Skip to main content

Visienota_ bestedingskader_ VKF_11092020.pdf

Page 1

VR 2020 1109 DOC.0985/1BIS

DE VLAAMSE MINISTER VAN JUSTITIE EN HANDHAVING, OMGEVING, ENERGIE EN TOERISME

BIS-VISIENOTA VLAAMSE REGERING Betreft: Cofinanciering in functie van de kostenefficiëntie voor allocatie van middelen uit het Vlaams Klimaatfonds voor Vlaamse mitigatiemaatregelen

1. SAMENVATTING Het Vlaams Klimaatfonds (VKF) zal in de toekomst verder ingezet worden als hefboom voor Vlaamse mitigatiemaatregelen die bijdragen aan de Vlaamse broeikasgasreductiedoelstelling in de niet-ETS en LULUCF sectoren. We zullen voortaan beleidsinstrumenten, die bijdragen aan het behalen van de Vlaamse broeikasgasreductiedoelstellingen, cofinancieren uit het VKF in functie van hun kostenefficiëntie.

2. SITUERING A. DOELSTELLING VAN DE VISIENOTA Vlaanderen streeft de doelstelling na om tegen 2030 zijn broeikasgasemissies in de niet-ETS sectoren te reduceren met 35% ten opzichte van 2005. Dit is voor Vlaanderen een enorme uitdaging. De opgelegde doelstelling voor België gaat dan ook veel verder dan wat volgens kostenefficiëntie berekend was (25%). Het Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030 zet de stap om deze uitdaging aan te pakken. Momenteel leiden de maatregelen die opgenomen zijn in het plan -op basis van de prognoses- nog niet tot de vooropgestelde reductie van 35% tegen 2030. Om de doelstelling van 35% tegen 2030 effectief te realiseren moeten we voluit gaan voor een versnelling van investeringen, innovatie en technologische vooruitgang. De SERV heeft ingeschat dat een verdubbeling tot een verdriedubbeling van het investeringsritme noodzakelijk is om de klimaat- en energiedoelen te halen1. Vlaanderen heeft zijn vooropgestelde bijdrage aan de Europese klimaatneutraliteit in 2050 toegelicht in de Vlaamse Klimaatstrategie 2050 die eind 2019 werd goedgekeurd en werd ingebracht in de Belgische lange termijnstrategie voor de reductie van broeikasgasemissies van België. We streven naar een vermindering met 85% van de uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen in de niet-ETS sectoren tegen 2050 ten opzichte van 2005, met de ambitie om te evolueren naar volledige klimaatneutraliteit. Voor de ETS sectoren schrijven we ons in binnen de context die Europa bepaalt voor deze sectoren met een dalende emissieruimte onder het EU ETS. In de Beleidsnota Klimaat 2019-2024 staat daarom de operationele doelstelling “We optimaliseren de werking van het klimaatfonds”:

Zie onder meer rapport van de SERV “Klimaat -en Energiebeleid 2019-2024. Van alfa tot omega” van 24 juni 2019 1

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Pagina 1 van 8


“We zetten het Vlaams Klimaatfonds in de niet-ETS sectoren in om bij te dragen aan het realiseren van onze 2030 broeikasgasreductiedoelstelling. Ik introduceer voor de financiering uit het Vlaams Klimaatfonds van broeikasgasreductiemaatregelen in niet-ETS sectoren het principe van cofinanciering zoals dat ook bij vele Europese fondsen het geval is. Dit betekent dat broeikasgasreductiemaatregelen niet integraal gefinancierd kunnen worden vanuit het Vlaams Klimaatfonds, maar gedeeltelijk ook met private middelen of andere overheidsmiddelen gefinancierd moeten worden. Hierdoor bekomen we een hefboomeffect met het Klimaatfonds, en verhoogt de impact van het fonds. De bijdrage uit het Klimaatfonds voor het financieren van een maatregel zou wel proportioneel hoger zijn bij een hogere kostenefficiëntie van de gefinancierde maatregel. Het Klimaatfonds zal ook ingezet worden voor investeringen in de inrichting van de open ruimte die bijdragen aan de realisatie van de ‘no net loss’-doelstelling van koolstofverliezen door landgebruik.”

B. TOTSTANDKOMING VAN DE VISIENOTA Op 27 april 2012 besliste de Vlaamse Regering het Vlaams Klimaatfonds (VKF) op te richten in de vorm van een organiek begrotingsfonds (decretale basis in artikel 14 van het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012). Het oprichtingsdecreet bepaalt voor welke doeleinden het klimaatfonds kan aangewend worden, dat zijn: • De uitvoering van intern Vlaams klimaatbeleid met het oog op het behalen van de Vlaamse broeikasgasreductiedoelstellingen; • De uitvoering van het Vlaamse beleid inzake flexibiliteitsmechanismen (in geval de Vlaamse broeikasgasreductiedoelstelling niet bereikt kan worden met interne maatregelen); • Remediëring van competitiviteitsverlies bij Vlaamse bedrijven ten gevolge van klimaatbeleid (dit zijn compensaties voor indirecte emissiekosten); • Internationale klimaatfinanciering. Op 9/12/2019 keurde de Vlaamse Regering het Vlaams Energie-en Klimaatplan 2021-2030 goed, met deze paragraaf in het hoofdstuk over financiering:

“We zetten het Vlaams Klimaatfonds in de niet-ETS sectoren in om bij te dragen aan het realiseren van onze 2030 broeikasgasreductiedoelstelling. We zorgen dat hier steeds gewerkt wordt volgens het principe van cofinanciering, zoals dat ook bij vele Europese fondsen het geval is. Dit betekent dat broeikasgasreductiemaatregelen niet integraal gefinancierd kunnen worden vanuit het Vlaams Klimaatfonds, maar gedeeltelijk ook met private middelen of andere overheidsmiddelen gefinancierd moeten worden. Hierdoor bekomen we een hefboomeffect met het klimaatfonds, en verhoogt de impact van het fonds. De bijdrage uit het klimaatfonds voor het financieren van een maatregel zou wel proportioneel hoger zijn bij een hogere kostenefficiëntie van de gefinancierde maatregel. Het klimaatfonds zal ook ingezet worden voor investeringen in de inrichting van de open ruimte die bijdragen aan de realisatie van de ‘no net loss’-doelstelling van koolstofverliezen door landgebruik..”

In mei/juni 2020 werden de beleidsdomeinen geconsulteerd over de uitwerking van het nieuwe bestedingskader in lijn met bovenstaande beslissingen. Hiermee werd rekening gehouden bij de vormgeving van dit kader (zie verder bij inhoud).

3. INHOUD A. PROBLEEMSTELLING EN SCOPE In de voorbije periode 2013-2019 is er in totaal 645 miljoen euro van het Vlaams Klimaatfonds besteed. Deze bestedingen zijn als volgt verdeeld over deze 4 bestedingscategorieën (op basis van bestemde middelen, deze werden reeds grotendeels, maar nog niet 100%, vastgelegd en uitbetaald): ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Pagina 2 van 8


Bestedingscategorie Vlaams klimaatbeleid Flexibiliteitsmechanismen Compensatie indirecte emissiekosten Internationale klimaatfinanciering

Totale VKF-inzet 2012-2019 in miljoen euro 491,6 1,5 117,7 34,3

Deze visienota handelt uitsluitend over de eerste bestedingscategorie: de financiering van maatregelen gericht op het behalen van de Vlaamse broeikasgasreductiedoelstellingen. De aanpak beschreven in deze visienota geldt vanaf 2020, enkel voor wat betreft de nieuwe beslissingen over de toekenning van middelen uit het Vlaamse Klimaatfonds. Voor wat betreft de reeds besliste toekenningen van middelen uit het Vlaams Klimaatfonds wijzigt er niets.

B. VOORGESTELDE BELEIDSOPTIES B.1 Principes Hieronder lichten we de drie belangrijkste elementen inzake de optimalisatie van het klimaatfonds (inzet in niet-ETS of LULUCF-sectoren voor het realiseren van respectievelijk de Vlaamse broeikasgasreductiedoelstelling en no-debit regel, principe van cofinanciering en principe van kostenefficiëntie) verder toe. Zoals aangegeven zijn deze principes vervat in het goedgekeurde VEKP 2021-2030. In mei/juni 2020 werden de verschillende beleidsdomeinen geconsulteerd over de verdere uitwerking van het nieuwe bestedingskader. Rekening houdend met deze consultatie omvat het nieuwe bestedingskader ook: o drempelwaarden voor het vaststellen van de cofinanciering die ervoor zorgen dat minder kostenefficiënte2 maatregelen niet volledig uit de boot vallen; o een (beperkte) cofinanciering voor zinvolle mitigatiemaatregelen zonder rechtstreeks kwantificeerbaar reductiepotentieel; o een extra stimulans, via een bonus, voor beleidsmaatregelen met een significante hefboom naar private financiering; o een duidelijke omschrijving over hoe de cofinancieringspercentages worden toegepast; Daarnaast zal een overzichtelijk invulsjabloon ter beschikking gesteld worden om de nodige parameters en ramingen te kunnen aanleveren. Kostenefficiëntie is dus het leidende principe voor het bepalen van de graad van VKF-cofinanciering voor Vlaamse klimaatbeleidsmaatregelen. Maar elke entiteit kan op het niveau van de toepassing van zijn/haar beleidsinstrument zelf accenten leggen en haar eigen criteria bepalen. Bij de ontwikkeling van bv. een nieuw subsidiestelsel kan de entiteit die deze subsidies zal verlenen in haar subsidiereglement ook criteria opnemen gericht op innovatie, economische valorisatie, repliceerbaarheid, samenwerking etc. Zowel volledige beleidsinstrumenten (zoals bv. een subsidiestelsel gericht op niet-ETS broeikasgasreducties in een bepaalde sector) als individuele investeringsprojecten kunnen in aanmerking komen voor cofinanciering volgens de principes beschreven in deze nota.

Kostenefficiëntie wordt in deze nota gezien als “broeikasgasreductie kostenefficiëntie”, zie verdere verduidelijkingen bij het principe van kostenefficiëntie 2

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Pagina 3 van 8


1.

Inzet van het Vlaams Klimaatfonds in de niet-ETS en LULUCF sectoren voor realiseren van de Vlaamse broeikasgasreductiedoelstelling en de no-debit regel. Enkel maatregelen die gericht zijn op emissiereducties in de sectoren die niet gevat worden door het Europees Systeem van Verhandelbare Emissierechten (EU ETS) zullen uit het VKF gefinancierd worden. Het is immers enkel voor deze niet-ETS sectoren - de gebouwen, transport, landbouw, afval en een klein deel van de industrie – en de LULUCF3-sectoren dat de Vlaamse overheid rechtstreeks verantwoordelijk is en de financiĂŤle gevolgen moet dragen van eventuele tekorten. Acties ter besparing van elektriciteit (bv. door relighting,‌) of ter financiering van hernieuwbare elektriciteitsprojecten (PV, windenergie‌) zullen niet gefinancierd worden uit het VKF. Maatregelen zoals warmtepompen, zonneboilers, pocketvergisters, elektrificatie van voertuigen en machines, restwarmtegebruik etc. komen wel in aanmerking aangezien deze leiden tot emissiereducties in de niet-ETS. 2. Principe van cofinanciering Dit betekent dat de steun vanuit de overheid voor broeikasgasreductiemaatregelen niet integraal gefinancierd kan worden vanuit het Vlaams Klimaatfonds, maar gedeeltelijk ook met andere Vlaamse of lokale overheidsmiddelen gefinancierd moet worden. Hierdoor bekomen we een hefboomeffect met het Klimaatfonds, en verhoogt de impact van het fonds. In de voorbije periode varieerde de graad van cofinanciering sterk: sommige projecten werden voor 100% gefinancierd vanuit het VKF, terwijl voor andere projecten maximaal 30% van de investeringskosten vanuit het VKF gefinancierd konden worden. 3. Principe van kostenefficiĂŤntie en hefboom naar private financiering De budgettaire middelen voor het klimaatbeleid zijn beperkt. Dat betekent dat de beperkte middelen moeten ingezet worden daar waar ze de grootste impact hebben. Daarom stellen we voor dat kostenefficiĂŤnte maatregelen een hogere cofinanciering uit het VKF kunnen ontvangen. KostenefficiĂŤntie is gedefinieerd als de totale kosten (investeringskosten plus de netto werkingskosten) gedeeld door het geraamde BKG-reductiepotentieel over de levensduur van de investering. đ??žđ??¸ =

đ?‘–đ?‘›đ?‘Łđ?‘’đ?‘ đ?‘Ąđ?‘’đ?‘&#x;đ?‘–đ?‘›đ?‘”đ?‘ đ?‘˜đ?‘œđ?‘ đ?‘Ąđ?‘’đ?‘› + đ?‘™đ?‘’đ?‘Łđ?‘’đ?‘›đ?‘ đ?‘‘đ?‘˘đ?‘˘đ?‘&#x; ∗ (đ?‘—đ?‘Žđ?‘Žđ?‘&#x;đ?‘™đ?‘–đ?‘—đ?‘˜đ?‘ đ?‘’ đ?‘˜đ?‘œđ?‘ đ?‘Ąđ?‘’đ?‘› − đ?‘—đ?‘Žđ?‘Žđ?‘&#x;đ?‘™đ?‘–đ?‘—đ?‘˜đ?‘ đ?‘’ đ?‘œđ?‘?đ?‘?đ?‘&#x;đ?‘’đ?‘›đ?‘”đ?‘ đ?‘Ąđ?‘’đ?‘›) đ?‘™đ?‘’đ?‘Łđ?‘’đ?‘›đ?‘ đ?‘‘đ?‘˘đ?‘˘đ?‘&#x; ∗ đ?‘—đ?‘Žđ?‘Žđ?‘&#x;đ?‘™đ?‘–đ?‘—đ?‘˜đ?‘ đ?‘’ đ??ľđ??žđ??ş đ?‘&#x;đ?‘’đ?‘‘đ?‘˘đ?‘?đ?‘Ąđ?‘–đ?‘’

Een investering met een reductiekost van 25 ₏/ton CO2-eq. heeft bijvoorbeeld een betere kostenefficiÍntie dan een investering met een reductiekost van 50₏/ton CO2-eq. Met een investeringsbedrag van 100.000 ₏ zou de eerste investering een reductie van 4.000 ton CO2-eq. realiseren, terwijl de tweede (minder kostenefficiÍnte maatregel) slechts een emissiereductie van 2.000 ton CO2-eq. zou realiseren. Er zijn verschillende mogelijke maatstaven van kostenefficiÍntie, al naargelang de kosten die in de teller worden opgenomen. Wij nemen in de teller de totale kosten op (ongeacht of die publiek of privaat zijn), zodat we, vanuit het standpunt van de Vlaamse samenleving, prioriteit geven aan de meest efficiÍnte mitigatiemaatregelen. Bij de berekening van de kostenefficiÍntie wordt enkel rekening gehouden met de reducties in de niet-ETS en LULUCF sectoren. We beschouwen de KE enkel voor niet-ETS en LULUCF maatregelen. Tegelijk willen we de hefboomwerking naar externe financiering van het VKF extra stimuleren door een groter cofinancieringspercentage toe te kennen aan beleidsmaatregelen met een groot hefboomeffect. Hiermee bedoelen we dat de middeleninzet van de Vlaamse of lokale overheid een Land Use, Land-Use Change and Forestry. Voor deze sector moet aan de zgn. no-debet regel voldaan worden: geen netto koolstofverliezen uit bodem en biomassa. 3

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Pagina 4 van 8


veelvoud aan klimaatinvesteringen van buiten de Vlaamse of lokale overheid oplevert (via bijvoorbeeld investeringen gefinancierd met private of Europese middelen). Dit verdient een bonus. đ??ťđ?‘’đ?‘“đ?‘?đ?‘œđ?‘œđ?‘š =

đ?‘–đ?‘›đ?‘Łđ?‘’đ?‘ đ?‘Ąđ?‘’đ?‘&#x;đ?‘–đ?‘›đ?‘”đ?‘ đ?‘˜đ?‘œđ?‘ đ?‘Ąđ?‘’đ?‘› đ?‘?đ?‘–đ?‘—đ?‘‘đ?‘&#x;đ?‘Žđ?‘”đ?‘’ đ?‘‰đ?‘™đ?‘Žđ?‘Žđ?‘šđ?‘ đ?‘’ đ?‘œđ?‘“ đ?‘™đ?‘œđ?‘˜đ?‘Žđ?‘™đ?‘’ đ?‘œđ?‘Łđ?‘’đ?‘&#x;ℎđ?‘’đ?‘–đ?‘‘

De hefboom zal gelijk zijn aan 1 als de Vlaamse of lokale overheid de volledige investeringskosten van een maatregel financiert. Subsidie-instrumenten waarbij een aanzienlijk deel van de investeringen (doorgaans 40 Ă 60%) door de Vlaamse of lokale overheid worden betaald hebben een hefboom tussen 1 en 5. Instrumenten die enkel een kleine incentive geven om de investeringen op te starten hebben doorgaans een hefboom tussen 5 en 20. Deze hefboom kan nog groter worden als de overheidsbijdrage de vorm zou aannemen van een rentesubsidie, een lening, een waarborg of een bijdrage voor een EU-gefinancierd Vlaamse mitigatieproject. Om de VKF-middelen efficiĂŤnt in te zetten moeten we tenslotte vermijden dat deze middelen gaan naar maatregelen die sowieso zeer rendabel zijn en in feite geen overheidssteun nodig hebben. Dit zijn maatregelen met een zeer korte terugverdientijd. Hieraan steun geven zou een louter “meeneemeffect4â€? opleveren. Deze terugverdientijd wordt als volgt berekend: đ?‘‡đ?‘’đ?‘&#x;đ?‘˘đ?‘”đ?‘Łđ?‘’đ?‘&#x;đ?‘‘đ?‘–đ?‘’đ?‘›đ?‘Ąđ?‘–đ?‘—đ?‘‘ =

đ?‘–đ?‘›đ?‘Łđ?‘’đ?‘ đ?‘Ąđ?‘’đ?‘&#x;đ?‘–đ?‘›đ?‘”đ?‘ đ?‘˜đ?‘œđ?‘ đ?‘Ąđ?‘’đ?‘› đ?‘—đ?‘Žđ?‘Žđ?‘&#x;đ?‘™đ?‘–đ?‘—đ?‘˜đ?‘ đ?‘’ đ?‘œđ?‘?đ?‘?đ?‘&#x;đ?‘’đ?‘›đ?‘”đ?‘ đ?‘Ąđ?‘’đ?‘› − đ?‘—đ?‘Žđ?‘Žđ?‘&#x;đ?‘™đ?‘–đ?‘—đ?‘˜đ?‘ đ?‘’ đ?‘˜đ?‘œđ?‘ đ?‘Ąđ?‘’đ?‘›

Tenslotte zijn er maatregelen waarvan het BKG-reductiepotentieel zeer moeilijk te ramen is of die slechts indirect bijdragen tot BKG-reducties maar wel essentieel zijn voor de klimaattransitie in een bepaalde sector, met name bepaalde gevallen van monitoring, sensibilisering, educatie en adviesverlening. Deze maatregelen kunnen ook in aanmerking komen voor VKF-cofinanciering, maar aan een beperkt cofinancieringspercentage. B.2 Concrete toepassing van cofinanciering volgens kostenefficiĂŤntie Voor elke voorgestelde beleidsmaatregel moeten volgende 3 ramingen gemaakt worden door de entiteit die de maatregel voorstelt. 1. Raming van het broeikasgasreductiepotentieel ten opzichte van een referentie zonder deze maatregel. Deze referentie moet realistisch zijn en het meest waarschijnlijke scenario in afwezigheid van een project. Deze raming moet in kaart brengen wat de bijdrage is aan de Vlaamse niet-ETS reductiedoelstelling of aan de LULUCF no debet-regel, per jaar en over de geraamde levensduur van de investering. 2. Raming van de totale investeringskosten van de klimaatmaatregel5: dit gaat zowel over de kosten voor de Vlaamse of lokale overheid als voor de eventueel andere betrokken partijen in dit project/deze maatregel. 3. Raming van de netto opbrengsten/besparingen van deze maatregel: dit gaat zowel over de opbrengsten voor de Vlaamse of lokale overheid als voor de eventueel andere betrokken partijen in dit project/deze maatregel. Dit zijn de besparingen op de energierekening en het verschil in andere onderhouds- en exploitatiekosten ten opzichte van de referentiesituatie zonder de maatregel. Op basis van bovenstaande gegevens kunnen we, via het aangeleverde sjabloon, vervolgens de berekening maken van de kostenefficiĂŤntie, hefboom en terugverdientijd.

De overheidssteun is niet doorslaggevend voor het uitvoeren van de maatregel, maar is wel mooi meegenomen. Met investeringskosten van een klimaatmaatregel bedoelen we het klimaatgerelateerde stuk van de investering: bv. de meerkosten van een elektrische bus ten opzichte van een klassieke dieselbus of bv. de kosten van het energie-gerelateerde deel van een renovatie (de kosten van isolatie, van een verwarmingsinstallatie‌), dus niet de totale renovatiekosten van een gebouw. 4

5

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Pagina 5 van 8


Deze 3 factoren zullen bepalen hoeveel cofinanciering het VKF kan leveren, op de volgende manier in 4 stappen: Stap 1: toets terugverdientijd van het beleidsinstrument: indien de terugverdientijd kleiner is dan 3 jaar wordt geen cofinanciering voorzien. Stap 2: toets kostenefficiëntie: de geraamde kostenefficiëntie van het beleidsinstrument bepaalt de graad van cofinanciering aan de hand van volgende drempelwaarden: • >200 euro/ton: tot 30% cofinanciering; • Tussen 150 en 200 euro/ton: tot 40% cofinanciering • Tussen 100 en 150 euro/ton: tot 50% cofinanciering • Tussen 50 en 100 euro/ton: tot 60% cofinanciering • < of = 50 euro/ton: tot 70% cofinanciering Dit cofinancieringspercentage wordt toegepast op het eenmalig voorziene overheidsbudget van de Vlaamse of lokale overheid om deze maatregel te financieren (dus zonder hier eerst de besparingen van af te trekken). Bovenstaande cofinancieringspercentages impliceren dat het resterende percentage van de overheidskosten van een klimaatbeleidsmaatregel door de bevoegde entiteit zelf gefinancierd wordt. Die eigen financiering kan bv. bestaan uit middelen van de eigen entiteitsbegroting of andere begrotingsposten van de Vlaamse of lokale overheid. Deze cofinancieringspercentages geven de maximale cofinanciering aan in functie van de kostenefficiëntie, een minister kan bij de aanvraag van cofinanciering uit het Vlaams Klimaatfonds echter ook een lager cofinancieringspercentage aanvragen. Stap 3: bepaling van de bonus voor beleidsmaatregelen die een grote hefboom realiseren: • Hefboom = 1 → geen extra cofinanciering • Hefboom < 5 = tot 5% extra cofinanciering • Hefboom < 20 = tot 10% extra cofinanciering • Hefboom > 20 = tot 15% extra cofinanciering. Deze extra cofinanciering wordt enkel toegekend aan de maatregelen die volgens de toetsen van stap 1 en 2 in aanmerking komen voor cofinanciering. Een beleidsmaatregel met een kostenefficiënte van 80 euro per ton en een hefboom van 4, zou dus voor maximaal 65% van de overheidskosten gecofinancierd kunnen worden uit het VKF. Stap 4: omschrijving en kostenraming maken van eventuele andere beleidsmaatregelen die essentieel zijn voor het behalen van niet-ETS broeikasgasreducties of LULUCF no-debit regel, maar waarvan de reductie-impact niet geraamd kan worden omdat deze slechts indirect bereikt wordt. We denken bv. aan aanbieden of stimuleren van: • monitoring • educatie en sensibilisering • adviesverlening. Op zichzelf leveren dit soort beleidsmaatregelen geen reducties, maar ze helpen wel om de nodige klimaatinvesteringen en gedragsveranderingen te stimuleren die wel reducties opleveren. Het VKF kan dit type maatregelen cofinancieren à rato van 30% van de overheidskosten hiervoor. De bevoegde entiteit zal dus zelf instaan voor 70% van de kosten. Ook hier staat het de minister die een dergelijke maatregel voorstelt vrij om een lager cofinancieringspercentage aan te vragen dan 30%. B.3 Implementatie en verantwoordelijkheden • Elke minister kan voor maatregelen of projecten cofinanciering aanvragen vanuit het klimaatfonds volgens de aanpak beschreven in deze nota. Elke minister zorgt bij een dergelijke aanvraag: ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Pagina 6 van 8


voor de raming van de hierboven vermelde indicatoren: niet-ETS of LULUCF BKGreductiepotentieel, raming van de investeringskosten (met onderscheid Vlaamse of lokale overheid – derde betrokken partijen) en raming van de jaarlijkse kosten en jaarlijkse opbrengsten/besparingen.. Het beleidsdomein Omgeving stelt hier een sjabloon voor ter beschikking. Met dit sjabloon worden de resulterende kostenefficiëntie, hefboom en terugverdientijd automatisch berekend. o voor agendering op de Vlaamse regering voor de geselecteerde maatregelen o dat de geselecteerde maatregelen in lijn zijn met de geldende staatssteunregels. Beleidsdomein Omgeving kan ondersteuning bieden bij het uitwerken van de beleidsmaatregelen en de ramingen. Vanaf 2021 zal deze ondersteuning gebeuren door het nieuwe Vlaamse Energie- en Klimaat Agentschap (VEKA). Elke entiteit rapporteert jaarlijks over de voortgang en de gerealiseerde emissiereducties van de beleidsmaatregelen binnen hun domein die gefinancierd zijn vanuit het VKF. Beleidsdomein Omgeving bepaalt de timing voor deze rapportering en werkt een sjabloon uit. Beleidsdomein Omgeving ondersteunt, wat betreft de berekening van de gerealiseerde emissiereducties, waar nodig de andere entiteiten bij de opmaak van deze rapportering. Op basis van hiervan zal de minister van Omgeving minstens 2-jaarlijks een rapport opstellen over de globale besteding van de middelen uit het VKF, de realisaties op het terrein en de hierdoor bekomen BKG-reducties. Op basis van het eerste rapport dat op deze manier wordt opgesteld zal het bestedingskader beschreven in deze nota geëvalueerd, en indien nodig, bijgestuurd worden. Toekomstige aanpassingen aan dit bestedingskader zijn enkel van toepassing op dossiers waarvan de cofinanciering vanuit het VKF op dat moment nog niet is goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Indien de cofinanciering vanuit het VKF dus wel reeds werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering, zal dit niet meer wijzigen als gevolg van mogelijke toekomstige aanpassingen aan dit bestedingskader. o

• •

•

C. BESTUURLIJKE IMPACT C.1 Budgettaire impact voor de Vlaamse overheid Dit bestedingskader wordt toegepast op de nog vrij beschikbare beleidskredieten van het Vlaams klimaatfonds in de begrotingsjaren 2020-2024, die aangewend worden voor de uitvoering van intern Vlaams klimaatbeleid. De cofinanciering van klimaatbeleidsmaatregelen op basis van het bestedingskader toegelicht in deze nota zal deze beschikbare beleidsruimte niet overschrijden, er is dus geen bijkomende budgettaire impact voor de Vlaamse overheid. Dit voorstel van beslissing heeft dus geen budgettaire weerslag. C.2 ESR-TOETS Dit voorstel van beslissing houdt geen enkele ESR-impact in, aangezien de nota zich beperkt tot de vaststelling van de criteria die gelden voor de toekenning van de middelen van het Vlaams Klimaatfonds. C.3 Impact op het personeel van de Vlaamse overheid Het voorstel van beslissing heeft geen weerslag op het personeelsbestand en de personeelsbudgetten van de Vlaamse Overheid. C.4 Impact op de lokale en provinciale besturen Het voorstel van beslissing heeft geen weerslag op de lokale en provinciale besture n.

D. MAATSCHAPPELIJKE IMPACT Het voorstel van beslissing zal leiden tot een meer efficiënte inzet van de middelen van het Vlaams klimaatfonds en tot een grotere hefboom naar zowel publieke als private klimaatfinanciering. Dit voorstel van beslissing zal dus bijdragen aan de klimaatdoelstellingen van het Vlaams Energie -en ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Pagina 7 van 8


Klimaatplan 2021-2030: de reductiedoelstelling van -35% broeikasgasuitstoot in de Vlaamse niet-ETS sectoren tegen 2030 ten opzichte van 2005 en de LULUCF no-debet regel. Dit voorstel zal eveneens bijdragen aan de realisatie van het streefdoel om tegen 2050 de uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen in de niet-ETS sectoren te verminderen met 85% ten opzichte van 2005, met de ambitie om te evolueren naar volledige klimaatneutraliteit.

4. VERVOLGTRAJECT EN IMPLEMENTATIE VISIENOTA Tijdens deze legislatuur kunnen ministers cofinanciering aanvragen voor maatregelen of projecten op basis van de voorstellen van de entiteiten, hun beschikbare eigen financiering en de beschikbare VKF-middelen. De entiteiten leveren voor de maatregelen die kandidaat zijn voor cofinanciering, de gevraagde gegevens en ramingen aan via het hiervoor bestemde sjabloon. Beleidsdomein Omgeving kijkt deze gegevens, de berekening van de kostenefficiĂŤntie, de terugverdientijd en de hefboom naar private financiering, na.

5. VOORSTEL VAN BESLISSING De Vlaamse Regering beslist haar goedkeuring te geven aan de aanpak voor allocatie van middelen uit het Vlaams Klimaatfonds volgens de principes beschreven in deze visienota. Deze visienota houdt geen enkel financieel of budgettair engagement in van de Vlaamse regering.

De Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme,

Zuhal DEMIR

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Pagina 8 van 8


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Visienota_ bestedingskader_ VKF_11092020.pdf by Vlaanderen-be - Issuu