen
25
25
25
25
0-2 jaar
23
23
22
22
3-5 jaar
27
27
28
27
6-11 jaar
27
27
27
27
12-17 jaar
27
27
28
27
18-24 jaar
19
19
19
19
België
24
24
24
24
Noord- & West-EU-landen
29
29
29
29
Zuid EU-landen
27
26
26
25
Oost EU-landen
26
27
25
25
Overige Europese landen
25
23
23
24
Turkije & Maghreb-landen
21
21
21
22
Overige landen
33
32
32
31
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Kinderen waren in 2017-2019 bij deze verandering gemiddeld genomen 10 tot 11 jaar. Kinderen van buitenlandse herkomst waren gemiddeld genomen iets jonger (zie Bijlage 5). Hun ouders zijn immers ook jonger. In 2020 steeg deze leeftijd enkel bij kinderen van Zuid-EU-herkomst iets meer uitgesproken. In 2017-2019 veranderden jaarlijks van alle 0- tot 24-jarige kinderen die bij een alleenstaande ouder woonden er gemiddeld genomen 78 per 1.000 naar kind bij een paar (figuur 17). Dit gebeurt als de alleenstaande ouder met een (nieuwe) partner gaat samenwonen, als de andere ouder van het kind (eventueel vanuit het buitenland) het eenoudergezin vervoegt of als het kind bij een andere ouder gaat wonen die samenwoont met een partner. In de jaren 2017-2019 nam dit aandeel af van 80 naar 75 per 1.000. In 2020 was dit aandeel verder gedaald naar 72 per 1.000. In absolute aantallen maakten in 2017-2019 gemiddeld genomen per jaar 21.500 kinderen deze verandering mee. In 2020 ging het om 1.000 kinderen minder. Hoger werd vermeld dat in 2020 minder alleenstaande ouders met een partner gingen samenwonen dan in de voorgaande jaren (figuur 9). Dit betekent dat er voor hun kinderen ook minder vaak een tweede ouderfiguur in het gezin kwam. In 2017-2019 kwam de wissel van alleenstaande ouder naar ouderpaar vooral voor bij de allerjongsten (figuur 17). Men kan vermoeden dat de partner van de alleenstaande ouder en/of ouder van het kind in de loop van het jaar
naar aanleiding van de geboorte van het kind officieel bij de alleenstaande ouder en het kind ging wonen. Deze verandering kwam uitgesproken vaker voor bij kinderen met een Oost-EU-herkomst. Het is mogelijk dat de (officiële) immigratie van de partner/ouder een aanleiding vormt (figuur 17). In die periode was een daling van dit aandeel zichtbaar bij enkele leeftijdsgroepen, doch niet bij de jongste en de oudste groep. Een daling was eveneens enkel merkbaar bij kinderen met een Belgische of Turkse of Maghrebijnse herkomst. In 2020 trad bij alle groepen, behalve bij deze uit de overige Europese landen, een daling van dit aandeel op. Bij sommige groepen was die daling meer uitgesproken. Vooral alleenstaande ouders van 25-29 jaar en vooral alleenstaande ouders van buitenlandse herkomst gingen in 2020 minder met een (nieuwe) partner samenwonen. Beperkingen in de internationale immigratie van de partner/ouder van het kind kunnen hierin een rol hebben gespeeld. Figuur 17. Veranderingen van kind bij alleenstaande ouder naar kind bij paar per leeftijdsgroep en herkomstgroep Vlaams Gewest, 2017-2020, per 1.000 kinderen bij alleenstaande ouder (0- tot 24-jarigen) 2017
2018
2019
2020
0- tot 24-jarigen
80
78
76
72
0-2 jaar
176
176
174
166
3-5 jaar
142
136
131
127
6-11 jaar
105
101
98
93
12-17 jaar
70
18-24 jaar
69 40
66 41
63 39
38
België
76
76
71
70
Noord- & West-EU-landen
89
76
82
74
Zuid-EU-landen
86
95
87
78
Oost-EU-landen
128
116
124
112
Overige Europese landen
85
93
80
84
Turkije & Maghreb-landen
75
71
70
62
Overige landen
85
85
86
76
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Bij de verandering van kind bij een alleenstaande ouder naar kind bij een paar was men gemiddeld genomen 10 tot 11 jaar. Kinderen van buitenlandse herkomst waren gemiddeld genomen iets jonger (zie Bijlage 5). In 2020 traden er geen bijzondere wijzigingen in die gemiddelde leeftijden op. Enkel bij kinderen van Turkse en Maghrebijnse herkomst steeg de leeftijd bij deze verandering.
47
BESLUIT
7
Het jaar 2020 was in menig opzicht een bijzonder jaar. In de context van de COVID-19-pandemie stond de impact van het virus op de sterftecijfers volop in de aandacht. In het Vlaamse Gewest bracht dit een oversterfte van 7% met zich mee. De beperkende maatregelen inzake reisverkeer beïnvloedden vooral de internationale immigratiecijfers. Deze vielen in 2020 terug met 17%. De gevolgen van de beperkende maatregelen inzake bijeenkomsten van groepen hadden een impact op de planning van huwelijken (en huwelijksfeesten): in 2020 waren er 22% minder huwelijken. De maatregelen met onder meer een verplichting tot thuiswerk, riepen vragen op over een mogelijke toename van het aantal scheidingen bij paren die vaker gedwongen samen thuis waren. De cijfers laten geen stijging zien. Het hogere aantal overlijdens en het lagere aantal internationale immigraties in de loop van 2020 droegen bij tot een beperktere groei van de bevolking in het Vlaamse Gewest in 2020 en tot wijzigingen van de verdeling van de bevolking naar leeftijd op 1.1.2021. Door de oversterfte, vooral in de oudste leeftijdsgroepen, waren er op 1.1.2021 minder inwoners van 80 jaar en ouder terwijl dit aantal de voorgaande jaren jaarlijks toenam. Door de terugval van onder meer de internationale immigratie waren op 1.1.2021 bepaalde leeftijdsgroepen sterker gekrompen dan de voorgaande jaren. Daarenboven hadden het geringere aantal huwelijken en het vrijwel ongewijzigde aantal echtscheidingen samen met de grotere sterfte bij de (verweduwde) oudsten een impact op de verdeling van de bevolking naar burgerlijke staat. Op 1.1.2021 waren er minder gehuwden en minder verweduwden. De combinatie van al deze elementen wijzigde ook in enige mate de verdeling van de bevolking naar huishoudpositie op 1.1.2021. Het (tijdelijke) uitstel van huwelijken en de grotere sterfte bij de gehuwde oudsten versterkte de aan de gang zijnde daling van het aantal gehuwde partners (en van kinderen bij een gehuwd paar). De hogere sterfte, vooral bij de oudsten, reduceerde het aantal inwoners in instellingen. Het aantal alleenstaande ouders (en kinderen bij een alleenstaande ouder) was in 2020 sterker gestegen dan in de voorgaande jaren. De centrale vraag in dit rapport was of in 2020 meer of minder inwoners hun huishoudpositie hadden veranderd dan in 2017, 2018 of 2019. Globaal genomen veranderden in het Vlaamse Gewest in 2020 relatief gezien iets minder inwoners van huishoudpositie. Dit globale cijfer is het resultaat van meer overleden inwoners, minder inwoners die verhuisden uit het Vlaamse Gewest en minder inwoners die een nieuwe huishoudpositie innamen. In vergelijking met 2019 veranderden in 2020 3.700 inwoners minder van huishoudpositie. Enerzijds stierven er 8.400 meer, maar anderzijds verhuisden er 4.000 minder naar het buitenland en namen er 8.000 minder een nieuwe huishoudpositie in. Economische en sociale onzekerheid en plannen voor uitstel speelden hierin wellicht een rol. Vooral jongvolwassenen veranderden minder vaak hun huishoudpositie. Vooral alleenstaande ouders (en kinderen bij een alleenstaande ouder) namen minder dan voorgaande
jaren een nieuwe huishoudpositie in. Vooral inwoners van buitenlandse herkomst verlieten minder vaak het Vlaamse Gewest en namen minder vaak een nieuwe huishoudpositie in. Vooral voor vijftigers, zestigers en zeventigers bleef het patroon in 2020 zoals voorheen. Inzake het innemen van een nieuwe huishoudpositie was de meest uitgesproken wijziging de terugval van het gaan samenwonen met een partner. Ongeveer 3.000 personen minder dan de voorgaande jaren deden dit. Die daling trad vooral op bij volwassenen jonger dan 60 jaar. Ze trof vooral personen met een buitenlandse herkomst. De beperkende maatregelen inzake immigratie speelden hierin wellicht een rol. De daling trof vooral alleenstaande ouders en personen in een overige huishoudpositie. De mate waarin samenwonende paren ophielden met samen te wonen in 2020 verschilde niet van de mate waarin ze dat in de voorgaande jaren deden. In 2020 hielden 550 paren meer op met samen te wonen. Relatief uitgedrukt bleef het aandeel op 42 per 1.000 staan. Het hoger aantal paren dat door sterfte werd getroffen, ging gepaard met een lager aantal paren dat uit elkaar ging of uit het Vlaamse Gewest wegtrok. In 2020 verlieten 18- tot 39-jarigen in iets minder mate het ouderlijke huis dan in voorgaande jaren. Het ging om 800 jongvolwassenen minder. Er keerden ook 700 jongvolwassenen minder terug naar het ouderlijke huis. Net als in voorgaande jaren wisselden in 2020 ongeveer 34.000 kinderen en jongeren (0- tot 24-jarigen) tussen wonen bij een paar en wonen bij een alleenstaande ouder. Wel wisselden in 2020 1.000 0- tot 24-jarigen minder dan in de voorgaande jaren (20.000 in plaats van 21.000) van wonen bij een alleenstaande ouder naar wonen bij een paar. Dit trof vooral kinderen van buitenlandse herkomst. Dit is complementair aan de vaststelling dat alleenstaande ouders van buitenlandse herkomst in 2020 minder gingen samenwonen met een partner. De relatief geringe wijzigingen in de mate van verandering voor specifieke transities hebben ook amper de gemiddelde leeftijden bij deze overgangen in 2020 beïnvloed. Naast de impact van sterfte die vooral de oudste inwoners en de bewoners van instellingen trof, en naast de terugval van de internationale immigratie die vooral inwoners van buitenlandse herkomst trof, hadden globaal genomen alle beperkingen (en eventueel nieuwe mogelijkheden) die gepaard gingen met de aanpak van de COVID-19-pandemie in 2020 een geringe impact op de huishoudvorming en -ontbinding. Enkel alleenstaande ouders van buitenlandse herkomst hadden minder gelegenheid om met een partner te gaan samenwonen, wat dan ook implicaties had voor hun kinderen. Een meer volledig beeld van de impact van de COVID-19-pandemie in 2020 zal pas ten volle in 2021 duidelijk worden. De daling van het aantal nieuwe huwelijken (en nieuwe wettelijke samenwoningen) in 2020 roept de vraag op in welke mate dit deels komt door uitgestelde huwelijken (en wettelijke samenwoningen) die in 2021 alsnog zullen plaatsvinden. De zeer geringe daling van het aantal echtscheidingen en (scheidingen bij wettelijk samenwonenden) kan ook wijzen op een uitstel onder meer omdat administratieve en juridische diensten minder toegankelijk waren en zou,
49
gegeven de duur tussen het starten van een echtscheidingsprocedure en de rechterlijke uitspraak, kunnen worden gevolgd door een verhoogd aantal (echt)scheidingen in 2021. De impact van de economische onzekerheid op bijvoorbeeld het aantal geboorten zal pas in 2021 duidelijk worden. Ook inzake het aantal overlijdens en het aantal internationale migraties wordt het uitkijken naar de aantallen in 2021 waar mogelijk oogst-effecten (minder overlijdens omdat de kwetsbaarste mensen reeds overleden zijn) en inhaaleffecten (inhalen van uitgestelde migraties) een rol kunnen spelen.
8
LITERATUURLIJST
Corijn, M. (2019). SV-rapport 2019/2 – Echtscheidingen en echtscheidingskansen in het Vlaamse Gewest: samenwonend met partner. Brussel: Statistiek Vlaanderen. Corijn, M. & Pickery, J. (2020a). SV-rapport 2020/2 – Veranderen van huishoudpositie in het Vlaamse Gewest: samenwonend met partner. Brussel: Statistiek Vlaanderen. Corijn, M. & Pickery, J. (2020b). SV-rapport 2020/3 - Veranderen van huishoudpositie in het Vlaamse Gewest: alleenwonend en alleenstaande ouder. Brussel: Statistiek Vlaanderen. Corijn, M. & Pickery, J. (2020c). SV-rapport 2020/6 - Leefvormen per leeftijdsgroep: verschuivingen tussen 1990-2020 in het Vlaamse Gewest. Brussel: Statistiek Vlaanderen. Corijn, M. & Pickery, J. (2021a). SV-rapport 2021/2 - Veranderen van huishoudpositie in het Vlaamse Gewest: verlaten van en terugkeren naar het ouderlijke huis. Brussel: Statistiek Vlaanderen. Corijn, M. & Pickery, J. (2021b). SV-rapport 2021/7 - Veranderen van huishoudpositie in het Vlaamse Gewest: kind bij paar en kind bij alleenstaande ouder. Brussel: Statistiek Vlaanderen. Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken (2021). Activiteitenverslag 2020. Dienst Vreemdelingenzaken. Brussel: Algemene Directie Vreemdelingenzaken. Federaal Planbureau – Statbel (2021). Demografische vooruitzichten 20202070. Referentiescenario en varianten. Brussel: Federaal Planbureau. Federaal Migratiecentrum - Myria (2021). https://www.myria.be/nl/cijfers, Geraadpleegd op 1 oktober 2021. Pasteels, I. Lodewijckx, E., & Mortelmans, D. (2013). Gezinstransities in de levensloop van mannen en vrouwen. In: M. Corijn, & C. Van Peer (red.). Gezinstransities in Vlaanderen. Brussel: Studiedienst Vlaamse Regering. Statistiek Vlaanderen (2021). https://www.statistiekvlaanderen.be/nl/sterfte. Geraadpleegd op 1 september 2021. Van den Berg, L. & Mortelmans, D. (2018). De onzichtbare scheidingsgolf. Een analyse van relatieontbinding van samenwonenden en gehuwden in België. In: Relaties en Nieuwe Gezinnen, 1.
51
COLOFON Verantwoordelijke uitgever Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100, 1000 Brussel Auteurs Martine Corijn | martine.corijn@vlaanderen.be Jan Pickery | jan.pickery@vlaanderen.be Concept & grafische vormgeving The Oval Office Statistiek Vlaanderen Depotnummer D/2021/3241/357
Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100 1000 Brussel statistiekvlaanderen.be