Onderzoeksvoorstel VIONA 2003, thema 2, topic 2
ACTIVEREND ARBEIDSMARKTBELEID: Nieuwe migranten en de arbeidsmarkt
dr. Johan Wets (K.U.Leuven – HIVA) dr. Christiane Timmerman (UA – OASeS / Steunpunt Gelijke Kansenbeleid) Prof. dr. Albert Martens (K.U.Leuven – Departement Sociologie) Miet Lamberts (K.U.Leuven – HIVA)
Hoger Instituut voor de Arbeid • K.U.Leuven E. Van Evenstraat 2e • 3000 Leuven Tel. +32 16 32 33 33 • Fax +32 16 32 33 44
1
1. 1.1
Promotoren Hoofdpromotor
Naam: Functie Instelling: Onderzoekseenheid: Contactadres:
1.2
dr. Johan Wets Projectleider Hoger Instituut voor de Arbeid, Katholieke Universiteit Leuven Sector Duurzame Ontwikkeling Kapucijnenvoer 33 – blok H – 4 de verdieping B - 3000 Leuven Telefoonnummer: +32 16 33 20 83 (33.20.75) Faxnummer: +32 16 33 20 76 E-mail: johan.wets@hiva.kuleuven.ac.be
Copromotoren
Naam: Functie: Instelling: Onderzoekseenheid: Contactadres:
Miet Lamberts Projectleider Hoger Instituut voor de Arbeid, Katholieke Universiteit Leuven Sector Arbeid E. Van Evenstraat 2e B - 3000 Leuven Telefoonnummer: +32 16 32 33 24 Faxnummer: +32 16 32 33 44 E-mail: miet.lamberts@hiva.kuleuven.ac.be
Naam: Functie:
dr. Christiane Timmerman Coördinator Cel ‘allochtonen’ Steunpunt Gelijke Kansenbeleid UA Projectleider Onderzoekslijn ‘Migratie en Etnische Minderheden’ OASeS Instelling: Universiteit Antwerpen Onderzoekseenheid: Steunpunt Gelijke kansenbeleid UA Migratie en Etnische Minderheden OASeS Contactadres: Gratiekapelstraat 10 B - 2000 Antwerpen Telefoonnummer: + 32 3 220 46 26 Faxnummer: +32 3 220 46 36 E-mail: Christiane.Timmerman@ufsia.ac.be Naam: Functie: Instelling: Afdeling Contactadres:
Prof. Em. Albert Martens Professor Dept. Sociologie Katholieke Universiteit Leuven Arbeid en Organisatie E. Van Evenstraat 2B B - 3000 Leuven Telefoonnummer: +32 16 32 31 84 Faxnummer: +32 16 32 33 65 E-mail: albert.martens@soc.kuleuven.ac.be
2
2.
Titel van het onderzoeksproject
Nieuwe migranten en de arbeidsmarkt
3.
Samenvatting
België en ook Vlaanderen is een multiculturele samenleving geworden. Personen van een vreemde origine verblijven en werken reeds geruime tijd in het land. De werkgelegenheidssituatie van deze zgn. allochtone bevolking is reeds uitvoerig bestudeerd. De immigratie van werknemers van vreemde nationaliteit is een continu proces dat geplaatst kan worden in een permanent veranderende maatschappij. De leef- en werksituatie van personen die recentelijk het land binnengekomen zijn en die maar pas hun intrede op de arbeidsmarkt gedaan hebben, verschilt van de situatie van personen met een vreemde nationaliteit die al decennia in het land wonen. Door een tweedeling autochtone en allochtone bevolking te gebruiken, worden binnen de allochtone gemeenschap de gevestigde allochtonen’ (de oudkomers) én de nieuwkomers samen bekeken waardoor de specificiteit van de situatie van nieuwkomers onderbelicht wordt. Ook de groep nieuwkomers is een heterogene groep. Personen met een vreemde nationaliteit kunnen het land binnenkomen in het kader van familiehereniging, via de asielprocedure en voor enkelingen is het ook mogelijk om een arbeidscontract te bemachtigen (arbeidsmigratie). Daarnaast zijn er personen die illegaal het land binnengekomen zijn, en die (al dan niet) beroep gedaan hebben op de regularisatiemogelijkheden om legaal in het land te kunnen verblijven. De hypothese kan naar voor worden gebracht dat deze verschillende groepen verschillende economische en socio-culturele profielen hebben en mede daardoor verschillen vertonen in de wijze waarop en met wat zij de arbeidsmarkt betreden. Daarnaast zal de specifieke migratiecontext (gezinshereniging, asiel, vluchteling, illegaal, geregulariseerd) ook zijn weerslag hebben op hun mogelijke intrede in de arbeidsmarkt. Dit onderzoeksvoorstel wil een zo ruim mogelijk inzicht verschaffen in de verschillende groepen nieuwkomers en in de specificiteit van hun tewerkstellingssituatie. Voor de verschillende groepen wordt een profiel opgesteld. Daarbij wordt, in de mate van het mogelijke, ondermeer gepeild naar - de vooropleiding en het kwalificatieniveau van de nieuwkomers; - de loopbaanontwikkeling; - hun arbeidsbetrekking en de sector waar ze instromen; - het type arbeidsbetrekking; - de ervaren hindernissen op verschillende niveaus: - individueel niveau: persoonlijke en gezinssituatie, inkomenssituatie, competenties, kennis en perceptie van de arbeidsmarkt, maatschappelijk waardenpatroon en arbeidsoriëntatie,….; - drempels eigen aan de arbeidscontext; - drempels eigen aan de institutionele context; - drempels eigen aan de maatschappelijke context; - de mate waarin de niet-formele arbeidsmarkt een alternatief vormt; - … De (in de oproep gevraagde) gegevens om op deze onderzoeksvragen een antwoord te formuleren, zijn verschillende types gegevens. Sommige van deze gegevens zijn data die te vinden zijn via de consultatie van administratieve databestanden, sommige andere gegevens zijn objectiveerbare gegevens die niet noodzakelijkerwijs opgeslagen worden in elektronische databestanden, en nog andere gegevens zijn subjectieve gegevens die enkel via een persoonlijke bevraging in kaart kunnen gebracht worden. Daarom wordt in het onderzoek geopteerd voor een dubbele benadering met ten eerste een kwantitatief luik waarin de verschillende groepen in kaart gebracht worden aan de hand van elektronisch opgeslagen
3
gegevens. Dit beeld wordt vervolgens aangevuld met een kwalitatief luik waarbij bij een staal van de doelgroepen gevraagd wordt naar niet opgeslagen gegevens en waarbij via diepte-interviews gepeild word naar ervaringen en posities. De combinatie van beide type gegevens zal een behoorlijk beeld geven van de arbeidsmarktpositie en de algemene socio-economische positie van nieuwe migranten. Een onderzoek naar de arbeidsmarktpositie en de algemene socio-economische positie van nieuwe migranten kan een input leveren bij de uitwerking van mogelijke beleidsopties met betrekking tot de integratie van deze migranten in de Vlaamse samenleving. Duidelijk verschillende profielen wijzen immers op de noodzaak van een gediversifieerde aanpak. De finaliteit van het traject kan een integratie in de Vlaamse arbeidsmarkt en samenleving zijn. Omdat het verblijf in BelgiĂŤ voor een deel van de nieuwkomers beperkt zal zijn in de tijd, kan de finaliteit voor bepaalde groepen eveneens een herintegratie in de streek van herkomst zijn of een integratie in de samenleving van de finale bestemming.
4.
Thema en topic
Voorliggend onderzoek sluit aan bij thema 2, topic 2: Activerend Arbeidsmarktbeleid: Nieuwe migranten en de arbeidsmarkt
5.
Plan van aanpak: methode en gedetailleerd tijdschema
In dit project worden vier luiken onderscheiden. In een eerste luik wordt het opzet volledig uitgewerkt. Zoals gesteld wordt dit thema op een kwantitatieve (luik 2) als op een kwalitatieve wijze (luik 3) benaderd. Beide benaderingen zijn complementair en nodig om een volledig beeld te schetsen van de problematiek. In een vierde afsluitend luik worden de gegevens samengebracht, gerapporteerd en gesynthetiseerd. Beleidsaanbevelingen worden geformuleerd. 5.1
Luik 1: het onderzoekskader
In het eerste luik wordt het onderzoekskader volledig uitgewerkt. Dit impliceert dat de onderzoeksvragen geformuleerd worden, en er een aanzet tot operationalisering gegeven wordt, dat de verschillende luiken op elkaar afgestemd worden en dat er gekeken wordt wat er reeds aan informatie voorhanden is, zowel in de literatuur als als praktijkervaring in andere landen. Het is binnen dit kader dat het onderzoek zal uitgevoerd worden. De uitwerking van het onderzoekskader gebeurt door alle betrokken onderzoeksequipes samen. Timing: 2 onderzoeksmaanden HIVA: 1 onderzoeksmaand OASeS: 0,5 onderzoeksmaand K.U.Leuven: 0,5 onderzoeksmaand
5.2
Luik 2: de kwantitatieve benadering
Met uitzondering van de personen zonder een wettige verblijfsvergunning, verblijven alle nieuwe migranten legaal in het land. De onderzoekspopulatie waarop dit onderzoek betrekking heeft, de nieuwe migranten, zijn personen die het land binnenkomen via de procedure voor familiehereniging (waarin verschillende fasen kunnen onderscheiden worden) of via de asielprocedure (met daarin asielzoekers in de ontvankelijkheidsfase en asielzoekers in de gegrondheidsfase en vluchtelingen). Het feit van in een procedure te zitten, impliceert dat deze personen geregistreerd worden. Afhankelijk van de fase van de procedure waarin deze personen zich bevinden, worden zij geregistreerd in het wachtregister of in het vreemdelingenregister. Eenmaal zij de
4
arbeidsmarkt betreden (wat officieel niet mogelijk is voor alle aangehaalde categorieën) brengt dit een verdergaande registratie met zich mee: er worden arbeidskaarten aangevraagd, arbeidsvergunningen en er worden RSZ-bijdragen betaald. In verschillende administratieve databestanden zijn verschillende soorten informatie met betrekking tot de verschillende categorieën nieuwe migranten te vinden. Deze gegevens zullen gedepersonaliseerd aangevraagd worden bij de verschillende instanties en administraties of via de kruispuntbank van de Sociale zekerheid indien het wettelijk kader dit vereist. In een eerste fase wordt nagegaan welk type informatie waar te vinden is. De benodigde informatie zal aangevraagd worden bij de betrokken diensten. Deze gegevens laten toe een algemeen beeld te vormen van de nieuwe migranten. De gegevens over arbeidskaarten e.d. die voorhanden zijn binnen de administratie kunnen een beeld schetsen van de intrede in de arbeidsmarkt van bepaalde groepen. Dit luik wordt uitgewerkt door het HIVA en het departement sociologie van de KULeuven. Ervaring leert ons dat het niet altijd mogelijk is om op korte termijn de benodigde informatie te bekomen. Er wordt voor deze fase 4 onderzoeksmaanden gerekend. De doorlooptijd bedraagt echter 14 maanden. Timing: 4 onderzoeksmaanden HIVA: 2 onderzoeksmaanden K.U.Leuven: 2 onderzoeksmaanden
5.3
Luik 3: de kwalitatieve analyse
In het derde luik wordt dieper ingegaan op de profielen van de verschillende onderscheiden groepen nieuwe migranten. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen: − de personen die het land binnen komen in het kader van een familiehereniging of –vorming; − personen die tijdens de regularisatiecampagne een dossier hebben ingediend (mogelijk aangevuld met personen die een regularisatie hebben aangevraagd via artikel 9.3 van de vreemdelingenwet); − asielzoekers in de gegrondheidsfase; − erkende vluchtelingen. Naast deze vier groepen beoogt het onderzoek ook een korte situering van illegaal in het land verblijvende personen. Een ruimere analyse van deze populatie aan de hand van administratieve databanken is gezien de aard van hun aanwezigheid uitgesloten. Toch is het interessant om deze groep ook in de kwalitatieve fase te betrekken gezien hun specifieke situatie. Deze groep kan ook fungeren als controlegroep voor bijvoorbeeld de geregulariseerden, die in een niet zo ver verleden ook illegaal aanwezig waren. De toegang tot deze groepen wordt gegarandeerd door samenwerking met organisaties uit het maatschappelijke middenveld zoals het ‘Steunpunt Mensen zonder Papieren’. Als methode wordt in deze fase geopteerd voor diepte-interviews. Per groep worden er 20 tot 30 interviews afgenomen. De toegang tot de verschillende groepen wordt gezocht via verschillende organisaties (asielcentra, Steunpunt Mensen zonder papieren, …). De interviews gebeuren met ondersteuning van een tolk. Het gekozen interviewpad garandeert een anonieme en kwaliteitsvolle bijdrage tot het onderzoek. De kwalitatieve analyse gebeurt door twee onderzoeksgroepen, het HIVA (KULeuven) en OASeS (UA). Per equipe worden er 7 onderzoeksmaanden voorzien. De totale doorlooptijd bedraagt 12 maanden.
5
Aantal onderzoeksmaanden: 14 onderzoeksmaanden HIVA: 7 onderzoeksmaanden OASeS: 7 onderzoeksmaanden
5.4
Luik 4: eindrapportering
Tijdens deze fase worden de resultaten van de verschillende onderzoeksluiken geĂŻntegreerd en samengebracht. Aanbevelingen naar beleid toe worden geformuleerd. Timing: 3 onderzoeksmaanden HIVA: 1 onderzoeksmaand OASeS: 1 onderzoeksmaand K.U.Leuven: 1 onderzoeksmaand
De totale onderzoekstijd bedraagt 23 onderzoekmaanden die over de verschillende onderzoeksequipes verdeeld worden.
7
Schema 1: overzicht tijdschema 1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
Luik 1: onderzoeksopzet - opzet Luik 2: kwantitatieve analyses -aanvraag data -kwantitatieve anal. Luik 3: kwalitatieve analyses -samenstelling respondenten. - interviews -verwerking Luik 4: conclusies en beleidsaanbevelingen Luik 4
7.
Valorisatie van de onderzoeksresultaten
De verschillende deelrapporten zullen gebundeld worden in een onderzoeksrapport. Dit rapport zal ook een literatuuroverzicht bevatten. Op basis van de deelrapporten zal een antwoord geformuleerd worden op de centrale onderzoeksvragen. Dit zal tevens resulteren in het formuleren van beleidsaanbevelingen: hoe kan het beleid het best inspelen op de problemen die betrekking hebben op de arbeidsmarktintegratie van nieuwe migranten. Naar valorisatie toe wordt verder voorgesteld om in samenwerking met de administratie een seminarie te organiseren met personen uit de verschillende betrokken administraties, de politiek en/of academische wereld en organisaties uit het maatschappelijke middenveld die zich bezighouden met deze thematiek. Daarnaast wordt gestreefd naar verdere verspreiding van de onderzoeksresultaten via artikels en andere media.
8.
CV van de onderzoeksverantwoordelijken
De leiding van dit onderzoek is in handen van vier onderzoeksgroepen, met elk hun eigen knowhow en onderzoekservaring inzake de thematiek van (nieuwe) migranten en de arbeidsmarkt. Hoofdpromotor is Johan Wets
20
21
8
die de betrokken is bij alle luiken. Miet Lamberts neemt de leiding van luik 2 op zich en is copromotor. Christiane Timmerman neemt de leiding van luik 2 op zich voor de activiteiten die binnen de UA gebeuren. Ook zij is co-promotor. Albert Martens wordt betrokken bij de luiken 1,2 en 4. 8.1 Johan Wets Naam: Functie Instelling: Onderzoekseenheid: Contactadres:
dr. Johan Wets Projectleider Hoger Instituut voor de Arbeid, Katholieke Universiteit Leuven Sector Duurzame Ontwikkeling Kapucijnenvoer 33 H B-3000 Leuven Telefoonnummer: +32 16 33 20 83 (33.20.75) Faxnummer: +32 16 33 20 76 E-mail: johan.wets@hiva.kuleuven.ac.be
Selectie uit relevante publicaties Lamberts M. & Wets J. (2002), Internationalisering van de Vlaamse Arbeidsmarkt, Leuven, HIVA, 82p. Wets J. (2002), ‘La dynamique migratoire internationale et son impact sur l’Europe’, Emmanuelle Bribosia & Andrea Rea (Eds), Les Nouvelles migrations: un enjeu Européen, Editions Complexes, p. 23-35. Wets J. (2002), ‘The Brain Business. Import and export assessed’, in Van Beurden J, De Graaf P & Meinema T. (Eds.), Bridging the Gaps: essays on economic, social and cultural opportunities at global and local levels. NIZW, Utrecht, p. 59 – 69. Wets J. (ed.) (2000), Cultural Diversity in Trade Unions. A challenge to class identity?, Ashgate, Aldershot, 238 p. Wets J. (1999), Waarom onderweg? Een analyse van de oorzaken van grootschalige migratie- en vluchtelingenstromen, Departement Politieke Wetenschappen, K.U.Leuven (doctoraat sociale wetenschappen), Leuven, 358p. 8.2 Miet Lamberts Naam: Functie: Instelling: Onderzoekseenheid: Contactadres:
Miet Lamberts Projectleider Hoger Instituut voor de Arbeid, Katholieke Universiteit Leuven Sector Arbeid E. Van Evenstraat 2e B-3000 Leuven Telefoonnummer: +32 16 32 33 24 Faxnummer: +32 16 32 33 44 E-mail: miet.lamberts@hiva.kuleuven.ac.be
Selectie van relevante publicaties, onderzoek en expertise Bollens J. e.a. (2002), Evaluatie van de impact van de Europese werkgelegenheidsstrategie in België, HIVADULBEA-UCL Doyen, G, Lamberts, M. & Janssens M. (2002), Diversiteitsmanagement in de praktijk, HIVA, K.U.Leuven.
9
Lamberts M. (2001), Ontwikkeling van een monitoringsysteem inzake gelijke kansen op de arbeidsmarkt in Vlaanderen, HIVA. Lamberts M. (2002), Waarom geen instroom van allochtonen binnen ACW-nationaal secretariaat? Onderzoek naar oorzaken en drempels die deze instroom eventueel bemoeilijken en een aanzet tot oplossingen. HIVA (intern rapport). Verhoeven H., Van Roy E., Lamberts M. & Martens A. (2000), Werk maken van werk voor allochtonen, K.U.Leuven, Leuven. Begeleiding van de Cel Positieve acties van Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid (1998-1999), HIVAK.U.Leuven, Leuven. 8.3 Christiane Timmerman Naam: Functie:
dr. Christiane Timmerman Coördinator Cel ‘allochtonen’ Steunpunt Gelijke Kansenbeleid UA Projectleider Onderzoekslijn ‘Migratie en Etnische Minderheden’ OASeS Instelling: Universiteit Antwerpen Onderzoekseenheid: Steunpunt Gelijke kansenbeleid UA Migratie en Etnische Minderheden OASeS Contactadres: Gratiekapelstraat 10 B-2000 Antwerpen Telefoonnummer: +32 3 220.46.26 Faxnummer: +32 3 220.46.36 E-mail: Christiane.Timmerman@ufsia.ac.be Selectie van relevante publicaties, onderzoek en expertise Timmerman C., Vanderwaeren E. & Crul, M.(2003), The second generation in Belgium, International Migration Review (in press). Timmerman C., Hermans P. & Hoornaert J. (eds.) (2002), Allochtone jongeren in het onderwijs. Een multidisciplinair perspectief, Leuven-Apeldoorn: Garant, Project Schoolmanagement, 234p. Timmerman C. (2001), ‘The revival of tradition, consequence of modernity: the case of young Turkish women in Belgium’, Folk: Journal of the Danish Ethnographic Society, 42, p. 83-100. Vranken J., Timmerman C., Van der Heyden K. (eds.) (2001), Komende Generaties. Wat weten we (niet) over allochtonen in Vlaanderen, Acco, Minderheden in de Samenleving, Leuven, 326p. Timmerman C., Van der Heyden K., Ben Abdeljelil Y. & Geets J. (2000), Marokkaanse en Turkse nieuwkomers in Vlaanderen, Onderzoek uitgevoerd door de Onderzoeksgroep Armoede, Sociale Uitsluiting en Stad (OASES), UFSIA – Universiteit Antwerpen, in opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap voor Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, 225 p (+ bijlagen). Timmerman C. (2000), ‘Muslim Women and Nationalism: the power of the image’, Current Sociology, 48, 1527. Timmerman C. (2000), ‘Secular and Religious Nationalism Among Young Turkish Women in Belgium: Education May Make the Difference’, Anthropology and Education Quarterly, 333-354. Timmerman C. (1999), Onderwijs maakt het verschil. Socio-culturele praxis en etniciteitsbeleving bij jonge Turkse vrouwen, Leuven: Acco, Minderheden in de samenleving, 279 p.
10
8.4
Albert Martens
Naam: Functie: Instelling: Afdeling Contactadres:
Albert Martens Professor Dept. Sociologie Katholieke Uiniversiteit Leuven Arbeid en Organisatie E. Van Evenstraat 2B B - 3000 Leuven Telefoonnummer: +32 16 32 31 84 Faxnummer: +32 16 32 33 65 E-mail: albert.martens@soc.kuleuven.ac.be
Selectie van relevante publicaties, onderzoek en expertise Verhoeven H. & Martens A. (2000), De vreemde eend in de bijt, Steunpunt WAV, Leuven. Verhoeven H., Van Roy E., Lamberts M. & Martens A. (2001), Werk maken van werk voor allochtonen. Departement Sociologie, Leuven. Lambrechts H., Verhoeven H & Martens A (2002), Allochtone ondernemers of ondernemende allochtonen? Ondernemers! Departement Sociologie, Leuven. Verhoeven H. & Martens A. (2002), Stimulerend Imponeren. De mogelijke brug tussen redelijke aanpassing en onevenredige belasting? HIVA, Leuven. Verhoeven H., Anthierens J., Neudt D. & Martens A. (2003), Het Vlaamse minderhedenbeleid gewikt en gewogen, Departement Sociologie, Leuven.
11
12
BIJLAGE 1 UITGEBREIDE BESCHRIJVING ONDERZOEKSPROJECT
1.
Probleemstelling
Dertig jaar na het instellen van de ‘migratiestop’ is arbeidsmigratie weer actueel. Werkgevers klagen dat ze de vacatures steeds moeilijker ingevuld krijgen en vragen om buitenlandse arbeidskrachten te mogen werven. Het VN-rapport ‘Replacement Migration’ (Population Division, 2000) stelt dat de Europese arbeidsmarkt op termijn problemen gaat krijgen op de arbeidsmarkt omwille van de vergrijzing van de bevolking. Naast de discussie over de noodzaak van een nieuwe/andere migratiebeweging is de discussie omtrent het optimaal gebruik van het beschikbaar “arbeidspotentieel” zeker opportuun. De toename en verscheidenheid van migratiestromen, zijn redenen voor Castles en Miller (1993) om de late 20ste eeuw als ‘the age of migration’ te bestempelen. Als een gevolg van de toenemende globalisering van de samenleving, bevorderd door de nieuwe communicatietechnologie, de toenemende economische ongelijkheid en demografische onevenwichten (Golini et al, 1993; Wets, 1999), verlaten mensen hun land en gaan hun geluk elders opzoeken. Hun profiel differentieert zich van vorige migratiegolven: ze zijn afkomstig uit een grotere verscheidenheid aan landen en etnische groepen, jonger en vaker dan voorheen van het vrouwelijke geslacht en gaan naar andere, nieuwe bestemmingen (Collinson, 1994). Deze tendensen kunnen ook hier waargenomen worden. België en ook Vlaanderen is een multiculturele samenleving geworden. Personen van een vreemde origine verblijven en werken reeds geruime tijd in het land. De werkgelegenheidssituatie van deze zgn. allochtone bevolking is reeds uitvoerig bestudeerd. De immigratie van werknemers van vreemde nationaliteit is een continu proces dat geplaatst kan worden in een permanent veranderende maatschappij. De leef- en werksituatie van personen die recentelijk het land binnengekomen zijn en die maar pas hun intrede op de arbeidsmarkt gedaan hebben verschilt van de situatie van personen met een vreemde nationaliteit die al decennia in het land wonen. Door een tweedeling autochtone en allochtone bevolking te gebruiken, worden de gevestigde allochtonen (oudkomers) én de nieuwkomers samen bekeken waardoor de specificiteit van de situatie van nieuwkomers onderbelicht wordt. Noch de groep reeds langer aanwezige migranten, noch de groep nieuwe migranten zijn een homogene groep. Tussen 1994 en 1999 ontving Vlaanderen gemiddeld 21 000 nieuwkomers, waarvan 55% afkomstig is uit de EU landen. De groep nieuwkomers die in dit in onderzoek worden belicht, zijn enkel diegenen die ook door het inburgeringsbeleid als doelgroep worden bekeken: het zijn meerderjarige anderstaligen die achterstandskenmerken vertonen die kunnen leiden tot een permanente kansarmoede. Daarbij wordt gedacht aan vier categorieën: volgmigranten (gezinsvormers en gezinsherenigers), ontvankelijk verklaarde asielzoekers, erkende vluchtelingen en mensen zonder wettig verblijf die door de regularisatie recht op een verblijf hebben verworven. Een vijfde groep, die omwille van haar eigen specificiteit niet in het inburgeringsbeleid kan opgenomen worden, zijn de personen die illegaal in het land verblijven. Het is interessant om deze groep mee in een onderzoek te betrekken, omdat ze deel uitmaken van het functioneren van de arbeidsmarkt en omdat het informele circuit waarin zij actief zijn, een deel van het parcours zal zijn dat o.m. de geregulariseerden hebben doorlopen. Het ook in dit onderzoek betrekken van deze groep laat toe groepen en hun situatie te vergelijken.
13
We kunnen de hypothese naar voor schuiven dat deze verschillende groepen nieuwkomers omwille van hun specifieke migratiecontext onderscheiden economische en socio-culturele profielen hebben en ondermeer daardoor verschillen vertonen in de wijze waarop en met wat zij de arbeidsmarkt betreden. Daarbij aansluitend kunnen we eveneens de hypothese formuleren dat zij, eens zij op de arbeidsmarkt arriveren, verschillende trajecten afleggen. Dit onderzoeksvoorstel wil een zo ruim mogelijk inzicht verschaffen in de verschillende groepen nieuwkomers en de specificiteit van hun tewerkstellingssituatie. Voor de verschillende groepen wordt een profiel opgesteld. Daarbij wordt, in de mate van het mogelijke, ondermeer gepeild naar - de vooropleiding en het kwalificatieniveau van de nieuwkomers; - hun betrekking en de sector waar ze instromen; - het type betrekking; - de loopbaanontwikkeling; - de ervaren hindernissen; - de mate waarop niet formele arbeidsmarkt een alternatief is. De in de oproep gevraagde gegevens zijn verschillende types gegevens. Sommige van deze gegevens zijn data die te vinden zijn via de consultatie van administratieve databestanden, sommige andere gegevens zijn objectiveerbare gegevens die niet noodzakelijkerwijs opgeslagen worden in elektronische databestanden, en nog andere gegevens zijn subjectieve gegevens die enkel via een persoonlijk bevraging in kaart kunnen gebracht worden. Daarom wordt in het onderzoek geopteerd voor een dubbele benadering met naast een kwantitatief luik, waarin de verschillende groepen in kaart gebracht worden aan de hand van elektronisch opgeslagen gegevens, ook een kwalitatief luik. In deze kwalitatieve onderzoeksfase wordt bij een staal van de bevolking gevraagd naar niet opgeslagen gegevens en waarbij via diepte-interviews gepeild word naar ervaringen en posities. De combinatie van beide type gegevens zal een behoorlijk beeld geven van de arbeidsmarktpositie en de algemene socio-economische positie van nieuwe migranten. 1.1 1.1.1
Nieuwkomers & onthaalbeleid Waarom een blik op het onthaalbeleid?
Een eerste opstap naar de studie van de (arbeidsmarkt)problematiek van de nieuwe migranten kan gebeuren door een blik te werpen op het inburgeringsbeleid. Het inburgeringsbeleid is categoriaal en inclusief, wat betekent dat onthaalbureaus op maat van de nieuwkomers een specifiek programma uitwerken, en hen daarbij ook verwijst naar de reguliere voorzieningen zoals verschillende onderwijsinstellingen, welzijns- en gezondheidsvoorzieningen, socio- culturele organisaties en wat hier van belang is, de VDAB. De doelstelling van het inburgeringsgbeleid is nieuwkomers vaardigheden bij te brengen die hen helpen om te participeren in de maatschappij. De term ‘onthaalbeleid’ geeft aan dat men nieuwkomers iets te bieden heeft: hen wegwijs maken en hen de noodzakelijke kennis en vaardigheden bijbrengen om zelfredzaam (sociaal, educatief, professioneel) te functioneren in de samenleving. (Timmerman, Janssens, Vranken, 2000, p. 287) Het onthaalbeleid omvat twee delen: aanleren van het Nederlands en een cursus ‘Maatschappelijke Oriëntatie’. Onrechtstreeks worden nieuwkomers zo voorbereid op een intrede op de arbeidsmarkt. Een blik op de deelnemers die in een traject stapten tussen september 2001 en oktober 2002 geeft reeds een idee van de verdeling van de nieuwe migranten naar verblijfsstatuut. 4 op 10 van de nieuwkomers is een ontvankelijk verklaard asielzoeker, 4 op 10 van de nieuwkomers is een volgmigrant, waarvan ¾ gezinsvormer is en 2 op 10 is geregulariseerd of slachtoffer van mensenhandel (Vlaams minderhedenbeleid) .
14
1.1.2
Wie zijn deze nieuwkomers?
Wie zijn deze nieuwkomers? Het aandeel van de grootste groepen allochtonen van buiten de EU is in de hele groep nieuwkomers, eerder beperkt. Hoewel Marokkanen en Turken respectievelijk 15% en 12% uitmaken van alle buitenlanders in Vlaanderen zijn amper 5% van de nieuwkomers Marokkaans en 6% is Turks.. Een zelfde tendens doet zich voor in Brussel: een ondervertegenwoordiging van Marokkaanse en Turkse nieuwkomers en een meerderheid van EU-nieuwkomers. Marokkanen en Turken zijn dus relatief ondervertegenwoordigd bij de nieuwkomers.(Timmerman, ea., 2000) Opvallend onder nieuwkomers in Vlaanderen en Brussel is hun jonge leeftijd. De meerderheid van de nieuwkomers tussen 1994-1998 was tussen de 20 en 34 jaar oud. (Timmerman, ea., 2000; Pinxten ea., 2000). Opmerkelijk is de relatief jonge leeftijd van de Turkse vrouwelijke nieuwkomers in vergelijking met deze van Turkse mannelijke nieuwkomers in Vlaanderen (32% van de vrouwen zit in de leeftijdscategorie 1519jaar tegenover 12% bij de mannen). Aangezien het merendeel van de nieuwkomers in de context van gezinsvorming (door huwelijk) komt impliceert dit dat Turkse bruiden overwegend bijzonder jong en soms zelfs minderjarig zijn (Timmerman e.a.,2000). 1.2.3
Waar wonen de (nieuwe) migranten in Vlaanderen?
Het merendeel van de buitenlanders in Vlaanderen woont vandaag in de grote steden van de driehoek Brussel-Antwerpen-Gent, in Limburg, in de grensgemeenten tussen Vlaanderen en Nederland en langs de as Gent-Kortrijk. De komst van de nieuwkomers bevestigt deze trend. Het merendeel van hen trekt naar de grote Vlaamse steden en deelgemeenten van Brussel. Verklaarde vroeger vooral de arbeidsmogelijkheden in België de reden van migratie, dan merken we nu dat de redenen voor immigratie per nationaliteit kunnen verschillen. De concentratie van Europeanen in de groene randgemeenten rond Antwerpen en Brussel en in de grensgemeenten met Nederland duidt eerder op immigratieredenen zoals fiscale voordelen en een aangename woonomgeving. Voor de nieuwkomers uit niet-EU landen ligt de verklaring elders. Zij laten zich bij de keuze van hun nieuwe woonplaats leiden door de aanwezigheid van landgenoten. Zo blijft Limburg, ondanks de economische crisis na de sluiting van de mijnen, toch een sterke aantrekkingskracht uitoefenen op Turkse inwijkelingen. Het merendeel van deze nieuwkomers komt naar Limburg in het kader van gezinsvorming. (Timmerman, ea., 2000) 1.2 1.2.1
Nieuwkomers op de arbeidsmarkt De positie van migranten op de arbeidsmarkt
Migranten, ook nieuwe migranten hebben het niet gemakkelijk om een plaats te verwerven op de arbeidsmarkt. Dit wordt o.m. aangetoond door o.m. de hoge werkloosheidscijfers van de allochtone bevolking. In de literatuur kunnen hiervoor onderscheiden verklaringen gevonden worden. Empirische evidentie ondersteunt bepaalde hypothesen die voortvloeien uit neoliberale economische theorieën, ‘new migration economics’, en duale arbeidsmarkt benaderingen. Neoklassieke arbeidsmarkttheorieën beweren dat de positie van immigranten op de arbeidsmarkt zal verbeteren naarmate ze zich aanpassen aan hun gastland en zien dus mogelijkheden voor opwaartse mobiliteit. De bekendste vraagtheorie (Sassen, 1991, 1996) vertrekt van de achteruitgang van massaproductie, als motor van de economie, die samen met de ontwikkeling van de dienstensector, geleid hebben tot een arbeidsmarkt die gekenmerkt wordt door grotere ongelijkheden in inkomen en positie, door zwakke vakbonden en vooral door een toenemend aandeel onbeschermde jobs in de lagere inkomenscategorieën. Alhoewel dit proces plaatsvindt in zowel de formele als informele sector, lijkt dit de informele economie te stimuleren, met als gevolg minder stabiele en meer korte termijn tewerkstelling (Pugliese, 1993). Aangezien migranten bereidwilliger zijn om
15
relatief lage lonen, lange uren en slechte werkomstandigheden te aanvaarden, (Kloosterman 1996), hebben postindustriële economieën een ingebouwde vraag naar immigrante werkkrachten. Dit duale arbeidsmarktmodel (Piore, 1979) werd verfijnd in een theorie over de gesegmenteerde arbeidsmarkt: naarmate een kritische massa van migranten bereikt wordt, ontstaat een nieuwe etnische economische sector die, naast de eerste en tweede sector, een drieledige structuur tot stand brengt (Massey e.a., 1998). Verscheidene studies hebben onderzocht hoe nieuwe migranten overleven in grote Europese steden (Engbersen, 1995/6, Burgers en Engbersen, 1996; Quassoli, 1999; Knight, 1996; Kloosterman 1996; Mendoza 1996; Solé e.a. 1998). Zowel legale als illegale migranten werken in de eerder veronderstelde sectoren: kleinschalige tot middelmatige productiebedrijfjes (zoals naaiateliers), aan de haven gerelateerde jobs, seizoensgebonden werk in land- en tuinbouw, straatverkoop, en diensten zoals huishoudelijke werk, poetsen en in de horeca. Bovendien hebben legale migranten hogere werkloosheidscijfers dan de autochtone bevolking. Recentelijk is er meer aandacht gekomen voor etnisch ondernemersschap als een niche waarin men de combinatie aantreft van persoonlijk spaargeld, steun vanuit de eigen gemeenschap en de kansen geboden door de markt in het gastland (Kloosterman, van der Leun en Rath, 1999; Kloosterman 1996). Kortom, empirische evidentie ondersteunt de duale en gesegmenteerde arbeidsmarkttheorie. Desalniettemin wijzen sommige van deze studies ook op de tekortkomingen van de bestaande theorieën en dat ze ondermeer de complexiteit van de processen van migranten op de arbeidsmarkt niet kunnen vatten. Uit de literatuur blijkt ook dat verschillende migrantengroepen verschillende mogelijkheden creëren in de landen van bestemming, wat Burgers en Engbersen (1996) het begrip ‘differential opportunity structure’ noemen. Individuen en groepen verschillen in de mate waarin ze voordeel kunnen halen uit de omstandigheden in nieuwe bestemmingen. Een aantal elementen spelen daarin mee zoals solidariteit, gedeelde schaarse middelen en toegang tot marktrelaties (Engbersen, 2001). Nog een element is de positie in de arbeidsmarkt, waar kansen vaak gehypothekeerd worden door een gebrek aan scholing, een gebrekkige kennis van de taal, ‘spatial mismatches’ en discriminatie. En tenslotte is er nog het belang van het institutioneel kader en het beleid, dat bepalend is voor een aantal mogelijkheden en de status van de verschillende groepen. Een combinatie van al of enkele van deze elementen bepalen de situatie van de migrant die legaal of illegaal aanwezig is, formeel of informeel tewerkgesteld is. Daarbij is een waaier van combinaties mogelijk die weerspiegeld worden in verschillende graden van sociale integratie of marginalisatie (Quassoli, 1999). Zij kunnen ook bepalen of een migrant zich concentreert op het verhoopte, op korte termijn verdiende geld (en zijn toekomst ziet in het thuisland) of op de regularisering van zijn verblijf (Leman, 1997). 1.2.2
Wie zijn de nieuwe migranten op de arbeidsmarkt
De nieuwe migranten komen op de Vlaamse arbeidsmarkt terecht. Daarbij kan er een onderscheid gemaakt worden tussen twee grote groepen, waarvan de toegang tot het grondgebied verleend wordt op basis van ruwweg twee principes: het humanitaire en het economische. Via het humanitaire principe komen asielzoekers en vluchtelingen het land binnen en krijgen - in het geval van de vluchtelingen - een permanente verblijfsvergunning. Het betreft een heterogene groep, zowel naar nationaliteit als naar kwalificatieniveau en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Deze groep omvat zowel hoogals laaggeschoolden. De kwalificaties van deze nieuwkomers is een gegeven. Het opleidingsniveau vormt m.a.w. geen criterium om toegelaten te worden en is dus niet noodzakelijkerwijs aangepast aan de arbeidsmarkt. Deze instroom in de Vlaamse arbeidsmarkt is volledig aanbod-gestuurd. Ook nieuwe migranten die deel uitmaken van de stroom volgmigranten kunnen als aanbod-gestuurde migratie gecategoriseerd worden evenals de personen die illegaal het land binnenkomen (en geregulariseerd worden). Tewerkstelling en integratie op de arbeidsmarkt maken deel uit van een volledige inburgering. Naast het humanitaire principe is er ook het economische principe. Ook voor wat betreft arbeidsmigratie is er een groot aanbod, zowel vanuit het Zuiden als vanuit het Oosten. Van deze omvangrijke groep kan op dit
16
ogenblik slechts een beperkt deel wettelijk het land binnen. Het betreft hier personen die rechtstreek toegang krijgen tot de arbeidsmarkt omdat zij over een profiel beschikken waarvoor er vraag is op de arbeidsmarkt en waarvoor er door het beleid, ondanks de volgehouden (selectieve) migratiestop, uitzonderingen voorzien zijn. Deze instroom in de Vlaamse arbeidsmarkt is volledig vraag-gestuurd. Gezien de aard van de immigratie, nl. op vraag van de economie, stelt de arbeidsmarktintegratie van deze groepen niet dezelfde problemen. De focus van het onderzoek is verder gericht op de aanbodgestuurde immigratie. De toegang tot de arbeidsmarkt is voor bepaalde groepen, zeker in een periode van economische rust of zwakte, geen evidentie. Zoals hoger gesteld, kunnen de nieuwkomers niet als één grote groep worden beschouwd. Niet alleen hun statuut verschilt, maar ook hun verwachtingen, hun profiel, hun mogelijkheden, hun arbeidsmarktpositie kan verschillen. De vraag kan gesteld worden in hoeverre de hoger geschetste waarneming voor al deze groepen gelden. Verschillen de ‘opportuniteitstructuren’ per groep, per juridische categorie, of ligger er ander redenen aan ten grondslag? Deze verschillende groepen komen elk afzonderlijk in dit onderzoek aan bod. De eigenheid van hun statuut wordt meegenomen, naast hun persoonlijke situatie en verhalen. 1.3
Gezinsvormers en gezinsherenigers
Een eerste belangrijke groep die in het onderzoek zal bekeken worden, zijn de volgmigranten (de gezinsvormers en gezinsherenigers). Op basis van de aard van de migratie ligt het voor de hand dat zij dezelfde nationaliteiten hebben als de belangrijkste groepen allochtonen die reeds in het land verblijven. Hoewel de integratieproblemen waar deze nieuwkomers mee worstelen, vaak gedeeld worden met andere groepen, kunnen er toch enkele specifieke aandachtspunten geformuleerd worden. Uit onderzoek bij Marokkaanse en Turkse mannelijke nieuwkomers (Timmerman e.a., 2000) kwam onder meer naar voor: dat het volgen van een inburgeringstraject vaak als strijdig werd ervaren met het vinden van een job. Door het volgen van een inburgeringstraject verliest men, aldus de respondenten, kostbare tijd die men niet aan arbeid kan besteden. Dit laatste werd inderdaad door alle mannelijke respondenten in het onderzoek als de voornaamste prioriteit ervaren. Het zoeken van een tewerkstelling werd door verschillende factoren gemotiveerd. Uiteraard moeten deze mannen in hun levensonderhoud en dat van hun gezin kunnen voorzien. Hun economische situatie werd vaak verder nog bezwaard door de grote schulden die zij hadden gemaakt om hun huwelijk met de reeds in België wonende partner te bekostigen. Uit het onderzoek bleek verder dat soms aan de kersverse echtgenoot door de schoonfamilie hoge financiële eisen werden gesteld om een huwelijk met hun dochter aan te gaan. Niet zelden stond de schoonzoon bij zijn schoonfamilie in het krijt. Zij verwachtten dan ook dat de ‘investeringen’ die zij in hem hebben gedaan, zo vlug mogelijk renderen. Met andere woorden, men verwachtte van hem dat hij zo vlug mogelijk actief zou zijn op de (illegale) arbeidsmarkt. Daarnaast geeft arbeid aan deze mannen die op zo vele vlakken reeds falen in hun traditionele genderrol - voor al hun contacten met de Vlaamse samenleving zijn zij afhankelijk van hun echtgenote en/of schoonfamilie - toch een beetje maatschappelijke status in hun omgeving. Voor de vrouwelijke nieuwkomers in het kader van gezinshereniging ligt de situatie anders. Op basis van het eerder vermelde onderzoek stelden we vast dat tewerkstelling voor hen niet in dezelfde mate dwingend was als bij de mannelijke respondenten. Toch leefde ook bij hen een bijzonder positieve attitude tegenover een potentiële tewerkstelling. Naast de financiële meerwaarde van een tewerkstelling was het voornamelijk de participatie in de Belgische samenleving - die men ook via deze weg kon realiseren - die zij bijzonder attractief vonden. Tewerkstelling hield voor deze vrouwen zeker een emancipatorische belofte in. Anders dan bij de mannelijke respondenten ervoer men het inburgeringstraject niet als strijdig met het zoeken van een job; men vond dit juist een adequaat instrument om deze ambitie te helpen realiseren. Nochtans waren er
17
relatief weinig Marokkaanse en Turkse vrouwen die het inburgeringstraject volgden. Redenen voor deze afwezigheid moet men echter eerder in de familiale sfeer zoeken (Timmerman, e.a. 2000). Vragen die men zich kan stellen, is hoe actief zij zich op de arbeidsmarkt begeven of zij zich eerder in het niet-beroepsactieve segment begeven en zorgtaken op zich nemen. Wat is de specifieke rol hierbij van hun sociaal netwerk en de migratiecontext waar zij deel van uit maken? Welke inspanningen ondernemen zij om de transitie naar arbeid te verhogen (volgen van opleiding, taalcursus, …)? Welke waarden hanteren zij en welke arbeidsoriëntatie koesteren zij? 1.4
Vluchtelingen
Een volgende groep die in het onderzoek bestudeerd wordt, zijn de erkende vluchtelingen. Dit zijn personen die op basis van de Conventie van Genève bescherming gevraagd hebben in België, en wiens aanvraag werd goedgekeurd. Zij hebben het recht om in het land te verblijven en te werken. Erkende vluchtelingen kunnen een arbeidskaart A verkrijgen, als ze aan welbepaalde criteria voldoen. Het is de vluchteling zelf die de kaart moet aanvragen. Vluchtelingen kunnen dus formeel gezien zonder problemen de arbeidsmarkt betreden. Het is echter geen evidentie om als vluchteling een baan te vinden. Heel wat vluchtelingen hebben een diploma in hun land van herkomst behaald. De erkenning en/of valorisatie daarvan is niet steeds vanzelfsprekend. Op de Belgische (Vlaamse) arbeidsmarkt moeten ze zich vaak tevreden stellen met een tewerkstelling die ver onder hun diplomaniveau ligt. Erkende vluchtelingen kunnen ook het recht op werkloosheidsuitkering verwerven indien zij kunnen aantonen dat ze voldoende dagen gewerkt hebben. De reglementering is voor hen hetzelfde als voor Belgen. In België geldt een verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit (Z.I.V.). Erkende vluchtelingen kunnen slechts ingeschreven worden in dit stelsel indien zij sedert tenminste zes maanden daadwerkelijk in België verbleven. Net als voor de Belgen is er een wachttijd van zes maanden voor deze verzekering van kracht wordt. Erkende vluchtelingen vallen onder het stelsel van niet-beschermd persoon. Sinds 1978 zijn de OCMW’s verplicht steun te verlenen aan erkende vluchtelingen die op hun grondgebied leven als deze geen werk vinden en geen recht hebben op een werkloosheidsuitkering. De vraag kan gesteld worden in hoeverre erkende vluchtelingen verschillen van de volgmigranten. Zij hebben eveneens een verblijfsvergunning voor een langere periode, maar de hypothese kan geformuleerd worden dat zij toch een ander profiel hebben. Mogelijk hebben vluchtelingen over het algemeen een ander (hoger) kwalificatieniveau dan de gemiddelde volgmigrant. Anderzijds kunnen de ervaringen van tijdens de vlucht een impact hebben op het functioneren van de vluchteling, ook op de arbeidsmarkt. 1.5
Asielzoekers
Een groep die naar profiel sterk aansluit met de vorige groep zijn de ontvankelijk verklaarde asielzoekers. Dit zijn eveneens personen die op basis van de Conventie van Genève bescherming gevraagd hebben in het land. In tegenstelling tot de vluchtelingen is voor deze personen echter nog geen definitieve uitspraak gebeurd. Niet alle asielzoekers kunnen terecht op de arbeidsmarkt. Enkel zij die de eerste fase van het onderzoek hebben doorlopen en wiens dossier in de tweede fase zit, de gegrondheidsfase, komen in aanmerking. Met andere woorden, enkel ontvankelijk verklaarde asielzoekers kunnen eveneens aan de slag op de Vlaamse arbeidsmarkt. “Ontvankelijk verklaarde asielzoekers” is ook een van de categorieën die in aanmerking komen voor het inburgeringsbeleid. Ook zij kunnen dus een traject afleggen en beroep doen op bijvoorbeeld de VDAB. Een volgende fase van hun statuut zou het statuut van vluchteling kunnen zijn, zodat zij volledig onder het vorige punt vallen. Misschien wel het belangrijkste onderscheid tussen de asielzoekers en de andere groepen in het onderzoek, is de tijdshorizon. Voor de asielzoekers in de ontvankelijkheidsfase
18
blijft de kans reëel dat hun aanvraag verworpen wordt en dat zij het statuut van vluchteling niet krijgen. Dit betekent dat zij het land zullen moeten verlaten. Ook voor de werkgevers kan dit een argument zijn bij de beoordeling hen al dan niet aan te werven. Dat dit niet steeds een belemmering hoeft te zijn, bewijst het initiatief dat de bouwsector genomen heeft. De bouwsector vond een oplossing voor de krapte op de arbeidsmarkt door ook te werven onder personen in de regularisatiecampagne en ontvankelijk verklaarde asielzoekers. De VDAB geeft opleidingen in een aantal opleidingscentra. 1.6
Regularisatieaanvragers / geregulariseerden.
Een laatste categorie nieuwkomers die onderscheiden wordt in o.m. het inburgeringsbeleid zijn de personen die voorheen illegaal in het land verbleven, maar die na aanvraag tot regularisatie wel een verblijfsvergunning kregen. Het betreft hier zowel mensen die op basis van de regularisatiecampagne geregulariseerd werden als personen die een individuele regularisatie aanvroegen op basis van artikel9.3 van de vreemdelingenwet. Op 21 november 2002 waren nog 1240 dossiers in behandeling van de regularisatie-campagne van 2000. Het percentage positieve beslissingen is stabiel gebleven op 81%.1 Het aantal definitief afgesloten dossiers bedroeg op die dag 35.852, te weten: 25.250 geregulariseerde aanvragen (81,15%); 5.867 geweigerde aanvragen (18,85%);3.966 aanvragen zonder voorwerp (dubbele aanvragen, genaturaliseerd, erkend vluchteling,...) en 769 uitsluitingen openbare orde. Naar de tewerkstelling van regularisatieaanvragers in het formeel arbeidscircuit bestaan er een aantal restricties.2 De werkgever behoeft geen arbeidsvergunning indien de vreemde werknemer beschikt over een arbeidskaart A of indien de vreemde werknemer vrijgesteld is van de verplichting tot het bekomen van een arbeidskaart. De vreemde werknemer is oa. vrijgesteld van een arbeidsvergunning indien hij of zij werd gemachtigd tot een verblijf voor een onbeperkte tijd ingevolge de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk of ingevolge artikel 9, derde lid van de verblijfswet van 15 december 1980. In 2000 kregen 37 en in 2001 kregen 10 geregulariseerden op basis van humanitaire redenen (art. 9,3° van de verblijfswetgeving van 15/12/1980) een Arbeidskaart Type A. Dit wil zeggen dat houder van deze kaart om het even welk beroep in loondienst mag uitoefenen, bij om het even welke werkgever. De kaart wordt toegekend voor een periode van onbepaalde duur. Een werkgever die een vreemde werknemer in het bezit van een arbeidskaart A wenst tewerk te stellen behoeft geen arbeidsvergunning aan te vragen of te bekomen. Hij kan betrokken werknemer onmiddellijk in dienst nemen en tewerkstellen. Personen die een aanvraag tot regularisatie van hun verblijf hebben ingediend kunnen een voorlopige aanvraag tot tewerkstelling indienen op voorwaarde dat zij ‘personen zijn die een aanvraag tot regularisatie van het verblijf hebben ingediend op basis van de wet van 22 december 1999, of die een aanvraag hebben ingediend voor 10/01/2000 op grond van artikel 9,3° van de verblijfswetgeving van 15/12/1980.3 De werkgevers die deze personen wensen tewerk te stellen dienen de aanvraag in bij de lokale VDAB-diensten die bevoegd zijn voor de plaats waar de tewerkstelling zal gebeuren. Bij een positieve beslissing wordt de arbeidsvergunning toegekend tot de vooropgestelde einddatum van de arbeidsovereenkomst evenwel beperkt tot maximum 12 maanden. De geldigheid van de voorlopige toelating vervalt automatisch van zodra er een beslissing werd genomen met betrekking tot de 1 2 3
Website OCIV (Overlegcentrum voor Integratie van vluchtelingen): www.ociv.org. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap – Cel Migratie, Jaarrapport 2001, Tewerkstelling van Buitenlandse Werknemers in het Vlaams Gewest. Website: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap –Administratie Werkgelegenheid – Afdeling Tewerkstelling – Cel Migratie: www.Vlaanderen.be/werk.
19
regularisatieaanvraag van het verblijf. Is deze beslissing positief dan kan de betrokkene verder blijven werken en worden werkgever en werknemer vrijgesteld van iedere bijkomende administratieve verplichting in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers; m.a.w. voor de personen wiens verblijf definitief werd geregulariseerd geldt er vanaf het moment van de regularisatie een volledige vrijstelling van de procedure tot het bekomen van een arbeidsvergunning of een arbeidskaart. Indien de aanvraag tot regularisatie evenwel geweigerd wordt, dan dient de tewerkstelling onmiddellijk te worden beëindigd. Regularisatieaanvragers zijn de grootste groep van de in 2000 en 2001 toegekende ‘voorlopige arbeidsvergunningen’. 7220 regularisatieaanvragers hadden in 2001 een voorlopige tewerkstelling. Zij hebben voornamelijk de Indische (25%), Marokkaanse (15%) en Pakistaanse (10%) nationaliteit en vonden voornamelijk tewerkstelling binnen de landbouwsector.4 1.6
Mensen Zonder Papieren
Een laatst groep die in dit onderzoeksvoorstel opgenomen wordt, zijn de mensen zonder papieren. Mensen zonder papieren, illegaal in het land verblijvende werknemers, clandestienen, … zijn een duidelijke onderscheiden categorie. Zij vormen een uitzonderingscategorie. Waar er voor alle voorgaande categorieën gegevens worden opgeslagen in één of meerdere gegevensbanken, bestaan er over deze categorie, zeker wat betreft de toegang tot de arbeidsmarkt, geen officiële gegevens. Toch zijn er mensen zonder papieren actief op de arbeidsmarkt, in de grijze of zwarte zone. Gezien de toegenomen wereldwijde mobiliteit en het blijven bestaan van de vraag naar -vaak laaggeschoolde- arbeid in het informele arbeidscircuit, is er een blijvend en volgens sommige analisten zelfs groeiend segment van de arbeidsmarkt dat buiten het officiële circuit valt. Het relatief grote aantal regularisatieaanvragen geeft reeds een indicatie van het belang. De eenvoudige hypothese dat er per dossier dat er ingediend werd tijdens de regularisatiecampagne ook iemand was die in staat was in het informele circuit een inkomen te genereren brengt het aantal personen met een dergelijk profiel op enkele tienduizenden. Ook de hypothese dat er maar een deel van alle illegaal aanwezige personen een regularisatieaanvraag heeft ingediend, staaft de veronderstelling dat er een aanzienlijke groep personen illegaal in het land vertoeft en illegaal aan de slag is. Er zijn geen bewijzen, noch indicaties dat de verhoudingen zouden zijn zoals bijvoorbeeld in Italië, waar het aantal officieel aanwezige migranten op 1,6 miljoen geschat wordt (UN, 2002), en het aantal clandestien verblijvende vreemdelingen op 1 miljoen. De lopende regularisatiecampagne in Italië doet vermoeden dat deze cijfers op zijn minst een indicatie geven van de orde van grootte. Begin november 2002, de deadline voor de laatste Italiaanse regularisatiecampagne waren er reeds ruim 600 000 aanvragen. Een algemeen en tewerkstellingsprofiel van de mensen zonder papieren kan een aanzet geven tot een vergelijking met de situatie in andere landen die geschetst worden in studies zoals de OESO studie van 2000 (Garson, 2000)
2.
Onderzoeksvragen
De onderzoekspopulatie, de nieuwe migranten, is een heterogene groep. Personen met een vreemde nationaliteit kunnen het land binnenkomen in het kader van familiehereniging of -vorming, via de asielprocedure en voor enkelingen is het ook mogelijk om een arbeidscontract te bemachtigen (arbeidsmigratie). Daarnaast zijn er personen die illegaal het land binnengekomen zijn, en die (al dan niet) beroep gedaan hebben op de regularisatiemogelijkheden om legaal in het land te kunnen verblijven. 4
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap – Cel Migratie, Jaarrapport 2001, Tewerkstelling van Buitenlandse Werknemers in het Vlaamse Gewest.
20
De hypothese kan naar voor worden gebracht worden dat deze verschillende groepen verschillende economische en socio-culturele profielen hebben en mede daardoor verschillen vertonen in de wijze waarop en met wat zij de arbeidsmarkt betreden. Daarnaast zullen de specifieke migratiecontext en de juridische categorieën waarin de nieuwe migranten onderverdeeld worden (gezinshereniging, asiel, vluchteling, illegaal, geregulariseerd) ook hun weerslag hebben op hun mogelijke intrede in de arbeidsmarkt. Het is voor een beleid belangrijk te weten in hoeverre deze groepen homogene, dan wel heterogene groepen vormen, in hoeverre er problemen en hindernissen kunnen vastgesteld worden die eigen zijn aan welbepaalde groepen of subgroepen. Het is bij een trajectbenadering eveneens belangrijk om te weten in hoeverre de verschillende juridische categorieën die deze groepen zijn, ook homogene groepen zijn, dan wel een verzameling sterk van elkaar verschillende subgroepen of individuen die toevallig in dezelfde categorie zitten. Op basis van een dergelijke kennis van de onderzoekspopulatie kan de overheid een meer gericht en meer gediversifieerd beleid uittekenen. Dit onderzoeksvoorstel wil een zo ruim mogelijk inzicht verschaffen in de verschillende groepen nieuwkomers en in de specificiteit van hun tewerkstellingssituatie. Voor de verschillende groepen wordt een profiel opgesteld. Daarbij wordt, in de mate van het mogelijke, ondermeer gepeild naar hun vooropleiding en het kwalificatieniveau, hun loopbaanontwikkeling; het type arbeidsbetrekking en de sector waar ze instromen; de hindernissen die ervaren worden ,de mate waarop informele arbeid een alternatief kan vormen enzovoort. …. Dit kan vertaald worden naar concrete onderzoeksvragen en sub-vragen zoals: •
Welke loopbaanontwikkelingen kennen de nieuwkomers? − Evolutie van informeel naar formeel arbeidscircuit? − Verschillende loopbaantrajecten naar het type van nieuwkomer? − (bv. blijven geregulariseerden eerder binnen de informele sfeer, parallel circuits informeel of formeel of maken ze snel de overgang naar formele arbeidscircuits?) − In welke sectoren komen de nieuwe migranten terecht? − In welk type betrekking komen de nieuwe migranten terecht? − Welke uitsluitingmechanismen en welke drempels worden ervaren (drempels eigen aan de arbeidscontext; drempels eigen aan de institutionele context; drempels eigen aan de maatschappelijke context, …)? − In hoeverre situeren de ervaren drempels zich niet op een structureel, maar op een individueel niveau? In hoeverre zijn de persoonlijke en gezinssituatie, de specifieke migratiecontext, de inkomenssituatie, de competenties, de kennis en perceptie van de arbeidsmarkt, de maatschappelijk waardenpatronen en de arbeidsoriëntatie,…. een hindernis bij de integratie op de arbeidsmarkt?
•
Op welke wijze verwerven nieuwkomers een plaats op de arbeidsmarkt? − Welke (overlevings-)strategieën hanteren nieuwkomers in periode van werkloosheid of om betere arbeidscondities te bekomen ? − Hoe worden de sociale netwerken ingeschakeld / gebruikt en wat is hun rol? − Wat is het belang van het volgen van bijkomende opleidingen en bijscholing in Vlaanderen en wat zijn de consequenties ervan? − In welke mate vormt de niet-formele arbeidsmarkt een alternatief indien er geen plaats verworven kan worden op de formele arbeidsmarkt?
•
Over welke vooropleiding en kwalificatie niveau beschikken de nieuwe migranten? − Kan hun kwalificatieniveau ook gevaloriseerd worden op de arbeidsmarkt, en zo niet, waarom niet? − Vormt de homologatie van diploma’s uit herkomstlandeen probleem? Welke problemen worden hieromtrent ervarenen wat zijn het belang en invloed hiervan op de tewerkstelling?
21
•
In welke mate verschillen de situaties van de mannen en de vrouwen in de onderzoekspopulatie (genderaspect)?
•
Welke rol spelen vakbonden, andere niet-gouvernementele organisaties en de civiele maatschappij? − Welke good-practices zijn er bij vakbonden (bv. non-discriminatie convenant Ford Genk), wat is de impact hiervan? − Wat is de syndicalisatiegraad van de nieuwe migranten en hoe belangrijk zien ze de vakbonden? − Wat is de rol van andere organisaties die bij de integratie op de arbeidsmarkt van de nieuwe migranten betrokken zijn? Welke organisaties zijn dit en op welke wijze spelen zij een rol?
Een antwoord op deze onderzoeksvragen vormt eveneens een antwoord op de in de oproep geformuleerde vragen. Op basis van de antwoorden op de onderzoeksvragen kan er een duidelijker beeld gevormd worden van de arbeidsmarktpositie en de algemene socio-economische integratie (mogelijkheden) van de nieuwe migranten. Dit beeld, in combinatie met de ervaringen die hieromtrent in het buitenland zijn opgedaan, kan een input leveren bij de uitwerking van mogelijke beleidsopties met betrekking tot de integratie van deze migranten in de Vlaamse samenleving. Het zal duidelijker worden in welke mate de verschillende groepen van elkaar onderscheiden zijn en in hoeverre deze groepen zelf eerder homogene, dan wel heterogene groepen zijn. Een duidelijk profiel van deze groepen en hun ervaringen geven het beleid het nodige materiaal om beslissingen te nemen over de wijze waarop het traject naar de arbeidsmarkt van de nieuwe migranten op een zo optimaal mogelijke wijze kan ingepast worden in het Vlaamse beleid. Duidelijk verschillende profielen wijzen immers op de noodzaak van een gediversifieerde aanpak. De finaliteit van het traject kan een integratie in de Vlaamse arbeidsmarkt en samenleving zijn. Omdat het verblijf in België voor een deel van de nieuwkomers beperkt zal zijn in de tijd, kan de finaliteit voor bepaalde groepen eveneens een herintegratie in de streek van herkomst zijn of een integratie in de samenleving van de finale bestemming. De wijze waarop de onderzoeksvragen geoperationaliseerd worden, komt aan bod in het volgende punt.
3.
Plan van aanpak en methodologie
In dit project worden vier luiken onderscheiden. In een eerste luik wordt het opzet volledig uitgewerkt. Het thema wordt zowel op een kwantitatieve als op een kwalitatieve wijze benaderd. Die vormen respectievelijk luik 2 en 3. Beide benaderingen zijn complementair en nodig om een volledig beeld te schetsen van de problematiek. In een vierde afsluitend luik worden de gegevens samengebracht, gerapporteerd en gesynthetiseerd. 3.1
Luik 1: Ontwikkeling van het onderzoekskader
In het eerste luik wordt het onderzoekskader volledig uitgewerkt. Dit impliceert dat de onderzoeksvragen geformuleerd worden, en er een aanzet van een operationalisering gegeven wordt, dat de verschillende luiken op elkaar afgestemd worden en dat er gekeken wordt wat er aan informatie reeds voorhanden is zowel in de literatuur als in de praktijkervaring in andere landen. Het is binnen dit kader dat het onderzoek zal uitgevoerd worden. De uitwerking van het onderzoekskader gebeurt door alle betrokken onderzoeksequipes samen. Timing: 2 onderzoeksmaanden HIVA: 1 onderzoeksmaand OASeS: 0,5 onderzoeksmaand K.U.Leuven: 0,5 onderzoeksmaand
22
3.2 Luik 2: de kwantitatieve benadering Hoewel het totale zicht op de arbeidsmarktpositie van de verschillende groepen nieuwkomers beperkt is, bestaat heel wat administratieve data in allerlei gegevensregisters op verschillende niveau’s. Met uitzondering van de personen zonder een wettige verblijfsvergunning, verblijven alle nieuwe migranten legaal in het land. De onderzoekspopulatie waarop dit onderzoek betrekking heeft, de nieuwe migranten, zijn personen die het land binnenkomen via de procedure voor familiehereniging (waarin verschillende fasen kunnen onderscheiden worden) of via de asielprocedure (met daarin asielzoekers in de ontvankelijkheidsfase en asielzoekers in de gegrondheidsfase en vluchtelingen). Het feit van in een procedure te zitten, impliceert dat deze personen geregistreerd worden. Afhankelijk van de fase van de procedure waarin deze personen zich bevinden, worden zij geregistreerd in het wachtregister of in het vreemdelingenregister.. Eenmaal zij de arbeidsmarkt betreden (wat officieel niet mogelijk is voor alle aangehaalde categorieën) brengt dit een verdergaande registratie met zich mee: er worden arbeidskaarten en arbeidsvergunningen aangevraagd en er worden RSZ bijdragen betaald. In verschillende administratieve databestanden zijn verschillende soorten informatie met betrekking tot de verschillende categorieën nieuwe migranten te vinden.. Een registratie maakt het mogelijk om bepaalde aspecten van de arbeidsmarktpositie fragmentair voor bepaalde (deel)groepen in kaart te brengen. In het kwantitatieve luik van dit onderzoek willen we in de eerste plaats dan ook de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van deze data bekijken aan de hand van een uitgebreide inventarisatie en analyse van deze databronnen. . Daarnaast laten deze verschillende databronnen echter ook toe om afgebakende populaties van deze categorieën op individueel niveau op te stellen. Binnen dit luik van het onderzoek willen we een duidelijk beeld van de positie van nieuwkomers op de Vlaamse arbeidsmarkt trachten te verwerven via de koppeling van deze populatiegegevens met beschikbare gegevens in het Datawarehouse Arbeidsmarkt van de Kruispuntbank Sociale Zekerheid. Deze koppeling kan gebeuren door de KSZ zelf die enkel de geanonimiseerde gegevens vervolgens ter beschikking stelt. De onderzoeksgroep olv prof. A. Martens heeft reeds een uitgebreide ervaring met dit systeem van werken. In het onderzoek “de werkgelegenheid van moeilijk af te bakenen doelgroepen” (1997-2000) werd deze methode toegepast om populaties van arbeidsgehandicapten die in samenwerking met het Vlaams Fonds werden opgesteld, op te sporen op de arbeidsmarkt.(Verhoeven en Samoy, 2000) Het zelfde werd gedaan met allochtone loontrekkenden (Verhoeven en Martens, 2001) en allochtone zelfstandigen in later onderzoek.(Lambrecht, Verhoeven en Martens) Telkens werd hierbij een koppeling tussen Rijksregister gegevens en sociale zekerheidsgegevens gerealiseerd door bemiddeling van de KSZ. Aangezien niet alle nieuwe migranten over rijksregister nummers beschikt zal deze koppeling voor dit onderzoek minder makkelijk verlopen. Het feit dat iedereen die werkt of werkloos is geweest geregistreed wordt, maakt het ons inziens echter mogelijk om een groot deel van de nieuwe migranten langs deze weg te volgen op de formele arbeidsmarkt. Aangezien in het Datawarehouse trimesteriele gegevens beschikbaar zijn van 1997 tot 2001 kunnen we langs deze weg ook de evolutie van de positie op de arbeidsmarkt van de betrokken groepen volgen en beperkte loopbanen opstellen. Meer bepaald kan dan informatie worden bekomen over: tewerkstelling of niet, woonplaats, sector van tewerkstelling, aard tewerkstelling, grootte van de onderneming, statuut onderneming, loon voor de werkenden en werkloosheid of niet, duur van de werkloosheid en eerste jaar van aanvraag werkloosheid voor de werklozen en opleiding voor iedereen die ooit werkloos is geweest. Deze aangevraagde gegevens laten toe een algemeen beeld te vormen van de nieuwe migranten. Ook in de schoot van de administratie zijn gegevens voorhanden die het beeld verder kunnen vervolledigen: de gegevens met betrekking tot de arbeidskaarten en arbeidsvergunningen die uitgereikt werden door de administratie.
23
De illegale activiteit op de arbeidsmarkt, uitgevoerd door mensen zonder papieren is een gegeven. Het is niet gemakkelijk om dit in kaart te brengen, en indien al, is het niet mogelijk een zelfde methodologie te gebruiken als bijvoorbeeld voor de familieherenigers of de asielzoekers- en vluchtelingen die duidelijk geregistreerde groepen zijn, waarvan het arbeidsmarkttraject kan nagegaan worden. Daarom komt voor deze groep de klemtoon op het kwalitatieve luik te liggen. Er zijn, gegeven de aard van de tewerkstelling, geen statistische data voorhanden die een duidelijk zicht geven op de werking van het informele arbeidscircuit. Toch zijn er in een aantal administratieve bestanden gegevens te vinden die betrekking hebben op een deel van deze onderzoeksgroep: die personen die tegen de lamp gelopen zijn. Het betreft hier gegevens van bijvoorbeeld de sociale inspectie. Ook bij de dienst vreemdelingenzaken of het ministerie van binnenlandse zaken zijn er gegevens te vinden, maar deze hebben niet onmiddellijk betrekking op de arbeidsmarkt.. Zonder dat dit een volledig beeld geeft, worden er wel gegevens bijgehouden over personen die illegaal op de werkvloer worden aangetroffen, van personen die naar gesloten centra verwezen worden na ontdekt te zijn, en van personen die teruggezonden worden.
24
Schema 2: verschillende informatiebronnen per categorie nieuwkomer Type nieuwkomers Gezinsvormers- en gezinsherenigers
Asielzoekers
-
-
Vluchtelingen
-
Geregulariseerden
-
Personen zonder papieren
-
Opleiding Homologatie aanvragen diploma’s
Homologatie aanvragen diploma’s Dienst Vreemdelingen Zaken Commissariaat Generaal voor Vluchtelingen en Staatslozen Onthaalbureaus info ivm. trajectbegeleiding (Antwerpen, Genk, Gent Homologatie aanvragen diploma’s Dienst Vreemdelingen Zaken Commissariaat Generaal voor Vluchtelingen en Staatslozen Onthaalbureaus info ivm. trajectbegeleiding (Antwerpen, Genk, Gent Regularisatiecommissie Dienst Vreemdelingen Zaken Homologatie aanvragen diploma’s
-
Arbeidsloopbaan Onthaalbureaus info ivm. trajectbegeleiding (Antwerpen, Genk, Gent) VDAB-databank: AMI + Cliëntvolgsysteem Arbeidskaarten RSZ KSZ Aanvraag arbeidskaarten Onthaalbureaus info ivm. Trajectbegeleiding (Antwerpen, Genk, Gent) VDAB-databank: AMI + Cliëntvolgsysteem Arbeidskaarten RSZ KSZ Aanvraag arbeidskaarten Onthaalbureaus info ivm. Trajectbegeleiding (Antwerpen, Genk, Gent) VDAB-databank: AMI + Cliëntvolgsysteem Arbeidskaarten RSZ KSZ Aanvraag arbeidskaarten VDAB-databank: AMI + Cliëntvolgsysteem Arbeidskaarten RSZ KSZ Sociale inspectie (Dienst vreemdelingenzaken)
Dit luik wordt uitgewerkt door het HIVA en het departement sociologie van de KULeuven. Ervaring leert ons dat het niet altijd mogelijk is om op korte termijn de benodigde informatie te bekomen. Er wordt voor deze fase 4 werkmaanden gerekend. De doorlooptijd bedraagt echter 14 maanden. Timing: 4 onderzoeksmaanden HIVA: 2 onderzoeksmaanden K.U.Leuven: 2 onderzoeksmaanden
3.3 3.3.1
Luik 3: de kwalitatieve analyse Achtergrondinformatie
In het kwalitatieve luik wordt dieper ingegaan op de profielen van de onderscheiden groepen nieuwe migranten. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de personen die het land binnen komen in het kader van een gezinshereniging of –vorming, personen die tijdens de regularisatiecampagne een dossier hebben ingediend (mogelijk aangevuld met personen die een regularisatie hebben aangevraagd via artikel 9.3 van de vreemdelingenwet); asielzoekers in de gegrondheidsfase en erkende vluchtelingen. Naast deze vier groepen beoogt het onderzoek ook een korte situering van illegaal in het land verblijvende personen. De dichotomie tussen legale en illegale migranten, en formele versus informele tewerkstelling, vervagen. Maar de dynamieken die recente migranten de overstap doen maken van de ene naar de andere categorie zijn tot dusver niet geanalyseerd. Illegale migranten zijn illegaal omdat ze naar Europa kwamen met een toeristenvisum en nadien zijn gebleven, anderen zijn illegaal de grens overgestoken terwijl nog anderen illegaal werden omdat hun asielaanvraag was afgewezen (Wets, 1992; Engbersen en van der Leun, 2001). Een ruimere analyse van deze populatie aan de hand van administratieve databanken is gezien de aard van hun aanwezigheid uitgesloten. Toch is het interessant om deze groep ook in de kwalitatieve fase te betrekken gezien hun specifieke situatie. Deze groep kan ook fungeren als controlegroep voor bijvoorbeeld de geregulariseerden, die in een niet zo ver verleden ook illegaal aanwezig waren. De toegang tot deze groepen
25
wordt gegarandeerd door samenwerking met organisaties uit het maatschappelijke middenveld zoals het ‘Steunpunt Mensen zonder Papieren’. Voor het kwalitatief onderzoek opteren we voor het verzamelen van biografische data aan de hand van diepte interviews . Dit materiaal geeft ons de mogelijkheid om de levensloopbaan van de respondent, in relatie tot haar/zijn tewerkstellingssituatie te analyseren.Oorspronkelijk, en dan hebben we het over de Chicago-school van de jaren ‘20 en ‘30, werden de biografische data gezien als een representatie van het ‘echte’ leven van een individu (Nijhof, 2000). Het levensverhaal moet wel zo goed mogelijk op zijn validiteit worden getest. Volgens het symbolisch interactionisme geeft het levensverhaal toegang tot een subjectieve interpretatie van de werkelijkheid. De relatie tussen individu en sociale realiteit moest hierbij worden herdacht. Het uitgangspunt van het symbolisch interactionisme kan nog best worden verduidelijkt aan de hand van één enkel zinnetje “If men define situations as real, they are real in their consequences”. Daar waar de symbolisch interactionistische benadering het biografisch materiaal niet langer ziet als een representatie van het werkelijke leven, maar wel als een representatie van wat als werkelijk wordt ervaren, stelt de constructivistische sociologie ook dit als werkelijk ervaren in vraag. Het levensverhaal wordt gezien als een tekst die een momentane uitdrukking is van een voorbijgaande en precaire pseudo-coherentie Zij evolueren van een studie van het subject naar een discoursanalyse (Thijs, Vranken, in druk). In vele studies worden de verschillende opvattingen over wat nu juist in het biografisch materiaal wordt gerepresenteerd door elkaar gebruikt. In de praktijk veronderstelt deze methodologie een accurate check van de validiteit en geldigheid van het datamateriaal. Wat betreft het aantal diepte-interviews steunen we op ‘theoretische saturatie’, een concept uit de ‘Grounded Theory Approach’ ontwikkeld door Glazer & Strauss (Glazer, Strauss: 1967). Volgens hen gaan dataverzameling en analyse hand in hand en zijn het geen strikt gescheiden fases in een kwalitatief onderzoek. Aan de hand van de analyse van enkele interviews is de onderzoeker in staat om beslissingen te nemen over bijkomende verzameling van data. De bedoeling is om aan de hand van de analyse van bijkomende data die niet of niet volledig in overeenstemming zijn met de eerste versies van een theorie, de theorie verder te ontwikkelen. Dit proces wordt aangeduid met de term ‘theoretical sampling’, een werkwijze die uiteindelijk moet leiden tot een gegronde theorie die het onderzochte sociale fenomeen uitvoerig verklaart. Het verzamelen van materiaal wordt beëindigd wanneer er ‘theoretische saturatie’ optreedt, dus wanneer een verdere dataverzameling en –analyse geen substantiële verandering meer zou aanbrengen in de ontwikkelde theorie. Wij schatten de af te nemen interviews op een 20 à 30 per geselecteerde groep. We baseren ons voor dit aantal op gelijkaardig onderzoek. Het is dan aan de onderzoekers om een zo representatief mogelijke steekproef te voorzien, met voldoende verscheidenheid in de eigen verhalen. Meer dynamisch en longitudinaal onderzoek, zoals benaderd vanuit het levensloopperspectief, is vereist om de bestaande inzichten aan te vullen. In hun zoektocht naar een optimalisatie van hun kansen verplaatsen migranten zich niet alleen naar andere regio’s (op zoek naar jobs in verschillende seizoenen of periodes), maar veranderen ook van sector (landbouw, industrie, ev. criminaliteit) en van legale status (Knights, 1996). Aanname van een dynamische en longitudinale benadering verwerpt niet de bestaande categorieën maar kan relevante dynamieken en bewegingen van de ene naar de andere zichtbaar maken. Aangezien we geïnteresseerd zijn in de factoren die de dynamieken van arbeidsmarktparticipatie beïnvloeden, menen we dat een levensloopanalyse een antwoord kan bieden op onze onderzoeksvragen. Het levensloopperspectief kenmerkt zich door haar opzet om veranderingen gedurende het leven te begrijpen (zowel de oorzaken, processen en gevolgen) door de interactie van verschillende invloeden op macro-, mesoen microniveau (Mayer en Tuma, 1987). De onderliggende hypothese is dat alleen een longitudinale analyse de dynamieken kan begrijpen die leiden tot een specifieke situatie op een specifiek moment in de tijd (Maltz, 1996). Maltz (2001) suggereert grafische technieken om de levensloop in beeld te brengen op een manier die
26
helpt om patronen te identificeren. Dit kan de vorm aannemen van een tijdslijn met de verschillende episodes in de arbeidsmarktparticipatie van een respondent, waarvan we dan zowel de lengte (de periode waarin een respondent een specifieke job had) als de factoren die de overgangen bepalen, zullen analyseren. Deze methode is waardevol bij asielzoekers en gezinsvormers- en gezinsherenigers maar is zeker uiterst waardevol bij de bevraging van respondenten die zich in het verleden in een precaire verblijfstatuut bevonden zoals de Regularisatieaanvragers / Geregulariseerden en Mensen Zonder Papieren. Informatie over het informeel arbeidscircuit kan best retrospectief ingewonnen worden door een reconstructie van de migratiegeschiedenis en een reconstructie van de loopbanen. Hierbij kan er dan gefocust worden op eventuele transitieprocessen (arbeid, opleiding, werkloosheid) van de overgang van de ene (al of niet informele) arbeidsmarktpositie naar een andere (al of niet informele) arbeidsmarktpositie. Achtergrondkenmerken die de uitstroomkans bepalen uit een bepaalde arbeidsmarktpositie zoals diploma, werkervaring, verblijfsstatuut, verblijfsduur in een bepaalde arbeidsmarktpositie en sociale netwerken worden mee in rekening gebracht. Op basis hiervan is het mogelijk profielen naar transitiefrequentie op te stellen en onze doelgroepen onderling te vergelijken. Bij het nagaan van de levensloop zullen we specifieke aandacht besteden aan het genderaspect. Op basis van diepte-interviews zullen we de levensloopanalyse bij de verschillende groepen uitvoeren. We selecteren – in de verschillende groepen – respondenten uit de leeftijdscategorie 25-45 jaar, de helft mannen ,de helft vrouwen. We opteren voor nieuwkomers die minstens 2 jaar in België zijn. Theoretisch is deze periode voldoende om het inburgeringstraject te volgen en haar/zijn intrede op de arbeidmarkt te doen. Per groep worden er, zoals reeds vermeld, een 20 à 30 diepte-interviews afgenomen. De afname van de diepte-interviews gebeurt door interviewers die over de nodige expertise beschikken en wenselijk een van de voertalen van de respondent machtig is. Indien de interviewer geen van de talen van de respondent kent, wordt er beroep gedaan op een tolk. Omwille van het belang dat we in dit onderzoek aan het genderaspect hechten, zal elke vrouwelijke respectievelijk mannelijke respondent bevraagd worden door een vrouwelijke respectievelijk mannelijke interviewer en desgevallend door een vrouwelijke respectievelijk mannelijke tolk. Om de mogelijkheid op een verscheidenheid aan levenslopen te verhogen, zullen we proberen respondenten te contacteren via zoveel mogelijk verschillende kanalen: organisaties van migranten, NGO’s, lokale afdelingen van vakbonden en buurtcomités. Nadien wordt er verder gewerkt met het sneeuwbalprincipe van initiële contacten naar netwerken van vrienden en bekenden. We zullen proberen zoveel mogelijk verschillende kansen op de arbeidsmarkt in te sluiten (handel, industrie, eventueel landbouw of horeca). De contextuele variabelen worden afgeleid van het theoretische kader dat hierboven ontwikkeld werd, en beslaat dus vragen over de determinanten van arbeidsmarktdynamieken: sociale netwerken (solidariteit, relaties, specifieke migratiecontext, …), arbeidsmarkt (opleiding, taalkennis, spatial mismatches, discriminatie), en beleid (legale status, regularisatie, afdwingen van regels door publieke en semi-publieke instellingen). 3.3.2
Gezinsvormers en -herenigers
Gezinsvormers en -herenigers vindt men uiteraard voornamelijk bij de gevestigde migrantengroepen. Het merendeel van de Marokkaanse en Turkse nieuwkomers komen dan ook op basis van gezinsvorming (huwelijk) en een minderheid op basis van gezinshereniging (vervoegen van ouders of kinderen). Het is voornamelijk die eerste categorie die tot actieve beroepsbevolking hoort . Om de situatie van de nieuwkomer in relatie met tewerkstelling te begrijpen is het noodzakelijk rekening te houden met de context waarin de immigratie zich gerealiseerd heeft.. Hoe is de situatie die is geschapen door de gezinsvorming: mate van wederzijds engagement tussen de partners, schulden, statusverlies (voornamelijk voor mannelijke nieuwkomers), isolement (voornamelijk voor vrouwelijke nieuwkomers) en
27
welke gevolgen heeft dat voor de attitude ten aanzien van tewerkstelling. Ten tweede moet men rekening houden met de aangeboden inburgeringtrajecten. Voor dit onderzoek selecteren we Marokkaanse en Turkse nieuwkomers, zoals reeds vermeld tussen 25 en 45 jaar. Op basis van deze leeftijd mogen verwachten dat zij bijna uitsluitend op basis van gezinsvorming gekomen zijn. Zoals hoger vermeld, opteren we voor nieuwkomers die minstens 2 jaar in België zijn. Theoretisch is deze periode voldoende om het inburgeringstraject te volgen en haar/zijn intrede op de arbeidmarkt te doen. We selecteren 15 Marokkaanse en 15 Turkse nieuwkomers, waarvan de helft mannen en de helft vrouwen. We zorgen ervoor dat zowel personen die een inburgeringstraject hebben gevolgd als zij die dat niet of slechts gedeeltelijk hebben gedaan in de steekproef opgenomen worden. We rekruteren de respondenten via de onthaalbureaus. Op basis van de dossiers aanwezig in de onthaalbureaus kunnen we er voor zorgen een zo divers mogelijke steekproef samen te stellen. Daarbij zullen we rekening houden met opleidingsniveau, leeftijd, etnische origine, beroepservaring. Deze gegevens zullen slechts schaars voor handen zijn voor zij die het inburgeringstraject niet hebben gevolgd. 3.3.3
Asielzoekers
Asielzoekers kunnen niet zomaar de arbeidmarkt betreden. Enkel zij die in de gegrondheidsfase van hun onderzoek zitten (de ontvankelijk verklaarde asielzoekers), kunnen actief zijn op de arbeidsmarkt. De procedure om op de arbeidsmarkt te geraken is voor asielzoekers die ontvankelijk verklaard zijn niet eenvoudig. Niet alleen is hun toegang tot de arbeidsmarkt beperkt, maar zij hebben eveneens niet hetzelfde perspectief als andere vreemdelingen. Indien hun dossier niet goedgekeurd wordt,, moeten zij immers het land verlaten, en zijn zij eveneens hun betrekking kwijt. De realiteit leert dat sectoren zoals de bouw bereid zijn met die onzekerheid te werken. O.m. via NGO’s, de inburgeringstrajecten en de opleidingen van de VDAB kunnen een aantal asielzoekers op de arbeidsmarkt teruggevonden worden. De werkwijze voor de bevraging van de asielzoekers loopt parallel met deze van de volgmigranten. Er worden een 20 à 30 respondenten geselecteerd, waarbij rekening gehouden wordt met de regio van herkomst (Oost-Europa, Afrika), het geslacht, het opleidingsniveau. We kiezen persoenen uit de leeftijdcategorie 25-45 jaar, de helft mannen de helft vrouwen. Ook hier zorgen we ervoor dat zowel personen die een inburgeringstraject hebben gevolgd als zij die dat niet of slechts gedeeltelijk hebben gedaan in de steekproef opgenomen worden. Voor de rekruteringvan de respondenten wordt beroep gedaan op de onthaalbureaus, andere diensten die met asielzoekers bezig zijn evenals NGO’s die zich over deze doelgroep buigen. Onder meer op basis van de dossiers aanwezig in de onthaalbureaus kunnen we er voor zorgen een zo divers mogelijke steekproef samen te stellen. Daarbij zullen we rekening houden met opleidingsniveau, leeftijd, etnische origine, beroepservaring. Deze gegevens zullen niet gegarandeerd zijn voor zij die geen inburgeringstraject hebben gevolgd. Hiervoor wordt een beroep gedaan op de andere instanties 3.3.4
Vluchtelingen
De situatie van de vluchtelingen is duidelijker dan deze van de asielzoekers. Vluchtelingen zijn de asielzoekers wiens dossier uiteindelijk goedgekeurd werd en die de status van vluchteling gekregen hebben. Zij kunnen dus ‘vrij’ de arbeidsmarkt betreden. Zij ervaren veel minder administratieve belemmeringen om de arbeidmarkt te betreden. De vluchtelingen worden benaderd via dezelfde wegen als de vorige groepen De werkwijze voor de bevraging van de vluchtelingen is identiek aan deze van de asielzoekers: er worden een 20 à 30 respondenten geselecteerd, waarbij rekening gehouden wordt met de regio van herkomst (OostEuropa, Afrika), het geslacht, het opleidingsniveau en de leeftijd. Ook hier zorgen we ervoor dat zowel personen die een inburgeringstraject hebben gevolgd als zij die dat niet of slechts gedeeltelijk hebben gedaan
28
in de steekproef opgenomen worden. De geselecteerde respondenten zullen personen zijn die minstens 2 jaar in het land verblijven. Voor de rekruteringvan de respondenten wordt beroep gedaan op de onthaalbureaus, andere diensten die met vluchtelingen bezig zijn evenals NGO’s die zich over deze doelgroep buigen. Opnieuw op basis van de dossiers aanwezig in de onthaalbureaus kunnen we er voor zorgen een zo divers mogelijke steekproef samen te stellen en opnieuw zullen deze gegevens niet gegarandeerd zijn voor zij die geen inburgeringstraject hebben gevolgd. Hiervoor wordt een beroep gedaan op de andere instanties 3.3.5
Regularisatieaanvragers / Geregulariseerde
Regularisatiecampagnes hebben illegale migranten voor een moeilijke keuze gesteld en sommigen hebben gekozen om hun onbeschermde status te behouden (Sole e.a., 1998).Voor een deel van de (reeds langere tijd aanwezige) personen zonder geldige verblijfspapieren was het mogelijk om hun verblijf te regulariseren. Dit gebeurde door een aanvraag voor regularisatie van hun verblijf in het kader van de regularisatiecampagne van 2000-2001 of op basis van artikel 9 lid 3 van de Vreemdelingenwet. Voor de personen die hierop een positief antwoord kregen, werd hun verblijf geregulariseerd. Dit impliceerde eveneens dat zij in het bezit van een verblijfskaart kwamen. Na een positieve regularisatiebeslissing wordt de vreemdeling ingeschreven in het vreemdelingenregister en ontvangt hij een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister (BIVR), de zgn. witte verblijfskaart. Wat de toegang tot de arbeidsmarkt betreft, kan er bij de geregulariseerde vreemdelingen een onderscheid gemaakt worden tussen zij met een verblijfsrecht van onbepaalde duur en zij met een tijdelijke verblijfsvergunning. Vreemdelingen die een verblijfsvergunning van onbepaalde duur hebben gekregen, zijn vrijgesteld van het moeten aanvragen van een arbeidsvergunning (volgens Koninklijk Besluit van 15 februari 2000). Zij kunnen onmiddellijk aan de slag zonder dat de werkgever eerst een hele administratieve procedure moet doorlopen om een arbeidsvergunning te bekomen. Een vreemdeling die na regularisatie slechts een tijdelijk verblijfsrecht kreeg, moet wel een arbeidskaart aanvragen. Afhankelijk van de verkregen voorwaarden, kan het noodzakelijk geacht worden dat er voorafgaandelijk een arbeidsmarktonderzoek uitgevoerd wordt, vooraleer de arbeidskaart B afgeleverd wordt. Zo’n onderzoek betekent dat men slechts een arbeidskaart zal krijgen voor werk dat niet ingevuld geraakt op de Belgische arbeidsmarkt, gezien de specifieke opleiding of capaciteiten die de werkgever nodig heeft (en die de betrokkene wel heeft). Voorgaande impliceert dat er een onderscheid kan gemaakt worden tussen verschillende ‘soorten’ geregulariseerden: zij die via de campagne geregulariseerd werden of via artikel 9 lid 3; zij die een verblijfsvergunning van onbeperkte duur kregen en zij die een vergunning van beperkte duur hebben gekregen; zij die bewust voor de illegaliteit hebben geopteerd en zij die eerst via een andere procedure zoals de asielprocedure, … getracht hebben om een plaats in de maatschappij (economie) te verwerven. Bij de selectie van de respondenten wordt met deze verscheidenheid rekening gehouden. Bij het nagaan van de levensloop aan de hand van diepte-interviews wordt bij deze groep extra aandacht besteed aan het loopbaantraject voor de regularisatieaanvraag. Ook in deze groep selecteren we respondenten in de leeftijdscategorie 25-45 jaar. We streven ook hier naar een 20 à 30 diepte-interviews, de helft vrouwen, de helft mannen. Ook hier geldt dat de respondenten minstens 2 jaar in België verblijven. 3.3.6
Mensen Zonder Papieren
Het is, zoals in het vorige luik reeds aangehaald, moeilijk, zo niet onmogelijk de groep mensen zonder papieren volledig in kaart te brengen. Indien al, is het niet mogelijk een zelfde methodologie te gebruiken als
29
bijvoorbeeld voor personen die het land binnen komen via de procedure voor familiehereniging of de asielzoekers- en vluchtelingen. Deze laatste zijn immers duidelijk geregistreerde groepen, waarvan het arbeidsmarkttraject kan nagegaan worden. Daarom komt voor de groep van de mensen zonder wettige verblijfspapieren de klemtoon op het kwalitatieve luik te liggen. Een kwalitatieve benadering van deze groepen maakt het wel mogelijk een beter zicht te krijgen op deze groep. Recent onderzoek over de verblijfsstrategiën van mensen zonder papieren in België (Adam e.a., 2001) schetst reeds een deel van het beeld. Voor een vollediger beeld moet deze informatie aangevuld worden met informatie die bekomen wordt via bevraging van deze onderzoeks-(sub)groep. Om meer informatie te krijgen over hun situatie op de arbeidsmarkt is de levensloopanalyse op basis van diepte-interviews ook hier aangewezen . Interviews met personen die illegaal aanwezig zijn, wordt mogelijk gemaakt door een samenwerking op dit niveau met organisaties die zich het lot van deze personen aantrekken en hun ondersteuning bieden zoals het Steunpunt Mensen Zonder Papieren en de organisatie waarin dit steunpunt in de toekomst zal opgaan. Ook in deze groep selecteren we respondenten in de leeftijdscategorie 25-45 jaar. We streven ook hier naar een 20 à 30 diepte-interviews, de helft vrouwen, de helft mannen. Ook hier geldt dat de respondenten minstens 2 jaar in België aanwezig moeten zijn. We zijn ons ervan bewust zijn dat deze rekrutering echter veel moeizamer zal verlopen dan bij voorgaande groepen. Per groep worden er dus 20 à 30 interviews afgenomen. De kwalitatieve analyse gebeurt door twee onderzoeksgroepen, het HIVA (K.U.Leuven) en OASeS (UA). Per equipe worden er 7 onderzoeksmaanden voorzien. De totale onderzoekstijd bedraagt 12 maanden, de doorlooptijd bedraagt voor deze fase 16 maanden. Aantal onderzoeksmaanden: 14 onderzoeksmaanden HIVA: 7 onderzoeksmaanden OASeS: 7 onderzoeksmaanden
Luik 4: Eindrapportering Tijdens deze fase worden de resultaten van de verschillende onderzoeksluiken geïntegreerd en samengebracht. De verschillende luiken zullen gebundeld worden in een onderzoeksrapport.. Dit rapport zal dus een beperkt literatuuroverzicht en een uitgewerkt theoretisch kader bevatten, een weersgave van de analyse van de databestanden en een verslag van de kwalitatieve interviews bij de onderscheiden groepen nieuwkomers. Op basis van de data-analyse en de diepte-interviews zal een antwoord geformuleerd worden op de verschillende onderzoeksvragen. Dit zal tevens resulteren in het formuleren van beleidsaanbevelingen: hoe kan het beleid het best inspelen op de problemen die betrekking hebben op de arbeidsmarktintegratie van nieuwe migranten. Timing: 3 onderzoeksmaanden HIVA: 1 onderzoeksmaand OASeS: 1 onderzoeksmaand K.U.Leuven: 1 onderzoeksmaand
De totale onderzoekstijd bedraagt 23 onderzoekmaanden die over de verschillende onderzoeksequipes verdeeld worden.
30
BIJLAGE 2 BIBLIOGRAFIE
Adam I., Ben Mohammed N. Kagne B., Martiniello M. & REA A. (2001), Itinéraires des sans papiers en Belgique, ULG, ULB en steunpunt mensen zonder papieren, Brussel, Luik. Administratieve wegwijzer voor vreemdelingen, vulchtelingen en migranten (AWV), (1999), Afl. 28, p. 1-63 Brettell C.B. & Hollifield J.F. (2000), Migration Theory: Talking across Disciplines. In Migration Theory: Talking across Disciplines. Edited by Brettell C.B. and Hollifield J.F., New York and London: Routledge. Burgers J. & Engbersen G. (1996), ‘Globalisation, Migration, and Undocumented Immigrants,’ New Community 22 (4): p. 619-635. Castles S. & Miller S.M. (1993), The Age of Migration: International Population Movements in the Modern World. London: MacMillan. Chapple S., Yeabsley J., Gorbey S. & Poot J. (1994), Literature review on the economic impact of Immigration, New Zealand department of Labour, Occasional Paper Series Occasional Paper 1994 seotember 1994, Labour Market Policy Group, Department of Labour, Wellington, New Zealand, 72 p. Collinson S. (1994). Europe and International Migration. London: Pinter for Royal Institute of International Affairs. Coppel J., Dumont J.-C. & Visco I. (2001), Trends in immigration and economic consequences, Economic Department Working Papers, OECD, 31 p. Cross M. & Waldinger R. (2002) Migrants and the Urban Labour Market in Europe and North America. In Globalization and the New City: Migrants, Minorities and Urban Transformations in Comparative Perspective. Edited by M.Cross and Moore R. Basingstoke: Palgrave Publishers . Engbersen G. (1995-1996), ‘The Unknown City’, Berkeley Journal of Sociology 10: p. 87-111. Engbersen G. & van der Leun J. (2001), ‘The Social Construction of Illegality and Criminality,’ European Journal on Criminal Policy and Research 9: p. 51-70. Esping-Andersen G. (1996), Welfare States in Transition: National Adaptations in Global Economies, Thousand Oaks, Calif. Sage, London. Espinosa K. & Massey D.S. (1999), ‘Undocumented Migration and the Quantity and Quality of Social Capital’, Migration and Transnational Social Spaces. Edited by Pries I.L.. Aldershot and Brookfield: Ashgate. Foblets M.C. & Bouckaert S. (2002), De bevoegdheidsverdeling inzake de opvang van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen zonder stabiel verblijfsstatuut, in het bijzonder van diegene die geen asielaanvraag hebben ingediend of waarvan de asielvraag is afgewezen, VMC, Brussel, p. 76. Garson Jean-Pierre (2000), Where do illegal migrants work?, OECD, Directorate for Education, Employment, Labour and Social Affairs. Glover S., Gott C., Loizillon A., Portes J., Price R., Spencer S., Srinivasen V. & Willis C. (2001), Migration, an economic and social analysis, RDS occasional papers no. 67, Home Office, London, 68 p. Golini A., Bonifazi C., & Righi A. (1993), ‘A General Framework for the European Migration System in the 1990s’, The New Geography of European Migrations. Edited by King R. London: Belhaven Press. Kesteloot C. & Meert H. (1999), ‘Informal Spaces: The Geography of Informal Economic Activities in Brussels’, International Journal of Urban and Regional Research 23 (2): p. 232-251. King R., Fielding A., & Black R. (1997), ‘The International Migration Turnaround in Southern Europe’, Southern Europe and the New Immigrations. Edited by King R. and Black R. Brighton and Portland: Sussex Academic Press. Kloosterman R. (1996), ‘Mixed Experiences: Post Industrial Transition and Ethnic Minorities on the Amsterdam Labour Market’, New Community 22 (4):p. 654.
31
Kloosterman R., van der Leun J., & Rath J. (1998), ‘Across the Border: Immigrants’ Economic Opportunities, Social Capital and Informal Business Activities’, Journal of Ethnic and Racial Studies 24 (2): p. 249-268. Kloosterman R., van der Leun J., & Rath J. (1999), ‘Mixed Embeddedness: (In)formal Economic Activities and Immigrant Business in the Netherlands’, International Journal of Urban and Regional Research 23 (2): p. 252-266. Knights M. (1996), ‘Bangladeshi Immigrants in Italy: From Geopolitics to Micropolitics’, Transactions of the Institute of British Geographers NS 21 (1): p. 105-123. Lamberts M., Vandoorne J. & Denolf L. (2000), Masseur, VW Beetle of gewoon een goede job?, HIVAK.U.Leuven, Leuven. Leman J. (1997), ‘Undocumented Migrants in Brussels: Diversity and the Anthropology of Illegality’, New Community 23 (1): p. 25-41. Leman, J. (1997), ‘Undocumented migrants in Brussels: diversity and the anthropology of illegality’, New Community, Vol. 23, nr.1, p. 25-41. Loobuyck P. (2001), Vreemdelingen over de werkvloer, debat over arbeidsmigratie en migratiestop in kaart, Academia Press, Gent, 250 p. Maltz M.D (1996), ‘Criminality in Space and Time: Life Course Analysis and the Micro-Ecology of Crime‘, in John Eck & David Weisburd, Eds., Crime and Place, Monsey, New York: Criminal Justice Press. Maltz M.D. (2000), ‘Visualizing Lives: New Pathways for Analyzing Life Course Trajectories‘, Journal of Quantitative Criminology, Vol. 16, No. 2, p. 255-281, June 2000. Marx I., De Maesschalck V., Mussche N., (2002), Het arbeidsmigratiebeleid in onze buurlanden, en in de Europese Unie. Een onderzoek in opdracht van de Vlaams minister van Werkgelegenheid en Toerisme, VIONA-onderzoeksprogramma, Antwerpen, p. 81 Massey D.S. et al. (1998), Worlds in Motion: Understanding International Migration at the End of the Millenium. Oxford: Clarendon Press. Mayer, K.U. & Tuma N.B. (eds) (1987), Applications of event history analysis in life course research, Berlin: Max-Planck-Institut für Bildungsforschung. Mendoza C. (1997), ‘Foreign Labour Immigration in High-Unemployment Spain: The Role of African-Born Workers in the Girona Labour Market’, Southern Europe and the New Immigrations. Edited by King Russell and Black Richard. Brighton and Portland: Sussex Academic Press. Mendoza C. (2000), The role of the State in Influencing African Labour outcomes in Spain and Portugal, CCIS, Working paper No 3, februari 15th, University of San Diego, La Jolla, California, 20 p. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Adminstratie Werkgelegenheid – Afdeling Tewerkstelling – Cel Migratie (2001), Jaarrapport 2001, Tewerkstelling van Buitenlandse Werknemers in het Vlaams Gewest. Website: http://www2.vlaanderen.be/werk Nwolisa E.O. (1999), Njepu Amaka. It’s good to migrate. PhD thesis K.U.Leuven. Pang C.L. (2001), Trafficking in uncompanied minors for sexual exploitation in the European Union. Geneva: International Organisation for Migration. Pinxten R., Verstraete G., Pyliser C. & M. Cornelis (2000), Onderzoek naar het profiel en de verwachtingen van enkele specifieke doelgroepen van het onthaalbeleid in het kader van het Vlaamse Minderhedenbeleid, met name: erkende vluchtelingen en ontvankelijk verklaarde asielzoekers enerzijds en volgmigranten andere dan Turken en Marokkanen anderzijds. Eindrapport december 2000. Piore M.J. (1979), Birds of Passage. Migrant Labour and Industrial Societies. Cambridge: Cambridge University Press. Population Division, Department of Economic and Social Affairs, United Nations (2000), Replacement Migration: Is it a Solution to Declining and Ageing Populations, ESA/P/WP.160 21 march 2000, United Nations. Pugliese E. (1993), ‘‘Restructuring of the Labour Market and the Role of Third World Migrations in Europe’, Environment and Planning D: Society and Space 11: p. 513-522.
32
Quassoli F. (1999), ‘Migrants in the Italian Underground Economy’, International Journal of Urban and Regional Research 23 (2): p. 212-231. Rosholm M., Scott K. & Husted L. (2000), The Times Are A-Changing. Organisational Change and Immigration Employment Opportunities in Scandinavia, Working Paper 00-07, June 2000, Centre for Labour Market and Social Research, Aarhus, 30p. Sassen S. (1996), ‘New Employment Regimes in Cities: The Impact on Immigrant Workers’, New Community 22 (4): p. 579-594. Soenen H. (2003), ‘Survival of the fittest? Economic strategies of undocumented workers in Brussels’, Kolor, 2003, Vol. 4, nr. 2, november (in press). Solé C. et al. (1998), ‘Irregular Employment amongst Migrants in Spanish Cities’, Journal of Ethnic and Racial Studies 24 (2): p. 333-346. Spencer S. (ed.) (1994), Immigration as an Economic Asset: The German Experience, Trentham Books, Oakhill, 116 p. Stalker P. (2000), Workers without Frontiers. The Impact of Globalisation on International Migration, Lynne Riener/ILO, Boulder, Colorado/London. Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming (2002) De Arbeidsmarkt in Vlaanderen, Deel 4, Jaarboek 2002. Straubhaar Th. (2001), New Migration needs a NEMP (a New European Migration ölicy) ad not (only) a German Einwanderunggesetz. HWWA, Hamburg, February 2001, 22 p. Timmerman C., Verstraete G., Verbruggen T., & Cornelis M. (2000b), Onderzoek naar de plaats, de rol en organisatie van maatschappelijke oriëntatie en trajectbegeleiding binnen het onthaaltraject voor nieuwkomers als doelgroep van het Vlaamse Minderhedenbeleid. United Nations (2002), International Migration Report 2002, United Nations, New York. Van der Aa R. et al. (1999), Sectoren in de knel. Knelpunten in de personeelsvoorziening, oorzaken en oplossingsrichtingen, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Rotterdam. Vlaams Economisch Verbond (1999), De paradox van de arbeidsmarkt. Een dossier van het VEV en de Vlaamse sectororganisaties, Antwerpen. Vlaams Minderhedencentrum (2002), www.vmc.be: geschiedenis van migraties en migratiebeleid. Vlaams Minderhedenbeleid, website http://www.wvc.vlaanderen.be/minderheden/inburgeringsbeleid/beleid/beleid.htm
Vranken J., Timmerman C. & Van Der Heyden K. (red.) (2000), Komende generaties, wat weten we (niet) over allochtonen in Vlaanderen?, Acco, Leuven, p. 326. Wets J. (1992), ‘Wie is wie ? immigrant, asielzoeker, vluchteling, illegaal, ...’, Noord-Zuid-cahier, Jg 17 No. 2, juni 1992, p. 5-12 Wets J. (1999), Waarom onderweg? Een analyse van de oorzaken van grootschalige migratie- en vluchtelingenstromen, Leuven, Departement Politieke Wetenschappen K.U.Leuven, 358 p. Zimmermann K. (1994), ‘The Labour Market Impact of Immigration’, in S. Spencer (ed.), Immigration as an Economic Asset: The German Experience, Trentham Books, Oakhill, p. 39-64.
33
BIJLAGE 3 VOORSTELLING VAN HET HIVA
Het Hoger Instituut voor de Arbeid (HIVA) is een instelling van de K.U.Leuven. Het werd in zijn huidige structuur opgericht in 1974, op initiatief van de K.U.Leuven en van de Christelijke Arbeidersbeweging. Beide instanties zijn gelijk vertegenwoordigd in de beleidsorganen van het HIVA. De prioritaire doelstellingen van het HIVA zijn: − wetenschappelijke inzichten verwerven over maatschappelijke problemen van de werknemers en van kansarme groepen in de samenleving om aldus een bijdrage te leveren tot de oplossing van deze problemen; − de dialoog en samenwerking stimuleren tussen wetenschap en praktijk, tussen universiteit en werknemersbeweging. Deze doelstellingen krijgen concreet gestalte in volgende activiteiten: − aantrekken en uitvoeren van wetenschappelijke studies over onderwijs en arbeidsmarkt, sociaal en economische beleid, arbeid. Binnen elke sector wordt het centraal maatschappelijk thema op een multidisciplinaire wijze bestudeerd en uitgewerkt in deelthema’s. Het meeste onderzoek is beleidsgericht: verzamelen van basisinformatie over beleidsontwikkelingen, wetenschappelijke evaluatie van beleidsmaatregelen, uittekenen van beleidsopties en hun consequenties; − de onderzoeksresultaten worden gepubliceerd in wetenschappelijke rapporten en artikels, en in aangepaste vorm bekendgemaakt aan een breder publiek; − inrichten van studie- en vormingsbijeenkomsten rond thema’s die in de onderzoekssectoren worden bestudeerd. Hierdoor wordt de dialoog tussen wetenschap, beleid en praktijk gestimuleerd; − daarnaast worden ook bredere vormingsinitiatieven ingericht over mens-management, veiligheid op de werkvloer, milieu. Dit onderzoeksvoorstel wordt ingediend vanuit de sectoren Arbeid en Duurzame Ontwikkeling van het HIVA. Binnen de sector Arbeid wordt interdisciplinair onderzoek verricht over drie grote thema’s: werk, werkloosheid en arbeidersbeweging. Deze drie thema’s worden interdisciplinair benaderd vanuit vier disciplines: sociologie, psychologie, geschiedenis en economie. De Sector Duurzame Ontwikkeling benadert naast de ecologische dimensie van de arbeidsvraagstukken eveneens de meer internationale aspecten, waaronder het thema internationale migratie en de asielproblematiek. Voor meer informatie verwijzen we graag naar het laatste jaarverslag van het HIVA. Dit Jaarverslag is op aanvraag verkrijgbaar (zich wenden tot Liesbeth Villa, tel. +32 16 32 33 32).
34
BIJLAGE 4 VOORSTELLING VAN OASES
De Onderzoeksgroep Armoede, Sociale uitsluiting en de Stad werkt binnen de Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen van de Universiteit Antwerpen Ze is het resultaat van de samensmelting - in 2000 - van CASUM (‘Armoede, Sociale Uitsluiting en Minderheden’ o.l.v. Jan Vranken) en SWW (Steunpunt voor Wonen en Woonbeleid o.l.v. Luc Goossens). Tot de meer markante onderzoeksthema’s behoren onder meer: migraties en allochtonen, urbane vormen van sociale uitsluiting en stedelijk beleid ter zake, het gemeentelijk woondossier, sociale huisvesting, sociale economie en arbeidszorg, het dagelijkse leven van de armen, sociale netwerken en – last but not least - de publicatie van het jaarboek ‘Armoede en Sociale Uitsluiting’. In het najaar 2002 wordt gestart met een eigen reeks cahiers. Ook qua aanpak is de waaier erg ruim. Het onderzoek binnen OASeS is zowel fundamenteel als toegepast van aard, zowel kwalitatief als kwantitatief en zowel beleidsondersteunend als actiegericht. Alhoewel sociologische analyse domineert, komen ook andere disciplines (antropologie, sociale geografie, criminologie, psychologie) aan bod. Het onderzoek gebeurt vanuit twee perspectieven: de studie van mechanismen van sociale uitsluiting en onderzoek over de verbanden tussen de sociale en de ruimtelijke dimensie van het samenleven. OASeS wil zich uitdrukkelijk profileren binnen het spanningsveld tussen het lokale en het globale, vandaar dat er samengewerkt wordt met zowel basiswerkingen en plaatselijke overheden als met Europese instanties (bijvoorbeeld in het Vijfde Kaderprogramma) – en met de hele waaier aan niveaus daartussen. Ofschoon wetenschappelijk onderzoek de eerste bestaansgrond van OASeS is, toch wordt het leven van de onderzoeksgroep geïnspireerd door een uitdrukkelijk streven naar een meer rechtvaardige, veilige en leefbare samenleving: een wereld van oases dus voor iedereen. OASeS is opgedeeld in drie onderzoekslijnen:
1) Onderzoekslijn Armoede en Sociale Uitsluiting 2) Onderzoekslijn Wonen en de Stad 3) Onderzoekslijn Migratie en Etnische Minderheden We beperken ons tot de onderzoekslijn ‘Migratie en Etnische Minderheden waarvan Dr. Christiane Timmerman de supervisie waarneemt. De onderzoeksinteresse rond migratie en etnische minderheden bestaat reeds vanaf het begin van de jaren ‘80. Deze onderzoeksinteresse werd binnen OASeS geconsolideerd eind 1997 door de integratie van de onderzoeksgroep ‘Migratie en Gezondheid’ van het Prins Leopold Instituut voor Tropische Geneeskunde te Antwerpen. De uitdrukkelijke aandacht van OASeS voor etnische minderheden heeft in belangrijke mate te maken met de opvallende aanwezigheid van verschillende van deze groepen in onze westerse welvaartsstaat. Het manifest utilitair karakter van de uitnodiging van gastarbeiders van weleer blijkt tot vandaag uit de marginale positie die ‘de gastarbeiders’ wordt gegund. Het inzicht dat de allochtonen van nu ‘er zijn om te blijven’ drong bij velen ruimschoots laat door. De volledige reikwijdte van de persoonlijke en maatschappelijke kostprijs van
35
achterstand en achterstelling in de context van onderwijs, arbeid, huisvesting en gezondheid wordt nog te weinig diepgaand en in al zijn consequenties onderzocht. De groeiende zelfredzaamheid, emancipatorische ontwikkelingen en identiteits(re-)constructie van allochtonen worden op maatschappelijk vlak met een zekere ambivalentie gevolgd. Zij refereren daarbij aan particuliere aanspraken van eigenheid op basis van recht op identiteit en gelijkheid van alle burgers, gelegitimeerd door een gemeenschappelijk westers normatief kader van universele aard. Door een wereldwijd aanvaarde discours van ‘identiteit als recht’ treden religieuze gemeenschappen, etnische en/of regionale groepen, de publieke ruimte binnen om collectieve aanspraken te maken. Zij verwerven aldus de mogelijkheid om te participeren aan een solidariteit die niet stoelt op een nationaal, maar wel op een supranationaal discours. De veranderende samenstelling van de bevolking, de groeiende differentiatie van de etnisch-culturele minderheidsgroepen en verschuivingen in de migratiepatronen in een ruimere context van mondialisering vormen een blijvende onderzoeksbron die een toetssteen kunnen zijn voor beleidsmaatregelen en tevens een kritische feed-back geven op het publieke en politieke debat hieromtrent. De aanwezige onderzoeksexpertise is een caleidoscoop van diverse onderwerpen en benaderingen: fundamenteel of toegepast-, beleidsgericht onderzoek; kwalitatief of beschrijvend kwantitatief onderzoek; sociologisch of multi-disciplinair onderzoek. Zo onderzochten we, meer specifiek, de plaats en de rol van Marokkaanse en Turkse vrouwen en jongeren in de gezondheidszorg in het bijzonder en in de Westerse samenleving in het algemeen. Op het gebied van de sociale netwerken van Marokkaanse en Turkse vrouwen besteedden we voornamelijk aandacht aan de interactie tussen maatschappelijke participatie, islam en ruimtelijke inpassing. Onderwijs en huisvesting vormden eveneens belangrijke componenten uit dit debat. Recentere onderzoeksprojecten gaan over Turkse en Marokkaanse nieuwkomers, het gebruik van communicatienetwerken door allochtonen, integrale jeugdhulpverlening en etnisch-culturele minderheden en islambeleving bij hooggeschoolden. Inhoudelijk wordt er zeer nauw samengewerkt met het Steunpunt Gelijke Kansenbeleid, een wetenschappelijk en beleidsondersteunend onderzoeks- en expertisecentrum van de Universiteit van Antwerpen. De nauwe samenwerking met de Onderzoekscel Allochtonen van het Steunpunt Gelijke Kansenbeleid waarborgt dat de invalshoek van achterstand en achterstelling van allochtonen, die een drempel vormen om volwaardig aan de samenleving te participeren, niet uit het oog wordt verloren. Coördinaten: Telefoon:
Fax: E-mail: Postadres Bezoek:adres
secretariaat +32 3 220 49 59 Luc Goossens, woordvoerder +32 3 220 43 22 Jan Vranken, woordvoerder +32 3 220 43 20 OASeS +32 3 220 46 36 OASeS@ua.ac.be voornaam.naam@ua.ac.be OASeS, Prinsstraat, 13, 2000 Antwerpen OASeS, Gratiekapelstraat, 10, 2000 Antwerpen
1