Natuurinrichting
Uitkerkse Polder
abiotiek monitoring jaar +10 bodem oppervlakte- en grondwaterkwaliteit eindrapport januari 2016
Natuurinrichting
Uitkerkse Polder Colofon auteur: Carole Ampe
Opdrachtgever:
Vlaamse Landmaatschappij Regio West Vestiging West-Vlaanderen Velodroomstraat 28 8200 Brugge Tel 050 45 81 00 Fax 050 45 81 99 www.vlm.be
Contactpersoon VLM
Projectleider VLM
Carole Ampe carole.ampe@vlm.be
Klaas De Smet klaas.desmet@vlm.be
Datum rapport
status / revisie
januari 2016
eindrapport
Agentschap voor Natuur en Bos West-Vlaanderen Jacob van Maerlantgebouw Koning Albert I-laan 1/2 bus 74 8200 Brugge (Sint-Michiels) Telefoon: 050 24 77 40 - Fax: 050 24 77 45 wvl.anb@vlaanderen.be
INHOUDSOPGAVE 1
Inleiding .................................................................................... 2
2
Methodologie ........................................................................... 4
2.1
Bodem .................................................................................................... 4
2.1.1 2.1.2 2.1.3
Doel .............................................................................................................................. 4 Methode van bodem beschrijving en bemonstering ................................................... 4 Analysemethoden ........................................................................................................ 4
2.2
Hydrologie .............................................................................................. 5
2.2.1 2.2.2
Opvolgen van de grondwaterstanden ......................................................................... 5 Opvolgen van de waterkwaliteit .................................................................................. 6
3
Resultaten ................................................................................. 8
3.1
Bodem .................................................................................................... 8
3.1.1
Fiches met de bodemkundige gegevens ...................................................................... 8
3.1.1.1 3.1.1.2 3.1.1.3 3.1.1.4 3.1.1.5
Permanent kwadrant: UPO1 .................................................................................... 8 Permanent kwadrant: UPV1 .................................................................................. 10 Permanent kwadrant: UPV2 .................................................................................. 13 Permanent kwadrant: UPV3 .................................................................................. 15 Permanent kwadrant: UPV4 .................................................................................. 17
3.1.2
Bespreking .................................................................................................................. 18
3.2 3.3
Grondwaterstanden ............................................................................. 21 WaterkwaliteIT ..................................................................................... 21
3.3.1 3.3.2
Oppervlaktewater ...................................................................................................... 21 Grondwater ................................................................................................................ 24
3.3.2.1 Type van het grondwater ....................................................................................... 24 3.3.2.2 Grondwaterkwaliteit ............................................................................................... 30
4
Besluit ..................................................................................... 32
5
Referenties ............................................................................. 34
6
Bijlagen ................................................................................... 36
6.1
Bodem .................................................................................................. 36
6.1.1
Profielbeschrijvingen.................................................................................................. 36
6.1.1.1 6.1.1.2 6.1.1.3 6.1.1.4 6.1.1.5
Permanent kwadrant: UPV1 .................................................................................. 36 Permanent kwadrant: UPV2 .................................................................................. 36 Permanent kwadrant: UPV3 .................................................................................. 37 Permanent kwadrant: UPV4 .................................................................................. 37 Permanent kwadrant: UPO1 .................................................................................. 37
6.1.2
Chemische bodemgegevens ...................................................................................... 39
6.2 6.3
Oppervlaktewater ................................................................................ 41 Grondwater .......................................................................................... 46
Uitkerkse polder Monitoring - Inhoudsopgave
1
1 INLEIDING Op grond van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2002 en het uitvoeringsbesluit van 23 juli 1998 kan de Vlaamse Regering natuurinrichtingsprojecten instellen. Het natuurinrichtingsproject Uitkerkse polder is ingesteld op 21 november 2000 nadat voor het projectgebied een onderzoek naar de haalbaarheid is uitgevoerd. Het projectrapport dat werd opgemaakt heeft een openbaar onderzoek ondergaan van 3 september 2001 tot en met 2 oktober 2001. De Vlaamse regering heeft de maatregelen en uitvoeringsmodaliteiten vastgelegd op 16 april 2002. In het projectuitvoeringsplan heeft het comité de uitvoering van het natuurinrichtingsproject voorbereid. De uitvoering van het natuurinrichtingsproject startte in het najaar van 2003 en werd beëindigd in 2008. Een aantal verschillende uitvoeringsdossiers volgden elkaar op: Het eerste dossier omvat de grondwerken aan het perceel aan de Neptunuslaan (uitgevoerd door ANB) en werden uitgevoerd in het najaar 2003 tot zomer 2004. Het tweede dossier omvat nagenoeg alle grondwerken, werken aan waterlopen en waterpeilwijziging, en zijn uitgevoerd vanaf de zomer 2005 tot het najaar 2006. Het derde dossier gaat over grondwerken op 3 percelen met uitvoering in zomer 2007. Het vierde dossier bevat de IBA’s met uitvoering in zomer 2007. Tenslotte is het laatste dossier met wegenwerken beëindigd in 2008. Monitoring van een natuurinrichtingsproject omvat het in de tijd (op)volgen van de ontwikkelingen van natuurwaarden die plaatsvinden naar aanleiding van een eenmaal gedane ingreep (inrichtingsmaatregelen) of een ingezette vorm van beheer. Resultaten van monitoring dienen enerzijds gebruikt te worden om natuurdoelen op projectniveau te kunnen toetsen, en anderzijds voor evaluatie van doelstellingen op beleidsniveau. Monitoring moet toelaten te signaleren of er zich andere ontwikkelingen voordoen dan de gewenste, en zo mogelijk ook de oorzaak van het probleem te achterhalen zodat er lessen kunnen getrokken worden voor nog uit te voeren projecten. De monitoring uitgevoerd in het kader van het NI-project Uitkerkse Polder heeft tot doelstelling een selectie van de uitgevoerde maatregelen op te volgen. In dit rapport komen volgende maatregelen aan bod: 1) Vernatting en herstel van kwelmilieus door het plaatsen van stuwen, afgraven van opgehoogde gronden, afdammen van grachten en sloten en het graven van poelen. Twee opstuwingszones worden ingesteld. Het streefpeil van het oppervlaktewater vóór de opstuwing was in de winter 1.3 tot 1.4 m TAW in de grotere sloten, het zomerpeil lag tussen 1.7 en 1.8 m TAW. Na de opstuwing zal het winterpeil verhoogd worden tot 1.9 m TAW binnen het opstuwingsgebied. Het zomerpeil blijft behouden. 2 ) Verbeteren van het ecologisch functioneren van waterlopen door natuurvriendelijke herinrichting oevers, aanleg KWZI in functie van verbetering waterkwaliteit, slib ruimen om eutrofiëring tegen te gaan, plaatsen van stuwen voor beperking schommelingen waterpeil, openmaken van verlande sloten en grachten. 3) Verschraling door het afgraven voedselrijke toplaag en het verminderen van bemesting. 4) Handhaving landschapsstructuur door het instellen van een hooilandbeheer, het instellen van extensief begrazingsbeheer en door de omvorming van akkerland naar weiland. 5) Soortgerichte maatregelen door het lokaal instellen van een hogere begrazingsdruk in functie van soorten van vertrappelde oevers, nl. Wilde peterselie, Knopig doornzaad en het Uitkerkse polder Monitoring - Inleiding
2
optimaliseren weidevogelbeheer: latere inscharingsdata, later maaien, lagere begrazingsdruk. De uitgangssituatie van het natuurinrichtingsproject Uitkerkse polder werd vastgelegd in 2004. Dit rapport bevat de resultaten van de monitoring van bodem en waterkwaliteit. Voor bodem worden hier de resultaten van de uitgangssituatie en de T10 voorgesteld, voor oppervlaktewater de resultaten van de T0, T2, T5 en T10, voor grondwater van de T0, T2 en T10.
Uitkerkse polder Monitoring - Inleiding
3
2 METHODOLOGIE 2.1 BODEM 2.1.1 Doel 1. Karakterisatie (beschrijvend) van het humusprofiel 2. Karakterisatie (beschrijvend en bodemchemisch) van de oppervlaktehorizonten (0-10 cm, of dikte aangepast aan de horizonatie)
2.1.2 Methode van bodem beschrijving en bemonstering Profielbeschrijving: Het humusprofiel en de bovenste horizonten worden beschreven aan de hand van een miniprofiel, een kleine put van ongeveer 30 cm x 30 cm en 30 cm diep. Voor de terreinen die zich onder water bevinden, wordt met een profielsteker gewerkt of worden met de spade één à twee blokken uitgestoken (30 cm x15 cm, 15cm diep). De diepere horizonten worden beschreven aan de hand van een boring tot 1.25 m diepte. Bemonstering: Na inspectie van het profiel wordt, afhankelijk van de horizonatie, een monster genomen van de oppervlaktehorizont, meestal tussen 0-10 cm diepte. Afhankelijk van wat het meest praktisch uitvoerbaar is onder de terreinomstandigheden, wordt er ofwel met een graszodemonsterboor ofwel met de spade bemonsterd. Met de graszodemonsterboor wordt er rond de PQ op 10 plaatsen een monster genomen tussen 0-10 cm diepte. In het geval van de bemonstering met de spade worden er per PQ 3 tot 4 blokjes uitgestoken waarop telkens een monster genomen wordt. In een bakje worden de bodemstalen goed vermengd om tot een homogeen bodemstaal te komen. Gebruikte terminologie: Van Delft (2004), FAO (1990), Green et al. (1993) De bodemstalen (zie kaart 1) werden genomen op 31/8/2006 en 12/9/2006 (T0) voor V1, V2, V3, V4 en O1. O1 werd opnieuw bemonsterd op 24/3/2011 (T5). V2, V3, V4 en O1 werden bemonsterd op 2/9/2015 (T10). De locatie van V1 stond in 2015 onder water en is niet meer bemonsterd.
2.1.3 Analysemethoden T-1, T5, T10: De chemische analysen werden uitgevoerd door het Bodemkundige Dienst van België. De geanalyseerde parameters zijn: pH H2O 1:2,5 in T-1, T5, T10 pH KCl 1:2,5 in T-1, T5, T10 EC 1:2 in T10 OC Walkley & Black in T-1, T5, T10 N Kjeldahl in T-1, T5, T10 P totaal in T-1, T5, T10 P AL (P beschikbaar): extractie met ammoniumlactaat in T5 voor O1, T10 voor V2, V3, V4 en O1 P Olsen in T5 voor O1, T10 voor V2, V3, V4 en O1 CEC: extractie met ammoniumacetaat in T0 uitwisselbare Ca, Mg, K, Na: extractie met ammoniumacetaat in T0 uitwisselbare Al: extractie met KCl in T0 textuur in T0 en T5 Uitkerkse polder Monitoring - Methodologie
4
De gevolgde analysemethodes zijn: 1) Drogen en voorbereiding van het staal, bepaling van het residueel vochtgehalte: https://esites.vito.be/sites/reflabos/2010/Online%20documenten/BAM_deel1_02.pdf https://esites.vito.be/sites/reflabos/2010/Online%20documenten/BAM_deel1_03.pdf 2) N – Kjeldahl, nitraat N en ammonium https://esites.vito.be/sites/reflabos/2012/Online%20documenten/CMA_2_IV_4.pdf 3) pH H2O, pH KCl: 1:2,5 Referentie: ICP forests/UN/ECE 2006. 4) Elektrische geleidbaarheid of conductiviteit (EG of EC) Referentie: Van Ranst et al, 1999. Te gebruiken verhouding: 1/2. 5) OC sulfochromatische oxidatie (Walkley & Black) Gewijzigde Walkley & Black methode – eigen methode Bodemkundige Dienst van België 6) P totaal: extractie H2SO4 Referentie: Madson & Vestergaard (1992) in Mikkelsen en Langohr (1996) 7) P beschikbaar: P Olsen: methode “Olsen”: Extractie met 0,5M natrium bicarbonaat oplossing bij pH 8,5, Referentie: Van Ranst et al, 1999. 8) P beschikbaar: P AL: extractie ammoniumlactaat: pH 3,75, extractieverhouding 1/20 Referentie : http://www.emis.vito.be/EMIS/Media/referentielabo_VLM_BAM_deel1-11.pdf 9) Fosfaatverzadigingsgraad: PVZ https://esites.vito.be/sites/reflabos/2010/Online%20documenten/BAM_deel1_08.pdf
2.2 HYDROLOGIE 2.2.1 Opvolgen van de grondwaterstanden Doel Het opvolgen van de grondwaterstanden geeft informatie omtrent de diepte van het grondwater ten opzichte van het maaiveld en de hoogte van het grondwater ten opzichte van een referentieniveau (TAW) waaruit grondwaterstromingen kunnen afgeleid worden. Het regelmatig opvolgen van de grondwaterstanden toont de seizoenale en jaarlijkse schommelingen. Methode De grondwaterstanden worden maandelijks opgemeten in de peilbuizen aanwezig in het studiegebied. Deze peilbuizen werden geplaatst in het kader van de studie van Clays (1999) door de universiteit en Gent en van het Natuurinrichtingsproject Uitkerke. De lokalisatie van de peilbuizen is ingemeten met GPS (zie kaart 1).
Uitkerkse polder Monitoring - Methodologie
5
Tabel 1: Lokalisatie van de peilbuizen
Watina peilbuis nr UKPP005A UKPP006A UKPP007A UKPP008X UKPP009X UKPP010X UKPP019X UKPP020X UKPP021X UKPP022X UKPP023X UKPP024X UKPP025A UKPP026A UKPP027A UKPP029A UKPP030X UKPP032X UKPP033X UKPP034A UKPP035A UKPP037A UKPP038A UKPP040X
peilbuis nr VLM SB10F1 SB10F2 SB10F3 SB11F1 SB11F2 SB11F3 SB16F1 SB16F2 SB17F1 SB17F2 SB18F1 SB18F2 SB19F1* SB19F2 SB20* SB22* SB23 SB25 SB26 SB27 SB28* SB30 SB31* SB34
hoogte TAW MV (m) 2.439 2.439 2.439 2.587 2.587 2.587 3.373 3.373 2.776 2.977 2.221 2.221 1.910 2.000 2.013 2.100 2.670 2.166 2.149 2.885 2.130 2.155 2.089 3.111
coörd. Lambert Oost 61850.97 61851.98 61851.99 62897.00 62897.00 62897.00 61009.51 61010.31 62810.01 62810.85 64132.51 64131.21 64019.84 64020.81 63740.58 64241.78 63295.69 63399.76 63326.64 63040.51 62894.51 62618.34 62773.49 61243.65
coörd. Lambert Noord 219779.94 219780.06 219778.95 219857.00 219857.00 219857.00 221356.73 221358.15 221028.35 221027.8 220124.68 220125.19 221053.16 221053.22 220993.93 219799.38 219347.08 220470.46 220765.82 221589.63 221888.52 219969.47 220379.23 221463.77
Start metingen 15/04/2002 15/04/2002 15/04/2002 15/04/2002 15/04/2002 15/04/2002 19/04/2000 20/04/2000 18/04/2000 18/04/2000 18/04/2000 18/04/2000 14/12/2001 14/12/2001 14/12/2001 16/11/2001 18/04/2000 18/04/2000 18/04/2000 15/10/2002 15/10/2002 16/11/2001 16/11/2001 18/04/2000
Filter top tov TAW (m) -27.261 -7.561 1.739 -21.931 -7.413 1.887 -3.127 2.673 -3.724 2.076 -4.279 1.521 -3.740 0.960 0.883 0.600 1.970 1.466 1.449 2.035 1.510 0.955 0.899 2.411
Filter basis tov TAW (m) -28.261 -8.561 1.439 -22.931 -8.413 1.587 -4.127 2.373 -4.724 1.776 -5.279 1.221 -4.740 -0.040 -0.117 -0.400 1.670 1.166 1.149 1.035 0.510 -0.045 -0.101 2.111
*Voor deze peilbuizen werd de grondwaterkwaliteit onderzocht
2.2.2 Opvolgen van de waterkwaliteit ·
Doel van de waterkwaliteitbepaling
1. Bepalen van de oppervlaktewaterkwaliteit 2. Bepalen van de grondwaterkwaliteit en de grondwatertypering ·
Bemonsteringsmethode
Oppervlaktewaterkwaliteit De oppervlaktewaterkwaliteit wordt opgevolgd op 8 locaties langsheen sloten binnen de opstuwingszone (zie kaart 1). Watermonsters worden genomen op een diepte van 25-30 cm indien het water voldoende diep is. De stalen werden rechtstreeks met de monster recipiënten genomen. Er worden 2 keer per jaar stalen genomen, 1 keer in het voorjaar, 1 keer in het najaar. De oppervlaktewaterstalen werden genomen op: T0: 26/10/2006; 7 en 8/6/2007 en 5/10/2007; T2: 4/6/2008 en 23 en25/9/2008; T5: 2/6/2010 en 27/9/2010; T10: 1/7/2015 en 20/10/2015.
Uitkerkse polder Monitoring - Resultaten
6
Grondwatertypering De grondwaterkwaliteit wordt opgevolgd in 5 peilbuizen: nrs. UKPP026A (SB19F2-PB19), UKPP027A (SB20-PB20), UKPP029A (SB22-PB22), UKPP035A (SB28-PB28), UKPP038A (SB31-PB31). Peilbuizen worden uitgepompt daags voor de bemonstering, de waterstalen worden gefilterd en gefixeerd. Er worden 2 keer per jaar stalen genomen, 1 keer in het voorjaar, 1 keer in het najaar. De grondwaterstalen werden genomen op: T0: 27/10 en 13/11/2006; 7 en 8/6/2007 en 5/10/2007; T2: 6/6/2008 en 25/9/2008; T10: 14/7/2015 en 22/10/2015. ¡
Analysemethoden
De Laboratoria die de analysen hebben uitgevoerd voor zowel oppervlakte- als grondwater: 2006: Envirotox 2007: Labo Van Vooren 2008: Envirotox 2010 en 2015: Bodemkundige Dienst van BelgiĂŤ De geanalyseerde parameters zijn: Oppervlaktewaterkwaliteit Terrein: pH, EC Laboratorium: pH, EC, BOD, COD, zwevende stoffen, NO2-, NO3-, NH4+, ortho-fosfaat Grondwatertypering Terrein: pH, EC en in T10 najaar bicarbonaat Laboratorium: pH, EC, Ca2+, K+, Mg2+, Mn2+, Na+, Fe2+, Fe3+, NH4+, NO2-, NO3-, TAM, TAP, OH-, carbonaat, bicarbonaat, ortho-fosfaat, sulfaat, chloride (fluoride)
Uitkerkse polder Monitoring - Resultaten
7
3 RESULTATEN 3.1 BODEM De profielbeschrijvingen die de uitgangssituatie en de T3 beschrijven, zijn voorgesteld in: · Deconinck, M., Degezelle, T. & Lambrechts, J., 2008. Uitvoering monitoring van het natuurinrichtingsproject Uitkerkse polders jaar +2 (2007). Arcadis Belgium i.o.v. VLM en ANB. · Heylen, O. & Goemaere, K., 2012. Monitoring van het natuurinrichtingsproject Uitkerkse Polder, jaar +6. Eindrapport. Anteagroep. Studie i.o.v. VLM en ANB. De profielbeschrijvingen worden ter vervollediging opgenomen in bijlage §6.1.
3.1.1 Fiches met de bodemkundige gegevens 3.1.1.1
Permanent kwadrant: UPO1
Algemene informatie over het terreinwerk Bodembeschrijving: 31/8/2006 Bemonstering: 31/8/2006, 24/3/2011 en 2/9/2015, mengmonster van 10 steken met potje Duur terreinwerk 31/8/2006: 2 uur, weersomstandigheden grijs met lichte regen Kartering VLM: OU1 e (uitgeveende gronden, licht profiel)(Oudlandpolder) Microreliëf: depressie, wegens afgraving; T-1 situatie (bodem) is opgenomen op het niet afgegraven deel op zo’n 7m van de peilbuis in het NO deel van het perceel Hydrologie: GWT -23 cm onder het maaiveld Humusprofiel (beschrijving zie Ampe in Deconinck et al, 2008) (bijlage §6.1) hydromull of hydromullmoder Profielopbouw (beschrijving zie Ampe in Deconinck et al, 2008) (bijlage §6.1) horizont
textuur
M/A 2C1 mengstaal 2C2.g 2C3.r
diepte (cm MV) 0-9/14 9/14-20/23 0-10 20/23-88 88-110
2C4.r
110-120
klei
zand %
leem %
klei %
OC %
zandleem lemig zand 24 klei klei
66
10
wortels * zv v
roest %
zv v tot mv
(10) 35 → 10
10-20
kalk ++ ++
4,7
10 → 20
-/+ vanaf 33 cm ++
* : zeer veel, v : veel, mv : matig veel
Uitkerkse polder Monitoring - Resultaten
8
UPO 1 0 20 40 60 80 100 120 140
M /A
C
2 C .g
2 C .r
Analyseresultaten T0 (BDB), 0-10 cm pH water: 7,0 pH KCl: 6,7 EC: 0,348 mS/cm (25°C) OC (W&BL, BDB): 4,7 %, OM: 8,1% N: 0,433% (DS) P totaal: 741 mg/kg DS CEC: 29,7 meq/100g, baseverzadiging >100% Textuurklasse: zandleem (10% klei, 66% leem, 24% zand) (textuurdriehoeksgrafiek voor de polderlegende) Analyseresultaten T5 (BDB), 0-10 cm pH water: 7,7 pH KCl: 7,1 OC (W&BL, BDB): 3,9 %, OM: 6,7% N: 0,473% (DS) P totaal: 1045 mg/kg DS, P AL: 78 mg/kg DS, P Olsen: 44 mg/kg DS Textuurklasse: lichte klei (25% klei, 38% leem, 37% zand) (textuurdriehoeksgrafiek voor de polderlegende) Analyseresultaten T10 (BDB), 0-10 cm pH water: 7,8 pH KCl: 7,6 EC: 2,050 mS/cm OC (W&BL, BDB): 3,9 %, OM: 6,7% N: 0,45% (DS) P totaal: 880 mg/kg DS, P AL: 80 mg/kg DS, P Olsen: 33 mg/kg DS PVZ: 16,6%, P ox: 10,8 mmol/kg, Al ox: 14,9 mmol/kg, Fe ox: 115 mmol/kg
Uitkerkse polder Monitoring - Resultaten
9
Evaluatie Het bovenste deel van het profiel heeft een lichtere textuur (zandleem tot lemig zand), de diepere horizonten bestaan uit klei. Het profiel is matig slecht gedraineerd, de roestverschijnselen komen voor vanaf 10 cm, de permanente reductie vanaf 88 cm. Bij de inrichting is het perceel met UPO1 15 cm afgegraven, het ligt net naast een uitgegraven laantje. In 2011 werd een staal genomen om tussentijds de bodemcondities te kunnen evalueren. Na de afgraving zou door de maaiveldverlaging het perceel iets natter moeten geworden zijn (+ eventueel het effect van de opstuwing?). De textuur tussen 0-10 cm na de afgraving is iets zwaarder (lichte klei) zoals beschreven in de profielbeschrijving. In T0 hebben de A-horizonten (0-10 cm) een neutrale pH, de baseverzadiging bedraagt meer dan 100%. De OC-gehalte is zeer humeus (De Bakker & Schelling, 1989) en ligt binnen de streefzone voor weiland (Boon et al., 2009), de N-gehaltes zijn matig, de P totaal-gehaltes matig hoog. In T5 is de pH van de bodem basisch, de bodem reageert met HCl en is dus kalkhoudend. Het OC gehalte van de oppervlaktehorizont is matig humeus en ligt binnen de streefzone voor weiland (Boon et al., 2009). Het N-gehalte is matig, het P totaal is hoog; het opneembaar P AL is laag voor landbouwbodems (weiland) (BDB, Boon et al., 2009), P Olsen is matig hoog. In T10 is de pH van de bodem basisch. Het OC gehalte van de oppervlaktehorizont is matig humeus en ligt binnen de streefzone voor weiland (Boon et al., 2009). Het N-gehalte is matig, het P totaal is matig hoog; het opneembaar P AL is laag voor landbouwbodems (weiland) (BDB, Boon et al., 2009), P Olsen is matig hoog. De fosfaatverzadigingsgraad bedraagt 17%, het risico op uitspoeling naar het grondwater is beperkt. Vergelijking 2006 – 2011 – 2015: UPO1 bevindt zich op een ruggetje tussen 2 lanen. De bodem is er 15 cm afgegraven. Het grootste deel van de A-horizont is hierdoor verwijderd. Ondertussen heeft zich een nieuwe dunne A-horizont ontwikkeld. De pH is toegenomen omdat een nieuwe A-horizont zich opnieuw vormt in de kalkrijke klei. Door het verwijderen van de A-horizont is het OC-gehalte in 2011 minder dan in 2006. In 2015 is het OC-gehalte stabiel gebleven. Het N-gehalte vertoont weinig variatie tussen de 3 opnamejaren. De totale P is tussen 2006 en 2011 iets toegenomen, tussen 2011 en 2015 terug afgenomen. Bij de afgraving van 15 cm is het mogelijk dat het P-gehalte onder de oorspronkelijke 15 cm die afgegraven is iets meer fosfor bevatte. Tussen 2011 en 2015 kan het fosforgehalte iets afgenomen zijn, enerzijds door beheer anderzijds door uitspoeling omdat het perceel natter geworden is. Beschikbaar P (zowel P AL en P Olsen) hebben in 2011 en 2015 gelijkaardige waarden, P Olsen is iets afgenomen t.o.v. 2011. 3.1.1.2
Permanent kwadrant: UPV1
Algemene informatie over het terreinwerk Bodembeschrijving: 31/8/2006 Bodembemonstering: 31/8/2006, 3 mengstalen tussen 0-10 cm: 1) bevat onderaan meer klei, 2) is bruiner met slakjes, 3) is volledig organisch Duur terreinwerk: 2 uur (regenweer) Kartering VLM: OU2 + drainageklassen Oppervlaktekenmerken: mest van koeien Hydrologie: maaiveld bevindt zich 10cm onder water Humusprofiel (bijlage § 6.1) Eerdmoder Profielopbouw (bijlage § 6.1)
Uitkerkse polder Monitoring - Resultaten
10
horizont O mengstaal B C C2.g C3.g C4.r
diepte (cm MV) 0-7/15 0-10 7/15-12/15 12/15-23 23-30 30-60 60-100
textuur
zand %
leem %
klei %
OC %
19
61
21
11.8
klei
wortels
roest %
reductie
kalk
zv
klei klei klei klei klei
zv v v
-/+ 20 50 10 +
U PV1 0 20 40 60 80 100 120 140
O
Uitkerkse polder Monitoring - Resultaten
B
C
C .g
C .r
11
Analyseresultaten T0 (BDB), 0-10 cm pH water: 6,7 pH KCl: 6,4 EC: 0,471 mS/cm (25°C) OC: 11,8 % N: 1,24 % DS P totaal: 1089 mg/kg DS CEC: 68,7 meq/100g, baseverzadiging > 100% Textuurklasse: lemige klei (21% klei, 61% leem, 19% zand) (textuurdriehoeksgrafiek voor de polderlegende) Evaluatie De bodem bestaat voornamelijk uit klei, de bovenste 10cm uit lemige klei. De oppervlaktehorizont is venig. De bodem vertoont een vrij nat profiel met duidelijke roest vanaf 12/15 cm vanaf het maaiveld, reductie vanaf 60 cm vanaf maaiveld. In de bovenste 10 cm is de pH zwak zuur, baseverzadiging bedraagt meer dan 100%.
Uitkerkse polder Monitoring - Resultaten
12