RAPPORT STATISTIEK VLAANDEREN, 2020/6
LEEFVORMEN PER LEEFTIJDSGROEP: VERSCHUIVINGEN TUSSEN 1990-2020 IN HET VLAAMSE GEWEST MARTINE CORIJN & JAN PICKERY
INHOUD SAMENVATTING 3 INLEIDING 5 1
BEVOLKING IN 1990 EN 2020
7
2
LEEFVORMEN IN 1990 EN 2020
11
3
LEEFVORMEN NAAR LEEFTIJDSGROEP
IN 1990, 2000, 2010 EN 2020
17
3.1 Bij de ouder(s) wonen
17
3.2 Alleenwonen
18
3.3 Als alleenstaande ouder wonen
19
3.4 Met de partner samenwonen
20
3.5 Met kind(eren) samenwonen
22
3.6 In een overige leefvorm wonen
24
3.7 In een collectief huishouden wonen
25
4
LEEFTIJDSGROEPEN NAAR LEEFVORM
IN 1990, 2000, 2010 EN 2020
27
4.1 Leefvormen van 0- tot 17-jarigen
27
4.2 Leefvormen van 18- tot 29-jarigen
28
4.3 Leefvormen van 30- tot 39-jarigen
30
4.4 Leefvormen van 40- tot 49-jarigen
31
4.5 Leefvormen van 50- tot 59-jarigen
32
4.6 Leefvormen van 60- tot 69-jarigen
34
4.7 Leefvormen van 70- tot 79-jarigen
35
4.8 De leefvormen van 80- tot 89-jarigen
37
4.9 De leefvormen van personen van 90 jaar en ouder 38 BESLUIT
40
LITERATUURLIJST 42
LEEFVORMEN PER LEEFTIJDSGROEP: VERSCHUIVINGEN TUSSEN 1990-2020 IN HET VLAAMSE GEWEST MARTINE CORIJN & JAN PICKERY
SAMENVATTING De voorbije 3 decennia traden er in de leefvormen van de inwoners van het Vlaamse Gewest aanzienlijke verschuivingen op. De wijziging van de opbouw van de bevolking naar leeftijd door de veroudering van de babyboomgeneratie en door de toegenomen levensverwachting speelde hierin een rol. Ook de verandering van de verdeling van de bevolking naar burgerlijke staat, ten gevolge van de gewijzigde betekenis en timing van een huwelijk en van het ouderschap, speelde een rol. Met zowel de leefvormen als de leeftijdsgroepen als invalshoek wordt in dit rapport een meer volledig beeld van de veranderingen geschetst. Vooral bij dertigers en
veertigers trad een verschuiving van gehuwd samenwonen en gehuwd ouderschap naar ongehuwd samenwonen en ongehuwd ouderschap op. Bij de oudste leeftijdsgroepen nam het samenwonen met een partner toe. De sterke gegroeide groep zestigers kende relatief gezien het minst veranderingen van leefvorm. Elk decennium kende een eigen type verschuiving van leefvorm: in de jaren 1990 nam het ongehuwd samenwonen zonder kinderen toe en in de jaren 2000 het ongehuwd samenwonen met inwonende kinderen. In de jaren 2010 trad een sterke daling van het gehuwd samenwonen bij vijftigers zonder inwonende kinderen op.
INLEIDING De globale evoluties van de leefvormen van de inwoners van het Vlaamse Gewest zijn voldoende gekend (Corijn, 2017a, 2017b, Lodewijckx, 2016a, 2016b, Lodewijckx & Luyten, 2017). De gegevens over de leefvormen of huishoudposities van de inwoners van het Vlaamse Gewest op 1 januari van elk jaar worden door Statistiek Vlaanderen ontsloten op www. statistiekvlaanderen.be/nl/bevolkingnaar-positie-in-het-huishouden. Relatief gezien zijn er nu meer alleenwonenden, ongehuwde partners en ongehuwde ouders en zijn er minder gehuwde partners en gehuwde ouders alsook minder ouderen in een instelling. Deze veranderingen gelden echter niet even sterk voor elke leeftijdsgroep. Zo was er bijvoorbeeld op de meeste leeftijden een toename van het aantal alleenwonenden, maar
op enkele leeftijden daalde dit aantal. De vraag ‘Hoe veranderden de voorbije 30 jaar de leefvormen per leeftijdsgroep?’ wordt in dit rapport beantwoord aan de hand van Rijksregistergegevens inzake de huishoudpositie van alle inwoners van het Vlaamse Gewest in 1990, 2000, 2010 en 2020. Deel 1 belicht kort de veranderingen in de opbouw van de bevolking in het Vlaamse Gewest. In deel 2 wordt een globaal beeld van de leefvormen per leeftijdsgroep geschetst. In deel 3 worden de leefvormen als invalshoek genomen om de ontwikkelingen tussen 1990 en 2020 te schetsen. In deel 4 worden de veranderingen inzake de leefvormen doorheen de tijd per leeftijdsgroep uitgetekend. De waargenomen trends liggen aan de basis van veel maatschappelijke ontwikkelingen en geven tevens een richting voor de toekomst aan.
5
1.
BEVOLKING IN 1990 EN 2020
1
De omvang en enkele kenmerken van de bevolking in België worden geregistreerd in het Rijksregister (zie Bijlage 1). Het Belgische Statistiekbureau Statbel verwerkt deze gegevens tot de officiële bevolkingsstatistieken. De veranderingen inzake de leefvormen van de bevolking in het Vlaamse Gewest in de voorbije 3 decennia worden gevoed door veranderingen in de omvang, de leeftijdsopbouw en de instroom en uitstroom van de bevolking in het Vlaamse Gewest. In Bijlage 2 wordt de omvang (aantallen of percentages) van deze veranderingen gepreciseerd. Leefvormen verschillen naargelang van de fase in de levensloop of de leeftijdsgroep. Het aantal geboorten in een bepaalde periode bepaalt lange tijd de omvang van de erbij horende leeftijdsgroep (zie Bijlage 2 figuur A). Het aantal dertigers van 1990, 2000, 2010 en 2020 is bijvoorbeeld grotendeels een gevolg van het aantal geboorten in respectievelijk de jaren 1950, 1960, 1970 en 1980. Zo waren een deel van de babyboomgeneratie dertigers in 1990 en werden ze zestigers in 2020. De toenemende levensverwachting beïnvloedde de evolutie van het aantal overlijdens (zie Bijlage 2 figuur B). Hierdoor nam de omvang van de oudere leeftijdsgroepen trager af. Tot slot speelde ook het aantal inwoners dat door verhuis naar het Vlaamse Gewest kwam of het Vlaamse Gewest verliet een rol in de aard van de samenstelling van de bevolking (zie Bijlage 2 figuur C). Sinds 1990 is het aantal inwoners in het Vlaamse Gewest toegenomen met 15% (bijna +890.000 inwoners) (zie Bijlage 2 tabel A). Maar niet elke leeftijdsgroep is in dezelfde mate gegroeid. Twee leeftijdsgroepen kenden zelfs een krimp. De groep dertigers verminderde bijvoorbeeld sinds 1990 met 5%. Dertigers in 1990 behoorden tot de babyboomgeneratie; dertigers in 2020 waren geboren in de jaren 1980 en 1990, een periode met veel minder geboorten. De groepen van 70 jaar en ouder zijn sinds 1990 het sterkst toegenomen. De zeventigers van 2020 zijn bijvoorbeeld niet enkel geboren in een periode met veel geboorten, maar die generatie bleef door de toenemende levensverwachting ook veel langer in leven. De toename van de totale bevolking in het Vlaamse Gewest berustte dus deels op een sterke toename van de (relatief kleinere) oudste leeftijdsgroepen.
7
De procentuele verdeling van de bevolking naar leeftijdsgroep wijzigde hierdoor: zo daalde bijvoorbeeld het aandeel mannelijke dertigers van 16% naar 13% en steeg het aandeel mannelijke zeventigers van 5% naar 8% (figuur 1). Figuur 1. Bevolking naar leeftijd en geslacht Vlaams Gewest, 1990 en 2020, in % 0-17 jaar jaar
18- 29 jaar
80- 89 jaar
30- 39 jaar
40- 49 jaar
50- 59 jaar
60- 69 jaar
70- 79
90 jaar en ouder
Mannen 1990
23
2020
19
20 0
16
14 10
20
13 30
13 13
40
12
15
50
60
10 12
70
5 8
4
80
90
11
7
100
Vrouwen 1990
21
2020
19 0
18
15
14 10
20
12 30
12 13
40
12 14
50
60
12 70
9 80
4 6
90
100
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Aan de basis van veranderingen in de leefvorm van de inwoners van het Vlaamse Gewest tussen 1990 en 2020 liggen ook ontwikkelingen inzake de burgerlijke staat. Het eerste huwelijk werd uitgesteld en/of afgesteld (Corijn, 2012). Ongehuwd samenwonen kwam steeds vaker voor, zowel zonder perspectief op een huwelijk, als vóór de sluiting van een huwelijk of na de ontbinding van een huwelijk (Pasteels e.a., 2013). Het aantal echtscheidingen nam toe, evenals het aantal ontbindingen van ongehuwde samenwoonrelaties (Corijn, 2016; Mortelmans e.a., 2011). De stijging van de levensverwachting heeft er bovendien ook voor gezorgd dat (gehuwd of ongehuwd) samenwonende partners langer samen in leven blijven (Corijn, 2017a). Door deze ontwikkelingen groeide het percentage ongehuwden bij de jongere volwassenen en daalde het percentage verweduwden bij de oudere volwassenen (figuur 2). Dit bracht in totaal een daling van 18 procentpunt gehuwden met zich mee. Terwijl in 1990 twee derden van de volwassenen was gehuwd, was dat in 2020 nog de helft. Deze veranderingen gingen samen met het feit dat 7 procentpunt meer volwassenen uit de echt gescheiden bleef. Elke leeftijdsgroep ervaarde in min of meerdere mate de impact van één of meerdere van deze trends inzake burgerlijke staat. In Bijlage 3 wordt de omvang van deze veranderingen in detail geschetst.
In deze context van een volwassen bevolking met een wijzigende burgerlijke staat veranderde bovendien de band tussen de burgerlijke staat en de leefvorm. Gehuwd zijn betekent nog steeds dat men in principe samenwoont met een partner. Nog niet gehuwd zijn en niet meer gehuwd zijn betekende de voorbije jaren steeds vaker dat men toch samenwoonde met een partner. Figuur 2. Volwassenen naar burgerlijke staat en geslacht Vlaams Gewest, 1990 en 2020, in % Ongehuwd
Gehuwd
Gescheiden
Verweduwd
Mannen 1990
24
2020
69
4
37 0
50 10
20
30
40
10 50
60
70
80
90
4 3 100
Vrouwen 1990
17
2020
29 0
66
4 48
10
20
30
12 40
50
60
70
80
14 11 90
100
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
9
2.
2
LEEFVORMEN IN 1990 EN 2020
Statbel kent op basis van gegevens uit het Rijksregister aan elke inwoner een welbepaald huishoudtype en een welbepaalde positie in dat huishoudtype toe. De huishoudposities op 1 januari van elk jaar worden gepubliceerd; ze geven de leefvorm van de betrokkene op dat tijdstip aan. De onderscheiden types zijn: bij ouder(s) wonen, alleenwonen, samenwonen met een partner, (alleenstaande) ouder zijn in een eenoudergezin, verblijven in een collectief huishouden (instelling). Het samenwonen met een partner kan worden gepreciseerd naargelang dit ongehuwd of gehuwd is en naargelang er inwonende kinderen zijn of niet. Personen die samenwonen met kinderen maken deel uit van een gezin. De gehanteerde indeling van de leefvormen kent een aantal beperkingen (Bijlage 1). Als voor een bepaald jaar de leefvorm van alle personen per leeftijd bij elkaar wordt geplaatst, ontstaat een beeld van de verdeling van de leefvormen op elke leeftijd in dat jaar. De beelden voor 1990 en 2020 (met 11 leefvormen) illustreren de verschuivingen (figuur 3a tot en met 3d).
Figuur 3a. Leefvormen van mannen per leeftijd Vlaams Gewest, 1990, in % Kind bij gehuwd paar Kind bij ongehuwd paar Kind bij alleenstaande ouder Alleenwonend Gehuwd met partner zonder kinderen Ongehuwd met partner zonder kinderen Gehuwd met partner en kind(eren) Ongehuwd met partner en kind(eren) Alleenstaande ouder Bewoner collectief huishouden
Overig
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 0
10
20
30
40
50
60
70
80
90
100
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
11
Figuur 3b. Leefvormen van mannen per leeftijd Vlaams Gewest, 2020, in % Kind bij gehuwd paar Kind bij ongehuwd paar Kind bij alleenstaande ouder Alleenwonend Gehuwd met partner zonder kinderen Ongehuwd met partner zonder kinderen Gehuwd met partner met kind(eren) Ongehuwd met partner met kind(eren) Alleenstaande ouder Bewoner collectief huishouden
Overig
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 0
10
20
30
40
50
60
70
80
90
100
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Figuur 3c. Leefvormen van vrouwen per leeftijd Vlaams Gewest, 1990, in % Kind bij gehuwd paar Kind bij ongehuwd paar Kind bij alleenstaande ouder Alleenwonend Gehuwd met partner zonder kinderen Ongehuwd met partner zonder kinderen Gehuwd met partner en kind(eren) Ongehuwd met partner en kind(eren) Alleenstaande ouder Bewoner collectief huishouden
Overig
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 0
10
20
30
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
40
50
60
70
80
90
100
Figuur 3d. Leefvormen van vrouwen per leeftijd Vlaams Gewest, 2020, in % Kind bij gehuwd paar Kind bij ongehuwd paar Kind bij alleenstaande ouder Alleenwonend Gehuwd met partner zonder kinderen Ongehuwd met partner zonder kinderen Gehuwd met partner met kind(eren) Ongehuwd met partner met kind(eren) Alleenstaande ouder Bewoner collectief huishouden
Overig
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 0
10
20
30
40
50
60
70
80
90
100
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In 1990 overheersten 4 leefvormen: als kind bij gehuwde ouders wonen, tussen 30 en 60 jaar als gehuwde partner met inwonende kinderen leven, vanaf 60 jaar als gehuwde partner zonder inwonende kinderen leven en vanaf 90 jaar alleenwonen. Het beeld van 2020 ziet er helemaal anders uit. De dominante leefvormen uit 1990 hebben ingeboet aan belang en leefvormen die eerder uitzonderlijk waren in 1990 komen frequenter voor in 2020. De opvallendste verschuivingen tussen 1990 en 2020 zijn: • Meer kinderen en jongeren (tot 24 jaar) wonen bij ongehuwde ouders of bij een alleenstaande ouder. • Tussen 25 en 50 jaar woont men vaker ongehuwd samen met een partner, vaker alleen en vrouwen vaker als alleenstaande moeder. • Vanaf 50 jaar woont men tot op zeer hoge leeftijd vaker met een partner samen.
13
In figuur 4a en 4b worden de veranderingen in leefvorm naar leeftijd en geslacht weergegeven. Voor volwassenen zijn de opvallendste verschuivingen tussen 1990 en 2020: • Jongvolwassen mannen en vrouwen wonen vaker bij de ouder(s): bij jongens is het verschil met 1990 het grootst op 25 jaar, bij meisjes op 23 jaar. • Op jongere en middenleeftijd woont men minder samen met een partner en op latere leeftijd woont men vaker samen met een partner dan voorheen. • Op alle leeftijden, maar vooral op jongere leeftijd, woont men minder (als ongehuwd of gehuwd paar of als alleenstaande ouder) samen met kinderen. Enkel vrouwen rond de 50 jaar leven vaker met kinderen samen, omdat ze dan vaker alleenstaande moeder zijn. • Op middenleeftijd (van 27 tot 60 jaar) wonen mannen vaker alleen. • Op latere leeftijd leeft men minder in een overige leefvorm. Dit gaat samen met het feit dat mannen vaker samenwonen met een partner en dat vrouwen vaker in een instelling verblijven. Figuur 4a. Veranderingen in leefvorm per leeftijd bij mannen Vlaams Gewest, 1990-2020, in procentpunt (% in 2020 - % in 1990) Bij ouder(s)
Alleen
Met partner
Met kind(eren)
Alleenstaande ouder
Overig
In collectief huishouden 25 20 15 10 5 0 −5
−10 −15 −20 −25
0
10
20
30
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
40
50
60
70
80
90
100
Figuur 4b. Veranderingen in leefvorm per leeftijd bij vrouwen Vlaams Gewest, 1990-2020, in procentpunt (% in 2020 - % in 1990) Bij ouder(s)
Alleen
Met partner
Met kind(eren)
Alleenstaande ouder
Overig
Bewoner collectief huishouden 30
20
10
0 −10 −20 −30
0
10
20
30
40
50
60
70
80
90
100
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
15
3.
LEEFVORMEN NAAR LEEFTIJDSGROEP IN 1990, 2000, 2010 EN 2020 3
In dit deel staan per globale leefvorm de veranderingen over de leeftijden doorheen de tijd centraal. In deel 4 wordt per leeftijdsgroep meer in detail aangegeven met welke andere veranderingen een eventuele stijging of daling in het voorkomen van een leefvorm doorheen de tijd gepaard gaat.
3.1 BIJ DE OUDER(S) WONEN Een eerste leefvorm is het samenwonen als ‘kind’ (ongeacht de leeftijd) bij 2 ouders of 1 ouder. De gegevens laten niet toe een onderscheid te maken tussen een ouder en/of een stiefouder. Ook gegevens inzake coouderschapsregelingen zijn er niet. Tot op de leeftijd van 17 jaar wonen de meeste, doch niet alle, kinderen bij hun ouder(s) (figuur 5). Vanaf leeftijd 20 en zelfs tot na de leeftijd van 40 jaar is duidelijk dat mannen vaker langer bij de ouder(s) blijven wonen dan vrouwen. Tussen de leeftijd van 18 en 29 jaar daalt het percentage dat bij de ouder(s) woont sterk. Dit is immers de leeftijdsfase waarin kinderen het ouderlijke huis verlaten. Vooral tussen 1990 en 2000 nam het percentage toe dat als twintiger bij de ouder(s) woonde; zij stelden het verlaten van het ouderlijke huis uit. Vanaf leeftijd 30 zijn de verschillen doorheen de tijd zeer gering. Jonge vrouwen blijven recent iets langer bij de ouder(s) wonen dan 10 jaar geleden.
17
Figuur 5. Bij de ouder(s) wonen naar leeftijdsgroep per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in % 1990 M
1990 V
2000 M
2000 V
2010 M
2010 V
2020 M
2020 V
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
0-5
6-11
12-17
18-29
30-39
40-49
50-59
60-69
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
3.2 ALLEENWONEN Globaal genomen wonen iets meer vrouwen dan mannen alleen. Maar het verschil tussen mannen en vrouwen varieert met de leeftijd en is doorheen de tijd gewijzigd. De voorbije 3 decennia wonen tot op de leeftijd van 70 jaar steeds meer mannen alleen. Bij vrouwen is deze stijging minder uitgesproken en geldt ze tot op de leeftijd van 60 jaar. Mannen van 70 tot 90 jaar en vrouwen van 65 tot 85 jaar wonen steeds minder vaak alleen dan voorheen. Bij de alleroudsten is het percentage alleenwonenden de voorbije decennia gestegen (figuur 6).
Figuur 6. Alleenwonen naar leeftijdsgroep per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in % 1990 M
1990 V
2000 M
2000 V
2010 M
2010 V
2020 M
2020 V
60-64
70-74
80-84
90-94
55 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0 18-24
30-34
40-44
50-54
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
3.3 ALS ALLEENSTAANDE OUDER WONEN Veel meer vrouwen dan mannen wonen als alleenstaande ouder. De evolutie van het percentage alleenstaande ouders in de voorbije 3 decennia varieert naargelang van de leeftijd. Er zijn steeds meer veertigers en vijftigers die als alleenstaande ouder leven. Er zijn steeds minder 65-plussers die als alleenstaande ouder leven, behalve bij de alleroudste groepen (figuur 7). Op latere leeftijd hangt het percentage alleenstaande ouders ook samen met wie als referentiepersoon van het huishouden staat ingeschreven: de ouder (als alleenstaande ouder) met de volwassen zoon/dochter (als kind bij een alleenstaande ouder) of de zoon/dochter (ingeschreven overeenkomstig zijn eigen leefvorm) en de inwonende vader/moeder als inwonende andere (zie Bijlage 1).
19
Figuur 7. Alleenstaande ouders naar leeftijdsgroep per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in % 1990 M
1990 V
2000 M
2000 V
2010 M
2010 V
2020 M
2020 V
60-64
70-74
80-84
90-94
14
12
10
8
6
4
2
0 18-24
30-34
40-44
50-54
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
3.4 MET DE PARTNER SAMENWONEN Evenveel mannen en vrouwen wonen samen met een partner. Partners van hetzelfde geslacht die ongehuwd samenwonen behoren door een beperking van de basisgegevens tot de groep ‘Overige leefvorm’ (zie Bijlage 1). Verschillen over de leeftijd hebben te maken met het leeftijdsverschil tussen samenwonende partners. Ook inzake het samenwonen met een partner tekent zich doorheen de tijd een omslag af over de leeftijden (figuur 8). Het beeld betreft de som van het ongehuwd en het gehuwd samenwonen met een partner, al dan niet met inwonende kinderen. Tot op de leeftijd van 70 jaar voor mannen en 60 jaar voor vrouwen is het percentage dat samenwoont met een partner doorheen de tijd gedaald; deze daling was het sterkst tussen 1990 en 2010. Niet meer ongeveer 80% maar ruim 70% woont op de leeftijd van 30 tot 70 jaar met een partner samen. (Echt)scheidingen spelen hierin een rol. Vanaf leeftijd 70 tekent zich doorheen de tijd een stijging af: steeds meer 70-plussers wonen samen met een partner. De toegenomen levensverwachting speelt hierin een rol.
Figuur 8. Met partner samenwonen naar leeftijdsgroep per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in % 1990 M
1990 V
2000 M
2000 V
2010 M
2010 V
2020 M
2020 V
60-64
70-74
80-84
90-94
80 70 60 50 40 30 20 10 0 18-24
30-34
40-44
50-54
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De aard van het samenwonen met de partner is gewijzigd (figuur 9). Het gehuwd samenwonen zonder inwonende kinderen bleef redelijk stabiel. Het gehuwd samenwonen met inwonende kinderen nam af. Het ongehuwd samenwonen, zowel zonder als met inwonende kinderen, nam langzaam toe.
Figuur 9. Met partner samenwonen naar type per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in %
Gehuwd met partner zonder kinderen Ongehuwd met partner zonder kinderen 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10
2 2
59
3 5
52
9 9
Gehuwd met partner met kind(eren) Ongehuwd met partner met kind(eren)
13
2 2
3 5
11 59
43
37
52
9 9
13
43
37
11
37
39
39
39
37
39
39
39
1990 M
2000 M
2010 M
2020 M
1990 V
2000 V
2010 V
2020 V
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
21
3.5 MET KIND(EREN) SAMENWONEN Gehuwde partners, ongehuwde partners en alleenstaande ouders die (officieel geregistreerd) samenwonen met 1 of meer kinderen en/of stiefkind(eren) vormen samen een gezin. Iets meer vrouwen dan mannen wonen samen met kinderen. Tot op de leeftijd van 50 is het percentage volwassenen dat samenwoont met kinderen de voorbije decennia gedaald (figuur 10). De daling was het sterkst in de jaren 1990 en was meer uitgesproken bij mannen dan bij vrouwen. Door het toegenomen aantal (echt)scheidingen en doordat na een (echt)scheiding van ouders kinderen (officieel) vaker bij de moeder blijven wonen, hadden mannen vaker dan vrouwen geen inwonende kinderen meer. Tussen 2010 en 2020 is deze daling afgeremd. Als veertiger en vijftiger heeft men recent vaker dan voorheen nog 1 of meer inwonende kinderen. Figuur 10. Met kind(eren) samenwonen naar leeftijdsgroep per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in % 1990 M
1990 V
2000 M
2000 V
2010 M
2010 V
2020 M
2020 V
60-64
70-74
80-84
90-94
80 70 60 50 40 30 20 10 0 18-24
30-34
40-44
50-54
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Het gezinstype of ouderschapstype veranderde de voorbije decennia (figuur 11). Gehuwd ouderschap daalde bij mannen tot 70% en bij vrouwen tot 60%. Ongehuwd ouderschap steeg vooral vanaf 2000. Alleenstaand ouderschap nam geleidelijk toe, in het bijzonder bij vrouwen omdat na een (echt)scheiding kinderen vooral (officieel) bij de moeder bleven wonen. Figuur 11. Met kind(eren) samenwonen naar gezinstype per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in %
Gehuwd paar 100 90
3,1 2,4
Ongehuwd paar 3,6 5,8
Alleenstaande ouder
4,8 16,3
80
5,5 24,4
11,5 2,2
14,4
17,2
18,5
5,2 14,2
70
21
60 50
94,4
40
90,6
78,8
30
86,3 70,1
80,5
68,6
60,6
20 10 1990 M
2000 M
2010 M
2020 M
1990 V
2000 V
2010 V
2020 V
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In Bijlage 4 (figuur A en B) wordt niet per volwassene met inwonende kinderen, maar per huishouden met inwonende kinderen (per gezin) een beeld geschetst van het gezinstype. Hierbij wordt de leeftijd van de referentiepersoon van het huishouden ook in rekening gebracht. Per huishouden tekenen zich analoge evoluties af als in figuur 11. In 1990 overheersten gehuwde gezinnen, terwijl er in 2020 beduidend meer ongehuwde gezinnen waren – in het bijzonder tussen de leeftijden 18-70 jaar. Op jongere leeftijden waren er in 2020 meer alleenstaande moeders. Het aantal inwonende kinderen in een gezin is een tijdelijk kenmerk; het gaat om kinderen die reeds of nog steeds in het gezin aanwezig zijn, niet om kinderen die nog niet of niet meer in het gezin wonen. Gezinnen met een referentiepersoon jonger dan 60 jaar hebben het vaak nog sociaaleconomisch afhankelijke kinderen. Binnen deze gezinnen is de verdeling naargelang van het aantal inwonende kinderen de voorbije 30 jaar relatief stabiel gebleven. Er waren iets minder gezinnen met 1 inwonend kind en iets meer met 2 inwonende kinderen. Deze trend kwam voor in elk type gezin. Drie of meer inwonende kinderen hebben blijft het meest eigen aan gehuwde paren: 19% in 1990 en 23% in 2020 (zie Bijlage 4 figuur C).
23
3.6 IN EEN OVERIGE LEEFVORM WONEN De bepaling van personen wonend in een overige leefvorm is functie van de kwaliteit van de basisgegevens en van de gehanteerde typologie van huishoudens en huishoudposities (zie Bijlage 1). Het percentage personen in een overige leefvorm is de voorbije decennia voornamelijk toegenomen bij jongvolwassenen, vooral sinds 2010 (figuur 12). Dit kan gaan om samenwonende partners van hetzelfde geslacht, om samenwonende vrienden, om andere samenwonenden of om jongvolwassenen die bij andere familieleden - die zelf een gezin vormen - wonen. Op latere leeftijd is de overige leefvorm zeer sterk afgenomen. Hoogbejaarde personen wonen steeds minder in bij een ander gezin, bijvoorbeeld dat van hun zoon/dochter.
Figuur 12. In overige leefvorm wonen naar leeftijdsgroep per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in % 1990 M
1990 V
2000 M
2000 V
2010 M
2010 V
2020 M
2020 V
30
25
20
15
10
5
0
0-2
6-11
18-24
30-34
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
40-44
50-54
60-64
70-74
80-84
90-94
3.7 IN EEN COLLECTIEF HUISHOUDEN WONEN Tot op leeftijd 69 is het verblijven in een collectief huishouden (woonzorgcentrum, instelling, gevangenis, klooster) relatief gezien zeer beperkt (figuur 13). Vanaf leeftijd 70 neemt het percentage toe en worden verschuivingen doorheen de tijd zichtbaar. Op latere leeftijd betreft het doorgaans een verblijf in een woonzorgcentrum. Meer vrouwen dan mannen verblijven in een woonzorgcentrum. Tussen 1990 en 2000 trad een sterke stijging op van het percentage oudere personen dat in een instelling verbleef. Sinds 2000 daalt dit percentage langzaam.
Figuur 13. Bewoner collectief huishouden naar leeftijdsgroep per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in % 1990 M
1990 V
2000 M
2000 V
2010 M
2010 V
2020 M
2020 V
60 55 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0
0-2
6-11
18-24
30-34
40-44
50-54
60-64
70-74
80-84
90-94
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
25
4.
LEEFTIJDSGROEPEN NAAR LEEFVORM IN 1990, 2000, 2010 EN 2020 4
In deel 3 lag het accent op de verschuivingen doorheen de tijd per leefvorm. In deel 4 wordt ingegaan op de verschuivingen doorheen de tijd per leeftijdsgroep. Door per leeftijdsgroep de verdeling over de leefvormen te schetsen, wordt duidelijker hoe over de jaren heen een stijging in een bepaalde leefvorm voor een bepaalde leeftijdsgroep samenging met een daling in een andere leefvorm, of omgekeerd. In dit deel wordt de aard van de leefvormen verfijnd door rekening te houden met het al dan niet gehuwd of ongehuwd samenwonen van de partners/ouders. Er wordt ook aandacht geschonken aan de veranderingen in de omvang van de onderscheiden leeftijdsgroepen. Stijgende percentages in een bepaalde leefvorm in een leeftijdsgroep kunnen bijvoorbeeld samenvallen met dalende aantallen in die leefvorm omdat de omvang van de leeftijdsgroep is verminderd doorheen de tijd.
4.1 LEEFVORMEN VAN 0- TOT 17-JARIGEN De groep 0- tot 17-jarigen nam sinds 1990 (na dalingen en stijgingen) uiteindelijk toe met 35.000 kinderen en jongeren (+3%). Deze leeftijdsgroep is geboren na 1972, een periode waarin het aantal geboorten in het Vlaamse Gewest rond de 65.000 bleef schommelen (zie Bijlage 2 tabel B). De voorbije 3 decennia behoorde ongeveer 1 op de 5 inwoners van het Vlaamse Gewest tot deze leeftijdsgroep (figuur 1 en Bijlage 2 tabel C). De leefvormen van kinderen en jongeren wijzigden de voorbije jaren omdat hun ouders andere keuzes maakten inzake relatie- en gezinsvorming en -ontbinding. Hierdoor woonden kinderen en jongeren na een (echtscheiding) ook vaker opnieuw bij een ouderpaar, maar dan wel bestaande uit een ouder en een stiefouder. Over de jaren heen woonden steeds minder 0- tot 17-jarigen bij gehuwde ouders en woonden er steeds meer bij ongehuwde ouders. Deze verschuiving zette zich elk decennium verder, maar was het grootst tussen 2000 en 2010. In 2020 woonde bijna 60% van de 0- tot 17-jarigen bij gehuwde ouders en bijna 25% bij ongehuwde ouders (figuur 14). Het percentage dat bij een alleenstaande ouder woonde nam snel toe in de eerste 2 decennia (van 8% in 1990 naar 14% in 2010). Sinds 2010 bleef dit percentage stabiel (15% in 2020). In absolute termen gaat het op 30 jaar tijd om een toename van 98.000 naar bijna 188.000 kinderen die bij 1 ouder wonen. Terwijl het aantal 0- tot 17-jarigen op 30 jaar tijd met 3% is gestegen, is het aantal dat bij een alleenstaande ouder woont bijna verdubbeld. Ongeveer 2% van de 0- tot 17-jarigen woont in een andere leefvorm (overig): ze wonen niet in een ‘eigen gezin’, maar wonen - al dan niet met hun
27
ouder(s) - bij familieleden of bij anderen, of verblijven in een instelling. Het ging in 2020 om ruim 38.000 kinderen en jongeren die in een andere leefvorm woonden. Figuur 14. Leefvormen van 0- tot 17-jarigen Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in %
1990
2000
2010
2020
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 Kind bij gehuwd paar
Kind bij ongehuwd paar
Kind bij alleenstaande ouder
Overig
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
4.2 LEEFVORMEN VAN 18- TOT 29-JARIGEN De groep 18- tot 29-jarigen nam tussen 1990 en 2020 in zeer sterke mate af. In 2020 waren er ruim 150.000 jongvolwassenen minder dan in 1990 (-14%). De daling van het aantal geboorten tussen 1965 en 1975 zorgde voor een krimp van deze leeftijdsgroep in de jaren 1990 (zie Bijlage 2 tabel B). De voorbije drie decennia daalde het aandeel van deze leeftijdsgroep in de totale bevolking van 19% naar 14% (figuur 1 en Bijlage 2 tabel C). De leeftijd van 18 tot 29 jaar was lange tijd de fase waarin de relatie- en gezinsvorming werd opgestart (Pasteels e.a., 2013). Het uitstel en/of afstel van een eerste huwelijk wijzigde de aard en het tijdstip van de opstart van de relatie- en gezinsvorming. Het percentage ongehuwde vrouwen bij 18- tot 29-jarigen steeg bijvoorbeeld vooral in de jaren 1990 (van 51% naar 68%). Nadien ging de stijging verder, maar in beperktere mate (zie Bijlage 3 figuur A). Het uitstel van het eerste huwelijk, maar ook van het eerste ongehuwd samenwonen met een partner, evenals dat van het verlaten van het ouderlijke huis hebben de leefvormen van jongvolwassenen sterk gewijzigd (figuur 15). Het percentage 18- tot 29-jarigen dat bij de ouder(s) woont is gestegen van 50% in 1990 tot 57% in 2020; ze blijven langer in het ouderlijke huis wonen (en/of keren er naar terug). Deze stijging van het percentage betekende wel een daling van het aantal dat samenwoont met ouder(s)
(-15.000; gegeven de krimp van de leeftijdsgroep met 14%). In de jaren 1990 was er nog een geringe stijging van het percentage jongvolwassenen dat bij gehuwde ouders woonde, nadien daalde dit. De jongvolwassenen die bij de ouder(s) wonen, hebben vaker dan voorheen ongehuwde ouders of een alleenstaande ouder. Bij ongehuwde ouders wonen komt op deze leeftijd weliswaar vaker voor, maar blijft eerder uitzonderlijk. Binnen de groep die bij de ouder(s) inwoont, had in 2020 10% ongehuwde (stief)ouders. Bij de 0- tot 17-jarigen was dat 25%. Het uitstel van het eerste huwelijk ĂŠn van het ouderschap leidde in de jaren 1990 bij de 18- tot 29-jarigen tot een sterke daling van het percentage dat al gehuwd was en kinderen had. Tussen 1990 en 2000 trad bij de 18- tot 29-jarigen vooral een toename op van het ongehuwd samenwonen zonder kinderen. Sinds 2000 daalde het percentage dat zo woonde. Er werd op deze leeftijd immers minder met een partner samengewoond. Alleenwonen komt bij jongvolwassen mannen vaker voor dan bij jongvolwassen vrouwen. De voorbije 2 decennia wijzigde het aandeel alleenwonenden niet: 1 op de 10 mannen en 1 op de 12 vrouwen woont alleen. Het percentage alleenstaande moeders bleef gelijk (bijna 2%). Hun aantal is wel gedaald van ruim 9.000 in 1990 naar bijna 7.500 in 2020. Het percentage jongvolwassenen dat in een overige leefvorm woont is lichtjes gestegen, maar blijft beperkt. Figuur 15. Leefvormen van 18- tot 29-jarigen per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in %
1990 M
2000 M
2010 M
2020 M
1990 V
2000 V
2010 V
2020 V
50 40 30 20
Overig
Alleenstaande ouder
Ongehuwd paar met kind(eren)
Gehuwd paar met kind(eren)
Ongehuwd paar
Gehuwd paar
Alleenwonend
Kind bij alleenstaande ouder
Kind bij ongehuwd paar
Kind bij gehuwd paar
10
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
29
4.3 LEEFVORMEN VAN 30- TOT 39-JARIGEN Het aantal dertigers in het Vlaamse Gewest daalde tussen 1990 en 2020 met 5% (-42.000) (zie Bijlage 2 tabel B). Het aantal nam vooral tussen 2000 en 2010 sterk af (-120.000), het groeide nadien weer iets aan. Dertigers in 1990 waren geboren in de jaren 1950; ze behoren tot de zeer talrijke babyboomgeneratie. Dertigers in 2010 en 2020 waren geboren respectievelijk in de jaren 1970 en 1980. De voorbije 3 decennia daalde het percentage dat tot deze leeftijdsgroep behoort van 15% tot 13% (figuur 1 en Bijlage 2 tabel C). Tussen 2000-2010 steeg het percentage mannen dat als dertiger ongehuwd bleef sterk (van 26% naar 46%). Gescheiden zijn (en voorlopig blijven) doet bij dertigers zijn intrede, maar blijft onder de 10% (zie Bijlage 3 figuur B). In 2020 was het percentage gescheiden dertigers iets kleiner dan voorheen, omdat het percentage ongehuwden was gestegen en het percentage gehuwden was gedaald. De voorwaarde tot echtscheiding (gehuwd zijn) is immers minder vaak aanwezig. Op de leeftijd van 30 tot 39 jaar hebben de meeste mannen en vrouwen hun eigen huishouden gevormd en een gezin gevormd. Gehuwd samenwonen met partner ĂŠn 1 of meer kinderen was en blijft op deze leeftijd de dominante leefvorm (figuur 16). Het percentage dat gehuwd samenwoont met kind(eren) is de voorbije 30 jaar wel aanzienlijk gedaald. Bij vrouwen is het percentage bijvoorbeeld gedaald van 71% in 1990 naar 40% in 2020. Dertigers zijn vooral ongehuwd gaan samenwonen met partner ĂŠn kind(eren). Bij vrouwen is het percentage bijvoorbeeld gestegen van 2% in 1990 tot 23% in 2020 en bij mannen van 2% naar 20%. Ook bij dertigers die (nog) geen inwonende kinderen hebben, kwam gehuwd samenwonen steeds minder voor en ongehuwd samenwonen steeds vaker. De toename van het ongehuwd samenwonen was in deze leeftijdsgroep het sterkst in de periode 2000-2010. Ongeveer 10% mannen en 5% vrouwen woont als dertiger nog (officieel) bij de ouder(s) of is opnieuw bij de ouder(s) gaan inwonen. Alleenwonen komt bij dertigers dubbel zo vaak voor bij mannen als bij vrouwen. De toename van het alleenwonen onder dertigers vond vooral in de periode 2000-2010 plaats. In 2020 woonde 17% mannen en 9% vrouwen als dertiger alleen. Het percentage alleenstaande moeders bleef bij dertigers de voorbije decennia relatief stabiel (en onder de 10%): het ging om ongeveer 34.000 vrouwen. Dit cijfer bleef stabiel binnen een context van steeds meer (echt)scheidingen, maar ook van vaker opnieuw gaan samenwonen met een partner (Corijn, 2016).
2000 M
2010 M
2020 M
Gehuwd paar
Ongehuwd paar
1990 M
Alleenwonend
Figuur 16. Leefvormen van 30- tot 39-jarigen per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in %
1990 V
2000 V
2010 V
2020 V
70 60 50 40 30 20
Overig
Alleenstaande ouder
Ongehuwd paar met kind(eren)
Gehuwd paar met kind(eren)
Kind bij ouder(s)
10
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
4.4 LEEFVORMEN VAN 40- TOT 49-JARIGEN De groep veertigers nam in de jaren 1990 en 2000 toe (respectievelijk bijna +150.000 en bijna +80.000). Daarna daalde het aantal in de jaren 2010 (-100.000 personen). Zo waren er uiteindelijk in 2020 130.000 veertigers meer dan in 1990 (+18%) (zie Bijlage 2 tabel B). De veertigers van 1990 behoorden tot de zeer omvangrijke babyboomgeneratie, terwijl de veertigers van 2010 en van 2020 veelal geboren zijn in een periode gekenmerkt door een sterke daling van het aantal geboortes (1965-1975). De voorbije 3 decennia behoorde 13% tot 15% inwoners in het Vlaamse Gewest tot deze leeftijdscategorie (figuur 1 en Bijlage 2 tabel C). Bij veertigers brengt een stijging van het percentage ongehuwden in de voorbije 3 decennia een vermindering van het percentage gehuwden met zich mee (zie Bijlage 3 figuur C). De daling van het aantal gehuwden op jongere leeftijd brengt ook een daling van het percentage gescheiden veertigers met zich mee. Gehuwd samenwonen met partner én kinderen was en is bij veertigers – nog meer dan bij dertigers - de dominante leefvorm (figuur 17). Het percentage dat gehuwd samenwoont met kinderen is de voorbije 30 jaar wel aanzienlijk gedaald. In aantal gaat het om 100.000 veertigers minder die zo leven. In 2020 woonde iets minder dan de helft (46% mannen en 48% vrouwen) nog gehuwd samen met kind(eren). Sinds 2010 zijn veertigers vooral ongehuwd gaan samenwonen met partner én kind(eren). In 2020 deed 15% veertigers dit. Samenwonen met een partner (gehuwd of ongehuwd) zonder inwonende kinderen, komt op deze leeftijd zelden voor (<10%). Maar ook hier was er een
31
omslag van minder gehuwd naar vaker ongehuwd samenwonen. Het percentage alleenstaande moeders op deze leeftijd heeft de voorbije decennia de 10% overschreden. Het ging in 2020 om ruim 58.000 alleenstaande moeders. Het percentage alleenwonende mannen op deze leeftijd is ook gestaag toegenomen. In 2020 ging het richting 20% (ruim 72.000 mannen waaronder een niet gekend aantal gescheiden vaders die niet officieel met hun kind(eren) samenwonen). De toename van het aantal (echt)scheidingen speelt hierin een rol. 4% tot 5% mannelijke veertigers woont op de onderscheiden tijdstippen (nog of opnieuw) bij de ouder(s).
2000 M
2010 M
2020 M
Gehuwd paar
Ongehuwd paar
1990 M
Alleenwonend
Figuur 17. Leefvormen van 40- tot 49-jarigen per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in %
1990 V
2000 V
2010 V
2020 V
70 60 50 40 30 20
Overig
Alleenstaande ouder
Ongehuwd paar met kind(eren)
Gehuwd paar met kind(eren)
Kind bij ouder(s)
10
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
4.5 LEEFVORMEN VAN 50- TOT 59-JARIGEN De omvang van alle leeftijdsgroepen van 50 jaar en ouder nam de voorbije 3 decennia systematisch toe. De vijftigers van 1990 waren geboren in de jaren 1930, deze van 2000 in de jaren 1940. De omvangrijke generaties geboren na de Tweede Wereldoorlog deden het aantal vijftigers sinds 1995 systematisch stijgen (zie Bijlage 2 figuur A). In 2010 waren er 155.000 vijftigers meer dan in 2000. De groep vijftigers nam sinds 1990 met 257.000 personen toe (+37%). Terwijl in 1990 12% van de inwoners in het Vlaamse Gewest tot deze leeftijdsgroep, gaat het in 2020 om 14% (figuur 1 en Bijlage 2 tabel C). Het percentage vijftigers dat ongehuwd is, is de voorbije decennia langzaam gestegen richting 15% (zie Bijlage 3 figuur D). Waar bij veertigers nog kan worden vermoed dat het voor een deel van hen om een uitstel van een eerste huwelijk gaat, lijkt het bij vijftigers veeleer om een afstel te gaan. Een hoger percentage mannen dan vrouwen is ongehuwd op hun 50ste verjaardag. Vooral mannen en vrouwen geboren sinds de jaren 1950 opteren minder
voor een huwelijk. Het percentage dat gescheiden is (en voorlopig blijft) op leeftijd 50 is toegenomen (maar daalt recent bij mannen). In 2020 waren op die leeftijd iets meer vrouwen (22%) dan mannen (17%) gescheiden (zie Bijlage 3 figuur J). Nooit huwen en niet hertrouwen (na een echtscheiding of na een overlijden van de partner) brengt onder vijftigers een kleiner wordend percentage gehuwden met zich mee. Toch telden vijftigers in vergelijking met andere leeftijdsgroepen in 2020 het hoogste percentage gehuwden (63%). Gehuwd samenwonen met de partner, zonder of met inwonende kinderen, was en blijft voor vijftigers de dominante leefvorm (figuur 18). Ongehuwd samenwonen met de partner, zonder of met inwonende kinderen, komt op deze leeftijd zelden voor. Het percentage alleenstaande moeders is bij vijftigers gestegen tot 10% in 2020 (bijna 48.000 vrouwen). De variaties inzake het al dan niet nog hebben van inwonende kinderen hangt samen met het tijdstip van het verlaten van het ouderlijke huis van het laatste (of enige) kind.
2000 M
2010 M
2020 M
Gehuwd paar
Ongehuwd paar
1990 M
Alleenwonend
Figuur 18. Leefvormen van 50- tot 59-jarigen per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in %
1990 V
2000 V
2010 V
2020 V
70 60 50 40 30 20
Overig
Alleenstaande ouder
Ongehuwd paar met kind(eren)
Gehuwd paar met kind(eren)
Kind bij ouder(s)
10
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In het Vlaamse Gewest steeg het aantal echtscheidingen sterk vanaf 1970. Deze toename was deels toe te schrijven aan een toename van het aantal echtscheidingen op latere leeftijd en van het aantal echtscheidingen van tweede of volgende huwelijken (Corijn, 2016). De impact hiervan op de leefvorm is zeer duidelijk bij vijftigers. Bij de ongehuwde mannen die alleen woonden voegden zich de mannen die na een echtscheiding alleen gingen wonen. Dit leidde tot een systematische stijging van het percentage alleenwonende mannen. Het percentage is - net als bij de veertigers richting 20% aan het groeien. Aangezien overlijdens amper een rol spelen bij
33
vijftigers is de verdubbeling van het percentage alleenstaande moeders (van 5% naar 10%) een gevolg van (echt)scheidingen. Op deze leeftijd overschrijdt het percentage alleenwonende vrouwen op 3 tijdstippen de 10%.
4.6 LEEFVORMEN VAN 60- TOT 69-JARIGEN De groep zestigers nam de voorbije 3 decennia in omvang toe met 206.000 personen (+34%). Op de 4 geselecteerde tijdstippen waren de zestigers geboren in respectievelijk de jaren 1920, 1930, 1940 en 1950. De sterke stijging van het aantal zestigers tussen 2010 en 2020 (+146.000) weerspiegelt de sterke stijging van het aantal geboortes in de jaren 1950 (zie Bijlage 2 figuur A). Vanaf de leeftijd van 60 jaar wordt de omvang van een leeftijdsgroep ook bepaald door het aantal overlijdens. De toenemende levensverwachting in de voorbije decennia bracht een daling van het aantal overlijdens in bepaalde leeftijdsgroepen met zich mee (zie Bijlage 2 figuur B). Het aantal mannen dat als zestiger overleed in het Vlaamse Gewest is gedaald in de periode 19922003. Het aantal vrouwen dat als zestiger overleed is veel lager, maar kende eveneens een daling. Door deze dalingen groeide de groep zestigers nog meer. Het relatieve aandeel zestigers in de bevolking steeg van 11% in 1990 naar 12% in 2020 (figuur 1 en Bijlage 2 tabel C). Bij zestigers is het percentage ongehuwden sinds 1990 eerst gedaald en opnieuw gestegen in 2020. De babyboomgeneratie heeft de trend om zonder huwelijk door het leven te gaan opnieuw ingezet (zie Bijlage 3 figuur E). De personen geboren in 1944 kozen ‘als laatsten’ massaal voor een huwelijk: op de leeftijd van 60 jaar was 6% mannen en 4% vrouwen ongehuwd. De generaties geboren na de Tweede Wereldoorlog kozen er vaker voor om nooit te huwen. In 2020 was 12% mannen en 8% vrouwen op de leeftijd van 60 jaar (nog) ongehuwd (zie Bijlage 3 figuur K). Bij zestigers is het percentage dat gescheiden is (en voorlopig blijft) aan het stijgen richting 20% (zie Bijlage 3). Weduwschap wordt bij zestigers zichtbaar, zeker bij vrouwelijke zestigers. Deze 3 trends verminderen het percentage gehuwden op deze leeftijd. Gehuwd samenwonen met partner zonder inwonende kinderen was en blijft bij zestigers de dominante leefvorm (figuur 19). Ongehuwd samenwonen (zonder of met kinderen) komt bij hen zeer weinig voor. De groter geworden groep niet-gehuwden (zie Bijlage 3 figuur E) maakt dus slechts in beperkte mate een keuze om ongehuwd samen te wonen met een partner. Het percentage alleenstaande moeders is bij zestigers gering omdat op die leeftijd bij vele alleenstaande moeders de kinderen het ouderlijke huis hebben verlaten en ze alleenwonenden zijn geworden.
Op deze leeftijd overschrijdt het percentage alleenwonende vrouwen dan ook de 20% in 2020. Alleenwonen bij mannen is toegenomen en bereikt in 2020 hetzelfde niveau als op jongere leeftijden (17%). Figuur 19. Leefvormen van 60- tot 69-jarigen per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in %
1990 M
2000 M
2010 M
2020 M
1990 V
2000 V
2010 V
2020 V
70 60 50 40 30 20 10
Alleenwonend
Gehuwd paar
Ongehuwd paar
Gehuwd paar Alleenstaande met kind(eren) ouder
Overig
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
4.7 LEEFVORMEN VAN 70- TOT 79-JARIGEN De groep zeventigers nam de voorbije 3 decennia in omvang toe (ruim +229.000 of +68%). Hun aantal steeg vooral in de periode 1990-2000 (zie Bijlage 2 tabel B). De zeventigers van 1990 waren geboren rond de Eerste Wereldoorlog; de zeventigers van 2000, 2010 en 2020 waren geboren tussen de twee Wereldoorlogen in. Naast de evolutie van het aantal geboorten, speelt ook de evolutie van het aantal overlijdens als zeventiger een rol voor de omvang van deze leeftijdsgroep (zie Bijlage 2 figuur A en C). Sinds 2000 daalde het aantal zeventigers dat overlijdt in het Vlaamse Gewest zeer sterk. Zeventigers waren met velen in hun geboortejaren en bleven steeds vaker als zeventiger in leven. Het relatieve aandeel van deze leeftijdsgroep in de bevolking steeg van 6% in 1990 naar 9% in 2020 (figuur 1 en Bijlage 2 tabel C). Ongehuwd blijven kwam bij deze generaties (geboren vóór 1940) steeds minder vaak voor; ze kozen massaal voor een huwelijk. In 2020 was 6% mannen en 4% vrouwen als zeventiger ongehuwd. Bij zeventigers is het percentage gescheiden personen pas sinds 2010 toegenomen: het verdubbelde op 10 jaar tijd. Eerder was voor deze generatie echtscheiding (en gescheiden blijven) zeer uitzonderlijk. Door de toenemende levensverwachting is het percentage verweduwde zeventigers kleiner geworden. Niet meer 50% (in 1990) maar 27% (in 2020) van de vrouwelijke
35
zeventigers is weduwe (gebleven). Deze trends leiden bij mannelijke zeventigers tot een relatief stabiel percentage gehuwden (rond de 75%); bij vrouwelijke zeventigers nam het percentage gehuwden toe (tot 59% in 2020) (zie Bijlage 3 figuur F). Vanaf de leeftijd van 70 jaar zijn de verschillen in de leefvormen van mannen en vrouwen groter. Bij mannelijke zeventigers overheerst nog steeds ĂŠĂŠn leefvorm: ongeveer 65% woont samen met de echtgenote zonder kinderen (figuur 20). Bij geen enkele andere leeftijdsgroep is dit percentage zo groot. Bij vrouwelijke zeventigers is het percentage dat zo woont gestegen en werd in 2020 de 50% overschreden. Door de toenemende levensverwachting (en het geringere (echt)scheidingsrisico in deze generatie) blijven gehuwde paren langer samenwonen (en worden minder vrouwen alleenwonende weduwe). Het percentage alleenwonende vrouwen is bij zeventigers gedaald tot 31% in 2020. De echtgenoot/partner waarmee vrouwen van deze leeftijd samenwonen blijft immers langer in leven. Alleenwonen blijft bij mannen op hetzelfde niveau als op jongere leeftijden (ongeveer 17%). Als zeventiger ongehuwd samenwonen komt zeer weinig voor. Inwonen bij een ander huishouden (overig) en verblijven in een instelling was in 1990 uitzonderlijk en wordt nog zeldzamer. Figuur 20. Leefvormen van 70- tot 79-jarigen per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in %
1990 M
2000 M
2010 M
2020 M
1990 V
2000 V
2010 V
2020 V
70 60 50 40 30 20 10
Alleenwonend Gehuwd paar
Ongehuwd paar
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Gehuwd paar met kind(eren)
Alleenstaande Bewoner ouder collectief huishouden
Overig
4.8 DE LEEFVORMEN VAN 80- TOT 89-JARIGEN Het aantal tachtigers nam de voorbije 3 decennia toe met bijna 174.000 personen; dit betrof een verdubbeling (+102%) (zie Bijlage 2 tabel A). Deze leeftijdsgroep werd in de geselecteerde jaren respectievelijk geboren in de jaren 1900, 1910, 1920 en 1930. In die jaren werden veel kinderen geboren, behalve tijdens de Eerste Wereldoorlog (zie Bijlage 2 figuur A). Deze geboortecohorten bleven ook groot in omvang omdat ze door de toenemende levensverwachting langer in leven bleven. Omdat de tachtigers tot zeer omvangrijke geboortecohorten behoren, ligt het aantal overlijdens op deze leeftijd hoog en neemt het toe doorheen de tijd (zie Bijlage 2 figuur B). Het relatieve aandeel van de tachtigers in de bevolking in het Vlaamse Gewest steeg van 3% naar 5% (figuur 1 en Bijlage 2 tabel C). Inzake burgerlijke staat leiden de tendensen, zoals waargenomen bij de zeventigers, ook bij de tachtigers tot een stijging van het percentage gehuwden (zie Bijlage 3 figuur G). Bij mannen waren er in 2020 67% gehuwden, bij vrouwen 33%. Vrouwen zijn door het overlijden van hun doorgaans iets oudere echtgenoot reeds weduwe. Bij deze geboortecohorten speelt echtscheiding amper een rol. In 2020 was op deze leeftijd 5% gescheiden (gebleven). Het aantal echtscheidingen nam in het Vlaamse Gewest vooral toe vanaf 1970. In die jaren waren deze geboortecohorten al minstens 40 jaar en kwam echtscheiding op latere leeftijd nog niet frequent voor. Het percentage weduwnaars en weduwes op deze leeftijd is de voorbije decennia sterk afgenomen omdat door de toegenomen levensverwachting gehuwden langer samen in leven blijven. In 2020 waren er 23% weduwnaars en 57% weduwes. Gehuwd samenwonen met partner zonder kinderen was bij mannelijke tachtigers in 1990 de dominante leefvorm en is dat nog sterker in 2020 (bijna 60%). Ook bij vrouwelijke tachtigers is dat percentage toegenomen, weliswaar op een veel lager niveau (bijna 30% in 2020) (figuur 21). Bij mannelijke tachtigers is het percentage alleenwonenden iets gedaald (van 30% in 1990 tot 23% in 2020), omdat bij de gehuwden hun echtgenote in leven bleef. Bij vrouwelijke tachtigers is het percentage alleenwonenden de voorbije 20 jaar redelijk stabiel gebleven (47-49%). De echtgenoten van de tachtigers overleden immers. Tegelijkertijd is het percentage vrouwelijke tachtigers dat in een collectief huishouden (instelling) verblijft gedaald van 19% in 2000 naar 11% in 2020. Aan deze daling ging in de jaren 1990 een stijging vooraf (+6.700 vrouwen) die wellicht een groei in de beschikbare plaatsen in woonzorgcentra weerspiegelt. Met lagere percentages werd eenzelfde trend waargenomen bij mannen. Ook het inwonen bij anderen (overige leefvorm) is de voorbije jaren bij tachtigers afgenomen. Het ging in 2020 om 3% mannen en 4% vrouwen. Beide tendensen wijzen op een toenemend zelfstandig wonen van tachtigers.
37
Figuur 21. Leefvormen van 80- tot 89-jarigen per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in %
1990 M
2000 M
2010 M
2020 M
1990 V
2000 V
2010 V
2020 V
70 60 50 40 30 20 10
Alleenwonend Gehuwd paar
Ongehuwd paar
Gehuwd paar met kind(eren)
Alleenstaande Bewoner ouder collectief huishouden
Overig
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
4.9 DE LEEFVORMEN VAN PERSONEN VAN 90 JAAR EN OUDER De oudste leeftijdsgroep (90 jaar en ouder) nam de voorbije 3 decennia toe met ruim 51.000 personen; dit betreft ruim een verdrievoudiging (x 3,6) (zie Bijlage 2 tabel B). Deze leeftijdsgroep is voor de geselecteerde observatiejaren geboren vóór 1930; jaren met veel geboorten (zie Bijlage 2 figuur B). Door de toenemende levensverwachting bleven velen ook lang in leven. Het aantal overlijdens bij personen van 90 jaar en ouder nam pas vanaf 2009 toe (zie Bijlage 2 figuur B). Het relatieve aandeel van personen van 90 jaar en ouder in de bevolking in het Vlaamse Gewest is beperkt, maar steeg van 0,3% naar 1,0% (figuur 1 en Bijlage 2 tabel C). Op deze hoge leeftijd is de voorbije decennia het percentage gehuwde mannen toegenomen tot 42% in 2020. Bij vrouwen is amper iets gewijzigd in hun burgerlijke staat: de meesten zijn weduwe (zie Bijlage 3 figuur H). Vanaf leeftijd 90 komt het verblijf in een collectief huishouden (instelling) in beeld, in het bijzonder bij vrouwen (figuur 22). In de jaren 1990 steeg het percentage dat in een instelling verbleef sterk. Hiermee gepaard gaande daalde het percentage alleenwonende vrouwen en het percentage mannen en vrouwen dat inwoonde bij anderen (overig). Vanaf 2000 neemt het percentage in een instelling en in een overige leefvorm af. Dit wijst op een toenemend zelfstandig wonen, ook op deze hoge leeftijd. Deze trends gaan bij mannen samen met een stijging van het percentage samenwonenden met een partner en bij vrouwen met een stijging van het percentage
alleenwonenden. In 2020 verbleef op deze leeftijd 19% mannen en 35% vrouwen in een instelling. Bij vrouwen komt samenwonen met een partner nog amper voor: 80% is verweduwd (gebleven) en zij gaan niet ongehuwd samenwonen met een partner. Bij mannen op deze leeftijd is het percentage alleenwonenden de voorbije 30 jaar amper gewijzigd (ongeveer 35%); bij vrouwen is het flink gestegen tot 47% in 2020. Door de toegenomen levensverwachting blijven meer mannen samen met hun echtgenote wonen. Figuur 22. Leefvormen van 90-jarigen en ouder per geslacht Vlaams Gewest, 1990, 2000, 2010, 2020, in %
1990 M
2000 M
2010 M
2020 M
1990 V
2000 V
2010 V
2020 V
70 60 50 40 30 20 10
Alleenwonend
Met partner samenwonend
Alleenstaande ouder
Bewoner collectief huishouden
Overig
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
39
BESLUIT
5
Bij de veranderingen in de leefvorm van de bevolking van het Vlaamse Gewest in de periode 1990-2020 spelen meerdere factoren een rol. EĂŠn van die factoren is de gewijzigde leeftijdsopbouw van de bevolking. Zo waren er in 2020 minder dertigers en meer zeventigers dan in 1990. Een andere factor is de gewijzigde rol van het huwelijk als bevestiging van een samenwoonrelatie van partners en als uitgangspositie voor ouderschap. Niet meer 2 op de 3, maar 1 op de 2 volwassenen is in 2020 gehuwd; niet meer 9 op de 10, maar 5 op de 10 ouders zijn in 2020 gehuwd bij de geboorte van hun kind (Corijn, 2010). De gewijzigde opbouw van de bevolking naar leeftijd en burgerlijke staat in de voorbije 3 decennia maken een beschrijving van de verschuivingen van de leefvormen per leeftijdsgroep bijzonder informatief. In dit rapport werd zowel de leefvorm als de leeftijdsgroep als invalshoek gehanteerd. Elke leefvorm kende zijn eigen patroon van veranderingen over de leeftijden en doorheen de tijd. Een eerste markante verandering betreft de wijziging van de aard van het samenwonen met kinderen: steeds vaker gebeurde dat als ongehuwd paar of als alleenstaande ouder en steeds minder vaak als gehuwd paar. De gegevens lieten niet toe de evolutie van het stief- of co-ouderschap te schetsen. In vergelijking met de andere leefvormen wijzigde voor volwassenen in de voorbije 3 decennia het percentage dat bij de ouder(s) woont het minst. Een tweede opvallende evolutie betreft de omslag doorheen de levensloop inzake het alleenwonen: steeds vaker gebeurde dat op jongere leeftijd en op middenleeftijd, steeds minder vaak op latere leeftijd (behalve op de hoogste leeftijd). Een derde belangrijke evolutie betreft de toename van het percentage alleenstaande moeders specifiek bij veertigers en vijftigers. (Echt)scheidingen en het langer bij de ouder blijven wonen van kinderen speelt hierin een rol. Deze trend gaat samen met een toename van het percentage kinderen dat bij een alleenstaande ouder woont. Iedere leeftijdsgroep kende zijn eigen patroon van veranderingen doorheen de tijd. Een eerste markante evolutie was de toename van het samenwonen met een partner op latere leeftijd. Bij mannen was dit vooral zichtbaar vanaf leeftijd 80, bij vrouwen vanaf leeftijd 70. De toegenomen levensverwachting speelt hierin een rol: partners blijven langer in leven waardoor ze tot op latere leeftijd blijven samenwonen. Een tweede opvallende evolutie op latere leeftijd betrof het minder wonen in een overige leefvorm, zoals bijvoorbeeld het inwonen bij kinderen. In de voorbije decennia veranderde het patroon van de leefvormen het minst voor zestigers. Ook elk decennium kende zijn eigen patroon van veranderingen. Door het uitstel van het huwelijk en van het ouderschap en door de opkomst van het ongehuwd samenwonen wijzigde in de jaren 1990 de leefvorm van vrouwelijke twintigers bijzonder sterk: ze kozen nog amper om gehuwd samen te wonen en kinderen te hebben. Deze ontwikkelingen vertaalden zich in de jaren 2000 bij dertigers door een sterke toename van het ongehuwd samenwonen met kinderen. In de jaren 2010 zette deze trend zich ook
verder bij de veertigers. In datzelfde decennium tekende zich bij vijftigers een terugval af van het percentage gehuwde paren zonder kinderen. Dit kwam onder meer omdat vijftigers na een echtscheiding opnieuw zijn gaan samenwonen met een partner - maar nu ongehuwd - of alleen gingen wonen (mannen) of alleenstaande ouder werden (vrouwen). Sommige ontwikkelingen hebben zich systematisch doorgezet doorheen de 3 voorbije decennia (bijvoorbeeld de stijging van het percentage alleenstaande moeders); andere ontwikkelingen lijken te zijn afgeremd (bijvoorbeeld de daling van het percentage dat met kinderen samenwoont). De gewijzigde betekenis en timing van een huwelijk doorheen de levensloop bracht vooral op de middenleeftijd met zich mee dat men vaker ongehuwd samenwoont met een partner. Hierbij aansluitend woonden ook meer kinderen bij ongehuwde ouders. De gewijzigde betekenis en timing van het ouderschap doorheen de levensloop bracht op alle leeftijden, maar vooral op jongere leeftijd, met zich mee dat men minder samenwoont met kinderen. Enkel vrouwen rond de leeftijd van 50 jaar leven vaker dan voorheen met kinderen samen, grotendeels omdat ze dan vaker alleenstaande moeder zijn. De voorbije decennia lijken een aantal ‘ondergrenzen’ (percentages die niet verder lijken te kunnen dalen) en ‘bovengrenzen’ (percentages die niet verder lijken te kunnen stijgen) naar voor te zijn gekomen. 9 op de 10 kinderen wonen bij een ouder en/of stiefouder. Er zullen altijd een aantal kinderen buiten een gezinscontext wonen. Inzake het samenwonen met een partner lijkt binnen een leeftijdsgroep 8 op de 10 een bovengrens te zijn. Inzake het alleenwonen lijkt 5 op de 10 binnen een oudere leeftijdsgroep eveneens een bovengrens te zijn. De verwachtingen voor de toekomst worden dan ook best per leefvorm gepreciseerd naar geslacht en naar leeftijdsgroep. Ook de snelheid per decennium is niet steeds gelijkmatig. De nieuwe methodologie voor de Vlaamse Gemeentelijke Huishoudprojecties die Statistiek Vlaanderen in het voorjaar van 2021 zal publiceren, verrekent deze verschillen naar geslacht, leeftijd en woonplaats.
41
LITERATUURLIJST
6
Corijn, M. (2010). De leefvorm van moeders bij de geboorte van een kind: evolutie in het Vlaamse Gewest tussen 1999 en 2007. Brussel: Studiedienst Vlaamse Regering, SVR-St@t 19. Corijn, M. (2012). De sluiting en ontbinding van een eerste, tweede en derde huwelijk. Een analyse op basis van Rijksregistergegevens. Brussel: Studiedienst Vlaamse Regering, SVR-webartikel 1. Corijn, M. (2016). Het Vlaamse en Belgische echtscheidingscijfer. Evolutie, positionering, verklaringen en gevolgen. Brussel: Studiedienst Vlaamse Regering, SVR-Verkenning 4. Corijn, M. (2017a). Gehuwd of ongehuwd samenwonen met een partner en/of kinderen. Trends, vooruitzichten en beleidsimplicaties in het Vlaamse Gewest. Brussel: Studiedienst Vlaamse Regering, SVR-Verkenning 1. Corijn, M., (2017b). Evolutie van partnerschap en ouderschap in Vlaanderen. In: D. Luyten, H. Van Combrugge & K. Emmery (red.), Het gezin in Vlaanderen 2.0. Over het eigene van gezinnen en gezinsbeleid. Antwerpen: Garant, 55-75. Corijn, M. & Pickery, J. (2020a). SV-Rapport 2020/1 - Veranderen van huishoudpositie in het Vlaamse Gewest: Samenwonend met partner. Brussel: Statistiek Vlaanderen. Corijn, M. & Pickery, J. (2020b). SV-Rapport 2020/2 - Veranderen van huishoudpositie in het Vlaamse Gewest: Alleenwonend en alleenstaande ouder. Brussel: Statistiek Vlaanderen. FOD Binnenlandse Zaken (2019). Algemene onderrichtingen betreffende het houden van de bevolkingsregisters. Brussel: FOD Binnenlandse Zaken. Lodewijckx, E. (2008). Veranderende leefvormen in het Vlaamse Gewest, 19902007 (en 2021). Een analyse van de rijksregistergegevens. Brussel: Studiedienst Vlaamse Regering, SVR-Rapport 3. Lodewijckx, E. (2016a). Aantal alleenwonenden in Vlaanderen sinds 1990 toegenomen met 50%. Brussel: Studiedienst Vlaamse Regering, SVR-St@t 1. Lodewijckx, E. (2016b). Alleenstaande ouders in de schijnwerper. Brussel: Studiedienst Vlaamse Regering, SVR-St@t 10. Lodewijckx E & Deboosere P. (2008). LIPRO: een classificatie van huishoudens. Brussel: Studiedienst Vlaamse Regering, SVR-Technisch rapport 2.
Lodewijckx, E. & Luyten, D. (2017). Vijftig jaar evolutie van huishoudens in Vlaanderen. In: D. Luyten, H. Van Combrugge & K. Emmery (red.), Het gezin in Vlaanderen 2.0. Over het eigene van gezinnen en gezinsbeleid. Antwerpen: Garant, 29-54. Mortelmans, D., Pasteels, I., Bracke, P., Matthijs, K., Van Bavel, J. & Van Peer, C. (red.) (2011). Scheiding in Vlaanderen. Leuven: Acco. Pasteels, I. Lodewijckx, E., & Mortelmans, D. (2013). Gezinstransities in de levensloop van mannen en vrouwen. In: M. Corijn, & C. Van Peer (red.), Gezinstransities in Vlaanderen. Brussel: Studiedienst Vlaamse Regering, 37-72.
43
COLOFON Verantwoordelijke uitgever Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100, 1000 Brussel Auteurs Martine Corijn | martine.corijn@vlaanderen.be Jan Pickery | jan.pickery@vlaanderen.be Concept & grafische vormgeving The Oval Office Statistiek Vlaanderen Depotnummer D/2020/3241/290
Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100 1000 Brussel statistiekvlaanderen.be