Ruilverkavelingsproject Reninge
Uitvoering monitoringprogramma herpetofauna, jaar +2 (2009)
Vlaamse Landmaatschappij
Grontmij Vlaanderen Gent, oktober 2009
Colofon Deze inventarisatie werd opgesteld door: Grontmij-Econnection Meersstraat 138A 9000 Gent 09/241.59.20 e-mail: paul.durinck@grontmij.be
in samenwerking met
in opdracht van :
Vlaamse Landmaatschappij Gulden-Vlieslaan 72 1060 BRUSSEL
VLM West-Vlaanderen Velodroomstraat 28 8200 BRUGGE
Projectleider:
Paul Durinck
Projectverantwoordelijke:
Catherine Vanden Bussche
Auteur(s): Inventarisatie: Verwerking data: GIS: Relationele databank:
Dominique Verbelen, Paul Durinck Dominique Verbelen Dominique Verbelen Bert Meskens Bert Meskens
Illustraties: Fotografie: Foto voorkaft: Kaarten:
Grontmij-Econnection Natuurpunt, Grontmij-Econnection poel R6 Brabanthoek Grontmij-Econnection
Publicatiedatum: oktober 2009 Oplage: 11 exemplaren Deze publicatie is eveneens digitaal beschikbaar als Word-bestand en pdf-file.
Inhoud Colofon.................................................................................................................................................... 2 Inhoud...................................................................................................................................................... 3 1. Inleiding .............................................................................................................................................. 5 2. Methode............................................................................................................................................... 7 2.1 Methodiek inventarisatie............................................................................................................... 7 2.1.1 Fuikenvangst adulten ............................................................................................................. 7 2.1.2 Schepnetvangst larven....................................................................................................... 8 2.1.3 Auditieve waarneming ...................................................................................................... 9 2.1.4 Waarnemingsformulier.................................................................................................... 10 2.1.5 Veldwerk ............................................................................................................................. 14 2.1.5.1 Periode.......................................................................................................................... 14 3. Resultaten .......................................................................................................................................... 16 3.1 Selectie van de bemonsterde poellocaties ................................................................................... 16 3.2 Beschrijving van poellocaties ..................................................................................................... 16 3.3 Waargenomen amfibieĂŤn ............................................................................................................ 30 4. Literatuur........................................................................................................................................... 33 5. Bijlagen ............................................................................................................................................. 34 5.1. Tussentijdse verslagen ............................................................................................................... 34 5.1.1 Tussentijds verslag eerste inventarisatieronde 06 - 08 april 2009 ....................................... 34 5.1.2 Tussentijds verslag tweede inventarisatieronde 25 - 27 mei 2009 ...................................... 36 5.1.3 Tussentijds verslag derde inventarisatieronde 22 - 23 en 31 juli 2009................................ 38 5.2 Datastructuur digitale bestanden ................................................................................................. 41 5.3 Situeringskaart ............................................................................................................................ 42
3
4
1. Inleiding Conform de ministeriële richtlijn van 14 maart 2000 betreffende de implementatie van de methodiek voor het optimaliseren en meetbaar maken van de ecologische inbreng in de ruilverkaveling, in toepassing van de studie van het toenmalig Instituut voor Natuurbehoud (nu: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek) en van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, werd een gericht monitoringprogramma opgemaakt. Dit monitoringprogramma werd goedgekeurd door de bevoegde minister op 22 februari 2002. Het monitoringprogramma heeft als doel de effectiviteit na te gaan van de maatregelen die in de ruilverkaveling worden uitgevoerd voor het behoud of een verhoging van de actuele en potentiële natuurwaarden. Het beoogt een afwegingskader te creëren waaraan kan worden getoetst of de vooropgestelde natuurdoelstellingen bij een ruilverkaveling ook effectief worden gehaald. Aan de hand hiervan kan worden onderzocht of een bijstelling van het gevoerde beheer zich opdringt. Ook voor de ruilverkaveling Reninge, gelegen op de grens van de West-Vlaamse Polders en Zandlemig Vlaanderen (op grondgebied West-Vleteren, Reninge en Noordschote) werd in het voorjaar 2002 een monitoringprogramma opgestart. Deze ruilverkaveling werd nuttig verklaard op 09 juni 1999 en verscheen in het Belgisch Staatsblad op 20 november 1999. De monitoring voor dit specifieke ruilverkavelingsproject bestaat o.a. uit een herhaaldelijk en gestandaardiseerd opvolgen van een aantal biotische parameters (flora, herpetofauna en een aantal ecologische broedvogelgroepen). De natuurdoelstellingen in dit project zijn vooral gericht op de ontwikkeling van halfnatuurlijke vochtige graslanden. Met betrekking tot het luik herpetofauna wordt hoofdzakelijk gestreefd naar de ontwikkeling en de verbetering van het leef- en voortplantingsgebied van de Kamsalamander. Het behoud van bestaande en aanleg van nieuwe amfibieënpoelen is hierbij van cruciaal belang.
Figuur 1:situering van het projectgebied binnen een ruimere omgeving
5
Het voorliggend rapport geeft de resultaten weer van een geselecteerd aantal poelen die op gestandaardiseerde wijze werden bemonsterd. Voor een situering van het projectgebied in een ruime context verwijzen we naar figuur 1. In 2002 werd een eerste monitoringronde uitgevoerd in zes poelen (jaar -1). In 2009 werden deze poelen terug bemonsterd en werden zeven nieuw aangelegde poelen extra bemonsterd (jaar +2).
6
2. Methode 2.1 Methodiek inventarisatie Elke inventarisatieronde wordt uitgevoerd volgens een vooraf bepaalde methodiek. Er bestaan immers meerdere technieken om amfibieën te inventariseren: ● rechtstreekse zichtwaarneming van adulten: ’s avonds, ’s nachts of overdag ● rechtstreekse zichtwaarneming van legsels: overdag ● rechtstreekse auditieve waarnemingen: ’s avonds, ’s nachts of overdag ● vangst met fuik: ‘s nachts ● vangst met schepnet: overdag
schepnetvangst larven
schepnetvangst adulten
fuikvangst larven
fuikvangst adulten
zichtwaarneming adulten
zichtwaarneming eitjes
auditieve waarneming
Voor een uitvoerige beschrijving van elk van deze technieken, verwijzen we naar de handleiding voor de monitoring van reptielen en amfibieën (Groeneveld, 1997). De gekozen methodes zijn in sterke mate afhankelijk van de soort die men wenst te inventariseren. In figuur 2 wordt voor elke soort die potentieel in het studiegebied zou kunnen voorkomen, weergegeven welke inventarisatiemethodes tijdens dit onderzoek werden weerhouden. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de voorkeursmethode (die de meest betrouwbare informatie geeft over de aanwezigheid van een soort) en aanvullende methodes. Vaak levert de combinatie van meerdere methodes het beste resultaat op.
INVENTARISATIEMETHODE Alpenwatersalamander Kamsalamander Vinpootsalamander Kleine watersalamander Gewone pad Bruine kikker Bastaardkikker Figuur 2: gebruikte inventarisatiemethodes met onderscheid tussen de meest efficiënte methode (zwart) en aanvullende methodes (grijs). In onderstaande alinea’s worden de meest efficiënt geachte methodes meer in detail toegelicht.
2.1.1 Fuikenvangst adulten Deze methode is optimaal geschikt om de aanwezigheid van adulte exemplaren van watersalamandersoorten in de waterbiotoop vast te stellen en wordt uitgevoerd met behulp van speciaal ontworpen amfibieënfuiken. In elke poel, ongeacht de oppervlakte, wordt één fuik geplaatst in de loop van de namiddag of de avond. De fuikmond moet steeds naar het zuiden gericht staan omdat de kans op aanwezigheid van herpetofauna in de warmste (zuidgerichte en dus meest zonbeschenen) delen van een poel het grootst is. Indien er langsheen deze oever door amfibieën geprefereerde vegetatie aanwezig is (bv. Mannagras of Liesgras), wordt de fuik tussen deze waterplanten geplaatst.
7
Figuur 3: tijdens de eerste en tweede inventarisatieronde werden de poelen bemonsterd met amfibieënfuiken (foto: Robert Jooris). Een deel van de fuik steekt altijd boven water uit zodat gevangen amfibieën zich permanent van zuurstof kunnen voorzien De fuiken moeten voldoende stabiel staan zodat ze niet door bv. hevige wind dieper in de poel kunnen wegzakken waardoor ze volledig onder water kunnen komen, de gevangen amfibieën niet langer zuurstof kunnen happen en sterven. Aangezien de gebruikte fuiken relatief duur zijn (± 220 euro per stuk), wordt het (inox, blinkend en dus opvallend) gedeelte van de fuik dat boven water uitsteekt, steeds bedekt met waterplanten of bladeren zodat het niet opvalt voor toevallige voorbijgangers of spelende kinderen. Het is aan te raden om geen fuiken te plaatsen in het weekend of tijdens de schoolvakanties. Wanneer deze veiligheidsvoorschriften worden gerespecteerd, is de kans op diefstal of vandalisme klein. Bij controle worden alle gevangen volwassen salamanders gedetermineerd, de geslachtsratio bepaald en worden alle exemplaren teruggeplaatst. Ook gevangen larven van Bruine kikker en Gewone pad worden geteld, genoteerd en teruggeplaatst.
2.1.2 Schepnetvangst larven Deze methode heeft als hoofddoel de aanwezigheid van larven van watersalamanders vast te stellen. Een poel wordt best op larven bemonsterd met behulp van een schepnet. De bemonstering gebeurt steeds vanaf de oever waarbij het schepnet over een afstand van ± twee meter (= lengte van de stok) vanuit het centrum van de poel naar de oever wordt toegetrokken, bij voorkeur over de bodem heen (om bladafval of ander dood plantenmateriaal in te zamelen) of doorheen de watervegetatie (omdat de meeste amfibieënlarven zich in de waterkolom tussen waterplanten ophouden). De watervegetatie wordt op de oever gedeponeerd, nauwkeurig en voorzichtig doorzocht. Alle vastgestelde larven worden, indien mogelijk, op soort gedetermineerd, geteld en onmiddellijk teruggeplaatst. Omdat salamanderlarven soms nog in het begin van het ontwikkelingsstadium verkeren en dus heel klein zijn, kan een beperkt aantal onopgemerkt blijven tussen de bovengehaalde vegetatie. Daarom wordt alle vegetatie, inclusief bladafval, na onderzoek opnieuw in de poel teruggeplaatst om te vermijden dat onopgemerkte larven tussen de bovengehaalde vegetatie op het land zouden achterblijven en sterven. Een dergelijke manier van inventariseren kan, wanneer ze niet oordeelkundig wordt uitgevoerd, een grondige verstoring van de waterbiotoop betekenen. Om de watervegetatie niet drastisch te verstoren
8
en om een representatieve staalname over de hele poel te bekomen, wordt éénmaal geschept per twee meter poelomtrek met een maximum van 30 scheppen per poel.
Figuur 4: tijdens de derde inventarisatieronde werden alle locaties op een gestandaardiseerde manier met een schepnet bemonsterd (foto: Robert Jooris). In de databank van Hyla, de reptielen- en amfibieënwerkgroep van Natuurpunt, werd voor elke waterpartij het totaal aantal bemonsteringen ingevoerd. Door dit getal te linken aan de poelomtrek bekomt men een benadering tot inspanningsstandaardisatie. In een beperkt aantal gevallen kan de staalname niet gestandaardiseerd worden uitgevoerd. Soms bemoeilijkt de dichte randvegetatie of de diepte van de poel een gestandaardiseerde bemonstering. Dergelijke beperkende omstandigheden kunnen als opmerking op de technische fiche worden genoteerd.
2.1.3 Auditieve waarneming Bastaardkikker laat zich niet gemakkelijk door één van de vorige inventarisatiemethodes in kaart brengen. Eitjes worden afgezet dicht onder het wateroppervlak, vaak tussen een dicht kluwen van Gedoornd hoornblad, Gekroesd fonteinkruid, Canadese waterpest, Aarvederkruid, kranswieren of andere onderwaterplanten. Bij afwezigheid van waterplanten zakken de legsels naar de bodem van de waterpartij. Legsels zoeken is dan een onbegonnen zaak. Volwassen Bastaardkikkers laten zich bijna nooit in fuiken vangen. Ook deze methode is dus ongeschikt. Aangezien deze soort een uitgesproken voorkeur heeft voor grote, diepe wateroppervlaktes met een sterk ontwikkelde onderwatervegetatie ligt het niet voor de hand om larven met een schepnet te vangen: larven foerageren vooral op de bodem van de waterpartij, vaak tussen dichte plantengroei. Bovendien zijn het zeer snelle zwemmers. De combinatie van bovenstaande factoren bemoeilijkt een schepnetbemonstering van larven. Ook adulten laten zich niet goed met een schepnet vangen. Enkel visuele en auditieve waarnemingen van adulten resten. Daarom werd bij elk terreinbezoek extra aandacht besteed aan auditieve waarnemingen.
9
Mannetjes van Bastaardkikker produceren zes verschillende roepen: één paringsroep, twee territoriumroepen, twee bevrijdingsroepen en één stressroep. Van alle roepen is de paringsroep de meest opvallende. Deze roep is echter slechts over een vrij korte periode van het jaar hoorbaar en de meeste roepactiviteit is waar te nemen in volle voortplantingsperiode, wanneer roepende mannetjes zich in paarkoren verzamelen. Deze periode situeert zich vooral tussen eind april en eind mei, begin juni. De roepfrequentie en de periode van roepen is dan sterk afhankelijk van het weer en vooral van de lucht- en watertemperatuur. Bastaardkikkers roepen vooral bij warm weer en wanneer de watertemperatuur tussen 17 en 22 °C schommelt. Bij temperaturen beneden 10 tot 12 °C stopt de roepactiviteit. Ook de periode van het jaar beïnvloedt de roepactiviteit. Zo is het roepgedrag in de periode kort voor de copulatie meer afhankelijk van de weersomstandigheden dan in volle paringsperiode. Bastaardkikker kan doorgaans best worden geïnventariseerd de laatste twee decades van mei, op warme avonden, tussen een uur voor en een uur na zonsondergang. Om de roepactiviteit van aanwezige exemplaren te stimuleren, kan de paringsroep worden afgespeeld. Mannetjes reageren hierop immers vrij goed. Goede opnames zijn in de handel beschikbaar (Jooris, 2002). Wanneer zonder geluidsopnames wordt geïnventariseerd, kunnen mannetjes ook door andere geluiden tot paringsroep worden aangezet. Niet zelden reageren groene kikkers immers op plotse geluiden zoals overvliegende vliegtuigen, voorbijrijdende treinen, autodeuren die worden dichtgeklapt, handgeklap. Een bijkomende manier om de aanwezigheid van groene kikkers vast te stellen, is het ‘plonzen tellen’. Bastaardkikkers zonnen vaak in de oeverzone. Wanneer ze worden verstoord, plonzen ze in het water, op zoek naar een veilige schuilplaats. Bruine kikker en Gewone pad vertonen dit gedrag niet of nauwelijks waardoor er met quasi zekerheid kan worden van uitgegaan dat plonzen steeds afkomstig zijn van groene kikkers. In het plangebied komt Meerkikker vooralsnog niet voor en kan elke plons dan ook met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden toegeschreven aan Bastaardkikker.
2.1.4 Waarnemingsformulier Voor elke bezochte poellocatie werd een technische fiche ingevuld. Hiervoor werd het standaardformulier gebruikt dat is opgemaakt in het kader van een project van het Vlaams Impulsprogramma Natuurontwikkeling (VLINA) dat tot doel had de recente veranderingen in de status van amfibieën en hun biotopen in het landelijk gebied te kwantificeren (Colazzo et al., 2002). Dit waarnemingsformulier fungeerde als leidraad voor een éénvormige en volledige inventarisatie van elke bezochte waterpartij. Het formulier werd volledig ingevuld bij het eerste poelbezoek. Alle gegevens werden ingevoerd in de centrale Hyla-databank en een selectie van deze gegevens werd weerhouden in de beschrijving van elke poel die in dit rapport wordt weergegeven. Gegevens over de ligging en de kenmerken van elke waterpartij leveren vaak cruciale informatie op over hoe een poellocatie zich verhoudt tot de omgevende landbiotoop, aan welke bedreigingen de poel onderhevig is, welke biotische en a-biotische factoren kunnen verklaren waarom een waterpartij al dan niet een geschikte voortplantingsplaats vormt voor amfibieën. Opdat alle onderzochte poelen in het studiegebied ook in de toekomst op een gestandaardiseerde wijze zouden kunnen worden gemonitord, wordt in onderstaande paragrafen bij elk van de genoteerde kenmerken enige toelichting gegeven. Ook voor nieuw te onderzoeken poelen moet deze manier van gegevensopname worden gevolgd. ● poelnummer: aan elke poel wordt een identificatienummer toegekend. Dit unieke volgnummer bestaat steeds uit zes cijfers waarbij de eerste drie verwijzen naar het kaartbladnummer van de topografische kaart, opgemaakt door het Nationaal Geografisch Instituut. De volgende drie cijfers zijn de volgcijfers van elke poel binnen het kaartblad. De totale cijfercombinatie (bv. 205.080) vormt het unieke identificatienummer waaronder elke onderzochte poel in de Hyla databank is opgenomen.
10
● gemeente, deelgemeente, plaatsnaam: voor elke poel wordt op de technische fiche aangegeven in welke gemeente en welke deelgemeente deze is gelegen. ● waarnemer: de naam van de persoon die de inventarisatie uitvoert, moet steeds op het inventarisatieformulier worden ingevuld. In de databank worden ook de volledige coördinaten van die persoon opgenomen zodat in geval van onduidelijkheid, de waarnemer kan worden gecontacteerd. In het kader van het voorliggend project werden alle poelen geïnventariseerd door Dominique Verbelen, Torrekensstraat 41, 9820 Munte, GSM 0484 119 899; e-mail: dominique.verbelen@natuurpunt.be. ● datum: voor elk bezoek wordt dag, maand en jaar opgegeven. ● aanwezigheid poel: hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen drie categorieën. Deze opsplitsing is vooral van belang wanneer gegevens ook later nog worden gebruikt in het kader van een opvolgingsstudie. 1: verdwenen: de opgegeven poellocatie is niet terug te vinden. Indien gekend, wordt genoteerd wanneer de poel is verdwenen. Indien gekend wordt ook de reden van verdwijnen (gedempt, bebouwd, verkaveling,…) genoteerd. 2: aanwezig: de poellocatie wordt teruggevonden op de plaats waar ze op het door de VLM aangeleverde kaartmateriaal werd aangeduid. Ook hier is het interessant om, indien mogelijk, het jaar van aanleg op te geven. Deze informatie is nuttig om bv. uitspraak te doen over de snelheid waarmee pas aangelegde poelen door amfibieën worden gekoloniseerd. 3: nieuw: een nieuw aangelegde poel. Ook hier weer wordt het jaar van aanleg steeds opgegeven indien deze informatie voorhanden is. Alle aanwezige of nieuwe waterpartijen worden verder omschreven aan de hand van volgende kenmerken: ● uitzicht: deze algemene beoordeling is eerder subjectief maar wordt verder toegelicht aan de hand van een meer gedetailleerde onderverdeling. 1: goed: een ‘goede’ poel, met helder water, een typische oever- en watervegetatie, geen eutrofiëring of andere zichtbare vormen van vervuiling, geen verlanding. 2: middelmatig: tussen 1 en 3. 3: slecht: een verwaarloosde poel met geëutrofieerd water (algenbloei), verregaande vorm van verlanding en/of andere zichtbare vervuiling. Bovenstaande beoordeling wordt genuanceerd onder de volgende categorie: ● poelstatus: deze categorie geeft meer detail over de mate waarin de poel negatief wordt beïnvloed en wordt dus vooral ingevuld wanneer het algemeen uitzicht als ‘middelmatig’ of ‘slecht’ wordt beoordeeld. 1: droog: de poellocatie bevat op het ogenblik van het bezoek geen water. 2: verlanding: de poel verlandt stilaan door sedimentatie (bv. opstapeling van organische plantenresten) en begroeiing (bv. dichtgroeien door opslag van wilg, els, grassen, …). 3: stortafval: aanwezigheid van huishoudelijk afval, inerte materialen of ander stortafval (plastic blikjes, oude autobanden, andere auto-onderdelen, huisvuilzakken, bouwafval, ijskasten, …). 4: vervuild: er zijn zichtbare sporen van chemische vervuiling aanwezig. Meestal wordt deze categorie genoteerd wanneer een duidelijke, grote olieachtige vlek op het wateroppervlak aanwezig is die niet afkomstig is van natuurlijke, ijzerhoudende kwel. Ook wanneer huishoudelijk afvalwater van woningen die niet op het rioleringsnetwerk zijn aangesloten, via een lozingspunt in een waterpartij (meestal een sloot of beek) wordt afgevoerd, wordt ‘vervuild’ als poelstatus opgegeven. 5: bemest: er zijn zichtbare sporen van (opzettelijke) bemesting, door kunst- of door drijfmest. Dit is meestal het geval wanneer een poel grenst aan een akker en de mest van de akker in de poel insijpelt. Vaak zijn er dan mestsporen op de oever zichtbaar en is het water sterk 11
geëutrofieerd. Ook wanneer de drain-off van een nabijgelegen mestvaalt in de poel komt, wordt de poel als ‘bemest’ getypeerd. 6: geen: er zijn geen opvallende tekenen van negatieve invloed waarneembaar. ● beheer en gebruik van de poel: onder deze rubriek wordt vooral informatie gegeven over de mate waarin de poel wordt onderhouden. 1: betreding/begrazing: wanneer vee het water kan bereiken, wordt deze categorie weerhouden. Hierbij gaat het enkel om viervoeters. Betreding of begrazing door ganzen, eenden en kippen wordt hier niet onder verstaan. Verder wordt een onderscheid gemaakt tussen de graad van betreding/begrazing: geen deels: enkel een deel van de oever kan worden betreden. volledig: de oever ligt volledig vrij en wordt aan alle zijden betreden. 2: opgeschoond: een poel waaruit de vegetatie (regelmatig) wordt verwijderd om verlanding tegen te gaan. Indien gekend, wordt het jaar van de laatste schoning genoteerd. 3: geruimd/ uitgediept: deze categorie is van toepassing wanneer bodemsediment uit een poel werd verwijderd. Recente ruiming is doorgaans merkbaar aan de aanwezigheid van baggerspecie op de oever. Indien gekend, wordt het jaar van de laatste ruiming of uitdieping opgegeven. ● poeltype: deze categorie beschrijft het type van het waterhabitat in meer detail. Onderstaand worden enkel die types weerhouden die potentieel in het plangebied kunnen voorkomen. Vennen, groeveplassen, kreken, duinpannen en dergelijke worden dus niet in deze selectie besproken. 1: bron/bronpoel: een waterpartij ontstaan door opwelling van bronwater. Dit type wordt enkel als dusdanig genoteerd wanneer opwelling duidelijk zichtbaar is. Wordt de aanwezigheid van een opwellende bron vermoed (bv. omwille van een aantal kwelindicatoren) maar is de opwelling niet zichtbaar, dan wordt de locatie als ‘poel’ getypeerd. 2: poel: een waterpartij van geringe oppervlakte (in een weide, bos, moeras, broek, …) die meestal op natuurlijke of toevallige wijze is ontstaan. Ook veedrinkpoelen worden als ‘poel’ gedefinieerd. 3: bomkrater: een depressie ontstaan door de inslag van een ontplofte bom of landmijn. 4: vijver: een waterbekken aangelegd op natuurlijk substraat (uitgegraven of aangepast), al dan niet gebruikt voor viskweek of hengelsport. Hiertoe behoren ook siervijvers, park- en tuinvijvers, kasteel- en molenvijvers, zwem- en recreatievijvers, waterbekkens voor tuinbouwirrigatie. 5: kunstmatig: een bak of geul in beton of kunststof (bv. een opstaande of gelijkgrondse betonnen veedrinkbak in een weide), tuinvijvertjes aangelegd op kunstmatige substraat (betoniet, polyester, …). Om welk type van kunstmatige waterkom het gaat, wordt op de technische fiche geduid. 6: ondergelopen terrein: een tijdelijke plas, veelal ontstaan na hevige of langdurige regenval of door overstroming van een nabijgelegen waterloop. 7: greppel: deze term wordt voorbehouden aan ondiepe watergangen die minder dan één meter breed zijn. Het onderscheid tussen een greppel en een sloot is niet altijd even duidelijk. 8: sloot: kunstmatige, smalle afwateringskanalen, breder dan één meter, die niet of slechts tijdelijk uitdrogen en waarin de stroming van het water kan variëren van stilstaand tot snelstromend. 9: beek: een lijnvormig, meanderend landschapselement (voor zover het niet door menselijk handelen werd beïnvloed) met stromend water. In de meeste gevallen zijn bestaande namen een goede indicatie om waterpartijen tot deze categorie te rekenen (bv. Poperingse Vaart, Boezingegracht, Landdijkgracht, Kemmelbeek). 10: wal: een ringvormige plas, doorgaans rond een oude hoeve of een kasteel, met vrijwel stilstaand water, die hoogstens in verbinding staat met greppels of sloten om in afwatering te voorzien. ● stroming: hierbij wordt de stroming van het water opgedeeld in twee ruwe klassen: 12
● stilstaand ● stromend ● beschaduwing: schatting van de procentuele beschaduwing van het wateroppervlak. Deze categorie wordt verder onderverdeeld in slechts twee ruwe klassen aangezien de beoordeling van dit criterium afhankelijk is van een veelheid aan factoren (variatie naargelang het seizoen, het moment van de dag, weersomstandigheden, …): ● < 33%: minder dan één derde van het wateroppervlak wordt beschaduwd. ● > 33%: meer dan één derde van het wateroppervlak wordt beschaduwd. ● dood plantenmateriaal: schatting van de hoeveelheid dood plantenmateriaal dat zich op de bodem van de waterpartij bevindt. Hiertoe rekent men afgestorven waterplanten (bv. Liesgras, Mannagras, Riet, Grote Lisdodde of zegges) en/of afgevallen bladeren (van bomen in de omgeving) die nog duidelijk als dusdanig kunnen worden herkend. Deze parameter kan best worden ingeschat door met een schepnet over de bodem van de waterpartij te slepen. Opnieuw wordt een ruwe onderverdeling gemaakt in drie categorieën: ● weinig of geen dood plantenmateriaal ● kleine hoeveelheid dood plantenmateriaal: een dunne laag bedekt enkel een deel van de bodem. ● grote hoeveelheid dood plantenmateriaal: een vaak dikke laag komt verspreid over de ganse bodem voor. ● vegetatie: hierbij wordt de procentuele bedekking van het wateroppervlak ingeschat. De vegetatieve bedekking varieert naargelang het seizoen. Het getal dat in de centrale Hyla databank wordt opgenomen, geeft een aanduiding van de procentuele bedekking die werd vastgesteld tijdens de eerste inventarisatieronde. De vegetatieve bedekking wordt opgesplitst in: ● ondergedoken vegetatie: alle levende blad- en stengelachtige structuren die zich onder het wateroppervlak bevinden. In hoofdzaak wordt hiermee een aantal soortgroepen bedoeld als kranswier, hoornblad, vederkruid, waterranonkel, waterpest, sterrenkroos: planten die bijna niet boven het wateroppervlak uitsteken. ● drijvende vegetatie: alle waterplanten waarvan de bladeren op het water drijven. Hierbij gaat het voornamelijk om soorten als Kikkerbeet, Gele plomp, Witte waterlelie, sommige fonteinkruiden, kroos, … ● verticale vegetatie: stengelachtige structuren waarvan de bladeren grotendeels boven water staan (bv. Riet, Grote lisdodde, Grote waterweegbree, Liesgras, Mannagras, Kalmoes, Grote egelskop, …). ● algen: algen die op of in het water drijven, al dan niet vastgehecht. Er kan een zeer rudimentair onderscheid worden gemaakt tussen enkele grote groepen. De hiernavolgende benamingen refereren naar populair gebruikte termen en groeperen vaak zeer uiteenlopende wiersoorten: algenbloei: ook wel bekend als ‘erwtensoep’, veroorzaakt door de groei en bloei van plankton. De kleur varieert van groen tot bruin, naargelang de algensoort. Hierdoor is het water in meerdere of mindere mate ondoorzichtig. ‘slijmmatten’: een mengeling van algen en bacteriën die slijmachtig aanvoelt en op het wateroppervlak drijft. De kleur kan, naargelang de algensoort en het stadium van verrotting, variëren tussen wit, groen, bruin of blauwig. ‘flap’: groene draadwieren die vastzitten tussen waterplanten of vrij drijven. ● predatoren: de aan- of afwezigheid van soorten die amfibieën prederen, wordt genoteerd. Aandacht gaat vooral uit naar: ● ongewervelden: vooral de aanwezigheid van libellenlarven, kokerjuffers, waterwantsen (bv. Waterschorpioen, Staafwants, bootsmannetjes, …) en (larven van) waterroofkevers (bv. Geelgerande watertor) wordt genoteerd. ● vissen: door vangst in fuiken en met de schepnet, kon een aantal vissen tot op soortniveau worden gedetermineerd (Driedoornige stekelbaars, Tiendoornige stekelbaars, Rietvoorn, 13
Blauwbandgrondel, Bermpje, Bittervoorn). Alle exemplaren werden ter plaatse op naam gebracht en teruggezet. Ook visuele waarnemingen van vissen waarvan de soort niet kan worden bepaald (meestal karpersoorten), worden genoteerd. ● wilde watervogels: bijzondere aandacht wordt besteed aan soorten die vooral adulte amfibieën als voedsel gebruiken (Blauwe reiger, IJsvogel, Fuut, …) maar ook andere soorten worden genoteerd (Meerkoet, Waterhoen, Kuifeend, …). ● tamme watervogels ● schildpadden: meestal blijft deze categorie beperkt tot de exotische Roodwangschildpad maar ook andere soorten als Geelwangschildpad en bijtschildpadden kunnen worden genoteerd. In het projectgebied werden echter geen waterschildpadden opgemerkt. ● poelomtrek: de poelomtrek, uitgedrukt in m, wordt bij elk bezoek op het standaardformulier genoteerd. Naarmate het seizoen vordert, neemt bij uitdrogende poelen dit getal sterk af. Indien de poel op de digitale versie van de meest recente topografische kaarten en/of orthofoto’s staat aangegeven, kan de maximale poelomtrek exact digitaal worden bepaald. Er werd dan ook geen moeite gedaan om een ruwe schatting van de poelomtrek te maken tijdens het terreinbezoek. ● poeloppervlakte: de poeloppervlakte, uitgedrukt in m², wordt bij elk bezoek op het standaardformulier genoteerd. Naarmate het seizoen vordert, neemt het wateroppervlak bij uitdrogende poelen sterk af. Indien de poel op de digitale versie van de meest recente topografische kaarten en/of orthofoto’s staat aangegeven, kan de maximale poeloppervlakte exact digitaal worden bepaald. Er werd dan ook geen moeite gedaan om een ruwe schatting van de poeloppervlakte te maken tijdens het terreinbezoek. ● poeldiepte: de poeldiepte, uitgedrukt in cm, wordt bij elk bezoek op het standaardformulier genoteerd. Naarmate het seizoen vordert, neemt de poeldiepte bij uitdrogende poelen sterk af. De poeldiepte wordt doorgaans gemeten met een gegradeerde stok. In het voorliggend rapport werd hier geen aandacht aan besteed. Wel werd in september nagegaan of de poel nog waterhoudend was en hoeveel water deze bevatte (geen, weinig, matig, veel).
2.1.5 Veldwerk 2.1.5.1 Periode In totaal werden drie inventarisatierondes uitgevoerd. Een eerste en tweede inventarisatieronde, de ‘fuikenrondes’, werden uitgevoerd tussen 20 - 22 april 2009 en tussen 25 - 27 mei 2009. Tijdens deze rondes werden alle poelen geïnventariseerd met fuiken waarbij het vaststellen van adulte watersalamanders als voornaamste doel werd vooropgesteld. Op 4 september 2009 werden alle poelen nogmaals bezocht. Dit vierde bezoek had tot reden om vast te stellen of de poelen blijvend waterhoudend zijn. Normaal staan de grondwaterstanden tijdens de periode eind augustus – begin september het diepst onder het maaiveld. Dit was zeker zo tijdens 2009 waar een lange periode van weinig neerslag oorzaak was van zeer lage grondwaterstanden. Dit was dan ook een ideaal controlemoment. De periode waarin de fuiken werden geplaatst, viel samen met de maximale aanwezigheid van adulten van alle watersalamandersoorten in de waterbiotoop (figuur 5). Aanvullend werd (op de dag dat de fuik werd gelicht) elke poel bemonsterd met een schepnet waarbij (indien praktisch haalbaar) gestandaardiseerd één keer werd geschept per twee meter poelomtrek met een maximum van 30 bemonsteringen per poellocatie. Aangezien beide rondes samenvielen met de ideale periode om de aanwezigheid van larven van Bruine kikker en Gewone pad vast te stellen, konden beide soorten tijdens dit project ook optimaal worden geïnventariseerd. Ook zichtwaarnemingen en auditieve waarnemingen (i.c. van Bastaardkikker) werden genoteerd.
14
ongeschikte periode
geschikte periode
beste periode MAAND jun jul aug
FUIKENRONDE
jan feb maa apr mei sep okt nov Alpenwatersalamander Kamsalamander Vinpootsalamander Kleine watersalamander Gewone pad Bruine kikker Bastaardkikker Figuur 5: periode waarin adulte amfibieën in de waterbiotoop kunnen worden aangetroffen.
dec
De derde inventarisatieronde, ‘de larvenronde’, ging door op 22, 23 en 30 juli 2009. Hierbij werden alle poelen op een gestandaardiseerde manier met een schepnet bemonsterd om de aanwezigheid van amfibieënlarven in kaart te brengen. De periode waarin de poelen met een schepnet werden bemonsterd, viel samen met de maximale aanwezigheid van larven van alle watersalamandersoorten in de waterbiotoop (figuur 6). Voor larven van Bruine kikker en Gewone pad viel de datum van deze larvenronde te laat. LARVENRONDE jan feb
maa apr
mei
MAAND jun jul aug
sep okt nov Alpenwatersalamander Kamsalamander Vinpootsalamander Kleine watersalamander Gewone pad Bruine kikker Bastaardkikker Figuur 6: periode waarin amfibieënlarven in de waterbiotoop kunnen worden aangetroffen.
dec
15
3. Resultaten 3.1 Selectie van de bemonsterde poellocaties De opdrachtgever bezorgde de opdrachthouder een selectie van 15 poellocaties die moesten worden bemonsterd binnen het plangebied van de ruilverkaveling Reninge. Bij een eerste terreinbezoek bleek dat poellocatie Reninge 1 en poellocatie Reninge 2 sinds de vorige bemonstering in het kader van het ruilverkavelingsproject Reninge in uitvoering van het monitoringprogramma herpetofauna, jaar -1 (2002) waren verdwenen. Beide poelen werden gedempt. Aangezien deze ingreep vermoedelijk niet vergund was, gaf de opdrachthouder dit door aan de milieuambtenaar van Reninge. Poellocatie Reninge 4 ligt in een weiland waarop tijdens de eerste en de tweede monitoringsronde een agressieve stier een veilige toegang tot het terrein verhinderde. De poel t.h.v. de Rijsdreef bleek verbonden met een grachtenstelsel en is niet geschikt als amfibieënpoel. Hierdoor konden vier poelen van de aanvankelijk selectie niet worden bemonsterd. Op aangeven van de opdrachthouder werd de selectie uitgebreid met een nieuw gegraven poel net ten oosten van de Poperingse Vaart, op het eind van het westelijk deel van de Veurnestraat. Naar deze poel wordt in voorliggend rapport verder verwezen als poellocatie Reninge 14.
3.2 Beschrijving van poellocaties Elke bemonsterde locatie wordt volgens een vast stramien besproken. Onder beschrijving van de omgeving wordt de poellocatie in een ruimer kader gesitueerd. Hoe ziet het omgevend landschap er uit? Is de landbiotoop geschikt voor amfibieën? Zijn er voldoende schuilmogelijkheden in de directe omgeving? Hoe wordt de poel van water voorzien? Wat is de afstand tot andere waterpartijen die door amfibieën worden gebruikt? Zijn er voldoende migratiemogelijkheden? Hoe zit het met het grondgebruik? Onder vegetatie komt vooral de vegetatie in en op de oevers van de poel aan bod. Bijzondere aandacht gaat uit naar verlandingssoorten, planten die een duidelijke aanwijzing geven over de voedselrijkdom van het water, soorten die door amfibieën vaak worden gebruikt om eitjes op af te zetten. Soms wordt een onderscheid gemaakt tussen ondergedoken, drijvende en verticale vegetatie en wordt de bedekkingsgraad van een aantal soorten in dit tekstdeel opgenomen. De Nederlandse plantennamen die in dit rapport worden gebruikt zijn afkomstig uit Lambinon et al., 1998. Bij knelpunten en beheer worden de factoren opgelijst die de poellocatie negatief beïnvloeden als waterbiotoop voor amfibieën. De knelpunten die in kaart werden gebracht, zijn veelvuldig: insijpeling van meststoffen, een te sterke beschaduwing, aanwezigheid van vis, intense betreding van de oevers door vee, verlanding, akkers als aangrenzende biotoop, droogvallen van de poel, isolatie van de poel t.o.v. andere waterbiotopen, enz. Er worden voorstellen gedaan om aan deze knelpunten te verhelpen. Een aantal van deze beheersvoorstellen kan op korte termijn en goedkoop worden uitgevoerd. Een aantal beheersingrepen is éénmalig (bv. aanleg van een bufferstrook tussen een poel en een aangrenzende akker), een aantal moet periodiek worden herhaald (bv. ruiming van organisch materiaal). Hoe het ook zij: vaak kan met een geringe inspanning een merkbare verbetering worden gerealiseerd. Bij elke poel wordt het belang geduid. Vaak gaat het over het voorkomen van amfibiesoorten, grotere aantallen (zowel van larven als adulten) of de rol die een bepaalde poel speelt binnen elk van de deelgebieden als belangrijkste voortplantingsplaats of als stapsteen naar andere poelen toe. Ook de aanwezigheid van minder algemene vissoorten (bv. Bermpje, Bittervoorn) kan hierbij worden aangehaald. Tot slot worden de aanwezige soorten amfibieën opgelijst die tijdens deze opdracht werden aangetroffen..
16
Poellocatie Reninge 3 (identificatienummer Hyla-databank: 205.017) Foto
poel in het voorjaar
poel in het najaar
Beschrijving Deze poel langsheen de Hoflandstraat, had oorspronkelijk een hoefijzervorm maar de oostelijke arm is grotendeels verland. Vermoedelijk is de locatie een restant van een van de oude ringwal en heeft deze site een hoog cultuurhistorisch belang. De poel ligt in een omgeving weilandcomplex met veel sloten en een microreliĂŤf. In de perceelsgrenzen vinden we kenmerken van een soortenrijk permanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog veel water. Gekroesd fonteinkruid bedekt bijna het volledige wateroppervlak (95%) en bemoeilijkt Vegetatie bemonstering met schepnet. Deze hoge bedekkingsgraad is merkwaardig aangezien de soort op 27 juni 2005 slechts 1% van het drijvende vegetatie innam. Gekroesd fonteinkruid is een plant van vrij voedselrijke, stilstaande wateren op allerlei minerale bodems met een gering gehalte aan organische stof (Weeda et al., 1994, deel 4). Zodra zich organisch afbraakmateriaal ophoopt, verdwijnt het doorgaans. Aangezien een dergelijke ophoping in stilstaand, min of meer basisch en voedselrijk water snel pleegt op te treden, kan de plant zich daar alleen handhaven indien door menselijk ingrijpen (schonen) steeds opnieuw een pionierssituatie wordt geschapen. Aangezien dit hier niet het geval lijkt te zijn, mag worden aangenomen dat de hoge bedekkingsgraad snel weer zou kunnen afnemen. De oevervegetatie wordt volledig ingenomen door een brede gordel van Kalmoes. De standplaats is eigen aan de soort: plaatsen waar de ondiepe randzone overgaat in dieper water. Zowel Gekroesd fonteinkruid als Kalmoes indiceren een zekere vervuiling door mest- of afvalstoffen. De afgestorven delen van deze plant (bladeren en wortelstokken) zorgen voor een hoge mate van dood organisch materiaal. Tussen de Kalmoes groeit op enkele plaatsen Grote egelskop, Pitrus, Grote waterweegbree, Moerasspirea, Gewone hennepnetel, Moerasvergeet-mij-nietje, Wolfspoot, Valse voszegge en Bitterzoet, alle in een lage bedekkingsgraad. De verlande arm wordt grotendeels ingenomen door Mannagras en Pinksterbloem. Knelpunten Er kan worden overwogen om de oostelijk verlande arm opnieuw uit te graven. Dit kan enkel gebeuren indien goed werd nagegaan of hiermee het archeologisch belang van en beheer deze locatie niet wordt geschaad. Bij een inventarisatie in 1978 door Philippe De Fonseca werden op deze locatie Belang Alpenwatersalamander, Kleine watersalamander, Kamsalamander, Gewone pad, Bruine kikker en Bastaardkikker aangetroffen (De Fonseca, 1980). Vooral de aanwezigheid van Kamsalamander, een bijlage II soort van de habitatrichtlijn, is opmerkelijk. Ondanks latere intensieve bemonstering (met schepnet en fuiken) in 1998, 2002 en 2005 kon de aanwezigheid van Kamsalamander hier niet meer worden bevestigd. Door de brede oevervegetatie van Kalmoes, een hoge bedekkingsgraad met Gekroesd fonteinkruid, steile taluds en diep water, is het echter moeilijk om deze locatie optimaal te bemonsteren. Of de soort hier vooralsnog voorkomt, is dus onzeker maar de kans lijkt reĂŤel. Een intensieve monitoring van alle poellocaties in een straal van 1.000 m omheen deze poel dringt zich op om na te gaan of hier nog Kamsalamander voorkomt.
17
Aanwezige soorten
Gewone pad en Bastaardkikker.
Poellocatie Reninge 5 (identificatienummer Hyla-databank: 205.024) Foto
poel in het voorjaar
poel in het najaar
Beschrijving Deze locatie maakt deel uit van een landbouwbedrijf langsheen de Halve Reningestraat en is vermoedelijk een restant van een ringwal omgeven door oude knotwilgen. De wal van de maakt deel uit van een weilandcomplex met veel sloten en een microreliëf. Tijdens de omgeving najaarscontrole bevatte een deel van de poel nog water. De vegetatie varieert sterk naargelang de plaats. Sommige delen zijn vegetatieloos, op Vegetatie andere plaatsen groeit o.a. sterrenkroos, kroos, Middelste waterranonkel, Watertorkruid, Wolfspoot, Moeraswalstro, Watermunt, Mannagras, Gele lis, Grote wederik, Veerdelig tandzaad, Gele waterkers, Pitrus, Blaartrekkende boterbloem en Rietgras. Knelpunten Vermoedelijk werden hier in het kader van de ruilverkaveling nog geen beheerwerken uitgevoerd. Een aantal van de omringende knotwilgen is reeds gescheurd, een aantal en beheer heeft dringend een knotbeurt nodig. De landbouwer merkt op dat het voor hem niet duidelijk is waarom deze ringwal hem door de ruilverkaveling werd ‘ontnomen’ aangezien de site sindsdien geenszins werd opgewaardeerd. Ook bij de inplanting van de nieuw aangelegde houtkant, kunnen kanttekeningen worden geplaatst. Zo werd een houtkant aangeplant die dit jaar al gedeeltelijk moest worden verwijderd omdat anders de aangrenzende sloot niet kon worden geruimd. De landbouwer zegt dit probleem reeds tijdens de aanplantfase bij de VLM te hebben aangekaart. In 1978 werden hier door Philippe De Fonseca Alpenwatersalamander, Kleine Belang watersalamander, Kamsalamander, Gewone pad en Bruine kikker vastgesteld (De Fonseca, 1980). Vooral de aanwezigheid van Kamsalamander is belangwekkend. Ondanks herhaalde inventarisaties werd de soort er nadien niet meer aangetroffen. Zoals ook werd voorgesteld bij andere poellocaties waarvan historische waarnemingen van Kamsalamander voorliggen (poellocatie Reninge 3), wordt aangeraden om alle poelen in een straal van 1.000 m te bemonsteren met fuik en schepnet. De afstand tot poellocatie Reninge 3 bedraagt 2.209 m. Beide Kamsalamanderlocaties liggen te ver van elkaar opdat de historische waarnemingen van eenzelfde populatie afkomstig zouden kunnen zijn, tenzij de soort toen ook nog aanwezig zou zijn geweest in tussenliggende poelen. De dichtheid aan poelen rond beide poellocaties is nog steeds aanzienlijk hoog waardoor de kans op een herontdekking van Kamsalamander in dit deel van het plangebied reëel lijkt. Het is meer aangewezen om de ruime omgeving van beide historische vindplaatsen te bemonsteren dan om nogmaals alle poelen te inventariseren die het onderwerp vormen van voorliggend rapport. Aanwezige Alpenwatersalamander en Gewone pad. soorten
18
Poellocatie Reninge 6 (identificatienummer Hyla-databank: 205.306) Foto
poel in het voorjaar
poel in het najaar
Beschrijving Deze oude poel ligt in de Brabanthoek, één van de meest intacte hooilandcomplexen uit het plangebied waarin o.a. nog Weidekerveltorkruid groeit. De poel ligt in een van de soortenrijk weilandcomplex met veel sloten en microreliëf met soortenrijke omgeving perceelsranden. De dichtheid aan houtkanten, knotbomen, doornstruwelen, sloten en poelen is zeer hoog. Vooral voor Zomertortel (drie zangposten) en Braamsluiper (één zangpost) zijn deze houtkanten interessant. De lineaire landschapsdragers worden beheerd door een landschapswacht. Alle kruinhout van de geknotte wilgen, wordt in het gebied gestapeld en vormt interessante schuilplaatsen voor amfibieën en kleine zoogdieren. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog veel water. In de oeverzone groeit o.a. Grote waterweegbree, Blauwe waterereprijs, Vegetatie Moeraswalstro, Watertorkruid, Mannagras, Gele waterkers, Veerdelig tandzaad en Zeegroene rus. Door de intense betreding door vee kan een water- en oevervegetatie zich er niet optimaal ontwikkelen. Knelpunten Doordat de poel via de oostelijke aangrenzende sloot deel uitmaakt van een uitgebreid netwerk aan waterlopen (poelen, Heidebeek, Kanunnikbeek, Boezingegracht), zal en beheer kolonisatie door vis vermoedelijk nooit kunnen worden uitgesloten. De poel ligt op de scheiding van vier weilandpercelen en kan aan alle zijden worden betreden. Door betreding van vee is de oevervegetatie sterk gedegradeerd, vooral op de zuidelijke oevers. Om hieraan te verhelpen, moet de poel deels of volledig worden uitgerasterd. Intensieve betreding (28 koeien tijdens de derde inventarisatieronde) zorgt er ook voor dat er een dikke sliblaag in de poel ligt. Ruiming tot op de minerale laag en grotendeels uitrasteren van de poel is aangewezen. Er kan worden overwogen om in de Brabanthoek één of meerdere poelen aan te leggen die niet zijn aangesloten op het slotenpatroon om een (snelle) kolonisatie door vis te bemoeilijken. Bij hoge grondwaterstanden komt dit deelgebied echter blank te staan en zal het moeilijk (of onmogelijk?) zijn om in de Brabanthoek visvrije poelen te krijgen en te behouden. Bij een eerdere inventarisatie in 2002 werd Bittervoorn aangetroffen maar de Belang aanwezigheid van deze habitatrichtlijnsoort kon in het kader van het huidig onderzoek niet worden bevestigd (Econnection, 2002). Aanwezige Gewone pad, Bruine kikker en Bastaardkikker. soorten
19
Poellocatie Reninge 7 (identificatienummer Hyla-databank: 205.087) Foto
poel in het voorjaar
poel in het najaar
Beschrijving Deze poel werd nieuw aangelegd in het kader van de ruilverkaveling Reninge in de zomer van 2005. De poel ligt langsheen de Sint-Corynstraat. Het omgevend van de grondgebruik wordt in hoge mate bepaald door intensieve akkerbouw en zeer omgeving soortenarme, (vaak tijdelijk) ingezaaide graslanden. Enkel op de noordelijk aangrenzende weide staat nog een knotwilgenrij en een restant van een hoogstamboomgaard. Algenbloei is zeer beperkt maar neemt licht toe bij hogere temperaturen. Drijvende Vegetatie vegetatie is quasi afwezig (heel weinig kroos). In de oeverzone staan enkele pollen Zomprus, Zeegroene rus en Pitrus. Op de steil oplopende taluds groeit Vlasbekje, Klein streepzaad, Sint-Janskruid, Scherpe boterbloem, Ruige zegge en Glanshaver, alle in een lage bedekkingsgraad. Op de oever ontwikkelt zich wilgenopslag. De hoger gelegen delen worden gekenmerkt door een ruderale vegetatie met o.a. Witte klaver, Hondsdraf, Witte dovenetel, Fluitenkruid, Krulzuring, Ridderzuring en Grote brandnetel. Knelpunten De grondwatertafel zit relatief diep (> 2 m) onder het maaiveld. Volgens de landbouwer van de westelijk aangrenzende hoeve houdt de poel doorgaans niet en beheer jaarrond water. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel geen water. Monitoring moet aantonen wanneer en hoe vaak deze locatie droogvalt. Indien dit te vaak gebeurt (meer dan één keer om de vijf jaar) of te vroeg (voor 15 augustus), moet worden overwogen om de poel nog verder uit te diepen (± 30 cm). Deze werken kunnen pas worden uitgevoerd na een grondboring die moet aantonen hoe diep de niet-doorlatende kleilaag zit en hoe dik deze laag is. In geen geval mag deze laag worden doorboord. In tegenstelling tot de meeste andere locaties die in het kader van voorliggend project werden bezocht, was de vegetatie op 22 juli 2009 nog niet gemaaid. Voor de landbouwer leek dit een punt van ergernis. Door de hoge vegetatie werd het zicht op aankomend verkeer uit de Sint-Corynsstraat belemmert bij het verlaten van het bedrijf. Uit ‘goed nabuurschap’ wordt best overwogen om dit perceel jaarlijks een eerste keer na 15 juni te maaien (met afvoer van het maaisel). Het grootste knelpunt is zondermeer het intensief grondgebruik van de aangrenzende akkers. Geschikt landhabitat is slechts in beperkte mate aanwezig. Het belang van deze poellocatie is relatief groot aangezien dit één van de weinige Belang poelen is waarin de aanwezigheid van adulte Alpenwatersalamanders (37 ex.) en Kleine watersalamanders (13 ex.) kon worden aangetoond. Meer nog: beide soorten planten zich er ook succesvol voort. Mogelijk geven de hoge aantallen aan dat dit één van de weinige geschikte locaties is uit de omgeving. Het is aangewezen om de aanwezige populaties te versterken door aanleg van meerdere nieuwe poelen op geschikte locaties (i.e. in cultuurhistorisch permanente graslanden) binnen een straal van 400 m. Voor Bastaardkikker is deze poel te klein. De twee exemplaren die hier werden aangetroffen waren subadulten die vermoedelijk afkomstig zijn uit de noordelijk aangrenzende grote tuinvijver. Subadulte exemplaren worden wel vaker door adulten verdreven naar minder optimale locaties. Als tijdelijke waterhabitat kunnen dergelijke kleine poelen voor Bastaardkikker dus wel een functie vervullen.
20
Aanwezige soorten
Alpenwatersalamander, Kleine watersalamander, Gewone pad en Bastaardkikker.
Poellocatie Reninge 8 (identificatienummer Hyla-databank: 205.085) Foto
poel in het voorjaar
poel in het najaar
Beschrijving Deze poel werd nieuw aangelegd in het kader van de ruilverkaveling Reninge in de zomer van 2005 en ligt aan de oostkant van de ruilverkavelingsweg die in het noorden van de aansluit op de Oostvleterenstraat. De locatie maakt deel uit van de ecologisch omgeving waardevolle vallei van de Meersbeek, een waterloop die over grote delen van het traject stroomt doorheen een weilandcomplex. De westelijke valleiflank wordt deels afgeboord met oude knotbomen en langs de oostkant staat een restant van een eertijds veel omvangrijker meidoorn- en sleedoornstruweel. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog ongeveer 0,5 m water. Bloeiende waterranonkel haalt een hoge bedekkingsgraad (> 50%). In de Vegetatie noordwesthoek groeit Grote lisdodde en in de oeverzone heeft zich Zomprus en Pitrus gevestigd. Op de oeverlijn komt wilgenstruweel tot ontwikkeling. Knelpunten Zoals bij elke (kleine) poel waar Grote lisdodde zich heeft gevestigd, moet ook hier worden bekeken of en in welke mate deze soort zich uitbreidt. Grote lisdodde is en beheer immers een moerasplant die vooral goed gedijt in milieus die aan ingrijpende veranderingen onderhevig zijn. De plant groeit bij voorkeur op beschutte plaatsen, in wateren van beperkte omvang of in moerassen die al vrijwel geheel verland zijn. Vooral vestigt zij zich op luwe plekken in ondiep water waar veel slib en/of organisch afbraakmateriaal wordt afgezet en die aldus met een weke moddermassa gevuld raken. Vallen zulke plaatsen droog, dan ontstaat het ideale milieu voor Grote lisdodde. De massa’s organische resten komen dan met zuurstof in contact en worden geoxideerd. Onder zulke omstandigheden kan de plant massaal kiemen en/of zich met haar uitlopers zeer snel uitbreiden zodat ze niet zelden het hoofdbestanddeel van de begroeiing wordt, mits de grond niet uitdroogt (Weeda et al., 1994, deel 5). Aangezien de poel recent werd aangelegd, is er nog maar weinig organisch materiaal op de bodem aanwezig. Grote lisdodde laat in de winter wel zelf een hoeveelheid strooisel achter, wat verdere verlanding in de hand werkt. Mochten de diepere zones van de poel permanent waterhoudend zijn, zal Grote lisdodde op de diepere plaatsen alvast minder goed gedijen. Om uitbreiding in de ondiepe oeverzone onder controle te houden, kan worden voorgesteld om Grote lisdodde te maaien in de zomer en het strooisel af te voeren. Maaien in de zomer (bij voorkeur in juli, eventueel gevolgd door een tweede maaibeurt in de nazomer) grijpt drastisch in op de planten: door het afmaaien in volle groei kan er minder fotosynthese plaatsvinden. Dit leidt tot een verzwakking van de dominante soort (Hermy et al., 2004). Het uitgerasterd perceel was tijdens de derde inventarisatieronde (op 22 juli 2009) nog niet gemaaid. De vegetatie op de taluds is echter zeer schraal en een maaibeurt is op dit ogenblik om ecologische redenen nog niet vereist. Toch moet er op worden toegezien dat de spontane opslag van wilg op termijn niet voor verlandingsproblemen zal zorgen.
21
Belang
Aanwezige soorten
Hoewel slechts één adulte Bastaardkikker werd opgemerkt, werden tijdens de derde inventarisatieronde toch 31 larven gevonden (op tien bemonsteringen met schepnet). Larven van glazenmakers indiceren een goede waterkwaliteit. Vlakbij liggen twee andere poelen, de Meersbeek en een ecologisch waardevolle houtkant. Een hoge dichtheid aan kleine landschapselementen heeft steeds een hoge ecologische waarde. Gewone pad en Bastaardkikker.
Poellocatie Reninge 9 (identificatienummer Hyla-databank: 205.086) Foto
poel in het voorjaar
poel in het najaar
Beschrijving Deze poel werd nieuw aangelegd in het kader van de ruilverkaveling Reninge in de zomer van 2005 en ligt aan de westkant van de ruilverkavelingsweg die in het noorden van de aansluit op de Oostvleterenstraat. Aangezien deze poel vlakbij poellocatie Reninge 8 omgeving ligt, verwijzen we naar de bovenstaande tekst voor een beschrijving van de omgeving. In de directe omgeving werd ook nog een derde kleinere poel aangelegd. De poel is 100% zonbeschenen en is volledig uitgerasterd waardoor betreding van de oevers door vee niet mogelijk is. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog vrij veel water. Uit de poel wordt water onttrokken voor de grazende runderen. Een aanzienlijk deel van het wateroppervlak wordt ingenomen door Gekroesd Vegetatie fonteinkruid. In de noordoosthoek heeft Grote lisdodde een paar m² ingenomen en hiertussen drijft weinig kroos. De vegetatie op de relatief steil oplopende taluds is schraal met o.a. Rode klaver, Grote klaproos, Gewone berenklauw, Speerdistel, Bijvoet, naast Akkerdistel, Glanshaver, Kropaar, Grote brandnetel en weinig opslag van braam. Op de oeverlijn komt wilgenstruweel tot ontwikkeling. Knelpunten De taluds waren op 23 juli 2009 nog niet gemaaid maar gezien de schrale vegetatie, dringt een maaibeurt zich vooralsnog niet op. De spontane opslag van wilg op de en beheer oevers zou op termijn een knelpunt kunnen worden. Krulzuring, Ridderzuring en Akkerdistel werden behandeld met herbiciden. De gebruiker van het oostelijk aangrenzend weiland zou hierop kunnen worden aangesproken. Larven van waterjuffers en glazenmakers zijn indicatief voor een goede waterkwaliteit. Belang De poel maakt deel uit van en cluster van drie poelen die heel dicht bij elkaar liggen en is gesitueerd in een omgeving met een relatie hoge dichtheid aan kleine landschapselementen. Uit de poel wordt via een steekpomp drinkwater betrokken voor vee op het westelijk aangrenzend weiland. Aanwezige Gewone pad en Bastaardkikker. soorten
22
Poellocatie Reninge 10 (identificatienummer Hyla-databank: 205.080) Foto
poel in het voorjaar
poel in het najaar
Beschrijving Deze poel werd nieuw aangelegd in het kader van de ruilverkaveling Reninge in de zomer van 2005 en ligt aan de westkant van een naamloze ruilverkavelingsweg die van de aansluit op de Kasteelweg. De locatie ligt op de rand van de IJzervallei. De noordelijk omgeving aangrenzende weilanden worden op de meest recente versie van de biologische waarderingskaart gekarteerd als een weilandcomplex met veel sloten en microreliëf. Een deel van de weilanden is omgeven door oude knotwilgen. Houtkanten met Eénstijlige meidoorn, sloten afgeboord met Zwarte els en enkele poelen zorgen voor een hoge dichtheid aan geleidende kleine landschapselementen. Ten zuiden wordt het grondgebruik in hoge mate gedomineerd door akkers op lemige bodem. Instroom van pesticiden vanaf deze akkers in de poel wordt gebufferd door de tussenliggende sloot. Kolonisatie door amfibieën zal dus enkel vanuit het noordelijk aangrenzend weilandcomplex kunnen verlopen. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog ongeveer 10 cm water. Er is geen onderwatervegetatie aanwezig en in de centrale, diepere zones groeit weinig Vegetatie Mannagras en waterranonkel. Op de oevers staan enkele pollen Zeegroene rus en Zomprus. Vanuit de aangrenzende sloot ontwikkelt zich in de zuidoosthoek een Rietveldje. Wilgenopslag zou op termijn een knelpunt kunnen vormen. Een grote, oude knotwilg zorgt voor enige beschaduwing. Knelpunten Driedoornige en Tiendoornige stekelbaars zijn talrijk aanwezig waardoor de kans op succesvolle reproductie van watersalamanders enigszins wordt beperkt. Opvallend: en beheer ondanks een intensieve bemonstering met schepnet konden geen macro-invertebraten worden aangetroffen. Het uitgerasterd poelperceel wordt gemaaid, het maaisel wordt op hoopjes gelegd maar was op 22 juli 209 nog niet afgevoerd. Om verruiging van de vegetatie te voorkomen, moet dit maaisel worden verwijderd. Er werd tot dicht tegen de waterlijn aan gemaaid waardoor de spontane opslag van wilg goed onder controle kan worden gehouden. Verlanding door Riet is op dit moment nog niet problematisch maar vormt naar de toekomst toe zeker een aandachtspunt. De knotwilg langsheen de zuidelijk aangrenzende sloot kan best worden geknot om de mate van beschaduwing tijdelijk te reduceren. Aanleg van een aantal nieuwe amfibieënpoelen in het noordelijk aangrenzend weilandcomplex dringt zich op. Het herpetologisch belang van deze poellocatie is eerder gering. Op basis van het Belang aantal larven mag worden vermoed dat er slechts één legsel van Bruine kikker werd afgelegd. Kolonisatie door watersalamanders is op termijn niet uitgesloten. Aanwezige Gewone pad en Bruine kikker. soorten
23
Poellocatie Reninge 11 (identificatienummer Hyla-databank: 205.081) Foto
poel in het voorjaar
poel in het najaar
Beschrijving Deze poel werd nieuw aangelegd in het kader van de ruilverkaveling Reninge in de zomer van 2005. De locatie ligt op de rand van de IJzervallei en bevindt zich ten van de westen van de vorige poel. In het zuiden wordt de poel begrensd door een intensief omgeving begraasd, soortenarm permanent cultuurgrasland. Het noordelijk aangrenzend weilandcomplex wordt doorsneden door een dicht slotenpatroon. Een aantal van deze ecologisch waardevolle weilanden wordt afgeboord door oude populieren en wilgen in knotvorm en in de perceelsranden komt een soortenrijke vegetatie voor. Deze poel maakt deel uit van een cluster van zeven poelen die dicht bij elkaar liggen. De meeste van deze poelen staan met elkaar in verbinding door een sloot. In de poel is enkel kroos aanwezig. Het verlande gedeelte (dat mogelijk in de winter Vegetatie wel waterhoudend is) is begroeid met o.a. Pitrus, Gele lis, Gele waterkers, Rietgras en spontane opslag van wilg. De vegetatie op de uitgerasterde taluds werd gemaaid en alle maaisel was op 22 juli 2009 volledig verwijderd. Aan de westzijde zorgen een Eénstijlige meidoorn en een grote wilg voor een geringe mate van beschaduwing. Het braamstruweel aan de noordoostkant zorgt voor een geschikte schuilplaats voor amfibieën. Knelpunten Bij de derde inventarisatieronde stond deze poel volledig droog. Ook tijdens de najaarscontrole was dit het geval. Hierdoor is een succesvolle reproductie van en beheer watersalamanders quasi uitgesloten. Monitoring moet aantonen wanneer en hoe vaak deze locatie droogvalt. Indien dit te vaak gebeurt (meer dan één keer om de vijf jaar) of te vroeg (voor 15 augustus), moet worden overwogen om de poel verder uit te diepen (± 60 cm). De organische laag is beperkt in volume (± 15 cm dik) waardoor kan worden overwogen om ook een deel van de minerale laag af te graven. Alle poellocaties in de onmiddellijke omgeving waren eind juli nog wel waterhoudend. Het oostelijk deel van deze poel is sterk verland door Pitrus, Rietgras en spontane wilgenopslag. Doordat de poel - toch zeker sporadisch - droogvalt, bestaat de kans dat deze verlanding zich snel zal uitbreiden. Er kan worden overwogen om ook het verlande deel van de poel verder uit te graven en de wilgenopslag te verwijderen. Wel moet er worden op toegezien dat deze poellocatie niet in verbinding komt te staan met de oostelijk aangrenzende poel om snelle kolonisatie door vis te vermijden. Met de uitgegraven baggerspecie kan een bufferdam worden opgeworpen tussen beide poellocaties. Gezien de geringe oppervlakte, is de aanwezigheid van minimaal 14 Belang Alpenwatersalamanders en twee Kleine watersalamanders zeker belangwekkend. Het herpetologisch belang van deze poel zou nog aanzienlijk kunnen toenemen mochten beide soorten zich hier ook succesvol kunnen voortplanten. Aanwezige Alpenwatersalamander, Kleine watersalamander en Bruine kikker. soorten
24
Poellocatie Reninge 12 (identificatienummer Hyla-databank: 205.082) Foto
poel in het voorjaar
poel in het najaar
Beschrijving Deze poel werd nieuw aangelegd in het kader van de ruilverkaveling Reninge in de zomer van 2005 en ligt zuidelijk langsheen het westelijk deel van de Veurnestraat. De van de locatie is gesitueerd op de rand van de vallei van de Poperingse Vaart. Aan de omgeving noordkant ligt een omvangrijk akkercomplex en ten zuiden wordt de poel begrensd door een weilandcomplex dat wordt doorsneden door een aantal sloten en beken met de Kerkebeek als meest opvallend dragend landschapselement. De dichtheid aan kleine landschapselementen in de directe omgeving is echter zeer laag. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog veel water. Centraal in de poel groeit waterranonkel en in de oeverzone staat weinig Grote Vegetatie waterweegbree. In de noordoost- en zuidwesthoek breidt Grote lisdodde zich uit. Enkel op deze plaatsen is er veel dood organisch materiaal aanwezig. Langsheen de waterlijn (vooral aan de oostkant) slaat wilg spontaan op en in de oeverzone vestigt zich Riet en Rietgras. De steil oplopende taluds worden gekenmerkt door een ruderale vegetatie met o.a. Hondsdraf, Witte dovenetel, Kruipende boterbloem, Zevenblad, Krulzuring, Kleefkruid, Akkerdistel, Boerenwormkruid, Grote brandnetel, Pitrus en Gewone berenklauw; alle soorten typerend voor verstoorde gronden met een hoge voedselrijkdom. Gele lis en Grote kattenstaart - beide verlandingsindicatoren - kunnen de poel koloniseren vanuit de zuidelijk aangrenzende sloot. Knelpunten Zoals wel vaker gebeurt bij nieuw aangelegde poelen in valleigebieden, werd deze poel heel snel gekoloniseerd door vis. Driedoornige stekelbaars, Tiendoornige stekelbaars en beheer als Blauwbandgrondel zijn talrijk aanwezig. Deze laatste is een exoot die in Vlaanderen voor het eerst werd aangetroffen in het Demerbekken in 1992. Tien jaar later had de soort heel Vlaanderen gekoloniseerd (Vandelannoote et al., 1998). Het succes van de Blauwbandgrondel kan worden toegeschreven aan een opportunistische levenswijze: korte generatietijd, klein lichaam, hoge reproductie en tolerantie t.o.v. extreme waarden van omgevingsvariabelen (bv. laag zuurstofgehalte, hoge graad van vervuiling). De soort heeft een breed voedselspectrum (zoöplankton, zoöbenthos, detritus en perifyton) maar foerageert bij gebrek aan zoöplankton ook op algen en waterslakken. Blauwbandgrondel heeft de eigenschap om schubben en spierweefsel van vissen en amfibieën los te rukken (facultatief parasitisme) en kan op die manier de herpetologische waarde van een poel negatief beïnvloeden. Er kan worden overwogen om een aantal poelen periodiek (om de vijf jaar) leeg te pompen (tussen 15 september en 15 november) om het visbestand opnieuw op nul te zetten. Zeker voor kleinere poelen lijkt dit een haalbare optie. De vegetatie van het uitgerasterd poelperceel wordt gemaaid maar het maaisel werd op 22 juli 2009 nog niet afgevoerd. Om verruiging van het perceel te verhinderen, is afvoer van maaisel een noodzakelijk voorwaarde. In elk geval werd gemaaid tot aan de rand van het water waardoor de spontane opslag van wilg goed onder controle kan worden gehouden. Op dit ogenblik is het herpetologisch belang van deze locatie eerder gering. Gezien de Belang ligging zal aanwezigheid van vis vermoedelijk niet kunnen worden vermeden en zal deze poel voor watersalamanders vermoedelijk enkel kunnen fungeren als stapsteen.
25
Aanwezige soorten
Periodiek leegpompen van deze poel om vis weg te vangen heeft hier weinig zin gezien de ligging binnen de vallei. Voor Gewone pad en Bruine kikker is dit wel een geschikte voortplantingsplaats, voor Bastaardkikker is deze poel te klein. Gewone pad, Bruine kikker en Bastaardkikker.
Poellocatie Reninge 13 (identificatienummer Hyla-databank: 205.083) Foto
poel in het voorjaar
poel in het najaar
Beschrijving Deze poel werd nieuw aangelegd in het kader van de ruilverkaveling Reninge in de zomer van 2005 en ligt noordelijk langsheen het westelijk deel van de Veurnestraat. van de Langs de oostzijde werd een houtkant aangeplant met o.a. meidoorn, wilg, Zwarte els omgeving en Sporkehout. Door deze houtkant wordt de poel voldoende gebufferd tegen instroom van pesticiden vanuit de oostelijk aangrenzende akkers. In het westen ligt een omvangrijk weilandcomplex op de rand van de vallei van de Poperingse Vaart. Deze weilanden staan soms tot ver in het voorjaar plasdras en hebben een hoge faunistische waarde. De dichtheid aan kleine landschapselementen is evenwel gering en beperkt zich tot twee poelen en een knotwilgenrij. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog veel water. Drijvende vegetatie haalt slechts een zeer lage bedekkingsgraad en beperkt zich tot Vegetatie sterrenkroos, kroos, waterranonkel en Paarbladig fonteinkruid. In de oeverzone ontwikkelt zich een brede gordel van Pitrus en langsheen de zuid- en westkant staat o.a. Mannagras, Blauwe waterereprijs, Scherpe zegge, Grote lisdodde, Veerdelig tandzaad, Rietgras en Kruipende boterbloem. Knelpunten Voor watersalamanders zou de talrijke aanwezigheid van vis (Driedoornige stekelbaars, Tiendoornige stekelbaars, Rietvoorn, Blauwbandgrondel, Bermpje) een en beheer knelpunt kunnen zijn. De vegetatie binnen dit uitgerasterd perceel wordt gemaaid maar het maaisel was op 22 juli 2009 nog niet afgevoerd. Spontane opslag van wilg in de oeverzone werd nog niet verwijderd. Dit zou bij een volgende maaibeurt best wel gebeuren. Door de situering (i.e. in een valleigebied) en de omvang van de poel is dit een ideaal Belang waterhabitat voor Bastaardkikker. In tegenstelling tot watersalamanders, is deze soort veel minder gevoelig aan de aanwezigheid van vis. Larven van Bastaardkikker houden zich vooral op op de bodem (en niet in de waterkolom) en blijven daardoor vaker onopgemerkt door predatoren. Bovendien zijn kikkerlarven ook snel en slagen ze er vaak in om tijdig aan een predator te ontkomen door zich in dichte vegetatie te verschuilen. De aanwezigheid van (minimaal) zes adulte Bastaardkikkers en 29 larven (op 20 bemonsteringen met schepnet) geeft aan dat dit een goede kikkerpoel is. Het belang van deze locatie ligt echter vooral in de aanwezigheid van Bittervoorn en Bermpje. Bittervoorn is in Vlaanderen volledig beschermd door de Riviervisserijwet. De soort is ook opgenomen in bijlage III van de Conventie van Bern en bijlage II van de Habitatrichtlijn. Bittervoorn is gebonden aan wateren waar zoetwatermossels van het geslacht Unio of Anodonta voorkomen. Plassen met goed ontwikkelde
26
Aanwezige soorten
waterplantenvegetatie en oeverzones met een goede tot vrij goede waterkwaliteit zijn een vereiste (Vandelannoote et al., 1998). De visjes zoeken de beschutting van waterplanten op, waar ze vooral van plantaardig plankton leven. De eitjes ontwikkelen tussen de kieuwen van een zoetwatermossel. De aanwezigheid van de soort in de IJzer en polderwaterlopen uit het plangebied (Boezingegracht, Landdijkgracht) is bekend. Toch blijft elke nieuwe vindplaats in poelen vermeldenswaardig, zeker omdat kleine, stilstaande wateren niet vaak elektrisch worden bemonsterd en er verhoudingsgewijs relatief weinig data voorliggen van Bittervoorn in poelen. Vooral de snelheid waarmee Bittervoorn sommige nieuwe poellocaties heeft gekoloniseerd, is opmerkelijk. Tijdens de derde inventarisatieronde werden vier Waterschorpioenen gevangen. Deze wantssoort leeft in rustige, permanente wateren met liefst stilstaand, helder water. Het biotoop bestaat uit waterplanten dicht bij de oever. Het voedsel bestaat uit kleine waterdieren zoals visjes, insecten en in de lente vooral kikkervisjes en larven van watersalamanders. Hoewel de soort algemeen verspreid is in Vlaanderen, is de aanwezigheid van Waterschorpioen in recent aangelegde poelen toch vermeldenswaardig. Gewone pad, Bruine kikker en Bastaardkikker.
Poellocatie 14 (identificatienummer Hyla-databank 205.084) Foto
poel in het voorjaar
poel in het najaar
Beschrijving Deze poel werd nieuw aangelegd in het kader van de ruilverkaveling Reninge in het voorjaar van 2008. De locatie ligt op de valleirand en wordt omgeven door van de cultuurhistorische permanente graslanden die soms tot ver in het voorjaar plasdras omgeving staan. Op de dijkkruin werd in het kader van de ruilverkaveling een nieuw wandelpad aangelegd. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog veel water. Gezien de recente datum van aanleg, hebben zich nog geen submerge of drijvende Vegetatie waterplanten gevestigd, op enkele plantjes van waterranonkel en Veenwortel na. De bedekkingsgraad door algen is zeer gering. Op de oever groeit o.a. Rietgras, Egelboterbloem, Geknikte vossenstaart en Veenwortel. Knelpunten Deze poel heeft van alle onderzochte locaties vermoedelijk de hoogste dichtheid aan vis. Tijdens de tweede bemonsteringsronde, aan de hand van één fuik die na één nacht en beheer werd gelicht, werden 311 Tiendoornige stekelbaarzen, twee Bittervoorns en één Blauwbandgrondel gevangen. Gezien de diepte van de poel, lijkt de kans klein dat deze locatie periodiek zal komen droog te staan. De aanwezigheid van zoveel vis zal een eventuele kolonisatie door watersalamanders en zeker een succesvolle voortplanting negatief beïnvloeden. Elektrisch afvangen van vis of droogpompen van de poel is, gezien de ligging op de rand van de IJzervallei, vermoedelijk een weinig zinvolle beheeringreep: de poel zal immers op korte termijn opnieuw worden gekoloniseerd door vis. Het omgevend hooiland wordt gedomineerd door Rietgras. Op 27 mei 2009 was het hooiland al gemaaid maar werd het maaisel nog niet afgevoerd. Doordat het maaisel snel ingroeit, werd afgezien van een afhaling met als gevolg dat de grasmat
27
Belang
Aanwezige soorten
vervilt. Om verdere verruiging te voorkomen, worden twee maaibeurten aangeraden waarbij alle maaisel moet worden afgevoerd. De eerste maaibeurt gebeurt best laat (na 15 juli) omdat de vegetatie vrij ruig is en broedplaats biedt aan o.a. Grasmus, Bosrietzanger en Sprinkhaanzanger. De vegetatie op de dijkkruin kan best maar één keer worden gemaaid na 15 september. Opmerkelijk: op 22 juli 2009 werd aan de overkant van de Poperingse Vaart kortstondig een roepende Kwartelkoning gehoord om 11:45. De herpetologische waarde van deze locatie is vooralsnog zeer gering. Het belang van deze omvangrijke weidepoel wordt in hoofdzaak bepaald door de aanwezigheid van Bittervoorn. Toch even meegeven dat Timmermans in1976 en 1985 geen Tiendoornige stekelbaars aantrof in het IJzerbekken en ook in 1989 werd de soort er niet aangetroffen (Bruylants et al., 1989). Alhoewel Tiendoornige stekelbaars relatief algemeen is in Vlaanderen, heeft hij toch een kleiner verspreidingsgebied dan de Driedoornige stekelbaars. Hij is vooral zeldzamer in het westelijk deel van het Vlaams Gewest. Volgens Bannister (1982) moet Tiendoornige stekelbaars op Europees niveau zelfs als een bedreigde vissoort worden beschouwd. geen.
Poellocatie 15 (identificatienummer Hyla-databank: 205.088) Foto
poel in het voorjaar
poel in het najaar
Beschrijving Deze poel werd nieuw aangelegd in het kader van de ruilverkaveling Reninge in 2005. De poel ligt in de vallei van de Kemmelbeek, een uitgebreid en ecologisch waardevol van de weilandcomplex met microreliëf, doorsneden door een dicht slotenpatroon, soms omgeving begroeid met Riet. Het bloeiaspect wordt hier in hoge mate bepaald door Pinksterbloem. Vooral voor weidevogels (Grutto) heeft dit deelgebied een hoge faunistische waarde. Delen van de vallei staan tot ver in het voorjaar plasdras en zijn een vaste stopplaats voor steltlopers en eenden op doortrek. In de het oostelijke deel van de beekvallei, tussen de Kemmelbeek en de Noordweststraat, ligt een dicht netwerk aan poelen. Het gros staat via het slotenpatroon met elkaar in verbinding. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog veel water. Gekroesd fonteinkruid haalt een hoge bedekkingsgraad. Drijvende vegetatie is Vegetatie nauwelijks aanwezig: op een aantal plaatsen drijft bloeiende Veenwortel. In de noordwesthoek neemt een dichte vegetatie Liesgras enkele m² in. In de oeverzone groeit o.a. Grote waterweegbree, Mannagras, Geknikte vossenstaart en Rietgras. Knelpunten De poel is niet uitgerasterd. De aangrenzende weilanden worden periodiek begraasd door vee zodat de oevers van deze poellocatie kunnen worden betreden. Vooralsnog is en beheer de mate van betreding gering en leidt dit enkel op zuidkant tot een degradatie van de oevervegetatie. Het lijkt aangewezen om deze poel gedeeltelijk of volledig uit te rasteren. Momenteel is de herpetologische waarde van deze poel laag. De poel ontleent haar Belang belang aan de aanwezigheid van Bittervoorn en Bermpje, twee minder algemene
28
Aanwezige soorten
vissoorten. Bermpje is bekend uit het stroomgebied van de IJzer (en kan er plaatselijk zeer algemeen zijn) en wordt doorgaans beschouwd als een goede indicator voor zuiver water, ook al lijkt de soort wel enige vervuiling te kunnen verdragen (Vandelannoote et al., 1989). Bermpje wordt volledig beschermd door de Riviervisserijwetgeving en is opgenomen in bijlage III van de Conventie van Bern. Door de aanwezigheid van de twee voornoemde soorten, aangevuld met Driedoornige stekelbaars, Tiendoornige stekelbaars en Blauwbandgrondel, is deze locatie minder geschikt als voortplantingsplaats voor watersalamanders. Vermeldenswaardig is de vangst van een Waterschorpioen. Kleine watersalamander.
29
3.3 Waargenomen amfibieën In onderstaande tabel worden voor elk van de bemonsterde poellocaties alle gekende amfibiewaarnemingen weergegeven. De weerhouden poellocaties worden gerangschikt volgens de nummering die door de VLM werd opgegeven (R1, R2, R3, …). Voor elk van deze locaties wordt aangegeven onder welk uniek identificatienummer de poel staat geregistreerd in de databank van Hyla, de herpetologische werkgroep van Natuurpunt. Alle beschikbare gegevens werden opgevraagd uit deze databank. Voor elk van de bemonsteringen wordt aangegeven wanneer deze bemonstering plaatsvond en welke soorten werden aangetroffen, met onderscheid tussen de geslachten (man, wijf) en de leeftijd (adult, larve). Indien geen nadere specificaties omtrent aantal, geslacht of leeftijd bekend zijn, werden de gegevens ingevoerd als een onbekend aantal (-999) onder de rubriek onbekend (?). Ook adulten waarvan het geslacht niet kon worden bepaald, werden in deze categorie ondergebracht. Er moet worden opgemerkt dat alle waarnemingen van groene kikkers werden weerhouden als Bastaardkikker. In een beperkt aantal gevallen steunt deze soortspecifieke determinatie op diagnostische kenmerken die werden waargenomen (vorm en lengte van de metatarsusknobbel, roep). Meestal werden deze kenmerken echter niet waargenomen. De kans dat een groene kikker in deze regio echter betrekking zou hebben op één van de twee andere taxa van het groene kikker-synklepton (i.e. Poelkikker of Meerkikker) is echter verwaarloosbaar klein. Meer details zijn voorhanden in de Hyla-databank. 205.017
Alpenwatersalamander
R3
♂
♀
?
larve
Kleine watersalamander ♂
♀
-999
01.04.1978 11.06.1998 26.04.2002 02.05.2005 03.05.2005 27.06.2005 21.04.2009 26.05.2009
?
larve
Kamsalamander ♂
♀
-999
?
larve
Gewone pad ♂
♀
-999
?
Bruine kikker larve
♂
♀
-999
?
Bastaardkikker larve
♂
♀
-999 1 1
larve
500 7 1
30.07.2009 205.024
Alpenwatersalamander
R5
♂
01.04.1978 24.04.2001 23.06.2001 26.04.2002 26.05.2002 26.06.2002 02.05.2005
? -999 2 1 1
♀
?
larve
Kleine watersalamander ♂
♀
-999
? -999
larve
Kamsalamander ♂
♀
?
larve
Gewone pad ♂
-999
♀
?
Bruine kikker larve
-999
♂
♀
?
Bastaardkikker larve
♂
♀
?
larve
-999 -999
1 1
1
50
3
30
205.024
Alpenwatersalamander
R5
♂
♀
?
larve
Kleine watersalamander ♂
♀
?
1
03.05.2005 27.06.2005 21.04.2009 27.05.2009
4
larve
Kamsalamander ♂
♀
?
larve
Gewone pad ♂
♀
?
Bruine kikker larve
♂
♀
?
Bastaardkikker larve
♂
♀
?
larve
1 1
3
1
7
30.07.2009 205.306
Alpenwatersalamander
R6
♂
♀
?
larve
Kleine watersalamander ♂
♀
?
larve
Kamsalamander ♂
♀
?
larve
Gewone pad ♂
♀
?
Bruine kikker larve
♂
♀
?
Bastaardkikker larve
♂
♀
10
1 1
205.087
Alpenwatersalamander
R7
♂
♀
22.04.2009 26.05.2009
23 16
14 8
?
larve
Kleine watersalamander ♂
♀
9 6
4 1
?
205.085
Alpenwatersalamander
R8
♂
♀
?
larve
larve
Kamsalamander ♂
♀
?
larve
Gewone pad ♂
♀
?
Bruine kikker larve
♂
♀
?
♂
♀
?
larve
Kamsalamander ♂
♀
?
larve
Gewone pad ♂
♀
?
Bruine kikker larve
♂
♀
?
Bastaardkikker larve
♂
♀
15 2
21.04.2009 26.05.2009
?
1 Alpenwatersalamander
R9
♂
♀
?
larve
Kleine watersalamander ♂
♀
?
larve
Kamsalamander ♂
♀
?
larve
Gewone pad ♂
♀
?
Bruine kikker larve
larve
1 1
22.07.2009 205.086
larve
1
Kleine watersalamander ♀
? 2 1
7
♂
5
Bastaardkikker larve
20 5
41
22.07.2009
23.07.2009
larve
5 100 250
23.07.2009
21.04.2009 26.05.2009
?
1
26.04.2002 29.05.2009 26.06.2009 14.05.2006 21.04.2009 26.05.2009
♂
♀
?
31
Bastaardkikker larve
♂
♀
?
larve
250 2 5
31
205.080
Alpenwatersalamander
R10
♂
♀
?
larve
Kleine watersalamander ♂
♀
?
larve
Kamsalamander ♂
♀
?
larve
Gewone pad ♂
♀
?
Bruine kikker larve
♂
♀
?
1 25
21.04.2009 26.05.2009
Bastaardkikker larve
♂
♀
?
larve
10 6
22.07.2009 205.081
Alpenwatersalamander
R11
♂
♀
21.04.2009 26.05.2009
7 3
7 3
?
larve
Kleine watersalamander ♂
♀
1
1
?
larve
Kamsalamander ♂
♀
?
larve
Gewone pad ♂
♀
?
Bruine kikker larve
♂
♀
?
Bastaardkikker larve
♂
larve
♂
♀
?
larve
2
22.07.2009 205.082
Alpenwatersalamander
R12
♂
♀
?
larve
Kleine watersalamander ♂
♀
?
larve
Kamsalamander ♂
♀
?
larve
Gewone pad ♂
♀
?
Bruine kikker larve
♂
♀
?
Bastaardkikker ♀
?
larve
50
21.04.2009 26.05.2009
4
1 1
22.07.2009 205.083
Alpenwatersalamander
R13
♂
♀
?
larve
Kleine watersalamander ♂
♀
?
larve
Kamsalamander ♂
♀
?
larve
Gewone pad ♂
♀
?
Bruine kikker larve
♂
♀
?
5
21.04.2009 26.05.2009
Bastaardkikker larve
♂
♀
?
larve
1 6 29
22.07.2009 205.084
Alpenwatersalamander
R14
♂
♀
?
larve
Kleine watersalamander ♂
♀
?
larve
Kamsalamander ♂
♀
?
larve
Gewone pad ♂
♀
?
Bruine kikker larve
♂
larve
♂
♀
?
Bastaardkikker larve
♂
larve
♂
♀
?
larve
22.04.2009 27.05.2009 22.07.2009 205.088
Alpenwatersalamander
R15
♂
22.04.2009 27.05.2009
♀
?
larve
Kleine watersalamander ♂
♀
?
larve
Kamsalamander ♂
♀
?
larve
Gewone pad ♂
♀
?
Bruine kikker ♀
?
Bastaardkikker ♀
?
larve
1
23.07.2009
32
4. Literatuur Bruylants B., Vandelanoote A. & Verheyen R. F., 1989. De vissen van onze Vlaamse beken en rivieren. Hun ecologie, verspreiding en bescherming. W.E.L, Antwerpen. Colazzo S., Baert P., Valck F. & Bauwens D., 2002. Kwantificeren van recente veranderingen in status van amfibieën en hun biotopen in het landelijk gebied. VLINA 00/02. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. De Fonseca, P., 1980. De herpetofauna in Oost- en West-Vlaanderen. Verspreiding in functie van enkele milieufactoren. Doctoraatsthesis, Universiteit Gent. Econnection, 2002. Ruilverkavelingsproject Reninge. Uitvoering monitoringprogramma herpetofauna jaar -1 (2002). Econnection, Gent. Groeneveld A., 1997. Handleiding voor het monitoren van amfibieën in Nederland. Stichting Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland. Werkgroep Monitoring, Centraal Bureau voor de Statistiek, Amsterdam. Hermy M., De Blust G. & Slootmaekers M. (red.), 2004. Natuurbeheer. Uitgeverij Davidsfonds i.s.m. Argus vzw, Natuurpunt vzw en het IN, Leuven. Jooris R., 2002. Pelophylax. De groene wachters aan de waterkant. Natuurhistorische reeks 2002/1, Natuurpunt, Mechelen. Lambinon J., De Langhe J-E., Delvosalle L. & Duvigneaud J., 1998. Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridofyten en Spermatofyten). Derde druk. Nationale plantentuin van België, Meise. Vandelanoote A., Yseboodt R., Bruylants B., Verheyen R., Coeck J., Maes J., Belpaire C., Van Thuyne G., Denayer B., Beyens J., De Charleroy D. & Vandenabeele P., 1998. Atlas van de Vlaamse Beek- en Riviervissen. Vzw Water-Energik-vLario, Wijnegem. Weeda E.J., Westra R., Westra C. & Westra T., 1994. Nederlandse oecologische flora. Wilde planten en hun relaties 4. Uitgave van het I.V.N. in samenwerking met de Vara en de Vewin. Weeda E.J., Westra R., Westra C. & Westra T., 1994. Nederlandse oecologische flora. Wilde planten en hun relaties 5. Uitgave van het I.V.N. in samenwerking met de Vara en de Vewin.
33
5. Bijlagen 5.1. Tussentijdse verslagen 5.1.1 Tussentijds verslag eerste inventarisatieronde 06 - 08 april 2009 Elk van de poelen werd bemonsterd volgens de methodiek die werd weerhouden in de ingediende offerte. De weersomstandigheden waren gunstig met hoge dagtemperaturen (max. 22 °C) waardoor amfibieën behoorlijk mobiel zijn en de vangstkans aanzienlijk toeneemt. Algemene opmerking: heel wat poelen (zowel bestaande als nieuw aangelegde) grenzen gedeeltelijk aan intensief akkergebied. De kans dat deze locaties vanuit het omgevend landhabitat kunnen worden gekoloniseerd is eerder gering. Voor soorten met een grote actieradius (Gewone Pad) is de afstand poel - geschikt landbiotoop minder problematisch maar voor soorten met een geringere mobiliteit (o.a. Alpenwatersalamander, Kleine Watersalamander, Kamsalamander) is een aantal poelen moeilijk bereikbaar. Elke poel die nieuw wordt aangelegd of elke bestaande poel die wordt behouden en optimaal wordt beheerd is positief, maar voor poelen die worden aangelegd midden intensieve landbouwteelten, is de kans op een succesvolle kolonisatie door amfibieën toch eerder klein. Enkele opmerkelijke resultaten. In elk van de onderzochte poelen van ruilverkaveling Reninge (n = 11) werden amfibieën vastgesteld. Gewone Pad werd aangetroffen in negen poelen, Bruine Kikker in drie, Bastaardkikker in twee, Alpenwatersalamander in twee en Kleine Watersalamander in één. Voor amfibieën scoorde vooral R7 goed met 37 Alpenwatersalamanders, 13 Kleine Watersalamanders, twee subadulte Bastaardkikkers en larven van Gewone Pad. Vermoedelijk is de aanwezigheid van de omvangrijke waterlocaties in de noordelijk aangrenzende tuin hier niet vreemd aan. Ook R11 was goed voor 14 Alpenwatersalamanders. Hoewel door bemonstering met één fuik de aanwezigheid van watersalamanders niet steeds kan worden vastgesteld, lijkt het er toch op dat het plangebied voor watersalamanders ongeschikt is geworden. Vissen werden aangetroffen in negen poelen. Tiendoornige Stekelbaars was vaak zeer talrijk aanwezig. Verder werden ook Driedoornige Stekelbaars, Rietvoorn, Blauwbandgrondel, Bittervoorn en Bermpje gevangen. Vooral de aanwezigheid van Bermpje (R13) en Bittervoorn (R14) is opmerkelijk aangezien beide soorten zeldzaam zijn. Bermpje is bekend uit het stroomgebied van de IJzer (en kan er plaatselijk zeer algemeen zijn) en wordt doorgaans beschouwd als een goede indicator voor zuiver water. De soort wordt momenteel volledig beschermd door de Riviervisserijwetgeving en is opgenomen in bijlage III van de Conventie van Bern. Het lijkt niet uitgesloten dat de soort hier werd uitgezet aangezien hier ook veel Blauwbandgrondel werd aangetroffen. Hoe het ook zij: de aanwezigheid van vis in het merendeel van de onderzochte poel is negatief voor een succesvolle en duurzame kolonisatie door Alpenwater- en Kleine Watersalamander. Heel wat vissoorten (zoals stekelbaars) voeden zich immers met de eitjes en larven van watersalamanders. Opvallend: R1 en R2 werden recent (?) gedempt. Het voormalig grasland werd gescheurd en in de akker is de poel nog herkenbaar als een vochtige steengruisdepressie. De nieuwe poel ten westen van voornoemde locatie was de enige waarin Bittervoorn werd gevangen. Op de eerste set aan veldkaarten die werd aangeleverd, was sprake van een nieuw aangelegde poel ten noorden van R3. Deze poel staat ingetekend aan de oostzijde van de weg. Op deze locatie werd enkel een sterk verlande, oude weidepoel aangetroffen. Een nieuw aangelegde poel kon hier niet worden terug gevonden. Na navraag bij de VLM bleek dat de poel de andere kant van de weg zou moeten gelegen hebben. Het betreft een depressie die verbonden is met grachten. R4 werd niet bemonsterd aangezien een heftige stier de toegang tot het weiland onmogelijk maakte. In deze poel werden rond 2000 vele honderden liters mest geloosd en de kans op een volledig hersteld ecologisch evenwicht, is dan ook eerder gering. Voor een aantal poelen werden beheervoorstellen genoteerd die in het rapport zullen worden opgenomen.
34
In Ruilverkaveling Woesten werden alle poelen (n = 7) bemonsterd volgens de voorgeschreven methodiek. W7 - volgens de aangeleverde kaarten een nieuw aangelegde poel - kon op terrein niet worden gevonden. Bij navraag bleek deze poel niet te zijn aangelegd. In vier poelen werden amfibieën vastgesteld. Gewone Pad werd aangetroffen in twee poelen, Bastaardkikker in twee, Alpenwatersalamander in één en Kleine Watersalamander in drie. Vooral de noordelijk nieuw aangelegde poel in de vallei van de Poperingse Vaart was opmerkelijk met negen Kleine Watersalamanders. Samen met W6, ligt deze poel in een zeer smalle depressie midden in een uitgestrekt akkergebied. Het areaal aan potentieel geschikt landhabitat is beperkt maar lijkt voldoende om een populatie Kleine Watersalamander in stand te houden. De aanplant van houtkanten langsheen deze vallei kan mogelijk positief zijn voor één van de laatste zangposten van Grauwe Gors in de regio. Deze soort is in de Westhoek sterk achteruit gegaan en wordt er met uitsterven bedreigd. Misschien kan vanuit de Vlaamse Landmaatschappij worden gepoogd om hier een aantal beheerovereenkomsten ‘weidevogels’ af te sluiten met o.a. aanleg van trioranden aangezien Gele Kwikstaart, Veldleeuwerik, Patrijs, Graspieper en Grauwe Gors er tijdens de bemonstering van beide poelen werden vastgesteld. In de oevervegetatie van W6 werd een nest van Grote Canadese Gans (met drie eieren) geschud. In vergelijking met de eerste bemonstering, voor de uitvoering van de ruilverkaveling, is vooral W1 er sterk op achteruitgegaan. Hoewel Bastaardkikker, Alpenwatersalamander en Kleine Watersalamander er nog konden worden vastgesteld, is de poel al sterk verland door een sterke toename van Grote Lisdodde, Scherpe Zegge en Gele Lis. Het lijkt aangewezen om de verlanding tegen te gaan door passende beheermaatregelen. W3 werd uitvoerig bemonsterd omdat dit in het verleden de enige locatie was waar (herhaaldelijk) Kamsalamander werd aangetroffen. Ondanks intensieve bemonstering met schepnet en fuik, werd de soort hier niet meer aangetroffen. Er moet worden opgemerkt dat bij de voorgaande ronde monitoring herpetofauna RVK Woesten, een fuik door onbekenden centraal in de poel werd gegooid. Kamsalamanders in de fuik konden niet meer voorzien in hun zuurstofbehoefte en werden bij controle dood in de fuik aangetroffen. Voor een lokale populatie met een beperkt aantal reproductieve exemplaren, kan het verlies van een aantal individuen een ingrijpende, negatieve impact hebben. Verdere bemonstering moet aantonen of de soort hier nog voorkomt. Algemeen kan worden gesteld dat een aantal poelen geïsoleerd ligt middenin ongeschikt landhabitat. Gewone Pad plant zich voort in de meerderheid van de poelen maar voor watersalamanders lijkt de toestand in de regio dramatisch. Een volgende ronde wordt gepland midden mei. Met vriendelijke groet, Dominique Verbelen, projectmedewerker, dominique.verbelen@natuurpunt.be Paul Durinck, projectleider, paul.durinck@grontmij.be
35
5.1.2 Tussentijds verslag tweede inventarisatieronde 25 - 27 mei 2009 Elk van de poelen werd bemonsterd volgens de methodiek die werd weerhouden in de ingediende offerte. De weersomstandigheden waren gunstig maar de maximadagtemperatuur lag aanzienlijk lager dan tijdens de eerste ronde (17 °C). Dit kan de mobiliteit van amfibieën negatief hebben beïnvloed. Omdat voor de nacht van 25 op 26 mei heftige onweders werden voorspeld, werden de fuiken iets minder diep geplaatst dan normaal om te verhinderen dat door een snel stijgend waterniveau de fuiken onder de waterspiegel zouden verdwijnen en gevangen amfibieën zich nier meer van voldoende zuurstof zouden kunnen voorzien. In tegenstelling tot de eerste ronde werden ook de nieuw aangelegde poel tegen de Poperingse Vaart en de oude poel ten westen van de Rijsdreef bemonsterd. Enkele opmerkelijke resultaten. In tien van de onderzochte poelen van ruilverkaveling Reninge (n = 12) werden amfibieën vastgesteld. Gewone Pad werd aangetroffen in vier poelen, Bruine Kikker in drie, Bastaardkikker in vijf, Alpenwatersalamander in twee en Kleine Watersalamander eveneens in twee. Voor amfibieën scoorde vooral R7 goed met 24 Alpenwatersalamanders (eerste ronde: 34), 7 Kleine Watersalamanders (eerste ronde: 13), 1 subadulte Bastaardkikker (eerste ronde: 1) en larven van Gewone Pad. Verder werden watersalamanders enkel nog in R11 aangetroffen: 6 Alpenwatersalamanders (eerste ronde: 14) en twee Kleine Watersalamanders (eerste ronde: 0). De bezettingsgraad voor watersalamanders ligt opvallend laag. Mogelijke verklaringen werden in het eerste tussentijds verslag al aangehaald maar het lijkt raadzaam om hier verder op in te gaan. Hoewel een uitgebreide studie vereist is om meer onderbouwde uitspraken te kunnen doen, lijkt de inplanting van de poelen de geringe bezettingsgraad deels te kunnen verklaren. Een aantal poelen wordt grotendeels omgeven door akkers waardoor een potentieel geschikte voortplantingslocatie wordt omgeven door een uitermate ongeschikt landhabitat. Voor amfibieën (en zeker voor watersalamanders) is de aanwezigheid van een geschikt landhabitat een absolute vereiste. Meer nog: een gunstig landhabitat moet beschikbaar zijn in de onmiddellijke omgeving van een (nieuw aangelegde) poel aangezien de dispersiecapaciteiten van watersalamanders beperkt zijn (400 à 600 m). Hoewel de aanplant van houtkanten de ecologische infrastructuur van het projectgebied ten goede komt, kan dit de voortschrijdende habitatdegradatie en -fragmentatie niet compenseren. Van de nieuw aangelegde poelen die in het kader van deze opdracht werden bemonsterd, lijkt de inplanting van R7, R8, R9, R10 en R12 niet optimaal omdat deze in te hoge mate worden omgeven door akkerbouw. Op zich is dit betreurenswaardig omdat hierdoor het ecologisch rendement van deze compenserende maatregelen (te) laag ligt. Ook bij de inplanting van de nieuw aangelegde houtkanten, kunnen kanttekeningen worden geplaatst. Zo werd bij R5 een houtkant aangeplant die dit jaar al gedeeltelijk moest worden verwijderd omdat anders de aangrenzende sloot niet kon worden geruimd. De landbouwer zegt dit probleem reeds bij de aanplantfase bij de VLM te hebben aangekaart. Het onderhoud van de nieuw aangelegde poelen (en de omgevende landbiotopen) moet in de toekomst zeker een belangrijk aandachtspunt vormen. Twee voorbeelden. R11 is één van de twee poelen met een goede bezettingsgraag aan watersalamanders. Vanaf de oostzijde, rukt boomopslag snel op waardoor de kans bestaat dat de ganse poellocatie op korte termijn volledig zal verlanden en deze locatie niet langer geschikt zal zijn voor amfibieën. Het verwijderen van deze opslag dringt zich op. De nieuw aangelegde poel net ten oosten van de Poperingse Vaart is gesitueerd in één van de ecologisch meest waardevolle hooilandblokken uit het plangebied. De inplanting is dus uitstekend maar het beheer van het aangrenzend perceel liet te wensen over. Het hooiland was eind mei gemaaid maar het maaisel werd (nog) niet afgehaald. Aangezien dit maaisel tijdens de tweede inventarisatieronde al grotendeels was ingegroeid, lijkt het weinig aannemelijk dat dit alsnog in een latere fase zal worden verwijderd. Hierdoor zal dit hooiland verruigen wat zowel vanuit landbouwkundig als vanuit ecologisch standpunt kan worden betreurd.
36
Eén van de negatieve factoren waaraan veel moeilijker zal kunnen worden verholpen, is de aanwezigheid van vis in de bemonsterde poelen. Tijdens de tweede inventarisatieronde werd vis vastgesteld in acht poelen. Bermpje werd tijdens de tweede inventarisatieronde gevangen in R6, R13 en de nieuwe poel nabij de Landdijkgracht. Bittervoorn (een Habitatrichtlijnsoort) werd deze keer vastgesteld in R6, R13, de nieuwe poel nabij de Poperingse Vaart en de nieuwe poel nabij de Landdijkgracht. In een aantal poelen is vis zo abundant dat een succesvolle voortplanting van amfibieën (in casu watersalamanders) sterk in het gedrang komt. Elektrisch afvissen lijkt voor de meeste locaties geen optie aangezien de poelen zich situeren in overstromingsgebieden of via een wijd vertakt slotenpatroon in verbinding staan met visrijke wateren. Afvangen zou de bezettingsgraad tijdelijk kunnen verlagen maar een nieuwe kolonisatie door vis zou (zelfs op korte termijn) niet kunnen worden verhinderd. Indien de nieuw aangelegde poelen vooral salamanders als doelsoorten beoogden, kan de inplanting van een aantal poellocaties dus ook omwille van (snelle en onvermijdelijke) kolonisatie door vis worden in vraag gesteld. Frappant voorbeeld: in de nieuw gegraven poel nabij de Poperingse Vaart werden met één fuik na één nacht 314 vissen (verdeeld over drie soorten) gevangen. In Ruilverkaveling Woesten werden alle poelen (n = 7) bemonsterd volgens de voorgeschreven methodiek. Gewone Pad werd aangetroffen in drie poelen, Bastaardkikker, Alpenwatersalamander en Kleine Watersalamander telkens in één. Net als tijdens de eerste bemonsteringsronde valt op dat in W3 geen watersalamanders meer werden vastgesteld. Aangezien hier vroeger bijna elke keer Kamsalamander werd gevangen, zijn de resultaten uit voorliggende studie verontrustend. Nochtans worden volgens de aangrenzende landbouwers nog vaak salamanders op het erf waargenomen. Een meer intensieve bemonstering volgend voorjaar lijkt aangewezen. Mogelijk kan de aanwezigheid van Kamsalamander, Alpenwatersalamander en Kleine watersalamander tijdens de derde ronde alsnog worden vastgesteld aan de hand van larven. Zoals ook al werd aangehaald in het eerste tussentijds verslag, is de ligging van alle poelen die voor deze bemonstering werden weerhouden binnen het plangebied van Ruilverkaveling Woesten, ongunstig voor amfibieën. Recent werden graslanden nog gescheurd en omgezet naar akker (bv. bij W5) en ook de twee nieuw aangelegde poelen werden ingeplant in smalle hooilandvalleitjes die aan beide zijden geprangd liggen tussen een omvangrijk akkerareaal. Opmerkelijk: in de houtkant bij W1 werd een zangpost van Zomertortel vastgesteld, in W1 werd een Waterschorpioen gevangen en in het hooiland nabij de nieuwe poel ten oosten van de Poperingse Vaart zong een Graszanger. De eerder gemelde zangpost van Grauwe Gors kon dit keer echter niet meer worden bevestigd. Een derde en laatste ronde wordt gepland tussen 15 en 30 juni. In deze ronde zullen de poelen uitsluitend met schepnet worden bemonsterd om de aanwezigheid van amfibielarven vast te stellen. Een poel met adulte amfibieën wint immers aanzienlijk aan herpetologische waarde wanneer ook succesvolle voortplanting kan worden vastgesteld. Met vriendelijke groet, Dominique Verbelen, projectmedewerker, dominique.verbelen@natuurpunt.be Paul Durinck, projectleider, paul.durinck@grontmij.be
37
5.1.3 Tussentijds verslag derde inventarisatieronde 22 - 23 en 31 juli 2009 In onderling overleg tussen de opdrachtgever en de opdrachthouder werd besloten om de methodiek voor de derde ronde aan te passen. Initieel werd gesteld dat tijdens de derde ronde alle poelen opnieuw zouden worden bemonsterd met fuiken. Deze inventarisatiemethode is zeer efficiënt wanneer wordt gepoogd om de aanwezigheid van volwassen watersalamander in poellocaties aan te tonen. De derde ronde heeft echter als doel om te bepalen of amfibieën zich ook in de weerhouden locaties voortplanten en richt zich dus vooral op het in kaart brengen van larven van watersalamanders en (in mindere mate van) groene kikkers. Larven van Bruine Kikker en Gewone Pad zijn op dit moment al volledige gemetamorfoseerd en hebben de waterhabitat al verlaten. Omdat larven van watersalamanders niet of zeer slecht kunnen worden bemonsterd met fuiken, werd geopteerd voor een intensieve bemonstering met schepnet. Deze methodiek zal uitgebreid worden toegelicht in het eindrapport. Een larvenronde is interessant omdat hiermee ook kan in kaart worden gebracht of de geïnventariseerde poelen enkel als stapsteen of ook als reproductieplaats worden gebruikt. De ecologische waarde van een succesvolle voortplantingspoel is voor het in stand houden van een lokale, duurzame populatie immers aanzienlijk hoger dan de ecologische waarde van een ‘stapsteenpoel’ In de ruilverkaveling Reninge leverde de derde ronde een genuanceerd beeld op t.o.v. de resultaten van de twee vorige rondes. Tijdens de bemonsteringsrondes voor adulte watersalamanders werd Kleine Watersalamander vastgesteld in drie poelen, Alpenwatersalamander in twee. Eén van de beste poelen bleek toen poellocatie R11. In de eerste ronde werden hier 14 adulte Alpenwatersalamanders gevangen. Zoals werd gemeld in vorige tussentijdse verslagen, is deze locatie sterk verland. Op 22 juli 2009 stond de poel volledig droog waardoor mag worden vermoed dat larven niet tijdig konden metamorfoseren en deze locatie (althans dit jaar) niet succesvol was als voortplantingsplaats. In verhouding tot de oppervlakte, doen de hoge aantallen adulte watersalamanders uit de eerste ronde vermoeden dat dit één van de weinige poelen is uit de omgeving die geschikt is voor Alpenwatersalamander en Kleine Watersalamander. Het is dan ook jammer dat deze poel niet tot midden augustus waterhoudend is. Een beheeringreep (o.a. uitdiepen tot op de minerale bodem, verwijderen van spontane boomopslag) dringt zich op. De andere ‘salamanderpoel’ R7 beantwoordde wel aan de verwachtingen. Tijdens de eerste bemonsteringsronde werden hier 37 Alpenwatersalamanders en 13 Kleine Watersalamanders vastgesteld. Ondanks de zeer geringe oppervlakte, leverden vier bemonsteringen met schepnet 41 larven op van Alpenwatersalamander en zeven van Kleine Watersalamander. Deze dichtheid aan larven is hoog en de poel is zondermeer de meest succesvolle van alle poelen die nieuw werden aangelegd in het plangebied van de ruilverkaveling van Reninge. Voor alle andere poellocaties binnen dit plangebied kon de vermoedelijke afwezigheid van watersalamanders opnieuw worden bevestigd. Van de twaalf bemonsterde poellocaties kon dus in slechts één poel succesvolle voortplanting van watersalamanders worden aangetoond. Alluviale vlaktes van grote rivieren (bv. IJzer) zijn doorgaans vrij arm aan watersalamanders maar een dergelijk lage bezettingsgraad is wel extreem laag, zeker wanneer in overweging wordt genomen dat de nieuwe poelen net met een herpetologisch doel werden aangelegd. Er kan worden vermoed dat een aantal van de weerhouden locaties niet als stapsteen of als voortplantingsplaats door amfibieën wordt gebruikt omdat de omgevende landbiotoop niet geschikt is. Aangezien de dispersiecapaciteit van amfibieën (en zeker van watersalamanders) beperkt is (ca. 400 à 600 m) is de aanwezigheid van een duurzame populatie op geringe afstand van de geïnventariseerde poelen een noodzakelijke voorwaarde opdat deze zouden kunnen worden gekoloniseerd. In een aantal gevallen worden de bemonsterde poelen omgeven door intensieve akkerbouw, een ongunstig landhabitat voor kikkers, padden en salamanders. Bij de uitbouw van een ecologische infrastructuur in toekomstige ruilverkavelingen, wordt aangeraden om - zeker voor nieuw aan te leggen poelen - voorafgaand advies in te winnen van Hyla, de reptielenen amfibieënwerkgroep van Natuurpunt. Op basis van een uitgebreide databank kan worden bepaald waar al amfibieën aanwezig zijn zodat de situering van de nieuw aan te leggen poelen hier maximaal kan worden op afgesteld. Vaak werd de plaatskeuze binnen het plangebied van de ruilverkaveling
38
Reninge in grote mate bepaald door de praktische overwegingen (waar kan welke grond gemakkelijk worden verworven voor de aanleg van een poel?) eerder dan door herpetologische overwegingen (waar zou een poel optimaal renderen voor amfibieën?). Een algemene beschouwing (die voor heel wat van de weerhouden poellocaties opgaat) is dat een duurzaam beheer een noodzakelijke voorwaarde is om poellocaties ecologisch optimaal te laten renderen. Een poel in een hooiland met een vervilte grasmat en een zeer ruderale, dichte vegetatie is minder interessant dan een poel in bv. een voedselarm hooiland met een hoge bedekkingsgraad aan laagproductieve grassen. Deze opmerking wordt in dit derde tussentijds verslag opgenomen omdat tijdens de inventarisatie herhaaldelijk kon worden vastgesteld dat de vegetatie in de onmiddellijke omgeving van de poel wel werd gemaaid maar dat het maaisel (nog) niet werd afgehaald. Hierdoor wordt de bodem verder aangerijkt en krijgen stikstofminnende soorten de bovenhand. Een ecologisch optimaal beheer van de omliggende landhabitat is van cruciaal belang om ook de poel als een volwaardige stapsteen of voortplantingsplaats te kunnen laten functioneren. In het eindrapport kunnen per poellocatie een aantal meer gedetailleerde beheerrichtlijnen worden opgenomen. Het uitrasteren van R6, de poellocatie in de Brabanthoek, willen we hier toch al meegeven aangezien de oevers van deze poel (vooral aan de westzijde) volledig worden vertrappeld door vee. Zoals ook al eerder werd aangegeven, mag de ecologische waarde van een poel niet enkel worden afgemeten aan de aan- of afwezigheid van amfibieën. Succesvolle voortplanting van Bermpje in R13 en de enige weerhouden poel in Noordschote (ten oosten van de Landdijkgracht) is zeker vermeldenswaardig. Bermpje is een bodembewonende soort. Het meest komt hij voor in stromend water maar er zijn ook vindplaatsen uit stilstaande wateren bekend. De soort is volgens de literatuur een goede indicator voor zuiver water, alhoewel hij toch enige vervuiling lijkt te kunnen verdragen. De aanwezigheid van Bermpje in het stroombekken van de IJzer is bekend. De soort wordt momenteel volledig beschermd door de Riviervisserijwetgeving en is opgenomen in Bijlage III van het Verdrag van Bern. In de grote poel in Vleteren werd opnieuw Bittervoorn gevangen. Deze soort is gebonden aan wateren waar zoetwatermossels van het geslacht Unio of Anodonta voorkomen. Plassen met goed ontwikkelde waterplantenvegetatie en oeverzones met een goede tot vrij goede waterkwaliteit zijn een vereiste. De visjes zoeken de beschutting van waterplanten op, waar ze vooral van plantaardig plankton leven. De eitjes ontwikkelen tussen de kieuwen van een zoetwatermossel. De aanwezigheid van de soort in de IJzer en polderwaterlopen uit het plangebied (Boezingegracht, Landdijkgracht) is bekend. Toch blijft elke nieuwe vindplaats in poelen vermeldenswaardig, zeker omdat kleine, stilstaande wateren niet vaak elektrisch worden bemonsterd en er verhoudingsgewijs relatief weinig data voorliggen van Bittervoorn in poelen. Vooral de snelheid waarmee Bittervoorn sommige nieuwe poellocaties heeft gekoloniseerd, is opmerkelijk. De poellocatie die werd weerhouden aan de oostzijde van de Rijsdreef, blijft voor enige verwarring zorgen. Tijdens de twee vorige inventarisatierondes, kon hier geen nieuwe poellocatie worden gevonden. Op 23 juli 2009 werd echter vastgesteld dat op de sloot recent een verbreding werd uitgegraven. Deze werken zijn vermoedelijk pas zeer recent uitgevoerd aangezien alle baggerspecie nog op de oevers van deze ‘zwaaikom’ op twee grote hopen lag gestort. Dit is niet gewenst. Doordat deze locatie in rechtstreekse verbinding staat met een watervoerende sloot, is een zeer snelle kolonisatie door vis gegarandeerd. Bovendien werd deze poel (nog) niet uitgerasterd en werden de oevers op zeer korte tijd al intens betreden door het vee dat op het aangrenzend weiland graast. Goed voor stekelbaars, koe, Meerkoet en muggenlarven maar geenszins van nut voor amfibieën. Jammer. De poelen die werden bemonsterd in het plangebied van ruilverkaveling Woesten, vertonen in hoge mate gelijkenis met de poellocaties uit het plangebied van de ruilverkaveling Reninge. Ook al ligt dit gebied niet in de invloedsfeer van de IJzer of polderwaterlopen, toch werden ook hier de meeste nieuwe poelen op heel korte termijn gekoloniseerd door vis, meestal door Tiendoornige stekelbaars. Opvallende vaststelling: ondanks een intensieve bemonstering, kon ook nu weer in W3 de aanwezigheid van Kamsalamander niet worden vastgesteld. De kans dat de soort in 2009 deze poel als 39
stapsteen of als voortplantingslocatie heeft gebruikt, lijkt dan ook eerder gering. In tegenstelling tot bij de twee vorige bemonsteringen, werd de poel op 23 juli 2009 volledig bedekt door kroos, wat een indicatie kan zijn voor een (te) hoog nutriëntgehalte. Een hoge abundantie aan kroos, is vaak negatief voor voortplanting van salamanders. Positief: terwijl de twee eerdere bemonsteringen met fuiken geen salamanders opleverden, kon nu wel de aanwezigheid van Alpenwatersalamander worden vastgesteld. Mogelijk zijn de biotische en a-biotische kenmerken van deze poel de voorbije jaren gewijzigd waardoor de herpetologische waarde ervan sterk is gedaald. Omdat kan worden vermoed dat in de omgeving nog wel Kamsalamander aanwezig is, dringt de aanleg van een aantal nieuwe poellocaties in de onmiddellijke omgeving zich op. De omgeving van de twee nieuwe poelen net ten oosten van de Poperingse Vaart, vraagt om een aantal maatregelen in functie van akkervogels. Patrijs met zeven pulli, twee zangposten van Kwartel en een zangpost van Grauwe Gors en Graszanger is voor drie terreinbezoeken een goede indicatie voor de hoge avifaunistische waarde van deze zone. Aanleg van brede trioranden en aanplant van (meer) houtkanten langsheen de Poperingse Vaart zouden kunnen in overweging worden genomen. Volgens aangelanden worden beide poellocaties sporadisch overstroomd met water uit de Poperingse Vaart. In hoeverre dit de waterkwaliteit van deze nieuwe poelen negatief beïnvloedt, is onbekend. De noordelijke poel (nabij de paardenmanege) ontvangt afstromend spoelwater van de hoger gelegen akkers. Hier zou kunnen worden overwogen om nog bredere bufferstroken aan te leggen. Ook al werden hier tijdens de eerste inventarisatieronde negen Kleine Watersalamander gevonden, toch leverde een intensieve bemonstering met schepnet geen larven op. Van de vier poellocaties waar eerder adulte watersalamanders konden worden vastgesteld, werden enkel in W1 larven gevonden (n = 40 op zeven bemonsteringen). Op zich kan dit eigenlijk niet als een verdienste van de ruilverkaveling worden beschouwd aangezien deze poel er al lag vóór de ruilverkaveling en sinds de ruilverkaveling niet meer werd beheerd. Nochtans dringt ook hier een beheer (gespreid in tijd en ruimte) zich op aangezien de poel steeds verder verlandt. Algemeen kan worden gesteld dat een aantal van de nieuw aangelegde poelen eerder ongelukkig werden ingeplant, beheer van de aangrenzende landhabitat vaak niet (optimaal) gebeurt, de keuze van de weerhouden te bemonsteren locaties niet steeds logisch is, twee poelen intussen werden gedempt, succesvolle voortplanting van watersalamander beperkt blijft tot twee locaties en de belangrijkste poel die tijdens de vorige monitoringronde nog Kamsalamander opleverde, is gedegradeerd. Al bij al toch een vrij negatief resultaat, met uitzondering van de snelle kolonisatie van nieuw aangelegde poelen waardoor toch enige hoop op de toekomst kan worden gesteld. Met vriendelijke groet, Dominique Verbelen, projectmedewerker, dominique.verbelen@natuurpunt.be Paul Durinck, projectleider, paul.durinck@grontmij.be
40
5.2 Datastructuur digitale bestanden Rapport (*.doc-bestanden) Dit bevindt zich onder D (dit is de letter van uw CD-ROM-drive):\rapport Hieronder bevinden zich ook de waarnemingsformulieren. Figuren (*.PDF) Deze bestanden bevinden zich onder D/\PDF Shapefiles (*.shp, *.dbf, *.shx, *.sbn, *.sbx) Deze bestanden bevinden zich onder: - D:\GIS_poelen (dit bevat de poelen met bijhorende buffers) - D:\GIS_grondgebruik (dit bevat de bestanden met het grondgebruik) ArcMap bestanden (*.mxd) Deze bestanden bevinden zich onder D:\ArcGis en kunnen gebruikt worden om de kaarten te reconstrueren.
41
5.3 Situeringskaart Kaart met ligging van de poelen en het omgevende grondgebruik
42
Ruilverkavelingsproject Reninge Situering poelen en aanpalend grondgebruik
Legende ( !
Bestaande poel (Knot)bomenrij/haag/struweel Waterloop Poel Akker Grasland Bebouwing (Knot)bomenrij/haag/struweel
R6 R10 R1 R2
R11 R13
R12
R3 R15
R14
R8 R9
R4
R7
R5
500
250
Bronnen : NGI
Versie: 23 september 2009
0
500 m
Âą