MILIEUBESEF EN MILIEUGEDRAG VAN DE VLAMING
Leen Ackaert, Marc Swyngedouw K.U.Brussel Centrum voor Toegepast Multivariaat Onderzoek
Sinds de jaren ’60 kunnen we - althans op verbaal niveau - een toenemende bezorgdheid en consensus omtrent de ernst van het milieuvraagstuk in de meeste Europese landen vaststellen. Deze bezorgdheid heeft zich stilaan gekristalliseerd in de oprichting van verschillende milieuorganisaties, -actiegroepen, politieke partijen en in een vaste plaats van het milieuvraagstuk in de beleidsplanning. Er is echter minder consensus over de oorzaken, de oplossingen en de noodzaak van individuele gedragsverandering om het milieuvraagstuk op te lossen. Immers, hier raakt men niet alleen het vlak van uiteenlopende politieke en maatschappelijke visies maar ook de weerstanden tegen het opgeven van bepaalde milieuonvriendelijke gedragingen. Ondanks de belangrijke rol van de individuele actor in het al dan niet slagen van het voorgestelde of opgelegde milieubeleid, wordt slechts heel occasioneel gepeild naar de opinies en de draagwijdte van de burger aangaande dit vraagstuk. In slechts enkele rapporten kunnen we gegevens omtrent het milieubesef van de Belgen terugvinden. Zo vinden we, bijvoorbeeld, in de (1) Eurobarometer van ’86, ’88, ‘92 en ’95 en de (2) European Value Survey van ’90 vragen omtrent • attitude t.a.v milieu, milieugedrag en -bereidheid, evaluatie van het milieubeleid • milieubezorgdheid en –offerbereidheid Toch schieten deze surveys elk op hun beurt tekort om een algemeen inzicht in het milieubesef en het milieugedrag van de Vlaming weer te geven. De rapporten informeren niet exclusief over Vlamingen. Attitudes worden veelal gemeten aan de hand van één vraag in plaats van een schaal vragen en ze beperken zich dikwijls tot één aspect van het milieubesef. Om aan deze lacune in informatie tegemoet te komen, nam de Vlaamse administratie het initiatief om een luik milieubesef en milieugedrag in haar survey “Culturele verschuivingen in Vlaanderen 1996” op te nemen. In dit artikel willen we dieper ingaan op de eerste resultaten van deze survey. In ons onderzoek staan de volgende vragen centraal: hoe denkt de Vlaming over het milieuvraagstuk, meer concreet wat is zijn houding ten aanzien van het milieu in Vlaanderen? Is hij bereid om een inspanning te leveren ten voordele van het milieu? In welke mate laat de Vlaming zijn milieugedrag beïnvloeden door zijn attitudes t.a.v. het milieu en zijn sociaal - demografische kenmerken ? Aangezien we deze attitudes in breder perspectief willen plaatsen, worden de resultaten van de survey in de mate van het mogelijke vergeleken met de resultaten van de Eurobarometer en de European Value Survey.
1.
THEORETISCHE ASPECTEN
1.1.
De relatie tussen milieubesef en milieugedrag
Bestaat er een relatie tussen attitude en gedrag? Of anders gesteld, in hoeverre bestaat er een verband tussen een milieuvriendelijke houding en milieuvriendelijk gedrag? Herhaaldelijk heeft onderzoek laten zien dat er slechts een gering verband tussen milieu-attitude en milieugedrag bestaat. Verklaring hiervoor kan in drie richtingen gevonden worden. Sociaal psychologen hebben er herhaaldelijk op gewezen dat een attitude geen directe maar eerder een indirecte invloed op gedrag uitoefent. De variabele waarlangs haar indirecte invloed verloopt, verschilt van theorie tot theorie. ‘Waardeverwachtingstheorieën’(Fishbein, 1967; Korman, 1974) leggen de nadruk op subjectieve verwachtingen. Mensen kunnen weliswaar de positieve milieu-effecten van milieuvriendelijk gedrag hoog waarderen maar tegelijk de subjectieve verwachting hebben dat hun milieuvriendelijk gedrag niet of nauwelijks van invloed is op de realisatie van deze effecten. Bij een dergelijke afweging van waarden en verwachtingen, zal een positieve attitude zich niet uiten in wenselijk gedrag. De zelfde logica vinden we bij Lefcourts (1982) ‘locus of control’of Banduras (1982) ‘self efficacy’terug. Voor het omzetten van attitude in gedrag moet een individu de overtuiging hebben dat de eigen handelingen werkelijk een bijdrage leveren. Er moet een zeker gevoel bestaan dat het doel van het gedrag binnen de ‘persoonlijke controle’of binnen de ‘eigen effectiviteit’ligt. Schwartz (1975) merkt op zijn beurt op dat de mate van zich verantwoordelijk voelen voor een bepaald gedrag en de gevolgen ervan een belangrijke rol spelen in de gedragsvoorspelling. In plaats van de oorzaak van de milieuvervuiling uitsluitend bij de politiek of de industrie te zoeken, is het belangrijk om tot het inzicht te komen dat het eigen gedrag ook bijdraagt tot de milieuvervuiling. De ‘theorie van beredeneerd gedrag’ (Ajzen; Fishbein, 1980) tenslotte stelt dat gedrag niet rechtstreeks uit een attitude kan verklaard worden maar uit een gedragsintentie. De gedragsintentie is niet alleen afhankelijk van de attitude maar ook van de subjectieve norm of ‘sociale norm’waarin de aanmoedigende, afkeurende of neutrale invloed van de omgeving aan bod komt. Het tweede verklaringsperspectief legt de nadruk op de defiëring van milieu-attitude en milieugedrag. De definiëring van milieu-attitude en milieugedrag verloopt langs totaal verschillende lijnen (Tellegen, Wolsink, 1992). De milieu-attitude is een variabele die op een vrij globaal, abstract niveau gemeten wordt. Milieurelevant gedrag als homogene categorie bestaat niet. Ze valt uiteen in verschillende, zeer specifieke handelingen die niets of nauwelijks iets met elkaar te maken hebben. Heeft de attitude betrekking op het globale milieuprobleem, dan vindt men nauwelijks een verband tussen milieugedrag en -attitude terug. Verwijst daarentegen de attitude naar een specifiek gedrag dan vindt men wel relaties tussen gedrag en attitudes terug. De aangetoonde verbanden zijn meestal niet erg sterk maar de gedragsvoorspelling neemt toe naarmate het object van de gemeten houding dichter bij het specifieke gedrag ligt. Het derde verklaringskader tenslotte wijst er op dat milieugedrag eerder het resultaat is van andere motivaties dan een milieu-effectenreductiemotivatie (Tellegen, Wolsink, 1992). Zo is, bijvoorbeeld, het energiegebruik voor huishoudelijke verwarming door allerlei gedragingen beïnvloed: het al dan niet sluiten van gordijnen of rolluiken, het aanbrengen van allerlei voorzieningen zoals isolatie, hoge rendementsketel, enz. Voor het isoleren van de woning zijn naast de algemene intentie om minder energie te gebruiken ook overwegingen aan de orde die
1
veel specifieker met het gedrag samenhangen. FinanciĂŤle overwegingen op de eerste plaats maar ook overwegingen met betrekking tot ventilatie, vochtproblemen, schimmelvorming, enz. Wanneer we rekening houden met de diverse visies op de relatie tussen de attitude t.a.v het milieu en milieugedrag, kunnen we verwachten dat de relatie zwak zal zijn. Andere factoren zoals intentie tot een bepaald gedrag, het inzicht dat het eigen milieugedrag bijdraagt tot de bescherming van het milieu of het subjectieve geloof in de mogelijkheid om het milieuprobleem op te lossen hebben meer kans om het milieugedrag te beĂŻnvloeden. Tevens verwachten we dat de relatie tussen attitude en gedrag toeneemt naarmate de attitude naar een specifiek gedrag verwijst.
2
1.2.
De relatie tussen milieubesef, -gedrag en sociaal – demografische kenmerken
In de literatuur kan men omtrent de relatie tussen milieubesef en milieugedrag enerzijds en de sociaal – demografische kenmerken anderzijds een viertal hypotheses terugvinden. De eerste wordt omschreven als de leeftijdshypothese, de tweede als sociale klasse hypothese, de derde als de sekseverschillen hypothese en de vierde als de residentiehypothese. 1.2.1. De leeftijdshypothese Oorspronkelijk ging men er van uit dat leeftijd positief gecorreleerd is met milieubesef en milieugedrag maar de laatste decennia stelde men eerder het omgekeerde vast. Meestal wordt er een negatief verband tussen leeftijd en milieugedrag en – besef teruggevonden (Van Liere, Dunlap, 1980). Een verklaring voor dit negatief verband vinden we terug bij de concepten ‘leeftijdsgroepverschillen’en ‘cohorteverschillen’. Vrij algemeen omschrijven Malkis en Grasmick (1977) ‘leeftijdsgroepverschillen’als verschillen tengevolge van het verouderingsproces. Jongeren zijn minder geïntegreerd in het economische systeem dan oudere mensen. Ze zijn onafhankelijker en staan meer open voor sociale en culturele veranderingen. Aangezien de oplossingen voor milieuproblemen dikwijls voorgesteld worden als een bedreiging voor de tewerkstelling, sociale orde, traditionele waarden en gewoonten is het volgens hen logisch te veronderstellen dat jongeren milieubewuster zijn dan ouderen. De ondersteuning van pro-milieu-ideeën en een pro-milieubeleid is bij hen groter dan bij de oudere mensen. De ‘cohorteverschillen’–verklaring is vooral gebaseerd op Mannheims (1952) generatietheorie. Wanneer er tijdens de jeugdjaren belangrijke historische gebeurtenissen plaatsgrijpen dan zullen zij een blijvende impact uitoefenen op het levensverloop van deze cohorte. In het verlengde hiervan wordt verondersteld dat de huidige jongeren en de generatie, die hun jeugdjaren tijdens de jaren ’60 en ’70 beleefd hebben, milieubewuster zijn dan de oudere generaties. Het hogere milieubesef wordt verklaard door een blijvende blootstelling aan alarmerende informatie over milieuvervuiling tijdens de jongste decennia. Deze zou een milieubewuste generatie met zich meebrengen waarvan de toewijding aan het milieu niet verandert bij het volwassen worden.
3
1.2.2. De sociale klasse hypothese Algemeen wordt gesteld dat sociale klasse, gemeten a.d.h.v. inkomen, opleiding en beroepsprestige, positief gerelateerd is met milieubesef. Deze hypothese wordt enerzijds verklaard door de vaststelling dat de midden en hogere klassen de meest sociaal-politiek actieve segmenten zijn van de maatschappij. Het hoger milieubesef bij de midden en hogere klassen wordt gezien als een afgeleide van deze algemene maatschappelijke bezorgdheid. Anderzijds verwijst men veelal naar Maslows ‘hiërarchische behoeftentheorie’(1970) om het positieve verband te interpreteren. Maslow meent dat de bezorgdheid voor het milieu eerder een luxe is dat slechts voorkomt wanneer noodzakelijke behoeften zoals eten, huisvesting en economische zekerheid, vervuld zijn. Daar de hoge- en middenklasse zich geen zorgen hoeft te maken over deze basisbehoeften, kunnen ze meer aandacht besteden aan de immateriële aspecten. De laatste jaren zijn er een aantal kritieken op deze hypothese gekomen. Vooreerst blijkt de bevestiging van deze hypothese te veel gebaseerd te zijn op studies over milieubesef bij leden van milieuorganisaties. Veralgemening van deze resultaten naar het grote publiek zijn te voorbarig. Ten tweede merken Buttel en Flinn (1978) op dat de lagere en arbeidersklasse waarschijnlijk milieubewuster is dan de hogere. Aangezien zij meestal in achtergestelde buurten wonen, in een vervuilde omgeving werken en veelal enkel toegang hebben tot verwaarloosde ontspanningsmogelijkheden, is de kans groot dat ze meer bezorgd zijn over het milieu dan de hogere en middenklasse. En ten derde moet men binnen de socialeklassehypothese een duidelijk onderscheid maken tussen de invloed van sociale klasse op milieubesef enerzijds en milieugedrag anderzijds. Het meeste milieugedrag komt voort uit andere motieven dan wensen voor vermindering van negatieve milieu-effecten. Mensen met een laag besteedbaar inkomen leven op een sobere manier, een manier die – vaak – milieuvriendelijker blijkt te zijn. Ze moeten afzien van consumptief gedrag, zonder dat daaraan milieu overwegingen ten grondslag liggen (Nelissen, 1987). Anderen, met een hoger inkomen, kunnen zich allerlei bestedingen permitteren. Ze zijn in staat om zich milieuvriendelijk te gedragen omdat ze een aantal alternatieven gebruiken die een kleinere milieubelasting betekenen. Hogere inkomensgroepen kunnen overgaan tot investeringen om energiebesparing in hun woning te bereiken zonder op comfort in te leveren. Daaraan ontleent men een milieuvriendelijk zelfbeeld waardoor men bij hen een positievere houding t.a.v. het milieu terugvindt. Als prijsmaatregelen onderdeel uitmaken van het (beleids)pakket reduceren ook de lagere inkomensgroepen hun energiegebruik. Zij kunnen dat niet doen door te investeren in besparingsmaatregelen, zij leveren wel in op comfort (Dillman, 1982). 1.2.3. De sekseverschillen hypothese In de literatuur vinden we twee tegenstrijdige hypotheses omtrent de relatie tussen geslacht en milieubesef en –gedrag terug. De eerste postuleert dat mannen milieubewuster zijn dan vrouwen. Omdat mannen politiek actiever zijn dan vrouwen, meer betrokken zijn bij maatschappelijk issues en een grotere kans hebben op een hogere opleiding, veronderstelt men dat mannen meer begaan zijn met het milieu dan vrouwen (McEvoy, 1972). De tweede veronderstelt dat vrouwen meer bezorgd zijn om het milieu dan mannen. De verklaring hiervoor is tweeërlei. Sinds de industriële revolutie wordt de natuur benaderd als iets dat moet overwonnen worden door technologie en wetenschap en volledig ten dienste staat tot de mensheid. Binnen dit kader wordt de man als de perfecte verwezenlijker voor deze technologisch-wetenschappelijke veranderingen afgeschilderd. Zijn socialisatie benadrukt ‘on-
4
ecologische’kenmerken zoals rationaliteit, competitie en overheersing van zijn omgeving. Vrouwen daarentegen worden eerder geïdentificeerd met ‘moeder natuur’en ‘voedster’ waardoor ze minder geschikt zijn voor de rol van ‘overheerser’(Cowan, 1979; Griffin, 1978). De tweede verklaring merkt op dat mannen meer doordrongen van de hangbare ‘marktmentaliteit’. Ze zijn meer bezorgd om economische groei en zien de natuur als een middel om deze groei te verwezenlijken. Vrouwen zijn minder geïntegreerd in de economische, politieke en technologisch-wetenschappelijke instituties. Ze stellen de doelstelling van deze instituties minder op prijs en zullen de verwezenlijking van deze doelstelling, via uitbuiting van de natuur, waarschijnlijk meer in vraag stellen (Passino, Lounsbury, 1976). 1.2.4. De residentiehypothese Deze hypothese stelt dat stedelingen een positievere houding hebben t.a.v. het milieu dan plattelandsbewoners. Het positieve verband tussen urbanisatiegraad en bezorgdheid omtrent het milieu wordt vanuit drie hoeken verklaard. Vooreerst komen stadsbewoners meer in contact met milieuvervuiling en verwaarlozing van het milieu. Deze frekwentere confrontatie leidt tot een hogere bezorgdheid voor het milieu. Ten tweede houden plattelandsbewoners er een meer utilitaire visie t.a.v. het milieu op na. Daar ze beroepshalve afhankelijk zijn van het milieu en ze meer geconfronteerd worden met nadelen van de natuur zijn ze minder met het milieu begaan dan stadsbewoners (Tremblay, Dunlap, 1978). En ten derde heeft het platteland met economische achterstelling te kampen. Omdat economische groei voor kleine steden noodzakelijk is om te overleven, zijn ze geneigd om deze groei boven de bescherming van het milieu te preferen (Murdock, Schriner, 1977). Bovenstaande verklaringen veronderstellen impliciet dat de woonplaats een indicator is voor objectieve leefomstandigheden - in de zin van stedelijke agglomeraties zijn minder groen en hebben veel milieuvervuiling - en voor de beroepssector van de respondent. Iemand die op het platteland woont, werkt sowieso in de landbouw. Rekening houdend met de stadsvlucht en het pendelverkeer in Vlaanderen is de ponering van deze laatste voorveronderstelling op de Vlaamse populatie iets te voorbarig. Om deze reden postuleren we twee afzonderlijke hypotheses: (1) Omwille van het gebrek aan groen en een frekwentere confrontatie met milieuvervuiling zijn stadsbewoners meer bezorgd om het milieu dan plattelandbewoners. (2) Personen die in de landbouwsector werken zijn minder begaan met het milieu dan personen die in andere beroepssectoren werken.
5
2
METHODOLOGISCHE ASPECTEN
2.1.
Theoretische begrippen en operationalisering
2.1.1. Definiëring van milieubesef In het begrip ‘milieubesef’kunnen we op z’n minst twee sub-begrippen onderscheiden mn. ‘milieu’en ‘besef’. Milieu – in de zin van vervuilde en problematische omgeving - herbergt twee soorten omgevingen: het ‘natuurlijke’milieu en het ‘artificiële’milieu. Leggen we het accent op de directe en indirecte betrekking van de mens met de natuurlijke elementen zoals water, bodem, lucht dan spreken we van het ‘natuurlijk’leefmilieu. Staat daarentegen de door de mens gemaakte of veranderde omgeving centraal dan gebruikt men het begrip ‘artificieel’milieu (Ester, 1980). In ons onderzoek gaat het hoofdzakelijke om de houdingen, opvattingen en gedragingen met betrekking tot het natuurlijk milieu. Meer specifiek, om de wijze waarop Vlamingen de kwaliteit van het natuurlijk milieu in Vlaanderen waarderen en evalueren, gelet op de milieuvervuiling en natuuraantasting. Het begrip ‘besef’wordt slechts zelden gehanteerd in de sociale wetenschappen. Doorgaans gebruikt men het min of meer equivalente begrip ‘attitude’. In zijn klassieke betekenis wordt het attitude-begrip meestal omschreven als: Een hypothetische constructie die verwijst naar regelmatigheden in de gevoelens, gedachten en handelingsdisposities van een individu ten aan zien van een of ander aspect uit zijn omgeving. De gevoelens verwijzen naar een affectieve component, de gedachten naar een cognitieve component en de handelingsdisposities naar een bereidheid tot het stellen van gedrag. (Billiet, 1984) Op basis van deze drie componenten: cognitie, affectie en handelingsbereidheid definieerden Schreurs en Nelissen (1975) het begrip ‘milieubesef’als ‘het geheel van opvattingen over de bescherming, het beheer en de aantastingen van het natuurlijk en (artificieel) leefmilieu, alsmede de daarmee samenhangende gedragsdisposities’. Beide auteurs stellen dat de houding t.a.v. het natuurlijk milieu het gevolg is van een confrontatie met milieuproblemen en de kennis hieromtrent. Een individu ervaart zijn omgeving in de eerste plaats doordat hij ermee geconfronteerd wordt. Deze confrontatie leidt tot het opbouwen van een kennis, een waarnemen en een perceptie van het milieu en de problemen die zich daarin voordoen. Het waarnemen roept een aantal gedachten en gevoelens op die niet enkel betrekking hebben op de milieuproblemen maar ook op de oorzaken, het beheer en de bescherming van het natuurlijk milieu. Anders gesteld, ‘milieubesef’omvat een (1) houdingsdimensie: cognities en affecties ten aanzien van het natuurlijk milieu, de oplossingen voor de milieuproblemen, het milieubeleid en de oorzaken van milieuproblemen en een (2) gedragsdispositiedimensie: handelingsbereidheid met betrekking tot het natuurlijk leefmilieu. De handelingsbereidheid bestaat uit een offerbereidheid en een actiebereidheid. Offerbereidheid is de mate waarin men daadwerkelijk een offer wenst te brengen ten behoeve van het milieu. Deze offers uiten zich in een extra financiële en fysieke inspanning en een wijziging in het verbruikers en consumptiegedrag. De actiebereidheid is de mate waarin een individu metterdaad via activiteiten zich wil inzetten voor een beter milieu.
6
2.1.2. Operiationalisering van milieubesef Voor de operationalisering van milieubesef hebben we ons gebaseerd op de twee deelgebieden die we in het begrip terugvinden. De geselecteerde items voor de schalen zijn het resultaat van schaalbaarheidstesten in een kleinschalig vooronderzoek, selectie uit bestaand onderzoek en eigen formulering. In figuur 1 vinden we de diverse dimensies voor de operationalisering van het milieubesef terug Tabel 1: theoretische dimensies van milieubesef cognities en affecties Houding t.a.v. het natuurlijk milieu (5 items) Attitude t.a.v. de oorzaken van milieuproblemen evaluatie van 15 zaken in hun bijdrage tot de lucht / water / bodem vervuiling Attitude t.a.v. de oplossingen voor milieuproblemen al dan niet geloven in de mogelijkheid om milieuproblemen op te lossen evaluatie van de ‘effectiviteit’van diverse groepen om de milieuproblemen op te lossen Attitude t.a.v. het milieubeleid Attitude t.a.v. belastende maatregelen heffingen op factoren, produktie en emissie (3 items) heffingen en maatregelen op het proces (3 items) milieuvriendelijk gedrag afdwingen (2 items) afvalnormen verstrengen (2 items) subsidiëring van milieuschadelijk gedrag afschaffen (1 item) strengere sankties tegen het niet naleven van afvalnormen (1 item) Attitude t.a.v. subsidiërende maatregelen subsidiëring van milieuvriendelijke initiatieven (3 items) subsidie verlening aan wetenschappelijk onderzoek (2 items) meer subsidies voor publieke campagnes (1 item) meer investeren in natuurbehoud (1 item) gedragsdisposities Milieu offerbereidheid financiële offerbereidheid (3 items) zuinigheidsbereidheid (2 items) fysieke offerbereidheid (2 items) Milieu actiebereidheid (2 items) De ‘Houding t.a.v. het natuurlijk milieu’– schaal verwijst naar de perceptie op het natuurlijk milieu als problematisch gegeven. De schaal bestaat uit 5 ordinale variabelen. • ‘Attitude t.a.v. de oorzaken van milieuproblemen’evalueert 15 zaken die bijdragen tot de milieuvervuiling van Vlaanderen. Aan de respondenten werd telkens gevraagd welke van de 15 zaken het meest verantwoordelijk zijn voor bodem-, lucht-, en watervervuiling. • ‘Attitude t.a.v. de oplossingen voor milieuproblemen’peilt enerzijds naar het geloof in de mogelijkheid om de milieuvervuiling in Vlaanderen tegen te gaan. Anderzijds beogen we een evaluatie van verschillende groepen - de industrie, de overheid, landbouwers / teeltbedrijven en mensen zoals u en ik - in hun mogelijkheid om het milieu te beschermen en de milieuvervuiling tegen te gaan.
7
• ‘Attitude t.a.v. het milieubeleid’omvat 21 ordinale variabelen waarin we twee dimensies onderscheiden: evaluatie van ‘belastende’maatregelen en evaluatie van ‘subsidiërende’ maatregelen. ‘Heffingen op factoren, produktie en emissie’peilt naar de opinies over hogere heffingen op energiebronnen en milieuschadelijke produkten. ’Heffingen en maatregelen op het proces’peilt naar de menigen over hogere wegentaksen, meer investeren in het openbaar vervoer en het autoverkeer in stadskernen bemoeilijken. ‘Milieuvriendelijk gedrag afdwingen’beoogt het meten van de attitudes t.a.v. wettelijke verplichte recyclage van grondstoffen en huishoudelijk afval. ‘Subsidiëring van milieuvriendelijk gedrag afschaffen’peilt naar de voor- of tegenstand t.a.v. belastingsaftrek van woon - werk – verkeer en met de laatste subcategorieën achterhalen we de ‘Attitudes t.a.v. strengere afvalnormen’voor industrie en teeltbedrijven en ‘Strengere sankties tegen het niet naleven van afvalnormen’ • ‘Attitude tegenover subsidiërende maatregelen’peilt ten eerste naar de ‘attitudes t.a.v. meer investering in wetenschappelijk onderzoek’voor alternatieve energiewinning en reductie van de negatieve milieu-effecten van traditionele energiebronnen. Enn volgende subcategorie bevraagt de attitude tegenover meer ‘investeringen in milieuvriendelijke initiatieven’van burgers, ondernemingen en natuurverenigingen en meer ‘investeringen in natuurbehoud en publieke campagnes’. De gedragsdisposities omsluiten 9 dumm- variabelen die het meten van de offerbereidheid en de actiebereidheid beogen. Bij de offerbereidheid onderscheiden we de ‘Financiële offerbereidheid’(bereidheid om extra milieubelastingen of milieutaksen te betalen, om hogere taksen op milieu vervuilende produkten te betalen en duurdere milieuvriendelijke produkten te kopen), de ‘fysieke offerbereidheid’(bereidheid om minder de auto te gebruiken en te sorteren voor recyclage) en de ‘zuinigheidsbereidheid’(bereidheid om minder goederen te consumeren en minder grondstoffen te gebruiken). De actiebereidheidsschaal omvat 2 dummy variabelen die peilen naar de bereidheid om deel te nemen aan protestvergaderingen en optochten ten voordele van het milieu. 2.1.3. Definiëring van milieugedrag Omtrent de definiëring van ‘milieugedrag’in het algemeen en ‘milieu-(on)vriendelijk gedrag’ in het bijzonder bestaat er nog steeds geen éénduidigheid. De discussie over het begrip ‘milieugedrag’wordt vooral in de hand gewerkt door het vrij heterogene en uitermate complexe karakter van het begrip. Zo kan het milieugedrag positieve of negatieve milieueffecten hebben, kan het bewust of onbewust zijn, zichtbare of minder zichtbare effecten hebben, particulier of institutioneel van aard zijn en op individuele of collectieve wijze vorm krijgen. Ester en Van der Meer (1979) noemen alle gedragingen met gevolgen voor de fysieke omgeving ‘milieugedrag’, positief én negatief. Als het gedrag een bijdrage levert aan vervuiling, aantasting of uitputting dan is het negatief milieugedrag. Het karakteriseren van positief milieugedrag of milieuvriendelijk gedrag is evenwel veel moeilijker. In het dagelijkse spraakgebruik worden veel gedragsvormen ‘milieuvriendelijk’genoemd terwijl ze wel degelijk milieubelastend zijn. Het reizen per openbaar vervoer behoort daartoe. Het milieuvriendelijke van dit gedrag is dat ze een bijdrage leveren aan het beperken van negatieve milieu-effecten (Tellegen, Wolsink, 1992). Door z’n multidimensionele karakter wordt het begrip milieugedrag enerzijds vrij ruim gedefinieerd, anderzijds weegt men en bepaald gedrag t.a.v. een minder of niet vervuilend alternatief gedrag af om milieugedrag te definiëren. De ruime benadering definiëert
8
milieuvriendelijk gedrag als ‘gedrag dat niet of nauwelijks bijdraagt aan milieubederf (aan bodem-, water-, luchtverontreiniging) en milieubederf tegen gaat. Gedrag is milieuonvriendelijk als het de kwaliteit van het fysieke milieu in negatieve zin beïnvloedt’(Ester, 1980). Deze definitie resulteert meestal in een opname van diverse indicatoren zoals consumptie-gedrag, actie-gedrag, zuinigheid-gedrag, … die allen betrekking hebben op milieuvriendelijk gedrag. Gebruikmakend van de relativerende redenering komen Tellegen en Wolsink (1992) tot een vijftal types van milieugedrag waarvan milieuvriendelijk gedrag er één van is. 1. Milieu-onvriendelijk gedrag omschrijven ze als gedrag met grotendeels eenvoudig te vermijden milieu-effecten. Deze effecten kunnen verminderd worden door te kiezen voor milieuvriendelijk gedrag. 2. Milieuvriendelijk gedrag is gedrag dat voortkomt uit de keuze voor alternatieven van milieu-onvriendelijk gedrag. Milieubelastend gedrag wordt vervangen door ander gedrag waarvan de milieugevolgen geringer zijn – openbaar vervoer in plaats van auto – of het gedrag wordt uitgebreid met handelingen die de milieu-effecten moeten verminderen – scheiden van huisvuil. 3. Het achterwege laten van milieu-onvriendelijk gedrag is het niet uitvoeren van gedragingen waarvan de milieugevolgen negatief zijn en deze ook niet door alternatieven met minder vergaande gevolgen vervangen. Bijvoorbeeld de fiets gebruiken. 4. Gedrag gericht op verbetering van milieu zijn handelingen die worden uitgevoerd om bestaande milieu-aantastingen te herstellen. Schoonmaakacties zoals het opruimen van zwerfvuil behoren hiertoe. 5. Het laatste type van milieugedrag wordt omschreven als het tegenwerken van milieuvriendelijke alternatieven. Hierbij gaat het om gedrag dat zelf niet direct negatieve milieugevolgen heeft maar gericht is op het handhaven of uitbreiden van de mogelijkheden van milieu-onvriendelijke gedragsalternatieven. Bijvoorbeeld; bepaalde produkten alleen in vervuilende verpakking, verlichting die niet is uit te schakelen. Deze variant komt veeleer op het institutionele dan op het individuele niveau voor. 2.1.4. Operationalisering van milieugedrag Voor de operationalisering van milieugedrag hebben we ons op beide benaderingen van milieugedrag gebaseerd. Enerzijds variëren de gedragingen over de vier eerste milieugedragtypes van Nelissen en Schreurs. Anderzijds omvat het een vijftal dimensies. Tabel 2: theoretische dimensies van milieugedrag Milieugedrag Zuinigheidsgedrag milieuvriendelijk gedrag (4 items) Consumptiegedrag achterwege laten van milieu-onvriendelijk gedrag (2 items) milieuvriendelijk gedrag (4 items) Mobiliteitsgedrag achterwege laten van milieu-onvriendelijk gedrag (1 item) milieuvriendelijk gedrag (1 item) Afvalsgedrag milieu-onvriendelijk gedrag (1 item) 9
gedrag gericht op verbetering van milieu (2 items) Recyclagegedrag milieuvriendelijk gedrag (6 items) Het milieugedrag omsluit 15 ordinale en 6 dummy-variabelen. We onderscheiden • een ‘Zuinigheidsdimensie’- kraan dichtdraaien, elektrische apparaten uitzetten, licht uitdoen en enkel de ruimtes verwarmen waar het nodig is. • een ‘Consumptiedimensie’- eigen boodschappentas gebruiken, letten op stroomverbruik bij aankoop, hervulbare verpakking kopen, letten op het soort plastiek, één grote verpakking i.p.v vele kleintjes en onbespoten groenten en fruit kopen. • een ‘Mobiliteitsdimensie’- de fiets en openbaarvervoer gebruiken • een ‘Afvaldimensie’- afval werpen op straat, afval oprapen en protesteren wanneer iemand afval op straat werpt • een ‘Recyclage dimensie’- glas, papier, organisch afval, klein chemische afval, blik en plastiek sorteren voor recyclage. 2.2.
Datareductie en schaalbaarheid van de vooropgestelde schalen
Om na te gaan of de onderliggende theoretische dimensies (houding en gedragsdisposities) met de empirische dimensies van de item-scores overeenkomen, werden de items aan een Principale Componenten Analyse (varimax rotatie, Eigenwaarde = 1) onderworpen. Vervolgens werden de items met een hoge lading op de resulterende factoren ook gecontroleerd op hun bijdrage tot de homogeniteit van de schaal (Crombach’s α). Of een item al dan niet in het meetinstrument werd opgenomen is vooral bepaald door de hoogte van de factorlading van het item op de factor, de interpreteerbaarheid van de factor en de bijdrage tot de homogeniteit van de betreffende schaal.
10
2.2.1. Milieubesef Tabel 3: empirische dimensies van milieubesef Houding t.a.v. het natuurlijk milieu Houding t.a.v. het natuurlijk milieu(MILATT) aantal factoren: 1 Crombach’s α: 0.70 verklaarde variantie: 46.3% factorladingen van de 5 items: max. 0.77 min. 0.55 Directe financiële belastende maatregelen(DIRBEL) Attitude t.a.v. belastende maatregelen Crombach’s α: 0.78 aantal factoren: 2 factorladingen van de 4 items: max. 0.87 min. 0.61 verklaarde variantie: 57.7% Indirecte financiële belastende maatregelen(INDBEL) Crombach’s α: 0.81 factorladingen van de 6 items: max. 0.79 min. 0.65 Directe investeringen(DIRINV) Attitude t.a.v. subsidiërende maatregelen Crombach’s α: 0.75 aantal factoren: 2 factorladingen van de 5 items: max. 0.81 min. 0.57 verklaarde variantie: 57.5% Indirecte investeringen(INDINV) Crombach’s α: 0.79 factorladingen van de 4 items: max. 0.84 min. 0.64 Gedragsdisposities t.v.v. het milieu Financiële offerbereidheid(FINB) aantal factoren: 3 Crombach’s α: 0.61 verklaarde variantie: 62.4% factorladingen van de 3 items: max. 0.82 min. 0.54 Zuinigheidsbereidheid(ZUINB) Crombach’s α: 0.61 factorladingen van de 3 items: max. 0.79 min. 0.66 Actiebereidheid(ACTIEB) Crombach’s α: 0.76 factorladingen van de 2 items: max. 0.88 min. 0.87 De theoretische ‘Houding t.a.v. Natuurlijk Milieu als problematische omgeving’– schaal werd door de empirische gegevens bevestigd. Alle items scoorden hoog op één factor. De scores van de 5 items varieerden, na hercodering van de negatief geformuleerde items, van 0.77 tot 0.55. De mate van homogeniteit bedraagt 0.70 wat gezien het beperkt aantal items redelijk bevredigend is. Toepassing van Principale Componenten Analyse op de beleidsgerelateerde belastende maatregelen resulteerde in 2 factoren. Twee items ‘Mestoverschotten zwaarder belasten’en ‘Autoverkeer in dorpskernen en stadskernen sterk bemoeilijken’scoorden op beide factoren bijna even hoog. Op de eerste factor bedroegen de respectievelijke factorladingen: 0.47 en 0.30 en op de tweede factor: 0.42 en 0.41. Daar we duidelijk te interpreteren factoren nastreven, hebben we de twee items uit de analyse verwijderd. Na annulatie verkregen we het volgende resultaat: items die financieel belastende maatregelen voor de particuliere burger beoogden, scoorden hoog op de eerste factor en items die belastende maatregelen voor industrie en landbouw beoogden, scoorden hoog op de tweede factor. Tevens scoorden ook de items ‘Milieuschadelijke produkten zwaarder belasten’(0.66)1 en ‘Recyclage van papier, glas en gevaarlijke produkten wettelijk verplicht maken’(0.77) hoog op de tweede factor. Rekening houdend met deze resultaten dwingt een herconceptualisering van de 1
Factorlading van de item op de respectievelijke factor 11
beleidsgerelateerde belastende maatregelen zich op. Belastende maatregelen worden door de Vlaming duidelijk niet langs de dimensies heffingen op het proces, heffingen op emissie, verstrengen van afvalnormen, … beoordeeld maar eerder langs de dimensies: directe financiële voelbare maatregelen en indirecte financiële maatregelen. De items die de opvattingen over de beleidsgerelateerde subsidiërende maatregelen meten, scoren op 2 factoren. De eerste factor weerspiegelt vooral de subsidiëring van topics zoals ‘Meer investeren in binnenlands openbaar vervoer’(0.57), ‘Meer investeren in wetenschappelijk onderzoek om gebruik van stookolie, benzine en gas minder milieubelastend te maken’(0.81), ‘Meer investeren in wetenschappelijk onderzoek om de ontwikkeling van energiewinning uit zonne-energie, wind-energie, aardwarmte en waterkracht te bevorderen’ (0.81), ‘Meer investeren in behoud en terugwinning van natuurgebieden’(0.64) en ‘Recyclage mogelijkheden vergroten’(0.61). De tweede factor wordt vooral gedragen door items die subsidiëring van diverse groepen beogen zoals ‘Milieuvriendelijke initiatieven van ondernemingen subsidiëren’(0.73), ‘Milieuvriendelijke initiatieven van burgers subsidiëren’ (0.84), ‘Het subsidiëren van verenigingen’(0.83) en ‘Meer publieke campagnes organiseren tegen milieuverontreinigend gedrag’(0.64). De vooropgestelde subschalen in de gedragsdispositie schaal werden niet empirisch ondersteund. De analyse resulteerde in drie factoren in plaats van de verwachte vier factoren. Eén item, ‘Ik wil best sorteren voor recyclage vs. ik ben niet bereid te sorteren voor recyclage’ scoorde op geen enkele factor hoog (< 0.30). Gezien de uitzonderlijke scheefheid van deze variabele (95.8 % is bereid en 4.2% is niet bereid) in vergelijking met de andere variabelen, hoeft dit ons geenszins te verwonderen. Na verwijdering van deze item resulteerde de analyse in de volgende drie factoren: • Financiële offerbereidheid factor: bereid extra milieubelasting te betalen (0.82), bereid milieuvriendelijke produkten te kopen (0.54) en bereid milieutaks op vervuilende produkten te betalen (0.82); • Zuinigheidsbereidheid factor: bereid minder goederen te consumeren (0.75), bereid minder water, elektriciteit en brandstof te gebruiken (0.79) en bereid de auto wat vaker te laten staan (0.66) • Milieu-actiebereidheid factor: bereid deel te nemen aan een protestvergadering (0.87) en bereid deel te nemen aan een optocht (0.88).
12
2.2.2. Milieugedrag Tabel 4: empirische dimensies van milieugedrag Zuinigheidsgedrag(ZUING) Milieugedrag 15 ordinale variabelen Crombach’s α: 0.62 aantal factoren: 4 factorladingen van de 4 items: max. 0.72 min. 0.61 verklaarde variantie: 54.3% Consumptiegedrag(CONSG) Crombach’s α: 0.61 factorladingen van de 4 items: max. 0.75 min. 0.55 Mobiliteitsgedrag(MOBILG) Crombach’s α: 0.46 factorladingen van de 2 items: max. 0.87 min. 0.70 Afvalgedrag(AFVALG) Crombach’s α: 0.50 factorladingen van de 2 items: max. 0.79 min. 0.78 Milieugedrag Recyclage gedrag(RECYG) 6 dummy variabelen Crombach’s α: 0.77 aantal factoren: 1 factorladingen van de 6 items: max. 0.79 min. 0.63 verklaarde variantie: 47% Het verwachte aantal dimensies in milieugedrag werd door de empirische gegevens bevestigd. Toepassing van Principale Componenten Analyse op de 15 ordinale variabelen leverde 4 factoren op. Toch scoorden enkele items niet op de gepaste factor. Zo scoorde het item ‘Letten op het stroomverbruik wanneer je elektrische apparaten koopt’op geen enkele factor hoog (<0.30), het item ‘Afval werpen op straat’scoorde negatief op de factor Zuinigheidsgedrag en het item ‘Met je eigen boodschappentas naar de winkel gaan’scoorde het hoogst op de Mobiliteitsgedrag dimensie. Analyse van de 12 resterende ordinale variabelen resulteerde wederom in de verwachte 4 factoren (verklaarde variantie 54.3%). De eerste factor kan omschreven worden als de Zuinigheidsgedrag factor: ‘Elektrische apparaten uitzetten wanneer je ze niet gebruikt’(0.72), ‘Licht uitdoen wanneer je een ruimte verlaat’(0.72), ‘Alleen maar de ruimtes verwarmen waar het echt nodig is’(0.66) en ‘De kraan dichtdraaien tijdens handen wassen, tanden poetsen, scheren of wanneer je de vaat doet’ (0.61). De tweede factor is de Consumptiegedrag factor: ‘Hervulbare verpakking kopen’(0.75), ‘Letten op het soort plastiek van de verpakking’(0.70), ‘Eén grote verpakking kopen in plaats van meerdere kleine verpakkingen kopen’(0.67) en ‘Onbespoten groenten en fruit kopen’ (0.55). De derde factor is de Mobiliteitsgedrag factor: ‘Het openbaarvervoer gebruiken in plaats van de auto’(0.87) en ‘Voor korte ritjes de fiets nemen of te voet gaan’(0.70) De laatste factor kunnen we omschrijven als de Afvalgedrag factor: ‘Afval oprapen die anderen in de natuur achterlaten’(0.79) en ‘Protesteren wanneer iemand afval op straat werpt’ (0.78). Eén factor oplossing kon alle 6 dummy recyclage items samenvatten.
13
3.
HET MILIEUPROFIEL VAN DE VLAMING
In deze paragraaf komt de procentuele verdeling van de Vlamingen over de diverse schalen aan de orde. De schaalscores werden berekend via de summatieve schaaltechniek van Likert. Aan elke indicator werd een zelfde gewicht toegekend. Vervolgens werden de scores getransformeerd tot een 10-punten schaal. Categorie 0 bevat alle respondenten die uitzonderlijk laag scoren op de schaal, categorie 10 omvat de respondenten die vrij hoog scoren. Om een duidelijk overzicht van de procentuele verdeling te verkrijgen werden de categorieën 0.0 tot en met 3.3, 3.4 tot en met 6.6 en 6.7 tot en met 10 samengevoegd. Het gemiddelde heeft de gemiddelde score op de 10-punten schaal weer. Achtereenvolgens bespreken we de verdeling van de ‘houding t.a.v natuurlijk milieu’, de ‘financiële offerbereidheid’, de ‘zuinigheidsbereidheid’, de ‘milieu actiebereidheid’en de attitude t.a.v. de ‘oorzaken van milieuproblemen’, de ‘oplossingen voor milieuproblemen’en het ‘milieubeleid’. De correlaties tussen de factoren en de bijpassende 10-punten schalen variëren van 0.99 tot 0.95. 3.1.
Milieubesef
3.1.1.
Houding t.a.v. het natuurlijk milieu en gedragsdisposities
Tabel 5: relatieve frequentieverdeling van de houding t.a.v. het natuurlijk milieu en gedragsdisposities t.v.v. het milieu Mean 0.0-3.3 3.4-6.6 6.7-10 Houding t.a.v natuurlijk 6.29 4.5% 53.3% 42.3% milieu Financiële offerbereidheid 5.33 17.2% 32.8% 50.0% Zuinigheidsbereidheid 6.09 16.7% 19.5% 63.8% Milieu actiebereidheid 3.46 56.7% 17.4% 25.9% Aan de verdeling van de ‘Houding t.a.v Natuurlijk Milieu als problematische omgeving’ merken we dat ongeveer 42% van de Vlaamse populatie het natuurlijk milieu in Vlaanderen zeker als een problematische omgeving percipiëert. 53% vindt dat het min of meer een groot probleem is en bijna 5% stelt helemaal geen problemen vast. Wanneer we dit laatste cijfer met de voormalige onderzoeken van de Eurobarometer vergelijken dan kunnen we stellen dat de onbezorgdheid over het milieu over de jaren niet spectaculair is veranderd. Van 1986 tot 1995 bleef de onbezorgdheid tussen 2% en 5.2% variëren. Een ander beeld krijgen we te zien wanneer we de cijfers van extreme bezorgdheid naast elkaar leggen. De cijfers van de Eurobarometer liggen beduidend hoger dan onze 42.3%. Van 1986 tot 1992 nam de bezorgheid zowel in België als in gans Europa systhematisch toe. In 1992 stelde 85% van de Belgen en 88% van de Europeanen dat ‘de bescherming van het milieu een dringend en onmiddellijk probleem is’. In 1995 daalde dit percentage tot 64.2% bij de Belgen en 83% bij de Europeanen. Op het eerste gezicht zouden we onze 42.3% kunnen interpreteren als een voortzetting van de daling in bezorgdheid. Toch is hier voorzichtigheid geboden. Methodologisch gezien is het voor de respondenten van de Eurobarometer moeilijk om een genuanceerde bezorgdheid duidelijk te maken. Een ‘middenalternatief’werd niet expliciet aangereikt waardoor de kans 14
op proportionele toename van de extremen toeneemt (Billiet, 1984). Slechts via één redelijk extreem geformuleerde antwoordcategorie kan de Europeaan z’n bezorgdheid duidelijk maken. De twee andere antwoordmogelijkheden zijn negatief geformuleerd. Toch schiet deze verklaring duidelijk tekort om de daling in de bezorgdheid over het milieu in de Eurobarometer cijfers te verklaren. Zowel in België als in gans Europa neemt de bezorgdheid af. Wanneer we de verdeling van de ‘Financiële offerbereidheid’onder de loupe nemen, merken we dat 50% van de Vlaamse populatie bereid is een financiële inspanning te leveren ten voordele van het milieu. Ze zijn bereid extra milieubelastingen, milieutaksen op milieu vervuilende produkten en duurdere milieuvriendelijke produkten te betalen. 17.2% is helemaal niet bereid om financiëel tegemoet te komen en 32.8% is min of meer bereid. Vergelijken we de Vlaamse financiële offerbereidheid (50%) met de voormalige2 financiële offerbereidheid van de Belgen dan komen we tot een tweestrijdige conclusie. Enerzijds kunnen we stellen dat de financiële offerbereidheid afneemt. De gegevens van de European Values Study van 1992 stellen dat 57% van de Belgen helemaal bereid is om een deel van zijn inkomen af te staan om verdere milieuvervuiling tegen te gaan. Anderzijds kunnen we tot een toenemend financiële bereidheid concluderen. De vraag: 'Bent u het eens met een toename in belastingen wanneer het extra geld gebruikt wordt om milieuvervuiling tegen te gaan' werd door 41% van de Belgische bevolking volledig positief beantwoord. Ook de verdeling van de bereidheid om extra milieubelastingen te betalen, laat eerder een toenemende financiële offerbereidheid zien. 62% van de Belgen was in 1992 volledig akkoord met de stelling dat de overheid de milieuvervuiling moet tegen gaan maar dat het hen geen geld mag kosten. De ‘Zuinigheidsbereidheid’van de Vlamingen ligt duidelijk hoger dan zijn financiële offerbereidheid. 63.8% is bereid om zuinig met energiebronnen, autogebruik en comsumptiegoederen om te springen. 16.7% is helemaal niet bereid en 19.5% is min of meer bereid. De ‘Milieu Actiebereidheid’laat een volledig ander beeld zien. Bijna 60% van de Vlaamse populatie wenst niet deel te nemen aan een protest vergadering tegen een milieuvervuilende fabriek of een optocht voor het behoud van de natuurgebieden in Vlaanderen. Een vierde van de bevolking is wel bereid om zijn bezorgdheid in actie om te zetten.
2
De Eurobarometer van 1992 rapporteert dat 66% bereid is om zuiniger om te springen met energiebronnen. 54% is bereid om actie te voeren ten voordele van het milieu. In 1995 zijn deze percentages resp. 46% en 38%. Deze cijfers kunnen nauwelijks met onze cijfers vergeleken worden. Vooreerst gaan de handelingsbereidheidsvragen in de Eurobarometer vragenlijst door een filtervraag vooraf, mn. “Hebt u de volgende zaken al eens gedaan en indien niet bent u bereid om volgende zaken te doen”. En ten tweede zijn de scores van de zuinigheidsschaal en de actiebereidheidsschaal in de Eurobarometer rapporten geaggregeerde scores. Een respondent die bereid is om één van de drie indicatoren van de zuinigheidsschaal of één van de vijf indicatoren van de actiebereidheidsschaal te vervullen, scoort evenhoog op de schaal als een respondent die alle drie of alle vijf handelingen wil vervullen. 15
3.1.2. Attitude t.a.v. de oorzaken van de milieuproblemen Tabel 6: relatieve frequentieverdeling van de attitude t.a.v. de oorzaken van de milieuproblemen bodem water ontbossing 1.6% 0.1% elektriciteit opwekken 0.1% 0.4% stortplaatsen en afvalbergen 18.7% 2.0% huishoudelijk afval verbranden 0.7% 0.5% afvalwater van de huishoudens 1.4% 11.7% wegverkeer 1.3% 0.4% afvalwater van de industrie 7.1% 53.9% gebouwen verwarmen 0.1% 0.1% insekticiden en onkruidverdelgers 13.7% 5.3% 3 overbemesting en dierlijk afval 22.2% 14.2% uitlaatgassen van de industrie 1.3% 0.4% industriëel afval; zware metalen, 29.5% 10.3% chemisch afval kerncentrales 2.3% 0.6%
lucht 2.7% 0.4% 0.3% 2.4% 0.0% 34.6% 0.9% 1.0% 1.8% 1.0% 47.0% 3.3% 4.7%
De opvattingen van de Vlamingen omtrent de oorzaken van de bodem-, lucht en watervervuiling zijn redelijk verdeeld. Toch kunnen we een constante in hun opvattingen terugvinden. Een groot deel van de Vlaamse bevolking zoekt vooral de oorzaak van de milieuvervuiling bij de industrie. Op de tweede plaats komt de landbouw en op de derde plaats komen zaken die gerelateerd zijn aan het individueel milieugedrag. 29.5% van de Vlamingen zegt dat de bodem vooral vervuilt is door het industrieel afval. 54% stelt dat het water op de eerste plaats vervuild wordt door het afvalwater van de industrie en 47% merkt op dat de uitlaatgassen van de industrie verantwoordelijk zijn voor de luchtvervuiling. Wanneer we de categorieën die direct met de industrie gerelateerd zijn, sommeren dan wordt de industrie door meer dan de helft van de Vlaamse populatie als grootste oorzaak van bodemvervuiling (52.1%), waterveruiling (64.6%) en luchtvervuiling (51.2%) gezien. Overbemesting en dierlijkafval wordt door 22.2% van de Vlaamse populatie als de grootste oorzaak van de bodemvervuiling en door 14.2% als de grootste oorzaak van de watervervuiling gepercipieerd. Eén procent percipieert het als oorzaak van de luchtvervuiling. Bijna 19% van de Vlamingen stelt dat de bodemvervuiling vooral te wijten is aan stortplaatsten en afvalbergen. Bijna 12% zoekt de oorzaak van de watervervuiling bij het huishoudelijk afvalwater en 35% merkt op dat de luchtvervuiling voornamelijk te wijten is aan het wegverkeer. Ontbossing, elektriciteit opwekken, huishoudelijk afval verbranden en gebouwen verwarmen 3
De percentages van ‘afval van pluimvee, varkens- en veeteelt bedrijven’voor bodem (5.7%), voor water (4.7%) en voor lucht (0.4%), de percentages van ‘dierlijke mest’ voor bodem (4.0%), voor water (1.9%) en voor lucht (0.3%) en de percentages van ‘overbemesting’ voor bodem (12.5%), voor water (7.6%) en voor lucht (0.3%) werden samen gebracht in de categorie ‘overbemesting en dierlijk afval’. 16
worden door een miniem aantal Vlamingen als de belangrijkste oorzaak voor de milieuvervuiling gezien. Kerncentrales komen als de derde grootste oorzaak van de luchtvervuiling uit cijfers naar voor. Vergelijken we de opvattingen van de Vlamingen met de attitudes van de Belgen in 1986, 1988, 1992 en 1995. Dan kunnen we bijna resoluut stellen dat de opvattingen over de oorzaken van de milieuvervuiling bijna niet gewijzigd zijn. Zowel in 1986 en 1988 als in 1992 en 1995 konden we de grootste percentages bij de industriële vervuiling terugvinden. Milieuvervuiling werd door 52%4 van de Belgen in 1986 met industrieel afval geassocieerd. In 1988 was dit 63%, in 1992 71% en in 1995 64%. De tweede plaats werd afwisselend ingenomen door ‘wegverkeer’en ‘overdadig gebruik van insekticiden en pesticiden door de landbouw’. De percentages voor ‘wegverkeer’bedroegen voor de verschillende jaren resp. 26%, 23%, 33% en 26%. ‘Overdadig gebruik van insekticiden en pesticiden door de landbouw’variëerde tussen 25% en 33%.
4
Het geaggregeerde percentage van de eerste, de tweede en de derde plaats samen 17
3.1.3. Attitude t.a.v. de oplossingen voor milieuproblemen Tabel 7: relatieve frequentieverdeling van de attitude t.a.v. de oplossingen voor milieuproblemen mogelijk +/- mogelijk onmogelijk 69.3% 19.7% 11.0% Is het mogelijk om de milieuvervuiling in Vlaanderen echt tegen te gaan? Wie kan het meest doen om het milieu te beschermen en de milieuvervuiling tegen te gaan?
mensen zoals u en ik landbouwers, pluim- en veeteeltbedrijven de overheid de industrie
meest doen 27.2% 4.8%
tweede meest 16.4% 20.6%
derde meest 26.6% 34.2%
29.4% 38.6%
26.0% 37.0%
18.6% 20.6%
De Vlaming gelooft duidelijk nog in een oplossing voor de milieuproblemen. Bijna 70% van de Vlamingen stelt dat het milieuprobleem kan opgelost worden. Bijna 20% zegt dat het plusminus mogelijk is en 11% van hen zegt dat het milieuprobleem niet meer op te lossen is. Omtrent de vraag wie het meest kan doen om de milieuvervuiling tegen te gaan, komt wederom de verantwoordelijke positie van de industrie naar voor. Bijna 39% van de Vlamingen zegt dat de industrie het meest kan om het milieu te beschermen en de milieuvervuiling tegen te gaan. Op de tweede plaats komt de overheid en op de derde plaats komt de burger. Sommeren we de percentages over de kolommen dan kunnen we stellen dat 96% van de Vlamingen uitkijkt naar initiatieven van de industrie, 74% verwacht oplossingen van de overheid en 70% stelt dat de oplossing voor het milieuprobleem bij de burgers zelf ligt. Op de laatste plaats komt de landbouw met 59%.
18
3.1.4. Attitude t.a.v. het milieubeleid Tabel 8: relatieve frequentieverdeling van de attitude t.a.v. het milieubeleid Mean 0.0-3.3 3.4-6.6 Directe financiële belastende 3.31 52.7% 40% maatregelen Indirecte financiële belastende 7.87 1.5% 15.8% maatregelen Directe gerichte investering 7.96 1.3% 16.1% Indirecte investering 6.78 6.4% 32.3%
6.7-10 7.3% 82.7% 82.6% 61.3%
Bekijken we de gemiddelde scores van de Vlamingen op de milieubeleid schalen dan valt de afkeuring van ‘Directe financiële belastende’maatregelen duidelijk op. Op een schaal van 0 tot 10 bedraagt de gemiddelde score 3.3. Een beleid dat gericht is op ‘hogere heffingen op water- en energiegebruik zoals elektriciteit en brandstof’, op ‘hogere taksen op benzine en diesel voor auto’s’, op ‘hogere wegentaksen voor auto’s’en op ‘afschaffing van de belastingsaftrek van woon- werkverkeer met privéwagens’wordt slechts door 7.3% goedgekeurd. De ‘Directe investering’komt als het meest geprefereerde beleid naar voor. Een beleid dat gericht is op meer investeringen in ‘openbaar vervoer’, in ‘wetenschappelijk onderzoek’ ‘terugwinning van natuurgebieden’en ‘meer recyclage mogelijkheden’wordt door bijna 83% van de Vlamingen goedgekeurd. Een zelfde percentage vinden we bij de ‘Indirecte financiële belastende maatregelen’. 83% heeft de voorkeur aan maatregelen die gericht zijn op een strengere sanctionering van de industrie en dierteeltbedrijven. Ook een ‘hogere belasting voor milieuschadelijke produkten’ en een ‘wettelijke verplichting tot recyclage van huishoudelijk afval’behoort tot de voorkeur van deze 83%. ‘Indirecte investeringen’zoals ‘Meer publieke campagnes organiseren’en ‘milieuvriendelijke initiatieven van ondernemingen, verenigingen en burgers subsidiëren’wordt door 61% van de Vlaamse bevolking goedgekeurd. 32% verleent een gematigde goedkeuring en 6% keurt ze af. In vergelijking met de gevens van het Eurobarometer-rapport van 1995 zouden we kunnen stellen dat de attitude t.a.v ‘Directe financiële belasting’duidelijk gedaald is. De gemiddelde score van de Belgen op de vraag: ‘Bent u voor of tegen milieubelastingen op milieuonvriendelijke produkten en minder belastingen op milieuvriendelijke produkten’– een indicator die de Eurobarometer definieert als de attitude t.a.v. milieubelastingen – bedroeg in 1995 op een schaal van 1 tot 4 3.15. Toch mogen we de gemiddelde score van 3.1 niet vergelijken met onze gemiddelde score van 3.3 op een 10 punten schaal. Volgens de resultaten van de factoranalyse scoort deze variabele niet op de factor directe financiële belastende maatregelen maar eerder op de factor indirecte financiële belastende maatregelen die ook in deze survey een hoge gemiddelde score behaalt.
5
1 helemaal tegen, 2 tegen, 3 voor en 4 helemaal voor 19
3.2.
Milieugedrag
Tabel 9: relatieve frequentieverdeling van het milieugedrag Mean 0.0-3.3 Zuinigheidsgedrag 8.33 2.0 Consumptie-gedrag 4.74 28.9% Mobiliteitsgedrag 5.02 22.8% Afval-gedrag 3.58 46.5% Recyclage-gedrag 6.31 13.4%
3.4-6.6 12.9% 48.7% 52.6% 39.9% 27.3%
6.6-10 85.1% 22.4% 24.6% 13.7% 59.3%
Wanneer we een audit van het milieugedrag van de Vlaming maken dan kunnen we stellen dat hij de negatieve milieu-effecten vooral beperkt via zijn zuinigheidsgedrag, op de tweede plaats komt z'n recyclage gedrag, op de derde z'n mobiliteitsgedrag, op de vierde z'n consumptiegedrag en op de laatste plaats zijn afvalgedrag. Meer dan 85% van de Vlamingen zegt dat hij zuinig omspringt met energie en grondstoffen. Slechts 2% laat elektrische apparaten aanstaan, draait de kraan niet dicht, laat het licht branden of verwarmt meer ruimtes dan nodig. Vergelijken we de cijfers van het zuinigheidsgedrag van 1995 met onze 85% dan kunnen stellen dat het zuinigheidsgedrag is toegenomen. De Eurobarometer van 1995 rapporteert dat 66% van de Belgen zuinig omspringt met energiebronnen en 62% is zuinig op kraanwater. Van 59.3% van de Vlamingen kunnen we zeggen dat ze hun afval sorteren voor recyclage. 27.3% durft wel eens te recycleren en 13.4% recycleert bijna nooit. Het Eurobarometerrapport van 1995 meldt dat 71% van de Belgen wel eens recycleert. In vergelijking met 1995 zouden we kunnen stellen dat het recyclagegedrag gedaald is. Onze 59.3 % ligt duidelijk lager dan 71%. Toch moeten we met dergelijke stelling voorzichtig omspringen. De 71% is een weerspiegeling van recyclage gedrag dat eerder sporadisch dan regelmatig voorkomt. Wat het mobiliteitsgedrag betreft, zegt bijna 25% van de Vlamingen dat ze regelmatig het openbaar vervoer of de fiets gebruiken. Bijna 23% blijft de auto voor allerhande ritjes gebruiken en 52% durft wel eens het openbaarvervoer en de fiets gebruiken maar niet voor alles. De Eurobarometergegevens van 1995 melden dat 43% van de Belgische populatie wel eens andere transportmiddelen, zoals wandelen, fietsen of openbaarvervoer, gebruiken in plaats van de wagen. Op het eerste zicht zouden we tot een dalend milieuvriendelijk mobiliteitsgedrag concluderen maar ook hier is voorzichtigheid geboden. Wederom gaat hier om cijfers die sporadisch gedrag weergeven. 22% van de Vlamingen zegt dat ze rekening houdt met het milieu in zijn consumptiegedrag. Op regelmatige basis worden onbespoten groenten en fruit gekocht, let men op het soort plastiek van de verpakking, koopt men hervulbare verpakking of koopt men ĂŠĂŠn grote verpakking in plaats van vele kleintjes. Bij bijna 49% gebeurt het wel eens dat ze milieuvriendelijke produkten kopen en 29% houdt het liever bij milieuonvriendelijke consumptiegedrag. In 1995 meldde 46% van de Belgen dat ze wel eens milieuvriendelijke produkten koopt ook al zijn deze duurder. Vergelijken we de 46% van 1995 met onze percentages dan kunnen we stellen dat het milieuvriendelijk consumptiegedrag is toegenomen. De Vlaming is niet vlug geneigd om het afval van anderen in natuurgebieden op te rapen of te protesteren wanneer iemand afval op straat werpt. Bijna 47% doet het nooit, 40% doet het soms en 14% doet het regelmatig.
20
4.
TOETSING VAN DE VOOROPGESTELDE HYPOTHESES
4.1.
Relatie tussen milieubesef en milieugedrag
In dit deel willen we dieper ingaan op de relatie tussen de verschillende dimensies van milieubesef en de verschillende dimensies van milieugedrag. We verwachten een miniem verband tussen ‘houding t.a.v. het natuurlijk milieu’en milieugedrag. Andere factoren zoals intentie tot milieugedrag, het inzicht dat het milieugedrag bijdraagt tot de bescherming van van het milieu en het subjectieve geloof in de oplosbaarheid van de milieuproblemen hebben meer kans om het milieugedrag te beïnvloeden. Het subjectieve geloof in de mogelijkheid om de milieuproblemen in Vlaanderen op te lossen en in de eigen effectiviteit om de milieuvervuiling tegen te gaan werden op de volgende wijze geoperationaliseerd: • Eigen effectiviteit (EEFF): (3) mensen zoals u en ik kunnen het meest doen om het milieuprobleem op te lossen, (2) mensen zoals u en ik kunnen het tweede meest doen om het milieuprobleem op te lossen, (1) mensen zoals u en ik kunnen het derde meest doen om het milieuprobleem op te lossen, (0) geloof in de effectiviteit van het eigen milieugedrag is miniem. • Subjectieve geloof in de mogelijkheid om het milieuprobleem op te lossen (SGEL): (5) het is totaal onmogelijk om de milieuvervuiling in Vlaanderen tegen te gaan, (4) het is weinig of niet mogelijk om de milieuvervuiling in Vlaanderen tegen te gaan, (3) het is min of meer mogelijk om de milieuvervuiling in Vlaanderen tegen te gaan, (2) het is best mogelijk om de milieuvervuiling in Vlaanderen tegen te gaan, (1) het is zeer goed mogelijk om de milieu veruiling in Vlaanderen tegen te gaan. Tabel 10: Pearson correlaties tussen de verschillende factoren van milieubesef en milieugedrag (* p < 0.05, ** p < 0.001)
ZUING CONSG MOBILG AFVALG RECYG
MILATT +.076* +.205** +.161** +.134** +.104**
FINB +.a062* +.219** +.122** +.114** +.065*
ZUINB +.230** +.232** +.300** +.208** +.068*
ACTIEB SGEL EEFF +.026 -.070* -.027 +.230** -.147** +.061* +.222** -.082* +.032 +.159** -.112** +.065* +.021 -.072* -.017
De relatie tussen milieugedrag en milieubesef varieert duidelijk over de verschillende dimensies van milieugedrag. Met uitzondering van ZUINB wordt het zuinigheidsgedrag nauwelijks beïnvloedt door de verschillende dimensies van milieubesef. Alhoewel de correlaties tussen MILATT, FINB en ZUING positief en significant zijn, wordt er slechts een minieme percentage van de variantie van ZUING door deze attitudes verklaard en merken we dat er geen verband bestaat tussen ZUING en ACTIEB. Mensen die bereid zijn om actie te voeren ten voordele van het milieu zijn niet zuiniger in hun gedrag dan mensen die niet bereid zijn om actie te voeren ten voordele van het milieu. Een bereidheid om zuinig om te springen met energiebronnen, consumptie goederen en autogebruik leidt tot een zuiniger gedrag. Ook het recyclage gedrag is nauwelijks bepaald door een milieuvriendelijke attitude. FINB en ZUINB verklaren nauwlijks één procent van de variantie van RECYG en tussen RECYG en ACTIEB bestaat geen verband. Mensen die bereid zijn om actie te voeren, recycleren niet meer dan mensen die niet
21
bereid zijn om actie te voeren. Een problematische perceptie op het natuurlijk milieu leidt wel tot een frequenter recyclage gedrag. Het consumptiegedrag, het mobiliteitsgedrag en afvalgedrag worden wel beïnvloed door een milieuvriendelijke attitude. Vlamingen met een problematische visie op het natuurlijk milieu, met een zuinigheidsbereidheid en met een financiële offer- en actiebereidheid kopen frequenter milieuvriendelijke produkten, gebruiken gemakkelijker de fiets of het openbaar vervoer en rapen vlugger het afval van anderen op dan personen die het natuurlijk milieu als onproblematisch percipiëren en die niet bereid zijn om inspanningen te leveren ten voordele van het milieu. Geloof in de effectiviteit van het eigen milieugedrag leidt nauwelijks tot een milieuvriendelijk milieugedrag. Tussen EEFF, ZUING, MOBILG en RECYG bestaat geen significant verband. Vlamingen die stellen dat mensen zoals u en ik veel kunnen doen om het milieuprobleem op te lossen zijn niet zuiniger in hun gedrag, recycleren niet meer en gebruiken even dikwijls de fiets of het openbaar vervoer als personen die stellen dat mensen zoals u en ik niet veel kunnen doen om het milieuprobleem op te lossen. Alhoewel er tussen EEFF, CONSG en AFVALG een significant, postief verband bestaat, wordt nauwelijks één procent van de variantie van het CONSG en het AFVALG door EEFF verklaard. In tegenstelling tot de verwachtingen, merken we dat geloof in de mogelijkheid om het milieuprobleem in Vlaanderen op te lossen in plaats van positief, negatief gecorreleerd is met de verschillende dimensies van milieugedrag. Ongeloof in de mogelijkheid om het milieuprobleem op te lossen leidt tot een zuiniger gedrag, een milieuvriendelijk consumptiegedrag, een frequenter gebruik van fiets of openbaarvervoer, een afvalgedrag dat gericht is op de verbetering van het milieu en een frequenter recyclage gedrag. Toch mogen de invloed van dit geloof wederom niet overroepen de verklaarde variantie door SGEL varieert van 2.1% tot 0.04%. 4.2.
De relatie tussen milieubesef, -gedrag en sociaal - demografische kenmerken
We verwachten een negatief verband tussen leeftijd en milieubesef, -gedrag. Een hogere confrontatie met milieuvervuiling of een residentie in een stedelijke agglomeratie zou tot een milieuvriendelijker milieubesef en -gedrag moeten leiden en personen die in de landbouwsector werken zouden een negatiever milieubesef en zich milieu onvriendelijker moeten gedragen dan personen die niet in de landbouwsector werken. We kunnen een positief verband tussen milieubesef en sociale klasse en een negatief verband tussen sommige dimensies van milieugedrag en sociale klasse verwachten. Omtrent de sekseverschillen in milieubesef en –gedrag kunnen we geen éénduidige hypothese stellen. De onafhankelijke variabelen werden op de volgende wijze geoperationaliseerd: • Sekse (SEKSE): 0 vrouw, 1 man • Leeftijd (LFT): het verschil tussen 1996 en het geboortejaar van de respondent • Sociale klasse omvat twee variabelen: - Opleiding (OPL): (1) geen opleiding, (2) lager onderwijs, (3) lager secundair onderwijs, 4 hoger secundair onderwijs, (5) niet-universitair onderwijs, (6) universitair onderwijs - Inkomen (INKOM): het gezamenlijk netto maandinkomen van het huishouden • Residentie (RESID): (1) andere gemeenten, (2) secundaire gemeenten, (3) stedelijke gemeenten, (4) grote agglomeratie • Confrontatie met milieuvervuiling (MILVERV): de som van de confrontatie met verschillende aspecten van milieuvervuiling: smog, schuimvorming op waterlopen, stank veroorzaakt door agrarische activiteiten, bladeren van de bomen die vroeger geel worden, 22
stank veroorzaakt door waterlopen, lawaai veroorzaakt door luchtverkeer, zwerfvuil, verkleurde waterlopen, bepaalde plantensoorten en diersoorten die verdwijnen, stank veroorzaakt door fabrieken, lawaai veroorzaakt door wegverkeer en stank veroorzaakt door wegverkeer. Elk aspect van milieuvervuiling is een dummy variabele, 0 weinig confrontatie met het betreffende aspect van milieuvervuiling, 1 regelmatige confrontatie met het betreffende aspect van milieuvervuiling
23
Tabel 11: Pearson correlaties tussen de verschillende factoren van milieubesef, -gedrag en de sociaal – demografische kenmerken (* p < 0.05, ** p < 0.001) SEKSE LFT OPL INKOM RESID LANDB MILVERV MILATT -.054* -.104** +.179** +.141** +.066* -.204** +.249** DIRBEL -.001 -.087* +.181** +.089* +.024 -.150** +.278** INDBEL -.035 -.031 +.137** +.068* -.031 -.191** +.170** DIRINV +.013 -.079* +.148** +.098* +.029 -.116* +.156** INDINV -.059* -.107** +.076* +.044 -.080* -.109* +.127** FINB +.032 -.174** +.351** +.278** -.012 -.074* +.147** ZUINB -.061* -.004 +.055 +.033 +.038 +.004 +.166** ACTIEB +.085* -.316** +.224** +.108** +.041 -.092* +.192** ZUING -.029 +.192** -.101** -.111** -.102** +.042 -.004 CONSG -.053 -.060* +.150** +.113** -.137** -.013 +.072* MOBILG -.099** -.048 +.027 -.146** +.198** -.060 +.108** AFVALG -.069* +.094** -.024 +.007 -.020 -.028 +.171** RECYG -.009 +.114** +.014 +.052 -.230** -.043 +.001 Sekseverschillen vinden we nauwelijks in de verschillende dimensies van milieubesef en milieugedrag terug. Enkel bij MILATT, INDINV, ZUINB, ACTIEB, MOBILG en AFVALG stellen we een significante maar beperkte invloed van sekse vast. Vrouwen hebben een grotere kans om het natuurlijk milieu als een probleem te percipiëren, ze staan positiever t.a.v. indirecte investeringen, ze zijn meer bereid om zuinig om te springen met energiebronnen, autogebruik en consumptiegoederen en ze gebruiken regelmatiger de fiets of het openbaarvervoer. De mannen zijn meer bereid om actie te voeren ten voordele van het milieu. Het positieve verband tussen SEKSE en FINB en de negatieve relaties tussen SEKSE enerzijds en DIRBEL, INDBEL, DIRINV, ZUING, CONSG en RECYG anderzijds kunnen we niet veralgemenen naar de populatie toe. De negatieve invloed van leeftijd op milieubesef en –gedrag wordt slechts gedeeltelijk bevestigd. Terwijl jongere mensen een positiever milieubesef hebben dan oudere mensen, merken we dat oudere mensen zich milieuvriendelijker gedragen dan jongere mensen. Jongere mensen percipiëren het natuurlijk milieu eerder als een problematisch gegeven, ze staan positiever t.a.v. indirecte investerende maatregelen, ze hebben een grotere financiële bereidheid en ze zijn vlugger geneigd om actie te voeren ten voordele van het milieu dan oudere mensen. Ouderen mensen zijn zuiniger in hun gedrag, ze rapen iets vlugger het afval van anderen op en ze recycleren hun afval op een regelmatiger basis dan jongere mensen. De relatie tussen attitude t.a.v. directe belastende en - investerende maatregelen, consumptiegedrag en leeftijd is wel significant negatief maar niet substantieel. Het verwachte positieve verband tussen opleiding en milieubesef wordt bevestigd en er is een verschil in de relatie tussen milieubesef en opleiding enerzijds en milieugedrag en opleiding anderzijds merkbaar. De meeste correlaties tussen de verschillende dimensies van milieubesef en opleiding zijn positief en significant. De sterkste positieve verbanden vinden we bij de financiële bereidheid en de actiebereidheid terug. Het minimieme positieve verband tussen opleiding en zuinigheidsbereidheid kunnen we niet veralgemenen naar de bevolking toe. Personen met een lage opleiding zijn zuiniger in hun gedrag dan personen met een hoge opleiding en mensen met een hoge opleiding zijn milieubewuster in hun consumptiegedrag
24
dan mensen met een lage opleiding. De relatie tussen mobiliteitsgedrag, afvalgedrag, recyclagegedrag en opleiding is niet significant verschillend van nul. Bovenstaande conclusie is tevens grotendeels toepasbaar op de invloed van inkomen op het milieubesef en –gedrag. Inkomen is positief gerelateerd met de verschillende dimensies van milieubesef en grotendeels negatief gerelateerd met de verschillende dimensies van milieugedrag. Mensen met een laag besteedbaar inkomen zijn zuiniger in hun gedrag en gebruiken vaker de fiets of het openbaar vervoer dan mensen met een hoger besteedbaar inkomen. Financieel welstellende personen houden meer rekening met het milieu in hun consumptiegedrag dan personen met een lager inkomen. De relatie tussen inkomen en attitude t.a.v. indirecte investerende maatregelen, zuinigheidsbereidheid, afvalgedrag en recyclagegedrag is niet significant verschillend van nul. De verwachte hypothese van een positieve invloed van residentie op milieubesef en –gedrag wordt niet bevestigd. We stellen eerder het omgekeerd vast. Stedelingen zijn minder zuinig in hun gedrag dan dorpsbewoners. Ze houden minder rekening met het milieu in hun consumptiegedrag en ze recycleren significant minder dan mensen die in kleinere agglomeratie wonen. Doch, gebruik van fiets en openbaarvervoer komt significant meer voor bij de stadsbewoners dan dorpsbewoners. Het verband tussen residentie en de verschillende dimensies van milieubesef is meestal niet significant verschillend van nul. Enkel bij MILATT en INDINV vinden we een miniem significant verband terug. Mensen die leven in een stedelijke agglomeratie zijn eerder geneigd om het natuurlijk milieu als problematisch te percipiëren en staan minder positief t.a.v. indirecte investerende maatregelen dan mensen die leven in dorpen of op het platteland. Personen die in de landbouwsector werken hebben duidelijk een minder positieve attitude t.a.v. het milieu maar zijn even milieuvriendelijk in hun gedrag als personen die niet in de landbouwsector werken. Het natuurlijk leefmilieu wordt minder vlug met een problematische omgeving geassocieerd, ze staan negatiever t.a.v. directe en indirecte belastende en investerende maatregelen en hun financiële offerbereidheid is significant kleiner dan de bij de personen die niet in de landbouwsector werken. Bij de verschillende dimensies van milieugedrag merken we geen significante verschillen tussen personen die in de landbouwsector werken en personen die niet in de landbouwsector werken. Geen enkele correlaties is significant verschillend van nul. Tussen confrontatie met milieuvervuiling en de verschillende dimensies van milieubesef vinden we een significant positief verband terug. Personen die zeggen dat ze dikwijls geconfronteerd worden met milieuvervuiling percipiëren het natuurlijk milieu als een problematische omgeving. Ze staan positiever t.a.v. (in)directe belastende en - investerende maatregelen en hun financiële offerbereidheid, zuinigheidsbereidheid en actiebereidheid is groter dan bij de personen die zeggen dat ze slechts zelden met milieuvervuiling in aanraking komen. De invloed van confrontatie met milieuvervuiling op het milieugedrag is, met uitzondering van zuinigheidsgedrag en recyclagegedrag, positief en significant verschillend van nul. Ze leidt tot een frequenter gebruik van fiets en openbaarvervoer, tot een iets milieuvriendelijker consumptiegedrag en tot een afvalgedrag dat gericht is op de verbetering van het milieu.
25
5. BESLUIT Omtrent de houding t.a.v. het natuurlijk milieu van de Vlaming kunnen we een aantal conclusies trekken. Vooreerst kunnen we stellen dat de bezorgdheid omtrent het natuurlijk milieu afneemt. Deze daling impliceert niet dat er een toename is in de volledige onbezorgdheid maar wel dat de intensiteit van de bezorgdheid afneemt. Steeds minder mensen zijn vrij bezorgd omtrent het milieu. De daling in een vrij problematische visie op het natuurlijk milieu komt ook tot uiting in het geloof in de mogelijkheid om het milieuprobleem in Vlaanderen op te lossen. Weinig Vlamingen zien het milieuprobleem als een onoplosbaar probleem. De meeste Vlamingen stellen dat het goed mogelijk is om het milieuprobleem op te lossen. Omtrent de oorzaken van milieuproblemen en de groep die het milieuprobleem moet oplossen heeft de Vlaming een duidelijke mening. De industrie is het meest verantwoordelijk voor de milieuproblemen, een mening die over de jaren niet veranderd is, zij zijn degenen die het milieuprobleem moeten oplossen en de overheid moet vooral een beleid voeren dat de industrie extra belast. Richten we onze aandacht op de gedragsdisposities van de Vlaming t.v.v. het milieu dan kunnen we stellen dat de Vlaming in zekere mate bereid is om een financiële inspanning te leveren voor het milieu. Toch zijn er aan deze financiële offerbereidheid grenzen. Zolang hij / zij kan kiezen voor een extra financiële inspanning en er een mogelijkheid blijft bestaan om er aan te ontsnappen door gedragswijziging, gaat hij / zij akkoord met een extra financiële inspanning. Pas wanneer deze extra milieu taxen direct worden en er geen ontsnappen meer aan is – zie de attitude t.a.v. directe financiële belastende maatregelen – verdwijnt deze bereidheid in het niets. Toch blijft de vraag nog open of we deze algemene negatieve attitude t.a.v. de directe financiële belastende maatregelen mogen zien als een lage financiële offerbereidheid t.v.v. het milieu. Zoals gesteld weerspiegelt de attitude t.a.v. de directe financiële belastende maatregelen niet alleen de offerbereidheid t.v.v. het milieu maar ook de attitude t.a.v. de overheid en belastingen en het vertouwen in de overheid om het milieuprobleem op een correcte wijze op te lossen. Wat de zuinigheidsbereidheid van de Vlaming betreft, kunnen we enerzijds stellen dat de Vlaming duidelijk bereid is om zuinig om te springen met energiebronnen, consumptiegoederen en autogebruik en dat hij deze bereidheid ook metterdaad omzet in zuinigheidsgedrag. Anderzijds kunnen we niet stellen dat deze zuinigheidsbereidheid en –gedrag vanuit een ecologische motivatie komt. Het zuinigheidsgedrag is nauwelijks gerelateerd aan de verschillende dimensies van milieubesef. De actiebereidheid ten voordele van het milieu is bij de Vlaming vrij beperkt. De audit van het milieugedrag van de Vlaming toonde aan dat de Vlaming de negatieve milieu-effecten achtereenvolgens reduceert door zuinigheidsgedrag, recyclagegedrag, mobiliteitsgedrag, consumptiegedrag en milieuverbeterend zwerfvuilgedrag. Toch wil dit niet zeggen dat elke Vlaming via bovenstaande volgorde het milieu beschermt. De correlaties tussen milieubesef en -gedrag enerzijds en sociaal demografische kenmerken anderzijds toonden aan dat het milieugedrag duidelijk varieert over verschillende bevolkingsgroepen. Het zuinigheidsgedrag komt het meest voor bij groepen met een lager besteedbaar inkomen, met een lagere opleiding, oudere mensen en Vlamingen die op het platteland leven. Het zuinigheidsgedrag en het recyclagegedrag komen niet noodzakelijk meer voor bij mensen die bereid zijn om allerlei inspanningen te leveren ten voordele van het milieu. De meest frequente recyclerende Vlamingen zijn mensen met een problematische visie op het milieu, die eerder in een niet stedelijke agglomeratie wonen en die een zekere leeftijd bereikt hebben.
26
Het consumptiegedrag, het mobiliteitsgedrag en het zwerfvuilgedrag zijn wel bepaald door ecologische motivaties. Het zwerfvuilgedrag varieert nauwelijks over de verschillende sociaal-demografische bevolkingsgroepen. Het gebruik van de fiets en het openbaarvervoer komt het meest voor bij mensen met een laag besteedbaar inkomen en mensen die in de stad leven. En het consumptiegedrag komt meer voor bij mensen met een hoog besteedbaar inkomen, met een hoge opleiding en mensen die niet in grote agglomeraties wonen. Uit de analyse is verder ook gebleken dat we omtrent de invloed van sociaal – demografische kenmerken een duidelijk onderscheid moeten maken tussen hun invloed op het milieubesef enerzijds en hun invloed op het milieugedrag anderzijds. Vlamingen die in de landbouwsector werken hebben duidelijk minder positieve attitudes t.a.v. het milieu dan personen die in de landbouwsector werken. Maar wanneer het op milieugedrag aankomt dan kunnen we geen verschil tussen deze twee groepen vaststellen. Op basis van de hier gevonden resultaten kunnen enkele beleidsrelevant conclusies getrokken worden. De Vlaming is zeker bereid om zuiniger om te springen met energiebronnen en consumptie goederen. Indien de Vlaamse overheid dit zuinigheidsgedrag wil aanmoedigen dan zou ze er goed aan doen om niet zo zeer te wijzen op de ecologische voordelen van zuinigheidsgedrag maar eerder op de financiële voordelen dat zuinigheidsgedrag met zich meebrengt. Het mobiliteitsgedrag en het consumptiegedrag kan wel met ecologische voordelen aangemoedigd worden. Vooral bij de hogere inkomensgroepen kan een nadruk op de ecologische voordelen tot een frequenter milieuvriendelijk mobiliteits- en consumptiegedrag leiden. Tevens kan de Vlaamse overheid met een vrij grote zekerheid rekenen op een bereidheid tot recyclage van de Vlamingen. Grotendeels wordt deze bereidheid ook in recyclagegedrag omgezet, toch ondervindt de Vlaming nog tekortkomingen in de mogelijkheden om te recycleren. Het grootste deel van de Vlamingen wenst dat er naast meer investeringen voor wetenschappelijk onderzoek, openbaarvervoer en natuurgebieden ook meer investeringen voor recyclage mogelijkheden komen. Gezien de lage bereidheid om directe milieubelastingen te betalen, lijkt het voor de overheid op het eerste gezicht moeilijk om extra inkomsten voor deze extra investeringen te bemachtigen. Koppelen we de financiële offerbereidheid t.v.v. het milieu los van de directe milieubelastingen dan zien we dat de helft van de Vlamingen - vooral welstellende Vlamingen - wel bereid is om bijvoorbeeld milieuvriendelijke produkten of hoger taxen op milieuvervuilende produkten te betalen. De overheid kan dus in zekere zin rekenen op een financiële tegemoetkoming t.v.v. het milieu van zijn burgers maar ze moet er wel voor zorgen dat deze extra inkomsten voor de overheid indirect verlopen. In die zin dat de burgers bijvoorbeeld, zelf kunnen kiezen voor de aankoop van milieugetaxeerde produkten en dat ongetaxeerde milieuvriendelijke alternatieven blijven bestaan. BIBLIOGRAFIE AJZEN, I & FISHBEIN M.; ‘Understanding Attitudes and Predicting Social Behavior’, Englewood Cliffs, 1980. BANDURA, A.; ‘Self efficacy mechanism in human agency’, American Psychologist, 37, pp. 122-147, 1982. BILLIET, J. & LOOSVELDT, G. & WATERPLAS, L.; ‘Het Survey – Interview Onderzocht. Effecten van het ontwerp en gebruik van vragelijsten op de kwaliteit van de antwoorden’, S.O.I. Reeks, 1984. BUTTEL, F.H. & FLINN, W.L.; ‘Social Class and mass environmental concern: a
27
reconsideration’, Environment and Behavior, 10, pp. 433-450, 1978. COMMISION OF THE EUROPEAN COMMUNITIES; ‘Les Européens et l’Environnement’, 1988. COMMISION OF THE EUROPEAN COMMUNITIES; ‘The Europeans and their Environment’, 1986,1992,1995. COWAN, R.S.; ‘From Virginia Dare to Virginia Slims: Women and Technology in American Life’, Technoloy and Culture, 20, pp. 51-63, 1979. DILLMAN, D.A. & ROSA, E.A. & DILLMAN J.J.; ‘Lifestyle and home enrgy conservation in the United States’, Journal of Economic Psychology, 3, pp. 299-315, 1983. DOWNS, A.; ‘Up and down with ecology – the issue attention cycle’, The public interest, 2, pp. 38-50, 1972. ESTER, P. & HALMAN, L. & SEUREN, B.; ‘Environmental Concern and Offering Willingness in Europe and North America’, in ‘The Individualizing Society. Value Change in Europe and North America’, 1993. ESTER, P. & VAN DER MEER, F.; ‘Sociale aspecten van het milieuvraagstuk’, Assen , 1979. ESTER, P.; ‘Milieubesef in Nederland’, Sociologische Gids, 2, pp. 97-119, 1980. FISHBEIN, M.; ‘Readings in attitude theory and measurement’, New York, 1967. GRIFFIN, S.; ‘Women and Nature’, Harper and Row, 1978. KORMAN, A.K.; ‘The psychology of motivation’, Englewood Cliffs, 1974. LEFCOURT, H.M.; ‘Locus of control: current trends in theory and research’, Hillsdale, 1982. MALKIS, A. & GRASMICK, H.G.; ‘Support for het ideology of the environment movement: test of alternative hypotheses’, Western Sociological Review, 8, pp. 25-47, 1977. MANNHEIM, K.; ‘The problem of generations’, in ‘Essays on the Sociology of Knowledge’, Oxford University Press, 1952. MASLOW, A.H.; ‘Motivation and Personality’, Viking Press, 1970. McEVOY, J.; ‘The American concern with the environment’, in ‘Social Behavior, Natural Resources, and the Environment’, New York, 1972. MURDOCK, S.H. & SCHRINER, E.C.; ‘Social and Economic determinants of the level of support for environmental protection and economic growth in a rural population’, Madison, 1977. NELISSEN, N. & PERENBOOM, R. & PETERS, P. & PETERS, V.; ‘De Nederlanders en hun Milieu’, Zeist, 1987. PASSINO, E.M. & Lounsbury, J.W.; ‘Sex diferrences in opposition to and support for construction of a proposed nuclear power plant’, in ‘The Behavioral Basis of Design’, 1976. SCHREURS, L.J.M. & NELISSEN, N.J.M.; ‘Het meten van milieubesef’, Raad der Europese gemeenten, Maastricht, 1975. SCHWARTZ, S.H.; ‘The justice of need and the activation of humanitarian norms’, Journal of Social Issues, 21, pp. 111-136, 1975. TELLEGEN, E. & WOLSINK, M.; ‘Milieu en Samenleving’, Stenfert Kroese, 1992. TREMBLEY, K.R. & DUNLAP, R.E.; ‘Rural-urban residence and concern with environmental quality : a replication and extension’, Rural Sociology, 43, pp. 474-491, 1978. VAN LIERE, K.D. & DUNLAP, R.E.; ‘The Social Bases of Environmental Concern: A Review of Hypotheses, Explanations and Empirical Evidence’, Public Opinion Quaterly, 44, pp. 181-197, 1980.
28