Skip to main content

M&L_29_5.pdf

Page 1

r S ^

f\fi^-

.ar^

MONUMEN SEPTEMBE

^

i

ff

»PEN

StfÈO


N A T U U R L I J K E KLEUREI MAKEN HET V E R S C H I L

hydraulische kalkmortels, kallei en tadelaktbepleistering UNILIT buitengevelisolatiesystemen LIMETICS kalkverven CORICAL silicaatverven CORISILK en KEIM marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL en DECORLUX stucco venetiano PLASTELUX en VENESTUK

Arte Arte Constructo bvba Molenberglei 18 - B-2627 Schelle - Belgium Tel. +32 (0)3 880.73.73 - Fax +32 (0)3 880.73.70 www.arteconstructo.be - info@arteconstructo.be


Ruimte en Erfgoed Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 05 E-mail: luc.tack@rwo.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Cells en Peter Van den Hove Fotografie: Oswald Pauwels Secretariaat: Diane Torbeyns

Advertentiewerving

Cover: Het Klein begijnhof of begijnhof Or. ten Hove, m Gent (tekening Joris Snaeij

J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-34 86 27 - Gsm: 0496 90 60 19 Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: jancasier.brugge@teienet.be

Internet

Abonnementsvoorwaarden 2010 België: 40 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 7 € ) . GP'ers betalen: 28 € Buitenland: 65 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Phoenix-gebouw, Koning Albert H-laan 19(bus3), 1210 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 2010". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: dlane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

n h o 11 6

aO

Website: www.onroerenderfgoed.be

Redactiecomité* Ere-voorzitter: Edgard Goedleven Ere-leden: Jo De Schepper, Hedwig Van Den Bossche, Suzanne Van Aerschot Voorzitter: Luc Tack Kernredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Cells, Luc Tack, Herman Van den Bossche, Peter Van den Hove Redactie: Anna Bergmans, Jo Bracken, Marc De Borgher, Rudy De Graef, Piet Geleyns, Jos Gijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dieter Nuytten, Oswald Pauwels, Greet Plomteux, Paul Van den Bremt, Christine Vanthillo, Linda Wylleman

* Het redactiecomité is samengesteld uit erfgoedconsulenten van het agentschap Ruimte en Erfgoed, en erfgoedonderzoekers van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed

Druk Die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68

Verantwoordelijke uitgever Ruimte en Erfgoed Luc Tack Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax:02-553 16 05 De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

i

UNESCO Werelderfgoed in Vlaanderen: een inleiding Piet Geleyns

4 7 Onderhoud en restauratie in het Groot Begijnhof in Leuven in de periode 1999-2009/2010 Dieter Nuytten

1 5 Vlaamse begijnhoven Werelderfgoed Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck

5 7 Het Begijnhof van Herentals: herwaarderingsplan als uitgangspunt voor het beheer Els Verbert

2 3 De restauratie/renovatie van het Leuvense Groot Begijnhof (1963-1993), een laboratorium op wereldniveau

7 2 Het begijnhof Sint-Agnes van Sint-Truiden: een nieuwe studie Thomas Coomans en Anna Bergmans

Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck

7 9 Summary


Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde!

Restauratie en Monumentenzorg

Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals ornithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...

Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dal de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contacl met ons op.

P.E.C. International n.v. Kleine Breedstraat 37, B-9100 St.-Niklaas Tel.: 03-776 84 39 - Fax: 03-777 35 09

m

Dakwerken G. BOSCH

Algemene Dak- & Restauratiewerken Aartrijkestraat 109 - 8820 Torhout Tel. 050-21 10 85 - Fax 050-22 06 17 GSM: 0485-02 00 50 E-mail: geert@bvbabosch.be Site: www.bvbabosch.be

Erkende aannemers onder nr. 24040 Reg. nr. 051511

Erkenning: Klasse 2 Ondercategorieën: D8 - D12 - D16 - D22 - D24

Restauratie Bouw

P. Nijs

E3-LAAN 49 - 9800 Delnze p.nijs,

www.pnijs. be TEL 09 386 07 63 - FAX 09 380 35 71 nv@pandora.be


—

i^Bj

I


Generiek Van uitzonderlijke universele waarde Naast Belforten van België en Frankrijk, de Historische binnenstad van Brugge en het Plantin-Moretus complex in Antwerpen prijken ook de Vlaamse Begijnhoven op de prestigieuze lijst van het UNESCO Werelderfgoed. Piet Geleyns geeft duiding over de relevante wet- en regelgeving ter zake.

Doorheen een strenge selectie Vlaanderen telt 26 beschermde begijnhoven, maar toch kwamen er maar de helft in aanmerking voor opname op de werelderfgoedlijst. Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck licht de representativiteit van de 13 geselecteerde hoven toe, waarbij ligging, herkenbaarheid, typologie, toestand en bewaarde hoofdcomponenten getoetst werden aan de strenge criteria.

Een laboratorium op wereldniveau Als bewoonster en dus geprivilegieerde toeschouwer beleefde Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck de langdurige en goed overdachte werkzaamheden en herbestemming van het Leuvense Groot Begijnhof van binnenuit mee. Bouwhistorisch onderzoek, instandhouding van bijna verloren vakmanschap en het Charter van Venetië waren sleutelbegrippen van deze ook internationaal niet onopgemerkte restauratie.

M&L


Onderhoud, onderhoud en nog eens onderhoud Als erfgoedconsulent beseft Dieter Nuytten maar al te goed het belang van constant en doorgedreven onderhoud na restauratie. Hij licht een tip van de sluier op van de goed geoliede 'machine' die het onderhoud van het Leuvense begijnhof verzekert.

Een herwaarderingsplan voor de verbetering van de erfgoedkwaliteit Hoewel het Herentalse begijnhof voor de werelderfgoedlijst buiten de prijzen viel, verdedigt Els Verbert toch met enthousiasme het belang van een herwaarderingsplan om de erfgoedkwaliteit van dit beschermd stadsgezicht te vrijwaren en te verhogen.

Een merkwaardig beschilderd bedehuis De aanwezigheid van een belangrijke cyclus muurschilderingen woog zwaar door op de selectie van het begijnhof van Sint-Truiden voor de UNESCO-lijst. Thomas Coomans en Anna Bergmans lichten de resultaten van de onlangs gepubliceerde multidisciplinaire studie toe, meteen de eerste wetenschappelijke monografie over een begijnhof als geheel.


Piet Geleyns

UNESCO WERELDERFGOED IN VLAANDEREN: EEN INLEIDING

••Éii^ WÊÊÊÊ^?'

Het begi|nhof van Dendermonde (foto Beeldbank

»

VIOE, archiefnr.

f

•

^

^

^.' * ^ ^ ^ ^ E hwÊÊl?*?ÊÊi^'

99366)

r

IL

^^M mSM^ï

^^•JLtj*^

r^JI^^^B^ ll^^v^K^v^-*

>^^^>

• '^•B

JÜ. M

ifli

^

fcr^l! U P PW "ai fjm JIIJ n 4 1

KiüMi*

tt-^L JUJl Mi!! •E

iïaVflVfüWtW I?,

'-

'

i*"^ ' n V

!

M

"'^

•

••

R^^ff^H :

•

'

De - internationale Bescherming

•

•

^

'

•

'

-

;

-

- Overeenkomst

van het Cultureel

en

inzake de Natuurlijk

De Conventie

werd uiteindelijk

formeel geratificeerd

Erfgoed van de Wereld, zoals de Werelderf-

en trad drie maanden

goedconventie

Sinds 1996 zijn niet minder

16 november Algemene

officieel

bekend staat,

1972 aangenomen

Vergadering

catie van de Conventie

landschappen

conventie formeel

heeft in België

relatief

1997 en 2004

Na de

hetzelfde

inzake monumenten

worden.

De

werd uiteindelijk

verleenden hun

en

gekeurd,

schrijvingen

Werelderfgoed-

goedgekeurd. ongeveer

goedkeuring.

op

en telkens één jaar

Een tiental

re richtlijnen lorisatie Vlaams deren.

later

wetgeving

die het degelijk

Werelderfgoed,

en

erf-

na de eerste in-

wordt hier een actueel

van het huidige

goed-

of sites, op Vlaams

jaar

geschetst van de relevante

tussen

op cultureel

goed, met name gebouwen grondgebied.

Belgische

in de werelderf-

hebben betrekking

in 1980 moest gewestelijk

dan tien

(1). Vier dossiers, ingediend

op

pas op 1 juni 1994

door de Vlaamse Raad

moment

overdracht

lidstaat,

later in werking.

opgenomen

goedlijst

aan de gewesten

Brussel en Wallonië

inschrijvingen

ratifi-

eerst en vooral de goedkeuring niveau geregeld

door de

van Unesco. De

lang op zich laten wachten. van de bevoegdheden

werd op

op 24 juli 1996

door België als

overzicht en ande-

behoud en de vatoekomstige

mede moeten

garan-


^ ^ c

0 /

nationale niveau beschermd zijn. Binnen de Bel- •* gische gefederaliseerde context betekent dit een Het Unesco-logo en

b

,

.

,.., ö

WERELDERFGOED CONCREET De drie gewesten hebben er van in het begin naar gestreefd om, bij de Belgische voorstellen voor opname op de lijst, vooral 'ontbrekende' of weinig vertegenwoordigde types van gebouwen of ensembles te selecteren, in verhouding tot wat er al op de werelderfgoedlijst stond. Deze politiek sloot aan bij de bezorgdheid binnen Unesco, sinds 1994, voor een representatieve en geloofwaardige Lijst - een streven dat nog steeds leeft. Onze seriële, grensoverschrijdende en transnationale dossiers sluiten volledig aan bij deze aanbevelingen Het eerste seriële inschrijvingsvoorstel voor Vlaamse begijnhoven, ingediend in 1997, werd op 2 december 1998 in Kyoto (Japan) goedgekeurd: 13 ensembles werden toegevoegd aan de werelderfgoedlijst. De Belforten van Vlaanderen en Wallonië werden in 2 stappen opgenomen in de lijst. In een eerste beweging werden 32 Belgische belforten in Marrakesh (Marokko) erkend in december 1999. 25 van deze belforten zijn gelegen in Vlaanderen. Tijdens zijn bijeenkomst in 2005 in Durban (Zuid-Afrika) aanvaardde het Werelderfgoedcomité de inschrijving uit te breiden met één Waals en 23 NoordFranse belforten. Deze lijst met werelderfgoedbelforten, sinds 2005 bekend als Belforten van België en Frankrijk is hiermee afgesloten. Er kunnen géén belforten meer toegevoegd worden. De Historische binnenstad van Brugge is sinds december 2000 erkend als Werelderfgoed (aanvaard in Cairns, Australië).

.

Tr

i

wT

het hcrkennmnte-

escnermine op eewestehik niveau. Voor het we- , r

D

'

ken van Unesco

relderfgoed op Vlaams grondgebied betekent dat Werelderfgoed een bescherming volgens de decreten van 3 maart (afbeeldingen 1976 tot bescherming van Monumenten en Stads- n<:sco' of Dorpsgezichten ofvan 16 april 1996 betreffende de landschapszorg. Uitzonderlijk, in het geval van de oudere beschermingen, kan er ook nog sprake zijn van een bescherming volgens de vroegere wet van 1931 (zie overzicht verder in dit artikel). Vooraf moet de lidstaat een lijst opstellen van goederen die volgens haar in aanmerking komen voor erkenning als Werelderfgoed. Deze zogenaamde 'indicatieve lijst' (Frans: liste indicative, Engels: tentative list) kan relatief eenvoudig worden ingediend en/of geactualiseerd, vermits een inschrijving op de nationale indicatieve lijst principieel aan geen enkele voorwaarde onderworpen is: de lidstaten leggen hun ontwerp van indicatieve lijst aan het Werelderfgoedcomité voor, dat er louter akte van neemt. Er wordt dus geen specifiek onderzoek gevoerd, zoals bij een eventuele erkenning als Wereldergoed zelf. België heeft in 2008 nog 11 nieuwe voorstellen toegevoegd aan de indicatieve lijst. Deze Belgische lijst omvat op dit ogenblik 16 voorstellen.

• Gezicht vanuit de lucht op het belfort van Brugge en de historische Brugse binnenstad (foto Westtoer)

Het Antwerpse Woonhuis-Atelier-Museumcomplex Plantin-Moretus, tenslotte, werd - voorlopig — als laatste Vlaamse dossier toegevoegd aan de werelderfgoedlijst op 15 juli 2005 in Durban (Zuid-Afrika). Een erkenning als Werelderfgoed veronderstelt in de eerste plaats dat de goederen op het geëigende

1VI&L


DE BELGISCHE INDICATIEVE LIJST (tussen haakjes de datum van opname) STAND OP 1/11/2010 De middeleeuwse kern of'Kuip' van Gent en de twee abdijen die aan zijn origine liggen (1997, geactualiseerd in 2002) De historische kern van Antwerpen - van de Schelde tot de oude stadsomwalling van ca. 1250 (1997, geactualiseerd in 2002) Herinneringsoorden en monumenten van de Groote Oorlog; de Westhoek en de aanpalende regio's (2002, geactualiseerd in 2008) Leuven, universiteitsgebouwen, het erfgoed van zes eeuwen in het hart van het historische centrum (2002) De woning Guiette, Populierenlaan 32, Antwerpen (2005) De Brusselse galerijen/ de koninklijke Sint-Hubertusgalerijen (2008) Het architecturale oeuvre van Henry van de Velde (2008) Het Justitiepaleis van Brussel (2008) Het plateau van de Hoge Venen (2008) Het tracé Bavay-Tongeren van de Romeinse steenweg Boulogne-Keulen, gelegen op het grondgebied van het Waalse Gewest (2008) Het thermencomplex van Spa: van mondaine zorg naar luxe-toerisme Het paleis van de prins-bisschoppen van Luik (2008) Het slagveld van Waterloo, het einde van het Napoleontische tijdperk (2008) De belangrijkste mijnsites van Wallonië (2008) Het panorama van de slag bij Waterloo, bijzonder betekenisvol voorbeeld van het 'fenomeen van de panorama's' (2008) De Maascitadellen (2008)

BESCHERMING Het spreekt voor zich dat een lidstaat, wanneer een bepaald complex of een bepaalde site wordt voorgedragen bij Unesco, zich engageert om het goed optimaal te bewaren. Dat engagement blijkt onder meer uit de beschermingsmaatregelen die vooraf genomen werden. Voor Vlaanderen gaat het in de meeste gevallen om een bescherming als monument. In tweede orde komt ook een bescherming als landschap voor. Louter een bescherming als stads- of dorpsgezicht is eerder uitzonderlijk. Voorlopig is er in geen enkel geval sprake van een bescherming als archeologisch monument of als archeologische zone.

•4 De binnenplaats

van het woonhuisatelier-museumcomplex PlantmMoretus in Antwerpen (foto Beeldbank VIOE, archiefnr. 1178)


OVERZICHT VAN DE VERSCHILLENDE BESCHERMINGEN > Brugge, begijnhof Ten Wijngaerde - Begijnhof Ten Wijngaerde (kapel en gebouwen), beschermd als monument sinds 20 februari 1939; - Begijnhofbeluik beschermd als landschap sinds 20 februari 1939; - Volledige begijnhof beschermd als monument sinds 4 juli 1996; - Minnewater met omgeving, beschermd als stadsgezicht sinds 4 juli 1996. > Dendermonde, begijnhof - Geheel van gebouwen en hovingen van voormalige begijnhof, beschermd als landschap op 30 november 1942; - Kapel en aantal woonhuizen, beschermd als monument sinds 8 september 1971; - Binnenkoer Sint-Alexiusbegijnhof (met verbindingsweg tussen deze en Brusselsestraat, alsmede twee arduinen pompen op binnenkoer), beschermd als monument sinds 30 september 1991. > Diest - Begijnhof (Sint-Catharinakerk, monumentale ingangspoort en alle gebouwen en huizen), beschermd als monument sinds 25 maart 1938; - Volledige begijnhof, beschermd als landschap sinds 20 februari 1939. > Gent, Groot Begijnhof - Sint-Elisabethkerk op Groot Begijnhof, beschermd als monument sinds 29 november 1943; - Voormalige Sint-Elisabethbegijnhof, beschermd als landschap sinds 28 maart 1956; - 13 conventen beschermd als monument sinds 13 maart 1996. > Hoogstraten - Sint-Janskerk, beschermd als monument sinds 13 april 1953; - Begijnhof met omgeving, beschermd als monument en als landschap sinds 27 mei 1971. > Kortrijk, begijnhof - Begijnhof beschermd als monument op 19 april 1937; - Aantal begijnhofhuizen, beschermd als monument sinds 21 augustus 2003. > Leuven, Groot Begijnhof - Sint-Jan-de-Doperkerk beschermd als monument sinds 19 april 1937; - Complex Groot Begijnhof (met alle straten.

pleinen, huizen, bijgebouwen, bruggen en Dijle-oevers, begrensd door bakstenen omheiningsmuur met verschillende toegangspoorten), beschermd als monument sinds 23 maart 1987. > Lier, begijnhof - Sint-Margarethakerk, beschermd als monument sinds 20 februari 1939; - Begijnhof beschermd als monument en als landschap sinds 16 september 1966. > Mechelen, Groot Begijnhof - Begijnhofkerk, beschermd als monument sinds 25 maart 1938; - Deel van het begijnhof, de Centjesmuur en drie woningen, beschermd als monument sinds 22 december 1976; - Eén woning en 2 vroegere gemene woningen, beschermd als monument sinds 13 december 1977; - Toegangspoort, beschermd als monument sinds 2 mei 1985; - Begijnhof volledig beschermd als stadsgezicht sinds 2 mei 1985. > Sint-Amandsberg, Begijnhof van Sint-Am andsberg - Begijnhof beschermd als monument en als dorpsgezicht sinds 21 april 1994. > Sint-Truiden, begijnhof - Begijnhofkerk, beschermd als monument sinds 30 december 1933; - Oud begijnhof, beschermd als monument en als landschap sinds 12 april 1974. > Tongeren, begijnhof - Begijnhofkerk, beschermd als monument sinds 30 december 1933; - 47 woningen, deel van de omwalling en de Sint-Ursulakapel en de infirmerie, beschermd als monument sinds 29 januari 1981; - Begijnhof, beschermd als stadsgezicht sinds 29 januari 1981. > Turnhout, begijnhof: - Begijnhofkerk, beschermd als monument sinds 30 mei 1936; - Begijnhof volledig beschermd als landschap op 5 december 1962; - 22 woningen, inkomportaal en bidplaats, beschermd als monument op 5 december 1962; - Twee begijnhofwoningen, beschermd als monument op 14 oktober 1975.


De wetgeving die deze beschermingen regelt is sinds de aanduiding van de eerste Werelderfgoederen in Vlaanderen in 1998 eigenlijk niet ingrijpend veranderd. De modaliteiten van een bescherming als monument, stads- of dorpsgezicht, of landschap zijn vandaag bijgevolg nog grotendeels dezelfde als 10 jaar geleden. Wel heeft de decreetgever in 2004 een nieuw, aanvullend instrument gecreëerd, gericht op de verankering van erfgoedwaarden in landschappelijk waardevolle gebieden. Dit instrument omvat een verankering in twee stappen. In eerste instantie wordt het gebied dat bepaalde erfgoedwaarde(n) vertoont aangeduid als ankerplaats. Vanaf dat moment geldt de zogenaamde zorgplicht voor de betrokken overheden. De definitieve verankering van de herkende erfgoedwaarden volgt bij de omzetting van (een gedeelte van) deze ankerplaats in een erfgoedlandschap. Deze omzetting gebeurt door de overname in een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP). De bescherming doet dus uitdrukkelijk een beroep op het instrumentarium van een ander beleidsveld, met name de ruimtelijke ordening. Deze ankerplaatsen en erfgoedlandschappen zijn momenteel (nog) niet zo belangrijk voor het huidige Vlaamse Werelderfgoed: de Vlaamse werelderfgoedsites kennen zoals aangegeven een klassieke bescherming, die in de meeste gevallen goed functioneert. Een aanvullende bescherming is dus niet meteen aan de orde. Het is vooral voor een aantal potentiële werelderfgoedsites, waar momenteel aan wordt gedacht, dat het gedifferentieerd inzetten van het klassieke instrumentarium en de aanduiding van ankerplaatsen/ erfgoedlandschappen een oplossing zou kunnen bieden voor bepaalde problemen. De erkenning van het erfgoed van de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek, een voornemen van de huidige Vlaamse Regering, is bijvoorbeeld qua schaal een ongezien project: de frontzone alleen al omvat bijna 600 km 2 . Een bescherming als landschap of stads- of dorpsgezicht, laat staan als monument, is nooit bedoeld geweest voor gebieden van deze omvang. Het grootste landschap vandaag bijvoorbeeld is het Zoniënwoud in de zuidrand van Brussel. Het is een bescherming van bijna 30 km*, maar het gaat wel om een relatief eenvoudig 'dossier': het aantal betrokken eigenaars is beperkt, het bos wordt quasi volledig beheerd door de Vlaamse Overheid, het gebruik als bos ligt vast en wordt niet in vraag gesteld. In de Westhoek is de situatie vele malen complexer: het aantal eigenaars is onoverzichtelijk, het bodemgebruik is gevarieerd en

staat in bepaalde zones onder druk. Een bescherming van deze omvang moet dus noodgedwongen vanuit een andere invalshoek bekeken worden. Toch zou deze nieuwe en zelfs vernieuwende aanpak ook voordelen kunnen bieden. Ze laat immers toe om een getrapt beschermingsbeleid te voorzien, dat een onderscheid maakt tussen zones die een hoge erfgoedwaarde hebben, en andere delen die veel minder belangrijk zijn. De aanduiding van een erfgoedlandschap kan ook het bodemgebruik sturen, bijvoorbeeld verhinderen dat een landbouwer gewassen teelt die hoog opschieten, waardoor zichtassen verstoord zouden kunnen worden. De jongste jaren is er wel steeds meer sprake van het afstemmen van de verschillende bestaande instrumenten, in die mate zelfs dat ze geïntegreerd zouden worden in één of twee gezamenlijk concepten (de holistische benadering). De gesprekken hierover zijn aan de gang. Enige duidelijkheid hieromtrent moet ten vroegste in 2011 verwacht worden.

FINANCIËLE ONDERSTEUNING Eens de bescherming van een onroerend goed een feit is, probeert de Vlaamse Overheid de eigenaar of beheerder te stimuleren om zijn goed ook effectief in goede staat te bewaren. Klassiek wordt hiervoor gewerkt met financiële steunmaatregelen. Een aantal initiatieven sluit zelfs vrij dicht aan bij principes die binnen Unesco en de Werelderfgoedconventie worden gekoesterd. Toch is het belangrijk te onderstrepen dat de Vlaamse Overheid geen bijzondere — lees: hogere financiële tussenkomst voorziet voor het onderhoud of de restauratie van Vlaams Werelderfgoed. De redenering is dat de huidige Vlaamse onderhouds- en restauratiepremies sowieso erg voordelig zijn. Er wordt bovendien gewerkt met verschillende categorieën en specifieke verhoogde premiepercentages, die ook voor werelderfgoedsites interessant kunnen zijn. Zo voorziet het Restauratiepremiebesluit in een verdubbeling van de gebruikelijke premie wanneer het beheer van het monument wordt toegewezen aan wat een Open Monumentenvereniging wordt genoemd. Deze vereniging heeft als doelstelling het behoud van het onroerend goed in kwestie, maar moet ook voorzien in een kwalitatieve publiekswerking. Gedurende een minimaal aantal dagen per jaar moet het goed bijvoorbeeld verplicht openge-


steld worden. Dit is een thematiek die ook in het kader van de Werelderfgoedconventie wordt aangemoedigd, hoewel het gevaar voor een te ver doorgedreven (toeristische) ontsluiting voor een aantal werelderfgoedsites momenteel als een bedreiging wordt ervaren. In Vlaanderen valt dit gelukkig nog wel mee. Het Onderhoudspremiebesluit, dat in de zomer van 2004 werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering, gaat voort op het 'voorzorgprincipe' dat al in 1992 werd geïntroduceerd door de Vlaamse Overheid. Door regelmatig onderhoud te promoten kunnen ingrijpende en dure restauraties in veel gevallen immers uitgesteld en voorkomen worden. Dit idee wordt in het besluit van de Vlaamse Regering van 2004 verder doorgetrokken, onder meer door een nog verder vereenvoudigde procedure. Het nieuwe Onderhoudspremiebesluit voorziet ook in een belangrijke uitbreiding van zijn werkterrein: naast monumenten kunnen nu ook onderhoudswerkzaamheden in stads- en dorpsgezichten in aanmerking komen voor een financiële tussenkomst vanwege de Vlaamse Overheid, op voorwaarde dat er een herwaarderingsplan werd goedgekeurd. Dit plan lijst in detail de belangrijke erfgoedkenmerken op die in het stads- of dorpsgezicht werden geïnventariseerd, en vermeldt welke werkzaamheden er nodig zijn om de erfgoedwaarde(n) te onderhouden ofte verbeteren. Uiteraard komen deze onderhoudswerkzaamheden in aanmerking voor subsidiëring.

Voor beschermde landschappen bestaat er sinds 2003 een gelijkaardig instrument, het landschapsbeheersplan. De opmaak van dit plan is facultatief, maar wanneer er een dergelijk plan bestaat, komen de erin opgenomen werkzaamheden in aanmerking voor een verhoogde tussenkomst. De filosofie hierachter is dat een dergelijke langetermijnplanning de beste garanties biedt voor een coherente aanpak in een gebied met erfgoedwaarde. Er zijn immers vaak meerdere eigenaars bij betrokken, die niet noodzakelijk op één lijn zitten. De redenering is dat, dankzij dit plan en vooral de aanlokkelijke subsidiëringvoorwaarden (een premie van 70%), eigenaars sneller geneigd zullen zijn om de vermelde werkzaamheden op de afgesproken manier uit te voeren. Beide instrumenten komen tegemoet aan groeiende bezorgdheid binnen Unesco, de jongste jaren, om ook het voorgestelde beheer van Werelderfgoed mee te nemen bij de evaluatie. Het Werelderfgoedcomité verwacht tegenwoordig dat bijvoorbeeld

ook een beheersplan wordt voorgelegd, waarin het toekomstig beheer gericht op de instandhouding en valorisatie van het Werelderfgoed wordt toegelicht. Voor geen enkel van de Vlaamse werelderfgoedsites werd een dergelijk plan opgemaakt.

WERELDERFGOED EN RUIMTELIJKE ORDENING De als Werelderfgoed erkende sites en hun bufferzones hadden op het moment van de inschrijvingen geen formele plaats binnen de Vlaamse wetgeving op het onroerend erfgoed of de ruimtelijke ordening. Voor het Werelderfgoed zelf werd er bijvoorbeeld van uitgegaan dat de reeds bestaande bescherming als monument, stads- of dorpsgezicht of landschap en het zogenaamde 'gezichtsveld' van de site zelf of van naburige beschermde monumenten volstonden. Bufferzones waren niet onmiddellijk nodig omdat er van uitgegaan werd dat het behoud van het erfgoed ook zo kon worden verzekerd (2). Ze waren als concept tot voor kort ook totaal vreemd aan de Vlaamse regelgeving met betrekking tot onroerend erfgoed. Zo'n bufferzone is volgens de inmiddels geactualiseerde richtlijnen van het Werelderfgoedcomité een gebied dat grenst aan de eigenlijke werelderfgoedsite (3). De bufferzone moet bijdragen tot de doeltreffende bescherming van Werelderfgoed. O m dat doel te bereiken zijn in dit gebied aanvullende wettelijke of andere beperkingen opgelegd naar gebruik en ontwikkeling. Klassiek wordt de onmiddellijke omgeving van een Werelderfgoedsite aangeduid als buffetzone, maar ook belangrijke gezichten of andere gebieden die functioneel van belang zijn als ondersteuning van de site en zijn bescherming kunnen in overweging worden genomen.

Binnen de Vlaamse context werd hier niet bijzonder op ingegaan. Wel werd in een aantal gevallen teruggegrepen naar een Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) of de overdruk als zone van Culturele, Historische en of Esthetische waarde (CHE-zone) op het gewestplan, die het behoud van de uitzonderlijke universele waarden konden helpen garanderen. Het recente besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot aanwijzing van de instanties die over een vergunningsaanvraag advies verlenen is de eerste Vlaamse rechtsregel die naar de bufferzones bij werelderfgoedsites verwijst. Het besluit stelt met name dat de entiteit van het agentschap RO—Vlaanderen (inmiddels Ruimte en Erfgoed, noot van de auteur), die met de zorg voor het onroerend erfgoed


belast is, om advies wordt verzocht voor aanvragen binnen het gezichtsveld, beperkt tot uiterlijk een straal van 50 meter, van een voorlopig of definitief beschermd monument, met dien verstande dat indien het monument voorkomt op de werelderfgoedlijst van de Unesco, de adviesvereiste geldt in de volledige bufferzone rond dat Werelderfgoed, afgebakend in uitvoering van artikel 11, §5, van de Unesco World Heritage Convention (4). Hiermee krijgen de bufferzones dus voor het eerst een statuut, zelfs al beperkt het zich - voorlopig? - tot de als monument beschermde werelderfgoedsites. Het besluit geeft verder aan wat de rechtskracht van deze adviezen is: Indien uit de verplicht in te winnen adviezen blijkt dat het aangevraagde strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening, of indien dergelijke strijdigheid manifest reeds uit het aanvraagdossier blijkt, wordt de vergunning geweigerd of worden in de aan de vergunning verbonden voorwaarden waarborgen opgenomen met betrekking tot de naleving van de sectorale regelgeving. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder "direct werkende normen" verstaan: supranationale, wetskrachtige, reglementaire of beschikkende bepalingen die op zichzelf volstaan om toepasbaar te zijn, zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is. (artikel 4.3.3)

Conventie kan echter niet onmiddellijk als 'direct werkende norm' beschouwd worden, zoals aangehaald in artikel 4.3.3, omdat ze niet op zichzelf kan staan. Ze heeft precisering nodig, onder meer via de richtlijnen die binnen de schoot van de Conventie gehanteerd worden. Deze richtlijnen werden enkel aangenomen binnen de algemene vergadering van de Werelderfgoedconventie, maar niet op het eigen nationale niveau bekrachtigd. Voor het Werelderfgoed zelfstelt zich alleszins geen probleem: de goederen zijn immers ook al op Vlaams niveau beschermd, en deze beschermingsbesluiten gelden wél als direct werkende norm. In de bufferzone is de situatie wel enigszins anders, omdat er hier vaak geen sprake is van een wettelijke vorm van bescherming. Het lijkt echter aanvaardbaar dat er in dat geval wordt verwezen naar "het onwenselijk zijn van bepaalde ingrepen , zoals aangehaald in artikel 4.3.4: de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden zou immers nefaste gevolgen kunnen hebben voor het aanpalende Werelderfgoed. O m d a t Vlaanderen zich, via de aanduiding als Werelderfgoed, geëngageerd heeft tot een bijzondere zorgplicht, kan dit als argument gebruikt worden om de vergunning te weigeren. Met het oog op rechtszekerheid lijkt het wel van belang dat alle betrokkenen (openbare besturen, erfgoedconsulenten, eigenaars, bewoners, ...) correct geïnformeerd worden over het statuut van bufferzone van een bepaald gebied naast of in de buurt van Werelderfgoed. Momenteel bestaat hier vaak nog te veel onduidelijkheid over.

Een vergunning kan worden geweigerd indien uiteen verplicht in te winnen advies blijkt dat het aangevraagde onwenselijk is in het licht van doelstellingen of zorgplichten die gehanteerd worden binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder "doelstellingen of zorgplichten" verstaan: internationaalrechtelijke, Europeesrechtelijke, wetskrachtige, reglementaire of beschikkende bepalingen die de overheid bij de uitvoering of de interpretatie van de regelgeving of het voeren van een beleid verplichten tot de inachtneming van een bepaalde doel van bepaalde voorzorgen, zonder dat deze op zichzelf beschouwd voldoende juridisch duidelijk zijn om onmiddellijk te kunnen worden uitgevoerd, (artikel 4.3.4).

Hoewel België, en dus ook Vlaanderen, pas in 1996 is toegetreden tot de Werelderfgoedconventie, zijn we er op korte tijd in geslaagd om een niet onaanzienlijke bijdrage te leveten tot de uitbreiding van de werelderfgoedlijst. Vooral in de eerste jaren na de toetreding heeft België heel actief nieuwe dossiers voorgedragen, die allemaal zonder uitzondering aanvaard werden. Het tempo is de jongste jaren enigszins teruggeschroefd, maar voor de komende jaren staan er toch weer een aantal Vlaamse dossiers aan te komen.

De verwijzing naar supranationale en internationaalrechtelijke bepalingen suggereert dat in beide gevallen (zowel artikel 4.3.3 en 4.3.4) ook de Werelderfgoedconventie aangehaald zou kunnen worden, vermits ze door het Vlaams Parlement is goedgekeurd, en door België geratificeerd. De

Het wordt er echter niet gemakkelijker op om voorstellen aanvaard te krijgen door het Werelderfgoedcomité. N u de werelderfgoedlijst de 1.000 items nadert, wordt er opnieuw actief gediscussieerd over een evenwichtige en geloofwaardige Lijst. Voor thema's en types die al sterk vertegenwoordigd zijn, wordt het minder evident om nog opge-

BESLUIT


OVERZICHT VAN RELEVANTE WETGEVING EN ANDERE RICHTLIJNEN UNESCO - Conventie van 1972, zie http://whc.unesco. org/fr/conventiontexte/ (Engels) of http:// whc.unesco.org/en/conventiontext/ (Frans). - Richtlijnen bij de implementatie van de Werelderfgoedconventie (versie 2008), zie http://whc.unesco.org/en/guidelines (Engels) of http://whc.unesco.org/fr/orientations/ (Frans).

Vlaamse Regelgeving (5) - Wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, gewijzigd bij de decreten van 14 juli 1993, 6 juli 1994 en 16 april 1996. - Decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, laatst gewijzigd bij decreet van 27 maart 2009. - Decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 28 februari 2003, 10 maart 2006 en 27 maart 2009. - Decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, laatst gewijzigd bij decreet van 27 maart 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006, 5 juni 2009 en 4 december 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse Regering van 12 december 2003, 23 juni 2006, 9 mei 2008 en 4 december 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering van 26 april

nomen te worden. Dat is natuurlijk niet onlogisch. Het relatieve overwicht aan 'westerse' goederen wordt binnen dezelfde filosofie evenzeer als problematisch aanzien.

1995 tot vaststelling van een premie voor werken aan beschermde archeologische goederen, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse Regering van 12 december 2003, 23 juni 2006 en 4 december 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 1997 houdende algemene beschermingsvoorschriften, advies- en toestemmingsprocedure, instelling van een register en vaststelling van een herkenningsteken voor beschermde landschappen, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse Regering van 4 april 2003, 23 juni 2006 en 4 december 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse regering van 20 september 2002, 23 juni 2006 en 30 april 2009 en 4 december 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2003 tot instelling van een premiestelsel voor beschermde landschappen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 en 4 december 2009. - Ministerieel besluit van 12 november 2003 tot vaststelling van de werkzaamheden die op forfaitaire basis in aanmerking komen voor een premieverlening in toepassing van het premiestelsel voor beschermde landschappen. - Besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 tot het vaststellen van een onderhoudspremie voor beschermde monumenten en stads- en dorpsgezichten, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 en 19 oktober 2007 en 4 december 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 tot bepaling van nadere regels voor de zorgplicht betreffende definitief aangeduide ankerplaatsen en erfgoedlandschappen.

Inzake de opbouw van de nominatiedossiers zijn de regels de jongste jaren ook merkelijk strenger geworden. Zo hecht Unesco vandaag, meer nog dan vroeger, belang aan een goed onderbouwd beheers-


plan voor werelderfgoedsites. Een goed afgebakende bufferzone maakt deel uit van deze filosofie. Voor eventuele nieuwe Vlaamse nominatiedossiers zal hier uiteraard rekening mee moeten worden gehouden, maar ook voor de bestaande Vlaamse werelderfgoederen ligt hier een belangrijke opdracht. Nu de bufferzones bijvoorbeeld aangehaald worden in de Vlaamse regelgeving, is het aangewezen ondubbelzinnig aan te geven wat de afbakening is van deze bufferzones. In het verleden is dat niet altijd gebeurd omdat de 'bufferzones' weliswaar zijn neergelegd bij Unesco, als onderdeel van de nominatiedossiers, maar op Vlaams niveau nooit formeel werden bekrachtigd.

EINDNOTEN De auteur wenst uitdrukkelijk Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck te bedanken voor haar bijdrage aan dit artikel. (1) Zie http://whc.unesco.org/en/statesparties/be (2) Zie Operational guidelines for the implementation of the World Heritage Convention, 1997 §17: Whenever necessary for the proper conservation of a cultural or natural property nominated, an adequate "buffer zone" around a property should he provided and should be afforded the necessary protection. A buffer zone can be defined as an area surrounding the property which has restrictions placed on its use to give an added layer of protection; the area constituting the buffer zone should be determined in each case through technical studies. Details on the size, characteristics and authorized uses of a bufferzone, as

Ook de pogingen om een overlegplatform of een werkgroep op te richten om beheersproblemen te behandelen zouden in deze context best opnieuw worden opgenomen. Een dergelijke gezamenlijke aanpak zou ook mee tegemoet komen aan de toenemende 'professionalisering' die binnen de Werelderfgoedconventie al enkele jaren bezig is. Vermits nu ook in het beleidsveld Ruimtelijke Ordening wordt verwezen naar het Werelderfgoed, met name door de uitbreiding van de adviesverplichting tot de bufferzones, dringt ook een regelmatig overleg met de betrokken gemeentebesturen zich op. Zij zijn immers in de meeste gevallen het eerste aanspreekpunt in het vergunningsproces.

well as a map indicating its precise boundaries, should be provided in the nomination file relating to the property in question. (3) Zie Operational guidelines for the implementation of the World Heritage Convention, 2008, §104; For the purposes of effective protection of the nominated property, a buffer zone is an area surrounding the nominated property which has complementary legal andlor customary restrictions placed on its use and development to give an added layer of protection to the property. This should include the immediate setting of the nominated property, important views and other areas or attributes that are functionally important as a support to the property and its protection. ... Details on the size, characteristics and authorized uses of a buffer zone, as well as a map indicating the precise boundaries of the property and its buffer zone, should be provided in the nomination. (4) Artikel 1, 1°, f) van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni

Het moge duidelijk wezen dat de zorg voor het Werelderfgoed in de 21 s t e eeuw een taak is die het Vlaamse bestuursniveau overstijgt. Een samenwerking met eigenaars, lokale beheerders, gemeentebesturen en dergelijke is onontbeerlijk. Dit is een belangrijke uitdaging voor de toekomst!

Piet Geleyns is ir.-architect en master in conservation of historie towns and buildings. Sinds 2004 werkt hij bij Ruimte en Erfgoed als erfgoedconsulent. Hij is het aanspreekpunt voor Unesco Werelderfgoed in Vlaanderen.

2009 tot aanwijzing van de instanties die over een vergunningsaanvraag advies verlenen. (5) Zie http://www.onroerenderfgoed.be en http://www.codex.vlaanderen.be


Suzanne Van Aerschot-Van

Haeverbeeck

VLAAMSE BEGIJNHOVEN WERELDERFGOED •*

Begijn als personificatie van de luiheid, met rechts de hellemuil. Detail van de 15deeeuwse muurschildering De mjze en dwoze moojden. Begijnhofkerk Leuven (foto 0. Pauwels)

Op 2 december 1998 zijn de Vlaamse Begijnhoven, ah cultureel erfgoed, opgenomen in de Werelderfgoedlijst: hun uitzonderlijke universele waarde wordt hierdoor erkend op internationaal

vlak. Hun specifieke steden-

bouwkundige aanleg en gedifferentieerde architectuur getuigen van hun gevestigde aanwezigheid in de Lage Landen, de enige contreien waar deze sociaal-religieuze en eigenzinnige vrouwengemeenschappen in Europa tot volle bloei zijn gekomen en zeven eeuwen lang hebben stand gehouden.

VERANTWOORDING VOOR DE DERTIEN GESELECTEERDE BEGIJNHOVEN De inschrijving steunt op drie van de zes criteria voor het culturele werelderfgoed, waarmee hun materiële en immateriële waarden zijn onderkend. Tot de andere voorwaarden horen integriteit, authenticiteit - ook in 'evolutieve' zin, en traditionele of officiële bescherming (1). Vlaanderen telt 26 beschermde begijnhoven. Na onderzoek en evaluatie blijkt dat in deze context slechts de helft in aanmerking komt als werelderfgoed (2). De andere hoven zijn slechts gedeeltelijk bewaard (3) of niet meer voldoende herkenbaar als


• Begijnhoven In Vlaanderen (kaart Maarten Jansen, 1998-2005)

Maarten Jansen 1998-2(105

dusdanig door hun aangetaste aanleg of ontmanteling en opname in het stedelijk weefsel (4). Dit betekent geenszins dat ze voortaan stiefmoederlijk worden behandeld, omdat onze wet- en regelgeving geen voorkeursbehandeling voorziet voor ingeschreven Werelderfgoedsites. De dertien geselecteerde begijnhoven worden representatief geacht omwille van hun ligging, herkenbaar- en geslotenheid, hun typologie als pleinof straatbegijnhof of als gemengd type, en hun bewaarde hoofdcomponenten als poorten, kerk en/of kapellen, infirmerie met eventuele aanhorigheden of hoeve, groothuis of huis van grootjuffrouw, conventen, begijnenhuizen. De geografische spreiding wijst op de verscheidenheid van de regionale, voorhanden materialen voor een streekeigen architectuur. De continuïteit van de bewoning, ook na het uitdoven van de begijnenbeweging, heeft mede hun behoud verzekerd (5). De geestdriftige aandacht van de media bij de inschrijving heeft bij de bevolking, plaatselijke beheerders en lokale en regionale overheden enthousiasme en fierheid opgewekt, die na tien jaren nog steeds nazinderen.

RFGIiNFN EN HUN HOVEN De begijnenbeweging geniet in binnen- en buitenland een opflakkerende belangstelling, die zich niet beperkt tot haar ontstaan en geschiedenis, maar ook ingaat op haar inbreng in de wereld der kun-

sten, letteren en muziek (6). Vanaf de jaren 1970 komt hierbij een enigszins feministisch getinte studie in de ruime context van het sociaal-religieuze en culturele onderzoek afgestemd op de spiritualiteit, de solidariteit en de zelfvoorziening in die vrouwengemeenschappen (7). In landen zoals de Verenigde Staten, Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland ontstaat inmiddels, ook in protestantse kringen, na de middeleeuwen en barok, een renaissance of zogenaamde third wave van de begijnentraditie: ze komt immers tegemoet aan de aspiraties van alleenstaande, zelfstandige vrouwen, die met één been in het religieuze leven staan en met het andere in de samenleving (8), Anderzijds bieden de nu als bijzonder ervaren nederzettingsvormen en de vanzelfsprekende bebouwing van de 'historische' begijnhoven als woonerven avant la lettre, nog hun aloude voordelen voor een zeker schommelen tussen gemeenschappelijk en privé-leven. In het architectuur- en stedenbouwonderwijs dienen begijnhoven vaak als te bestuderen, uit te diepen en te transponeren model en inspiratiebron voor hedendaags groepwonen (9). In de huidige, 'nieuwe begijnhoven', die onder andere in Duitsland verschijnen in nieuwe stedelijke ontwikkelingsprojecten, met eventuele verdiepingshuizen, spelen het evenwicht tussen gemeenschappelijke en privé-aspecten een bepalende rol in het bouwprogramma en de algemene aanleg. Vlaanderen kent vooralsnog, op één of twee individuele uitzonderingen na, geen dergelijke heropleving (10).


VLAAMSE BEGIJNHOVFN. HUN EIGENAARS/BEHEERDERS Sinds de jaren 1960 is, dank zij de restauratie/ renovatie van het Leuvense Groot Begijnhof (11), gaandeweg een herwaardering ontstaan die omtrent de eeuwwisseling en later nog meer tot uiting komt in diverse publicaties. Inmiddels werd in 1999 de restauratie van het begijnhof van Hoogstraten beëindigd en ook in Brugge is het geheel na drie decennia afgewerkt in 2006. Verder loopt nog fasegewijs de uitvoering van projecten onder andere in Dendermonde, Diest, Gent, Sint-Amandsberg en Kortrijk. In Lier hebben de eigenaars, voornamelijk O C M W en kerkfabriek, in 2003 een coördinerende architect de opdracht gegeven om een Masterplan uit te werken, gebaseerd op multidisciplinair onderzoek, dat alle materiële en immateriële aspecten van de site onder de loep neemt. Historische studie en grondige inventarisatie van elk huis afzonderlijk combineren veldwerk en onderzoek van geschreven en iconografische bronnen. De aansluitende genuanceerde erfgoedanalyse en -evaluatie betrekken hierbij niet alleen een visie op restauratie, vernieuwbouw en stedelijke ontwikkeling, maar houden ook rekening met de sociologische structuur, duurzame ontwikkeling en energiebeheer, eigendomstructuur en exploitatie, budgetbeheer en fasering. Deze bepalen ook mede de hele benadering die betrekking heeft op de gebouwde en onbebouwde omgeving. Het hieruit resulterende interventieplan sluit aan bij de Conventie, waarin algemene richtlijnen ter begeleiding van de algehele restauratie worden geformuleerd. Het Operationeel Masterplan preciseert per deelproject, namelijk per afgebakende gebieden binnen het hof, specifieke richtlijnen ter attentie van de toekomstige architecten van deze deelprojecten. De interactie tussen de drie 'luiken' van dit instrumentarium, uitgebracht in maart 2008, ligt volledig in de lijn van het door Unesco aanbevolen en verwachte managementsysteeem met lange termijnvisie (12).

Het stratenbegijnhof

en grotere materiele problemen op: de aangestelde van Diest. werklui zorgen voor h e t dagelijks o n d e r h o u d en Luchtopname vanuit het noordoosten nemen ook deel aan het meer gespecialiseerde resmet de Infirmerietauratie- en onderhoudswerk. Cultureel Centrum en kerk op de

De wet- en regelgeving inzake het monumentenzorg - nu onroerend erfgoed - voorziet een aantal maatregelen die het behoud van het beschermde erfgoed moeten waarborgen. Sinds einde 1998 zijn een aantal aanpassingen doorgevoerd die ook alle beschermde begijnhoven ten goede komen (14). Een blijvend probleem hierbij is dat deze begijnhoven niet op dezelfde manier beschermd zijn (15), wat verschillen met zich meebrengt bij het toekennen van overheidspremies voor restauratie en onderhoud.

voorgrond (archieffoto, 1997, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ASO-ATOSectie foto/video)

De verschillen qua eigendomstoestand en beheer liggen in dezelfde lijn. Met de sekwestratie tijdens het Frans Bewind zijn de overblijvende begijnhoven in het bezit gekomen van de toenmalige Commissions des Hospices Civils, de voorlopers van de

Het stratenbegijnhof van Lier.

Aan noodzakelijk onderhoud, recent aangevoerd als vorm van preventieve conservatie, is sinds 1992 door de Vlaamse regering de nodige aandacht besteed door het toekennen van premies ad hoc. In 2004 is een aanvullend Besluit tot stand gekomen in verband met de onderhoudspremie voor beschermde monumenten (13). Onder meer in het Leuvense Groot Begijnhof en het Brugse Begijnhof wordt dankbaar gebruik gemaakt van deze regeling. Turnhout volgt met zijn atelier ter plaatse de kleine

Luchtopname vanuit het zuidwesten (archieffoto, 1997, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ASO-ATOSectie foto/video)

M&L


Het Brugs Begijnhof toevertrouwd aan de goede zorgen van de bewonende zusters benedictinessen (foto R. Vandervorst, VIOE)

huidige O C M W ' s , openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid. Dit is nog steeds het geval voor de begijnhoven van Diest, Kortrijk, Tongeren en Turnhout. Elders treden O C M W ' s en kerkfabrieken op als mede-eigenaar zoals in Lier en ook Mechelen, waar bovendien nog een aantal gebouwen zijn geprivatiseerd. In Brugge is het begijnhof stadseigendom. Het Leuvense Groot Begijnhof behoort tot de Leuvense universiteit. Verder treden aparte vzw's op in de provincie Oost-Vlaanderen en recenter ook in Hoogstraten met de vzw Het Convent, die in 1992 het begijnhof voor 99 jaar in erfpacht heeft gekregen van de Stad. Het beheer biedt evenveel varianten wat benadering, bewoning, verhuring en ontsluiting. Deze verscheidenheid bleek zeer duidelijk tijdens de samenkomsten en besprekingen van het Platform voor Begijnhoven, ontstaan in 1998-1999 op initiatief van de vzw Het Convent Hoogstraten. Bedoeling was begijnhofbeheerders en afgevaardigden van de toenmalige afdeling Monumenten en Landschappen samen te brengen om theoretische

en praktische informatie en ervaringen uit te wisselen. In de geest van de Werelderfgoedconventie en de bijbehorende handleiding, was het de bedoeling om de krijtlijnen voor een gezamenlijk basisbeheer uit te tekenen. In een eerste fase werd een Beginselmanifest met doelstellingen opgemaakt, met aandacht voor het materiële, onroerend en roerend erfgoed enerzijds en het immateriële aspect anderzijds (16). Het Platform organiseerde plaatsbezoeken aan de begijnhoven van Tongeren, Turnhout, Kortrijk en Dendermonde en een studiedag op 21 april 2001 in Dendermonde, met als thema Welke toekomst voor de begijnhoverf. (17). Hieruit bleek dat ook op overheidsniveau de aanpak verschilde per provincie. Dit ligt overigens in de lijn van de eigenheid van elk begijnhof. De verschillende opties van de beheerders qua bewoning en bewoners kwamen die dag ook tot uiting in het panelgesprek onder leiding van journaliste Anne Brumagne met de diverse betrokkenen (18). De toen behandelde punten, gaande van meer technische naar sociaalculturele aspecten, zijn nog altijd actueel en horen bij de aandachtspunten en bekommernissen van Onroerend Erfgoed, en van het blijkbaar op zijn tweede adem komende Platform (19).

• Het plembegijnhof van Hoogstraten. restauratie op initatief van Het Convent beëindigd

BEGIJNHQFBEWONFRS VROEGER EN NU

in 1998-1999 (foto K. Vandevorst. VIOE)

IVI&L

Er geldt in sommige begijnhoven nog altijd een bepaalde selectie van bewoners, mogelijk volgens leeftijd met uitsluiting van kinderen omwille van de 'sacrosancte rust', zoals in Kortrijk en Dendermonde. De grootjuffrouw van Sint-Amandsberg daarentegen wenste dat ook jonge gezinnen met buiten spelende kinderen de begijnenhuizen zouden


BEGUENAGE EDE • LA» VELLE • B E

DIEST

HABflTATlON o o

RiuE iD)iü §sE§piinr°Ns no

Diest. Gedetailleerde opmeting van het huls Heilige Geeststraat nr.lü (uit CLEMENT l , GHOBERT J. en HUART C , Les anciennes constructions rurales et les fiewes constructions des béguinages en Belgique, deel 2, 1916. p. 119, repro H. Denls)

betrekken, hetgeen enigszins in de lijn ligt van de vroegere schooltjes bestuurd door de begijnen zelf. In vele hoven wordt een sociale mix nagestreefd, die soms moeilijk te vrijwaren is omdat na de restauratie de huurprijzen stijgen en dat O C M W ' s de vraag stellen of onderhoud en herstel van begijnhoven wel tot hun kerntaken behoren. Oplossingen als renovatiecontracten waarbij de huurder (een deel van) de kosten op zich neemt tegen een verminderde huurprijs, zijn inmiddels ingevoerd in Turnhout en Diest. Dit veronderstelt een voorafgaande inventaris van te behouden bouwonderdelen. Erfpachten na restauratie is ook een mogelijkheid, die onder andere toegepast wordt in het Begijnhof Onze Lieve-Vrouw-ter Hoyen aan de Lange Violettestraat in Gent. In 1999 werden er in de 49

begijnenhuizen van het toegevoegde 17 e -eeuwse straatje, vijfendertig sociale woningen en drieëndertig dito appartementen afgewerkt en in gebruik genomen. Initiatiefnemer is de Volkshaard, een sinds 1928 bestaande vzw, die hier mede optreedt in het kader van een samenwerkingsproject met Zagan, een Gentse vereniging die zich toelegt op integratie van zorgbehoevenden in woonbuurten.

VIAAMSE BFGIJNHQVEN: RIIKQMENDE BESTEMMINGEN De overheersende woonfunctie, tezamen met met een zekere religieuze en sociaal-culturele functie, zijn voor vele eigenaars - beheerders en soms ook bewoners de enige functies die thuis horen in een begijnhof. Musea ondergebracht in één of meerdere begijnenhuizen worden aanvaard en zelfs gestimuleerd. In Turnhout bijvoorbeeld is het sinds 1953 bestaande museum een tiental jaren geleden vernieuwd. In de uitbreiding wordt een algemeen beeld van de begijnenbeweging geschetst en in het Sint-Jansconvent op nummer 56 belichten de originele meubels, huisraad, schilderijen en sacrale voorwerpen het dagelijks leven van de vroegere bewoonsters (18). Deze realisatie diende als voorbeeld, toen men in Kortrijk het Begijnenmuseum wilde overbrengen van het Huis van de Grootjuffrouw naar de Sint-Annazaal. Na een zorgvuldige

Het Gents Begijnhof Onze-Lleve-Vrouw ter Hoyen van het gemengd type. Flats en studios aan het binnenplein (foto auteur)


De Sint-Ursulakapel van het Tongerse begijnhof, sinds de restauratie herbestemd voor bijzondere culturele activiteiten (foto K. Vandevorst)

inventarisatie van het bewaarde roerend erfgoed, wordt dit project thans verder uitgewerkt. Men denkt aan het museaal inrichten met de typische inboedel van het kleine portiershuisje. In Hoogstraten wordt in het zogenaamd Convent vooral het verhaal van de begijnhofrestauratie belicht. Andere lokale musea, zoals in Brugge en Dendermonde, behouden momenteel hun bestaande inrichting, terwijl men bijvoorbeeld in Sint-Amandsberg zoekt naar een andere formule voor de presentatie van hun collectie. Voor tijdelijke tentoonstellingen, concerten en verwante activiteiten stellen een aantal begijnhoven zoals Tongeren en Lier de laatste jaren meer en meer geschikte ruimten ter beschikking. In Diest dient de infirmerie voorlopig nog als cultureel centrum, maar men is op zoek naar een andere locatie met meer parkeermogelijkheden.

KIFINSCHALIGE HORECA- EN ANDERE. BEPERKTE COMMERCIËLE FUNCTIES EN MEDEGEBRUIK Volgens bepaalde beleidsactoren, bezoekers en bewoners zijn andere dan de voornoemde functies wel aanvaardbaar in begijnhoven, wanneer ze de 'de geest van het hof', zijn algemene sfeer en de bewoning niet verstoren. Sinds 10 maart 1995 is De Demer Diest, het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) van kracht voor het gebied bestempeld als 'Zone voor Begijnhof', met andere woorden het geheel van straten, afsluitingen en gebouwen in hun bestaande toestand. De functie van de gebouwen beperkt zich tot bewoning.

A/I&L

Horeca, artisanale activiteiten, openbare nutsvoorzieningen en culturele functies kunnen evenwel door het O C M W toegelaten worden. Er is voorgeschreven dat " het geheel dient behouden te worden en door regelmatig onderhoud in goede bouwfysische toestand bewaard'. Met de vereiste toestemming van het O C M W zijn nu in Diest, een paar instellingen zoals een café met terras achteraan, een klein antiquariaat, een ambachtelijke boekbinderij en kunstenaarsateliers in bepaalde huizen ingericht. SintTruiden en Tongeren hebben ook hun café met een beperkte maaltijdenkaart. Dit valt in de smaak bij de bezoekers. De bewoners gedogen of appreciëren ze zelfs. Doorgaans werken de bewoners ook graag mee aan de organisatie van religieuze en andere traditionele evenementen zoals de processies in Lier en Turnhout en begijnhoffeesten. Deze stimuleren bovendien het gemeenschapsleven. Tentoonstellingen, concerten en Open Monumentendagen trekken ook een ruimer publiek aan en dragen zo bij tot een zekere bewustwording van de betekenis en waarde van de plek.

ONTSLUITING EN ERFGOEDTOERISME In welke mate de inschrijving in de Werelderfgoedlijst voor deze begijnhoven een stijging van het aantal bezoekers en rondleidingen betekent, is moeilijk te achterhalen uit het cijfermateriaal van de stedelijke toeristische diensten. De begijnhoven waren immers voorheen al als bezienswaardigheden opgenomen in stadswandelingen en toeristische folders. De eenvormige Werelderfgoedborden, die door de Vlaamse Overheid tussen februari 1999 en maart 2000 meestal plechtig zijn aangebracht in de 13 begijnhoven, identificeren de site en bieden basisinformatie aan over de seriële inschrijving, de Uitzonderlijke Universele Waarde en de bijzondere kenmerken van het hof in kwestie. De toenmalige Afdeling Monumenten en Landschappen heeft bij deze gelegenheid een algemene, ruim geïllustreerde informatiefolder samengesteld. In samenwerking met het Davidsfonds heeft ze in 2001 het fel verspreide boek Vlaamse Begijnhoven Werelderfgoed uitgegeven, gelijklopend met een Franse en een Engelse versie. Samen hiermee zijn de gelijknamige meertalige video's en de gids Langs Vlaamse Begijnhoven tot stand gekomen. Deze gids diende als begeleiding bij het druk bezochte en gecommentarieerde Begijnenhovenweekend van 29-30 september 2001 (19). Verdere wetenswaardigheden, onder de vorm van populariserende folders, brochures en


Zomerse Beiaardconcerten voor bewoners en bezoekers, met luisterplaats in de voormalige Bloementuin van het Leuvense Groot Begijnhof (foto auteur)

Het Sint-Catharinabegijnhof in Diest, genietbaar voor bewoners! (foto auteur)

andere zijn gepubliceerd door de toeristische diensten van de gemeenten, die nu ook de basisinformatie opnemen in hun website. Het samenstellen en ruim verspreiden in 2008 van een grote poster Werelderfgoed in België is dan een initiatief van U N E S C O Vlaanderen. Provincies en steden hebben bijgedragen tot het uitgeven van wetenschappelijke studiën of het ontsluiten van hun begijnhofarchieven. Die van Tongeren bijvoorbeeld zijn online te raadplegen. Het Steunpunt Buitenlands Beleid, Toerisme en Recreatie heeft in samenwerking met de universiteit Leuven een empirisch onderzoek naar toeristisch—recreatieve functieverschuiving en medegebruik in Vlaanderen georganiseerd, waarbij onder andere het begijnhof van Diest betrokken was (20). De verweven 'woonfunctie, herinneringsfunctie en kijkfunctie' brengen blijkbaar voordelen, maar ook problemen met zich mee. Gesteld wordt dat alleen een betere communicatie tussen de erfgoedsector - met zijn soms strenge randvoorwaarden - en de andere beleidsactoren tot een constructieve oplossing kunnen leiden. O p internationaal niveau bestaat sinds 2006 binnen I C O M O S het wetenschappelijk comité Interpretation and Presentation of Cultural Sites (ICIP) dat onderzoekt in welke mate moderne communicatiemiddelen kunnen bijdragen tot het ontsluiten en valoriseren van merkwaardige en minder gekende culturele sites (21). Het inmiddels in 2008 geratificeerd Charter van Ename formuleert hierover doelstellingen, bevindingen en aanbevelingen (22). Als verruiming van totnogtoe gebruikelijke

informatie, wordt hierin het begrip 'interpretatie' geïntroduceerd. Hiermee wordt "een publieke uitleg of discussie omtrent een culturele erfgoedsite veronderstelt, rekening houdend met zijn betekenis, zijn waarden en mogelijke verschillende meningen hieromtrent" h&iotXd.. Een dergelijke 'presentatie' vereist, naast een infrastructuur met de nodige publicaties (al dan niet gedrukte gidsen, video's en andere digitale producten), eveneens het nodige personeel om die uit te werken en regelmatig te actualiseren. In opdracht van het Kortrijkse O C M W werkt het Ename Expertisecentrum voor Erfgoedontsluiting voor het Kortijkse begijnhof een dergelijk project uit (23). Na evaluatie zou kunnen worden nagetrokken of dit format met de nodige inhoudelijke aanpassingen bruikbaar is voor de andere (Werelderfgoed) begij nhofsites. Er is alvast werk aan de winkel. Allicht kan hiervoor mede worden gerekend op de resultaten van het lopende onderzoek binnen het Werelderfgoedcentrum, waarin ontsluiting, duurzaam erfgoedtoerisme en ontwikkeling aan de orde zijn. Zorg om onze begijnenhoven, hun bewoners en bezoekers blijft aldus in menig opzicht een blijvende, dynamische opdracht.

Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck is occasioneel consultant Werelderfgoed

EINDNOTEN (1) De geselecteerde criteria zijn omschreven in whc.unesco.org/ fr/list/855 ofwhc.unesco.org/en/list/855, respectievelijk in het Frans of Engels: - het criterium ü wijst op de specifieke stedenbouwkundige aspecten die aansluiten bij de stedelijke en de landelijke nederzet-

1VI&L


tingen, samen met de typische architectuur die de religieuze en

(10) Er zijn nog begijnen'm De Standaard, 28 sepKmher,200\,p. 16.

de traditionele vormgeving in de toenmalige Lage Landen ver-

(11) Cf. artikel ad hoc, infta.

enigt;

(12) VAN DER WEE B. en LIEVEVROUW P, Restauratie en actua-

- het criterium «7 onderkent de uitzonderlijke waarde van de be-

lisering van het Begijnhof van Lier. Masterplan, Conventie, Opera-

gijnhoven als unieke getuigen van de culturele traditie die vanaf

tioneel Masterplan, 2008.

de middeleeuwen in Noordwest Eutopa door onafhankelijke re-

(13) GOOSSENS M., De onderhoudspremie voor beschermde monu-

ligieuze vrouwen is opgebouwd;

menten. Besluit Vlaamse Regering, 14juli 2004, Brussel, 2004. Te

- het criterium iv stipt het uitzonderlijk karakter aan van het

downloaden op: www.onroerenderfgoed.be//nl/uploads/ bl074;

architecturaal ensemble dat verband houdt met een typische

pdf Onderhoud in Begijnhoven, o.m. besproken tijdens de studie-

beweging van middeleeuwse oorsprong die seculiere en semi-

dag Waar?, georganiseerd door de vzw Bouwhistorie (december

gemeenschappelijke religieuze beleving verenigt.

2006), met mondelinge toelichting door Jan Esther voor Brugge en van Frans Horsten voor Hoogstraten.

(2) Volgende dertien Vlaamse Begijnhoven werden als UNESCO Werelderfgoed beschermd:

(14) Zie artikel P. Geleyns, elders in dit nummer.

- provincie Antwerpen: Hoogstraten, Lier, Mechelen Groot Be-

(15) Ibidem, tabel.

gijnhof en Turnhout;

(16) Zie Beginselmanifest van het Platform voor Begijnhoven, gevoegd bij Nieuwsbrief September 2002.

- provincie Limburg: Sint-Truiden en Tongeren; - provincie Oost-Vlaanderen: Dendermonde, Gent O.L.Viouw

(17) Programma in VCM, Elektronische Nieuwsbrief, nr. 5, 6 april

ter Hoven, Gent/ Sint-Amandsbetg; - provincie Vlaams-Brabant: Diest en Leuven, Groot Begijnhof;

2001. (16) Ibidem: Cecile Poissonier, directie-assistent van De Lovie, be-

- provincie West-Vlaanderen: Brugge en Kortrijk.

gijnhof Diksmuide; Ludo Collin, voorzitter vzw Begijnhof

(3) Ondermeer provincie Limburg: Borgloon, alleen de kapel; pro-

Onze-Lieve-Vrouw ter Hoyen begijnhof Gent; René Jans, afde-

vincie Oost-Vlaanderen: Aalsr, alleen de kerk en een paar huizen;

lingshoofd socio-culturele dienst Tongeren, begijnhof Tongeren;

provincie Vlaams-Brabant: Leuven, Klein Begijnhof, hoofd- en

Jos Engelen, diensrhoofd Patrimonium van de stad Diest, begijn-

zijstraat; Overijse: alleen de kapel.

hof Diest; Edgard Goedleven, afdelingshoofd Monumenten en Landschappen.

(4) Provincie Oost-Vlaanderen, Gent, Oud Sint-Elisabethbegijnhof: ontmanteld en gedeeltelijk nieuw stratentracé. Provincie Vlaams-

(17) Beleidsbrief Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed, Dirk

Brabant: Aarschot, pleinbegijnhof doorsneden door de Starions-

Van Mechelen, 2009 p. 67: "Ook het Unesco-werelderfgoed ver-

straat sinds 1863. (5) Ten tijde van het samenstellen van het dos-

dient mijn volle aandacht. In 2008 vond een eerste gezamenlijk

sier (1997) woonden er nog een vijftal begijnen in hun hof. De

overleg van het Platform der Begijnhoven plaats. Dit Platform biedt

enige overlevende begijn, juffrouw Marcella van Kortrijk, is nu

de mogelijkheid om kennis op te doen en ervaring uit te wisselen

88 jaar en is opgenomen in een verzorgingstehuis.

tussen de verschillende eigenaars I beheerders van dit UNESCO werelderfgoed'.

(6) MANNAERTS P., Beghuinae in cantu istructione, Turnhout, 2008; concertuitvoeringen o.m. door het ensemble Psallentes-

(18) BUYLE M. en HEIRMAN M., Turnhout, een vernieuwd begijn-

dames sinds 2007. Voorrs onder meer herontdekte parrituren in

hofmuseum, in M&L (Monumenten, Landschappen en Archeo-

de Infirmerie van het Turnhoutse Begijnhof. (7) Zie bibliografie in www.historytoherstory.org.uk en www. Frau-

logie), jg. 19,^.3,2000^.45-63. (19) VAN AERSCHOT S. en HEIRMAN M., Vlaamse Begijnho-

engeschichte.de. De CANT G., A World of Independant Women.

ven Werelderfgoed, Leuven, 2001; ID., Flemish Beguinages World

From the I2th century to the Present Day; The Flemish Beguinages, Heritage, Leuven, 2001 en Beguinages Flamands un Patrimoine Riverside ct. Luciole Guides, 2003.

mondial, Brussel. 2001; telkens met bibliogtafie (tot 1997) en gelijknamige videos m.m.v. P. Verlinden en E. Vanderauwera,

(8) American Beguine Community, www.beguine.org; RABER J.H., Religous Movement of Women. Simple Lives: a new Beginning for

in opdracht van de afdeling Monumenten en Landschappen;

the Beguines, 2009; www.thefreelibrary.com: artikel Sisterhoods

HEIRMAN M., Langs Vlaamse Begijnhoven, Leuven, 2001; VAN

make a Comeback in Germany; Culture and Lifestyle, 22.09.2005

AERSCHOT-VAN HAEVERBEECK S., Les Beguinages fla-

zie dw-world.de/dw/article/d„ 171066,00.html.

mands, in Patrimoine Mondial, 17, 2000, p. 18-29; ID., Flemish

Verder ook: www.dachverband-der-beginen.de, dat toegang ver-

Beguinages, in World Heritage, 17, 2000, p. 18-29; ID., Beguina-

leent tot het netwerk van de meesre hedendaagse begijnhoven in

jes Flamencos, in Patrimonio Mundial, p. 18-29.

Duitsland. (9) Cf. ondermeer programma van de Master Class voor de Australische studenten in de context van Unesco Sharing Heritage,

(20) TRESIGNIE S. en BRYON J., Ruimte voor toeristisch-recreatief medegebruik; Kritieke succesfactoren voor het Vlaamse beleid in Toerisme Research Paper, 16, 2007.

december 2007; voorts plaarsbezoeken, oefeningen, zoektochten

(21) Zie www.international.icomos/home.htm

voor lager, middelbaar en hoger onderwijs; Architectuutafdeling

(22) Zie www.enamecharter.org/initiative_O.html

Louvain-la-Neuve, september 2008, bestuderen van een aantal

(23) Zie www.enamecenter.org/nl/node/664 : Het begijnhof van Kor-

begijnhoven als achtergrond voor het ontwerp van ' groepwonen' voor gastprofessoren.

trijk : naar een interpretatie van een UNESCO Werelderfgoedsite.


Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck

DE RESTAURATIE/ RENOVATIE VAN HET LEUVENSE GROOT BEGIJNHOF ( 1 9 6 3 - 1 9 9 3 ) . EEN LABORATORIUM OP WERELDNIVEAU Begijnhof van het gemengde type. Luchtopname vanuit het zuid-westen (archieffoto 1997, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ASO-ATOSectie foto/video)

In de evolutie waardevolle

van de zorg om de stedenbouwkundige

eeuwenoude, en

architec-

turale ensembles speelt de innoverende ratie/

renovatie

van het Leuvense

Begijnhof

een bepalende

dergelijke

schaal in Noordwest

pakt project.

geving.

Dit initiatief

archetypische

Europa

de woonkwaliteit. methodologie

Naast de te

vraagt

ligt aan de oor-

de toen nauwelijks vakkennis.

overlevende

De praktische

heeft niet alleen aan deze nood

leefom-

gespecialiseerde

vakken

visie

Dat de realisatie

een tijdspanne

bieden de

huizen, in de hedendaagse

con-

maar ook de verdere ontwikkeling

tigtal jaar bestrijkt situeren.

om

ambachtelijke

opleiding

voor het

restauratie/gerenovatie

in de meer

bouwwereld,

aandacht

in een globale

ontwikkelen

de realisatie,

en meer geïndustrialiseerde

aange-

geïndividualiseer-

in een uitgebalanceerde

Eens opgenomen

betreffende

Croot

rol, als eerste op een

sprong van een vernieuwde groepswonen

restau-

text, een vanzelfsprekende,

ter

plekke

verholpen, van deze

gestimuleerd. van een der-

laat toe haar evolutie

te


poorten: voor de revolutionairen staan ze immers als symbool voor het opsluiten en afzonderen van die "arme slavinnen van de religie'. Eén jaar later valt de I4 t c -eeuwse kerk onder de hamer. Van de ongeveer 190 verjaagde begijnen keert slechts een klein aantal na het Concordaat van 1801 terug. Twee jaar later kan de gemeenschap haar diensten opnieuw organiseren in de aangekochte kerk. De herbouwde poorten aan de Schapenstraat sluiten sinds 1805 het hof opnieuw af: de bewaarde poort aan de hoofdingang getuigt van hun sobere laatclassicistische stijl.

FEN TERUGBLIK (1) Zoals een aantal andere Vlaamse begijnhoven verkeert het Leuvense Groot Begijnhof, bij het begin van de jaren 1960 in een hachelijke toestand. Sinds het Frans Bewind is het in 1797 gesekwestreerde hof, gesticht begin 13 L eeuw, in de handen van de Commission des Hospices Civils, de latere C o m missie Openbare Onderstand ( C O O ) (1925) en voorganger van de huidige Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn ( O C M W ) . De algemene aanleg en het gebouwenbestand blijven behouden. Prioritair blijft de woonfunctie, nu bestemd voor armere burgers. In 1798 sneuvelen alleen de

In 1819 telt men 89 begijnen, die de huizen bewonen. Naarmate hun aantal geleidelijk afneemt komen er talrijke, vooral hulpbehoevende families in de plaats. De woningen ondergaan hierdoor aanpassingen van verschillende aard. Voornamelijk in een aantal voorgevels worden deuren aangepast en ook vensters vergroot na het wegbreken van de tussenstijlen- en dorpels van de traditionele kruis- en andere kozijnen. Naar de heersende mode, die ook in de steden heerst, worden gevels volledig of gedeeltelijk witgekalkt om de bouwnaden te verbergen. De dichtere bewoning vergt vaak een herverdeling van de interieurs met tussenschotten, nieuwe vloeren, schouwen en deuren; de traditionele samengestelde balkenlagen worden geplafonneerd. De Infirmerie ten westen van de kerk wordt gebruikt als vrouwenrusthuis. Het grote Convent van Chièvres herbergt ondermeer een kleine textielfabriek, tot 1937 een weeshuis met 19 ^-eeuwse uitbreiding (nr. 38) en aanpassingen van bestaande huizen. Van 1938 tot 1968 betrekken de AalmoeT Het interieur van de woning Kerkstraat 11 vóór restauratie (archieffoto RL-T-G6 0031)


zeniers van de Arbeid een deel van het geheel. Beide representatieve complexen ondergaan de gebruikelijke wijzigingen aan de gevels en het interieur. De bouwvallige kapel van de grote, nu herverdeelde ziekenzaal van de infirmerie, wordt afgebroken in 1832-1833. De nu vlakke oostgevel krijgt een 19 c ' eeuwse ordonnantie die ook in de Heilig-Geesttafel wordt doorgetrokken. Rechthoekige vensters ritmeren nu het gewitte baksteenmetselwerk. Specifieke problemen vloeien voort uit de locatie van het hof zelf: het ligt immers in het laag gedeelte van de stad, vlak aan de Dijle. Ten westen splitst de rivier in: de Kleine Dijle loopt oostwaarts, buigt later om in noordelijke richting en begrenst aldus de oudste kern. De Grote Dijle zet haar loop in noordelijke richting verder en scheidt hiermee de eerste westelijke uitbreiding af van het later gebouwde z.g. Spaans Kwartier . Opstijgend vocht tast het doorsnee baksteenmetselwerk en de plaatselijke kalklagen aan van de slechts gedeeltelijk onderkelderde begijnenhuizen. Grote en kleinere vrije ruimten en tuinen geraken verkaveld en gaandeweg bezaaid met allerlei bijgebouwtjes, berg- en duivenhokken. Tussen vrije en gebouwde ruimten geraken de vroegere verhoudingen verstoord. Toen gebruikelijke romantische en nostalgische beschouwingen doorspekken de beschrijvingen van het Leuvense Begijnhof. De Leuvense archivaris Edward van Even vult in 1895 het idyllische beeld wel aan met een blik op de realiteit: "Aujourd'hui Ie Béguinage est habité, en grande partie, par la petite bourgeoisie et Ie peuple. Sur Ie seuil des portes, de braves femmes bavardent en tricotant, tandis que leurs enfants jouent ie long des trottoirs. Ony trouve des boutiques et des cabarets" {2). De kwaliteiten van aanleg en architectuur komen vanaf 1914 aan bod, wanneer drie architecten de 'kleine' streekeigen architectuur en de begijnhoven als hun bijzondere expressie gaan documenteren na opmetingen en ontledingen. In de context van het opkomende regionalisme verlenen ze de begijnhoven een voorbeeldfunctie voor de naoorlogse tuinwijken. H u n gepubliceerde teksten en tekeningen brengen belangrijk archiefmateriaal aan (3). Voor behoorlijk onderhoud, laat staan restauratie, beschikt de C O O niet over de nodige financiële middelen. Alleen het allernoodzakelijkste wordt voorlopig hersteld, vaak door de bewoners zelf en met goedkope lapmiddelen. Zo neemt de verkrotting gestaag toe. Met een mogelijke subsidiering

voor ogen wordt in 1947 een aanvraag ingediend om de bescherming als monument van de SintJan-de-Doperkerk in 1937 uit te breiden tot het hele hof, hierbij refererend aan het Begijnhof van Diest, dat sinds 1938 volledig beschermd is als monument. O p deze inhoudelijk verantwoorde vraag wordt niet ingegaan omwille van de te verwachte kost voor instandhouding en restauratie. De Vrienden van het Groot Begijnhof worden gesticht in 1958 onder voorzitterschap van kanunnik Raymond Lemaire (1878-1954), met als doel het C O O bij te staan voor het onderhouden en herstellen van de gebouwen. Enigszins bewuster van het belang van het aanwezige erfgoed benoemt de C O O in 1959 Paul Victor Maes (1924) tot conservator van het Kunstpatrimonium van de Begijnhofkerk. Deze kunstenaar was gekend om zijn schilderijen en tekeningen van ondermeer begijnhoven en interieurs. Hij zal optreden als voorstander en bemiddelaar voor het verder bestaan van het Groot Begijnhof, dat hij door en door leert kennen en documenteert (4). Einde van de jaren vijftig, begin zestig biedt de Leuvense C O O andere vormen van sociale huisvesting aan en overweegt om het begijnhof te koop te stellen. De bewoners zouden voorrang genieten voor nieuwe behuizing in bijvoorbeeld Sint-Maartensdal van Renaat Braem (1910-2001). De duplex appartementen van Braem, die daar vanaf 1957 werden gebouwd, vielen echter niet in de smaak van de begijnhofbewoners, die een huis met tuintje gewend waren. O p het begijnhof worden de leegstaande huizen niet meer verhuurd voor lange tijd. Alleen studenten kunnen er tijdelijk wonen voor een lage prijs. Verscheidene privé-voorstellen dienen zich aan om (studenten)huisvesting te voorzien in het Begijnhof, hetzij met behoud van het


DE RESTAURATIE/ RENOVATIE: EERSTE FASE 19fi?/1 9 6 3 - 1 9 7 2

BEGUIMAGE DELAVILLEDE LOUVAIM

• 17de-eeuwse hui-

deuren. Opmeting

et les petites con-

zenrij aan het

van C. Huart

structions des béguinojes en Beljitiue,

Spaans Kwartier

in CLEMENT T.,

nrs. 29 e.v., met

GHOBERT J., HUART

deel I, 1914, p. 92

behouden kruisven-

C, Les onciennes

(repro H. Dems)

sters en rondboog-

constructions rurales

gebouwenbestand, hetzij door het te vervangen door nieuwbouw: een doorwinterde en soms nog toegepaste tabula rasa oplossing, die alleen de beschermde kerk zou sparen.

DE UNIVERSITFIT Al S REDDER Uiteindelijk is het de Leuvense universiteit die in 1962 het hele complex van 10 hectaren, waarvan 6 hectaren gebouwde oppervlakte, aankoopt voor 17 miljoen Belgische franken, met de bedoeling het te renoveren voor een vorm van universitaire huisvesting met verantwoorde wooncultuur. Een 'culturele' gemeenschap zou de oorspronkelijke semireligieuze vervangen. Begijnhoven bieden immers door de eeuwen heen een bijzondere leefomgeving die naast sociale, gemeenschappelijke beleving ook voldoende ruimte biedt voor een privé-bestaan, een combinatie die ontbreekt in vele hedendaagse wijken. Na een afgewimpeld voorstel om hier alleen studentinnen onder te brengen wordt overgeschakeld op gemengde huisvesting, aanvankelijk met een onderscheid tussen zogenaamde meisjes- en jongenshuizen, samen met broodnodige flats voor gehuwde studenten en assistenten. Eengezinswoningen zorgen voor een zekere continuïteit. De kerk blijft tot 1985 eigendom van het O C M W . In januari 1966 wordt beslist het overgrote deel van de kerkelijke kunstschatten over te brengen naar het Stedelijk Museum van Leuven (5). De gepubliceerde inventaris van de kerk van het Groot Begijnhof brengt, mede dankzij zijn illustraties, een treffend inzicht in het toenmalige kunstbezit en zijn rol in de aankleding van het interieur (6).

M&L

De universiteit vertrouwt de geplande restauratie- renovatie toe aan professor dr. Raymond Marie Lemaire (1921-1997), die een overtuigende rol speelt in de reddingsoperatie. Sinds 1 oktober 1953 is hij aangesteld als gewoon hoogleraar aan de Speciale Scholen van de Faculteit Wetenschappen, waar hij vooruitstrevende architecten treft als professor Paul Felix (1913-1981) en Georges Pepermans (1936-2007). Hij doceert Geschiedenis van de Bouwkunst en Geschiedenis van de Bouwkunst in België aan de ingenieurs bouwkunde en architectuur en aan de kunsthistorici. Als docent, vanaf 1950, voert hij al voor deze richtingen een cursus monumentenzorg in. Zijn ervaring als architectuurhistoricus, als eminent lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en zijn praktische toepassingen, veelal in samenwerking met ingenieurarchitect Robert Vandendael, komen van pas om die complexe taak op te nemen. Zijn aanpak en restauratie van voornamelijk kerkelijke stijlachitectuur (7) past in de geest van de nieuwe kerkelijke kunst, zoals gepromoot in de tentoonstelling Ars sacra 58 (8) en in sobere moderne kerken en kapellen uit die periode, die aanleunen bij het toenmalige "brutalisme".

Vanaf de jaren I960 geraakt Lemaire meer en meer betrokken bij internationale organisaties, die een multidisciplinaire benadering van monumentenzorg, architectuur en stedenbouw bepleiten. Tijdens het Congres des Architectes et Techniciens des Monuments historiques, dat onder de bescherming van de U N E S C O in 1964 plaatsvindt in Venetië, neemt hij actief deel aan de redactie en ondertekent mee het Charter van Venetië, dat een jaar later door I C O M O S aanvaard wordt (9). In deze algemene context weet Lemaire zijn theoretische kennis, zijn ervaring als monumentenzorger en zijn bijzonder inzicht in het historische en actuele bouwen te koppelen aan het begrip en respect voor aloud vakmanschap. Onmisbaar evaluatievermogen en de nodige creativiteit dragen bij tot het bundelen van het geheel tot een weloverwogen visie.

Voorbereidend werk en opmetingen O m het werk op het Begijnhof in goede banen te leiden en om kostenbesparend te werken, richt de toen nog unitaire Katholieke Universiteit Leuven in 1963 de Dienst Historische Gebouwen op en benoemt Lemaire als directeur, een taak die hij opneemt tot 1969. Voorbereidende opmetingen


worden uitgevoerd vanaf 1962 met medewerking van zijn tekenaar en architectuurstudenten. In de loop der jaren komen hier ook assistenten en tekenaars bij uit eigen land en het buitenland, zoals stagiairs uit Italië en Bulgarije... Daarbij horen ook nog een aantal permanente arbeiders van de Technische Dienst van de Universiteit (10). Het grote werk wordt toevertrouwd aan een paar afzonderlijke, kleine aannemers met restauratie-ervaring, en aan ter plaatse opgeleide gespecialiseerde werklui zoals steenkappers, schrijnwerkers en metsers, die meestal ontbraken in de meer en meer geïndustrialiseerde bouwwereld. De noodzakelijke opleiding van restauratieambachtslui wordt hiermee gestimuleerd. De restauratie/ renovatie van het Groot Begijnhof vertegenwoordigt in die jaren de grootste werf in dit genre in Noordwest Europa.

Gebikt interieur in huis nr. 35 met bewaarde laat-gotische schouw en lemen binnenwanden (KULBib doos 15. repro 0. Pauwels)

Uibreiding van huis nr. I met twee beglaasde vleugels onder zadeldak en kleine patio (foto 0. Pauwels)

Als het werk opstart wonen er nog twee begijnen op het Begijnhof. De oudste begijn, zuster Virginie, sterft in 1969 en heeft haar oud huis (nr. 11) nooit verlaten. Grootjuffrouw Julia, voorheen gehuisvest in het huis (nr. 12), overlijdt in 1988 op 85-jarige leeftijd. Van haar herstelde omgeving en vervangwoning (nr. 75) met gegeerde 'moderne uitrusting' en keuken heeft ze nog jarenlang genoten. Het resterende twintigtal lekenbewoners zal geleidelijk het Hof verlaten met behulp van de restauratiestaf, die mee heeft gezocht om een betaalbaar huis te vinden.

Nieuwe fietsbergmg en brievenbussen achter de afsluitingsmuur naast nr. 91 aan de Bovenstraat (foto auteur)

Basisprincipes voor renovatie/ restauratie Raymond Marie Lemaire heeft de principes voor de renovatie van het Groot Begijnhof toegelicht tijdens een bijeenkomst in Budapest, georganiseerd door de Economische Raad voor Europa van 27 april tot 7 mei 1970 (11). De titel van zijn verslag La renovation des villes historiques. Un cas concret: Le Grand Béguinage a Louvain wijst meteen op de benadering die zijn werk in het Groot Begijnhof plaatst in de ruime context van de problematische toestand van de historische steden in de jaren 1960-1970. Ongebreidelde afbraak is er schering en inslag en de overheersende stedenbouw wordt er gedreven door de vernieuwingsdrang van de golden sixties, die gestandaardiseerde flat- en kantoorgebouwen promoot zonder rekening te houden met de kwaliteit en leefbaarheid van de gebouwde omgeving. Het gerenoveerde Groot Begijnhof moet in deze context fungeren als manifest en bewijzen dat het 'verouderde' huizenbestand, mits behoorlijke en globale aanpak en uitrusting, enorme mogelijkheden voor geïndividualiseerde hedendaagse bewoning biedt. Geert

Bekaert en Francis Strauwen hebben de restauratie van het Groot Begijnhof opgenomen in Bouwen in België: "Het Begijnhof van Leuven geeft meer te zien dan strikte monumentenzorg. Het is een beperkt maar reëel experiment in hedendaags wonen. In geen enkele nieuwe woonwijk heeft men bereikt wat daar te beleven valt" (12).


• Duidelijke aanleg met belangri|ke rol van de Dijle die de stad binnenstroomt via de Waterpoort met aansluitende tweede ommuring

De drievoudige basisprincipes, die het werk van Lemaire in Leuven gestuurd hebben, zijn grotendeels door het Charter van Venetië geïnspireerd en worden hier aan de praktijk getoetst. Authentieke en waarde- en betekenisvolle elementen en materialen, die zowel in de gevels als in de interieurs resten, moeten worden onderkend en zorgvuldig opgetekend. Deze documentatie dient, na grondige evaluatie, als basis voor het inrichten van gevarieerde woonvormen, passend bij een bestemming als studentenhuis of als één of meergezinswoning naargelang de draagkracht van het begijnenhuis of convent. Een museale benadering is in elk geval uitgesloten. Zowel in het exterieur als interieur moeten de zinvolle bijdragen en ingrepen van verschillende perioden geïntegreerd worden. Matig en discreet gebruik van hedendaagse materialen en vormen sluit hierbij aan. Nieuwe aanbouwsels onder lessenaarsdak, die keukens en badkamers herbergen waarvoor de uitrusting de oude ruimten zou verstoren, zijn in die zin ontworpen. Bestaande en nieuw gebouwde hokken herbergen meestal fietsen en ook gegroepeerde brievenbussen, waardoor gevels en deuren niet ontsierd worden.

( N d ' eeuw) - aan de huidige Tervuurse vest — en

Principes omgezet in de uitvoering

na haar splitsing de oudste kern met kerk en infirmerie afbakent (Pentekening opgehoogd met waterverf uit het Album de Cmy, n° 2414, fol. 10 r umversiteitsarchief KULBib)

Vooronderzoek In het Woord Vooraf van een artikel over de Infirmerie van het Leuvense Groot Begijnhof (13) wordt gewezen op de "experience nouvelle chez nous\ die de confrontatie invoert van vele en verschillende

bronnen zoals archeologische, archivalische, literaire gekoppeld aan grondig onderzoek in situ van funderingen, scherven, bouwsporen, opschriften en andere. De toen nieuwe methodologie vloeit voort uit de ervaring van een multidisciplinair team en uit discussies en gedachte-uitwisseling. Voor het ingewikkelde complex van de Infirmerie met haar archievenfonds heeft dit onderzoek interessante gegevens aangebracht die inderdaad het restauratieontwerp hebben beïnvloed. Voor gewone begijnenhuizen levert het archiefonderzoek soms interessante gegevens op voor de context van hun oprichting: jaartallen, opdrachtgeefster(s), inrichting, kostprijs (14). Inventarissen van inboedels, opgesteld bij het overlijden van een begijn bevatten informatie over stoffering en uitrusting van haar woning. De schaarse oude iconografische bronnen leveren weinig op. Een ingekleurde tekening in vogelperspectief uit het einde van de 16 c eeuw, bewaard in de Centrale Universiteitsbibliotheek en een detail uit het kadasterplan van 1813 uit het Stadsarchief tonen de algemene aanleg. Tekeningen uit voornoemde publicaties en vooral oude foto's uit het fotoarchief van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) (15) brengen algemene beelden en details van de al dan niet verbouwde exterieurs en ook een zeldzame selectie van het roerend goed binnenshuis, zoals voor het huis (nr. 11), toen nog betrokken door zuster Virginie. Voor de Infirmerie zijn eveneens opnamen van kunstschatten en ander erfgoed bewaard. De in het KIK opgenomen collectie van de Leuvense fotograaf H. Hoste, samengesteld in de jaren 1950, biedt een goed algemeen beeld van het toenmalige bouwbestand, allerlei aan- en bijbouwen, kleine en grote tuinen en hun beplanting. Schilderijen, tekeningen en ook kleurenfoto's van P.V Maes, de toenmalige conservator van de Leuvense C O O , bezorgen een intimistisch beeld van de laatste begijnen in hun dagelijkse omgeving: biddend in de kerk, zittend bij de haard in hun huiskamer (16).

Aan de slag Het werk verloopt fasegewijs, rekening houdend met groepen van leegstaande panden waarvoor uitrusting zoals verwarming samen wordt voorzien. Van 1963 tot 1965 komt een deel van het Spaans Kwartier aan de beurt, de groep van de vier woningen nrs. 17, 18, 19 en 20 wordt op dezelfde manier behandeld en bewoond vanaf 1966. Later komt de verwarmingscentrale voor de hele Middenstraat terecht in een daartoe herbouwd pand, waarvan het zadeldak de helling volgt van resterende sporen op de zijgevel van het aanpalende huis nr. 66. Een

M&L


aparte ruimte herbergt er de gemeenschappelijke wasserette. Per gebouw verwijderen gemotiveerde arbeiders van de Dienst voorzichtig de vaak verweerde kalklagen van de gevels en ontpleisteren de -al dan niet oude- aangetaste binnenwanden en recentere, waardeloze (schijn)plafonds; de bouwfysische toestand wordt hiermee duidelijk. De tekenaars meten nadien de sporen op van vroegere verbouwingen en resterende, soms herontdekte oorspronkelijke elementen en maken meteen aanvullende algemene en detailfoto's, waaruit blijkt in welke mate de bouwmaterialen moeten worden behandeld en eventueel vervangen (17). Nagetrokken wordt verder hoe te behouden elementen kunnen worden geïntegreerd in een valoriserend ontwerp dat rekening houdt met het eigen karakter van het gebouw en zijn bestemming. Concrete basisopties dicteren het behandelen van de gebouwen en de vrije ruimten; naargelang het geval kunnen ze worden aangepast of verfijnd. Het wordt een bijzonder dynamische werf, zonder overbodige papierwinkel: kleine problemen krijgen meestal ter plekke de gepaste oplossing, grondige vragen om onmiddellijke verdere studie op het bureau in situ; hierdoor ontbreken in zekere mate geschreven bronnen en is de mondelinge overlevering van rechtstreeks betrokkenen belangrijk

•4

nAisoms

BEGUIMAGE

JU/^ELEES ET A T ACTUEL

DELAVILLEDE LOUVAIM

Huizen nrs. 71 en 72. Opmeting van C. Huart in CLEMENT T., GHOBERT J., HUART C, Les onciennes constructions rurales et (es petites constructions des 5égumogcs en BelgKjue, deel 1,1914. p. 83 (repro H. Denis)

Gekoppelde enkelAAIJOIA-S JVnCLCCS DV 3eGViiAAG£ DC L A V i U X DC LOmitA'CTATACim.

huizen in spiegelbeeld aan de Middenstraat nrs. 65-66. Toestand vóór de restauratie met een aantal bewaarde kruis- en kloosterkozijnen en gedetailleerde rondboogdeuren. Opmeting van C. Huart in CLEMENT

ClXVATIOiA

T., GHOBERT), HUART C, Les ondennes constructions

BEGUIMAGE DE-LAVILLEDE LOUVAIN

MAISON DHABITATION ETAT-ACTUEL

rurales et (es petites constructions des béguinoges en Belgique, deel I. 1914, p. 80 (repro H. Penis)

BESTAANDE BEBOUWING Het Groot Begijnhof behoort tot het gemengde type door zijn ten dele organisch gegroeide aanleg die ook inspeelt op de topografie. Het schaakbordschema van de oudste kern, tussen de Schapenstraat en de Kleine Dijle, loopt verder vrijer uit in de volledig 17 c -eeuwse uitbreiding van het pleintype. Dit zogenaamd Spaans Kwartier vangt de tijdens de Contrareformatie aangegroeide begijnenpopulatie op: naar verluidt telt men rond 1650 225 begijnen. In de oudste kern contrasteert aanvankelijk de stenen kerk van 14 c -eeuwse oorsprong met de voormalige vakwerkbouw. Grosso modo vanaf de 17 c eeuw is omwille van de brandveiligheid de verstening officieel opgelegd: de oudste vakwerkhuizen zullen dan ook geleidelijk worden vervangen door bak- en zandstenen bouwsels. Uitzonderlijk zijn resten van zichtbaar stijl- en regelwerk bewaard in de Middenstraat (18). De volledige 17 e eeuwse nieuwbouw in de Kerkstraat en het Spaans Kwartier is meteen conform de voorschriften opgetrokken.

• Dubbelhuis met

Opmeting van

constructions des bé-

aanbouwsels aan de C. Huart in CLEMENT gumoges en Belgique, Grote Dijle,

1 , GHOBERT J.,

deel I, 1914, p. 75

Rechtestraat nr. 21.

HUART C, Les on-

(repro H. Denis)

Achtergevel, toestand

oennes constructions

vóór de restauratie,

rura/es et (es petites

Bronnenonderzoek van het Leuvens hof en de resultaten van de zorgvuldige ontleding van de gebouwen zelf, hebben gaandeweg een beter inzicht verschaft in het traditionele streekeigen bouwen, dat tot dan nog maar weinig in detail werd bestudeerd (19). Deze 'Brabantse' architectuur zonder architecten uit de 17 de -18 e eeuw hanteert consequent courante vormen en verhoudingen, gebaseerd enerzijds op de eigenschappen van de traditionele materialen en hun ambachtelijke verwerking en anderzijds op de toen gebruikelijke woonwijze.


Huis nr. 20 (1742). Achtergevel met zelfde opstand als de voorgevel, doch hier met behouden I9de-eeuwse ramen in de twee Imkertraveecn (foto 0. Pauwels)

• Huis nr. S3 met bewaard hijsrad op de zolder (foto 0. Pauwels)

Doorsnede van huis nr. 34 In het Spaans Kwartier. Detailplan van de volledige gevelrij vóór restauratie (planmatenaal KULbib, repro 0. Pauwels)

Begijnenhuizen Enkel- of dubbelhuizen volgen doorgaans de oude bouwlijnen en stellen hun afwisselende volumes van één doch veelal twee bouwlagen onder zadeldaken tussen brandmuren op in een eenvoudige doch har-

monieuze aaneengesloten rij. Gerieflijk ingebrachte kruis-, klooster- en bolkozijnen met glas-in-lood in het bovenlicht en houten luiken onderaan ritmeren samen met de deuren de vlakke gevels. Omvang, materiaalgebruik, gevelopstand en -afwerking en ook de zelfs eerder schaarse soms barok getinte ornamenten van kalkzandsteen maken het verschil en wijzen op de sociale klasse van de begijnen en hun familie. Een opvallend voorbeeld is het huis nr. 20, het laatste in 1742 bijgebouwde in opdracht van een rijke Leuvense brouwer voor zijn twee dochters. De vijf traveeën en twee bouwlagen tellende woning onder leien schilddak vertoont een centrale korfboogdeur en gang die rechtdoor tot de achterdeur loopt. Een fraai tuinpaviljoentje ligt achterin in de ommuurde tuin aan de Kleine Dijle. In de voornamelijk 17 ''-eeuwse huizen leunt de structuur van het binnenhuis nog aan bij de vroegere houtbouw: samengestelde eiken balklagen met nu in het opgaand metselwerk verankerde moerbalken scheiden de beplankte bouwlagen; stenen consoles vangen hun sleutelstukken op. Vermoedelijk vanaf het einde van de 17 c eeuw zorgen

M&L


de geleemde en witgekalkte troggewelfjes tussen de kinderbalken en de bepleisterde gewitte moerbalken voor een betere brandwering. Lichter en goedkoper stijl- en regelwerk dient nog vaak voor de binnenwanden. Verzorgde sporenkappen ondersteunen de bedaking naar gelang afgedekt met lokale rode leipannen of ingevoerde grijze leien. Een veelal getrapt dakvenster of kleinere dakkapellen zorgen voor de verlichting en verluchting. De veelal overwelfde kelders zijn doorgaans wegens de vochtige bodem slechts half ingegraven en beperkt tot de ruimte onder de door de begijnen geliefde opkamer: van daaruit konden ze immers veilig een kijkje nemen op de straat en ook een babbeltje slaan met buren of bezoekers. Houten spiltrappen, al dan niet voorafgegaan door een stenen of houten vlucht met barokgetinte trappaal, leiden naar de bovenverdiepingen. Schouwen met open haard en binnenin opgaande rookkanalen zijn meestal aangebracht tegen de zijwanden van de betegelde begane grond. Geprofileerde wangen van kalkzandsteen naar min of meer uitgewerkt laatgotisch model schragen de schouwbalk en de boezem die naar boven toe uitbuigt om aan te sluiten bij de raveling; desgevallend steunt hierop, op de volgende bouwlaag, het tegelvloertje dat ter beveiliging van de bijkomende schoorsteenmantel is aangebracht. Meerdere schouwen in eenzelfde woning, en dit zeker op de bovenverdieping, wijzen op de aanwezigheid van verschillende begijnen: sommige vermeldingen en 'gezamenlijke' grafstenen in de kerk tonen aan dat zussen of nichten als begijn samenwoonden. De hoge zolders dienden alleen voor het drogen van de was, het opstapelen van ondermeer het graan dat door het achter het dakvenster of-kapel opgestelde hijsrad met touw en haak wordt opgetrokken, zoals ondermeer behouden in de huizen nrs. 20, 42 en 53.

komen in 17 e -eeuwse huizen ook interieuraanpassingen in rococostijl voor, zoals ondermeer in het Spaans Kwartier. Gevels van oudere huizen worden ook nog in late 18 e -eeuw aangepast: het huis met nr.74 krijgt dan in zijn voorgevel typische omlijstingen van vlakke banden omheen de rechthoekige deur en vensters. Deze laatste zijn ook nog gekenmerkt door de grote roedeverdeling in de ramen.

Conventen Zoals in andere begijnhoven telt het Leuvense ook een aantal conventen of gemeenschapshuizen van 16 e -17 c -eeuwse oorsprong, gesticht door weldoen(st)ers ten behoeve van arme begijnen of van behoeftige, op te vangen meisjes die er met een beurs worden opgenomen, ook al om te leren lezen, naaien... Hun aanwezigheid zorgt voor een sociale mix en solidariteit binnen de begijnengemeenschap. Qua omvang en afwerking valt het tiental Leuvense, voornamelijk 17 e -eeuwse voorbeelden meestal niet echt op in het geheel, hoewel hun voorgevels soms een meer gesloten karakter vertonen (20). Onder meer het Convent van Lommei, Benedenstraat 40-41, vertoont naast eenvoudige rondboogdeuren, bolkozijnen in de op- en bovenkamers; in het Convent der VII Weeën, Middenstraat nr. 47 komen die alleen voor in de drie rechter traveeën. Het Convent van Sint-Begga uit 1638 op het einde van de Bovenstraat (nr. 84), ontvangt in zijn kleine kamertjes 13 conventualisten. Opmerkelijk zijn in de achtergevel de 18 e -eeuwse kruisvensters in vlakke omlijsting (cfr. nr. 53 uit

• Het Convent van Sint-Begga, nr. 84 aan de Bovenstraat. Typische kruiskozijnen in de achtergevel van de IBde-eeuwse 'Grote zaal' (foto auteur)

De 18 c eeuw brengt weinig vernieuwing in de exterieurs: de verhoudingen van de kruiskozijnen veranderen lichtjes, vooral wat hun opvallende afwerking met platte banden voor de omlijsting en de stijlen betreft. Een mooi voorbeeld hiervan is de voorgevel van het dubbelhuis nr. 53 uit 1727. De rechthoekige vensters van het al vermelde huis nr. 20 vertonen boven- en onderdorpels en ook alleen nog tussendorpels van arduin. De deuromlijsting van kalkzandsteen blijft echter traditioneel en gemarkeerd door een verankerde sluitsteen. Binnenin zijn de gebruikelijke samengestelde balklagen wel naar de heersende nieuwe stijl gestuct en verrijkt met rococomotieven; schouwen zijn ook in die geest opgevat en geornamenteerd. O p het begijnhof

M&L


De Kerc/cecamer

Convent van Chièvres met zijn bi|2ondere bcdalong. Op de voorgrond de nieuwe aanbouw onder lessenaarsdak bij het huis nr. 37 (foto auteur)

Merkwaardige, slechts deels gerestaureerde bordes-

1727): op de begane grond verlichten ze de grote zaal, bestemd als gemeenschappelijke werkruimte voor de bewoonsters. Uitzonderlijk is wel het Convent van Chièvres, nr. 53 uit 1561, bestemd voor 13 arme begijnen. Zijn monumentaal kubusachtig volume onder een hoog leien tentdak met behouden spant is bekroond door een uispits met windwijzer: het verband met de torens van het vroeg 16 e -eeuwse kasteel van Heverlee, thuisoord van de stichteres gravin Marie van Hamal, echtgenote van Willem II de Croy, heer van Chièvres (14581521), is opvallend.

trap in de hal van de Kertkecamer (foto 0. Pauwels)

M&L

Infirmerie Naast het gediversifieerde wonen komen, buiten de op religieuze diensten afgestemde kerk, ook andere bestemmingen met een meer verzorgend of organisatorisch karakter aan bod: de Infirmerie (nr. 15) vangt de zieken op terwijl de aanpalende HeiligGeesttafel (nr. 16) de armen van de omgeving spijst. Deze instellingen, respectievelijk vermeld in 1263 en 1291, breiden zich in de loop der eeuwen geleidelijk uit tot een bijzonder ensemble met kapel, ziekenzaal en aanhorigheden, beheerd door twee Infirmerijmeesteressen. Na de inwijding in 1294 en een restauratie in 1424-1425 wordt de kapel samen met de ziekenzaal en de aanpalende vleugel van de Heilig-Geesttafel in 1545-1546 herbouwd. Een halve eeuw later komt er een aanleunende vleugel die oudere lage bouwsels vervangt. Aan de westzijde sluit de U-vormige hoeve met verschillende aanhorigheden en 17 e -eeuwse stallingen de grote binnenplaats af en ook de zuidwestzijde van het begijnhof: de aanpalende gronden, bestemd voor tuin- en landbouw, strekken zich uit tot de tweede omwaliing (21).

Het Leuvense Groot Begijnhof wordt, in tegenstelling tot andere hoven, beheerd door een raad van vier verkozen hofmeesteressen en de pastoor. Ze vergaderen en beslissen over het wel en wee in de Kerckecamer (nr. 94) met berging in het belendende pand bij de oostelijke hoofdingang (nr. 95). Het hoekpand aan de Bovenstraat, opgetrokken in 1698 ter vervanging van enkele bouwvallige oude huisjes, valt op door zijn barokgetinte galerij van blauwe hardsteen met overwelfde ruimte. De eigenlijke raadzaal ligt boven de eveneens overwelfde, half ingegraven kelder die het archief herbergde. Een monumentale eiken bordestrap met barokgetinte balusters leidt naar de grote zaal met uitzonderlijke barokschouw van blauwe hardsteen, geflankeerd door de kloosterkozijnen van de zijgevel aan de Bovenstraat. De aanleunende rijhuizen nrs. 93 en 9 1 , respectievelijk uit 1698 en 1697, volgen de nieuw opgelegde bouwlijn en vormen een aansluitend bouwblok met zelfde volume en afwerking. De Bovenstraat wordt hierdoor breder aan de noordkant en komt terug op haar nauwer tracé ter hoogte van het loodrecht op de straat opgerichte huis nr. 88.


DE VRIJE RUIMTEN

BUITEN HET BEGIJNHOF

Tot de gemeenschappelijke open ruimten in het begijnhof horen, naast de gekasseide straten, de bruggen en het pleintje tussen Rechte en Benedenstraat, ook het bepalende kerkhof. Het oudste paalde aan de zuidkant van de kerk: ondermeer het nu dichtgemetseld Paradijsportaal in de zuidzijbeuk van de kerk wijst hierop. Vanaf de 17 e eeuw worden hier de lage huisjes opgetrokken die de noordzijde van de huidige Kerkstraat innemen. Overgebracht naar de overkant van de kerk krijgt het nieuwe kerkhof in 1766 een omheiningmuur van blauwe hardsteen, opgeluisterd met rococomodeven naar ontwerp van architect Jacques-Antoine Hustin (1709-1787); aan de oostkant komt hetzelfde jaar het Calvariekruis. De gronden palend aan de grote verpachte boerderij van de Infirmerie nemen een groot deel in van de niet bebouwde ruimte; land- en gevarieerde tuinbouw zorgen er ter plaatse voor voedselbevoorrading. De boomgaard moest vanaf 1636 wijken voor het Spaans Kwartier, de laatste westelijke uitbreiding van het hof waarachter de bleekweide ligt.

De pastoor of primarius zelf woont zoals gebruikelijk in de nabijheid, maar buiten het ommuurde hof. Vanaf 1658 betrekt hij een hiertoe nieuw gebouwd traditioneel bak- en zandstenen dubbelhuis aan de Schapenstraat, nagenoeg tegenover het koor van de kerk (behouden nr. 101). De andere twee priesters zijn ondergebracht in dezelfde straat (nr. 85) zoals gemeld in 1732 voor de secundarius, terwijl de tertiariusm 1755 een nieuwe woonst krijgt met een voor die periode typische ordonnantie en rechthoekige muuropeningen in vlakke kalkstenen omlijstingen met trapezoïdale sluitsteen (behouden nr.103). Deze woningen zijn in privé bezit gekomen na de Franse tijd en zijn het nog steeds. De vroegere pastorie is in de jaren 1940 'gerestaureerd' en in 1947 uitgebreid 'in dezelfde stijl'. De toen behandelde gevel, waarin de regionale kalkzandsteen systematisch is vervangen door industrieel gezaagde Franse Euvillesteen, illustreert het verschil tussen die aanpak en deze van de jaren 1963-1972.

De begijnenhuizen en conventen beschikken, voornamelijk achteraan, over een privé-tuintje waar de begijnen naar believen bloemen, fruit en groenten kweken. Een ommuurde voortuin met poortje bezit alleen het huis Heilige Geest (nr. 43), gebouwd op een perceel dat geklemd zit tussen de straat en het kleine kanaal, vertrekt achter het huis nr. 20 en de Kleine en de Grote Dijle verbindt. Huizen die met hun blinde achtergevel deel uitmaken van de ommuring van het Begijnhof, zoals de nrs. 61-62 aan de Zwartzusterstraat en de nrs. 29-33 aan de noordkant van het Spaans Kwartier, zien ter compensatie uit op een voortuin.

RESTAURATIE/ RENOVATIE: OPTIES VOOR DE EXTERIEURS Rekening houdend met het historisch en bouwfysisch onderzoek blijken een aantal technische ingrepen noodzakelijk en dringen zich basisopties op die passen in de algemene visie. Opstijgend vocht wordt bestreden door het inspuiten van siliconaten onderaan het parement, toen een innoverende techniek. Oude, gerecupereerde bakstenen van hetzelfde formaat vervangen de soms talrijke verweerde exemplaren. Voegmortel met dezelfde samenstelling als de oorspronkelijke zorgt voor de afwerking. De vervangende kalkzandsteen wordt ambachtelijk gekapt: de licht afwijkende snede maakt het verschil. Het al dan niet opnieuw witkalken van de gevels is bekeken in de context van het hele begijnhof. Een aantal, vaak beter behouden achtergevels zijn nooit gewit of soms slechts gedeeltelijk. Financieel gezien bleek het toen niet haalbaar een honderdtal gevels regelmatig opnieuw te witkalken. Deze optie, doorgevoerd in het eerst behandelde Spaans Kwartier (1963-1965) is later in zekere mate bevestigd. De gemene muur tussen het huis nr. 19 -laatst verbouwd in 1634- en nr. 18, samen met nr. 17 gebouwd en in de cartouche gedateerd 1662, vertoont na het afbikken verankerd naakt baksteenmetselwerk in Vlaams verband met geaccentueerde witte voegen, dat nog gedeeltelijk zichtbaar is op de bovenverdieping van nr. 18. Bij

Het I8d'-eeuws kerkhof aan de noordzijde van de kerk, aan de oostzijde palend aan de Portierswoning (nr.l) met aanleunende Hoofdpoort (I80S) (foto auteur)


„_f

••- - _

--

A

•

Bewaard dakvenster

Dakvenster en

Vernieuwd type

Interpretatie van

van nr. 18

-kapel van huis

dakkapel bi{ huis

een traditioneel

na restauratie

nr. 85

nr.43

type. Huis nr. 5 1 ,

(foto 0. Pauwels)

vóór restauratie

(foto 0. Pauwels)

achtergevel (foto 0. Pauwels)

Oorspronkelijk drieledig kruiskozijn in de voorgevel van het Huis SintIgnatius nr. 19. In de nis een heiligenbeeldje door Max van der Linden (foto auteur)

M&L

het blootleggen van de gewitte voorgevel van nr. 53 uit 1727 is een oranjerode kaleilaag ontdekt met witgeschilderde voegen die niet overeenkomen met deze van het baksteenmetselwerk. Deze toestand is daar behouden en gefixeerd doch niet op hypothetische wijze veralgemeend.

voer. Dakvensters en -kapellen zijn voor de zolderverlichting de traditionele bouwonderdelen bij uitstek; daarom is op deze typologie verder geborduurd, hetzij door het overnemen van de traditionele vormen hetzij door ze te vereenvoudigen of interpreteren.

Voor de zadeldaken, gevat tussen met vlechtingen afgewerkte aandaken, is de variatie in de bekleding van rode leipannen of grijze leien zorgvuldig gerespecteerd bij restauratie. Ter plaatse gerecupereerde leipannen zijn aangevuld met gelijkaardige pannen uit Bourgondië en Engeland. De leibedekking is doorgaans volledig vernieuwd samen met het verweerde dakbeschot. De bestaande dakvensters en dakkapellen zijn hersteld en beglaasd vermits ook de zolders voor huisvesting zijn bestemd. De geboden lichtinval is echter meestal onvoldoende en veronderstelt bijkomende vormen van lichttoe-

Voor de muuropeningen is een genuanceerd standpunt ingenomen. Oorspronkelijke kruis- en andere kozijnen met hun typische 'standaard' verhoudingen waren in verschillende voor- en voornamelijk achtergevels behouden. Omwille van het ensemble zijn de aangepaste voor zover mogelijk in hun oorspronkelijke vorm hersteld; de traditionele architectuur laat hiervoor goed afleesbare sporen na: de ontlastingsbogen geven de breedte van de muuropening aan en ook de plaats van de eventuele tussenstijl, de hoek- en negblokken van de posten tonen hun originele hoogte en situeren de tussendorpel: kruis-, bol- en kloosterkozijnen herstellen is dus geen hypothetische restauratie en dus conform aan het Charter van Venetië. Waar duidelijke sporen ontbreken zijn de aangepaste vensters behouden of zijn ze, rekening houdend met traditionele verhoudingen, vervangen door nieuwe waarvan de lateien en soms ook de onderdorpels van wit beton op de ingreep wijzen. Vaak refereren bewaarde ijzeren duimen in de negblokken aan de vroegere houten luiken. Oorspronkelijke voorbeelden ontbraken en ze vernieuwen zou de kostprijs opdrijven en een museaal karakter verstrekken. Wel zijn soms vouwbare binnenluiken ingebracht om samen met de privacy een betere thermische isolatie te verze-


Ondermeer gerestaureerde kruis-en kloosterkozijnen in de achtergevel van het Huis nr. 50 aan de Kleine Dijle (foto auteur)

Voorgevel van het

keren. In de kruis-, klooster- en bolkozijnen zijn de systematisch vernieuwde ramen van eikenhout voorzien van eenvoudig glas-in-lood, aangebracht op traditionele wijze. Latere ramen met roedeverdeling zijn hersteld of naar oorspronkelijk model vernieuwd.

huis nr. 19 met behouden aangepaste vensters met ramen naar oorspronkelijk model, naast de oorspronkelijke rondboogdeur met bovenlicht (foto auteur)

Naast eenvoudige, oorspronkelijke deuren onder gestrekte latei komen veelal gemoduleerde, rondof korfboogdeuren voor, al dan niet verrijkt met imposten, sluitstenen en druiplijst. In de loop van de 19 e eeuw zijn laatstgenoemde soms aangepast tot grotere, rechthoekige muuropeningen: de bewaarde hoek -en negblokken tot op de hoogte van de traditionele boogstenen wijzen op deze vroegere ingreep; hierop voortgaande is de traditionele vorm hersteld. Ook hier wijst de licht verschillende steensnede op de tussenkomst. Oude voordeuren, van meestal blootgelegde eik met bewaard hangen sluitwerk, zijn zorgvuldig behandeld: waar nodig wordt alleen het beschadigde benedendeel van de strokendeur vervangen volgens de regels van de kunst. Nieuwe voordeuren krijgen dezelfde vormgeving en ambachtelijke afwerking maar worden geschilderd. Hiertoe stelt Louis-Marie Londot (1924) een speciaal palet samen van subtiele, bij elkaar passende kleuren gebaseerd op natuurlijke pigmenten. Als Naams schilder en glazenier, gekend om zijn werk in gerestaureerde, herbouwde en mo-

derne kerken in Wallonië, behoort hij tot de kring van architecten en kunstenaars, gestimuleerd door kanunnik André Lanotte (1914), die vanaf 1945 resoluut een hedendaagse benadering nastreeft in de religieuze kunst. Tot dezelfde groep hoort de keramist Max van der Linden (1922-1999): met zijn naïeve beeldjes en herkenbare beeldengroepen slaagt hij erin om in de typische, maar leeggehaalde gevelnissen de huisnamen, refererend aan patroonheiligen en godsdienstige taferelen, opnieuw tot leven te brengen. Van de bewaarde gelijksoortige en deels verweerde beeldreliëfs zijn afgietsels gemaakt die opnieuw in het metselwerk terechtkomen. Tot in de kleine details komt aldus een evenwicht tot stand tussen de conserverende aanpak en de nieuwe inbreng.


OPTIFS VOOR DE INTERIEURS Voor de hele opzet geldt, op uitzonderingen na, het voortzetten van de woonbestemming die wel op eigentijdse wijze wordt ingevuld. De draagkracht van het gebouw en zijn mogelijke, interessante, gelijktijdige of latere aanbouwsels of bijgebouwen dienen telkens als uitgangspunt voor het inpassen van één of andere gewenste vorm van huisvesting. Blootgelegde binnenwanden en balklagen brengen een beter inzicht in de structuur en ruimtelijke organisatie van de gebouwen. Sommige huizen, voornamelijk van het dubbelhuistype zoals ondermeer de nrs. 20, 42 en 53, behouden volledig als eengezinswoning hun oorspronkelijke indeling. O p andere plaatsen wijzen oude sporen op de vroegere indeling die desgewenst wordt hersteld. Bij gebrek aan gegevens wordt een nieuwe ruimtelijke organisatie ingebracht binnen de oude woning. Dankzij deze genuanceerde benadering bieden de begijnenhuizen gevarieerde interieurs gaande van 'loftachtige' tot meer 'gecompartimenteerde ruimten'; wanneer nuttige aanleunende, oude of nieuwe aanbouwsels met verschillende bouwlaaghoogte worden ingeschakeld voor een behoorlijke inrichting van de woonruimte overbruggen de nodige treden de niveauverschillen. Dit systeem sluit aan bij de splitlevels, — het introduceren van verschillende aansluitende niveaus binnen een "eenheidsruimte

" - een geliefd type in de toenmalige hedendaagse architectuur. De opties voor de gevels zijn doorgetrokken voor al wat in het binnenhuis deel uitmaakt van het onroerend erfgoed, met respect of herstelling van zichtbare of 'blootgelegde' elementen als kalkzandstenen deuromlijstingen, nissen, wangen van schouwen of volledige schouwmantels. Samengestelde eiken balklagen met moer- en kinderbalken en ravelingen zijn (opnieuw) zichtbaar gelaten na noodzakelijke behandeling en beschildering van de spreidsels naar het 'eigentijdse' palet van L.M. Londot. De variante met bepleisterde moerbalken en troggewelfjes tussen de kinderbalken is meestal omwille van de slechte toestand vernieuwd naar oorspronkelijk model. Waar nodig zijn metalen trekkers of I-profielen ingevoegd om de balklagen of -sleutels te consolideren. Boven de al dan niet vervangen spreidsels komen houtwol cementplaten, PVC folie en de dekvloer voor de linoleumbekleding, een experiment om de akoestische isolatie tussen de bouwlagen te verzekeren. Elektriciteitsleidingen zijn telkens in de muren ingewerkt om de balklagen intact te laten. In de dakgebinten hoeven meestal alleen de soms ontbrekende schoorstukken en verweerde kepers of delen van de bebording te worden vervangen, vooraleer de hard geperste vezelplaten en de minerale woldekens voor de thermische isolatie van het dak zijn aangebracht. De bewaarde trappen zorgen voor de verticale circulatie van begane grond tot zolder. Het zijn meestal eikenhouten spiltrappen, al dan niet startend met een rechte steektrap met barokgetinte trappaal en balusters en mogelijk onderbroken door bordessen. Eigentijdse interpretaties van dit trappentype,

T Verspringende ruim-

zolder van Huis

ten in de studen-

nr. 43

tenkamer op de

(foto 0. Pauwels)


maar dan van hout of steen, vervangen ze waar nodig. Oorspronkelijke binnendeuren behouden hun historische plaats of worden hergebruikt in dezelfde woning. Nieuwe, ambachtelijk geschaafde, die ook bestemd zijn voor beschildering, volgen het patroon van de 17 e -eeuwse strokendeuren. Het Londot-palet laat allerlei combinaties toe, zoals een hoofdkleur per woning maar dan gecombineerd met andere tinten voor de profielen van de stroken en voor de spiegels gevat tussen de klampen en haarstukken van de achterkant. Het houtwerk van die kozijndeuren en van eventuele lambriseringen en oude ingebouwde kasten brengt in de gewitte vertrekken verfijnde kleuraccenten. Ze contrasteren met de vloerbekleding: op de begane grond bestaat die zoveel mogelijk uit behouden of hergebruikte steenrode en zwarte tegels van 15 cm x 15 cm, of analoge rode waarvan de afmetingen 20 cm x 20 cm de nieuwe onderscheiden. O p de bovenverdiepingen komt neutrale bruingrijze linoleum. In tegenstelling tot de vrij traditionele aanpak van het binnenhuis is resoluut gekozen voor duurzaam en sober modern meubilair, wat toen nog niet vanzelfsprekend was. Ook hier is het duidelijk de bedoeling te bewijzen dat oud en nieuw perfect kunnen harmoniëren. Tafels en diverse types van lage en hoge kasten zijn speciaal ontworpen door Alfred Hendrickx (1931), die dan al bekend is in de designwereld om zijn sobere vormgeving die enigszins aanleunt bij de toen overheersende Scandinavische stijl. Zijn lage en hoge kasten met praktische schuifdeuren voorzien van typische vierkante roestvrijstalen handvatten komen in het Groot Begijnhof in diverse vormen, verhoudingen en uitvoeringen voor. In studio's en flats komt de gereduceerde keukeninrichting vaak terecht in een door vouwdeuren afgesloten nis. De zwarte stoelen op metalen poten behoren tot de vanaf 1955 door Fritz Hansen nog steeds 'industrieel' geproduceerde Serie 7 naar ontwerp van Arne Jacobsen (1902-1971). In deze enigszins minimalistische omgeving, verlicht door goedkope Japanse bollen van wit papier, zijn het de prijzige vereenvoudigde 'vlinderzetels' met zit van hevig rode, blauwe, groene canvas die een levendig accent aanbrengen. Deze exemplaren, toen geproduceerd door de firma Meurop (1947-1980) uit Rijmenam, of de IKEA avant-la-lettre, gaan terug op de internationaal gekende zogenaamde Hardoy of BKF Chair 198, uit 1938 (22). In de eengezinswoningen is geen meubilair voorzien; alleen de keuken is er ingericht met eenvoudige, industrieel geproduceerde witte formicakasten van Bruynzeel. Gehoopt werd wel dat

Trapkast en kelderdeur van Huis nr. 34 vóór de restauratie (archieffoto RlTGB-.002I).

ook daar de eigen stoffering zou aansluiten bij de algemene opties en de visie over het propageren, in het universitaire milieu, van een bewust eigentijdse wooncultuur binnen een realistisch budget.

HET BIJZONDERE GEVAL DE GEMEENSCHAPSPiFBOlJWEN De infirmerie en de Heilig-Geesttafel Dit voorheen gemeenschappelijke complex met een zorgfunctie in de oudste kern van het begijnhof, zou in het verlengde van zijn historische functie een analoge bestemming krijgen voor de universitaire campus. Voor de universitaire parochie, die ook over de later gerestaureerde begijnhofkerk beschikt, komt het 17 c -eeuwse deel van de Heilig-Geesttafel in aanmerking, met vergaderzalen en oorspronkelijk studentinnenhuisvesting. De infirmerie is aanvankelijk voorzien om met haar verschillende ruimten een stijlvol studentenrestaurant te herbergen; vergaderzalen zouden dan in de hoeveaanhorigheden worden ondergebracht. Uiteindelijk is het een Faculty Club geworden, oorspronkelijk uitsluitend, met zijn 'veredeld' restaurant, kleine en grotere ontvangst- en vergaderzalen bestemd voor professoren en hun gasten. Leden van de universitaire gemeen-


In de oostgevels komen ook hier na het verwijderen van de vele kalklagen ontlastingsbogen en hoek- en negblokken te voorschijn die toelaten de vroegere ordonnantie te herstellen. De blootgelegde funderingen en andere sporen van de oude kapel bieden de mogelijkheid om haar volume te reconstrueren omwille van haar stedenbouwkundige betekenis. Haar uitspringend volume met driezijdig koor, gelegen tegenover de kerk, bakent ten dele aan de zuidkant de open ruimte af die in feite een plein vormt. Argumenten van financiële aard en voornamelijk bezwaren van de brandweer hebben de realisatie tot op heden verhinderd. R.M. Lemaire heeft altijd geweigerd de afsluitende muurpartij met noodzakelijk gedichte vensters te behandelen. In de loop van de zomer 2009 is dit gedeelte van de oostgevel gestabiliseerd en opnieuw gevoegd. In de gedichte vensternis zou een verklarend paneel met tekst en foto's van de maquette niet misstaan.

Oostgevel van de ziekenzaal, huidige

toestand (foto 0. Pauwels)

schap, waaronder begijnhofbewoners, konden er bij gelegenheid ook terecht. De verschillende verbouwingen, aanpassingen en uitbreidingen in de loop der tijden en voornamelijk sinds de 19 eeuw, toen het gebouw als ouderlingentehuis is gebruikt, hebben ook al door de leegstand het complex herleid tot een enorme puzzel; zijn samenstelling is pas langzaamaan onthuld, mede door het nauwkeurig archeologisch en bouwhistorisch onderzoek (23). Vermits het complex nagenoeg op het einde van de eerste fase is aangepakt en het grootste deel van het hof zijn homogene bak- en zandstenen architectuur opnieuw vertoont, zijn de geldende opties voor de al 'gerestaureerde' exterieurs en interieurs van de begijnenhuizen in dit complex ensemble doorgetrokken en waar nodig genuanceerd (24).

M&L

In het westelijke gedeelte met zijn binnenplaats is de genuanceerde aanpak afleesbaar. In de trapgevel van de haakse west- oostvleugel zijn ook hier naast de bewaarde kruiskozijnen de andere hersteld, terwijl de 19 e -eeuwse deur beglaasd blijft. De hoeveaanhorigheden vertonen aan de noordzijde een deels herstelde en deels gereconstrueerde vakwerkbouw. De aanleunende sterk vervallen partij is dan vervangen door een eenvoudige, nieuwe aanhorigheid van baksteen, geritmeerd door de verticale glasstroken. Aan de oostzijde zijn de nodige dienstvleugels bijgebouwd ten behoeve van het restaurant. In het interieur spelen de bewaarde, blootgelegde elementen een bepalende rol in de ruimtelijke organisatie en het inpassen van de bestemmingen.


De in de baksteenbouw opgenomen vakwerkwanden verduidelijken gedeeltelijk oudere structuren, de half ingegraven kelders en opkamers wijzen op de specifieke ligging aan de Kleine Dijle. In de voormalige 'versteende' keuken voor de ziekenzaal, die eraan paalt, wijzen de herstelde waterput en de centrale raveling van de voormalige haard op de oorspronkelijke functie. In de pure geest van het Charter van Venetië werd hier een eigentijdse losstaande haard van baksteen en beton voorzien voor het roosteren van vlees- en andere gerechten. Bij recente 'opfrissingwerken' is, allicht tegen beter weten in en zonder kennisgeving, deze betekenisvolle aanvulling zonder meer verdwenen uit dit vertrek dat nu voor Grill Room doorgaat.

r

3

I. De Grote Zieken-

2. De Grote Zieken-

zaal met tussenzol-

zaal met verwijder-

!. De Grote Ziekenzaal als restaurant

deringen, vóór res-

de zolderingen,

van de focully Ouh,

tauratie, toestand

gebruikt als werk-

huidige toestand

oktober 1965

plaats en refter

(foto 0. Pauwels)

(archieffoto KULbib

voor de arbeiders,

Doos 4 2 / III, repro

toestand 1970

0. Pauwels)

(archieffoto KULbib Doos 42 III, repro 0. Pauwels)

De optie om de grote ziekenzaal te herbestemmen als restaurant en ontvangstruimte voor een 200tal personen, is zowel op praktische als esthetische overwegingen gebaseerd. Haar ruimtelijke kwaliteit is geleidelijk 'ontdekt' tijdens het ontmantelen van het interieur: eerst zijn de latere verkavelende wanden en circulaties weggenomen en nadien de ver-

weerde vloeren boven de samengestelde balklagen De opvallende grandeur van de grote zaal, nu met ziende kap - een uitzonderlijk midden 16 ^eeuws gebint - verdiende volgens Lemaire te worden gevaloriseerd. In de moerbalken, waar nodig voorzien van nieuwe 1969 gedateerde vleugelstukken, refe-

M&L


reren de sporen van de kinderbalken aan de oorspronkelijke tussenvloeren, wat ook geldt voor de aansluitende onderverdelingen in de dakkap.

Het Convent van Chièvres Als enig convent van dergelijke omvang in Vlaanderen is het monumentale gebouw herbestemd als universitair vergader- en congrescentrum, dat nu ook door andere instanties wordt gebruikt. Na alle wijzigingen binnenshuis is, rekening houdend met dragende muren en balklagen, de globale indeling behouden met nieuwe onderverdelingen waar nodig. De verticale circulatie die de bovenverdieping en de als eenheidsruimte ingerichte zolder bedient is, ondermeer om veiligheidsredenen, ondergebracht in het voorheen grondig verbouwde aanpalende huis nr. 55 A. Van 1969 tot 1972 neemt ingenieur-architect D. Depoorter de leiding over van de Dienst Historische Gebouwen, nu een onderdeel van de Technische Dienst. Zo komen vier huizen van de Benedenstraat nog aan de beurt, namelijk de nrs. 55 A, B en C met eenvoudige nieuwe voorgevelopstand en de zoals elders 'gerestaureerde' nrs. 56, 57 en 58. Wanneer in 1972 het werk stil valt bij gebrek aan middelen, is het grootste deel van het hof gerenoveerd. De Kerkstraat blijft dan nog over en de huizen staan jarenlang leeg; interessante bijgebouwtjes waaronder de oorspronkelijke kook- en wasplaats van De Engelbewaarder (nr. 13), vervallen compleet en zijn later niet meer te redden.

OPTIES VOOR DE VRIIF RUIMTFN Van bij aanvang krijgen de openbare ruimten en de tuinen een verschillende bestemming en behandeling. Na het inbrengen van de nodige kanalisaties en pijpen zijn de straten opnieuw geplaveid met de gerecupereerde kasseien. De hierbij teruggevonden resten van waterputten zijn heropend en herbouwd; ze wijzen immers op de gemeenschappelijke watervoorziening en fungeerden als trefpunt binnen het hof. Een paar herontdekte of nog bestaande exemplaren in privé-tuinen of binnenplaatsjes zijn ook zorgvuldig aangepakt. Houten bouwsels, schuttingen van moestuinen hebben in het Spaans Kwartier en de erachter gelegen vroegere bleekweide plaats geruimd voor een grasveld met een paar oude bomen en nieuwe banken. O p de vroegere, onderverdeelde landerijen tussen de infirmerie en de tweede omwalling, de huidige Tervuursevest, is een parking aangelegd voor de bewoners, de kerkgangers en andere bezoekers. De autovrije straten zijn nu alleen nog toegankelijk voor kortstondig laden en lossen. Achtertuinen van de begijnenhuizen zijn naargelang hun bestemming gemeenschappelijk of privégroen geworden. Van de eengezinswoningen zoals de nrs. 18-20, 2 1 , 53 zijn de oude tuinmuren behouden; de aanleg en zorg is verder overgelaten aan de bewoners. Elders zijn muren, schuttingen en hekken van de vroegere tuintjes grotendeels verwijderd. Hun bestaande loof- en fruitbomen zijn behouden in de vervangende grasvelden. Achter

Huis nr. 20, 18de-

recent heraangeleg-

eeuws paviljoentje

de tuin

Bloementuin, huidige

tegen de muur aan

(foto 0. Pauwels)

toestand

de Kleine Dijle en

(foto 0. Pauwels)


Nr. 163 Bijlage bij MetL 29/5 sept.-okt. 2010

R. Braem, woning Van Humbeeck (copyright VIOE, foto K. Vandevorst)


BllMIMENKRANT

Beschermingen Dirk

Pauwels

DIEPENBEEK. I1RSI1IINFNKLQQSTFR Het neogotisch hoofdgebouw met rijk gestoffeerde, stilistisch analoge kapel van het aan de Wijkstraat gelegen ursulinenklooster in Diepenbeek, gebouwd in 1888 naar ontwerp van architect Mathieu Christiaens (18651934) uit Tongeren, werd reeds op 25 maart 2009 als monument beschermd, maar is nog niet aan een ruim publiek voorgesteld. De bescherming kadert in de thematisch-typologische bescherming van 'religieus erfgoed in neostijlen tot 1914'. Ze wordt gemotiveerd door de historische, artistieke, architectuurhistorische en sociaal-culturele waarden van het geheel. De oudere kloostergebouwen uit 1855-1856, 1859, 1869 en 1871 werden niet weerhouden in het definitieve beschermingsbesluit.

De ursulinenorde was doorheen de eeuwen belangrijk voor de opvoeding en het onderwijs van meisjes. Na de heroprichting van de congregatie in België na de Franse Revolutie, werd een unieke formule uitgewerkt van gratis volksonderwijs gekoppeld aan betalend kostschoolonderwijs. Ook in Limburg ontstonden een elftal kloosters, van Maaseik (1837) via Diepenbeek (1853) tot Opglabbeek (1908). In deze provincie zijn tot nu toe als

ursulinenklooster en/of -kapel reeds beschermd: de neogotische ursulinenkapel van Hamont (1913-1914 en 1919-1920) van P.J.H. Cuypers (18271921); de neogotische ursulinenkapel van Wellen van 1899; het eclectische, uit 1902 daterende ursulinenklooster van Overpelt naar ontwerp van Hyacinth Martens (1847-1919), met neogotische kloosterkapel van 1909-1910 en 1912 van de hand van kanunnik Joannes Broux; alsook het neogotische ursulinenklooster met neoTudorinslag (jaren 1880) in Maaseik, waarschijnlijk deels naar ontwerp van Mathieu Christiaens. Op 2 februari 1853 kwamen de eerste ursulinen vanuit het klooster in Maaseik in Diepenbeek aan. Ze vestigden zich eerst aan de Varkensmarkt. Met de financiële steun van advocaat de Corswarem, die het nodige geld voorschoot, konden de werken aan het hoofdgebouw in de Wijkstraat starten. De eerstesteenlegging gebeurde op 10 augustus 1887 door pastoor Claes en de zuster overste, in aanwezigheid van architect en aannemer Mathieu Christiaens, de andere zusters en de pensionaires. Het hoofdgebouw met kapel van Christiaens is een vroeg voorbeeld uit het oeuvre van de Tongerse architect. Op 20-jarige leeftijd, in 1885, had deze zopas zijn studies van ingenieur-architect voltooid aan de Leuvense universiteit. Hij volgde er de colleges van Joris Helleputte, katholiek voorman en verdediger van het middeleeuwse gildensysteem en de neogotiek. Door diens toedoen groeide Christiaens uit tot een architect van hoofdzakelijk katholieke gemeenschapsgebouwen in een bewust gekozen neogotische of neoromaanse vormentaal, vooral opgetrokken in Tongeren en het oosten van de provincie Limburg. De ursulinenkapel hoort tot de vroegste werken van Christiaens. Op religieus-archeologisch vlak was hij niet dogmatisch, zoals wel het geval was bij baron Bethune en de Sint-Lucasscholen. Zo ging na 1900 zijn aanvankelijke voorkeur niet meer exclusief uit naar het neogotische en neoromaanse vormidioom, maar ook naar de neorenaissance.

«•"i^

HM Het gaat om een sobere, traditionele en verankerde baksteenbouw met natuurstenen afwerking onder zadeldak met dakruiter, het geheel geritmeerd door versneden steunberen en horizontaal geleed door afzaten, baksteenfries en kroonlijst. Door gebruik van het moderne gietijzer voor de twaalf dragende zuilen in de kapel sluit het gebouw aan bij de rationele ingenieursneogotiek van eind 19debegin 20ste eeuw. Vooral de binnenafwerking van de kloosterkapel op de bovenverdieping van het hoofdgebouw getuigt van een rijke neogotische stoffering, een echt Gesamtkunstwerk, onder meer bestaande uit een hoofdaltaar, beeldhouwwerk, een orgeltribune, biechtstoelen, kerkbanken, -stoelen en een geschilderde kruisweg. De decoratieve schilderingen op het spitstongewelf en een Maria-Boodschap boven het altaar, zichtbaar op oude foto's, zijn nu overschilderd. Decoratieve glasramen en de oorspronkelijke verlichtingsarmaturen vervolledigen dit geheel. Vooral het overvloedige beeldhouwwerk, met heel wat heiligen die naar de ursulinenorde verwijzen, zijn vermeldenswaardig. Het houtsnijwerk van de kapel zou zijn uitgevoerd door een zekere meneer Gielen, die ook in de ursulinenkloosters van Herkde-Stad en Ans bij Luik zou gewerkt hebben. In Sint-Truiden was inderdaad op het einde van de 19^ eeuw en het begin van de 20ste het beeldhouwersatelier Gielen-Goffin actief. Het was betrokken bij de herinrichting van de Sint-Martinuskerk van Stevoort op het


B 1 N N E 1 \ K R A N T

einde van de 19de eeuw en creëerde het in 1904 door architect Vincent Lenertz (1864-1914) uit Leuven ontworpen hoofdaltaar in de SintLa mbertuskerk van Alt-Hoeselt. Deze beeldhouwer is hoogstwaarschijnlijk identiek met Guillaume Gielen uit Sint-Truiden, woonachtig in de Statiestraat, de huidige Stationsstraat, werkend lid van de op 20 juli 1908 gestichte Katholieke Handelsvereeniging van het Kanton Sint-Truiden, leraar tekenen in de lagere afdeling van de Stadstekenschool van 14 april 1890 tot 26 augustus 1926 en aldaar leraar boetseren sinds 1906. Een andere beeldhouwer en mogelijk een familieverwant met de vorige is Gustave Gielen uit Tongeren. Het valt moeilijk uit te maken of Guillaume dan wel Gustave Gielen de maker is van de rijke neogotische aankleding van de ursulinenkapel van Diepenbeek. Alleen verder onderzoek kan hierover uitsluitsel brengen. Men speure voort.

Bibliografie -Zusters voor Diepenbeek. 125 jaar Zusters Ursulinen in Diepenbeek 1853-2003, Diepenbeek, 2003. - DRIESEN W., Mathieu Christiaens, ingenieur-architect te Tongeren (1865-1934), in Het Oude Land van Loon, 40. Tongerennummer, 1985, p. 60. - PAUWELS D., dossiernr. DL2536, Hasselt, Ruimte en Erfgoed, Afdeling Limburg - Onroerend Erfgoed, 2007 (met verdere bibliografie).

Dirk

Pauwels

MAASEIK. t l R S U L I N F N K I POSTER Vlaams minister Geert Bourgeois besliste op 29 maart 2010 om het voormalig ursulinenklooster met scholen, boerderij en binnenkoer, gelegen Boomgaardstraat 18-24 in Maaseik, definitief te beschermen. Deze bescherming kadert in de

thematisch-typologische bescherming van 'religieus erfgoed in neostijlen tot 1914'. Ze wordt gemotiveerd door de historische, architectuurhistorische en sociaal-culturele waarden. Vanuit het moederklooster van Tildonk kwamen de ursulinen op 19 juli 1837 in Maaseik aan. Het werd de eerste stichting van deze orde in Limburg. Voor hun huisvesting werden de voormalige gebouwen van het minderbroedersklooster in de Boomgaardstraat aangekocht. De groei van klooster en pensionaat bracht met zich mee dat er moest uitgekeken worden naar gronden voor nieuwe schoollokalen, voor de uitbreiding van kloostergebouwen en voor schuren en stallen, nodig voor de boerderij. Op 19 maart 1881 werd de eerste steen gelegd van het neotraditionele gebouw van Sint-Jozef (lager onderwijs, externaat) en van de boerderij. Het eerste element staat haaks op de Boomgaardstraat, het tweede paalt aan de stadswal. Het aan straatzijde gelegen neogotische klooster en pensionaat met neo-Tudorinslag, het gebouw van het Heilig Hart, werd op 2 maart 1884 aangevat en het jaar daarop voltooid. Waarschijnlijk was architect Mathieu Christiaens (18651934) uit Tongeren de ontwerper en mogelijk ook van de twee eerder genoemde onderdelen. Begin 20ste eeuw werd ten westen, in het verlengde van klooster en pensionaat, een huishoudschool aangebouwd. Het ursulinenklooster werd in 1988 opgeheven en in 2006 deels overgedragen aan de John Selbachstichting. In de loop van 2008 werden de gebouwen van het voormalige klooster met pensionaat en de huishoudschool voor het publiek geopend als het John Selbachmuseum. Dit schilderijenmuseum toont honderden werken van de 16de eeuw tot het begin van de 20ste eeuw. De genres gaan van interieurs, stadsgezichten, stillevens, landschappen, zeegezichten tot dierstukken en portretten, voornamelijk van de Hollandse en Vlaamse school. Verder is er een poppenmuseum op de dakverdieping, dat ruim 400 poppen omvat en ander speelgoed, waarvan de vroegste exemplaren

teruggaan tot het einde van de 18de eeuw en de jongste modellen uit de jaren 1950 dateren. In het interieur van het voormalige klooster met pensionaat en de huishoudschool bleven heel wat originele elementen behouden: marmeren vloeren, visgraatparket, eiken en grenen plankenvloeren, lambriseringen, binnendeuren, stucplafonds en trappen. Door het veelvuldige gebruik van ijzer in de constructie van beide onderdelen, gaande van I-balken met troggewelven in de kelders, tot de zuilen in gangen en zalen, kadert deze architectuur in de ingenieursneogotiek van het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw, die Christiaens ook in het ursulinenklooster van Diepenbeek toepaste. Bibliografie - DRIESEN W., Mathieu Christiaens, ingenieur-architect te Tongeren (1865-1934), in Het Oude Land van Loon, 40. Tongerennummer, 1985, p. 63.

M&L


B 1 N N E 1 \ K R A 1 \ T

•PAUWELS D., dossiernr. DL2571, Ruimte en Erfgoed, Afdeling Limburg - Onroerend Erfgoed, 2008 (met verdere bibliografie).

Dirk

Pauwels

BREE, VOORMALIG REFUGIEHUIS VAN DE ABDIJ VAN POSTEL Vlaams minister Geert Bourgeois besliste op 2 september 2010 om het voormalige refugiehuis van de abdij van Postel, de dekenij, de kapelanie en een woning, respectievelijk gelegen Vaesstraat zonder nr., Vaeststraat 2, 4 en 3 in Bree, definitief te beschermen als monument. Deze bescherming kadert, voor wat althans de dekenij betreft, in de thematisch-typologische bescherming van 'religieus erfgoed in neostijlen tot 1914'. De bescherming wordt voor alle gebouwen gemotiveerd door de historische en architectuurhistorische waarden. In de afbakening is de naaste, deels ommuurde omgeving opgenomen, waar eertijds de hovingen, boerderij en dienstgebouwen van de abdij van Postel waren gelegen en die vanaf de primitieve kadastrale legger steeds openbare eigendom zijn geweest van de gemeente en de kerkfabriek.

Het refugiehuisvsn de abdij van Postel was het belangrijkste van dit klooster. De in 1140 gestichte norbertijnenabdij besloot tot de inrichting van een passende residentie in Bree, nadat herhaalde stroperijen en bal-

M&L

dadigheden, als de nabijheid van de geuzen in 's Hertogenbosch na de inname van deze stad in 1629, de kloosterlingen van Postel voor de eerste maal naar Bree deden vluchten. De abdij had buiten Bree ook andere refugiehuizen, namelijk in 'sHertogenbosch, Diest, Leuven, Lier, Antwerpen, Turnhout, Luiksgestel en Emmerik aan de Rijn. De functie van deze 'stadshoven' was van velerlei aard: vluchthaven in tijden van oorlog, pied-a-terre in rustige periodes en overslagplaats voor producten die waren ingekocht op de stedelijke markt of waren aangevoerd vanuit nabijgelegen uithoven. Tussen 1631 en 1639 werd tussen de Klooster- en de Itterpoort het nieuwe refugiehuis van Bree gebouwd, met kapel, abtskamer, refter, keuken, kelder, circa 25 cellen, een portiersloge, een paar ontvangstkamers, een galerij, een brouwerij en een kleine hoeve. Er was een grote tuin met boomgaard ten noordoosten, die tot aan de stadsvesten reikte. Het huis behield resten uit de eerste helft van de 17dc eeuw, alsook duidelijk afleesbare sporen en elementen uit de tweede helft van deze eeuw. In 1706 werd het door de abdij verkocht. Aanpassingen volgden in het tweede kwart van de 18dc eeuw. In de periode 1768-1869 was het gebouw in gebruik als pastorie. Het bouwvallig geworden refugiehuis werd door pastoor Smeets in classicistische stijl gerestaureerd in 1788, met

een wijziging van de ordonnantie tot gevolg. In de tweede helft van de 19de eeuw en in de 20ste eeuw namen achtereenvolgens de Zusters van Liefde van Tilburg, de ursulinen van Maaseik en de Dochters van het Heilig Kruis het gebouw in gebruik, waardoor nog aanpassingen gebeurden, zoals een verbreding naar achter toe. In 1982 richtte de stad Bree er een jeugdmuziekschool in. In het interieur bleven onder meer een paar régenceschouwen en een empireschouw bewaard. In de grote open ruimte ten noordoosten van het refugiehuis, de plaats van de verdwenen dienstgebouwen en hovingen van de abdij, werd in 1865-1872 een eclectische dekenij opgetrokken, naar ontwerp van architect Herman Jaminé (1826-1885) uit Hasselt. Het pand is een markant voorbeeld van neomiddeleeuwse vormgeving, uitgewerkt met bijzonder vorm- en materiaalgebruik en buitengewone planconceptie. Het neemt een unieke plaats in in het oeuvre van deze Limburgse architect, daar het merendeel van de gerealiseerde pastoorswoningen naar zijn ontwerp tot het gestandaardiseerde pastorijtype behoort, met 19de-eeuws neoclassicistisch geïnspireerde gevelordonnantie en planopbouw. In het woonhuis zijn de vertrekken gegroepeerd rond een diepte- en een lengteas. In het interieur bleven vloeren, binnendeuren, schouwen en stucplafonds deels behouden.


B 1 N N E N K R A N T

In de bescherming werden ook de nabijgelegen voormalige kapelanietn de womngVoessfraaf 3 opgenomen, respectievelijk uit het derde en het vierde kwart van de 19de eeuw. Bibliografie Voor alle gebouwen: PAUWELS D., dossiernr. DL2574, Hasselt, Ruimte en Erfgoed, Afdeling Limburg - Onroerend Erfgoed, 2009 (met verdere bibliografie). Voor het voormalig refugiehuis: VAN DE KONIJNENBURG R., Het refugiehuis van de abdij van Postel te Bree. Onderzoek naar de bouwgeschiedenis, Bree, 2004. Voor de dekenij: MEULV. EN JAMINÉ W., Van waterstaatskerk totmijncité. Een historiek van het bouwen in Limburg door drie generaties provinciale bouwmeesters Jaminé (1832-1921). [Cultureel erfgoed in Limburg, 2), Hasselt, 1999, p. 158-159 en 222.

Restauraties Rudy De Graef

DFN D O N D F R r m O T Op 9 september 2010 werd in het museum Plantin Moretus een persconferentie georganiseerd door de vereniging Cornells Floris. Aanleiding hiervoor was de voorstelling van een nieuwe gevelsculptuur aan de Steenhouwersvest 22 te Antwerpen. De organisatie wou met de onthulling van dit beeldhouwwerk haar 40-jarig bestaan luister bijzetten. Op 22 oktober 1969 werd de Vereniging voor de Bescherming van het Cultureel en Historisch Patrimonium vzw opgericht op initiatief van Graaf Daniel Le Grelle. In 1975, monumentenjaar bij uitstek en herdenkingsjaar van de 4005te sterfdag van Cornells

Floris de Vriendt, kreeg de vereniging de naam Stichting Cornells Floris. In 2004 werd deze gewijzigd in de huidige benaming. De vereniging Cornells Floris hield zich de afgelopen 40 jaar bezig met zeer uiteenlopende restauratieprojecten die zich voornamelijk in Antwerpen situeerden, zoals de restauratie van de Sint-Annakapel in de Keizerstraat waarmee in 1994 de eerste prijs van de Koninklijke Vereniging voor Historische Woonsteden werd gewonnen (1). Maar ook buiten Antwerpen werden andere projecten, zoals de restauraties van de sacramentstorens van de Sint-Catharinakerk te Zuurbemde en de Sint-Leonarduskerk te Zoutleeuw, twee oorspronkelijke realisaties van Cornells Floris de Vriendt, opgevolgd en gesteund. De huidige voorzitter van de vereniging, barones Francine de Nave, kon op 9 september 2010 de nieuwe gevelsculptuur aan de Steenhouwersvest 22 onthullen, vlakbij het als UNESCO-Werelderfgoed erkende museum Plantin-Moretus annex Prentenkabinet waarvan ze jarenlang de hoofdconservator was. Het gebouw in kwestie, het zogenaamde Den grooten Donder Cloot, een hoekhuis uit de vroege 16dc eeuw, is niet beschermd als monument of als stadsgezicht, maar wordt wel beschreven in de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed (2). Het pand was vermoedelijk het geboortehuis van Cornells I Floris, de vader van één van de bouwmeesters van het Antwerpse stadhuis, Cornelis Floris de Vriendt (1514-1575).

De vernieuwing van de gevelsteen sluit mooi aan bij de restauratie van het Onze-Lieve-Vrouwbeeld op het pand, die werd uitgevoerd in opdracht van de vereniging Voor Kruis en Beeld vzw. Dit natuurstenen hoekbeeld van een madonna met kind op de rechterarm en onderstaande lantaarn met smeedijzeren arm (3) werd in 2008 door restauratrice Genevieve Hardy aangepakt (4). De originele gevelsteen in Avendersteen (5) bestond uit twee steenvolumes die met mortel aan elkaar

De gevel met de originele gevelsteen (privéarchief Genevieve Hardy, foto Genevieve Hardy)

Detail van de nieuwe gevelsteen Den Dondercloot '\n het atelier (privéarchief Genevieve Hardy, foto Genevieve Hardy)

bevestigd werden en die met zware ijzeren doken in de muurvastzaten. Het betrof een huisaanduiding met een picturaal reliëf in combinatie met letters. Het reliëf stelde een aardbol (kanonskogel) voor die ondersteund wordt door twee engelenfiguren. Het object was sterk verweerd (6) en van de oorspronkelijke morfologie bleef weinig over. Zo was er bijvoorbeeld van één van de engelen nog slechts een been vrijwel intact gebleven. Op de gevelsteen werden enkel op de vlakke achtergronddelen schaarse sporen van een mogelijke eerste blauwe afwerkingslaag met (vermoedelijk) een olieverfsysteem aangetroffen. Onder leiding van architect Rutger Steenmeijer en restauratrice Genevieve Hardy werd besloten een nieuwe sculptuur te creëren. De oorspronkelijke sculptuur werd verwijderd en zal op een nog nader te bepalen plaats in het huis worden aangebracht.

M&L


B l N l ^ E N K R A N T

Op basis van oude foto's van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (7) en de opmeting van de omtrek en de overblijfselen van het oorspronkelijke beeldhouwwerk werd een nieuwe 'steen' in roodbruine klei gemodelleerd naar de bestaande steen. Hierop werd dan een siliconenmal met een gipsen steunkap gemaakt die als vorm diende voor een gietbare cementmortel. Er werd geopteerd om het nieuwe reliëf niet van een afwerkingslaag te voorzien, enerzijds omdat de oorspronkelijke polychromie niet gekend is, anderzijds om duidelijk aan te geven dat het een reconstructie betreft. De nieuwe gevelsculptuur heeft de vanzelfsprekende naam Den Dondercloot (8) meegekregen, de naam die ook op de originele steen te lezen stond.

De keuze voor een getrouwe reconstructie was niet vanzelfsprekend. Als we het Charter van Venetië er op nalezen, vermoeden we dat er te weinig informatie voorhanden was om voor die optie te kiezen. Het charter stelt in artikel 9: "The process of restoration is a highly specialized operation. Its aim is to preserve and reveal the aesthetic and historic value of the monument and is based on respect for original material and authentic documents. It must stop at the point where conjecture begins, and in this case moreover any extra work which is indispensable must be distinct from the architectural composition and must bear a contemporary stamp. The restoration in any case must be preceded and followed by an archaeological and historical study of the monument." Zulk een historische of materieel-technische studie werd niet uitgevoerd. In dit geval werd er echter duidelijk voor een nieuwe sculptuur gekozen en geeft de restauratrice zelf ook aan dat "het een nieuwe steen en een nieuw gegeven is, gebaseerd op een oud verhaat'. Ondertussen wordt de originele steen gevrijwaard van verder verval. Mogelijk dient er bijkomend onderzoek te gebeuren naar de iconografie en datering van deze sculptuur en moeten eventuele overeenkomsten met gelijkaardige gevelelementen onderzocht worden. Dit boeiend ver-

M&L

haal wordt dus vervolgd, daar kan je donder op zeggen!

Literatuur

Eindnoten (1) www.historische-woonsteden.be (2) MANDERYCK M., STEYAERT R. en PLOMTEUX G. met medewerking van LINTERS A. Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen 3NB, Brussel - Gent, 1979, p. 498. Meer informatie is terug te vinden op www.inventaris.vioe.be/dibe/ relict/6207. Het gebouw is wellicht beschermenswaardig, de aansluitende gebouwtjes in de Korte Riddersstraat 2/1 en 2/2 zijn als monument beschermd. (3) ANTONIS E., DELWAIDE L, DE BAERE B., DE BOECKV., VAN CASTER E., PEETERS K,; VAN DEN NIEUWENHUIZEN i , MANNAERTS R., STRECKER W., VOOR KRUIS EN BEELD vzw, BAISIER C, TANT A , MANDERYCK M. Madonna. BeeWen van Maria in de Antwerpse binnenstad. Antwerpen, 2002, p. 150. Dankzij de inzet van onder andere de vereniging 'Voor Kruis en Beeld' werden in de Antwerpse binnenstad meerdere madonnabeelden gerestaureerd. (4) DOBBELEERS J., Inzegeningen aan de lopende band, in Nieuwsbrief Vrienden van de Antwerpse Madonna's', j g . 7, nr. 2, 2008, p. 4. (5) Avendersteen werd ontgonnen bij Avesnes-le-Sec, Frankrijk. Het is een vrij zachte steensoort, die zich gemakkelijk laat bewerken, ook met houtgereedschap. (6) T0LB00M H., DUSAR M., DUBELAAR W., DREESEN R., ELSEN J., GROESSENS E, VAN DER STAR C, Avendersteen, in Geological Survey of Belgium Professional Paper, nr. 305, 2009/1, p. 47-77. (7) www.kikirpa.be. objectnummer 115923, cliché's 18.29 en 18.30. (8) Deze naam betekent wellicht 'kanonskogel'.

Jo Braeken

DF KFIi7F VAN M R I

La fantastique architecture d'Alban Chambon Jean-Paul Midant Brussel, AAM Editions, 2010, 272 p., ISBN 978-2-87143231-9 Monografie over de van oorsprong Franse ornamentbeeldhouwer en architect Alban Chambon (1847-1928), die vanaf 1880 in België naam maakte als decorateur van theaters, hotels en casino's. Chambon bekwaamde zich op jonge leeftijd in diverse Parijse decoratieateliers in uiteenlopende technieken als siersmeedwerk, stucwerk en meubelmakerij. Op zijn eenentwintigste vestigde hij zich in Brussel, waar de autodidact al snel ontpopte tot een succesvol entrepreneur. In 1874 ging Chambon als stukadoor en ornamentbeeldhouwer van start met een eigen atelier, dat nauwelijks vijf jaar later zijn doorbraak kende met de inrichting van het Edentheater in een mengstijl van oriëntalisme en 'hindou'. Het atelier dat al gauw 200 werknemers telde kreeg tal van opdrachten voor theaters en caféconcerts in Brussel, Parijs, Londen en Amsterdam, waarvan het fantasievolle decor naadloos vervloeide met de

La fantastique • architecture d'Alban Chambon


B 1 N N E N K R A N T

feeëries die er werden opgevoerd. De luxueuze inrichting van het Brusselse Hotel Métropole, betekent een nieuwe wending in de loopbaan van Chambon, die zich vanaf nu ook volwaardig als architect ging manifesteren. Na de gipstechniek tot perfectie te hebben gevoerd, legde hij zich vervolgens naar Engels voorbeeld toe op de ontwikkeling van de bouwceramiek. De volledige herinrichting en uitbreiding van het Kursaal van Oostende kort na de eeuwwisseling, bleek voor Chambon niet alleen het orgelpunt maar ook de zwanenzang van zijn loopbaan. De fraaie publicatie, die teruggaat op een doctoraatsverhandeling, brengt het boeiende relaas van opkomst en neergang van deze self-made entrepreneur, met een overzicht van zijn belangrijkste ontwerpen en realisaties waarvan slechts een handvol de tijd heeft getrotseerd.

Joseph Maria Olbrich 1867-1908 Architekt und Gestalter der Frühen Moderne Ralf Beil en Regina Stephan (red.) Ostfildern, Hatje Cantz Verlag, 2010, 456 p., ISBN 978-3-7757-2549-1 Langverwachte en bijzonder verzorgde monografie over leven en werk van de jonggestorven architect Joseph Maria Olbrich (1867-1908), een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de art nouveau in Duitstalig gebied. Het boek is gebaseerd op nieuw onderzoek, uitgevoerd naar aanleiding van zijn 100ste overlijdensjaar in 2008, en geldt als publicatie bij een grote over-

MATHKOENHOHE DARMSTADT

zichtstentoonstelling (Darmstadt en Wenen 2010). Door de korte duur van zijn loopbaan, het verdwijnen of de versnippering van zijn nalatenschap, kreeg het werk van Olbrich minder aandacht dan dat van zijn tijdgenoten Henry van de Velde, Josef Hoffmann of Peter Behrens, hoewel hij al in een vroeg stadium van de historiografie door Nikolaus Pevsner tot de Pioneers of Modern Design werd gerekend. Geboren in het Silezische Troppau (huidige Opava, Tsjechië), studeerde Olbrich architectuur bij Karl von Hasenauer in Wenen, om in 1893 het bureau van Otto Wagner te vervoegen. Met zijn eerste realisatie en Gesamtkunstwerk, het spraakmakende Sezessionsgebouw in Wenen uit 1897-98, manifesteerde hij zich als universeel kunstenaar die de versmelting van kunst en leven nastreefde door de esthetisering van het alledaagse. In 1899 werd hij door groothertog Ernst Ludwig van Hessen naar Darmstadt gehaald om er op de Mathildenhöhe de kunstenaarskolonie vorm te geven, die met het Ernst-Ludwig-Haus en de Hochzeitsturm zou uitgroeien tot een hoogtepunt van de Duitse art nouveau. In 1907 vestigde hij zich in Düsseldorf voor de bouw van het warenhuis Tietz, waar hij op zijn veertigste overleed aan leukemie. Het boek is opgebouwd uit een twintigtal essays die de belangrijkste fasen uit zijn leven en de veelheid van zijn werk belichten, van zijn jeugdjaren, opleiding en studiereizen, zijn bijdrage aan de Weense Sezession, de Darmstadter Künstlerkolonie, de Deutsche Werkbund en de internationale tentoonstellingen in Parijs, Turijn en Saint Louis, tot zijn geschriften, interieur- en tuinontwerpen, en zijn betekenis voor modernisten als Ernst May, Erich Mendelsohn, Bruno Taut en Le Corbusier. De overvloedig geïllustreerde essays worden gelardeerd met evenveel korte presentaties van karakteristieke ontwerptekeningen, archiefdocumenten of facsimile van zijn belangrijkste geschriften.

Hans Schwippert 1899-1973 Moderation des Wiederaufbaus Gerda Breuer, Pia Mingels en Christopher Oestereich (red.) Berlijn, jovis Verlag, 2010, 680 p., ISBN 978-3-86859-054-8 Lijvige, fraai uitgegeven monografie over architect Hans Schwippert (1899-1973), een van de leidende figuren van de naoorlogse wederopbouw in Duitsland, die een wezenlijke bijdrage leverde tot de beeldvorming van de jonge Bondsrepubliek. Na architectuurstudies in Hannover en Darmstadt, behaalde Schwippert zijn diploma bij Paul Schmitthenner in Stuttgart. Hij liep onder meer stage op het bureau van Erich Mendelsohn in Berlijn, alvorens zich in 1927 in Aken te vestigen als zelfstandig architect en docent aan de Kunstgewerbeschule. Daar ontwierp hij vóór de Tweede Wereldoorlog zijn eerste woningen, en assisteerde Rudolf Schwarz bij de bouw van de modernistische parochiekerk St. Fronleichnam. Schwippert bleef actief onder het Nazibewind, maar hield zich afzijdig van het regime. Onmiddellijk na de oorlog werd hij professor architectuur in Aken en Düsseldorf, en de eerste voorzitter van de heropgerichte Deutsche Werkbund. Tot zijn belangrijkste ontwerpen uit deze periode behoort de parlementszaal van het Bundeshaus in Bonn, het transparante symbool van de herwonnen Duitse democratie. Het gematigde modernisme van zijn architectuur kenmerkte zich door bescheidenheid, verantwoordelijkheid en menselijke maat, als teken van een nieuw begin


B l N ^ J E N K R A l ^ T

in een moderne, open maatschappij. Vanuit een zelfde optiek bedacht hij ook het concept voor de Duitse bijdrage aan Expo 58, waar de vormgeving van het dagelijks leven centraal stond, en niet de technologische vooruitgang zoals in de meeste paviljoenen. Naast tal van overheidsgebouwen, kantoorgebouwen en schoolcomplexen, realiseerde hij een van de woontorens van het Hansaviertel ter gelegenheid van Interbau 1957, en bracht hij vernieuwing in de kerkenbouw door in zijn ontwerpen uit te gaan van de geloofsgemeenschap. Negen essays analyseren in chronologische volgorde de belangrijkste fasen uit zijn loopbaan en hun betekenis voor de Duitse architectuurgeschiedenis. In een ruim geïllustreerde catalogus worden 35 van zijn meest opmerkelijke realisaties in detail gepresenteerd. Tot slot volgt een uitgebreide bloemlezing van een 70-tal geschriften uit de periode 1928 tot 1973.

Claude Parent L' oeuvre construite, 1' csuvre graphique Frederic Migayrou en Francis Rambert (red.) Orleans, Editions HYX, 2010, 398 p., ISBN 978-2-910385-61-3 Indrukwekkende monografie over de Franse architect Claude Parent (1923), uitgegeven naar aanleiding van een retrospectieve tentoonstelling in de Cité de l'architecture Et du patrimoine (Parijs 2010). Actief van 1950 tot 2000, behoort Parent tot de meest experimentele en provocatieve architecten van de Franse naoorlogse generatie, een onafhankelijk denker, geëngageerd kunstenaar, onvermoeibaar

1VI&L

polemist en dwangmatig tekenaar, wiens werk vooral wordt geassocieerd met het brutalisme. Hij is auteur van enkele van de meest radicale iconen van het naoorlogse modernisme in Frankrijk, zoals het Maison de l'lran in de Cité Internationale Universitaire in Parijs, de woning Drusch in Versailles en de 'bunkerkerk' Sainte-Bernadette du Banlay in Nevers, 'batiments manifestes' die het experiment noch de controverse schuwden en voorbij de vorm op zoek gingen naar de continuïteit van de ruimte. Zijn door breuken en omwentelingen geaccidenteerde carrière, weerspiegelt als geen ander de mutaties in het Franse en internationale architectuurmilieu van de tweede helft van de 20ste eeuw. Parent studeerde architectuur aan de École des Beaux-Arts in Parijs, en debuteerde beginjaren 1950 in associatie met de van oorsprong Roemeense architect lonel Schein. In deze periode kwam hij ook in contact met André Bloc, stichter en hoofdredacteur van het avant-garde tijdschrift [.'Architecture d'Aujourd'hui, en ging deel uitmaken van de Groupe Espace die de integratie van kunst en architectuur nastreefde. Onder invloed van het neoplasticisme exploreerde hij in zijn eerste woningen de relatie tussen structuur en kleur, op zoek naar een nieuwe ruimtelijke dynamiek. Even decisief was zijn ontmoeting in 1963 met Paul Virilio en de oprichting van de groep Architecture Principe. Uit deze samenwerking ontstond het idee van de fonction oblique, het zich toeeigenen van de ruimte via de schuine hoek als alternatief voor de conventionele orthogonaliteit. Het concept zou zijn werk vervolgens ingrijpend bepalen, zoals onder meer blijkt uit de futuristische ogende Gemhypermarkten, en talrijke, vaak utopische projecten voor experimentele woningen of megastructuren. In vier chronologische delen overloopt het boek de loopbaan en de ideeënwereld van Parent, met telkens enkele essayistische bijdragen, presentaties van de belangrijkste werken, een keuze van geschriften en grafisch werk, en sluit af met een uitgebreide bibliografie.

Zlin Modellstadt der Moderne Winfried Nerdinger (red.), Ladislava Horrnakova en Radomira Sedlakova Berlijn, jovis Verlag, 2010, 208 p., ISBN 978-3-86859-051-7 Catalogus van een tentoonstelling (München 2010) gewijd aan Zlin, 'company town' en centrum van het schoenenimperium Bat'a in Tsjechië. Tomas Bat'a richtte hier in 1894 een schoenenfabriek op, die tijdens het interbellum zou uitgroeien tot de grootste van Europa. Zlin ontwikkelde zich in dezelfde periode van een dorp van 3000 inwoners tot een industriestad van 43 000 inwoners, een eenmalig economisch, sociaal en architecturaal fenomeen dat de bewondering opwekte van modernisten als Le Corbusier. Geïnspireerd door de productiemethoden van autobouwer Henry Ford en de managementtheorieën van Frederick Winslow Taylor, bouwde Bat'a Zlin uit tot een reusachtig laboratorium voor leven en arbeid in gemeenschap, waarbij de ganse stad en al haar bewoners slechts in dienst stonden van één doel, de verhoging van de schoenenproductie. Niet alleen de methode van arbeidsorganisatie, lopende-bandproductie en tijdsmeting moest hiertoe bijdragen, maar ook eigen huisvesting en sociale voorzieningen van kindertuinen en scholen tot een ziekenhuis, een grootwarenhuis, een sportvereniging en een megabioscoop. De architectuur van Zlin beant-


B I N N E ^ K R A N T

woordde aan de stedenbouwkundige idealen van CIAM, met gescheiden zones voor arbeid, wonen, vrije tijd en verkeer, terwijl boven de stad een glazen mausoleum troonde voor de in 1932 verongelukte stichter. De architecten Frantisek L Gahura e Vladimir Karfik pasten voor de bedrijfs- en gemeenschapsgebouwen een doorgedreven rationalisatie toe, gebaseerd op een raster van 6,15 bij 6,15 m als eenheidsmaat en teken van 'corporate image' en moderniteit. Vanuit een zuiver kapitalistisch streven werd het geloof in de moderne mens hier geopenbaard in het ideaal van de functionele stad. De andere kant van de medaille toonde een totalitair maatschappijmodel zwevend tussen utopie en controle, emancipatie en discipline, democratie en alleenheerschappij. Het boek omvat zeven bijdragen, overvloedig gelardeerd met beeldmateriaal, die onder meer ingaan op de historische betekenis, de architectuur, het sociaal-culturele leven en de naoorlogse ontwikkeling van Zlin. De meest beklijvende bijdrage gaat uitvoerig in op de rol van Le Corbusier voor Bat'a, als adviseur en ontwerper van de Franse vestiging, een tentoonstellingspaviljoen en typewinkels.

Vooralle reacties: Jozef.Braeken@rwo.vlaanderen.be De boeken liggen ter inzage in de bibliotheek van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel (tijdens de kantooruren)

Tentoonstellingen

Persbericht

DE BIJBEL V A N A N J Q I J . EEN K O N I N K I I I K HANDSCHRIFT ONTSI UIFRD Na de succesvolle tentoonstelling rond Rogier van der Weyden vorig jaar slaan llluminare, het Studiecentrum voor Middeleeuwse Kunst van de Katholieke Universiteit Leuven en het museum M-Leuven opnieuw de handen in mekaar. Bijbel van Anjou - Napels 1340 - een koninklijk handschrift ontsluierd toont de sublieme miniaturen van een zo goed als onbekend pronkhandschrift dat in de waanzinnige veertiende eeuw aan het tumultueuze koninklijk hof van Napels tot stand kwam. Macht, intriges, goud, een paar schimmige figuranten en enkele uitzonderlijke kunstenaars vormen een explosieve mix. Eerste helft van de 14de eeuw Zuid- en Midden-Europa worden bestuurd door de succesvolle dynastie van Anjou, die haar gebieden blijft uitbreiden en kunstenaars kent als Giotto, Boccaccio en Petrarca. Van dat bloeiende huis van de koningen van Napels en Sicilië is Joanna van Anjou in 1328, na de dood van haarvader, de officiële erfgename. Enkele jaren later schenkt haar grootvader, Robert I, een kostbaar cadeau aan Joanna en haar jonge Hongaarse verloofde Andreas. Het is een boek dat bekend zal worden als de Bijbel van Anjou, een handschrift van uitzonderlijke historische en kunsthistorische waarde.

van het eeuwenoude handschrift. De historische, culturele en artistieke waarde kunnen nauwelijks worden overschat. Het bevat, naast bijbelteksten en schitterende miniaturen, ook een schat aan geschiedkundige informatie over het koninkrijk Anjou en het ontstaan van het boek. Eén van de Napolitaanse kunstenaars verantwoordelijk voor al die pracht, is Christophorus Orimina. Met zijn krachtige, waarheidsgetrouwe, Byzantijns aandoende figuren drukte hij zijn stempel op het werk. De kostbare perkamenten folio's van de bijbel, die al vele eeuwen geleden in Brabant verzeild geraakte, werden voorzichtig losgemaakt. Het publiek krijgt nu de unieke kans om ze te bewonderen. Na de tentoonstelling wordt het fragiele juweel onherroepelijk terug ingebonden en verdwijnt het opnieuw voor vele tientallen jaren in de veilige duisternis van de kluis van de Maurits Sabbebibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid van de K.U.Leuven. Een vorstelijk en Europees handschrift in een Belgische collectie De Anjoubijbel heeft een bijzonder rijke geschiedenis, ingebed in de historische context van de Angevin dynastie in Napels en Sicilië In het midden van de 13dc eeuw schenkt Lodewijk IX de heilige, koning van Frankrijk, de gebieden Maine en Anjou

"By any definition, it is one of the supreme Bibles of the gothic period" (Christopher de Hamel, Corpus Christi College, Cambridge); "lls'agitd'une splendide Bible qui constitue l'un des plus beaux fleurons de I'enluminure napolitaine duXlVème siècle" (Francois Avril, Bibliothèque nationale de France]. Bovenstaande superlatieven laten geen twijfel bestaan over de kwaliteit

M&L


B I N N E N K R A N T

De verschillende gebieden groeien uit tot hechte staten met efficiënte instellingen, een lucratieve handel en een bijzonder bloeiend cultureel leven. Onder het huis van Anjou zijn grote kunstenaars en schrijvers als Giotto, Simone Martini, Boccaccio en Petrarca actief. Ook het muziekleven aan het Napolitaanse hof krijgt nieuwe impulsen: reeds onder Karel van Anjou (1226-1286) is er geïnvesteerd in meer en betere musici. Er heerst een gunstig artistiek klimaat waarin muzikale experimenten een kans krijgen. Eén van de meest begaafde musici aan Karels hof is ongetwijfeld de frouvéreAdam de la Halle, die tijdens zijn dienstjaren in Napels het vermaarde muzikale herdersspel LeJeu de Robin et Marion schrijft.

aan zijn broer Karel I van Anjou. Door diens huwelijk met Beatrijs verwerft hij de Provence en in 1266 verovert hij Napels. Zijn zoon Karel II huwt met Maria van Hongarije. Hun kleinzoon Karel Robert van Anjou wordt in 1309 koning van dat gebied. In 1370 verwerft zijn zoon Lodewijk I de Grote ook de heerschappij over Polen. De openingsdiptiek in de Anjoubijbel verheerlijkt deze rijke geschiedenis van het huis Anjou. Naast Robert I van Anjou de rex expertus in omnia scientia zoals het opschrift hem betitelt, verschijnt een stamboom in drie registers: bovenaan Karel I en zijn echtgenote Beatrijs van Provence, daaronder Karel II en Maria van Hongarije en tenslotte Robert I van Anjou zelf met zijn echtgenote Sancha van Majorca. Zij blijven zonder mannelijke erfgenaam achter hun enige zoon Karel sterft onverwacht en het is hun oudste kleindochter Joanna die in 1330 officieel tot erfgename wordt uitgeroepen. Het huis van Anjou regeert gedurende twee eeuwen over Zuid- en MiddenEuropa.

Karels opvolger, Robert van Anjou, is een bijzonder belezen en gesofisticeerde vorst, die het mecenaat van vele wetenschappers en kunstenaars op zich neemt. Hij is als koning van Napels de onbetwiste leider van de Welfen. Als aanhanger van paus Benedictus XII en mecenas van talrijke musici uit diens entourage in Avignon, is zijn naam verbonden aan de beroemde muziekcodices van Apt en Ivrea, waarin onder meer een aan Robert opgedragen motet van Philippe de Vitry te vinden is. De talrijke muziekinstrumenten en muzikale scènes in de Anjoubijbel zijn een unieke, artistieke veruiterlijking van deze

muzikale hoogconjunctuur. De Anjoubijbel en zijn ontstaanscontext zijn in de eerste plaats van belang voor de studie van het cultureelmaatschappelijke leven in het middeleeuwse Zuid-ltalië. Toch slaat het handschrift al vroeg de brug naar het Noorden van Europa. Al in 1402 wordt de codex beschreven in de inventaris van Jean Due de Berry (1340-1416), broer van de Franse koning Karel V en vermaard kunst- en boekenliefhebber. Op de snede van het manuscript zijn de sporen van het wapenschild van Jean due de Berry nog te zien. Via de bisschop van Arras (Atrecht), Nicolaus de Ruistre (1442-1509), komt het manuscript in het begin van de 16de eeuw in het Atrechtcollege in Leuven terecht. In de Notationes in Sacra Biblia wan Lucas Brugensis, in 1580 door Christoffel Plantin gepubliceerd, wordt expliciet naar het handschrift verwezen. Vanaf het begin van de ^ ^ eeuw behoort het manuscript tot de collectie van het Grootseminarie van Mechelen. Sinds 1970 wordt het bewaard in de Maurits Sabbebibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid van de K.U. Leuven. Een goed bewaard topstuk De Maurits Sabbebibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid van de K.U. Leuven bevat een indrukwekkende verzameling handschriften, voornamelijk afkomstig van het Grootseminarie van Mechelen. Het pronkstuk van die collectie is de 14de-eeuwse Bijbel van Anjou. Na enkele omzwervingen in koninklijke kringen, komt de codex in 1509 op Brabantse bodem terecht en daar bevindt het zich nu, 500 jaar later, nog altijd. Tijdens al die eeuwen geraakt het unieke manuscript in de vergetelheid, maar daar kwam recent verandering in. Sinds 10 maart 2008 is het erkend als Topstuk van de Vlaamse Gemeenschap. Datzelfde jaar is gestart met een grootscheeps project rond de studie, de conservatie en ontsluiting van het boek. Een kwestie van conservatie Gezien de uitzonderlijke waarde van het handschrift is het vreemd dat het nooit eerder uitvoerig is onderzocht


B l l V J N E N K R A l M T

en dat het publiek het eigenlijk nog nooit heeft gezien. De omstandigheden waarin het boek werd bewaard, lieten dat gewoon niet toe. De 205te-eeuwse boekband zat veel te strak en maakte vernietigende plooien in het perkament. Daarbij kwamen nog moeilijkheden met de pigmenten en het overvloedige bladgoud van de miniaturen. Dankzij het internationaal onderzoek- en conservatieproject waar wetenschappers uit België, Nederland, Zwitserland, Italië, GrootBrittannië en de Verenigde Staten toe bijdragen, worden die problemen nu aangepakt. Met de nieuwste technieken worden de geheimen van het boek en de virtuositeit van Orimina ontsluierd. De Bijbel van Anjou treedt in de tentoonstelling heel even voor het voetlicht en verdwijnt dan terug voor lange tijd in de kluis van de bibliotheek.

Volg de evolutie Het Bijbelproject is geen gesloten gebeurtenis. In het Engelstalige kunstboek The Anjou Bible. A Royal Manuscript Revealed. Naples 1340, met als editors Lieve Watteeuw en Jan Van der Stock, worden de resultaten van het verloop van het onderzoek gebundeld. Met essays van gerenommeerde specialisten wordt zowel de uitzonderlijke artistieke promotie aan het hof van Robert van Anjou I beschreven, de ontstaansgeschiedenis van de bijbel, als alle onderzoeksmethoden en -resultaten toegelicht. Het boek is rijkelijk geïllustreerd. De conservatie is ook het moment om de bijbel volledig te digitaliseren met de nieuwste technologieën. Vanaf 17 september zijn alle folio's van de Anjoubijbel digitaal beschikbaar, ter plaatse op de tentoonstelling en online op de Anjou-website: www. bijbelvananjou.be. Hoge resolutiebeelden en zoomfuncties maken het mogelijk om de miniaturen tot in de kleinste details te bestuderen. Door het toevoegen van contextinformatie en indexen wordt een directe koppeling tussen beeld en beschrijving gemaakt. Deze digitale ontsluiting sluit naadloos aan bij één van de bijzondere uitdagingen in het digitale tijdperk: het bekend maken

van een kwetsbaar deel van het cultureel erfgoed. Voor het jonge publiek Voor het jonge publiek is er het boek Joppe de Boekenworm. Verhalen verborgen in een middeleeuws handschrift. Joppe stamt af van een lange lijn van boekenwormen die ooit hun intrek hebben genomen in de prachtige Anjoubijbel. Zij zijn de bewoners van het boek, zij kennen het letterlijk van binnen en van buiten. Met groot enthousiasme vertelt Joppe het verhaal van de bijbel, een verhaal over vriendschap, verraad en verliefdheid, over allergieën en angst, over openlijke moord en ongekende moed. Zo wordt de geschiedenis van de Anjoubijbel ontsluierd, ongecensureerd en uit eerste hand, door de bewoners van het boek. Dit ontwapenend verhaal door Katharina Smeyers is uitgegeven door Davidsfonds/lnfodok. Voor het lager en het secundair onderwijs werkt M een aangepast programma uit. De leerlingen uit de lagere school kijken naar de bijbel door de ogen van Joppe de boekenworm. Of ze maken nader kennis met het middeleeuws hof. De leerlingen uit het secundair onderwijs raken verzeild in de wereld vol intriges. Zelfs een moord aan het Napolitaanse tumultueuze koningshuis is aan de orde.

De tentoonstelling loopt van 17 september tot en met 5 december 2010 in M-Leuven aan de Leopold Vanderkelenstraat 28. Open van dinsdag tot zondag van Hu tot 18u, donderdag van 11u tot22u. WATTEEUW L en VAN DER STOCK J. (ed.), The Anjou Bible. A Royal Manuscript Revealed. Naples 1340 {Corpus of lluminated manuscripts], uitg. Peeters, Leuven, 2010. SMETS K., Joppe de Boekenworm. Verhalen verborgen in een middeleeuwshandschrift, uitg. Davidsfonds/ Leuven, Leuven, 2010. Info en reservaties: Mieuveatel. 016 27 29 29, bezoekm@leuven.be, www.mleuven.be Alle miniaturen zijn online te bekijken op: www.bijbelvananjou.be

Jo Braeken

RFNAAT RRAFM 1 9 1 0 - 7 0 1 0 De Antwerpse architect Renaat Braem (1910-2001) zou dit jaar 100 zijn geworden. Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), dat zowel het Renaat Braem Huis als een belangrijk deel van zijn archief beheert, viert deze verjaardag met de publicatie van de langverwachte monografie Renaat Braem 19102001 architect, onder redactie van Jo Braeken. Daarnaast is de inventaris van het volledig ontsloten Archief Renaat Braem beheerd door het VIOE, vanaf nu ook online raadpleegbaar via http://archief.vioe.be/16268;isad. Het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) en het Centrum Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa) organiseren dit najaar een architectuur- en fototentoonstelling Renaat Braem 1910 2010in de nieuwe tentoonstellingszaal (Expo) van deSingel Art city in Antwerpen. Zij verzorgen ook de heruitgave van Braem's veelbesproken pamflet Hef lelijkste land ter wereld. Het VAi, het VIOE en het Middelheimmuseum stelden een educatieve brochure samen rond Renaat Braem, om jongeren uit de derde graad secundair onderwijs kennis te laten maken met zijn architectuur. Voor een Braem-architectuurroute bundelden hetVAi/CVAa en de Stad Antwerpen hun krachten. Een gratis te verkrijgen, uitvouwbaar stratenplan leidt de wandelaar of fietser naar een dertigtal plekken in de stad waar Braem zijn stempel heeft nagelaten, waaronder de hoogtepunten uit zijn architectuur maar

Portret Renaat Braem («VIOE)

1V1&L


B I N N E ^ K R A N T

Forum Heizel met centrale torens en sociaal centrum

ook minder bekende gebouwen.Een interactieve versie van deze Braemarchitectuurroute, met boeiende archiefbeelden en reportages over de verschillende gebouwen, is beschikbaar op Cobra.be, de cultuursite van de VRT, via http://www.cobra.be/cm/ cobra/nog/1.874792. Deze en andere Braem-evenementen voor het komende najaar, worden gebundeld op www.braem2010.be. Renaat Braem behoort tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de naoorlogse architectuur in België. Zijn loopbaan omspant meer dan een halve eeuw, van zijn vroegste realisaties, wedstrijdinzendingen en ontwerpoefeningen omstreeks 1930, tot zijn laatste projecten uit het midden van de jaren tachtig. Als één van de enige landgenoten genoot hij het voorrecht zijn architectuurstudies als volontaire op het atelier van Le Corbusier te vervolmaken. Hier leerde hij

IVI&L

dat ook de vorm een functie is, en dat rationaliteit en emotie in de architectuur horen samen te gaan. Vanaf zijn beginjaren als architect verwierf hij de reputatie van een gedreven modernist met een sociale missie. De ideologie die hij in tal van geschriften ontwikkelde, getuigde van een onverzettelijk geloof in de maakbaarheid van de maatschappij, een overtuiging die hij zijn leven lang trouw zou blijven. Na de Tweede Wereldoorlog, waarin zijn engagement tot verzetsdaden en politieke gevangenschap had geleid, leverde hij een belangrijke bijdrage aan de wederopbouw en de modernisering van het land. Met toonaangevende projecten voor sociale woningbouw en publieke infrastructuur als het Kiel en het Administratief Centrum in Antwerpen, bracht hij de ClAM-ideologie onverkort in de praktijk en positioneerde hij zich op het nationale en internationale forum. Zijn visie was er vooral op gericht de samenhang van

de gemeenschap te bevorderen en het leven van het individu te verbeteren: "Architectuur is de kunst van het organiseren van de ruimte tot bevrijding van de mens!' Zijn architectuur balanceerde tussen verstand en gevoel, tussen rationalisatie en het zoeken naar de poëtische ruimte. Niet alleen het vormelijke scheppen, het zoeken naar een band tussen ruimte en tijd, het tot uitdrukking brengen van de functie van een gebouw stonden daarbij centraal. Evenveel aandacht ging naar het constructieve, het experiment met technieken en materialen, het streven naar standaardisatie en systeembouw. In de jaren zestig zou hij evolueren naar een organische biomorfe vormgeving, die architectuur verbond met natuur en die de oerkrachten naar boven bracht. Doordat architectuur daarbij zelf sculptuur werd, vond ook zijn levenslange streven naar integratie van de kunsten hier een apotheose.Zijn onvrede met


B I N N E N K R A N T

Rectoraatsgebouw VUB, Brussel

het gebrek aan ruimtelijke ordening in België schreef Braem in 1968 van zich af met het spraakmakende essay Hef lelijkste land ter wereld, waarvan de conclusie luidde: "totale vernieuwing of totale ondergang". Met de Bandstad propageerde hij op hetzelfde moment een visionair model voor de stad van de toekomst, dat de meest radicale utopische idealen inzake stedenbouw in Europa evenaarde. Bezorgd over zijn nalatenschap begon Renaat Braem al in 1974 - nog tijdens zijn actieve loopbaan - zijn architectuurarchief te deponeren bij de Archives d'Architecture Moderne (AAM) in Brussel. Deze instelling was verantwoordelijk voor de uitgave van de eerste monografie over Braem, geschreven door Francis Strauven in 1978 en gepubliceerd in 1983. Twee jaar vóór zijn overlijden, in 1999, schonk hij zijn als monument beschermde woning in Deurne aan

de Vlaamse Overheid. Tijdens de voorbereiding van de restauratie, die in 2003 door de toenmalige Afdeling Monumenten en Landschappen zou worden voltooid, werden in de woning de nog achtergebleven delen van zijn architectuurarchief samen met het privéarchief van Braem en zijn echtgenote Elza Severin aangetroffen. Dit tweede deel van de omvangrijke papieren nalatenschap werd in 2004 in bewaring gegeven aan het pas opgerichte Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) in Brussel. Op dat moment ontstond het idee om het honderdste geboortejaar van Renaat Braem in 2010 te herdenken met de publicatie van een wetenschappelijke oeuvrecatalogus, gekoppeld aan een overzichtstentoonstelling. Hiertoe werd binnen het VIOE een wetenschappelijk onderzoeksproject opgezet. Voor de organisatie van de tentoonstelling op basis van de onderzoeksresultaten kwam vervolgens een

menwerkingsovereenkomst tot stand met het Centrum Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa). Een belangrijke doelstelling van het onderzoeksproject was het door tijd en omstandigheden opgesplitste Renaat Braemarchief virtueel te herenigen via een gezamenlijke ontsluiting. Het uitgangspunt was een zo volledig mogelijke catalogus van alle uitgevoerde en niet gerealiseerde projecten met inbegrip van de opgelegde ontwerpoefeningen aan de Academie, gekoppeld aan een overzicht van de bewaarde archiefbronnen op hun verschillende bewaarplaatsen. De focus van het onderzoek ging dan ook in de eerste plaats uit naar de projectdossiers en ontwerptekeningen die het grootste aandeel uitmaken van de archiefbestanden van zowel VIOE als AAM. De eerste stap van het onderzoeksproject vormde de inventarisatie van het archiefdeel van het VIOE.Ver-


B 1 1 M N E N K R A N T

PUBLICATIES

Renaat Braem 1910-2001 architect Jo Bracken (red.) uitgave VIOE en ASA (ASP Editions) hardcover (2 delen) met foedraal, 800 p. ISBN 978-94-6117-004-0

99,00 € Dit monografische naslagwerk met volledige oeuvrecatalogus van de architectuur van Renaat Braem omvat twee delen. In een eerste deel worden enkele belangrijke thema's uit het oeuvre van Braem door een groep toonaangevende onderzoekers in een afzonderlijk essay uitgediept en gesitueerd. Hoofdredacteur Jo Braeken neemt het biografische overzicht van het leven en werk van Renaat Braem voor zijn rekening, onder meer gebaseerd op nauwgezet onderzoek van het privéarchief van de architect, dat naast documenten met betrekking tot opleiding, studiereizen, ambten en onderscheidingen, ook de briefwisseling met zijn echtgenote, verwanten, vrienden en confraters bevat. In de biografie worden de rijke loopbaan van Braem en de ontwikkeling van zijn architectuur en denken chronologisch en binnen hun context geduid. Francis Strauven - auteur van de eerste monografie over ReWoning Alsteens ( e VIOE, foto A. De Belder)

volgens werden vanaf eind 2007 ook alle niet eerder ontsloten bescheiden in het archiefdeel van de AAM geordend. Op basis hiervan konden ongeveer driehonderd projecten worden geïdentificeerd, samen goed voor ruw geschat 30 000 ontwerptekeningen en een 40-tal lopende meter dossiers. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de individuele projecten zeker in het geval van complexe opdrachten uit meerdere deelobjecten of bouwfases bestaan, en zich in tijd over jaren tot uitzonderlijk zelfs decennia uitstrekken. Het onderzoek van de projectdossiers en ontwerptekeningen bewaard door VIOE en AAM werd, wat de uitgevoerde projecten betreft, aangevuld met systematisch onderzoek van

M&L

de bouwdossiers in de stedelijke en gemeentelijke archieven of administratieve diensten. Eerder occasioneel was het onderzoek van archieven van opdrachtgevers of partners, voor zover deze al konden worden gelokaliseerd en in zoverre aanvullend onderzoek wenselijk werd geacht. Met het oog op een zo volledig mogelijke bibliografie vond ook een grondig onderzoek plaats van de contemporaine en recente literatuur met betrekking tot het architecturale oeuvre van Renaat Braem, naast secundaire literatuur om de projecten in hun context te situeren. In de loop van het onderzoeksproject werden de uitgevoerde en nog bestaande gebouwen ook opnieuw bezocht en gefotografeerd.

p) &

£ 5

f

%

mi

(0

2

M

K3

e e ai

Q

2 e

^ o

"'

- i

«

k

1

^

^


B 1 N N E N K R A N T

naat Braem uit 1983 - analyseert de bronnen en de ontwikkeling van zijn ideologische denken, met de nadruk op de ontstaansperiode in de jaren twintig en dertig, de toetsing aan de praktijk in de naoorlogse periode en de verdere evolutie naar een biomorfe ecologie. Michael Ryckewaert gaat dieper in op Braems grootschalige lijnstadontwerpen uit de jaren dertig, vijftig en zestig, die hij situeert in de stedenbouwkundige context van het naoorlogse België, en de internationale experimenten met megastructuren. Sven Sterken belicht de collectieve woonprojecten van Braem, die met toonaangevende projecten in Antwerpen, Brussel, Leuven en Boom zijn stempel drukte op de naoorlogse sociale huisvesting in ons land. Fredie Floré legt zich toe op de betekenis van Braem voor het individuele wonen, vooral aan de hand van een overzicht van de modelwoningen, die tot doel hadden de massa op te voeden tot een moderne woonstijl en nieuwe vormen van systeembouw te introduceren. Els Spitaels en Stefan Goossens focussen op Braems architectonische ontwerp, en dan vooral op de eigenzinnige evolutie van zijn biomorfe architectuur, of - zoals zij het zelf noemen - "de architectuur van de liefde". Fotograaf Kris Vandevorst, die de afgelopen twee jaar meer dan dertig gebouwen of complexen uitvoerig fotografeerde, stelde uit dit materiaal een beeldessay samen.

aanleiding voor de opeenvolgende stadia of wijzigingenen de creatieve zoektocht die eraan ten grondslag lag. Als belangrijkste bron golden de vaak tientallen tot uitzonderlijk zelfs vele honderden ontwerptekeningen per project en de in verhouding doorgaans veeleer summiere briefwisseling met de opdrachtgevers. Dit onderzoek, dat nooit eerder op een dergelijke schaal werd aangepakt, stelde de auteurs van de catalogusnota's (Jo Braeken, Eva Van Regenmortel, Karina Van Herck, Leen Meganck, Sarah Depestel, Inge Bertels) in staat de chronologie van de verschillende projecten nauwkeurig in hun historische, bouwkundige en artistieke ontwikkeling te reconstrueren. Op basis van systematisch literatuuronderzoek en inventarisatie van de

collectie manuscripten en publicaties uit het Braem-archief van het VIOE, werd een zo volledig mogelijke bibliografie met betrekking tot zijn oeuvre samengesteld. Ze is opgesplitst in aan de ene kant de eigen geschriften van Braem en aan de andere kant de publicaties handelend over zijn werk. Laatstgenoemde categorie houdt geen rekening met de grote aantallen dagbladartikels, waarvan het onderzoek en de repertoriëring nog moeten worden aangevat. Na een lijst van lezingen, voordrachten en toespraken door Renaat Braem, met zo mogelijk vermelding van organisator, plaats en datum, wordt het boekwerk afgesloten met registers op projectnamen, plaatsnamen en namen van opdrachtgevers en partners.

Wooneenheid Kiel, Antwerpen (® VIOE, foto K. Vandevorst)

Het tweede deel en corpus van de monografie vormt de oeuvrecatalogus die welgeteld 303 projecten omvat. Na een identificatieblokje met basisgegevens over datering, adres, typologie, partners, status, archiefbronnen en literatuur, bieden de nota's informatie over de opdrachtgever, de context van het project, het programma, het verloop van de opdracht en het eventuele bouwproces, de plaats of de betekenis binnen het oeuvre van Braem, naast een beschrijving van de architecturale kenmerken, de plan- enruimte-indeling, en eventueel de integratie van kunstwerken. Bijzondere aandacht gaat naar de evolutie van het ontwerpproces in zijn verschillende fasen, de reden en

1VI&L


B 1 M N E N K R A 1 \ T

Renaat Braem, Het lelijkste land ter wereld heruitgave met architectuurhistorische inleiding door Francis Strauven VAi/CVAa en ASP Editions paperback, 96 p. ISBN 978-90-5487-786-8 20,00 € In 1968 publiceerde Renaat Braem zijn spraakmakende pamflet Het lelijkste land ter wereld. Naar eigen zeggen richtte hij zich met deze wandelgids in de Belgische jungle tot ontwakende slaapwandelaars. Zijn statement dat België het lelijkste land ter wereld zou zijn, lokte heel wat reacties uit. Anno 2010 blijken sommige van zijn ruimtelijke analyses nog altijd brandend actueel. De heruitgave is voorzien van een inleiding door Francis Strauven, architectuurhistoricus en auteur van de eerste monografie over Renaat Braem in 1983. Strauven geeft een indringend beeld van het toenmalige stedenbouwkundige klimaat waartegen Braem ageerde. Ook de reacties van collega's en bevriende kunstenaars en architecten, evenals recensies in de pers, zijn opgenomen in deze heruitgave.

TENTOONSTELLING Renaat Braem 1910 2010 productie: VAi/CVAa coproductie: deSingel, VIOE, AAM, Stad Antwerpen

en context, collectiviteit en individu, het visionaire van Braems ruimtelijke inzichten en de prominente aanwezigheid van een biomorfe vormentaal en een ecologische reflex. Terwijl Braems aandacht voor de interactie met de natuur verwondert door zijn hedendaagse relevantie, schokt zijn soms weinig zachtzinnige aanpak van het historische stadsweefsel. Braems grote sociale woningbouwprojecten en stedenbouwkundige ontwerpen worden belicht naast een aantal van zijn privéwoningen en publieke gebouwen, geduid in samenhang met Braems eigen ideologie. In een overzichtelijke scenografie brengt de tentoonstelling een ruim aantal originele en gereproduceerde documenten waaronder architectuurtekeningen en bouwplannen, schetsboekjes, maquettes, archieffoto's en recente opnames, beeld- en geluidsfragmenten. De thema's worden helder toegelicht met inleidende teksten, die ook in een gratis tentoonstellingsgids zijn gebundeld.

GENTSE B I J L Q K E M U S F U M DE ? 1 s t e E E U W B I N N F N fiELOODST O N D E R DE BENAMING STAM ( S T A D S M U S E U M GENT)

museumcafé en de introductiezaal ingeplant op de plaats van een geplande maar nooit gerealiseerde vleugel. Kasseien met grasvoegen in de binnentuin visualiseren de contouren van de oorspronkelijke abdijkerk, en de museumtuin is door de stedelijke Groendienst voorzien van groentebakken aangezien hier vroeger een moestuin was. Het tentoonstellingsconcept is een realisatie van het STAM-team en het ontwerpbureau Tijdsbeeld £t Piéce Montée. Het STAM vertelt chronologisch het verhaal van Gent onder het moto: van het heden naar het verleden en terug. Het verhaal van de stad wordt er gepresenteerd aan de handen van meer dan 17.000 eigen collectiestukken aangevuld met stukken afkomstig uit de collectie van de diverse Gentse musea. Onder de topstukken bevinden zich de Carolijnse Concessie, het borstbeeld van de jonge Keizer Karel, handschriften uit de Sint-Baafs- en Sint-Pietersabdijen, oorkonden en charters, steensculpturen uit de 12dc eeuw, 14dc-eeuwse muurschilderingen en grafplaten, processietoortsen uit de 17^ eeuw enz. In de pandgangen van de abdij wordt een chronologisch parcours uitgestippeld en in de zijzalen worden de diverse periodes in beeld gebracht.

data: 1 oktober 2010 - 9 januari 2011 locatie: deSingel Art city/Expo, Desguinlei 25, 2018 Antwerpen ticket 5 € pp, 60 € voor een rondleiding met gids (max. 20 personen) reserveren via deSingel op 03/248.28.28

Na de renovatie van het als monument beschermde Bijlokecomplex en de aanbouw van een hedendaags inkomgebouw naar het ontwerp van stadsarchitect Koen Van Nieuwenhuyse, is vanaf 9 oktober 2010 het museum opengesteld voor het publiek.

De introductieruimte op de eerste verdieping van de nieuwbouw vormt de overgang naar het begin van de eigenlijke stadsgeschiedenis, ondergebracht in de abdijgebouwen. Hier staat het huidige Gent centraal met op de belichte glazen vloer een enorme luchtfoto en centraal een maquette van het historisch centrum.

Curatoren Sofie De Caigny, Elke Hoornaert en Katrien Vandermarliere maakten voor deze tentoonstelling een weldoordachte selectie van Braems belangrijkste projecten en de mooiste of meest sprekende tekeningen en collages uit diens rijke architectuurarchief. Naast een biografisch overzicht is de tentoonstelling opgebouwd rond een aantal spanningsvelden in Braems leven en werk; utopie

Het was geen sinecure om in de historisch belangrijke gebouwen een museum van de 21 ste eeuw in te passen. Het STAM heeft een evenwicht gevonden tussen de noden van het museum en de historische waarde van het complex. De renovatie-restauratie gebeurde met zorg en respect voor de erfgoedwaarden van deze als monument beschermde gebouwen. Zo zijn de nieuwbouw met onthaal, het

Het chronologisch parcours start via het doksaal van de kapel, en is onderverdeeld in zes luiken. Het eerste luik geeft een beeld tot 1200 van de ontluikende stad, gevolgd door het thema grootstad tussen 1200 en 1600, de bedaarde stad tussen 1600 en 1800, de industriestad tussen 1800 en 1950, de groeiende stad van 1950 tot vandaag, en tenslotte wordt ook de stad van morgen gevisualiseerd. Twee


BllVJNENKRANT

thematische zijsprongen zijn geïntroduceerd, namelijk Keizer Karel en het Lam Gods met de diefstal van het paneel met de Rechtvaardige Rechters. Multimedia-applicaties waarbij men kan terugkeren in de tijd verbreden en verdiepen het chronologisch parcours. In het voormalige dormitorium waar het eerste luik van de stadsgeschiedenis wordt tentoongesteld van de ontluikende stad tot de vroege middeleeuwen, staat centraal een topografische maquette met de rivieren Leie en Schelde bij het ontstaan van de stad. De maquette toont ook hoe de vier bewonerskernen aan de Blandijnberg, aan samenvloeiing van Leie en Schelde, rond de huidige Sint-Baafsabdij, en deze rond het Gravensteen geleidelijk groeien tot de historische kuip. Verdere blikvangers in deze sectie zijn fragmenten van opgravingen en holografische reconstructies, waarbij bijvoorbeeld het Gravensteen en de Sint-Baafsabdij getoond worden zoals ze er rond 1200 uitzagen. De collectie toont ook relicten en handschriften verbonden met de Sint-Baafs- en Sint-Pietersabdijen en steensculpturen uit de 12de eeuw.

Via de pandgangen bereikt men de verdere museumruimtes. Het tweede luik met de middeleeuwen (1200-1600) toont Gent, uitgegroeid tot één van de belangrijkste steden van Noordwest-Europa met een bloeiende lakennijverheid en lakenhandel. Een rijk aanbod aan objecten en documenten brengen de middeleeuwse stad tot leven zoals oorkonden, charters, handschriften, wapens, ledenboeken van de Gentse ambachten, onderdelen van woningen. In deze zaal wordt ook aandacht besteed aan de confrontatie tussen Gent en de graven, de Bourgondische hertogen, en later de Habsburgers. De zaal 1715 vormt het decor voor Gent in de barokperiode. De linnennijverheid groeit en de aanvoer van graan blijft stabiel. Het straatbeeld wordt verfraaid. Centraal in de zaal staat een veelhoekig paviljoen bekleed met bouwplannen en onderdelen van woningen. Eén wand in de zaal is

ingenomen door De inhuldiging van Karel II als graaf van Vlaanderen te Gent in 1666, door Francois Duchatel. Verder zien we stadsgezichten en ontwerpen voor triomfbogen. De werkkamer bevat de periode van de industrialisatie (1800-1950). Hier zijn de dominanten de textielindustrie, de bevolkingsgroei en stadsexpansie. De snelle bevolkingsaangroei leidt tot ontstaan van tal van nieuwe wijken, fabrieken en openbare gebouwen. Kaarten, plannen en stadsgezichten tonen hoe de stad de metamorfose onderging. De Bogenzaal met de periode na de Tweede Wereldoorlog is ingericht als een lounge waar de bezoekers via een interactieve aanpak zelf beslissen welke beeldfragmenten ze willen bekijken. In het midden van de zaal staat een multitouchtafel waarin korte filmfragmenten zijn opgeslagen. Het STAM geeft ook een blik op de toekomst met het project Oude Dokken waar een nieuw stadsdeel zal gerealiseerd worden. Naast dit vast circuit zal het STAM tijdelijke tentoonstellingen brengen die inspelen op de actualiteit en het begrip stedelijkheid uitdiepen. De lopende tentoonstelling Belichte Stad geeft een beeld van de permanente licht- en donkershow die het leven in de stad bepalen. De ruimten met een bijzondere erfgoedwaarde namelijk de pandgangen, de 17de-eeuwse abdijkerk en de Gotische refter met onder meer monumentale muurschilderingen uit de 14de eeuw met als thema het Laatste avondmaal, de Zegening van Maria, heilige Christoffel en Johannes de Doper, zijn zo sober mogelijk gehouden om deze historische ruimten volwaardig tot hun recht te laten komen. Kerk en refter hebben trouwens een uitzonderlijke akoestiek en zullen af en toe voor concerten worden gebruikt.

hospitaal, dat rond 1200 door de familie Utenhove was opgericht, naar de Bijlokemeersen buiten de stadsomwalling. De eerste ziekenzaal (thans ingericht als concertzaal) werd opgericht in het midden van de 13de eeuw en werd iets later uitgebreid met een kapel. Het hospitaal werd bediend door de Cisterciënzerzusters die een klooster lieten oprichten. Van de abdij die tijdens de 16de eeuw te lijden had onder de godsdienstoorlogen bleven het dormitorim en de refter gespaard en werden geïntegreerd in de nieuwe 17de-eeuwse abdijgebouwen met kerk. Tijdens de Franse revolutie werd de abdij afgeschaft. Tijdens de 19de eeuw namen de zusters terug hun intrek in de 17de-eeuwse abdijgebouwen, en een deel van het complex werd ingericht tot tehuis voor ouderlingen. De gerestaureerde abdijgebouwen werden in 1920 ingericht als Oudheidkundig museum en officieel ingehuldigd in 1928. Een nieuw hospitaal verbonden aan de universiteit werd opgericht tussen 1863 en 1880 naar het ontwerp van Adolphe Pauli. Aan de ziekenzorg op deze site kwam een einde in 1982 toen het hospitaal verhuisde naar een nieuw gebouw. De 19de-eeuwse hospitaalgebouwen werden ingenomen door de Hogeschool Gent en de middeleeuwse ziekenzaal werd vanaf 1988 omgevormd tot concertzaal. Dit gaf de aanzet tot de realisatie van een cultuursite en thans herbergt de Bijlokesite tal van culturele organisaties, zoals onder meer muziekgroep Lod, Les Ballets Cde la B, de artistieke opleiding van de Hogeschool Gent e.a..

De Bijlokesite was meer dan 750 jaar het centrum van de ziekenzorg. Tijdens de 13de eeuw verhuisde het

1VI&L


B 1 1 M N E N K R A N T

Buitenkrant

Marjan Buy Ie

DF INFOTHFFK VAN HET KONINKIIIK INSTITUUT VOOR HET KUNSTPATRIMONIUM

IN BRUSSEL Sinds september 2010 is de bibliotheek van het KIK opgenomen in de infotheek. De bezoeker wordt er voortaan ontvangen in de nieuwe leeszaal op de eerste verdieping. De werken liggen er uitsluitend ter inzage, ontlenen is niet mogelijk. De toegang is vrij en gratis. De verzameling bestaat uit een 50 000 werken, 1500 titels van tijdschriften en 2000 verkoopscatalogi, waarvan 1890 opgenomen in de digitale catalogus. Als onderwerp hebben ze: - kunst (Belgisch, Europees, van de middeleeuwen tot het interbellum);

1VI&L

- conservatie en restauratie van kunstwerken; - natuurkunde en scheikunde van de materialen gebruikt door kunstenaars en van producten toegepast bij restauratie. De bibliotheek van het KIK vormt een studiefonds gewijd aan de kunstge-

schiedenis van Europa, van de middeleeuwen tot het interbellum, en aan de conservatie-restauratie van kunstwerken. De verzameling bevat titels die soms elders in België onvindbaar zijn, zoals oude, zeer gespecialiseerde, zeldzame of uitgeputte werken en tijdschriften. Bijzonder goed vertegenwoordigd is de kunst van de oude


B 1 N N E N K R A 1 M T

Zuidelijke Nederlanden en van België, maar ook andere regio's van Europa komen aan bod (Nederland, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje, etc), net zoals de hedendaagse kunst, de fotografie of andere disciplines zoals archeologie, antropologie en geschiedenis. Bepaalde studiedomeinen zoals oud glas of boekverluchting zijn ook goed vertegenwoordigd, dankzij de interesse vanuit het Instituut zelf. De verzameling groeit voortdurend aan via aankopen, schenkingen en ruilpublicaties met partnerinstituten in België en in het buitenland (Europa, Verenigde Staten, Latijns-Amerika, Japan, etc). Deze verwervingsmethode maakt het mogelijk om de verzameling aan te vullen met ongepubliceerde documenten die vaak ontbreken in andere Belgische bibliotheken. (Online) Catalogus De werken opgenomen na 1998 kunnen ter plaatse worden opgezocht in de digitale catalogus. Eerder opgenomen werken zijn opzoekbaar via

papieren steekkaarten. Monografieën, delen van monografieën en artikels van tijdschriften zijn geïndexeerd op basis van een voorafgaande selectie. De digitale catalogus is eveneens online toegankelijk via de gemeenschappelijke catalogus van de federale bibliotheken, met de mogelijkheid om documenten te reserveren. De catalogus wordt trimesterieel geactualiseerd. De meest recente aanwinsten kunnen enkel ter plaatste worden opgezocht.

De nieuwe infotheek is geopend voor het publiek. In de gerenoveerde leeszaal kunnen voortaan alle documenten van de voormalige bibliotheek en fototheek geraadpleegd worden. Ook het documentatiebestand van het Studiecentrum Vlaamse Primitieven werd opgenomen in de infotheek. Open op maandag van 13.30u tot 17u, van dinsdag tot vrijdag van 9u tot 12.30u en van 13.30u tot 17u.

Diensten De mogelijkheid bestaat om zwart/ wit- of kleurenkopies te maken -kopieerkaarten zijn verkrijgbaar aan het onthaal tegen contante betaling- al behoudt het personeel van de leeszaal zich het recht voor om ten allen tijde het fotokopiëren van een kostbaar of beschadigd document te verbieden. Documenten in de online catalogus kunnen worden gereserveerd via de gemeenschappelijke catalogus van de federale bibliotheken.

M&L


MftL

citaat

"II n'est point d'occasions perdues. Tel sculpte l'ivoire et change l'ivoire en visage de déesse ou de reine qui frappe au co?ur. Tel autre ciselle l'or pur et peut-être, Ie profit qu'il en tire, est-il mains pathétique aux hommes. Ni a Tun ni a l'autre l'or ou Ie simple ivoire n'ont été donnés. L'un et Tautre n'ont été que chemin et voie et passage. II n'est pour toi que matériaux d'une basilique a batir. Et tu ne manques point de pierres. Ainsi Ie cèdre ne manque point de terre. Mais la terre peut manquer de cèdres et demeurer lande caillouteuse. De quoi te plains-tu?ll n'est point d'occasion perdue car ton róle est d'etre semence. Si te ne disposes point d'or, sculpte l'ivoire. Si te ne disposes point d'ivoire, sculpte le bois. Si te ne disposes point de bois, ramasse une pierre."

Antoine de Saint-Exupéry, Citadelle, CC, 1936

'Verloren kansen bestaan niet. De ene kerft ivoor en tovert dit om tot het gelaat van een godin of koningin die het hart ontroert. Een ander ciseleert zuiver goud en mogelijks is het voordeel dat hij eruit haalt voor de mens minder pathetisch. Noch aan de ene noch aan de andere werden het goud of het eenvoudig ivoor gegeven. De ene en de andere zijn slechts pad geweest en weg en doorgang. Voor jou zijn het slechts materialen voor een te bouwen basiliek. En aan stenen heb je geen gebrek. Zo ontbreekt het de ceder evenmin aan aarde. Maar de aarde kan gebrek hebben aan ceders en met keien bezaaide heide blijven. Waarover klaag je? Verloren kansen bestaan niet want het is je taak om zaad te zijn. Beschik je niet over goud, kerf dan ivoor. Beschik je niet over ivoor, snij dan hout. Beschik je niet over hout, raap dan een steen op.'


het Convent van Lommei, Benedenstraat nrs. 404 1 , groepeert de bloementuin naast oude appel- en perenbomen in ietwat 'naïeve' perken een aantal planten en kruiden die in de 17 c eeuw door de begijnen werden gekweekt en geliefd.

DE KOSTPRIJS EERSTE FASE Het werk is volledig uitgevoerd met het budget voor studentenhuisvesting van de toen nog unitaire universiteit. In het reeds vermelde verslag van Budapest uit 1972 komt Lemaire, rekening houdend met de ervaring van de voorbije 7 jaar, ook tot het financiële aspect dat overtuigend en aanmoedigend moet werken voor analoge projecten. De aankoopprijs van het ensemble wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. De tot begin 1970 gespendeerde som voor 80.000 m bedraagt 2.200 Belgische frank (44 euro) per m . Vergeleken bij nieuwbouw voor studentenhuisvesting komt dit neer op een kostprijs die 15 a 20 % lager ligt. Per m gaat het om een mindere kost van 5%: de vertrekken in deze oude huizen zijn immers hoger dan in nieuwbouw (25).

D F T n F N M A I I f i F PFRCFPTIE Lemaire heeft in de pers en elders altijd benadrukt dat de renovatie van het Groot Begijnhof de pure gespecialiseerde en academische restauratie overstijgt: ze past immers in de context van problemen van leef- en woonomgeving, sanering en vernieuwingvan historische centra. Een greep uit de talrijke persknipsels van de jaren 1965-1972 in binnen- en buitenland toont aan dat die innoverende visie ook is doorgedrongen, zowel in de vak- als dagbladen (26). De renovatie is er telkens met een overtuigend enthousiasme begroet omwille van haar weloverwogen karakter gestaafd met economische argumenten. Enkele geselecteerde krantenkoppen geven de toon aan: Leuvens Begijnhof wordt een grote studentenwijk. Honderden Miljoenen Fr. Werken Inzet van Europese Proefneming (27); Een Europees experiment. Prof. Lemaire restaureert Leuvens Begijnhof met tussentitels Beterkoop als nieuwbouw. Eigentijdse harmonie. Verantwoorde investering (28); Leuven trots op herboren Begijnhof i^Ü); Experiment van stadsvernieuwing in onze tijd. Groot Leuvens Begijnhof gerestaureerd, nu bijna uniek in de wereld {5\). Een andere connotatie als Leuvens Begijnhof in oude glorie hersteld verklankt een meer traditionele opvatting die elders wordt gerelativeerd met de opmerking:

Het begijnhof is nooit zo mooi geweest". Dit als mooi, pittoresk, laat staan rustiek ervaren aspect heeft velen bekoord zonder verder in te gaan op de kwaliteit van de woonvorm en de leefomgeving (29). Of de opkomst van het fermettefenomeen in dezelfde periode verband houdt met de restauratie/ renovatie van het Leuvense Hof is vooralsnog moeilijk na te gaan. Duidelijk is alvast dat de belangstelling is aangewakkerd voor andere Vlaamse begijnhoven die er toen even slecht aan toe waren. H u n later aangevatte herwaarderende aanpak is nog steeds aan de gang zoals ondermeer in Kortrijk en Diest, beide eigendom van het O C M W .

DAGFUIKS RFHFFR De universiteit als enige eigenaar heeft van in het begin geopteerd voor het verhuren van gemeubileerde studentenkamers, studio's en flats en ongemeubileerde eengezinswoningen. Dit systeem biedt het voordeel een uniform en vlot beheer door te voeren waarbij de eigenaar verantwoordelijk blijft voor de dagelijkse zorg en ander noodzakelijk onderhoud en behoud. De eigen Dienst Historische Gebouwen houdt eerder toezicht op algemene 'conserverende' aspecten. Het beheer van het ensemble is toevertrouwd aan drie instanties. De universitaire parochie zorgt voor de kerk en het 17 e-eeuwse deel van de HeiligGeesttafel. Infirmerie, Faculty Club en Convent van Chièvres worden door een aparte raad van beheer en directeur beheerd. De ter plaatse verblijvende directeur/president staat dan op zijn beurt met zijn secretariaat en een paar klusjesmannen in voor de goede gang van zaken, de verhuring en de dagelijkse feiten en problemen. In de loop der jaren zijn meer en meer flats, studio's en ook sommige eengezinswoningen voorbehouden voor gastprofessoren. Met een vaak wisselende bewoners is de verwachte 'culturele gemeenschap' met een bijzonder sociaal leven soms tijdelijk maar niet echt blijvend tot stand gekomen. In de loop der jaren is ook de aandacht en de zorg om elementen en details in de afwerking van exterieurs en gemeubelde interieurs enigszins afgezwakt, veelal om praktische en ook financiële redenen.

VAN V I A A M S FRFGOED TOT WFRFIDFRFfiOFD Van het einde van de jaren 1970 tot het einde van de jaren 1990 komen enerzijds de restauratie van de kerk aan de beurt (1978-1985) en deze van de


Kerkstraat (1987-1989/1990), nadat het Groot Begijnhof in 1987 integraal wordt beschermd met al zijn straten, pleinen, huizen, Dijle-oevers en dus duidelijk tot het Vlaamse erfgoed hoort. Anderzijds beginnen in die periode nieuwe bouwsels het ensemble aan te vullen. Volgens het BPA Gb van 17 januari 1989 kunnen in het Complex Groot Begijnhof als beschermd monument ondermeer "verbouwingenrestauratie en beperkte nieuwbouw worden overwogen mits gunstig advies vanwege de Minister of Staatssecretaris, bevoegd voor monumenten- en landschapszorg (32).

Restauratie van de kerk

De achtergevels van de huizen Kerkstraat 11-13, met verschillende types van oude en nieuwe dakkapellen en groot nieuw dakvenster met balkonnet)e. Voorts oude en nieuwe aanbouwsels (foto auteur)

Kerkstraat, huizenrij nrs. 3-4, topgeveltjes van de toegevoegde gemeenschappelijke gang tegenover de zuidgevel van de kerk (foto auteur)

Hoekhuis Kerkstraat nr. 13 met vergaderzaal op de begane grond: behouden twee deuren en oorspronkelijke schouw tussen de twee vensters van de zijgevel (foto 0. Pauwels)

1VI&L

Voor de vroeggotische kerk, die dan nog eigendom is van het O C M W , komen na een eerste poging in de jaren 1950 om ze dringend te restaureren nieuwe plannen van architect Robert Vandendael tot stand. Onder toezicht van het toenmalig Bestuur Monumenten en Landschappen worden ze zorgvuldig uitgevoerd van 1978 tot 1985. Aan deze restauratie is een uitgebreide publicatie gewijd (33). In de context van deze bijdrage illustreert deze restauratie de evolutie van de opvattingen ter zake. In de jaren 1950 is als vanzelfsprekend in de 'eenheid-van-stijl-geest' geopteerd voor het volledig herstellen van de oorspronkelijke gotische ruimte waarvan het houten spitstongewelf bewaard is. De uitgevoerde plannen van de jaren 1970 hebben echter de 'evolutieve authenticiteit' gestabiliseerd en gevaloriseerd. De gotische zuilenrijen en spitsboogvensters harmoniëren met de lagere kruisribgewelven met ijzeren trekankers van 1654, die in feite als barokke interpretatie gelden van de gotische bouwwijze. De historisch gegroeide ruimte met typisch barokmobilair vertoont ongewone verhoudingen en een bijzondere lichtinval die het versoberde gewitte interieur opmerkelijk markeren en het een treffende sfeer verlenen. Na de gesubsidieerde restauratie heeft het O C M W de kerk in erfpacht gegeven aan de universiteit, die ze

nog steeds als parochiekerk gebruikt, er concerten laat organiseren en ze op bepaalde tijdstippen met medewerking van de Leuvense Gidsenbond openstelt voor bezoekers.

Restauratie van de huizen aan de Kerkstraat 3-13 De straat, ten zuiden van de kerk, telt aan de noordkant vijf kleine, lage rijhuizen uit 1659. Aan de overkant staan zes grote huizen met bovenverdieping, voornamelijk uit de eerste helft van de 17 e eeuw. Deze (uitgestelde) fase, uitgevoerd van 1987 tot 1989- < 90 onder leiding van ingenieurarchitect Paul Van Aerschot, dankzij de premies van de Vlaamse overheid en de bijdragen van ver-

^y,!-


schillende mecenassen (34), sluit de restauratie/ renovatie van het inmiddels volledig als monument beschermd Groot Begijnhof af. De universiteit geeft al in 1984 de opdracht en omschrijft een programma dat in het verlengde ligt van de eerste fase: kleine eengezinswoningen, studio's en studentenkamers, waarbij ook de zolderruimten zouden worden ingericht. De begane grond van de Engelbewaarder (nr. 13) moet als vergaderzaal fungeren: hiertoe zullen op de begane grond de twee kamers met haard duidelijk worden samengevoegd en de niet meer te redden dienstruimten vervangen door een nieuwe keuken. In tegenstelling tot de eerste fase van de jaren 1963 en volgende dringt zich nu het normale administratieve parcours op, onder toezicht van de Afdeling Monumenten en Landschappen. Architecturale opties sluiten mits nuanceringen en bouwtechnische verbeteringen aan bij de initiële opvattingen voor exterieurs en interieurs. Dit is de reden waarom het voor de voorgevels aanbevolen rood kaleien met gemarkeerde witte voegen niet is uitgevoerd. De vensters zijn verschillend aangepakt naargelang hun toestand: restauratie van kruiskozijnen met hoek- en negblokken en kruisen van kalkzandsteen; elders, voortgaande op de ontlastingsbogen worden het kruisvensters met licht gewapende betonnen omlijsting en kruisen; ten slotte zijn er nieuwe muuropeningen met boven- en onderdorpels van beton. Betonnen vensterkruisen krijgen hierbij voor de knoop een nieuwe

vormgeving in functie van de technische kwaliteit van dit materiaal. Voor de houten, witbeschilderde ramen zijn nieuwe profileringen ontworpen, rekening houdend met de dubbele beglazing die beantwoordt aan de gestelde eisen voor thermische isolatie. Naast bewaarde rondboogdeuromlijstingen zijn uitzonderlijk nieuwe ingevoegd. De plankendeuren worden door gelijkaardige of vormelijk nieuwe vervangen, en geschilderd op basis van een nieuw kleurenpalet. Voor dakkapellen en -vensters wordt, in functie van de nodige lichtinbreng in de verschillende ruimten, gezocht naar een passende vormgeving. Vervangende of nieuwe aanbouwsels krijgen hedendaagse volumes met al dan niet traditionele reminiscenties in de afwerking, zoals ondermeer in de zes topgeveltjes die achter de lage studentenhuizen nrs. 3-4 de toegevoegde gang afsluiten leidend naar de nieuwe gemeenschappelijke woon- en keukenruimte. Binnenshuis zorgen nu vlottende vloeren voor een verbetering van de akoestische isolatie.

Vreemde eend in de bijt: 'Sint-Niklaas' overgebracht (1983) Het huis Sint-Niklaas, gedateerd 1664 en oorspronkelijk aan de Parijsstraat nr. 66, is een beschermd monument sinds 4 april 1944. Dit heeft niet belet dat de voor- en zijgevel, de ornamentatie en structuur in 1973 gedemonteerd zijn om op het perceel en de naburige panden een in 1974 ingehuldigd

•*

Benedenstraat nr. 59, het overgebracht huis Sint-Niklaas met oorspronkelijk bouw|aar 1664 (foto auteur)

®a?l


II

kantoorgebouw voor de Belgische Boerenbond op te trekken. De gevels zouden elders in Leuven worden herbouwd, wat pas in 1983 gebeurt. De Boerenbond schenkt dan het materiaal aan de universiteit; zo komt het huis terecht op een hoekpand aan de Benedenstraat van het Groot Begijnhof (nr. 59), met een verklarende gevelsteen ter verduidelijking (35). Lemaire heeft zich hiertegen tevergeefs verzet: monumenten zijn niet zonder meer verplaatsbaar, het Begijnhof is Bokrijk niet en deze rijke stadswoning met ornamenten van kalkzandsteen en de gerecupereerde centrale bekroning met Sint-Niklaasbeeld past geenszins in de sobere scenografie van het Hof. Het huis Sint-Niklaas, met zijn slechts dertig procent oorspronkelijk materiaal, roept nog steeds vragen en ook wel kritiek op bij bewoners en bezoekers die het contrast ervaren.

In- en aanvullende nieuwbouw De ook door de Afdeling Monumenten en Landschappen goedgekeurde nieuwbouw toont aan hoe moeilijk het is om 'architectuur' te plegen in dit traditioneel streekeigen ensemble bij uitstek, ook al worden hierbij gelijkaardige volumes en materialen gebruikt. Aan de zuidwestzijde van de infirmeriehoeve opent het Begijnhof Congreshotel (nr. 15), naar ontwerp van de architectengroep Archiduk, in 1990 zijn deuren en schakelt hierbij de verlaten oude schuur in als ontbijtruimte. In 1991-1992 komt aan de zuidzijde van de infirmerie een uitbrei-

ding, de thans genoemde Zaal Lemaire, op vraag van de Faculty Club die een grotere keuken nodig heeft en een zaal die los van de grote ziekenzaal kan worden gebruikt. De globale schetsen van Lemaire zijn verder verwerkt en uitgevoerd door Depoorter, in samenspraak met de Technische Dienst KULeuven. Het Convent Sint-Kathelijnenberg (nr. 60), naar ontwerp van architect Barbara Van der Wee uit 1992 en volgende, vervangt het in 1944 door oorlogsschade getroffen complex aan de Zwartzusterstraatzijde (36).

TENSLOTTE Het dossier Béguinagesflamands. Un Passé bien Présent'\s door de Vlaamse Overheid ingediend in juni 1997 (37). Met Regina Durighello, afgevaardigde van I C O M O S , het adviserend orgaan van het Werelderfgoedcomité, zijn tijdens haar plaatsbezoek in februari 1998 de "evolutieve authenticiteit en integriteif van het Groot Begijnhof grondig besproken. Het 'levende' aspect van het herbestemd cultureel erfgoed, met zijn recente invullingen, is niet gecontesteerd en later ook niet in vraag gesteld door het Werelderfgoedcomité; het zowat 60 m hoge Amelinckx flatgebouw met gezicht op het Begijnhof, echter wel. Opgetrokken aan de Vest op het toenmalige grondgebied van Heverlee, steekt het op verschillende plaatsen uit boven de histo-

• Het Begijnhof

•

Congreshotel aan de

Benedenstraat

voorheen als afslul-

iijid-westzi|de van

nr. 60, nieuw

ting van deze straat

de kerk

Convent van

(foto auteur)

(foto auteur)

Katelljnenberg, zoals


rische bebouwing. Architectuurstudenten, monumentenzorgers, historici en andere specialisten en ook een 'verlicht' publiek hebben hevig geprotesteerd tegen dit project van eind 1960-begin 1970. Niet alleen de hoogte van het flatgebouw is aangevochten, maar ook de gestandaardiseerde anonieme woonvorm en de locatie bij de Naamsepoort, één van drukste kruispunten van Leuven; twee aspecten waarvoor het Begijnhof een alternatief biedt. Het punt van de nabije 'torens' is hiermee toen al te berde gebracht, een probleem waarmee het Werelderfgoedcomité na meer dan tien jaar meer en meer af te rekenen heeft. Aangenomen werd in 1998 dat de kwaliteit en de voorbeeldfunctie van het Groot Begijnhof prevaleerden en dat deze storende ingreep de erkenning niet in het gedrang mocht brengen. De gefaseerde restauratie/ renovatie van het Leuvense Groot Begijnhof betekent hoe dan ook een mijlpaal in de geschiedenis van de zorg om een historisch gegroeide leefomgeving waarvan de kwaliteit stoelt op het functionele evenwicht tussen bebouwde en onbebouwde ruimten, tussen strakker aangelegde en spontaner gegroeide ruimten: een benadering die Raymond Marie Lemaire heeft meegenomen voor de in het Groot Begijnhof uitgewerkte basisplannen van Louvain-la-Neuve. De

restauratie/ renovatie zelf fungeert in feite als laboratorium: uit de wisselwerking tussen studie-, bureau- en veldwerk, die gepaard gaan met ervaring en creativiteit, is nu een ruim en ook internationaal verspreide methodologie gedistilleerd die vatbaar is voor verdere uitdieping en interpretatie. Deze methodologie is niet bestemd om zonder meer te worden gekopieerd: ze spoort aan tot verder en creatief nadenken en blijft wijzen op een noodzakelijke globale en gedreven visie. Zonder details te verwaarlozen moet die blijven instaan voor het behoud en de valorisatie van de historische en hedendaagse kwaliteit die de gebouwde en ongebouwde omgeving van de begijnhoven ons en de komende generaties te bieden heeft.

Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck is occasioneel consultant Werelderfgoed

EINDNOTEN (1) Voor algemene achtergrond en aantal bijzonderheden zie OLYSLAGER W.A., Het Groot-Begijnhof van Leuven, lAt uitg., Antwerpen, 1978. De huisnamen, ontleend aan deze publicatie, worden gebruikt om de diversiteit aan betrokken heiligen enz. aan te tonen. De tussen haakjes aangeduide nummering dateert van na de Franse tijd: ze wordt hier gebruikt om de gebouwen nu Deel van dezelfde tuin voor dagelijks te kunnen identificeren (cfr. plattegrond). Nr. 1 is de portierstergebruik woning bij de Grote Poort aan de Schapenstraat, nr. 2 de kerk en ifoto Q pauwe|s) dan gaat het verder via de Kerkstraat de linkerkant van de Rechte straat tot aan het Spaans Kwartier, terug en verder in de zijstraten om te eindigen met de Kerckecamer en aanbouw die de nrs. 94 en 95 dragen (i.e. tegenover nr. 1). (2) VAN EVEN E., Louvain monumental dans Ie passé et Ie présent, Leuven, 1895, p. 538. (3) CLEMENTT, GHOBERTJ. en HUARTC., Les anciennes constructions rurales et les petites constructions des héguinages en Belgi^Kfdln.I-IV, Brussel, 1914-1919. (4) SMEYERS M., Paul Victor Maes, Kunstenaar en conservator, in Leuvens Palet, Jaarboek 1989, Area Lovaniensis atque historiae reserans documenta, 18, p. XVI - XIX, ill. p. XVI, schilderij P.V. MAES, Lof in de Begijnhofkerk. (5) Beslissing bij eenparigheid van stemmen goedgekeurd door de Gemeenteraad tijdens de zitting van 27 januari 1966. (6) CRAB J., MAES P.V. en VAN BUYTEN L , Bronnen voor de kunstgeschiedenis van het Arrondissement Leuven, reeks A: Inventarissen, dl I, Kerk vanhet Groot-Begijnhof Leuven, 1966; ook in De Brabantse Folklore, 1966, p.169-241, 294-340 en 357-419; 1967,p. 38-86 en 119-190. (7) Zie o.m. romaanse Sint-Adela en Martinus in Orp-Le-Grand, i.s.m. R. vanden Dael,1955- 1958, Sint-Martinuskerk in Tourinnes-la-Grosse 1959 e.v., en ook de vooruitstrevende behandeling


van d e ruïnes van d e S i n t - L a m b e r t u s k a p e l in Heverlee 1 9 6 1 1962,

samen m e t de n i e u w b o u w van het A u d i t o r i u m Toegepaste

W e t e n s c h a p , z o g e n a a m d e D e M o l e n in h e t A r e n b e r g p a r k in H e verlee, o m t r e n t dezelfde tijd. (8)

1977) e n J u a n K u r c h a n ( 1 9 1 3 - 1 9 7 5 ) , uitgevoerd d o o r d e N e w Yorkse Firma Knoll ( 1 9 3 8 ) en vanaf 1 9 4 7 o p grote schaal verspreid o p de internationale m a r k t .

Ars Sacra (tent.cat.), Leuven, 1 9 5 8 m e t zijn multidisciplinaire benadering.

(9)

ten A n t o n i o B o n e t ( 1 9 1 3 - 1989), Jorge Ferrari-Hardoy ( 1 9 1 4 -

(23) L.F.G., Chapitre

II, Archéologie,

p. 3 5 - 1 3 5 , N e d e r l a n d s e s a m e n -

v a t t i n g p. 7 6 - 7 7 in L E M A I R E R . M . e.a., op. cit.

Zie http://www.icomos.org.

(24) R . M . L . , Chapitre IV, La restauration

(10) M e t d a n k a a n ir. arch. D . D e p o o r t e r voor deze en verdere preciseringen i.v.m. de samenstelling van de D i e n s t

Historische

de llnfirmerie

et son affecta-

tion nouvelle, p . 1 5 6 - 1 7 6 , N e d e r l a n d s e s a m e n v a t t i n g p . 1 7 6 - 1 7 7 in L E M A I R E R . M . e.a., op. cit.

G e b o u w e n . Eerste o p m e t i n g e n d o o r tekenaar Van Naelten en

(25) D e z e cijfers zijn later gerelativeerd, o . m . bij h e t uitbetalen van

a r c h i t e c t u u r s t u d e n t e n Daniel D e p o o r t e r , Bert van Belle en L u d -

eindfacturen en h e t berekenen in functie hiervan van d e h u u r -

w i g Van Wilder. D e latere staf van deze D i e n s t , gehuisvest in h e t

prijzen voor s t u d e n t e n k a m e r s , s t u d i o s , flats en eengezinswonin-

G r o o t Begijnhof zelf, zal eerst één ingenieur architect, H e i n r i c h .

gen die alleszins gematigd waren.

Sermeus tewerkstellen en later twee - D . D e p o o r t e r e n Ignace

(26) M e t d a n k aan historica Inge Bertels, voorheen v e r b o n d e n aan h e t

Declercq-, naast een c o n d u c t e u r -Marcel T h i r y - e n tekenaars als

R L I C C , e n Patrick Janssens die m e h u n verzameling persknipscls

Willy Kellens, Willy V a n d e p u t en Michel M a i r l o t . (11) Comité

de l'Hahitation,

de la Construction

et de la

en d o c u m e n t a t i e ad h o c h e b b e n t o e v e r t r o u w d . Planification

(niet gepubliceerde n o t a ) , persoonlijk archief R . M . Lemaire (12) B E K A E R T G . e n S T R A U V E N E , Bouwen

in België

N a t i o n a l e C o n f e d e r a t i e van h e t Bouwbedrijf,

(28) Gazet van Antwerpen,

1945-1970,

Brussel, 1 9 7 1 ,

p. 3 3 - 3 4 .

(29) Volkskrant,

1 oktober 1965. 14 augustus, 1 9 6 7 .

17 februari 1 9 7 0 .

(30) De Standaard,

1 februari 1 9 7 1 .

(31) Zie in d i t v e r b a n d V A N A E R S C H O T P., Woord Voorafm

(13) L E M A I R E R . M . , G E N I C O T L.F, V A N T H I E L E N R. en M A T T H Y S A., Llnfirmerie historique

(27) Het Laatste Nieuws,

du Grand Béguinage

et archéologtcjue préparatotre

letin de la Commission van de Koninklijke

de Louvatn.

a la restaumtion,

Royale des Monuments

Commissie

Notice in Bul-

et des Sites I Bulletin

voor Monumenten

en

Landschappen,

XVI, 1965-1966, p. 8-178.

(formulier:

G e m e e n t e : Leuven, Instelling: Begijnhof: 130 tecords). (16) S M E Y E R S M . , Paul Victor Maes, Kunstenaar

Begijnhofkerk,

1989, Area Lovaniensis

p . X X , De blauwe

G r o o t Begijnhof G o e d g e k e u r d bij Ministerieel besluit van 1 7 / 0 1 / 1 9 8 9 , digitaal b e s t e m m i n g s p l a n g o e d g e k e u r d bij Ministeriel besluit van 2 8

- H e t geheel d i e n t b e h o u d e n te w o r d e n e n d o o r regelmatig o n -

in

atque histonae re-

- Voor n o r m a l e o n d e r h o u d s w e r k e n die h e t algemeen aspect van het p a n d niet wijzigen d i e n t vooraf geen advies gevraagd. - B u i t e n g e w o n e o n d e r h o u d s w e r k e n , v e r b o u w i n g e n , restauratie

schort (begijn bij kelderdeur

en beperkte n i e u w b o u w k u n n e n overwogen w o r d e n mits g u n s t i g

in het Begijnhof, p . XXX, Onder de

advies vanwege de M i n i s t e r of Staatssecretaris, bevoegd voor d e

Vlaamse schouw in het huis van begijntje

Virginie Scheers (nr. 11);

p. X X X I I , Traphal van het huis van begijntje

Virginie Scheers (nr.

11); p . X X X V I I I , Aan de Leuvense stoof in het Groot Begijnhof

te

Leuven.

m o n u m e n t e n - en landschapszorg. - D e v e r h a r d e wegen van h e t G r o o t Begijnhof zullen t e n alle tijde, z o n d e r b e p e r k i n g e n , p u b l i e k toegankelijk zijn (voor voetgangers).

(17) Archief Prof. Dr. R . M . Lemaire w o r d t bewaard in de C e n t r a l e Bibliotheek K U L e u v e n en in h e t Raymond Centre for Conservation

Lemaire

International

( R L I C C ) , Arenbergkasteel Heverlee.

(18) Zie M i d d e n s t r a a t nrs. 5 1 - 5 2 , 7 1 - 7 2 en Klein Straeteken nr. 6 8 . (19) B A E Y E N S H . , Het burgerhuis bant, Antwerpen,

(32) Ministerieel besluit van 1 7 / 0 1 / 1 9 8 9 / b p a G b B.P.A. L 1 4 -

d e r h o u d in goede bouwfysische t o e s t a n d bewaard

en conservator,

18, p . X V I , schilderij P.V M A E S , Lof in de

nr.19); p . X X I , Vieruurtje

FABRI

1994, p . 5.

C o m p l e x G r o o t Begijnhof: b e s c h e r m d m o n u m e n t , p . 2 1 :

(15) w w w . k i k i r p a . b e / N L / 4 5 / 3 0 / O n h n e + f o t o t h e e k . h t m

Leuvens Palet, jaarboek

van Leuven,

april 2 0 0 4 .

(14) O L Y S L A G E R W A . , »/). a>.

serans documenta,

L , C O C K X E., Het Groot Begijnhof

van de i f

en de IS1'eeuw

in Bra-

1950.

(33) B E R G M A N S A., D E M A E G D

C , O L Y S L A G E R W A . , en

V A N D E G A E R D . , De Sint-fan-de-Doperkerk gijnhof in Leuven, in M&L (Monumenten

van het Groot Be-

en Landschappen),

jg. 4 ,

nr. 4, 1 9 8 5 , p. 6 - 2 8 . (34) D e gevelplaat in d e voorgevel van nr. 13 vermeldt: "DANKZIJ DE MECENAATSBIJDRAGEN VAN/ ABB VERZEKERINGEN/ AGFA-GEVAERT N.V.I BAG

(20) O L Y S L A G E R S W A . , op.cit.: p . 6 8 vermeldt volgende n o g b e -

SPAARBANK C.V.I BANK BRUSSEL LAMBERT/ G&A BELGIËI CERA SPAARBANK/

s t a a n d e c o n v e n t e n m e t eerst g e k e n d e v e r m e l d i n g : H e t C o n v e n t

DSM RESEARCH RV/ EGOVAL N.v/ KREDIETBANK N.V./ PROFESSOR EN MEVROUW

van L o m m e i ( nrs. 4 0 en 4 1 ) , A n n o 1 5 2 9 ; h e t C o n v e n t van C h i -

A. LEEMAN-VAN LANGENDONCK/ JANSSEN PHARMACFUTIGA N. V./ PROFESSOR

èvres (nr. 3 9 ) , A n n o 1 5 6 1 ; h e t C o n v e n t van Bethanië (nr.63),

VAAST LEYSEN/ VOLTOOIDE DE K. U.LEUVEN/ DE RESTAURATIE VAN DE KERK-

A n n o 1 5 7 8 ; h e t C o n v e n t van B e t h l e h e m (nr. 7 7 ) , A n n o 1 6 2 8 ;

STRAAT IN/ HET GROOT BEGIJNHOF TELEUVEN/23 MAART 1990'.

het C o n v e n t van N a z a r e t h (nr. 8 9 ) , A n n o 1 6 3 0 ; h e t C o n v e n t

(35) D e tekst o p h e t a r d u i n e n b o r d , ingewerkt in de linkerzijgevel,

O . L . V r o u w - P r e s e n t a t i e (nr.27). A n n o 1638; h e t C o n v e n t van

b r e n g t v o l g e n d e v e r d u i d e l i j k i n g : "HUIS SINT-NIKLAAS/

Sint-Begga (nr. 8 4 ) , A n n o 1 6 3 8 ; h e t C o n v e n t v a n Sint-Paulus

RIJSSTRAAT/ GIFT VAN DE CENTRALE RAIFFEISENKAS/ VAN DE BELGISCHE BOE-

(nt. 6 5 ) , A n n o 1 6 5 5 ; h e t C o n v e n t der V I I W e e ë n (nr. 4 7 ) , A n n o

(21) R.V.T., Chapitre

L, Histoire , C h a p i t r e III, Vie intérieure

RENBOND/AAN (36) Opschrift

1662; h e t C o n v e n t van Sint-Jozef (nr. 8 7 ) , A n n o 1 6 6 2 . p. 1 1 -

34, p . 1 3 6 - 1 5 5 , N e d e r l a n d s e vertaling p . 1 5 5 - 1 5 6 ) in L E M A I RE R . M . e.a., op. cit. (22) 'Vlinderstoel' in 1 9 3 8 o n t w o r p e n d o o r d e Argentijnse architec-

DF K. U.LEUVEN/

1983".

in de a r d u i n e n gevelsteen: "GUEST HOUSE/JACQUES

DER EECKEN/ CONVENT VAN SINT KATFIJJNENSERG/ D.COILFN

VOORHEEN PA-

FOUNDATION

(35) - w h c . u n e s c o . o r g / e n /

VZW/

VAN-

MET DE STEUN VAN DE/

1995".

list/stateparties/be/855/documents/passfi-

le.cfm?filename=855&filetape=pdf&

Category=nominations


Dieter

Nuytten

ONDERHOUD EM RESTAURATIE IN HET GROOT BEGIJNHOE IN LEUVEN IN DE PERIODE 1 9 9 9 - 2 0 0 9 / 2 0 1 0

Vernieuwde leipannen bedakmg en contrasterende leiendaken. Aanbouwsel Middenstraat nr. 51 en achterzijde van het Convent van Lommei Benedenstraat nrs 40-41 (foto 0. Pauwels)

De eerste fase van de restauratieve (1963-1972)

renovatie

van het Groot Begijnhof in Leuven

blemen op waarvoor

een geactualiseerde

sing nodig is. Toenmalige

technische

is volledig gebeurd onder leiding van professor

zijn doorgaans niet meer beschikbaar

Raymond M. Lemaire (1921-1997).

langer reglementair.

De toenma-

lige technieken zijn met bijzondere zorg

geïnte-

greerd om een passende basisuniformiteit verzekeren (1). Na deze restauratie Technische Dienst van de universiteit voor het verdere onderhoud en de restauraties

die instond gebeurlijke

het Begijnhof. Nu, meer dan 30 jaar later, voornamelijk

beleidslijnen

verzekeren.

van drin-

technische pro-

te worden

binnen te

achter het dagelijkse

machi-

verschillende

vanuit eigenaars en overheid,

van het Groot Begijnhof als

die-

wordt een tip van

nerie en de vereende inzet van

schuilgaan

of niet

om de homogeniteit

In deze bijdrage

de sluier opgelicht van de omvangrijke

partijen,

installaties

Vervangende ingrepen

nen gepland en uitgevoerd uitgezette

is het de

van het gebouwenpatrimonium

gen zich allerlei,

te

oplos-

die

instandhouden

werelderfgoed.


In maarr 2004 werd binnen de universitaire Technische Dienst een gespecialiseerde onderafdeling Divisie Monumenten opgericht, die zich voortaan specifiek toelegt op de restauratie en het onderhoud van het als monument beschermde gebouwenareaal van de universiteit, een private bouwheer (2). Door een wijziging in het premiebesluit kunnen onderwijsgebouwen die als monument beschermd zijn, dan sinds enige jaren namelijk genieten van een verhoogde, te weten dubbele premie van 8 0 % van de kostprijs der restauratieve werken (3). De Divisie Monumenten is zowel verantwoordelijk voor het onderhoud van de bestaande gebouwen als voor de herinrichting van bestaande en nieuw aangekochte monumenten naar de noden van de universiteit als dynamische onderwijsinstelling. Zij doet dat in nauw overleg en in onderlinge samenwerking met de bevoegde diensten van de Vlaamse Overheid (het Agentschap Ruimte & Erfgoed) en met de financiële steun van de verschillende betrokken overheden: gewest, provincie en stad. Een kijkje achter de schermen van de door vele partijen gedragen en goed geoliede uitbating van deze specifieke Werelderfgoedsite.

uit de Vlaamse Overheid. Dit gebeurde via twee stelsels, namelijk hetzij met een onderhoudspremie (4) dan wel met een restauratiepremie (5), zodat samen met de universiteit ook de gemeenschap aanzienlijk bijdraagt in de kosten die nodig zijn voor de instandhouding van dit waardevol monumentaal patrimonium dat als zodanig ook erkend is op wereldniveau. Bij restauratie en onderhoud is het noodzakelijk om op twee sporen te werken, te weten enerzijds een respect voor het authentieke gecombineerd met anderzijds de noodzaak tot het doorvoeren van nodige comfortverbeteringen voor de bewoners in overeenkomst met nieuwe reguleringen inzake huisvesting die ondermeer vanuit de stedelijke overheid worden opgelegd. Dit blijkt niet altijd een gemakkelijke evenwichtsoefening. Er wordt daarnaast door de universiteit, vanuit de bekommernis van kostenbeheer, ook getracht om zoveel mogelijk standaard oplossingen toe te passen waar dit kan, zodat gewerkt kan worden met eenduidige interne richtlijnen op gebied van materialen en werkwijzen bij herstellingen om een zekere, genuanceerde basishomogeniteit te behouden in uitzicht en gebruik. Dit laat toe herstellingen enigermate te 'automatiseren' zodat het risico op vervolgschade minimaal gehouden wordt.

ONDERHOUD VAN DE RESTAURATIE De meeste werken die in de periode sinds de opname van het Groot Begijnhof in de Werelderfgoedlijst op 2 december 1998 tot vandaag zijn ondernomen, zijn uitgevoerd met betoelaging van-

Onderhoud van het houten stl|l- en regelwerk. Zijgevel huis van het huis Middenstraat nr. 72. Toestand april 2010 (foto SVA-VH)

In dit verband is vooral het initiatief te vermelden om voor het buitenschrijnwerk te werken met een op voorhand uitgewerkte kleurenwaaier. O m d a t het huidige uitzicht van het Groot Begijnhof mede het resultaat is van de allesomvattende, gefaseerde restauratiecampagne uitgevoerd in de jaren 19631972 (het grootste deel van het Groot Begijnhof), 1978-1985 (de Begijnhofkerk Sint-Jan-de-Doper) en 1987-1989/90 (Kerkstraat) kunnen de werken die gerealiseerd werden tijdens de laatste tien jaar gezien worden als de 'restauratie van de restauratie', of beter nog: als het 'onderhoud van de restauratie'. O o k dat is namelijk een noodzaak want na een restauratie komt pas het echte werk: onderhoud, onderhoud en nog eens onderhoud!

WIJZIGINGEN DER PREMIESTELSELS Een aantal erg belangrijke momenten in dit verband zijn de opeenvolgende wijzigingen die in de periode 2001-2004 zijn doorgevoerd binnen de regelgeving voor overheidspremies ten behoeve van onderhouds- en restauratiewerken aan onderwijsgebouwen. Sinds 2001 zijn er een aantal wijzigingen doorgevoerd in het premiebesluit voor als monument beschermde onderwijsgebouwen die


A Herstelling van de aangetaste travee Behandeling van het Middenstraat nr SO. geleemde vakwerk

Toestand april 2010

in de bovenpartij

(foto SVA-VH)

van hetzelfde huis. Toestand april 2010 (foto SVA-VH)

van het huis

gunstig uitvallen voor hun restauratieve werken, vermits nu door de overheden (gewest, provincie en gemeente) een dubbele restauratiepremie is voorzien en de aard der werken die voor premies in aanmerking komen gevoelig is uitgebreid (6). Daarnaast kunnen de universiteiten sinds 2004 ook gebruik maken van het stelsel voor onderhoudspremies van de Vlaamse Overheid, terwijl zij daar voorheen van uitgesloten waren, omdat andere subsidiekanalen van kracht waren (7). Dit heeft een gunstige dynamiek teweeg gebracht voor het uitvoeren van onderhoudswerken in het Groot Begijnhof en de goede samenwerking tussen de bevoegde diensten van de Vlaamse Overheid (Ruimte & Erfgoed) en de Divisie Monumenten van de Technische Diensten van de universiteit aanzienlijk bepaald. Deze laatste maakt een belangrijk deel uit van een goed geoliede machinerie die achter het onderhoud van het Groot Begijnhof schuilgaat, samen met de bevoegde diensten van de Vlaamse Overheid, de Provincie Vlaams-Brabant en de Stad Leuven. Een goede samenwerking tussen al deze partijen is inderdaad van groot belang wil een zo uitgebreide site als het Groot Begijnhof goed onderhouden kunnen worden. En dat is zeker nodig: de wereld kijkt toe! In onderstaande wordt een overzicht gegeven van alle belangrijke werken die zijn uitgevoerd in de afgelopen tien jaar sinds de bescherming als werel-

derfgoed. Dit laat toe een inzicht te verwerven in de aard van het nodige onderhoud voor een dergelijke site, zowel als van de noodzakelijke regelmaat der werken; het geeft met andere woorden een zeer praktijkgericht inzicht in de beheersproblematiek omtrent de Begijnhofsite. Er moet wel op gewezen worden dat de eigendomstoestand van het Leuvense Groot Begijnhof uniek is, in die zin dat de volledige site in handen is van één enkele eigenaar en op een homogene wijze gebruikt wordt, met name voor bewoning. De bewoners van het begijnhof zijn professoren, studenten en gasten van de universiteit. Een uitzondering zijn de voormalige gebouwen van de Infirmerie en het Convent van Chièvres. Deze vallen onder een aparte organisatie en uitbating, te weten de Faculty Club van de universiteit, die instaat voor catering en organisatie van congressen op de site. De werken ondernomen door de Faculty Club hebben een geheel afzonderlijke dynamiek en vallen buiten het bestek van onderstaand overzicht.

WFRKFN AAN DE GEBQUWSCHII Het Groot Begijnhof telt vele huizen waarvan het dak afgewerkt is met lei- of tegelpannen. Andere en meer monumentale gebouwenvolumes, zoals het Convent van Chièvres en de Begijnhofkerk, hebben een leien dak. In de periode van 1994 tot 2004

1V1&L


is een algemene restauratie doorgevoerd van de leipannen bedaking in het Begijnhof, waarbij een compromis gezocht is tussen het verbeteren van de thermische eigenschappen van het dak enerzijds en anderzijds het behoud van het uitzicht aan binnenen buitenzijde, zoals dit het resultaat was van de restauratiecampagne uit de jaren 1963-1972. O m het zicht op de kepers in de bewoonde zolders te behouden, is ervoor geopteerd geen isolatie naar binnen toe tussen de kepers aan te brengen maar te werken met een lichte ophoging van het dak. De al aanwezige hoeveelheid isolatie werd verhoogd tot 6 cm, maar de dikte is ook zo bepaald dat er een maximum aan extra isolatie kon geplaatst worden zonder de detaillering van de dakaansluitingen te moeten wijzigen. De verhoging tegen de aandaken is opnieuw afgewerkt zoals dit ook in de bestaande toestand het geval was, te weten met ofwel een mortelband ofwel een eiken lat. Het dak is nu als volgt opgebouwd: de oorspronkelijke kepers met het daarop geplaatste onderdak zijn behouden, waarop een dampscherm is aangebracht, gevolgd door 6 cm isolatie tussen een nieuwe keperlaag. Hier bovenop is een tweede onderdak gelegd, met daarop nieuwe panlatten en uiteindelijk de tegelpannen. Na onderzoek bleken de regulier in de handel verkrijgbare tegelpannen wat het uitzicht betreft onvoldoende aan te sluiten met de bestaande. De gebruikte pannen zijn daarom handgemaakt voor dit project en werden in een voorgeschreven verhouding van kleuren (zwart-geel-rood) gemengd om een meer natuurlijk uitzicht te verkrijgen, aansluitend bij de nog bestaande en te behouden pannen afdekkingen. Voor de fasen uitgevoerd in 1994 en 1999 kon een onderhoudspremie van de Vlaamse Overheid verkregen worden, tenminste voor de gebouwen die niet als onderwijsgebouwen zijn gerangschikt, terwijl voor de fasen ondernomen tussen 2000 en

2004 werd gewerkt met een restauratiepremie van de Vlaamse Overheid, waaraan ook de provincie en de stad bijdragen (8).

HET WEREN VAN WATFR Gespreid over meerdere opeenvolgende fasen werden in de loop van de perioden 2002 tot 2003 (fasen 1 tot en met 5) en in het jaar 2005 (fasen 6 tot en met 10) de dakgoten systematisch vervangen. Hetzelfde gebeurde met de standpijpen die nog een geschatte levensverwachting hadden van minder dan 5 jaar. Er is opnieuw uitgegaan van het standpunt van behoud van de originele detaillering, zoals zij in 1963-1972 is vormgegeven. De nieuwe goten zijn uitgevoerd in gepatineerd zink, overeenkomstig de aanwezige detaillering waarbij een binddraad is voorzien tegen het kantelen van de goot. Voor de goten is zink gebruikt met een dikte van 0.8 mm en voor de standleidingen is zink toegepast van 1 mm, iets dikker dus om schade door deuken te voorkomen. Dit werk is uitgevoerd met meerdere onderhoudspremies van de Vlaamse Overheid (9). Tegelijkertijd zijn de beschadigde voegen van bovendaks metselwerk vernieuwd. Deze delen van een gebouw zijn erg belangrijk omdat hier een verhoogd risico van waterinfiltratie in het metselwerk bestaat. Voor de samenstelling van de voegmortel zijn verschillende testen uitgevoerd om de bestaande mortel zo goed mogelijk te benaderen.

Vele metselwerkmuren werden in dezelfde periode onderaan geïnjecteerd tegen opstijgend vocht. Door de jaren heen was het schadebeeld hier op sommige plaatsen erg duidelijk geworden. De ondergrond van het Groot Begijnhof is namelijk relatief vochtig, mede door haar inplanting in de alluviale vlakte van de rivier de Dijle, die met haar twee rivierarmen doorheen het Begijnhof meandert. Er is geen systematische injectie van alle woningen doorgevoerd, maar er is enkel daar geïnjecteerd waar er schade door opstijgend vocht is vastgesteld. In het verleden zijn al een aantal woningen en kelders behandeld, terwijl voor de overige huizen de situatie wordt gevolgd.

BUITENSCHRI INWERK In 2006 is een project opgestart om de toestand van al het buitenschrijnwerk in het Groot Begijnhof te analyseren. Bedoeling is te komen tot een geroutineerde en gesystematiseerde werkwijze om


Verschillende vensters en ramen: gerestaureerd 17 eeuws kruiskozijn met glas-in-lood en 19"- (nr. 73) en IdSeuwse (nr. 74) ramen met grote roedcverdellng (foto SVA-VH)

deze terug in goede staat te brengen. Hiervoor werd eerst door de Technische Dienst een vooronderzoek gevoerd naar het tot stand komen van de ramen en werd een inventaris gemaakt van de aanwezige raamtypes en hun detailleringen. Vervolgens is nagegaan welke mogelijkheden er zijn om de ramen energetisch te verbeteren. Na onderzoek bleek dat de toestand van het houtwerk over het algemeen nog goed was en een globale vervanging nog niet aan de orde is. Een thermische verbetering met behoud van de huidige profielen en wijziging van het glastype bleek zowel esthetisch, historisch als technisch niet wenselijk precies omdat ze zo bepalend zijn voor de toenmalige restauratie onder leiding van professor Lemaire. Er is daarom ook geopteerd om de huidige ramen en beglazing in het algemeen te behouden en - waar dit strikt genomen onvermijdelijk is — te herstellen. Gespreid in fasen over drie jaar zullen alle ramen door een schrijnwerker worden nagekeken en hersteld wat het houtwerk en hang- en sluitwerk betreft. Waar nodig zullen rotte houtdelen vervangen worden door onderdelen van hetzelfde hout en met dezelfde detaillering. Bij beperktere schade wordt een reparatiemortel gebruikt om het raam terug in goede staat te brengen. De grootste schade bleek voor te komen ter hoogte van de stopverf die de aansluiting verzorgt tussen de glaspanelen en het houten kader. Deze is op veel plaatsen gebarsten, zit los of is uitgevallen. Er is nagekeken of een mo-

dern materiaal kon aangewend worden om het probleem van het te hard worden van de stopverf op te vangen en tegelijk het uitzicht van de voegen te behouden. Alle ramen zullen worden afgeschuurd en geschilderd met nieuwe afwerkingslagen overeenkomend de bestaande kleur. In 2007 is een eerste deel uitgevoerd zonder premie wegens hoogdringendheid en in 2008 en 2009 zijn de andere ramen aan bod gekomen. Alle deuren van het Groot Begijnhof werden in 2008 voorzien van nieuwe cilinders om een uniformiteit en vlottere werkbaarheid te bekomen. De nieuwe afdekplaatjes combineren het uitzicht van oude plaatjes met de vorm van de nieuwe cilinders. Dit werd uitgevoerd met een restauratiepremie van de Vlaamse Overheid in het kader van beveiligingswerken die ook het plaatsen van afsluitingen van voorheen open binnenplaatsen en -tuinen omvatte. In de loop van oktober/ november 2009 zijn bij wijze van steekproef de buitendeuren van de Middenstraat herbeschilderd. Na de slechts benaderende kleuren, die zijn aangebracht in de loop der jaren, is druk gezocht naar het door kunstenaar J.M. Londot in de jaren 1960 samengesteld palet. Dit bestond toen uit een ook met natuurlijke pigmenten aangemaakte verf. Een informeel contact, dat de intussen hoogbejaarde kunstenaar wel charmeerde, leverde geen nadere inlichtingen op maar wel de spontane boodschap "mais trouvez done une autre gamme appropriéé', wat eigenlijk


ïSht^L^mm S

AAA Herschilderóe deuren aan de Middenstraat met gebruik, bij wijze van proef, van het vernieuwde kleurenpalet (foto's SVA-VH)

perfect past in de geest van de toenmalige creatieve aanpak. Het 'nieuwe palet' omvat vandaag een kleurenschakering die aansluit bij de vorige. Voor de toekomst is het palet nu wel duidelijk vastgelegd ten behoeve van het verdere, meer geautomatiseerde onderhoud, dit dank zij een gestandaardiseerde nummering van de gebruikte kleurenschalen. Bedoeling van deze proef was de kleuren uit te proberen en de werkmethode en kostprijs te bepalen. In 2010/2011 zal op basis hiervan een premieaanvraag bij de Vlaamse Overheid worden ingediend om alle andere deuren te schilderen.

INTEGRATIE VAN RIIZONDFRF TECHNIEKEN

Bi|komende beveiligingen in de hal van het huis nr 9! (foto 0. Pauwels)

Het volledige Groot Begijnhof is doorgelicht en onder handen genomen om te kunnen voldoen aan de huidige normen van de brandveiligheid. Dit gebeurde in overleg met de bevoegde diensten van de

brandweer en met als doel een minimum aan zichtbare ingrepen te moeten doorvoeren. Er is een compartimentering van de gebouwen uitgedacht en ingebracht die uitgaat en gebruik maakt van de bestaande wooneenheden. Er is met de brandweer overeengekomen om de bestaande binnendeuren niet systematisch te vervangen door branddeuren maar wel een brandscheiding te maken op de plaatsen waar boven de deur een glas-in-lood raam aanwezig is. Aan één zijde van het raam is daartoe een paneel aangebracht bestaande uit twee silicaatplaten met rotswol ertussen. Dit paneel is, aan de zijde die naar het glas is gericht, geverfd in een donkergrijze tint om zo min mogelijk op te vallen. Aan de andere zijde is het paneel in het vlak van de muur geplaatst. Verder zijn rookdetectoren aangebracht die in verbinding staan met een brandcentrale met sirenes. Deze detectoren zijn uitgevoerd in een witte kleur, aansluitend op de afwerking van de muren, en hun bedrading is ingewerkt. Elke keuken is voortaan voorzien van de nodige brandblussers en branddekens en er zijn drie noodladders aangebracht op verdoken plaatsen met het oog op evacuaties. Aan de dakkapelramen is al sinds het begin een katrolsysteem voorzien voor evacuatie van de bovenverdieping. O p de Sint-Jan-De-Doperkerk bleek nog een oude radioactieve bliksemafleider geïnstalleerd: deze zal vervangen worden via de regeling van de stockaanbesteding van het Agentschap Ruimte en Erfgoed van de Vlaamse Overheid, gebruik makend van de hiervoor ter beschikking gestelde premies.

Een tweede werk betreffende technieken dat systematisch voor het hele Begijnhof wordt uitgevoerd ter verbetering van de intussen alweer 40 jaar oude globale resrauratiecampagne, is het vernieuwen van de elektrische installatie. De installatie zoals ze aangebracht was in de jaren 1960 voldoet namelijk helemaal niet meer aan de huidige normen. Er werd

M&L


zijn voortaan voorzien van thermische isolatie om de circulatieverliezen te beperken. Momenteel is de laatste fase van deze werken in uitvoering waarbij de hoofdleidingen van de Benedenstraat aan de zijde van het Convent van Chièvres vernieuwd worden volgens een nieuw tracé aan de achterzijde van de woningen.

Brandbeveiliging van het huis nr. 30 met plannen van de verschillende bouwlagen waarop alle genummerde branddetectoren en alarmsignalen zijn aangeduid (Studio Lenaerts.

LEIDINGEN EN VENTILATIE IN DE WONINGEN

dan ook een totaalproject opgestart waarbij de volledige bedrading vernieuwd wordt en de zekeringkasten aangepast of, indien nodig, vervangen worden. Hierbij is ervoor geopteerd om de bestaande afdekplaatjes te behouden waar dit mogelijk is en de modellen van de nodige nieuwe afdekplaatjes te kiezen naar bestaande model. De wooneenheden zijn voortaan ook voorzien van de heden ten dage noodzakelijk geachte data-aansluitingen. Tegelijk is de verlichting aangepast aan de huidige noden omdat de graad van verlichting op veel plaatsen onvoldoende bleek. Samen met het vernieuwen van de elektriciteit zijn nieuwe armaturen voorzien voor een beter lichtcomfort. Voor de keuze van de armaturen werden volgende eisen voorop gesteld: ze moeten blijvend verkrijgbaar zijn, ze moeten esthetisch integreerbaar zijn in elke woning, ze moeten voldoende lichtsterkte geven maar tevens energiezuinig zijn, ze moeten brandveilig zijn en mogen niet breekbaar zijn (dus geen glas in de armatuur) en ze moeten onderhoudsvriendelijk zijn en dus afwasbaar. Dit alles met het oog op een vlot en geautomatiseerd herstel.

Project Groot Begijnhof, foto 0. Pauwels)

In de meeste woningen zijn de verticale gedeeltes van het leidingennet goed bereikbaar voorzien in een afneembare omkasting. Waar dit nog niet het geval was, zijn naar aanleiding van een probleem aan één van de waterleidingen, de behuizingen aan te passen om ze vlot toegankelijk te maken bij eventuele problemen. De leidingen lopen op de gelijkvloerse en de bovenverdieping gedeeltelijk achter een badkamermeubel dat door professor Lemaire is ontworpen. Boven dit meubel was de schacht afgedekt met een aan de zijkanten geplamuurde plaat. De gedeelten boven het meubel en ook de horizontale schachten op de bovenverdieping worden vervangen door een afdekplaat van multiplex die onzichtbaar op houten latten geschroefd zijn. Er ontstaat zo aan de zijkanten een schaduwvoeg waarbij ook de scheefstand en oneffenheden in de muur verdoezeld worden. In het badkamermeubel wordt het bevestigingsysteem van de spiegel licht aangepast, zodat ook deze vlot afneembaar is, en wordt in de rug achter de spiegel een sleuf voorzien, om de leidingenschacht toegankelijk te maken. In enkele sanitaire ruimten is onvoldoende verluchting aanwezig zodat schimmelvorming kon optreden op muren en plafonds. Met het herstel van de ramen en de verbetering van de raamsluidng, was het aangeraden dit probleem globaal te bekijken en extra verluchting te voorzien. O m dit in kaart te

Onderhoud van de begane grond van het huis nr. 83. Branddetector, nieuwe elektrische leidingen in de moerbalken en nieuwe, gestandaardiseerde armaturen voor de

In de voorbije jaren zijn tevens de hoofdverdeelleidingen van de verwarming en het warm water vernieuwd in de straten tot aan de aansluiting binnen de woning. Deze waren aan vernieuwing toe en

verbeterde verlichting (SVA-VH)


Vernieuwde keuken in de overwelfde kelder van het studentenhuis nr. 30. Standaard meubilair en geümformiseerde lampenarmatuur (foto 0. Pauwels)

brengen is een inventaris opgemaakt van de probleemzones en is telkens onderzocht hoe de verluchting zo onopvallend mogelijk kon aangebracht worden in de gevel. Er is gekozen om zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande steigergaten of, indien deze niet aanwezig waren, te werken met onopvallend geplaatste verdiepte muurroosters. Voor de vorm van de roosters wordt ook getracht het versnijden van bakstenen te voorkomen en de aanwezige baksteenformaten te volgen.

ONDERHOUD VAN HET INTERIEUR De universiteit streeft er in haar beheersdoelstellingen als eigenaar en gebruiker van de begijnhofhuizen naar een grote mate van standaardisatie van de in de huizen ingebtachte gebruiksvoorwerpen. Dit wordt ingegeven vanuit een praktische noodzaak tot vlot herstel waar dit nodig is. In de laatste jaren bleken meerdere keukens het einde van hun levensduur te hebben bereikt: ze zijn vervangen conform de huidige gebruikseisen. Hiervoor is een systematiek ontwikkeld waardoor momenteel alle keukens van dezelfde materialen (wit gelamineerde houtvezelplaat) en met dezelfde detailleringen (verdoken handgrepen en geverniste kopse kanten van de deuren) worden uitgevoerd. Ook voor de toestellen werd een standaardtype ingesteld. Een aantal douches zijn vernieuwd wegens doorlekproblemen.

Zolder Rerckecamer nr. H van tekenzaal tot heden verplichte personeelsruimte en bureaus met nieuwe standaard uitrusting (foto 0. Pauwels)

O m zowel technisch als naar onderhoud de meest duurzame oplossing te hebben, wordt waar mogelijk met integrale douchecabines gewerkt. In sommige gevallen is het plaatsen van een cabine onmogelijk omdat de douche onder het dak zit. Hier is een afwerking gebruikt waarbij waterdichte matten op de muur worden geplaatst waar bovenop betegeling wordt aangebracht. Er loopt tevens een project om opnieuw een standaard vast te leggen voor meubilair in de kamers en appartementen, waarbij onder meer de resterende, door A. Hendrickx ontworpen kasten het nodige respect en aandacht verdienen aangezien zij inmiddels geprezen worden als "vintage"-meuhden. Er is een groot verloop van gebruikers in het Groot Begijnhof: naast de vaste bewoners, zoals professoren, wisselen de binnenlandse studenten op het ritme van de academiejaren terwijl de buitenlandse studenten een nog groter verloop kennen en er daarnaast ook kortdurende verblijfsmogelijkheden voor bezoekende gastprofessoren worden ingericht. Telkens wanneer er een wisseling van de bewoners van een begijnenhuisje plaatsvindt, wordt nagegaan of de woning al dan niet aan opfrissing toe is. Een dergelijke gestandaardiseerde opfrissing omvat het vernieuwen van de elektriciteit en de verlichting, het vernieuwen van de linoleum bevloering indien nodig en het schilderen van de binnenzijde van de ramen, van de radiatoren en van de witte muren. Een geautomatiseerd en geroutineerd draaiboek zorgt voor een vlotte organisatie.

BUITENAANLEG. INFRASTRUCTUUR EN WEGENIS Sinds de globale restauratie van het Groot Begijnhofwerd in het verleden telkens als de hoofdleidin-

M&L


EXTERNE HULP BIJ DIAGNOSE Plucelijk en tijde-

gen van de straten vernieuwd moesten worden, ook de kasseibestrating volledig opnieuw aangelegd. Er werd gebruik gemaakt van de aanwezige kasseien die zo vlak mogelijk werden teruggelegd. Sinds de omschakeling van de verwarmingssystemen van stookolie op aardgas, blijven de zware - en zeer beschadigende - leveringsvrachtwagens veel meer uit het Begijnhof. Een aan de gang zijnde studie gaat na hoe de toegankelijkheid van het Groot Begijnhofvoor voetgangers kan verbeterd worden zonder het uitzicht van de kasseistraten teveel te wijzigen. De toegankelijkheid van het Groot Begijnhof, dat volgens het vigerende stedelijke Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) te allen tijde moet open staan voor voetgangers, vormt momenteel nog een aandachtspunt voor mindervaliden, ouderen, jonge ouders met een kinderwagen etc. door de aanwezigheid van de kasseien die anderzijds wel integraal deel uitmaken van de beeld- en erfgoedwaarde van de site. Vanaf 2010 zal ook een globaal plan worden uitgewerkt waarin mogelijke problemen in verband met bergingen, fietsenstallingen en buitenverlichting aan bod zullen komen.

In de loop van 2006-2007 is een voorstudie uitgevoerd omtrent de ommuring van het Begijnhof die ook dringend aan restauratie toe is. Hiervoor werd beroep gedaan op een restauratie voor vooronderzoeken van de Vlaamse Overheid (10). In de studie zijn een beperkt archiefonderzoek, een onderzoek in situ, een pathologische studie en een materiaaltechnische studie opgenomen. In een volgende stap zal de stabiliteit van de muur in detail onderzocht worden, waarvoor in maart 2007 eveneens een restauratiepremie is toegekend. Inmiddels is het eerste vooronderzoek afgerond: aan de hand van de resultaten zal samen met het Agentschap Ruimte en Erfgoed van de Vlaamse Overheid een concept en plan voor de restauratie worden uitgewerkt.

Het beheer van het lopende onderhoud en de restauratie van het Groot Begijnhof wordt gedragen door de Technische Dienst van de universiteit in samenspraak met de bevoegde diensten van de Vlaamse Overheid. Naast de vakkundige en specifiek geschoolde eigen interne personeelsleden van de Technische Dienst worden, op aansturen van de betrokken consulenten van de Vlaamse Overheid, sinds 2007 ook de diensten van Monumentenwacht ingeschakeld in het Groot Begijnhof. Dit gebeurt via een gefaseerde en systematische aanpak: jaarlijks wordt een aantal huizengroepen geïnspecteerd en de rapportering is richtinggevend bij verdere opvolging. Dringende zaken worden via eigen werkplaatsen binnen de universiteit ondervangen. O m de werken organisatorisch in goede banen te leiden zijn een aantal vaste overlegmomenten ingesteld tussen alle in het Groot Begijnhof actieve medewerkers, zowel van de Technische Dienst als daarbuiten. Dan worden de uitgestippelde beleidslijnen bekeken met het oog op de combinatie van de onderhoudswerken enerzijds en het beheer en behoorlijk gebruik van de site anderzijds.

lijk herstel van de bestrating in de Bovenstraat door permanent KULeuven personeel (foto SVA-VH)

De rapporten van de Monumentenwacht dienen voor de opmaak van de vakkundig onderbouwde onderhouds- en restauratiedossiers die de Techni-

De ommuring aan de Schapen -en Zwartzustersstraat wacht nog even op een behoorlijk herstel (foto SVA-VH)

Pathologie van het baksteenmetselwerk aan Schapenstraat, als onderdeel van het vooronderzoek (foto SVA-VH)

1VI&L


EINDNOTEN

De stabiliteiuproblemen bij ie afge-

(1) Met dank aan oud collega Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck voor de kritische lezing van voorliggende tekst en de zinvolle suggesties die zij heeft aangereikt.

schumde hoek aan de Zwartezustersstraat zi|n voorlopig opgevangen door de

(2) Een overzicht van de onderhoudswerken in het Groot Begijnhof is gegeven in het artikel DIVISIE MONUMENTEN (Technische Dienst KULeuven), Bouwtechnisch onderhoud en beheer van het Groot Begijnhof in Leuven in UNESCO-info (2008), Focus, p. 21-23, waaraan voorliggende bijdrage dankbaar gegevens ontleent.

nodige ijzeren stutten (foto SVA-VH)

(3) De kostprijs der restauratieve werken wordt voor de berekening van de premie wel beperkt tot 80%, overeenkomstig art. 1 (12°) en art. 18 § 1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten. (4) Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor resrauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse Regering van 20 september 2001, 23 juni 2006, 30 april 2009 en 4 december 2009. (5) Besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 tor het vaststellen van een onderhoudspremie voor beschermde monumenten en stads- en dorpsgezichten, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006, 19 oktober 2007 en 4 december 2009.

• Gebruik van het gemeenschappelijke groen in het Spaans Kwartier: begin juli organiseert het

sche Dienst van de universiteit in overleg met de verantwoordelijken van het Agentschap Ruimte & Erfgoed van de Vlaamse Overheid opmaakt. Deze dossiers worden aansluitend vaak betoelaagd met steun vanuit de verschillende overheden, die elk ook hun kennis en expertise ten dienste van het Groot Begijnhofstellen. O m een ensemble van wereldniveau als het Groot Begijnhof te doen functioneren en te onderhouden gebeurt er met andere woorden heel wat achter de schermen.

Groot Begijnhof Comité jaarlijks het feest "de wereld in je bord". De deelnemende bewoners - waaronder tal van buitenlanders dragen elk met hun typisch streekgerecht bij tot een kleurrijk en gevarieerd buffet (foto SVA -VH)

Dieter Nuytten is erfgoedconsulent bij Ruimte en Erfgoed, afdeling Vlaams-Brabant

(6) Art. 19 § 1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 1995 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerken aan beschermde monumenten (gewijzigd bij besluit van 15 oktober 1996) stelde immers: "de werken aan onderwijsgebouwen die voor de toekenning van de restauratiepremie in aanmerking komen, zijn de werken vermeld in art. 4 (4°, 5", 6°, 7° en 8° lid) van dit besluit en de werken vermeld in 2° indien het gaat om beveiligingswerken aan het kunstbezit en de decoratieve elementen die integrerend deel uitmaken van het monument.' Dit betekent dat de werken onder 1° (stabiliteitswerken), 3° (beveiliging) en 9° (onderzoek) buiten het bestek vielen. (7) Art.4 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 1994 tot het instellen van een onderhoudspremie voor beschermde monumenten stelde: " Onderhoudswerken aan beschermde onroerende goederen of gedeelten van een onroerend goed bestemd voor onderwijs zoals bedoeld in artikel 127 § 1 van de Grondwet vallen buiten het toepassingsgebied van dit besluit!' In het Begijnhof komen zowel gebouwen voor die gerangschikr zijn als onderwijsgebouw, als andere. (8) De gehanteerde verdeelsleutel hierbij is 50 % (Vlaamse Overheid), 15 % (Provincie) en 15% (Srad). De raming wordt verhoogd met 10% ter bijdrage in de algemene kosten, en desgevallend met de btw voor zover die niet kan gerecupereerd worden, (9) De onderhoudspremie valt volledig ten laste van de Vlaamse Overheid en voorziet in een bijdrage in de kosten ten belope van 40 % tot een plafondbedrag van 30.000 euro (zonder btw). De raming wordr verhoogd met de btw voor zover die niet kan gerecupereerd worden. (10) Binnen her premiestelsel voor restaurariepremies is voor vooronderzoeken ter bevordering van de kwaliteit van voorgenomen restauratiewerkzaamheden, een bijzondere premie voorzien (art.29 §1). Deze beloopt 80 % van de raming der werken en valt volledig ten laste van de Vlaamse Overheid.


Els

Verbert

HET BEGIJNHOF VAM HERE1MTALS: HERWAARÜERHMGSPLAN ALS U1TGANGSPHMT VOOR HET BEHEER < Gezicht op de hoofdstraat vanuit een groene binnenruimte met fruitbomen (foto 0. Pauwels)

Het begijnhof waardevol

van Herentals

stadsgezicht

gedocumenteerde draagvlak.

uniformiteit

de vaak kleine erfgoedelementen, alle begijnhofwoningen

geen

woningen

Toch wordt dit begijnhof

van deze uniformiteit

en eigenaars

in

en dit over

heen. Het wanneer

ge-

behouden

er diverse erf-

betrokken

zijn, is

evidentie.

Met behulp van onder meer het ringsplan

wordt getracht

naar de toekomst wenselijk te

HISTORISCHE SCHETS

met een rijke en goed

door een bepaalde

pachthouders

bijzonder

geschiedenis en een breed

Ceen twee historische

zijn er hetzelfde. kenmerkt

is een

de

herwaarde erfgoedkwaliteit

toe te consolideren

versterken.

en waar

Het oorspronkelijke begijnhof van Herentals werd nog vóór 1266 gesticht en was gelegen op het Nieuwland, het meest noordelijke stadsgedeelte. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog maakte de Staatse legerleiding in 1578 dit eerste begijnhof met de grond gelijk om de stadswallen makkelijker te kunnen verdedigen.

Groei en bloei van een nieuw begijnhof Eind 16 e eeuw kregen de begijnen de toestemming om het gebied tussen de Burchtstraat en de Begijnenstraat aan te kopen en op deze locatie een nieuw begijnhof op te richten. Uit de kaart van Jacob van Deventer (1558) blijkt dat deze beide straten reeds aan weerszijden bebouwd waren. De bestaande site moest dus getransformeerd worden


Prcntkaart

ment beschermde

(rond 1907) van de fundatiehuis pas opgerichte nor-

(Stadsarchief

maalschool met

Herentals)

links het als momi

A De kaart van

Deventer (1558) tot een begijnhof. Er werden enkele woningen afwent dat de nieuwe gebroken om plaats te ruimen voor de bouw van begijnhofsite reeds een bestaande be- de centrale Sint-Catharinakerk, die in 1614 werd bouwde straat was voltooid. De nu nog bestaande rij dwarshuizen werd opgetrokken aan de zuidoostzijde van de hoofdstraat. Deze rij komt achteraan uit op individuele tuinen, bleekweiden en boomgaarden. Maar

Een gezicht op het begi|nhof (1877 of 1878) met links de kerk en rechts de inmiddels afgebroken woningen aan de pleinzijde van de hoofdstraat

ook aan de andere zijde van de hoofdstraat, en dus op het eigenlijke plein, stonden verschillende woningen. De twee andere zijden van het plein waren omsloten door een rij grotendeels gelijkvloerse en ondiepe woningen. Deze kregen een voortuintje en aan de achterzijde een blinde gevel. Zo vormden ze de buitenzijde van het 'besloten hof'. Er werden muren gebouwd voor de verdere omsluiting van het begijnhof en ook de Maesloop had een begrenzende functie aan de tuinzijde. In de loop van de 17 e en 18 c eeuw werd het SintCatharinabegijnhof een bijzondere combinatie van een plein- en straatbegijnhof.

Ingrijpende herbestemming In 1797, tijdens de Franse overheersing, werden de kerkelijke goederen genationaliseerd. Zo kwam het Begijnhof onder hoede van de pas opgerichte Commissie der Burgerlijke Godshuizen, die de verzorgingsinstellingen beheerde. De bezittingen zouden in de 20 stc eeuw overgaan op de Commissie voor Openbare Onderstand ( C O O ) , de voorloper van het huidige Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn ( O C M W ) .

(archief pastorie begijnhof Herentals)

Vanaf 1820 werden verschillende meisjesscholen op het begijnhof opgericht. De eerste was een armenschool die geleid werd door enkele begijnen. Uiteindelijk waren er maar liefst zes meisjesscholen op het begijnhof gevestigd. Tegelijk begon het aantal begijnen sterk te dalen. Deze combinatie zorgde ervoor dat de woningen in toenemende mate werden omgevormd tot leslokaal of huisvesting voor lekenleerkrachten. In 1863 werden de oude begij-

1VI&L


—

Pentekening van het begijnhof,

[i:iST|D BHÉSÖlllilt'M 0»»«

+

kort na 1817 (archief pastorie begijnhof Herentals)

ll^l —__

Huidig kadasterplan met aan de zuidzijde de normaalschool en aan de westzijde de vrijstaande gelijkvloerse bejaardenwoningen

nenwoningen nabij de poort van de Burchtstraat afgebroken om plaats te maken voor een nieuw, meer functioneel schoolgebouw voor de groeiende scholengemeenschap. In de zomer van 1903 werden verschillende woningen nabij het Fundatiehuis gesloopt. O p deze plek kwam een indrukwekkend complex waarin de normaalschool werd ondergebracht. Tijdens de 20 stc eeuw bleef het aantal begijnen verder teruglopen. Het resterende deel van het begijnhof kreeg meer en meer een sociale woonfunctie voor bejaarden. De huizenrij aan de Burchtstraat werd in 1967 afgebroken om plaats te ruimen voor vijftien losstaande gelijkvloerse bejaardenwoningen. Ook de bestaande woningen aan de hoofdstraat werden aangepast voor bejaardenhuisvesting. Deze herbestemming van het begijnhof tot school en sociale woningen in de 19 c en 20 sre eeuw gebeurde niet steeds met voldoende onderkenning van de intrinsieke waarde van de historisch gegroeide begijnhofsite. Zo ging een belangrijk deel van dit patrimonium verloren.


In 1979 werd het gehele begijnhof beschermd als stadsgezicht, en het Fundatiehuis (nr. 27) als monument. De beide poortgebouwen, de Sint-Catharinakerk, de Gildenkamer (nr. 12) en het Museum (nr. 13) waren reeds sinds 1953 beschermd als monument.

VAN BEGINSELVERKLARING TOT VFRERFPACHTING

Begijnhof) in die Lijst opgenomen. Het begijnhof van Herentals werd wel in overweging genomen maar niet geselecteerd omwille van de aangetaste integriteit. Door de nieuwbouwprojecten uit de 19 e en 20 sre eeuw was immers nog slechts één huizenrij aan het oorspronkelijke binnengebied bewaard. Toch ontstond met de nieuwe belangstelling voor dit type erfgoed een zekere bewustwording van de waarde van het Herentalse begijnhof.

Beginselverklaring De Unesco-Werelderfgoedlijst werd in 1998 uitgebreid met dertien Vlaamse begijnhoven. Voor de provincie Antwerpen zijn de begijnhoven van Hoogstraten, Lier, Turnhout en Mechelen (Groot

Gezicht vanuit het poortgebouw op de hoofdstraat. Let op de uniforme dakkapellen, de wit geschilderde dagkanten, de nieuw geschilderde huis-

• Oude prentkaart met gezicht op de hoofdstraat (Stadsarchief Herentals)

M&L

nummer en de gekasseide hoofdstraat (foto 0. Pauwels)

Het O C M W richtte in 2001 de 'werkgroep begijnhof'(1) op. Deze kreeg de opdracht om een toekomstvisie voor het begijnhof te ontwikkelen en advies te verlenen over restauratie en onderhoud.


O p 28 oktober 2003 nam de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van het O C M W een door de werkgroep voorbereide Beginselverklaring aan. Dit met als doel het historisch patrimonium te vrijwaren voor verdere aftakeling en de bestaande historisch waardevolle gebouwen en omgeving te herwaarderen. Aangezien het O C M W de zorg voor het bouwkundig erfgoed niet als een van zijn kerntaken ziet werd in deze verklaring vooropgesteld dat de restauratie en het onderhoud van dit patrimonium zelfbedruipend moeten zijn. De woonfunctie van het begijnhof blijft centraal staan, waarbij er gestreefd wordt naar een gemengde bevolking. Ook publieke functies kunnen in beperkte mate aanwezig zijn. Hierbij wordt er vooral gedacht aan reeds bestaande functies zoals het begijnhofmuseum. Zuiver commerciële functies zoals horeca lijken niet aangewezen.

bruikt die onder meer het voegwerk, het buitenschrijnwerk en de metalen elementen behandelt. Enerzijds wordt hieraan per zichtbaar onderdeel een CHE-waardering gekoppeld, welke de culturele, historische en esthetische waarde classificeert van 'zeer waardevol' tot 'zeer storend'. Anderzijds krijgt het onderdeel een bouwfysische quotering van slechte tot zeer goede toestand.

Erfpacht Na vergelijking met andere begijnhoven (Hoogstraten, Diest e.a.) en in overleg met de werkgroep opteerde het O C M W om de begijnhofwoningen individueel in erfpacht te geven. O m binnen deze formule toch het uniforme behoud van de intrinsieke erfgoedelementen en -kenmerken van de panden mogelijk te maken worden er welomlijnde bepalingen opgenomen en strikte randvoorwaarden opgelegd.

Inventaris Tijdens de daaropvolgende jaren werd, in navolging van de Beginselverklaring, een masterplan voor het begijnhof opgemaakt. Ideeën omtrent een feitelijke afscheiding van het met losstaande gelijkvloerse bejaardenwoningen ingevulde deel van de site moesten worden afgewezen. Andere principes zoals het streven naar een autovrij begijnhof werden wel opgenomen. Hoewel het eigenlijke planologische aspect niet volledig werd uitgewerkt bundelde het masterplan toch heel wat bestaande informatie over het begijnhof.

De erfpachtovereenkomst is gericht op levenslang wonen. Ze wordt aangegaan voor een duur van vijftig jaar, en deze periode wordt van rechtswege verlengd zolang de oorspronkelijke erfpachter het pand effectief bewoont. Daarnaast is de erfpachtet in principe verplicht om de woning de eerste tien jaar na de initiële renovatie effectief zelf te bewonen. Zo wordt speculatie tegengegaan. Het pand moet ook echt bestemd worden voor bewoning. Commerciële functies zoals handelszaken of horeca zijn niet toegestaan.

Daarenboven werd binnen dit kader opdracht gegeven aan architect Paul Bellemans voor een grondige inventarisatie en beoordeling van de verschillende panden. De meeste gebouwen op het Herentalse begijnhof zijn niet beschermd als monument, maar enkel opgenomen binnen het stadsgezicht. Toch werd beslist zowel de exterieurs als interieurs volledig te laten inventariseren. Dit om de integrale resterende erfgoedwaarde zo goed mogelijk in kaart te kunnen brengen.

De opmetingsplannen en de inventaris van waardevolle elementen worden eveneens aan de toekomstige bewoner overhandigd. Hieruit kan deze afleiden welke onderdelen van het pand hij zeker in ere dient te houden. Door bijvoorbeeld ontmantelingswerken kunnen nog andere waardevolle elementen ontdekt worden. Daarom wordt gesteld dat de inventaris niet exhaustief is en steeds kan aangevuld worden.

Per gebouw werd een bundel opgesteld met vooraan een algemene introductie van de geschiedenis van het Herentalse begijnhof. De door Jan Cools in archiefdocumenten teruggevonden bouwhistorische gegevens voor het betreffende pand staan aangehaald. De vervolgens bijgevoegde plannen zijn relatief gedetailleerd opgetekend op schaal 1/100 met onder meer aanduiding van de scheurvorming en balkstructuren. Per gevel of vertrek zijn de verschillende onderdelen opgelijst en gedocumenteerd met een tiental kleine foto's. Hierbij wordt een overzichtelijke gestandaardiseerde indeling ge-

Omdat deze woningen enkel beschermd zijn binnen een stadsgezicht tracht men er op deze manier toch voor te zorgen dat de resterende waardevolle interieurelementen en -onderdelen behouden blijven. De renovatie en alle herstellings- en onderhoudswerken zijn ten laste van de erfpachters. Aan de erfpachter wordt gevraagd de renovatie binnen de twee jaar uit te voeren, en dit met inachtneming van het advies van Ruimte en Erfgoed. Monumentenwacht vzw zal de panden periodiek onderzoeken. O m een goed onderhoud van de wo-


Slaa Me-enlato BegiF"ol

Stad HereMMa eegijohot

Uittreksel uit it inventaris van begijn-

Herentals, Begijnhof 9

PLATTEGROND GELIJKVLOERS

Herentals, Begijnhof 9

VOORGEVEL

hofwoning nr. 9 met van links naar rechts: grondplan, voorgevel, inventarisbeschrijving van voorgevel en bijhorende verwijzende foto's (Bellemans Architecten)

I

•fllH

IP i^H-ri 5) architecten BeilemanB BenemanB Ljylan

Slad Hflf«nlate, B^jljnnol

architecten Bellemans Qetlemans Luyten

seplemft«t 2004

B^ijnhof 9

VOORGEVEL

Herentals. Begijnhof 9 Inventaris van het exterieur

i CHE-anr

om sen rij ving

fschmoBklgo WnMMtfl Oafckapellen

• )OoMn

InimK op»me«"|ieroncontoles b}Mn«w

bouwtys ana %

FOTO'S VOORGEVEL

, '

Z

100

too

MO

100

too

1.8.10

„

.10

M

H H

Herentals. B e g i j n h o f «

lolont

too

40

ütsd Hefentats Bagififto»

i

too

100

bouwdistmieu» Ctxtt

2

0

5

| 4.5.7 3, a

9

B

^l"ln0

*

v^.,™

to o.«,Q.

'•*

roitanlen van goEChtWorOo huisnummor MMMp (vreooofei •oliililllUiiwilir

4.1,7

• 10

C.H.E.-«n«ty« mdelijke losetano loeunnd op te volgen londer wsurde Depoftt storend

ilacMa loaitand ilivvjffitm •metvantia nodig

icus Cool:;

C H E anolyso

ningen te verzekeren wordt de erfpachter verplicht telkens gevolg te geven aan de gemaakte opmerkingen. De werken die als dringend aangegeven worden in het inspectieverslag dienen bijvoorbeeld binnen het jaar uitgevoerd te worden.

Q f d w i e W i i Bclengns Bctonans Lnyle"

PouwtBSIoireije CotW

C H E anayte

Er wordt natuurlijk ook op gewezen dat de panden deel uitmaken van een beschermd stadsgezicht, met alle daaraan verbonden bepalingen. In de recentste erfpachtovereenkomsten werd bovendien opgenomen dat zowel de eigenaar als


Ruimte en Erfgoed op eenvoudig schriftelijk verzoek toegang kunnen krijgen tot de woning. Dit om zonodig controle op de naleving van de erfpachtovereenkomst mogelijk te maken. Indien er ongeoorloofde werken werden uitgevoerd kan de eigenaar de erfpacht zonder meer verbreken. Begin 2006 werd de eerste woning, Begijnhof nr. 14, in erfpacht gegeven door het O C M W van Herentals. Later werden er ook voor Begijnhof nrs. 4, 6, 8, 10 en 11 nieuwe bewoners gevonden, alsook voor het pand aan de Burchtstraat nr. 30. De erfpacht wordt telkens bij opbod toegewezen aan de hoogste bieder. D e geboden erfpachtcanon wordt jaarlijks geïndexeerd en dient in maandelijkse schijven betaald te worden. Mede door de strikte woonvoorwaarden die worden opgelegd blijft de belangstelling doorgaans beperkt tot deze geïnteresseerden die de meerwaarde van het wonen op een dergelijke historisch waardevolle site op prijs stellen, ondanks de beperkingen die dit met zich meebrengt. Begijnhof nrs. 2 en 3 werden niet bij opbod toegewezen, maar voorbehouden voor de sociale huisvestingsmaatschappij nv Eigen Haard. Zo tracht men een sociale mix op het begijnhof te creëren.

HFRWAARDERINnSPIAN Tot vóór enkele jaren bestond er voor erfgoed binnen een beschermd stadsgezicht, zoals het Herentalse begijnhof, geen mogelijkheid om enige premie vanuit de Onroerend Erfgoedzorg te bekomen. Dit erfgoed kon enkel gebruik maken van een federale fiscale aftrekregeling voor beschermd erfgoed, en dit onder welbepaalde voorwaarden. Voor beschermde monumenten bestaat er wel al van in de vroege jaren '90 de mogelijkheid tot het bekomen van een Vlaamse restauratiepremie of een onderhoudspremie. O p 21 november 2003 werd het monumentendecreet gewijzigd waarmee de mogelijkheid ontstond om ook binnen stads- en dorpsgezichten een onderhoudspremieregeling uit te werken. Het aangepaste artikel 11 §9, 2° en 4° van dit decreet stelt immers dat er binnen bepaalde voorwaarden een financiële bijdrage kan worden verleend in beschermde stads- en dorpsgezichten, met name voor kenmerkende erfgoedelementen, de herwaardering van bijzondere erfgoedkenmerken en het opstellen van een herwaarderingsplan. Hoofdstuk III van het vernieuwde onderhoudspremiebesluit gaf aan die mogelijkheid medio 2004 een uitvoerbare invulling. Binnen een stads- of

w-mmmm

< Titelblad van het

Begijnhof en omgeving Herentals

Herwaarderingsplan (Bellemans Architecten)

Stad Herentals

Stad Herentals O C M W Herentals Erfpachters O C M W

Begijnhof

0 . Algemeenheden

Herwaarderingsplan

1 . Planologische weergave site: kadasterpian...

2 . inventaris huidige toestand en -beschermd stadsgezicht (Begijnenstraat, Begijnenvest...)

historisch-archivalisch onderzoek

-beschermde monumenten (St-Cathannakerk, poortgebouw nr, 1/29. Gildenkamer nr. 12, het begijnhofmus Bumnr. 13, het fundatiehuis nr 27a en de poort aan de Burchtstraat) 3 . Visie en doelstellingen

4 . a) Lijst van erfgoedkenmerken b) Lijst van erfgoedelemenlen

[ i m i t iiiminiiiiiimniiiiiiiiiiiniiiiiiMiii $ |ft^^

,Jw

5 . Concrete maatregelen

M M M M M M M M M M M M M M M M

® 0602

©|

Bellemans architecten - Leistraat 19. 2460 Kasterlee-Lichtaart

fTX**

lÈm

M M M M M t

1 1 1 * 1 * 4

30 maart 2006

p. 1


dorpsgezicht kan er sindsdien een onderhoudspremie aangevraagd worden voor werken die specifiek staan opgenomen in een goedgekeurd herwaarderingsplan.

gevraagd door de eigenaar, maar bijvoorbeeld ook door de huurder of erfpachter. Het maximale bedrag aan werken waarop jaarlijks een premie kan toegekend worden is gelimiteerd tot 30.000 euro.

In de eerste plaats dient er dus een herwaarderingsplan opgesteld te worden voor het beschermde stads- of dorpsgezicht. Zo'n herwaarderingsplan is gericht op de ontwikkeling in het komende decennium, met als doel de waardevolle erfgoedkarakteristieken te behouden en eventueel te versterken. Concreet omvat het een kadasterplan, een visie en herwaarderingsdoelstellingen, een lijst van erfgoedkenmerken en erfgoedelementen, zonodig een inventarisatie van de huidige toestand en een historisch-archivalisch onderzoek, de concrete herwaarden ngsmaatregelen met een lijst van specifieke onderhoudswerkzaamheden, en tenslotte eventueel forfaitaire werkzaamheden.

Een herwaarderingsplan voor het Herentalse begijnhof

Een dergelijk herwaarderingsplan kan worden opgemaakt door of in opdracht van de premienemer(s) of een betrokken regionaal of lokaal bestuur. Enkel dit regionaal of lokaal bestuur kan echter voor de opmaak zelf een premie aanvragen. Na de goedkeuring van het plan door de bevoegde minister kan er voor de werken die staan opgesomd in de lijst van specifieke onderhoudswerkzaamheden een onderhoudspremie van 4 0 % worden aan-

De Begijnenvest Prentkaart uit begin

(foto 0. Pauwels)

20 ! " eeuw met de Begi|nenvcst en de achterkant van de begijnhofwoningen (Stadsarchief Herentals)

/

£/ //}- f &*^-**J é 1*7

In navolging van het vernieuwde onderhoudspremiebesluit werd binnen de toenmalige afdeling Monumenten en Landschappen een werkgroep opgericht die de opmaak van enkele proefprojecten zou begeleiden. Het opstellen van een herwaarderingsplan voor het Begijnhof van Herentals door het O C M W en Bellemans Architecten was één van deze proefprojecten. De basisgegevens uit het bestaande masterplan sloten immers al nauw aan bij de benodigde gegevens voor het herwaarderingsplan. Ook de reeds ontwikkelde beheersvisie kon als uitgangspunt dienen voor het formuleren van de herwaarderingsvisie. Zelfs vanuit deze comfortabele startpositie was het opstellen van het eigenlijke herwaarderingsplan, mede door het pionierswerk dat verricht diende te worden, een intensief proces.

Planologische weergave Het herwaarderingsplan voor het begijnhof van Herentals vangt in een eerste hoofdstuk aan met


een planologische weergave van de site. Het gebied waarvoor het herwaarderingsplan werd uitgewerkt is ietwat kleiner dan het oorspronkelijk afgebakende stadsgezicht. Binnen het stadsgezicht zijn immers ook de weinige resten van het vroegere Augustijnenklooster opgenomen. Het Catharinabegijnhof en het Augustijnenklooster waren echter steeds twee duidelijk verschillende entiteiten, van elkaar afgesloten door een scheidingsmuur. Daarom beperkt het herwaarderingsplan zich tot de eigenlijke begijnhofsite.

lisch onderzoek bestaat uit de weergave van een uitgebreid onderzoek naar de bouwgeschiedenis van het Sint-Catharinabegijnhof van Herentals door J. Cools uit 2004 (2), aangevuld met een beknopte historische gids uit 2005 (3). Het gaat in op de ontstaans- en bouwgeschiedenis van het begijnhof als geheel maar ook van elk pand in het bijzonder. Voor de inventarisatie van de huidige toestand werd de site in negen zones verdeeld. Naast de oude begijnhofwoningen en de individuele tuinen zijn er zones afgebakend voor de Begijnenvest, de achterliggende groenzone, de Maesloop, de publieke groenruimte, de wegenis, de groene binnenruimte en tenslotte de losstaande nieuwere bejaardenwoningen. De uitgebreide rapporten die werden opgesteld voor de diverse panden in het kader van het masterplan golden hierbij als uitgangspunt. De inventarisatie van de andere onderdelen van de buitenruimte gebeurde volgens hetzelfde model. Zo kwam men tot een eenvormige inventatis van de volledige beschermde site.

De negen zones uit de inventarisatie van het herwaarderingsplan (OCHW Herentals)

Met hagen begrensd pad aan de achterzijde van het begijnhof met links de vroegere bleekweiden en rechts de private tuinjes en begijnhofwoningen.

Inventarisatie en historisch-archivalisch onderzoek Een tweede hoofdstuk omvat een gericht historisch-archivalisch onderzoek en de inventarisatie van de huidige toestand. Het historisch-archiva-

Visie en doelstellingen

Bemerk rechts ook

Als derde volgt de kern van het herwaarderingsplan: het formuleren van een visie en deze vastleggen in doelstellingen. De herwaarderingsvisie vloeit voort uit de waarde(n) die aan de grondslag liggen van de

de beide woningen met vernieuwde identieke dakbedekking en de twee nieuwe kleine dakvlakvensters (foto 0. Pauwels)

f Mill

i

-n Ci


Opvallend binnen deze visie is de ruime aandacht voor de site zelf met haar aanleg, beslotenheid, wegenis en groene karakter. Bij de formulering van de doelstellingen worden deze aspecten, naast het waardevol bouwkundig erfgoed, geconcretiseerd.

Erfgoedkenmerken en erfgoedelementen In een vierde hoofdstuk worden de herwaarderingsdoelstellingen gereflecteerd in een lijst van enerzijds de erfgoedkenmerken en anderzijds de aanwezige erfgoedelementen. Deze lijst, die telkens opgedeeld is in de buitenruimten en de bouwkundige volumes, is uitgebreid gedocumenteerd met fotomateriaal.

Gezicht op een private tuin (foto 0. Pauwels)

bescherming. Bij het begijnhof van Herentals is dit de historische waarde. Maar bij gebrek aan enige toelichting in het beschermingsbesluit of —dossier moest een verdere uitdieping van deze specifieke waarde nog gebeuren binnen het herwaarderingsplan zelf. Bijkomend was het niet eenvoudig om voldoende los te komen van de reeds ontwikkelde beheersvisie binnen het masterplan. Deze was in de eerste plaats gericht op het wonen binnen de beschermde site. De herwaarderingsvisie diende zich specifiek vanuit de historische waarde te ontwikkelen. Beide visies spreken elkaar geenszins tegen, maar hebben toch een verschillend uitgangspunt. In kern omvat de herwaarderingsvisie het volgende: " Wij wensen deze historische begijnhofsite te bewaren en te herwaarderen zoals zij is uitgegroeid in de i i / eeuw binnen haar eigen typische patroon, met haar eigen specifieke kenmerken en elementen zowel wat het bebouwde gedeelte betreft als het onbebouwde gedeelte, een groene oase aan de rand van het stadscentrum met haar nog zeer goed bewaarde beslotenheid. Hierbij dienen de nog aanwezige waardevolle woonhuizen op het begijnhof onderhouden en hersteld te worden met respect voor de historisch waardevolle elementen die sinds het ontstaan van het hof in de 7 / ' eeuw, maar vooral in de loop van de 15re eeuw, werden aangebracht aan de gebouwen." Verder wordt er een herwaardering van de wegenis en het groen vooropgesteld, en de Maesloop wordt terug operationeel gemaakt. Ook wordt er gedacht aan een uitdoofscenario voor de nieuw opgetrokken bejaardenwoningen en aan het autovrij maken van het begijnhof.

1VI&L

De erfgoedkenmerken hebben betrekking op de historische structuur. Hier worden onder meer de beslotenheid van de site, de Maesloop, de groene ruimten, de Begijnhofkerk en de aaneengesloten huizenrij aangeduid. Ook de verharde en niet-verharde wegenissen van het Begijnhof zijn opgenomen. De hoofdstraat met onregelmatige kasseitypes en naastgelegen aarden strook is immers zeer typerend. De erfgoedelementen betreffen de visuele, samenstellende componenten. In de buitenruimten worden hier onder meer de straatlantaarns, de natuurstenen pilasters naast het laantje naar de kerk en de waardevolle eiken op de oude stadswal aangeduid. O o k het smeedijzeren hekwerk van het vroegere kerkhof ter hoogte van de hoofdstraat wordt hier vermeld. Het is een realisatie van de ijzergieterij en -smederij Van Aerschot daterend van 1879 en 1886 en werd enkele jaren geleden gerestaureerd. Bij de bouwkundige volumes wordt het belang van details op de erfgoedkwaliteit van de gehele site niet vergeten. Zo zijn er bijvoorbeeld de diverse types voegwerk, de metselaarstekens, de glaswaaiers boven de houten inkomdeuren, de uniforme dakkapellen, de geschilderde huisnummers, diverse bouwsporen en dateringen of de smeedijzeren trekbellen.

Maatregelen De opgestelde visie, doelstellingen en lijst van erfgoedelementen en -kenmerken resulteerden tenslotte in een opsomming van maatregelen die binnen het kader van het onderhoudspremiebesluit voor subsidiëring in aanmerking kunnen komen. De lijst is concreet met in de eerste plaats aandacht voor het onderhoud en het plaatselijke herstel van de bewaarde kenmerken en elementen, en in de marge het aanvullen naar oorspronkelijk model van enkele kleinere elementen. Noemenswaardig


zijn bijvoorbeeld het herstellen en onderhouden van lichte bepleisteringen met schildering van de dagkanten van de gevelopeningen, het herstellen en aanvullen naar oorspronkelijk model van de smeedijzeren trekbellen, het herstellen en onderhouden van de karakteristieke wegenissen met verschillende kasseitypes of het onderhouden en beheren van oude fruitbomen en eiken.

Ministerieel besluit In juli 2006 werd de laatste hand gelegd aan het herwaarderingsplan voor het stadsgezicht van het Begijnhof te Herentals. O p 26 maart 2007 werd het plan als eerste herwaarderingsplan bij ministerieel besluit goedgekeurd. Vervolgens kregen de verschillende erfpachters toelichting op een bewonersvergadering. Hierbij kwamen zowel de inhoud van het plan zelf aan bod, als de mogelijkheid en procedure tot het bekomen van een onderhoudspremie voor de opgenomen werkzaamheden. Bijkomend werd er een aanzet gegeven tot het maken van meer uniforme afspraken voor het herstel van verschillende erfgoedkenmerken en -elementen.

erfgoedelementen zoals opgelijst in het herwaarderingsplan. O m het behoud en de herwaardering van deze uniformiteit maximaal te garanderen, ondanks de bewoning door diverse erfpachters, werden omtrent enkele thema's bijkomende richtlijnen opgesteld.

Grijs getint In de zomer van 2006 voerde Ann Biebuyck een stratigrafisch onderzoek uit naar de afwerkingslagen op het historisch buitenschrijnwerk van de diverse begijnhofwoningen. De gevonden kleuren werden aangeduid volgens de NCS-codering. De vergelijking van de resultaten van deze stratigrafie-

TECHNISCHE FICHE ONDERZOEK 1

S l l u e r l n g v a n het o n d e r z o e k

1 1

Plaat*

HaranÉals.—^

1 2

Honumant

B . nhol

1 3 2

In Dat monumant

Museum

Situering van d e steekproef

2 1

Inkomdeu;. Iiopse. kant vacLde stijl. achamiattort__

22

Soort aiaakproel

3

Stratigrafie

trapsgewijs ...

Nr

Het begijnhof van Herentals werd ook de provinciale laureaat voor de Monumentenprijs 2007. O n gebruikelijk hierbij is dat de nominatie geen uitgevoerde restauratie betrof, maar wel een plan, meer bepaald het herwaarderingsplan.

Klaui

1 1okef

Oragar Praparalla an

!3 g,iis_ Briin oker - geör wrt-oker 1

6 Broen

AFWERKINGSLAGEN

ilB NC8 r«l«r«nu« 35030-YJOR 36502-6 5«03S-Y30n 5iö05-V5l)R ;5oso-s9öa

Matarlaal

Opmarklng

elk piaiiwurW olleveri olieverf olieverf olieverf olieverf

4 4 1

VAN THEORIE NAAR PRAKTIJK De woningen op het begijnhof van Herentals vertonen een zekere graad van uniformiteit over de diverse panden heen. Deze zit in de bakstenen gevels en leien bedaking maar zeker ook in kleine

ttllflir • .milling

SMr

hachtlng

goed

voor»1g«»nde bahandallngan

vertlagenpakket werd oedecapeerd

a ''MÉjofifi

42 aanlaallng

^

..

aofld vooralgaanda ba-

Ventilatie v a n de vergelijkende stratigrafie lagen

drager

fiche

1

fiche 3

fiche

2

fiche

7

fiche 5

fiche 9

fiche 6

fiche 10

Mus dakk acht Mus deur acht 11 deur achter

15 raam voo

raam voor (Convent)

luikenhouder

imitatie zandsteen

elk

naaldhout

eik

stop verf

Uzw

kalk&zand

m.w.ami

S2005-Y40R

elk

fiche 8

fiche 4

Mus deur voor Mus dakk.voot 11 dakk voor elk

hout

elk

S1O05-Y20R S2005-Y20R S4020-Y20R

•KEÜBÜZÜIIS S7I

S150?-ï50R S2005-Y20R 51005-Y20R houtimitatie S1505-Y20R

S02-V

S2502-È

S1010-Y20R

S2002-B

S2002-B

S1000-N

S2005-Y20R S1005-Y20R S1002 G50Y S0505-Y20R S1020-Y20R S0505-Y20R S0500-N S0500-N

S1500-N S2000-N 52030-Y70R S4520-Y30RC) S1500-N BS. S3005Y20R en SS010 Y10R

sSsSi

!S1502-Y50R

S1502-R

M H

54030-Y60R

51005-Y20R

SI002-V

S0500-N

S0500-N


Steekproef bij de deur van Begijnhof 15 op de naald van het bovenlicht (foto A. Blebuyck)

Binnenkant van de

en onderling en met archiefmateriaal gaf een beeld van de opeenvolgende beschilderingen.

begi|nhofpoort met openstaande poortvleugel en trekbel (foto 0. Pauwels)

Niet alle buitenschrijnwerk is nog origineel. En zelfs waar dat nog wel het geval is, is het verflagenpakket meestal al niet meer intact. Zo was het bovenlicht van woning nr. 15 het enige gevonden raam dat aan de decapagedrift ontsnapte. De stratigrafie op dit raam toont duidelijk dertien lagen, waarvan de eerste elf in olieverf en de laatste twee in alkydharsverf. De oudste verflaag is hier het middengrijs (S3500-N). Uit het archiefonderzoek kwamen tussen 1870 en 1939 tien schilderbeurten naar voren. In sommige van de rekeningen staan ook de gebruikte pigmenten vermeld. Zo werd er in 1863 loodwit, lampenzwart en bruine oker gebruikt. (4)

gevonden: de ramen in een middengrijs (S3500N) en de deuren en luikijzers donker (S6002-B tot S7205-B). In de rekeningen werd vaak gesproken over bijvoorbeeld "ligtgrijs" of " lampzwart". Enkel aan de straatkant werden op de deuren twee meer recente okerbruine lagen aangetroffen, en op de ramen een lichter oker uit hetzelfde gamma. Ook op het luikijzer werd oker aangetroffen. De verschillende steekproeven werden samengebracht in een geventileerde vergelijkende stratigrafie. Deze geeft in een oogopslag een eerste overzicht van de verschillende resultaten.

Andere steekproeven werden uitgevoerd bij enkele dakkapellen of deuren, maar ook op bijvoorbeeld een luikhaak, of op het oude raam van het convent dat werd gerecupereerd in het kippenhok van de pastorie. Er werd gekozen voor wat moeilijker bereikbare, mogelijk niet gedecapeerde, plaatsen om de allereerste verflagen te kunnen terugvinden. In de vroege lagen werd overal een grijze tint terug-

De conclusie van het kleuronderzoek was dat er niet noodzakelijk steeds uniformiteit was. Zo blijkt uit archiefonderzoek bijvoorbeeld dat de voordeur van de pastorie in 1876 een donkergroene kleur had, terwijl daar toen op de andere voordeuren geen sprake van was. Mogelijk is de vandaag voorkomende groenige beschildering van sommige voordeuren hier wel uit voortgevloeid.


Er kan wel vrij zeker gesteld worden dat men in de vroegste aankledingsfase algemeen een grijze toon op toon aanwendde. O p basis van dit onderzoek werden afspraken gemaakt voor de toekomstige kleurstellingen van het buitenschrijnwerk van de begijnhofwoningen. De kleurkeuze werd niet alleen ingegeven door de resultaten van dit kleuronderzoek, maar ook door de doelstelling de uniformiteit tussen de begijnhofwoningen te versterken en deze zo goed mogelijk te integreren in de site. De gekozen kleuren zijn grijstonaliteiten, verrijkt met een gele ondertoon. Zo zal er een gebroken wit (S0502-Y) gebruikt worden voor de ramen met luiken en voor de kroonlijsten, en een warme grijstint (S2502-Y) voor de dakkapellen. Voor de deuren kan er gekozen worden uit twee grijstinten (S7502-Y of S6502-Y). Hierbij wordt gevraagd het historische verflagenpakket maximaal te conserveren. Ook wordt een lijnolieverf geadviseerd met toevoeging van natuurlijke pigmenten, en dit in een gesatineerde afwerking omwille van de doorgaans wat oneffen ondergrond.

te staan aan de achtetzijde van de woningen. Er werd, met kennisgeving aan Monumentenwacht Antwerpen, een specifiek klein model dakvlakvenster (40x50cm) aanvaard. Over de woningen heen werden enkele hoogtelijnen bepaald waarop de dakvlakvensters ingeplant kunnen worden. Deze vastgelegde hoogtelijnen voorkomen een geheel willekeurige plaatsing maar laten toch voldoende praktische differentiatiemogelijkheden toe. Ondanks de vraag van enkele bewoners werd er beslist dat er geen zonnepanelen geplaatst zullen worden op de dakvlakken. Door de zichtbaarheid van de beeldbepalende daken aan de voor- én achterzijde zou dit te zeer ingrijpen op de erfgoedwaarde. Voor het herstellen van een groot deel van de uniforme dakkapellen aan de voorzijde werd door het O C M W van Herentals een onderhoudspremie aangevraagd. Hierbij werden de bestaande dakkapellen met naar binnen draaiend luik en soms kleine beglaasde kijkopening maximaal geconserveerd en plaatselijk hersteld. De werken zijn inmiddels uitgevoerd.

Onder dak

W2 N e 24

O o k omtrent de dakbedekking werden in april 2008 afspraken gemaakt. O p de meeste panden zijn immers nog vezelcementleien terug te vinden. O p Begijnhof 14 werd enkele jaren geleden wel al terug een natuurleien bedaking vastgespijkerd. Deze leibedekking zal gekopieerd worden bij het vernieuwen van elk van de andere hoofddaken. Niet enkel dezelfde lei en leibedekking zullen daarbij gebruikt worden, maar ook de afwerkingsdetails zoals de met lood ingevlochten nok of de leigrijs gemoffelde ladderhaken moeten overgenomen worden.

Met het nodige overleg werd in januari 2008 een machtiging verleend voor het conserveren en herschilderen van de originele huisnummers op het begijnhof. Het herstellen van deze huisnummers staat vermeld in het herwaarderingsplan. Na de offertevraag werd hier dus een onderhoudspremie voor aangevraagd.

O m de soms bescheiden begijnhofhuisjes beter bewoonbaar te maken rees de vraag om wat meer daglicht op de zolders in te brengen. De zolderruimte van elke woning beschikt aan de voorzijde over een dakkapel met een naar binnen draaiend luik. Enkele hebben een dakvlakvenstertje dat voor bijkomende lichtinval zorgt op de zolder of dat in de traphal als bovenlicht fungeert. Ideeën werden geopperd voor het voorzien van een raam in de dakkapel, in combinatie met het naar buiten of binnen openstaan van het luik. O m bouwfysische redenen en omdat deze uniforme en nog originele dakkapellen duidelijk naar voren kwamen als een te bewaren kenmerkend erfgoedelement, kwamen deze opties niet in aanmerking. In de plaats hiervan werd ervoor geopteerd om een beperkt aantal bescheiden dakvlakvensters toe

De 19 e -eeuwse huisnummers bestaan uit een wit vlak met zwarte omkadering. Hierbinnen staat in zwart de vermelding ' W 2 ' voor 'Wijk 2' en eronder het huisnummer N^CX. Later werd het geheel herschilderd, maar ditmaal enkel met vermelding van het huisnummer. Tenslotte werden hier tijdens het laatste kwart van de 20 ste eeuw de huidige aluminium huisnummers naast of bovenop gekleefd. Deze huisnummers zijn een van de vele kleine uniforme kenmerkende erfgoedelementen die deze site rijk is. Toch was een zuivere reconstructie niet zinvol. De vermelding W 2 heeft vandaag geen betekenis meer en kan voor verwarring zorgen, en de huisnummers zijn inmiddels niet meer overal dezelfde. De nieuwe beschildering gaat daarom uit van de geest en vormgeving van de oudste nummering. Ze vermeldt bovenaan 'Beg.' voor 'Begijnhof' en eronder het huisnummer, dit in een lettertype dat het oorspronkelijke benadert. Volgens het bestek worden alle aluminium huisnummers afgenomen en de achterliggende beschil-


QP NAAR DF TOEKOMST Oude huisnummers bij Begijnhof nr. 3

Hier ...

en de trekbel

Voor het begijnhof van Herentals opteerde het O C M W voor een vererfpachting ondersteund door een herwaarderingsplan. De versnippering in bouwheren maakt het behoud en de herwaardering van de intrinsieke erfgoedwaarde niet eenvoudig. Toch kan vandaag gesteld worden dat het stadsgezicht aan een heropleving bezig is met voldoende respect voor de intrinsieke erfgoedkenmerken en -elementen van het begijnhof. De constante inzet en betrokkenheid van de verschillende partijen was hierbij onontbeerlijk. En die inzet en betrokkenheid zal ook in de toekomst nodig blijven wanneer keuzes zich opdringen omtrent de riolering en heraanleg van de wegenis, of het autovrij maken van het begijnhof en het voorzien van beperkte parkeermogelijkheid op de site.

(foto 0. Pauwels)

... en daar

Opmetmgsplan van de wegenis In de hoofdstraat, met aanduiding van de variëteiten aan bestratmgsmaterialen (plan Bellemans Architecten)

derde vlakken worden manueel gereinigd met een gom of zachte borstel. Zeer plaatselijk zal de ondergrond verhard worden en er zal een fixerende tussenlaag aangebracht worden. Tenslotte wordt de nieuwe schildering met huisnummer aangebracht. Na een proefuitvoering kan de vooropgestelde werkwijze nog bijgestuurd worden. De werken werden toegewezen aan Ann Biebuyck en zijn in uitvoering.

Vandaag zijn er in Vlaanderen reeds negen herwaarderingsplannen goedgekeurd waaronder de Stuyvenbergvaart in Mechelen, de dorpskom van Volkegem, de Dumontwijk in De Panne en diverse kerkhoven te Veurne. Voor een heleboel andere projecten is het herwaarderingsplan in opmaak. Daarmee kan de initiatiefase van deze relatief nieuwe beheersvorm afgesloten worden. Maar een nieuwe ontwikkelingsfase kondigt zich al aan voor de herwaarderingsplannen. In het kielzog van het op 27 maart 2009 gewijzigde decreet ruimtelijke ordening onderging ook het monumentendecreet enkele wijzigingen. In uitvoering werd de meldingsplicht geïntroduceerd voor niet-bouwvergunningsplichtige werken binnen stads- en dorpsgezichten. Binnen dat kader zal het herwaarderingsplan een rol kunnen spelen binnen een lokaal vergunningenbeleid, omdat het kan uitgebreid worden met een lijst van zeker toelaatbare werken.


Prentkaart met de hoofdstraat en de beggnhofkerk. Erfgoedkenmerken en -elementen zoals de wegenis met paadjes naar de voordeuren, de groene omhaagde binnenruimtes, de kerk met hekwerk, de bebouwing met uniforme dakkapellen en gedeeltelijk witgeschilderde dagkanten zijn tot op vandaag bewaard gebleven (Stadsarchief Herentals)

EINDNOTEN Ir. Arch. Els Verbert is gewestelijk erfgoedconsulent bij Ruimte en Erfgoed, afdeling Limburg en gastdocent aan de Artesis Hogeschool Antwerpen (Henry van de Velde Instituut) bij de Master in Monumenten- en Landschapszorg

(1) In de werkgroep zijn alle belanghebbende partijen vertegenwoordigd: het OCMW, de stad Herentals, de Cultuurdienst, de Centrumraad, de bewoners, de Herentalse Geschiedkundige Kring, de Kerkfabriek Sint-Waldetrudis en de sociale huisvestingsmaatschappij nv Eigen Haard. (2) COOLS J., Bouwgeschiedenis van het Sint-Catharinabegijnhof van

RIBIIOGRAFIF

Herentals, een onderzoek op basis van het OCMW-archief Herentals, 2004.

Detail van het hekwerk aan de kerk

KENNES H. en STEYAERT R., houwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundige erfgoed. Deel I6n3. Provin-

(3) COOLS J., Het Begijnhof van Herentals, Historische gids, Herentals, 2005.

eie Antwerpen, Arrondissement Turnhout, Kanton Herentals, Turnhout,

(4) Uit het OCMW-archief, nr. 30 (1863). Ook andere archiefstuk-

2001, p. 57-66; COOLS J., Bouwgeschiedenis van het Sint-Catharina-

ken gaven informatie omtrent de gebruikte pigmenten zoals

hegijnhofvan Herentals, een onderzoek op basis van het OCMW-arehief,

OCMW-archief nr. 146 (1883) of nr. 152 (1887).

Herentals, 2004; BIEBUYCK A., Het Begijnhof van Herentals, Geuronderzoek van de afwerkingslagen van deuren en ramen van de huizen op

(ijzergietcrij en smederij Van Aerschot) met op de achtergrond de begynhofkerk en verderop het fundatiehuis (foto 0. Pauwels)

het "Begijnhof", onuitgegeven onderzoeksrapport, 31 augustus 2006; O C M W HERENTALS, Herwaarderingsplan Begijnhof en omgeving Herentals, Herentals, 2006; COOLS J. en BELLEMANS P., Bouwgeschiedenis van het Sint-Catharinabegijnhof te Herentals, een verhaal van vier eeuwen bouw- en wooncultuur in Vlaanderen, Herentals, 2007.

M&L


Thomas

Coomans

Anna

en

Bergmans

HET BEGIJNHOF SINT-AGNES VAM SINT-TRUIDEN: EEN NIEUWE STUDIE

• Begi|nhofkerk Sint-Agnes (VIOE. foto K. Vandevorst, 2007)

Begijnhoven spirituele

wekken met hun vele

historische,

werden dertien

als UNESCO werelderfgoed

en bouwkundige

facetten

sinds

dan een eeuw de interesse

van een

breed

publiek én van wetenschappers. hoeken varieerden

bouwkundig, en feministisch.

en

architecturaal

kunsthistorisch,

steden-

antropologisch manifesteer-

de zich zowel vanuit een wetenschappelijk

teitsperspectief.

economisch

en identi-

Omwille van hun

architectura-

le en stedenbouwkundige

kwaliteiten

enige getuigen

begijnenbeweging,

van de

als

en als

dig wetenschappelijk

beves-

voor het

berustte

niet op gron-

onderzoek

dat de eigen-

heid van elk van deze belangrijke aantoonde.

in 1998

erkend. Dat

belangstelling

thema. Deze erkenning

religieus

en

De belangstelling

vanuit een toeristisch,

tigde de groeiende

De invals-

van romantisch

tot sociaalhistorisch,

meer

Vlaamse begijnhoven

begijnhoven

Eind 2008 verscheen als nummer 2

in de reeks Relicta M o n o g r a f i e ë n van het Vlaams Instituut

voor het Onroerend

(VIOE) de eerste wetenschappelijke over de verschillende hof. Onderwerp

facetten

Erfgoed monografie

van een

begijn-

van deze multidisciplinaire

die is het begijnhof Sint-Agnes van

stu-

Sint-Truiden.


FIGENHEID De meeste begijnhoven die als werelderfgoed werden erkend, danken hun faam aan de homogeniteit van de huizen die rond een plein zijn geschikt, met pittoreske straatjes waar het stedelijke rumoer niet doordringt, of aan de barokke praal van hun kerk. De eigenheid van het begijnhof van Sint-Truiden ligt vooral in het unieke ensemble van muurschilderingen in de kerk. Zonder de toevallige ontdekking van deze schilderingen in 1860, zou de kerk het voortschrijdende verval niet overleefd hebben. O p de valreep gered door de Vereniging van de Vrienden van het Begijnhof van Sint-Truiden, werd de kerk in 1933 beschermd. In 1935 werd ze een museum, als eerste in zijn soort in België. Het waren opnieuw de muurschilderingen die aan de basis lagen van de tweede restauratie van de kerk in de jaren '70 en van het ambitieuze museale project dat de provincie Limburg daar toen startte.

NIEUW ONDERZOEK In het kader van het 'Masterplan voor de publieksgerichte ontsluiting van cultureel erfgoed in Limburgs Haspengouw' werden drie dominante thema's vooropgesteld: de vroegste geschiedenis (Tongeren), de religieuze cultuurgeschiedenis (Sint-Truiden) en het kastelenlandschap op het platteland. Het onderzoeksproject waarvan de resultaten in 2008 boekvorm kregen werd opgestart in functie van die ontsluiting en is het werk van een multidisciplinair team. In 2004 gaf de provincie Limburg de eerste aanzet door een fundamenteel onderzoek aan het KAD O C (KULeuven) uit te besteden. Enerzijds moest het archieffonds van het begijnhof dat in het stadsarchief van Sint-Truiden bewaard is systematisch worden doorgepluisd. Anderzijds diende het kerkgebouw grondig bouwhistorisch te worden onderzocht en kon zelfs punctueel bodemonderzoek aan de buitenkant van de kerk verricht worden. Het resulteerde in een wetenschappelijk gefundeerd, rijk geïllustreerd werkschrift met veelzijdige informatie over het specifieke leven van de begijnen en over de architectuurgeschiedenis van de begijnhofkerk. Dit werkschrift heeft als basis gediend voor een meerdelige publiekgerichte werking in het kader van de educatieve erfgoedtoeristische programmatic van de provincie Limburg. Een nieuwe en bevattelijke gids voor het begijnhof was hiervan het

eerste gedrukte resultaat. Het verdere onderzoek werd gecoördineerd en gedeeltelijk uitgevoerd door het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed en resulteerde in een wetenschappelijk boekproject waarbij elf auteurs betrokken werden. Naast het onderzoek van de archivalische en de iconografische bronnen vormden de materiële bronnen een belangrijk uitgangspunt. De gebouwen werden bouwhistorisch en kunsthistorisch onderzocht en verklaard.

ONTSTAAN EN ONTWIKKELING Het begijnhof van Sint-Truiden ontstond in 1258 uit het samenbrengen van verschillende groepjes begijnen die verspreid leefden over de stad. Die stichting was het werk van Willem van Rijckel, abt van de benedictijnenabdij Sint-Trudo, die de begijnen een terrein aanbood buiten de stad en hen de spirituele en materiële middelen schonk die onmisbaar waren voor de ontwikkeling van het project. Het begijnhof zou gedurende 540 jaar bestaan en beleefde - zoals de meeste instellingen - hoogte- en dieptepunten. In 1798 maakte de Franse Revolutie een einde aan het begijnenproject: de goederen werden aangeslagen en verkocht. De huizen en de kerk, voortaan


Diepe dubbelhuizen nrs. 57-60, voorgevels na de restauratie (Provinciaal Centrum voor het Cultureel erfgoed, foto E. Daniels, 2006)

privé-eigendom, bleven begijnen opvangen tot de laatste overleed in 1860. In 1928 werd het kerkgebouw onttrokken aan de eredienst. Reeds werd aangegeven hoe bepalend de ontdekking van de muurschilderingen was voor het voortbestaan van de kerk. Zij vestigde in de 19 t eeuw al de aandacht van kenners op een gebouwd geheel dat voordien veroordeeld leek, wegens een gebrek aan monumentaliteit, zijn bescheidenheid en zijn slechte toestand.

STRUCTUUR EN BEBOUWING

• Godshuis van de heilige Drievuldigheid nr. 30, noordelijke kamer op de begane grond (Provinciaal Centrum voor het Cultureel erfgoed, foto E. Daniels, 2006)

De kerk bevindt zich in het centrum van het begijnhof, waarvan topografie en structuur deel uitmaken van het begijnenproject. Het hof vormde oorspronkelijk een afgesloten wijk aan de rand van de stad. Het was toegankelijk via een poortgebouw en bestond uit huisjes en godshuizen en een infirmerie die volgens een precieze orde waren geschikt rond de kerk en het kerkhof. Zonder twijfel weerspiegelt de huidige topografie nog steeds de middeleeuwse structuur, maar de oudste huizen zijn niet ouder dan het begin van de 17 ^ eeuw, of het moment waarop het versteningproces van de huizen begon. In de bebouwing kan onderscheid gemaakt worden tussen de woonhuizen enerzijds en de functionele

architectuur voor het beheer, de opleiding en de economische bedrijvigheid in het begijnhof anderzijds. De typologie van de woonhuizen onderscheidt breedhuizen van het enkelhuis- en dubbelhuistype, met of zonder verdieping, al naar gelang de middelen van de begijnen. In tegenstelling tot vele andere begijnhoven waren de huizen niet voorzien van voortuinen en waren de straatgevels oorspronkelijk gesloten, met doorgaans maar één toegang en weinig lichtopeningen. De huizen hadden daarentegen wel achtertuinen en de achtergevels waren ruim opengewerkt met ramen. Die introverte gerichtheid wordt geïnterpreteerd in het kader van de persoonlijke of gedeelde afzondering bij werk en gebed. Enkele huizen bewaren waardevolle onderdelen van hun oorspronkelijk interieur (trappen, schouwen, plafonds, vakwerkstructuur, enz.).


Markante gebouwen van de tweede categorie zijn de infirmerie en begijnhofwinning, het huis van de grootmeesteres met torentje (1619) en de kerk.

DESINT-AGNESKERK: EEN NIEUWE BOUWGESCHIEDENIS O p het eerste gezicht heeft de kerk weinig te bieden. Zonder markante stijlkenmerken, bouwsculptuur, homogene bouwmaterialen noch stenen gewelven doet ze eerder aan een schuur denken dan aan een kerk. Dat is de reden waarom zij nooit het voorwerp was van een architecturaal onderzoek. Een nauwgezette bouwhistorische analyse van het gebouw met inbegrip van dendrochronologisch onderzoek van het timmerwerk maakt het mogelijk om drie hoofdfasen in de bouw te onderscheiden en die te dateren in het midden van de 13 c eeuw, in de eerste helft van de 14 c eeuw en aan het begin van de 16 c eeuw. Deze complexe bouwgeschiedenis verklaart het ongewone volume en de talrijke onregelmatigheden in het gebouw. In tegenstelling tot andete begijnhoven die door het elan van de contrareformatie nieuwe kerken bouwden, stelde dat van Sint-Truiden zich tevreden met enkele barokke meubels en een gewit kerkinterieur. De befaamde muurschilderingen werden toen bedekt met een kalklaag, maar niet vernield. Vooral vanaf de tweede helft van de 17 e eeuw lieten de effecten van de contrareformatie zich voelen, zoals kan afgeleid worden uit het liturgische meubilair dat in de kerk werd geplaatst. Altaren, preekstoel, biechtstoelen, communiebank, tochtportaal, beelden en schilderijen transformeerden het middeleeuwse interieur in een coherent barok geheel. Er werd een klein orgel aan toegevoegd in 1646, dat vandaag, na de restauratie één van de oudste homogene orgels in werking is in Vlaanderen. Het aantal graven in de kerk groeide alsmaar: priesters in het koor, rijke begijnen en hun lekenfamilies in het schip. Het liturgische meubilair, de beelden, de schilderijen en de gewaden zijn jammer genoeg grotendeels verspreid over verschillende bewaarplaatsen.

A Begijnhofkerk

HET BEGIJNHOF NA DE BEGIJNEN In 1798-99 werd het begijnhof verkocht en kwamen de kerk, de huizen en de omliggende weiden in handen van baron Michel-Laurent de Sélys-Lonchamp. Ook onder de volgende eigenaar Henri de

Pitteurs (1762-1853) kon de kerk voor de eredienst gebruikt worden en werd het koor van de kerk ingericht als familiegrafkapel voor de eigenaars. De eerste wetenschappelijke publicatie over het begijnhof van Sint-Truiden verscheen in 1876, van de hand van historicus Francois Straven. In 1896 erfde Mathilde de Pitteurs-Hiégaerts de kerk en enkele huizen op het hof. Door geldgebrek raakte

Sint-Agnes. gezicht op hel schip naar het koor (VIOE, foto K. Vandevorst, 2007)

1VI&L


<*.


de kerk steeds verder in verval en werd zij in 1928 ontwijd. Ingevolge de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, werd de begijnhofkerk als monument beschermd in 1933. De Vrienden van het Begijnhof kregen in 1934 de begijnhofkerk met inboedel en het omliggende terrein van Mathilde de Pitteurs-Hiégaerts. Onder leiding van stadsarchitect Guillaume Goovaerts werd een grondige restauratie uitgevoerd. Ook de muurschilderingen werden toen gerestaureerd door Cornells Leegenhoek (1903-1971). De kerk diende voortaan als museumruimte en werd ingehuldigd op 7 juli 1935 met een prachtige tentoonstelling over 'Kerkschatten in Limburg'. Vanaf 1942 tot maart 1966 vond het astronomisch uurwerk van Kamiel Festraets een plaats in het schip van de kerk en trok jaarlijks duizenden bezoekers aan. In 1970 werden de begijnhofkerk alsook enkele huizen op het hof eigendom van de provincie Limburg. Onmiddellijk werd een nieuwe restauratie van de kerk opgestart onder leiding van architect Piet Van Mechelen. Ook de schilderingen werden opnieuw geconserveerd vanaf 1972, onder de bezielende leiding van Michel Savko van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. Sinds 12 april 1974 zijn een dertigtal historische huizen als monument beschermd, en het geheel als stedelijk landschap. Van 1979 tot 1997 was de begijnhofkerk in gebruik als Provinciaal Museum voor Religieuze Kunst. In 1998 werd het begijnhof ingeschreven op de U N E S C O lijst van het werelderfgoed. Ten slotte werd de bescherming als monument en als stadsgezicht nog uitgebreid in 2005.

DE MUURSCHILDERINGEN: GETUIGEN VAN SPIRITUALITEIT EN DEVOTIE De fasering van de muurschilderingen kan verbonden worden met de bouw- en de inrichtingsfases van de kerk. De oudste schilderingen, met name de wijdingskruisen, dateren van de bouw van het oudste koor, in 1265. Zij werden aangebracht op de plaatsen waar de bisschop het kerkgebouw wijdde met chrisma. Daarna volgt het decor dat begin 14 c eeuw op de triomfboog en in het koor werd geschilderd, na de verhoging en de uitbreiding van het kerkgebouw rond 1295-1310. Naast een verdwenen voorstelling van het Laatste Oordeel op de triomfboog, was

hier ook een heilige Christoffel afgebeeld, Maria Magdalena met Vera Icoon en de Kroning van Maria. Dit decor kan vooral mystiek geduid worden.

De Heilige Haria Magdalena; links onderaan knie len twee biddende

De derde groep schilderingen dateert van het tweede decennium van de 16 e eeuw, na het herstel en de nieuwbouw van het schip van 1489 tot rond 1511. Dit derde decor werd op de pijlers van het schip aangebracht en toont het leven van Maria alsook verschillende vrouwelijke heiligen die geïnterpreteerd kunnen worden als rolmodellen voor de begijnen. Daarnaast hebben specifieke devoties tot de keuze van de voorstellingen geleid: de Heilige Hubertus, bisschop van Luik waarvan Sint-Truiden toen deel uitmaakte, en de stigmatisatie van de Heilige Franciscus van Assisi, een mystiek gebeuren dat de begijnen nauw aan het hart lag. Een voorstelling van De Jongeman en de Dood uit dezelfde periode, was bedoeld als een memento mort, een waarschuwing om deugdzaam te leven in het perspectief van een onverwachte dood. Een vierde decor ten slotte, waarvan meerdere taferelen bewaard bleven, werd geschilderd op het einde van de 16 c eeuw. O p dat ogenblik werd de iconografie verruimd en kwam er dus meer variatie in de voorstellingen.

GEBEDSPQRTRETTEN Archiefonderzoek heeft geen gegevens opgeleverd over de uitgaven voor de muurschilderingen. Dat is niet vreemd wanneer de voorstellingen in persoonlijke opdracht werden uitgevoerd. Opvallend is dat bij vele taferelen in het schip in de benedenhoeken kleine figuurtjes zijn afgebeeld in de meest nederige positie, namelijk geknield. Verschillende geknielde personages zijn door hun kledij duidelijk als begijnen te identificeren, maar er komen ook enkele anders voorgestelde personen voor, mannen en vrouwen. Ze vouwen allemaal biddend de handen en dit type voorstelling wordt dan ook 'gebedsportret' genoemd. Het is meer dan waarschijnlijk dat het gaat om de opdrachtgevers van de taferelen. Zij hebben de schilder dus betaald. Aangenomen wordt dat dit gebeurde om een gelofte in te lossen of juist in de hoop op steun in de toekomst en vooral na de dood. De gebedsportretten strekten ook tot voorbeeld om giften te doen waarmee het kerkinterieur verfraaid kon worden. Als er individuele heiligen op het tafereel zijn uitgebeeld — met name Ursula, Cecilia, Odila, Genoveva, Goedele, Dymphna, Gertrudis, Maria Magdalena, Agatha,

begijnen (VIOE, foto K. Vandevorst, 2007)


enz.—, gaat het vaak om naamheiligen die de patroon- of beschermheilige waren van de geportretteerde en knielende opdrachtgever. Maar in het geval van de begijnhofkerk bestaat hierover geen concrete informatie. Hoewel er enkele namen van 16 c -eeuwse begijnen bekend zijn, kunnen die niet met de gebedsportretten verbonden worden. Belangrijk om weten is dat het overwegend begijnen waren die opdracht gaven voor de muurschilderingen. Die zijn aldus een unieke bron van de begijnenspiritualiteit en devotie.

INTFRNATIQNALE ERKENNING De historische en kunsthistorische waardering van het Truiense begijnhof mondde in 1998 uit in de inschrijving onder de Vlaamse begijnhoven op de UNESCO-werelderfgoedlijst. Deze erkenning was in het bijzonder te danken aan de inspanningen van de Vrienden van het Begijnhof van Sint-Truiden en aan de provincie Limburg. In het inschrijvingsdossier wordt het belang van de kerk onderstreept, het feit dat het begijnhof nooit werd opgenomen in de uitbreiding van de stad en dat het bovendien haar hoeve heeft behouden. In 2003-2004 werd het plein rondom de kerk heraangelegd door Jozef Legrand. Het ontwerp refereert op indringende wijze aan het vroegere kerkhof. Toch schijnt de toekomst van het kerkgebouw op dit ogenblik opnieuw onzeker te zijn. De kosten voor onderhoud en restauratie betekenen een zware financiële last voor de provincie Limburg die andere prioriteiten blijkt te hebben.

BIBLIOGRAFIE COOMANS TH. en BERGMANS A. (cd.), In zuiverheid leven. Het begijnhof Sint-Agnes in Sint-Truiden. Het hof, de kerk, de muursehilderingen (Relicta Monografieën, 2), Brussel, 2008, 479 p. (met uitgebreide bibliografie); BERGMANS A., COOMANS TH., DREESEN R„ LAEWEN M. en VAN HERCK H., Het hof van Sint-Agnes. Bezoekersgids voor het begijnhof van Sint-Truiden en zijn kerk, Hasseir, 2008, 184 p.

Thomas Coomans doceert de vakken architectuurgeschiedenis, bouwhistorie en monumentenzorg aan de Vrije Universiteit Brussel. Het boekproject van het begijnhof van Sint- Truiden maakte deel uit van zijn onderzoekscontracten aan het KADOC, Katholieke Universiteit Leuven, en aan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed. Anna Bergmans doceert het vakgebied Historisch Interieur & Kunstnijverheid aan de Universiteit Gent en is erfgoedonderzoekster in het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed.


U1MESC0 World Heritage n Flanders: an introduct though Belgium acceded to U N E S C O in 1946, its World Heritage Convention from 1972 was not ratified until 1996. This tardiness was partly due to the country's gradual federalization. As of 1980 the regions have indeed been competent for all matters restricted to a particular area, among which monuments and landscapes. Initially it only concerned Flanders and the Walloon provinces; Brussels only became autonomous as Capital Region in 1989. The necessary approvals on a regional level were eventually given in 1994, thus enabling the convention's ratification on a national level. T h e initial delay has now, to a certain extent, been made up. Over the past twelve years, Belgium has indeed succeeded in placing ten cultural goods on the World Heritage list. Four of these - including two serial ones - are located in Flanders. The indicative list, the shortlist for possible future nominations, was last adapted in 2008. Some ten years after the first registrations, this article presents an overview of the relevant legislation and guidelines which should guarantee the preservation and valorisation of Flemish World Heritage.Flemish World heritage is in the first place protected on its own regional level, be it as a monument, landscape, town or village conservation area, or a combination of these. The owner therefore has a liability of maintenance, but can also have the advantage of financial compensation from the Flemish authorities. In 1992 a maintenance subsidy was introduced which was adapted and raised in 2004. Regular care often allows thorough and expensive restorations to be postponed, which is completely in line with present international guidelines. There are restoration subsidies for the more drastic measures, which can also be used for the necessary preliminary studies. There are for this matter no particular guidelines or priorities for World Heritage sites. T h e legislation concerning urban development did not, until recently, take into account the world heritage status of specific immovable goods. Since 2009 there is an implementing order referring to the specific buffer zone in the case of world heritage. The order states that in this zone, when carrying out works subject to a permit, the advice of Ruimte en Erfgoed (Urban Planning & Heritage) should be asked. This is the agency which, within the Flemish Administration, guarantees the conservation of world heritage. For the moment the situation is still somewhat vague, since the 'buffer zones' have been deposited with U N E S C O as part of nomination files, but have as yet not been formally confirmed. Regular consultation with local authorities is also essential.

^Flemish b e g u m a y ^ . as World Heritage

^

Since December 2, 1998, thirteen of the entirely or partially preserved and protected Flemish Beguinages have been registered on the World Heritage list as cultural heritage. Their Outstanding Universal Value was confirmed on the following criteria:

f

W

- criterion ii: T h e Flemish beguinages demonstrate outstanding physical characteristics of urban and rural planning and a combination of religious and traditional architecture in styles specific to the Flemish cultural region - criterion ill: T h e beguinages bear exceptional witness to the cultural tradition of independent religious women in north-western Europe in the Middle Ages - criterion iv: T h e beguinages constitute an outstanding example of an architectural ensemble associated with a religious movement characteristic of the Middle Ages associating both secular and conventual values. T h e selection of these representative courts is based on the additional requirements regarding authenticity - also in the sense of its evolution - and integrity where other aspects are significant like location, typology of design and conservation of essential components like the surrounding walls and gates, church and/or chapel, infirmary and other annexes, beguine houses, pastures and gardens. This registration has aroused interest for the heritage of beguinages as well as for the almost disappeared beguine movement with its own typical spirituality. In other parts, like for example in the USA and Germany, these are clearly and successfully experiencing a revival. In this context our beguinages now certainly deserve an evident and healthy treatment. As residential compounds - before the term existed - they offer within the cities a typical kind of living conditions where the traditional balance between public and private life persists. T h e specific historical settlement patterns and building methods as well as the different actual property issues, require, for the preservation and maintenance, a specific approach, yet elaborating on fundamental options. The starting point is a properly assessed and differentiated heritage value, without a paralyzing or freezing effect. Attention

# >»''

P

y'

T

M&L


recycled bricks of the same size, replacing white stone with traditionally tooled, slightly differing finishing. Ancient, wooden doors with their hang and lock mechanisms preserved, were carefully preserved, restored and where necessary new doors were copied and painted. Saddle roofs were respectfully restored with preservation of slates and tiles. Dormers were conserved and in many varieties simplified and interpreted. Cross frames and other kinds were restored in their original condition. For the interior design of the beguine houses contemporary living conditions were the rule. Adapted functional and modern furniture was installed. Infirmaries and convents were given community functions.

for the continued habitation and some kind of social mix of inhabitants is preferable. Against this background questions are raised concerning alternative use by among others the cultural and/or service sector: visitors are enchanted and inhabitants tolerate or even appreciate this, in so far as these do not interfere with the 'general atmosphere'. T h e actual approach of heritage tourism and the opening up should further be developed, including the interpretation and presentation. In this aspect the role of the aspects of living, recollection and exposition should be well thought-out and balanced. It is clear that the genius loci cannot support mass tourism and mutual courtesy is essential.

The restoration/renovation of the Louvain Great Beguinage (1963-1993), a world class laboratory T h e restoration/renovation of the Louvain Great Beguinage was innovating for its time and was the first on such a scale in northwest Europe. It played a determining role in the approach of ancient valuable architectural ensembles, once again meant for communal dwelling in a balanced environment. Like many other Flemish beguinages, the Leuven Great Beguinage was in a sorry condition in the early 1960's. In 1962 the Catholic University of Louvain acquired the beguinage with its 6 hectares of built-up are on a total of 10 hectares. Right from the beginning the University opted for letting of furnished student rooms, studio flats, apartments and unfurnished single-family dwellings. As of 1963 the internationally renowned Louvain professor Raymond Lemaire (1921-1997) was put in charge of the restoration/renovation who set it against the background of the problematic condition of historical cities at the time. His approach was mainly checked against the Venice Charter and based on archaeological, archival, literary and building physical preliminary research. Technical measures proved necessary: remedying rising moisture, replacing weather-beaten bricks with

M&L

Raymond Lemaire has always emphasized that the restoration/renovation of the Leuven Great Beguinage exceeded the purely specialized and academic approach as it fitted within the context of problems of dwelling and living conditions and the redevelopment and renovation of historical centres, the approved new development from 1990, 1991 and 1992 in the beguinage proved how complicated it is to introduce 'architecture' in a traditional regional complex. T h e evolutive authenticity and integrity have however not been questioned by the World Heritage Committee.

IVIaintenaTice of the Great Beguinage in Louvain in the period 1999-2010 T h e first phase of the restoration/renovation (19631972) was commissioned by the University and was carried out under the guidance of professor Raymond Marie Lemaire (1921 1997). T h e equipment and techniques at that time have been carefully integrated in order to ensure a basic uniformity within the university's housing. T h e university's technical services took care of daily maintenance which was mainly limited to ad hoc repairs. For additional restorations, consigned to an outside architect, the technical department still acted as principal. In March 2004 a specific subdivision of this department was established, it specialized in the maintenance of the university buildings listed for protection. It is an important part of a well-oiled machine, responsible for the maintenance of the Great Beguinage, together with the competent services of the Flemish Administration, the Province of Flemish Brabant and the city of Leuven. A close cooperation of all these parties is essential for the proper maintenance of a site as extensive as the Great Beguinage. Since 2001 a number of modifications have been implemented for the subsidy resolutions regarding educational buildings. These are particularly favourable as the restoration subsidy was doubled. O n top of that the university can also have the advantage of the Flemish Government's maintenance subsidies since 2004. This regulation is advantageous for the Great Beguinage: after more than thirty years there are a number of problems regarding maintenance and restoration of the restoration.


d%

Besides that, there are mainly technical problems concerning the usual wear and tear, recent security standards and to a certain extent modern conveniences like lighting and modern conveniences. Being the owner, the university works following a systematic management plan and strives for a basic homogeneity, taking into account the historical elements and the main, newly added parts from the 1960's and 70 s. For the exterior this concerns the renovation after the registration on Unesco's World Heritage list of the slateroofs with materials of similar colour and format, and of drains and gutters. Study of framework for doors and windows was done systematically and with conservation of leaded windows, where necessary it was carefully repaired and treated. Indoor problems with ventilation and moisture were tackled, together with renovation of wiring and piping, the installation of systems for fire detection and alarm systems in rule with municipal regulation. Whenever a house or apartment is vacant for a short period, it is completely refurbished. For the surrounding grounds a plan was drawn up in order to carry out the necessary works consistently like for example the paving, surrounding walls, exterior lighting, etc. T h e membership of the Monument Guard also guarantees the necessary and constant works which one would expect for a site registered as World Heritage since 1998. j

-A

The Herentals beguinage: revaluation as basic principle for a management plan T h e Herentals beguinage is an extremely valuable conservation area with a rich history and a large public support. Every single historic house is different. Nevertheless, this beguinage is characterized by a certain uniformity in the often small heritage elements, and this goes for all beguine houses. Preserving this uniformity when different leaseholders and owners are involved is not always an easy matter. With the help of, among other things, a revaluation plan we strive for a consolidation and preferably improvement -'V/ of the heritage quality. This first Flemish revaluation plan is in the meantime being gradually implemented. Thus research into historical colour schemes led to a wellconsidered use of colour for exterior framework, roofs were repaired in a consistent way and the historical house numbers were revaluated.

rhe Sint-Truiden bequinaqe: a new study

they operated from an academic, economic, identity or tourist-industry perspective. The results of a study of this beguinage by a multidisciplinary team were published in the first academic monograph about a beguinage. The singularity of the Sint-Truiden beguinage comes down to a unique ensemble of medieval wall paintings in the church. If not for the accidental discovery of these paintings in 1860, the church would not have survived the deterioration it was condemned to after de-consecration. Saved in extremis by the Association of Friends of the Sint-Truiden Beguinage, the church became a protected monument in 1933. In 1935 the paintings were restored and the church became a museum, the first of its kind in Belgium. The wall paintings were once again the basis of the second round of restoration work on the church in the 1970s. T h e church is in the centre of the beguinage, the topography and structure of which are a part of the beguines' project. Situated at the edge of town, the beguinage was originally an isolated neighbourhood. It was accessible via a gatehouse and consisted of cottages and almshouses, arranged according to a precise order around the church and churchyard. T h e current topography no doubt still reflects the medieval structure, but the oldest remaining houses are no older than the early 17th century, the point at which houses started to be built of stone. At first glance, the church has little to offer. This is why it was never a subject of an architectural study. A meticulous archaeological analysis of the building and dendrochronological study of the woodwork made it possible to distinguish three principal phases in its construction: the mid-13th century, the first half of the 14th century and the early 16th century. T h e 38 wall paintings drew the admiration of experts. Although they have been restored twice, their authenticity has been retained. They are related to three important points in the life of the beguine community. T h e first group, painted in the choir and on the triumphal arc, date from the early 14th century; the Marian cycle and the saints on the pillars of the nave and the north wall date from the early 16th century; the remaining saints in the nave and devotional paintings on the south all date from the late 16th century. Without being masterworks by great artists, these scenes are valuable by virtue of their numbers and their relationship to the space. Their iconography is that of the beguine spiritual world: Marian, mystical and female.

'--..<•;

'V

T

For over a century the beguine movement, with its many historic, spiritual and architectural facets, has sparked interest from a wide public as well as academics from Belgium and elsewhere. For reasons ranging from romantic and religious to anthropological and feminist,

M&L


.

' >

•

••-:

Iié

f

SlvIT^

- • •

Ti ;»yx. '

J

,.

H •

ik

lil

*

k

^

lil

II

s*.' fe - ^ > ' ti il ' L 'T X X X . X ^ J/^..^=al

"JL

^

1/

M

>'

A

r^1

H

-;

« ^

i t>

'Sf ^

!•

MM.! H•'-*4

II

II

J

In ffi^I MM pvq M

ür

M^,"|

•IS

i \;

- t:-!»

ïl

dPli X?T

m

fCiy^t

,

;

|

M \

R

X

M

^^T^Z BB

*

} •

'T,


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook