ADVIES 23 juni 2022
Organisatie van het schooljaar Aanbevelingen na consultatie van het onderwijsveld
Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be
Wijs beleid door overleg
Advies op vraag van Ben Weyts, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand op 7 juli 2021 Uitgebracht door de Algemene Raad op 23 juni 2022 met eenparigheid van stemmen Voorbereiding: werkgroep Organisatie schooljaar op 28 oktober, 25 november, 16 en 23 december 2021 en 20 januari, 24 februari, 24 en 31 maart, 27 april, 19 mei en 8 juni 2022, onder voorzitterschap van Leen Van Heurck Inbreng van de Raad Basisonderwijs op 11 mei 2022 en de Raad Secundair Onderwijs op 12 mei 2022 Dossierbeheerder: Marleen Colpin
Inhoud 1
Situering .......................................................................................................................................... 2
2
Onderzoek en consultatie als basis voor het advies .................................................................... 2 2.1
Onderzoek ............................................................................................................................... 3
2.2
Consultatie .............................................................................................................................. 3
Onderwijssector via Vlor-leden ...................................................................................................... 3 Andere sectoren ............................................................................................................................. 4 3
Vaststellingen: grote betrokkenheid, genuanceerd beeld, geen breed draagvlak .................... 4
4
Aanbevelingen ................................................................................................................................ 5 4.1
Niet overhaast beslissen onder druk van regeling Franse Gemeenschap, wel goed monitoren ................................................................................................................................ 5
4.2
Transversaal beleid voor gelijke leer- en ontwikkelingskansen, binnen en buiten de onderwijstijd............................................................................................................................ 6
4.2.1
Van een geïsoleerde en zeer ingrijpende maatregel naar een globale aanpak van kansarmoede .................................................................................................................. 6
4.2.2
GOK-beleid scholen flankeren en versterken ............................................................... 8
4.2.3
Breed toegankelijk en kwaliteitsvol vrijetijdsaanbod ................................................... 8
5
Prioritair debat over welzijn in onderwijs ...................................................................................... 9
6
Kritische voorwaarden ................................................................................................................. 10 6.1
Basisvoorwaarden ................................................................................................................ 10
6.2
Operationele voorwaarden................................................................................................... 11
Bronnen................................................................................................................................................. 12 Bijlage.................................................................................................................................................... 14 1
Bevragingen ledenorganisaties Vlor............................................................................................ 14 Overzicht ........................................................................................................................................... 14 Thematische hoofdlijnen uit de bevragingen van de leden van de Vlor ....................................... 15
2
Onderzoek(ers) en andere deskundigen..................................................................................... 19
1
vlor.be
1 Situering Op vraag van minister Weyts heeft de Vlor het draagvlak bij de onderwijspartners onderzocht voor een eventuele reorganisatie van het schooljaar en de kritische voorwaarden daarvoor. De minister verwijst in zijn adviesvraag naar het maatschappelijk debat over het inkorten van de zomervakantie. Dat is op scherp gesteld door de aanpak van de leervertraging, door de covid-19 pandemie, en de beslissing van de Franse Gemeenschap om vanaf schooljaar 2022-2023 de zomervakantie in het Franstalig onderwijs in Wallonië en Brussel daadwerkelijk in te korten en de herfst- en krokusvakantie langer te laten duren. De motivering voor die beslissing is dat de nieuwe ritmering van het schooljaar, met een afwisseling van periodes van zeven à acht weken les met telkens twee weken vakantie, en zeven weken zomervakantie, beter is voor de leerlingen. Omdat de minister geen heldere doelstelling koppelt aan een eventuele reorganisatie van het schooljaar, ging de Vlor na wat de voor- en nadelen zouden zijn van een reorganisatie, in de eerste plaats voor de leerlingen, maar ook voor leraren, directies, schoolbesturen en ouders. We deden dat vanuit de vragen naar wenselijkheid, haalbaarheid en aanvaardbaarheid, die ons toetsingskader vormen. Het onderwijskundig en pedagogisch perspectief stonden voorop, maar we keken ook naar de bredere maatschappij, met name andere sectoren op wie een reorganisatie impact zou hebben. De Vlor bereidde dit advies voor in de periode oktober 2021−juni 2022. Dat was geen evidente periode om het draagvlak te onderzoeken en het debat te voeren over een thema met een grote impact op onderwijs en de hele maatschappij. Enerzijds was het onderwijs gedurende al die maanden ‘in crisis’: het coronavirus was nooit weg, meer zelfs, rond de jaarwisseling was er een zware piek waardoor het voor veel scholen moeilijk was om een normale werking aan te houden. Daarnaast moest het onderwijs zich vanaf maart 2022 klaarmaken voor een instroom aan leerlingen uit oorlogsgebied. Het onderwijsveld toonde zich eens te meer veerkrachtig. Toch is het allesbehalve evident om die crisissen het hoofd te bieden, rekening houdend met andere grote problemen zoals het lerarentekort en met grote hervormingen zoals de modernisering van het secundair onderwijs. Ondanks die omstandigheden zijn de inspanningen om het hele onderwijsveld te bevragen, nog nooit zo groot geweest. De media hielden het debat over de schoolvakanties het hele jaar in de actualiteit. Zodra duidelijk was dat minister Weyts aan de Vlor en de SERV gevraagd had om het draagvlak te onderzoeken, dook het thema met de regelmaat van de klok op in de pers. Dat was onder meer het geval toen de resultaten van de bevragingen bij ouders en het onderwijspersoneel bekendgemaakt werden. Ook het finale beslissingsproces van de Franse Gemeenschapsregering fietste door het adviesproces van de Vlor heen. De meerwaarde van dit advies is dat het de perspectieven van alle onderwijsactoren samenbrengt. We hebben de rode draden gedetecteerd uit alle bevragingen en bouwen verder op de rijke uitkomsten met aanbevelingen over wat er volgens de Vlor prioritair moet gebeuren.
2 Onderzoek en consultatie als basis voor het advies Enerzijds heeft de Vlor het wetenschappelijk onderzoek bestudeerd over de impact van de organisatie van het schooljaar op het leren en welzijn van leerlingen. Daarnaast hebben de ledenorganisaties van de Vlor hun achterban bevraagd om een goed zicht te krijgen op hoe die tegen een eventuele reorganisatie van het schooljaar aankijkt.
2
vlor.be
2.1 Onderzoek Ter voorbereiding van ons advies brachten we het bestaande onderzoek over ‘zomerverlies’1 zo volledig mogelijk in kaart. Die literatuurstudie werd doorheen het traject aangevuld met extra bronnen, bijvoorbeeld over de impact van de zomervakantie op mentaal en fysiek welzijn en participatie aan vakantie-initiatieven. Een overzicht van bronnen die voor de Vlor toonaangevend waren én de relevante inzichten daaruit, is opgenomen in de bijlage bij dit advies. Op 24 februari 2022 legde de Vlor zijn vragen over de impact van een eventuele reorganisatie van het schooljaar voor aan een reeks experts uit verschillende disciplines. Dat waren enerzijds wetenschappelijke experts, en anderzijds ervaringsdeskundigen over gezinnen in (kans)armoede. Het verslag van het debat wordt beschikbaar gesteld via de webpagina van dit advies.2
2.2 Consultatie Onderwijssector via Vlor-leden De meeste organisaties die lid zijn van de Vlor,3 hebben hun achterban geraadpleegd over de thematiek. Het doel was om zicht te krijgen op wat er leeft aan standpunten en gevoeligheden rond deze potentieel zeer ingrijpende maatregel. De organisaties bepaalden zelf de werkwijze en timing voor de consultatie. De meesten hielden een online bevraging (voornamelijk kwantitatief), anderen gingen in gesprek (via focusgroepen e.d.) of liepen een participatief traject (kwalitatief). Vaak werd de bevraging toegespitst op het scenario zoals dat in het Franstalig onderwijs uitgerold zal worden, maar in sommige bevragingen werden ook andere scenario’s verkend of een andere invalshoek gekozen. Er werd ook gepeild naar de impact van de maatregel op verschillende doelgroepen (leerlingen, leraren, directeurs, ouders), om te verhelderen wat de voor- en nadelen zouden zijn voor elk van hen. Sommige organisaties gaven hun leden vooraf een inventaris van inzichten uit onderzoek, pro’s en contra’s, … zodat ze goed gedocumenteerd konden oordelen. Bijna alle organisaties gaven hun leden ook de mogelijkheid om zelf argumenten aan te dragen om hun standpunt te motiveren. De rijkdom aan resultaten van de bevragingen werd gedeeld binnen de Vlor en vormde mee de input voor dit advies. De bijlage bij dit advies bevat een overzicht van de bevragingen en de thematische hoofdlijnen die eruit naar voren kwamen. Daarbij merken we op dat leerlingen van de basisschool niet bevraagd werden. Hun eigen perspectief konden we dan ook niet meenemen. De bevragingen vonden plaats in de loop van schooljaar 2021-2022, maar gespreid in de tijd: sommige in het begin van het schooljaar, de meeste in de loop van het eerste trimester, andere ‘Tijdens de lange zomervakantie vergeten kinderen veel van wat ze op school geleerd hebben. Door dat zomerverlies is een deel van de leerwinst die ze in juni hadden geboekt, in september alweer verdwenen. Het gaat niet alleen om hun kennis van bijvoorbeeld taal en wiskunde, maar ook om sociale vaardigheden en vertrouwdheid met de schoolse gebruiken. Om het zomerverlies goed te maken, moeten leerkrachten in de eerste weken van het nieuwe schooljaar veel tijd stoppen in de herhaling van oude leerstof.’ Bron: https://www.vlaanderen.be/taaladvies/woorden-.van.de.week/zomerverlies 2 Het verslag maakt geen deel uit van het advies. Het verslag bestaat uit een tekst, opgemaakt door het Vlorsecretariaat en gevalideerd door de deelnemers aan het debat, en een powerpoint-presentatie van een van de deelnemers. https://www.vlor.be/adviezen/organisatie-van-het-schooljaar 3 https://www.vlor.be/wie-de-vlor 1
3
vlor.be
pas in het tweede trimester. Schooljaar 2021-2022 werd onder andere getekend door het verloop van de coronacrisis en het maatschappelijk debat over de organisatie van het schooljaar dat al die maanden gevoerd werd.
Andere sectoren De werkgroep van de Vlor die het advies voorbereidde, ging rechtstreeks in dialoog met: • het kabinet Onderwijs van de Franse Gemeenschap, dat een onderzoek liet uitvoeren door de Koning Boudewijnstichting waarbij naast onderwijs ook verschillende andere sectoren bevraagd werden (Fondation Roi Baudouin, 2018; Roger, 2021) • de Vlaamse Jeugdraad, die op dat moment al een principieel standpunt ingenomen had en later een eigen advies zou uitbrengen (Vlaamse Jeugdraad, 2021). Ook nam de werkgroep kennis van het advies van de SERV die ook verschillende sectoren bevroeg in voorbereiding op zijn advies (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, 2022).
3 Vaststellingen: grote betrokkenheid, genuanceerd beeld, geen breed draagvlak Doordat elke organisatie die een bevraging uitvoerde (zie 2.2) zelf de methodiek, vraagstelling en timing van haar enquête of traject bepaalde, is een systematische meta-analyse van de resultaten niet mogelijk. Ondanks die verschillen in aanpak leveren de bevragingen wel een gelijkaardig beeld op en zien we vaak dezelfde tendensen en argumenten pro en contra. Die beschrijven we in de bijlage bij dit advies. Een eerste algemene vaststelling betreft de grote betrokkenheid van alle actoren op het thema. Alle bevragingen kenden een zeer grote respons. De respondenten waren zeer talrijk en engageerden zich om hun standpunt in te brengen, te motiveren met rijke argumenten en desgevallend deel te nemen aan focusgroepen. Zij hebben daarbij ook niet enkel hun eigen perspectief in aanmerking genomen: zo denkt het personeel ook aan impact op leerlingen en ouders, denken ouders ook aan schoolorganisatie en personeel, en denkt iedereen aan de gevolgen voor de bredere maatschappij. Ten tweede zien we in de uitkomsten van het kwantitatieve luik van de bevragingen een genuanceerd beeld over een reorganisatie die een inkorting van de zomervakantie inhoudt. Dat is het geval bij alle types actoren. In geen enkele organisatie was er een afgetekende meerderheid voor een reorganisatie, bij enkele organisaties is een duidelijke meerderheid tegen een inkorting van de zomervakantie en bij de andere organisaties zien we een meer gemengd beeld. De rijkdom van de argumenten die respondenten geven om hun standpunt te onderbouwen, illustreren dat. De Vlor stelt dan ook vast dat er over de onderwijspartners heen geen breed draagvlak is voor een reorganisatie van het schooljaar, in welke vorm dan ook. Dat heeft te maken met vele factoren: het feit dat het om een zeer ingrijpende maatregel zou gaan met grote impact op onderwijs en de hele maatschappij, de vaagheid van de doelstelling, het gebrek aan wetenschappelijke evidentie voor het effect van de maatregel, de huidige onderwijscontext met gevolgen van crises (coronapandemie, vluchtelingen, lerarentekort, …) en andere ingrijpende hervormingen.
4
vlor.be
Daarom vraagt de Vlor om het schooljaar nu niet te reorganiseren. Wel doet de raad vanuit de bevragingen van het onderwijsveld en de gesprekken met experts een aantal aanbevelingen over thema’s die daaruit sterk naar voren kwamen en die ook inhaken op de aanleidingen van de minister voor de adviesvraag. We vragen om het perspectief te verbreden: niet die ene maatregel, maar wel een globale aanpak van kansarmoede, binnen en buiten de schoolvakanties. Binnen zo’n globaal plan moet de maatregel in overweging genomen worden, maar dan wel op basis van wetenschappelijke evidentie en monitoring van wat de hervorming in Franstalig België teweegbrengt. Ook aandacht voor mentaal welzijn is een prioriteit.
4 Aanbevelingen 4.1 Niet overhaast beslissen onder druk van regeling Franse Gemeenschap, wel goed monitoren In de bevragingen door de ledenorganisaties van de Vlor gingen stemmen op voor een uniforme vakantieregeling voor heel het land. Met andere woorden, het Nederlandstalig onderwijs zou best de regeling voor het Franstalig onderwijs volgen, o.a. om problemen te vermijden in regio’s waar verschillende systemen naast elkaar voorkomen of aan elkaar grenzen. Tegelijk gingen ook stemmen op die de mogelijke problemen van naast elkaar voorkomende en aangrenzende systemen relativeren. Andere, ons omringende, landen hanteren ook verschillende vakantieregelingen per regio. Misschien mogen we ook de voordelen daarvan niet onderschatten, o.a. voor de toeristische sector en beschikbaarheid van vakantie-accommodatie. De Duitstalige Gemeenschap van België heeft naar aanleiding van de beslissing van de Franse Gemeenschap overigens al beslist om haar vakantieregeling voor het onderwijs niet aan te passen. De Vlor begrijpt dat de verschillende systemen voor onrust kunnen zorgen bij gezinnen, onderwijspersoneel, de opvangsector enzovoort. Toch bevelen we aan om niet om die reden overhaast mee te stappen in de regeling voor het Franstalig onderwijs. Wel om van nabij te monitoren wat de impact is van naast elkaar voorkomende en aangrenzende systemen met een verschillende vakantieregeling. Welke problemen doen zich effectief voor? De realiteit zal de impact duidelijker maken. De Vlor volgt ook het pleidooi van verschillende experten om de gevolgen van de nieuwe regeling in het Franstalig onderwijs op de voet op te volgen en daarover in dialoog te gaan. Tegelijkertijd beseft de Vlor dat het effect van die maatregel moeilijk te isoleren zal zijn binnen de globale onderwijshervorming die momenteel wordt doorgevoerd in het Franstalig onderwijs (Pacte pour un Enseignement d'excellence),4 die vele maatregelen inhoudt.
4
Pacte pour un Enseignement d'excellence
5
vlor.be
4.2 Transversaal beleid voor gelijke leer- en ontwikkelingskansen, binnen en buiten de onderwijstijd 4.2.1 Van een geïsoleerde en zeer ingrijpende maatregel naar een globale aanpak van kansarmoede In de adviesvraag noemt de minister de aanpak van de leervertraging die het gevolg is van de covid19-pandemie als een van de aanleidingen voor het maatschappelijk debat over de inkorting van de zomervakantie. De Vlor tracht die aanleiding te verhelderen en er een duidelijke doelstelling aan te koppelen. Extra leerkansen in de zomervakantie via zomerscholen? Om de schoolsluitingen tijdens de piekperiodes van de covid-19 pandemie en de leervertraging die daarvan het gevolg was te compenseren, werden in de zomers van 2020 en 2021 op initiatief van de ministers van Onderwijs en Gelijke kansen zomerscholen georganiseerd. Die richtten zich op kwetsbare leerlingen die gedurende minimaal tien dagen konden deelnemen aan een aanbod dat schools en speels leren combineerde. De zomerscholen van 2020 slaagden er relatief goed in om kwetsbare leerlingen te bereiken van wie verwacht wordt dat ze het meeste baat hebben bij een kwalitatief sterk zomerschoolaanbod. Toch hebben zomerscholen al bij al een beperkt bereik. (Verachtert, Bellens et al., 2020). De zomerscholen werden recent structureel verankerd. De Vlaamse Regering wil daarmee de zomervakantie doorbreken voor kwetsbare leerlingen door extra leerkansen te bieden in combinatie met ontspanning. Over die structurele verankering heeft de Vlor zijn standpunt al via een eerder advies kenbaar gemaakt: het onderwijsveld wil geen structurele onderwijstijd in de zomervakantie.5 Die boodschap vond geen gehoor, al werd de koppeling aan de onderwijsdoelen en het individuele leertraject van leerlingen geschrapt in de finale versie van het decreet over de organisatie van zomerscholen.6 Vasthouden aan de benaming ‘zomerscholen’ creëert echter een verkeerde perceptie en verwachtingen. Lessen uit de covid-19-pandemie In zijn adviesvraag benoemt de minister de leervertraging dus als aanleiding voor het debat over een mogelijk andere structurele maatregel, namelijk de inkorting van de zomervakantie. Maar wat hij niet expliciet vermeldt, is dat de schoolsluitingen vooral heel scherp aan het licht gebracht hebben hoe groot de impact is van kansarmoede in de thuissituatie op de leer- en ontwikkelingskansen van kinderen en jongeren. Iedereen in het onderwijsveld kreeg meer dan ooit een inkijk in de levensomstandigheden van leerlingen en de gevolgen daarvan voor hun onderwijsleerproces. Zomerverlies, of leerverlies tijdens de zomervakantie, is een veel aangehaald argument in het debat over de lengte van de zomervakantie dat al decennialang gevoerd wordt. Dat verlies is gemiddeld genomen groter voor kansarme leerlingen. De Vlor wil het debat voeren over kansenongelijkheid in onderwijs en de vraag of een eventuele reorganisatie een maatregel kan zijn die kansengelijkheid in onderwijs versterkt, binnen dat bredere debat beantwoord zien.
Vlor, Algemene Raad. Geen structurele onderwijstijd in de zomervakantie Advies over het voorontwerp van decreet over de organisatie van zomerscholen, 27 januari 2022. 6 Organisatiedecreet zomerscholen. 3 juni 2022. 5
6
vlor.be
Is inkorten zomervakantie dan de juiste maatregel? De Vlor is er niet van overtuigd dat met enkel een inkorting van de zomervakantie de leer- en ontwikkelingskansen van kansarme leerlingen zouden verhogen. Er is geen evidentie uit recent wetenschappelijk onderzoek dat die ene maatregel de beoogde positieve impact zou hebben op gelijke kansen voor alle leerlingen. Dat recente onderzoek komt vooral uit de Verenigde Staten en is het dus niet zonder meer transfereerbaar naar de Vlaamse context. Wat ook opvalt in de onderzoeksbevindingen, is dat je het effect van één zo’n maatregel moeilijk kan isoleren, omdat die meestal samen met andere maatregelen ingevoerd wordt, zoals ook in het Franstalig onderwijs het geval is (Vlaamse Onderwijsraad, 2022; Verachtert, 2021). Ook stellen onderzoekers in vraag of een inkorting van de zomervakantie met twee weken die dan elders gecompenseerd worden, überhaupt effect kan hebben. Het is bovendien een zeer ingrijpende maatregel, zowel voor het onderwijs als voor de bredere maatschappij. Dat bleek duidelijk uit het proces dat in de Franse Gemeenschap gelopen is in aanloop naar de invoering ervan (Roger, 2021), uit de bevragingen van de leden van de Vlor (zie bijlage) en uit adviezen van andere raden (SERV, 2022; Vlaamse Jeugdraad, 2021). Globale aanpak kansarmoede Voor de Vlor is er dan ook, meer dan aan een geïsoleerde maatregel waarvan we niet zeker weten of die de gelijke kansen ten goede zou komen, nood aan een globale aanpak van kansarmoede met impact op gelijke leer- en ontwikkelingskansen. De bezorgdheid daarover bleek duidelijk uit de ledenbevragingen. Ook uit de dialoog met experts bleek dat de aanpak van kansarmoede het hoofdargument van het debat moet zijn. Als, zoals in het Franstalig onderwijs vanaf 2022-2023, de zomervakantie zeven weken duurt in plaats van bijna negen, blijft er nog altijd een lange periode over waarin alle gevolgen van kansarmoede zich laten voelen. En als twee korte schoolvakanties tijdens het schooljaar langer worden, duurt de periode waarin (kansarme) leerlingen alle voordelen missen van de school (onderwijs, sociaal contact, structuur, maaltijden, …), ook dubbel zo lang. Kansarmoede verdient een globale aanpak die veel verder gaat dan onderwijs. De Vlor adviseert dan ook om werk te maken van een overkoepelende visie over hoe Vlaanderen kansarmoede duurzaam wil aanpakken en gelijke (onderwijs)kansen beter realiseren, en een pakket aan maatregelen te nemen dat daartoe het meeste effect kan genereren. We kunnen niet alle heil verwachten van een maatregel, waarvan het effect niet bewezen is en waarvoor geen draagvlak bestaat. Binnen dat globaal plan wordt de maatregel best meegenomen, maar wenselijkheid, haalbaarheid en aanvaardbaarheid voor alle actoren zijn daartoe cruciale voorwaarden. In het laatste deel van dit advies gaan we nader in op een aantal kritische voorwaarden die blijken uit de consultatie van het onderwijsveld. Elke maatregel om kansarmoede te bestrijden moet kaderen in een gedragen visie over hoe gelijke kansen nagestreefd worden op lange termijn. Zo’n visie moet resulteren in een gezamenlijk werkkader voor verschillende beleidsdomeinen. Onderwijs kan die uitdaging niet alleen aan. Er is nood aan ‘een sterker, doelgericht en gecoördineerd beleid vanuit meerdere beleidsdomeinen (armoedebestrijding, welzijn, cultuur, …)’.7
7
Vlor, Algemene Raad. Memorandum voor de nieuwe Vlaamse Regering, 29 november 2018.
7
vlor.be
De impact en gevolgen van de coronacrisis hebben die ambitie op scherp gesteld. Met het plan ‘Vlaamse Veerkracht’ wil de Vlaamse Regering werk maken van een remontada en specifiek voor onderwijs ‘van achterstand naar voorsprong’ evolueren. In zijn advies over de visienota ‘Van kwetsbaar naar weerbaar’ die de maatregelen voor het veerkrachtplan voor onderwijs uiteenzet, stelde de Vlor dat hij een langetermijnvisie miste op de aanpak van kwetsbaarheid en de structurele versterking van onderwijs daarvoor.8 Dat advies herhalen we naar aanleiding van de vraag om het draagvlak voor een eventuele reorganisatie van het schooljaar te onderzoeken. Geef ons een duidelijk plan van hoe de Vlaamse overheid de groeiende kansarmoede wil aanpakken, hoe alle betrokken beleidsdomeinen daartoe de krachten zullen bundelen. Onderwijs wil zeker zijn verantwoordelijkheid opnemen, maar kan dat niet alleen. De Vlor ziet mogelijkheden om op korte en middellange termijn werk te maken van transversale of beleidsdomeinoverstijgende maatregelen die zullen bijdragen aan het bestrijden van kansarmoede. Die mogelijkheden werken we hierna uit (4.2.2 en 4.2.3). We zien ook potentieel in meer ambitie voor het Belgisch nationaal actieplan voor de Europese Kindgarantie 2022-2030. Voor Vlaanderen wordt daarin vooral lopend beleid ingeschrevenen en is er nog geen consultatie gebeurd (POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding, Sociale Economie en Grootstedenbeleid, 2022).
4.2.2 GOK-beleid scholen flankeren en versterken Het GOK-beleid is voor scholen het middel bij uitstek om in te zetten op de aanpak van kansarmoede. Naar aanleiding van onderzoek in het kader van SONO én vanuit de vaststelling dat de aandacht voor gelijke onderwijskansen zowel beleidsmatig als in de praktijk naar de achtergrond leek te verdwijnen, bracht de Vlor begin 2020, net voor de coronacrisis, het advies ‘Spots op gelijke onderwijskansen’ uit.9 Dat pleit voor een geïntegreerd beleid gekaderd in het referentiekader voor onderwijskwaliteit, opbouwende verantwoording, samenwerking en expertise-uitwisseling. Voor de Vlor is het overduidelijk dat een structurele maatschappelijke inbedding van het gelijkekansenbeleid en versterking door andere sectoren dé hefboom kan zijn. Scholen doen wat ze kunnen binnen de mogelijkheden die ze hebben, maar zij hebben enkel impact op wat er binnen de onderwijstijd gebeurt. Het kan niet de bedoeling zijn dat ook buiten de reguliere onderwijstijd een appel gedaan wordt op leraren. Wél dat scholen breder ingebed zijn in een partnerschap met ouders en andere actoren met wie zij een globale aanpak kunnen uitwerken, waarop zij een beroep kunnen doen en waarmee ze expertise kunnen uitwisselen. De Vlor pleit dan ook voor versterking van Onderwijs en van andere sectoren om dat partnerschap aan te gaan dat nodig is om kansarmoede in zijn totaliteit aan te pakken.
4.2.3 Breed toegankelijk en kwaliteitsvol vrijetijdsaanbod Het overleg in de Vlor over het vraagstuk van de schoolvakanties heeft heel duidelijk gemaakt dat, hoe je het schooljaar ook organiseert, er altijd korte en langere periodes zullen zijn waarin onderwijs niet garant kan staan voor de omkadering van kinderen en jongeren. Tijdens alle korte en lange
Vlor, Algemene Raad. Kwetsbaarheid aanpakken via weerbaar onderwijs. Advies over de visienota ‘Van kwetsbaar naar weerbaar – deel 1 – beter leren, beter voelen’, 10 juni 2021. 9 Vlor, Algemene Raad. Spots op gelijke onderwijskansen. Advies met beleidsvoorstellen voor krachtig GOK-beleid, 21 februari 2020. 8
8
vlor.be
vakanties hebben kinderen en jongeren nood aan activiteiten die hen stimuleren en uitdagen, én die structuur, sociale contacten en ondersteuning bieden. Dat geldt voor alle kinderen en jongeren. Het vormt bij uitstek een uitdaging voor wie, om welke reden dan ook, minder toegang heeft tot die activiteiten. Kinderen die opgroeien in kansrijke gezinnen hebben thuis toegang tot boeken en spellen die hun ontwikkeling stimuleren. Zij gaan op reis en doen nieuwe ervaringen op via natuur en cultuur. Zij nemen deel aan een divers aanbod aan jeugd- en sportkampen, … Kortom: hun vakantie is soms zelfs bijna te kort om alle nieuwe impulsen te verwerken. Het contrast met kinderen in kansarme gezinnen is groot. Zij hebben veel minder toegang tot al dat aanbod, als gevolg van ingebouwde drempels. Ook kinderen met een beperking kunnen vaak geen gebruik maken van het vrijetijdsaanbod. Die drempels moeten dan ook verlaagd worden op basis van de zogenaamde B’s van de toegankelijkheid: betaalbaarheid, bereikbaarheid, begrijpbaarheid, beschikbaarheid bruikbaarheid, bekendheid, betrouwbaarheid, begripvol en betreedbaarheid (AgII, s.d.; De Bruycker, De Visscher & Van de Walle, 2017; Gezinsbond, 2017; VVSG, s.d.).10 Daarom herhaalt de Vlor nadrukkelijk zijn pleidooi voor een algemene beschikbaarheid en brede toegang tot een kwaliteitsvol vrijetijdsaanbod. Dat zien we ook als een meer rechtvaardige, meer haalbare en meer effectieve piste dan de zomerscholen. Via een speels activerend, stimulerend en avontuurlijk vrijetijdsaanbod kunnen kinderen en jongeren veel leren op spontane wijze. Zo’n aanbod is ontspannend, uitdagend en bijzonder waardevol. We zien een belangrijke rol weggelegd voor lokale besturen die nog sterker kunnen inzetten op een laagdrempelig aanbod met een breed bereik, en voor de Vlaamse overheid om ervoor te zorgen dat het overal gegarandeerd wordt. Zo wordt het recht op een vrije invulling van de vrije tijd voor ieder kind, jongere, ouder en gezin het best gegarandeerd. Hoe zo’n aanbod opgebouwd wordt, behoort tot de autonomie van de lokale besturen. Het kan op vele manieren vorm krijgen. Denk aan speelpleinwerking, geïntegreerd buurtwerk, inclusief jeugdwerk, brede school, … We pleiten voor integratie van verschillende invalshoeken (jeugd, cultuur, sport, welzijn, …) en dus overleg tussen vele actoren, zodat aan alle behoeften kan voldaan worden, zeker tijdens de langere zomervakantie. Dat is een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Voor die kwaliteitsvolle opvang is de beschikbaarheid van monitoren cruciaal. Elke wijziging van de bestaande vakantieregeling kan, zowel voor studenten uit het hoger onderwijs, leerlingen uit de bovenbouw van het secundair onderwijs, als leerkrachten regulier onderwijs, resulteren in minder beschikbaarheid. Dat is niet wenselijk.
5 Prioritair debat over welzijn in onderwijs Als de bevragingen van het onderwijsveld één ding haarscherp duidelijk gemaakt hebben, dan is het dat scholieren en personeel gedurende het hele schooljaar, ook tijdens de schoolvakanties, een grote druk ervaren om voortdurend met schoolwerk bezig te zijn. Voor scholieren geldt dat minder of niet tijdens de zomervakantie. Dat is de enige periode waarin ze echt helemaal los kunnen komen van de school. Voor de meeste personeelsleden, en zeker voor directies, is ook de
10
Afhankelijk van de bron wordt een model met vijf, zeven of negen B’s gehanteerd.
9
vlor.be
zomervakantie deels benomen door werk. Voor iedereen heeft het alleszins een grote invloed op hun welzijn. Daarover moet eerst nagedacht worden, in het belang van alle betrokkenen: hoe kan minder werkdruk en meer rust gegarandeerd worden tijdens de tussentijdse vakanties en ook voldoende volledige loskoppeling tijdens de zomer? Wat is ‘vakantie’ in onderwijs? In welke periodes kan geen (digitale) beschikbaarheid verwacht worden van directies, personeel, leerlingen en ouders? Draagt een reorganisatie van de onderwijstijd al dan niet bij tot een betere balans tussen school en vrije tijd? Wat betekent een reorganisatie van het schooljaar voor kleuters en lagere schoolkinderen? Er ligt ook een taak voor de overheid en het onderwijsveld om het discours over de zogenaamd grote hoeveelheid vakantiedagen van directies, leraren en ander personeel in onderwijs te doorbreken en daarover een realistische boodschap te verspreiden. Dit dossier biedt daartoe een uitstekende kans.
6 Kritische voorwaarden De Vlor beveelt aan om niet te overhaasten onder druk van de beslissing voor het Franstalig onderwijs, om de problematiek van kansarmoede in onderwijs vanuit een breed perspectief te benaderen en om prioritair na te denken over welzijn in onderwijs. In tussentijd is het niet wenselijk dat het debat over de organisatie van het schooljaar steeds opnieuw aangevuurd wordt. Hoewel er geen draagvlak is voor de reorganisatie van het schooljaar, gaan we wel in op de vraag van de minister naar de kritische voorwaarden. Als de reorganisatie in de toekomst in beeld zou komen, dan gelden daarbij voor de Vlor de volgende voorwaarden.
6.1 Basisvoorwaarden Als een reorganisatie in de toekomst overwogen wordt… …koppel er dan een duidelijke doelstelling aan, gekaderd in een globaal plan en totaalpakket aan maatregelen voor de aanpak van kansenongelijkheid, leervertraging, leerverlies en mentaal en fysiek welzijn tijdens schoolvakanties. Daarbij moet ook aandacht gaan naar andere, meer evidente maatregelen, die minstens even succesvol kunnen zijn. We deden hierboven al enkele voorstellen daarvoor. … zorg er dan voor dat die doelstelling onderbouwd is. Er is nood aan heldere communicatie over wat onderzoek wel en niet aantoont en aan extra onderzoek dat bijdraagt aan een bredere kennisbasis over de impact en effectiviteit van maatregelen die raken aan de duur van schoolvakanties. … betrek daarbij dan alle actoren op wie een reorganisatie impact zou hebben, in de eerste plaats de onderwijspartners. … voorzie daar voldoende tijd voor, wetende dat er geen draagvlak is en dat het hele onderwijsveld onder druk staat van andere uitdagingen. Laat het debat voorlopig rusten en start tijdig onderzoek op. De komende jaren kunnen we ook kijken naar de gevolgen van de maatregel in het Franstalig onderwijs.
10
vlor.be
6.2 Operationele voorwaarden Als een reorganisatie in de toekomst overwogen wordt… … dan moet die meer welzijn garanderen in onderwijs. De Vlor vraagt aandacht voor de werkdruk die leerlingen en personeel ervaren tijdens weekends en kortere vakanties én voor een voldoende kwaliteitsvolle zomervakantie voor iedereen. Besteed specifiek aandacht aan de situatie van directies en middenkader. Bepaal in overleg wat ‘vakantie’ is voor alle betrokkenen, zodat daarover een duidelijk afsprakenkader ontstaat. … anticipeer dan op transitieproblemen. De transitie zorgt vaak voor meer problemen dan de uiteindelijke maatregel zelf, zo leert de geschiedenis van grote hervormingen. Voorzie overgangsmaatregelen. De commissie Beter Onderwijs doet wat dat betreft een aantal suggesties (Brinckman & Versluys, 2021). … neem dan voldoende tijd om alle formele gevolgen voor het personeel in te schatten en daarover in gesprek te gaan met de representatieve vakorganisaties. … schat dan de consequenties voor de onderwijsregelgeving correct in en voorzie daar desgevallend ruim de tijd voor. … besteed dan bijzondere aandacht aan de effecten op de verblijfsregeling voor kinderen van gescheiden ouders, om emotionele en financiële gevolgen zo veel mogelijk te vermijden. … breng dan de gevolgen in kaart voor alle onderwijsinstellingen en -niveaus die de huidige schoolkalender volgen: (buitengewone) basis- en secundaire scholen, centra voor volwassenenonderwijs en basiseducatie, deeltijds kunstonderwijs, (semi-)internaten, instellingen voor bijzondere jeugdzorg, … Ook het hoger onderwijs zal zich tot een eventuele reorganisatie moeten verhouden. …. investeer dan in duurzame schoolgebouwen die bestand zijn tegen temperatuurschommelingen en klimaatverandering.
11
vlor.be
Bronnen Agentschap Integratie en Inburgering (AgII). 9 B’s van toegankelijkheid Belgisch nationaal actieplan voor de Europese Kindgarantie 2022-2030. POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding, Sociale Economie en Grootstedenbeleid, 2022. Brinckman, F., & Versluys, K. (2021). Naar de kern: de leerlingen en hun leer-kracht. Rapport van de commissie Beter Onderwijs. Departement Onderwijs en Vorming, Onderwijs: 46-47. (Zie rapport voor onderliggende bronnen) De Bruycker, A., De Visscher, K. & Van de Walle, I. (2017). Beleidsaanbevelingen uit dossier ‘Oh nee, Vakantie’. Demos vzw: 23 De Witte, K. & Gambi, L. (2021). Inkorten van de zomervakantie als hefboom in een Vlaamse BuildBack & Build-Better strategie. Presentatie voor Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, 16 november 2021. European Commission/EACEA/Eurydice (2021). The Organisation of School Time in Europe. Primary and General Secondary Education – 2021/22. Eurydice Facts and Figures. Luxembourg: Publications Office of the European Union. Foundation Roi Baudouin (2018). Etude de faisabilité visant à explorer les conditions d’acceptabilité du projet de réforme de rythmes scolaires annuels “7/2”. Gezinsbond (2017). Vakantieopvang: wat ervaren ouders, wat kan beter? E-dossier. Glorieux, I. (2021). De optimalisering van de jaarlijkse onderwijstijd. Resultaten van een Delphionderzoek uit 1996-97. Presentatie voor de SERV, 23 november 2021. (Intern document) Glorieux, I. (1999). ‘De tijden veranderen, de schooltijden niet.’ Werkgelegenheid, Arbeid, Vorming. Nieuwsbrief van het Steunpunt WAV, 1999 (9, 1-2): 172-17. Glorieux, I., & Kermarrec, G. (1997a). Standpunten over de ordening van de jaarlijkse onderwijstijd. Een Delphi-onderzoek (De optimalisering van de jaarlijkse onderwijstijd - deel II). Centrum voor Sociologie. Vrije Universiteit Brussel - TOR 1997/21. Glorieux, I., & Kermarrec, G. (1997b). De ordening van de jaarlijkse onderwijstijd in twaalf landen van de Europese Unie. Een overzicht (De optimalisering van de jaarlijkse onderwijstijd - deel III). Centrum voor Sociologie. Vrije Universiteit Brussel - TOR 1997/22. Glorieux, I., & Kermarrec, G. (1996). Effecten van variaties in de ordening van de jaarlijkse onderwijstijd. Een literatuurstudie (De optimalisering van de jaarlijkse onderwijstijd - deel I). Centrum voor Sociologie. Vrije Universiteit Brussel - TOR 1996/14. Minnen, J., Verbeylen, J. & I. Glorieux (2018). Onderzoek naar leraren in het basis- en secundair onderwijs. Brussel: Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR. Ontwerp van decreet over de organisatie van zomerscholen. 1 april 2022. Roger, N. (2021). Hervorming van het schoolritme. Presentatie voor de Vlor-werkgroep Organisatie schooljaar op 16 december 2021. (Intern document)
12
vlor.be
Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) (2022). De (re)organisatie van het schooljaar. Draagvlak voor verder debat. 25 april 2022. Vansteenkiste, M. (2022). Voordelen en valkuilen van het reorganiseren van de schoolvakantie: een psychologisch perspectief. Presentatie voor de Vlor-werkgroep Organisatie schooljaar in het kader van het debat in de Vlor op 24 februari 2022. [hyperlink nog op titel zetten] Vlaamse Jeugdraad (2021). Herschikking schoolvakanties. Advies en presentie voor de Vlorwerkgroep Organisatie schooljaar op 20 januari 2022. (Intern document) [+ link naar finaal advies?] Vlaamse Onderwijsraad (2022). Verslag debat over de organisatie van het schooljaar. 24 februari 2022. [hyperlink nog op titel zetten] Vlor, Algemene Raad. Geen structurele onderwijstijd in de zomervakantie Advies over het voorontwerp van decreet over de organisatie van zomerscholen, 27 januari 2022. Vlor, Algemene Raad. Kwetsbaarheid aanpakken via weerbaar onderwijs. Advies over de visienota ‘Van kwetsbaar naar weerbaar – deel 1 – beter leren, beter voelen’, 10 juni 2021. Vlor, Algemene Raad. Spots op gelijke onderwijskansen. Advies met beleidsvoorstellen voor krachtig GOK-beleid, 21 februari 2020. Vlor, Algemene Raad. Memorandum voor de nieuwe Vlaamse Regering, 29 november 2018. Verachtert, P. (2021). Een kortere zomervakantie voor meer leerkansen? Blog Expertisecentrum voor Effectief Leren (ExCEL) @ Thomas More. (Zie ook onderliggende referenties bij de blog, waarvan enkele door Pieter Verachtert aangehaald werden tijdens het debat in de Vlor) Verachtert, P., Bellens, K., Sneyers, E., Surma, T. & Muijs, D. (2020). Zomerscholen in Vlaanderen 2020: evalueren en inspireren. Onderzoeksrapport. Antwerpen: Thomas More-hogeschool. Verachtert, P., Van Damme, J., Onghena, P. & Ghesquière, P. (2009). A seasonal perspective on school effectiveness: evidence from a Flemish longitudinal study in kindergarten and first grade. School Effectiveness and School Improvement, 20 (2): 215–233. VVSG. De 7 B’s van de toegankelijkheid
13
vlor.be
Bijlage Neerslag van de raadpleging van het onderwijsveld, onderzoek(ers) en andere deskundigen Deze bijlage is beschrijvend en vormt de achtergrond voor het advies. Het is geen standpunt van de Vlor.
1 Bevragingen ledenorganisaties Vlor Zie 2.2 in het advies voor duiding bij de bevragingen. Hierna een overzicht van de bevragingen die gebeurd zijn en van de belangrijkste bevindingen, geclusterd per thema
Overzicht Onderwijsverstrekkers / schoolbesturen •
•
• •
GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap liep een participatief traject met ouders en professionals waarbij verschillende scenario’s voor de indeling van het schooljaar verkend werden. Daaruit volgde een standpunt van de Raad van het GO!: GO! pleit voor meer evenwicht in verdeling schoolvakanties - GO! (g-o.be) Katholiek Onderwijs Vlaanderen voerde op basis van een startnota met argumenten pro en contra een andere indeling gesprekken met interne diensten, directiecommissies en adviesraden, waarna de nota verder uitgewerkt werd. Op basis daarvan kwam de raad van bestuur tot een standpunt: Zomervakantie inkorten en het schooljaar herverdelen? (katholiekonderwijs.vlaanderen) DIVO (Directies Vrij Onderwijs) voerde een online bevraging uit bij haar leden. 252 directies namen deel, uit verschillende schooltypes en met verschillende graden van anciënniteit. OVSG voerde een online bevraging uit bij de directies van haar scholen en centra. Zij bereikten 65% van de directies.
Ouders De ouderkoepelverenigingen voerden ieder afzonderlijk een online bevraging uit. Zij bereikten samen meer dan 20.000 ouders. Zij brachten enkele rode draden samen voor de Vlor, maar publiceerden hun bevragingen ook afzonderlijk online. • •
•
GO! ouders: ouderkoepelvereniging van het GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap: De mening van ouders over de indeling van het schooljaar - GO! ouders (go-ouders.be) KOOGO: Koepel van Ouderverenigingen van het Officieel Gesubsidieerd Onderwijs van het gemeentelijk, stedelijk en provinciaal onderwijs: PERSBERICHT Kortere zomervakantie valt in de smaak bij ouders | KOOGO VCOV: Vlaamse Confederatie van ouders en ouderverenigingen – ouderkoepel van het vrij onderwijs: Willen ouders dat de zomervakantie ingekort wordt? - 7 nov 21 (vcov.be)
14
vlor.be
Personeel De vakorganisaties van het onderwijspersoneel organiseerden elk een eigen bevraging. •
•
•
•
ACOD Onderwijs peilde via zijn nieuwsbrief naar het standpunt van zijn leden over een regorganisatie van het schooljaar zoals in het Franstalig onderwijs. Leden konden ook vrijwillig argumenten meegeven om hun standpunt te verduidelijken. ACOD Onderwijs bereikte meer dan 3.000 leden. Er werd niet specifiek gevraagd om de bril van leerkracht of ouder of leerling op te zetten bij het invullen van de bevraging. COC riep zijn leden op tot een online bevraging middels een uitgewerkt dossier en oproep in het ledenblad Brandpunt. Meer dan 5.000 leden reageerden op de bevraging, die peilde naar het standpunt over inkorting van de zomervakantie, maar ook verdiepende vragen stelde. In de resultaten kunnen we een onderscheid maken naar onderwijsniveau en functie. Onderwijspersoneel wil geen inkorting van de zomervakantie (hetacv.be) COV stuurde een bevraging uit naar zijn leden tewerkgesteld in het basisonderwijs. Zij konden hun standpunt over de inkorting van de zomervakantie met twee weken kenbaar maken, kiezen voor een voorkeursscenario en reageren op enkele stellingen. Bijna 6.000 leden vulden de bevraging in. Zomervakantie inkorten of niet? Dit vinden jullie (hetacv.be) VSOA Onderwijs richtte zijn ledenbevraging naar alle leden die in actieve dienst zijn in het leerplichtonderwijs. Hen werd gevraagd of ze zich konden vinden in een herschikking van de vakantieregeling in het onderwijs. Zij konden hun standpunt beargumenteren.
Scholieren De Vlaamse Scholierenkoepel (VSK) voerde een bevraging uit bij de scholieren. Ook zij konden in eerste instantie antwoorden op de basisvraag, maar er werd ook gepeild naar hun favoriete vakantie en de voorwaarden daarvoor. Er werd ook gevraagd naar schoolwerk tijdens vakanties. 3.500 scholieren vulden de enquête helemaal of gedeeltelijk in. VSK formuleert ook een eigen beleidsadvies naar aanleiding van de bevraging. Scholieren zijn geen fan van een herschikking van de schoolvakanties | VSK - de Vlaamse Scholierenkoepel Leerlingen van het basisonderwijs zijn niet rechtstreeks bevraagd, enkel via hun ouders.
Socio-culturele verenigingen De Gezinsbond organiseerde focusgroepen met de eigen diensten enerzijds (gezinssport, gezinsvakanties, jeugdkampen, kinderoppas, vormings-en vrijwilligerswerk, sociaal-juridische dienst) en anderzijds ouders. Het doel was een overzicht te maken van alle levensdomeinen waarop een andere indeling van het schooljaar gevolgen zouden hebben voor kinderen/ouders/gezinnen. Dat resulteerde in een inventaris van kansen, bedreigingen en aandachtspunten.
Hoger onderwijs De raden van de hogeronderwijsinstellingen (Vlir en Vlhora, VVS) voerden geen eigen bevragingen uit, maar deelden wel hun inzichten uit overleg over de indeling van het academiejaar en de impact van een reorganisatie van de schoolkalender van het leerplichtonderwijs in de Vlor.
Thematische hoofdlijnen uit de bevragingen van de leden van de Vlor We beschrijven hieronder de argumenten voor en tegen, de kansen, bedreigingen en aandachtspunten die uit de bevragingen naar voren komen, geclusterd per thema en vanuit de verschillende perspectieven uit het toetsingskader van de Vlor.
15
vlor.be
Gelijke onderwijskansen (pedagogisch perspectief) Mede ingegeven door inzichten uit onderzoek, door ervaring en vanuit intuïtie, zien we vaak als argument pro reorganisatie/inkorting terugkomen dat de impact van de lange zomervakantie op kwetsbare leerlingen en hun gezin te groot is. Door de vakantie in te korten, kan het leerverlies beperkt worden en is de periode waarin die leerlingen de school en alles wat daarbij hoort (contact met de onderwijstaal, sociale contacten, structuur, ondersteuning, therapie, maaltijden, …) missen, wat minder lang. Andere respondenten schatten in dat het leerverlies na zeven of negen weken ongeveer hetzelfde zal zijn en dat september altijd een ‘opfrismaand’ zal zijn. En na twee weken tussentijdse vakantie zal er meer leerverlies zijn dan na een week. Zij stellen de mogelijk positieve impact op gelijke onderwijskansen dus in vraag. Verschillende bevraagden wijzen erop dat, door twee weken van de zomervakantie toe te voegen aan de vakanties van een week, die met name plaatsvinden in de herfst en de winter, kansarme kinderen tijdens die vakanties van twee weken voornamelijk binnen zullen zitten (in kleine, vaak niet goed verwarmde woningen), minder zullen deelnemen aan vakantieaanbod en dus ook leerkansen, ontspanning en beweging zullen missen. Sommige respondenten wijzen op andere maatregelen om gelijke onderwijskansen te bevorderen tijdens de reguliere schooltijd (via de pedagogisch-didactische aanpak) en ook daarbuiten.
Welzijn (pedagogisch en onderwijskundig perspectief) Heel wat argumenten voor en tegen inkorting of reorganisatie hebben te maken met welzijn. Dat kan in twee richtingen gaan: leerlingen die gebaat zijn bij de regelmaat, de stimulerende omgeving, de ondersteuning en het sociale gebeuren op school, zijn gebaat bij een minder lange zomervakantie. Maar krachtiger klinkt het argument van scholieren, leraren, directies en ouders dat de schoolvakantie van twee maanden de enige garantie is op een periode waarin ze helemaal kunnen loskomen van de school en dus onbekommerd genieten. Dat roept de vraag op: wat is de definitie van ‘vakantie’ in onderwijs? Uit getuigenissen van scholieren, leraren en directies blijkt immers dat zij minstens een deel van de vakantie in de feiten aan het werk zijn. Voor de scholieren is de zomervakantie hun meest favoriete vakantie omdat ze dan mentaal helemaal tot rust kunnen komen, het een huiswerkvrije periode is en ze dan tijd hebben om veel buiten te zijn. Tijdens de andere vakanties hebben zij bijna altijd een of andere vorm van schoolwerk (groepswerk, boekbespreking, handwerk, voorbereiding van toetsen, …) waardoor ze niet helemaal kunnen loskomen van school en die periode dus niet als ‘vakantie’ ervaren. De scholieren vrezen dat, als de vakanties van een week uitgebreid worden tot twee, de hoeveelheid schoolwerk nog zal toenemen. De ouders delen die bezorgdheid. Specifiek voor de zomervakantie zijn scholieren en ouders bezorgd dat een combinatie van gezinsvakantie, jongerenvakantie en een vakantiejob niet meer mogelijk zal zijn als er twee weken wegvallen. Voor het personeel geldt evenzeer de behoefte aan helemaal loskomen, maar afhankelijk van hun statuut is twee maanden zomervakantie sowieso niet aan de orde. Leraren zijn begin juli en eind augustus vaak nog/al aan het werk. De vakantieperiodes van directies, vooral in het secundair onderwijs, staan het meest onder druk. Zij hebben op z’n minst twee weken nodig om het schooljaar ordentelijk af te ronden en ook minimaal twee weken om het weer op te starten. Dat heeft vooral te maken met de opvolging van attesteringen en de studiekeuzes van leerlingen. Bijkomende proeven, beroepsprocedures, inschrijvingen, verdeling van de klasgroepen/de betrekkingen, opstellen van lessenroosters, nieuwe regelgeving implementeren, … kunnen enkel in de
16
vlor.be
zomervakantie gebeuren. Daarnaast is er ook nog veel puur technisch organisatiewerk. Als de zomervakantie met twee weken ingekort wordt, blijft er voor die directies en het ondersteunend personeel een te korte periode over voor een kwaliteitsvolle vakantie. Ook de tussentijdse vakanties zijn niet voor alle personeelsleden van onderwijs echte vakanties. Velen van hen zijn die weken bezig met lessen voorbereiden, opdrachten van leerlingen van feedback voorzien, mails opvolgen, … Dat geldt evenzeer voor de lesvrije tijd tijdens schoolweken, ’s avonds en in het weekend (Minnen, Verbeylen. & Glorieux, 2018). Met andere woorden: de zomervakantie blijft de enige periode waarin er toch gedurende een aantal weken helemaal losgekoppeld kan worden. In de motiveringen bij de bevragingen van de onderwijsverstrekkers, de directeurs en ander personeel wordt dan ook de vrees uitgesproken dat een reorganisatie/inkorting van de zomervakantie de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep nog kan verminderen en zo het lerarentekort nog kan vergroten. Het wegvallen van het vooruitzicht op een lange zomervakantie houdt het risico in dat nog meer directies en leraren zullen afhaken (meer uitstroom, minder instroom). Daarbij wordt ook gewezen op de grote druk waaronder onderwijs momenteel gebukt gaat. Anderzijds zijn er ook respondenten die wijzen op een betere balans tussen schooltijd en vakantietijd, meer tot rust komen tijdens de kortere vakanties, minder lange periodes voor de herfst- en de krokusvakantie, als het schooljaar gelijkmatiger ingedeeld wordt.
Transitieproblemen (maatschappelijk en onderwijskundig perspectief) De bevragingen bij de leden van de Vlor vroegen mensen om zich een niet-bestaande situatie voor te stellen. Dat blijkt tot veel onrust en onzekerheid te leiden bij de bevraagden. Zij zien problemen opdoemen in het evenwicht tussen werk en privéleven. Er is bezorgdheid over vakantieregelingen tussen gescheiden ouders die op losse schroeven komen te staan. Maar de bezorgdheden gaan verder: bedrijven die de zomervakantie voor hun werknemers met kinderen over een kortere periode moeten spreiden maar wellicht ook de vraag naar verlofdagen tijdens vakanties van twee weken zullen zien toenemen, de markt van vakantiewoningen en hotelkamers die overbevraagd zal zijn tijdens een kortere periode met prijsstijgingen tot gevolg, lange vakanties in het land van herkomst die in het gedrang komen, enzovoort. Met andere woorden, omdat de maatschappij al heel lang ingesteld is op twee maanden zomervakantie, is het moeilijk voor te stellen hoe het anders te organiseren zonder (te) verregaande (transitie)problemen voor onderwijs en andere sectoren. Ook de bezorgdheid over verschillende systemen binnen België is groot. Als het Franstalig, Duitstalig en Nederlandstalig onderwijssysteem verschillende vakantieregelingen hanteren – wat vanaf 22-23 de facto zo zal zijn –, zal dat voor problemen zorgen o.a. voor gezinnen met kinderen in verschillende systemen, voor onderwijzend personeel in het ene systeem met hun kinderen in een ander systeem, voor gezinnen die een gemengd beroep doen op onderwijs en opvang in verschillende taalgemeenschappen en voor aanbieders van opvang- en vakantie-initiatieven. Bij respondenten die die problemen benoemen, gaan dan ook stemmen op voor één vakantieregeling voor het hele land. Dat botst met de feitelijkheid dat de vakantieregeling een bevoegdheid is van de deelstaten. Het is niet eenvoudig om de impact van die verschillende regeling voor beide onderwijssystemen in te schatten. De Vlaamse Jeugdraad probeerde dat, maar kreeg geen cijfers via de bevoegde ministers.
17
vlor.be
Onderwijsorganisatie (onderwijskundig perspectief) Hierboven werd al gewezen op onderwijsorganisatorische aspecten die invloed hebben op de duur van de zomervakantie voor directies en ander personeel, en dus op hun vakantiebeleving en welzijn. We voegen hier nog enkele aspecten toe die ook uit de bevragingen naar voren kwamen. Schoolbesturen wijzen erop dat voor kleinere infrastructuurwerken (schoolgebouwen, ICTuitrusting, …) die enkel tijdens de vakantie kunnen plaatsvinden, doorgaans op een periode van twee maanden gerekend wordt. De schoolgebouwen zijn vandaag niet voorzien op grote temperatuurschommelingen. Extra schooldagen in de zomermaanden zijn dan ook niet aan te raden omdat hitte aandachtig de les volgen en leren bemoeilijkt. Ook de kledingvoorschriften voor leerlingen zijn niet soepel genoeg voor zeer warme dagen. Voor de organisatie en aanpak van het onderwijs zelf (leerstof en evaluaties) zou een hervorming zoals die in het Franstalig onderwijs wordt ingevoerd, een meer gelijke spreiding over het schooljaar mogelijk maken. Nu zijn de drie trimesters verschillend in lengte en wisselt de indeling van jaar tot jaar. Hoger onderwijs zou in geval van een inkorting van de zomervakantie de planning van de proeven op de overgang secundair-onderwijs (toelating, ijking, oriëntering, …) die begin juli plaatsvinden, moeten herbekijken. Een reorganisatie van het schooljaar zou hoe dan ook een grote impact hebben op de onderwijsregelgeving. Die zou immers volledig moeten gescreend worden en op heel wat punten aangepast worden, zeker voor alles wat tijdsgebonden aspecten betreft. Ook zou nieuwe regelgeving tijdig klaar moeten zijn, zodat scholen zich erop kunnen organiseren zonder dat hun vakantietijd in het gedrang komt. Een volledige screening kan een momentum zijn om de regelgeving op een aantal punten te verbeteren.
Opvang (pedagogisch en maatschappelijk perspectief) Opvang tijdens schoolvakanties is een belangrijke rode draad doorheen de argumenten pro en contra reorganisatie. De zomervakantie vormt voor velen een grote uitdaging, zowel voor gezinnen met twee werkende ouders als voor eenoudergezinnen, gescheiden ouders, kansarme gezinnen, … Het is voor niemand een evidentie om vooral voor jongere kinderen voldoende betaalbare en zinvolle invulling te geven aan de lange schoolvrije periode. De Gezinsbond kaartte dat al eerder aan: het vinden van kwaliteitsvolle vakantieopvang een hele uitdaging is voor een grote groep ouders (70%). Ouders hebben naast vragen over betaalbaarheid ook vragen over de openingsuren, de kindbegeleiderratio, mogelijkheid tot inclusieve opvang, … (Gezinsbond, 2017) Als twee weken vakantie verplaatst worden, wijzigt dat niets aan de nood aan opvang, want ouders zullen in principe nog altijd even veel vakantiedagen hebben. Het probleem verschuift alleen. Toch zien sommige respondenten er heil in. Vele anderen wijzen erop dat er een probleem zal rijzen voor de begeleiding van de opvanginitiatieven. Daar zijn immers vaak studenten uit hoger onderwijs actief als monitoren. Als er een verschuiving zou komen en hoger onderwijsinstellingen houden hun huidige vakantieregeling aan, zijn die monitoren niet altijd beschikbaar in de weken waarin het leerplichtonderwijs vakantie heeft. Ook een deel van de scholieren uit de bovenbouw van het secundair onderwijs en leraren zetten zich tijdens de zomermaanden actief in als begeleider van vakantie-initiatieven. Als hun zomervakantie korter wordt, wordt de kans daarop kleiner en komen die waardevolle initiatieven mogelijks in de problemen voor het vinden van voldoende begeleiders.
18
vlor.be
2 Onderzoek(ers) en andere deskundigen Onderstaande is een bondige weergave van relevante inzichten uit bronnen die toonaangevend waren voor de Vlor, naast vele andere en onderliggende bronnen. De meeste onderzoekers werden ook uitgenodigd in de Vlor, voor een gesprek of debat. Het verslag van het debat dat de Vlor organiseerde in het kader van dit adviestraject, kan geraadpleegd worden op de website van de Vlor.
Onderzoek in opdracht van de Vlaamse Minister van Onderwijs (1996-1997) Bronnen: Glorieux, 1996, 1997a 1997b, 1999; Vlaamse Onderwijsraad, 2022 Het idee om het schooljaar anders te organiseren is niet nieuw. In 1996-1997 voerde Ignace Glorieux (Vrije Universiteit Brussel) in opdracht van de toenmalige Vlaamse minister van Onderwijs een onderzoek naar de schoolkalender, bestaande uit drie luiken: een Europese vergelijking, een literatuurstudie naar effecten van variaties in de jaarlijkse onderwijstijd op verschillende aspecten van de effectiviteit en de kwaliteit van onderwijs. Daarnaast werd door middel van een Delphibevraging in de vorm van schriftelijke discussies nagegaan welke standpunten, houdingen en argumenten er op dat ogenblik in het onderwijsveld (inrichtende machten, onderwijsvakbonden, directies, ouders, ….) leefden over de manier waarop de jaarlijkse onderwijstijd geordend was en wat naar de toekomst herschikt zou kunnen worden. Uit die literatuurstudie bleek dat er wel degelijk een effect is van de zomervakantie op de leerprestaties van leerlingen (het zgn. ‘zomerverlies’). Hierbij werd vastgesteld dat kinderen uit lagere sociale klassen meer nadeel ondervinden van lange schoolonderbrekingen dan kinderen uit hogere sociale klassen. Tijdens de zomervakantie wordt de kloof tussen kansarme en kansrijke leerlingen groter. De negatieve effecten van een lange schoolonderbreking, zoals de zomervakantie, wegen dus zwaarder door voor leerlingen met een lagere socio-economische achtergrond. Glorieux concludeert op dat ogenblik dat kortere vakanties hoogstwaarschijnlijk de gelijkheid van kansen in onderwijs bevorderen. Tegelijk erkent hij dat dit slechts een breed gedeelde veronderstelling is. Geen enkele van de geraadpleegde studies hebben immers het effect van vakanties met een verschillende duur op de studieresultaten en de evolutie van de leerlingen onderzocht. Verder wordt in de literatuur rond ‘year round education’ evenmin onderzoek gevonden dat deze hypothese ondersteunt. Dat een uitbreiding van de schooltijd tot meer kansengelijkheid leidt, noemt hij ook een suggestie waarvoor op dat ogenblik geen studiemateriaal voorhanden is. De onderwijsactoren die deelnamen aan de Delphi-studie van 25 jaar geleden waren het erover eens dat het probleem van sociale ongelijkheid in het onderwijs een belangrijk probleem is, waar de school – maar niet enkel de school! – de nodige aandacht moet aan besteden. Een groot deel van het panel was er echter niet helemaal van overtuigd dat een reorganisatie van het schooljaar veel zou oplossen aan het probleem van sociale ongelijkheid. Er bestond wel een algemene consensus in het panel over het feit dat een eventuele kalenderhervorming in de eerste plaats in functie moet staan van het pedagogisch proces en het welzijn van de leerlingen. Na drie discussieronden kwam het ‘ritmeringsvoorstel’ uit de bus als scenario, dat weliswaar nog steeds door een deel van de panelleden verworpen werd. Dat ritmeringsvoorstel komt overeen met het systeem dat volgend schooljaar ingaat in het Franstalig onderwijs in Brussel en Wallonië. Glorieux nam deel aan het debat met experts dat de Vlor organiseerde. Hij gelooft nog steeds dat een reorganisatie van het schooljaar de kansengelijkheid ten goede kan komen. Voor het Vlaamse
19
vlor.be
onderwijs geeft hij als advies om de situatie in Wallonië op de voet te volgen en daar lessen uit te trekken. Hij pleit ook voor een vakantieaanbod dat sociale gelijkheid bevordert.
Onderzoek in opdracht van de minister van Onderwijs van de Franse Gemeenschap (2018) Bronnen: Fondation Roi Baudouin, 2018; Roger, 2021 De Koning Boudewijnstichting onderzocht in 2018 op vraag van de minister van Onderwijs van de Franse Gemeenschap de aanvaardbaarheidsvoorwaarden van het hervormingsplan van het schooljaarritme (‘7/2’-ritme) dat kadert in het ‘Pact voor excellerend onderwijs’ van de Franse Gemeenschap. Een van de maatregelen van dat pact houdt in om het schooljaarritme te herdefiniëren om beter rekening te houden met de fysiologische behoeftes van leerlingen, het leerproces te bevorderen en interactieve, sportieve en andere activiteiten te integreren. De oplossing die naar voren geschoven wordt is om het schooljaar te herverdelen in periodes van zeven weken les, telkens gevolgd door twee weken vakantie en bijgevolg ook de zomervakantie aan te passen. De Koning Boudewijnstichting nam kennis van de resultaten van Belgische en Europese studies en voerde gesprekken met de belangrijkste mogelijk betrokken actoren uit het onderwijsveld, de gezinswereld, het verenigingsleven, de economische sector en de religieuze/seculiere wereld. De aanvaarbaarheidsvoorwaarden die het gevolg zijn van dat onderzoek, vat de Koning Boudewijnstichting als volgt samen: • De hervorming van het schooljaarritme kan niet op zichzelf staan. Het moet gaan om een diepgaande hervorming die kadert in een algemene dynamiek van transformatie en ook andere aspecten integreren die rechtstreeks of onrechtstreeks te maken hebben met het onderwijs. • Je kan de verandering van het schooljaarritme niet invoeren zonder het buitenschoolse aanbod te herbekijken. Kinderen besteden hun vrije tijd niet allemaal op dezelfde manier. Het schooljaarritme wijzigen zonder eerst het buitenschoolse aanbod aan te pakken, vooral wat de bereikbaarheid ervan betreft, zou de ongelijkheden nog groter kunnen maken in plaats van ze te verkleinen. • Een hervorming van het schooljaarritme is onmogelijk zonder de andere kalenders daarop af te stemmen en daaraan aan te passen. M.a.w. andere domeinen die op de schoolkalender afgestemd zijn, moeten ook volgen. Denk aan het hoger onderwijs, het openbaar vervoer, cultuur en sport, gezins- en werkleven, andere taalgemeenschappen en de sector die psychische, medische en sociale ondersteuning biedt aan kinderen en jongeren. Op z’n minst hebben al die actoren een termijn van twee jaar nodig om hun kalender te hervormen. Tijdens de dialoog die de Vlor voerde met Noémie Roger, adjunct-kabinetschef van Caroline Désir, minister van Onderwijs van de Franse Gemeenschap, werd duidelijk dat de Franse Gemeenschapsregering die voorwaarden vervuld heeft, in die zin dat aan de uiteindelijke beslissing om het schooljaarritme te hervormen een lang proces van overleg met alle betrokken actoren voorafging, en dat de hervorming gekaderd is in het ruimere ‘Pacte pour un enseignement d’ excellence’.
Stand van zaken recent onderzoek over effect van kortere zomervakantie Bronnen: Verachtert 2009, 2020 en 2021; Vlaamse Onderwijsraad, 2022 In april 2021 schreef Pieter Verachtert (Expertisecentrum voor Effectief Leren, Thomas More hogeschool) een blog met een stand van zaken van de recente literatuur. Aanleiding voor de blog was de verhoogde aandacht voor een aanpassing van de zomervakantie naar aanleiding van de
20
vlor.be
impact van de COVID-pandemie op het onderwijs. Verachtert wees daarbij op de motivering van zij die pleiten voor een kortere schoolvakantie. Enerzijds kan een inkorting van de zomervakantie ingegeven zijn door de overtuiging dat extra onderwijstijd tot betere resultaten leidt. Goed om weten in dat verband is dat Vlaanderen zich in 2019 zowel op het vlak van de lengte van de zomervakantie als het op het vlak van het aantal lestijden per kalenderjaar in het midden van het peloton van Europese OESO-landen bevond. Anderzijds kan een kortere zomervakantie/het anders spreiden van de schooltijd en vrije tijd over het kalenderjaar, ingegeven zijn door de overtuiging dat het een middel is om de kansenongelijkheid in het onderwijs te verkleinen, uitgaande van de redenering dat de leerprestatiekloof tussen kansrijke en kansarme leerlingen vooral tijdens de zomervakantie groeit en bovendien sterker groeit naarmate de zomervakantie vordert en langer duurt. Verachtert maakt dan ook een onderscheid tussen twee soorten studies, die voornamelijk in de VS uitgevoerd werden: • Onderzoek naar het effect van het verlengen van het schooljaar: uit het beperkt aantal recente studies blijkt dat de leerprestaties van leerlingen in scholen met een verlengd schooljaar in het beste geval licht hoger zijn dan die van leerlingen in scholen met een traditioneel schooljaar. Dat blijkt bij uitstek het geval te zijn voor kansarme leerlingen. Echter, scholen die het schooljaar verlengen nemen ook andere maatregelen om kansarme leerlingen te ondersteunen, waardoor niet met stelligheid beweerd kan worden dat de betere leerprestaties het gevolg zijn van de verlengde onderwijstijd. • Onderzoek naar het effect van het herverdelen van de schooltijd/gelijkmatiger spreiding van vakantieperiodes over het kalenderjaar: ook die studies bieden geen duidelijke antwoorden. Er zijn ernstige bedenkingen bij de manier waarop oudere studies uitgevoerd zijn. Het effect van sleutelen aan de schoolkalender zou hoogstens een zeer beperkt positief effect hebben op leerprestaties, zij het groter voor kansarme leerlingen. Meer recente studies bieden geen steun voor die hypothese. Verachtert haalde die inzichten ook aan tijdens het debat in de Vlor. Hij wees erop dat verschillen in socio-economische status slechts beperkt de verschillen tussen leerlingen in zomerverlies verklaren. Op basis van de huidige kennis waarover hij beschikt is er geen evidentie dat een reorganisatie van het schooljaar, al dan niet met verlenging van de totale onderwijstijd, het boogde effect zou hebben. Als de maatregel bovendien, zoals in het Franstalig onderwijs, kadert in een ruimer pakket van maatregelen, zal het effect moeilijk uit te zuiveren zijn. Er is alleszins nood aan meer en beter onderzoek, ook naar het effect van maatregelen op school- en klasniveau om kansenongelijkheid te verminderen.
Het psychologisch perspectief Bronnen: Vansteenkiste, 2022; Vlaamse Onderwijsraad, 2022 Het is duidelijk dat niet enkel (cognitief) leerverlies een effect kan zijn van een lange zomervakantie. Ook het mentaal en fysiek welbevinden is onderhevig aan de lengte van de zomervakantie, hetzij in positieve, hetzij in negatieve zin. Daarom consulteerden we tijdens het debat psycholoog Maarten Vansteenkiste (Universiteit Gent). Hij toetste onze vragen over het effect van vakantie op welzijn aan de beschikbare onderzoeksliteratuur. Voor het uitgebreide verslag van zijn bijdrage verwijzen we naar het verslag van het debat en de powerpoint-presentatie van Vansteenkiste. Enkele opvallende bevindingen: • De vakantie is een herstelfase, waarin de belasting op het psychofysiologisch functioneren vermindert. Er is weinig wetenschappelijk onderzoek naar de impact van vakantie op het welbevinden. Er zijn wel een beperkt aantal studies die een positief effect van vakantie
21
vlor.be
•
•
aantonen, maar het is niet duidelijk hoe duurzaam dat effect is, omdat er geen herhaalde metingen plaatsvonden na de vakantieperiode. Uit onderzoek bij volwassenen blijkt een piek in welbevinden na acht dagen vakantie, die vervolgens wat daalt, dan stabiliseert en snel uitdooft bij terugkeer na het werk. Bij leraren blijft de welzijnswinst tot 14 dagen na terugkeer aanwezig, zij het dat tijdsdruk of druk vanuit leerlingen die periode kan verminderen. De duur van de vakantie blijkt niet zozeer bepalend te zijn, wel de ervaringen tijdens de vakantie. Jongeren uit meer kansarme gezinnen hebben minder toegang tot verbondenheid en fysieke beweging in de vakantie, waardoor hun mentale gezondheid erop achteruit gaat. Zomerkampen kunnen een beschermend effect hebben, maar zijn niet voor iedereen toegankelijk.
Ook Vansteenkiste besluit dat er te weinig onderzoek is om de these hard te maken dat een herschikking van de schoolvakanties een positief effect zou hebben. Aangezien blijkt dat het welzijn niet stijgt naarmate de vakantie langer duurt, zijn leraren misschien geneigd het welzijnsvoordeel van een lange vakantie te overschatten. Maar er is meer onderzoek nodig, specifiek bij onderwijzend personeel. Vansteenkiste wijst ook op het belang van ‘deconnectie’ in de zin van ‘de belasting helemaal loslaten en afstand nemen’ wat vooral tijdens de kortere schoolvakanties een grote uitdaging vormt. Hij pleit ook voor een participatief debat om de geesten te laten rijpen.
Het onderwijs-economisch perspectief Bron: De Witte, 2021 De Vlor nam ook kennis van onderzoek vanuit onderwijs-economisch standpunt, onder andere via de presentatie van Kristof De Witte (KU Leuven) voor de SERV. De Witte zoomt in op de negatieve gevolgen van de lange zomervakantie, vooral bij leerlingen met een kwetsbare thuissituatie. Omdat Vlaanderen in de OESO-middenmoot zit zowel wat betreft de lengte van de zomervakantie als wat betreft de officiële instructietijd, ziet hij de mogelijkheid om de totale instructietijd te optimaliseren. De Witte behandelt verschillende scenario’s voor een gerichte of algemene verkorting van de zomervakantie, waaronder zomerscholen, inclusief een kosten-batenanalyse van zomerscholen versus andere maatregelen om leervertraging weg te werken. Hij gaat in op de gevolgen voor leraren (loon, aantal vakantiedagen) bij een algemene verkorting van de zomervakantie. De instructietijd verlengen biedt ook perspectief op meer ruimte voor het pedagogisch project van de school en om alle sleutelcompetenties in de nieuwe eindtermen te bereiken, waardoor Vlaanderen zijn internationale koppositie terug kan veroveren. Tot slot lijst De Witte een reeks noodzakelijke voorwaarden op waaraan moet voldaan zijn als de zomervakantie ingekort wordt, zoals: nieuwe regelgeving moet klaar zijn tegen maart, zodat directies en leraren optimaal kunnen genieten van hun ingekorte vakantie, betrokkenheid van stakeholders (onderwijsvakbonden, andere sectoren), nood aan andere acties om de kloof te dichten (ambitie, didactiek, gebruik van digitale tools, …) Zijn besluit: “nadelige effecten van lange zomervakanties, vooral bij kinderen in kwetsbare thuissituaties. • Gerichte verkorting van de zomervakantie (bijvoorbeeld in de vorm van zomerscholen) is effectief, maar heeft vrijwilligheid en zelfselectie als (heel) belangrijk nadeel.
22
vlor.be
•
Het verplaatsen van twee weken zomervakantie naar de herfst- en krokusvakantie zal waarschijnlijk slechts beperkte impact hebben. Bovendien kan het dan niet gebruikt worden als hefboom voor een grotere verandering van het onderwijsstelsel.
Voorstel: Verkort de zomervakantie met twee weken als een zichtbaar onderdeel van een bredere ‘Build-Back & Build-Better’ strategie, en als hefboom naar andere veranderingen in het onderwijsstelsel.”
Het kansarmoede-perspectief Bron: Vlaamse Onderwijsraad, 2022 De Vlor ging tijdens het debat ook in dialoog met experts inzake kansarmoede om te vernemen hoe gezinnen in kansarmoede de lange zomervakantie ervaren en welke mogelijkheden zij zien om de gevolgen daarvan op te vangen. De ervaringen en inzichten die Wendy Rassaert (ervaringsdeskundige) en Karin Nelissen (coördinator buurtwerk) met ons deelden, waren zeer verrijkend. Ouders met een laag inkomen ervaren de lange zomervakantie als een periode van stress: hun budget blijft hetzelfde, maar er zijn meer kosten. Zij kunnen lang niet zo veel leuke dingen doen met hun kinderen, waardoor die zich vervelen. Zij missen de structuur en de sociale contacten van de school. Ook de schoolgebonden ondersteuning en therapieën vallen gedurende een lange periode weg. De ervaringsdeskundigen zien de oplossing niet zozeer in een kortere vakantie of zomerscholen, want ook gezinnen in armoede hebben recht op een lange zomervakantie en eigen keuzes voor de invulling van hun vrije tijd. Maar dat laatste is niet altijd gegarandeerd, omdat er niet overal toegang is tot betaalbare kwaliteitsvolle activiteiten zoals speelpleinen of de UIT-pas. Dat zou overal gegarandeerd moeten zijn.
Het jongeren-perspectief Bron: Vlaamse Jeugdraad, 2021 Op 20 januari 2022 ging de Vlor in dialoog met de Vlaamse Jeugdraad. Zij stelden hun principieel standpunt over het thema voor, met als baseline: ‘Maak kinderen en jongeren geen lijdend voorwerp van deze eventuele hervorming. Luister naar hun voorwaarden en afwegingen en zorg ervoor dat ze leidend onderwerp kunnen zijn.’ Het was een zeer zinvolle gedachtewisseling, waarin de Vlaamse Jeugdraad de Vlor opriep om naar kinderen en jongeren te kijken in volle breedte, niet enkel als leerling die recht heeft op leren, maar ook als mens die recht heeft op leven, rust, vrije tijd, … . De jeugdraad deed appel op het onderwijsveld om iedereen correct te informeren over dit thema, omdat ze vaststellen dat veel mensen een oordeel vellen zonder goed te weten wat er op het spel staat. Als er wetenschappelijk onderzoek is dat bewijst dat een inkorting van de zomervakantie de leerkansen verhoogt, erkent de sector van het jeugdwerk dat dat voorgaat.
23
vlor.be