Skip to main content

SV_rapport_2022_01_personen_met_handicap.pdf

Page 1

RAPPORT STATISTIEK VLAANDEREN, 2022/1

MAATSCHAPPELIJKE POSITIE EN PARTICIPATIE VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP MYRIAM VANWEDDINGEN, JO NOPPE & DIRK MOONS


MAATSCHAPPELIJKE POSITIE EN PARTICIPATIE VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP MYRIAM VANWEDDINGEN, JO NOPPE & DIRK MOONS

INHOUD SAMENVATTING 3 INLEIDING 4 1 AFBAKENING VAN DE DOELGROEP 7 1.1 Administratieve databanken over personen met een handicap 7 1.2 Algemene bevolkingsenquêtes 15 2 SOCIO-ECONOMISCHE POSITIE 2.1 Onderwijs en vorming 2.2 Arbeidsmarktparticipatie 2.3 Inkomen en armoede 2.4 Wonen 3 GEZONDHEID EN SOCIALE PARTICIPATIE 3.1 Gezondheid 3.2 Sociale participatie 3.3 Houding van de samenleving

29 29 37 56 68 79 79 86 100

BESLUIT 109 BRONNENLIJST 117

SAMENVATTING In dit SV-rapport wordt aan de hand van een brede waaier van statistieken, gebaseerd op zowel administratieve gegevens als resultaten van bevolkingsenquêtes, een beeld geschetst van de maatschappelijke positie en participatie van personen met een handicap in Vlaanderen. Voor de afbakening van de doelgroep wordt vertrokken van de definitie zoals opgenomen in het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (2006). Daarbij wordt niet enkel gekeken naar personen met een door de overheid erkende handicap maar naar alle personen met een langdurige ziekte, aandoening of handicap die daardoor hinder ondervinden om volwaardig te participeren aan de samenleving. Afhankelijk van de gehanteerde bron

varieert dat aandeel van 16% tot 24% van de meerderjarige bevolking, wat overeenkomt met ongeveer 700.000 tot 1,3 miljoen personen.

met een handicap die ernstige hinder ondervinden in hun dagelijkse activiteiten nog duidelijk slechter scoren dan personen met beperkte hinder.

Algemeen kan gesteld worden dat de maatschappelijke positie en participatie van personen met een handicap duidelijk minder goed is dan die van personen zonder handicap. Personen met een handicap zijn over het algemeen minder hoog geschoold, participeren minder aan de arbeidsmarkt, worden vaker geconfronteerd met een lager inkomen en een hoger armoederisico, leven vaker in een minder stabiele en kwalitatieve huisvestingssituatie, ervaren veel vaker gezondheidsproblemen en nemen minder deel aan het verenigingsleven, cultuur, sport en politiek. Op nagenoeg alle domeinen blijkt ook dat personen

Aanvullend op deze algemene bevindingen wordt in dit rapport gewezen op een aantal belangrijke blinde vlekken in de beschikbare gegevens over de doelgroep. De bronnen slagen er niet in om de totaliteit en diversiteit van de groep personen met een handicap helemaal te vatten. Daarnaast ontbreken gegevens over verschillende domeinen die voor personen met een handicap een belangrijke rol spelen in het werkelijk volwaardig kunnen participeren in het maatschappelijke leven. Om die blinde vlekken weg te werken, zijn specifieke bijkomende inspanningen nodig.


INLEIDING Statistiek Vlaanderen (SV) publiceert op haar website de meest actuele Vlaamse openbare statistieken over tal van thema’s. Deze openbare statistieken worden op een laagdrempelige manier voorgesteld, gericht op een breed publiek. Ter aanvulling en ondersteuning van deze openbare statistieken publiceert Statistiek Vlaanderen ook meer uitgebreide SV-rapporten. Het gaat daarbij niet alleen om rapporten waarbij bestaande statistieken meer in de diepte geanalyseerd worden of nieuwe methoden of databronnen worden verkend, maar eveneens om overzichtsrapporten waarin statistieken over een bepaald thema of een doelgroep worden samengebracht. Dit SV-rapport is zo’n overzichtsrapport waarin tal van statistieken over de maatschappelijke positie en participatie van personen met een handicap in Vlaanderen worden samengebracht. Daarbij werd vertrokken van een indicatorenset voor een Vlaamse handicapmonitor zoals in 2016 voorgesteld door prof. Geert Van Hove (Universiteit Gent) van het Steunpunt Gelijkekansenbeleid op vraag van het Team Gelijke Kansen van het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB). De in die indicatorenset opgenomen

indicatoren worden in dit rapport verder aangevuld met (nieuwe) relevante cijferreeksen gebaseerd op de Vlaamse openbare statistieken van Statistiek Vlaanderen. Voor de afbakening van de doelgroep van dit rapport werd vertrokken van de definitie zoals opgenomen in artikel 1 van het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap. Daarin wordt gesproken over “personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving” (VN, 2006). Deze definitie legt de link tussen de medische situatie van een persoon op individueel niveau (medische dimensie) en de drempels die die persoon daardoor mogelijk ervaart in de omgeving en de samenleving als geheel (sociale dimensie). Een bepaalde aandoening (bijvoorbeeld een probleem met de oogzenuw) kan ervoor zorgen dat een persoon kampt met een beperking (bijvoorbeeld een gebrekkig gezichtsvermogen). Die beperking wordt pas een handicap als die persoon daardoor botst op maatschappelijke drempels en niet volwaardig kan participeren aan

de samenleving (bijvoorbeeld niet zelfstandig naar de winkel kan gaan). In navolging van de VN-definitie wordt in dit rapport daarom niet gesproken over ‘personen met een (functie) beperking’, wel over ‘personen met een handicap’. Dat geeft aan dat hier niet alleen gekeken wordt naar de individuele, medische situatie van een persoon (de beperking), maar ook en vooral naar de mindere maatschappelijke positie of participatie die daarmee gepaard gaat of daarvan het gevolg is (de handicap). De omvang en het profiel van de groep personen met een handicap wordt geschetst in het eerste hoofdstuk van dit rapport. Daarbij wordt eerst gebruik gemaakt van administratieve gegevens van verschillende overheidsinstanties over de personen met een officieel erkende handicap. Daarna wordt aan de hand van algemene bevolkingsenquêtes geprobeerd een inschatting te maken van de omvang van de totale groep personen met een handicap, dus inclusief de personen waarvan de handicap (nog) niet officieel erkend werd. In de volgende hoofdstukken komt vervolgens de socio-economische positie, de gezondheid en de sociale

participatie van de personen met een handicap aan bod. Daarbij wordt per statistiek telkens eerst ingegaan op de huidige situatie op basis van de meest recente beschikbare data en op de evolutie van deze situatie. Daarna wordt waar relevant en mogelijk gekeken naar verschillen binnen de groep personen met een handicap naar geslacht, leeftijd en mate van hinder door de aandoening of handicap. In het laatste hoofdstuk van het rapport wordt ten slotte gefocust op de houding van de samenleving tegenover personen met een handicap.

In het begin van elk hoofdstuk is een korte bespreking van de gebruikte bronnen opgenomen. Wie over de bronnen meer informatie wil vinden, kan gebruik maken van de bronnenlijst en de daarin opgenomen weblinks achteraan het rapport. De opmaak van dit rapport werd ondersteund door een begeleidingsgroep met daarin vertegenwoordigers van verschillende entiteiten van de Vlaamse overheid die betrokken zijn bij het Vlaamse beleid inzake personen met een handicap. Het gaat om het Agentschap Binnenlands Bestuur, het Vlaams Agentschap voor

Personen met een Handicap, het departement Werk en Sociale Economie en het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. In de begeleidingsgroep zat daarnaast ook een vertegenwoordiger van de vzw Gelijke Rechten voor Iedere Persoon met een handicap (GRIP), de Vlaamse mensenrechtenorganisatie van en voor personen met een handicap. Op deze manier werd de doelgroep zelf bij de inhoud van dit rapport betrokken. De auteurs houden er aan de leden van deze begeleidingsgroep uitdrukkelijk te bedanken voor hun opmerkingen en feedback op de ontwerpteksten van dit rapport.

5


1.

AFBAKENING VAN DE DOELGROEP 1

Er bestaat in Vlaanderen of België geen uniek centraal administratief register van personen met een door de overheid erkende handicap. Om zicht te krijgen op de omvang en het profiel van de groep personen met een erkende handicap wordt in dit rapport daarom gebruik gemaakt van verschillende administratieve bronnen, zowel op Vlaams als op federaal niveau. Maar de afbakening van de doelgroep van het VN-verdrag over de Rechten van Personen met een Handicap gaat breder dan enkel de personen met een officieel erkende handicap. Alle personen met een langdurige ziekte, aandoening of handicap die daardoor hinder ondervinden om volwaardig te participeren aan de samenleving worden mee in rekening gebracht. Om de omvang en het profiel van deze ruimere groep te schetsen, wordt in het tweede deel van dit hoofdstuk gebruik gemaakt van de resultaten van een aantal algemene bevolkingsenquêtes.

1.1 ADMINISTRATIEVE DATABANKEN OVER PERSONEN MET EEN HANDICAP De administratieve databanken die hier aan bod komen zijn de gegevens over personen met een handicap die ondersteund worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) en de personen met een handicap erkend door de Directie-Generaal (DG) Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst (FOD) Sociale Zekerheid.

1.1.1 PERSONEN ONDERSTEUND DOOR HET VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP Het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) biedt op verschillende manieren zorg en ondersteuning aan personen met een handicap. Het VAPH definieert een handicap als “elk langdurig en belangrijk participatieprobleem van een persoon dat te wijten is aan het samenspel tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuigelijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten, en persoonlijke en externe factoren” (Decreet 7 mei 2004, art. 2). Om erkend te worden als een persoon met een handicap door het VAPH moet een vraag voor ondersteuning aan het VAPH voorgelegd worden. De eerste vraag ter ondersteuning dient gesteld te worden vóór de leeftijd van 65 jaar. Na die leeftijd kan het VAPH geen nieuwe erkenning meer geven. Om in aanmerking te komen voor ondersteuning moet men in het Vlaamse of Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wonen.

7


De ondersteuning van het VAPH bestaat uit een divers aanbod van verschillende vormen van zorg en ondersteuning. Hierna komt eerst de laagdrempelige ondersteuning (de zogenaamde ‘trap 1’) aan bod onder de vorm van rechtstreeks toegankelijke hulp en het zorgbudget voor personen met een handicap. Daarna volgt de niet-rechtstreeks toegankelijke hulp (‘trap 2’). Daarbij gaat het om minderjarigen in een multifunctioneel centrum of met een persoonlijke-assistentiebudget (PAB), en om meerderjarigen met een persoonsvolgend budget. Ten slotte wordt het aantal actieve gebruikers van hulpmiddelen of aanpassingen weergegeven (individuele materiële bijstand). Personen kunnen sommige van deze ondersteuningsvormen combineren. In totaal kregen eind 2020 103.640 unieke personen een ondersteuning van het VAPH of een zorgbudget. Dat zijn er 2% meer dan in 2018. Tussen 2019 en 2020 is het aantal ondersteunde personen wel iets gedaald. Mogelijk hangt de daling bij een aantal ondersteuningsvormen in 2020 samen met de maatregelen die genomen werden in het kader van de bestrijding van de COVID-19-crisis. Tabel 1. Personen met een handicap die ondersteund worden door het VAPH per ondersteuningsvorm Vlaamse Gemeenschap, 2018-2020, aantal 2018

2019

2020

Zorgbudget

14.674

16.060

16.508

Rechtstreeks toegankelijke hulp

26.243

27.940

27.592

TRAP 1

Globale individuele ondersteuning (GIO) (minderjarigen) Rechtstreeks toegankelijke hulp en GIO

801 26.243

27.940

27.757

9.527

9.261

8.642

TRAP 2 Multifunctioneel centrum (minderjarigen) Persoonlijke-assistentiebudget (minderjarigen) Persoonsvolgend budget (meerderjarigen)

879

1.038

1.129

24.677

25.299

25.399

46.935

46.767

46.310

INDIVIDUELE MATERIËLE BIJSTAND Hulpmiddelen of aanpassingen PRIORITEITENGROEPEN (PG) PG 1

1.257

1.829

1.802

PG 2

1.616

2.826

3.777

PG 3

12.190

11.487

11.044

101.661

104.040

103.640

Totaal unieke personen

Noot: het totaal aantal unieke personen is niet gelijk aan de som van de verschillende ondersteuningsvormen omdat eenzelfde persoon tegelijk gebruik kan maken van verschillende ondersteuningsvormen. Bron: VAPH

Eind 2020 maakten 27.757 personen met een handicap gebruik van rechtstreeks toegankelijke hulp of een globale individuele ondersteuning voor minderjarigen (GIO). Rechtstreeks toegankelijke hulp biedt beperkte, handicapspecifieke ondersteuning in de vorm van begeleiding, dagopvang of verblijf voor personen met een handicap die af en toe hulp nodig hebben. Voor rechtstreeks toegankelijke hulp hoeft geen aanvraag ingediend te worden bij het VAPH of de intersectorale toegangspoort. Dat kan rechtstreeks bij een zorgaanbieder. Het aantal personen met rechtstreeks toegankelijke hulp is tussen 2018 en 2020 toegenomen met 6%. Tussen 2019 en 2020 was er wel sprake van een beperkte afname. De globale individuele ondersteuning voor minderjarigen (GIO) is een specifieke vorm van rechtstreekse toegankelijke hulp voor minderjarigen in de kinderopvang of op school. Daarover zijn cijfers beschikbaar vanaf 2020. Daarnaast kregen in 2020 16.508 personen een zorgbudget. Het zorg­ budget voor personen met een handicap (opvolger van het basis­onder­ steuningsbudget) is een forfaitaire financiële tegemoetkoming die wordt uitgekeerd in het kader van de Vlaamse Sociale Bescherming en kan besteed worden aan rechtstreeks toegankelijke hulp of ondersteuning. Het zorgbudget voor personen met een handicap kan niet aangevraagd worden, maar wordt automatisch toegekend aan wie aan de voorwaarden voldoet. De niet-rechtstreeks toegankelijke hulp (trap 2) valt uiteen in verschillende ondersteuningsvormen. Wat minderjarigen betreft gaat het om onder­ steuning door een multifunctioneel centrum of een persoonlijkeassistentiebudget. Eind 2020 maakten 8.642 kinderen, jongeren en jongvolwassenen met een handicap gebruik van de ondersteuning door een multifunctioneel centrum. De multifunctionele centra in Vlaanderen hebben de opdracht om flexibele, vraaggestuurde trajecten aan te bieden. Dat vertaalt zich onder meer in kortere ondersteuningstrajecten in de vorm van begeleiding, dagopvang of verblijf of via samenwerking met diensten uit andere sectoren. In 2020 lag het aantal minderjarigen dat begeleid wordt door de multifunctionele centra 9% lager dan in 2018. Daarnaast deden in 2020 1.129 kinderen, jongeren en jongvolwassenen met een handicap beroep op een persoonlijke-assistentiebudget. Een persoonlijke-assistentiebudget is een budget dat het VAPH verstrekt om de assistentie voor kinderen met een handicap thuis of op school te organiseren en te financieren. Enkel minderjarigen kunnen een persoonlijkeassistentiebudget aanvragen. De maximumleeftijd voor een dergelijk budget is 22 jaar. Het aantal personen met een persoonlijke-assistentiebudget is tussen 2018 en 2020 gestegen met 28%. Nog in trap 2 hadden eind 2020 25.399 meerderjarige personen met een handicap een persoonsvolgend budget ter beschikking. Een persoonsvolgend budget is bedoeld voor volwassenen die door hun handicap intensieve of frequente ondersteuning nodig hebben. Het gaat om een budget op maat waarmee zorg en ondersteuning kan ingekocht worden binnen het eigen netwerk, bij vrijwilligersorganisaties, bij individuele begeleiders, professionele

9


zorgverleners of bij door het VAPH vergunde zorgaanbieders. Het aantal meerderjarige personen met een persoonsvolgend budget is tussen 2018 en 2020 met 3% gestegen. 16.524 personen met een handicap stonden eind 2020 op de wachtlijst voor (een verhoging van) een persoonsvolgend budget. Dat zijn er 10% meer dan in 2018. Die groep kan verder opgedeeld worden in 3 prioriteitengroepen (PG), waarbij PG1 staat voor de meest dringende vragen en PG3 voor de minst dringende vragen. Personen die wachten op een (verhoging van hun) persoonsvolgend budget in een prioriteitengroep, kunnen gebruik maken van andere ondersteuningsvormen in afwachting van de terbeschikkingstelling van hun persoonsvolgend budget. Bijna de helft van de personen op de wachtlijst (47%) kreeg eind 2020 al een zorgbudget voor mensen met een handicap en/of rechtstreeks toegankelijke hulp of GIO. Bijna een derde (29%) had al een persoonsvolgend budget, maar vroeg een verhoging aan. 8% was een actieve gebruiker van een hulpmiddel of aanpassing (Individuele materiële bijstand of IMB). Dat maakt dat 14% van de personen die eind 2020 op de wachtlijst stonden voor een persoonsvolgend budget geen trap 1- of trap 2-ondersteuning of ondersteuning via een hulpmiddel of aanpassing kregen van het VAPH. Dat komt overeen met 2.259 personen. Tabel 2. Ondersteuning van personen die wachten op een persoonsvolgend budget Vlaamse Gemeenschap, 2020, aantal en % AANTAL 3.509

21,2

Rechtstreeks toegankelijke hulp/GIO

2.239

13,5

Zorgbudget + rechtstreeks toegankelijke hulp/GIO

2.076

12,6

238

1,4

Deel persoonsvolgend budget

4.845

29,3

Geen van bovenstaande ondersteuning, wel IMB

1.358

8,2

Geen van bovenstaande ondersteuning, zonder IMB Totaal

Figuur 1. Profiel van gebruikers van ondersteuning door VAPH naar geslacht en leeftijd Vlaamse Gemeenschap, 2020, in % Rechtstreeks toegankelijke hulp

Persoonsvolgend budget

Hulpmiddelen en aanpassingen

Persoonlijkeassistentiebudget

Multifunctionele centra

Man

62

56

49

59

68

Vrouw

38

45

51

41

32

0

1

2

0-5 jaar 6-11 jaar

15 19

12-17 jaar

0 0

4

24

30

6

50

44

18-39 jaar

28

36

18

24

20

40-59 jaar

18

41

28

0

0

7

22

43

0

0

60 jaar en ouder

13

6

Bron: VAPH, bewerking Statistiek Vlaanderen

%

Zorgbudget

Multifunctioneel centrum of persoonlijke-assistentiebudget

Naar leeftijd is er sprake van een grote diversiteit, die veelal te maken heeft met de specificiteit van de verschillende ondersteuningsvormen. Bij de rechtstreekse toegankelijke hulp is de verscheidenheid naar gebruik van de verschillende leeftijdsgroepen het grootst. Bij de ondersteuningsvormen voor minderjarigen zijn de 12- tot 17-jarigen de grootste groep gebruikers. De hulpmiddelen en aanpassingen worden het vaakst gebruikt door de personen van 60 jaar en ouder.

2.259

13,7

16.524

100,0

Er is ook informatie beschikbaar over de aard van de handicap onder de vorm van vastgelegde handicapcodes. Daaruit blijkt dat 36% van het totaal aantal personen met VAPH-ondersteuning of wachtend in een prioriteitengroep een fysieke handicap heeft. 33% heeft een lichte, matige of ernstige verstandelijke handicap.

Bron: VAPH

Naast de ondersteuning in trap 1 en 2 kunnen zowel minderjarige als meerderjarige personen met een handicap gebruik maken van hulpmiddelen of aanpassingen (IMB). In 2020 ging het om 46.310 actieve gebruikers. Daarbij gaat het om financiële ondersteuning bij de aanschaf of huur van bepaalde handicapspecifieke hulpmiddelen voor het dagelijks leven of bij de aanpassing van de woning. Het aantal actieve gebruikers nam tussen 2018 en 2020 beperkt af (-1,3%). De personen die ondersteuning en zorg krijgen van het VAPH zijn overwegend mannen. Enkel bij de hulpmiddelen en aanpassingen was er in 2020 een klein overwicht van vrouwen.

11


Tabel 3. Personen met een handicap die ondersteund worden door het VAPH naar type handicap Vlaamse Gemeenschap, 2020, aantal en in % AANTAL

%

Licht verstandelijk

13.563

13,1

Matig verstandelijk

12.398

12,0

Ernstig of diep verstandelijk

8.129

7,8

Autismespectrumstoornissen

13.073

12,6

Stoornis van specifieke mentale functies Fysieke handicap (motorische en uithoudingstoornis) (Ernstige) gedrags- en emotionele stoornissen

6.316

6,1

37.000

35,7

6.471

6,2

Psychiatrische aandoeningen

4.431

4,3

Psychische stoornis niet gespecifieerd

2.241

2,2

184

0,1

Enkel zwakbegaafd Zintuiglijke handicap (auditief, visueel en spraak)

16.158

15,9

Geen handicapcode

24.913

24,0

Totaal

103.640

Noot: personen met meerdere handicaps komen in meerdere categorieën voor. Bij personen zonder handicapcode is geen informatie beschikbaar over het type handicap. Bron: VAPH

1.1.2 PERSONEN MET EEN DOOR DE FOD SOCIALE ZEKERHEID ERKENDE HANDICAP Een erkenning als persoon met een handicap kan door personen vanaf 18 jaar aangevraagd worden bij de Directie-Generaal (DG) Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst (FOD) Sociale Zekerheid. Diverse sociale en fiscale voordelen bij tal van beleidsinstanties op federaal, regionaal en lokaal niveau zijn gebaseerd op die erkenning door de FOD Sociale Zekerheid. Bij de erkenning van een handicap door de FOD Sociale Zekerheid bestaan 2 stelsels. In het eerste stelsel gaat de DG Personen met een Handicap na wat de impact van de handicap is op de zelfredzaamheid van de persoon om dagelijkse activiteiten uit te voeren. Daarbij wordt gekeken naar 6 domeinen: verplaatsen, eten bereiden en opeten, verzorgen en aankleden, de woning onderhouden en huishoudelijke activiteiten doen, gevaar inschatten en vermijden en contacten onderhouden met andere personen. Per criterium worden punten van 0 tot 3 toegekend afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid: hoe minder zelfredzaam, hoe meer punten. Wie in totaal minstens 7 punten behaalt, komt in aanmerking voor een erkenning. In een tweede stelsel van erkenning wordt door de DG Personen met een Handicap de impact van de handicap op het verdienvermogen van de persoon nagegaan. Kan de persoon niet werken door de handicap of is het verdienvermogen verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon op de gewone arbeidsmarkt kan verdienen, dan komt de persoon in aanmerking voor een erkenning.

Eind 2020 waren in het Vlaamse Gewest in totaal iets meer dan 333.000 personen erkend als persoon met een handicap door de FOD Sociale Zekerheid. Dat komt overeen met iets meer dan 6% van de meerderjarige bevolking. Het aantal erkende personen met een handicap steeg tussen 2010 en 2016 en bleef daarna min of meer gelijk. In 2020 lag het aantal erkende personen wel lager dan in het voorgaande jaar. In totaal steeg het aantal erkende personen met een handicap in het Vlaamse Gewest tussen 2010 en 2020 met 8%. Afgezet tegenover de totale meerderjarige bevolking was die stijging duidelijk minder groot. Dat aandeel steeg tussen 2010 en 2015 van 6,1% tot 6,5%, maar daalde daarna tot 6,2% in 2020. Tabel 4. Personen met een door de FOD Sociale Zekerheid erkende handicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in aantal en in % ten opzichte van de meerderjarige bevolking

AANTAL PERSONEN MET ERKENDE HANDICAP

% TEN OPZICHTE VAN MEERDERJARIGE BEVOLKING

2010

307.778

6,1

2011

320.089

6,3

2012

324.044

6,3

2013

327.033

6,3

2014

333.569

6,4

2015

338.089

6,5

2016

342.044

6,5

2017

341.271

6,5

2018

341.028

6,4

2019

343.438

6,4

2020

333.295

6,2

Noot: aangezien het gaat om cijfers over het aantal personen met een erkende handicap op het einde van het jaar, wordt voor de berekening van het aandeel in de bevolking gebruik gemaakt van de bevolkingscijfers van 1 januari van het volgende jaar. Bron: DG Personen met een Handicap – FOD Sociale Zekerheid, bewerking Statistiek Vlaanderen

Bij de personen met een erkende handicap zijn de vrouwen in de meerderheid. Eind 2020 ging het in het Vlaamse Gewest om 59% vrouwen en 41% mannen. Die aandelen waren in 2010 ongeveer even groot. Naar leeftijd blijkt de meerderheid van de personen met een erkende handicap 65 jaar of ouder. In 2020 ging het om 59% van het totaal aantal personen met een erkende handicap. Dat aandeel lag in 2010 nog iets hoger (63%). Afgezet tegenover de totale bevolking ligt het aandeel personen met een erkende handicap bij vrouwen duidelijk hoger dan bij mannen. Eind 2020 ging het om 7,2% bij de vrouwen en 5,2% bij de mannen. Naar leeftijd neemt het aandeel met een erkende handicap sterk toe bij de oudere groepen. Bij de groep tot 34 jaar ging het in 2020 om 2%, bij de groep van 85 jaar en ouder om 34%.

13


Opvallend: tussen 2010 en 2020 is het aandeel personen met een erkende handicap bij de oudste leeftijdsgroepen duidelijk afgenomen. Dat zorgt ervoor dat ondanks de veroudering van de bevolking het aandeel met een erkende handicap in de totale bevolking in 2020 niet beduidend hoger ligt dan in 2010. Tabel 5. Personen met een door de FOD Sociale Zekerheid erkende handicap naar geslacht en leeftijd Vlaams Gewest, 2010 en 2020, in aantal en in % ten opzichte van de meerderjarige bevolking

AANTAL PERSONEN MET ERKENDE HANDICAP

% TEN OPZICHTE VAN MEERDERJARIGE BEVOLKING

Tabel 6. Personen met een door de FOD Sociale Zekerheid erkende handicap naar pathologie volgens de ICD-10-classificatie Vlaams Gewest, 2020, aantal en in % AANTAL

%

Ziekten van botspierstelsel en bindweefsel

HOOFDCATEGORIE ICD-10-CLASSIFICATIE

62.242

18,7

Psychische stoornissen en gedragsstoornissen

50.344

15,1

Ziekten van hart en vaatstelsel

26.700

8,0

Ziekten van zenuwstelsel

18.944

5,7

Nieuwvormingen (kankers en andere nieuwvormingen)

14.888

4,5

Letsel, vergiftiging en bepaalde andere gevolgen van uitwendige oorzaken

7.660

2,3

Ziekten van ademhalingsstelsel

7.511

2,3

2010

2020

2010

2020

Endocriene ziekten en voedings- en stofwisselingsstoornissen

7.344

2,2

Man

125.939

137.094

5,1

5,2

Ziekten van oog en adnexen

5.405

1,6

Vrouw

181.839

196.201

7,0

7,2

Ziekten van urogenitaal stelsel

2.231

0,7

Ziekten van oor en processus mastoideus

1.672

0,5

18-34 jaar

19.055

24.582

1,5

1,9

Ziekten van spijsverteringsstelsel

1.640

0,5

35-49 jaar

35.152

34.947

2,6

2,7

Congenitale afwijkingen, misvormingen en chromosoomafwijkingen

1.456

0,4

50-64 jaar

60.990

75.479

4,9

5,4

Infectieziekten en parasitaire aandoeningen

560

0,2

65-84 jaar

135.181

126.953

13,4

10,9

0,2

57.400

71.334

40,2

34,0

Ziekten van bloed en bloedvormende organen en bepaalde aandoeningen van het immuunsysteem

559

85 jaar en ouder

Ziekten van huid en subcutis

183

0,1

Aandoeningen die hun oorsprong hebben in perinatale periode

68

0,0

Andere

23

0,0

Niet beoordeeld

123.865

37,2

Totaal

333.295

100,0

Noot: aangezien het gaat om cijfers over het aantal personen met een erkende handicap op het einde van het jaar, wordt voor de berekening van het aandeel in de bevolking gebruik gemaakt van de bevolkingscijfers van 1 januari van het volgende jaar. Bron: DG Personen met een Handicap – FOD Sociale Zekerheid, bewerking Statistiek Vlaanderen

De personen met een door de FOD Sociale Zekerheid erkende handicap kunnen opgedeeld worden naar pathologie. Sinds 2013 gebruiken de artsen van de DG Personen met een Handicap daarvoor de internationaal erkende ‘International Classification of Diseases and Related Health Problems’ (ICD-10 classificatie). Uit deze cijfers blijkt dat eind 2020 19% van de personen met een erkende handicap een ziekte had van het botspierstelsel of bindweefsel en 15% geconfronteerd werd met een psychische stoornis of gedragsstoornis. Daarna volgden ziekten van hart- en vaatstelsel (8%), ziekten van het zenuwstelsel (6%) en nieuwvormingen (4%). Ruim 37% van de eind 2020 erkende personen werd nog niet toegewezen aan een specifieke categorie van de ICD-10-classificatie.

Bron: DG Personen met een Handicap – FOD Sociale Zekerheid, bewerking Statistiek Vlaanderen

1.2 ALGEMENE BEVOLKINGSENQUÊTES Zoals al vermeld dient volgens het VN-verdrag over de Rechten van Personen met een Handicap niet enkel gekeken te worden naar de positie en participatie van personen met een erkende handicap, maar naar alle personen die door een langdurige ziekte, aandoening of handicap hinder ondervinden om volwaardig te participeren aan de samenleving. Om deze ruimere groep in kaart te brengen, wordt hierna gebruik gemaakt van een aantal algemene bevolkingsenquêtes. Het gaat om de Gezondheidsenquête van Sciensano, de EU-SILC-survey en de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) van het Belgische statistiekbureau Statbel en de Sociaal-Culturele Verschuivingen Survey (SCV-survey) van Statistiek Vlaanderen. Het zijn deze enquêtes waarvan de data in de volgende hoofdstukken van dit rapport verder gebruikt worden om de socio-economische positie, gezondheid en sociale participatie van personen met een handicap in beeld te brengen. Voor de afbakening van de doelgroep worden in dit rapport telkens 2 vragen uit deze bevolkingsenquêtes gebruikt. Een eerste vraag heeft betrekking

15


op de aanwezigheid van een langdurige ziekte, aandoening of handicap (gezondheidsprobleem). Op deze manier wordt gefocust op de groep personen met een langdurige aandoening of beperking (medische dimensie). Maar het hebben van een langdurige aandoening alleen is niet voldoende als criterium voor de afbakening van de doelgroep. Het probleem is niet de medische aandoening op zich, maar het participatieprobleem dat erdoor mogelijk ontstaat (sociale dimensie). Daarom wordt bij de afbakening van de groep personen met een handicap in dit rapport ook het antwoord op een tweede vraag in rekening gebracht, met name de vraag of de persoon door het aanwezige langdurige gezondheidsprobleem hinder ondervindt in de dagelijkse bezigheden. Enkel personen die op beide vragen een positief antwoord geven, worden hier beschouwd als personen met een handicap. Merk op dat deze afbakening niet helemaal overeenkomt met de zogenaamde ‘Global Activity Limitation Indicator’ (GALI-indicator). Bij de GALI-indicator wordt geen gebruik gemaakt van de vraag of men te kampen heeft met een langdurige ziekte, aandoening of handicap maar enkel van de vraag of men langdurige hinder ondervindt in de dagelijkse bezigheden door een gezondheidsprobleem (inclusief gezondheidsproblemen ten gevolge van ouderdom). De GALI-indicator geeft bijgevolg iets andere resultaten omdat een deel van de respondenten wel zegt hinder te ondervinden in de dagelijkse bezigheden door een gezondheidsprobleem, maar tegelijk aangeeft geen langdurige ziekte, aandoening of handicap te hebben. Volgens de Gezondheidsenquête van 2018 ging het om 5% van de meerderjarige bevolking en om 11% van de 65-plussers. Zij worden in dit rapport niet gerekend bij de personen met een handicap. De precieze vraagstelling kan verschillen tussen de verschillende enquêtes - wat leidt tot verschillen in de resultaten -, maar duidelijk is wel dat de hier gebruikte afbakening van de doelgroep niet beperkt blijft tot de groep personen met een door de overheid op basis van wettelijke bepalingen of administratieve procedures erkende handicap. Alle personen die door een langdurige handicap, ziekte of aandoening hinder ondervinden bij het uitvoeren van dagelijkse bezigheden worden meegenomen, inclusief dus de personen van wie de handicap (nog) niet erkend werd door een officiële instantie. Er zijn daarnaast nog een aantal bemerkingen te maken bij de resultaten van deze enquêtes. Het gaat vooreerst om een subjectieve beoordeling door de betrokkene zelf van eventueel aanwezige gezondheidsproblemen en daarmee gepaard gaande beperkingen. Daarnaast ontbreekt bij de meeste enquêtes informatie over het soort aandoening en de aard van de beperkingen die voortvloeien uit de aandoening. Ook is het zo dat kinderen in dergelijke algemene bevolkingsenquêtes niet bevraagd worden waardoor zijn geen informatie geven over de positie en participatie van kinderen met een handicap. Bovendien verblijven personen met ernstige beperkingen vaak in collectieve huishoudens (instellingen) en net die groep wordt met

algemene bevolkingsenquêtes moeilijk of niet bereikt. En tot slot is het uiterst moeilijk om mensen met een verstandelijke beperking of bepaalde fysieke beperkingen via een survey te bereiken. Meer algemeen dient uiteraard opgemerkt te worden dat deze surveyresultaten onderhevig zijn aan de gebruikelijke statistische foutenmarge. Deze foutenmarge is groter naarmate de steekproef waarop de cijfers berekend worden, kleiner is.

1.2.1 GEZONDHEIDSENQUÊTE De Gezondheidsenquête van Sciensano (tot 2017 het Wetenschappelijk Instituut voor de Volksgezondheid) geeft een globaal overzicht van de gezondheidstoestand van de totale Belgische bevolking, vanuit het standpunt van de bevraagde zelf. De meest recente gezondheidsenquête werd georganiseerd in 2018. Eerdere edities vonden plaats in 1997, 2001, 2004, 2008 en 2013. In 2018 werden in geheel België 11.250 huishoudens gecontacteerd, waarvan er 5.692 deelnamen. Per huishouden dat bevraagd wordt, worden telkens maximaal 4 personen geïnterviewd waaronder de referentiepersoon van het huishouden en de eventuele partner. In het Vlaamse Gewest namen in 2018 in totaal 4.296 personen van 15 jaar en ouder deel aan de enquête. Elke persoon van 15 jaar en ouder kreeg mondeling vragen over de gezondheid, het gezondheidsgedrag en de medische consumptie. Aspecten van de mentale gezondheid, evenals vragen omtrent het alcohol- en tabaksgebruik, kwamen aan bod in een schriftelijke vragenlijst. Om de groep personen met een handicap in beeld te brengen, wordt hier gebruik gemaakt van volgende 2 vragen uit de schriftelijke vragenlijst: 1. “Hebt u een langdurige ziekte of aandoening (gezondheidsprobleem)?”. Ja/neen. 2. “Bent u, vanwege een gezondheidsprobleem, sinds 6 maanden of langer beperkt geweest in activiteiten die mensen gewoonlijk doen?”. Ja, erg beperkt/ja, beperkt/neen, niet beperkt. Personen die tegelijk vraag 1 met “ja” beantwoorden en vraag 2 met “ja, beperkt” of “ja, erg beperkt” worden hier beschouwd als personen met een handicap. Op basis van het antwoord op vraag 2 kan deze groep verder opgedeeld worden in personen met beperkte hinder in activiteiten die mensen gewoonlijk doen (“ja, beperkt”) en personen met ernstige hinder (“ja, erg beperkt”). Merk op: in de editie van 2018 werd de formulering van de eerste vraag gewijzigd. De term ‘handicap’ werd uit de vraag geschrapt. In 2013 antwoordde 27% van de respondenten positief op de eerste vraag, in 2018 was dat 28%.

17


In 2018 gaf in totaal 16% van de bevolking van 18 jaar en ouder in het Vlaamse Gewest aan een langdurig gezondheidsprobleem te hebben en beperkt te zijn in de dagelijkse activiteiten. Dat komt overeen met ongeveer 700.000 personen. Deze totale groep personen met een handicap kan verder opgedeeld worden naar mate van hinder in de dagelijkse activiteiten: 5% van de bevolking ondervindt ernstige hinder en 11% beperkte hinder. Het aandeel van 5% met ernstige hinder komt overeen met iets meer dan 200.000 personen. Het aandeel personen met een handicap is sinds 2001 toegenomen met ruim 3 procentpunten. In 2001 en 2004 ging het om 13% van de volwassen bevolking. Vanaf 2008 lag dat aandeel op 16%. Sinds 2008 blijft dat aandeel dus min of meer stabiel en dat ondanks de veroudering van de bevolking. Tabel 7. Bevolking van 18 jaar en ouder met een handicap naar mate van hinder Vlaams Gewest, 2001-2018, in % BEPERKTE HINDER

ERNSTIGE HINDER

TOTAAL

2001

9

4

13

2004

9

4

13

2008

11

5

16

2013

10

6

16

2018

11

5

16

Figuur 2. Personen van 18 jaar en ouder met handicap en mate van hinder naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau Vlaams Gewest, 2018, in % Beperkte hinder

Ernstige hinder

Totaal

Totaal

11

5

16

Man

9

5

14

Vrouw

13

5

18

18-34 jaar

5

35-49 jaar

10

50-64 jaar

14

6

20

65 jaar en ouder

16

9

25

Laaggeschoold

17

10

27

Middengeschoold

13

6

19

Hooggeschoold

8

1

6 3

2

13

10

Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen

Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen

1.2.2 EU-SILC-SURVEY Het aandeel personen met een handicap is niet gelijk verdeeld over de bevolking. Dat aandeel ligt om te beginnen hoger bij vrouwen dan bij mannen: bij mannen ging het in 2018 om 14%, bij vrouwen om 18%. Het verschil tussen mannen en vrouwen zit vooral bij de groep met beperkte hinder: die is bij vrouwen duidelijk groter dan bij mannen. Het aandeel met een handicap neemt sterk toe met de leeftijd. Bij de groep van 18 tot 34 jaar heeft 6% een handicap, bij de 65-plussers loopt dat op tot 25%. Ook naar onderwijsniveau is er een verschil: het aandeel personen met een handicap neemt duidelijk af naarmate men hoger geschoold is. Bij de laaggeschoolden gaat het om 27%, bij de hooggeschoolden om 10%. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het hogere aandeel personen met een handicap bij de oudere leeftijdsgroepen en het hogere aandeel bij de lager geschoolden deels samenhangt aangezien ouderen over het algemeen lager geschoold zijn dan jongeren. Ter info: bij de bepaling van het onderwijsniveau van de bevolking wordt in dit rapport telkens een onderscheid gemaakt tussen 3 groepen. Laaggeschoolden zijn personen zonder diploma van het secundair onderwijs. Middengeschoolden zijn personen met hoogstens een kwalificatie van het secundair onderwijs van de 3de graad of een diploma postsecundair niet-hoger onderwijs en hooggeschoolden zijn personen met een diploma hoger onderwijs.

Een tweede bron die hier gebruikt wordt om de omvang en het profiel van de groep personen met een handicap in te schatten is de European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC-survey). De EU-SILCsurvey is een door het Europese statistiekbureau Eurostat gecoördineerde en voor België door het Belgische statistiekbureau Statbel uitgevoerde enquête naar inkomens en andere levensomstandigheden, met als voornaamste doel het opstellen van vergelijkbare indicatoren in het kader van inkomen, armoede en sociale uitsluiting binnen de Europese Unie. De uitvoering van de EU-SILC-survey is sinds 2004 bij Europese verordening verplicht voor alle landen. Het betreft een enquête die wordt afgenomen bij een steekproef van private huishoudens uit het Rijksregister, waarbij de referentiepersoon van het huishouden wordt geïnterviewd en elk huishoudlid van 16 jaar en ouder. In het Vlaamse Gewest worden jaarlijks in totaal via de huishoud- en individuele vragenlijst gegevens verzameld van ongeveer 7.500 personen. Net als bij de Gezondheidsenquête zijn in de EU-SILC-survey volgende 2 vragen opgenomen: 1. “Hebt u een langdurige ziekte of aandoening (gezondheidsprobleem)?”. Ja/neen. 2. “Bent u, vanwege een gezondheidsprobleem, sinds 6 maanden of langer beperkt geweest in activiteiten die mensen gewoonlijk doen?”. Ja, ernstig beperkt/ja, beperkt maar niet ernstig/neen, niet beperkt.

19


Net als in de Gezondheidsenquête werd de term ‘handicap’ dus niet opgenomen in de eerste vraag. Personen die tegelijk vraag 1 met “ja” beantwoorden en vraag 2 met “ja, beperkt maar niet ernstig” of “ja, ernstig beperkt” worden hier beschouwd als personen met een handicap. Op basis van het antwoord op vraag 2 kan deze groep verder opgedeeld worden in personen met beperkte hinder in activiteiten die mensen gewoonlijk doen (“ja, beperkt maar niet ernstig”) en personen met ernstige hinder (“ja, ernstig beperkt”). Volgens de EU-SILC-survey gaf in 2020 18% van de volwassen bevolking in het Vlaamse Gewest aan een langdurig gezondheidsprobleem te hebben en beperkt te zijn in de dagelijkse activiteiten. Dat komt overeen met ongeveer 950.000 personen. Het aandeel personen met ernstige hinder lag op 7% (ongeveer 400.000 personen). De EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. In 2020 werden door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal aanpassingen aan de gebruikte methode doorgevoerd. Omwille van de lockdownmaatregelen vanaf maart 2020 werd het veldwerk tijdelijk onderbroken en werd een deel van de interviews afgenomen via de telefoon in plaats van face-to-face. Daardoor is ook voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen tussen 2019 en 2020. Toch kan gesteld worden dat het aandeel personen met een handicap tussen 2010 en 2020 steeds schommelde tussen 17% en 19%. De aandelen met beperkte en ernstige hinder bleven in die periode min of meer stabiel. Tabel 8. Bevolking van 18 jaar en ouder met een handicap naar mate van hinder Vlaams Gewest, 2010-2020, in % van bevolking BEPERKTE HINDER

ERNSTIGE HINDER

TOTAAL

2010

11

7

18

2011

10

7

17

2012

10

7

17

2013

11

7

18

2014

9

9

18

2015

11

8

19

2016

10

9

19

2017

11

8

19

2018

10

8

18

2019

11

8

19

2020

11

7

18

Noot: de EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met voorgaande jaren. Bron: EU-SILC-survey Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Uit de cijfers van de EU-SILC-survey blijkt dat het aandeel personen met een handicap iets hoger ligt bij vrouwen dan bij mannen, sterk toeneemt met de leeftijd en sterk afneemt met het onderwijsniveau. En net als bij de resultaten van de Gezondheidsenquête blijkt dat het verschil naar geslacht vooral terug te vinden is bij de groep personen met ernstige hinder en dat de verschillen naar leeftijd en onderwijsniveau terugkomen bij zowel de groep met beperkte hinder als bij de groep met ernstige hinder. Figuur 3. Personen van 18 jaar en ouder met handicap en mate van hinder naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau Vlaams Gewest, 2020, in % Beperkte hinder

Ernstige hinder

Totaal

Totaal

11

7

18

Man

11

6

17

Vrouw

11

9

20

18-34 jaar

5

35-49 jaar

9

5

14

50-64 jaar

13

9

22

65 jaar en ouder

18

12

30

Laaggeschoold

19

17

36

Middengeschoold

10

8

18

Hooggeschoold

7

3

3

8

10

Bron: EU-SILC-survey Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

1.2.3 SOCIAAL-CULTURELE VERSCHUIVINGEN SURVEY Een derde algemene bevolkingsenquête die in dit rapport gebruikt wordt, is de Sociaal-Culturele Verschuivingen Survey (SCV-survey) van Statistiek Vlaanderen (SV). Het gaat om een jaarlijkse face-to-face enquête naar opvattingen, overtuigingen en handelingen rond diverse maatschappelijke en beleidsrelevante thema’s die tot 2018 werd afgenomen bij een toevallige steekproef van ongeveer 1.500 Nederlandstalige inwoners van het Vlaamse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 18 jaar en ouder. De SCV-survey werd in 2018 voor een laatste keer afgenomen. In de loop van 2020 werd door Statistiek Vlaanderen een nieuwe algemene bevraging voorbereid met een vernieuwde methodologie. De eerste resultaten van deze nieuwe SV-bevraging werden gepubliceerd in het voorjaar van 2021. Omwille van het feit dat er nog geen evolutie geschetst kan worden op basis van de nieuwe SV-bevraging en verschillende jaargangen dus niet gepoold kunnen worden (zie verder), wordt in dit rapport enkel gebruik gemaakt van de resultaten van de SCV-survey.

21


Om de groep personen met een handicap in beeld te brengen, werden in de SCV-survey volgende 2 vragen opgenomen: 1. “Heeft u last van één of meerdere langdurige ziekte(n), langdurige aandoening(en) of handicap(s)?”. Ja/neen. 2. Aan de personen die op vraag 1 “ja” antwoordden, werd vervolgens volgende vraag gesteld: “Hoe vaak bent u belemmerd in uw dagelijkse bezigheden door deze ziekte(n), aandoening(en) of handicap(s)?”. Niet/af en toe/voortdurend. Personen die tegelijk vraag 1 met “ja” beantwoordden en vraag 2 met “af en toe” of “voortdurend” worden hier beschouwd als personen met een handicap. Op basis van het antwoord op vraag 2 kan deze groep verder opgedeeld worden in personen met beperkte hinder in de dagelijkse bezigheden (“af en toe”) en personen met ernstige hinder (“voortdurend”). Merk op: in tegenstelling tot in de Gezondheidsenquête en de EU-SILC-survey werd in de SCV-survey dus wel de term ‘handicap’ opgenomen in de eerste vraag. Bovendien werd in de SCV-survey de vraag over belemmeringen enkel gesteld aan de personen die op de eerste vraag “ja” hadden geantwoord en werd in de vraag over de belemmeringen geen tijdscriterium opgenomen (beperkingen aanwezig sinds 6 maanden of langer). Om binnen de groep personen met een handicap nog verder onderscheid te kunnen maken naar mate van hinder en andere achtergrondkenmerken zoals geslacht, leeftijd of onderwijsniveau, werd bij de analyses van de data van de SCV-survey gebruik gemaakt van gepoolde datasets. Dat wil zeggen dat telkens 3 edities van de SCV-survey werden samengenomen (gepoold). Op deze manier is het aantal bevraagde respondenten voldoende hoog om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over kleinere subgroepen binnen de totale groep personen met een handicap. Volgens de SCV-survey gaf in de periode 2016-2018 24% van de volwassen bevolking aan af en toe of voortdurend hinder te ondervinden in de dagelijkse bezigheden door een langdurige ziekte, aandoening of handicap. Dat aandeel ligt hoger dan in de Gezondheidsenquête en de EU-SILC-survey (respectievelijk 16% en 18%). En in tegenstelling tot bij de Gezondheidsenquête en de EU-SILC-survey is de groep met ernstige hinder hier ongeveer even groot als de groep met beperkte hinder. Het totaal aandeel personen met een handicap en de 2 subgroepen met beperkte en ernstige hinder bleven volgens de SCV-survey tussen 2010 en 2018 telkens ongeveer even groot, ondanks de veroudering van de bevolking in deze periode. In aantallen ging het in 2016-2018 bij de totale groep personen met een handicap om ongeveer 1,3 miljoen personen, bij de groep met ernstige hinder om ongeveer 650.000 personen.

Tabel 9. Bevolking van 18 jaar en ouder met een handicap naar mate van hinder Vlaamse Gemeenschap, 2010-2012 tot 2016-2018, in % van bevolking BEPERKTE HINDER

ERNSTIGE HINDER

TOTAAL

2010-2012

12

11

23

2013-2015

12

12

24

2016-2018

12

12

24

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op gepoolde datasets van telkens 3 edities van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

Het aandeel personen met een handicap lag in de periode 2016-2018 bij vrouwen duidelijk hoger dan bij mannen (respectievelijk 28% en 19%). Naar leeftijd ligt het aandeel met een handicap veel hoger bij de oudere leeftijdsgroepen. Bij de groep van 18 tot 34 jaar gaat het om 13% van de bevolking, bij de 65-plussers stijgt dat tot 33%. Het aandeel met een handicap ligt lager naarmate het onderwijsniveau stijgt. Bij laaggeschoolden gaat het om 34%, bij hooggeschoolden om 15%. Zoals al vermeld hangt leeftijd en onderwijsniveau op dit vlak deels samen: ouderen zijn over het algemeen lager geschoold dan jongeren. De verschillen naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau die te zien zijn bij het totaal aandeel personen met een handicap komeng telkens terug bij zowel de groep met beperkte hinder als de groep met ernstige hinder. Figuur 4. Personen van 18 jaar en ouder met handicap en mate van hinder naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, in % Beperkte hinder

Ernstige hinder

Totaal

Totaal

12

12

24

Man

10

9

19

Vrouw

14

14

28

18-34 jaar

9

4

13

35-49 jaar

10

8

18

50-64 jaar

14

16

30

65 jaar en ouder

15

18

33

Laaggeschoold

15

19

34

Middengeschoold

13

10

23

Hooggeschoold

9

6

15

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

23


1.2.4 ENQUÊTE NAAR DE ARBEIDSKRACHTEN Een laatste algemene bevolkingsenquête die in dit rapport aan bod komt, is de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) van Statbel. Het gaat om een bevraging die kadert in een door Eurostat gecoördineerde enquête over de arbeidsmarkt en -deelname (Labour Force Survey), met als voornaamste doel het opstellen van Europees vergelijkbare arbeidsmarktindicatoren. Het betreft een grootschalige enquête van private huishoudens uit het Rijksregister, die continu wordt uitgevoerd en waarbij de steekproef gelijkmatig wordt verdeeld over het jaar. In het Vlaamse Gewest worden jaarlijks in totaal gegevens verzameld van ongeveer 17.000 tot 18.000 huishoudens en 41.000 tot 43.000 personen. Deelname aan de EAK-enquête is voor de geselecteerde huishoudens verplicht. Om de groep personen met een handicap in beeld te brengen, wordt in de EAK-enquête – in tegenstelling tot de andere al behandelde enquêtes slechts gewerkt met 1 vraag: ”Ervaart u in uw dagelijkse bezigheden op het werk of daarbuiten, hinder door een handicap, een langdurige aandoening of langdurige ziekte (al dan niet werkgerelateerd)?” Ja, in erge mate/ja, in zekere mate, neen. Personen die de vraag met “ja, in erge mate” of “ja, in zekere mate” beantwoorden, worden hier beschouwd als personen met een arbeidshandicap. We gebruiken bij de presentatie van de gegevens van de EAK-enquête in dit rapport de term ‘arbeidshandicap’ in lijn met het woordgebruik van andere instellingen als Statbel, het departement Werk en Sociale Economie en de Commissie Diversiteit van de SERV. De groep personen met een arbeidshandicap kan verder opgedeeld worden in personen met beperkte hinder in de dagelijkse bezigheden (“ja, in zekere mate”) en personen met ernstige hinder (“ja, in erge mate”). Net als in de SCV-survey wordt in de EAK-enquête in de vraag over de belemmeringen geen tijdscriterium opgenomen (beperkingen aanwezig sinds 6 maanden of langer) en wordt in de vraagstelling wel gebruik gemaakt van de term ‘handicap’.

De EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bovendien werden omwille van de COVID-19-crisis in maart 2020 alle face-to-face-bevragingen tijdelijk vervangen door telefonische interviews. Toch kan gesteld worden dat het totaal aandeel personen met een arbeidshandicap en de 2 subgroepen met beperkte en ernstige hinder tussen 2010 en 2020 gestaag zijn toegenomen. Tabel 10. Bevolking van 18 tot 64 jaar met arbeidshandicap naar mate van hinder Vlaams Gewest, 2010-2020, in % van bevolking

BEPERKTE HINDER

ERNSTIGE HINDER

TOTAAL

2010

5

6

11

2011

6

7

13

2012

6

7

13

2013

6

7

13

2014

7

7

14

2015

7

7

14

2016

7

8

15

2017

7

8

15

2018

7

8

15

2019

7

8

15

2020

7

8

15

Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Ook hier blijkt het aandeel met een arbeidshandicap iets hoger te liggen bij vrouwen dan bij mannen, maar vooral duidelijk toe te nemen met de leeftijd en af te nemen met het onderwijsniveau. Dat is telkens zowel het geval bij het totaal aandeel met een arbeidshandicap als bij de groepen met beperkte en met ernstige hinder.

De vraag over hinder door een handicap, langdurige aandoening of ziekte wordt in de EAK-enquête enkel gesteld aan personen tussen 15 en 64 jaar. Daardoor zijn enkel voor deze leeftijdsgroep cijfers beschikbaar. Dat zorgt er voor dat de resultaten van de EAK-enquête niet rechtstreeks vergeleken kunnen worden met de andere al genoemde enquêtes. Volgens de EAK-enquête gaf in 2020 15% van de bevolking tussen 18 en 64 jaar aan in erge mate of in zekere mate hinder te ondervinden in de dagelijkse bezigheden door een handicap, langdurige ziekte of aandoening. De groep met ernstige hinder is ongeveer even groot als de groep met beperkte hinder. In aantallen gaat het bij de totale groep personen met een arbeidshandicap om ongeveer 600.000 personen, bij de groep met ernstige hinder om ongeveer 300.000 personen.

25


Figuur 5. Personen van 18 tot 64 jaar met arbeidshandicap en mate van hinder naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau Vlaams Gewest, 2020, in % Beperkte hinder

Ernstige hinder

Totaal

Totaal

7

8

15

Man

7

7

14

Vrouw

8

8

16

18-34 jaar

5

35-49 jaar

7

6

13

50-64 jaar

11

13

24

Laaggeschoold

13

17

30

Middengeschoold

7

7

14

Hooggeschoold

5

3

3

8

8

Tabel 11. Bevolking van 18 tot 64 jaar met arbeidshandicap waarvan de handicap of aandoening erkend werd door een officiële instantie Vlaams Gewest, 2011-2020, in % per groep BEPERKTE HINDER

ERNSTIGE HINDER

TOTAAL

2011

35

74

54

2012

33

75

55

2013

38

75

57

2014

40

76

58

2015

39

78

59

2016

43

82

63

2017

44

82

63

2018

43

82

63

2019

43

79

62

2020

42

83

63

Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Interessant is ten slotte dat in de EAK-enquête aan de personen die aangeven dat ze door een handicap, langdurige aandoening of langdurige ziekte gehinderd worden in hun dagelijkse bezigheden, wordt gevraagd of die handicap of langdurige ziekte erkend werd door een officiële instantie. Uit de resultaten van 2020 blijkt dat dat bij de bevolking van 18 tot 64 jaar in 63% van de gevallen inderdaad zo is. Daarbij is er wel sprake van een groot verschil tussen personen met ernstige hinder en personen met beperkte hinder: bij 83% van de personen die aangeven dat ze ernstig gehinderd worden, werd de handicap of aandoening effectief erkend door een officiële instantie, bij de personen met beperkte hinder gaat het om 42%. Het aandeel personen met een arbeidshandicap waarvan de handicap of aandoening effectief erkend werd door de overheid is duidelijk gestegen tussen 2011 en 2020 en dit zowel bij de personen met ernstige hinder als bij de personen met beperkte hinder.

27


2.

SOCIO-ECONOMISCHE POSITIE

2

2.1 ONDERWIJS EN VORMING In voorliggend hoofdstuk wordt vooreerst gekeken naar administratieve gegevens over het aantal leerlingen in het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs en over de deelname van personen met een handicap aan het hoger onderwijs. Daarna wordt op basis van enquêtegegevens ingegaan op het behaalde onderwijsniveau en de participatie aan levenslang leren van personen met en zonder handicap. De gebruikte administratieve gegevens komen uit diverse bronnen. Het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming (O&V) publiceert jaarlijks de statistieken over leerlingen in het gewoon en buitengewoon onderwijs. De leerlingenaantallen in het basis- en secundair onderwijs hebben betrekking op het aantal ingeschreven leerlingen op de eerste schooldag van februari van elk schooljaar. De leerlingen die ingeschreven zijn in Franstalige afdelingen van Nederlandstalige scholen of in Franstalige scholen onder de bevoegdheid van de Vlaamse overheid worden niet in dit cijfermateriaal opgenomen. Leerlingen die omwille van een langdurige ziekte les volgen in het buitengewoon onderwijs van het type 5 worden om dubbeltellingen te vermijden niet in de cijfers opgenomen. Er worden in dit rapport geen statistieken opgenomen over het inclusief onderwijs. Momenteel zijn deze gegevens nog partieel en onvoldoende stabiel. Voor het schooljaar 2019-2020 bijvoorbeeld beschikt men enkel over gegevens over het ondersteuningsmodel voor de kleinere types (type 2, 4, 6 en 7), niet voor de andere types. Het Agentschap Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties & Studietoelagen (AHOVOKS) heeft cijfers ter beschikking over het aantal studenten met een erkenning van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) dat ingeschreven is in het hoger onderwijs. Het gaat om actieve inschrijvingen met een diplomacontract. De cijfers omvatten alle opleidingen, dus niet alleen de basisopleidingen (bachelor en master) maar ook de voortgezette opleidingen (bachelor-na-bachelor, master-na-master, specifieke lerarenopleidingen, doctoraatsopleidingen, academische graad van doctor, voorbereidingsprogramma’s en schakelprogramma’s). Elke student wordt slechts één keer geteld, ongeacht het aantal opleidingen waarin de student is ingeschreven. Het VAPH heeft in 2012-2013 zijn registratiesysteem verbreed, waardoor meer personen in aanmerking komen voor ondersteuning. Hierdoor komen er dus meer studenten met een VAPH-statuut in de databank van AHOVOKS terecht. Dat zorgt voor een sprong in de cijfers vanaf 2012-2013.

29


De gegevens over het onderwijsniveau en de deelname aan levenslang leren door personen met en zonder arbeidshandicap zijn schattingen gebaseerd op een algemene bevolkingsenquête, met name de al eerder genoemde Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) van Statbel (zie hoofdstuk 1 voor meer info over deze enquête en over de in dit rapport gebruikte afbakening van de groep personen met een handicap). Bij de cijfers over onderwijsniveau en levenslang leren wordt de leeftijdsgrens van 25 tot 64 jaar gehanteerd om jongeren die hun studies nog niet afgerond hebben buiten de cijfers te houden.

67% jongens. In het kleuteronderwijs was het overwicht van jongens nog groter (73%). In vergelijking met 2010-2011 nam het aandeel jongens in het buitengewoon onderwijs toe van 63% naar 67%. Figuur 6. Aandeel jongens en meisjes in het buitengewoon onderwijs (basis en secundair) naar onderwijsniveau Vlaamse Gemeenschap, schooljaar 2020-2021, in % Jongens

Meisjes

Totaal

66,9

33,1

Kleuteronderwijs

72,9

27,1

Lager onderwijs

65,8

34,2

Secundair onderwijs

67,5

32,5

2.1.1 LEERLINGEN IN BUITENGEWOON ONDERWIJS Het basis- en secundair onderwijs telde in het schooljaar 2020-2021 ruim 1,2 miljoen leerlingen. Daarvan gingen er bijna 50.600 naar het buitengewoon onderwijs. Dat komt overeen met 4% van het totaal aantal leerlingen. Dat aandeel verschilt naargelang de onderwijsniveaus. In het kleuteronderwijs ging iets minder dan 1% van de leerlingen naar het buitengewoon onderwijs, in het lager onderwijs lag dat aandeel op 6%, in het secundair onderwijs op 5%. Tussen 2010-2011 en 2020-2021 nam het aantal leerlingen in het buitengewoon onderwijs toe met 2%. Ook naargelang het onderwijsniveau zijn er verschillen. In het kleuteronderwijs was er een aangroei van het aantal leerlingen (+22%), in het lager onderwijs daalde de leerlingaantallen (-7%) en in het secundair onderwijs (+13%) nam het aantal toe. Tabel 12. Leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau Vlaamse Gemeenschap, schooljaren 2010-2011 tot 2020-2021, in aantal en in % per onderwijsniveau KLEUTER AANTAL

LAGER %

AANTAL

SECUNDAIR %

TOTAAL

AANTAL

%

AANTAL

%

2010-2011

1.975

0,8

28.225

6,9

19.487

4,3

49.687

4,4

2011-2012

1.986

0,8

28.566

6,9

19.835

4,4

50.387

4,5

2012-2013

2.023

0,8

28.481

6,8

20.177

4,5

50.681

4,5

2013-2014

2.042

0,8

28.307

6,6

20.495

4,6

50.844

4,4

2014-2015

2.000

0,7

27.483

6,3

20.661

4,6

50.144

4,3

2015-2016

1.984

0,7

25.578

5,7

20.333

4,5

47.895

4,1

2016-2017

1.967

0,7

24.645

5,4

20.130

4,5

46.742

4,0

2017-2018

1.986

0,7

24.380

5,3

20.331

4,5

46.697

4,0

2018-2019

2.140

0,8

24.784

5,3

20.544

4,5

47.468

4,0

2019-2020

2.325

0,9

25.567

5,5

21.095

4,5

48.987

4,1

2020-2021

2.406

0,9

26.110

5,6

22.071

4,6

50.587

4,2

0

20

40

60

80

100

Noot: inschrijvingen van het type 5 zijn niet mee opgenomen. Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, bewerking Statistiek Vlaanderen

Er bestaan verschillende types van buitengewoon onderwijs gebaseerd op de bijzondere opvoedings- en onderwijsbehoeften die een bepaalde groep leerlingen gemeenschappelijk heeft. In 2020-2021 ging 37% van de leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar type BA voor kinderen met specifieke onderwijsbehoeften voor wie het gemeenschappelijk curriculum met redelijke aanpassingen niet haalbaar is in een school voor gewoon onderwijs. Voorts zat 25% in type 9 voor jongeren met een autismespectrumstoornis, maar zonder verstandelijke beperking. Daarnaast ging 21% naar type 2 voor jongeren met een verstandelijke beperking. In de andere types ligt het aantal leerlingen duidelijk lager.

Noot: inschrijvingen van het type 5 zijn niet mee opgenomen. Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, bewerking Statistiek Vlaanderen

Meer jongens dan meisjes volgen les in het buitengewoon onderwijs (basis en secundair). In het schooljaar 2020-2021 ging het in het totaal om

31


Tabel 13. Leerlingen in het buitengewoon onderwijs (basis en secundair) naar type Vlaamse Gemeenschap, schooljaar 2010-2011 en 2020-2021, in aantal en % 2010-2011 VOOR LEERLINGEN MET ...

AANTAL

%

2020-2021 AANTAL

Tabel 14. Studenten in het hoger onderwijs met een door het VAPH erkende handicap Vlaamse Gemeenschap, academiejaren 2009-2010 tot 2019-2020, in aantal en %

%

AANTAL

%

252

0,1

219

0,1

Type 1

licht mentale handicap (in afbouw)

18.830

37,9

426

0,8

2009-2010

Type 2

verstandelijke beperking

10.193

20,5

10.743

21,2

2010-2011

Type 3

emotionele of gedragsstoornis, maar zonder verstandelijke beperking

4.966

10,0

3.537

7,0

2011-2012

173

0,1

2012-2013

1.436

0,6

Type 4

motorische beperking

3.235

6,5

2.438

4,8

2013-2014

1.594

0,7

Type 6

visuele beperking

395

0,8

403

0,8

2014-2015

1.809

0,7

Type 7

auditieve beperking of een spraak- of taalstoornis

2.358

4,7

1621

3,2

2015-2016

2.046

0,8

Type 8

ernstige leerstoornissen (in afbouw)

9.710

19,5

284

0,6

2016-2017

2.272

0,9

Type 9

autismespectrumstoornis, maar zonder verstandelijke beperking (sinds september 2015)

12.518

24,7

2017-2018

2.468

1,0

2018-2019

2.577

1,0

2019-2020

2.980

1,1

Type BA specifieke onderwijsbehoeften voor wie het gemeenschappelijk curriculum met redelijke aanpassingen niet haalbaar is in een school voor gewoon onderwijs

18.617

36,8

50.587

100,0

Totaal

49.687

100,0

Noot: BA: basisaanbod. Dit type vervangt vanaf september 2015 geleidelijk de types 1 en 8. Inschrijvingen van het type 5 zijn niet mee opgenomen. Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, bewerking Statistiek Vlaanderen

2.1.2 DEELNAME AAN HOGER ONDERWIJS In het academiejaar 2019-2020 waren er bijna 280.000 studenten in het hoger onderwijs ingeschreven. Daarvan was 1% erkend door het VAPH als persoon met een handicap. Het aantal studenten met VAPH-erkenning nam tussen 2009-2010 en 2011-2012 jaarlijks af. De aantallen lagen in die jaren telkens erg laag en kwamen overeen met minder dan 0,1% van de totale studentenpopulatie. Vanaf 2012-2013 nam hun aantal op jaarbasis toe. De sprong in de cijfers van 2012-2013 heeft te maken met het feit dat het VAPH in die periode zijn registratiesysteem heeft verbreed, waardoor meer personen in aanmerking komen voor ondersteuning door het VAPH.

Bron: AHOVOKS

2.1.3 ONDERWIJSNIVEAU Bij de bepaling van het onderwijsniveau van de bevolking op basis van de gegevens van de EAK-enquête kan een onderscheid gemaakt worden tussen 3 groepen: laaggeschoolden (personen zonder diploma van het secundair onderwijs), middengeschoolden (personen met hoogstens een kwalificatie van het secundair onderwijs van de 3de graad of een diploma postsecundair niet-hoger onderwijs) en hooggeschoolden (personen met een diploma hoger onderwijs). Uit de gegevens van 2020 blijkt dat bijna 36% van de 25- tot 64-jarigen met een arbeidshandicap laaggeschoold is. Bij personen zonder arbeidshandicap is dat 15%. Daar staat tegenover dat 45% van de bevolking zonder arbeidshandicap hooggeschoold is tegenover 22% bij personen met een arbeidshandicap. Personen met een arbeidshandicap zijn dus over het algemeen lager geschoold dan personen zonder arbeidshandicap. In vergelijking met 2010 is zowel het aandeel laaggeschoolden bij zowel de personen met als zonder arbeidshandicap afgenomen. De omgekeerde trend is zichtbaar bij de aandelen van de midden- en hooggeschoolden bij beide groepen. Daarbij is het verschil tussen het aandeel hooggeschoolden bij personen met en zonder arbeidshandicap nauwelijks gewijzigd.

33


Tabel 15. Bevolking van 25 tot 64 jaar naar arbeidshandicap en onderwijsniveau Vlaams Gewest, 2010, 2015 en 2020, in aantal personen en in % van de bevolking naar arbeidshandicap

2010

2015

2020

AANTAL

%

AANTAL

%

AANTAL

%

Laaggeschoold

202.311

51,5

217.700

40,2

199.612

36,1

Middengeschoold

129.122

32,9

220.997

40,8

228.685

41,4

Hooggeschoold

61.434

15,6

102.989

19,0

123.882

22,4

392.867

100,0

541.686

100,0

552.179

100,0

MET ARBEIDSHANDICAP

Totaal ZONDER ARBEIDSHANDICAP Laaggeschoold

688.304

23,8

561.091

19,6

428.483

14,8

Middengeschoold

1.119.390

38,6

1.140.293

39,8

1.164.834

40,2

Hooggeschoold

1.089.239

37,6

1.163.595

40,6

1.307.600

45,1

2.8969.33

100,0

2.864.979

100,0

2.900.917

100,0

Totaal

Figuur 7. Onderwijsniveau van personen van 25 tot 64 jaar met een arbeidshandicap naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2020, in %

Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

In 2020 was bijna 41% van de mannen met een arbeidshandicap laaggeschoold. Bij de vrouwen met een arbeidshandicap was dat 32%. Omgekeerd was ongeveer 26% van de vrouwen met een arbeidshandicap hooggeschoold tegenover 19% bij de mannen met een arbeidshandicap. Vrouwen met een arbeidshandicap zijn dus algemeen genomen hoger geschoold dan mannen. Ook naar leeftijd zijn er verschillen. In 2020 was ruim 43% van de 55- tot 64-jarigen met een arbeidshandicap laaggeschoold. Bij deze groep was bijna 21% hooggeschoold. In de jongere leeftijdsklassen zijn er minder laaggeschoolden en meer middengeschoolden en hooggeschoolden. De mate van hinder geeft verschillen. Personen met ernstige hinder zijn vaker laaggeschoold dan personen met beperkte hinder. Tegelijk ligt het aandeel hooggeschoolden hoger bij personen met beperkte hinder dan bij personen met ernstige hinder.

Laaggeschoold

Middengeschoold

Hooggeschoold

Totaal

36

Man

41

Vrouw

32

25-34 jaar

29

35-44 jaar

30

45-54 jaar

33

55-64 jaar

43

36

21

Ernstige hinder

40

42

18

Beperkte hinder

32 0

41

22

40

19

43

26

44

27

45

25 46

21

41 20

40

27 60

80

100

Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

2.1.4 DEELNAME AAN LEVENSLANG LEREN De hier opgenomen gegevens over deelname aan levenslang leren zijn eveneens gebaseerd op de EAK-enquête. Het gaat om het aandeel van de bevolking (25-64 jaar) dat in de referentieperiode van 4 weken deelnam aan een opleiding in of buiten het reguliere onderwijs. Personen met een arbeidshandicap participeren minder vaak aan een opleiding dan personen zonder arbeidshandicap. In 2020 nam bijna 4% van de 25-64-jarigen met arbeidshandicap deel aan een opleiding. Bij personen zonder arbeidshandicap was dat ongeveer 7%. Het verschil tussen beide groepen kwam daarmee op 3 procentpunten. Tussen 2010 en 2020 kende de opleidingsdeelname bij beide groepen een schommelend verloop. Bij personen met arbeidshandicap fluctueerde de opleidingsparticipatie tussen 3,5% en 5,7%, bij personen zonder arbeidshandicap tussen 6,6% en 8,6%. Het verschil in opleidingsparticipatie varieerde in deze periode mee tussen 1,9 en 3,6 procentpunten.

35


Figuur 8. Participatie aan levenslang leren bij personen van 25 tot 64 jaar naar arbeidshandicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in % Met arbeidshandicap

Zonder arbeidshandicap

Figuur 9. Participatie aan levenslang leren bij personen van 25 tot 64 jaar met een arbeidshandicap naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2020, in % Totaal

4

Man

3

Vrouw

4

25-34 jaar

9

8,5

35-49 jaar

4

5,0

7,6

50-64 jaar

2

4,7

8,3

3,5

6,6 Ernstige hinder

2

Beperkte hinder

5

2010

5,1

8,6

2011

5,4

8,2

2012

5,5

7,4

2013

4,9

7,7

2014

5,6

8,1

2015

5,2

7,3

2016

5,0

7,5

2017

5,7

2018 2019 2020

Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren.

0

2

4

6

8

Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

In de groep van personen met een arbeidshandicap nemen vrouwen iets vaker deel aan een opleiding dan mannen. Naar leeftijd is de opleidingsdeelname het hoogst bij de jongste leeftijdsgroep: 9% van de 25- tot 34-jarigen neemt deel aan een opleiding tegenover 4% bij de 35- tot 49-jarigen en 2% bij de 50- tot 64-jarigen. Naar mate van hinder is er ook een verschil: de opleidingsdeelname van personen met beperkte hinder ligt een stuk hoger dan van personen met ernstige hinder.

2.2 ARBEIDSMARKTPARTICIPATIE Om de verschillen tussen personen met en zonder handicap op vlak van arbeidsmarktparticipatie in beeld te brengen, wordt in dit hoofdstuk eerst ingegaan op de socio-economische positie van beide groepen. Op basis hiervan kan onder meer de werkzaamheidsgraad en de werkloosheidsgraad van deze groepen berekend worden. Verder wordt gekeken naar verschillen op vlak van werkzoekenden zonder werk, zelfstandigen, tijdelijke arbeid, deeltijdarbeid en thuiswerk. Daarna komt de aanwezigheid van doelgroepwerknemers in de sociale economie en van personen met een handicap of chronische ziekte bij de Vlaamse overheid aan bod. Het hoofdstuk sluit af met cijfers over werkbaarheid. Tenzij anders aangegeven zijn de gegevens in dit hoofdstuk gebaseerd op de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) van Statbel (zie hoofdstuk 1 voor meer info over deze enquête en over de in dit rapport gebruikte afbakening van de groep personen met een handicap). Een andere enquête die hier gehanteerd wordt, is de Werkbaarheidsmonitor (WBM) van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) – Stichting Innovatie & Arbeid. Deze enquête meet driejaarlijks de werkbaarheid van werknemers en zelfstandigen in Vlaanderen. De Werkbaarheidsmonitor brengt 4 facetten van werkbaar werk in beeld: psychische vermoeidheid, welbevinden in het werk, leermogelijkheden en de werk-privé-balans. Sinds 2007 wordt

37


aan de werknemers de vraag gesteld of men in de dagelijkse bezigheden (thuis, op de werkplek, in de vrije tijd, ...) hinder ervaart door een handicap, een langdurige lichamelijke aandoening of een langdurige lichamelijke ziekte. Hier worden de personen die aangeven dat ze in de dagelijkse bezigheden in zekere of erge mate hinder ervaren eveneens beschouwd als personen met een handicap. Sinds 2019 wordt aandacht gegeven aan de werkbaarheidssituatie van zelfstandigen met een handicap. We gebruiken bij de presentatie van de gegevens van de WBM de term ‘arbeidshandicap’ in lijn met het woordgebruik van de SERV.

(zelfs tijdelijk) wordt meegenomen. Op die manier krijgt men zicht op de tewerkstelling van doelgroepwerknemers en arbeidszorgmedewerkers in de Vlaamse sociale economie en hoe deze verdeeld zijn over de verschillende sociale economie-maatregelen: collectief maatwerk (de vroegere beschutte en sociale werkplaatsen), lokale diensteneconomie en arbeidszorg (structurele, experimentele en activerende arbeidszorg). In 2020 bestonden deze 3 systemen van arbeidszorg en is het relevant voor dit SV-rapport om het onderscheid te maken. Vanaf 1 april 2021 werden deze plaatsen omgevormd tot arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie.

Naast bovenstaande surveygegevens wordt in dit hoofdstuk eveneens gebruik gemaakt van verschillende administratieve datareeksen. Zo worden ook cijfers over het aantal bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ingeschreven werkzoekenden zonder werk (WZW) met een arbeidsbeperking besproken. Werkzoekenden zonder werk met een arbeidsbeperking hebben een indicatie van arbeidshandicap en/of een multipele problematiek (PMP). De indicatie PMP is ingevoerd in 2014. In de periode voorafgaand aan juli 2014 omvat de variabele arbeidsbeperking enkel burgers met een arbeidshandicap.

De Dienst Diversiteitsbeleid van de Vlaamse overheid brengt jaarlijks in beeld hoeveel personeelsleden met een handicap of chronische ziekte bij de Vlaamse overheid werken. Personeelsleden met een handicap of chronische ziekte zijn “personen met een langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuigelijke beperking die deze persoon in wisselwerking met diverse drempels kan beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de arbeidsmarkt”. Het gaat om personen uit minstens een van de volgende categorieën:

Personen met een arbeidshandicap hebben een psychische of lichamelijke aandoening van langdurige aard (bijvoorbeeld autisme, slechthorendheid, rugklachten) waardoor ze het moeilijker hebben om werk te vinden of om een job uit te voeren. Een persoon kan deze indicatie automatisch krijgen wanneer hij/zij over de nodige bewijzen beschikt (bijvoorbeeld medische attesten, bewijs van studie, recht op integratie-uitkering), of na onderzoek door de VDAB of een partner. De indicatie kan van bepaalde of onbepaalde duur zijn. Personen met een multipele problematiek hebben een psychosociale problematiek (bijvoorbeeld verslavingsverleden, zware financiële problemen) of zijn uiterst kwetsbaar omwille van een werkloosheidsduur van 2 jaar of langer en een begeleidingsnood. Deze problematieken maken het voor de persoon moeilijk om werk te vinden of een job goed uit te voeren. Personen kunnen deze indicatie krijgen na onderzoek door de VDAB of een partner op basis van een ICF-verslag (‘International Classification of Functioning, Disability and Health’). De indicatie PMP heeft altijd een geldigheidsperiode van 5 jaar, na 5 jaar moet er een herevaluatie gebeuren. Op basis van de erkenning als persoon met een arbeidshandicap kan de VDAB ook een recht op de Vlaamse Ondersteuningspremie (VOP) of bijzonder tewerkstellende maatregelen (BTOM) vaststellen alsook een advies geven voor tewerkstelling als doelgroepwerknemer in sociale economie. Om de aanwezigheid van (gesubsidieerde) doelgroepwerknemers in de sociale economie werkmaatregelen na te gaan, wordt er gebruik gemaakt van gegevens van het departement Werk en Sociale Economie (WSE). Iedere doelgroepwerknemer die gesubsidieerd wordt en prestaties levert

a. Personen met een handicap erkend door het VAPH. b. Personen die gewezen leerling zijn van het buitengewoon onderwijs en die hoogstens een getuigschrift of diploma behaald hebben in het buitengewoon onderwijs. c. Personen die door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) erkend zijn als personen met een arbeidshandicap en die recht hebben op een of meer bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen. d. Personen die op basis van hun handicap in aanmerking komen voor een inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) en/of integratietegemoetkoming (IT) voor personen met een handicap. e. Personen die in het bezit zijn van een afschrift van een definitief geworden gerechtelijke beslissing of van een attest van een bevoegde federale instelling waaruit een arbeidsongeschiktheid van minstens 66% blijkt. f. Personen die een invaliditeitsuitkering ontvangen in het kader van de ziekteverzekering. g. Personen met een attest van een door de VDAB aangewezen dienst of arts, waaronder de preventieadviseur-arbeidsarts, en die re-integreren met een integratieprotocol waaruit blijkt dat er blijvende aandacht moet zijn voor de effecten van de handicap of chronische ziekte op de taken, arbeidsomstandigheden of het rendement. h. Personen die 6 maanden aaneensluitend ziek geweest zijn en bij terugkomst re-integreren met een integratieprotocol, opgemaakt door een re-integratieadviseur, waaruit blijkt dat er blijvende aandacht moet zijn voor de effecten van de handicap of chronische ziekte op de taken, arbeidsomstandigheden of het rendement en die een van de attesten uit een categorie als vermeld in punt a. tot en met g, kunnen voorleggen.

39


2.2.1 SOCIO-ECONOMISCHE POSITIE De bevolking op arbeidsleeftijd kan volgens de internationaal geldende definitie van de International Labour Organisation (ILO) op basis van de socio-economische positie in 3 grote groepen ingedeeld worden: de werkenden, de werklozen en de niet-(beroeps)actieven. De cijfers hebben betrekking op de leeftijdsgroep van 20 tot 64 jaar. De verdeling volgens arbeidsmarktsituatie toont grote verschillen tussen de personen met en zonder arbeidshandicap. Zo zijn personen met een arbeidshandicap minder actief op de arbeidsmarkt (als werkende of werkloze). Van deze groep met een arbeidshandicap had in 2020 46% een betaalde job. Bij personen zonder arbeidshandicap was dat bijna het dubbele (80%). Bij personen met beperkte hinder was 62% aan de slag. Bij de groep met ernstige hinder was 31% aan het werk. Tegenover de lage werkzaamheid staat een hoge mate van nietberoepsactiviteit. Bij de personen met een arbeidshandicap was in 2020 de helft niet-beroepsactief (51%). Bij personen met ernstige hinder liep dat op tot 68%. Bij de personen zonder arbeidshandicap ging het om 17%. Tabel 16. Bevolking van 20 tot 64 jaar naar arbeidshandicap en socio-economische positie Vlaams Gewest, 2020, in aantal personen en in % van de bevolking op arbeidsleeftijd MET ARBEIDSHANDICAP

ZONDER ARBEIDSHANDICAP

TOTAAL

ERNSTIGE HINDER

BEPERKTE HINDER

TOTAAL

Werkend (%)

30,8

61,6

46,0

80,2

75,0

Werkloos (%)

1,0

4,4

2,7

2,6

2,6

68,2

34,0

51,3

17,3

22,4

292.602

285.413

578.015

3.243.292

3.821.307

Niet-beroepsactief (%) Totaal (N)

Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

12 procentpunten gestegen. De kloof in de werkzaamheid bij personen met en zonder arbeidshandicap blijft diep maar is tussen 2010 en 2020 gedaald van 44 naar 34 procentpunten. Figuur 10. Werkzaamheidsgraad van personen van 20 tot 64 jaar naar arbeidshandicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in % Met arbeidshandicap

Zonder arbeidshandicap

2010

33,5

77,3

2011

38,6

77,0

2012

38,7

76,7

2013

40,4

77,0

2014

42,7

76,8

2015

43,1

77,0

2016

41,1

77,6

2017

43,3

78,6

2018

45,8

80,1

2019

45,6

81,2

2020

46,0

80,2

Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Vrouwen met een arbeidshandicap hadden in 2020 een iets lagere werkzaamheidsgraad dan mannen met een arbeidshandicap. Naar leeftijd varieert de werkzaamheidsgraad bij personen met een arbeidshandicap sterker. In 2020 lag de werkzaamheidsgraad het hoogst bij de 35-49-jarigen (55%) en het laagst bij de 50-64-jarigen (40%). Het verschil in de werkzaamheidsgraad tussen personen met ernstige en beperkte hinder is groot: in 2020 ging het om een verschil van 31 procentpunten.

2.2.2 WERKZAAMHEIDSGRAAD De werkzaamheidsgraad wordt gebruikt om de mate waarin men effectief aan het werk is in beeld te brengen. Het gaat om het aandeel werkenden in de bevolking op arbeidsleeftijd (20 tot 64 jaar). Werkenden zijn personen die in de referentieweek van de bevraging minstens 1 uur betaalde arbeid hebben verricht. Personen met een arbeidshandicap van 20 tot 64 jaar zijn veel minder vaak aan het werk dan hun leeftijdsgenoten zonder arbeidshandicap. In 2020 lag de werkzaamheidsgraad bij personen met arbeidshandicap op 46%, tegenover 80% bij personen zonder arbeidshandicap. Tussen 2010 en 2020 is de werkzaamheidsgraad van personen met een arbeidshandicap met

41


Figuur 11. Werkzaamheidsgraad van personen van 20 tot 64 jaar met arbeidshandicap naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2020, in %

Figuur 12. Werkloosheidsgraad van personen van 15 tot 64 jaar naar arbeidshandicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in %

Totaal

2010

14,8

4,5

2011

9,6

3,9

2012

8,7

4,2

2013

10,0

4,6

2014

10,0

4,6

2015

9,1

4,8

2016

8,2

4,5

2017

7,4

4,1

2018

5,5

3,2

2019

5,7

3,0

2020

5,4

3,3

Met arbeidshandicap 46

Man

47

Vrouw

45

20-34 jaar

51

35-49 jaar

55

50-64 jaar

40

Ernstige hinder

31

Beperkte hinder

62 0

Zonder arbeidshandicap

Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren.

10

20

30

40

50

60

Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

2.2.4 WERKZOEKENDEN ZONDER WERK (WZW) 2.2.3 ILO-WERKLOOSHEIDSGRAAD De werkloosheidsgraad geeft het aandeel werklozen in de beroepsbevolking (som van werkenden en werklozen) weer. Volgens de ILO-definitie zijn werklozen de niet-werkenden die de afgelopen 4 weken actief naar werk gezocht hebben en binnen de 2 weken een nieuwe job kunnen beginnen, samen met de niet-werkenden die een job hebben gevonden die binnen de 3 maanden begint. Personen met een arbeidshandicap zijn vaker werkloos dan personen zonder arbeidshandicap. In 2020 kwam de werkloosheidsgraad (15-64 jaar) bij personen met een arbeidshandicap op ruim 5%. Dat is een beduidende afname tegenover 2010 toen bijna 15% van de beroepsbevolking in deze groep geen baan kon vinden. Bij personen zonder arbeidshandicap daalde de werkloosheidsgraad eveneens, maar in mindere mate van 5% in 2010 naar 3% in 2020. De kloof in de werkloosheid bij personen met en zonder arbeidshandicap nam daardoor in de betrokken periode af van 10 procentpunten in 2010 tot bijna 2 procentpunten in 2020.

De Vlaamse werkzoekenden kunnen ook worden geoperationaliseerd aan de hand van de inschrijving als werkzoekende zonder werk (WZW) bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB). Dat zijn personen zonder job die zich bij de VDAB als werkzoekende hebben ingeschreven. In 2020 waren 41.927 van de 213.974 WZW bij de VDAB gekend als personen met een arbeidsbeperking. Dat komt overeen met 20% van het totaal aantal WZW. In 2010 lag dat aandeel op 15%. Tussen 2015 en 2019 kende het aantal WZW zonder arbeidsbeperking een dalend verloop. Een gelijkaardige daling was bij de WZW met een arbeidsbeperking pas te zien vanaf 2019. Door de COVID-19-crisis was er in 2020 echter opnieuw sprake van een stijging van zowel de WZW met als zonder arbeidsbeperking.

De werkloosheidsgraad bij mannen en vrouwen met een arbeidshandicap lag in 2020 dicht bij elkaar. Dat was ook het geval in de voorgaande jaren.

43


Figuur 13. Werkzoekenden zonder werk (WZW) naar arbeidsbeperking Vlaams Gewest, 2010-2020, aantal Met arbeidsbeperking

Figuur 14. Werkzoekenden zonder werk (WZW) met arbeidsbeperking naar achtergrondkenmerken Vlaams Gewest, 2020, in %

Zonder arbeidsbeperking

35.994

210.710

Man

54

2011

34.484

199.445

Vrouw

46

2012

32.602

192.090

2013

35.589

206.495

2014

37.932

213.171

Jonger dan 25 jaar

9

2015

38.450

210.446

25-39 jaar

27

2016

39.967

198.847

40-54 jaar

35

2017

41.874

185.908

2018

42.847

170.113

55 jaar en ouder

29

2019

41.721

162.347

2020

41.927

172.047

Laaggeschoold

62

Middengeschoold

30

Hooggeschoold

9

Minder dan 1 jaar werkzoekend

23

1 tot 2 jaar werkzoekend

15

2 jaar en langer werkzoekend

63

2010

Bron: VDAB Arvastat, bewerking Statistiek Vlaanderen

De groep werkzoekenden zonder werk met een arbeidsbeperking bestond in 2020 voor 54% uit mannen en voor 46% uit vrouwen. Voorts waren er onder de werkzoekenden zonder werk met een arbeidsbeperking opvallend veel 40-plussers (64%), laaggeschoolden (62%) en langdurig werkzoekenden (77%).

0

10

20

30

40

50

60

Bron: VDAB Arvastat, bewerking Statistiek Vlaanderen

2.2.5 ZELFSTANDIGE ARBEID Zelfstandigen zijn in de EAK-bevraging personen die werken in hun eigen bedrijf of professionele praktijk. Een zelfstandige wordt geacht te werken als hij/zij voldoet aan een van de volgende criteria: werkt met het doel winst te maken, besteedt tijd aan de werking van een bedrijf of is bezig met het opzetten van zijn/haar bedrijf, is niet gebonden door een arbeidsovereenkomst en is onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandigen. Vaak maakt men een onderscheid tussen zelfstandigen met of zonder werknemers in dienst. Ook zaakvoerders, bestuurders en werkende vennoten in vennootschappen hebben een statuut van zelfstandige. Personen met een arbeidshandicap zijn minder vaak aan de slag als zelfstandige dan personen zonder arbeidshandicap. In 2020 lag het aandeel zelfstandigen bij werkenden met een arbeidshandicap op 11% tegenover 15% bij de werkende bevolking zonder arbeidshandicap. Voor beide groepen bleef het aandeel zelfstandigen vanaf 2016 vrij stabiel.

45


Figuur 15. Aandeel zelfstandigen bij werkenden van 20 tot 64 jaar naar arbeidshandicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in % Met arbeidshandicap

Zonder arbeidshandicap

2010

10,9

13,4

2011

8,8

13,2

2012

8,4

13,6

2013

9,4

14,4

2014

11,2

13,7

2015

10,0

14,3

2016

11,1

13,8

2017

11,2

13,9

2018

10,8

13,2

2019

11,4

14,1

2020

11,4

14,7

2.2.6 DEELTIJDARBEID Iemand is deeltijds tewerkgesteld indien de normale arbeidsduur minder is dan die van een voltijds werkende in een gelijkaardige baan. Het onderscheid tussen voltijds en deeltijds werken wordt bepaald op basis van het antwoord van de respondenten zelf. Deeltijds werkenden in de EAK-bevraging zijn dus diegenen die zelf aangeven deeltijds te werken. Personen met een arbeidshandicap zijn vaker deeltijds tewerkgesteld dan diegenen zonder arbeidshandicap. In 2020 werkten ongeveer 43% van de 20- tot 64-jarigen met een arbeidshandicap deeltijds in vergelijking met 23% van hun leeftijdsgenoten zonder arbeidshandicap. De kloof tussen beide groepen was in 2020 nagenoeg even groot als in 2010. Figuur 17. Aandeel deeltijds werkenden van 20 tot 64 jaar naar arbeidshandicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in %

Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

In 2020 was het aandeel zelfstandigen bij de werkende mannen met een arbeidshandicap hoger dan bij de werkende vrouwen met arbeidshandicap. De mate van hinder speelt minder een rol om als zelfstandige aan de slag te gaan. Het aandeel zelfstandigen in de werkende bevolking met ernstige hinder en met beperkte hinder was in 2020 niet zo verschillend. Figuur 16. Aandeel zelfstandigen bij werkenden van 20 tot 64 jaar met arbeidshandicap naar geslacht en mate van hinder Vlaams Gewest, 2020, in %

Met arbeidshandicap

Zonder arbeidshandicap

2010

42,3

23,1

2011

41,3

23,9

2012

40,3

24,0

2013

39,4

23,2

2014

38,1

22,7

2015

40,2

23,3

2016

40,9

23,7

2017

39,9

23,8

2018

43,6

23,8

2019

42,8

24,0

2020

42,6

23,3

Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren.

Totaal

11

Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Man

16

Vrouw

7

In 2020 was 61% van de werkende vrouwen met een arbeidshandicap deeltijds aan de slag. Bij mannen met een arbeidshandicap ging het om 24%.

Ernstige hinder

10

Beperkte hinder

12 0

De 20- tot 34-jarige personen met een arbeidshandicap (36%) werkten minder deeltijds dan de oudere leeftijdsgroepen (telkens 44%).

2

4

6

8

Noot: voor de opdeling naar leeftijd zijn er geen betrouwbare resultaten. Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

10

12

14

Opgesplitst naar mate van hinder bleek er in 2020 een verschil in deeltijds werk tussen personen met beperkte hinder en personen met ernstige hinder: personen met ernstige hinder (51%) zijn vaker deeltijds aan de slag dan personen met beperkte hinder (38%).

47


Figuur 18. Aandeel deeltijds werkenden van 20 tot 64 jaar met arbeidshandicap naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2020, in %

Figuur 19. Aandeel werkenden van 20 tot 64 jaar dat thuiswerkt naar arbeidshandicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in %

Totaal

2010

16,5

19,5

2011

16,7

20,9

2012

16,1

21,3

2013

17,1

22,0

2014

22,5

23,3

2015

20,9

23,4

2016

22,7

23,9

2017

24,0

25,0

2018

22,6

23,0

2019

21,1

26,7

2020

25,3

34,9

Met arbeidshandicap 43

Man

24

Vrouw

61

20-34 jaar

36

35-49 jaar

44

50-64 jaar

44

Ernstige hinder

51

Beperkte hinder

38 0

Zonder arbeidshandicap

Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren.

10

20

30

40

50

60

Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

2.2.7 THUISWERK In wat volgt worden EAK-cijfers gepresenteerd over in welke mate werkenden thuiswerken. Het gaat om personen die op basis van formele afspraken met de werkgever 1% tot 100% van de werktijd thuis werken, tijdens een referentieperiode van 4 weken.

Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Uit de cijfers blijkt voorts dat er in 2020 nauwelijks verschil was tussen mannen en vrouwen met een arbeidshandicap op vlak van thuiswerken. Beide groepen werkten bijna evenveel van thuis uit. Naar leeftijd is er wel wat meer verschil. 28% van de 50- tot 64-jarigen werkte thuis in 2020. Bij de groepen van 20 tot 34 jaar en van 35 tot 49 jaar ging het telkens om 23%. Tussen personen met beperkte hinder en personen met ernstige hinder blijft het verschil beperkt.

In 2020 werkte ongeveer 1 op de 4 werkenden met een arbeidshandicap in zekere mate thuis. Bij werkenden zonder arbeidshandicap waren dat er ruim 1 op de 3. In vergelijking met 2019 is thuiswerk opvallend gestegen en laat het effect van de beperkende maatregelen in de context van de COVID-19crisis zich duidelijk zien. Thuiswerk nam tussen 2010 en 2020 toe voor beide groepen, maar in grotere mate voor de werkenden zonder arbeidshandicap.

49


Figuur 20. Aandeel werkenden van 20 tot 64 jaar met arbeidshandicap dat thuiswerkt naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2020, in % Totaal

Figuur 21. Aandeel werknemers van 20 tot 64 jaar dat tijdelijk arbeidscontract heeft naar arbeidshandicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in % Met arbeidshandicap

25

Man

25

Vrouw

26

Zonder arbeidshandicap

2010

6,6

6,2

2011

7,0

6,8

2012

5,9

6,0

2013

6,3

6,0

2014

6,8

6,8

2015

7,2

7,2

2016

7,7

7,3

20-34 jaar

23

35-49 jaar

23

2017

8,8

7,4

50-64 jaar

28

2018

6,3

7,4

2019

7,4

7,8

2020

5,6

7,6

Ernstige hinder

26

Beperkte hinder

25 0

5

10

15

20

25

Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

2.2.8 TIJDELIJKE ARBEID Tijdelijke arbeid kan verschillende vormen aannemen. Het kan gaan om uitzendarbeid, arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur of voor een bepaalde opdracht, studentenarbeid, seizoensarbeid of overige formules waarvan de contractduur beperkt is in de tijd. Het gaat hier telkens enkel om werknemers. In 2010 was er weinig verschil in tijdelijke arbeid tussen werknemers met en zonder handicap. In 2020 werkten personen met een handicap (6%) wel iets minder met een tijdelijk contract dan personen zonder handicap (8%).

Mannen en vrouwen met een arbeidshandicap scoorden in 2020 verschillend op vlak van tijdelijk werk. Vrouwen hadden vaker een tijdelijk contract dan mannen. Personen met ernstige hinder waren minder aan de slag met een tijdelijk arbeidscontract dan personen met beperkte hinder. Figuur 22. Aandeel werknemers van 20 tot 64 jaar met arbeidshandicap dat tijdelijk arbeidscontract heeft naar geslacht en mate van hinder Vlaams Gewest, 2020, in % Totaal

6

Man

4

Vrouw

7

Ernstige hinder

3

Beperkte hinder

7 0

2

4

6

Noot: voor de opdeling naar leeftijd zijn er geen betrouwbare resultaten. Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

51


2.2.9 SOCIALE ECONOMIE

2.2.10 WERKEN BIJ DE VLAAMSE OVERHEID

Personen met een grote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt kunnen terecht in de sociale economie. Het gaat onder meer om personen met een arbeidsbeperking of met fysieke of psychische beperkingen of moeilijkheden. De sociale economie omvat verschillende werkvormen. Sinds 1 januari 2019 gaat het om de collectieve maatwerkbedrijven en -afdelingen, de lokale diensteneconomie initiatieven en de arbeidszorginitiatieven. De maatwerkbedrijven omvatten de vroegere sociale werkplaatsen en de beschutte werkplaatsen, de maatwerkafdelingen vervangen de vroegere invoegbedrijven.

De Dienst Diversiteitsbeleid van de Vlaamse overheid brengt jaarlijks in beeld hoeveel personeelsleden met een handicap of chronische ziekte bij de Vlaamse overheid werken. Het gaat om personen in een bepaald statuut of met een bepaalde uitkering (voor meer info: zie de inleiding van dit hoofdstuk).

Eind 2020 waren 28.079 doelgroepwerknemers tewerkgesteld in de sociale economie in het Vlaamse Gewest. Dat komt overeen met bijna 1% van de totale werkende bevolking. Het merendeel van de doelgroepwerknemers werkt in de collectieve maatwerkbedrijven en -afdelingen. In 2020 ging het om 23.318 personen. Dat zijn er 1% minder dan in 2019. Daarnaast waren er in 2020 2.559 doelgroepwerknemers aan het werk in de lokale diensteneconomie. Dat aantal daalde met 3% in vergelijking met 2019. Ten slotte waren er in 2020 2.202 doelgroepwerknemers actief in de arbeidszorg. Tussen 2020 en 2019 daalde hun aantal met 17%. Figuur 23. Doelgroepwerknemers in sociale economie Vlaams Gewest, 2019-2020, aantal 2019

2020 23.447

Collectief maatwerk

23.318 2.635

Lokale diensteneconomie

Figuur 24. Personeelsleden met handicap of chronische ziekte bij Vlaamse overheid Vlaams Gewest, 2010-2020, in % 2010

1,2

2011

1,2

2012

1,3

2013

1,4

2014

1,3

2015

1,3

2016

1,3

2017

1,4

2018

1,8

2019

2,0

2020

2,3 0,0

2.559 2.659

Arbeidszorg

In 2020 werkten er 897 personen met een handicap of chronische ziekte bij de Vlaamse overheid (2,3%). Het aandeel personeelsleden met een handicap of chronische ziekte lag in de meest recente jaren duidelijk hoger dan in de periode tot 2017.

0,5

1,0

1,5

2,0

Bron: Dienst Diversiteitsbeleid

2.202 0

5.000

Noot: inclusief 1 maatwerkbedrijf in het Brussels Gewest. Bron: Departement WSE, bewerking Statistiek Vlaanderen

10.000

15.000

20.000

2.2.11 WERKBAARHEID BIJ WERKENDEN Werkbaar werk kan in beeld gebracht worden aan de hand van 4 kwaliteits­ indicatoren die door de Vlaamse Werkbaarheidsmonitor (WBM) van de Stichting Innovatie en Arbeid gemeten worden: psychische vermoeidheid (werkstress), welbevinden in het werk (werkbetrokkenheid en motivatie), leermogelijkheden (kansen op bijblijven en competentieontwikkeling) en werk-privé-balans (combinatie van arbeid met gezin en sociaal leven). Op basis van deze 4 werkbaarheidsindicatoren kan de werkbaarheidsgraad worden berekend: het aandeel van de werkenden (werknemers en zelfstandigen) dat een kwaliteitsvolle job of werkbaar werk heeft. Het gaat

53


om het aandeel werkenden dat geen knelpunten signaleert op volgende werkbaarheidsaspecten: psychische vermoeidheid, welbevinden in het werk, leermogelijkheden en werk-privébalans. Werknemers met een arbeidshandicap hebben minder werkbare jobs dan werknemers zonder arbeidshandicap. In 2019 had 30% van de werknemers met een arbeidshandicap een werkbare job. De werkbaarheidsgraad bij de werknemers met ernstige hinder (15%) en bij de werknemers met beperkte hinder (33%) lag in dat jaar duidelijk lager dan bij de werknemers zonder arbeidshandicap (54%). Bij alle groepen was er sprake van een daling van de werkbaarheidsgraad tussen 2013 en 2019. Die daling was relatief gezien het grootst bij de groep met beperkte hinder. Bij zelfstandigen met een arbeidshandicap ligt het aandeel werkbare jobs merkelijk lager dan bij zelfstandigen zonder arbeidshandicap. In 2019 had ruim 35% van de zelfstandigen met een arbeidshandicap een werkbare job. Bij de zelfstandigen zonder arbeidshandicap kwam de werkbaarheidsgraad op 53%. Tabel 17. Werkbaarheidsgraad bij werknemers naar arbeidshandicap en mate van hinder Vlaams Gewest, 2010-2019, in % 2010

2013

2016

2019

MET ARBEIDSHANDICAP

36,7

39,0

34,2

30,4

Ernstige hinder

23,9

22,0

21,2

15,2

Beperkte hinder

38,1

41,3

36,2

32,9

ZONDER ARBEIDSHANDICAP

57,9

58,1

54,7

54,1

Tabel 18. Werkbaarheidsindicatoren bij werknemers naar arbeidshandicap en mate van hinder Vlaams Gewest, 2019, in % problematisch WERKSTRESS

ONVOLDOENDE ­LEERMOGELIJKHEDEN

PROBLEMATISCHE WERK-PRIVÉ-BALANS

MET ARBEIDSHANDICAP

55,8

31,3

28,2

17,9

Ernstige hinder

73,4

43,2

39,4

27,7

Beperkte hinder

52,9

29,3

26,3

16,3

ZONDER ARBEIDSHANDICAP

32,4

18,7

13,8

11,6

Bron: WBM SERV – Stichting Innovatie & Arbeid

Ook zelfstandigen met een arbeidshandicap worden vaker geconfronteerd met werkbaarheidsknelpunten dan zelfstandigen zonder arbeidshandicap. In 2019 had ruim 53% van de zelfstandigen met een arbeidshandicap af te rekenen met werkstressproblemen tegen 34% van de zelfstandigen zonder arbeidshandicap. De zelfstandigen met een arbeidshandicap hadden vaker problemen met de combinatie werk-privé en kampten meer met motivatieproblemen. Ten slotte ervaarden zelfstandigen met een arbeidshandicap vaker onvoldoende leermogelijkheden. Figuur 25. Werkbaarheidsindicatoren bij zelfstandigen naar arbeidshandicap Vlaams Gewest, 2019, in % problematisch Met arbeidshandicap

Bron: WBM SERV – Stichting Innovatie & Arbeid

Werkstress

De minder gunstige werkbaarheidssituatie van de werknemers met een arbeidshandicap komt tot uiting bij alle werkbaarheidsindicatoren. Het aandeel in een problematische situatie lag in 2019 bij werknemers met een arbeidshandicap, in het bijzonder bij diegenen met ernstige hinder, steeds hoger dan bij werknemers zonder arbeidshandicap.

Motivatieproblemen

In 2019 had bijna 56% van de werknemers met een arbeidshandicap af te rekenen met werkstressklachten tegenover ruim 32% bij de werknemers zonder arbeidshandicap. Ruim 31% van de werknemers met een arbeids­ handicap kampte met motivatieproblemen. Bij de werknemers zonder arbeidshandicap was dat bijna 19%. Ongeveer 28% van de werknemers met een arbeidshandicap ervaarde onvoldoende leermogelijkheden. Bij werknemers zonder arbeidshandicap (14%) was dat lager. Bij de werknemers met een arbeidshandicap worstelde ongeveer 18% met het evenwicht tussen werk en privé. Bij de werknemers zonder arbeidshandicap lag dat aandeel op 12%.

MOTIVATIEPROBLEMEN

Zonder arbeidshandicap 53,3 33,8 16,4 9,1 7,5

Onvoldoende leermogelijkheden

2,7 41,9

Problematische werk-privé-balans

28,2 0

10

20

30

40

50

Bron: WBM SERV – Stichting Innovatie & Arbeid, bewerking Statistiek Vlaanderen

55


2.3 INKOMEN EN ARMOEDE In dit hoofdstuk wordt vooreerst ingegaan op de verschillen tussen personen met en zonder handicap op vlak van beroepsinkomen en persoonlijk inkomen, en armoede en sociale uitsluiting. De cijfers zijn gebaseerd op de gegevens van de European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC-survey) van Statbel (zie hoofdstuk 1 voor meer info over deze enquête en over de in dit rapport gebruikte afbakening van de groep personen met een handicap). Om binnen de groep personen met een handicap onderscheid te kunnen maken naar geslacht, leeftijd en mate van hinder, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de edities 2016, 2017 en 2018 van de EU-SILCsurvey werden samengenomen of gepoold. Op deze manier is het aantal bevraagde respondenten voldoende hoog om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over kleinere subgroepen binnen de groep personen met een handicap. Door de in 2019 doorgevoerde wijzigingen aan de EU-SILC-survey werden de edities van 2019 en 2020 niet opgenomen in de gepoolde dataset. Naast de gegevens van de EU-SILC-enquête zijn in dit hoofdstuk ook administratieve gegevens opgenomen over het aantal begunstigden van sociale bijstandsuitkeringen specifiek gericht op personen met een handicap. Het gaat om de inkomensvervangende tegemoetkoming, de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden/ zorgbudget voor ouderen met een zorgnood. Deze cijfers zijn gebaseerd op gegevens van de Directie-Generaal (DG) Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst (FOD) Sociale Zekerheid en van het Agentschap Zorg en Gezondheid.

2.3.1 BEROEPSINKOMEN EN PERSOONLIJK INKOMEN Alle inkomensstatistieken gebaseerd op de EU-SILC-survey worden berekend op basis van het totale inkomen verworven in het kalenderjaar voorafgaand aan de enquête. Resultaten uit de survey van 2020 betreffen dus het totale inkomen verdiend in alle maanden van 2019. In lijn met Statbel wordt in de tekst en de figuren van dit rapport toch telkens het jaar van afname van de enquête vermeld. Bij de interpretatie moet dan wel rekening gehouden worden met het feit dat het bij de inkomensstatistieken gaat om het inkomen verworven in het voorgaande kalenderjaar.

deeltijds werkenden meegenomen, maar wel enkel die personen die minstens 3 voltijdse equivalente maanden per jaar hebben gewerkt om kortstondige jobs zoals studentenarbeid uit de vergelijking te houden. In de periode 2010-2020 schommelde het verschil tussen het beroepsinkomen van personen met en zonder handicap tussen 13% en 21%. De bedragen in de figuur zijn uitgedrukt in reële prijzen, wat betekent dat ze gecorrigeerd werden voor de inflatie. Figuur 26. Gemiddeld netto beroepsinkomen per maand van werkenden van 20 tot 64 jaar naar handicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in euro (prijzen van 2019) Met handicap

Zonder handicap

2010

1.863

2.345

2011

2.002

2.342

2012

1.943

2.291

2013

2.023

2.312

2014

1.998

2.331

2015

2.013

2.342

2016

2.082

2.380

2017

2.033

2.424

2018

2.002

2.440

2019

2.066

2.395

2020

1.948

2.432

Noot: het beroepsinkomen wordt berekend op basis van het inkomen verdiend in het kalenderjaar voorafgaand aan de enquête, voor de werkenden die in dat jaar minstens 3 voltijds equivalente maanden hebben gewerkt. De EUSILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Binnen de groep personen met een handicap bestaan er duidelijke verschillen op vlak van het beroepsinkomen. Het beroepsinkomen van mannen met een handicap lag in de periode 2016-2018 ruim 450 euro hoger dan dat van vrouwen met een handicap. Het inkomen stijgt ook met de leeftijd en personen met beperkte hinder hebben een hoger inkomen dan personen met ernstige hinder.

Personen met een handicap met een job verdienen gemiddeld genomen beduidend minder dan personen zonder handicap. Het netto beroepsinkomen van werkenden van 20 tot 64 jaar lag volgens de EU-SILCsurvey van 2020 bij personen zonder handicap gemiddeld op 2.432 euro per maand en bij personen met handicap op 2.948 euro per maand. Het beroepsinkomen van personen met een handicap lag daarmee 20% lager. Bij de berekening van het beroepsinkomen werden hier zowel voltijds als

57


Figuur 27. Gemiddeld netto beroepsinkomen per maand van werkenden van 20 tot 64 jaar met handicap naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2016-2018, in euro (prijzen van 2018)

Tabel 19. Gemiddeld netto totaal persoonlijk inkomen per maand van personen van 18 jaar en ouder naar handicap Vlaams Gewest, 2020, in euro

Totaal

2.008

Man

2.235

Vrouw

1.782

20-34 jaar

1.672

35-49 jaar

2.067

50-64 jaar

2.126

Beroepsinkomen

MET HANDICAP

ZONDER HANDICAP

556

1.577

Werkloosheidsuitkering

68

56

Pensioen

647

346

Andere inkomens

286

31

1.557

2.010

Totaal persoonlijk inkomen

Noot: bij de berekening van het beroepsinkomen werd rekening gehouden met alle werkenden, ook met werkenden die per jaar minder dan 3 voltijdse equivalente maanden hebben gewerkt. Het gaat om het inkomen van het kalenderjaar voorafgaand aan de enquête. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

2.3.2 ARMOEDE EN SOCIALE UITSLUITING Ernstige hinder

1.771

Beperkte hinder

2.066 0

500

1.000

1.500

2.000

Noot: bij de berekening van het beroepsinkomen werd enkel rekening gehouden met werkenden die per jaar meer dan 3 voltijds equivalente maanden hebben gewerkt. De cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities van 2016, 2017 en 2018 van de EU-SILC-survey. Bron: EU SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Naast of bovenop het beroepsinkomen kunnen personen op individueel niveau nog andere inkomsten ontvangen zoals uitkeringen voor pensioen, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, ziekte en invaliditeit, vergoedingen voor studie of opleiding en sociale bijstand. De som van alle individuele inkomsten is het persoonlijk inkomen. Het netto totaal persoonlijk inkomen lag volgens de EU-SILC-survey van 2020 (berekend op totale inkomsten van 2019) in de volledige groep personen van 18 jaar en ouder (werkenden en niet-werkenden) duidelijk lager bij de personen met handicap dan bij de personen zonder handicap. Bij de personen met handicap ging het gemiddeld om 1.557 euro per maand, bij personen zonder handicap om 2.010 euro per maand. Het totaal persoonlijk inkomen van personen met een handicap lag daarmee 23% lager dan het totaal persoonlijk inkomen van personen zonder handicap. Vooral het beroepsinkomen ligt bij personen zonder handicap veel hoger dan bij personen met handicap. Bij het inkomen uit pensioenen of andere inkomens (inkomens voor onder meer arbeidsongeschiktheid, ziekte/invaliditeit en sociale bijstand) geldt het omgekeerde.

Armoede en sociale uitsluiting kan op verschillende manieren in beeld gebracht worden. Een eerste manier om zicht te krijgen op de armoedesituatie van bepaalde groepen is te kijken naar het aandeel personen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel. Deze drempel wordt traditioneel gelegd op 60% van het mediaan netto beschikbare gestandaardiseerde huishoudinkomen in het land in kwestie. Er wordt vanuit gegaan dat personen die leven in een huishouden dat moet rondkomen met een inkomen onder de armoederisicodrempel een verhoogd risico op armoede lopen. Het inkomen wordt hier gemeten op huishoudniveau. Door dat huishoudinkomen te standaardiseren wordt rekening gehouden met de grootte en samenstelling van het huishouden. Ook hier gaat het eigenlijk om het inkomen verworven in het kalenderjaar voorafgaand aan de enquête, maar wordt in de tekst en de figuren van dit rapport toch telkens het jaar van afname van de enquête vermeld. Het armoederisico lag in 2020 bij personen met een handicap dubbel zo hoog als bij personen zonder handicap: 16% van de personen met een handicap en 8% van de personen zonder handicap leefde volgens de EU-SILC-survey van 2020 (berekend op totale inkomsten van 2019) in een huishouden met een inkomen onder de armoederisicodrempel. De EU-SILC-survey waarop deze cijfers gebaseerd zijn, werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. In 2020 werden door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal aanpassingen aan de gebruikte methode doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Wel kan gesteld worden dat het aandeel personen

59


onder de armoededrempel bij de personen met een handicap in nagenoeg alle jaren tussen 2010 en 2020 ongeveer dubbel zo hoog lag als bij personen zonder handicap. Figuur 28. Aandeel personen van 18 jaar en ouder met huishoudinkomen onder armoededrempel naar handicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in % Met handicap

Zonder handicap

2010

16

9

2011

15

8

2012

20

9

2013

20

9

2014

20

8

2015

18

8

2016

18

8

2017

16

8

2018

18

8

2019

15

8

2020

16

8

Noot: de cijfers opgenomen in de figuur werden berekend op basis van de huishoudinkomens van het kalenderjaar voorafgaand aan de enquête. De EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Op Europees niveau wordt een armoede-indicator gebruikt die niet zozeer focust op het inkomen zelf, maar op het feit of men met dat inkomen kan genieten van een minimale levensstandaard. Dat gebeurt door na te gaan hoeveel van de volgende 9 basisitems elk huishouden moet missen omwille van financiële redenen: 1 week vakantie buitenshuis per jaar, een maaltijd met vis, vlees, kip of vegetarisch alternatief om de 2 dagen, een wasmachine, een kleuren-tv, een telefoon/GSM, een auto, de rekeningen voor huur, hypotheek, nutsvoorzieningen of andere aankopen kunnen betalen, het huis degelijk kunnen verwarmen, een beperkte onverwachte financiële uitgave (1.100 euro) kunnen doen. Vervolgens wordt per land of regio het percentage individuen berekend dat leeft in een huishouden dat niet beschikt over minstens 4 van deze 9 items. Volgens de EU-SILC-survey van 2020 leefde in het Vlaamse Gewest 5% van de personen met een handicap in een dergelijk ernstig materieel gedepriveerd huishouden. Bij de personen zonder handicap ging het om 1%. Het verschil tussen beide aandelen bleef over de gehele periode 2010-2020 min of meer gelijk. De mate waarin leden van een huishouden betaald werk hebben vormt een belangrijke bepalende factor voor mogelijke armoede of sociale uitsluiting. Huishoudens met zeer lage werkintensiteit zijn huishoudens

waar door de volwassenen niet of slechts beperkt wordt gewerkt (totale werkintensiteit lager dan 20%). Het is bij die huishoudens dat de hoogste armoederisicopercentages worden gemeten. Volgens de EU-SILC-survey van 2020 leefde 31% van de personen van 18 tot 59 jaar met een handicap in een huishouden met zeer lage werkintensiteit. Bij de personen zonder handicap ging het om 4%. Het aandeel personen met een handicap in huishoudens met een zeer lage werkintensiteit schommelde in de periode 2010-2020 tussen 26% en 38%. Bij de personen zonder handicap ging het telkens om 5% tot 6%. Figuur 29. Aandeel personen van 18 tot 59 jaar in huishouden met zeer lage werkintensiteit naar handicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in % Met handicap

Zonder handicap

2010

26

6

2011

30

6

2012

36

6

2013

33

6

2014

37

6

2015

38

6

2016

37

6

2017

33

6

2018

28

5

2019

28

5

2020

31

4

Noot: de EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Bij de opvolging van de Europa 2020-strategie werden in de voorbije jaren de 3 bovengenoemde armoede-indicatoren samen in rekening gebracht. Iemand wordt dan als arm of sociaal uitgesloten beschouwd als hij of zij voldoet aan minstens 1 van volgende voorwaarden: • Hij of zij leeft in een huishouden met een inkomen onder de nationale armoederisicodrempel na sociale transfers. • Hij of zij leeft in een huishouden met ernstige materiële deprivatie (het huishouden mist minstens 4 items uit een lijst van 9 basisitems omwille van financiële redenen). • Hij of zij is jonger dan 60 jaar en leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit.

61


Gemeten aan de hand van deze samengestelde EU2020-indicator leefde in 2020 28% van de personen met een handicap en 10% van de personen zonder handicap in armoede of sociale uitsluiting. Het verschil tussen beide groepen blijft in de hele periode 2010-2020 min of meer constant. Figuur 30. Aandeel personen van 18 jaar en ouder in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie naar handicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in % Met handicap

Zonder handicap

Figuur 31. Aandeel personen van 18 jaar en ouder in subjectieve armoede naar handicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in % Met handicap

Zonder handicap

2010

27

11

2011

27

12

2012

26

12

2013

25

11

2014

24

10

24

10

2010

27

12

2015

2011

28

12

2016

26

10

25

10

2012

33

13

2017

2013

32

12

2018

24

8

11

2019

24

9

2020

22

7

2014

32

2015

31

11

2016

30

11

2017

28

11

2018

26

10

2019

25

10

2020

28

10

Noot: de EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Bij de berekening van het armoederisicopercentage wordt op een objectieve manier nagegaan of het inkomen waarover mensen beschikken al dan niet boven een bepaalde drempel ligt. Maar de inkomensbehoeften verschillen van huishouden tot huishouden, bijvoorbeeld als gevolg van bijkomende zorg- en gezondheidskosten. Bij het vergelijken van de armoede- en inkomenssituatie van personen met en zonder handicap wordt daarom best ook gekeken naar een subjectieve inschatting van het inkomen door de betrokkenen zelf, de zogenaamde ‘subjectieve armoede’. In tegenstelling tot bij de andere in dit rapport opgenomen inkomensstatistieken hebben de cijfers over subjectieve armoede geen betrekking op het voorgaande kalenderjaar maar op het moment waarop de enquête werd afgenomen.

Noot: de EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Ter afronding van dit hoofdstuk wordt ingezoomd op mogelijke verschillen binnen de groep personen met een handicap op een aantal van de al behandelde armoede-indicatoren. Daaruit blijkt dat er in de periode 20162018 nagenoeg geen verschil was naar geslacht op vlak van aandeel personen onder de armoededrempel en aandeel personen in armoede of sociale uitsluiting (volgens de EU2020-definitie). Bij de subjectieve armoede is dat verschil er wel: vrouwen met een handicap leven iets vaker in een huishouden dat moeilijk rondkomt dan mannen met een handicap. Naar leeftijd blijven de verschillen voor wat betreft het aandeel personen onder de armoededrempel beperkt. Bij de andere indicatoren zijn er grotere verschillen. Bij de groep van 35 tot 49 jaar zijn de aandelen telkens het hoogst, bij de personen van 65 jaar en ouder het laagst. Bij 2 van de 3 indicatoren liggen de aandelen in armoede bij de personen met ernstige hinder duidelijk hoger dan bij de personen met beperkte hinder. Bij het aandeel personen onder de armoededrempel blijft het verschil naar hinder beperkt.

In 2020 leefde 22% van de personen met een handicap in een huishouden waarvan de referentiepersoon zelf aangeeft dat men (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen. Bij de personen zonder handicap ging het om 7%. Het verschil tussen beide groepen bleef over de hele periode 2010-2020 min of meer stabiel.

63


Tabel 20. Aandeel personen van 18 jaar en ouder met handicap met huishoud­ inkomen onder armoededrempel, in armoede of sociale uitsluiting (EU2020-definitie) en in subjectieve armoede naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2016-2018, in % HUISHOUDINKOMEN ONDER ARMOEDEDREMPEL

IN ARMOEDE OF SOCIALE UITSLUITING (EU2020)

IN SUBJECTIEVE ARMOEDE

Totaal

17

28

25

Man

18

28

23

Vrouw

17

28

27

18-34 jaar

16

30

27

35-49 jaar

20

37

30

50-64 jaar

17

34

29

65 jaar en ouder

17

18

19

Ernstige hinder

18

34

31

Beperkte hinder

17

23

20

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de EU-SILC-survey. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Eind 2020 ontving 47% enkel een IT, 46% zowel een IT als een IVT en 6% enkel een IVT. Het aantal personen met enkel een IT is het sterkst gestegen. Daar is sprake van een stijging met 50% in de periode 2010-2020. Bij de groep met zowel een IT als een IVT gaat het om een stijging van 31%, bij de groep met enkel een IVT om een stijging van 16%. Figuur 32. Personen met integratietegemoetkoming (IT) en/of inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) Vlaams Gewest, 2010-2020, aantal Enkel IT

Enkel IVT

Zowel IVT als IT

2010

33.309

5.790

37.200

2011

32.728

5.754

38.726

2012

34.230

5.816

39.056

2013

34.989

5.865

40.285

2014

36.678

5.979

41.073

2015

39.095

6.054

41.784

2016

40.727

6.067

42.383

2017

41.693

6.119

43.463

2018

44.326

6.252

45.207

2019

47.969

6.512

47.029

2020

49.836

6.713

48.710

Bron: DG Personen met een Handicap - FOD Sociale Zekerheid

2.3.3 SOCIALE BIJSTANDSUITKERINGEN VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP Er bestaan een aantal specifieke uitkeringen gericht op personen met een handicap in een precaire inkomenssituatie. Zo kunnen personen van 18 tot 65 jaar met een door de FOD Sociale Zekerheid erkende handicap een beroep doen op een aantal sociale bijstandsuitkeringen indien zij leven in een huishouden dat moet rondkomen met een inkomen onder een bepaalde grens. Het gaat vooreerst om de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) voor personen met een verminderd verdienvermogen door hun handicap. De IVT is een tegemoetkoming die bedoeld is om het verlies aan inkomen (deels) te compenseren. Daarnaast bestaat er een integratietegemoetkoming (IT) voor personen met een handicap met een verminderde zelfredzaamheid. De IT is bedoeld als compensatie voor de bijkomende kosten die een persoon met een handicap heeft om deel te kunnen nemen aan het maatschappelijke leven. Niet iedereen met een erkende handicap ontvangt een dergelijke uitkering aangezien er bijkomende inkomensvoorwaarden aan verbonden zijn: enkel personen met een huishoudinkomen onder een bepaalde grens hebben recht op deze uitkeringen. Beide uitkeringen kunnen wel samen uitgekeerd worden: eenzelfde persoon kan dus zowel een IVT als een IT ontvangen.

Eind 2020 was 53% van het totaal aantal personen met een IT en/of een IVT een vrouw, 47% een man. Bij de personen met enkel een IT of enkel een IVT is het overwicht van vrouwen nog groter. Daar ging het telkens om 57%. Maar bij de groep met zowel een IVT als een IT waren er iets meer mannen dan vrouwen. Naar leeftijd is de groep van 50 tot 64 jaar de grootste groep binnen het totaal aantal personen met een IT en/of een IVT (38%). Daarna volgen de groepen van 35 tot 49 jaar (23%) en van 18 tot 34 jaar (21%). Er is ook nog een behoorlijk grote groep 65-plussers (19%) ondanks het feit dat de IT en IVT gericht zijn op personen van 18 tot 65 jaar. Dat heeft te maken met het feit dat personen die voor hun 65ste verjaardag een dergelijke uitkering hebben ontvangen, die blijven ontvangen nadat ze 65 jaar geworden zijn. Opgesplitst naar uitkeringsgroep valt nog op dat bij de personen met zowel een IT als een IVT de groep van 18 tot 34 jaar iets groter is dan de groep van 50 tot 64 jaar.

Eind 2020 werd in het Vlaamse Gewest aan iets meer dan 105.000 personen een IVT en/of een IT uitgekeerd. Dat is een stijging van 38% tegenover de periode eind 2010.

65


Figuur 33. Personen met integratietegemoetkoming (IT) en/of inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) naar geslacht en leeftijd Vlaams Gewest, 2020, aantal Enkel IT

Enkel IVT

Man

21.199

2.899

Vrouw

28.637

18-34 jaar

4.488

35-49 jaar

9.202

50-64 jaar

22.085

65-79 jaar

13.015

80 jaar en ouder

1.046

3.814

Zowel IVT als IT

Figuur 34. Personen met tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB) en met zorgbudget voor ouderen met zorgnood Vlaams Gewest, 2010-2020, aantal Tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB)

25.130 23.580

Aantal 2010

100.676

2011

104.541

1.563

15.551

2012

105.305

1.745

13.191

2013

106.361

15.436

2014

107.214

2015

106.661

2016

105.278

2.627 711 67

4.044 488

Bron: DG Personen met een Handicap - FOD Sociale Zekerheid

Zorgbudget voor ouderen met zorgnood

Naast de IVT en de IT die kan worden aangevraagd door personen van 18 tot 65 jaar, bestaat er ook een specifieke tegemoetkoming voor personen met een handicap van 65 jaar en ouder: de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB). Deze uitkering is net als de IT gericht op personen met een door de FOD Sociale Zekerheid erkende handicap omwille van een verminderde zelfredzaamheid. Hier geldt eveneens de voorwaarde dat enkel personen met een huishoudinkomen onder een bepaalde grens aanspraak kunnen maken op deze tegemoetkoming.

Aantal 2017

102.245

2018

104.714

2019

101.893

2020

94.662

Bron: DG Personen met een Handicap - FOD Sociale Zekerheid, Agentschap Zorg en Gezondheid

Sinds 1 januari 2017 is de bevoegdheid voor de THAB voor de inwoners van het Vlaamse Gewest overgedragen aan de Vlaamse Gemeenschap. De THAB maakt nu deel uit van de Vlaamse Sociale Bescherming en kreeg de naam ‘zorgbudget voor ouderen met een zorgnood’. De FOD Sociale Zekerheid staat wel nog in voor de erkenning van de handicap voor de aanvragen.

Het aantal uitgekeerde zorgbudgetten voor ouderen met een zorgnood gaat voornamelijk naar vrouwen. Eind 2020 waren zij goed voor 72% van de zorgbudgetten. Naar leeftijd ligt het aandeel het hoogst bij de personen van 80 tot 89 jaar: zij zijn goed voor 50% van het aantal toegekende zorgbudgetten.

Eind 2020 kregen bijna 95.000 personen een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood. Dat blijkt uit de cijfers van het Agentschap voor Zorg en Gezondheid. Dat aantal ligt iets lager dan het aantal personen dat tot 2016 een THAB kreeg van de FOD Sociale Zekerheid. Eind 2016 waren dat er iets meer dan 105.000.

Figuur 35. Personen met zorgbudget voor ouderen met zorgnood naar geslacht en leeftijd Vlaams Gewest, 2020, aantal Aantal Man

26.909

Vrouw

67.753

65-69 jaar

3.473

70-74 jaar

8.702

75-79 jaar

13.095

80-84 jaar

22.021

85-89 jaar

25.661

90-94 jaar

16.275

95-99 jaar 100 jaar en ouder

4.908 527

Bron: Agentschap Zorg en Gezondheid

67


2.4 WONEN Om de woonsituatie van personen met en zonder handicap te schetsen, komen in wat volgt de bewonerstitel, de betaalbaarheid van het wonen en de woonkwaliteit aan bod. Net als in het vorige hoofdstuk zijn de cijfers grotendeels gebaseerd op de gegevens van de European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC-survey). Daarnaast wordt gebruik gemaakt van gegevens van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) over het aantal personen met een handicap dat een sociale woning huurt of kandidaat-huurder is.

aankoop van de woning. Het hogere aandeel eigenaars zonder hypotheek hangt samen met het oudere leeftijdsprofiel van de personen met een handicap. Het aandeel eigenaars met een nog lopende hypotheeklening ligt beduidend hoger bij de personen zonder handicap. Het aandeel huurders op de private markt en op de sociale markt ligt telkens hoger bij de groep personen met een handicap. Tabel 21. Bewonerstitel van het huishouden van personen van 18 jaar en ouder naar handicap Vlaams Gewest, 2020, in %

MET HANDICAP

ZONDER HANDICAP

2.4.1 BEWONERSTITEL

Eigenaar zonder hypotheek

40

36

Eigenaar met hypotheek

24

45

In 2020 leefde 65% van de personen met een handicap in een huishouden dat eigenaar is van de woning waarin men woont. Bij de personen zonder handicap lag dat aandeel met 81% beduidend hoger. Zoals al vermeld werd de EU-SILC-enquête in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren.

Private huurder

21

14

Sociale huurder

14

5

Woont gratis

1

1

Figuur 36. Aandeel personen van 18 jaar en ouder dat leeft in huishouden dat eigenaar is van de woning naar handicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in % Met handicap

Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Binnen de groep personen met een handicap bestaan er duidelijke verschillen op vlak van de bewonerstitel van het huishouden. Het eigenaarschap neemt toe met de leeftijd. De huishoudens van oudere personen met een handicap zijn vaker eigenaar van de woning dan jongere personen met een handicap. De huishoudens van jongere leeftijdsgroepen huren vaker op de private markt. Het aandeel sociale huurders ligt het hoogst in de leeftijdsgroep van 35 tot 49 jaar en het laagst bij de oudste leeftijdsgroep.

Zonder handicap

2010

73

79

2011

70

80

2012

69

80

2013

70

81

2014

65

82

2015

67

81

2016

68

80

2017

69

82

2018

68

81

2019

68

81

2020

65

81

Huishoudens van personen met ernstige hinder zijn minder vaak eigenaar van de woning dan personen met beperkte hinder, maar huren vaker hun woning op de private of sociale markt.

Noot: de EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Meer gedetailleerde gegevens geven aan dat personen met een handicap iets vaker dan personen zonder handicap eigenaar zijn van de woning zonder hypotheeklasten. Dat betekent dat de hypotheeklening voor de woning al werd afbetaald of dat er geen hypotheeklening werd aangegaan voor de

69


Figuur 37. Bewonerstitel van huishouden van personen van 18 jaar en ouder met handicap naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2016-2018, in % Eigenaar Totaal

67

Private huurder

68

19

Vrouw

66

22

18-34 jaar

52

29

35-49 jaar

57

24

50-64 jaar

66

20

65 jaar en ouder

76

17

Met handicap

Sociale huurder

Zonder handicap

2010

11

6

2011

12

7

2012

14

8

2013

11

6

2014

13

6

15

2015

13

6

17

2016

14

6

2017

14

6

2018

13

6

2019

12

5

2020

12

5

21

Man

Figuur 38. Aandeel personen van 18 jaar en ouder in huishouden met woonquote van minstens 40% naar handicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in %

11

10 12

12 6

Ernstige hinder

62

23

14

Beperkte hinder

71

18

9

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de EU-SILC-survey. Het beperkte aandeel personen dat gratis woont is niet opgenomen in de figuur. Daardoor tellen de percentages per rij niet op tot 100.

Noot: de EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Bron: EU SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

2.4.2 BETAALBAARHEID VAN HET WONEN Bij huishoudens en personen met een laag inkomen kunnen de woonkosten behoorlijk zwaar doorwegen in het huishoudbudget. Door het Europese statistiekbureau Eurostat wordt de grens voor een te zware woonkost gelegd op 40% van het beschikbare huishoudinkomen. Daarbij wordt rekening gehouden met alle kosten voor de huur of aflossing van de lening, verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen. In 2020 leefde 12% van de personen met een handicap in een huishouden met een woonquote van minstens 40%. Bij de personen zonder handicap lag dat aandeel op 5% en dus duidelijk lager. Het aandeel bij de personen met een handicap schommelde de voorbije jaren tussen 12% en 14%. Bij de personen zonder handicap ging het telkens om 5% tot 6%.

Aanvullend wordt in de EU-SILC-survey aan de referentiepersoon van het huishouden gevraagd naar een subjectieve inschatting van de woonkost. Daaruit blijkt dat in 2020 23% van de personen met een handicap leefde in een huishouden waarvoor de woonkosten een zware last vormen voor het huishoudbudget. Dat aandeel ligt duidelijk hoger dan bij de personen zonder handicap (10%). Het verschil tussen beide groepen bleef min of meer gelijk over de jaren heen.

71


Figuur 39. Aandeel personen van 18 jaar en ouder in huishouden waar woonkosten zware last vormen voor huishoudbudget naar handicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in % Met handicap 2010

22

Figuur 40. Aandeel personen van 18 jaar en ouder met handicap in huishouden met woonquote van minstens 40% en waar woonkosten zware last vormen voor huishoudbudget naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2016-2018, in %

Zonder handicap Woonquote minstens 40%

12

Woonkosten zware last

Totaal

14

25

2011

26

13

2012

25

15

2013

24

13

Man

11

24

Vrouw

16

26

2014

24

12

2015

24

12

2016

25

12

18-34 jaar

16

30

14

30

2017

25

12

35-49 jaar

2018

25

11

50-64 jaar

14

27

65 jaar en ouder

13

19

2019

25

12

2020

23

10 Ernstige hinder

16

31

Noot: de EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren.

Beperkte hinder

12

20

Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de EU-SILC-survey. Bron: EU SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Binnen de groep personen met een handicap wijzen beide woonkostindicatoren erop dat de situatie iets minder positief is bij vrouwen dan bij mannen. De woonkosten vormen een groter probleem bij de huishoudens van jongere dan van oudere personen met een handicap. Ten slotte liggen de cijfers hoger in huishoudens van personen met ernstige hinder dan van personen met beperkte hinder.

2.4.3 KWALITEIT VAN DE HUISVESTING Een vijfde van de personen met een handicap leefde in 2020 in een woning van mindere kwaliteit. Bij de personen zonder handicap ging het om 16%. Het gaat om woningen zonder elementair comfort, met structurele gebreken aan het dak, de ramen, deuren en muren, te donkere woningen of woningen met een gebrek aan ruimte. In alle jaren van 2010 tot 2020 lag het aandeel personen in woningen van mindere kwaliteit duidelijk hoger bij personen met een handicap dan bij personen zonder handicap.

73


Figuur 41. Aandeel personen van 18 jaar en ouder in woning van mindere kwaliteit naar handicap Vlaams Gewest, 2010-2020, in % Met handicap

Zonder handicap

Figuur 42. Aandeel personen van 18 jaar en ouder met handicap in woning van mindere kwaliteit naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2016-2018, in % Totaal

24

Man

23

Vrouw

24

18-34 jaar

26

18

35-49 jaar

34

22

19

50-64 jaar

24

26

21

20

16

65 jaar en ouder

18

Ernstige hinder

24

Beperkte hinder

23

2010

27

20

2011

28

20

2012

24

18

2013

24

17

2014

27

16

2015

27

16

2016

27

18

2017

22

2018 2019 2020

Noot: de EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

0

Binnen de groep personen met een handicap ligt het aandeel personen dat leeft in een woning van mindere kwaliteit het hoogst bij de leeftijdsgroep van 35 tot 49 jaar. Bij de oudere leeftijdsgroepen ligt dat aandeel duidelijk lager. Naar geslacht en mate van hinder blijven de verschillen beperkt.

5

10

15

20

25

30

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de EU-SILC-survey. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

2.4.4 SOCIAAL WONEN Uit de administratieve gegevens van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) blijkt dat eind 2020 34.428 personen met een handicap stonden ingeschreven als referentiehuurder van een sociale woning. Daarnaast was er bij 11.679 huurders een persoon met een handicap aanwezig binnen het huishouden. Samen gaat het om 46.107 huishoudens met een persoon met een handicap wat overeenkomt met bijna 32% van het totaal aantal sociale huurders. Personen met een handicap zijn hier personen met de nodige attesten zoals beschreven in het sociaal huurbesluit (ministerieel besluit van 21 december 2007). Het gaat onder meer om personen met een door de DirectieGeneraal Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid erkende handicap en om kinderen met een verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een handicap.

75


Het aantal huurders met een persoon met een handicap in het huishouden (referentiehuurder of lid van het huishouden) is tussen 2011 en 2020 met 47% toegenomen. Het aandeel huurders met een persoon met een handicap in het huishouden steeg daarmee van 23% tot 32% van het totaal aantal huurders. Daarnaast stonden eind 2020 21.936 personen met een handicap ingeschreven als kandidaat-huurder van een sociale woning. Dat is 13% van het totaal aantal kandidaat-huurders. Het aantal kandidaat-huurders met een handicap is tussen 2011 en 2020 meer dan verdubbeld. Ten opzichte van het totaal aantal kandidaat-huurders gaat het om een stijging van 11% naar 13%.

Tabel 23. Sociale woningen aangepast aan personen in rolstoel Vlaams Gewest, 2020, in aantal en % Aangepaste woning

AANTAL

%

3.323

2,0

Rolstoelbezoekbare woning

51.072

31,4

Woning niet toegankelijk

83.864

51,5

Woning nog niet beoordeeld

24.491

15,0

162.750

100,0

Totaal Bron: VMSW

Tabel 22. Huurders en kandidaat-huurders van een sociale woning met een erkende handicap Vlaams Gewest, 2011-2020, in aantal en % van totaal (kandidaat-)huurders

HUURDERS % HUURDERS MET PERSOON MET EEN HANDICAP IN HET HUISHOUDEN

PERSONEN MET EEN HANDICAP

% KANDIDAATHUURDERS MET EEN HANDICAP

8.494

23,1

10.237

11,2

8.726

23,6

12.047

11,2

8.817

24,0

11.807

11,2

HUISHOUDEN MET REFERENTIEHUURDER MET EEN HANDICAP

HUISHOUDEN MET ANDERE PERSOON MET EEN HANDICAP

2011

22.914

2012

23.644

2013

24.160

KANDIDAAT-HUURDERS

2014

24.865

8.837

24,3

13.994

11,6

2015

25.865

8.893

24,8

13.866

11,8

2016

26.880

9.315

25,4

16.185

11,8

2017

29.250

10.201

27,5

16.543

12,2

2018

30.601

10.542

28,4

17.936

11,7

2019

31.970

11.081

29,6

20.294

13,2

2020

34.428

11.679

31,8

21.936

13,0

Bron: VMSW

De VSMW beschikt ook over cijfers inzake de mate waarin sociale woningen zijn aangepast aan personen in een rolstoel. Een ‘aangepaste’ woning is een woning waar een rolstoelgebruiker zelfstandig kan functioneren. Alle lokalen van de woning bevinden zich verplicht op eenzelfde niveau dat toegankelijk is voor de rolstoelgebruiker (drempelloos). Daarnaast zijn onder meer de schakelaars en stopcontacten op een voor een persoon in een rolstoel bereikbare hoogte geplaatst en zijn bepaalde elementen zoals lavabo en spoeltafel onderrijdbaar. Naast aangepaste woningen bestaan er ook ‘rolstoelbezoekbare’ woningen. Het gaat om woningen die een persoon in een rolstoel, eventueel met hulp, de woning tot in de leefruimte kan bezoeken. Eind 2020 was 2% van de sociale huurwoningen aangepast aan een rolstoelgebruiker en 31% bezoekbaar door rolstoelgebruikers. Iets meer dan de helft van de woningen was niet toegankelijk voor personen in een rolstoel. Over 15% van de woningen was geen informatie beschikbaar aangezien ze nog niet beoordeeld werden.

77


3.

GEZONDHEID EN SOCIALE PARTICIPATIE 3

3.1 GEZONDHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de subjectieve gezondheid, de mentale gezondheid en de financiële toegang tot de gezondheidszorg van personen met en zonder handicap. Deze gegevens zijn gebaseerd op de resultaten van de Gezondheidsenquête van Sciensano en op de European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC-survey) (zie hoofdstuk 1 voor meer info over deze enquêtes en over de in dit rapport gebruikte afbakening van de groep personen met een handicap). Net als bij de gegevens over inkomen en armoede wordt ook hier binnen de groep personen met een handicap een opsplitsing gemaakt naar geslacht, leeftijd en mate van hinder en wordt daarvoor gebruik gemaakt van een dataset waarin de edities 2016, 2017 en 2018 van de EU-SILC-survey werden samengenomen.

3.1.1 SUBJECTIEVE GEZONDHEID De subjectieve gezondheid wordt hier in beeld gebracht op basis van de beoordeling van de gezondheid door de respondent zelf. Volgens de Gezondheidsenquête van 2018 lag het aandeel personen van 18 jaar en ouder met een handicap dat aangaf een goede of heel goede gezondheid te hebben op 26%. Bij personen zonder handicap was dat het geval bij 88% van de respondenten. Omgekeerd geven veel meer personen met een handicap aan dat hun gezondheid slecht of heel slecht is. Dat aandeel lag bij de personen met een handicap op 24%, bij de personen zonder handicap op nagenoeg 0%. Figuur 43. Beoordeling van eigen gezondheid door personen van 18 jaar en ouder naar handicap Vlaams Gewest, 2018, in % Met handicap Heel goed

Zonder handicap

2

28

Goed

24

60

Redelijk

51

12

Slecht

21

0

Heel slecht

3

0

Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen

Op basis van de resultaten van de EU-SILC-survey kan de subjectieve gezondheid van personen met en zonder handicap vergeleken worden. De cijfers verschillen beperkt van de resultaten van de Gezondheidsenquête,

79


maar ze wijzen wel in dezelfde richting: personen met een handicap beoordelen hun gezondheidssituatie veel minder vaak als (heel) goed en veel vaker als (heel) slecht dan personen zonder handicap. In 2020 noemde 91% van de personen zonder handicap hun eigen gezondheid als (heel) goed tegenover slechts 16% bij de personen met een handicap. Bijna 0% van de personen zonder handicap beschouwde de eigen gezondheid als (heel) slecht. Bij de personen met een handicap ging het om 33%. Tabel 24. Beoordeling van de eigen gezondheid door personen van 18 jaar en ouder naar handicap

Figuur 44. Beoordeling van eigen gezondheid door personen van 18 jaar en ouder met handicap naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2016-2018, in % Goede of heel goede gezondheid

Slechte of heel slechte gezondheid

Totaal

17

35

Man

18

31

Vrouw

16

39

Vlaams Gewest, 2010-2020, in % GOEDE OF HEEL GOEDE GEZONDHEID

SLECHTE OF HEEL SLECHTE GEZONDHEID

18-34 jaar

33

26

35-49 jaar

18

34

50-64 jaar

17

36

65 jaar en ouder

13

37

Ernstige hinder

6

62

Beperkte hinder

25

14

MET HANDICAP

ZONDER HANDICAP

MET HANDICAP

ZONDER HANDICAP

2010

20

88

31

1

2011

18

89

34

1

2012

19

88

36

1

2013

22

89

34

1

2014

20

89

37

1

2015

18

90

37

1

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de EU-SILC-survey.

2016

18

89

36

1

Bron: EU SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

2017

16

90

35

1

2018

17

90

35

1

2019

20

90

35

1

2020

16

91

33

0

Noot: de EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Binnen de groep personen met een handicap beoordelen vrouwen hun gezondheid vaker als (heel) slecht dan mannen. Het aandeel met een (heel) slechte gezondheid neemt ook toe met de leeftijd. Ten slotte ligt het aandeel dat de gezondheid als (heel) slecht beoordeelt veel hoger bij personen met ernstige hinder dan bij personen met beperkte hinder.

3.1.2 MENTALE GEZONDHEID EN WELBEVINDEN Op basis van de Gezondheidsenquête kunnen een aantal verschillende dimensies van de mentale gezondheid in beeld gebracht worden. In wat volgt gaat het om de aanwezigheid van psychische problemen, angststoornissen en ernstige depressieve stoornissen. Aansluitend wordt gekeken naar de algemene levenstevredenheid. Op basis van de antwoorden op 12 items van de ‘General Health Questionaire’ kan de psychische gezondheid van personen beoordeeld worden. De gegevens van 2018 hierover geven aan dat 58% van de personen met een handicap kampt met psychische problemen. Het gaat om personen die op de schaal van 12 items aangeven geconfronteerd te worden met minstens 2 symptomen van psychisch onwelbevinden. Bij personen zonder handicap ligt het aandeel met psychische problemen op 25%. Het aandeel van de bevolking met een gegeneraliseerde angststoornis kan berekend worden aan de hand van 7 items van de ‘Generalized Anxiety Disorder’-schaal. Daaruit blijkt dat in 2018 22% van de personen met een handicap een angststoornis had tegenover 6% van de personen zonder handicap.

81


Ten slotte kan op basis van 9 items van de ‘Patient Health Questionnaire’ het aandeel berekend worden met een ernstige depressieve stoornis. In 2018 had 12% van de personen met een handicap een depressieve stoornis tegenover 2% van de personen zonder handicap. Figuur 45. Mentale gezondheid van personen van 18 jaar en ouder naar handicap Vlaams Gewest, 2018, in % Met handicap

Zonder handicap

Psychische problemen

58

25

Angststoornis

22

6

Depressieve stoornis

12

28% van de 18-jarigen en ouder met handicap heeft een lage levenstevredenheid (score tot en met 5). Bij personen zonder handicap ligt dat aandeel op 6%. Het aandeel van de groep personen met een hoge tevredenheid (score van minstens 9) ligt bij personen met een handicap op 11%, bij personen zonder handicap op 27%. Figuur 47. Algemene levenstevredenheid (schaal van 0 tot 10) bij personen van 18 jaar en ouder naar handicap Vlaams Gewest, 2018, in % Met handicap 0 (helemaal niet tevreden)

2

1

Binnen de groep personen met een handicap hebben vrouwen iets vaker te kampen met psychische problemen en angststoornissen, mannen iets vaker met een depressieve stoornis. Naar leeftijd blijkt de groep van 35 tot 49 het slechtst te scoren op de 3 dimensies. De aandelen liggen telkens hoger bij personen met ernstige hinder dan bij de personen met beperkte hinder. Figuur 46. Mentale gezondheid van personen van 18 jaar en ouder met handicap naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2018, in % Angststoornis

1

2

Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen

Psychische problemen

2

Depressieve stoornis

Man

55

20

Vrouw

61

23

18-34 jaar

51

26

35-49 jaar

64

29

17

50-64 jaar

56

22

15

65 jaar en ouder

58

17

Ernstige hinder

74

30

19

Beperkte hinder

51

18

9

14 10

Zonder handicap 0 0

3

0

3

6

1

4

5

1

5

12

4

6

11

7

7

25

21

8

26

39

9

6

16

10 (helemaal tevreden)

5

11

Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen

Binnen de groep personen met een handicap ligt het aandeel personen met een lage levenstevredenheid iets hoger bij mannen dan bij vrouwen. Dat aandeel ligt ook hoger bij de jongere leeftijdsgroepen en bij de personen met ernstige hinder.

7

6

Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen

De algemene levenstevredenheid betreft het subjectieve oordeel van de respondent over de levensloop in het algemeen aan de hand van een 11 puntenschaal gaande van 0 (helemaal niet tevreden) tot 10 (helemaal tevreden). Uit de gegevens van 2018 blijkt dat personen met een handicap gemiddeld een score geven van 6,5 op 10, bij personen zonder handicap ligt dat gemiddelde op 7,8 op 10.

83


Bij de groep met een hoge levenstevredenheid is er geen verschil naar geslacht. Dat aandeel ligt wel iets hoger bij de oudere leeftijdsgroepen en bij de personen met beperkte hinder. Figuur 48. Algemene levenstevredenheid (schaal van 0 tot 10) bij personen van 18 jaar en ouder met handicap naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2018, in % Laag (0 tot 5)

Matig (6 tot 8)

Hoog (9 tot 10)

Totaal

28

62

11

Man

31

58

11

Vrouw

25

64

11

34

59

7

35-49 jaar

34

60

6

28

64

9

65 jaar en ouder

22

62

16

Ernstige hinder

46

46

8

Beperkte hinder

20

68

12

Figuur 49. Aandeel personen van 18 jaar en ouder dat medische zorg heeft moeten uitstellen naar handicap Vlaams Gewest, 2011-2020, in % Met handicap

18-34 jaar

50-64 jaar

De resultaten van de EU-SILC-survey liggen lager dan de resultaten van de Gezondheidsenquête, maar de conclusie blijft wel dezelfde: personen met een handicap worden vaker dan personen zonder handicap gedwongen om medische zorgen uit te stellen om financiële redenen. Volgens de EU-SILCsurvey van 2020 stelde 4% van de personen met een handicap in de voorbije 12 maanden een bezoek aan de arts of tandarts uit of af om financiële redenen. Bij de personen zonder handicap lag dat aandeel op 1%.

Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen

3.1.3 FINANCIËLE TOEGANG TOT GEZONDHEIDSZORGEN De financiële toegang tot de gezondheidszorgen kan in beeld worden gebracht op basis van het aandeel personen dat volgens de Gezondheidsenquête leeft in een huishouden dat de medische consumptie dient uit te stellen vanwege financiële redenen. Het gaat om huishoudens waarvan de referentiepersoon aangeeft dat, voor minstens één van de huishoudleden, het gebruik van gezondheidszorgen (medische zorgen of een operatie, tandverzorging, de aankoop van geneesmiddelen, een bril of mentale zorgen) in de voorbije 12 maanden moest uitgesteld worden om financiële redenen. Volgens de Gezondheidsenquête van 2018 lag dat aandeel bij personen met een handicap op 11%. Bij de personen zonder handicap lag dat aandeel op 4%.

Zonder handicap

2011

7

2

2012

5

1

2013

6

1

2014

8

1

2015

7

1

2016

8

1

2017

8

1

2018

5

1

2019

5

2

2020

4

1

Noot: de EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daarnaast werden in 2020 door de COVID-19-crisis noodgedwongen een aantal methodologische aanpassingen doorgevoerd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Binnen de groep personen met een handicap is het de groep van 35 tot 49 jaar die het vaakst medische zorg moet uitstellen (13%). De oudste groep kent het laagste aandeel (3%). Personen met ernstige hinder (9%) worden hier vaker mee geconfronteerd dan personen met beperkte hinder (5%).

Ook in de EU-SILC-survey wordt de financiële toegang tot de gezondheidszorg bevraagd. De hier gepresenteerde cijfers betreffen het aandeel personen die zelf aangeven dat zij tijdens de voorbije 12 maanden een bezoek aan de arts of tandarts hebben moeten uit- of afstellen. Het gaat in tegenstelling tot de hierboven opgenomen cijfers van de Gezondheidsenquête dus niet om uitstel van medische zorg op huishoudniveau.

85


Figuur 50. Aandeel personen van 18 jaar en ouder met handicap dat medische zorg heeft moeten uitstellen naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2016-2018, in % Totaal

7

Man

6

Vrouw

8

18-34 jaar

8

35-49 jaar

13

50-64 jaar

7

65 jaar en ouder

3

Ernstige hinder

9

Beperkte hinder

5 0

3.2.1 PARTICIPATIE AAN HET VERENIGINGSLEVEN De participatie aan het verenigingsleven wordt bekeken aan de hand van het aandeel personen dat aangeeft actief lid te zijn van een vereniging. Met actief lid zijn wordt hier bedoeld: deelnemen aan de activiteiten van een vereniging, hetzij als bestuurslid, hetzij als gewoon lid. 46% van de personen met een handicap gaf in 2018 aan actief lid te zijn van minstens 1 vereniging. Bij de personen zonder handicap ging het om 55%. In nagenoeg de hele periode van 2010 tot 2018 lag het aandeel personen met een handicap dat actief deelneemt aan het verenigingsleven telkens ongeveer 10 procentpunten lager dan het aandeel deelnemers bij de personen zonder handicap. Figuur 51. Aandeel personen van 18 jaar en ouder dat actief lid is van minstens 1 vereniging naar handicap Vlaamse Gemeenschap, 2010-2018, in % Met handicap

2

4

6

8

10

12

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de EU-SILC-survey. Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

3.2 SOCIALE PARTICIPATIE De bestaande verschillen in de sociale participatie van de personen met en zonder handicap kunnen in beeld gebracht worden via cijfers over de participatie van deze groepen aan het verenigingsleven en aan culturele activiteiten, hun sportparticipatie, hun sociale contacten, internetgebruik en politieke participatie. De hier gebruikte gegevens zijn gebaseerd op de resultaten van de Sociaal-Culturele Verschuivingen Survey (SCV) van Statistiek Vlaanderen (zie hoofdstuk 1 voor meer info over deze enquête en over de in dit rapport gebruikte afbakening van de groep personen met een handicap). Om binnen de groep personen met een handicap nog verder onderscheid te kunnen maken naar geslacht, leeftijd en mate van hinder, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCVsurvey werden samengenomen. Op deze manier is het aantal bevraagde respondenten voldoende hoog om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over kleinere subgroepen binnen de groep personen met een handicap. De gegevens van de SCV-survey worden in dit hoofdstuk aangevuld met resultaten van de Gezondheidsenquête over de tevredenheid over de sociale contacten en de mate waarin men kan steunen op een sociaal netwerk.

Zonder handicap

2010

46

55

2011

35

49

2012

45

53

2013

42

53

2014

41

53

2015

47

57

2016

47

51

2017

46

54

2018

46

55

Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

De top 5 van verenigingen waaraan men het vaakst actief deelneemt, verschilt enigszins tussen de groep personen met en zonder handicap. Bij de personen met een handicap ging het in de periode 2016-2018 om sportverenigingen (14%), hobbyverenigingen (7%), verenigingen die personen met een handicap helpen (6%), kunstverenigingen (6%) en verenigingen voor gepensioneerden (6%). Bij personen zonder handicap ging het in dezelfde periode om sportverenigingen (25%), hobbyverenigingen (7%), vakbonden en werkgeversverenigingen (6%), kunstverenigingen (6%) en socio-culturele verenigingen (5%). Binnen de groep personen met een handicap lag het aandeel actieve leden in de periode 2016-2018 hoger bij mannen dan bij vrouwen en hoger bij de jongste leeftijdsgroepen dan bij de oudere groepen. De participatie aan verenigingen lag ook hoger bij personen met beperkte hinder dan bij personen met ernstige hinder.

87


Figuur 52. Aandeel personen van 18 jaar en ouder met handicap dat actief lid is van minstens 1 vereniging naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, in % Totaal

Figuur 53. Aandeel personen van 18 jaar en ouder dat participeert aan cultuur naar handicap Vlaamse Gemeenschap, 2011-2018, in % Met handicap

46

Man

54

Vrouw

41

18-29 jaar

55

30-49 jaar

54

50-64 jaar

43

65 jaar en ouder

42

Ernstige hinder

43

Beperkte hinder

50 0

Zonder handicap

2011

64

80

2012

66

80

2013

62

81

2014

69

80

2015

68

84

2016

69

85

2017

71

84

2018

74

87

Noot: geen vergelijkbare cijfers beschikbaar voor het jaar 2010. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

10

20

30

40

50

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

3.2.2 CULTUURPARTICIPATIE Het aandeel cultuurparticipanten lag bij de personen met handicap in 2018 op 74%. Dat is 13 procentpunten lager dan bij de personen zonder handicap.

Bij een groot deel van de participanten gaat het om een eenmalige deelname aan een culturele activiteit. Als op basis van de frequentie en diversiteit van activiteiten een verdere opdeling wordt gemaakt tussen verschillende types van participanten, blijkt dat personen met een handicap minder frequent en aan minder verschillende cultuuractiviteiten deelnemen dan personen zonder handicap. In de periode 2016-2018 waren 59% van de participanten zonder handicap zogenaamde ‘regelmatige participanten’. Bij de personen met een handicap ging het om 49% van de participanten. Regelmatige participanten zijn personen die in het voorgaande jaar minstens 1 keer hebben deelgenomen aan 3 verschillende cultuuractiviteiten. De participatie aan cultuur van de personen met een handicap neemt sterk af met de leeftijd. Naar mate van hinder bestaat er een duidelijk verschil: personen met ernstige hinder participeren minder vaak dan personen met beperkte hinder. Naar geslacht blijft het verschil beperkt.

Het gaat om personen die zelf aangeven minstens 1 keer in het jaar voorafgaand aan de bevraging 1 van de volgende 10 cultuuractiviteiten te hebben ondernomen: het bijwonen van een opera of klassiek concert, een pop- of rockconcert, een jazz- of bluesconcert, een folkoptreden of concert met traditionele muziek, een dans- of balletvoorstelling, een theatervoorstelling of het bezoeken van een museum, een bibliotheek of een bioscoop. De cultuurparticipatie is zowel bij de personen met handicap als bij de personen zonder handicap tussen 2011 en 2018 toegenomen. Het verschil tussen beide groepen bleef daardoor over de jaren ongeveer even groot.

89


Figuur 54. Aandeel personen van 18 jaar en ouder met handicap dat participeert aan cultuur naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, in %

Figuur 55. Aandeel personen van 18 jaar en ouder dat sport naar handicap Vlaamse Gemeenschap, 2010-2018, in %

Totaal

2010

34

57

2011

33

54

2012

44

58

2013

44

60

2014

42

58

2015

46

66

2016

50

68

2017

50

71

2018

51

69

Met handicap 72

Man

74

Vrouw

70

18-29 jaar

98

30-49 jaar

88

50-64 jaar

74

65 jaar en ouder

53

Ernstige hinder

63

Beperkte hinder

80 0

Zonder handicap

Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

20

40

60

80

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

3.2.3 SPORTPARTICIPATIE In de SCV-survey werd op basis van een ja/nee-vraag nagegaan of de respondent al dan niet aan sport doet. Sporten wordt daarbij ruim opgevat en omvat activiteiten als wandelen of fietsen. In 2018 sportte de helft van de personen met een handicap. Bij de personen zonder handicap ging het om bijna 70%. Bij beide groepen is het aandeel sporters tussen 2010 en 2018 toegenomen, maar iets meer bij de personen met handicap. Daardoor is het verschil tussen beide groepen licht afgenomen.

Binnen de groep personen met een handicap ligt het aandeel sporters lager bij vrouwen dan bij mannen. Het aandeel sporters neemt ook sterk af met de leeftijd. Ten slotte ligt de sportparticipatie duidelijk lager bij personen met ernstige hinder dan bij personen met beperkte hinder. Figuur 56. Aandeel personen van 18 jaar en ouder met handicap dat sport naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, in % Totaal

50

Man

56

Vrouw

46

18-29 jaar

67

30-49 jaar

61

50-64 jaar

54

65 jaar en ouder

37

Ernstige hinder

42

Beperkte hinder

59 0

10

20

30

40

50

60

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

91


3.2.4 SOCIALE CONTACTEN Op basis van de resultaten van de SCV-survey kan de frequentie en de kwaliteit van de sociale contacten in kaart gebracht worden. Dat wordt hier aangevuld met resultaten van de Gezondheidsenquête over de tevredenheid over de sociale contacten en de mate waarin men kan steunen op een sociaal netwerk. In de SCV-survey wordt onderscheid gemaakt tussen contacten met buren, niet-inwonende familie en kennissen of vrienden. Op vlak van de contacten met buren blijven de verschillen tussen personen met en zonder handicap beperkt. In 2018 hadden bij beide groepen ongeveer 7 op de 10 personen minstens wekelijks contact met hun buren. Ook bij de contacten met familie zijn er weinig of geen verschillen tussen beide groepen: telkens 6 op de 10 personen gaven in 2018 aan minstens wekelijks contact te hebben met familieleden. Bij de contacten met kennissen of vrienden zijn de verschillen iets groter: personen met een handicap hebben iets minder vaak minstens wekelijks contact met vrienden. In 2018 ging het bij de personen met een handicap om 52%, bij de personen zonder handicap om 57%. Figuur 57. Aandeel personen van 18 jaar en ouder dat minstens wekelijks contact heeft met buren naar handicap Vlaamse Gemeenschap, 2010-2018, in %

Figuur 58. Aandeel personen van 18 jaar en ouder dat minstens wekelijks contact heeft met niet-inwonende familie naar handicap Vlaamse Gemeenschap, 2010-2018, in % Met handicap 2010

71

64

2011

62

63

2012

64

58

2013

63

63

2014

59

60

2015

64

62

2016

61

58

2017

63

62

2018

60

60

Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

Figuur 59. Aandeel personen van 18 jaar en ouder dat minstens wekelijks contact heeft met kennissen/vrienden naar handicap Vlaamse Gemeenschap, 2010-2018, in % Met handicap

Met handicap

Zonder handicap

Zonder handicap

2010

Zonder handicap

59

64

2010

74

69

2011

46

59

2011

70

72

2012

56

56

2012

68

65

2013

55

60

2013

68

71

2014

52

59

2014

73

68

2015

57

60

2015

75

70

2016

50

53

2016

65

67

2017

56

55

2017

71

68

2018

52

57

2018

70

68 Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

Op basis van bovenstaande gegevens kan het aandeel personen berekend worden dat minstens wekelijks contact heeft met buren, familie of kennissen/vrienden. In de periode 2016-2018 ging het zowel bij personen met handicap als bij de personen zonder handicap telkens om 90% van de bevolking. Binnen de groep personen met een handicap blijven op dit vlak de verschillen naar geslacht beperkt. Naar leeftijd en mate van hinder is er wel sprake van een klein verschil. Jongere personen hebben iets vaker sociaal contact dan oudere personen en personen met ernstige hinder hebben iets minder vaak sociaal contact dan personen met beperkte hinder.

93


Figuur 60. Aandeel personen van 18 jaar en ouder met handicap dat minstens wekelijks sociaal contact heeft met buren, familie en/of kennissen/vrienden naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, in % Totaal

90

Man

89

Vrouw

91

18-29 jaar

93

30-49 jaar

94

50-64 jaar

88

65 jaar en ouder

90

Ernstige hinder

88

Beperkte hinder

93 0

Tabel 25. Beoordeling door personen van 18 tot 85 jaar van de kwaliteit van de sociale contacten naar handicap Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, % (helemaal) eens

MET HANDICAP

ZONDER HANDICAP

Er zijn mensen met wie ik goed kan praten. (+)

94

96

Ik voel me van andere mensen geïsoleerd. (-)

11

5

Er zijn mensen bij wie ik terecht kan. (+)

94

95

Er zijn mensen die me echt begrijpen. (+)

89

93

Ik maak deel uit van een groep vrienden. (+)

68

80

Mijn sociale contacten zijn oppervlakkig. (-)

24

18

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

Die mindere beoordeling van de sociale contacten komt naar voor in de resultaten van de Gezondheidsenquête over de kwaliteit van de sociale contacten. Daaruit blijkt dat personen met een handicap vaker ontevreden zijn met hun sociale contacten dan personen zonder handicap. In 2018 waren 19% van de personen met een handicap ontevreden over hun sociale contacten, bij de personen zonder handicap lag dat aandeel op 6%. 25

50

75

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

In de SCV-survey werd ook gepeild naar de kwaliteit van de sociale contacten. Aan de respondenten werd gevraagd aan te geven of ze het eens of oneens zijn met een aantal stellingen hierover. Daaruit blijkt een verschil tussen personen met en zonder handicap. Personen met een handicap zijn het iets minder vaak eens met de positief geformuleerde stellingen en vaker eens met de negatief geformuleerde stellingen. Het aandeel dat zich van andere mensen geïsoleerd voelt, ligt dubbel zo hoog bij personen met een handicap. Ze geven minder vaak aan deel te zijn van een groep vrienden en omschrijven hun sociale contacten vaker als oppervlakkig.

Op basis van een set van vragen over het aantal personen waarop men kan rekenen bij zware problemen, over de mate waarin mensen aandacht en interesse hebben in wat de persoon doet en over de mate waarin praktische hulp van buren beschikbaar is, kan een inschatting gemaakt worden van de gepercipieerde kwaliteit van de sociale ondersteuning. Daaruit blijkt dat 23% van de personen met handicap aangeeft te beschikken over weinig sociale ondersteuning tegenover 11% van de personen zonder handicap. Figuur 61. Beoordeling door personen van 18 jaar en ouder van kwaliteit van sociale contacten naar handicap Vlaams Gewest, 2018, in % Met handicap

Zonder handicap

Ontevreden over sociale contacten

19

6

Weinig sociale ondersteuning

23

11

Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen

Binnen de groep personen met een handicap zijn mannen iets vaker dan vrouwen ontevreden over hun sociale contacten. Naar leeftijd ligt dat aandeel het hoogst bij de personen van 35 tot 49 jaar. Personen met ernstige hinder zijn duidelijk vaker ontevreden dan personen met beperkte hinder en geven vaker aan te beschikken over weinig sociale ondersteuning.

95


Figuur 62. Beoordeling door personen van 18 jaar en ouder met handicap van kwaliteit van sociale contacten naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaams Gewest, 2018, in % Ontevreden over sociale contacten Totaal

19

Figuur 63. Aandeel personen van 18 jaar en ouder dat minstens wekelijks internet gebruikt naar handicap Vlaamse Gemeenschap, 2014-2018, in %

Weinig sociale ondersteuning 23

Met handicap

Zonder handicap

2014

64

79

2015

68

82

Man

22

24

2016

68

85

Vrouw

16

23

2017

73

85

2018

73

91

18-34 jaar

19

18

35-49 jaar

28

25

50-64 jaar

20

23

65 jaar en ouder

13

24

Ernstige hinder

29

33

Beperkte hinder

14

19

Noot: geen vergelijkbare cijfers beschikbaar voor de jaren 2010 tot 2013. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

Binnen de groep personen met een handicap bestaan er duidelijke verschillen naar geslacht, leeftijd en mate van hinder. Mannen gebruiken vaker het internet dan vrouwen, jongeren veel vaker dan ouderen en personen met beperkte hinder vaker dan personen met ernstige hinder.

Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen

3.2.5 DIGITALE PARTICIPATIE Het aandeel personen dat aangeeft minstens wekelijks internet te gebruiken, is in de meest recente jaren behoorlijk gestegen. Die stijging deed zich voor bij zowel personen met en zonder handicap. Het aandeel wekelijkse internetgebruikers lag bij personen met een handicap in alle jaren wel duidelijk lager dan bij personen zonder handicap. Het verschil tussen beide groepen bedroeg tussen 2014 en 2018 telkens ongeveer 15 procentpunten.

Figuur 64. Aandeel personen van 18 jaar en ouder met handicap dat minstens wekelijks internet gebruikt naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, in % Totaal

71

Man

80

Vrouw

66

18-29 jaar

99

30-49 jaar

95

50-64 jaar

78

65 jaar en ouder

45

Ernstige hinder

63

Beperkte hinder

79 0

25

50

75

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

97


Als nagegaan wordt voor welk soort activiteiten men het internet gebruikt, vertonen personen zonder handicap een iets breder internetgebruik dan personen met handicap. Dat blijkt als aan de respondenten die minstens wekelijks internet gebruiken gevraagd wordt om aan te geven welke van 14 verschillende internetactiviteiten ze de voorbije 3 maanden al dan niet hebben gedaan. Het gaat daarbij onder meer om communiceren met anderen via e-mail of chat, informatie opzoeken, financiële activiteiten, goederen kopen of verkopen, spelletjes spelen, deelnemen aan sociale media of kijken of luisteren naar films of muziek. Het gemiddeld aantal internetactiviteiten lag in de periode 2016-2018 bij personen met een handicap op 6,9 activiteiten, bij personen zonder handicap op 7,5 activiteiten.

3.2.6 POLITIEKE PARTICIPATIE In de SCV-survey werden verschillende vormen van politieke participatie bevraagd. Het gaat om volgende 13 activiteiten: deelnemen aan politieke manifestaties of demonstraties, schenken of verzamelen van geld voor politieke actie, lid zijn van een politieke partij, kandideren op een verkiezingslijst, lid zijn van een lokaal advies-, inspraak- of overlegorgaan, een buurt- of actiecomité of bewonersgroep, tekenen van een petitie, boycotten of opzettelijk kopen van producten omwille van politieke redenen, zijn mening uiten bij een politicus of ambtenaar of in de media, deelnemen aan een politiek forum of discussiegroep op internet en informatie verzamelen over de plannen of beslissingen van de overheid. 4 op de 10 personen met een handicap gaven in 2018 aan in het voorafgaande jaar minstens 1 van deze politieke activiteiten te hebben ondernomen. Dat aandeel lag iets lager dan bij personen zonder handicap (48%). In de andere jaren was er eveneens telkens sprake van een lagere politieke participatie bij personen met een handicap. De top 5 van politieke activiteiten die het vaakst worden gedaan is dezelfde bij personen met en zonder handicap. De activiteit die bij beide groepen het hoogst scoorde was in de periode 2016-2018 het tekenen van een petitie (22% bij personen met handicap tegenover 25% bij personen zonder handicap). Daarna volgt het boycotten of opzettelijk kopen van producten omwille van politieke redenen (13% tegenover 14%), het schenken of verzamelen van geld voor politieke actie (10% tegenover 13%), zijn mening uiten bij een politicus of ambtenaar of in de media (8% tegenover 7%) en informatie verzamelen over de plannen of beslissingen van de overheid (6% tegenover 8%).

Figuur 65. Aandeel personen van 18 jaar en ouder dat politieke activiteiten uitoefent naar handicap Vlaamse Gemeenschap, 2012-2018, in % Met handicap

Zonder handicap

2012

35

42

2013

41

44

2014

40

40

2015

43

51

2016

40

43

2017

37

47

2018

40

48

Noot: geen vergelijkbare cijfers beschikbaar voor de jaren 2010 en 2011. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

Binnen de groep personen met een handicap zijn er geen verschillen naar geslacht of mate van hinder. Die zijn er wel naar leeftijd: de groep tussen 30 en 49 jaar is het vaakst politiek actief, de oudste groep het minst vaak. Figuur 66. Aandeel personen van 18 jaar en ouder met handicap dat politieke activiteiten uitoefent naar geslacht, leeftijd en mate van hinder Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, in % Totaal

39

Man

39

Vrouw

39

18-29 jaar

42

30-49 jaar

54

50-64 jaar

40

65 jaar en ouder

29

Ernstige hinder

39

Beperkte hinder

39 0

10

20

30

40

50

Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

99


3.3 HOUDING VAN DE SAMENLEVING Een belangrijke voorwaarde voor volwaardige maatschappelijke participatie van een groep is een positieve houding van de samenleving ten opzichte van die groep. Daarom wordt in dit laatste hoofdstuk gefocust op een aantal hiermee samenhangende items: de houding van de bevolking tegenover personen met een handicap, de beeldvorming over personen met een handicap in de media en meldingen over discriminatie op basis van handicap. De houding van de bevolking tegenover personen met een handicap wordt in beeld gebracht op basis van de resultaten van de Sociaal-Culturele Verschuivingen Survey (SCV) van Statistiek Vlaanderen. De gegevens over de beeldvorming over personen met een handicap in de media komen uit de Monitor Diversiteit uitgevoerd in opdracht van de VRT-Studiedienst waarin het Vlaamse aanbod van de VRT-televisienetten onderzocht wordt. Het gaat enkel om programma’s van de VRT-productie of van Belgische productiehuizen. De discriminatie op basis van geslacht ten slotte wordt in beeld gebracht aan de hand van de Nederlandstalige discriminatiemeldingen en geopende dossiers bij het Interfederaal Gelijkekansencentrum Unia.

3.3.1 HOUDING TEGENOVER PERSONEN MET EEN HANDICAP

Ruim 7 op de 10 stonden in 2018 positief tegenover inclusief onderwijs voor personen met een lichamelijke handicap. Iets meer dan 8 op de 10 gaan akkoord met de stelling dat personen met een lichamelijke handicap het recht hebben om een gezin te stichten. In het geval van personen met een verstandelijke handicap liggen die aantallen slechts half zo hoog. Als gevraagd wordt naar de houding tegenover contacten met personen met een handicap, stelt een kleine minderheid het lastig te vinden als ze op straat worden aangesproken door een persoon met een handicap. Ongeveer 8 op de 10 vonden het in 2018 geen probleem als een persoon met een handicap zijn of haar buur zou worden. Dat aantal ligt iets hoger bij personen met een lichamelijke handicap dan bij personen met een verstandelijke handicap. 1 op de 10 geeft wel aan het een probleem te vinden als hun kind zou samenwonen met een persoon met een lichamelijke handicap. Ten slotte vonden in 2018 7 op de 10 respondenten dat werkgevers meer aangespoord moeten worden om meer personen met een handicap aan te nemen. Een kleine minderheid vindt dat de speciale parkeerplaatsen voor personen met een handicap moeten opengesteld worden voor iedereen als de andere plaatsen volzet zijn. Een iets grotere groep is van mening dat personen met een handicap belastinggeld krijgen dat andere groepen beter zouden kunnen gebruiken. Als de resultaten van 2014, 2016 en 2018 met elkaar worden vergeleken, lijkt de houding tegenover personen met een handicap iets positiever geworden. Algemeen is het zo dat het aandeel van de personen die het eens zijn met de positief geformuleerde stellingen iets is toegenomen, terwijl dat aandeel bij de negatief geformuleerde beperkt is afgenomen.

In de SCV-survey van 2014, 2016 en 2018 werd aan de respondenten gevraagd om 14 stellingen over personen met een handicap te beoordelen. De respondenten konden aangeven of ze het met die stellingen (helemaal) eens, noch eens/noch oneens of (helemaal) oneens zijn. Er werden via deze stellingen telkens 3 verschillende aspecten van de houding tegenover personen met een handicap bevraagd: de houding tegenover gelijke rechten voor personen met een handicap, de houding tegenover contacten met personen met een handicap en de houding tegenover overheidsondersteuning voor personen met een handicap. Gelijke rechten voor personen met een handicap worden op het eerste gezicht breed gesteund. In 2018 vonden ruim 8 op de 10 respondenten dat personen met een handicap hun leven moeten kunnen leiden zoals zij dat willen. 9 op de 10 ondersteunden de stelling dat mensen met een handicap evenveel kansen zouden moeten krijgen als mensen zonder handicap. De aard van de handicap bepaalt mee de houding. Het recht op inclusief onderwijs en op het stichten van een gezin wordt veel meer ondersteund voor personen met een lichamelijke handicap dan voor personen met een verstandelijke handicap.

101


Tabel 26. Houding van personen van 18 tot 85 jaar tegenover personen met handicap Vlaamse Gemeenschap, 2014-2018, % (helemaal) eens 2014

2016

Figuur 67. Houding van personen van 18 tot 85 jaar tegenover personen met handicap Vlaamse Gemeenschap, 2014-2018, index van 1 tot 5 (hoe hoger, hoe negatiever)

2018

GELIJKE RECHTEN

2014

Mensen met een handicap moeten hun leven kunnen leiden zoals zij dat willen. (+)

81

82

Mensen met een handicap zouden in onze samenleving evenveel kansen moeten krijgen als mensen zonder handicap. (+)

88

90

90

Kinderen met een lichamelijke handicap moeten naar dezelfde scholen kunnen gaan als andere kinderen. (+)

71

72

73

Kinderen met een verstandelijke handicap moeten naar dezelfde scholen kunnen gaan als andere kinderen. (+)

29

30

28

Mensen met een lichamelijke handicap hebben het recht om een gezin te stichten. (+)

80

83

83

Mensen met een verstandelijke handicap hebben het recht om een gezin te stichten. (+)

40

40

41

2016

2018

84

2,4 Gelijke rechten

2,3 2,3 2,1

Contacten naaste omgeving

1,9 1,9 2,1

Overheidsondersteuning

2,0 2,0 0,0

CONTACTEN IN NAASTE OMGEVING U vindt het lastig als een persoon met een lichamelijke handicap u op straat aanspreekt. (-)

4

3

2

U zou het geen probleem vinden als er een persoon met een lichamelijke handicap in het huis naast u zou komen wonen. (+)

78

87

85

U vindt het lastig als een persoon met een verstandelijke handicap u op straat aanspreekt. (-)

7

7

5

U zou het geen probleem vinden als er een persoon met een verstandelijke handicap in het huis naast u zou komen wonen. (+)

73

80

78

U zou het een probleem vinden als uw kind zou samenwonen met een persoon met een lichamelijke handicap. (-)

12

12

10

Werkgevers zouden meer aangespoord moeten worden om meer mensen met een handicap aan te werven, ook al leidt dit tot extra kosten. (+)

61

68

69

De speciale parkeerplaatsen voor mensen met een handicap, moeten voor iedereen beschikbaar zijn als alle andere parkeerplaatsen bezet zijn. (-)

9

8

5

Mensen met een handicap krijgen van ons belastinggeld voordelen die anderen beter kunnen gebruiken. (-)

9

8

8

OVERHEIDSONDERSTEUNING

0,5

1,0

1,5

2,0

Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

Naar achtergrondkenmerken blijkt er weinig of geen verschil tussen de houding van mannen en vrouwen. Wat leeftijd betreft, staan de jongere groepen meestal positiever staan tegenover personen met een handicap dan de oudere leeftijdsgroepen. Enkel bij de houding tegenover ondersteuning door de overheid is dat niet het geval. Daarnaast blijken hooggeschoolden meestal iets positiever te staan dan laaggeschoolden, behalve bij de houding tegenover gelijke rechten waar er geen verschil is naar opleiding. Ten slotte nemen diegenen die personen met een handicap persoonlijk kennen een iets positievere houding dan diegenen die aangeven geen personen met een handicap te kennen. Al bij al blijven de gevonden verschillen naar geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en persoonlijk kennen van personen met een handicap steeds vrij beperkt.

Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

Om de evolutie meer in detail in beeld te brengen, kunnen 3 maten berekend worden voor de 3 gemeten aspecten van de houding: de houding tegenover gelijke rechten voor personen met een handicap, de houding tegenover contacten met personen met een handicap en de houding tegenover overheidsondersteuning voor personen met een handicap. In vergelijking met de meting in 2014 is de houding in 2016 en 2018 op alle 3 de aspecten iets positiever geworden, al blijven de verschillen wel vrij beperkt.

103


Figuur 68. Houding van personen van 18 tot 85 jaar tegenover personen met handicap naar geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en persoonlijk kennen van persoon met handicap Vlaamse Gemeenschap, 2018, index van 1 tot 5 (hoe hoger, hoe negatiever)

Gelijke rechten

Contacten naaste omgeving

Overheidsondersteuning

Figuur 69. Aandeel actoren met handicap in tv-aanbod tijdens primetime van VRT naar zender Vlaamse Gemeenschap, 2013-2020, in % Totaal

Eén

Canvas

Ketnet

2013

0,7

0,8

Man

2,2

1,9

2,0

2014

1,1

1,4

Vrouw

2,3

1,9

1,9

2015

0,9

1,4

2016

0,9

1,2

18-34 jaar

2,2

1,8

2,0

2017

1,1

1,2

1,5

0,9

35-49 jaar

2,3

1,8

1,9

2018

1,1

1,2

1,3

0,9

50-64 jaar

2,3

1,9

1,9

2019

1,5

1,3

2,0

1,6

65 jaar en ouder

2,4

2,1

2,0

2020

1,5

1,6

1,3

1,4

Laaggeschoold

2,3

2,0

2,0

Noot: enkel programma’s VRT-productie of Belgische productiehuizen.

Middengeschoold

2,3

1,9

2,0

Hooggeschoold

2,3

1,8

1,9

Kent persoon met handicap

2,2

1,9

1,9

Kent geen persoon met handicap

2,3

2,0

2,1

Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen

3.3.2 BEELDVORMING IN DE MEDIA OVER PERSONEN MET EEN HANDICAP Op basis van de gegevens van de Monitor Diversiteit van de VRT-Studiedienst kan het aandeel personen met een handicap in het televisieaanbod van de publieke omroep (zonder buitenlandse programma’s) tijdens primetime (tussen 18.00 en 23.00 uur) in beeld gebracht worden. Er zijn weinig personen met een handicap zichtbaar op televisie. In 2020 was 1,5% van de actoren in de programma’s van alle VRT-zenders (Eén, Canvas en Ketnet) iemand met een handicap. Daarmee doet de openbare omroep het beter dan de voorgaande jaren. Tussen de VRT-zenders onderling zijn er verschillen merkbaar. Bij Eén lag het aandeel personen met een handicap op het scherm in 2020 het hoogst (1,6%), bij Canvas het laagst (1,3%). Bij Ketnet waren er 1,4% actoren met een handicap.

1,0

0,4 0,4

1,4

0,6

0,4 0,4

0,7

Bron: VRT-Studiedienst

3.3.3 DISCRIMINATIE OP BASIS VAN HANDICAP Het is niet eenvoudig om cijfers te presenteren over de frequentie en de aard van de in Vlaanderen voorkomende discriminatiepraktijken op basis van handicap. Hier wordt een beroep gedaan op de meldingen van discriminatie op basis van handicap die bij het Interfederaal Gelijkekansencentrum Unia worden ingediend in het Nederlands (inclusief Nederlandstalige gebarentaal) en de dossiers die Unia op grond hiervan opent. Meldingen zijn alle contacten met Unia (inclusief de lokale contactpunten) van mogelijke slachtoffers van discriminatie, haatmisdrijven of haatboodschappen. Daarnaast kan het gaan om getuigenissen, vragen of bekommernissen van derden of vragen van personen of organisaties die in een concrete situatie discriminatie willen vermijden. Meldingen kunnen ook betrekking hebben op de rechten van personen met een handicap onder het VN-Verdrag van 13 december 2006. De meeste meldingen worden gedaan door slachtoffers of rechtstreekse getuigen van discriminatie, maar in domeinen zoals media/internet kunnen melders personen of organisaties zijn die aangeven geschokt te zijn door commentaren, interviews of tweets, zonder dat ze zelf betrokken zijn bij de feiten. Bij deze cijfers dient opgemerkt te worden dat het aantal meldingen een weergave is van de contacten met Unia en dus niet overeenkomt met het werkelijke aantal voorkomende gevallen van discriminatie: veel gevallen van discriminatie worden niet gemeld en niet alle meldingen voldoen aan de wettelijke voorwaarden om te spreken over discriminatie.

105


In 2020 kwamen bij Unia 564 Nederlandstalige meldingen binnen over discriminatie op basis van handicap. Dat aantal lag in 2020 op nagenoeg hetzelfde niveau als in 2017, 2018 en 2019. In de jaren daarvoor lag het aantal meldingen lager. Tussen 2010 en 2017 steeg het aantal meldingen met 77%. In 2020 kwamen er het meeste meldingen binnen over discriminatie met betrekking tot het domein ‘arbeid en werkgelegenheid’. In alle jaren tussen 2010 en 2019 kende het domein ‘goederen en diensten’ het meeste meldingen. Na deze 2 domeinen volgde in alle jaren het domein ‘onderwijs’. In 2020 ging 38% van de meldingen over arbeid en werkgelegenheid, 25% over goederen en diensten, en 12% over onderwijs. Tabel 27. Aantal Nederlandstalige meldingen van discriminatie op basis van handicap bij Unia naar domein België, 2010-2020, aantal

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Goederen en diensten

136

134

131

120

179

190

150

178

201

189

143

Arbeid en werkgelegenheid

50

78

51

76

55

76

117

140

124

133

217

Onderwijs

35

28

35

39

60

53

76

94

121

101

69

Diverse activiteiten

26

24

24

17

46

33

31

55

48

42

28

Sociale bescherming

23

30

20

29

41

24

23

41

31

33

21

Samenleving

21

34

26

22

25

27

19

35

17

28

38

Politie en justitie

14

11

14

14

12

15

18

21

12

13

12

Media

7

6

11

11

3

4

8

12

15

25

14

Andere/onduidelijk

20

25

104

9

18

14

14

13

19

23

22

Totaal

332

370

416

337

439

436

456

589

588

587

564

Tabel 28. Aantal door Unia geopende dossiers op basis van Nederlandstalige meldingen van discriminatie op basis van handicap naar domein België, 2010-2020, aantal 2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Goederen en diensten

90

88

87

78

80

85

92

69

77

63

48

Arbeid en werkgelegenheid

34

54

28

38

30

39

71

76

58

73

77

Onderwijs

21

16

20

27

29

30

59

50

62

57

34

Diverse activiteiten

13

16

12

13

27

19

23

24

30

21

12

Sociale bescherming

7

15

9

20

25

10

12

11

4

8

4

Samenleving

13

12

13

12

10

13

6

12

7

10

14

Politie en justitie

10

5

7

10

3

9

10

12

5

3

2

Media

5

1

2

2

2

1

6

6

3

5

4

Andere/onduidelijk

13

13

39

3

7

3

6

1

3

5

3

206

220

217

203

213

209

285

261

249

245

198

Totaal Bron: Unia

Bron: Unia

Unia opent vanuit een melding een dossier wanneer een melding naar een discriminatiegrond verwijst waarvoor Unia bevoegd is of wanneer die betrekking heeft op de rechten van personen met een handicap en wanneer de melder een concreet advies of een andere tussenkomst verwacht. De notie ‘dossier’ staat dus los van de ernst van de feiten en van het al dan niet bewezen karakter van de feiten. Meerdere meldingen over dezelfde feiten (bijvoorbeeld gemediatiseerde gebeurtenissen of cyberhate) worden in principe gebundeld in eenzelfde dossier. Uitzonderlijk opent Unia ambtshalve een dossier. In 2020 opende Unia 198 dossiers naar aanleiding van Nederlandstalige meldingen over discriminatie op basis van handcap. Dat aantal is sinds 2016 duidelijk gedaald. In dat jaar werden 285 dossiers geopend. In de jaren 2010 tot 2015 lag dat aantal telkens iets hoger dan 200. Net als bij de meldingen werden in 2020 het meeste dossiers geopend in de domeinen ‘arbeid en werkgelegenheid’, ‘goederen en diensten’ en ‘onderwijs’.

107


BESLUIT

4

In dit SV-rapport werd aan de hand van een brede waaier van statistieken, gebaseerd op zowel administratieve gegevens als resultaten van bevolkingsenquêtes, een beeld geschetst van de maatschappelijke positie en participatie van personen met een handicap in Vlaanderen. In dit besluit worden per hoofdstuk de belangrijkste resultaten nog eens kort samengevat. Afsluitend worden een aantal algemene bedenkingen geformuleerd over een aantal belangrijke blinde vlekken in de bestaande data over personen met een handicap.

AFBAKENING VAN DE DOELGROEP Om zicht te krijgen op de omvang en het profiel van de doelgroep van dit SV-rapport werd in het eerste hoofdstuk vooreerst gebruik gemaakt van verschillende administratieve bronnen, zowel op Vlaams als op federaal niveau. Het aantal personen met een erkende handicap loopt afhankelijk van de gebruikte databank sterk uiteen. Eind 2020 kregen bijna 104.00 personen een ondersteuning van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) of een zorgbudget. Op datzelfde moment waren er in het Vlaamse Gewest in totaal iets meer dan 333.000 personen erkend als persoon met een handicap door de Directie-Generaal Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst (FOD) Sociale Zekerheid. Dat komt overeen met 6,2% van de meerderjarige bevolking. Het aandeel door de FOD Sociale Zekerheid erkende personen met een handicap in de bevolking lag in 2020 niet beduidend hoger dan in 2010, ondanks de veroudering van de bevolking. Dat hangt samen met een duidelijke afname van het aandeel personen met een erkende handicap bij de oudere leeftijdsgroepen. De afbakening van de doelgroep van het VN-verdrag over de Rechten van Personen met een Handicap gaat echter breder dan enkel de personen met een erkende handicap en neemt alle personen met een langdurige ziekte, aandoening of handicap die daardoor hinder ondervinden om volwaardig te participeren aan de samenleving mee in rekening. De omvang en het profiel van deze bredere groep kan afgeleid worden uit de resultaten van een aantal algemene bevolkingsenquêtes. Afhankelijk van de gehanteerde bron varieert dit aandeel van 16% tot 24% van de bevolking van 18 jaar en ouder, wat overeenkomt met ongeveer 700.000 tot 1,3 miljoen personen. Een derde tot de helft van deze groep geeft aan door de aanwezige handicap of ziekte in ernstige mate (voortdurend) gehinderd te worden in hun dagelijkse bezigheden. Uit de enquêtes wordt telkens duidelijk dat het aandeel met een handicap hoger ligt bij vrouwen dan bij mannen, toeneemt met de leeftijd en afneemt met het onderwijsniveau. Ten slotte blijkt dat van de personen van 18 tot 64 jaar met een handicap ruim 6 op de 10 aangeven dat hun handicap erkend werd door een officiële instantie. Bij personen met ernstige hinder loopt dat op tot 8 op de 10, bij personen met beperkte hinder gaat het om 4 op de 10.

109


ONDERWIJS EN VORMING In het schooljaar 2020-2021 volgde ongeveer 4% van de leerlingen in het basis- en secundair onderwijs les in het buitengewoon onderwijs. Tussen 2010-2011 en 2020-2021 nam het aantal leerlingen in het buitengewoon onderwijs beperkt toe (+2%). Meer jongens dan meisjes volgen les in het buitengewoon onderwijs en dat overwicht van jongens nam het afgelopen decennium nog verder toe. In het hoger onderwijs was in 2019-2020 1% van de studenten erkend door het VAPH als een persoon met een handicap. Uit de resultaten van de EAK-enquête blijkt dat personen met een arbeidshandicap vaker lager geschoold zijn dan personen zonder arbeidshandicap. In 2020 was bijna 36% van de 25- tot 64-jarigen met een arbeidshandicap laaggeschoold. Bij personen zonder arbeidshandicap was dat 15%. Het verschil tussen beide groepen is sinds 2010 nauwelijks gewijzigd. De EAK-gegevens maken ook duidelijk dat personen tussen 25 en 64 jaar met een arbeidshandicap minder vaak participeren aan een opleiding dan personen zonder arbeidshandicap. In 2020 ging het bij de personen met arbeidshandicap om bijna 4%, bij de personen zonder arbeidshandicap om ongeveer 7%.

ARBEIDSMARKTPARTICIPATIE Personen met een arbeidshandicap zijn minder actief op de arbeidsmarkt. Van de personen met een arbeidshandicap had in 2020 46% een betaalde job, bij de personen zonder arbeidshandicap lag dat aandeel op 80%. Daartegenover staat een hogere mate van niet-beroepsactiviteit. Bij de personen met een arbeidshandicap was 51% niet-beroepsactief, bij personen zonder arbeidshandicap 17%. Hierbij zijn telkens wel nog opvallende verschillen te noteren binnen de groep personen met een arbeidshandicap: personen die ernstige hinder ondervinden in hun dagelijkse bezigheden zijn duidelijk minder vaak actief op de arbeidsmarkt dan personen met beperkte hinder. In vergelijking met personen zonder arbeidshandicap zijn personen met een arbeidshandicap minder vaak aan de slag als zelfstandige, zijn ze vaker deeltijds tewerkgesteld en werken ze minder vaak van thuis uit. Op vlak van tijdelijk werk is er weinig verschil tussen personen met en zonder arbeidshandicap. Zowel bij werknemers als bij zelfstandigen met een arbeidshandicap lag het aandeel werkbare jobs lager dan bij werknemers of zelfstandigen zonder arbeidshandicap. De minder gunstige werkbaarheidssituatie van de werknemers en zelfstandigen met een arbeidshandicap komt tot uiting bij alle in beschouwing genomen werkbaarheidsindicatoren.

Administratieve gegevens maken ten slotte duidelijk dat eind 2020 28.079 doelgroepwerknemers aan de slag waren in de sociale economie en dat er in 2020 2,3% van de personeelsleden bij de Vlaamse overheid een handicap of chronische ziekte had.

INKOMEN EN ARMOEDE Het totaal netto persoonlijk inkomen van personen met een handicap lag in 2020 (op basis van inkomsten van 2019) 23% lager dan het persoonlijk inkomen van personen zonder handicap. Vooral het beroepsinkomen ligt bij personen zonder handicap veel hoger dan bij personen met handicap. Bij het inkomen uit pensioenen of andere inkomens (inkomens voor onder meer arbeidsongeschiktheid, ziekte/invaliditeit en sociale bijstand) geldt het omgekeerde. Het armoederisico lag in 2020 bij personen met een handicap dubbel zo hoog als bij personen zonder handicap: 16% van de personen met een handicap en 8% van de personen zonder handicap leefde in een huishouden met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Ook het aandeel personen in ernstige materiële deprivatie en het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit ligt bij de personen met een handicap telkens duidelijk hoger dan bij personen zonder handicap. Alles samen leefde volgende samengestelde EU2020-indicator in 2020 28% van de personen met een handicap in armoede of sociale uitsluiting. Bij personen zonder handicap ging het om 10%. Er bestaan een aantal specifieke sociale bijstandsuitkeringen voor personen met een handicap in een precaire inkomenssituatie. Zij kunnen een beroep doen op een aantal specifieke sociale bijstandsuitkeringen. Eind 2020 werd in het Vlaamse Gewest aan iets meer dan 105.000 personen een inkomensvervangende tegemoetkoming en/of een integratietegemoetkoming uitgekeerd. Daarnaast bestaat er een specifieke tegemoetkoming voor personen met een handicap van 65 jaar en ouder, de zogenaamde ‘tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden’ (THAB). Vanaf 2017 werd de bevoegdheid voor de THAB voor de inwoners van het Vlaamse Gewest overgedragen aan de Vlaamse Gemeenschap. De THAB maakt nu deel uit van de Vlaamse Sociale Bescherming en kreeg de naam ‘zorgbudget voor ouderen met een zorgnood’. Eind 2020 kregen bijna 95.000 personen zo’n zorgbudget voor ouderen met een zorgnood.

WONEN In 2020 leefde 65% van de personen met een handicap in een huishouden dat eigenaar is van de woning waarin het woont. Bij de personen zonder handicap lag dat aandeel met 81% beduidend hoger. Personen met een handicap wonen vaker in huurwoningen op de private en de sociale woningmarkt.

111


Wat betaalbaarheid betreft, is de situatie van personen met een handicap minder gunstig dan personen zonder handicap. Van de eerste groep leefde in 2020 12% in een huishouden met een te zware woonkost (woonquote van minstens 40%). Bij de personen zonder handicap lag dat aandeel op 5% en dus duidelijk lager. Cijfers gebaseerd op een subjectieve inschatting van de woonkost door de huishoudens zelf, wijzen in dezelfde richting. De kwaliteit van de woning is iets minder goed bij personen met een handicap dan bij personen zonder handicap. Uit cijfers van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) blijkt dat eind 2020 bij 46.107 huurders van een sociale woning er een persoon met een handicap aanwezig was in het huishouden (als referentiehuurder of als lid van het huishouden). Dat komt overeen met 32% van het totaal aantal sociale huurders. Daarnaast stonden eind 2020 21.936 personen met een handicap ingeschreven als kandidaat-huurder van een sociale woning. Dat is 13% van het totaal aantal kandidaat-huurders. Verder waren eind 2020 2% van de sociale huurwoningen aangepast aan een rolstoelgebruiker en 31% bezoekbaar door rolstoelgebruikers.

GEZONDHEID Personen met een handicap zijn veel minder positief over hun gezondheid dan personen zonder handicap. Volgens de Gezondheidsenquête van 2018 lag het aandeel personen met een handicap dat aangaf een goede of heel goede gezondheid te hebben op 26%. Bij personen zonder handicap was dat het geval bij 88% van de respondenten. Omgekeerd geven veel meer personen met een handicap aan dat hun gezondheid slecht of heel slecht is. Dat aandeel lag bij de personen met een handicap op 24%, bij de personen zonder handicap op nagenoeg 0%. De gegevens van de EU-SILC-survey maken verder duidelijk dat er binnen de groep personen met een handicap sprake is van een belangrijk verschil tussen de personen met ernstige hinder en de personen met beperkte hinder. Bij de personen met beperkte hinder beoordeelt 14% de eigen gezondheid als (zeer) slecht. Bij de personen met ernstige hinder loopt dat op tot 62%.

van de personen met een handicap in het voorgaande jaar een bezoek aan de arts of tandarts uit of af om financiële redenen. Bij de personen zonder handicap lag dat aandeel op 1%.

SOCIALE PARTICIPATIE Op basis van de gegevens van de SCV-survey van 2016 tot 2018 kan gesteld worden dat op nagenoeg alle bekeken dimensies van sociale participatie personen met een handicap minder goed scoren dan personen zonder handicap. Personen met een handicap zijn minder vaak actief lid van een vereniging (46% bij personen met een handicap tegenover 55% bij personen zonder handicap), participeren minder vaak aan culturele activiteiten (74% tegenover 87%), doen minder vaak aan sport (51% tegenover 69%), gebruiken minder vaak het internet (73% tegenover 91%) en zijn minder vaak politiek actief (40% tegenover 48%). Binnen de groep personen met een handicap ligt de sociale participatie bij bijna alle onderzochte dimensies lager bij vrouwen, bij ouderen en bij personen die ernstige hinder ondervinden in hun dagelijkse bezigheden. Enkel op vlak van sociale contacten wijken de resultaten enigszins af van dit algemene patroon. Wat betreft de frequentie van contacten met buren en familie is er geen verschil tussen personen met en zonder handicap. Personen met een handicap hebben wel iets minder vaak contacten met vrienden. Maar opvallender is dat personen met een handicap de kwaliteit van hun sociale contacten minder positief beoordelen dan personen zonder handicap. Ze geven minder vaak aan deel te zijn van een groep vrienden, omschrijven hun contacten vaker als oppervlakkig en geven dubbel zo vaak aan dat ze zich van andere mensen geïsoleerd voelen. Dat wordt bevestigd door de gegevens van de Gezondheidsenquête: 23% van de personen met een handicap geeft aan over weinig sociale steun te beschikken. Bij personen zonder handicap ligt dat aandeel op 11%. Binnen de groep personen met een handicap is de beschikbare sociale steun vooral laag bij personen die ernstige hinder ondervinden.

HOUDING VAN DE SAMENLEVING

Op het vlak van de mentale gezondheid, gemeten aan de hand van het voorkomen van psychische problemen, angststoornissen en depressieve stoornissen, is de situatie bij personen met een handicap minder goed dan bij personen zonder handicap. Personen met een handicap zijn ook minder positief over het leven in het algemeen. Volgens de Gezondheidsenquête van 2018 lag de gemiddelde score voor algemene levenstevredenheid bij personen met een handicap op 6,5 op 10, bij personen zonder handicap op 7,8 op 10.

Een belangrijke voorwaarde voor volwaardige maatschappelijke participatie van een groep is een positieve houding van de samenleving ten opzichte van die groep. Daarom werd in het laatste hoofdstuk van dit rapport ingegaan op de houding van de bevolking tegenover personen met een handicap, de aanwezigheid van personen met een handicap in de media en de meldingen over discriminatie op basis van handicap.

Wat betaalbaarheid van de zorg betreft, blijkt dat personen met een handicap vaker dan personen zonder handicap gedwongen worden om medische zorgen uit te stellen om financiële redenen. In 2020 stelden 4%

Uit de resultaten van de SCV-survey blijkt de houding van de Vlamingen tegenover personen met een handicap iets positiever geworden tussen 2014 en 2018. Dan gaat het zowel om de houding tegenover gelijke rechten voor

113


personen met een handicap, de houding tegenover contacten met personen met een handicap en de houding tegenover overheidsondersteuning voor personen met een handicap. Over het algemeen staan jongeren en hoger geschoolden iets positiever tegenover personen met een handicap dan ouderen en lager geschoolden, al blijven de verschillen vrij beperkt. Tegelijk is het zo dat de aard van de handicap mee de houding bepaalt: de houding tegenover gelijke rechten voor personen met een handicap en tegenover contacten met personen met een handicap is positiever als het gaat over personen met een lichamelijke handicap dan over personen met een verstandelijke handicap. De gegevens van de VRT-Studiedienst maken duidelijk dat er vooralsnog weinig personen met een handicap zichtbaar zijn in de televisieprogramma’s van de VRT-zenders. In 2020 ging het om 1,5% van alle actoren op televisie in prime time. Dat aandeel is tegenover 2013 wel verdubbeld. In 2020 kwamen bij het Interfederaal Gelijkekansencentrum Unia 564 Nederlandstalige meldingen binnen over discriminatie op basis van handicap. Dat aantal lag in 2020 op nagenoeg hetzelfde niveau als in 2017, 2018 en 2019. In de jaren daarvoor lag het aantal meldingen lager. Daarnaast opende Unia in 2020 198 dossiers naar aanleiding van Nederlandstalige meldingen over discriminatie op basis van handcap. Dat aantal is sinds 2016 duidelijk gedaald. Bij deze cijfers dient opgemerkt te worden dat het aantal meldingen een weergave is van de contacten met Unia en dus niet overeenkomt met het werkelijke aantal voorkomende gevallen van discriminatie: veel gevallen van discriminatie worden niet gemeld en niet alle meldingen voldoen aan de wettelijke voorwaarden om te spreken over discriminatie.

BLINDE VLEKKEN Algemeen genomen kan op basis van de brede waaier van statistieken die in dit SV-rapport werden samengebracht, gesteld worden dat de maatschappelijke positie en participatie van personen met een handicap duidelijk minder goed is dan die van personen zonder handicap. Personen met een handicap zijn over het algemeen minder hoog geschoold, participeren minder aan de arbeidsmarkt, worden vaker geconfronteerd met een lager inkomen en een hoger armoederisico, leven vaker in een minder stabiele en kwalitatieve huisvestingssituatie, ervaren veel vaker gezondheidsproblemen en nemen minder deel aan het verenigingsleven, cultuur, sport en politiek. Op nagenoeg alle domeinen blijkt ook dat personen die door hun handicap, aandoening of ziekte ernstige hinder ondervinden in het dagelijkse leven nog duidelijk slechter scoren dan personen die slechts beperkte hinder ondervinden.

op basis van een officiële erkenning van de handicap aan bij de definitie van het VN-kader, maar ook deze bevolkingsenquêtes slagen er niet om de totaliteit en diversiteit van de beoogde doelgroep van dit rapport helemaal te vatten. Niet alleen ontbreekt bij de meeste van deze enquêtes waardevolle informatie over het soort aandoening en de aard van de beperkingen die voortvloeien uit de aandoening, het is vooral zo dat in deze enquêtes aanzienlijke en voor dit rapport belangrijke groepen niet of nauwelijks in beeld komen. Zo verblijven personen met ernstige beperkingen veelal in collectieve huishoudens (instellingen) en wordt die groep met dergelijke algemene bevolkingsenquêtes niet of nauwelijks bereikt. Bovendien is het uiterst moeilijk om mensen met een verstandelijke beperking of bepaalde fysieke beperkingen via een algemene bevolkingsenquête te bereiken. Idealiter worden voor deze groepen gerichte bevragingen opgestart, met bevragingsmethoden die beter afgestemd zijn op de specifieke capaciteiten en behoeften van de beoogde groep. Dergelijke bevragingen, die onvermijdelijk een hogere kostprijs met zich meebrengen dan de klassieke algemene bevolkingsenquêtes, worden momenteel in Vlaanderen niet op een periodieke manier georganiseerd. Nochtans zouden zij een belangrijke rol kunnen spelen in het wegwerken van de blinde vlekken die momenteel bestaan in de data over de maatschappelijke positie en participatie van de meest kwetsbare subgroepen van de brede en diverse groep personen met een handicap. Niet alleen is het zo dat een belangrijk deel van de doelgroep buiten beeld blijft in algemene bevolkingsenquêtes, ook op inhoudelijk vlak schieten de gebruikte bevolkingsenquêtes tot op zekere hoogte te kort. Verschillende domeinen die voor personen met een handicap een belangrijke rol spelen in het werkelijk volwaardig kunnen participeren in het maatschappelijke leven blijven in algemene bevolkingsenquêtes vaak buiten beeld. Het gaat dan onder meer om aspecten als mobiliteit en toegankelijkheid van gebouwen en dienstverlening. Er bestaan weliswaar enquêtes die zich specifiek richten op deze domeinen, maar daarin wordt veelal geen aandacht besteed aan de specifieke situatie van personen met een handicap. Dat zou verholpen kunnen worden door de vragen over de aanwezigheid van een langdurige ziekte, aandoening of handicap en de daarmee gepaard gaande hinder in de dagelijkse bezigheden systematisch toe te voegen aan elke enquête. Op deze manier zou op deze specifieke domeinen de aparte positie van personen met een handicap beter in beeld gebracht kunnen worden.

Aanvullend op deze algemene bevindingen is het bovendien belangrijk te wijzen op een aantal opvallende blinde vlekken in de beschikbare data over de doelgroep. De in dit rapport gebruikte resultaten van een aantal algemene bevolkingsenquêtes sluiten weliswaar beter dan de afbakening

115


BRONNENLIJST

5

INLEIDING VN-verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (2006): https://www.vaph.be/sites/default/files/documents/vn-conventie/vnconventie.pdf

AFBAKENING VAN DE DOELGROEP Directie-Generaal Personen met een Handicap – Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid: https://handicap.belgium.be/nl/erkenning-handicap/ index.htm Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) van Statbel: https://statbel.fgov.be/nl/themas/werk-opleiding/arbeidsmarkt/faq EU-SILC-survey van Statbel: https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/ armoede-en-levensomstandigheden/faq Gezondheidsenquête van Sciensano: https://hisia.wiv-isp.be/SitePages/Home.aspx Sociaal-Culturele Verschuivingen Survey (SCV) van Statistiek Vlaanderen: https://www.statistiekvlaanderen.be/survey-scv-survey Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH): https://www.vaph.be

ONDERWIJS EN VORMING Agentschap Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties & Studietoelagen (AHOVOKS): https://ahovoks.login.paddlecms.net/ Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) van Statbel: https://statbel.fgov.be/nl/themas/werk-opleiding/arbeidsmarkt/faq Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming (O&V): http://onderwijs.vlaanderen.be

117


ARBEIDSMARKTPARTICIPATIE

SOCIALE PARTICIPATIE

De Vlaamse sociale economie. Jaarrapport, Departement WSE: https://www.vlaanderen.be/publicaties/de-vlaamse-sociale-economiejaarrapport

Sociaal-Culturele Verschuivingen Survey (SCV) van Statistiek Vlaanderen: https://www.statistiekvlaanderen.be/survey-scv-survey

Dienst Diversiteitsbeleid: https://overheid.vlaanderen.be/monitoringkansengroepen

HOUDING VAN DE SAMENLEVING

Cijferrapport bij actielijst arbeidsbeperking 2030, SERV - Commissie Diversiteit: https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/47079 Werkbaarheidsmonitor, SERV - Stichting Innovatie & Arbeid: https://www.werkbaarwerk.be/werkbaarwerk

Monitor diversiteit van de VRT-studiedienst: https://www.vrt.be/nl/over-de-vrt/prestaties/onderzoeksresultaten/ Sociaal-Culturele Verschuivingen Survey (SCV) van Statistiek Vlaanderen: https://www.statistiekvlaanderen.be/survey-scv-survey Unia: https://www.unia.be/nl/publicaties-statistieken/statistieken

Arvastat, VDAB: https://www.vdab.be/trends/arvastat Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) van Statbel: https://statbel.fgov.be/nl/themas/werk-opleiding/arbeidsmarkt/faq

INKOMEN EN ARMOEDE Agentschap Zorg en Gezondheid: http://www.zorg-en-gezondheid.be/cijfers Directie-Generaal Personen met een Handicap – Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid: https://handicap.belgium.be/nl EU-SILC-survey van Statbel: https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/ armoede-en-levensomstandigheden/faq

WONEN EU-SILC-survey van Statbel: https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/ armoede-en-levensomstandigheden/faq Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen: https://www.vmsw.be/Home/Footer/Over-sociale-huisvesting/Statistieken

GEZONDHEID EU-SILC-survey van Statbel: https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/ armoede-en-levensomstandigheden/faq Gezondheidsenquête van Sciensano: https://hisia.wiv-isp.be/SitePages/Home.aspx

119


COLOFON Verantwoordelijke uitgever Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100, 1000 Brussel Auteurs Myriam Vanweddingen | myriam.vanweddingen@vlaanderen.be Jo Noppe | jo.noppe@vlaanderen.be Dirk Moons | dirk.moons@vlaanderen.be Concept & grafische vormgeving The Oval Office Statistiek Vlaanderen Depotnummer D/2021/3241/403


Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100 1000 Brussel statistiekvlaanderen.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook