Skip to main content

RSO-RSO-ADV-2021-005web.pdf

Page 1

Raad Secundair Onderwijs 21 januari 2021 RSO-RSO-ADV-2021-005

Programmatie van duaal leren in het buitengewoon secundair onderwijs - schooljaar 20212022 Advies over de programmatie-aanvragen voor duale opleidingen in opleidingsvorm 3 van het BuSO

Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be


Advies op vraag van Ben Weyts, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand op 11/12/2020 Uitgebracht door de Raad Secundair Onderwijs op 21 januari 2021 met eenparigheid van stemmen Voorbereiding: Technische werkgroep Oprichtingsdossiers buitengewoon secundair onderwijs op 15 december 2020 en 5 januari 2021 Dossierbeheerder: Eric d’Hooghe en Marleen Colpin

Vlaamse Onderwijsraad – Koning Albert II-laan 37 – BE-1030 Brussel – info@vlor.be – www.vlor.be


1 Situering De Vlor ontving op 11 december 2020 van AGODI een adviesvraag over de programmatieaanvragen voor het duaal buitengewoon secundair onderwijs vanaf het schooljaar 2021-2022. Het betreft 79 programmatieaanvragen. Al die aanvragen hebben de ontvankelijkheidstoets door het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AGODI) doorstaan. De programmatieaanvragen werden bij AGODI ingediend, uiterlijk op 30 november 2020. Een programmatie moet goedgekeurd worden door de Vlaamse Regering na advies van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor), de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV), de onderwijsinspectie en AGODI. Deze adviezen moeten toelaten de onderwijskundige, arbeidsmarktgerichte én juridische aspecten van het programmatiedossier nader in kaart te brengen. De programmatieaanvragen moeten gemotiveerd worden en bij de beoordeling wordt rekening gehouden met deze criteria: 1 de eventuele beperkingen of voorwaarden (zoals frequentie, geografische inplanting, …) die vanuit macrodoelmatigheid aan het aanbod van het structuuronderdeel zijn gekoppeld; 2 de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften voor het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt; 3 de keuzevrijheid van ouders en leerlingen; 4 de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de aanbieder duaal leren of binnen de scholengemeenschap; 5 de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van het geprogrammeerde structuuronderdeel; 6 de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld; 7 de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters, binnen en buiten de scholengemeenschap in kwestie, zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod; 8 de afstemming binnen het overlegforum duaal leren waaronder de school of het centrum, als aanbieder, ressorteert.

2 Beschrijving van de programmatieaanvragen De raad bekijkt eerst een aantal trends binnen de aanvragen voor de programmatie van duale opleidingen in het buso. De basis voor deze analyse is de overzichtstabel die werd aangeleverd door AGODI en de ingediende dossiers van de aanvragers.

1


2.1 Aantal aanvragen en het programmatiebeleid van de scholen In totaal werden er 79 dossiers voor advies voorgelegd, waarvan 22 heraanvragen. Vier heraanvragen komen er na een ongunstige beoordeling van de Vlaamse Regering. Er zijn 23 scholen die een programmatiedossier hebben ingediend, waarvan 14 die voor het eerst minstens een duaal structuuronderdeel aanvragen voor het schooljaar 2021-2022. Aantal aangevraagde programmatiedossiers 1 2 3

Aantal scholen (n=23) 3 8 3

4 5 6

1 1 7

Er zijn verschillen in het aantal duale structuuronderdelen dat scholen aanvragen. De meeste scholen vragen een tot drie opleidingen aan. Toch zijn er ook zeven scholen die zes opleidingen aanvragen. Bij de scholen die meerdere aanvragen indienden, gaat het meestal om aanvragen voor zowel de integratiefase als de kwalificatiefase van een opleiding. Die opleidingen hebben uiteraard een sterk gelijkend profiel. Toch worden ze als twee verschillende opleidingen beschouwd, wat de analyse enigszins vertekent. Er zijn zowel argumenten voor een langzame opstart als om meteen een groter aanbod te programmeren: ¬ Vanuit schoolorganisatorisch oogpunt is het gemakkelijker om personeel specifiek in te zetten voor duaal leren (bijvoorbeeld voor trajectbegeleiding) als er een minimumgrens wordt bereikt van het aantal leerlingen in duale trajecten. ¬ Scholen geven aan dat het in de opstartfase gemakkelijker is om telkens een beperkt aantal kwaliteitsvolle leerwerkplekken te vinden voor meerdere opleidingen, dan veel kwaliteitsvolle leerwerkplekken voor één opleiding.

2


2.2 Studieaanbod De 79 aanvragen, ingediend door 23 scholen, zijn als volgt verdeeld over de verschillende duale studierichtingen:

Assistent plantaardige productie Keukenmedewerker Machinaal houtbewerker Magazijnmedewerker Medewerker (banket)bakkerij Medewerker fastfood Medewerker groen – en tuinbeheer Medewerker hout Schilder Voorbewerker carrosserie Totalen

Kwalificatiefase OV3 3 8,6%

Integratiefase OV3 1 2,3%

4

5,1%

23

29,1%

10

12,6%

Totaal

12

34,3%

11

5

14,3%

5

25,0% 11,3%

2

5,7%

2

4,5%

4

5,1%

5

6,3%

3

8,6%

2

4,5%

3

8,6%

8

18,2%

11

13,9%

0

0%

6

13,6%

6

7,6%

4

11,4%

4

9,1%

8

10,1%

6

7,6%

2

2,5%

2

5,7%

4

9,1%

1

2,8%

1

2,3%

35

100%

44

100%

79

100%

3 Aanpak van de advisering Naar analogie met de beoordeling van de aanvragen voor duaal leren in het gewoon secundair onderwijs, kiest de Vlor voor het buso voor een gelijkaardige aanpak: ¬ Als de raad na bespreking van het dossier oordeelt dat een aanvraag in voldoende mate beantwoordt aan de beoordelingscriteria, dan krijgt die aanvraag een gunstig advies. Gunstige adviezen worden niet verder gemotiveerd. ¬ Als de raad na bespreking van het dossier oordeelt dat een aanvraag in onvoldoende mate beantwoordt aan de beoordelingscriteria, dan krijgt die aanvraag een ongunstig advies. Ongunstige adviezen worden kort gemotiveerd in dit advies. ¬ In de tabel in bijlage zijn alle adviezen over de individuele dossiers toegevoegd. Om de dossiers op een transparante manier te beoordelen, is er gekozen om ze te beoordelen in clusters. Die worden toegelicht in de volgende paragraaf.

4 Beoordeling van de dossiers 4.1 Algemene opmerkingen De Vlor is tevreden dat er in het buso gewerkt wordt aan de opstart of verdere uitbreiding van duaal leren.1 De raad is al langer vragende partij om bijkomende leerkansen te creëren voor jongeren in het buitengewoon secundair onderwijs. In zijn advies over de modernisering van het secundair onderwijs vroeg hij om een globale visie te ontwikkelen over de plaats van het buitengewoon

1

Vlaamse Onderwijsraad, Raad Secundair Onderwijs. Advies voor het voorontwerp van decreet betreffende het duaal leren in het buitengewoon onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, 14 juni 2018.

3


secundair onderwijs in een vernieuwd aanbod en een nieuwe organisatie van het secundair onderwijs.2 We herhalen het belang dat er moet worden ingegaan op de mogelijkheden die er geboden worden voor de leerlingen met nood aan extra begeleiding om in te stappen in een duale opleiding.3 Voor het buso is een flexibele overgang tussen een duale en een niet-duale opleiding noodzakelijk, dit op grond van de handelingsplanning. Ten slotte uiten we nog eens onze bezorgdheid naar de organisatie van redelijke aanpassingen voor deze leerlingen op de werkvloer. De Vlor pleit hier ook voor in zijn advies ‘Een pleidooi voor strategische beleidsplanning om inclusief onderwijs te kunnen realiseren’.4

4.2 Criteria uit de regelgeving 4.2.1

Macrodoelmatigheid (criterium 1) en de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften voor het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt (criterium 2)

De Vlor gaat ervan uit dat het aantal inschrijvingen ook voor de nieuwe programmaties initieel relatief beperkt zal zijn en dat er voor een aantal opleidingen waarschijnlijk geen inschrijvingen zullen zijn. De relatieve onbekendheid van duaal leren bij leerlingen, ouders en bedrijven en het feit dat de scholen zelf nog zoekend zijn om duaal leren een plaats te geven in het aanbod zijn hiervoor logische verklaringen. Bij de beoordeling van deze twee criteria werd er ook rekening gehouden met het feit of de opleiding leidt naar een knelpuntberoep. Tot slot vindt de Vlor het belangrijk dat scholen bij de opstart van duaal leren de kans krijgen om het stapsgewijs uit te bouwen zowel qua expertise als qua netwerkwerk van leerwerkplekken. 4.2.2

Keuzevrijheid (criterium 3)

De Vlor respecteert het principe van de keuzevrijheid van ouders en leerlingen tussen vrij en officieel onderwijs. 4.2.3

Materiële infrastructuur, samenwerking met lokale arbeidsmarktactoren en bedrijfswereld (criterium 5 en 6)

De Vlor adviseert alle programmatieaanvragen positief voor duale structuuronderdelen die behoren tot een studiegebied dat de school al aanbiedt vanuit de idee dat de materiële infrastructuur, inhoudelijke expertise en netwerken van bedrijven aanwezig zijn voor de programmatie van een duaal traject.

Vlaamse Onderwijsraad, Raad Secundair Onderwijs. Advies over de modernisering van het studieaanbod in het secundair onderwijs, 21 februari 2017; Vlaamse Onderwijsraad, Raad Secundair Onderwijs. De modernisering van de structuur en de organisatie van het secundair onderwijs, 3 oktober 2017. 3 Vlaamse Onderwijsraad, Raad Secundair Onderwijs. Advies over de tijdelijke projecten duaal leren: 'Schoolbank op de werkplek': bepalingen secundair onderwijs, 18 februari 2016. 4 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Een pleidooi voor strategische beleidsplanning om inclusief onderwijs te kunnen realiseren, 23 januari 2020. 2

4


Vanuit eenzelfde logica adviseert de Vlor ook de programmatiedossiers positief van scholen die: ¬ in het schooljaar 2020-2021 een duaal traject wilden opstarten, maar op 1 oktober 2020 geen inschrijvingen hadden. In totaal gaat dit om 25 dossiers (41,7%); ¬ in het schooljaar 2021-2022 een duaal traject willen opstarten met een studierichting die leidt naar een (regionaal) knelpuntberoep (Medewerker slagerij en Medewerker (banket-) bakkerij, Medewerker fastfood en Medewerker groen- en tuinbeheer). De samenwerking met de lokale arbeidsmarktactoren en bedrijfswereld is uiteraard cruciaal om duale trajecten vorm te geven. De Vlor heeft wel een aantal vragen bij de beoordeling van dit criterium: ¬ Moeten er al effectieve leerwerkplekken zijn op het moment van aanvraag van de programmatie? Aangezien de Vlor verwacht dat het om een relatief beperkt aantal leerlingen gaat, is dit geen noodzaak. De scholen hebben meestal een eigen netwerk en moest dat niet volstaan, kan er een beroep worden gedaan op ondersteuning. (zie ook 4.2.1) ¬ De sectoren zijn verschillend omgegaan met vragen van scholen om hun programmatiedossier te steunen. Sommige sectoren hebben alle scholen gesteund die deze vraag stelden, andere sectoren hebben dit voor geen enkele school gedaan. 4.2.4

Afspraken met andere lokale onderwijsverstrekkers (criterium 7)

De Vlor richt zich voor de beoordeling van dit criterium op het akkoord van de scholengemeenschap dat bij het aanvraagdossier gevoegd moet zijn. 4.2.5

Afstemming binnen overlegforum (criterium 8)

De opdracht van de overlegfora heeft betrekking op een brede context van onderwerpen over de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt maar met een expliciete focus op duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen (art. 55 van het decreet duaal leren – art. 357/35 van de codex SO). Het organiseert structureel overleg rond en signaleert problemen bij: 1 de afstemming van het opleidingsaanbod op de mogelijkheden binnen de lokale arbeidsmarkt en tussen de verschillende aanbieders duaal leren; 2 het opzetten van al dan niet tijdelijke samenwerkingsverbanden tussen de verschillende betrokken partijen binnen duaal leren, met het oog op een versterking van de link tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt voor de leerling; 3 sensibilisering en mobilisering van de lokale arbeidsmarkt; 4 de bevordering van de vlotte overgang van leerlingen van onderwijs naar de arbeidsmarkt; 5 de analyse van de lokale arbeidsmarkt in functie van het huidige en toekomstige opleidingsaanbod, gebruik makende van de beschikbare gegevens. De Vlor stelt vast dat de verschillende overlegfora op verscheidene manieren omgaan met de programmatieaanvragen. In sommige overlegfora worden de programmatieaanvragen enkel ter info voorgelegd, in andere overlegfora geeft men advies over de aanvragen. De Vlor vreest dat er op die manier mogelijk een niet-decretaal vastgelegd extra adviesorgaan in het leven wordt geroepen. Daarnaast wijst de Vlor erop dat dit extra criterium een verhoging van de planlast met zich meebrengt.

5


4.3 Bijkomende criteria voor programmatie van een duale opleiding in opleidingsvorm 3 4.3.1

Gaat het om een heraanvraag? •

•

4.3.2

Als een aanvraag al goedgekeurd werd door de Vlaamse Regering, maar niet ingericht omdat in het daaropvolgende schooljaar geen leerlingen werden ingeschreven, adviseert de Vlor gunstig. Het gaat in dit geval om 18 heraanvragen. Indien een aanvraag in een vorige ronde afgekeurd werd door de Vlaamse Regering, heeft de Vlor onderzocht in welke mate de motivering van dat oordeel opgevolgd werd in de heraanvraag. Hier gaat het om vier heraanvragen waarbij de Vlaamse regering volgende motivering meegeeft: In het dossier ontbreekt de voorlegging of afstemming van de programmatieaanvragen op het provinciaal of regionaal overlegplatform dat van toepassing is voor het werkingsgebied waarbinnen de aanbieder zich bevindt. De school documenteert in het dossier evenmin de inspanningen die het leverde om zich met dit criterium in orde te stellen. Voor de vier aanvragen werd dat in orde gebracht. De mogelijkheid op tewerkstelling voor de specifieke leerlingenpopulatie

Zijn er voldoende tewerkstellingsmogelijkheden in de regio van de onderwijsinstelling waar de leerlingen terecht kunnen? 4.3.3

Aansluitende structuuronderdelen

Als de programmatieaanvragen (aansluitende) structuuronderdelen betreffen die aansluiten op een domein dat al aanwezig is op de school, adviseert de Vlor die aanvragen gunstig. 4.3.4

De relatie tussen de kwalificatiefase en de integratiefase

Als een onderwijsinstelling een opleiding niet aanbiedt in de kwalificatiefase, mag ze die ook niet aanbieden in de integratiefase. Dat is een voorwaarde om de aanvraag ontvankelijk te verklaren en dus een opdracht voor AGODI.

5 Beleidsvoorstellen 5.1 Gedoogjaar Indien een school na een gunstige beoordeling van de Vlaamse Regering van een programmatieaanvraag het daaropvolgende schooljaar geen leerlingen inschrijft voor dat structuuronderdeel, moet ze een nieuwe aanvraag indienen indien ze het structuuronderdeel opnieuw wenst in te richten. Vanaf er één leerling werd ingeschreven, wordt dat beschouwd als een gedoogjaar en dient er het daaropvolgende schooljaar geen nieuwe aanvraag ingediend worden. De Vlor is van mening dat scholen die het eerste schooljaar geen leerlingen inschreven, ook dat schooljaar als een gedoogjaar moeten kunnen beschouwen. Op die manier hoeven ze geen heraanvraag in te dienen het daaropvolgende schooljaar. Dat zou ook een administratieve vereenvoudiging betekenen.

6


5.2 Advisering Opleidingsvorm 4 Vanaf dit schooljaar wordt er aan de Vlor geen advies gevraagd voor de programmatieaanvragen voor structuuronderdelen in opleidingsvorm 4, zowel voor duaal als voor niet-duaal buitengewoon secundair onderwijs. De reden is de flexibiliteit die wordt geboden aan de scholen om een aanvraag te doen, uiterlijk twee maanden vooraleer de school het structuuronderdeel wil inrichten. Daarbij zal de Vlaamse Regering uiterlijk binnen de termijn van twee maanden na het indienen een beslissing moeten nemen. De regelgeving werd daarvoor als volgt aangepast: “Een programmatie waarover de Vlaamse Regering beslist, wordt bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap aangevraagd uiterlijk twee maanden, schoolvakanties niet meegerekend, vóór de oprichting van het structuuronderdeel in kwestie. Na advies van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap en de onderwijsinspectie beslist de Vlaamse Regering binnen een termijn van twee maanden na indiening van de aanvraag. De gestelde termijnen zijn vervaltermijnen: een laattijdige aanvraag is onontvankelijk, een laattijdige beslissing is van rechtswege gunstig. Zowel de motivering van de aanvraag als de beslissing houden rekening met de cumulatieve criteria, vermeld in artikel 178 voor niet-duale structuuronderdelen en in artikel 357/63 voor duale structuuronderdelen.” (Art. 357/63 van het BVR van 19 juli 2002, gewijzigd op 18 september 2020) De Vlor stelt zich vragen bij deze afwijkende procedure ten opzichte van de andere programmatieaanvragen. Hij kan immers via een snelprocedure ad hoc advies verlenen voor deze aanvragen. Indien de reden van deze aanpassing de flexibiliteit is, vraagt de Vlor zich af of er dan wel een procedure nodig is. De raad stelt in dat geval voor om ofwel de procedure af te schaffen ofwel minstens te vervangen door een vereenvoudigde procedure die minder administratieve inspanningen vraagt van de scholen.

Hierna volgt het concrete advies met vermelding van de dossiers. Dat wordt niet gepubliceerd op de website van de Vlor.

7


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
RSO-RSO-ADV-2021-005web.pdf by Vlaanderen-be - Issuu