Vlaams Eurydice rapport 2010
Overzicht van het onderwijsbeleid en de onderwijsorganisatie in Vlaanderen
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Departement Onderwijs en Vorming Afdeling Internationale Relaties Onderwijs Eurydice Vlaanderen Brussel, 2010
Verantwoordelijke uitgever: Natalie Verstraete Afdeling Internationale Relaties Dept Onderwijs en Vorming Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel Tekst: Rob De Vries Coördinatie: Ilse Scheirlinckx Drukwerk: Ministerie Onderwijs en Vorming Drukkerij Naast deze brochure geeft het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming tal van andere publicaties uit. Voor een overzicht kunt u terecht op de website www.ond.vlaanderen.be/publicaties Een papieren versie van de catalogus kunt u bekomen bij het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, Agentschap voor Onderwijscommunicatie, Cel Publicaties Onderwijs, Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel, tel: 02-553.66.53 – fax: 02-553.66.54 – e-mail: onderwijspublicaties@vlaanderen.be U kan alle Eurydice publicaties raadplegen en bestellen op www.eurydice.org.
D/2010/3241/144
Beknopte inhoud
1. Politieke, sociale en economische achtergrond en ontwikkelingen 2. Algemene organisatie van het onderwijssysteem en het onderwijsbeheer 3. Kinderopvang 4. Basisonderwijs 5. Secundair & post-secundair niet-tertiair onderwijs 6. Hoger (tertiair) onderwijs 7. Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen 8. Onderwijzend en management personeel en educatieve stafleden 9. Evaluatie van de onderwijsinstellingen en het educatieve systeem 10. Onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften 11. De Europese en internationale dimensie in het onderwijs
Glossarium Wet- en regelgeving Instellingen Bibliografie
Dit dossier is een gedrukte versie van het rapport dat online raadpleegbaar en downloadbaar is op de website van Eurydice: http://eacea.ec.europa.eu/portal/page/portal/Eurydice De blauwe termen in de tekst zijn kernbegrippen die nader worden toegelicht in het glossarium (en online via een tiptool). De gekleurde referenties achteraan de secties verwijzen naar de bijlagen weten regelgeving (groen), instellingen (bruin) en bibliografie (paars). In de online versie zijn het samen met de kruisverwijzingen hyperlinks. Naast dit dossier wordt jaarlijks ook een zeer beknopte 'Synopsis van de onderwijssystemen en lopende hervormingen in Europa - BelgiĂŤ, Vlaamse Gemeenschap' gemaakt en een uitgebreider overzicht van de 'Onderwijsstructuren en systemen voor beroepsopleiding en volwassenenvorming in Europa - BelgiĂŤ, Vlaamse Gemeenschap'. Van al deze documenten bestaat ook een Engelstalige versie. Ook door de Franse en Duitstalige Gemeenschap worden dergelijke documenten gemaakt.
Beknopte inhoud / 3
Dankwoord Heel wat experten hebben essentiële informatie geleverd, teksten nagelezen en/of geholpen bij het contacteren van andere experten. Hun inbreng was cruciaal voor de correctheid van deze tekst. Veel dank daarvoor aan Véronique Adriaens, Jeroen Backs, Dominique Berrier, Maddy Bollen, Katrien Bonneux, Wilfried Boomgaert, Bea Buysse, Karolien Casier, Wim Cloots, Kris Coremans, Dieter Coussee, Noemie De Clercq, Linda De Cock, Jan De Craemer, John De Plecker, Ilse De Volder, Chris Deloof, Annemie Dewael, Chris Dockx, Jill Everaert, Sara Gilissen, Mireille Gillebeert, Liesbeth Hens, Ruth Lamotte, Dirk Lapeirre, Erwin Malfroy, Theo Mardulier, Nina Mares, Sabine Meuwis, Peter Michielsens, Leen Mortier, Elke Naessens, Luc Neyens, Elke Peeters, An Raiglot, Renilde Reynders, Martine Roeland, Marie-Hélène Sabbe, Katlijn Schroyens, Nicole Speleers, Roger Standaert, Jean Steenbergen, Miekatrien Sterck, Jos Thys, Luc Van Beeumen, Sonja Van Craeymeersch, Linde Van Cutsem, Ann Van Driessche, Monika Van Geit, Marianne Van Lancker, Christele Van Nieuwenhuyse, Jef Van Thielen, Kristof Veekmans, Noël Vercruysse, André Verdegem, Evi Verduyckt, Ann Verhaegen, Geert Vermeulen, Natalie Verstraete, Karl Wauters, Nancy Willems, Patrick Willems en wellicht nog anderen die indirect aan dit dossier bijdroegen. Veel dank ook aan Ilse Scheirlinckx voor de begeleiding en ondersteuning. Veel informatie bleek beschikbaar op de websites van de in bijlage vernoemde instellingen, maar vooral de website van het departement Onderwijs en Vorming, de persberichten van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, Schooldirect, Edulex en Wetwijs waren van vitaal belang voor de actualisering. Voor de statistische gegevens waren vooral het Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs, Vlaams Onderwijs in Cijfers, Vlaams Onderwijs in Beeld, Geert Vermeulen en de website van de Studiedienst van de Vlaamse Regering een rijke bron.
Dankwoord / 4
Inhoud
BEKNOPTE INHOUD .............................................................................................................................................. 3 DANKWOORD ....................................................................................................................................................... 4 INHOUD ................................................................................................................................................................ 5 1. POLITIEKE, SOCIALE EN ECONOMISCHE ACHTERGROND EN ONTWIKKELINGEN ........... 17 1.1. HISTORISCH OVERZICHT.............................................................................................................................. 17 1.1.1. Naar een federale staat met communautarisering van het onderwijs ................................................. 17 1.1.2. Structuur van de politieke besluitvorming........................................................................................... 19 1.1.3. Politieke partijen in Vlaanderen ......................................................................................................... 19 1.2. WETGEVENDE EN UITVOERENDE MACHTEN OP DE VERSCHILLENDE NIVEAUS ............................................. 21 1.2.1. Federaal .............................................................................................................................................. 21 1.2.2. Vlaamse Gemeenschap en Vlaamse Gewest........................................................................................ 23 1.2.3. Brussels Hoofdstedelijk Gewest .......................................................................................................... 25 1.2.4. Provincies, steden en gemeenten......................................................................................................... 25 1.3. LEVENSBESCHOUWING................................................................................................................................ 26 1.4. TALEN ......................................................................................................................................................... 27 1.5. DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN .......................................................................................................... 28 1.6. ECONOMIE .................................................................................................................................................. 32 1.7. STATISTIEKEN ............................................................................................................................................. 33 1.7.1. Demografische statistieken ................................................................................................................. 33 1.7.2. Economische statistieken..................................................................................................................... 35 1.7.3. Scholingsgraad & ongekwalificeerde uitstroom & deelname aan permanente vorming .................... 37 2. ALGEMENE ORGANISATIE EN BESTUUR VAN HET ONDERWIJS................................................ 43 2.1. HISTORISCH OVERZICHT.............................................................................................................................. 43 2.2. LOPENDE DISCUSSIES EN BELEIDSONTWIKKELINGEN .................................................................................. 45 2.3. FUNDAMENTELE PRINCIPES EN WETGEVING ................................................................................................ 50 2.3.1. Vrijheid van onderwijs ........................................................................................................................ 50 2.3.1.1. Vrijheid van oprichting, richting en inrichting van onderwijs........................................................................ 50 2.3.1.2. Vrijheid van schoolkeuze en inschrijvingsrecht ............................................................................................. 51
2.3.2. Onderwijsnetten .................................................................................................................................. 54 2.3.3. Wettelijke voorschriften voor financiering of subsidiëring van scholen ............................................. 55 2.3.4. Onderwijsmethoden en 'pedagogisch project'..................................................................................... 56 2.3.5. Onderwijskwaliteitsborging ................................................................................................................ 58 2.3.6. Algemene regelgevingstechniek .......................................................................................................... 61 2.4. STRUCTUUR VAN HET ONDERWIJSSYSTEEM EN KEUZEMOMENTEN .............................................................. 63 2.5. LEERPLICHT ................................................................................................................................................ 64 2.5.1. Historisch overzicht ............................................................................................................................ 64 2.5.2. Actuele wetgeving................................................................................................................................ 65 2.5.3. Controle op de leerplicht..................................................................................................................... 66 2.6. BESTUUR ..................................................................................................................................................... 68 2.6.1. Bestuur op federaal niveau ................................................................................................................. 69 2.6.2. Bestuur op regionaal niveau: de Vlaamse Gemeenschap ................................................................... 71 2.6.2.1. Onderwijs en vorming.................................................................................................................................... 71 2.6.2.2. Beroepsopleiding en ondernemingsvorming .................................................................................................. 74 2.6.2.3. Landbouwvorming ......................................................................................................................................... 75 2.6.2.4. Sociaal-cultureel volwassenenwerk................................................................................................................ 76 2.6.2.5. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin .............................................................................................................. 76
2.6.3. Bestuur op lokaal niveau..................................................................................................................... 76 2.6.3.1. Inrichtende machten & onderwijskoepels ...................................................................................................... 77 2.6.3.1.1. Inrichtende machten................................................................................................................................ 77 2.6.3.1.2. De onderwijskoepels............................................................................................................................... 78 2.6.3.2. GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.............................................................................................. 79 2.6.3.2.1. Bestuur op het centraal niveau ................................................................................................................ 80 2.6.3.2.2. Bestuur op het mesoniveau, de 28 scholengroepen................................................................................. 80 2.6.3.2.3. Bestuur op lokaal niveau, de scholen ...................................................................................................... 81 2.6.3.3. Het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs .................................................................................................... 82
Inhoud / 5
2.6.3.4. Het gesubsidieerd vrij niet-katholiek onderwijs ............................................................................................. 83 2.6.3.5. Het provinciaal onderwijs .............................................................................................................................. 83 2.6.3.6. Het stedelijk en gemeentelijk onderwijs......................................................................................................... 84 2.6.3.7. Het Nederlandstalig onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.......................................................... 85 2.6.3.8. Lokaal flankerend onderwijsbeleid ................................................................................................................ 87
2.6.4. Bestuur van de onderwijsinstellingen.................................................................................................. 88 2.6.4.1. Bestuur en management van scholen basis- en secundair onderwijs .............................................................. 89 2.6.4.1.1. Directeur ................................................................................................................................................. 89 2.6.4.1.2. Bevoegdheden directeur en bestuurspersoneel........................................................................................ 90 2.6.4.1.3. Personeelsformatie.................................................................................................................................. 90 2.6.4.2. Bestuur en management van scholengemeenschappen basis- en secundair onderwijs ................................... 92 2.6.4.2.1. Basisonderwijs ........................................................................................................................................ 94 2.6.4.2.2. Secundair onderwijs................................................................................................................................ 95 2.6.4.3. Bestuur en management van hogescholen...................................................................................................... 96 2.6.4.3.1. Algemene beheersstructuren ................................................................................................................... 97 2.6.4.3.2. Beheersstructuren en ambten op een lager niveau .................................................................................. 98 2.6.4.4. Bestuur en management van universiteiten .................................................................................................... 99 2.6.4.5. Bestuur en management van associaties......................................................................................................... 99
2.7. INTERNE EN EXTERNE PARTICIPATIE- EN OVERLEGSTRUCTUREN ............................................................... 100 2.7.1. Interne participatie en overleg .......................................................................................................... 100 2.7.1.1. Basis- en secundair onderwijs ...................................................................................................................... 100 2.7.1.1.1. De schoolraad ....................................................................................................................................... 101 2.7.1.1.1.1. GO!, Gemeenschapsonderwijs ...................................................................................................... 101 2.7.1.1.1.2. Gesubsidieerd onderwijs................................................................................................................ 101 2.7.1.1.2. Klassenraden......................................................................................................................................... 102 2.7.1.1.3. De pedagogische raad, de ouderraad en de leerlingenraad op schoolniveau ......................................... 103 2.7.1.1.4. Het medezeggenschapscollege op het niveau van de scholengemeenschap.......................................... 103 2.7.1.2. Hoger onderwijs ........................................................................................................................................... 104
2.7.2. Participatie en overleg tussen de verschillende actoren in het onderwijsveld.................................. 104 2.7.2.1. Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) ................................................................................................................. 104 2.7.2.2. Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR), Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA), Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad (VLUHR) ................................................................................................................................... 105 2.7.2.3. Ouderkoepelverenigingen ............................................................................................................................ 107 2.7.2.4. Onderwijsvakbonden.................................................................................................................................... 107 2.7.2.5. Studenten- en leerlingenkoepelverenigingen................................................................................................ 108 2.7.2.6. Participatie inzake arbeidsvoorwaarden ....................................................................................................... 109 2.7.2.6.1. Officieel onderwijs ............................................................................................................................... 109 2.7.2.6.2. Gesubsidieerd vrij onderwijs ................................................................................................................ 111 2.7.2.6.3. Hoger onderwijs.................................................................................................................................... 111 2.7.2.6.4. Volwassenenonderwijs ......................................................................................................................... 112 2.7.2.6.5. Leertijd.................................................................................................................................................. 112 2.7.2.7. Band met de arbeidsmarkt en met de andere opleidingsverstrekkers ........................................................... 112
2.8. FINANCIERING EN ONDERWIJSBUDGET ...................................................................................................... 114 2.8.1. Herkomst van de middelen voor onderwijs ....................................................................................... 114 2.8.2. De omvang van de middelen voor onderwijs en de budgetposten..................................................... 114 2.8.3. Financiering van het basis- en secundair onderwijs......................................................................... 115 2.8.4. Financiering van de scholeninfrastructuur en scholenbouw............................................................. 117 2.8.5. Financiering van de permanente vorming ........................................................................................ 119 2.8.5.1. Volwassenenonderwijs................................................................................................................................. 119 2.8.5.2. Beroepsopleiding VDAB ............................................................................................................................. 120 2.8.5.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen............................................................................................... 120 2.8.5.4. Landbouwvorming ....................................................................................................................................... 120 2.8.5.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO..................................................................................................................... 121 2.8.5.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk.............................................................................................................. 121
2.8.6. Financiering van het hoger onderwijs .............................................................................................. 122 2.9. STATISTIEKEN ........................................................................................................................................... 126 2.9.1. Schoolbevolking ................................................................................................................................ 126 2.9.2. Onderwijsbegroting........................................................................................................................... 130 2.9.3. Budget EPOS..................................................................................................................................... 133 2.9.4. Budget competentieagenda ............................................................................................................... 134 2.9.5. Deelname aan permanente vorming.................................................................................................. 135 3. KINDEROPVANG ....................................................................................................................................... 137 3.1. HISTORISCH OVERZICHT............................................................................................................................ 137 3.2. LOPENDE DISCUSSIES EN BELEIDSONTWIKKELINGEN ................................................................................ 139 3.3. WETTELIJK KADER .................................................................................................................................... 140 Inhoud / 6
3.4. ALGEMENE DOELSTELLINGEN ................................................................................................................... 141 3.5. GEOGRAFISCHE TOEGANKELIJKHEID ......................................................................................................... 144 3.6. TOELATINGSVOORWAARDEN EN KEUZE OPVANGVOORZIENINGEN ............................................................ 144 3.7. FINANCIËLE STEUN AAN GEZINNEN ........................................................................................................... 144 3.8. LEEFTIJDSNIVEAUS EN LEEFTIJDSGROEPEN ............................................................................................... 145 3.9. ORGANISATIE TIJD .................................................................................................................................... 145 3.9.1. Jaarplanning ..................................................................................................................................... 145 3.9.2. Week- en dagplanning....................................................................................................................... 145 3.10. CURRICULUM EN ACTIVITEITEN .............................................................................................................. 146 3.11. ONDERWIJSMETHODEN EN DIDACTISCH MATERIAAL ............................................................................... 146 3.12. EVALUATIE ............................................................................................................................................. 146 3.13. OPVANG VAN KINDEREN MET SPECIFIEKE ZORGBEHOEFTEN ................................................................... 147 3.14. PRIVAAT-ONDERWIJS .............................................................................................................................. 147 3.15. ANDERE ORGANISATIEVORMEN .............................................................................................................. 147 3.16. STATISTIEKEN ......................................................................................................................................... 148 4. BASISONDERWIJS..................................................................................................................................... 151 4.1. HISTORISCH OVERZICHT............................................................................................................................ 152 4.2. LOPENDE DISCUSSIES EN BELEIDSONTWIKKELINGEN ................................................................................ 154 4.3. WETTELIJK KADER .................................................................................................................................... 154 4.4. ALGEMENE DOELSTELLINGEN ................................................................................................................... 155 4.5. GEOGRAFISCHE TOEGANKELIJKHEID ......................................................................................................... 156 4.6. TOELATINGSVOORWAARDEN EN SCHOOLKEUZE ....................................................................................... 156 4.7. FINANCIËLE STEUN AAN HET GEZIN VAN DE LEERLING.............................................................................. 157 4.8. LEEFTIJDSNIVEAUS EN LEEFTIJDSGROEPEN ............................................................................................... 159 4.9. ORGANISATIE VAN DE SCHOOLTIJD ........................................................................................................... 160 4.9.1. Organisatie van het schooljaar ......................................................................................................... 160 4.9.2. Organisatie van de schoolweek en de schooldag .............................................................................. 160 4.10. CURRICULUM, LEERGEBIEDEN, AANTAL LESUREN .................................................................................. 160 4.11. ONDERWIJSMETHODEN EN DIDACTISCH MATERIAAL ............................................................................... 163 4.12. BEOORDELING VAN LEERLINGEN ............................................................................................................ 163 4.13. STUDIEVOORTGANG ................................................................................................................................ 164 4.14. STUDIEBEWIJZEN .................................................................................................................................... 164 4.15. BEGELEIDING .......................................................................................................................................... 165 4.15.1. Bijzondere begeleiding van leerlingen ............................................................................................ 165 4.15.2. De Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) ................................................................................ 165 4.16. PRIVAAT-ONDERWIJS .............................................................................................................................. 168 4.17. ANDERE ORGANISATIEVORMEN .............................................................................................................. 168 4.17.1. Type 5-onderwijs (ziekenhuisscholen en preventoria) .................................................................... 169 4.17.2. K-diensten (kinder- en jeugdpsychiatrische diensten)..................................................................... 169 4.17.3. Tijdelijk Onderwijs Aan Huis (TOAH)............................................................................................ 169 4.18. STATISTIEKEN ......................................................................................................................................... 170 4.18.1. Basisonderwijs ................................................................................................................................ 171 4.18.2. Schoolse vertraging / voorsprong van leerlingen met Belgische nationaliteit in het gewoon lager onderwijs, per jaar en geslacht ................................................................................................................... 173 4.18.3. CLB, Centra voor Leerlingenbegeleiding ....................................................................................... 174 4.18.4. Leerlingenvervoer ........................................................................................................................... 174 5. SECUNDAIR & POST-SECUNDAIR NIET-TERTIAIR ONDERWIJS................................................ 175 5.1. HISTORISCH OVERZICHT............................................................................................................................ 176 5.2. LOPENDE DISCUSSIES EN BELEIDSONTWIKKELINGEN ................................................................................ 178 5.3. WETTELIJK KADER .................................................................................................................................... 180 5.4. ALGEMENE DOELSTELLINGEN ................................................................................................................... 181 5.5. SCHOOLTYPEN .......................................................................................................................................... 181 5.6. GEOGRAFISCHE TOEGANKELIJKHEID ......................................................................................................... 183 5.7. TOELATINGSVOORWAARDEN EN SCHOOLKEUZE ....................................................................................... 183 5.8. INSCHRIJVING EN/OF INSCHRIJVINGSGELD ................................................................................................ 185 5.9. FINANCIËLE STEUN AAN LEERLINGEN ....................................................................................................... 186 5.10. LEEFTIJDSNIVEAUS EN LEEFTIJDSGROEPEN ............................................................................................. 188 5.11. STUDIESPECIALISATIE ............................................................................................................................. 188 5.11.1. 1e graad secundair onderwijs.......................................................................................................... 188 5.11.2. 2e en 3e graad secundair onderwijs................................................................................................. 190 Inhoud / 7
5.11.3. Vierde graad beroepssecundair onderwijs...................................................................................... 193 5.11.4. Experimenteel beroepssecundair onderwijs volgens een modulair stelsel (modulair BSO) ........... 194 5.11.5. Topsport .......................................................................................................................................... 197 5.12. ORGANISATIE VAN DE SCHOOLTIJD ......................................................................................................... 197 5.12.1. Organisatie van het schooljaar ....................................................................................................... 198 5.12.2. Organisatie van schoolweek en schooldag...................................................................................... 198 5.13. CURRICULUM, LEERVAKKEN, AANTAL LESUREN ..................................................................................... 199 5.13.1. Eindtermen, ontwikkelingsdoelen en beroepskwalificaties ............................................................. 199 5.13.2. Leerplannen .................................................................................................................................... 202 5.13.3. Lessenroosters................................................................................................................................. 203 5.13.3.1. Basisvorming.............................................................................................................................................. 203 5.13.3.2. Het optionele vakkenpakket (fundamenteel en complementair gedeelte)................................................... 206 5.13.3.2.1. Eerste graad ........................................................................................................................................ 206 5.13.3.2.2. Algemeen Secundair Onderwijs (ASO) .............................................................................................. 207 5.13.3.2.3. Technisch Secundair Onderwijs (TSO)............................................................................................... 207 5.13.3.2.4. Kunstsecundair Onderwijs (KSO)....................................................................................................... 208 5.13.3.2.5. Beroepssecundair Onderwijs (BSO) ................................................................................................... 209
5.14. ONDERWIJSMETHODEN EN DIDACTISCH MATERIAAL ............................................................................... 209 5.15. BEOORDELING VAN LEERLINGEN ............................................................................................................ 210 5.16. STUDIEVOORTGANG ................................................................................................................................ 210 5.17. STUDIEBEWIJZEN .................................................................................................................................... 211 5.18. BEGELEIDING, BEROEPSVOORBEREIDING EN RELATIE MET DE ARBEIDSMARKT ....................................... 212 5.18.1. Studie- en beroepsoriëntering ......................................................................................................... 212 5.18.2. Werkplekleren & stages .................................................................................................................. 214 5.18.3. Startbanenprojecten voor jonge schoolverlaters en werklozen....................................................... 215 5.18.4. Stimulering van ondernemerschap.................................................................................................. 216 5.18.5. Samenwerkingsverbanden onderwijs - arbeidsmarkt...................................................................... 217 5.18.5.1. Regionale Technologische Centra (RTC)................................................................................................... 217 5.18.5.2. DBO, Dienst Beroepsopleiding .................................................................................................................. 218
5.19. PRIVAAT-ONDERWIJS .............................................................................................................................. 218 5.20. ANDERE ORGANISATIEVORMEN .............................................................................................................. 218 5.20.1. De stelsels van leren en werken ...................................................................................................... 219 5.20.1.1. Deeltijds onderwijs (DO) in centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (CDO) ............................. 222 5.20.1.2. Deeltijdse vorming door CDV, centra voor deeltijdse vorming ................................................................. 227 5.20.1.3. De leertijd, georganiseerd door SYNTRA Vlaanderen .............................................................................. 230
5.20.2. Secundair-na-Secundair (Se-n-Se) .................................................................................................. 234 5.20.3. Hoger beroepsonderwijs (HBO5) ................................................................................................... 235 5.21. STATISTIEKEN ......................................................................................................................................... 238 5.21.1. Secundair onderwijs........................................................................................................................ 238 5.21.2. Leertijd ............................................................................................................................................ 242 5.21.3. Internaten ........................................................................................................................................ 243 6. HOGER (TERTIAIR) ONDERWIJS ......................................................................................................... 245 6.1. HISTORISCH OVERZICHT............................................................................................................................ 247 6.1.1. Geschiedenis van het hogescholenonderwijs .................................................................................... 247 6.1.2. Geschiedenis van het universitair onderwijs..................................................................................... 248 6.1.3. Het hogeronderwijssysteem na de Bolognaverklaring...................................................................... 248 6.2. LOPENDE DISCUSSIES EN BELEIDSONTWIKKELINGEN ................................................................................ 249 6.3. WETTELIJK KADER .................................................................................................................................... 250 6.4. ALGEMENE DOELSTELLINGEN ................................................................................................................... 251 6.5. SOORTEN INSTELLINGEN VOOR HOGER ONDERWIJS ................................................................................... 251 6.6. TOELATINGSVOORWAARDEN .................................................................................................................... 253 6.7. INSCHRIJVING EN/OF INSCHRIJVINGSGELD ................................................................................................ 254 6.8. FINANCIËLE STEUN AAN STUDENTEN ........................................................................................................ 255 6.9. ORGANISATIE VAN HET ACADEMIEJAAR .................................................................................................... 257 6.10. STUDIEGEBIEDEN & SOORTEN OPLEIDINGEN ........................................................................................... 257 6.11. CURRICULUM .......................................................................................................................................... 260 6.12. ONDERWIJSMETHODEN ........................................................................................................................... 260 6.13. BEOORDELING VAN STUDENTEN ............................................................................................................. 260 6.14. STUDIEVOORTGANG ................................................................................................................................ 261 6.15. STUDIEBEWIJZEN .................................................................................................................................... 262 6.16. BEGELEIDING EN BAND MET VERDERE STUDIES/ARBEIDSMARKT ............................................................ 263 6.17. PRIVAAT-ONDERWIJS .............................................................................................................................. 263 Inhoud / 8
6.18. VERSCHILLEN IN ORGANISATIE EN ANDERE STRUCTUREN ....................................................................... 264 6.19. STATISTIEKEN ......................................................................................................................................... 265 7. PERMANENTE VORMING EN OPLEIDINGEN VOOR JONGE SCHOOLVERLATERS EN VOLWASSENEN ............................................................................................................................................. 269 7.1. HISTORIEK ................................................................................................................................................ 270 7.1.1. Volwassenenonderwijs - historiek ..................................................................................................... 270 7.1.2. VDAB – historiek............................................................................................................................... 272 7.1.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - Historiek ................................................................... 272 7.1.4. Landbouwvorming - Historiek .......................................................................................................... 273 7.1.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - historiek......................................................................................... 273 7.1.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - historiek ................................................................................. 274 7.2. LOPENDE DISCUSSIES EN BELEIDSONTWIKKELINGEN ................................................................................ 274 7.2.1. Volwassenenonderwijs – lopende discussies en beleidsontwikkelingen............................................ 275 7.2.2. Beroepsopleiding VDAB - lopende discussies en beleidsontwikkelingen.......................................... 275 7.2.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - lopende discussies en beleidsontwikkelingen............ 276 7.2.4. Landbouwvorming - lopende discussies en beleidsontwikkelingen................................................... 276 7.2.5. DKO - lopende discussies en beleidsontwikkelingen ........................................................................ 276 7.2.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - lopende discussies en beleidsontwikkelingen......................... 277 7.2.7. De verdere uitbouw van een geïntegreerd onderwijs- en vormingsbeleid ........................................ 278 7.2.8. Strategisch Plan Geletterdheid Verhogen ......................................................................................... 278 7.2.9. Strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden........................................................... 280 7.3. WETTELIJK KADER .................................................................................................................................... 281 7.3.1. Volwassenenonderwijs - wettelijk kader ........................................................................................... 281 7.3.2. Beroepsopleiding VDAB - wettelijk kader......................................................................................... 281 7.3.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - wettelijk kader........................................................... 282 7.3.4. Landbouwvorming – wettelijk kader ................................................................................................. 282 7.3.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO – wettelijk kader .............................................................................. 282 7.3.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - wettelijk kader........................................................................ 283 7.4. ALGEMENE DOELSTELLINGEN ................................................................................................................... 283 7.4.1. Volwassenenonderwijs - doelstellingen............................................................................................. 283 7.4.2. Beroepsopleiding VDAB - algemene doelstellingen.......................................................................... 284 7.4.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - algemene doelstellingen............................................ 285 7.4.4. Landbouwvorming - algemene doelstellingen................................................................................... 287 7.4.5. Deeltijds kunstonderwijs – algemene doelstellingen......................................................................... 287 7.4.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk- algemene doelstellingen.......................................................... 287 7.5. SOORTEN INSTELLINGEN ........................................................................................................................... 288 7.5.1. Volwassenenonderwijs - soorten instellingen ................................................................................... 288 7.5.2. Beroepsopleiding VDAB - soorten instellingen................................................................................. 290 7.5.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - soorten instellingen................................................... 290 7.5.4. Landbouwvorming - soorten instellingen.......................................................................................... 291 7.5.5. Deeltijds Kunstonderwijs – soorten instellingen............................................................................... 291 7.5.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - soorten organisaties............................................................... 292 7.6. GEOGRAFISCHE TOEGANKELIJKHEID ......................................................................................................... 294 7.6.1. Volwassenenonderwijs - geografische toegankelijkheid ................................................................... 294 7.6.2. Beroepsopleiding VDAB - geografische toegankelijkheid ................................................................ 294 7.6.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - geografische toegankelijkheid .................................. 294 7.6.4. Landbouwvorming - geografische toegankelijkheid.......................................................................... 295 7.6.5. Deeltijds kunstonderwijs – geografische toegankelijkheid................................................................ 295 7.6.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - geografische toegankelijkheid ............................................... 295 7.7. TOELATINGSVOORWAARDEN .................................................................................................................... 295 7.7.1. Volwassenenonderwijs - toelatingsvoorwaarden .............................................................................. 296 7.7.1.1. Basiseducatie................................................................................................................................................ 296 7.7.1.2. Secundair volwassenenonderwijs................................................................................................................. 296 7.7.1.3. Hoger beroepsonderwijs............................................................................................................................... 297
7.7.2. Beroepsopleiding VDAB - toelatingsvoorwaarden ........................................................................... 297 7.7.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - toelatingsvoorwaarden ............................................. 297 7.7.4. Landbouwvorming - toelatingsvoorwaarden .................................................................................... 298 7.7.5. Deeltijds Kunstonderwijs DKO - toelatingsvoorwaarden................................................................. 298 7.7.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - toelatingsvoorwaarden .......................................................... 298 7.8. INSCHRIJVING(SGELD)............................................................................................................................... 299 7.8.1. Volwassenenonderwijs - inschrijving(sgeld)..................................................................................... 299 Inhoud / 9
7.8.2. Beroepsopleiding VDAB - inschrijving(sgeld) .................................................................................. 300 7.8.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - inschrijving(sgeld) .................................................... 300 7.8.4. Landbouwvorming – inschrijving(sgeld)........................................................................................... 300 7.8.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO – inschrijving(sgeld)........................................................................ 300 7.8.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk – inschrijving(sgeld) ................................................................ 301 7.9. FINANCIËLE STEUN AAN CURSISTEN .......................................................................................................... 301 7.9.1. Volwassenenonderwijs - financiële steun aan cursisten.................................................................... 302 7.9.2. Beroepsopleiding VDAB - financiële steun (aan cursisten) .............................................................. 302 7.9.3. ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen – financiële steun aan cursisten ................................... 303 7.9.4. Landbouwvorming - financiële steun aan cursisten .......................................................................... 303 7.9.5. Deeltijds Kunstonderwijs – financiële steun aan leerlingen ............................................................. 304 7.9.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - financiële steun aan cursisten................................................ 304 7.10. STUDIEAANBOD ...................................................................................................................................... 305 7.10.1. Volwassenenonderwijs - studieaanbod ........................................................................................... 305 7.10.1.1. Basiseducatie - studieaanbod...................................................................................................................... 305 7.10.1.2. Het secundair volwassenenonderwijs......................................................................................................... 307 7.10.1.3. Het hoger beroepsonderwijs van het volwassenenonderwijs...................................................................... 309
7.10.2. Beroepsopleiding VDAB - studieaanbod......................................................................................... 309 7.10.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - studieaanbod........................................................... 310 7.10.4. Landbouwvorming - studieaanbod.................................................................................................. 311 7.10.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO – studieaanbod .............................................................................. 312 7.10.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - studieaanbod........................................................................ 313 7.11. ONDERWIJSMETHODEN ........................................................................................................................... 314 7.11.1. Volwassenonderwijs - onderwijsmethoden...................................................................................... 314 7.11.2. Beroepsopleiding VDAB - onderwijsmethoden ............................................................................... 315 7.11.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - onderwijsmethoden ................................................. 315 7.11.4. Landbouwvorming - onderwijsmethoden ........................................................................................ 316 7.11.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - onderwijsmethoden ..................................................................... 316 7.11.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - onderwijsmethoden .............................................................. 316 7.11.7. Afstandsleren................................................................................................................................... 317 7.12. LESGEVERS ............................................................................................................................................. 318 7.12.1. Volwassenenonderwijs - lesgevers .................................................................................................. 318 7.12.2. Beroepsopleiding VDAB - lesgevers ............................................................................................... 319 7.12.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - lesgevers ................................................................. 319 7.12.4. Landbouwvorming - lesgevers ........................................................................................................ 320 7.12.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - leraars ......................................................................................... 320 7.12.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - lesgevers .............................................................................. 320 7.13. BEOORDELING EN STUDIEVOORTGANG ................................................................................................... 321 7.13.1. Volwassenenonderwijs - beoordeling en studievoortgang .............................................................. 321 7.13.2. Beroepsopleiding VDAB - beoordeling en studievoortgang ........................................................... 321 7.13.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - beoordeling en studievoortgang ............................. 321 7.13.4. Landbouwvorming - beoordeling en studievoortgang..................................................................... 321 7.13.5. Deeltijds Kunstonderwijs DKO – beoordeling en studievoortgang ................................................ 322 7.13.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - beoordeling en studievoortgang .......................................... 322 7.14. STUDIEBEWIJZEN .................................................................................................................................... 322 7.14.1. Volwassenenonderwijs - studiebewijzen ......................................................................................... 323 7.14.2. Beroepsopleiding VDAB - studiebewijzen....................................................................................... 323 7.14.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - studiebewijzen......................................................... 324 7.14.4. Landbouwvorming - studiebewijzen................................................................................................ 325 7.14.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - studiebewijzen ............................................................................. 325 7.14.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - competentiedocumenten....................................................... 325 7.14.7. EVC & titels van beroepsbekwaamheid of ervaringsbewijzen ........................................................ 326 7.15. BEGELEIDING EN BAND MET VERDERE STUDIES/ARBEIDSMARKT ............................................................ 328 7.15.1. Volwassenenonderwijs - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt........................... 328 7.15.2. Beroepsopleiding VDAB - Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ....................... 329 7.15.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt .................................................................................................................................................................... 330 7.15.4. Landbouwvorming - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ................................. 330 7.15.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt .............. 330 7.15.6. Sociaal-cultureel volwassenenvorming - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt . 331 7.15.7. Competentieagenda & sectorconvenants ........................................................................................ 331 7.15.7.1. Sectorconvenants........................................................................................................................................ 334
Inhoud / 10
7.15.8. 'Huizen van het Nederlands' als draaischijven voor Nederlands als 2e taal .................................. 335 7.16. PRIVÉ-ONDERWIJS ................................................................................................................................... 336 7.17. STATISTIEKEN ......................................................................................................................................... 336 7.17.1. Volwassenenonderwijs .................................................................................................................... 337 7.17.2. Beroepsopleiding VDAB ................................................................................................................. 340 7.17.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen ................................................................................... 341 7.17.4. Landbouwvorming........................................................................................................................... 343 7.17.5. Deeltijds kunstonderwijs (DKO) ..................................................................................................... 344 8. ONDERWIJZEND & MANAGEMENT PERSONEEL EN EDUCATIEVE STAFLEDEN ................ 347 8.1. LERARENOPLEIDING.................................................................................................................................. 347 8.1.1. Historisch overzicht .......................................................................................................................... 347 8.1.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen ................................................................................... 348 8.1.3. Wettelijk kader .................................................................................................................................. 348 8.1.4. Instellingen, niveau en opleidingsmodellen ...................................................................................... 349 8.1.4.1. De geïntegreerde lerarenopleidingen............................................................................................................ 349 8.1.4.2. De SLO, specifieke lerarenopleidingen........................................................................................................ 350 8.1.4.3. Mentorschap................................................................................................................................................. 351 8.1.4.4. Expertisenetwerken en regionaal platform ................................................................................................... 352
8.1.5. Toelatingsvoorwaarden..................................................................................................................... 353 8.1.6. Curriculum, speciale vaardigheden, specialisatie ............................................................................ 354 8.1.7. Studiebewijzen................................................................................................................................... 355 8.1.8. Alternatieve opleidingswegen ........................................................................................................... 356 8.2. ARBEIDSVOORWAARDEN VOOR HET ONDERWIJZEND PERSONEEL ............................................................. 356 8.2.1. Historisch overzicht .......................................................................................................................... 358 8.2.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen ................................................................................... 358 8.2.3. Wettelijk kader .................................................................................................................................. 358 8.2.3.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs ................................... 359 8.2.3.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ...................................................................................................... 359 8.2.3.3. Academisch personeel in universiteiten ....................................................................................................... 359
8.2.4. Planningsbeleid................................................................................................................................. 360 8.2.5. Toegang tot het beroep...................................................................................................................... 361 8.2.5.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs ................................... 361 8.2.5.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ...................................................................................................... 363 8.2.5.3. Academisch personeel in universiteiten ....................................................................................................... 364
8.2.6. Statuut ............................................................................................................................................... 364 8.2.6.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs ................................... 365 8.2.6.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ...................................................................................................... 366 8.2.6.3. Academisch personeel in universiteiten ....................................................................................................... 367
8.2.7. Vervanging ........................................................................................................................................ 367 8.2.7.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs ................................... 367 8.2.7.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ...................................................................................................... 368 8.2.7.3. Academisch personeel in universiteiten ....................................................................................................... 368
8.2.8. Begeleiding........................................................................................................................................ 368 8.2.9. Evaluatie ........................................................................................................................................... 369 8.2.9.1. Functiebeschrijvingen en evaluatie in het basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs............................................................................................................................................... 369 8.2.9.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ...................................................................................................... 371 8.2.9.3. Academisch personeel in universiteiten ....................................................................................................... 372
8.2.10. Nascholing ...................................................................................................................................... 372 8.2.11. Salaris ............................................................................................................................................. 374 8.2.11.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs ................................. 374 8.2.11.2. Onderwijzend personeel in hogescholen .................................................................................................... 375 8.2.11.3. Academisch personeel in universiteiten ..................................................................................................... 376
8.2.12. Arbeidstijd en vakantie.................................................................................................................... 376 8.2.12.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs ................................. 376 8.2.12.2. Onderwijzend personeel in hogescholen .................................................................................................... 378 8.2.12.3. Academisch personeel in universiteiten ..................................................................................................... 378
8.2.13. Bevordering..................................................................................................................................... 379 8.2.13.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwi .................................... 379 s................................................................................................................................................................................. 379 8.2.13.2. Onderwijzend personeel in hogescholen .................................................................................................... 379 8.2.13.3. Academisch personeel in universiteiten ..................................................................................................... 380
8.2.14. Beroepsmobiliteit ............................................................................................................................ 381 8.2.14.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs ................................. 381
Inhoud / 11
8.2.14.2. Onderwijzend personeel in hogescholen .................................................................................................... 381 8.2.14.3. Academisch personeel in universiteiten ..................................................................................................... 381
8.2.15. Ontslag ............................................................................................................................................ 382 8.2.15.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs ................................. 382 8.2.15.2. Onderwijzend personeel in hogescholen .................................................................................................... 383 8.2.15.3. Academisch personeel in universiteiten ..................................................................................................... 383
8.2.16. Pensioenregeling............................................................................................................................. 383 8.3. ONDERSTEUNEND & MANAGEMENTPERSONEEL ........................................................................................ 384 8.3.1. Aanstellingsvoorwaarden voor het directeursambt........................................................................... 384 8.3.2. Arbeidsvoorwaarden ......................................................................................................................... 386 8.4. INSPECTIE.................................................................................................................................................. 386 8.5. PERSONEEL VERANTWOORDELIJK VOOR BEGELEIDING ............................................................................. 390 8.5.1. PBD, pedagogische begeleidingsdiensten......................................................................................... 390 8.5.2. CLB, centra voor leerlingenbegeleiding ........................................................................................... 390 8.6. OVERIG PERSONEEL IN HET ONDERWIJS .................................................................................................... 391 8.7. STATISTIEKEN ........................................................................................................................................... 392 8.7.1. Lerarenopleiding............................................................................................................................... 392 8.7.2. Bestuurs- en onderwijzend personeel................................................................................................ 393 8.7.3. Bruto-jaarsalarissen (€).................................................................................................................... 395 9. EVALUATIE VAN DE ONDERWIJSINSTELLINGEN EN HET ONDERWIJSSYSTEEM.............. 397 9.1. HISTORISCH OVERZICHT............................................................................................................................ 397 9.2. LOPENDE DISCUSSIES EN BELEIDSONTWIKKELINGEN ................................................................................ 399 9.3. ADMINISTRATIEF EN WETTELIJK KADER .................................................................................................... 399 9.3.1. De Onderwijsinspectie ...................................................................................................................... 399 9.3.1.1. Organisatie van de inspectie......................................................................................................................... 400 9.3.1.2. Taken van de inspectie ................................................................................................................................. 401
9.3.2. Het agentschap voor kwaliteitszorg in onderwijs en vorming (AKOV)............................................. 401 9.3.3. Pedagogische begeleiding................................................................................................................. 403 9.3.3.1. Pedagogische begeleidingsdiensten (PBD) .................................................................................................. 403 9.3.3.2. Pedagogische begeleiding in het volwassenenonderwijs en VOCVO,Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs........................................................................................................................................ 405 9.3.3.3. Samenwerkingsverband netgebonden pedagogische begeleidingsdiensten.................................................. 406 9.3.3.4. Permanente ondersteuningcellen in de CLB’s.............................................................................................. 407 9.3.3.5. Evaluatie van de organen voor pedagogische begeleiding ........................................................................... 407
9.3.4. Speciale regelingen ........................................................................................................................... 407 9.3.4.1. Inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.................................................................... 407 9.3.4.2. Inspectie en begeleidingsdiensten van steden en provincies ........................................................................ 408
9.4. EVALUATIE VAN ONDERWIJSINSTELLINGEN .............................................................................................. 409 9.4.1. Interne evaluatie................................................................................................................................ 409 9.4.1.1. Interne evaluatie in het basis- en secundair onderwijs.................................................................................. 410 9.4.1.2. Interne evaluatie in het hoger onderwijs....................................................................................................... 410 9.4.1.2.1. Interne kwaliteitsbewaking aan de hogescholen ................................................................................... 411 9.4.1.2.2. Interne kwaliteitsbewaking aan de universiteiten.................................................................................. 411
9.4.2. Externe evaluatie............................................................................................................................... 412 9.4.2.1. Doorlichting in het basis-, secundair, volwassenen en deeltijds kunstonderwijs.......................................... 412 9.4.2.2. Doorlichting CLB’s, centra voor leerlingenbegeleiding............................................................................... 416 9.4.2.3. Visitaties hoger onderwijs ............................................................................................................................ 416 9.4.2.4. De accreditatie van opleidingen in het hoger onderwijs ............................................................................... 418 9.4.2.5. Externe evaluatie voortdurende vorming...................................................................................................... 419
9.5. EVALUATIE VAN HET ONDERWIJSSYSTEEM ............................................................................................... 420 9.5.1. Het jaarverslag van de onderwijsinspectie ....................................................................................... 420 9.5.2. Periodiek peilingonderzoek inzake eindtermen................................................................................. 421 9.5.3. Deelname aan internationaal vergelijkend onderzoek...................................................................... 423 9.6. ONDERWIJSKUNDIG WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK BETREFFENDE DE EVALUATIE VAN HET ONDERWIJSSYSTEEM ........................................................................................................................................ 426 9.7. STATISTIEKEN ........................................................................................................................................... 428 10. ONDERWIJS VOOR LEERLINGEN MET SPECIFIEKE ONDERWIJSBEHOEFTEN ................. 429 10.1. HISTORISCH OVERZICHT.......................................................................................................................... 429 10.2. LOPENDE DISCUSSIES EN BELEIDSONTWIKKELINGEN .............................................................................. 430 10.3. DEFINIËRING EN DIAGNOSE VAN DOELGROEPEN ..................................................................................... 433 10.4. FINANCIËLE STEUN AAN HET GEZIN......................................................................................................... 435 10.5. SPECIFIEKE VOORZIENINGEN BINNEN HET GEWOON ONDERWIJS ............................................................. 435 Inhoud / 12
10.5.1. Wettelijk kader ................................................................................................................................ 437 10.5.1.1. Het gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK).................................................................................................. 437 10.5.1.2. Het ge誰ntegreerd onderwijs (GON) ............................................................................................................ 438 10.5.1.3. Het inclusief onderwijs (ION) .................................................................................................................... 438
10.5.2. Algemene doelstellingen.................................................................................................................. 438 10.5.2.1. Het gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK).................................................................................................. 439 10.5.2.2. Het ge誰ntegreerd onderwijs (GON) ............................................................................................................ 439 10.5.2.3. Het inclusief onderwijs (ION) .................................................................................................................... 439
10.5.3. Specifieke ondersteunende maatregelen.......................................................................................... 439 10.5.3.1. Het gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK).................................................................................................. 439 10.5.3.1.1. Voorwaarden in het gewoon onderwijs............................................................................................... 440 10.5.3.1.2. GOK-lestijden/GOK-uren................................................................................................................... 441 10.5.3.1.3. Voorwaarden en ondersteuning in het buitengewoon onderwijs......................................................... 441 10.5.3.1.4. Tijdelijke projecten kunstinitiatie ....................................................................................................... 442 10.5.3.1.5. Ondersteuning GOK ........................................................................................................................... 443 10.5.3.1.6. LOP's, lokale overlegplatforms & Commissie inzake leerlingenrechten ............................................ 443 10.5.3.2. Het ge誰ntegreerd onderwijs (GON) ............................................................................................................ 445 10.5.3.3. Het inclusief onderwijs (ION) .................................................................................................................... 446
10.6. BUITENGEWOON ONDERWIJS (BUO) ....................................................................................................... 446 10.6.1. Wettelijk kader ................................................................................................................................ 447 10.6.2. Algemene doelstellingen.................................................................................................................. 447 10.6.3. Geografische toegankelijkheid ........................................................................................................ 448 10.6.4. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze.......................................................................................... 448 10.6.5. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen ............................................................................................... 450 10.6.6. Organisatie van de schooltijd ......................................................................................................... 450 10.6.7. Curriculum en vakken ..................................................................................................................... 450 10.6.8. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal .................................................................................. 452 10.6.9. Studievoortgang .............................................................................................................................. 452 10.6.10. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt................................................................ 453 10.6.11. Studiebewijzen............................................................................................................................... 454 10.6.12. Privaat-onderwijs.......................................................................................................................... 454 10.7. SPECIFIEKE MAATREGELEN VOOR LEERLINGEN VAN IMMIGRANTEN EN ETNISCHE MINDERHEDEN .......... 455 10.7.1. Het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (OKAN) in het gewoon onderwijs ............. 455 10.7.2. Nederlandstalige scholen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest & onder invloed van andere taalgebieden ................................................................................................................................................ 458 10.7.2.1. Nederlandstalig onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ............................................................ 458 10.7.2.2. Ondersteuning Nederlandstalige basisscholen onder invloed van andere taalgebieden.............................. 460
10.7.3. Hoger onderwijs.............................................................................................................................. 460 10.8. STATISTIEKEN ......................................................................................................................................... 461 10.8.1. Aantal leerlingen in het buitengewoon onderwijs ........................................................................... 461 10.8.2. Ge誰ntegreerd onderwijs................................................................................................................... 463 10.8.3. Gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK)............................................................................................. 465 10.8.4. Aantal leerlingen/studenten van vreemde nationaliteit, per onderwijsniveau................................. 466 10.8.5. Schoolbevolking in het Nederlandstalig gewoon onderwijs, Brussels Hoofdstedelijk Gewest........ 467 10.8.6. OKAN, Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers ............................................................ 468 11. DE EUROPESE EN INTERNATIONALE DIMENSIE IN HET ONDERWIJS.................................. 469 11.1. HISTORISCH OVERZICHT.......................................................................................................................... 469 11.2. LOPENDE DISCUSSIES EN BELEIDSONTWIKKELINGEN .............................................................................. 470 11.2.1. Huidige Europese invloeden op het Vlaams onderwijssysteem....................................................... 470 11.2.2. Europese samenwerkingsverbanden ............................................................................................... 471 11.2.2.1. Het Europees Doelstellingenproces............................................................................................................ 472 11.2.2.2. Het Kopenhagenproces voor het beroepsonderwijs en -opleiding.............................................................. 473
11.3. VLAAMSE BELEIDSLIJNEN EN WETTELIJK KADER .................................................................................... 473 11.4. VLAAMSE PROGRAMMA'S EN INITIATIEVEN ............................................................................................. 474 11.4.1. Bilaterale programma's en initiatieven ........................................................................................... 474 11.4.1.1. Samenwerking met Nederland ................................................................................................................... 475 11.4.1.2. Samenwerking met buurlanden .................................................................................................................. 476 11.4.1.3. Samenwerking met Rusland ....................................................................................................................... 477 11.4.1.4. Samenwerking met Zuid-Afrika................................................................................................................. 478
11.4.2. Multilaterale programma's en initiatieven...................................................................................... 478 11.4.2.1. Samenwerking in het kader van de Raad van Europa................................................................................. 479 11.4.2.2. Samenwerking in het kader van de OESO (OECD) ................................................................................... 480 11.4.2.3. Samenwerking in het kader van de UNESCO en UNICEF ........................................................................ 481 11.4.2.4. EU-programma's en initiatieven ................................................................................................................. 482
Inhoud / 13
11.4.3. Overige programma's en initiatieven .............................................................................................. 484 11.4.3.1. Contacten in het kader van ontwikkelingssamenwerking........................................................................... 485
11.5. EUROPESE EN INTERNATIONALE DIMENSIE IN HET CURRICULUM ............................................................. 485 11.6. MOBILITEIT EN UITWISSELING................................................................................................................. 486 11.6.1. Mobiliteit en uitwisseling van leerlingen en studenten ................................................................... 487 11.6.1.1. Programma's voor het basisonderwijs ........................................................................................................ 487 11.6.1.2. Programma's voor het secundair onderwijs ................................................................................................ 488 11.6.1.3. Programma's voor het hoger onderwijs ...................................................................................................... 489
11.6.2. Mobiliteit en uitwisseling van leerkrachten, directeurs en academisch personeel ......................... 489 11.7. STATISTIEKEN ......................................................................................................................................... 491 11.7.1. Erasmus (hoger onderwijs) ............................................................................................................. 491 11.7.2. Comenius (basis- en secundair onderwijs en opleiding en nascholing van leraren) ...................... 496 11.7.3. Grundtvig (volwasseneneducatie) ................................................................................................... 499 11.7.4. Leonardo da Vinci (beroepsonderwijs en –opleiding) .................................................................... 500 GLOSSARIUM ................................................................................................................................................. 501 WET-EN-REGELGEVING ............................................................................................................................. 505 INSTELLINGEN .............................................................................................................................................. 521 BIBLIOGRAFIE............................................................................................................................................... 535
Inhoud / 14
Inhoud / 15
1. Politieke, sociale en economische achtergrond en ontwikkelingen In België heeft de ontwikkeling naar een federale staat belangrijke implicaties gehad voor onderwijs. Vanaf 1989 is de bevoegdheid voor onderwijs bijna volledig overgeheveld naar Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeenschap. Deze zijn sindsdien op het vlak van onderwijsstructuur en het onderwijsbeleid hun eigen weg gegaan. Dit rapport beschrijft onderwijssysteem van de Vlaamse Gemeenschap.
het de de het
1.1. Historisch overzicht Hier behandelen we: ● ● ●
1.1.1. De creatie van een federale staat en communautarisering van het onderwijs via vijf staatshervormingen 1.1.2. De verschillende niveaus van besluitvorming 1.1.3. Het partijpolitieke landschap
Voor de grondwettelijke waarborgen voor onderwijs (zie 2.3.1.).
1.1.1. Naar een federale staat met communautarisering van het onderwijs Bij de oprichting van de Belgische staat (1830) legde de Grondwet, afgekondigd in februari 1831, de structuren van een gecentraliseerde staat vast, gebaseerd op het principe van een éénvormige wetgeving en bestuur voor het hele land. De Grondwet huldigt het principe van de scheiding der machten: de wetgevende (bestaande uit de Koning, de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat), de uitvoerende (bestaande uit de Koning en de Regering) en de rechterlijke macht. In de tweede helft van de 19e eeuw kwam een taalstrijd op gang, ter erkenning van het Nederlands als volwaardige taal naast het Frans, tot dan de enige officiële taal van België. ●
● ● ● ●
Pas in 1930 werd de Gentse universiteit als eerste officieel Nederlandstalig. Vanaf 1936 werden de meeste colleges aan de Leuvense universiteit zowel in het Nederlands als het Frans gegeven. De definitieve splitsing van de universiteit zou pas in 1970 wettelijk worden vastgelegd. Pas in 1959 werd het Nederlands een volwaardige rechtstaal in België. In 1960 werd het unitaire omroepinstituut gesplitst in een Nederlandstalige en een Franstalige omroep. In 1962 werd de ministerportefeuille voor Cultuur gesplitst, in 1968 deze van Nationale Opvoeding. In 1962 werd ook de taalgrens definitief territoriaal vastgelegd en in 1963 werd België ingedeeld in 4 taalgebieden.
○ Het Nederlandse: Vlaanderen (de provincies Antwerpen, Limburg, Vlaams-Brabant, Oost- en West-Vlaanderen)
Politieke, sociale en economische achtergrond / 17
○ Het Franse: Wallonië (de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en Waals-Brabant)
○ Het Duitse (de 9 gemeenten van de Oostkantons) ○ Het tweetalig gebied Brussel-hoofdstad (de 19 Brusselse gemeenten). Elke Gemeenschap behoort tot een taalgebied. Tweetaligheid is van toepassing op de 19 gemeenten van de hoofdstad Brussel, waar de Franstaligen een duidelijke meerderheid uitmaken. Rond dit tweetalig gebied liggen een aantal Nederlandstalige gemeenten met administratieve taalfaciliteiten voor de Franstalige inwoners. Een wijziging of aanpassing van de taalgrens vergt een speciale meerderheid in het federale parlement. (‘Brussel’ kan verschillende bestuurlijke entiteiten aanduiden! In dit rapport wordt steeds verwezen naar het gebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dat valt samen met dat van het tweetalig gebied Brussel-hoofdstad en dat van het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad. Het gebied van de Stad Brussel – één van de 19 Brusselse gemeenten is beduidend kleiner.) De taalstrijd in de jaren '60 leidde tot een reeks staatshervormingen en wijzigingen van de grondwet die gestalte gaven aan een dubbele federatie van gewesten en gemeenschappen. ●
●
●
●
● ●
De 1e staatshervorming (1970) creëerde 3 cultuurgemeenschappen als antwoord op het streven van de Vlamingen naar culturele autonomie. Tevens werd de basis gelegd voor de oprichting van 3 gewesten, als antwoord op het streven van de Franstaligen naar economische autonomie. De 2e staatshervorming (1980) verruimde de cultuurgemeenschappen tot 3 gemeenschappen (de Vlaamse -, de Franse - en de Duitstalige Gemeenschap) die naast culturele aangelegenheden ook persoongebonden aangelegenheden, met name gezondheid en sociale bijstand onder hun bevoegdheid kregen. Tevens werden ook twee gewesten opgericht: het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest. Zij kregen alle een raad en een regering. In Vlaanderen werden de instellingen van Gemeenschap en Gewest meteen samengesmolten tot één raad en één regering. De Franstaligen hebben de instellingen van de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest niet samengevoegd. Er zijn immers veel meer Franstalige Brusselaars t.o.v. Franstalige Walen dan dat er Nederlandstalige Brusselaars zijn t.o.v. Vlamingen. De 3e staatshervoming (1988) gaf vorm aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat eveneens een raad en een regering kreeg en breidde de bevoegdheid van de Gemeenschappen en Gewesten verder uit. Zo werd de bevoegdheid voor onderwijs overgeheveld naar de Gemeenschappen en ingeschreven in de Grondwet (art. 127 § 1.2). Ook de garanties die vroeger reeds waren gewaarborgd door de zogenaamde Schoolpactwet van 29 mei 1959 (art. 24) (zie 2.1.), werden nu ingeschreven in de Grondwet. Artikel 142 van de herziene Grondwet (17 februari 1994) geeft elke belanghebbende burger het recht een beroep te doen op het Arbitragehof (nu Grondwettelijk hof) wanneer hij van oordeel is dat er sprake is van een schending van de principes en de waarborgen die zijn vastgelegd in onder andere artikel 24 van de Grondwet omtrent onderwijs. De 4e staatshervorming (1993) maakte van België een volwaardige federale staat. De voormalig tweetalige provincie Brabant werd opgesplitst in twee provincies: Vlaams Brabant (Nederlandstalig) en Waals Brabant (Franstalig). Brussel, de hoofdstad van België én tevens geografisch gezien in het centrum van de voormalige provincie Brabant gelegen, behoorde niet langer tot een provincie. Haar speciaal statuut als tweetalig gebied werd versterkt. De 5e staatshervorming (de zgn. Lambermontakkoorden) (2001) gaf de verschillende deelstaten zowel meer financiële middelen als meer bevoegdheden. Sinds de federale verkiezingen van 2007 wordt opnieuw onderhandeld over een verdere staatshervorming.
Politiek zakboekje (jaarlijks) Politieke, sociale en economische achtergrond / 18
Bijzondere Wet betreffende de financiering van Gemeenschappen en Gewesten De Grondwet Wet tot bepaling van de criteria bedoeld in artikel 39, §2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten
1.1.2. Structuur van de politieke besluitvorming België is eigenlijk een dubbele federatie, een federale unie van 3 gewesten en een federale unie van 3 gemeenschappen, die alle een eigen parlement en regering hebben (enkel voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest vallen deze samen). We behandelen eerst de relatie tussen gemeenschappen, gewesten en taalgebieden (voor de taalgebieden zie 1.1.1.). (Zie ook: Res Publica 2000:1 de consequenties van multi-level governance). België telt 3 gemeenschappen ●
● ●
De Vlaamse Gemeenschap omvat het Vlaamse Gewest, maar ook de Nederlandstalige instellingen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, bestaande uit 19 gemeenten. In dat gewest gelden de beslissingen van de gemeenschappen enkel voor die instellingen die op basis van hun organisatorische kenmerken exclusief aan één gemeenschap worden toegeschreven (bv. de Vlaamse scholen in Brussel). De Franse Gemeenschap omvat het Waalse Gewest, zonder het Duitse taalgebied, maar met de Franstalige instellingen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De Duitstalige Gemeenschap omvat het Duitse taalgebied.
België telt 3 gewesten ● ● ●
Het Vlaamse Gewest: het Nederlandse taalgebied; Het Waalse Gewest: het Franse taalgebied en het Duitse taalgebied; Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
België bestaat ook uit 10 provincies en 589 gemeenten (waarvan 19 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en 308 in Vlaanderen).
1.1.3. Politieke partijen in Vlaanderen Het partijpolitieke landschap in Vlaanderen werd de laatste jaren herverkaveld door ●
herpositionering (en naamsverandering):
○ van CVP (Christelijke Volkspartij) naar CD&V (Christen-Democratisch en Vlaams) in 2001;
○ van SP (Socialistische Partij) naar sp.a (socialistische partij anders - met als ondertitel "sociaal progressief alternatief") in 2002 en met nieuwe ondertitel in 2009 "socialisten en progressieven anders";
○ van PVV (Partij voor Vrijheid en Vooruitgang) naar VLD (Vlaamse Liberalen en Democraten) in 1992 en naar Open VLD in 2007;
○ van Agalev (Anders Gaan Leven) naar Groen! in 2003; ○ van (het extreem-rechtse) Vlaams Blok naar Vlaams Belang in 2004 (wegens juridische veroordeling voor racisme); Politieke, sociale en economische achtergrond / 19
●
het ontstaan van nieuwe partijen in 2001 als gevolg van het uiteenvallen van de Vlaamsnationalistische Volksunie (VU) en in 2007 door afsplitsing van de VLD (LDD):
○ N-VA (Nieuw-Vlaamse Alliantie) in 2001; ○ spirit (met als ondertitel De Vlaamse Links-liberalen) in 2001 (ontstaan uit VU en het links-liberale iD21), met in 2008 naamsverandering in VlaamsProgressieven en in 2009 naamsverandering in Sociaal-liberale Partij (SLP), vanaf eind 2009 integratie in Groen!;
○ LDD (Lijst Dedecker) in 2007 afgesplitst van de VLD; ●
tijdelijke kartelvorming (mede vanwege de invoering van een kiesdrempel van 5%)
○ CD&V + N-VA (terug verbroken in 2008); ○ sp.a + spirit/VlaamsProgressieven (terug verbroken in 2008); ○ VLD + Vivant (in 1997), in 2007 opgegaan in de Open VLD. In Vlaams-Brabant is tevens een Franstalige partij, UF (Union des Francophones) actief. Politieke samenstelling na verkiezingen 2009 - 2014 Vlaams Parlement Brussels Hoofdstedelijk Parlement Partijen Ministers Zetels Zetels Partijen CD&V 4 31 3 CD&V NVA 2 16 1 NVA Vlaams Belang 21 3 Vlaams Belang sp.a 3 19 4 sp.a Open VLD 3 21 4 Open VLD Groen! 7 2 Groen! UF 1 Lijst Dedecker 8 24 MR 21 PS 16 Ecolo 11 CDH Totaal
124
89
Op gemeentelijk vlak zijn er heel wat lokale partijen. Met betrekking tot het thema onderwijs is hun relevantie eerder beperkt; ze zijn enkel op lokaal vlak van belang. Dikwijls hebben dergelijke lokale partijen banden met één van de grote partijen. ● ● ● ● ● ● ● ●
www.cdenv.be www.n-va.be www.s-p-a.be www.vld.be www.groen.be www.vlaamsbelang.org www.uniondesfrancophones.be www2.lijstdedecker.com
Politieke, sociale en economische achtergrond / 20
1.2. Wetgevende en uitvoerende machten op de verschillende niveaus We behandelen achtereenvolgens: ● ● ● ●
1.2.1. De federale staat 1.2.2. De Vlaamse Gemeenschap en Vlaamse Gewest 1.2.3. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1.2.4. De provincies, steden en gemeenten
1.2.1. Federaal De wetgevende macht op federaal niveau berust bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, die fungeert als politieke kamer die het regeringsbeleid controleert en de Senaat die fungeert als bezinningskamer. Ze vormen samen het federale Parlement. ● ●
De Kamer telt 150 volksvertegenwoordigers die rechtstreeks worden gekozen op basis van 11 kieskringen. http://www.dekamer.be/ De Senaat telt 71 senatoren, waarvan
○ 40 rechtstreeks gekozen (door 2 kiescolleges, op basis van 3 kieskringen); 25 N, 15 F ○ 21 afgevaardigde gemeenschapssenatoren aangeduid door en uit de Gemeenschapsraden; 10 N, behorende tot de Nederlandse taalgroep, 10 F behorende tot de Franse taalgroep, 1 D, behorende tot de Duitse taalgroep)
○ 10 gecoöpteerde senatoren, aangeduid door de rechtstreeks gekozen senatoren en de gemeenschapssenatoren (6 N, 4 F)
○ 3 senatoren van rechtswege (de kinderen van de Koning) http://www.senate.be/ De uitvoerende macht berust bij de federale regering. Het is een zgn. 'legislatuurregering' die enkel tot ontslag kan worden gedwongen wanneer de Kamer een motie van wantrouwen heeft aangenomen of een motie van vertrouwen heeft verworpen en tegelijk een nieuwe Eerste Minister aan de Koning voor benoeming heeft voorgedragen. De verkiezingen worden gehouden om de 4 jaar. De eerstvolgende federale verkiezingen hebben plaats in 2011. Ook de Koning beschikt over een beperkte federale macht. De federale wetgevende macht wordt uitgeoefend door middel van wetten. De regering vaardigt daarop gebaseerde koninklijke besluiten uit. De grondwetsherziening van 15 juli 1998 hevelde de verantwoordelijkheden inzake onderwijs over naar de gemeenschappen, met uitzondering van de vastlegging van het begin en het einde van de leerplicht, de minimumvoorwaarden voor het verlenen van diploma's en het pensioenstelsel. Federale bevoegdheden blijven ook het Betaald Educatief Verlof (onder de federale minister van Werk), de militaire opleiding (onder de federale minister van Landsverdediging) en de politieopleiding (onder de federale minister van Binnenlandse Zaken en de federale minister van Justitie) (zie 2.6.1.). De gemeenschappen krijgen jaarlijks van de federale staat een vaste financiële dotatie voor onderwijs. Daarnaast heeft de Vlaamse overheid nog andere inkomsten, zoals gewestbelastingen en eigen ontvangsten. Daarvan wordt een deel aan onderwijs toegewezen. (zie 2.8.1.).
Politieke, sociale en economische achtergrond / 21
De bevoegdheidsverdeling onder de ministers verantwoordelijk voor onderwijs sinds 1979 illustreert goed het hele communautariseringsproces. Federale regering Martens I
1979 04 03
CVP/PSC/ PS/SP/FDF
Jef Ramaekers
Nationale Opvoeding
Jacques Hoyaux
Education Nationale
Martens II
1980 01 23
CVP/PSC/ PS/SP
Jef Ramaekers
Nationale Opvoeding
Jacques Hoyaux
Education Nationale
Martens III
1980 05 18
CVP/PSC/PS/SP
Willy Calewaert + Gaston Geens
Nationale Opvoeding + adj. Nationale Opv.
Guy Mathot
Education Nationale
Willy Calewaert + Gaston Geens
Nationale Opvoeding + adj. Nationale Opv.
Philippe Busquin
Education Nationale
Willy Calewaert + Gaston Geens
Nationale Opvoeding + adj. Nationale Opv.
Philippe Busquin
Education Nationale
Daniël Coens
Nationale Opvoeding
Michel Tromont
Education Nationale
Daniël Coens
Nationale Opvoeding
André Damseaux
Education Nationale
Daniël Coens
Nationale Opvoeding
Antoine Duquesne
Education Nationale
Willy Claes+ Luc Van den Bossche (vanaf 18/10/88 Pierre Chevalier)
Nationale Opvoeding + adj. Nationale Opvoeding
Yvan Ylieff
Education Nationale
Willy Claes
herstructurering Nationale Opvoeding
Philippe Moureaux
restructuration de l'Education Nationale
Willy Claes
herstructurering Nationale Opvoeding
Philippe Moureaux
restructuration de l'Education Nationale
Martens IV
Eyskens I
1980 10 22
1981 04 06
CVP/PSC/ PS/SP/PVV/PRL
CVP/PSC/PS/SP
Martens V
1981 12 17
CVP/PSC/PVV/PRL
Martens VI
1985 11 28
CVP/PSC/PVV/PRL
Martens VII
1987 10 21
CVP/PSC/PS/SP/ VU
1988 05 09
CVP/PSC/PS/SP
Martens VIII 1989 01 16
Martens IX
1991 09 29
CVP/PSC/PS/SP
CVP/PSC/PS/SP
Vlaamse Regering Geens I
1981 12 22
proportioneel CVP/SP/PVV/VU
Jan Lenssens
Leefmilieu, Waterbeleid & Onderwijs
Geens II
1985 12 10
CVP/PVV
Theo Kelchtermans
Onderwijs en Vorming
Hugo Weckx
Onderwijs en Brusselse aangelegenheden
Theo Kelchtermans
Tewerkstelling, Vorming & Openbaar Ambt
Daniël Coens
Onderwijs
Luc Van den Bossche
Onderwijs & Ambtenarenzaken
Geens III
1988 02 03
CVP/PVV
Geens IV
1988 10 18
CVP/SP/PVV/VU
Van den Brande I
1992 01 21
CVP/SP
Van den Brande II
1992 02 05
Van den Brande III
1992 10 20
CVP/SP/VU
Politieke, sociale en economische achtergrond / 22
Van den Brande IV
1995 06 20
CVP/SP
Luc Van den Bossche (tot 28/9/98) Eddy Baldewijns
Onderwijs & Ambtenarenzaken
Dewael I + II + III + IV
1999 07 13
Marleen Vanderpoorten
Onderwijs en Vorming
Somers I + II
2003 06 11
VLD/SP - sp.a/ Agalev - Groen!/ VU&ID - spirit
Leterme I
2004 07 22
Frank Vandenbroucke
Werk, Onderwijs en Vorming
Pascal Smet
Onderwijs, Jeugd, Gelijke kansen, Brussel
Peeters I Peeters II
2007 06 28
CD&V-N-VA /VLDVivant/ sp.a -Spirit
2008 07 22
CD&V/VLD/sp.a
2009 07 13
CD&V/sp.a/N-VA
DPF, Federale Politie, Algemene Directie van de Ondersteuning en het Beheer, Directie van de Opleiding FOD Defensie - Algemene Directie Vorming (DG Vmg) FOD FinanciĂŤn, Administratie der Thesaurie, Centrale dienst der vaste uitgaven - pensioenen FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt
1.2.2. Vlaamse Gemeenschap en Vlaamse Gewest Het Vlaams Parlement Het wetgevende orgaan voor Vlaanderen is het Vlaams parlement, het parlement van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest. Het nieuwe Vlaams parlement bestaat thans uit 124 leden: 118 direct verkozen door de inwoners van het Vlaamse Gewest en 6 verkozen onder de Nederlandstalige vertegenwoordigers van de Brusselse Gewestraad. Het Vlaams parlement heeft de drie klassieke functies van een parlement: een wetgevende functie, de vorming van regeringen en een controlefunctie. Wetgevingsinstrumenten
Het Vlaams parlement oefent haar wetgevende macht uit door middel van decreten, die dezelfde rechtskracht hebben als de wetten van het nationale parlement. Deze decreten zijn van toepassing in het Nederlandse taalgebied en ten aanzien van de instellingen in het tweetalig gebied BrusselHoofdstad, die zich uitsluitend richten tot de Vlaamse gemeenschap. Voor gewestaangelegenheden zijn de decreten enkel in het Nederlandse taalgebied van toepassing en niet in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De Vlaamse Regering vaardigt besluiten uit (BVR, Besluit van de Vlaamse Regering) op basis van de decreten. Ter uitvoering van besluiten kan een minister ministeriĂŤle besluiten treffen. Omzendbrieven van de administratie geven instructies of uitleg bij de toepassing van de reglementering. De verkiezingen voor het Vlaams Parlement worden gehouden om de 5 jaar (sinds 1995 los van de federale verkiezingen die om de 4 jaar worden gehouden). De meest recente verkiezing werd gehouden in 2009. http://www.vlaamsparlement.be
Politieke, sociale en economische achtergrond / 23
De Vlaamse Regering De uitvoerende macht is in handen van de Vlaamse Regering, die bij decreet maximaal elf leden telt, waarvan minstens één woonplaats heeft in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (en bijgevolg niet bevoegd is voor Vlaamse gewestaangelegenheden; de andere ministers zijn bevoegd voor zowel gewest- als gemeenschapsaangelegenheden). De ministers worden aangesteld door het Vlaams parlement. De Vlaamse Regering beslist 'collegiaal': elke beslissing wordt genomen door de ganse regering, tenzij een bevoegdheid expliciet wordt 'gedelegeerd' aan een individuele minister. De Vlaamse Regering is een zogenaamde legislatuurregering. Het Vlaamse Parlement kan haar vertrouwen in de regering opzeggen, maar de regering pas naar huis sturen als tegelijk een andere regering wordt voorgesteld.
De Vlaamse Administratie Als gevolg van de 5 staatshervormingen met telkens nieuwe Vlaamse bevoegdheden was de Vlaamse administratie uitgegroeid tot één ministerie van de Vlaamse Gemeenschap met 7 departementen, 58 Vlaamse openbare instellingen (VOI's), 7 Vlaamse wetenschappelijke instellingen (VWI's), 23 diensten met afzonderlijk beheer (DAB's) en tientallen andere rechtspersonen met elk hun eigen statuten, structuren en taakverdelingen. Met het oog op een Beter Bestuurlijk Beleid werden structuur en werkingsprincipes vernieuwd. Het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid (18 juli 2003) legde een nieuw organisatorisch-administratief kader van de Vlaamse overheid vast. Het Organisatiebesluit van 3 juni 2005 concretiseerde verder de organisatiestructuur. Het trad in werking op 1 januari 2006. Er werden 13 beleidsdomeinen afgebakend. Elk beleidsdomein omvat: ● ●
één departement voor het beleidsondersteunend werk, rechtstreeks door de minister aangestuurd en geleid door een secretaris-generaal; verzelfstandigde agentschappen voor de beleidsuitvoerende taken, waarvoor de opdracht wordt vastgelegd in een beheersovereenkomst gesloten met de Vlaamse Regering (voor privaatrechtelijke EVA's in een samenwerkingsovereenkomst); ze beschikken over operationele autonomie. Naargelang de graad van verzelfstandiging spreekt men van interne (IVA's) en externe verzelfstandigde agentschappen (EVA's);
○ interne verzelfstandigde agentschappen (IVA's) die worden geleid door een administrateur-generaal;
▪
IVA's zonder rechtspersoonlijkheid zijn diensten van de Vlaamse Gemeenschap die worden opgericht bij besluit van de Vlaamse Regering; een voorbeeld hiervan is het Agentschap voor Onderwijsdiensten (zie 2.6.2.1.);
▪
IVA's mét rechtspersoonlijkheid (IVA-rp) zijn afzonderlijke rechtspersonen die worden opgericht bij decreet; een voorbeeld hiervan is AGIOn, het Agentschap voor Infrastructuur in het onderwijs (zie 2.8.4.);
○ externe verzelfstandigde agentschappen (EVA's), die een verregaande autonomie hebben en structurele medezeggenschap of financiële participatie toelaten van een andere overheid of andere rechtspersonen;
▪
publiekrechtelijk vormgegeven EVA's worden opgericht bij decreet en sluiten een beheersovereenkomst met de Vlaamse Regering; voorbeelden hiervan zijn de VDAB (zie 7.3.2.) en SYNTRA Vlaanderen (zie 7.3.3.);
▪
●
privaatrechtelijk vormgegeven EVA's kunnen enkel worden opgericht op grond van een uitdrukkelijke machtiging door de decreetgever. Ze sluiten een samenwerkingsovereenkomst met de Vlaamse Regering. Een voorbeeld hiervan is het ESF-Agentschap Vlaanderen vzw (zie 2.6.2.2.). een strategische adviesraad (zoals de Vlaamse Onderwijsraad VLOR (zie 2.7.2.1.) en de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen SERV), opgericht bij decreet, samengesteld uit specialisten en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, benoemd voor 4
Politieke, sociale en economische achtergrond / 24
● ●
jaar. De raad beschikt over een eigen secretariaat geleid door een secretaris. De Vlaamse Regering is verplicht advies in te winnen wanneer het gaat om voorontwerpen van decreet en ontwerpen van besluit die van strategisch belang zijn. De raad kan daarnaast op eigen initiatief advies uitbrengen; een beleidsraad, die zorgt voor strategisch overleg tussen de minister en de leidende ambtenaren; de verantwoordelijke minister, die wordt bijgestaan door een kabinet met technische experten en materiedeskundigen.
Onder een Vlaams ministerie wordt voortaan verstaan: het departement en de IVA's zonder rechtspersoonlijkheid van een beleidsdomein. De beleidsdomeinen die we concreter zullen behandelen zijn; ● ● ● ● ●
Onderwijs en vorming (zie 2.6.2.1.) Werk en sociale economie (zie 2.6.2.2.) Landbouw (zie 2.6.2.3.) Cultuur, jeugd, sport en media (zie 2.6.2.4.) Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (zie 2.6.2.5.)
Wetenschappelijk onderzoek valt onder het beleidsdomein Economie, wetenschap en innovatie. Het Onderwijskundig wetenschappelijk onderzoek betreffende de evaluatie van het onderwijssysteem (OBPWO) valt onder het departement Onderwijs en Vorming (zie 9.6.).
SERV, Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen VLOR, Vlaamse Onderwijsraad
1.2.3. Brussels Hoofdstedelijk Gewest Zoals vermeld in 1.1.1. gaf de 3e staatshervorming van 1988 (Bijzondere Wet van 12/1/1989) een eigen statuut aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat door de 5e staatshervorming van 2001 bijkomende bevoegdheden kreeg met dezelfde fiscale autonomie als Vlaanderen en Wallonië. Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement oefent zijn gewestelijke macht uit door middel van ordonnanties (i.p.v. wetten en decreten), die 'kracht van wet' hebben; de Brusselse Hoofdstedelijke regering d.m.v. besluiten. Voor onderwijsaangelegenheden is de Vlaamse Gemeenschapscommissie van belang. Ze heeft voor deze en andere gemeenschapsaangelegenheden de bevoegdheid van inrichtende macht (zie 2.6.3.7.).
1.2.4. Provincies, steden en gemeenten Vlaanderen bestaat uit 5 provincies en 308 gemeenten; Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest omvat 19 gemeenten. Wallonië omvat 5 provincies en telt 262 gemeenten, waarvan 9 Duitstalige; daarnaast is ook een administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad opgericht, eveneens geleid door een gouverneur.
Politieke, sociale en economische achtergrond / 25
De scholen ingericht door provincies, steden en gemeenten behoren tot het 'officieel gesubsidieerd onderwijs' (zie onderwijsnetten 2.3.2.).
Provincies Een provincie wordt geleid door een gouverneur, de vertegenwoordiger van het algemeen bestuur. Deze functie oefent hij uit zowel voor de federale regering als deze van gemeenschap en gewest. De wetgevende macht berust bij de provincieraad waarvan de leden voor 6 jaar zijn verkozen. De uitvoerende macht berust bij de bestendige deputatie, bestaande uit 6 leden verkozen onder de raadsleden, onder voorzitterschap van de gouverneur (die niet stemgerechtigd is). Voor het provinciaal onderwijs fungeert de provincieraad als inrichtende macht. (Voor het onderwijsbeheer zie 2.6.3.5.). Het steunpunt en de belangenbehartiger van de Vlaamse provincies is de Vereniging van Vlaamse Provincies (VVP) http://www.vlaamseprovincies.be/
Steden en gemeenten Een gemeente staat onder leiding van een burgemeester. De wetgevende macht berust bij de gemeenteraad, de uitvoerende bij het college van burgemeester en schepenen. De gemeenteraadsleden zijn verkozen voor een periode van 6 jaar. Voor het gemeentelijk onderwijs fungeert de gemeenteraad als inrichtende macht. (Voor het onderwijsbeheer zie 2.6.3.6.). Het steunpunt en de belangenbehartiger van de lokale besturen in Vlaanderen is de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten vzw (VVSG) http://www.vvsg.be
1.3. Levensbeschouwing De Belgische grondwet garandeert de scheiding van Kerk en Staat. In deze context zijn er vele sociale, culturele en onderwijsaangelegenheden georganiseerd volgens het subsidiariteitsprincipe. Dit verklaart waarom de regering in Vlaanderen geen directe invloed heeft op de opstelling van de leerplannen zelf. De regering heeft enkel een duidelijk gedefinieerd recht om deze leerplannen te controleren (zie 5.13.2. en inspectie levensbeschouwelijke vakken 9.3.4.1.). De Belgische grondwet ondersteunt actief levensbeschouwelijk pluralisme. De wedden en pensioenen van de bedienaren der erkende erediensten en organisaties die morele diensten verlenen op basis van een nietconfessionele beschouwing, komen ten laste van de staat. Het bevoegd ministerie is de FOD Justitie. Erkend zijn de katholieke (1830), de protestantse (1830), de Israëlitische (1831), de anglicaanse (1835), de islamitische (1974), de orthodoxe eredienst (1985) en de niet-confessionele gemeenschappen (1993). Een der erkenningsvoorwaarden is sinds kort de vertegenwoordiging door een representatief orgaan. Eredienst
Representatief orgaan
Katholieke
Aartsbisschop en bisschoppen (elk op het niveau van hun bisdom)
Protestants-evangelische
Administratieve Raad van de Protestants-evangelische eredienst (ARPEE)
Orthodoxe
Metropoliet-aartsbisschop van het Oecumenisch Patriarchaat van Constantinopel
Anglicaanse
Centraal comité van de anglicaanse eredienst in België
Israëlitische
Centraal Israëlitisch Consistorie van België
Islamitische
vzw Islam Vlaanderen
Georganiseerde vrijzinnigheid
Centrale raad der niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen van België
Politieke, sociale en economische achtergrond / 26
De representatieve organen van de katholieke en islamitische eredienst en de georganiseerde vrijzinnigheid ontvangen werkingssubsidies. Ten gevolge van de secularisering is er dalende participatie aan geloofspraktijk. Gedetailleerde recente gegevens daarover ontbreken echter. Volgens de katholieke Dienst voor kerkelijke statistieken daalde de mispraktijk van 45% (inwoners 5-69 j.) in 1964 tot 10 % in 1998 (einde der tellingen). Volgens de studie van de European Values Studies Study Group in 1999/2000, zou 57,3% van de bevolking zich rekenen tot de rooms-katholieke denominatie, minder dan 2% tot andere christelijke denominaties, 1,8 tot de islamitische denominatie, 14% zou vrijzinnig zijn. De grondwet garandeert (art. 24) dat alle kinderen in het lager en het secundair onderwijs het recht hebben 2 lesuren per week een vak levensbeschouwelijke vorming als onderdeel van het basiscurriculum. Het officieel onderwijs moet de levensbeschouwelijke keuze van alle ouders respecteren en de keus bieden tussen een godsdienstig vak en een vak niet-confessionele zedenleer. Ouders of leerlingen kunnen evenwel op individuele basis vrijstelling van deze vakken vragen. De onderwijsverstrekkers zijn dan wel verplicht voor de vrijgestelde leerlingen een zinvol alternatief te zoeken. Er is geen overheidscontrole op de vakinhoud voor levensbeschouwelijke lessen (zolang ze de democratische principes van de samenleving niet in het gedrang brengen). In gesubsidieerde vrije scholen bestaat dergelijke keuze niet. Een speciale regeling is voorzien voor scholen georganiseerd op basis van 'alternatieve' onderwijsbenaderingen zoals deze ontwikkeld door Steiner en Freinet. Wanneer zij onafhankelijke (gesubsidieerd vrije) scholen zijn kunnen zij een vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseren (zie 2.3.2.). De verhoudingen waren in het openbaar onderwijs in 2004-2005: Katholieke godsdienst
Niet-confessionele zedenleer
Lager onderwijs
54%
29%
Secundair onderwijs
28%
57%
Bron: De federale financiering van de bedienaren der erediensten en de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad. Verslag van de Commissie van Wijzen 2005-2006, in opdracht van de Minister van Justitie. KU Leuven ICRID, interdisciplinair centrum religiestudies & interlevensbeschouwelijke dialoog.
Besluit van de Minister betreffende de erkenning van de instanties van de erkende godsdiensten en van de vereniging van de niet-confessionele gemeenschap
1.4. Talen De enige officiĂŤle taal van de Vlaamse Gemeenschap is het Nederlands, dat dus ook de onderwijstaal is. Vanaf 1 september 2010 kunnen zesjarige leerlingen pas starten in het lager onderwijs van een Nederlandstalige lagere of basisschool als ze het schooljaar voordien ten minste 220 halve dagen Nederlandstalig kleuteronderwijs gevolgd hebben of geslaagd zijn in een taaltest. Daarbij zullen de ouders ook een engagementsverklaring dienen te ondertekenen (zie 4.6.). Veel Vlamingen hebben een goede communicatieve kennis van ten minste ĂŠĂŠn of twee andere Europese talen (Engels, Frans, Duits,...). Officieel zijn er geen wettelijk erkende minderheidstalen in Politieke, sociale en economische achtergrond / 27
Vlaanderen met uitzondering van het Frans in sommige gemeenten langs de taalgrens met taalfaciliteiten. Frans wordt (sinds 2004 verplicht) aangeleerd als tweede taal vanaf het vijfde jaar van het lager onderwijs in Vlaanderen en Brussel en de taalgrensgemeenten. Taalsensibilisering in het Frans is mogelijk vanaf het begin van het gewoon basisonderwijs. (zie 4.10.). In Brussel is het mogelijk om al vanaf het eerste leerjaar lager onderwijs les in het Frans te geven en kan het aantal lestijden Frans dat gegeven wordt, door de school worden bepaald in functie van de instroomkenmerken van de leerlingen (zie 10.7.2.). Engels wordt aangeleerd vanaf het secundair onderwijs (zie 5.13.3.1.). Afhankelijk van de genomen onderwijskundige opties kunnen andere talen op school worden aangeleerd. Zie wet houdende taalregeling in het onderwijs van 30 juli 1963 en omzendbrief BaO/2004/02 De talen gesproken door migranten zijn wettelijk niet erkend als minderheidstalen. Niettemin heeft men in het onderwijs speciaal aandacht besteed en extra middelen vrijgemaakt voor de opvang van anderstalige nieuwkomers en voor leerlingen van migranten en etnische minderheden (zie 10.7.). Gelijke kansen bieden stond trouwens centraal in het onderwijsbeleid van de huidige minister van Onderwijs en Vorming (zie o.m. 10.5.). Enkele Franstalige scholen of afdelingen in de faciliteitengemeenten vallen onder de bevoegdheid van het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming. Op 1 februari 2007 waren er 2 948 leerlingen in het basisonderwijs: in 6 Franstalige gemeentelijke basisscholen en 2 Franstalige vrije gesubsidieerde basisscholen in de 6 randgemeenten en in één Franstalige afdeling van een Gemeenschapsbasisschool in de Vlaamse taalgrensgemeente Ronse; in het secundair onderwijs waren er 126 leerlingen in Franstalige afdelingen van 2 secundaire gemeenschapsscholen in Ronse. (Zie Vlaams Parlement - vragen en antwoorden nr. 2 november 2007). Het decreet van 23 oktober 2009 bevestigde dat ook die Franstalige basisscholen en afdelingen: ● ● ● ●
de door het Vlaams Parlement vastgelegde ontwikkelingsdoelen en eindtermen dienen te implementeren, de controle door de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap dienen te aanvaarden en mogelijk maken, een leerplan dienen toe te passen dat werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering, een beleidscontract of beleidsplan dienen te hebben met een Vlaams centrum voor leerlingenbegeleiding.,
Wetgeving houdende taalregeling in het onderwijs
1.5. Demografische ontwikkelingen Vlaanderen heeft een bijzonder hoge bevolkingsdichtheid (455), met een verdubbeling van het aantal inwoners over de laatste 100 jaar tot meer dan 6 miljoen nu. De geürbaniseerde zones zijn duidelijk in de meerderheid in Vlaanderen, waarbij de dichtste bevolkingsconcentraties zich in het centrum bevinden, binnen de ruit gevormd door Antwerpen, Leuven, Brussel en Gent. Er zijn drie Vlaamse steden met meer dan 100.000 inwoners in 2008: Antwerpen (472 071 inwoners), Gent (237 250 inwoners) en Brugge (117 073 inwoners). Brussel-stad telt 148 873 inwoners, Schaarbeek 116 039 inwoners (het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1 048 491 inwoners). Gemiddeld is er een dorp om de vijf kilometer, en een stad elke twintig kilometer. Ongeveer de helft van de bevolking leeft in urbane of sub-urbane zones. Bijna 25% van de totale oppervlakte van Vlaanderen zijn bebouwde gronden en terreinen, waarvan 10,5% woongebied (SVR 2008). Politieke, sociale en economische achtergrond / 28
Op 1/10/2006 waren er volgens het rijksregister 968.926 leerplichtigen (geboortejaar 1989-2000). De laatste jaren werd Vlaanderen, net als de rest van Europa, geconfronteerd met het probleem van de toenemende veroudering van haar bevolking en de ontgroening bij de jongeren. In de beleidsdomeinspecifieke bijdrage van de Vlaamse Administratie aan het regeerprogramma (mei 2009) worden een aantal demografische ontwikkelingen op een rij gezet. -1. Toenemende instroom in het onderwijs
Het aantal leerlingen dat in de nabije toekomst zal deelnemen aan het Vlaamse kleuter- en leerplichtonderwijs wordt bepaald door de omvang van de respectieve leeftijdsgroepen. Die wordt enerzijds bepaald door het Vlaamse geboortecijfer en anderzijds door migratiebewegingen, gecorrigeerd voor de mortaliteit. Sinds 2003 neemt het aantal geboorten opnieuw toe in zowel het Vlaams als het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het FPB-ADSEI voorspelt dat het aantal geboorten in het Vlaamse Gewest na een aantal jaren zal stabiliseren, terwijl dat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verder stijgt gedurende het hele decennium. De inschrijvingen in het kleuteronderwijs nemen toe tot in 2016. Pas in 2017 wordt een eerste (voorzichtige) daling voorspeld. Vanaf het schooljaar 2010-2011 zal de stijging van het aantal inschrijvingen in het lager onderwijs stijgen. Vanaf 2016-2017 zal ook de leerlingenpopulatie in het secundair onderwijs aangroeien. De aangroei van de Brusselse leerlingenpopulatie lijkt nog sterker. Uit een studie van Rudi Janssens bleek dat er tussen 2010 en 2020 drieduizend plaatsen in het basisonderwijs zouden moeten bijkomen, als de Vlaamse gemeenschap een vijfde van de leerlingen in Brussel wil blijven aanspreken. Tegen 2025 zouden er zelfs 4.500 extra plaatsen nodig zijn. Dat is het equivalent van een tiental scholen. Jaarlijks komen heel wat kinderen en jongeren onder de 20 jaar België binnen. Ook dat aantal is de laatste jaren gestegen van 16.000 in de jaren 90 tot meer dan 22.000 in 2006. De grote meerderheid van deze kinderen is niet Nederlandstalig. In 2007 vroegen ongeveer 14.000 personen asiel aan, één op drie daarvan was een minderjarige in gezinsverband. De groep niet-begeleide buitenlandse minderjarigen, jongeren die zonder ouders of familieleden ons land binnen komen, vraagt een bijzondere aandacht. Zij krijgen een voogd toegewezen en worden beschermd tot de leeftijd van 18 jaar (waardoor zij vb. niet kunnen worden uitgewezen). In 2007 werden in België 1334 niet-begeleide buitenlandse minderjarigen opgevangen. Deze jongeren zijn leerplichtig. Normaliter worden zij ingeschreven in een school in de buurt van de opvangstructuur waar zij verblijven. Uit inschrijvingsgegevens blijkt dat in toenemende mate jongeren die in het Waalse Gewest of in één van onze buurlanden wonen, in het Vlaams onderwijs ingeschreven zijn. Logischerwijze zullen deze leerlingen vooral voorkomen in onderwijsinstellingen nabij de land- of taalgrens. In het schooljaar 1997- 1998 was 1% van de leerlingen van het kleuter-, lager en secundair onderwijs niet afkomstig uit het Vlaams Gewest of Brussel. In het schooljaar 2007-2008 was dit aandeel al opgelopen tot 1,5% in het kleuter- en secundair onderwijs en 1,2% in het lager onderwijs. In absolute getallen gaat het om een stijging van 10.000 ‘onverwachte’ inschrijvingen in 1997-1998 naar meer dan 15.000 in 20072008. De relatief grote aanwezigheid van niet-Nederlandstalige inwoners in de Rand is een zaak van blijvende aard met als gevolg een grotere instroom van anderstalige leerlingen in het onderwijs. Het blijft dus nodig het Nederlandstalig onderwijs op die situatie af te stemmen -2. Vergrijzing van bevolking en lerarenkorps
De Vlaamse bevolking veroudert en zal dat ook in de toekomst doen. Bevolkingsvooruitzichten voorspellen dat het Vlaamse Gewest in 2021 33% inwoners jonger dan 30 zal tellen en 21% 65plussers. Volgens prognoses van de OESO zal het aantal mensen van 65 jaar en ouder en het aantal mensen tussen 15 en 64 jaar verdubbelen tegen 2050. De veroudering van de bevolking uit zich uiteraard ook in het onderwijspersoneel. De vergrijzing van het onderwijspersoneel in Vlaanderen verschilt niet van die in andere tewerkstellingssectoren. Toch heeft Vlaanderen een relatief jong lerarenkorps. Zowel in het lager (25%) als het secundair (18%) Politieke, sociale en economische achtergrond / 29
onderwijs zijn – in vergelijking met andere Europese landen – veel leerkrachten jonger dan 30. Enkel bij het academisch personeel in het hoger onderwijs is de groep ouder dan 50 omvangrijk: 38% is er ouder dan 50, in andere West-Europese landen is deze proportie veelal kleiner. Onder andere door de vergrijzing ontstaat weldra een tekort aan leerkrachten in zowel het basis als het secundair onderwijs. Uit de Survey Sociaalculturele Verschuivingen blijkt dat oudere mensen meer dan jongere belang hechten aan permanente opleiding en vorming. Toch vertaalt zich dat niet in een hogere deelname aan opleiding of vorming. Personen ouder dan 55 volgen minder vaak een bijkomende opleiding, vorming of training dan jongere mensen. In de leeftijdsgroep 65-74 steeg de deelname aan levenslang leren van 3,7% in 2002 naar 7% in 200713. In de groep 55-64-jarigen heeft deelname aan permanente vorming nog vaak een werkgerelateerd karakter: 19% van de werkende 55-64-jarigen rapporteert onderwijs of opleiding te hebben gevolgd in de voorbije 12 maand tegenover slechts 5% van de groep die niet meer actief is op de arbeidsmarkt. In de toekomst zullen ook de oudste leeftijdsgroepen (85 jaar en ouder) zowel absoluut als relatief in belangrijke mate toenemen. De vraag naar zorg en begeleiding voor deze mensen zowel thuis als in verzorgingsinstellingen zal dan ook spectaculair toenemen en zich niet beperken tot de zorgberoepen die we vandaag al kennen. De toenemende en meer gediversifieerde vraag naar deskundig personeel in de zorg- en de gezondheidssector zal zich ook vertalen in een vraag naar geschikte opleidingen. Federaal worden al volop patiëntenprofielen uitgetekend die zullen leiden tot nieuwe en uiteenlopende beroepsprofielen in de zorg- en gezondheidssector. -3. Gezinnen worden kleiner en samenleefvormen meer verscheiden
De gezinnen waarin kinderen en jongeren (0 tot 19 jaar) opgroeien, zijn de laatste decennia sterk veranderd. Van 1990 tot 2007 daalde het aandeel kinderen dat samenleeft met een gehuwd paar van 87 naar 71%. Kinderen en jongeren, vooral de jongsten ervan, wonen in toenemende mate bij een nietgehuwd paar (12% in 2007) of een alleenstaande ouder, meestal de moeder (14% in 2007). Een klein aandeel van de 0 tot 19-jarigen (3% in 2007) woont bij de grootouders of in een collectief huishouden. In 2021 zou 24% van de kinderen en jongeren tot 19 jaar samenleven met een nietgehuwd paar en 18% met een alleenstaande ouder. -4. Aanhoudende immigratie
Inwijking vanuit het buitenland blijft de belangrijkste component van onze bevolkingsgroei. Naast kinderen en jongeren komen jaarlijks een groeiend aantal volwassen immigranten België binnen: 2005 was een recordjaar met 105.000 geregistreerde immigranten en erkende/geregulariseerde asielzoekers. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is iets meer dan de helft van de immigranten afkomstig uit een EU-lidstaat, vooral Nederland en Frankrijk. Een deel van de immigratie is het gevolg van gezinshereniging en gezinsvorming. Een belangrijke proportie van immigranten uit de tweede generatie gaat op zoek naar een huwelijkspartner uit het land van herkomst. In 2005 zou nog 70% van de Turkse en 50% van de Marokkaanse immigranten in België en Nederland een partner hebben gezocht in het land van oorsprong. Terwijl vroeger een groot deel van de immigranten naar Wallonië trok, is het Vlaamse Gewest recent de populairste bestemming, gevolgd door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Door de veel kleinere oppervlakte en bevolking van Brussel is de zichtbaarheid en de impact van deze immigranten er beduidend groter dan in Vlaanderen. Behalve Brussel trekt ook Antwerpen een relatief groot aantal immigranten aan. Leuven en Gent zijn secundaire attractiepolen in het Vlaamse Gewest. Het grootste deel van de immigranten kent bij aankomst in België geen Nederlands. In Vlaanderen volgen jaarlijks naar schatting 65.000 volwassen anderstaligen een cursus Nederlands als tweede taal (NT2) in een CBE, centrum voor basiseducatie, CVO, een centrum voor volwassenenonderwijs of een universitair talencentrum. Het gaat zowel om ongeletterde asielzoekers als om Europese ambtenaren. Ze komen langs diverse wegen (VDAB, inburgeringstrajecten, sociale verhuurkantoren, eigen initiatief) terecht in de NT2-curcussen. De inschatting waar die mensen best NT2 volgen, gebeurt door de huizen van het Nederlands. Met het oog op deelname aan de arbeidsmarkt kunnen die mensen ook behoefte hebben aan (bijkomende) opleiding of vorming. Politieke, sociale en economische achtergrond / 30
Daarnaast signaleert de Vlaamse onderwijsadministratie nog een aantal cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen. -1. Sociale achterstelling in en via het onderwijs
De scholingsgraad van de bevolking is de voorbije decennia fors gestegen. In 1990 beschikte slechts 17% van de 25-64 jarigen over een diploma hoger onderwijs, in 2007 32%. Van die groep had in 1990 61% maximum een diploma van het lager secundair onderwijs, in 2007 32%. Toch heeft dit succesverhaal een keerzijde. Voor heel wat jongeren – vooral van een achtergesteld sociaal milieu verloopt de schoolloopbaan problematisch en is de kans reÍel dat ze het onderwijs ongekwalificeerd verlaten. Het onderwijs slaagt er nog steeds niet in de effecten van de sociale achtergrond van de jongeren weg te werken, integendeel zelfs, in vele gevallen versterkt het die nog. Het onderwijsniveau van de ouders en vooral van de moeder blijft doorslaggevend voor de onderwijskansen van de kinderen. In de A- stroom heeft 42% van de leerlingen een moeder met een diploma hoger onderwijs, bij de leerlingen uit de B- stroom is dit slechts ca 6,6%. In het ASO, TSO en BSO hebben respectievelijk ca. 55%, 27% en 9,7% van de leerlingen een moeder met een diploma hoger onderwijs. Ook allochtone jongeren lopen meer risico op een problematische schoolloopbaan vanaf het basisonderwijs. Die problematische start bepaalt hun verdere loopbaan. Ze stromen later in het secundair onderwijs in en belanden vaker in de B-stroom. Van daaruit wordt het bijzonder moeilijk nog een getuigschrift of diploma te behalen. In het hoger onderwijs participeren jongeren uit arbeidersmilieus nog altijd minder dan jongeren van andere sociale milieus. De vraag rijst of de rekruteringskracht van het hoger onderwijs bij kinderen van laag opgeleide ouders ooit het niveau zal halen dat ze bij andere sociale groepen haalt. Sinds dit jaar houdt de berekening van de werkingsmiddelen van het basis- en secundair onderwijs rekening met 4 indicatoren van onderwijskansarmoede van de schoolpopulatie: het onderwijsniveau van de moeder, de thuistaal, het ontvangen van een schooltoelage en de mate van achterstelling van de woonbuurt. Die vier indicatoren proberen de onderwijskansarmoede in zijn diverse dimensies - sociaal, economisch taalkundig en cultureel - te vatten. -2. De kloof tussen hoger- en lageropgeleiden dreigt te vergroten
Over de aanwezigheid van geletterdheidvaardigheden en sleutelcompetenties bij de Vlaamse bevolking bestaat geen recent onderzoek. De meest recente bron is de International Adult Literacy Survey (IALS) van tien jaar geleden. Vlaanderen scoort daarin globaal vrij goed inzake geletterdheid, maar verontrustend zijn de 15,3% tot 18,4% die tot het laagste niveau van geletterdheid behoren. Kwetsbare maatschappelijke groepen in verband met ICT- bezit en - gebruik in Vlaanderen zijn de ouderen, gezinnen met een lage scholingsgraad, burgers die geen betaald werk hebben, gezinnen met een laag inkomen en gezinnen zonder kinderen. Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe hoger de deelname aan bijkomende opleidingen, vormingsactiviteiten of trainingen. In 2007 volgde meer dan de helft van de personen met een universitair diploma een bijkomende opleiding of vorming, bij personen met hoogstens een getuigschrift lager onderwijs was dit amper 6%. Bovendien zijn hoger opgeleiden meer bewust van het belang van levenslang te leren dan lageropgeleiden. Ze hebben er ook meer zin in en zijn meer bereid dan lager opgeleiden om buiten de werkuren een jobgerichte opleiding te volgen. De ongelijke deelname aan levenslang leren versterkt de kloof tussen hoger en lager opgeleiden bijgevolg nog. -3. Gender maakt nog steeds het verschil
Meisjes doen het al langer beter op school dan jongens. Nieuw is dat meisjes nu meer dan vroeger in kansrijke studierichtingen terecht komen en doorstromen naar het hoger onderwijs. In het hoger onderwijs overtreft de deelname van vrouwen duidelijk die van mannen: ze maken 55% van de studenten van de hogescholen uit en 54% van de universiteitsstudenten. Jongere vrouwen hebben hun achterstand duidelijk ingehaald. Ze zijn vaker hoger geschoold dan mannen. Stemmen gaan nu op om de achterstand van jongens weg te werken. De horizontale seksesegregatie in het onderwijs is echter niet afgenomen, integendeel zelfs. Jongens hebben nog steeds een overwicht in het TSO en hetzelfde doet zich nu stilaan in het BSO voor. In het DBSO stijgt het aandeel jongens tot twee op drie. In het secundair onderwijs zijn meisjes sterk in de minderheid in studierichtingen die Politieke, sociale en economische achtergrond / 31
voorbereiden op traditioneel mannelijke beroepen. In studierichtingen die voorbereiden op traditioneel vrouwelijke beroepen vormen ze de meerderheid. Ook in het ASO is de segregatie toegenomen. Studiegebieden zoals wetenschappen en wiskunde zijn nog ‘mannelijker’ geworden, richtingen zoals menswetenschappen en talen nog ‘vrouwelijker’. Jongens vormen ook de meerderheid in zowel het buitengewoon lager als buitengewoon secundair onderwijs. In het hoger onderwijs zijn vrouwen oververtegenwoordigd in ‘zachtere’ richtingen als onderwijs, gezondheidszorg, taal- en letterkunde en de menswetenschappelijke richtingen, mannen in de exact wetenschappelijke en economische richtingen. Ook in het hoger onderwijs nam de seksesegregatie de afgelopen tien jaar nog toe. Die verschillen in studiekeuze vertalen zich ook in verschillen in beroepskeuze.
1.6. Economie Vlaanderen is een welvarende regio. Het bruto binnenlands product (BBP) in koopkrachtpariteiten (KKP) bedraagt naar schatting € 30 500 in 2008. Deze goede prestatie is te danken aan een hoge arbeidsproductiviteit. Een negatief punt is de vrij lage werkgelegenheidsgraad (op 62,4% geraamd in 2008). Tot voor kort kon Vlaanderen behoorlijke groeicijfers neerzetten; de financieel-economische crisis zal dat plaatje de komende jaren echter veranderen. Zoals elke ontwikkelde economie tertiairiseert Vlaanderen zich gestaag. In vergelijking met de buurlanden is de secundaire sector in Vlaanderen naar verhouding nog vrij belangrijk. Vlaanderen is voorts gespecialiseerd in halffabrikaten, in tegenstelling tot de omringende landen. Netto komen er steeds meer ondernemingen bij (althans tot en met 2008). Toch scoort Vlaanderen vrij zwak wat nieuw ondernememerschap betreft. E-commerce vindt gestaag opgang in het Vlaams bedrijfsleven. Ook zijn er relatief veel mensen aan de slag in kennisintensieve sectoren. Anderzijds stagneert het aandeel van de omzet uit nieuwe en/of verbeterde producten en diensten. De kredieten voor onderzoek & ontwikkeling aan universiteiten en hogescholen evolueerden van 350 miljoen euro in 1995 naar iets meer dan 1 miljard euro voor 2008. Tevens stegen de kredieten voor O&O-bedrijfsprojecten in 2007 en 2008 met resp. 17 en 20 miljoen euro. De O&O-intensiteit die aangeeft welk aandeel het geheel van de O&O-bestedingen (zowel uit private als publieke bronnen) uitmaakt in het BBP, bedroeg in 2007 2,03% in het Vlaams Gewest en 2,06% volgens de gemeenschapsbenadering. Anno 2007 waren er 66 op 100 Vlamingen op arbeidsleeftijd effectief werkzaam. De voorbije 5 jaren groeide de werkzaamheidsgraad traag aan. De stijging van de arbeidsparticipatie komt hoofdzakelijk op rekening van de vrouwen. Hun deelname klom gestaag van 53% in 1999 naar 60% in 2007: een evolutie die samengaat met het succes van deeltijdarbeid. Niettegenstaande een behoorlijke groeispurt tussen 1999 en 2007, blijft de arbeidsdeelname van de ouderen met 34% in 2007 erg beperkt. De krapte op de Vlaamse arbeidsmarkt nam verder maar minder sterk toe. In 2008 waren er nog gemiddeld 3 werkzoekenden per vacature tegenover 7 in 2004. Mensen blijven langer aan het werk. De werkzaamheidsgraad voor loontrekkenden is gestegen tot 54% in 2007. Bij de zelfstandigen is dat slechts 48%. De landbouw krijgt stilaan een meer duurzaam karakter. Het aantal land- en tuinbouwbedrijven daalt met een vrijwel constant totaal areaal landbouwgrond, de resterende bedrijven worden dus steeds groter. Ook het opleidingsniveau van beginnende land- en tuinbouwers is sterk gestegen. Maar liefst een kwart van de starters heeft nu hogeschool of universitair onderwijs gevolgd. (Bron: Vrind 2009, Studiedienst van de Vlaamse Regering)
Politieke, sociale en economische achtergrond / 32
1.7. Statistieken We geven hier achtereenvolgens de demografische (zie 1.7.1.), economische (zie 1.7.2.) en scholingsgraad (zie 1.7.3.) statistieken.
1.7.1. Demografische statistieken
Vlaamse Gewest
Waalse Gewest (incl. Duits. Gem.)
Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Rijk
aantal inwoners
6 161 600
3 456 775
1 048 491
10 666 866
oppervlakte
1 352 225
1 684 428
16 844
3 052 792
455
205
6 496
349
aantal vreemdelingen
354 370
322 035
295 043
971 448
% vreemdelingen t.o.v. bevolkingstotaal
5,8
9,3
28,1
9,1
Telling 1/1/2008
bevolkingsdichtheid
Bron: SVR 2008
Buitenlandse nationaliteiten die meer dan 5% vertegenwoordigen van het totaal aantal vreemdelingen in het Vlaamse Gewest op 1/1/2006 Land van herkomst
% in totaal van de buitenlandse bevolking
% in totaal van de bevolking
Nederlanders
30,8
1,60
Marokkanen
8,4
0,44
Italianen
7,2
0,37
Turken
6,0
0,31
Fransen
5,7
0,30
Bron: SVR 2008
Leeftijdsgroepen in het Vlaams Gewest op 1/1/2008 0-4 J.
5-9 J.
10-14 J.
15-19 J.
20-24 J.
25-29 J.
0-17 J.
Alle
Mannen
166 819
164 784
176 010
187 407
180 661
195 347
621 821
3 039 956
Vrouwen
159 153
157 842
169 055
179 159
177 281
191 074
594 970
3 121 644
Totaal
325 972
322 626
345 065
366 566
357 942
386 421
1 216 791
6 161 600
Leeftijdsgroep 15-24 j. : 724 508 ; leeftijdsgroep 55-64 j. : 748 965 (SVR 2008)
Politieke, sociale en economische achtergrond / 33
Structuur van de bevolking 2008 ( Algemene directie statistiek) Jongeren 0-17 j.
Actieve leeftijd 18-64 j.
Ouderen 65+
19,7%
62,4
17,9 %
Bron: Vlaanderen in cijfers, 2009.
Geboorte- en sterftecijfers per gewest, in %, in 2007 (Bron SVR 2008) Vlaamse Gewest
Waalse Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest
geboortecijfer %
10,7
11,3
15,5
sterftecijfer %
9,1
10,4
8,8
Leeftijdspiramide van de bevolking van het Vlaamse Gewest, stand op 31/12/2007 en prognose voor 31/12/2020
Bron: Bijdrage Vlaamse administratie aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse Regering. Deel 1 Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen. Vlaamse Overheid, 2009.
Politieke, sociale en economische achtergrond / 34
1.7.2. Economische statistieken
Bron: Vrind 2009, Vlaamse Overheid.
Evolutie werkzaamheidsgraad (*) 25-64 j. in %, naargelang scholingsniveau
Totaal
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
Vlaams Gewest
68,6
70,1
69,9
70,0
69,7
71,2
72,1
72,1
73,6
Waals Gewest
61,9
63,2
62,7
62,4
63,6
62,9
64,1
64,2
65,1
Brussels H. Gewest
61,4
62,5
61,5
61,9
60,9
61,9
62,8
60,8
62,6
BelgiĂŤ
65,8
67,2
66,8
66,8
66,9
67,7
68,7
68,5
69,8
Vlaams Gewest
51,6
52,9
51,8
52,1
52,0
52,4
52,3
52,2
54,2
Waals Gewest
46,1
47,2
46,1
45,1
45,7
44,4
45,4
46,0
44,6
Brussels H. Gewest
41,4
44,6
43,0
41,8
41,3
42,9
42,2
41,4
42,5
BelgiĂŤ
48,8
50,3
49,1
48,8
48,9
48,8
49,0
49,0
49,8
Laaggeschoold
Politieke, sociale en economische achtergrond / 35
Middengeschoold Vlaams Gewest
76,7
77,9
77,3
77,2
76,2
77,0
77,8
77,5
78,1
Waals Gewest
69,7
70,5
69,3
69,7
69,4
68,4
69,2
68,2
69,5
Brussels H. Gewest
66,1
63,5
65,8
63,5
59,7
61,3
62,1
59,0
61,9
BelgiĂŤ
73,8
74,5
74,0
73,8
72,8
73,1
74,0
73,2
74,2
Vlaams Gewest
86,8
86,6
86,4
85,4
85,1
86,2
86,4
85,7
87,1
Waals Gewest
82,5
82,8
83,2
81,6
82,5
81,9
81,8
82,1
83,2
Brussels H. Gewest
82,0
79,8
79,0
80,8
79,5
77,9
79,7
77,3
78,7
BelgiĂŤ
84,9
84,6
84,6
83,7
83,6
83,9
84,2
83,6
84,9
Hooggeschoold
(*) Werkzaamheidsgraad = werkenden / bevolking Bron: FOD Economie, Algemene Directie Statistiek - EAK (bewerking steunpunt WSE/departement WSE), 2008
Evolutie van de werkzaamheidsgraad volgens leeftijd in het Vlaams Gewest (20002008)
Bron: FOD Economie - ADSEI - EAK (bewerking Departement WSE/Steunpunt WSE) De toename van het aandeel werkende 50-plussers zich veel sterker heeft gemanifesteerd bij vrouwen (+13,7 ppt.) dan bij mannen (+4,8 ppt.). Enerzijds is dit het gevolg van de geleidelijke verhoging van de pensioenleeftijd bij vrouwen en anderzijds als gevolg van het cohorte-effect. De oudere generatie van vrouwen zijn altijd minder actief geweest op de arbeidsmarkt dan de huidige generatie jongere vrouwen. Wanneer we de 50-plussers verder opsplitsen naar 5-jarige leeftijdsklasse wordt duidelijk dat de werkzaamheidsstijging ook niet voor alle leeftijden gelijk is. De werkzaamheidsgraad van de 50- tot 54-jarigen is tussen 2000 en 2008 gestegen van 63,8% tot 74,5% (+10,7 ppt.). De 55 tot 59-jarigen hebben een veel lagere werkzaamheidsgraad, maar deze is wel even sterk gestegen, van 40,5% tot 51,3% (+10,8 ppt.). Van alle 60- tot 64-jarigen was in 2000 Politieke, sociale en economische achtergrond / 36
slechts 11,2% aan het werk, en in 2008 15,7% (+4,5 ppt.). Voorlopig is de werkzaamheidsstijging van de 60-plussers nog redelijk beperkt, maar bij de 50- tot 59-jarigen is de stijging de voorbije jaren wel bijzonder sterk geweest.
Werkloosheidsgraad volgens leeftijd in de gewesten, België en EU-27 (2008)
Bron: FOD Economie – ADSEI – EAK, Eurostat LFS (bewerking Departement WSE/Steunpunt WSE) Bron: Werk en sociale economie, http://www.werk.be
1.7.3. Scholingsgraad & ongekwalificeerde uitstroom & deelname aan permanente vorming Scholingsgraad van de bevolking van het Vlaamse Gewest (25-34 jaar), in % Scholingsgraad van de bevolking van het Vlaamse Gewest (25-34 jaar)
100%
80%
%
60%
40%
20%
0% 1990
1992
1994
1996
1998
1999
2000
2002
2003
2004
2005
2006
tijd maximaal lager secundair
hoger secundair
hoger niet-universitair
universitair niveau*
Politieke, sociale en economische achtergrond / 37
hoogst behaalde diploma
2006
2005
2004
2003
2002
2000
1999
1998
1996
1994
maximaal lager secundair
14,7
15,6
16,6
19,6
19,4
21,0
24,0
23,4
26,5
31,4
hoger secundair
42,0
42,2
41,5
41,1
42,1
42,0
41,7
42,0
40,3
38,2
hoger niet-universitair
24,5
22,9
22,7
21,7
21,1
20,0
18,7
18,2
19,9
17,7
universitair niveau*
18,8
19,3
19,2
17,6
17,5
17,0
15,6
16,4
13,3
12,8
Bron : SVR 2008
Ongekwalificeerde uitstroom en opleidingsniveau 20- tot 24-jarigen Ongekwalificeerde uitstroom is het aandeel jongeren (18-24 jaar) met maximaal een diploma lager secundair onderwijs die geen verder onderwijs volgen en tijdens een referentieperiode van 4 weken niet hebben deelgenomen aan een opleiding. Elk jaar verlaten heel wat jongeren de schoolbanken zonder diploma van het hoger secundair onderwijs. Deze jongeren worden beschouwd als onvoldoende gekwalificeerd om sterk te staan op de arbeidsmarkt. Dit probleem werd door de Europese Unie ook aangekaart in de Lissabondoelstellingen, waarbij de Europese lidstaten zich engageerden om de ongekwalificeerde uitstroom tegen 2010 te laten dalen tot maximaal 10%. Het Vlaams Gewest bereikte die Europese doelstelling reeds in 2006, en zag de ongekwalificeerde uitstroom sindsdien steeds verder dalen. In 2008 bedroeg de ongekwalificeerde uitstroom in het Vlaams Gewest nog 8,5%. Er bestaan zeer grote verschillen tussen de gewesten: in het Waals Gewest bedroeg de ongekwalificeerde uitstroom 15,2%, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zelfs 19,9%. Dit levert België een totale ongekwalificeerde uitstroom van 12% op. De ongekwalificeerde uitstroom is merkelijk hoger bij jongens dan bij meisjes, al wordt het verschil steeds kleiner. In 2008 bedroeg de ongekwalificeerde uitstroom bij Vlaamse jongens 9,6% en bij Vlaamse meisjes 7,5%, een kloof van 2,2 procentpunten. Voor 2006 bedroeg deze kloof nog bijna 5 procentpunten. Het aandeel Vlaamse 20 tot 24-jarigen die het hoger secundair onderwijs wél beëindigd hebben, bedroeg in 2008 87,7% . Ook hier blijft het Vlaams Gewest vooruitgang boeken terwijl de andere gewesten stabiliseren of zelfs stagneren. Meisjes scoren weer iets beter dan jongens (89,1% t.o.v. 86,4%), maar ook hier is er een inhaalbeweging zichtbaar.
Politieke, sociale en economische achtergrond / 38
- Kwartaalcijfers
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek - EAK, Eurostat LFS (bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) * : tijdreeksbreuk door weglaten van studenten in schoolvakantie - Jaargemiddelden O n g e k wa l i f i c e e r d e u i t s t r o o m u i t h e t o n d e r wi j s : a a n d e e l 1 8 - 2 4 j a r i g e n m e t m a x i m a a l d i p l o m a l a g e r s e c u n d a i r o n d e r wi j s
A a n d e e l 2 0 - 2 4 j a r i g e n d i e h e t h o g e r s e c u n d a i r o n d e r wi j s b e ĂŤ i n d i g d h e b b e n
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek - EAK, Eurostat LFS (bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE)
Politieke, sociale en economische achtergrond / 39
E v o l u t i e v a n d e o n g e k wa l i f i c e e r d e u i t s t r o o m n a a r r e g i o ( j a a r g e m i d d e l d e n 1 9 9 9 - 2 0 0 8 )
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek - EAK, Eurostat LFS (bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) Bron: Werk en sociale economie, http://www.werk.be
Deelname aan permanente vorming Deelname aan permanente vorming is het aandeel van respondenten tussen 25 en 64 jaar dat aangeeft in de loop van een referentieperiode van 4 weken een opleiding gevolgd te hebben. * : Er zijn twee breuken in de tijdreeksen: één in 2004 en één in 2006: ●
●
In 2004 werd de vraagstelling in de enquête gewijzigd. Respondenten werden expliciet gevraagd of ze ook buiten het reguliere onderwijs opleidingen gevolgd hadden, zoals op cursussen of seminaries. Hierdoor zien we een sterke stijging in de deelname aan permanente vorming in 2004. Vanaf 2006 worden de studenten in schoolvakantie uitgesloten, waar dit voorheen niet het geval was. Het effect van deze wijziging is echter eerder beperkt (voor het Vlaams Gewest zou de deelname aan levenslang leren in 2006 en 2007 telkens 0,1 procentpunt hoger liggen volgens de oude meetmethode).
Politieke, sociale en economische achtergrond / 40
- Kwartaalcijfers T r e n d n i v e a u d e e l n a m e a a n p e r m a n e n t e v o r m i n g , B e l g i ĂŤ e n h e t V l a a m s G e we s t ( 1 s t e k wa r t a a l 2 0 0 1 - 4 d e k wa r t a a l 2 0 0 8 )
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek - EAK, Eurostat LFS (bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE)* : tijdreeksbreuk - Jaargemiddelden
Politieke, sociale en economische achtergrond / 41
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek - EAK, Eurostat LFS (bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) Deelname aan permanente vorming volgens regio (jaargemiddelden 1999-2008)
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek - EAK, Eurostat LFS (bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) * : tijdreeksbreuk (zie definitie)
Politieke, sociale en economische achtergrond / 42
2. Algemene organisatie en bestuur van het onderwijs Na een bondig historisch overzicht (zie 2.1.) dat hier beperkt wordt tot de vrijheid van onderwijs en na lopende discussies en beleidsontwikkelingen (zie 2.2.) behandelen we: ● ● ● ●
2.3. fundamentele principes 2.4. structuur van het onderwijssysteem en keuzemomenten 2.5. leerplicht en de controle daarop 2.6. bestuur
○ 2.6.1. federaal niveau ○ 2.6.2. gemeenschapsniveau ○ 2.6.3. lokaal niveau
inrichtende machten en onderwijskoepels GO!, onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs gesubsidieerd vrij niet-katholiek onderwijs provinciaal onderwijs stedelijk en gemeentelijk onderwijs Nederlandstalig onderwijs in het Brussel Hoofdstedelijk Gewest Lokaal flankerend onderwijsbeleid
○ 2.6.4. niveau van de instellingen en groeperingen van instellingen
● ●
de scholen de scholengemeenschappen de hogescholen de universiteiten associaties 2.7. participatie- en overlegstructuren 2.8. financiering
2.1. Historisch overzicht De eerste organieke wet op het lager onderwijs kwam tot stand in 1842. Van 1907 tot 1932 ressorteerde het onder Kunsten en Wetenschappen. Nadien Openbaar Onderwijs en vervolgens Nationale Opvoeding & Cultuur. De eerste organieke onderwijswetten kwamen tot stand in 1835 (hoger onderwijs), 1842 (lager onderwijs) en 1850 (middelbaar onderwijs). De vrijheid van onderwijs, opgenomen in de grondwet (zie 2.3.1.), is steeds een van de centrale thema's geweest van het onderwijsbeleid en heeft aanleiding gegeven tot vele conflicten. Tot aan de Gemeentewet van 1836 was het lager onderwijs nagenoeg uitsluitend in handen van de geestelijkheid, na 1836 hadden echter ook de gemeenten zich ijverig met deze onderwijstak ingelaten. De eerste organieke wet op het lager onderwijs van 1842 erkende wel de katholieke godsdienst als basis van alle onderwijs, en liet gemeenten toe vrij scholen te aanvaarden, maar kende het benoemingsrecht in het gemeentelijk onderwijs uitsluitend toe aan de gemeenteraden. De geestelijkheid kreeg enkel toezicht op het godsdienstonderwijs en geen controle Algemene organisatie / 43
op de leerboeken. Dit was ook het geval in de wet op het middelbaar onderwijs van 1850. In het hoger onderwijs was het knelpunt het recht op toekenning van de academische graden. In 1849 werd dat geregeld met de instelling van centrale commissies samengesteld uit vertegenwoordigers van het vrij en het officieel onderwijs. Een apart ministerie voor Openbaar Onderwijs werd voor het eerst sinds de onafhankelijkheid gecreëerd in 1878 (onder de radicaal liberale minister Paul Van Humbeek) in functie van een nieuwe wet op het lager onderwijs (1879) en het middelbaar onderwijs (1881). Deze wetten hebben geleid tot de eerste schoolstrijd (o.m. omdat gemeenten minstens één officiële staatsschool dienden te bezitten, geen vrije scholen meer mochten aanvaarden en subsidiëren, alle onderwijzers een diploma van een officiële normaalschool dienden te hebben en in staatsscholen niet langer godsdienstonderwijs mocht worden gegeven binnen de klasuren). Na de verkiezingen van 1884 werd het ministerie weer bij Binnenlandse Zaken gevoegd en kwam een nieuwe wet op het lager onderwijs tot stand, waarin gemeenten opnieuw vrije scholen mochten 'aannemen', zelf konden beslissen om godsdienstonderwijs op te nemen in het programma en onderwijzers niet langer een officieel diploma dienden te hebben. Van 1907 tot 1932 ressorteerde onderwijs onder het ministerie van Kunsten en Wetenschappen. Vanaf 1932 werd het Openbaar Onderwijs en vanaf 1961 Nationale Opvoeding. De uitbouw van het onderwijs na de tweede wereldoorlog leidde tot een tweede schoolstrijd die eindigde met een schoolpact op 6 november 1958. Sinds dan vormde de Schoolpactwet van 29 mei 1959 het fundament voor de organisatie van alle onderwijsinrichtingen (met uitzondering van de universiteiten) in een onderwijssysteem, gefinancierd of gesubsidieerd door de overheid. Om de uitvoering van het pact te volgen werd een Permanente (politieke) Commissie opgericht. Deze periode werd definitief afgesloten bij de communautarisering van het onderwijs door de basisprincipes in te schrijven in artikel 24 van de grondwet, gewijzigd op 15 Juli 1988. Andere artikels (art. 127 § 1.2 en art. 142) kennen de verantwoordelijkheid voor het doen eerbiedigen van die onderwijsvrijheid voortaan toe aan de Gemeenschappen en niet meer de federale overheid en geven alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen de waarborg dat ze op een gelijke behandeling kunnen rekenen. De communautarisering van het onderwijs zorgde - in Vlaanderen - voor het streven naar autonomie voor het rijksonderwijs zodat de minister van Onderwijs er sinds 1989 niet langer de inrichtende macht van is (zie 2.6.3.2.). De verdeling van de werkingsmiddelen over de onderwijsnetten bleef tot 2008 een knelpunt, want netgebonden. De werkingsmiddelen voor leerlingen in het vrij gesubsidieerd onderwijs bedroegen sinds 1997 76% van deze voor de leerlingen van het (door de overheid gefinancierde) gemeenschapsonderwijs (het vroegere rijksonderwijs). De discussie over een verdeling op basis van objectiveerbare verschillen werd beslecht door het decreet van 4 juli 2008 (zie 2.8.3.). ● ● ●
Jan De Groof, De schoolpactwet: coördinatie en annotatie. Kluwer, 1996 Jan De Groof, De grondwetsherziening van 1988 en het onderwijs: de schoolvrede en zijn toepassing. Story Scientia, 1989 Els Witte, Jan De Groof, Jeffrey Tyssens, Het schoolpact van 1958: ontstaan, grondlijnen en toepassing van een Belgisch compromis, Garant, 1999
Meer specifieke historieken vindt men in: ● ● ● ● ● ● ● ● ●
De communautarisering van het onderwijs (zie 1.2.1.) Leerplichtverlenging (zie 2.5.1.) Autonomie gemeenschapsonderwijs (zie 2.6.3.2.) Participatie in het onderwijs (zie 2.7.1.) Kleuteronderwijs (zie 3.1.) Lager onderwijs (zie 4.1.) Secundair onderwijs (zie 5.1.) Hoger onderwijs (zie 6.1.) Permanente vorming (zie 7.1.)
Algemene organisatie / 44
● ● ● ● ●
Lerarenopleiding (zie 8.1.1.) Arbeidsvoorwaarden personeel (zie 8.2.1.) Evaluatie (zie 9.1.) Onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsproblemen (zie 10.1.) Europese en internationale dimensie (zie 11.1.)
2.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen Hier behandelen we de algemene beleidsintenties, nieuwe regelgeving en initiatieven inzake het lokale beleid en niveauoverschrijdende thema’s. Niveauspecifieke ontwikkelingen komen aan bod in 3.2. (kinderopvang), 4.2. (basisonderwijs), 5.2. (secundair en secundair-na-secundair), 6.2. (hoger), 7.2.) (volwassenenvorming), alsook in 8.1.2. (lerarenopleiding), 8.2.2. (personeel), 9.2. (kwaliteitsborging), 11.2. (internationaal).
-1. Beleid onderwijs en vorming Nuttige informatiebronnen terzake zijn de nieuwsbrieven op de website van het ministerie van Onderwijs en Vorming www.ond.vlaanderen.be/nieuws, de jaarlijkse Beleidsbrief Onderwijs en Vorming van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, conceptnota’s en zijn recente toespraken (zie http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/). Voor de nieuwe legislatuur zijn van belang: het regeerakkoord, de beleidsnota onderwijs 2009-2014, de beleidsdomeinspecifieke bijdrage van de Vlaamse administratie aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse Regering, mei 2009. -1.1. Belangrijkste decretale vernieuwingen in 2009
● ●
● ● ● ● ● ● ●
●
Invoering van een Vlaamse Kwalificatiestructuur, een raamwerk waarmee alle Vlaamse kwalificaties d.m.v. competenties beschreven kunnen worden (30/4/2009) (zie 2.3.5.) Borging van de kwaliteit van het onderwijs met reorganisatie werking inspectie, begeleidingsdiensten en nieuw Agentschap voor Kwaliteitszorg in onderwijs en vorming (30/4/2009) (zie 9.) Herziening van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in basis- en secundair onderwijs (30/04/2009) (zie 5.2.) Creatie van het secundair-na-secundair onderwijs en hoger beroepsonderwijs (30/03/2009) (zie 5.20.2. en 5.20.3.) Nieuwe taalvoorwaarden tot toelating in het lager onderwijs met een engagementsverklaring van de ouders (zie 4.6.) Mogelijkheid tot creatie van intergemeentelijke onderwijsverenigingen IGOV (28/11/2008) (zie 2.6.3.6.) Organisatie van het onderwijsgebonden sportbeleid (13/02/2009) (zie 5.11.5.) Oprichting onderhandelingscomités voor de basiseducatie en voor het VOCV (23/01/2009) (zie 2.7.2.6.4.) Bevestiging dat de Vlaamse eindtermen en ontwikkelingsdoelen van toepassing zijn op de Franstalige scholen in taalgrensgemeenten en de Vlaamse onderwijsinspectie bevoegd is voor de controle (23/10/2009) (zie 1.4.) Onderwijsdecreet XIX (08/05/2009)
-1.2. Decreten die gepland zijn voor 2010 of later en in voorbereiding zijn
● ● ● ●
Flankerend onderwijsbeleid – 2013 (herziening – zie 2.2.-3.1. en 2.6.3.8.) Brede leefschool – 2014 (zie 2.2.-3.4.) Internaten (komen tot een wettelijk kader voor leerlingen gewoon en buitengewoon onderwijs) – 2013 Omkaderingssysteem in het kleuter- en leerplichtonderwijs – 2013 (zie 4.2. & 10.2.-3.) Algemene organisatie / 45
● ● ● ● ● ●
● ● ● ● ●
Verankering alternatieve aanmeldingsprocedures inschrijvingsrecht – 2012 (zie 2.2.-2.2.) Basisdecreet hoger onderwijs: ter coördinatie van de bestaande decreten hoger onderwijs en een vereenvoudiging, actualisering of bijsturing van de bestaande regels Studentenvoorzieningen hoger onderwijs (actualiseren en vereenvoudigen regelgeving) – 2012 Deeltijds Kunstonderwijs (hervorming) – 2013 (zie 7.2.5.) Leerzorg (nieuw referentiekader voor ondersteuningsnoden in gewoon en buitengewoon onderwijs – 2012 (zie 10.2.) Coördinatie van alle bestaande wettelijke en decretale bepalingen betreffende het secundair onderwijs, ter voorbereiding van de hervorming van het secundair onderwijs. Een ontwerpdecreet voor de hervorming is gepland tegen 2014 (zie 5.2.) Leerlingenbegeleiding (afstemming interne en externe leerlingenbegeleiding in overleg met de ministers bevoegd voor werk, voor welzijn en voor inburgering) - 2014 Leerlingenvervoer (actualiseren en vereenvoudigen regelgeving en verbetering samenwerking met De Lijn inzake aanwending van de financiële middelen) (zie 10.6.3.) Studiefinanciering (uitbreiding naar HBO5 en TKO algemene vorming en automatische toekenning) - 2014 Decreet XX – XXIV Het is ook de bedoeling om in deze legislatuur tot een éénvormig Vlaams syndicaal statuut te komen voor de volledige onderwijssector, over alle netten en niveaus heen (zie ook 2.7.2.6.).
- 1.3. Onderwijscao
Recent hebben de vakorganisaties hun eisencahier ingediend voor een negende onderwijscao. Het is de bedoeling dat deze cao zal gelden voor de jaren 2010 en 2011 en vooral aandacht zal hebben voor kwalitatieve aspecten gezien de huidige financiële situatie in Vlaanderen (zie ook 2.7.2.6.). - 1.4. Financiering
Het beleidsdomein Onderwijs moet in 2009-2010 72 miljoen euro besparen. Dat is 0,8% van het totale onderwijsbudget. De genomen maatregelen hebben een effect op het loon van het onderwijzend personeel (3,1 mio), op de werkingsmiddelen van de scholen en CLB’s (31,5 mio), de werkingsmiddelen van het overheidsapparaat, de tussenstructuren en de nascholing (5,1 mio), diverse projecten en het steunpunt GOK (14 mio), het hoger onderwijs (6,6 mio) en de omkadering (10,9 mio). Het nieuwe financieringssysteem voor de werkingsmiddelen van het basis- en secundair onderwijs zal in 2012 worden geëvalueerd. Er zal worden nagegaan of de scholen de middelen aanwenden volgens de uitgangspunten en doelstellingen van het decreet. Ook de nieuwe financiering van het hoger onderwijs zal worden geëvalueerd. Het budget voor het hoger onderwijs zal alvast tijdens de nieuwe regeerperiode worden verhoogd met 10%. In 2010 zal het investeringsprogramma voor de basisuitrusting van het BSO, TSO, DBSO en BusO worden geëvalueerd. Er zal tevens een actieplan voor het technisch en beroepsonderwijs worden opgestart met bijzondere aandacht voor investeringen in groene technologie.
-2. Lokaal beleid -2.1. Lokaal flankerend onderwijsbeleid
N.a.v. een nieuw lokaal onderwijsbeleidsplan wil de minister van Onderwijs en Vorming in samenspraak met zijn collega bevoegd voor Binnenlands bestuur de regiefunctie van lokale overheden evalueren en het onderwijsplan in een legislatuurplan integreren. Daarbij zullen ook de interpretatieproblemen m.b.t. sociale en andere voordelen herbekeken worden. Ook zullen de taken van het LOP en van de gemeente beter op elkaar worden afgestemd (zie verder 2.6.3.8.).
Algemene organisatie / 46
-2.2. Inschrijvingen en aanmeldingsprocedures
Recente demografische evoluties en het GOK-decreet, dat het recht op inschrijving voor alle leerlingen in elke school garandeert, hebben een capaciteitsprobleem voor sommige scholen (vooral in de centrumsteden) zichtbaar gemaakt. Doordat scholen niet langer een willekeurig inschrijvingsbeleid konden hanteren ontstonden wachtrijen en kampeertoestanden van ouders die hun kind willen inschrijven. Om dit probleem op te lossen, kunnen scholen in Vlaanderen en Brussel sinds 2009 experimenteren met aanmeldingsprocedures om wachtrijen en kampeertoestanden te vermijden mits akkoord van het lokaal overlegplatform (LOP). Wettelijk zijn er twee groepen kinderen die voorrang krijgen bij de inschrijvingen: 1) kinderen die een broer of zus hebben in dezelfde school, 2) GOK-leerlingen of niet-GOK-leerlingen als de school hiervoor kiest (zie 2.3.1.2.). Daarnaast worden lokaal verschillende voorrangscriteria en aanmeldings- en inschrijvingsprocedures gehanteerd. Enkele voorbeelden. In Gent werkt men voor de inschrijvingen voor het schooljaar 2010-2011 met een centraal onlineaanmeldingssysteem en hanteert men voor alle Gentse basisscholen als rangschikkingscriterium de afstand tot de school. In de eerste aanmeldingsperiode kunnen kinderen alleen worden aangemeld in scholen die hetzij een voorrangsperiode voor GOK-leerlingen inrichten, hetzij een voorrangsperiode voor niet-GOK leerlingen. Er is ook een online-aanmeldingssyteem voor 3 secundaire methodescholen. Daarvoor hanteert men het aantal volledige schooljaren dat de kandidaat-leerling al methodeonderwijs heeft gevolgd. (https://meldjeaan.gent.be). In Antwerpen werkt men met een centraal online-aanmeldingssysteem voor alle Antwerpse basisscholen en houdt men (voor 30% - 100% te bepalen door de school) rekening met de afstand van de school tot de woonplaats van het kind en met het tijdstip van aanmelding. Het LOP deed wel een (vrijblijvende) aanbeveling opdat de scholen de afstand voor minstens 70% zouden laten meespelen bij het bepalen van de rangorde. In Brussel werkt men eveneens met een centraal online-aanmeldingssysteem voor het Nederlandstalig basis- en secundair onderwijs. Daarbij worden voor het basisonderwijs verschillende criteria gebruikt waarbij scholen ook kunnen kiezen welke voorrang ze aan sommige criteria geven. Voor het secundair onderwijs hanteert men de criteria 1) kinderen die een broer of zus hebben in dezelfde school, 2) het aantal maanden in een basisschool die verbonden is aan de secundaire school, 3) het tijdstip van aanmelden. (http://www.inschrijveninbrussel.be). Aangezien het capaciteitsprobleem zich nog scherper stelt in Brussel, wordt een structureel overleg opgestart met alle (inclusief de Franstalige) partners die betrokken zijn bij het onderwijs in Brussel. -2.3. Engagementsverklaring van ouders & kennis Nederlands
Vanaf het schooljaar 2010-2011 zal in het schoolreglement in alle scholen in Vlaanderen en de Nederlandstalige scholen in Brussel een engagementsverklaring tussen school en ouders moeten opgenomen zijn. Ouders zullen deze bij inschrijving dienen te ondertekenen. In die engagementsverklaring zullen duidelijke afspraken dienen gemaakt inzake het oudercontact, de voldoende aanwezigheid van de leerlingen op school, de deelname aan het begeleidingsaanbod van de school en een positief engagement ten opzichte van het Nederlands. (Zie ook 4.6. en 5.7.). Zie Omzendbrief BaO/2009/02. Vanaf het schooljaar 2010-2011 zullen kinderen pas ingeschreven kunnen worden in een Nederlandstalige lagere school, als ze ook één jaar Nederlandstalig kleuteronderwijs gevolgd hebben, of geslaagd zijn in een taaltest. Daarnaast zullen informele vormen van ouderparticipatie gestimuleerd worden. -2.4. Brede school
Een brede school is gericht op de brede ontwikkeling van alle kinderen en jongeren door het ondersteunen en/of creëren van een brede leer- en leefomgeving op lokaal niveau waarbinnen kinderen en jongeren een waaier aan leer- en leefervaringen kunnen opdoen. Daartoe kan de school Algemene organisatie / 47
een samenwerking opzetten en een netwerk uitbouwen met verenigingen of instellingen op het terrein van cultuur, sport, jeugdwerk, kinderopvang, welzijn, buurtwerk…,sectoren die samen het leren/leven van kinderen en jongeren mee vormgeven en ondersteunen. Om duurzame samenwerkingsverbanden op lokaal niveau tot stand te laten komen is er ook op beleidsniveau samenwerking ontstaan. Eind 2006 startten 14 Vlaamse en 3 Brusselse proefprojecten voor 3 jaar. Er zal onderzocht worden hoe nieuwe projecten kunnen gefinancierd worden, belemmeringen in de wetgeving en hindernissen weggenomen (bv. inzake het openstellen van schoolgebouwen) en welke rol het lokaal flankerend onderwijsbeleid hierin kan spelen.
-3. Aanpak probleemgedrag In het schooljaar 2007-2008 werden in het secundair onderwijs 1 523 leerlingen van school gestuurd wegens tuchtproblemen. - 3.1.Time-out projecten
In Time-out projecten worden leerlingen die grote moeilijkheden veroorzaken of geheel gedemotiveerd zijn uit de school gehaald en apart begeleid. Gezien het positief resultaat van de eerste 4 experimentele projecten (2001 tot 2006) worden de projecten met een looptijd van 3 jaar sindsdien aangeboden door 15 organisaties en gesubsidieerd door het departement Onderwijs en Vorming. De langdurige time-out projecten worden gecofinancierd door het departement Welzijn, Volksgezondheid & Gezin. Voor de projecten vanaf het schooljaar 2010-2011 wordt per kortdurende time-out begeleiding (binnen of buiten de school gedurende 5-10 dagen, eventueel met herstelgerichte acties), een bedrag van 1 1041,82 euro toegekend en per langdurige time-out begeleiding (gedurende 3-6 weken) een bedrag van 3 125,46 euro. Binnen korte time-outprojecten kan daarnaast ook een HERGO-methodiek worden gebruikt. Herstelgericht groepsoverleg is een bemiddelingsvorm die aangewezen is in situaties waarbij er nood is aan herstel (en waarbij er dus een dader en een slachtoffer kunnen worden aangeduid, bv. een leerling die iets beschadigd heeft op school of die gevochten heeft met een andere leerling of leerkracht). Het hele proces wordt gestuurd door een moderator/ bemiddelaar herstelgericht groepsoverleg, waarvoor ook een opleiding met certificaat is uitgewerkt. (BVR 19 juni 2009). Zie: http://www.ond.vlaanderen.be/leerplicht/actoren/time-out/ -3.2. Zorgboeren
Leerlingen uit het secundair onderwijs die tijdelijk op school zijn uitgesloten of begeleiding nodig hebben ter remediëring van problematische afwezigheid krijgen de kans om nuttig werk op te nemen onder toezicht en begeleiding van een land- of tuinbouwer. Die kunnen daarvoor sinds 2005 gesubsidieerd worden mits zij een zorgboerderijovereenkomst (inclusief handelingsplan) afsluiten met een CLB, centrum voor leerlingenbegeleiding (zie OZB CLB/2008/1). - 3.3. Pesten, afpersing en geweld op school
Er is ook toenemende aandacht voor pesten & cyberpesten, afpersing (steaming) en geweld op school. Daartoe wordt met verschillende organisaties samengewerkt: het Steunpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag op School (http://www.iswlimits.be/nl/onderwijs.asp), het Vlaams Netwerk Kies Kleur tegen Pesten (http://www.kieskleurtegenpesten.be/). De CLB's, centra voor leerlingenbegeleiding registreren voortaan ook gegevens over pesten en gepest worden. Het ministerie van onderwijs participeert aan het OESO-project International network on school bullying and violence (http://oecd-sbv.net/ ). Zie ook http://www.slatoe.be/ -3.4. Verbindingsfunctionarissen voor geplaatste kinderen
Soms worden schoolgaande kinderen en jongeren omwille van een problematische opvoedingssituatie of een misdrijf opgenomen in één van de Gemeenschapsinstellingen voor Algemene organisatie / 48
Bijzondere Jeugdzorg of in het federaal centrum te Everberg. Tijdens hun verblijf in de open afdeling van de instelling lopen ze meestal elders school. In de gesloten afdeling dienen ze na hun terugkeer terug de draad op te nemen in hun oude school of wordt er een nieuwe school gezocht. Om al deze overgangen tussen onderwijs en de instellingen beter te laten verlopen en de reïntegratie van deze kinderen en jongeren zo soepel mogelijk te laten verlopen, zijn er vanaf 1 september 2008, 2,5 verbindingsfunctionarissen aan de slag gegaan in de Gemeenschapsinstellingen voor Bijzondere Jeugdzorg en in het federaal centrum te Everberg. Ze slaan een brug tussen de jeugdinstellingen en het onderwijs om de integratie van de leerling te vergroten en hem zoveel mogelijk doelgerichte leeren algemene hulp te geven. -3.5. Preventiecoaches scholen
geestelijke
gezondheidszorg
in
secundaire
Op initiatief van de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt 1,1 miljoen euro geïnvesteerd in de ondersteuning van een geestelijk gezondheidsbeleid in secundaire scholen. Met deze middelen worden 5,5 VTE (voltijdsequivalenten) preventiecoaches aangesteld die verbonden zijn aan de LOGO’s (Lokaal Gezondheidsoverleg) en scholen zullen ondersteunen. Op deze manier krijgen alle secundaire scholen de mogelijkheid om een kwaliteitsvol beleid te voeren inzake geestelijke gezondheid. Hierbij gaat de aandacht naar alle leerlingen en een veelheid aan thema’s: depressie, suïcide, pesten, middelengebruik, geweld,… De coaches zullen onder meer instaan voor de vorming van leerkrachten en ouders, aandacht hebben voor geestelijke gezondheidsbevordering bij leerlingen, sensibiliseren rond vroegdetectie van jongeren met risico’s en zorg voor leerlingen met beginnende symptomen van depressie en suïcidaliteit. Het project loopt gedurende drie schooljaren en wordt uitgevoerd in nauwe samenwerking met de centra voor leerlingenbegeleiding. -3.6. Crisiscommunicatieplan
Om adequaat te kunnen reageren op crisissituaties (zoals de gewelddadige dood van leerlingen) hebben steeds meer scholen een draaiboek met een crisiscommunicatieplan klaarliggen.
-4. Veiligheidsbeleid Jaarlijks noteert het onderwijs gemiddeld 90.000 geregistreerde aangiften van schoolongevallen met leerlingen. In 2008 werd voor de eerste maal een netoverschrijdende welzijnsconferentie georganiseerd over veiligheid en welzijn op school en hebben de onderwijskoepels (zie 2.6.3.1.) een gemeenschappelijke verklaring terzake ondertekend. Volgende doelstellingen werden geformuleerd. ● ● ● ● ● ● ●
Permanente aandacht voor een veilige schoolomgeving en infrastructuur met het ter beschikking stellen van de nodige structurele en financiële hefbomen. Naast de federale welzijnswet voor werknemers een welzijnsdecreet dat minstens een gelijkwaardig beschermingsniveau biedt voor alle leerlingen/cursisten. Het integreren van welzijnsdoelstellingen in de curricula. Het valoriseren en erkennen van de functie “preventieadviseur” in de onderwijswetgeving. Het kwalitatief beoordelen door de onderwijsinspectie van de wijze waarop de welzijnswetgeving voor de leerlingen/cursisten wordt toegepast. Preventiemaatregelen in de bedrijven die afgestemd zijn op het risicoprofiel van de beginnende werknemer en de stagiair, met aandacht voor onthaal en begeleiding. Het heroriënteren van het arbeidsgeneeskundig toezicht en het medisch schooltoezicht.
http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2008p/0617-veiligheid.htm Op 12 januari 2010 ondertekenden vertegenwoordigers van het Vlaams Ministerie van Onderwijs, de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en van de Vlaamse onderwijskoepels een convenant betreffende Preventie en Bescherming in het Vlaams Onderwijs. Dat Algemene organisatie / 49
zou moeten leiden tot een integratie van het welzijnsbeleid op school en tot samenwerking en gestructureerd overleg tussen de verschillende partners.
-5. ICT Er zal een nieuw Digitaal Actieplan worden opgesteld en uitgevoerd. Daarin zal de basiseducatie een belangrijke opdracht krijgen. Daarom zullen ook de doelstellingen van het leergebied informatieen communicatietechnologie (ICT) geactualiseerd worden. De integratie van ICT in het onderwijs zal opgevolgd worden met de recent ontwikkelde ICT-monitor.
2.3. Fundamentele principes en wetgeving We behandelen hier: ● ● ● ● ●
2.3.1. De vrijheid van onderwijs 2.3.2. De onderwijsnetten 2.3.3. De wettelijke voorschriften voor gesubsidieerde scholen 2.3.4. De vrijheid van onderwijsmethoden en pedagogisch project 2.3.5. De eindtermen, ontwikkelingsdoelen en leerplannen
2.3.1. Vrijheid van onderwijs Centraal in de Belgische onderwijswetgeving staat de Belgische grondwet waarin de 'vrijheid van onderwijs' gegarandeerd wordt (art. 24). Dit is een dubbele vrijheid: ● ●
de actieve vrijheid voor elke natuurlijke persoon of rechtspersoon tot het organiseren van onderwijs en daarvoor instellingen op te richten (zie 2.3.1.1.); de vrijheid van schoolkeuze voor leerlingen en hun ouders (zie 2.3.1.2.).
2.3.1.1. Vrijheid van oprichting, richting en inrichting van onderwijs
Onder de actieve vrijheid kan worden verstaan: ●
●
●
het recht van oprichting, d.i. de vrijheid van privé-personen alsook overheden om scholen op te richten en er onderwijs te verstrekken, dit zowel naar de vorm als naar de inhoud. De uit dit beginsel voortvloeiende autonomie houdt tevens het recht in om, binnen de geldende regelgeving, ter sanctionering van de studies rechtsgeldige studiebewijzen en getuigschriften uit te reiken; het recht van richting, dat de oprichting van scholen impliceert die gesteund zijn op een welbepaalde confessionele (katholieke, joodse, protestantse en islamscholen) of nietconfessionele levensbeschouwing, of op welbepaalde pedagogische of onderwijskundige opvattingen (de zgn. kleine onderwijsverstrekkers zoals Steiner-, Freinet-, … of ervaringsgericht onderwijs); het recht van inrichting, of het recht van inrichtende machten en schoolbesturen om zonder inmenging van de overheid de organisatie en de werking van scholen te bepalen; dit houdt o.m. in het bepalen van het inschrijvingsbeleid en het toepassen van het tuchtrecht, de keuze van personeel met het oog op de verwezenlijking van de eigen onderwijsdoelstellingen, de
Algemene organisatie / 50
uitvaardiging van een schoolreglement,…Met andere woorden, de beslissingsmacht van de schoolbesturen (inrichtende macht) en de directie mag niet op kennelijk onredelijke of onevenredige wijze worden beknot. De grondwet verbiedt alle preventieve maatregelen. Ze mogen echter niet worden verward met regulerende maatregelen. Zo mag de overheid bv.
○ decretale regels inzake het toelatingsbeleid en weigeringsrecht vastleggen; ○ voorwaarden stellen in verband met de kwalificaties van personen; ○ ontwikkelingsdoelen en eindtermen opleggen voor zover dit voldoende ruimte laat om het pedagogisch of levensbeschouwelijk project te verwezenlijken;
○ participatiestructuren invoeren,… ○ (Evenzeer kunnen de aanspraak op subsidiëring en de daarmee samenhangende voorwaarden tot een inperking van de actieve vrijheid van onderwijs leiden.) (Seneca, Forum voor onderwijsrecht, trefwoordenlijst, http://www.seneca.be ).
De grondwetsherziening van 1988 en het onderwijs. De schoolvrede en zijn toepassing De Schoolpactwet. Coördinatie en annotatie Het schoolpact van 1958 / Le pacte scolaire de 1958. Ontstaan, grondlijnen en toepassing van een Belgisch compromis / Origines, principes et application d'un compromis belge
2.3.1.2. Vrijheid van schoolkeuze en inschrijvingsrecht
Naast de 'pedagogische vrijheid' voor de scholen (zie 2.3.1.1.) is er de vrije schoolkeuze voor de ouders. Beiden worden door de grondwet gegarandeerd. Ouders en hun kinderen moeten over een school van hun keuze kunnen beschikken op een redelijke afstand van de woonplaats. Een school kan autonoom haar maximale opvangcapaciteit bepalen, maar als ze deze hanteert om leerlingen te weigeren zal op de consequente toepassing van het weigeren toezicht worden uitgeoefend. Inschrijvingsrecht
Het decreet gelijke onderwijskansen I van 28 juni 2002 (zie 10.5.3.1.) verankerde het principieel recht van elke leerling op een inschrijving in de gekozen school én in de gekozen vestigingsplaats en legde tevens de inschrijvingsprocedure en de voorrangsregelingen vast. Dit recht moet toelaten dat alle leerlingen en ouders onbelemmerd onderwijs kunnen kiezen binnen een waaier van pedagogische projecten. Weigeringen op grond van huidskleur, nationale of etnische herkomst, afkomst, religie of geslacht zijn niet toelaatbaar. Ook kinderen van vreemde nationaliteit zonder wettig verblijfsstatuut die immigreren samen met personen die de ouderlijke macht uitoefenen of hen onder hun bewaring hebben, hebben recht op onderwijs van zodra zij in het land verblijven ongeacht of hun ouders al dan niet in een wachtregister of vreemdelingenregister ingeschreven zijn. (Omzendbrief GD/2003/03) Weigeringsgronden
Een school kan slechts 4 redenen tot weigering inroepen. ● ● ●
Wanneer een bijkomende inschrijving omwille van materiële omstandigheden tot gevolg heeft dat de vooropgestelde maximumcapaciteit overschreden wordt. Wanneer de betrokken leerling het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar definitief werd uitgesloten in de school. Sommige scholen van het gewoon secundair onderwijs kunnen gedurende het schooljaar de inschrijving van een leerling, die omwille van een definitieve uitsluiting van school verandert
Algemene organisatie / 51
●
weigeren. De weigering kan enkel volgens criteria die vooraf afgesproken zijn binnen het lokaal overlegplatform. Een laatste weigeringsgrond heeft te maken met leerlingen die specifieke noden hebben op het vlak van onderwijs, therapie en verzorging en die in een school voor gewoon onderwijs wensen in te schrijven. De inrichtende macht zal dan moeten aantonen dat de draagkracht van de school onvoldoende is om tegemoet te komen aan de specifieke noden van de leerling inzake onderwijs, therapie en verzorging.
Inschrijvingsprocedure
Een leerling kan zich ten vroegste inschrijven vanaf 1 september van het voorafgaande schooljaar. Daarvan moet elke school een inschrijvingsregister bijhouden, de chronologische volgorde van inschrijving is bepalend, rekening houdende met de voorrangsregels vastgelegd door het GOKdecreet en nu geldend voor het hele leerplichtonderwijs. Die inschrijving geldt (behoudens definitieve uitsluiting) in principe voor de hele schoolloopbaan van die leerling. De ouders en leerling worden geïnformeerd over het pedagogisch project en het schoolreglement (die de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind eerbiedigen). Indien de ouders niet instemmen met dit project of het schoolreglement dan zal de inschrijving niet gerealiseerd worden. Voorrangsregelingen in het Nederlands taalgebied
Deze voorrangsregelingen vormen uitzonderingen op het algemeen principe van “eerst komt, eerst ingeschreven”. ●
●
Broers en zussen (of andere kinderen van dezelfde leefeenheid die onder hetzelfde dak wonen) van een reeds ingeschreven leerling hebben in de betrokken school voorrang op alle andere nieuwe leerlingen. Daartoe dient de school een voorrangsperiode of tijdstip voor hun inschrijving vast te leggen. Schoolbesturen kunnen in het kader van een actief toelatingsbeleid een voorrangsrecht toekennen aan GOK-leerlingen die voldoen aan ten minste één van de gelijkekansenindicatoren:
○ de ouders behoren tot de trekkende bevolking (binnenschippers, kermis- of circusexploitanten of –artiesten, of woonwagenbewoners);
○ de moeder is niet in het bezit van een diploma secundair onderwijs, een
studiegetuigschrift van het 2e leerjaar van de 3e graad beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;
○ de (thuisloze) leerling wordt tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen;
○ het gezin ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, minstens één schooltoelage van de Vlaamse gemeenschap;
○ de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met
● ●
vader, moeder, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Verschillende broers en zussen worden steeds als één gezinslid beschouwd. Het voorrangsrecht mag niet selectief worden toegekend op basis van één bepaalde indicator, met uitsluiting van de andere. Om tot een betere sociale mix te komen, kan een schoolbestuur voorrang geven aan nietGOK leerlingen. Dit enkel op voorwaarde dat het percentage GOK-leerlingen in de school 10% of meer hoger ligt dan het percentage GOK-leerlingen in het werkingsgebied van het
Algemene organisatie / 52
●
LOP, in het door het LOP afgebakende deelgebied of in de gemeente als er geen lokaal overlegplatform is. Het schoolbestuur dat opteert om een voorrangsrecht toe te kennen (aan GOK-leerlingen of niet-GOK-leerlingen) bepaalt het percentage waaraan voorrang gegeven wordt. Dit percentage zal uitgedrukt worden in een absoluut getal dat het aantal voorrangsplaatsen aangeeft. Het schoolbestuur bepaalt ook de periode waarbinnen het recht geldt en het niveau binnen de school waarop de voorrang van toepassing is. Als leerlingen van een voorrangscategorie zich aanbieden tijdens de voorrangsperiode worden ze chronologisch ingeschreven tot de voorbehouden plaatsen zijn ingevuld.
Voorrangsregelingen in het tweetalig Brussels Hoofdstedelijk Gewest
● ●
●
Broers en zussen (zie voorrangsregeling Nederlands taalgebied) Scholen kunnen een voorrangsrecht geven aan leerlingen met thuistaal Nederlands (ongeacht of ze wel of niet voldoen aan één meerdere GOK-indicatoren), mits de leerling in het gezin met minstens één ouder Nederlands spreekt, en de thuistaal aangetoond wordt door een verklaring op eer door de ouders ondertekend. Het LOP Brussel basisonderwijs krijgt de bevoegdheid om het percentage leerlingen met thuistaal Nederlands te bepalen waaraan voorrang gegeven wordt, op voorwaarde dat ze een ondergrens van 20% respecteren. Indien het LOP geen consensus bereikt is het percentage 25%. Het schoolbestuur bepaalt het niveau binnen de school waarop en de periode waarin deze voorrangregeling van toepassing is. Schoolbesturen kunnen een voorrangsrecht toekennen aan GOK-leerlingen die voldoen aan ten minste één van de eerste vier hogergenoemde gelijkekansenindicatoren die gehanteerd worden in het Nederlands taalgebied. Leerlingen die louter en alleen niet het Nederlands als thuistaal hebben, behoren in Brussel niet tot de voorrangscategorie. Schoolbesturen die ervoor opteren om een voorrangsrecht toe te kennen aan GOK-leerlingen doen dit voor alle leerlingen die voldoen aan minstens één van de hierboven vermelde indicatoren en niet aan bvb. alleen de kinderen die behoren tot de trekkende bevolking.
LOP’s, lokale leerlingenrechten
overlegplatforms
en
de
Commissie
inzake
De LOP's, lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen werden opgericht om het gelijkeonderwijskansenbeleid op het lokale vlak mee te implementeren (42 basisonderwijs, 30 secundair onderwijs). Als de ouders de school niet volgen in haar motivatie om het kind te weigeren, kunnen zij klacht indienen bij de Commissie inzake leerlingenrechten (voor LOP’s en commissie zie verder 10.5.3.1.6.). Aanmeldingsprocedure
Het GOK-decreet regelt de procedure betreffende de inschrijving, niet de aanmelding. Omdat een aantal scholen geconfronteerd werd met ouders die, om zeker te zijn van een inschrijving, dagen voor het eerste inschrijvingsmoment wachtrijen vormden en zelfs kampeerden voor de school, kunnen scholen voor de inschrijvingen die betrekking hebben op de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 gebruik maken van een experimentele aanmeldingsprocedure, die er ook moet voor zorgen dat de school, op basis van een in het Lokaal Overlegplatform goedgekeurde procedure met ordeningscriteria, een rangorde kan aanbrengen in de aanmeldingen. In die procedure dient het schoolbestuur of de inrichtende macht eerst ordeningscriteria vast te leggen (op het niveau van de school of van de vestigingsplaats) en daarna een aanmeldingstermijn waarbinnen ouders de intentie tot inschrijving kenbaar kunnen maken. Die criteria en termijn dienen aan de ouders via diverse kanalen te worden gecommuniceerd. De gekozen criteria dienen objectief gemotiveerd te worden en mogen niet leiden tot uitsluiting uit de rangorde. Geografische criteria kunnen enkel gehanteerd worden in het basisonderwijs. (Zie 2.2.-2.2.). Voor de toelatingsvoorwaarden, schoolkeuze en schoolreglement basisonderwijs: zie 4.6.
Algemene organisatie / 53
Voor de toelatingsvoorwaarden, schoolkeuze en schoolreglement secundair onderwijs: zie 5.7. Voor de toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze buitengewoon onderwijs: zie 10.6.4. Voor de specifieke regeling voor het Nederlandstalig onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: zie 10.7.2.
2.3.2. Onderwijsnetten De strijd voor de vrijheid van inrichting van onderwijs werd bepaald door de verzuilde uitbouw van het onderwijs. Op basis van het schoolpact en de schoolpactwetgeving (zie 2.1.) worden verschillende fundamentele classificaties gebruikt. Naar soort inrichtende macht onderscheidt men: ● ●
officiële scholen opgericht door openbare besturen (gemeenschap, provincies, steden, gemeenten of andere publiekrechtelijke personen); vrije scholen opgericht door een natuurlijk of een privaatrechtelijk rechtspersoon.
Naar aard van financiële middelen onderscheidt men financiering & subsidiëring door de overheid: ● ●
het GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap dat rechtstreeks en volledig gefinancierd wordt door de Vlaamse Gemeenschap; het gesubsidieerd onderwijs dat subsidies ontvangt van de Vlaamse Gemeenschap (salaristoelagen, werkings- en uitrustingstoelagen, en toelagen voor gebouwen) mits het voldoet aan programmatie- en rationalisatienormen en bepaalde erkenningsvoorwaarden.
Het nieuwe financieringsysteem voor het leerplichtonderwijs zorgt voor de verdeling van werkingsmiddelen voor de scholen op grond van dezelfde operationele criteria vanaf het schooljaar 2008-2009 (zie 2.8.3.). De combinatie van beide criteria levert dan de gebruikelijke 3-deling op, waaraan het begrip 'onderwijsnet' wordt gekoppeld: ●
●
●
het GO!, onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (het vroegere gemeenschapsonderwijs, voorheen rijksonderwijs, georganiseerd door het Gemeenschapsonderwijs (met hoofdletter d.i. de Raad van het Gemeenschapsonderwijs en de scholengroepen), voorheen de ARGO, daarvoor de Vlaamse Gemeenschap en initieel het 'rijk' of de Belgische staat; het gesubsidieerd vrij onderwijs (katholiek onderwijs, protestants onderwijs, joods onderwijs, niet-confessioneel onderwijs, onafhankelijke methodescholen) dat voor het grootste deel vrij gesubsidieerd katholiek onderwijs is; het gesubsidieerd officieel onderwijs (georganiseerd door steden, gemeenten en provincies, intercommunales).
In de praktijk worden in verschillende regelgevingen verschillende indelingen toegepast. Zo wordt voor de contingentering van het aantal scholengemeenschappen in het decreet van 14 juli 1998 de indeling gemeenschapsonderwijs, gesubsidieerd officieel onderwijs, gesubsidieerd confessioneel vrij onderwijs en gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs gehanteerd (en 'enige instelling' voor methodescholen) Naar karakter of levensbeschouwelijke vorming onderscheidt men:confessionele scholen die een vorming op godsdienstige basis aanbieden (katholiek onderwijs, protestants onderwijs, joods onderwijs); ● neutrale scholen die middels een vak levensbeschouwelijke vorming de keuze aanbieden tussen onderricht in één van de erkende godsdiensten of niet-confessionele zedenleer; Algemene organisatie / 54
● ●
niet-confessionele (vrijzinnige) scholen die enkel niet-confessionele zedenleer aanbieden; methodescholen die verschillen volgens hun pedagogisch project. (Het Hibernia-arrest van de Raad van State van 31 mei 1985 zorgde voor een erkenning van de eigenheid van de kleine onderwijsverstrekkers. Zie Raf Verstegen, Kleine onderwijsverstrekkers onder de beschermende hand van de rechter. TORB, 2006-2007, 2-3-4, p. 345-367).
Voor de grootte van deze indelingen (zie 2.9.1.). Met het oog op belangenbehartiging, ondersteuning en participatie in overlegstructuren hebben die groepen van onderwijsverstrekkers representatieve verenigingen of koepelorganisaties gecreëerd (zie 2.6.3.1.). Privaat-onderwijs of huisonderwijs valt buiten hogergenoemde indelingen, wordt ook niet gefinancierd of gesubsidieerd door de overheid (zie 4.16.).
2.3.3. Wettelijke voorschriften voor financiering of subsidiëring van scholen De financierings- & subsidiëringsvoorschriften werden vastgelegd door de Schoolpactwet (29 mei 1959 artikel 24 § 2) (zie 2.1.). Voor het basisonderwijs is dit niet het schoolpact maar het decreet basisonderwijs artikel 62 en 68. "Een school of een deel van een onderwijsinstelling voor kleuter-, lager-, secundair en hoger onderwijs wordt gesubsidieerd wanneer voldaan wordt aan de wettelijke en statutaire voorschriften met betrekking tot de organisatie van onderwijs en de toepassing van de taalwetgeving". Hierbij moet de school aan volgende criteria voldoen: ●
● ●
● ●
● ● ● ● ●
●
een structuur aannemen vastgelegd door of krachtens een wet of decreet. Onder structuur wordt begrepen de grote indelingen binnen een onderwijsniveau en de duur van deze indelingen; een leerplan eerbiedigen, dat overeenstemt met de wettelijke voorschriften of dat door de minister van Onderwijs en Vorming is goedgekeurd; zich aan controle en inspectie door de overheid onderwerpen. Deze inspectie heeft in het bijzonder betrekking op de onderwezen vakken, het peil der studiën en de toepassing van taalwetten, met uitsluiting van de pedagogische methodes; georganiseerd zijn door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die de gehele verantwoordelijkheid ervoor op zich neemt; per klas, afdeling, graad of andere onderverdeling het minimum aantal leerlingen tellen, bepaald bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, behoudens een door de Minister van Openbaar Onderwijs verleende vrijstelling met het oog op bijzondere en exceptionele omstandigheden; gevestigd zijn in lokalen die aan de voorwaarden inzake hygiëne en bewoonbaarheid voldoen; beschikken over didactisch materieel en een schooluitrusting die beantwoorden aan de pedagogische vereisten; beschikken over een personeel waarvan de gezondheidstoestand die van de leerlingen niet in gevaar brengt en onderworpen is aan controle; zich onderwerpen aan de wettelijk vastgelegde verlofregeling; deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform opgericht overeenkomstig artikel IV.2, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen I; voor het gesubsidieerd onderwijs: geen afbreuk doen aan de besluitvormingsprocedures bedoeld in artikelen 19 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Deze voorwaarde sluit tevens in dat de directeur Algemene organisatie / 55
●
met betrekking tot de hem door de inrichtende macht gedelegeerde bevoegdheden die voorwerp uitmaken van advies of overleg, voldoende gemandateerd wordt om in de verhouding tot de schoolraad autonoom te kunnen optreden; voor het GO!: de bevoegdheden van de schoolraad respecteren.
Gesubsidieerde officiële scholen dienen bovendien: ● ● ● ● ●
een open karakter te hebben door open te staan voor alle leerlingen ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige overtuigingen van de ouders en leerlingen; officiële leerplannen te gebruiken, ontwikkeld door een van de overkoepelende organisaties van het officieel onderwijs, of eigen leerplannen die ermee verenigbaar zijn; een schoolwerkplan, schoolreglement en schoolboeken te gebruiken in overeenstemming met het open karakter; begeleid te worden door een begeleidingsdienst van het officieel onderwijs; het godsdienstonderwijs of het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer te laten geven door een leermeester.
Voor structuuronderdelen gewoon of buitengewoon secundair onderwijs gelden bovendien als subsidiërings- of financieringsvoorwaarden (art. 24bis §1): ●
● ●
●
●
voor het voltijds secundair onderwijs : beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen inzake eindtermen, ontwikkelingsdoelen, specifieke eindtermen, leerplannen en handelingsplannen; (voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs voor zover het eindstudiebewijzen betreft die identiek zijn aan deze van het gewoon voltijds SO); een beleidscontract of een beleidsplan hebben met een centrum voor leerlingenbegeleiding; als school in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen; een doeltreffend beleid voert om het rookverbod kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school- of arbeidsreglement; uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren.
Het decreet van 6 juni 2008 voerde vanaf 1 september 2008 een volledig rookverbod in voor alle instellingen uit het leerplichtonderwijs, het kleuteronderwijs en de CLB's, zowel in de gesloten als open plaatsen en tijdens extra-murosactiviteiten.
2.3.4. Onderwijsmethoden en 'pedagogisch project' Inzake onderwijsmethoden, leerplannen, beoordeling van leerlingen en pedagogisch project zijn de schoolbesturen/inrichtende machten in grote mate autonoom. Elke inrichtende macht (schoolbestuur in het BaO) definieert autonoom zijn pedagogisch project of opdrachtverklaring. Overheidscontrole is dus uitgesloten zolang de projecten niet in contradictie zijn met de democratische principes die de Belgische staat schragen en de wettelijke en statutaire voorschriften. Dit is de reden waarom de verschillende onderwijskoepels en schoolbesturen hun pedagogische projecten gedetailleerd hebben uitgewerkt, uitgeschreven en gepubliceerd. Zie daarvoor bij de zgn. onderwijskoepels (zie 2.6.3.1.2.) en bij enkele grote steden, Antwerpen en Gent (zie 2.6.3.6.). Het "schoolwerkplan" is een plan dat door de school wordt opgesteld en dat ten minste volgende elementen bevat: - de omschrijving van het pedagogisch project, zijnde het geheel van fundamentele uitgangspunten dat door het schoolbestuur voor de school wordt vastgesteld; - de organisatie van de school en voornamelijk de indeling in leerlingengroepen; - de wijze waarop het leerproces van de leerlingen wordt beoordeeld en hoe daarover wordt gerapporteerd; - de voorzieningen in het gewoon Algemene organisatie / 56
onderwijs voor leerlingen met een handicap of die leerbedreigd zijn, inclusief samenwerkingsvormen met andere scholen van gewoon en/of buitengewoon onderwijs.
de
Aanvankelijk buiten de grote onderwijsnetten (onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, gesubsidieerd vrij en gesubsidieerd officieel onderwijs – zie 2.3.2., later ook binnen die netten zijn zgn. methodescholen tot stand gekomen. Die kunnen ingedeeld worden volgens hun pedagogisch project. Aantal vestigingsplaatsen waar methodeonderwijs ingericht wordt.
Eenzelfde school kan in verschillende vestigingsplaatsen methodeonderwijs inrichten, zelfs volgens verschillende onderwijsmethodes (bv. Freinet/ervaringsgericht onderwijs). Federatie Steinerscholen Ervaringsgericht onderwijs Freinet Jenaplan Leefschool Montessori Steiner Dalton Spelend leren Totaal
FOPEM 6 12
GO! 2 35 1 20
OVSG 4 13 3 1
2
1 1 23
VSKO 10 1 2 2 3
19
19
18
60
18
Totaal 22 61 6 23 3 19 3 1 138
In het buitengewoon onderwijs is er één Steiner school (lager en secundair onderwijs) en één Freinet school voor type 3. Op secundair niveau zijn er 7 Steinerscholen, 2 gemeentelijke Freinet scholen en 5 GO! scholen Ervaringsgericht onderwijs
http://www.debuurt.be
Freinet
http://www.freinetbewegingvlaanderen.be
Jenaplan
http://www.bs-dejenaplaneet.be/schoolfilosofie/pijlersWerk.htm http://www.leefschool.be/
Leefschool
http://www.leefschoolklavertje4.be/
Montessori
http://www.schooltjevanoppem.be http://www.montessoriklimop.be/
Steiner
http://www.steinerscholen.be
basis- en secundaire methodescholen van het GO!
http://www.go.be/SITES/PORTAAL/CENTRALEDIENSTEN/STAFDIENSTEN/CO MMUNICATIE/METHODESCHOLEN/METHODEONDERWIJSINHET GO/Pages/goleefscholen.aspx
FOPEM, Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodescholen
http://users.skynet.be/fopem
FOPEM, Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodenscholen Freinetbeweging Vlaanderen
Algemene organisatie / 57
2.3.5. Onderwijskwaliteitsborging De overheid bewaakt de onderwijskwaliteit door het vastleggen van eindtermen en ontwikkelingsdoelen, beroepskwalificaties en een minimumlessenrooster (voor het basisonderwijs gedefinieerd als het kerncurriculum, voor het secundair onderwijs als de basisvorming). Het decreet van 30 april 2009 legde een Vlaamse kwalificatiestructuur vast. Conform de translation tool van de Europese Commissie, de “European Qualifications Framework for Lifelong Learning (EQF for LLL)” zullen de Vlaamse kwalificatiebewijzen en de niveaus van de Vlaamse kwalificatiestructuur aan de niveaus van het Europees kwalificatiekader worden gekoppeld. Daarvoor zal een procedure worden opgesteld volgens de criteria, vooropgesteld door de Europese Commissie. http://www.evcvlaanderen.be/evc_beleid/kwalificatiestructuur.html
Kwalificatiestructuur De kwalificatiestructuur is een systematische ordening van alle nationaal erkende kwalificaties op basis van een algemeen geldend Europees raamwerk. Deze ordening beoogt kwalificaties en hun onderlinge verhoudingen transparant te maken zodat onderwijs, opleidingsverstrekkers alsook andere maatschappelijke actoren eenduidig over kwalificaties en de daarin vervatte competenties kunnen communiceren. De kwalificatiestructuur kan ook als referentiekader worden gebruikt om : ● ●
assessments voor erkenning van verworven competenties uit te werken en de procedures onderling af te stemmen; studieloopbanen en loopbanen te oriënteren en/of te begeleiden.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen beroepskwalificaties en onderwijskwalificaties. ● ●
beroepskwalificaties zijn afgeronde en ingeschaalde gehelen van competenties waarmee een beroep kan worden uitgeoefend; onderwijskwalificaties zijn afgeronde en ingeschaalde gehelen van competenties die noodzakelijk zijn om maatschappelijk te functioneren en te participeren, waarmee verdere studies in het secundair of in het hoger onderwijs kunnen worden aangevat of waarmee beroepsactiviteiten kunnen worden uitgeoefend. Ze kunnen enkel via onderwijs worden verworven en enkel door de Vlaamse overheid erkende instellingen kunnen hiervoor een kwalificatiebewijs afleveren.
Niveaus
Het Europese kwalificatieraamwerk onderscheidt 8 niveaus, die oplopen van niveau 1 naar niveau 8. Elk niveau in het raamwerk wordt beschreven aan de hand van een niveaudescriptor. Ook het Vlaamse kwalificatieraamwerk kent 8 niveaus. Het Vlaamse kwalificatieraamwerk geeft een generieke omschrijving van de karakteristieken van de competenties die eigen zijn aan de kwalificaties op dat niveau en bestaat uit vijf descriptorelementen : kennis, vaardigheden, context, autonomie en verantwoordelijkheid. Ze bepalen het niveau van de kwalificatie. De niveaudescriptoren worden gebruikt om zowel onderwijs- als beroepskwalificaties te beschrijven en in te schalen. Er zijn namelijk twee soorten kwalificaties (op elk van de 8 niveaus): Samenstelling van de onderwijskwalificaties op de diverse niveaus: ●
niveau 1:
○ eindtermen lager onderwijs ●
niveau 2:
○ eindtermen basiseducatie Algemene organisatie / 58
○ eindtermen 2e graad BSO ○ één of meer erkende beroepskwalificaties ●
niveau 3:
○ eindtermen 2e leerjaar 3e graad BSO ○ één of meer erkende beroepskwalificaties ●
niveau 4:
○ eindtermen 3e graad ASO en de specifieke eindtermen voor de 3e graad ASO die verbonden zijn aan één of meer wetenschapsdomeinen
○ eindtermen 3e graad TSO en de specifieke eindtermen voor de 3e graad TSO die verbonden zijn aan één of meer wetenschapsdomeinen
○ eindtermen 3e graad KSO en de specifieke eindtermen voor de 3e graad KSO die verbonden zijn aan één of meer wetenschapsdomeinen
○ eindtermen 3e graad TSO of KSO en één of meer erkende beroepskwalificaties ○ eindtermen 3e leerjaar 3e graad BSO en één of meer erkende beroepskwalificaties ○ eindtermen voor de aanvullende algemene vorming voor het volwassenenonderwijs en één of meer erkende beroepskwalificaties
○ eindtermen van de opleidingen secundair-na-secundair (Se-n-Se) ○ één of meer erkende beroepskwalificaties van niveau 4 ●
niveau 5:
○ eindtermen van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs (HBO5) ○ één of meer erkende beroepskwalificaties van niveau 5 ●
niveau 6:
○ eindtermen van de opleidingen leidende tot de graad van bachelor ●
niveau 7:
○ eindtermen van de opleidingen leidende tot de graad van master ●
niveau 8:
○ eindtermen van de graad van Doctor Totstandkoming beroepskwalificaties
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen SERV-beroepscompetentieprofielen en "andere competentieprofielen": ●
●
Beroepskwalificaties komen tot stand op basis van beroepscompetentieprofielen die uitgewerkt worden door de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) en de professionele sectoren. Vervolgens worden de beroepscompetentieprofielen door een inschalingscommissie binnen het Agentschap voor Kwaliteit in Onderwijs en Vorming ingeschaald. De inschalingscommissie levert een voorstel tot inschaling aan het Agentschap. Het Agentschap formuleert op basis hiervan een advies over de erkenning van de kwalificatie aan de bevoegde ministers. Na advies van het Agentschap kunnen de bevoegde ministers de kwalificatie voor erkenning voorleggen aan de Vlaamse Regering. Ook in het kader van vrijwilligerswerk en binnen semi-agorale context kunnen afgeronde gehelen van competenties of competentieprofielen worden onderscheiden. Sommige van deze profielen zijn vergelijkbaar met beroepen uit andere sectoren. Naar opzet en vorm leunen deze competentieprofielen sterk aan bij beroepscompetentieprofielen zoals ze binnen de SERV worden ontwikkeld. De beschrijving van deze kwalificaties behoort toe aan de respectieve sectoren waarbinnen deze rollen worden opgenomen. De procedure voor het inschalen is vergelijkbaar met die voor de inschaling van de beroepscompetentieprofielen van de SERV.
Algemene organisatie / 59
Totstandkoming onderwijskwalificaties
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen onderwijskwalificaties van niveau 1 tot en met 5 enerzijds, en onderwijskwalificaties van niveau 6 tot en met 8 anderzijds: ●
●
Voor het beschrijven van onderwijskwalificaties van niveau 1 tot en met 5 wordt gebruik gemaakt van de niveaudescriptoren uit de Vlaamse kwalificatiestructuur en de eindtermen, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties. Deze werden ontwikkeld voor het basisonderwijs (zie 4.10.), secundair onderwijs (zie 5.13.1.), volwassenenonderwijs (zie 7.10.1.) en buitengewoon onderwijs (zie 10.6.7.), door de Entiteit Curriculum (ex-DVO, zie 9.1., voortaan ingebed in AKOV, het Agentschap voor Kwaliteit in Onderwijs en Vorming (zie 9.3.2.) (http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/). Ze worden voor advies voorgelegd aan de VLOR en vervolgens aan het Vlaams Parlement. Ze dienen decretaal bekrachtigd te worden. Voor kwalificaties van niveau 6, 7 en 8, die enkel via het hoger onderwijs kunnen verworven worden, is voorzien in een afzonderlijke procedure. Voor elke opleiding worden de leerresultaten beschreven. De beschrijving gebeurt gezamenlijk door alle instellingen die de opleiding (willen) inrichten, op basis van het betrokken niveau in het structuurdecreet voor het hoger onderwijs. Het beschrijven en inschalen gebeurt onder de coördinatie van de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA). De door de VLIR en VLHORA beschreven kwalificaties worden aan het Nederlands-Vlaams Accreditatieorgaan (NVAO) bezorgd. In het hoger onderwijs staat het accreditatieorgaan in voor de erkenning van kwalificaties en van opleidingen. De gemeenschappelijke leerresultaten van elke opleiding worden door het accreditatieorgaan erkend als kwalificaties van niveau 6, 7 of 8.
Kwalificatiebewijs
Wie een kwalificatie verworven heeft, krijgt daarvoor een kwalificatiebewijs. Een kwalificatiebewijs is een door de Vlaamse Gemeenschap erkend document zoals een diploma, getuigschrift, certificaat of een deelcertificaat dat certificeert dat een persoon gekwalificeerd is en een relevant geheel van competenties bezit. Er zal door de Vlaamse Regering moeten bepaald worden welke soort bewijzen aan welke kwalificaties of combinatie van kwalificaties worden gekoppeld. Kwalificatiedatabank
In een kwalificatiedatabank zullen alle erkende onderwijs- en beroepskwalificaties met de daarin vervatte competenties geregistreerd worden, alsook de wijze waarop deze kwalificaties kunnen verworven worden. Die informatie zal publiek consulteerbaar zijn. De technische uitwerking van de kwalificatiedatabank zal voor de beroepskwalificaties worden afgestemd op het systeem van COMPETENT, de databank die de beroepscompetentieprofielen zal bevatten op basis waarvan de beroepskwalificaties worden gemaakt, en die ontwikkeld werd door de SERV en de VDAB (zie 7.15.7.). De databank wordt gekoppeld aan een leer- en ervaringsbewijzendatabank waarin alle erkende of gelijkwaardig verklaarde leer- en ervaringsbewijzen worden geregistreerd, samen met de bijhorende minimale identificatiegegevens van de houder van de leer- en ervaringsbewijzen in kwestie. Een leerbewijs is een bewijs dat wordt uitgereikt bij het succesvol beëindigen van een afgerond geheel van onderwijs-, vormings- of opleidingsactiviteiten nadat door middel van een toets werd nagegaan of de voorafbepaalde competenties verworven zijn. Voor het ervaringsbewijs (of titel van beroepsbekwaamheid) zie 7.14.7.. Kwaliteitsborging
Met uitzondering van de kwalificaties van het hoger onderwijs staat het nieuwe Agentschap voor Kwaliteit in Onderwijs en Vorming in voor de kwaliteitsborging (zie 9.3.2.).
Algemene organisatie / 60
Leerplannen en handelingsplannen De eindtermen en ontwikkelingsdoelen dienen herkenbaar aanwezig te zijn in de leerplannen. Elke inrichtende macht/schoolbestuur kiest vrij haar pedagogische methodes en haar leerplannen. De Vlaamse Regering keurt de leerplannen goed volgens de vooraf door haar vastgelegde criteria. Voor de leerplannen basisonderwijs (zie 4.10.), secundair onderwijs (zie 5.13.2.), volwassenenonderwijs (basiseducatie en onderwijs voor sociale promotie) (zie 7.10.1.), stelsel leren en werken (algemene vorming - deeltijds beroepsonderwijs) (zie 5.20.1.1.) en (algemene vorming - leertijd) (zie 5.20.1.3.), deeltijds kunstonderwijs (zie 7.10.5.). In het buitengewoon onderwijs dient voor één of meer leerlingen samen op basis van zijn (hun) opvoedings- en onderwijsbehoeften, een handelingsplan opgemaakt (zie 10.6.7.).
Schoolreglementen Elke school stelt haar eigen schoolreglement op, maar ook hier legt de overheid een aantal minimum kenmerken vast. Zie voor basisonderwijs 4.6., voor secundair onderwijs 5.7.).
2.3.6. Algemene regelgevingstechniek Verzameldecreten betreffende het onderwijs
In onderwijs geldt het zogenaamde “legaliteitsbeginsel”: elke maatregel die ernstig ingrijpt op de organisatie van het onderwijs moet door de decreetgever worden geregeld. Het opstellen en wijzigen van decreten is echter veel omslachtiger dan het nemen van besluiten. Hierdoor is de traditie ontstaan om alle decretale wijzigingen die nodig zijn om het nieuwe schooljaar voor te bereiden, te bundelen in één verzameldecreet. Deze decreten dragen alle een romeins nummer. Na de goedkeuring van zo'n decreet worden de wijzigingen overgebracht in de bestaande “niveau- en themadecreten”. Het gaat zowel om de juridische vertaling van nieuwe maatregelen, als om rechtzettingen en verbeteringen. ● ● ● ● ●
Decreet betreffende het onderwijs XV - 15/07/2005 Decreet betreffende het onderwijs XVI - 07/07/2006 Decreet betreffende het onderwijs XVII - 22/06/2007 Decreet betreffende het onderwijs XVIII - 04/07/2008 Decreet betreffende het onderwijs XIX - 08/05/2009
Vereenvoudiging regelgeving
Vanaf 1999 is de Vlaamse Gemeenschap een project gestart inzake vereenvoudiging van regelgeving en procedures. Ook binnen het departement onderwijs wordt daaraan gewerkt langs verschillende wegen: ●
● ●
kwaliteitsonderzoek en evaluatie van de wetteksten; juridisch-technische vereenvoudiging; gebruik van convenants en van tijdelijke onderwijsprojecten en coördinatie van onderwijswetgeving; stroomlijning van administratieve processen, planlastverlaging (en compensatie van nieuwe planlasten door afname van andere), vereenvoudigde formulieren en E-government; analyse van de impact van welbepaalde, geplande regels, met 'Regulatory Impact Assessment' rapporten.
Zie: http://www.ond.vlaanderen.be/vereenvoudiging/
Algemene organisatie / 61
Proeftuinen
Proeftuinen zijn in tijd en schaal beperkte onderwijsexperimenten. Ze zijn door de Vlaamse overheid in het leven geroepen om onderwijsvernieuwingen op kleine schaal uit te proberen alvorens ze structureel in te voeren. Een eerste reeks van 40 proeftuinen werden georganiseerd van 2005 tot 2008. 24 van deze proeftuinen werden verlengd tot augustus 2011 en hebben ondertussen 4 schooljaren achter de rug. Een tweede reeks van 40 proeftuinen ging van start in september 2007. Deze proeftuinprojecten lopen tot augustus 2010. Sinds 9/12/2005 vormt het decreet betreffende tijdelijke projecten in het onderwijs de rechtsgrond voor projectmatige initiatieven (de 'proeftuinen'). Het geldt voor het basis- en secundair onderwijs, de deeltijdse vorming in het kader van de deeltijdse leerplicht, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. Hierdoor kan de Vlaamse Regering tijdelijke projecten opzetten of scholen en centra de mogelijkheid verlenen tijdelijke projecten te organiseren. De regering dient de inhoud en de doelstellingen vast te leggen, de tijdsduur te bepalen en de voorwaarden waaronder ze eenmaal kunnen worden verlengd. Voor de realisatie van de projecten zijn afwijkingen van wettelijke en decretale bepalingen mogelijk. Deze dienen wel per project aangegeven en gemotiveerd te worden in een Besluit en daarna bekrachtigd te worden door een decreet. De afwijkingen kunnen echter geen betrekking hebben op de eindtermen en ontwikkelingsdoelen en de bepalingen inzake: ● ● ● ● ● ● ●
het inschrijvingsrecht in basis- en secundaire scholen; het minimumlessenrooster of minimumlessentabel in secundair en volwassenenonderwijs en in deeltijdse vormingen in het kader van de deeltijdse leerplicht; het minimumaantal wekelijkse lestijden in basis-, secundair en volwassenenonderwijs; de participatieregeling; de erkenning van scholen en centra, met uitzondering van onderwijsstructuur en leerplan; het inschrijvingsgeld in het volwassenenonderwijs; het zorgvuldig bestuur.
Het decreet geeft rechtszekerheid aan leerlingen en leerkrachten die bij de projecten betrokken zijn. De tijdelijke projecten zullen tijdens hun looptijd geëvalueerd worden en de resultaten daarvan worden geformuleerd in een advies aan de Vlaamse Regering dat voorgelegd wordt aan het parlement. Ingeval ze daarna organiek geïmplementeerd worden zal zo nodig worden voorzien in structurele financiering of subsidiëring. Meer informatie over deze beleids- en regelgevingstechniek en het gebruik ervan vindt men op : http://www.ond.vlaanderen.be/vereenvoudiging/juridisch.htm Het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 maakte het mogelijk om de proeftuinen te verlengen gedurende de schooljaren 2008-2009 tot en met 2010-2011. In uitvoering van de Competentieagenda werden in 2008 40 nieuwe proeftuinen gelanceerd inzake studiekeuze (zie 5.18.1.) en werkplekleren (zie 5.18.2.). In het kader van de besparingen wordt de extra omkadering van de proeftuinen stopgezet. http://www.ond.vlaanderen.be/proeftuinen/
Algemene organisatie / 62
2.4. Structuur van het onderwijssysteem en keuzemomenten
Het Vlaamse onderwijs is ingedeeld in niveaus: basisonderwijs (BaO), secundair onderwijs (SO) secundair-na-secundair onderwijs (SE-n-SE), hoger beroepsonderwijs (HBO5) en hoger onderwijs (HO). Daarnaast is er ook de permanente vorming. Die richt zich, met uitzondering van het deeltijds kunstonderwijs, hoofdzakelijk tot volwassenen. Voor leerlingen die opteren voor deeltijdse leerplicht is er een stelsel van leren en werken dat deeltijds onderwijs, deeltijdse vorming en de leertijd omvat. Het basisonderwijs omvat het kleuteronderwijs (2,5 - 6 jaar) en het lager onderwijs (6 - 12 jaar). In een basisschool wordt kleuter- ĂŠn lager onderwijs gegeven, in een kleuterschool alleen kleuteronderwijs, in een lagere school alleen lager onderwijs. Tussen beide tracht men een vloeiende overgang te realiseren. Op het niveau van het basis- en het secundair onderwijs is er gewoon en buitengewoon onderwijs. Het buitengewoon onderwijs is bedoeld voor kinderen die, tijdelijk of permanent, speciale hulp nodig hebben. Dit kan zijn omwille van een lichamelijke of geestelijke handicap, omwille van ernstige gedrags- of emotionele problemen of omwille van zware leerstoornissen. Het geĂŻntegreerd onderwijs is dan weer een samenwerking tussen onderwijs. Dit onderwijs is bedoeld om kinderen met een opvoedingsmoeilijkheden de lessen of activiteiten te laten volgen in onderwijs, mits hulp vanuit het buitengewoon onderwijs. Dit kan tijdelijk gaan om een gedeelte van de lessen of om alle lessen.
gewoon en buitengewoon handicap of leer- en een school voor gewoon of permanent zijn. Het kan
Algemene organisatie / 63
De beslissingsmomenten in de onderwijsloopbaan
●
● ● ●
●
● ●
De overgang van kleuter naar lager onderwijs (6 jaar); waarbij ouders kunnen kiezen om die overgang te laten gebeuren op vijf, zes of zeven jaar, mits een niet-bindend advies van de school en het CLB; de overgang van het gewoon naar het buitengewoon onderwijs waarbij dezelfde bevoegdheidsregeling geldt; de beslissing om de leerling een achtste leerjaar lager onderwijs te laten volgen, op voorwaarde van een gunstige beslissing van de klassenraad; de overgang van basisonderwijs naar secundair onderwijs (12 jaar), waarbij de leerling al moet rekening houden met de verplichte keuze na de 1e graad SO. Ook al is de eerste graad van het secundair onderwijs gericht op een gemeenschappelijke basisvorming, toch weerspiegelen de aangeboden optiemogelijkheden al de onderwijsvormen na de 1e graad; de overgang naar de tweede graad secundair onderwijs, met een de keuze tussen het algemeen secundair onderwijs (ASO), technisch secundair onderwijs (TSO), beroepssecundair onderwijs (BSO) en kunstsecundair onderwijs (KSO); de keuze vanaf 15 of 16 jaar voor deeltijdse leerplicht en de keuze van deeltijdse leersystemen; de overgang van secundair naar secundair-na-secundair of hoger beroepsonderwijs of hoger onderwijs.
2.5. Leerplicht We geven hier achtereenvolgens: ● ● ●
2.5.1. historiek 2.5.2. actuele toestand 2.5.3. controle
2.5.1. Historisch overzicht In België bestaat enkel 'leerplicht', geen 'schoolplicht'. De wet van 19 mei 1914 introduceerde de leerplicht voor alle kinderen tussen 6 en 12 jaar en stipuleerde dat de bovenste leeftijdsgrens zou worden verhoogd tot 13 en vervolgens tot 14 jaar. Deze wet werd echter eerst na de Eerste Wereldoorlog in 1919 toegepast. In 1953 stelde de regering een verlenging tot 15 jaar voor, gevolgd in de jaren '70 door verscheidene andere wetsvoorstellen voor verlenging tot 16 jaar. Dit gezien het aangetoonde verband tussen onderwijsniveau en werkloosheid. Eerst in 1983 werd de verlenging tot 18 jaar wettelijk vastgelegd. De vaststelling van het begin en einde van de leerplicht is nog steeds een federale bevoegdheid (zie 1.2.1.). In functie van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van werken en leren is een voltijds engagement voor de deeltijdse leerplicht ingeschreven in de (federale) leerplichtwet (zie 5.20.1.).
De verlenging van de leerplicht. Veertig jaar Belgische onderwijspolitiek
Algemene organisatie / 64
2.5.2. Actuele wetgeving Leerplicht
De wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht schrijft voor dat minderjarigen, zowel Belgen als allochtonen, onderworpen zijn aan de leerplicht voor een periode van 12 jaar. Deze start vanaf het schooljaar waarin het kind 6 jaar wordt en eindigt op 18 jaar. De omzendbrief SO 68 van 1/3/2000 verduidelijkt dat dit de 18e verjaardag is, dan is de leerling burgerlijk meerderjarig en kan niet langer worden verplicht lessen te volgen tot het einde van het schooljaar. Wel vraagt de omzendbrief aan de scholen om hun uiterste best doen de leerlingen te overtuigen het nog lopende schooljaar te voltooien. Voor leerlingen die verjaren na 30 juni maar in het kalenderjaar waarin zij 18 worden, reeds 12 jaren lager en secundair onderwijs hebben gevolgd, eindigt de leerplicht op 30 juni, het einde van het schooljaar. Een minderjarige die het voltijds secundair onderwijs met vrucht heeft beëindigd is niet meer onderworpen aan de leerplicht. Deeltijdse leerplicht een voltijds engagement
De leerplicht is voltijds tot 16 jaar en wordt gevolgd door een periode van deeltijdse leerplicht (ingevoerd in 1983, in het kader van de verlenging van de leerplicht van 14 naar 18 jaar). Enkel wie de twee leerjaren van de 1e graad secundair onderwijs succesvol doorlopen heeft (en dus geslaagd is) kan al vanaf 15 jaar opteren voor een stelsel ter vervulling van de deeltijdse leerplicht. Aan de vereisten van de deeltijdse leerplicht kan worden voldaan door het volgen van: ● ● ● ● ●
verder voltijds onderwijs; deeltijds beroepssecundair onderwijs in een CDO, Centrum voor deeltijds beroepsonderwijs; de leertijd zoals vermeld in het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap een voor de vervulling van de leerplicht erkende vorming huisonderwijs.
In functie van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van werken en leren is een voltijds engagement voor de deeltijdse leerplicht ingeschreven in de (federale) leerplichtwet van 29 juni 1983 (art. 1 § 1 en § 2bis). Het deeltijds onderwijs, de leertijd of de erkende vorming dient gecombineerd te worden met werkplekleren. Die combinatie omvat minimum 28 uren per week. Onder werkplekleren wordt verstaan elke vorm van activiteit, naast de leercomponent, die samen met de leercomponent het voltijds engagement uitmaakt. De Vlaamse Regering bepaalt die vormen van activiteit. Zie 5.20.1. voor het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap. Huisonderwijs
Huisonderwijs wordt georganiseerd en bekostigd door de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerlingen onder hun bewaring hebben. Het wordt geregeld voor het basisonderwijs door het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, voor het secundair onderwijs door de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 en 16 september 1997. Ouders die kiezen voor huisonderwijs, dienen uiterlijk op de dag dat zij daarmee starten het departement Onderwijs en Vorming daarvan schriftelijk op de hoogte brengen. Zij moeten zich ertoe verbinden onderwijs te verstrekken of te laten verstrekken dat beantwoordt aan volgende minimumeisen (die overigens voor elke vorm van onderwijs gelden op basis van art. 29 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind): ●
het onderwijs is gericht op de ontplooiing van de volledige persoonlijkheid en de talenten van het kind en op de voorbereiding van het kind op een actief leven als volwassene; Algemene organisatie / 65
â—?
het onderwijs bevordert het respect voor de grondrechten van de mens en voor de culturele waarden van het kind zelf en van anderen (Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, art. 26 bis; Besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997, art. 14decies; Besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997, art. 10 novies).
De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen zoals beschreven. Huisonderwijs geeft echter nooit recht op erkende studiebewijzen. De leerling die een erkend diploma wil behalen, kan voor het basisonderwijs examen afleggen in een van de 10 examenscholen, voor het secundair onderwijs voor de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap. Slechts enkele honderden leerlingen volgen huisonderwijs (zie 4.16.). Huisonderwijs mag niet verward worden met 'onderwijs aan huis', dat thuis of in een medische instelling wordt verstrekt aan zieke leerplichtigen of leerplichtigen met een handicap (zie 10.6.4.). http://www.ond.vlaanderen.be/leerplicht/ Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs OZB De leerplicht
2.5.3. Controle op de leerplicht Ouders van leerlingen zijn verantwoordelijk voor de inschrijving van hun kinderen. Wanneer de administratie heeft opgemerkt dat een kind niet is ingeschreven, moeten de ouders zich daarvoor verantwoorden en worden zij aan hun verantwoordelijkheid herinnerd. Gerechtelijke stappen zijn mogelijk wanneer zij hun verantwoordelijkheid niet nemen (Decreet van 25 februari 1997). Het koninklijk besluit van 7 juli 2002 laat het departement Onderwijs en Vorming toe het rijksregisternummer te gebruiken om controle uit te oefenen op inschrijvingen en geregeld schoolbezoek, bestaande gegevensopvragingen te rationaliseren en studie- en schoolloopbanen van leerlingen uit te voeren (B.S. 17/09/2002). Dat wordt nu systematisch toegepast. Controle op inschrijvingen
Tot 2006 werd enkel de inschrijving van 10 en 11-jarigen in het basisonderwijs en 14- en 15-jarigen in het secundair onderwijs gecontroleerd. Vanaf het schooljaar 2006-2007 controleert het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi) de inschrijving van alle leerlingen tussen 6 en 18 jaar. Vanaf 20072008 dienen alle inschrijvingen van leerlingen geregistreerd te zijn op de derde schooldag in september, i.p.v. op 1 oktober. Tevens werd het controlesysteem drastisch hervormd en sluitend gemaakt. Ook de controle op het zgn. huisonderwijs (zie 2.5.2.) werd verstrengd. Om de kleuterparticipatie te bevorderen werd ook Kind en Gezin (zie 3.) ingeschakeld. De privacycommissie gaf toestemming de lijst van kleuters die niet in het onderwijs zijn ingeschreven, door te geven aan Kind en Gezin om de ouders te contacteren. Tijdens de huisbezoeken probeert de regioverpleegkundige te achterhalen waarom het kind niet is ingeschreven en wijst de ouders op het belang van kleuterparticipatie. Hiervoor werd een bedrag van ₏ 700.000 op jaarbasis ter beschikking gesteld van Kind en Gezin. In september 2008 werd vastgesteld dat 1100 leerplichtige kinderen en jongeren wel waren ingeschreven in een school, maar zonder gegronde reden afwezig waren. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest had, door de scheiding van de verantwoordelijkheden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, niemand een overzicht van de opvolging van de leerplicht. Daarom hebben de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming en de Franse gemeenschapsminister van Onderwijs in 2007 een akkoord gesloten over een gezamenlijk controle op de leerplicht. Uit een eerste vergelijking van de databestanden van beide gemeenschappen bleek dat er in 2008 ongeveer 140.000 leerplichtigen woonden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarbij van 6000 niet meteen duidelijk was of ze aan de leerplicht voldeden. Daarom werden een aantal engagementen en Algemene organisatie / 66
afspraken voor een sluitende controle en aanpak vastgelegd in een samenwerkingsprotocol waarbij ook de minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de 19 Brusselse burgemeesters werden betrokken. Controle op afwezigheden
Scholen (of SYNTRA Vlaanderen) houden bij of ingeschreven leerlingen regelmatig aanwezig zijn. Tijdens het schooljaar 2006-2007 meldden de scholen 5 478 problematische afwezigheden. Dat zijn leerlingen uit het secundair onderwijs die meer dan 30 halve dagen (voltijds onderwijs) of meer dan 20 halve dagen (deeltijds onderwijs) onwettig afwezig bleven. Het aantal leerlingen dat geen school vindt nadat ze verschillende keren van een school verwijderd zijn, stijgt. Het relatieve schoolverzuim wordt zoveel mogelijk op lokaal niveau aangepakt door de school en het CLB (zie 4.15.9.). Vanaf het moment dat een leerling 10 halve dagen heeft gespijbeld wordt het CLB verplicht ingeschakeld door de scholen, maar de school kan ook al eerder een beroep doen op het CLB. De spijbelende jongere krijgt een intensieve begeleiding gedurende het volledige schooljaar, waarbij soms ook de hulp van een externe organisatie ingeroepen wordt. Tevens werden duidelijkere afspraken gemaakt over de controle en opvolging van spijbelaars. Vanaf het schooljaar 2009-2010 bezorgt ook elke directie of Syntra Vlaanderen alle nodige gegevens aan AgODi voor de controle op het werkplekleren (zie 5.20.1. het stelsel van leren en werken). Op 22 maart 2007 werd een protocolakkoord gesloten met huis- en kinderartsen met afspraken over het gebruik van medische attesten voor het wettigen van afwezigheden en het aanpakken van het probleem van twijfelachtige medische attesten. Voortaan zal een medisch attest ook nodig zijn na een afwezigheid van 3 kalenderdagen (niet langer schooldagen) in het hele leerplicht onderwijs en aanvaarden scholen niet langer zogenaamde dixit- en geantedateerde attesten als wettiging voor afwezigheid. Met de parketcriminologen Jeugd en Gezin werd een samenwerkingsprotocol gesloten voor de opvolging van de dossiers bij de parketten. Probleemgroep
Uit de probleemdossiers komt een duidelijk profiel van de niet-ingeschreven leerlingen naar voren. Het gaat voornamelijk om niet-Belgen, kinderen uit een stedelijk gebied en 17-jarigen. Ditzelfde profiel duikt op bij jongeren met een zeer onregelmatige schoolloopbaan in het secundair onderwijs (in- en uitschrijvingen). Binnen het voltijds onderwijs zitten ze vaker in de B-stroom, volgen het vaakst deeltijds onderwijs en hebben vaak schoolse vertraging opgelopen. Stimuleringsacties
Van 2006 tot 2009 liep een uitgebreid spijbelactieplan, zie: http://www.ond.vlaanderen.be/leerplicht/algemeen/SAP.htm Vanaf het schooljaar 2007-2008 is schoolverzuim gekoppeld aan de toekenning van een schooltoelage (zie 4.7.). Leerlingen die gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet ingeschreven zijn of hardnekkig spijbelen, kunnen tijdens dat tweede jaar hun schooltoelage verliezen. Na het eerste jaar zal de overheid hen hierop wijzen en tijdens het tweede jaar zal de leerling via het CLB hierop attent gemaakt worden. Voor gedemotiveerde leerlingen werden korte en lange time-out projecten opgestart en voor kinderen die geplaatst werden in een gemeenschapsinstelling voor bijzondere jeugdzorg of het federaal centrum in Everberg werden verbindingsfunctionarissen aangesteld (zie 2.2.-3). Met het Flankerend Lokaal Onderwijsbeleid (zie 2.6.3.8.) worden lokale besturen aangespoord een actieve rol te spelen op vlak van leerplichtcontrole en kleuterparticipatie. Zie o.m. omzendbrieven SO/2002/05/BuSO (buitengewoon secundair onderwijs) en SO/2005/04 (voltijds gewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs). Algemene organisatie / 67
BaO/98/3 SO 70 Registratie van leerlingen secundair onderwijs SO 68 de leerplicht Leerplicht. Wie is er niet als de schoolbel rinkelt? Evaluatie 2007-2008. AgODi 2009. OZB Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het buitengewoon secundair onderwijs OZB Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds secundair onderwijs Decreet basisonderwijs Decreet betreffende de Centra voor Leerlingenbegeleiding Koninklijk Besluit inzake gebruik rijksregisternummer door het Departement Onderwijs als uniek leerlingennummer
2.6. Bestuur Inzake onderwijsbestuur dienen 3 verschillende indelingen met elk verschillende niveaus te worden gehanteerd. ●
Een geopolitieke indeling hanteert de indeling van de staat op de diverse politieke bestuurniveaus:
○ op federaal niveau (zie 2.6.1.) na de communautarisering blijft de federale slechts bevoegd voor een beperkt aantal onderwijsmateries. Daarnaast blijven de militaire en politionele beroepsopleiding onder de bevoegdheid vallen van federale ministers.
○ op gemeenschapsniveau (zie 2.6.2.1.): na de communautarisering ligt de bevoegdheid voor onderwijs en vorming bij de Vlaamse Gemeenschap; de Vlaamse Gemeenschap heeft haar bevoegdheid als inrichtende macht voor het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap overgedragen aan twee niveaus binnen dit net: de centrale Raad GO! en de scholengroepen. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft een heel eigen statuut (zie 2.6.3.7.):
○ op het lokale niveau dienen twee deelniveaus te worden onderscheiden
▪ ▪
●
●
op niveau provincies (zie 2.6.3.5.);
op niveau gemeenten (zie 2.6.3.6.). Daarnaast is, gezien de verzuilde uitbouw van het onderwijs, de indeling volgens de onderwijsnetten van belang (zie 2.3.2.). Kernbegrippen hierbij zijn 'de inrichtende machten', die het onderwijs organiseren (zie 2.6.3.1.1.) en de 'onderwijskoepels', organisaties voor belangenbehartiging, vertegenwoordiging en ondersteuning van de onderwijsnetten (2.6.3.1.2.). Met als invalshoek de onderwijsinstellingen dienen we niet enkel de verschillende onderwijsniveaus (BaO, SO,VWO, HO, UO) te onderscheiden maar ook het niveau van de instellingen zelf en het hogere niveau van groeperingen van instellingen. Daarom hanteren we verschillende subsecties voor het bestuur van de instellingen:
○ ○ ○ ○
scholen voor leerplichtonderwijs en de centra voor permanente vorming (zie 2.6.4.1.) groepering van scholen op het niveau van de scholengemeenschappen (zie 2.6.4.2.) hogescholen (zie 2.6.4.3.) universiteiten (zie 2.6.4.4.)
Algemene organisatie / 68
○ associaties van hogescholen en universiteiten (zie 2.6.4.5.).
2.6.1. Bestuur op federaal niveau Federale onderwijsmateries Vanaf 1989 is de Vlaamse Gemeenschap verantwoordelijk voor onderwijsmateries en staat bijgevolg in voor het bestuur van het onderwijs in haar taalgebied. Immers, na de grondwetsherziening van 15 juli 1988, hevelde de grondwet (17 februari 1994) vrijwel alle verantwoordelijkheden (art. 127 § 1.2) in verband met het onderwijssysteem over naar de Gemeenschappen. Toch zijn er nog een aantal federale bevoegdheden: het begin en einde van de leerplicht, de onderverdeling in verschillende onderwijsniveaus, het pensioen van de leerkrachten, het taaltoezicht in de onderwijsinstellingen in Brussel en de rand- en taalgrensgemeenten en de financiering van buitenlandse universitaire studenten. Daarnaast zijn er nog een aantal andere federale bevoegdheden die aan het Onderwijs- en Vormingsbeleid beperkingen stellen. De belangrijkste daarvan zijn de reglementering op de toegang tot bepaalde beroepen, de werknemersstatuten van toepassing op werkplekleren en het betaald educatief verlof. Voor een aantal beleidsopties zoals het spijbelbeleid en de controle op de leerplicht is samenwerking vereist met federale overheidsdiensten zoals justitie, met de politie en met de andere gemeenschappen.
Federale pensioenen en educatief verlof De pensioenregeling maakt nog steeds deel uit van het nationale sociale zekerheidssysteem waarvoor nog een nationaal financieringssysteem in voege is, gebaseerd op solidariteit tussen Gemeenschappen en Gewesten. Pensioenen ● ●
Bevoegd minister: de minister van Pensioenen. Bevoegde administratie:
○ PDOS, Pensioendienst voor de overheidssector voor toekenning, berekening en beheer pensioenen personeelsleden openbare sector http://www.pdos.fgov.be/
○ Federale overheidsdienst Financiën > Administratie der Thesaurie > Centrale dienst der vast uitgaven – pensioenen; http://www.ap.fgov.be voor uitbetalingen Betaald educatief verlof ● ●
●
Bevoegd minister: de federale minister van werk. Bevoegde administratie: FOD Werkgelegenheid, Arbeid en sociaal overleg > Algemene directie werkgelegenheid en arbeidsmarkt > Afdeling van het werkgelegenheidsbeleid > Directie van het BEV; http://meta.fgov.be.
Federale beroepsopleidingen: de militaire opleiding en de politieopleiding Militaire opleiding ● ● ● ●
Bevoegd minister: de minister van Landsverdediging. Bevoegde administratie: Ministerie van Defensie > Algemene directie vorming (DG FMN). http://www.mil.be Om de opleidingsmogelijkheden van de personeelsleden van het ministerie van Landsverdediging te versterken en hun reïntegratie op de arbeidsmarkt na militaire dienst te bevorderen is een bilateraal samenwerkingsakkoord gesloten tussen het Ministerie van
Algemene organisatie / 69
Landsverdediging en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, m.b.t. het volwassenenonderwijs. Politieopleiding ●
● ● ●
●
●
De politie is gestructureerd op twee niveaus: de federale politie en de lokale politie (opgedeeld in politiezones). De opleiding van de federale politie gebeurt op het federale niveau in 3 federale politiescholen. De opleiding van de lokale politie in een van de 10 lokale politiescholen. We behandelen hier enkel het federale niveau. Voor de federale politie: zie www.polfed-fedpol.be; voor de federale politieopleiding, zie www.police.ac.be Voor de lokale politie: zie www.lokalepolitie.be Bevoegde ministers: de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van justitie. Overeenkomstig het KB van 30 maart 2001, tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol), wordt de opleidingspolitiek voor de politiediensten bepaald door de minister van Binnenlandse zaken en de minister van Justitie. Het initiatief en het dagelijks beheer van de vorming behoren feitelijk tot de bevoegdheden van de minister van Binnenlandse zaken die de minister van Justitie betrekt bij de algemene maatregelen betreffende de opleiding van het politiepersoneel. De minister van Justitie oefent een eigen rol uit voor de opleidingen van het personeel van de Algemene Directie van de gerechtelijke politie (opsporings- en recherchedienst). Het RPPol bepaalt daarvoor dat de minister van Justitie binnen de federale politie een nationale rechercheschool opricht die de gerechtelijke opleidingen verstrekt. Bevoegde administratie: Algemene directie van de Ondersteuning en het Beheer (DGS) > Directie van de opleiding (DSE); www.police.ac.be. De DSE omvat de drie politiescholen op federaal niveau alsook het kenniscentrum (DSED). De Directie stelt jaarlijkse opleidingsplannen voor de geïntegreerde politie op, in nauwe samenwerking met haar partners en op basis van de nationale en zonale veiligheidsplannen. Ze waakt eveneens over de verwezenlijking van de opleidingsprioriteiten uit het NVP (Nationaal Veiligheidsplan). Gezien de directie van de opleiding open staat voor externe opleidingen, werkt ze ook samen met het Opleidingsinstituut voor de Federale Overheid (OFO). Deze opleidingsinstelling van de federale overheid is een entiteit van de federale overheidsdienst 'personeel en organisatie'. Zij beheert volledige opleidingsprogramma's voor de administratie van de federale openbare diensten, waaronder ook de politie. De personeelsleden van de politie kunnen zich inschrijven bij de opleidingsinstelling van de federale overheid. Federale onderwijsinstellingen
○ De nationale officierenschool (DSEO) ○ De nationale rechercheschool (DSER) ○ De federale school (DSEF) Rekenhof Het Rekenhof is belast met de externe controle op de begrotings-, boekhoudkundige- en financiële verrichtingen van de federale Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de openbare instellingen die ervan afhangen, en de provincies. Recente rapporten die betrekking hebben op onderwijs zijn: ● ● ● ● ● ●
De omkadering in het gewoon voltijds secundair onderwijs (januari 2010) Gelijke onderwijskansen in het gewoon basis- en secundair onderwijs (augustus 2008) Kwaliteitsbewaking in het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen (juli 2008) Terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan rustpensioen in het onderwijs (oktober 2007) De Europese actieprogramma's Leonardo Da Vinci, Socrates en Jeugd (februari 2007) Financiering en subsidiëring van centra voor leerlingenbegeleiding (november 2006)
Algemene organisatie / 70
het
Alle rapporten (met een Engelstalige en Franstalige abstract) zijn te vinden en te downloaden op: http://www.rekenhof.be/NL/
Raad van State Elk voorontwerp van onderwijsdecreet wordt voorgelegd aan de Raad van State voor juridisch advies. De Raad van State bestaat uit twee afdelingen. De afdeling Wetgeving is de juridische raadgever van de wetgevende vergaderingen en van de regeringen. Ze verstrekt juridische adviezen over de verschillende ontwerpen van wetteksten en verordeningsteksten die deze vergaderingen en regeringen aan de Raad voorleggen. De adviezen over voorontwerpen van wet, van decreet of van ordonnantie worden gevoegd bij de memorie van toelichting van de ontwerpen, wanneer deze ingediend worden bij een parlementaire vergadering. Ze worden dus bekendgemaakt in de parlementaire stukken van de betrokken vergadering en kunnen daardoor geraadpleegd worden. De afdeling Bestuursrechtspraak is het hoogste administratieve rechtscollege van het land. Ze neemt in hoofdzaak kennis van de vorderingen tot schorsing en nietigverklaring van administratieve rechtshandelingen en van cassatieberoepen tegen beslissingen van administratieve rechtscolleges. http://www.raadvanstate.be/
Grondwettelijk hof Het Grondwettelijk Hof is een rechtscollege met twaalf rechters die waken over de inachtneming van de Grondwet door de wetgevers in België. Het kan wetten, decreten en ordonnanties vernietigen en schorsen. Vanwege zijn bijzondere opdracht staat het los van zowel de wetgevende macht, als van de uitvoerende en de rechterlijke macht. http://www.arbitrage.be/
2.6.2. Bestuur op regionaal niveau: de Vlaamse Gemeenschap Binnen de Vlaamse Regering is de minister van Onderwijs verantwoordelijk voor bijna alle aspecten van het onderwijsbeleid van het kleuter- tot en met het universitair onderwijs. Enkel de pensioenen van het onderwijspersoneel, het vastleggen van de leerplicht en het bepalen van de minimumvoorwaarden voor het behalen van een diploma behoren tot de federale Belgische materie. Naast de minister van Onderwijs zijn nog andere ministers bevoegd voor specifieke vormen van opleiding en onderwijs. ● ● ● ●
Beroepsopleiding (zie 2.6.2.2.) Landbouwvorming (zie 2.6.2.3.) Sociaal-cultureel volwassenenwerk (zie 2.6.2.4.) Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (zie 2.6.2.5.)
2.6.2.1. Onderwijs en vorming
Beleidsdomein
Het Beleidsdomein Onderwijs en Vorming (www.ond.vlaanderen.be) omvat: ●
6 autonome organisaties die samen de Vlaamse onderwijsadministratie vormen
○ het Vlaams Ministerie van onderwijs en vorming, bestaande uit:
▪
het DOV, Departement Onderwijs en Vorming, dat onder leiding van de secretaris-generaal zorgt voor de beleidsondersteuning; Algemene organisatie / 71
▪
4 interne verzelfstandigde agentschappen, zonder rechtspersoonlijkheid die elk o.l.v. een administrateur-generaal zorgen voor de beleidsuitvoering:
▪
AgODi, Agentschap voor Onderwijsdiensten (basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs, centra voor leerlingenbegeleiding, inspectie en begeleiding)
▪
AHOVOS, Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen, verzorgt de dienstverlening aan het personeel, de instellingen, de studenten en de cursisten uit het hoger en het volwassenenonderwijs;
▪
AOC, Agentschap voor Onderwijscommunicatie, staat in voor de externe communicatie;
▪
AKOV, Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (én VDAB én SYNTRA), opgericht in 2009, staat in voor het kwaliteitszorgsysteem voor trajecten die leiden naar bewijzen van erkende kwalificaties, in onderwijs, beroepsopleiding, vorming en EVC-trajecten (zie 9.3.2.);
○ AGIOn, Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs, een IVA met
●
●
rechtspersoonlijkheid, dat de aankoop, de bouw en de verbouwing van schoolgebouwen voor het leerplichtonderwijs en de hogescholen subsidieert en financiert. (zie 2.8.4.); de Vlaamse minister van Onderwijs die in de Beleidsraad strategisch overleg pleegt met de leidende ambtenaren; Pascal Smet is Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke kansen en Brussel en bevoegd voor: het beleidsdomein onderwijs en vorming, het beleidsveld jeugdwerk (inbegrepen de coördinatie van het kinderrechtenbeleid), het gelijkekansenbeleid en de coördinatie van het beleid m.b.t. Brussel-Hoofdstad. de VLOR, Vlaamse Onderwijsraad die fungeert als strategische adviesraad (zie 2.7.2.1.).
De agentschappen worden beheersovereenkomst.
aangestuurd
door
de
minister,
inzonderheid
via
een
De onderwijsinspectiedienst (zie 9.3.1.) is een autonome dienst binnen het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, in directe relatie met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming. Enkele onderwijsrelevante instellingen vallen buiten het beleidsdomein Onderwijs en Vorming ●
●
EPOS vzw Dit Agentschap is een samenwerkingsverband tussen het departement Onderwijs en Vorming, de VDAB en SYNTRA-Vlaanderen en zorgt o.m. voor de uitvoering van het Europese LPP-programma, “Een Leven Lang Leren” (zie 11.4.2.4.). VLIR & VLHORA (zie 2.7.2.2.).
Met verschillende andere Vlaamse beleidsdomeinen wordt samengewerkt en worden tussen de bevoegde ministers protocolakkoorden gesloten zoals met: ● ● ● ● ●
de minister van werk voor de uitvoering van de kwalificatiestructuur en de competentieagenda (zie ), het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin voor de medische onderzoeken in de CLB’s, het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media (CJSM), het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken voor het leerlingenvervoer met de Lijn, Kind en Gezin voor de voor- en naschoolse opvang van kinderen en het stimuleren van de participatie van kleuters aan het kleuteronderwijs.
Het departement Onderwijs en Vorming omvat volgende diensten en afdelingen. ● ●
Een stafdienst. De afdeling strategische beleidsondersteuning die o.m. strategische beleidsopties formuleert, de bijdrage van de administratie voor het regeerakkoord, de beleidsnota en de meerjarenplanning voorbereidt en garandeert dat de beleidsbrieven en jaarplanning hierop afgestemd zijn; ze zorgt tevens voor de ontwikkeling en implementatie van het kennisbeleid van het departement.
Algemene organisatie / 72
●
● ● ● ● ●
●
●
Het project strategisch onderwijs – en vormingsbeleid situeert zich op het snijvlak van de bevoegdheden onderwijs, werk en cultuur en richt zich op het stimuleren van levenslang en levensbreed leren, en op het versterken van de aansluiting tussen enerzijds onderwijs, opleiding en vorming en anderzijds de arbeidsmarkt. De afdeling arbeidsvoorwaardenbeleid. De afdeling instellingen en leerlingen basis- en deeltijds kunstonderwijs. De afdeling instellingen en leerlingen secundair en volwassenenonderwijs. De afdeling hoger onderwijs. De afdeling ondersteuningsbeleid ondersteunt partners zoals de CLB’s, de onderwijsinspectie, de onderwijskoepels, de koepels van ouderverenigingen, de nascholingsorganisaties, en werkt daarvoor ook samen met andere Vlaamse beleidsdomeinen. De afdeling internationale relaties volgt de onderwijsontwikkelingen binnen de multilaterale organisaties (zie .) en coördineert uitwisselingsprogramma’s voor leerlingen, leerkrachten en studenten (zie 11.6.). De Europese programma’s Een Leven Lang Leren worden uitbesteed aan de vzw EPOS (zie 11.4.2.4.). Een managementondersteunende dienst (MOD) ondersteunt het departement en de agentschappen.
Beleidsdocumenten
Belangrijke beleidsdocumenten zijn het Vlaamse regeerakkoord, de Verklaring van de Vlaamse Regering, de Beleidsdomeinspecifieke bijdrage Onderwijs en Vorming van de Vlaamse Administratie aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse Regering, de beleidsnota Onderwijs en Vorming 2009-20014 bij aanvang van de legislatuur; de jaarlijkse beleidsbrief van de minister en de conceptnota's, discussienota's, vervolgnota's over geplande vernieuwingen. Die documenten vindt men op (http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/ ). Inzake de arbeidsvoorwaarden van het personeel zijn de afgesloten cao's bepalend (zie 8.2.2.). Daarnaast zijn voor beleidsontwikkelingen ook van belang de adviezen, jaarplanning en jaarverslag van de VLOR (http://www.vlor.be ), en de 'Onderwijsspiegel', het jaarverslag van de onderwijsinspectie http://www.ond.vlaanderen.be/inspectie/publicaties/ ). Alle voorontwerpen van decreet dienen een advies te krijgen van de VLOR, Vlaamse Onderwijsraad (zie 2.7.2.1.). Ze worden doorgaans ook voorgelegd aan de Raad van State (voor juridisch advies) en de SERV, Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (sociaal-economisch advies toegespitst op de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt en levenslang en levensbreed leren). De onderwijswetgeving verwerken we in de tekst. De onderwijswetgeving op alle niveaus en omzendbrieven zijn gebruiksvriendelijk online op te zoeken en te raadplegen via Edulex: http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/ Onderwijsthema's belicht vanuit de schooladministratie worden zeer overzichtelijk behandeld in weTwijs, http://www.onderwijs.vlaanderen.be/wetwijs/ Voor het verzamelen van beleidsrelevante informatie en om gegevens met de scholen uit te wisselen, heeft de overheid in 2008 een geheel nieuw informaticasysteem CREON in gebruik genomen. Beleidscommunicatie
Het ministerie van Onderwijs voert een actief communicatiebeleid met: ● ● ● ●
een uitgebreide website: http://www.ond.vlaanderen.be/ een onderwijswetgevingsdatabank: http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/ een infolijn: Vlaamse Infolijn-Onderwijs. een hele reeks maandelijkse tijdschriften waarop men gratis kan abonneren en die ook online raadpleegbaar zijn Algemene organisatie / 73
○ Klasse voor leraren, http://www.klasse.be ○ Klasse voor ouders (van leerlingen t/m 1e graad secundair onderwijs), http://www.klasse.be/ouders
○ Klasse (voor journalisten), http://www.klasse.be/pers ○ Yeti (voor leerlingen 5e en 6e leerjaar lager onderwijs,10-12 j.), http://www.yeti.be ○ Maks (voor jongeren 12-18j.), http://www.maks.be ●
●
daarnaast zijn er een hele reeks e-nieuwsbrieven: (http://www.klasse.be/leraren/xtr.php )
○ ○ ○ ○ ○
Lerarendirect (www.lerarendirect.be ) wekelijks
○ ○ ○ ○
TV klasse nieuws: videoreportages (http://www.klasse.be/tvklasse/ )
schooldirect (www.schooldirect.be ) wekelijks Klasse XTR een maandelijks overzicht van opmerkelijke inhoud uit klasse Maks!mum: maandelijkse pedagogische bijdrage bij het tijdschrift Maks YetiExtra: maandelijkse pedagogische bijdrage bij het tijdschrift Yeti (http://www.yeti.be/extra) Ouders XTR (http://www.klasse.be/ouders/xtr.php ) Rambo voor tieners (http://www.yeti.be/rambo )
Maks.update voor jongeren (http://www.maks.be/xtr.php ) publicaties: http://www.ond.vlaanderen.be
Elk jaar in juni organiseert de administratie van het Ministerie van Onderwijs en Vorming een "Ronde van Vlaanderen" voor schooldirecties, waarbij in elke provincie de nieuwe maatregelen voor het volgend schooljaar worden toegelicht. BVR tot operationalisering van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming
2.6.2.2. Beroepsopleiding en ondernemingsvorming
Het beleidsdomein Werk en Sociale Economie (WSE) (http://www.werk.be/ ) omvat: ● ● ● ●
●
●
de bevoegde ministers (zie verder); het departement Werk en Sociale Economie; het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie (IVA); de VDAB (Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding) die beroepsopleidingen organiseert ten behoeve van werkzoekenden en werknemers (zie 7.3.2.). Met de VDAB (een EVA) werd een beheersovereenkomst gesloten voor de periode 20052009. (http://vdab.be/); het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen, dat instaat voor de opleiding van zelfstandigen en KMO's (de vroegere 'middenstandsopleiding') middels het SYNTRA-opleidingsnetwerk (zie 7.3.3.). De Vlaamse Regering keurde eind december 2007 de beheersovereenkomst 2008-2010 met SYNTRA-Vlaanderen (een EVA) goed (als cahier 4 op http://www.syntravlaanderen.be/Syntravlaanderen/Index.aspx te downloaden. In 2008 hebben de VDAB en SYNTRA Vlaanderen een raamovereenkomst gesloten voor het gemeenschappelijk gebruik van hun gebouwen en opleidingsuitrusting. Binnen deze raamovereenkomst kunnen de VDAB-competentiecentra en de SYNTRA-campussen concrete samenwerkingsverbanden uitwerken; het ESF-Agentschap Vlaanderen vzw (een privaatrechtelijk vormgegeven EVA) dat het Europees sociaal fonds Vlaanderen beheert. De Europese Commissie stuurt het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten niet alleen via jaarlijkse richtsnoeren en aanbevelingen, ze reikt hen via het Europees Sociaal Fonds (ESF) ook middelen om de
Algemene organisatie / 74
●
Europese Werkgelegenheidsstrategie in praktijk te brengen. Voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid is vooral de ESF doelstelling 3 programmatie van belang, aan de hand waarvan onder andere opleidings- en begeleidingsactiviteiten van werkzoekenden en werknemers ondersteund worden. Het bevordert ook de sociale integratie en inpassing in het arbeidsproces van werklozen en achterstandsgroepen. http://www.esf-agentschap.be; de SERV, Sociaal-economische Raad van Vlaanderen als strategische adviesraad (http://www.serv.be/ ).
Bevoegde ministers
In de huidige Vlaamse Regering is het beleid verdeeld over een minister bevoegd voor Werk en een minister bevoegd voor Sociale economie. - Werk
Werkgelegenheid is in België een verdeelde bevoegdheid. Schematisch voorgesteld is het zo dat de federale regering verantwoordelijk is voor de uitbetaling van de werkzoekenden en de Vlaamse Regering voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding. Zowel de federale als de gewestelijke regering staan in voor een reeks tewerkstellingsprogramma's. In het Vlaams Regeerakkoord wordt het streven naar meer ondernemen en meer werk als de topprioriteit naar voor geschoven. De Beleidsnota werk van de minister van Werk is downloadbaar via: http://www.ministerphilippemuyters.be/nlapps/docs/default.asp?fid=45 Zowel de VDAB als het Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming SYNTRA Vlaanderen staan onder toezicht van de Vlaamse minister die werkgelegenheid in zijn bevoegdheid heeft. In de legislatuur 2004-2009 werden voor het eerst de bevoegdheden voor onderwijs en werk samengebracht. Hierdoor werd een meer geïntegreerde beleidsvisie ten aanzien van onderwijs, beroepsopleiding en ondernemersvorming mogelijk. Voor de legislatuur 2009-2014 ligt de bevoegdheid voor werk bij de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport. Daarom werd tussen de minister bevoegd voor Werk en de minister bevoegd voor Onderwijs een protocol gesloten om de genomen engagementen ten aanzien van de Competentieagenda verder uit te voeren. De samenwerking is ook noodzakelijk voor de uitvoering van het decreet op de Vlaamse kwalificatiestructuur en in het kader van de loopbaanbegeleiding. Steunpunt WSE, Werk en Sociale Economie
Het Steunpunt WSE is door de Vlaamse Regering erkend als beleidsvoorbereidend en beleidsondersteunend steunpunt (Programma Strategisch Arbeidsmarktonderzoek en Programma Steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek), met de steun van de Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek, het Vlaams Interuniversitair OnderzoeksNetwerk Arbeidsmarktrapportering VIONA en het Europees Sociaal Fonds (ESF). In opdracht van de Federale Overheid (Programma AGORA - Federaal Wetenschapsbeleid) ondersteunt het Steunpunt WSE mee de uitbouw en exploitatie van sociaaleconomische databanken over arbeid en arbeidsmarkt. http://www.steunpuntwse.be
2.6.2.3. Landbouwvorming
Het beroepsonderwijs gericht op de landbouwsector, dat vroeger de bevoegdheid van de federale minister van Landbouw was, is overgeheveld naar de Gemeenschappen door de bijzondere wet van 8 Algemene organisatie / 75
augustus 1980. Landbouw en visserij werd eerst na de 5e staatshervorming in 2002 een volledig Vlaamse bevoegdheid. Bevoegde minister: Het beleidsdomein Landbouw en Visserij valt in de huidige regering onder de bevoegdheid van de Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid. Bevoegde administratie : Departement Landbouw en Visserij > Afdeling Duurzame landbouwontwikkeling. Deze staat in voor de erkenning van de organisatoren (de erkende centra), de registratie van de lesgevers, de subsidiëring van de vormingsactiviteiten, de inspecties ter plaatse, de visering van de getuigschriften en de betaling van de vergoeding voor sociale promotie van de deelnemers (zie 7.3.4.) http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=36
2.6.2.4. Sociaal-cultureel volwassenenwerk
Het Sociaal-cultureel volwassenenwerk valt binnen het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media http://www.cjsm.vlaanderen.be/organisatie/. Bevoegde minister: in de huidige Vlaamse Regering valt het sociaal-cultureel volwassenenwerk onder de bevoegdheid van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur. Bevoegde administratie: het Vlaams Ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media. ● ●
Het departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media staat in voor de voorbereiding, opvolging en evaluatie van het beleid. Het agentschap Sociaal-Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen (een IVA) > afdeling Lokaal Cultuurbeleid en Sociaal-cultureel Volwassenenwerk zorgt voor de beleidsuitvoering. http://www.sociaalcultureel.be/.
Strategische adviesraad Cultuur, Jeugd, Sport en Media; http://www.vlaanderen.be/sarc
2.6.2.5. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Het Vlaams agentschap Kind & gezin (zie 3.) valt binnen het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. http://wvg.vlaanderen.be/welzijnengezondheid/ Bevoegde minister: de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Bevoegde administratie: het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
2.6.3. Bestuur op lokaal niveau Op het lager niveau dienen we een onderscheid te maken tussen het subregionale niveau van de provincies en het lokale niveau van steden en gemeenten. Provincies en steden en gemeenten organiseren zelf onderwijs en fungeren daarbij als inrichtende macht. Daarom behandelen we hier eerst de inrichtende machten en de onderwijskoepels. Vervolgens de verschillende groeperingen van inrichtende machten in onderwijsnetten en de organisatie van het Nederlandstalig onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Tenslotte behandelen we het netoverschrijdend beleid op lokaal niveau. Algemene organisatie / 76
2.6.3.1. Inrichtende machten & onderwijskoepels
2.6.3.1.1. Inrichtende machten De inrichtende macht (een overheid, een natuurlijke persoon of een rechtspersoon) wordt door de wet (wet van 29 mei 1959, art. 2) gezien als de initiatiefnemer tot oprichting van de school en is verantwoordelijk voor de organisatie (zie ook 2.3.1.1.). Zij kiest onderwijsniveau, onderwijsvorm, aangeboden studierichtingen, locaties, maximale capaciteit, bezit of huur van schoolinfrastructuur. Zij is tevens verantwoordelijk voor het opstellen van het pedagogische project van de school, schoolwerkplan, nascholingsplan, schoolreglement, uitreiken van diploma's en getuigschriften, keuze van pedagogische begeleidingsdienst. Haar vrijheid inzake onderwijsmethoden en onderwijsconcept is wettelijk gegarandeerd. Op voorwaarde dat een minimaal lessenrooster wordt gerespecteerd en het leerplan is goedgekeurd kan de school worden gefinancierd of gesubsidieerd. De inrichtende machten zijn verantwoordelijk voor de rekrutering en benoeming van personeel en ontvangen financiële middelen van de overheid. De beheersfunctie van de inrichtende macht wordt meestal gedeeld of zelfs in grote mate uitgeoefend door de directeur. Een inrichtende macht van een basisschool wordt door het decreet op het basisonderwijs van 25 februari 1997 een schoolbestuur genoemd (in dit rapport zullen we consistent 'inrichtende macht' gebruiken). Inrichtende machten worden ook 'onderwijsverstrekkers' genoemd. Voor ondersteuning, representatie in beleidsorganen en belangenbehartiging van de aangesloten scholen hebben de inrichtende machten per onderwijsnet een representatieve koepelorganisatie opgericht (zie 2.6.3.1.2.). We behandelen de inrichtende machten per onderwijsnet. ● ●
●
In het GO! fungeren de 28 scholengroepen én de Raad van het GO! als inrichtende machten (zie 2.6.3.2.). Het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs kent een groot aantal privaatrechtelijke inrichtende machten die elk vele scholen organiseren en heeft daarvoor ook overkoepelende structuren uitgebouwd (zie 2.6.3.3.). Het gesubsidieerd vrij niet-katholiek onderwijs en de onafhankelijke methodenscholen hebben voornamelijk privaatrechtelijke inrichtende machten die slechts één of enkele scholen hebben opgericht (zie 2.6.3.4.).
○ Het provinciaal onderwijs is begrijpelijkerwijze opgedeeld per provincie. De provincieraad fungeert daar immers als inrichtende macht, er zijn dus 5 inrichtende machten (zie 2.6.3.5.).
○ Ook het stedelijk en gemeentelijk onderwijs is per gemeente georganiseerd. ●
Ongeveer 2/3 van de gemeentebesturen zijn inrichter van onderwijs. De inrichtende macht is daar de gemeenteraad (zie 2.6.3.6.). In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest fungeert de Vlaamse Gemeenschapscommissie als inrichtende macht van de Hoofdstedelijke Vlaamse scholen (zie 2.6.3.7.).
Aantal inrichtende machten per onderwijsnet 2009-2010 Aantal inrichtende machten Gemeenschapsonderwijs Gesubsidieerd vrij onderwijs Gesubsidieerd officieel onderwijs Totaal
Basisonderwijs
Secundair Onderwijs
28 726 240 994
28 286 30 344
Basis- én secundair onderwijs 28 866 243 1137
Algemene organisatie / 77
(De aantallen IM basisonderwijs enerzijds en secundair onderwijs anderzijds mogen niet worden opgeteld omdat onder veel inrichtende machten zowel basis- als secundaire scholen ressorteren). De aantallen zijn inclusief het buitengewoon onderwijs, voor het SO inclusief de centra voor deeltijds onderwijs (DBSO), en inclusief de Franstalige scholen die vallen onder de bevoegdheid van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. Bron : Stafdiensten Onderwijs en Vorming.
2.6.3.1.2. De onderwijskoepels
Voor ondersteuning, representatie in advies- en beleidsorganen en belangenbehartiging van de aangesloten scholen hebben verschillende groepen van inrichtende machten een representatieve koepelorganisatie opgericht. De huidige koepelorganisaties zijn opgericht eind jaren '80 n.a.v. de communautarisering van het onderwijs. De organisaties van de grote onderwijsnetten zijn ontstaan uit oudere Belgische organisaties. De koepels organiseren ook de pedagogische begeleiding en coรถrdineren de nascholingsactiviteiten voor de aangesloten instellingen. De onderwijskoepels krijgen een budget voor de nascholing van personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding, de pedagogische begeleidingsdiensten en de internaten, alsook voor nascholingsinitiatieven specifiek voor het eigen pedagogisch project. (Zie ook nascholing 8.2.10. en pedagogische begeleiding 9.3.3.). Onderwijskoepel
Onderwijsnet
URL
Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO)
Katholiek onderwijs
http://ond.vsko.be
Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap (OVSG)
Onderwijs van steden en gemeenten
http://www.ovsg.be
Provinciaal Onderwijs Vlaanderen (POV)
Provinciaal onderwijs
http://www.pov.be
De Raad van het GO! Deze vertegenwoordigt niet enkel het GO! maar treedt ook op als centrale inrichtende macht voor het GO!
GO! Onderwijs van de Vlaamse http://www.gemeenschapsonderwij s.be Gemeenschap
Vlaamse GemeenschapsCommissie (VGC)
Vlaamstalig onderwijs in BHG
http://www.vgc.be
Groepering van 11 Federatie van Onafhankelijke Freinetscholen, Pluralistische Emancipatorische ervaringsgerichte scholen, Methodescholen (FOPEM) projectscholen uit het vrij nietconfessioneel onderwijs
http://users.skynet.be/fopem
Federatie van Rudolf Steinerscholen
Steinerscholen
http://www.steinerscholen.be
Vlaams Onderwijs Overlegplatform (VOOP)
Vrijzinnige scholen
http://www.voop.be
Inrichtende machten van vrije protestants-christelijke onderwijsinstellingen (IPCO)
Vrije protestants-christelijke scholen
http://www.ipco.be
Algemene organisatie / 78
Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers (OKO)
Overlegplatform van FOPEM, VOOP, Federatie Steinerscholen, IPCO
http://www.oko.be/
Federatie Steinerscholen Vlaanderen FOPEM, Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodenscholen GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap IPCO, Raad van inrichtende machten van het Protestants-Christelijk Onderwijs OKO, Overlegplatform Kleine Onderwijsverstrekkers OVSG, Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap POV, Provinciaal Onderwijs Vlaanderen VOOP, Vlaams Onderwijs OverlegPlatform VSKO, Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs
2.6.3.2. GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap
Tot de eerste januari van 1989 was de minister van Onderwijs de inrichtende macht van het Rijksonderwijs in elk van de drie Belgische Gemeenschappen. In het kader van de communautarisering droeg in Vlaanderen de Vlaamse Gemeenschap haar bevoegdheid als inrichtende macht over aan een verkozen Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO), opgericht door het bijzonder decreet van 19 december 1988. Het Rijksonderwijs werd voortaan gemeenschapsonderwijs genoemd. Na de creatie van scholengemeenschappen in het secundair onderwijs werd (door het bijzonder decreet van 14 juli 1998) de ARGO vervangen door een nieuwe openbare instelling, namelijk 'het Gemeenschapsonderwijs' (met hoofdletter als inrichtende macht) en werden specifiek voor het Gemeenschapsonderwijs nieuwe bestuursentiteiten nl. scholengroepen gecreëerd. De inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs zijn voortaan de 28 scholengroepen én de Raad GO! en niet langer uitsluitend één centraal orgaan. Zo ontstond een bestuursstructuur van drie niveaus: ●
● ●
het centraal niveau bestuurd door de Raad GO! en de afgevaardigd-bestuurder. De Raad van het GO! treedt op als centrale inrichtende macht en niet als koepel, in tegenstelling tot de andere netten. Vanaf 1 januari 2003 berust het beleidstoezicht over de scholengroepen bij de Raad en de afgevaardigd bestuurder, op basis van verslagen van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap en van de accountantsverslagen; het beleidstoezicht over de Raad en de afgevaardigd bestuurder wordt uitgeoefend door de regering; het mesoniveau: de scholengroepen, elk bestuurd door een algemene vergadering, een raad van bestuur, een college van directeurs en een algemeen directeur; het lokale niveau: de scholen, elk bestuurd door een directeur, bijgestaan door een adviserende schoolraad.
Vanaf 2007 noemt het gemeenschapsonderwijs zichzelf voortaan GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.
Algemene organisatie / 79
Bijzonder Decreet betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs Bijzonder Decreet betreffende het Gemeenschapsonderwijs
2.6.3.2.1. Bestuur op het centraal niveau Het centrale niveau bewaakt de grondwettelijke waarborgen, o.m. inzake vrije keuze, bewaakt de taken van de openbare dienst, zorgt voor de algemene kwaliteit, ondersteunt de scholen en de scholengroepen en wijst de middelen toe voor de investeringen en de grote infrastructuurwerken. Deze bevoegdheden worden uitgeoefend door de Raad GO! en de afgevaardigd-bestuurder die het dagelijkse beheer en beleid voert en de centrale administratie leidt. De Raad bestaat uit 15 niet-bezoldigde mandaatfuncties, voor een periode van 4 jaar: ● ● ● ●
5 leden verkozen door een kiescollege bestaande uit de rechtstreeks verkozen ouders en gecoöpteerde leden van de schoolraden; 5 leden verkozen door een kiescollege bestaande uit de directeurs en de door het personeel verkozen leden van de schoolraden; 3 leden aangeduid door de drie Vlaamse universiteiten met een pedagogische faculteit, op gezamenlijke voordracht van de faculteiten pedagogie, economie en rechten; 2 leden gezamenlijk aangeduid door de Vlaamse Autonome Hogescholen.
De Afgevaardigd-Bestuurder heeft een raadgevende stem in de Raad. Hij is namens de Raad belast met het dagelijkse beheer en beleid. Binnen het kader van de bevoegdheden van de Raad heeft hij beleidsvoorbereidende en beleidsuitvoerende bevoegdheden. De Afgevaardigd-Bestuurder treedt op in spoedeisende gevallen, maar moet zijn beslissing laten bekrachtigen op de eerstkomende vergadering van de Raad. Tevens ressorteert de centrale administratie onder zijn bevoegdheid. De functie is een mandaatfunctie.
2.6.3.2.2. Bestuur op het mesoniveau, de 28 scholengroepen
Een scholengroep wordt bestuurd door een algemene vergadering, een raad van bestuur, een college van directeurs en een algemeen directeur. De beslissingsbevoegdheden liggen grotendeels bij het mesoniveau, bij de scholengroep. Elke scholengroep heeft bestuursbevoegdheid over alle instellingen van het gemeenschapsonderwijs in een welbepaald gebied en omvat minstens een aantal basis- en secundaire scholen, een centrum voor volwassenenonderwijs en in de meeste gevallen ook een centrum voor leerlingenbegeleiding. Op dit niveau wordt het onderwijsbeleid concreet gestalte gegeven. De scholengroep heeft de bevoegdheid van inrichtende macht en wordt bestuurd door een algemene vergadering, een raad van bestuur en een algemeen directeur. In de algemene vergadering zetelen per schoolraad 2 afgevaardigden (1 afgevaardigde aangeduid door en uit de ouders en gecoöpteerde leden van de schoolraad en 1 afgevaardigde aangeduid door en uit de personeelsleden). De algemene vergadering wordt voorgezeten door de voorzitter van de raad van bestuur. De bevoegdheid van de algemene vergadering ligt op het vlak van het bekrachtigen van de begroting, de jaarrekening en de aanstelling van de algemeen directeur door de raad van bestuur. De raad van bestuur telt 10 leden: ● ●
6 stemgerechtigde leden worden rechtstreeks verkozen door de leden van de schoolraden, voor een periode van 4 jaar; deze leden coöpteren 3 stemgerechtigde leden op voorstel van het college van directeurs;
Algemene organisatie / 80
●
daarnaast is er de algemeen directeur met raadgevende stem.
Algemeen beleid, pedagogisch beleid, personeelsbeleid en materieel en financieel beleid op het niveau van de scholengroep behoren tot de bevoegdheid van de raad van bestuur. Daarenboven heeft de raad van bestuur alle bevoegdheden die niet zijn toevertrouwd aan andere administratieve organen. Het college van directeurs bestaat uit alle directeurs van de scholen en het centrum voor leerlingenbegeleiding die tot de scholengroep behoren. Inzake algemeen beleid kan het college van directeurs afspraken maken tussen de scholen van de scholengroep, voorstellen formuleren en adviezen geven aan de raad van bestuur van de scholengroep en aan de algemeen directeur, en kan het eigen punten op de agenda van de raad van bestuur van de scholengroep laten plaatsen. Het bereidt de vergaderingen van de raad van bestuur voor en staat in voor de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur. Het is ook bevoegd inzake het pedagogisch beleid en het personeelsbeleid. De algemeen directeur is voorzitter van het college. Hij staat tevens in voor het dagelijks beheer van de scholengroep. Hij wordt gekozen uit de directeurs van de scholen van de scholengroep door de raad van bestuur. Het is een mandaatfunctie die kan beëindigd worden door de algemene vergadering mits 2/3 meerderheid. Ook vanuit het niveau van de Vlaamse Gemeenschap kan de Raad op voorstel van de afgevaardigd bestuurder en binnen de lijnen van het beleidsmatig toezicht, het mandaat van de algemene directeur beëindigen. De algemeen directeur heeft beslissings- en managementbevoegdheid op vlak van de scholengroep (algemeen beleid, personeelsbeleid, materieel en financieel beleid) en beslist bij spoedeisende omstandigheden. Deze beslissingen moeten achteraf wel door de raad van bestuur bekrachtigd worden.
2.6.3.2.3. Bestuur op lokaal niveau, de scholen Een schoolraad is samengesteld uit: ●
● ● ●
3 stemgerechtigde leden rechtstreeks verkozen door en uit ouders van de regelmatige leerlingen, uitgezonderd in het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs, waar de meerderjarige cursisten kiesgerechtigd en verkiesbaar zijn; 3 stemgerechtigde leden rechtstreeks verkozen door en uit het personeel; 2 stemgerechtigde leden gecoöpteerd uit sociale, economische en culturele milieus); de directeur die de vergaderingen bijwoont met raadgevende stem.
In het secundair onderwijs bepaalt de schoolraad de wijze waarop de leerlingen betrokken worden bij de werking van de schoolraad. Hij kan daartoe een leerlingenraad oprichten. De schoolraad heeft volgende bevoegdheden: ●
●
●
advies aan de directeur inzake:
○ ○ ○ ○ ○
de algemene organisatie van de school;
○ ○ ○ ○
de toewijzing van het mandaat van directeur;
de werving van leerlingen of cursisten; de organisatie van extramuros activiteiten en parascolaire activiteiten; het schoolbudget;
het schoolwerkplan; advies aan de raad van bestuur en de algemeen directeur van de scholengroep inzake: de programmatie van het studieaanbod; de schoolinfrastructuur;
de organisatie van het leerlingenvervoer; overleg met de directeur inzake: Algemene organisatie / 81
○ ○ ○ ○
het vastleggen van de criteria voor de aanwending van het lestijdenpakket; de organisatie van de niet-lesgebonden opdrachten; welzijn en veiligheid op school; het schoolreglement.
De schoolraad heeft ook het recht informatie te vragen over beslissingen van de directeur en van de bestuursorganen van de scholengroep die het schoolleven beïnvloeden. Schoolraden binnen hetzelfde onderwijsniveau en gevestigd in eenzelfde omgeving kunnen vrijwillig samensmelten. De schoolraden worden verkozen voor een periode van vier jaar, met uitzondering van het onderwijs voor sociale promotie en het deeltijds kunstonderwijs, waar de schoolraad voor een periode van twee jaar wordt gekozen. (Bijzonder decreet op het gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998). De directeur is bevoegd voor: ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●
de algemene en pedagogische organisatie van de school; het schoolwerkplan; het opstellen van het schoolreglement; het vaststellen van de ambtsbevoegdheden van de personeelsleden; het opstellen van de functiebeschrijvingen van de personeelsleden; de begeleiding en evaluatie van de personeelsleden; het formuleren van voorstellen voor de vaste benoeming van personeelsleden; de tijdelijke aanstelling van personeelsleden ten behoeve van de scholen; de uitvoering van de vernieuwingsprojecten; de vaststelling van de behoeften van het onderwijzend personeel inzake navorming; maatregelen van orde en tucht tegen de leerlingen; de toepassing van de toelatingsvoorwaarden in het onderwijs voor sociale promotie; de organisatie van extramuros activiteiten en parascolaire activiteiten; de aanwending van het door de scholengroep toegekende schoolbudget; de externe relaties van de school; daden van behoud en daden van voorlopig beheer aan de schoolinfrastructuur, en de uitvoering van de kleine infrastructuurwerken.
De functie van directeur is een mandaatfunctie.
2.6.3.3. Het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs
Het katholiek onderwijs telt traditioneel een groot aantal privaatrechtelijke inrichtende machten (928 * gegeven verstrekt door de Stafdiensten Onderwijs en Vorming. In dit getal werd enkel rekening gehouden met gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs, deeltijds beroepssecundair onderwijs, secundair en hoger onderwijs voor sociale promotie, deeltijds kunstonderwijs & de Franstalige scholen onder bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap). Deze inrichtende machten van het katholiek onderwijs zijn gegroepeerd in de VIMKO, vereniging van inrichtende machten van het katholiek onderwijs, die zorgt voor samenwerking en structureel overleg en het inspraakkanaal is van de inrichtende machten in het algemeen beleid van het katholiek onderwijs. Het Centraal Bureau van het katholiek onderwijs is het hoogste beslissingsorgaan van het katholiek onderwijs. De leden worden benoemd door de bisschoppen. In het onderwijsoverleg wordt het katholiek onderwijs vertegenwoordigd door het VSKO, Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs, http://ond.vsko.be Algemene organisatie / 82
De verbonden zijn belast met de coördinatie en de vertegenwoordiging van de instellingen van de onderscheiden onderwijsniveaus en –sectoren: VVKBaO van het basisonderwijs, VVKBuO van het buitengewoon onderwijs, VVKSO van het secundair onderwijs, VVKHO van de hogescholen, VDKVO dienst van het volwassenenonderwijs. Het overleg binnen het katholiek onderwijs, over de eigen opdracht en de algemene opties inzake onderwijs en opvoeding, gebeurt in de schoot van de ARKO, Algemene Raad van het Katholiek Onderwijs. Het is samengesteld uit vertegenwoordigers van de ouders, van de personeelsleden, van de inrichtende machten en van de bisschoppen.
2.6.3.4. Het gesubsidieerd vrij niet-katholiek onderwijs
Naast het katholiek onderwijs, zijn er een beperkt aantal scholen die een vorming aanbieden op een andere godsdienstige basis: protestants-christelijke scholen en joodse scholen met hun eigen inrichtende machten. De vrije protestants-christelijke scholen worden in het onderwijsoverleg vertegenwoordigd door IPCO, Inrichtende machten van vrije protestants-christelijke onderwijsinstellingen, http://www.ipco.be Er zijn ook enkele niet-confessionele vrijzinnige scholen. Deze worden vertegenwoordigd door VOOP, Vlaams Onderwijs Overlegplatform, http://www.voop.be Naast een aantal methodenscholen binnen de ‘grote’ onderwijsnetten bestaan ook een aantal onafhankelijke methodenscholen (ervaringsgericht onderwijs, Freinet onderwijs, Steinerscholen, zie 2.3.4.). ● ●
De Freinetscholen en ervaringsgerichte scholen worden vertegenwoordigd door FOPEM, de Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodenscholen. De Steinerscholen worden vertegenwoordigd door de Federatie van Rudolf Steinerscholen.
2.6.3.5. Het provinciaal onderwijs
Binnen een provincie (zie 1.2.4.) oefent de provincieraad de functie uit van inrichtende macht voor de provinciale scholen. Voor de belangenbehartiging van het provinciaal onderwijs zorgt de representatieve vereniging van de inrichtende machten van het provinciaal onderwijs, 'Provinciaal Onderwijs Vlaanderen' (POV), http://www.pov.be. Sommige provinciebesturen hebben binnen de provinciale administratie een eigen pedagogische begeleidingsdienst en onderwijsinspectie uitgebouwd. Antwerpen
Provinciale directie > Departement welzijn, onderwijs, veiligheid > Dienst onderwijs
http://www.provant.be
Limburg
1e directie onderwijs > Onderwijsinspectie
http://www.limburg.be
Oost-Vlaanderen
7° Directie/Onderwijs > PIBO pedagogische begeleiding en inspectie onderwijs
http://www.oost-vlaanderen.be
Vlaams-Brabant
Directie cultuur en onderwijs
http://www.vl-brabant.be
West-Vlaanderen
Provinciale administratie Boeverbos
http://www.west-vlaanderen.be
Algemene organisatie / 83
POV, Provinciaal Onderwijs Vlaanderen Provincie Antwerpen, Dienst Onderwijs Provincie Limburg, 1° Directie onderwijs en onderwijsinspectie Provincie Oost-Vlaanderen, 7e directie onderwijs Provincie Vlaams-Brabant, Dienst Onderwijs Provincie West-Vlaanderen
2.6.3.6. Het stedelijk en gemeentelijk onderwijs
Gemeenten waren traditioneel vooral actief in het organiseren van basisonderwijs. Grotere steden als Antwerpen, Gent en Mechelen hebben ook geĂŻnvesteerd in het secundair onderwijs, inz. technisch en beroepsonderwijs. Het deeltijds kunstonderwijs wordt zelfs grotendeels door steden en gemeenten georganiseerd. Er zijn 265 inrichtende machten (* gegeven verstrekt door de Stafdiensten Onderwijs en Vorming, 1 school buitengewoon secundair onderwijs heeft als inrichtende macht een gemeentelijke intercommunale. In dit getal werd enkel rekening gehouden met gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs, deeltijds beroepssecundair onderwijs, secundair en hoger onderwijs voor sociale promotie, deeltijds kunstonderwijs & de Franstalige scholen onder bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap). Aantal leerlingen in 2008-2009, in % Provincie
Gemeente & intercommunale
Gewoon basisonderwijs
0,06
22,83
Gewoon secundair onderwijs
3,20
4,61
Buitengewoon basisonderwijs
2,39
12,83
Buitengewoon secundair onderwijs
1,62
10,44
-
92,66
13,12
14,34
9,27
7,25
Deeltijds kunstonderwijs Secundair volwassenenonderwijs Hoger beroepsonderwijs van het volwassenenonderwijs
Vooral de steden Antwerpen en Gent, organiseren een ruim onderwijsaanbod, onder bevoegdheid van een aparte schepen voor onderwijs en vorming, ondersteund door een specifiek departement voor onderwijs en opvoeding binnen hun administratie (in Antwerpen de bedrijfseenheid 'lerende stad') en een eigen pedagogische begeleidingsdienst. Antwerpen, administratie + pedagogische begeleidingsdienst + inspectie
http://www.antwerpen.be
Gent, administratie + inspectie
http://onderwijs.gent.be/
Gent, pedagogische begeleidingsdienst
http://www.pbdgent.be/
Algemene organisatie / 84
Binnen de steden en gemeenten (zie ook 1.2.4.) oefent de gemeenteraad de functie uit van inrichtende macht voor de gemeentelijk onderwijs. Hij heeft de zgn. 'volheid van bevoegdheid' en neemt alle beslissingen, tenzij de bevoegdheden die expliciet aan het College van Burgemeester en Schepenen zijn overgedragen. De gemeenteraad is als enige bevoegd om het onderwijzend personeel te benoemen of te ontslaan. Een bevoegdheid die niet kan worden gedelegeerd. Voor het financieel beheer (zie 2.8.3.). Twee of meer gemeenten die op onderwijsgebied willen samenwerken kunnen daarvoor een intergemeentelijke onderwijsvereniging (IGOV) oprichten. Zij kunnen daarvoor ook netoverschrijdend andere inrichtende machten van onderwijsinstellingen betrekken. Het doel moet zijn een duidelijk omschreven onderwijsproject te plannen, uit te voeren en te controleren of een duidelijk omschreven ondersteunende dienst inzake onderwijs te verlenen aan de deelnemers. Die onderwijsdoelstellingen en ondersteunende diensten kunnen echter niet vallen onder het decretaal vastgelegd flankerend onderwijsbeleid op lokaal vlak. Een IGOV heeft een eigen beslissingsorgaan, een raad van bestuur, waarin gemeentelijke mandatarissen zetelen voor de deelnemende gemeenten. Een IGOV is een eenvoudige en flexibele ‘onderwijsintercommunale’ met rechtspersoonlijkheid. De vereniging is in de eerste plaats bedoeld voor scholengemeenschappen basis- en secundair onderwijs. Maar ook andere samenwerkingsverbanden, bv. in het deeltijds kunstonderwijs of het volwassenenonderwijs, kunnen er gebruik van maken. Het decreet van 28 november 2008 over de IGOV is zowel van toepassing in Vlaanderen als in Brussel en geldt voor alle onderwijsniveaus. De grotere centrumsteden zijn ook netoverschrijdend actief geworden als regisseur op het gemeentelijk niveau (zie 2.6.3.8.). Voor de belangenbehartiging van het stedelijk en gemeentelijk onderwijs zorgt de representatieve koepelorganisatie OVSG, 'Onderwijssecretariaat van de steden en gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap', http://www.ovsg.be. Zie ook http://www.vvsg.be/ONDERWIJS/
Gemeentelijk onderwijs organiseren Handboek gemeentelijk basisonderwijs OVSG, Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap Stad Antwerpen, Lerende Stad Stad Brussel, Openbaar onderwijs Stad Gent, Departement Onderwijs en Opvoeding
2.6.3.7. Het Nederlandstalig onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest telt 19 gemeenten en wordt bestuurd door een eigen parlement (de Brusselse Hoofdstedelijke Raad) en regering (de Brusselse regering). De Raad telt 89 rechtstreeks verkozen leden die ingedeeld worden in een Nederlandse taalgroep (17 leden) en een Franse taalgroep (72 leden). De leden van de Nederlandse taalgroep vormen de raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. De Vlaamse ministers en staatssecretarissen uit de Brusselse regering vormen het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Binnen dat College is een collegelid bevoegd voor Onderwijs. College en Raad vormen samen de Vlaamse Gemeenschapscommissie. De Vlaamse en Franse gemeenschapscommissies vormen samen de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie. De Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) is in Brussel bevoegd voor culturele, onderwijs- en persoonsgebonden aangelegenheden en heeft voor deze gemeenschapsaangelegenheden de bevoegdheid van inrichtende macht. De Vlaamse Algemene organisatie / 85
Gemeenschapscommissie is enkel bevoegd voor instellingen die uitsluitend ressorteren onder de Vlaamse Gemeenschap, niet voor personen. De VGC staat onder toezicht van de Vlaamse Gemeenschap. De VGC heeft een dubbele opdracht voor het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. ●
Enerzijds voert ze een netoverschrijdend onderwijsbeleid dat complementair is aan dat van de Vlaamse Gemeenschap en het lokale schoolbeleid ondersteunt. De Vlaamse Gemeenschapscommissie
○ vormt een overlegplatform, is belangenbehartiger en spreekbuis voor alle scholen en netten;
○ analyseert gegevens om beleidsvoorbereidend en beleidsevaluerend te kunnen werken;
○ zet zelf kwaliteitsbevorderende initiatieven op; ○ ondersteunt derden die kwaliteitsbevorderende initiatieven opzetten; ○ voert een promotiebeleid voor het Brussels Nederlandstalig onderwijs. ●
Anderzijds is de Vlaamse Gemeenschapscommissie sinds 1995 ook de inrichtende overheid van eigen scholen, en heeft ze een onderwijsbeleid voor de 'eigen onderwijsinstellingen': 1 BuBaO, 1 BSO, 2 BuSO, 1 CVO, 2 internaten en 1 CLB.
Bevoegde administratie: Vlaamse Gemeenschapscommissie > Directie onderwijs http://www.vgc.be/onderwijs Daar vindt men ook het regeerakkoord van de Vlaamse Gemeenschapscommissie 2009-2014 en de jaarlijkse beleidsverklaring. http://www.onderwijsinbrussel.be/ is de website voor en over het Brussels Nederlandstalig onderwijs. Voor de ondersteuning zorgt het Onderwijscentrum Brussel: http://bop.vgc.be/onderwijs/taalvaart/index.html 'Kleur Bekennen' is een gemeenschappelijk programma van de federale Minister van Ontwikkelingssamenwerking, BTC, de Vlaamse provinciebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Kleur Bekennen wil mondiale vorming en wereldburgerschap in het onderwijs promoten. Mondiale vorming is een gemeenschappelijke noemer voor activiteiten en thema's over internationale verhoudingen en ontwikkelingseducatie, vredeseducatie, mensenrechteneducatie, duurzame ontwikkeling en interculturaliteit. http://www.kleurbekennen.be/ Ouders die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wonen kunnen – volgens het principe van de vrijheid van het gezinshoofd – kiezen of ze hun kinderen naar het Nederlandstalig of het Franstalig onderwijs sturen. Voor de beleidsmaatregelen inzake Brusselse Nederlandstalige scholen en scholen in de Vlaamse Rand en de taalgrensgemeenten en ondersteuningsstructuren (zie 10.7.2.).
BOP, Brussels Onderwijspunt (databank) VGC, Vlaamse Gemeenschapscommissie - Directie Onderwijs
Algemene organisatie / 86
2.6.3.8. Lokaal flankerend onderwijsbeleid
Het laatste decennium worden de grotere centrumsteden geconfronteerd met een dalend aantal leerlingen door stadsvlucht naar de rand, vooral in het secundair onderwijs. Bovendien blijkt het percentage leerlingen met schoolse vertraging en het percentage spijbelaars het hoogst in die steden te zijn. De grootstedelijke onderwijsproblemen en de link tussen onderwijs, achterstelling en stadsproblematiek krijgen dan ook toenemende beleidsaandacht. (Zie ook de stadsmonitor: http://www.thuisindestad.be). Ook in kleinere steden en gemeenten komen er meer en meer problemen voor die een lokale aanpak vergen. Vooral de steden Antwerpen, Gent Mechelen en Genk namen netoverschrijdende initiatieven voor het onderwijs in hun stad. Het gelijkeonderwijskansenbeleid richtte in 2002 LOP's, lokale onderwijsplatforms op met o.m. als opdracht een omgevingsanalyse uit te voeren om de problematiek van achterstelling ruimtelijk te vatten (zie 10.5.3.1.6.). Om goede praktijkvoorbeelden uit te wisselen en beleidsvoorstellen uit te werken richtte de Vlaamse Regering in 2005 een Overlegplatform lokaal flankerend onderwijsbeleid met de 13 Vlaamse centrumsteden op. Dat overlegplatform komt minstens tweemaal per jaar samen en wil het Vlaamse en het lokale flankerend onderwijsbeleid op elkaar afstemmen en versterken. Sinds 2005 worden er subsidies verdeeld aan de centrumsteden met de hoogste nood, sinds 2006 ontvangen alle centrumsteden projectsubsidies. Vanaf 2007-2008 konden ook kleinere niet-centrumsteden projectsubsidies krijgen, deels door het ministerie van onderwijs, deels door de steden gesubsidieerd. Vanaf 2008-2009 vallen die projecten onder het decreet van 30 november 2007 betreffende het "flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau". Dat decreet regelt het geheel van acties van een lokale overheid om, vertrekkende vanuit de lokale situatie en aanvullend bij het Vlaamse onderwijsbeleid, een onderwijsbeleid te ontwikkelen in samenwerking met de lokale actoren. In het decreet wordt ook de regelgeving van de sociale voordelen opgenomen. Gemeenten die sociale voordelen verlenen aan scholen van het eigen schoolbestuur zijn verplicht dezelfde voordelen toe te kennen aan de scholen van de andere schoolbesturen, gelegen op hun grondgebied als die erom verzoeken. Zij mogen geen enkel onderscheid maken tussen de leerlingen, welke scholen die ook bezoeken. Het gaat hier om sociale voordelen die gelden voor scholen basis- en secundair onderwijs en betrekking hebben op ochtend-, avond-, middagtoezicht, leerlingenvervoer (enkel in het basisonderwijs), het ter beschikking stellen van de voor het publiek toegankelijke gemeentelijke infrastructuur, de kosten van toegang tot het zwembad voor lager onderwijs. Ook gemeenten die geen onderwijs inrichten kunnen sociale voordelen toekennen aan alle scholen op hun grondgebied. Hetzelfde geldt voor andere dan sociale voordelen die lokale besturen (willen) toekennen aan scholen op niveau basis-, secundair-, hoger-, volwassenen-, en deeltijds kunstonderwijs, aan de Syntra en aan de Centra Deeltijdse Vorming. Wat andere voordelen betreft kan het lokaal bestuur steeds beslissen om deze enkel aan de scholen van het eigen schoolbestuur toe te kennen. Indien het lokaal bestuur echter beslist om in de context van het flankerend onderwijsbeleid aan een school van een andere schoolbestuur op haar grondgebied een ander voordeel toe te kennen dan kan dat. Overeenkomstig het gelijkheidsbeginsel moet dit dan wel voor alle scholen (van hetzelfde onderwijsniveau of hetzelfde soort onderwijs) op haar grondgebied op verglijkbare basis gebeuren. De lokale besturen kunnen echter criteria vastleggen waaraan de scholen moeten voldoen om recht te hebben op die voordelen. Het decreet bepaalt verder dat de lokale besturen hun medewerking dienen te verlenen aan het bevorderen van het regelmatig schoolbezoek en het aanpakken van spijbelgedrag van leerplichtige Algemene organisatie / 87
leerlingen in de scholen, gelegen op hun grondgebied. Ze moeten ook meewerken aan maatregelen die moeten leiden tot een veralgemeende deelname van kleuters aan het onderwijs. Zij kunnen hiertoe zelf acties ondernemen of de acties van de lokale actoren coördineren of ondersteunen. In voorkomend geval werkt het lokaal bestuur hiervoor samen met het lokaal overlegplatform. Als er geen LOP is, overlegt het lokaal bestuur hierover met de lokale onderwijs actoren, met name ten minste de scholen en de CLB's. Tenslotte verankert het decreet ook de projectsubsidies. Centrumsteden die een lokaal onderwijsplan inzake het flankerend onderwijsbeleid hebben opgesteld kunnen subsidies krijgen voor projecten in overeenstemming met dat plan, die ze mede financieren en die gericht zijn op doelstellingen met betrekking tot gelijke onderwijskansen, kleuterparticipatie, spijbelen, probleemgedrag op school, ongekwalificeerde uitstroom, taalstimulering, betrokkenheid van ouders en de buurt, samenwerking tussen onderwijs, welzijn, cultuur, jeugd en sport, overgang onderwijsarbeidsmarkt, doorstroming en oriëntering, geletterdheid, of levenslang leren. De projectsubsidies gelden voor maximaal 3 schooljaren, maar kunnen dan na positieve evaluatie worden hernieuwd. Advies van het LOP is nodig bij elk project. Ook andere gemeenten kunnen voor dergelijke projecten subsidie aanvragen, mits ze ingebed zijn in het lokale onderwijsbeleid. Er kunnen tevens subsidies worden toegekend aan gelijkaardige projecten van de Vlaamse Gemeenschapscommissie in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, mits de Vlaamse Regering een protocol sluit met de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Voor 2009-2010 werden voor 2 025 235 euro subsidies toegekend. Voor de regelgeving en de geselecteerde projecten: zie http://www.ond.vlaanderen.be/lokaalbeleid/ VVSG, Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten werkte een draaiboek uit voor lokaal flankerend onderwijsbeleid: http://www.vvsg.be/onderwijs/Documents/Forms/AllItems.aspx Voor andere maatregelen van de Vlaamse Regering ter ondersteuning van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel, zie 10.7.2..
2.6.4. Bestuur van de onderwijsinstellingen We behandelen hier afzonderlijk het beheer op niveau van de scholen basis- en secundair onderwijs (zie 2.6.4.1.), de hogescholen (zie 2.6.4.3.) en de universiteiten (zie 2.6.4.4.). Onderwijsinstellingen worden er in toenemende mate toe aangezet bestuurlijk samen te werken in grotere samenwerkingsverbanden: ● ● ● ● ●
in scholengemeenschappen op niveau basisonderwijs en op niveau secundair onderwijs (zie 2.6.4.2.); in samenwerkingsplatformen voor de aanwending van vervangingseenheden voor tijdelijke vervangingen van personeelsleden (zie 8.2.7.1.); in associaties op niveau hoger onderwijs (zie 2.6.4.5.); in consortia voor de volwasseneneducatie (zie 7.5.1.) op niveau secundair-na-secundair (zie 5.20.2.) en hoger beroepsonderwijs (zie 5.20.3.).
Daarnaast zijn er nog verschillende andere samenwerkingsverbanden: ● ● ●
LOP's, Lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen (zie 10.5.3.1.6.); RTC's, Regionale Technologische Centra voor samenwerking met het bedrijfsleven (zie 5.18.2.); Regionale Overlegplatformen voor het stelsel leren en werken (5.20.1.);
Algemene organisatie / 88
● ●
ERSV's, Erkende Regionale Samenwerkingsverbanden voor volwassenenonderwijs en opleidingen (7.15.1.); Samenwerkingsverbanden voor de werking van de tijdelijke projecten kunstinitiatie (zie 10.5.3.1.4.),
Voor interne participatieorganen, zie 2.7.1.; voor externe participatie, advies en overleg, zie 2.7.2..
2.6.4.1. Bestuur en management van scholen basis- en secundair onderwijs
Hier bespreken we verschillende aspecten van schoolmanagement: ● ● ●
2.6.4.1.1. de directeur 2.6.4.1.2. bevoegdheden van directeur en bestuurspersoneel 2.6.4.1.3. personeelsformatie
2.6.4.1.1. Directeur
Het schoolhoofd wordt 'directeur' genoemd. In elke school wordt een ambt van directeur gefinancierd of gesubsidieerd.
Basisonderwijs In kleine basisscholen wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht, waarvan het aantal lestijden afhankelijk is van het aantal leerlingen.
Aantal lestijden onderwijsopdracht waarmee een directeur wordt belast
Aantal leerlingen op school Gewoon basisonderwijs
Buitengewoon basisonderwijs
Brussels Hoofdstedelijk Gewest
14
Minder dan 20 lln.
Minder dan 20 lln.
Minder dan 20 lln.
10
20 - 129 lln.
8 4
20 - 69 lln. 20 - 39 lln.
130 - 179 lln.
70 - 99 lln.
Werkingsmiddelen mogen aangewend worden voor bijkomende beleidsondersteuning, afhankelijk van het aantal leerlingen op school. In het geval van een fusie tussen basisscholen wordt een adjunctdirecteur aangesteld (Decreet van 25 februari 1997). Er is tevens in de mogelijkheid voorzien om van een directiefunctie een duobaan te maken (Onderwijsdecreet XIV). Een directeur of adjunct-directeur met lesopdracht in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs kan geheel of gedeeltelijk klasvrij worden gemaakt via uren gegenereerd uit de eigen puntenenveloppes of uit de puntenenveloppe van de scholengemeenschap (zie 2.6.4.1.3.).
Secundair onderwijs In het secundair onderwijs heeft de directeur doorgaans nooit onderwijstaken. Onder bepaalde omstandigheden kan hij wel met een onderwijsopdracht worden belast.
Algemene organisatie / 89
Decreet betreffende het onderwijs XIV
2.6.4.1.2. Bevoegdheden directeur en bestuurspersoneel
De bevoegdheden van de directeur en het bestuurspersoneel worden bepaald door de inrichtende machten. Voor het GO! zijn ze wettelijk vastgelegd door het decreet van 14 juli 1998 (zie .). Tot de categorie bestuurspersoneel behoren volgende ambten: directeur, adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator, technisch adviseur, coördinator (deeltijds beroepssecundair onderwijs). Tot de categorie ondersteunend personeel behoren volgende ambten: administratief medewerker, opvoeder. In de internaten komen enkel de ambten van beheerder en studiemeester-opvoeder internaat voor. Voor de ambten zie verder 8.3..
2.6.4.1.3. Personeelsformatie
Basisonderwijs De personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs gebeurt op basis van: ● ● ●
lestijden voor het bestuurs- en onderwijzend personeel uren voor het paramedisch personeel: de kinderverzorger in het kleuteronderwijs (zie 4.15.1.) punten voor het beleids- en ondersteunend personeel.
Lestijden
In het basisonderwijs is het aantal gefinancierde of gesubsidieerde ambten voor onderwijzend personeel afhankelijk van het aantal lestijden waarover de school beschikt. Het werd ingevoerd in 1984 en gaf de school een grotere autonomie tot organisatie van haar onderwijsaanbod. Hierbij worden 3 soorten onderscheiden: ●
●
lestijden volgens schalen (op basis van het aantal regelmatige leerlingen) Deze lestijden kunnen voor het kleuteronderwijs herberekend worden tengevolge van instappende kleuters (zie 4.6.); aanvullende lestijden voor:
○ levensbeschouwelijke vakken of voor cultuurbeschouwing in het lager onderwijs; ○ opvang van (gewezen) anderstalige nieuwkomers (OKAN, zie 10.7.1.); ○ lichamelijke opvoeding (sinds 2001 in het kleuteronderwijs, sinds 2005 in het lager onderwijs);
○ het gelijkekansenbeleid & het voeren van een gelijkekansenbeleid in het kader van kleuterparticipatie (GOK+lestijden) (zie 10.5.3.1.);
○ de integratie van anderstaligen in Nederlandstalige scholen in rand- en ●
taalgrensgemeenten en deze grenzend daaraan of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (zie 10.7.2.). bijkomende lestijden voor vrijwillige fusie en tijdelijk onderwijs aan huis (zie 4.17.3.).
Algemene organisatie / 90
De scholen die deel uitmaken van een samenwerkingsplatform hebben daarnaast recht op lestijden voor mentorschap ter ondersteuning van de stagiair, de startende leraar en de leraar-in-opleiding. Vanaf 1/9/2010 worden deze in het kader van de besparingsoperatie niet langer toegekend. Puntenenveloppen
Sinds 1 september 2003 is in het basisonderwijs de personeelscategorie beleids- en ondersteunend personeel ingevoerd, met ambten die kunnen worden ingericht op basis van puntenenveloppen (voor resp. administratieve ondersteuning, zorg en ICT) die de basisscholen ontvangen op basis van hun leerlingenaantallen. Vanaf het schooljaar 2003-2004 werden ook puntenenveloppes op niveau van de scholengemeenschappen ingevoerd (en twee schooljaren daarop (2004-2006) gevoelig verhoogd) om het beleidsvoerend vermogen van scholen te versterken, het management te ondersteunen en de slagkracht van de scholengemeenschappen te vergroten. Nadat er in het schooljaar 2007-2008 een enveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie werd toegevoegd, werd in cao VIII nog een nieuwe puntenenveloppe zorg voorzien op het niveau van de scholengemeenschappen. Vanaf het schooljaar 2008-2009 werden de enveloppes geïntegreerd en geldt volgend systeem. Scholen krijgen twee puntenenveloppen: ● ●
voor administratieve ondersteuning (alle scholen gewoon & buitengewoon ond.) - voor het ambt van administratief medewerker; voor ICT-coördinatie (enkel scholen die behoren tot een samenwerkingsplatform ICT of tot een scholengemeenschap) - voor het ambt van ICT-coördinator.
Maximaal 10% van die punten kunnen ze samenleggen op niveau van de scholengemeenschap. Van dit percentage kan na akkoord in het bevoegd lokaal comité worden afgeweken. Van de scholengemeenschap kunnen ze (een enveloppe) zorgpunten krijgen voor een zorgcoördinator (uit de zorgenveloppe van de scholengemeenschap). Scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren, ontvangen nog tot het schooljaar 2010-2011 hun oude puntenenveloppe zorg. Scholen kunnen uit de stimulus-enveloppe ook punten voor ICT en administratie en zorg krijgen (zie hieronder). De punten kunnen op schoolniveau niet worden overgedragen van de ene enveloppe naar de andere. Scholengemeenschappen ontvangen: ●
●
een stimulus-enveloppe (op basis van het aantal leerlingen van de scholengemeenschap) ter ondersteuning van de werking van de scholengemeenschap. Die punten kunnen met de door de scholen samengelegde punten voor de scholengemeenschap vrij worden aangewend voor de aanstelling van een ICT-coördinator, zorgcoördinator, administratief medewerker in één of meerdere scholen van de scholengemeenschap, of voor een directeur coördinatiescholengemeenschap (in het gemeenschapsonderwijs daarnaast ook voor Algemeen directeur van de scholengroep) of een stafmedewerker-scholengemeenschap, die dan expliciet worden vrijgesteld van klas- en schoolopdracht; een puntenenveloppe zorg. Minstens 90 % hiervan dient te worden verdeeld over de verschillende scholen die behoren tot de scholengemeenschap. Van dit percentage kan na akkoord in het bevoegd lokaal comité worden afgeweken. De punten kunnen enkel worden aangewend in het ambt van zorgcoördinator.
Met de punten worden betrekkingen ingericht, in een bepaalde instelling, in een bepaald ambt, in een bepaald opleidingsniveau en voor een bepaald aantal uren. In de uren ingericht op basis van de punten van de scholengemeenschap kan niet vast worden benoemd. Omzendbrief BaO/2005/12 (aangepast) Puntenenveloppen voor scholen scholengemeenschappen basisonderwijs: personeelsformatie en personeelsaspecten.
en
Algemene organisatie / 91
Secundair onderwijs Vanaf 1 september 2009 ontvangt elke scholengemeenschap en elke school die niet tot een scholengemeenschap behoort, jaarlijks één globale (voortaan geïntegreerde) puntenenveloppe voor de instandhouding en/of oprichting van betrekkingen in ambten van: ●
● ●
het bestuurspersoneel (uitgezonderd het ambt van directeur), op niveau van de schoolinstelling (adjunct-directeur, coördinator, technisch adviseur-coördinator, technisch adviseur); het ondersteunend personeel, op niveau van de schoolinstelling; het onderwijzend personeel, het ondersteunend, het paramedisch, het medisch, het orthopedagogisch, het psychologisch en het sociaal personeel in het kader van taak- en functiedifferentiatie.
De scholengemeenschap beslist over de verdeling, uiteraard na onderhandeling met de bevoegde personeelsvertegenwoordiging. De scholengemeenschap kan ook een deel van de puntenenveloppe voor eigen werking reserveren (de zogenaamde voorafname). De regeling (die de vroegere gekleurde puntenenveloppes vervangt, met behoud van de berekeningswijze) geldt voor het hele secundair onderwijs (voltijds gewoon, buitengewoon, deeltijds) voor twee schooljaren. Vanaf 2011-2012 zal worden overgestapt op een nog uit te werken ander systeem. De globale puntenenveloppe strekt ertoe om op het niveau van de school het kader bestuurspersoneel (uitgezonderd de directeur, inherent aan elke instelling) en het kader ondersteunend personeel in te vullen en om op het niveau van de school en van de scholengemeenschap een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie mogelijk te maken. (BVR van 4 september 2009 betreffende de globale puntenenveloppe in het secundair onderwijs, Omzendbrieven SO/2009/03, SO/2009/04(BuSO) en PERS/2009/06).
Gemeenschapsonderwijs Aan de Raad voor het Gemeenschaponderwijs wordt elk schooljaar, ter uitvoering van de rekenplichtigheid, een forfaitair aantal punten toegekend. De Raad verdeelt deze punten over de verschillende scholengroepen volgens criteria die zijzelf vastlegt, na onderhandeling in het daartoe bevoegde onderhandelingscomité.
2.6.4.2. Bestuur en management van scholengemeenschappen basis- en secundair onderwijs
Een scholengemeenschap is een samenwerkingsverband van verschillende scholen op een zelfde onderwijsniveau (basis- of secundair onderwijs), binnen een geografische omschrijving. Het opzet is enerzijds schaalvergroting en het studieaanbod transparanter te maken en daardoor de studiekeuze en leerlingenoriëntering te optimaliseren en anderzijds de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk aan te wenden. Dat kunnen scholen zijn met eenzelfde of verschillende inrichtende macht en en ze behoren tot eenzelfde of verschillend onderwijsnet. In september 1999 gingen zij van start in het secundair onderwijs (door het decreet secundair onderwijs van 14 juli 1998), in september 2003 in het basisonderwijs (door het decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs). Scholen voor buitengewoon basisonderwijs kunnen reeds sinds de start van de scholengemeenschap in 2003 deel uitmaken van een scholengemeenschap basisonderwijs. De aansluiting van scholen gebeurt op vrijwillige basis voor een periode van 6 schooljaren, telkens hernieuwbaar. Op 1 september 2011 zullen ze opnieuw gevormd worden voor een periode van 6 Algemene organisatie / 92
schooljaren. Van die gelegenheid zal gebruik worden gemaakt een kader te creëren om de scholengemeenschappen te versterken. Op niveau van de scholengemeenschap wordt de inspraak van personeelsleden, ouders en leerlingen georganiseerd in een medezeggenschapscollege (zie 2.7.1.1.4.). Voor de participatie inzake arbeidsvoorwaarden is een OCGS, Onderhandelingscomité op niveau van de scholengemeenschappen opgericht (zie 2.7.2.6.). Vorming van scholengemeenschappen
Voor een rationele ordening van het aanbod werden 44 geografische onderwijszones afgebakend. Als algemeen principe (met twee uitzonderingen) geldt dat elke scholengemeenschap binnen maximum 5 aangrenzende zones moet gelegen zijn. Tevens is het aantal scholengemeenschappen gecontingenteerd. Vanaf 1 september 2006 gelden volgende contingenten. Basisonderwijs
Secundair onderwijs
Gemeenschapsonderwijs
Maximum 44
Maximum 40
Gesubsidieerd officieel onderwijs
Maximum 95
Maximum 15
Gesubsidieerd vrij confessioneel onderwijs
Maximum 248
Maximum 80
Gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs
Maximum 5
Maximum 5
In elk van deze groepen (netten) kan ten hoogste één scholengemeenschap secundair onderwijs in het Brussels hoofdstedelijk gewest gelegen zijn. Netoverschrijdende scholengemeenschappen worden op basis van het aantal scholen van elk net tot een van deze contingenten gerekend. Bij gelijk aantal scholen van verschillende netten moet onderling worden afgesproken op welk contingent dit wordt aangerekend. Een scholengemeenschap dient minstens 900 leerlingen (gewogen) te tellen. In toenemende mate worden de scholengemeenschappen in de beleidsuitvoering betrokken en krijgen ze extra middelen van de overheid.
Basisonderwijs
Secundair onderwijs
Gemeenschapsonderwijs
35
26
Gesubsidieerd officieel onderwijs
88
9
234
72
8
13
365
120
Aantal scholengemeenschappen in 2009-20010
Gesubsidieerd vrij onderwijs Netoverschrijdend Totaal
Aantal scholen die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap
basisonderwijs
Secundair onderwijs
Gewoon Buitengewoon Gewoon Buitengewoon 27
22
19
54
Bron: Stafdiensten Onderwijs en Vorming maart 2009
Algemene organisatie / 93
2.6.4.2.1. Basisonderwijs
In het basisonderwijs dient een scholengemeenschap te bestaan uit minstens twee scholen, minstens 900 gewogen leerlingen te tellen en zowel kleuter- als lager onderwijs te omvatten. Er is een weging voor leerlingen uit het buitengewoon basisonderwijs en voor leerlingen uit scholen gelegen in dun bevolkte gebieden. Bevoegdheden
Volgende bevoegdheden worden op niveau van de scholengemeenschap uitgeoefend: ● ● ● ● ● ●
● ● ●
● ●
aanwending van de puntenenveloppe stimulus; afspraken over de aanwending van de punten beleids- en ondersteunend personeel die op het niveau van de scholengemeenschap kunnen worden samengelegd; aanwending van de punten beleids- en ondersteunend personeel; aanwending van de puntenenveloppe voor ICT; wijze waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs haar deskundigheid ter beschikking stelt; sluiten van samenwerkingsakkoorden met andere basisscholen buiten de scholengemeenschap, andere scholengemeenschappen basis- of secundair onderwijs, instellingen voor secundair onderwijs, deeltijds kunstonderwijs en/of volwassenenonderwijs; het opnemen van bijkomende scholen in de scholengemeenschap; de wijze waarop de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid aangewend wordt; het zorgbeleid binnen de scholengemeenschap. De scholengemeenschap duidt tevens een zorgcoördinator aan als aanspreekpunt voor de overheid voor de kleuterparticipatie binnen de scholengemeenschap; algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen en evaluaties; afspraken over de verdeling van de lestijden die bestemd zijn voor mentorschap.
Niet overdraagbare bevoegdheden waarvoor de scholengemeenschap wel het initiatief tot het maken van afspraken kan nemen zijn: ● ●
● ● ●
overdracht van lestijden; overdracht van punten zorg naar andere scholengemeenschappen binnen dezelfde of aangrenzende zones i.f.v. speciale projecten of bij overname school door schoolbestuur van een andere groep (net); personeelsbeleid; gebruik infrastructuur; engagementsverklaring.
Een samenwerkingsplatform bestaande uit een of meer scholengemeenschappen staat in voor het beheer van het contingent vervangingseenheden dat door scholen kan worden gebruikt voor vervanging van bestuurs- en onderwijzend personeel bij korte afwezigheden (zie 8.2.7.1.). Onthaalonderwijs kan worden aangevraagd door de scholengemeenschap. Eén school van de scholengemeenschap zal als contactschool voor de anderstalige nieuwkomers fungeren. Met het oog op de pedagogisch-didactische en organisatorische afstemming moet een gestructureerd en systematisch overleg door de scholengemeenschap georganiseerd worden (zie 10.7.1.). Personeelsformatie
Ter ondersteuning van de scholengemeenschap werden de functies van directeur coördinatie scholengemeenschap en van stafmedewerker-scholengemeenschap gecreëerd. In deze functies is Algemene organisatie / 94
slechts een tijdelijke aanstelling mogelijk (zie 8.3.). Ze kunnen wel beschouwd worden als een bevordering (zie 8.2.13.1.). Ze worden gecreëerd op basis van puntenenveloppes (zie 2.6.4.1.3.).
Case study: Belgium (Flemish Community) BVR betreffende de puntenenveloppe voor scholengemeenschappen basisonderwijs Decreet betreffende het landschap basisonderwijs OZB Puntenenveloppen voor scholen personeelsformatie en personeelsaspecten
en
scholengemeenschappen
basisonderwijs:
OZB Scholengemeenschappen basisonderwijs
2.6.4.2.2. Secundair onderwijs Een scholengemeenschap in het secundair onderwijs moet over een multisectoraal studieaanbod beschikken. Dat betekent dat minimaal 6 leerjaarniveaus aanwezig dienen te zijn (uitgezonderd de 3e leerjaren van de 2e en 3e graad), de onderwijsvormen ASO, TSO en BSO, een volledige eerste graad en in de 2e en 3e graad een studieaanbod van minstens drie opties in ASO, en twee studiegebieden in TSO en in BSO. Daarop kunnen onder bepaalde voorwaarden gedurende twee jaren afwijkingen worden toegestaan. Bevoegdheden
De decreetgever heeft verschillende bevoegdheden toevertrouwd aan de scholengemeenschappen. Deze bevoegdheden nemen de vorm aan van verplichte afspraken, een verplichte adviesformulering of een optie op een samenwerkingsakkoord. Ze betreffen: ● ●
● ● ● ● ●
● ● ● ●
rationalisatie van het onderwijsaanbod (oprichting, afbouw, overheveling van structuuronderdelen, fusie en autonomisering scholen); objectieve leerlingenoriëntering en -begeleiding i.s.m. één centrum voor leerlingenbegeleiding; (tot 31/8/2012 kan een SG ook samenwerken met een CLB van een school voor BuSO die tot de SG behoort; door deze regeling wordt geen hypotheek gelegd op de toetredingskansen van scholen BuSO en wordt de nodige ruimte gecreëerd voor omschakeling); personeelsbeleid (criteria voor het rekruteren, functioneren en evalueren van personeelsleden); verdeling van de extra uren-leraar over de instellingen; de verdelingscriteria worden onderhandeld in het lokaal comité; de verdeling van de globale puntenenveloppe; de verdelingscriteria worden onderhandeld in het lokaal comité; aanwending van de middelen voor ICT-coördinatie; verdeling van de uren-leraar die bestemd zijn voor mentorschap; (vanaf het schooljaar 20102011 worden echter geen middelen voor mentorschap meer toegekend vanuit besparingsoverwegingen); mogelijke afspraken over de engagementsverklaring in het schoolreglement zoals dat zal gelden vanaf het schooljaar 2010-2011 (zie 4.6.); advies inzake investeringen in schoolaccommodatie en infrastructuur; samenwerking met scholen voor buitengewoon secundair onderwijs; samenwerking met scholen uit basisonderwijs, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs en met scholen voor gewoon secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoren.
(Omzendbrief : Scholengemeenschappen secundair onderwijs. SO 62, 30/04/1999)
Algemene organisatie / 95
Voordelen
● ●
● ● ● ● ● ● ●
gunstiger rationalisatienormen; eenvoudiger overdracht en overheveling van uren-leraar. Elke secundaire school ontvangt een aantal wekelijkse uren-leraar voor het onderwijzen van vakken (rekening houdende met vak, leerjaar onderwijsvorm en aantal leerlingen). Die uren-leraar kunnen (tot 1 november van het schooljaar) overgedragen worden aan andere scholen voor voltijds gewoon en buitengewoon SO. Die overdracht is eenvoudiger voor scholen binnen een scholengemeenschap; extra uren-leraar voor Brusselse scholen; (een verhoogde lerarenomkadering wordt toegekend aan die scholen aldaar gelegen die behoren tot een scholengemeenschap); extra uren-leraar voor scholengemeenschappen; gunstiger berekeningsnormen voor de globale puntenenveloppe; toekenning van een niet-organieke personeelsformatie; ruimere inzetbaarheid personeelsleden voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap; maximale benutting van het patrimonium; elke scholengemeenschap kan ter ondersteuning van haar werking jaarlijks een aantal punten uit haar puntenenveloppe aanwenden om betrekkingen op te richten voor ondersteunend personeel en/of de algemeen directeur of de coördinerend directeur vrij te stellen van hun school- of klasopdracht.
Elke scholengemeenschap zal contacten moeten onderhouden met minstens één regionaal overlegplatform dat is opgericht binnen een RESOC-gebied voor het overleg over het regionale opleidings- en vormingsaanbod (zie 5.20.1.). Een samenwerkingsplatform bestaande uit een of meer scholengemeenschappen staat in voor het beheer van het contingent vervangingseenheden dat door scholen kan worden gebruikt voor vervanging van bestuurs- en onderwijzend personeel bij korte afwezigheden (zie 8.2.7.1.). Een ALDI, algemeen directeur is een directeur van een instelling die door de inrichtende macht belast is met de taak van algemeen directeur voor de totaliteit van haar instellingen (in het GO!, onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap is dat een scholengroep) (zie 8.3.1.). Een CODI, coördinerend directeur is een directeur die op voordracht van de scholengemeenschap in een scholengemeenschap wordt aangesteld voor de totaliteit van de instellingen die deel uitmaken van de scholengemeenschap (zie 8.3.1.). Decreet 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs Decreet 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding
2.6.4.3. Bestuur en management van hogescholen
Het decreet van 13 juli 1994 met betrekking tot de hogescholen herdefinieerde de administratieve organisatie van de hogescholen en gaf hen een grotere autonomie. Het decreet maakt daarbij onderscheid tussen de Vlaamse Autonome hogescholen (publieke instellingen) en gesubsidieerde hogescholen (private en provinciale instellingen). De Vlaamse Regering benoemt een commissaris van de Vlaamse Regering bij iedere hogeschool. Eenzelfde commissaris kan bij meerdere hogescholen worden aangesteld. De commissarissen zien erop toe dat het hogeschoolbestuur geen enkele beslissing neemt, die strijdig is met het bij of
Algemene organisatie / 96
krachtens de wet of het decreet bepaalde, of die het financiële evenwicht van de instelling in gevaar brengt. (Decreet betreffende het onderwijs XIX van 8 mei 2009).
2.6.4.3.1. Algemene beheersstructuren
De bestuursorganen van de Vlaamse Autonome Hogescholen zijn de raad van bestuur, het bestuurscollege, de algemeen directeur, de departementsraden, de departementshoofden en de andere door de raad van bestuur bepaalde organen. De Raad van Bestuur bestaat uit: ● ● ●
8 vertegenwoordigers van de verschillende categorieën van het personeel, verkozen voor 4 jaar door het personeel, 3 vertegenwoordigers van de studenten, verkozen voor 2 jaar door de studenten, Maximum 12 vertegenwoordigers van de socio-economische en culturele milieus (ook voor een termijn van 4 jaar).
De algemeen directeur neemt deel aan de bestuursvergaderingen met adviserende stem. De Raad van Bestuur bepaalt het administratief reglement, het examen- en tuchtreglement, stelt het budget op, benoemt het personeel, stelt het kader op voor de organisatie en coördinatie van de taken van de onderwijsinstelling,... Het Bestuurscollege bestaat uit de voorzitter van de Raad van Bestuur, de algemeen directeur en 3 vertegenwoordigers van het personeel, allen voor 4 jaar door de raad van bestuur benoemd. Het Bestuurscollege is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur en de voorbereiding, het openbaar maken en de uitvoering van de beslissingen van de Raad van Bestuur, voor het financieel beheer binnen de lijnen die door de Raad van Bestuur zijn uitgezet, de benoeming van het lager administratief en technisch personeel en vele andere materies die niet expliciet door de wet worden toegewezen aan andere administratieve organen of ambten. De algemeen directeur wordt benoemd (en eventueel ontslagen) door de Raad van Bestuur. Hij is verantwoordelijk voor het bestuur van de instelling en staat aan het hoofd van het administratief en ander personeel (bv. de ambtenaar voor internationale relaties). Hij is verantwoordelijk voor de inschrijving van studenten, hun administratieve gegevens, alsook de gegevens van ieder van zijn personeel. Hij is door delegatie medeverantwoordelijk voor beslissingen omtrent de aanwending van de financiële middelen. Regelmatig, ten minste éénmaal per jaar, informeert hij de inrichtende macht over de financiële toestand van de school en stelt hij het budget voor het volgende jaar voor. Verder is hij ook verantwoordelijk voor de materiële toestand van de school, voor onderhoud en herstellingen en voor de aankoop van schooluitrusting. Hij speelt een centrale rol bij de selectie van het nieuwe onderwijzend en ander personeel dat door de inrichtende macht wordt benoemd. Hij is verantwoordelijk voor alle externe contacten (met de inspectie, de lokale gemeenschap, de arbeidsmarkt...) en in het algemeen voor de public relations van de school. De onderwijsinstellingen moeten hun eigen aanwervingsprocedures voor het directeursambt organiseren. Het ambt mag worden ingevuld door een lid van het permanente onderwijzend personeel of door middel van externe rekrutering. De benoemingsvoorwaarden zijn gelijkaardig aan die van het onderwijzend personeel. In de gesubsidieerde hogescholen bestaat het hogeschoolbestuur uit leden die het zelf coöpteert. Het duidt per departement een departementshoofd aan, die wordt belast met de dagelijkse leiding. Het richt ook een Academische Raad op, die door het bestuur moet geïnformeerd worden over alle aangelegenheden omtrent de onderwijsinstelling. De Academische Raad bestaat uit de verkozen vertegenwoordigers van het Hogeschoolbestuur (3/8) en het personeel (3/8) (voor 4 jaar), en de studenten (2/8) (voor 2 jaar). Deze raad heeft het informatierecht, de adviesbevoegdheid (op vraag van het Hogeschoolbestuur of op eigen initiatief) Algemene organisatie / 97
voor op zijn minst de onderwijskundige aspecten van bepaalde aangelegenheden (ook bijvoorbeeld het onderzoeksbeleid,...). Daarnaast heeft de raad de overlegbevoegdheid (het nemen van een beslissing op eigen initiatief of op vraag van het Hogeschoolbestuur, die in geval van consensus zal worden uitgevoerd door het Hogeschoolbestuur) voor op zijn minst de onderwijskundige aspecten van bepaalde aangelegenheden als daar zijn: het financieel beleid, het beleid inzake onderwijs en examinering, de organisatie van studiebegeleiding,... Het decreet van 13 juli 1994 creëerde ook een studentenraad. Voortaan wordt echter de participatie van de studenten voor het hele hoger onderwijs (ook universiteiten en associaties) geregeld door het zgn. participatiedecreet van 19 maart 2004, dat ook de rechtspositie van de student regelt (zie 2.7.1.2.). Voor de overlegstructuren inzake arbeidsvoorwaarden (zie 2.7.2.6.3.).
Bijzonder Decreet betreffende de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen, de coördinatie van de hogeronderwijsregelgeving en de modernisering van de regelgeving op de Vlaamse autonome hogescholen Decreet betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen
2.6.4.3.2. Beheersstructuren en ambten op een lager niveau
Elke hogeschool, zowel een gefinancierde als een gesubsidieerde, is onderverdeeld in departementen. ●
●
In de gefinancierde hogescholen bestaat er voor elk departement een departementsraad die dezelfde partijen bevat als de Raad van Bestuur (met dezelfde ambtstermijnen, maar met een andere proportionele samenstelling). Deze raad verkiest het hoofd van het departement die de raad voorzit voor 4 jaar. De departementsraad organiseert het aanbod van onderwijs, de projecten voor wetenschappelijke onderzoek en de dienstverlening aan de samenleving. Deze raad is o.a. verantwoordelijk voor de vaststelling van onderwijsprogramma's en examens, de organisatie van de onderzoeksprogramma's, de aanwending van de financiële middelen en het personeel, de aanwerving van tijdelijk personeel en de voorstelling van kandidaten voor een vaste benoeming, de interne organisatie van het departement, de jaarlijkse opstelling van voorstellen van budget, enzovoort (Decreet van 13 juli 1994). In een gesubsidieerde hogeschool moet er een departementale raad worden opgericht voor elk departement, bestaande uit het hoofd van het departement als de voorzitter van de raad, de verkozen vertegenwoordigers van het onderwijzend personeel, de vertegenwoordigers van de studenten en van de socio-economische en culturele milieus. Deze raad heeft het informatierecht voor alle aangelegenheden op het niveau van het departement en kan advies geven op vraag van het Hogeschoolbestuur of op eigen initiatief omtrent een hele waaier van materies op het niveau van het departement (Decreet van 13 juli 1994).
Het departementaal onderhandelingscomité (DOC) bestaat in gefinancierde hogescholen uit de vertegenwoordigers van de departementsraad en van het personeel; in gesubsidieerde hogescholen uit de vertegenwoordigers van het departementsbestuur en van het personeel (Decreet van 13 juli 1994).
Algemene organisatie / 98
2.6.4.4. Bestuur en management van universiteiten
De Vlaamse Regering benoemt een commissaris van de Vlaamse Regering bij iedere universiteit. Eenzelfde commissaris kan bij meerdere hogescholen worden aangesteld. De commissarissen zien erop toe dat het universiteitsbestuur geen enkele beslissing neemt, die strijdig is met het bij of krachtens de wet of het decreet bepaalde, of die het financiële evenwicht van de instelling in gevaar brengt. Elke universiteit is in principe verantwoordelijk voor de oprichting van haar eigen interne organisatie.
2.6.4.5. Bestuur en management van associaties
Associaties bestaan uit één universiteit en ten minste één hogeschool. (Enkel de Universiteit Hasselt en de transnationale Universiteit Limburg kunnen gezamenlijk lid worden van dezelfde associatie. De partners dragen aan de associatie ten minste bevoegdheden over inzake volgende aangelegenheden : ● ●
● ● ●
●
●
● ●
● ● ●
de ordening van een rationeel onderwijsaanbod binnen de onderwijsbevoegdheid van de instellingen. Inzonderheid worden in onderling overleg meerjarenplannen terzake opgesteld; de afstemming van de opleidingsprofielen, het structureren van de opleidingstrajecten en een verbetering van de doorstromingsmogelijkheden, met bijzondere aandacht voor deze tussen bachelors- en mastersopleidingen; de organisatie van trajectbegeleiding voor studenten; de afstemming van de interne reglementen inzake het personeelsbeleid; het opstellen en uitvoeren van een meerjarenplan voor onderwijsvernieuwing en onderwijsverbetering aansluitend bij een gezamenlijk opgezet systeem van interne kwaliteitszorg voor het onderwijs; het opstellen van een meerjarenplan voor het onderzoek en de maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening, aansluitend bij een gezamenlijk opgezet systeem voor kwaliteitszorg voor het onderzoek; de onderzoeksgebondenheid van de academisch gerichte bachelorsopleidingen en van de mastersopleidingen aangeboden door de hogescholen van de associatie in het kader van het meerjarenplan voor onderzoek; het opstellen van een meerjarenplan voor de onderlinge afstemming van investeringen, infrastructuur, bibliotheek- en documentatievoorzieningen; het uitwerken van een procedure voor de aanwijzing van een adequaat aantal vertegenwoordigers van de hogescho(o)l(en) die academisch gerichte bachelorsopleidingen en mastersopleidingen aanbieden, in de onderzoeksraad van de universiteit; het uitbrengen van een advies over het aanbieden van een nieuwe bachelors- of mastersopleiding in een instelling; het uitbrengen van een advies over de omvorming van een basisopleiding van twee cycli tot een bachelors- en mastersopleiding in het academisch onderwijs; het uitbrengen van een advies over het onderwijsontwikkelingsplan.
Een associatie legt een algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement vast.
Algemene organisatie / 99
2.7. Interne en externe participatie- en overlegstructuren We gaan eerst in op de interne participatie binnen het basis- en secundair onderwijs (zie 2.7.1.1) en het hoger onderwijs, daarna op de externe inspraak van en het overleg met andere actoren (zie 2.7.2.). Daarin komen ook de participatie- en overlegstructuren inzake arbeidsvoorwaarden aan bod (zie 2.7.2.6.). ●
2.7.1. Intern
○ 2.7.1.1. Basis- en secundair onderwijs
▪ ▪ ▪ ▪
2.7.1.1.1. Schoolraad 2.7.1.1.2. Klassenraden 2.7.1.1.3. Pedagogische raad, ouderraad, leerlingenraad op schoolniveau 2.7.1.1.4. Medezeggenschapscollege op niveau scholengemeenschap
○ 2.7.1.2. Hoger onderwijs ●
2.7.2. Extern
○ ○ ○ ○ ○ ○ ○
2.7.2.1. VLOR 2.7.2.2.VLIR, VLHORA, VLUHR 2.7.2.3. Ouderkoepelverenigingen 2.7.2.4. Onderwijsvakbonden 2.7.2.5. Studenten- en leerlingenkoepelverenigingen 2.7.2.6. Participatie omtrent arbeidsvoorwaarden 2.7.2.7. Band met de arbeidsmarkt en andere opleidingsverstrekkers
2.7.1. Interne participatie en overleg
2.7.1.1. Basis- en secundair onderwijs
De participatie van ouders, leraars en de lokale gemeenschap was tot de jaren '90 zeer beperkt. Bij het autonoom worden van het gemeenschapsonderwijs en de creatie van een Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs ( ARGO) werd ook het medebeheer in lokale schoolraden geregeld, in 1988, later aangepast door het bijzonder decreet van 14 juli 1998. In het gesubsidieerd onderwijs werden door het decreet van 23 oktober 1991 betreffende medezeggenschap, participatieraden met beperkter inspraakbevoegdheden gecreëerd en werd in 1999 de oprichting van leerlingenraden geregeld. Een globale regeling van de lokale participatie in het basis- en secundair onderwijs kwam tot stand door het decreet betreffende de participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad, van 2 april 2004. De nieuwe regeling is van toepassing op alle basis- en secundaire scholen (gewoon en buitengewoon, voltijds en deeltijds) met uitzondering van scholen buitengewoon onderwijs type 5. Het hoofdstuk schoolraden is enkel van toepassing op het gesubsidieerd onderwijs; voor het GO! is dat geregeld door het Bijzonder decreet op het gemeenschapsonderwijs. Zie Omzendbrief GD/2004/03 van 13 juli 2004.
Algemene organisatie / 100
We behandelen hier enkel de verschillende raden en het medezeggenschapscollege die vastgelegd zijn in de regelgeving. Daarnaast functioneren op schoolniveau verschillende organen die door het schoolbestuur autonoom worden vormgegeven met het oog op het beleidsvoerend vermogen van de school, zoals de personeelsvergadering en de vakgroepen.
2.7.1.1.1. De schoolraad
2.7.1.1.1.1. GO!, Gemeenschapsonderwijs
Aangezien in het gemeenschapsonderwijs de schoolraad ingebed is in de bestuursniveaus van het Gemeenschapsonderwijs behandelen we deze in ..
2.7.1.1.1.2. Gesubsidieerd onderwijs
In het gesubsidieerd onderwijs werden de bestaande participatieraden per 1 april 2005 vervangen door schoolraden. Met enkele uitzonderingen. ●
● ●
Voor centra voor deeltijds onderwijs dient geen aparte schoolraad te worden opgericht. De participatierechten zullen worden uitgeoefend in de schoolraad van de school waarmee het centrum verbonden is. Ook scholen van het buitengewoon onderwijs type 5 moeten geen schoolraad hebben. Scholen met een participatief samengesteld schoolbestuur/ inrichtende macht moeten evenmin een schoolraad hebben. Het bestuur dient dan wel voor minstens 2/3 te bestaan uit rechtstreeks gekozen vertegenwoordigers van personeel en ouders, waarbij tussen beide groepen een billijk evenwicht dient te zijn. In het secundair onderwijs dienen bovendien de vertegenwoordigers van de leerlingen met raadgevende stem betrokken te worden bij het uitoefenen van de bevoegdheden tot overleg en verplicht advies.
Samenstelling ● ● ●
● ● ●
In het BaO, basisonderwijs bestaat de schoolraad uit een gelijk aantal (minstens 2) vertegenwoordigers van ouders, personeel en lokale gemeenschap. In het secundair onderwijs daarenboven uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van leerlingen. In het buitengewoon onderwijs oordeelt de inrichtende macht in overleg met de pedagogische raad over de opname van een of meer leerlingen in de schoolraad. Wanneer echter opleidingsvorm 4 wordt aangeboden is die opname verplicht. De directeur is geen lid van de schoolraad, maar woont de vergaderingen bij met raadgevende stem. De vertegenwoordigers van de lokale gemeenschap worden gecoöpteerd bij consensus door de andere geledingen. De andere vertegenwoordigers worden ofwel aangeduid door de respectievelijke ouder-, pedagogische of leerlingenraad, ofwel via verkiezingen door en uit de ouders, personeelsleden of leerlingen.
Bevoegdheden ●
De schoolraad heeft recht op informatie, op inzage van documenten en recht om (op eigen vraag of op verzoek) gehoord te worden. De schoolraad heeft zelf ook een communicatie- en informatieplicht over zijn werking. Algemene organisatie / 101
●
De schoolraad kan ook op elk ogenblik op eigen initiatief advies uitbrengen. Het advies dient gemotiveerd te zijn en geleverd binnen de 21 dagen. Het advies is verplicht over:
○ de bepaling van het profiel van de directeur; ○ het studieaanbod; ○ het aangaan van samenwerkingsverbanden met andere inrichtende machten en externe instanties;
○ ○ ○ ○
●
de opstapplaatsen en de busbegeleiding van het leerlingenvervoer; het nascholingsbeleid; het beleid inzake experimenten en projecten;
in het basisonderwijs: het niet opnemen in de maximumfactuur van de bijdrage die aan de ouders gevraagd wordt voor verplichte kledij die omwille van een sociale finaliteit aangeboden wordt. Voorafgaand overleg met de schoolraad is nodig bij beslissingen over:
○ het schoolreglement en de engagementsverklaring; ○ de lijst van bijdragen die aan de ouders kunnen worden gevraagd en de afwijkingen daarop;
○ ○ ○ ○ ○ ○
het schoolwerkplan; het beleidsplan of –contract met het CLB; jaarplanning van extra-muros- en parascolaire activiteiten; grote en niet-dringende infrastructuurwerken; de criteria voor aanwending van lestijden, uren, uren-leraar en punten; het welzijns- en veiligheidsbeleid op school (complementair aan de bevoegdheid van het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk – (zie 2.7.2.6.);
○ duur en tijdstip van stageactiviteiten. De inrichtende macht dient te motiveren waarom zij eventueel van het advies afwijkt. Bij problemen inzake participatie kan op vraag van de schoolraad of het schoolbestuur/inrichtende macht een bemiddelingscommissie worden ingeschakeld. Bestaande uit één persoon aangeduid door de schoolraad, één aangeduid door het schoolbestuur, één in overleg door de andere twee personen. Bij ernstige klachten over het besluitvormingsproces, de bevoegdheden of de niet-gevolgdeprocedure, kan een klacht ingediend worden bij de Commissie Zorgvuldig Bestuur.
Commissie Zorgvuldig Bestuur
2.7.1.1.2. Klassenraden
In het secundair onderwijs vormt de klassenraad het centrale evaluatieorgaan. De klassenraad kan met drie functies worden belast en wordt dan ook al naargelang het geval aangeduid als ‘toelatingsklassenraad’, 'begeleidende klassenraad' en 'delibererende klassenraad'. De begeleidende en de delibererende klassenraad bestaan uit de directeur of zijn afgevaardigde en alle leden van het onderwijzend personeel die in een bepaald leerjaar, een bepaalde onderwijsvorm en onderverdeling aan de leerling onderwijs verstrekken (deze personen zijn stemgerechtigd). Zij kunnen worden bijgestaan door de adjunct-directeur, de technisch adviseur(-coördinator), ondersteunend personeel en/of personeelsleden die in de betrokken onderwijsinstelling bij de psycho-sociale of pedagogische begeleiding van de leerlingen betrokken zijn (deze personen zijn raadgevend). In tegenstelling tot de
Algemene organisatie / 102
begeleidende en delibererende klassenraad, hoeft de toelatingsklassenraad niet uit alle leraars te bestaan van het structuuronderdeel waarvoor de leerling kiest. De toelatingsklassenraad beslist of de toelatings- of overgangsvoorwaarden voor leerlingen vervuld zijn. In tegenstelling tot de begeleidende en delibererende klassenraad, hoeft de toelatingsklassenraad niet uit alle leraars te bestaan van het structuuronderdeel waarvoor de leerling kiest. De begeleidende klassenraad komt doorgaans samen na een examenreeks of wanneer er een bepaald probleem gesitueerd wordt in de klasgroep of met een bepaalde leerling. Die klassenraad houdt zich voornamelijk bezig met het bespreken van het klasklimaat (verhoudingen binnen de klas, interesse en medewerking van leerlingen) met het opvolgen, evalueren en begeleiden van de studievordering en met het gedrag van de leerlingen (bv. door middel van remediĂŤringstaken bij gedrags- of studieproblemen). De delibererende klassenraad vindt plaats na de examens van juni en is als enig orgaan bevoegd om te beslissen over het al dan niet slagen van een leerling. Deze klassenraad kent attesten, diploma's en getuigschriften toe en geeft advies over de verdere studie van leerlingen. (BVR 19 juli 2002) & (Omzendbrief SO 64).
2.7.1.1.3. De pedagogische raad, de ouderraad en de leerlingenraad op schoolniveau
In een basis- en secundaire school dienen vanaf 1 september 2004 een pedagogische raad, een ouderraad en een leerlingenraad te worden opgericht, als ten minste 10% (met een minimum van 3 personen) van respectievelijk de personeelsleden, de ouders en de leerlingen (in het basisonderwijs BaO uit de leeftijdsgroep van 11-13-jarigen) dit vragen. De inrichtende macht kan uiteraard ook op eigen initiatief deze raden oprichten. Ze worden samengesteld voor een periode van 4 jaar, via verkiezingen (de leerlingenraad in het lager onderwijs mogelijk ook op minder formele wijze, vastgelegd in het schoolreglement). De bevoegdheden van deze raden (recht op informatie en recht op inzage van documenten en adviesrecht) worden uitgeoefend via hun vertegenwoordigers in de schoolraad. Daar ligt dan ook het zwaartepunt van de participatie.
Decreet betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad OZB Lokale participatieregeling in het basis- en secundair onderwijs
2.7.1.1.4. Het medezeggenschapscollege op het niveau van de scholengemeenschap
Alle basis- en secundaire scholen uit het gesubsidieerd onderwijs en het gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van de scholen van het buitengewoon onderwijs type 5, moeten op het niveau van de scholengemeenschap de inspraak van ouders, personeelsleden en leerlingen organiseren. Daartoe moeten alle schoolraden van de scholen behorend tot een scholengemeenschap vertegenwoordigd worden in een medezeggenschapscollege. Dit medezeggenschapscollege moet geraadpleegd worden door de scholengemeenschap telkens deze scholengemeenschap beslissingen op het niveau van de scholengemeenschap voorbereidt over aangelegenheden die de vertegenwoordigde geledingen aanbelangen. Bij beslissingen inzake het rationaliseren van het onderwijsaanbod en beslissingen inzake leerlingenoriĂŤntering en -begeleiding moet deze raadpleging onder de vorm van overleg verlopen.
Algemene organisatie / 103
2.7.1.2. Hoger onderwijs
Het 'participatiedecreet' van 19 maart 2004 regelt de participatie van de studenten. Er dient één studentenraad te worden opgericht op het niveau van de associatie, respectievelijk de instelling. De instellingen voor hoger onderwijs moeten kiezen tussen twee modellen van studentenparticipatie: ●
●
het medebestuursmodel: in dat geval moeten in de organen die omtrent een aantal in het decreet opgelijste materies de eindbeslissingen nemen ten minste tien procent studenten zetelen; de universiteiten van Antwerpen, Brussel, Gent, Leuven en Limburg kozen voor dit model; het medezeggenschapsmodel: in dat geval organiseert de instelling volgens bepaalde afspraken overlegprocedures, kunnen de studenten beleidsadviezen geven waarop de instelling een gemotiveerd antwoord moet bieden.
Het 'participatiedecreet' van 19 maart 2004 regelt ook de rechtspositie van de student en zorgt voor rechtsbescherming bij studievoortgangsbeslissingen middels een interne beroepsprocedure en door oprichting van een administratief rechtscollege bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap: de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen (ook de 'Raad voor examenbetwistingen' genoemd). Voor de medezeggenschap in personeelsaangelegenheden (zie 2.7.2.6.3.).
2.7.2. Participatie en overleg tussen de verschillende actoren in het onderwijsveld De volgende paragrafen inventariseren de belangrijkste Vlaamse participatie- en overlegstructuren & adviesorganen die schooloverstijgend ingericht worden.
2.7.2.1. Vlaamse Onderwijsraad (VLOR)
Voor de federalisering van het onderwijs werd zowel het overleg op alle onderwijsniveaus als het overleg met de socio-economische wereld georganiseerd in een aantal Hoge Raden. Al deze raden zijn momenteel door het decreet van 31 juli 1990 samengebracht in de VLOR (Vlaamse Onderwijsraad). De VLOR heeft binnen de Vlaamse overheid het statuut van een strategische adviesraad (SAR). Vertegenwoordigers uit het hele onderwijslandschap overleggen in de VLOR over het onderwijsbeleid. Op basis daarvan geeft de VLOR adviezen aan de Vlaamse minister van Onderwijs en het Vlaamse Parlement (http://www.vlor.be ). De Vlaamse Onderwijsraad bestaat uit een Algemene Raad en aparte raden voor de verschillende onderwijsniveaus met deelcommissies : een Raad Basisonderwijs; een Raad Secundair Onderwijs; een Raad Hoger Onderwijs en een Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Daarnaast zijn er nog speciale overlegplatforms, themacommissies en sectorcommissies voor het overleg met de vertegenwoordigers van de verschillende socio-economische sectoren. In de raden zitten vertegenwoordigers van:
Algemene organisatie / 104
●
● ● ● ● ● ●
de inrichtende machten, met inbegrip van de centra voor leerlingenbegeleiding (de koepelorganen GO, OVSG, POV, VSKO, OKO, VCLB); voor het hoger onderwijs vertolken de instellingshoofden (aangeduid door VLHORA en VLIR) de rol van de inrichters van onderwijs; in de Raad Levenslang en Levensbreed Leren zetelen ook vertegenwoordigers van VDAB, SYNTRA Vlaanderen en Socius; het personeel (de onderwijsvakbonden ACOD, COV, COC, VSOA); de ouders (de ouderverenigingenkoepels VCOV, KOOGO, GO!ouders); de studenten, scholieren en gebruikers (VSK, VVS, cursisten permanente vorming); de socio-economische wereld (Sociaal-Economische Raad voor Vlaanderen, SERV) & sociaal-culturele organisaties (Staten-Generaal van het middenveld); ervaringsdeskundigen; directeurs - rechtstreeks verkozen - van BaO, SO, DKO, CBE's en CVO's.
De samenstelling van de raden en afdelingen voor elk onderwijsniveau worden per decreet vastgesteld door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Onderwijsraad heeft bij decreet de algemene bevoegdheid gekregen voor studie, gezamenlijke actie en overleg, op eigen initiatief of op vraag van de minister van Onderwijs en Vorming, omtrent alle onderwijsaangelegenheden waarvoor de Vlaamse Gemeenschap verantwoordelijk is. Meer in het bijzonder moet de minister van Onderwijs, alvorens ermee naar het Vlaams parlement te gaan, een voorafgaand advies van de Vlaamse Onderwijsraad vragen voor alle voorontwerpen van decreet omtrent onderwijsaangelegenheden (met uitzondering van het budget voor onderwijs) en voor rapporten en documenten omtrent het te voeren beleid bestemd voor het Vlaams parlement. De VLOR stimuleerde ook de oprichting en het neemt het secretariaat waar van de EUNEC (European Network of Education Councils), http://www.eunec.org
VLOR, Vlaamse Onderwijsraad
2.7.2.2. Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR), Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA), Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad (VLUHR)
VLIR, Vlaamse Interuniversitaire Raad
In 1976 is de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) opgericht als een instelling van openbaar nut. De VLIR is een autonoom overlegorgaan, gefinancierd door de universiteiten en bestaat uit leden die de Vlaamse universiteiten vertegenwoordigen. De VLIR heeft tot doel de dialoog en samenwerking tussen de Vlaamse universiteiten te bevorderen. In de schoot van de VLIR wordt overleg georganiseerd onder de universitaire instellingen, over aangelegenheden die de universiteiten aanbelangen. Op basis van dit overleg worden gemeenschappelijke standpunten geformuleerd en beleidsadviezen verstrekt aan de minister die bevoegd is voor het universitair onderwijs of het wetenschapsbeleid. De VLIR moedigt de Vlaamse universiteiten aan om zich internationaal te profileren. Zo ondersteunt de VLIR samenwerking tussen de Vlaamse universiteiten en universiteiten in ontwikkelingslanden. Tevens moedigt de VLIR de participatie van de Vlaamse universiteiten aan Europese en internationale hoger onderwijsprogramma's en onderzoeksprogramma's sterk aan, en ondersteunt de samenwerking tussen de rectorenconferenties.
Algemene organisatie / 105
VLHORA, Vlaamse Hogescholenraad
Na de fusieoperatie van de hogescholen in 1995 functioneert sinds 1996 een gelijkaardig orgaan voor de hogescholen: de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA). De Vlaamse hogescholenraad is het officieel overleg- en adviesorgaan van de hogescholen. Het adviseert de Vlaamse overheid over alle beleidsaspecten inzake het hogeschoolonderwijs, het projectmatig wetenschappelijk onderzoek, de maatschappelijke dienstverlening en de beoefening van de kunsten. Bovendien organiseert en stimuleert VLHORA ook het overleg tussen de instellingen aangaande alle materies die de hogescholen aanbelangen. De VLHORA en de VLIR zorgen ook voor de organisatie en coördinatie van de externe kwaliteitszorg door de zgn. visitaties van opleidingen (zie 9.4.2.3.). Internationalisering
VLIR-UOS is verantwoordelijk voor het beleid en beheer van de internationale samenwerking tussen de 6 universiteiten en 22 hogescholen in Vlaanderen, België en hun partneruniversiteiten in het Zuiden. VLIR EN VLHORA hebben in 2008 samen met VVS, het FWO en alle Vlaamse associaties een afzonderlijk agentschap opgericht voor internationalisering in het hoger onderwijs, onder de naam Flamenco. Het wil bijdragen aan de internationalisering van het hoger onderwijs door de inspanningen van de instellingen op dat vlak te ondersteunen en door het Vlaamse hoger onderwijs duidelijk te positioneren op internationale fora (zie 11.6.). VLUHR, Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad
Het decreet betreffende het onderwijs XIX van 8 mei 2009 bepaalt dat de hogescholen, de universiteiten en de associaties in de Vlaamse Gemeenschap een vzw VLUHR, Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad dienen op te richten. De VLUHR, ●
● ● ● ● ●
verstrekt adviezen en doet voorstellen aan de minister bevoegd voor onderwijs en de minister bevoegd voor wetenschap en innovatie betreffende alle aangelegenheden die de Vlaamse hogescholen, universiteiten of associaties aanbelangen; kan overleg onder de hogescholen, universiteiten of associaties organiseren betreffende alle aangelegenheden die de Vlaamse hogescholen, universiteiten of associaties aanbelangen; is bevoegd voor de externe kwaliteitsevaluaties in de instellingen; verstrekt op vraag van de Vlaamse Regering en de Erkenningscommissie adviezen in diverse materies; moet ook aspecten zoals internationalisering, ontwikkelingssamenwerking en wetenschap en innovatie op volwaardige manier aan bod laten komen binnen haar werking; fungeert als forum voor interassociatieoverleg.
De VLUHR vertegenwoordigt alle hogescholen, alle universiteiten en alle associaties in de Vlaamse Gemeenschap. De VLUHR rapporteert jaarlijks aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement. De VLIR en de VLHORA blijven werkzaam onder de huidige constellatie tot de VLUHR operationeel is. Vanaf de visitaties die plaatsvinden op basis van de zelfevaluatierapporten die op 1 september 2010 moeten klaar zijn, treedt de VLUHR in de plaats van de VLIR en de VLHORA als evaluatieorgaan voor de externe evaluatie van de opleidingen.
VLHORA, Vlaamse Hogescholenraad Algemene organisatie / 106
VLIR, Vlaamse Interuniversitaire Raad
2.7.2.3. Ouderkoepelverenigingen
Veel scholen hebben hun eigen schoolgebonden oudervereniging. Deze verenigingen mengen zich doorgaans niet met het klas- en schoolgebeuren maar hebben enkel tot doel het contact en samenwerking tussen ouders en school, en tussen ouders onderling te bevorderen. De participatie van de ouders gebeurt via de ouderraad (zie 2.7.1.1.3.). Schooloverstijgend zijn er de ouderkoepelverenigingen die ressorteren onder de onderwijskoepelorganisaties (zie 2.6.3.1.) en die de ouders vertegenwoordigen in de VLOR (Vlaamse Onderwijsraad). ● ● ●
Gemeenschapsonderwijs: GO! Ouders (http://www.g-o.be ) Katholiek onderwijs : VCOV, Vlaamse confederatie van ouders en ouderverenigingen, (http://www.vcov.be ) gesubsidieerd officieel onderwijs: KOOGO, koepelvereniging van ouderwerkingen in het gesubsidieerd officieel onderwijs (http://www.koogo.be/ )
Voor overleg hebben de drie koepels een Vlaams Ouderplatform (VLOP) opgericht. Het decreet van 20 juni 1996 (en het BVR van 22/09/2006) voorziet in een financiële ondersteuning van de ouderverenigingen, op voorwaarde dat de verenigingen binnen het gemeenschaps- en het gesubsidieerd officiële onderwijsnet enerzijds en die binnen het vrije onderwijsnet anderzijds beslissen om samen te werken. Het decreet voorziet: een financiële basisvergoeding voor administratieve taken, projectgebonden financiële ondersteuning op jaarbasis en een maximum van 5 leerkrachten toegewezen aan de organisaties voor de bevordering van de ouders-schoolrelatie. Het doel van de ouderverenigingen is het vormen van een centrum dat ouders en de lokale ouderverenigingen helpt wegwijs te geraken in de onderwijswereld. Bovendien vertegenwoordigen en verdedigen ze de ideeën en belangen van de ouders naar de overheid en de buitenwereld. In 2009 sloot de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming met de koepels van ouderverenigingen een beheersovereenkomst af voor 3 jaar (2009-2011). Naast hun basiswerking wordt het opzetten van acties rond ouderengagement hun kernopdracht. Vanaf 1 september 2010 zal immers het schoolreglement in elke school een engagementsverklaring moeten bevatten met duidelijke afspraken tussen ouders en school over oudercontact, aanwezigheden, individuele begeleiding en een positief engagement tegenover het Nederlands. (Zie ook 2.2.-2).
KOOGO, Koepel van Ouderverenigingen van het Officieel Gesubsidieerd Onderwijs VCOV, Vlaamse Confederatie van Ouders en Ouderverenigingen Decreet betreffende de subsidiëring van ouderkoepelverenigingen
2.7.2.4. Onderwijsvakbonden
De representatieve onderwijsvakbonden, die de personeelsbelangen verdedigen in het officieel overleg en ook participeren binnen de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR), zijn gestructureerd volgens de traditionele politieke strekkingen in de Vlaamse samenleving.
Algemene organisatie / 107
●
●
●
●
ACOD-onderwijs, de Algemene Centrale der Openbare Diensten – Sector Onderwijs, maakt deel uit van het ABVV, Algemeen Belgisch Vakverbond en behoort tot de socialistische beweging. (http://www.acodonderwijs.be/ ) VSOA-onderwijs, het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt – Sector Onderwijs, maakt deel uit van het ACLVB, Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België. (http://www.vsoaonderwijs.be/ ) COV, het Christelijk Onderwijzersverbond, maakt deel uit van het ACV, Algemeen Christelijk Vakverbond; het verdedigt de belangen van het personeel in de gesubsidieerde vrije en officiële scholen van het basisonderwijs en van het personeel van de pedagogische begeleidingsdiensten en van de gemeenschapsinspectie. (http://www.cov.be/) COC, de Christelijke Onderwijscentrale, vertegenwoordigt alle personeelsleden in het secundair en hoger onderwijs (exclusief de universiteiten), het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, de centra voor leerlingenbegeleiding alsook het basisonderwijs van het gemeenschapsonderwijs. Voor de gemeenschappelijke beroepsbelangen van werknemers in de openbare sector coördineren de centrales hun werking via de FCSOD, Federatie van de Christelijke Syndicaten der Openbare Diensten. (http://www.coc.be/ )
ACOD, Algemene Centrale der Openbare Diensten - Sector Onderwijs COC, Christelijke Onderwijscentrale COV, Christen Onderwijzersverbond VSOA-onderwijs, Vrij Syndicaat voor Openbare Ambten - Groep Onderwijs
2.7.2.5. Studenten- en leerlingenkoepelverenigingen
Er zijn twee koepelverenigingen (één voor studenten en één voor scholieren) erkend en gesubsidieerd. Zij vertegenwoordigen de studenten en scholieren in de VLOR (Vlaamse Onderwijsraad). De koepelverenigingen brengen op verzoek van de Vlaamse Regering advies uit en staan onder controle van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs en Vorming (Decreet van 30 maart 1999). VVS (Vereniging van Vlaamse Studenten) bestaat uit twee centrales: één voor de hogescholen en één voor de universiteiten. De VVS sluit associatieakkoorden met de verschillende studentenorganisaties die de belangen van de studenten vertegenwoordigen aan de verschillende instellingen voor hoger onderwijs afzonderlijk. Er zijn ook andere studentenorganisaties op gemeenschapsniveau, maar deze vertegenwoordigen de studenten niet als geheel. (http://www.vvs.ac) VSK (Vlaamse Scholierenkoepel) is opgericht in 1997-1998 en heeft als doel op te komen voor de belangen van de scholieren in het secundair onderwijs, ongeacht de onderwijsvorm en het net. De basisdoelstellingen zijn leerlingeninspraak en participatie op klas-, school- en beleidsniveau, democratisering van het onderwijs en kinderrechten op school. (http://www.vsknet.be/ ) Voor informatie en klachten over kinder- en jongerenrechten is een kinderrechtencommissariaat opgericht. (http://www.kinderrechtencommissariaat.be )
Kinderrechtencommissariaat VSK, Vlaamse Scholierenkoepel
Algemene organisatie / 108
VVS, Vlaamse Vereniging van Studenten
2.7.2.6. Participatie inzake arbeidsvoorwaarden
Het syndicaal overleg betreft de administratieve en geldelijke rechtspositieregeling van het personeel, de regeling van de collectieve arbeidsverhoudingen, alsook de onderwijsorganisatorische maatregelen met een rechtstreeks effect op de arbeidsduur en/of de organisatie van het werk en de personeelsformatie. Hiervoor werden op verschillende niveaus specifieke paritair samengestelde overlegorganen gecreëerd, die verschillen naargelang het onderwijsnet en de onderwijssector. We behandelen die afzonderlijk voor het officieel onderwijs (zie 2.7.2.6.1.), het gesubsidieerd vrij onderwijs (zie 2.7.2.6.2.), het hoger onderwijs (zie 2.7.2.6.3.) en het volwassenenonderwijs (zie 2.7.2.6.4.). In het onderwijs bestaat ook de traditie om centrale cao's (collectieve arbeidsovereenkomsten) te sluiten. De cao's gelden soms voor twee jaar, soms voor de ganse duur van een legislatuur. Er werd beslist om vanaf het schooljaar 2007-2008 een bemiddeling inzake collectief overleg te organiseren voor een proefperiode van 2 jaar. Vakorganisaties, inrichtende machten of hun koepels, en de overheid kunnen bij de bemiddelaars terecht met problemen inzake de toepassing van het syndicaal statuut, de rechten en plichten van de sociale partners en de toepassing van de regels betreffende functiebeschrijving en evaluatie. De CAO's kan men raadplegen via http://onderwijs.vlaanderen.be/cao/ Zie ook 2.2. voor nieuwe ontwikkelingen.
2.7.2.6.1. Officieel onderwijs
In het officieel onderwijs (gemeenschapsonderwijs, provinciaal en gemeentelijk onderwijs) worden de collectieve arbeidsverhoudingen geregeld via het syndicaal statuut van het overheidspersoneel dat is vastgelegd in de wet van 19 december 1974 en haar uitvoeringsbesluiten (28/2/1984). Deze wet voorziet verplichte voorafgaande onderhandelingen en overleg tussen de overheden en de representatieve vakorganisaties. Als de overheid een maatregel uitvaardigt, zonder voorafgaand overleg, dan kan die maatregel door de Raad van State nietig worden verklaard. ●
●
Op het centrale niveau: Sectorcomité X - Onderwijs (voor het gemeenschapsonderwijs) en het Comité voor de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten – Afdeling 2 – Onderafdeling Vlaamse Gemeenschap (voor het gesubsidieerd officieel onderwijs). Deze sectorale onderhandelingscomités hebben sinds 1 april 2008 bevoegdheid gekregen om te bemiddelen bij (dreigende) conflicten of geschillen van collectieve aard. Bij een conflict van collectieve aard binnen een netoverstijgende scholengemeenschap of binnen een consortium kunnen, afhankelijk van de samenstelling van de scholengemeenschap of het consortium, verschillende comités samen een bemiddelingsopdracht krijgen. Het Gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten (Comité A) is bevoegd voor het geheel van de overheidssectoren: de federale, gemeenschaps- en gewestadministraties en de openbare instellingen, de overheidsbedrijven, het officieel onderwijs en de lokale en de regionale sector. De overheidsdelegatie in Comité A bestaat dan ook uit vertegenwoordigers van al deze geledingen. Comité A is, kan je zeggen, voor de publieke sector wat de Nationale Arbeidsraad voor de privé-sector is. In principe wordt in Comité A om de twee jaar onderhandeld over intersectorale sociale programmatie. Bovendien is enkel het Comité A Algemene organisatie / 109
●
●
bevoegd voor de gemeenschappelijke minimale sociale zekerheidsrechten van alle personeelsleden van de overheid. Deze 'minimale rechten' hebben betrekking op de kinderbijslagen, de pensioenen, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, de koppeling van de wedden aan de index, de vakantiereglementering, loopbaanonderbreking, enzovoort. Die minimale rechten kunnen dus slechts worden gewijzigd na een onderhandeling in het Comité A. Het Comité B is bevoegd voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten, inclusief het gemeenschapsonderwijs. Er bestaan 20 sectorcomités, waar wordt onderhandeld over aangelegenheden, eigen aan één departement of instelling. In het basisoverlegcomité komen materies aan bod die specifiek zijn voor een bepaalde dienst of een paar diensten. Het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (Comité C) is bevoegd voor de lokale en regionale besturen en het officieel gesubsidieerd onderwijs.
○ De lokale en regionale besturen zijn gegroepeerd per Gewest en hebben elk een bijzonder onderhandelingscomité.
○ Het officieel gesubsidieerd onderwijs is gegroepeerd per Gemeenschap en bij elke inrichtende macht werd een ‘afzonderlijk bijzonder comité’ opgericht.
○ Op het lokale niveau wordt in de gemeenten en provincies zelf en in de scholen die er van afhangen onderhandeld over punten, die specifiek zijn voor die bepaalde gemeente, in de bijzondere comités en de afzonderlijke bijzondere comités.
○ Voor overleg richt men een HOC, Hoog Overleg Comité op, dat zijn besprekingen besluit met een gemotiveerd advies. (OVSG, Gemeentelijk onderwijs organiseren, 2006).
○ Door het onderwijsdecreet XVIII kunnen vanaf 1 april 2008 in het gesubsidieerd
●
officieel onderwijs en de netoverschrijdende scholengemeenschappen onderhandelingscomités op niveau van de scholengemeenschap (OSCG) worden opgericht. Scholengemeenschappen van het gesubsidieerd officieel onderwijs zijn niet verplicht een OCSG op te richten wanneer alle scholen tot hetzelfde schoolbestuur behoren. De bevoegdheden van het OCSG worden dan opgenomen door het afzonderlijk bijzonder comité (zie hoofdstuk V toegevoegd door onderwijsdecreet XVIII aan het decreet van 14/07/1998). Voor het gemeenschapsonderwijs heeft het Besluit van de Vlaamse Regering van 28 augustus 2000 de structuur op het lokale niveau ervan aangepast aan de nieuwe bestuursorganen zoals bepaald in het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs en volgende organen opgericht:
○ een basiscomité
▪
per school, voor de materies die tot de bevoegdheid van de schooldirecteur behoren; voorgezeten door de directeur; idem voor een centrum voor leerlingenbegeleiding;
▪
per scholengroep, voor de materies die de personeelsleden betreffend die rechtstreeks onder de scholengroep ressorteren; voorgezeten door de algemeen directeur;
▪
voor de pedagogische begeleidingsdienst, voor de materies die de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst betreffen; voorgezeten door de afgevaardigd bestuurder;
▪
voor de POC, Permanente Ondersteuningscel die instaat voor de netgebonden ondersteuning van de CLB's, Centra voor Leerlingenbegeleiding van het gemeenschapsonderwijs;
○ een tussenoverlegcomité
▪
per scholengroep, voor de materies die de bevoegdheid van één basiscomité van een bepaalde scholengroep overstijgen en die tot de bevoegdheid van de raad van bestuur, de algemene vergadering, de algemeen directeur of van het college van directeurs van de betreffende scholengroep behoren; voorgezeten
Algemene organisatie / 110
door de algemeen directeur; het is ook bevoegd om te onderhandelen over personeelsaangelegenheden waarvoor de scholengemeenschappen bevoegd zijn;
▪
●
op het centrale niveau, voor de materies die de bevoegdheid van één scholengroep overstijgen en die tot de bevoegdheid van het centrale niveau behoren; voorgezeten door de afgevaardigd bestuurder. Ook in de Universiteit Gent fungeert een Basisoverlegcomité en een Tussenoverlegcomité.
Participatie inzake het welzijnsbeleid (Preventie en Bescherming op het Werk) gebeurt in het gemeenschaps- en gesubsidieerd officieel onderwijs via de BOC's.
2.7.2.6.2. Gesubsidieerd vrij onderwijs
Het gesubsidieerd vrij onderwijs en de vrije centra voor leerlingenbegeleiding vallen niet onder de wet van 19 december 1974. Het decreet van 5 april 1995 heeft echter een gelijkaardige structuur opgericht. ●
●
Een Overkoepelend Onderhandelingscomité dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de minister van Onderwijs, de representatieve onderwijsvakbonden en de inrichtende machten; met bevoegdheid over de materies waarover ook in het syndicaal statuut voor het officieel onderwijs verplicht en voorafgaandelijk dient te worden onderhandeld. LOC's (lokale onderhandelingscomités), paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van het personeel en de inrichtende macht. Deze hebben:
○ informatierecht over de tewerkstelling, de inrichtende macht, het financieel beleid en de infrastructuur van de school;
○ onderhandelingsbevoegdheid over de aanvullende regelingen inzake personeelsmateries;
○ toezichtsbevoegdheid op de naleving van de sociale wetgeving en van de sociale en administratieve reglementeringen voortvloeiend uit de onderwijswetgeving;
○ bemiddelingsbevoegdheid bij elk geschil of bij elke betwisting van collectieve aard. Het decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs XV regelt de begeleiding van de lokale comités door de representatieve vakorganisaties. De participatie van de werknemers in het welzijnsbeleid gebeurt in het vrij onderwijs via de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk (comité PBW). Deze moeten enkel verplicht worden ingericht in scholen met ten minste 50 werknemers. In het gemeenschaps- en gesubsidieerd officieel onderwijs worden die bevoegdheden opgenomen door de BOC's.
2.7.2.6.3. Hoger onderwijs
Voor het overleg inzake arbeidsvoorwaarden is er in elke hogeschool een HOC, hogeschoolonderhandelingscomité opgericht met in elk departement een DOC, departementaal onderhandelingscomité (Decreet van 13 juli 1994). Voor het hele hoger onderwijs (hogescholen, universiteiten en associaties) is in 2004 een VOC (Vlaams Onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs) opgericht. (Decreet van 19 maart 2004 en het Besluit van de Vlaamse Regering van 21 januari 2005). In vrije universiteiten K.U.Leuven en V.U.B. gebeurt het overleg in de ondernemingsraad.
Algemene organisatie / 111
De Universiteit Gent, de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Hasselt organiseren de onderhandelingen met afgevaardigden van het personeel in een daartoe opgericht centraal onderhandelingscomité. Het onderhandelingscomité bestaat uit een aantal gemandateerde vertegenwoordigers van het universiteitsbestuur en ten minste evenveel afgevaardigden van het personeel. Er zijn evenveel plaatsvervangers als effectieve afgevaardigden. De afgevaardigden van het personeel worden aangeduid door de representatieve vakorganisaties. Het aantal effectieve afgevaardigden bedraagt ten hoogste drie per representatieve vakorganisatie. Personeelsleden met een mandaat in een beslissingsorgaan van de universiteit kunnen niet optreden als afgevaardigde van het personeel. Elke delegatie kan een beroep doen op technici. In het centraal onderhandelingscomité wordt onderhandeld over de volgende aangelegenheden, voor zover deze betrekking hebben op de universiteit : ● ● ● ● ●
de administratieve rechtspositieregeling; de geldelijke rechtspositieregeling; de regeling van de collectieve arbeidsverhoudingen; de organisatorische maatregelen met een rechtstreeks effect op de arbeidsorganisatie of de organisatie van het werk; alle bevoegdheden die in particuliere bedrijven opgedragen zijn aan de comités voor preventie en bescherming op het werk.
(Decreet betreffende het onderwijs XIX van 8 mei 2009). Het ‘structuurdecreet’ van 4 april 2004 regelt de medezeggenschap op het niveau van de associatie. Op niveau van de associatie is er een medezeggenschapscomité dat paritair is samengesteld uit een afvaardiging van het associatiebestuur (afgevaardigden van de bevoegde beslissingsorganen) en een afvaardiging van het personeel van de instellingen bij de associatie (afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties).
2.7.2.6.4. Volwassenenonderwijs
In elk CBE en consortium volwassenenonderwijs is een paritair samengesteld LOC, lokaal onderhandelingscomité opgericht. Er werd ook een VOC BE, Vlaams Onderhandelingscomité voor de basiseducatie opgericht. (Decreet van 23 januari 2009).
2.7.2.6.5. Leertijd
Als follow-up van het decreet Leren en Werken wordt onderzocht of er een Vlaams onderhandelingscomité voor de leertijd moet worden opgericht.
2.7.2.7. Band met de arbeidsmarkt en met de andere opleidingsverstrekkers
Er zijn verschillende organen die op verschillende niveaus zorgen voor overleg en samenwerking tussen het onderwijs en het bedrijfsleven.
Algemene organisatie / 112
Sectorcommissies Voor het technisch en beroepsonderwijs zijn er de zogenaamde sectorcommissies opgericht voor alle grote segmenten van de arbeidsmarkt (metaalindustrie, textiel, voeding,…). Binnen het kader van de VLOR, Vlaamse Onderwijsraad (zie 2.7.2.1.) verkennen zij de nieuwe tendensen op de arbeidsmarkt en geven advies over nieuwe geplande initiatieven daaromtrent.
ERSV's, Erkende Regionale Samenwerkingsverbanden In het bijzonder voor het volwassenenonderwijs zijn er permanente werkgroepen opgericht binnen de ERSV's, de Erkende Regionale Samenwerkingsverbanden. Deze werkgroepen hebben een overlegfunctie voor een intense samenwerking tussen industrie, onderwijs en de werkgelegenheidscentra. Zij hebben daarenboven een formele adviesbevoegdheid met betrekking tot de planning van nieuwe opleidingsprogramma's in het volwassenenonderwijs. ERSV's zijn vzw's die het socio-economisch overleg tussen de sociale partners en lokale overheden moeten ondersteunen in één of meerdere Sociaal Economische Raden van de Regio (SERR), in functie van een socio-economisch streekontwikkelingsbeleid. Een ERSV organiseert en ondersteunt ook het tripartiete overleg tussen vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers en van de lokale overheden (steden, gemeenten en provincies) in één of meerdere Regionaal Economisch en Sociale Overlegcomités van de Regio (RESOC). (Zie verder 5.20.1.).
Regionale Overlegplatformen voor het stelsel van leren en werken Binnen elk RESOC is een regionaal overlegplatform opgericht samengesteld uit één afgevaardigde van elk CDO, CDV, centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, lokaal klantencentrum van de VDAB (vertegenwoordigd door een VDAB-account leren en werken) uit het werkingsgebied van het RESOC, alsook één trajectbegeleider Syntra-Vlaanderen en één afgevaardigde van resp. de officiële CLB's, de vrije CLB's, het RESOC, het departement Onderwijs en Vorming en het departement Werk en Sociale Economie. Daarin zal o.m. het regionale opleidings- en vormingsaanbod besproken worden (voor de ruimere bevoegdheden zie 5.20.1.).
RTC's, Regionale Technologische Centra De RTC's, Regionale Technologische Centra zijn netoverschrijdende samenwerkingsverbanden tussen het onderwijs en het bedrijfsleven die op provinciaal niveau acties ondernemen op vlak van infrastructuur, leerlingenstages en bedrijfsstages/ nascholing voor leerkrachten (zie verder 5.18.5.1.).
DBO, Dienst Beroepsopleiding Binnen het departement onderwijs en vorming houdt de DBO, Dienst Beroepsopleiding zich bezig met de beroepsopleiding in de breedst mogelijke context (zie 5.18.5.2.). http://www.ond.vlaanderen.be/dbo/nl/dbo_algemeen_wat.htm
SLN, Vlaams Steunpunt Lokale Netwerken Het SLN is de koepelorganisatie van de zgn. 'derden' in Vlaanderen, dit zijn de niet-commerciële aanbieders van begeleidingstrajecten naar werk (http://www.sln.be/ ).
Algemene organisatie / 113
2.8. Financiering en onderwijsbudget We behandelen achtereenvolgens: ● ● ● ● ● ●
2.8.1. De herkomst van de middelen voor onderwijs 2.8.2. De omvang van de middelen voor onderwijs en de budgetposten 2.8.3. De financiering basis- en secundair onderwijs 2.8.4. Financiering van de scholeninfrastructuur en scholenbouw 2.8.5. Financiering van de permanente vorming 2.8.6. Financiering van het hoger onderwijs
Voor de voorwaarden tot financiering of subsidiëring (zie 2.3.3.).
2.8.1. Herkomst van de middelen voor onderwijs In 1989 werd het onderwijs in België gecommunautariseerd. Sindsdien zijn het de Vlaamse, de Franse en de Duitstalige Gemeenschap die het onderwijs financieren. Daartoe kregen deze dotaties van de federale staat,volgens een verdeelsleutel die in 1999 diende aangepast te worden aan het aantal leerlingen aan de hand van bij wet vastgestelde criteria. Deze aanpassing vormde lang een politiek probleem dat geregeld werd door de wet van 23 mei 2000. Enkel het aantal leerlingen van 6 tot 17 jaar oud, die ingeschreven zijn als regelmatige leerling in het lager of secundair onderwijs in een onderwijsinstelling georganiseerd of gesteund door de Vlaamse of de Franse Gemeenschap, worden geteld. De telling heeft plaats op 1 februari en de data worden bekend gemaakt aan het Rekenhof voor 15 de mei van elk jaar. Het Rekenhof controleert de data nauwkeurig. Het Lambermont akkoord (2001) herzag de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989 en zorgde o.m. voor meer financiële middelen (afkomstig van BTW-inkomsten en een gedeelte van de personenbelasting). Daarnaast heeft de Vlaamse overheid nog andere inkomsten, zoals gewestbelastingen en eigen ontvangsten. Daarvan wordt een deel aan onderwijs toegewezen. De financiering van het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap wordt geregeld door een aparte wet en gegeven de kleine omvang van deze onderwijssector wordt er rekening gehouden met de specifieke behoeften die in 1990 zijn vastgesteld. http://fin.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=46
2.8.2. De omvang van de middelen voor onderwijs en de budgetposten Voor de evolutie van het onderwijsbudget, de verdeling van de middelen over onderwijsnetten, niveaus en uitgavencategorieën (zie 2.9.2.). Voor de totale kost moet men naast de onderwijsuitgaven van de federale en gemeenschapsoverheid rekening houden met de (beperkte) financiering door provincies en gemeenten in het gesubsidieerd officieel onderwijs en kerkautoriteiten en private personen in het gesubsidieerd vrij onderwijs. Elke school krijgt afhankelijk van het aantal leerlingen/studenten een urenpakket (basis- en buitengewoon onderwijs), een aantal uren-leerkracht (secundair onderwijs). Dat kan worden aangewend en verdeeld in overeenstemming met de noden tussen de niveaus, onderwijsvormen, studierichtingen, enzovoort. Al het personeel dat op basis van dat urenpakket of het aantal urenAlgemene organisatie / 114
leerkracht is aangesteld en voldoet aan de wettelijke voorwaarden, ontvangt een salaris van de Vlaamse Gemeenschap. Het onderwijsnet heeft geen invloed op de grootte van dat salaris. Voor de werkingsmiddelen, zie hierna.
2.8.3. Financiering van het basis- en secundair onderwijs De verdeling van de middelen over de onderwijsnetten heeft continu op de politieke agenda gestaan (zie 2.1.). Het decreet van 4 juli 2008 introduceerde een nieuw financieringsmodel dat alle scholen op dezelfde manier financiert, met inachtneming van twee objectieve verschillen, namelijk het garanderen van de vrije keuze - een grondwettelijke verplichting van het gemeenschapsonderwijs - en de verplichting van scholen ingericht door openbare besturen om onderwijs in diverse levensbeschouwelijke vakken aan te bieden. Er wordt uitgegaan van 4 deelbudgetten: voor het gewoon basisonderwijs, het buitengewoon basisonderwijs, het gewoon secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs. In het nieuwe financieringssysteem zal van het onderwijsbudget voor werkingsmiddelen vooraf een deel worden gebruikt om de objectieve verschillen tussen de scholen te financieren. Vervolgens zal een deel worden verdeeld op basis van sociale leerlingenkenmerken. (Deze worden echter niet gebruikt voor de verdeling van de werkingsmiddelen van het buitengewoon onderwijs). ●
●
●
Voorafname voor meerdere levensbeschouwelijke vakken Een budget van 4,5 % wordt voorafgenomen voor het objectief verschil levensbeschouwelijke vakken (percentage berekend op het aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor dit verschil en niet op het totale budget): indien het schoolbestuur de keuze aanbiedt tussen onderricht in één van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer. Voorafname voor objectief verschil neutraliteit Een budget van 3 % wordt voorafgenomen voor het objectief verschil neutraliteit (percentage berekend op het aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor dit verschil) indien het schoolbestuur neutraal onderwijs organiseert. Deze geldwaarde per leerling objectief verschil wordt enkel toegekend aan het GO, immers enkel het GO kan gedwongen worden om onderwijs in te richten in het geval er een beroep wordt gedaan op de vrijekeuzeregeling. Voorafname voor werkingsmiddelen op basis van leerlingenkenmerken (niet voor het buitengewoon onderwijs) Vervolgens wordt een deel van het budget verdeeld op grond van 4 sociale indicatoren die een belangrijk effect hebben op de schoolloopbaan van leerlingen: het onderwijsniveau van de moeder, het al dan niet verkrijgen van een schooltoelage, de taal die thuis wordt gesproken & de buurt waar de leerling woont.
○ In het basisonderwijs zal dat deel in 2008-2009 14% bedragen van de werkingsmiddelen in het basisonderwijs en zal jaarlijks met 0,1875% worden verhoogd tot 15,5% in 2017. Door de besparingsmaatregelen is deze verhoging met 2 jaar uitgesteld (dus in 2010 en 2011 blijft het 14%). Daarna verhoging met 0,1875% tot in 2019.
○ In het secundair onderwijs bedraagt dat aandeel 10% in 2008-2009 en zal geleidelijk worden verhoogd tot 11% in 2017.
○ Het deel van het budget dat is voorzien voor verdeling op basis van leerlingenkenmerken wordt gelijkmatig verdeeld over de vier leerlingenindicatoren elk voor 25 %. Het budget delen door het aantal leerlingen die voldoen aan een indicator geeft het bedrag per indicator weer, waardoor men dan 4 verschillende enveloppes krijgt. (In het secundair wordt slechts 10% verdeeld op basis van de indicator buurt waar de leerling woont). Algemene organisatie / 115
â—?
De basisfinanciering Het resterende grootste deel van de werkingsmiddelen (ongeveer 80%) zal verdeeld worden onder de scholen op basis van schoolkenmerken (niveau, type, onderwijsvorm en studiegebied) (kleuter, lager, al/dan niet type 4, secundair; ASO, BSO, KSO, TSO, DBSO,..). Die plaats in het onderwijsbestel genereert een aantal punten die gebruikt worden bij de verdeling van de middelen. Het onderwijsnet maakt voortaan geen verschil meer. Voor het buitengewoon basisonderwijs wordt ook nog rekening gehouden met de GON-leerlingen voor de berekening van de integratietoelage.
Het historisch akkoord (50 jaar na het schoolpact (zie 2.1.)) was mede mogelijk door de stijging van de werkingsmiddelen voor het onderwijs. Ze stijgen in 2008-2009 met 85 miljoen in het basisonderwijs en 40 miljoen in het secundair onderwijs. De totale toename van de werkingsmiddelen tussen 2004 en 2009 bedraagt 58% voor het basisonderwijs (152 miljoen) en 34% voor het secundair onderwijs (104 miljoen). Lokale besturen die eerder belangrijke extra's besteden aan het eigen onderwijsnet bouwen nu een flankerend onderwijsbeleid voor alle leerlingen van alle netten op hun grondgebied uit (zie 2.6.3.8.). Omkaderingsmiddelen en infrastructuurmiddelen
Een nieuw mechanisme voor de personeelsomkadering (hoeveel personeel scholen kunnen aanstellen) zou in werking moeten treden in het schooljaar 2011-2012. Voor de nieuwe verdelingswijze van de omkaderingsmiddelen zullen mogelijk dezelfde principes worden gehanteerd als voor het nieuwe financieringsmodel voor de werkingsmiddelen. Ook de infrastructuurmiddelen (zie 2.8.4.) zijn geen onderdeel van het akkoord over de werkingsmiddelen. Financieel beheer
De regels en procedures met betrekking tot het financieel beheer opgelegd aan de schoolbesturen verschillen grondig tussen de onderwijsnetten. In het gemeenschapsonderwijs zijn de scholengroepen en de Raad de inrichtende machten (Bijzonder Decreet van 14 juli 1998). De Raad blijft bevoegd voor het vastleggen van de regels voor de toewijzing van de middelen tussen de scholengroepen. De scholengroepen zelf zijn bevoegd voor het autonoom financieel en materieel beheer van de scholen die tot de scholengroep behoren. Een College van Accountants, aangesteld door de Vlaamse Regering, heeft een controlerende taak over het financieel beleid van de scholengroepen. Het College is tevens belast met het financieel toezicht op de Raad. Het College van Accountants bestaat uit 5 leden en is aangesteld voor 4 jaar. In het gesubsidieerd officieel onderwijs zijn de gemeenten en provincies verantwoordelijk voor het financieel beheer van de scholen. Het budget moet worden goedgekeurd op een hoger niveau - de Bestendige Deputatie (het provinciebestuur) voor het gemeentelijk budget en de Vlaamse Regering voor het provinciale budget. FinanciĂŤle beslissingen op een lager niveau kunnen op hoger niveau worden geschorst wanneer de wetgeving niet wordt nageleefd. De schoolbesturen van het gesubsidieerd vrij onderwijs hebben een grotere autonomie. Zij moeten wel voldoen aan de boekhoudkundige verplichtingen van de nieuwe vzw-wetgeving en de controle daarop. Gesubsidieerde onderwijsinstellingen, internaten en CLB's die beantwoorden aan de criteria van rationalisatie en programmatieplannen kunnen voor investeringen beroep doen op de overheid. Decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft.
Algemene organisatie / 116
2.8.4. Financiering van de scholeninfrastructuur en scholenbouw AGIOn, het Agentschap voor Infrastructuur in het onderwijs
AGIOn ●
● ● ● ●
●
subsidieert de aankoop, de bouw, de verbouwing én de eerste uitrusting van gebouwen bestemd voor de gesubsidieerde onderwijsinstellingen, centra voor leerlingenbegeleiding en internaten (de subsidies bedragen 70% voor het basisonderwijs BaO en 60% voor andere onderwijsniveaus, CLB's en internaten); financiert de investeringen van de hogescholen; stimuleert en onderneemt net- en beleidsdomeinoverschrijdende samenwerking inzake onderwijsinfrastructuur; coördineert, stuurt en regiseert publiek-publieke en publiek-private samenwerking inzake onderwijsinfrastructuur; verleent een waarborg voor de terugbetaling van kapitaal, intresten en bijhorende onkosten van leningen die werden aangegaan met het oog op de financiering van het nietgesubsidieerde gedeelte van de subsidiabele kostprijs (30% of 40%); beheert de federale leningen aangegaan voor 1 januari 1989, voor het gesubsidieerd vrij en officieel onderwijs.
AGIOn is sinds 1 april 2006 operationeel en werd opgericht bij decreet van 7 mei 2004 (zie 2.6.2.1.). Het is de rechtsopvolger van de vroegere DIGO, Dienst Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs (opgericht in 1989) en IVAH, Investeringsdienst voor de Vlaamse Autonome Hogescholen (opgericht in 1994). Het zal worden omgevormd tot een EVA (extern verzelfstandigd agentschap).
Bedrag aan machtigingen AGIOn en goedgekeurde subsidies in het kalenderjaar 2008 Gesubsidieerd officieel onderwijs Gesubsidieerd vrij onderwijs Gesubsidieerd officieel hoger onderwijs
59 309 000 € 240 420 000 € 2 107 000 €
Gesubsidieerd vrij hoger onderwijs
19 601 000 €
Autonoom hoger onderwijs
12 114 000 €
Totaal
333 551 000 €
Bron: Statistisch Jaarboek 2008-2009
Voor de infrastructuurwerken van het DBFM-programma is daarenboven 75 miljoen € beschikbaar. (Parlementaire handelingen, Stuk 15 (2007-2008) nr.7) Voor de subsidiëring van de Vlaamse basis- en secundaire schoolinfrastructuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan AGIOn net zoals in de voorbije 3 jaar rekenen op een extra budget (voor de periode 2005-2009) vanuit de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Het extra geld komt pas echt vrij op het ogenblik van de betalingen. Het gaat om een globaal richtbedrag van 12,9 miljoen euro. In 2008 organiseerde AGIOn een uitgebreide schoolgebouwenenquête over ruim 3600 vestigingsplaatsen, over de kwaliteit van de schoolgebouwen en mate waarin ze voldoen aan de nieuwe maatschappelijke en pedagogische uitdagingen in de 21e eeuw. http://www.agion.be Algemene organisatie / 117
Inhaaloperatie scholenbouw met nieuw financieringssysteem
Op 7 juli 2006 keurde het Vlaams Parlement een decreet inhaaloperatie scholenbouw goed. De investeringsnood voor schoolgebouwen was de afgelopen decennia zo opgelopen (1,9 miljard euro, waarvan ongeveer 1,4 miljard euro via subsidies van de Vlaamse overheid moeten komen), dat hij niet te lenigen was met de reguliere budgetten (150 miljoen per jaar). Daarom werd geopteerd voor een aanvullende alternatieve financieringsmethode, de DBFM-formule (design, build, finance and maintain). Een private vennootschap geselecteerd door de overheid, ontwerpt, bouwt, financiert en onderhoudt de bouwprojecten. Dat wil ook zeggen dat elk project binnen een bepaalde termijn wordt afgewerkt, voor een vooraf bepaalde prijs. Ook de grotere herstellingen moeten door de vennootschap gebeuren. De vennootschap zal 1 miljard euro investeren en moet ervoor zorgen dat alle geselecteerde projecten snel gerealiseerd worden. In ruil krijgt ze gedurende 30 jaar een beschikbaarheidsvergoeding van de scholen, die wel onmiddellijk eigenaar worden. De vergoeding wordt gesubsidieerd of gefinancierd door het AGIOn (Vlaams Agentschap voor Infrastructuur in Onderwijs), volgens de spelregels die vandaag gelden voor subsidiëring of financiering van scholenbouw, d.w.z. voor 100%, 70% of 60%. De vennootschap kan alleen uit financiële partners bestaan. Voor het uitvoeren van de bouwprojecten zal concurrentie georganiseerd worden tussen aannemers. Het decreet specificeert ondermeer de procedure om een vennootschap aan te duiden. In 2009 werd de private financier geselecteerd (Fortis Bank – Fortis Real Estate). De regering richtte ook de NV School Invest (een dochtervennootschap van AGIOn en de Participatiemaatschappij Vlaanderen) op ter voorbereiding van de bouwdossiers. De selectie van de projecten gebeurde alvast door de decretaal vastgelegde ad hoc-commissie, samengesteld uit vertegenwoordigers van de netten, de Vlaamse Bouwmeester en de administratie, onder voorzitterschap van de voormalig directeur-generaal van de administratie hoger onderwijs. De projecten werden geselecteerd op basis van criteria vastgelegd door de Vlaamse Regering. Uit de 322 kandidaat-projecten werden 211 geselecteerd, waaronder 29 projecten die model kunnen staan voor de school van de toekomst en 7 passiefscholen. De Vlaamse Bouwmeester zal samen met de vennootschap en de betrokken inric htende macht de ontwerpen beoordelen. Bij gewone projecten moet de Bouwmeester een verplicht advies leveren, bij modelprojecten moeten de drie partijen unaniem beslissen. Hier heeft de Bouwmeester dus medebeslissingsbevoegdheid. Ter ondersteuning werd een handleiding en een website met o.m. goede schoolvoorbeelden (uit Vlaanderen én Europa) uitgebouwd; http://www.scholenbouwen.be/ REG, Rationeel Energiegebruik in scholen
Nieuwe gebouwen moesten sinds 2006 voldoen aan de E100-norm, vanaf 2008 dienen bouwaanvragen aan de strengere E70 isolatienorm te voldoen. De daarvoor nodige investeringskosten worden volledig gesubsidieerd. De jaarlijkse kostprijs is geraamd op 7 miljoen euro voor de periode 2008-2011 en op 2,2 miljoen euro vanaf 2012. Bij wijze van pilootproject zullen ook 25 Passiefscholen (die bijna geen verwarming nodig hebben) gebouwd worden. Voor die pilootprojecten is een budget van 21 miljoen euro gereserveerd. Vooral dubbel glas en efficiënte dakisolatie ontbraken in 2001 nog in meer dan 60% van de scholen. Daarom worden ook REG-investeringen in bestaande scholen (energiezuinige verwarming en verlichting, isolatie, verbeterd dubbel glas) gesubsidieerd. De scholen of hun scholengemeenschap dienen ook een energiecoördinator aan te stellen. Voor hen werd in 2009 een praktijkgerichte opleiding georganiseerd. Daarnaast werd in 2009 o.m. ook de opstart van een energieboekhouding gesubsidieerd. Sedert 1 januari 2009 moeten alle scholen groter dan 1 000 m² een energieprestatiecertificaat (EPC) hebben. Het EPC stelt het energieverbruik van het schoolgebouw vast en vergelijkt het met andere gebouwen. Het bevat ook advies voor energiebesparende maatregelen. Een interne of externe energiedeskundige stelt het EPC op. Een overzicht van alle maatregelen en initiatieven vindt men op: Algemene organisatie / 118
http://www.ond.vlaanderen.be/energie/ Omzendbrief NO/2008/06 rationeel energiegebruik in scholen
De school als ontwerpopgave. Schoolarchitectuur in Vlaanderen “Aanbevelingen bij de inhaaloperatie in de scholenbouw (2006-2010).
1995-2005”
met
katern
AGIOn, Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (voorheen DIGO) Decreet betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur Decreet tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid "Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs"
2.8.5. Financiering van de permanente vorming 2.8.5.1. Volwassenenonderwijs
De CBE's, centra voor basiseducatie en de CVO's, centra voor volwassenenonderwijs worden gesubsidieerd/gefinancierd door de overheid en kunnen beroep doen op leraarsuren en punten. Op basis van het aantal lesurencursist krijgen zij een aantal voltijdse equivalenten voor het aanwerven van leraars, een puntenenveloppe voor het aanwerven van ondersteunend personeel (en bestuurspersoneel voor de CVO’s) en een werkingstoelage. Van de werkingstoelage (voor CBE’s) of de werkingsmiddelen (CVO’s) moet er 5% besteed worden aan kwaliteitszorg en aan de ontwikkeling van leermiddelen. Elk centrum heeft recht op één voltijdse functie van directeur. De CVO’s generen tevens werkingsmiddelen uit de inschrijvingsgelden van de cursisten. De overheid betaalt aan de centra de gederfde inschrijvingsgelden terug van de cursisten die geheel of gedeeltelijk vrijgesteld zijn van inschrijvingsgeld. Er wordt een bedrag van 0,75 euro per lesuurcursist gegarandeerd. Zij ontvangen ook gelden van de beoordeling voor cursisten die afstandsonderwijs gevolgd hebben of cursisten die in het studiegebied algemene vorming een beoordeling ondergaan zonder opleiding gevolgd te hebben. Voor de nijverheidstechnische opleidingen ontvangen de CVO een extra werkingstoelage van 0,30 euro per lesuurcursist. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring dient een CBE dat is aangesloten bij een consortium volwassenenonderwijs ten minste 60.000 lesurencursist/jaar behaald te hebben. Wanneer het niet aangesloten is bij een consortium dient dat ten minste 360.000 lesurencursist/jaar te zijn. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring of financiering dient een CVO dat is aangesloten bij een consortium volwassenenonderwijs ten minste 120.000 lesurencursist/jaar behaald te hebben (in het gebied Brussel-Hoofdstad 60.000 lesurencursist/jaar). Wanneer het niet aangesloten is bij een consortium dient dat ten minste 720.000 lesurencursist/jaar te zijn. Voor het ondersteunen en stimuleren van de centra die opleidingen als gecombineerd onderwijs willen aanbieden zijn extra middelen voorzien (zie 7.11.1.). De consortia volwassenenonderwijs krijgen samen een subsidie voor personeelskosten, werkingskosten en investeringen van ten minste 3,017 miljoen euro. Daarvan dient 650.000 euro aangewend voor de ondersteuning en coördinatie van de uitwerking van een onderwijs- en vormingsbeleid voor gedetineerden, het detecteren van hun onderwijs- en opleidingsbehoeften en begeleiding van hun onderwijstraject. Het resterend hoofdbedrag van de subsidie zal verdeeld worden
Algemene organisatie / 119
onder de consortia volwassenenonderwijs op basis van het totale volume lesurencursist gegenereerd door de aangesloten centra bij het consortium. Het VOCVO, Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs ontvangt een jaarlijkse subsidie voor personeelskosten, werkingskosten en investeringen. Het VOCVO staat in voor de ondersteuning en begeleiding van de Centra voor Basiseducatie en de Centra voor Volwassenenonderwijs die geen beroep doen op een pedagogische begeleidingsdienst. Een soortgelijk bedrag wordt verdeeld onder de pedagogische begeleidingsdiensten voor de ondersteuning en begeleiding van de aangesloten Centra voor Volwassenenonderwijs. Het nieuwe financieringssysteem zal in 2009-2010 en in 2012 worden geëvalueerd.
2.8.5.2. Beroepsopleiding VDAB
De VDAB is een Extern Verzelfstandigd Agentschap (zie 1.2.2.). De werking van de VDAB wordt grotendeels gefinancierd door de Vlaamse overheid. In dit kader sluit de VDAB met de Vlaamse Regering een Beheersovereenkomst af (momenteel 2005-2009, zie 7.4.2.). Naast de dotatie van de Vlaamse Gemeenschap zijn er ook inkomsten van de Europese Unie en uit facturatie aan werkgevers.
2.8.5.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen
Het agentschap SYNTRA Vlaanderen wordt gesubsidieerd door de Vlaamse overheid - beleidsdomein Werk en ontvangt ook Europese en Vlaamse middelen voor specifieke projecten. Het subsidieert de 5 erkende centra voor vorming van zelfstandigen en KMO (SYNTRA). De centra ontvangen een werkings- en een investeringssubsidie. Ze moeten hun subsidies aanvullen met eigen middelen hoofdzakelijk te verwerven via inschrijvingsgelden van cursisten. ●
●
De werkingssubsidie voor SYNTRA omvat de subsidie leertijd, de subsidie gecertificeerde en niet-gecertificeerde opleidingen en desgevallend een subsidie projectfinanciering. Ze wordt berekend op het aantal cursisturen van die cursisten die deelnemen aan het examen. Inbegrepen in de werkingssubsidie zijn de subsidie voor de organisatie van de examens en de subsidie voor de uitrusting. De investeringssubsidie omvat de subsidie voor het huren, de nieuwbouw of de verwerving en het eigenaarsonderhoud van de gebouwen. Met uitzondering van de projectfinanciering worden de subsidies uitgekeerd in vier schijven.
De activiteiten moeten door SYNTRA verantwoord worden via een organisatieplan (zie 7.2.3.) dat ook door de raad van bestuur van SYNTRA Vlaanderen wordt goedgekeurd. Een cursus wordt slechts gesubsidieerd als aan de erkenningsvoorwaarden wordt voldaan.
2.8.5.4. Landbouwvorming
De erkende centra voor landbouwvorming dienen jaarlijks een jaarprogramma in ter kennisgeving van het aantal uren waarvoor subsidie zal aangevraagd worden. De minister keurt de programma’s goed in functie van de beschikbare begrotingsmiddelen. De centra dienen per opleiding een subsidieaanvraag in (via internet). Zij ontvangen als enige tussenkomst een forfaitaire subsidie per lesuur, die opgesplitst is in een lesgeververgoeding en een werkingstoelage. Een opleiding is maar
Algemene organisatie / 120
subsidieerbaar als zij aan de subsidievoorwaarden voldoen, zoals bijvoorbeeld een voldoende aantal geldige deelnemers aantrekken.
2.8.5.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO
De academies voor deeltijds kunstonderwijs ontvangen een lesurenpakket op basis van het leerlingenaantal geteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar. Daarnaast betaalt de Vlaamse Gemeenschap ook werkingsmiddelen uit. Voor de begroting (zie 2.9.2.).
2.8.5.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk
Enveloppenfinanciering
De overheid ondersteunt sociaal-culturele organisaties door financiële middelen te voorzien waarop zij aanspraak maken mits zij voldoen aan de gestelde voorwaarden. Het decreet vormt de wettelijke basis voor erkenning en/of voor de structurele subsidie die zij krijgen indien ze aan de voorwaarden voldoen. Het decreet van 4 april 2003 maakt niet langer strikt onderscheid tussen de subsidies voor personeelskosten, werkingskosten en basiskosten. De organisaties krijgen een enveloppe. Indexaanpassingen en eventuele sancties niet te na gesproken, gaat het jaarlijks om hetzelfde bedrag gedurende een beleidsperiode. Anders dan vroeger moet het subsidiebedrag niet volledig worden uitgegeven in het jaar waarvoor het werd toegekend. Organisaties mogen een reserve aanleggen, mits ze het geld in de lopende beleidsperiode effectief uitgeven en ze deze werkwijze in hun beleidsplan hebben verantwoord. Basis en variabel bedrag
De enveloppe die verenigingen en gespecialiseerde vormingsinstellingen krijgen, bestaat uit een basisbedrag en een variabel bedrag. Het oorspronkelijke subsidiebedrag werd vastgesteld op basis van de grootte van de organisaties (aantal afdelingen voor de verenigingen, aantal cursusuren over het thema voor de gespecialiseerde vormingsinstellingen) van vóór het decreet 2003. Vanaf 2011 kunnen deze bedragen per beleidsperiode worden aangepast aan de levensduurte. Dit bedrag kan vermeerderen of verminderen op basis van de evaluatie van de werking van deze organisaties onder meer op basis van een visitatiebezoek door een gemengde commissie met vertegenwoordigers van het Agentschap Sociaal-cultureel werk voor Jeugd en Volwassenen én externe deskundigen. Het bedrag vermindert met 10% bij een eerste en 20% bij elke volgende negatieve evaluatie van de werking. Een organisatie met een positieve eindevaluatie kan een aanvullend subsidiebedrag krijgen als ze wil inspelen op door de Vlaamse overheid bepaalde beleidsprioriteiten. Deze prioriteiten worden vastgelegd na een maatschappelijk debat over behoeften die door de sector worden gesignaleerd en beleidsintenties van de Vlaamse overheid zelf. De bewegingen krijgen een bedrag op basis van de evaluatie van hun aanvraagdossier. In het decreet staan minimum- en maximumbedragen per organisatie ingeschreven. De Minister beslist over het bedrag op basis van een advies van een adviescommissie. Beslissingen over mogelijke verdere subsidiëring gebeuren op basis van een visitatiebezoek door een gemengde commissie en evaluatie van de werking door het Agentschap Sociaal-cultureel werk voor Jeugd en Volwassenen. Bij een positieve evaluatie van de werking kunnen bewegingen een nieuw aanvraagdossier indienen voor de volgende beleidsperiode. De volkshogescholen krijgen vanaf 2005 max 1,5 euro per inwoner in hun werkgebied (en minimum 500.000 euro), onafhankelijk van de evaluatie van hun werking. De syndicale vormingsinstellingen en de vormingsinstellingen voor personen met een handicap krijgen de som van de bedragen die de leden van deze federaties vóór 2003 ontvingen, de vormingsinstellingen voor personen met een Algemene organisatie / 121
handicap ontvangen bovendien een forfaitair bedrag van 75.000 euro. De evaluatie van hun werking heeft ook voor deze vormingsinstellingen geen directe gevolgen voor de subsidie-enveloppe van deze organisaties. Andere subsidies
Naast het subsidiebedrag dat de sociaal-culturele volwassenenorganisaties van de minister van Cultuur krijgen, hebben zij meestal ook eigen inkomsten (zoals bijdragen van deelnemers en giften) én andere subsidies. Het gaat o.a. om provinciale subsidies (elke provincie heeft een eigen reglement), subsidies van andere Vlaamse of federale ministers (als het thema of de doelgroep van de organisatie aansluit bij een ander beleidsdomein) en Europese projectsubsidies.
2.8.6. Financiering van het hoger onderwijs In 2008 werd een nieuw financieringssysteem voor het ganse hoger onderwijs (hogescholen en universiteiten) ingevoerd (decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen). Met dit nieuwe financieringssysteem wordt ondermeer beoogt een bijdrage te leveren aan de volgende beleidsdoelstellingen van het nieuwe systeem: ● ● ● ● ● ● ● ●
het bevorderen van de participatie aan en van de succesvolle uitstroom uit het hoger onderwijs; verhoging van het rendement van de studietrajecten en responsabilisering van de instellingen voor hun studievoortgangbeleid; verhoogde democratisering en toegankelijkheid; verhoging van de kansen op hoger onderwijs voor jongeren van ondermeer allochtone afkomst; een meer doelmatig en gerationaliseerd onderwijsaanbod; financiering van flexibelere trajecten, maar rekening houdende met studievoortgang en succesvolle uitstroom; de academisering van de vroegere hogeschoolopleidingen van twee cycli doen slagen; de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek stimuleren.
Deelbudgetten
Een volledig geïntegreerd rekenmodel voor de werkingsmiddelen van universiteiten en hogescholen was nog niet haalbaar, gelet op de verschillende historiek en de verschillende finaliteiten van de onderwijstypes. Daarom werd gekozen voor een model met deelbudgetten voor de afzonderlijke types onderwijs. (De hier vermelde bedragen zijn prijsniveau 2008). ● ● ● ● ● ●
Een globale onderwijssokkel voor hogescholen en universiteiten (100 miljoen euro); Een variabel onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen (366 miljoen euro); Een variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen (156,5 miljoen euro); Een variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten (313,5 miljoen euro); Een globale onderzoekssokkel voor de universiteiten (105 miljoen euro); Een variabel onderzoeksdeel voor de universiteiten (176 miljoen euro).
De academiseringsmiddelen en de nieuwe middelen voor de onderzoeksgebondenheid van academisch gerichte hogeschoolopleidingen blijven buiten het nieuwe model. Daarover zal opnieuw Algemene organisatie / 122
beslist worden na afloop van het academiseringsproces in 2013. De middelen voor de specifieke lerarenopleidingen en voor de Hogere Zeevaartschool worden geregeld door een apart decreet. We lichten de deelbudgetten nader toe. ●
Een vaste forfaitaire onderwijssokkel (voor hogescholen en universiteiten):
○ dit bedrag wordt verdeeld op basis van het aantal opgenomen studiepunten door studenten met een diplomacontract in de initiële bachelor en masteropleidingen. Het is een degressief systeem, met als gevolg een relatief grotere onderwijssokkel voor de kleinere instellingen;
○ om voor een onderwijssokkel in aanmerking te komen, moet een instelling een
●
minimale instellingsnorm van 90.000 opgenomen studiepunten in de bachelor- en masteropleidingen halen. Instellingen die deze minimale instellingsnorm niet halen, ontvangen niet het gegarandeerde minimumbedrag, noch een bijdrage van het Aanmoedigingsfonds. Een variabel onderwijsdeel (voor de professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen, de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen, de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten):
○ de opleidingen die voor financiering in aanmerking komen zijn:
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
de geaccrediteerde initiële bacheloropleidingen; de geaccrediteerde initiële masteropleidingen; de schakelprogramma's; de voorbereidingsprogramma's; (de opleidingen in het hoger beroepsonderwijs worden eveneens gefinancierd, maar vallen niet onder de hier vermelde variabele onderwijsdelen);
○ de postinitiële bacheloropleidingen (de bachelor-na-bacheloropleidingen) worden aan de helft van de initiële bacheloropleidingen gefinancierd, maar de Vlaamse Regering kan in bepaalde omstandigheden hiervan afwijken;
○ de postinitiële masteropleidingen (master-na-masteropleidingen) worden in principe niet meer gefinancierd; maar ook daar zal de Vlaamse Regering kunnen afwijken, zij het enkel voor opleidingen die aan welbepaalde criteria voldoen: de maatschappelijke meerwaarde, zoals de behoeften op de arbeidsmarkt, de wetenschappelijke relevantie en de kwaliteit van de opleidingen;
○ voor deze postinitiële bachelor- en masteropleidingen kunnen de instellingen alternatieve financieringsbronnen aanboren met inbegrip van een hoger studiegeld (voor de gefinancierde opleidingen maximum het dubbel, voor de niet-gefinancierde kan het bedrag oplopen tot 5.400 euro (niet geïndexeerd) en in uitzonderlijke gevallen tot 24.790 euro (niet geïndexeerd));
○ voor financiering komen zowel diploma- als creditcontracten in aanmerking, echter geen examencontracten;
○ diplomacontracten worden gefinancierd op basis van input én outputgegevens:
▪
startende studenten worden gefinancierd op inputbasis (= op basis van opgenomen studiepunten) tot ze in één opleiding 60 studiepunten verworven hebben;
▪
studenten die minstens 60 studiepunten verworven hebben in éénzelfde opleiding worden gefinancierd op basis van verworven studiepunten (output); een studiepunt is een maatstaf voor studiebelasting en komt overeen met 25 tot 30 uur studeren;
▪ ▪
de inputfinanciering geldt enkel voor de bacheloropleidingen; als een generatiestudent zich in de loop van het academiejaar heroriënteert en zich in een andere opleiding en instelling met diplomacontract inschrijft behoudt
Algemene organisatie / 123
de eerste instelling het aantal studiepunten waarvoor de student ingeschreven was. Op deze manier wordt heroriëntering niet financieel bestraft;
○ creditcontracten worden enkel gefinancierd op basis van outputgegevens (verworven studiepunten);
○ er wordt een weging van studentenkenmerken toegepast: studenten met een beurs, studenten met functiebeperkingen en werkstudenten wegen zwaarder door (factor 1,5);
○ elk uitgereikt diploma van een professionele bachelor en initiële masteropleiding levert een diplomabonus van 30 studiepunten op (op voorwaarde dat de student de helft van de studiepunten van de opleiding in de betreffende instelling heeft verworven);
○ op het volume van de studiepunten worden ook wegingscoëfficiënten van studiegebieden toegepast;
○ er zijn ook bonussen voor de instellingen voorzien ter bevordering van de doelmatigheid;
▪
bij stopzetting of overdracht van opleidingen wordt in een uitdovende overgangsfinanciering voorzien (met daarenboven een bonus bij het stopzetten van een opleiding, mits goedgekeurd reorganisatieplan voor het betrokken personeel);
▪
●
voor de rationalisatie en optimalisatie van opleidingen werd eenmalig in 2009 een extra budget van 5 miljoen euro voorzien. Dit rationalisatiefonds werd verdeeld over de instellingen die een door de Vlaamse Regering goedgekeurd rationalisatieplan hadden. Een vaste onderzoekssokkel (voor de universiteiten):
○ het bedrag wordt verdeeld onder de universiteiten op basis van het aantal doctoraten en het aantal publicaties, met een onder- en bovengrens;
○ gezien de historische onderfinanciering van de Universiteit Gent zal deze instelling ●
gedurende 6 jaar een bijkomende onderzoekssokkel ontvangen, die nadien over een periode van 4 jaar geleidelijk wordt afgebouwd. Een variabel onderzoeksdeel dat onder de universiteiten wordt verdeeld op basis van:
○ het aantal academische en academisch gerichte bachelor- en initiële masterdiploma's uitgereikt door de universiteiten en de hogescholen die deel uitmaken van de associatie;
○ het aantal uitgereikte diploma's van doctor; ○ het aantal publicaties en citaties volgens criteria die ook meespelen bij de verdeling van middelen uit het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF);
○ het aantal eerste aanstellingen in een graad van het zelfstandig academisch personeel van externe onderzoekers en van vrouwelijke onderzoekers. De associaties krijgen elk een forfaitair bedrag van 100.000 euro in te schrijven op een afzonderlijke budgetpost (de associatiesokkel). Overgangsregeling
Om geen plotse schokken in de financiering van de instellingen te veroorzaken, wordt het systeem geleidelijk ingevoerd. Daarvoor is het principe van het “gegarandeerde minimumbedrag” in het leven geroepen. Dat zegt dat elke instelling tot en met het begrotingsjaar 2013 op zijn minst het (geïndexeerde) bedrag van 2007 behoudt. Instellingen die onder de minimale instellingsnorm voor de onderwijssokkel vallen, komen niet in aanmerking voor dit ‘gegarandeerd minimumbedrag’ en kunnen in deze overgangsperiode dan ook middelen verliezen.
Algemene organisatie / 124
Een Aanmoedigingsfonds voor beleidsspeerpunten
Met de middelen van het Aanmoedigingsfonds kunnen de hogescholen en universiteiten initiatieven nemen om gelijke kansen en diversiteit in het hoger onderwijs aan te moedigen en in het bijzonder om maatregelen te nemen die de in-, door- en uitstroom bevorderen van studenten uit bevolkingsgroepen die op dit ogenblik ondervertegenwoordigd zijn in het hoger onderwijs. De eerste beheersovereenkomsten hebben een looptijd van 3 jaar (2008-2010), daarna telkens voor een periode van 5 jaar. In het laatste jaar van de looptijd vindt een evaluatie plaats. In 2008 was € 3 miljoen voorzien voor dit fonds, vanaf 2009 jaarlijks € 6 miljoen. In een eerste periode (2008-2010) wordt het bedrag van het Aanmoedigingsfonds verdeeld op basis van het aandeel van de onderwijssokkel van elke instelling. Vanaf 2011 zal de verdeling gestuurd worden op basis van resultaatsindicatoren. De lijst van algemene resultaatsindicatoren werd in 2008 vastgelegd en zal regelmatig geactualiseerd worden. Financiering studiecentra Open Hoger Onderwijs
De studiecentra Open Hoger Onderwijs (zie 6.18.) ontvangen een bijdrage in de financiering van hun werking van jaarlijks 632.000 euro. Dit bedrag wordt verdeeld over de 6 centra volgens een vaste component van max. 7500 euro per centrum, een vaste component van max. 15.000 euro voor het centrum dat de coördinatie waarneemt alsook de relaties met de Open Universiteit Nederland, een variabele component waarbij het resterende bedrag wordt verdeeld over de centra a rato van het aantal inschrijvingen met examenrechten bij de Open Universiteit Nederland. Leerkrediet voor studenten
Elke student in het hoger onderwijs start voortaan met een individueel leerkrediet van 140 studiepunten. Bij inschrijving wordt het aantal opgenomen studiepunten afgetrokken van dit krediet. Verworven studiepunten komen terug bij dit krediet, de eerste 60 studiepunten zelfs tweemaal (enkel bij diplomacontracten). Dat is een extra reserve voor wie zich herpakt na bijvoorbeeld een slechte start in het hoger onderwijs. Studenten zonder leerkrediet zijn niet financierbaar. De instellingen kunnen zelf beslissen of ze hen nog inschrijven en ze mogen een hoger studiegeld vragen (maximaal het dubbele van het reguliere inschrijvingsgeld). Voor inschrijving in een schakelprogramma of voorbereidingsprogramma wordt het leerkrediet niet gebruikt. Dit is ook niet het geval voor inschrijvingen onder een examencontract. Bij het behalen van een masterdiploma wordt het initiële leerkrediet van 140 studiepunten opnieuw afgetrokken van het leerkrediet. In het kader van levenslang leren wordt het al dan niet resterende leerkrediet van een student na het verlaten van het hoger onderwijs eenmalig terug opgebouwd tot 60 studiepunten: jaarlijks komen er daartoe 10 studiepunten bij. Deze 60 studiepunten kunnen dan opnieuw ingezet worden voor een nieuwe inschrijving in een initiële bachelor- of masteropleiding. Studenten hoger onderwijs kunnen voortaan de stand van hun leerkrediet online volgen op http://www.studentenportaal.be./ Controle
De instellingen ontvangen de werkingsmiddelen als een 'lump sum'. Zij beslissen autonoom over de toewijzing van de middelen en moeten daar regels voor opstellen. Zij zijn daarbij wel gebonden door een minimaal aantal decretale voorschriften, zoals deze inzake de aanwerving en benoeming van personeelsleden. De naleving van deze voorschriften wordt gecontroleerd door een Commissaris van de Vlaamse Regering en een inspecteur van financiën. De commissaris kan in beroep gaan tegen een beslissing van de instelling en dan moet de Vlaamse Regering de beslissing beoordelen. De commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen en universiteiten vormen één college dat minstens 6 keer per jaar vergadert en jaarlijks verslag uitbrengt aan de Vlaamse Regering. Algemene organisatie / 125
Studentenvoorzieningen
De hogeronderwijsinstellingen ontvangen jaarlijks een bedrag voor de studentenvoorzieningen. In de nabije toekomst wordt de regelgeving inzake studentenvoorzieningen aangepast en er komt een nieuw uniform systeem voor hogescholen en universiteiten. Evaluatie
Het financieringsdecreet zal geëvalueerd worden voor 2014. Verdeling van de middelen voor de bijzondere onderzoekfondsen (BOF)
Via hun Bijzonder Onderzoeksfonds kunnen universiteiten een eigen beleid voeren voor fundamenteel, grensverleggend onderzoek. De overheid stelt daarvoor een totaal budget van 104 miljoen euro ter beschikking. Een verdeelsleutel bepaalt hoeveel middelen elke universiteit krijgt. Die sleutel bestaat uit verschillende componenten die verwijzen naar de onderzoekscapaciteiten en resultaten van de instellingen (aantal onderzoekers, aantal afgeleverde doctoraten, enz.). Ook het aantal publicaties en citaties in hoog gewaardeerde wetenschappelijke tijdschriften speelt hierin een belangrijke rol. Om het aantal publicaties en citaties te meten, gebruikt men het Web of Science (WoS) maar dit internationale bibliografische bestand bevat vooral toonaangevende tijdschriften uit de ingenieurs-, natuur- en levenswetenschappen. Onderzoekers uit de sociale en humane wetenschappen klaagden dat hun werk te weinig meetelt bij de verdeling van de onderzoeksmiddelen. Daarom werd beslist voortaan meer rekening te houden met het werk van onderzoekers uit de sociale en humane wetenschappen. Dat gebeurt door in de verdeelsleutel voor de BOF-middelen een meer uitgebreide set van internationale publicatie- en citatie-indexen te gebruiken en een Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen (VABB-SHW) uit te bouwen. Met de technische ondersteuning van het Expertisecentrum O&O zullen Vlaamse wetenschappers uit de sociale en de humane wetenschappen een bestand uitbouwen met artikels en publicaties die een hoge wetenschappelijke waarde hebben, maar niet in de bestaande internationale databanken voorkomen. Dat laat ook toe om Nederlandstalige publicaties naar waarde te schatten. De uitbreiding zorgt er ook voor dat monografieën en bijdragen in boeken in rekening gebracht worden. Ook voor de basisfinanciering van de universiteiten heeft dit gevolgen. De VABB-SHW zal gebruikt worden voor de verdeling van de variabele onderzoeksmiddelen.
2.9. Statistieken We behandelen achtereenvolgens de schoolbevolking, de onderwijsbegroting
2.9.1. Schoolbevolking Het aantal leerlingen/studenten en aantal instellingen geven we per niveau: basisonderwijs (zie 4.18.1.), secundair onderwijs (zie 5.21.1.), deeltijds secundair onderwijs (zie 5.21.1.), leertijd (zie 5.21.2.), internaten (zie 5.21.3.), hoger onderwijs (zie 6.19.), volwassenenonderwijs (zie 7.17.1.), beroepsopleiding VDAB (zie 7.17.2.), ondernemersvorming SYNTRA (zie 7.17.3.), landbouwvorming (zie 7.17.4.), deeltijds kunstonderwijs (zie 7.17.5.), buitengewoon onderwijs (zie 10.8.1.), geïntegreerd onderwijs (zie 10.8.2.), leerlingen/studenten van vreemde nationaliteit (zie 10.8.4.), in het Nederlandstalig onderwijs in het Brussels Hoofstedelijk Gewest (zie 10.8.5.), huisonderwijs (zie 4.16.).
Algemene organisatie / 126
Aantal leerlingen basis- en secundair onderwijs verdeeld over de netten in % Onderwijsnet
Gewoon onderwijs
Buitengewoon onderwijs
GO! onderwijs Vlaamse Gemeenschap
15,1
23,3
Gesubsidieerd officieel onderwijs
16,7
14,7
Gesubsidieerd vrij onderwijs
68,2
62,0
Bron: Vlaams onderwijs in beeld 2008-2009
Evolutie van de totale schoolbevolking vanaf het schooljaar 1999-2000 Voltijds onderwijs Schooljaar
Kleuter-
Lager
Secundair
Hogescholen-
Universitair
Totaal
onderwijs
onderwijs
onderwijs
onderwijs
onderwijs
2000 - 2001
240 582
435 535
429 106
99 258
56 118
1 260 599
2001 - 2002
239 504
434 320
430 163
99 339
56 693
1 260 019
2002 - 2003
238 143
431 209
435 781
99 661
56 839
1 261 633
2003 - 2004
236 671
426 567
444 714
100 178
56 839
1 264 969
2004 - 2005
234 963
420 678
452 441
101 185
57 005
1 266 272
2005 - 2006
234 530
415 726
457 351
102 367
59 172
1 269 146
2006 - 2007
235 251
413 951
457 527
102 477
60 866
1 270 072
2007 - 2008
239 480
411 697
456 578
104 174
64 372
1 276 301
2008 - 2009
245 459
409 425
454 694
107 332
68 601
1 285 354
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Levensbeschouwelijke vorming: aantal leerlingen Gewoon lager onderwijs
Gewoon secundair onderwijs
318 038
358 322
Protestantse godsdienst
2 586
1 289
IsraĂŤlitische godsdienst
1 314
936
Islamitische godsdienst
18 844
14 438
351
386
10
4
37 087
57 509
Cultuurbeschouwing
2 486
1 190
Vrijstelling
1 166
2 072
381 882
436 146
Katholieke godsdienst
Orthodoxe godsdienst Anglicaanse godsdienst Niet-confessionele zedenleer
Totaal
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Algemene organisatie / 127
Aantal leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die een vreemde taal volgen Frans
Engels
Duits
Spaans
-
-
-
-
130 857
65 227
-
-
- ASO
62 702
62 617
25 632
229
- TSO
44 309
42 480
4 389
-
- KSO
2 842
2 842
-
-
- BSO
19 668
9 238
122
-
- ASO
54 334
54 170
36 654
2 779
- TSO
47 666
45 424
12 799
779
- KSO
3 102
3 083
501
21
- BSO
26 832
16 207
2 741
-
143
166
-
-
1 185
151
15
-
393 640
301 605
82 853
3 808
Onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers 1e graad e
2 graad
e
3 graad
e
4 graad Modulair onderwijs Totaal
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Kostprijs per leerling/student per onderwijsniveau (in EUR) Onderwijsniveau
2007
2008
2009
Gewoon basisonderwijs
4 088
4 682
4 167
Buitengewoon basisonderwijs
12 414
13 695
12 867
Gewoon secundair onderwijs
7 376
8 097
7 383
16 167
17 933
16 421
1 104
1 141
1 170
Buitengewoon secundair onderwijs Deeltijds kunstonderwijs Bron: Vlaams onderwijs in cijfers 2008-2009
Evolutie van het aantal leerlingen die huisonderwijs volgen Onderwijsniveau 2003-2004 2004-2005 2005-2006 2006-2007 Basisonderwijs 122 202 220 247 Secundair ond. 255 311 360 419 Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Algemene organisatie / 128
2007-2008 279 504
2008-2009 289 577
Voorspelling van de evolutie van de schoolbevolking op basis van de bevolkingsvooruitzichten Schooljaar
Kleuter
Lager
Secundair
Kleuter Lager Secundair % % % 2007-2008 + 4 229 - 2 254 - 837 + 1,8 - 0,5 - 0,2 2008-2009 + 5 952 - 2 398 - 2 069 + 2,5 - 0,6 - 0,4 2009-2010 + 6 559 - 2 178 - 3 144 + 2,7 - 0,5 - 0,7 2010-2011 + 5 005 + 1 090 - 4 960 + 2,0 + 0,3 - 1,1 2011-2012 + 3 883 + 3 614 - 5 180 + 1,5 + 0,9 - 1,1 2012-2013 + 2 794 + 5 288 - 3 250 + 1,1 + 1,3 - 0,7 2013-2014 + 2 608 + 7 252 - 2 839 + 1,0 + 1,7 - 0,6 2014-2015 + 2 009 + 8 623 - 2 662 + 0,8 + 2,0 - 0,6 2015-2016 + 1 355 + 9 027 - 2 182 + 0,5 + 2,1 - 0,5 2016-2017 + 617 + 7 424 + 93 + 0,2 + 1,7 + 0,0 2017-2018 - 190 + 5 519 + 3 033 - 0,1 + 1,2 + 0,7 Bron: Bijdrage van de Vlaamse administratie aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse Regering. Beleidsdomeinspecifieke bijdrage Onderwijs en Vorming, 2009. (Leerlingenprognose door de stafdiensten Onderwijs en Vorming. De bevolkingsvooruitzichten houden rekening met migratie).
Algemene organisatie / 129
2.9.2. Onderwijsbegroting
Bron : Vlaams onderwijs in beeld 2008-2009
Algemene organisatie / 130
Onderwijsbegroting per uitgavecategorie, in duizend euro (evolutie 2007-2009)
2007
2008
2009
Salarissen
6 006 540
6 192 559
6 330 538
Werking
2 334 414
2 819 557
2 215 634
Investeringen
251 466
480 669
285 191
Andere
267 076
308 619
375 508
8 859 496
9 801 404
9 206 871
5 369 080
5 519 299
5 627 105
AMVD-personeel gemeenschapsonderwijs
52 920
51 093
48 801
Ondersteuning (gesco's, peutertuinen, ped centra,‌)
16 832
17 078
17 633
176 286
185 249
191 559
2 925
3 006
3 039
236 915
262 911
284 274
10 975
12 167
13 961
126 728
127 423
129 606
13 837
14 290
14 516
42
43
44
6 006 540
6 192 559
6 330 538
792 495
1 213 372
589 731
1 474 712
1 542 977
1 578 936
Deeltijds kunstonderwijs
2 836
2 961
4 929
Volwassenenonderwijs
45 634
39 776
22 452
2 150
2 945
2 498
14 839
15 888
15 433
1 748
1 638
1 655
2 334 414
2 819 557
2 215 634
Basisonderwijs
99 557
202 130
119 424
Secundair onderwijs
97 573
185 943
108 196
Hoger onderwijs
54 336
92 596
57 571
251 466
480 669
285 191
Totaal Salarissen Personeel leerplichtonderwijs
Personeel deeltijds kunstonderwijs Personeel zeevaartonderwijs Personeel volwassenenonderwijs Personeel pedagogische begeleiding Personeel CLB-centra Onderwijsinspectie Allerhande Totaal Werking (1) Leerplichtonderwijs Hoger onderwijs
Pedagogische begeleiding CLB-centra Onderwijsinspectie Totaal Investeringen
Totaal
Algemene organisatie / 131
Andere Studietoelagen
80 616
99 875
121 662
5 511
10 708
9 660
Leerlingenvervoer
23 781
26 666
32 242
Nascholing
14 379
16 463
16 907
ICT
16 266
2 785
2 677
Allerhande werkingskosten
21 867
30 848
20 269
213
4 304
63 651
104 443
116 970
108 440
267 076
308 619
375 508
Internationaal
Provisionele kredieten Bestaansmiddelen Totaal
(1) De stijging van het krediet 2008 ten opzichte van 2007, en de daling van het krediet 2009 ten opzichte van 2008 kan voornamelijk worden verklaard door een vooruitbetaling van werkingsmiddelen voor 2009. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Onderwijsbegroting per onderwijsniveau, in duizend euro (evolutie 2007-2009)
Niveau
2007
2008
2009
2 451 137
2 800 785
2 499 146
357 615
395 714
376 815
4 851
4 930
5 056
3 287 091
3 608 266
3 283 365
292 342
331 015
304 256
6 316
6 572
8 142
178 982
188 375
196 659
1 528 040
1 633 961
1 633 483
Volwassenenonderwijs
282 549
303 189
307 274
Andere niet-onderwijsniveau gebonden uitgaven
470 573
528 597
592 675
8 859 496
9 801 404
9 206 871
Gewoon basisonderwijs Buitengewoon basisonderwijs Basisonderwijs algemeen (netoverschrijdende uitgaven) Gewoon secundair onderwijs Buitengewoon secundair onderwijs Secundair onderwijs algemeen (netoverschrijdende uitgaven) Deeltijds kunstonderwijs Hoger onderwijs
Algemeen totaal
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Algemene organisatie / 132
Evolutie van het onderwijsbudget
Bron: Vlaams Onderwijs in cijfers 2008-2009
2.9.3. Budget EPOS Europese Commissie Comenius Erasmus Leonardo Da Vinci Grundtvig Transversaal programma Europass * Bologna Experten Totaal Beleidsdomein onderwijs Comenius Erasmus Leonardo Da Vinci Grundtvig Transversaal programma Europass * Bologna Experten Totaal
2007 1 676 685 5 180 076 2 898 085 378 928 43 653 35 000 18 453 10 230 880
2008 1 859 191 5 716 237 3 120 411 344 422 58 085 35 000 15 403 11 142 751
2007 47 500 605 000 0 13 500 0 75 000 13 417 754 417
2008 40 000 2 055 000 0 21 000 0 75 000 15 770 2 206 770
* Inclusief werkingskosten Bron: Jaarboek EPOS 2007-2008
Algemene organisatie / 133
2.9.4. Budget competentieagenda
1 Proeftuinen
2007
2008
2009
500 000
500 000
500 000
900 000
900 000
900 000
1 000 000
1 000 000
1 000 000
350 000
125 000
Beroepenhuis 2 Stagebemiddelaars Proeftuinen Stageplan VDAB 3 Actieplan ondernemend onderwijs 4 Groeipad EB: ontwikkelwerk Groeipad EB: testcentra Organisatie event
4 500
CMS Borging standaarden
50 000
Functionele behoefte en netwerk experten
50 000
E-gov Dep
50 000
500 000
Verspreiden ESF-gp
50 000
Kennisdraaischijf O, V en W
75 000
5 Actieplan jeugdwerkloosheid
2 000 000
4 500 000
4 500 000
6 Proeftuinen
2 000 000
2 000 000
2 000 000
50 000
50 000
50 000
100 000
50 000
50 000
1 000 000
1 000 000
1 000 000
50 000
100 000
1 300 000
2 300 000
2 000 000
2 000 000
2 000 000
200 000
200 000
200 000
10 379 500
14 050 000
14 775 000
Ondersteuning Virtueel platform Opleidingsprojecten 7 Projecten Expertisecentrum 13 projectontwikkelaars 8 Continuering OC bijstelling OC 9 virtueel platform groeipad LBB methodiek sensibilisering communicatieplan 10 projecten sectorfondsen sectorconvenants TOTAAL
Algemene organisatie / 134
50 000
2.9.5. Deelname aan permanente vorming
Participatie aan perm anente vorm ing, totale bevolking (25-64 jaar) 12
Vlaams Gew est
11
BelgiĂŤ
EU-25
10 9 8 7 6 5 2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
Deelnam e aan perm anente vorm ing in Vlaanderen volgens leeftijd 14
25-39 jaar
40-49 jaar
50-64 jaar
12 10 8 6 4 2 0 2001
2002
2003
2004
2005
2006
Deelnam e aan perm anente vorm ing in Vlaanderen (2001-2006) 16 Totale bevolking
Werkenden
Werkzoekenden
Inactieven
14 12 10 8 6 4 2 2001
2002
2003
2004
2005
2006
Bron : FOD Economie - Algemene Directie Statistiek - EAK, Eurostat LFS (edited by Steunpunt WSE/Departement WSE); http://www.werk.be
Algemene organisatie / 135
3. KINDEROPVANG Organisation of the education system in the Flemish Community of Belgium, 2008/09 1
2
BE nl
3
4
5
KLEUTERONDERWIJS
6
7
8
9
10
11
12
13
Eerste graad SECUNDAIR ONDERWIJS
LAGER ONDER WIJS
14
15
16
ALGEMEEN SECUNDAIR ONDERWIJS
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
UNIVERSITEIT
HOGESCHOOL T E C H N I S C H / K U N S T S E C U N DA I R O N D E R W I J S B E R O E P S S E C U N DA I R O N D E R W I J S DBSO
Pre-primary – ISCED 0
Pre-primary – ISCED 0
(for which the Ministry of Education is not responsible)
(for which the Ministry of Education is responsible)
Primary – ISCED 1
Single structure – ISCED 1 + ISCED 2 (no institutional distinction between ISCED 1 and 2)
Lower secondary general – ISCED 2
Lower secondary vocational – ISCED 2
(including pre-vocational)
Upper secondary general – ISCED 3
Upper secondary vocational – ISCED 3
Post-secondary non-tertiary – ISCED 4 Tertiary education – ISCED 5A Allocation to the ISCED levels:
Tertiary education – ISCED 5B ISCED 0
Compulsory full-time education
-/n/-
ISCED 1
ISCED 2
Compulsory part-time education
Part-time or combined school and workplace courses
Additional year
Compulsory work experience + its duration
Study abroad
Source: Eurydice.
Aangezien het kleuteronderwijs samen met het lager onderwijs deel uitmaakt van het basisonderwijs behandelen we het kleuteronderwijs in hoofdstuk 4. Hier behandelen we de voorzieningen voor zowel de voorschoolse opvang van kinderen die nog niet naar school gaan als deze voor de buitenschoolse opvang van kinderen (tot 12 jaar) die in het basisonderwijs zitten. Voor de regie van de kinderopvang zorgt het overheidsagentschap Kind en Gezin. Het staat in voor het erkennen en het uitreiken van attesten van toezicht aan opvangvoorzieningen, voor de subsidiering en voor de kwaliteitsbevordering in de kinderopvang (zie 3.4.).
3.1. Historisch overzicht ●
●
Het eerste Belgische kinderdagverblijf werd op 25 december 1845 geopend in Brussel, gevolgd door gelijkaardige liefdadige initiatieven van plaatselijke industriëlen en notabelen in Gent (1869). In 1909 bracht de toenmalige arbeidsinspectie haar eerste overheidsrapporten uit over die (eerder medische) opvangvoorzieningen voor preventie van kindersterfte. Kinderopvang / 137
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
De wet van 5 september 1919 voorzag in een specifiek toezicht door het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn op kinderen jonger dan 7 jaar die tegen loon werden opgevangen. Omdat er evenwel onvoldoende subsidiëring voorzien was, kon het NWK geen strenge toepassing van de reglementering eisen. Het KB van 13 februari 1970 voerde een subsidiëringsstelsel in gekoppeld aan kwaliteitscriteria inzake gekwalificeerd personeel. Toen werd het kinderdagverblijf een standaardopvangvoorziening voor alle gezinnen. De eerste dienst voor onthaalouders werd georganiseerd in 1972 door de stad Brugge om buitenshuiswerkende moeders een opvang voor baby’s van 0 tot 18 maanden bij pleegmoeders te kunnen aanbieden. In 1974-75 werd een eerste wettelijk kader voor die diensten goedgekeurd. Met het besluit van 21 december 1983 werd een overkoepelend reglementair kader voor de gesubsidieerde opvang d.i. voor kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders ingevoerd. In het besluit van 1983 was ook sprake van opvang van zieke kinderen en van kinderen met een handicap en van ouderinspraak en –participatie. Voor- en naschoolse opvang werd als een aanvullende dienstverlening binnen de reguliere opvang aangeboden. In 1989 zag een wettelijk kader rond melding en toezicht voor de zelfstandige opvang voor het eerst het licht. Deze regeling betrof de toenmalige particuliere opvanggezinnen (max. 5 kinderen) en particuliere opvanginstellingen (meer dan 5 kinderen). Melding was en is nog altijd verplicht en gaf de mogelijkheid tot het aanvragen van een attest van toezicht mits aan minimale kwaliteitsnormen werd voldaan. Vanaf 1997 zagen specifieke initiatieven voor buitenschoolse opvang het licht. Het regelgevend kader voor de erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden van de initiatieven voor buitenschoolse opvang werd in datzelfde jaar vastgelegd. In 2001 werd de procedure voor de zelfstandige sector geactualiseerd en uitgebreid. De naam particulier opvanggezin werd vervangen door de benaming zelfstandig onthaalouder. Particuliere opvanginstellingen werden omgedoopt tot mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (afhankelijk van de capaciteit). Tot 2003 hadden onthaalouders aangesloten bij een dienst geen eigen sociaalrechtelijk statuut. Zij ontvingen een fiscaal vrijgestelde kostenvergoeding en konden in de sociale zekerheid enkel van afgeleide rechten genieten. Sinds 1 april 2003 hebben alle onthaalouders recht op een fiscaal vrijgestelde kostenvergoeding en recht op een eigen sociaal statuut, aangepast aan hun specifieke manier van werken. Vanaf 2004 subsidieert Kind en Gezin bij wijze van experiment ook kleinschalige, buurtgerichte vormen van kinderopvang. Gezien de positieve evaluatie kreeg deze nieuwe werkvorm 'Lokale dienst voor buurtgerichte kinderopvang' in 2008 een wettelijke verankering. Op 16 februari 2009 heeft de Vlaamse Regering het inkomensgerelateerde ouderbijdragesysteem geïntroduceerd in de zelfstandige kinderopvang. Dit betekent dat in de zelfstandige kinderopvang, die gekozen heeft voor het inkomensgerelateerd systeem, de gezinnen een financiële bijdrage betalen volgens hun inkomen, net zoals dit geldt in de erkende en gesubsidieerde opvangvoorzieningen. Dit systeem is enkel geldig voor kinderen die voorschools worden opgevangen. De overheid vult het verschil tussen de bijdrage van het gezin, berekend op basis van het inkomen, aan tot de gegarandeerde dagprijs (25,18 euro in zelfstandige kinderdagverblijven en 17 euro bij de zelfstandige onthaalouders). Er is een overgangsregeling voor de kinderen die reeds voor 16 februari 2009 werden opgevangen.
Kinderopvang / 138
3.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen Werken aan een meer gestroomlijnde en toegankelijke kinderopvang
Kind en Gezin werkt momenteel aan de opmaak van een kaderdecreet kinderopvang dat de maatschappelijk opdracht, de organisatie, het landschap en de juridische onderbouw van de Vlaamse kinderopvang in een coherent, transparant en vereenvoudigd geheel zal vastleggen. De uitwerking van dit decreet kinderopvang is opgenomen in het Vlaamse regeerakkoord 2009-2013 en moet het centrale toetsingskader worden voor alle initiatieven die Vlaanderen inzake kinderopvang genomen heeft, neemt en nog zal nemen. Het realiseren van voldoende en betaalbare kinderopvang is hierbij het uitgangspunt, net als de aandacht voor de kostenefficiëntie in de organisatie. In het kader van het decreet kinderopvang zal ook gewerkt worden aan gelijke en gecontroleerde vergunningsvoorwaarden voor alle opvang van kinderen. Kind en Gezin is gestart met de voorbereiding van deze opdracht. Een aantal fundamentele politieke keuzes moeten daarbij worden gemaakt. De voorbereiding wordt daarom ook mee aangestuurd door de minister van Welzijn. Kind en Gezin streeft ernaar om in het voorjaar van 2010 een uitgewerkt en gedragen ontwerp van decreet aan de minister en de Vlaamse Regering te kunnen voorleggen. Van CKO-proefprojecten naar samenwerkingsverbanden
Op 31 december 2009 werd de proefperiode met 16 projecten Centrum voor Kinderopvang stopgezet. Het beëindigen van de proefperiode betekent niet dat de opgezette samenwerkingsverbanden moeten worden stopgezet. Elk samenwerkingsverband kan op eigen initiatief verder werken. Bovendien kunnen elders nieuwe samenwerkingsverbanden van start gaan. Het beëindigen van de proefperiode betekent wel dat Kind en Gezin vanaf 2010 geen intensieve begeleiding noch projectsubsidies voor deze 16 samenwerkingsverbanden meer zal verlenen. Kind en Gezin heeft een eindrapport opgemaakt dat nadere informatie bevat over de bereikte resultaten van de proefprojecten, over de meerwaarde en de beperkingen van het concept en over de mate waarin het concept haalbaar is en of het structureel in het landschap kan worden ingebed. De bevindingen in het eindrapport en de bespreking en advisering die daaruit voortvloeit, zullen de input vormen voor het beleid omtrent het verdere perspectief voor “samenwerking in de kinderopvang”. De rol van samenwerking in de realisatie van de beleidsdoelen kinderopvang zal ingevuld worden binnen het decreet kinderopvang. www.kindengezin.be/Professioneel/Kinderopvang/Nieuws_KO/20091218eindrapportproefprojectencko .jsp Het nieuwe regeerakkoord 2009-2013
Naast het uitwerken van het decreet staan verder nog volgende acties op de agenda van Kind en Gezin voor het komende jaar/de komende jaren. Deze acties staan opgenomen in het nieuwe regeerakkoord van de Vlaamse Regering inzake het domein kinderopvang. ●
Het aantal voorschoolse, inkomensgerelateerde opvangplaatsen wordt uitgebreid.
○ In 2009 heeft de Vlaamse Regering 7,5 mio euro ter beschikking gesteld voor uitbreiding in de erkende kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Daarnaast werd ook 5 mio euro uitgetrokken voor nieuwe occasionele plaatsen in erkende kinderdagverblijven en lokale diensten voor buurtgerichte opvang. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de behoefte aan occasionele en laagdrempelige opvang, zodat kwetsbare doelgroepen een grotere toegang tot kinderopvang hebben. Het draagt ook in grote mate bij tot de sociale functie van kinderopvang. Een grotere spreiding zal ook de toegankelijkheid voor doelgroepen verhogen.
Kinderopvang / 139
In 2010 volgt een nieuwe uitbreidingsronde voor de voorschoolse en buitenschoolse erkende en gesubsidieerde opvang.
○ Er wordt nagegaan wat de mogelijkheden zijn om het aantal zelfstandige
●
●
● ● ●
●
●
●
opvangvoorzieningen te verhogen waar de financiële bijdrage van het gezin gerelateerd wordt aan het gezinsinkomen. Verder wordt het inkomensgerelateerd systeem in februari 2010 geëvalueerd. Dit is precies één jaar na de start van dit systeem. In alle inkomensgerelateerde opvang moet het aandeel van kinderen uit kansengroepen in het algemeen en uit gezinnen in de laagste inkomensgroep in het bijzonder toenemen. De kinderopvangvoorzieningen worden verder gesensibiliseerd voor de sociale functie van kinderopvang. De mogelijkheden om het zelfstandig ondernemen in de kinderopvang te ondersteunen (fiscaliteit, statuut,….) en te versterken worden verkend. Dit moet leiden tot maatregelen die een reëel effect hebben op de leefbaarheid, en daarmee ook op de kwaliteit in het voordeel van kinderen en gezinnen. Een nieuw wetenschappelijk onderbouwd planningsinstrument voor de voorschoolse opvang wordt ontwikkeld. Om de werksituatie van de onthaalouders te verbeteren, wordt er nagegaan welke mogelijkheden er bestaan en welke budgetten nodig en mogelijk zijn. Uit onderzoek blijkt dat de competenties van de medewerkers in de opvang de belangrijkste factor in de kwaliteit van de opvang zijn. Daarom worden de beroepsprofielen (kindbegeleider en leidinggevende in de kinderopvang) geactualiseerd. Een nieuw profiel voor opvoeder kinderopvang en voor coördinator kinderopvang wordt uitgeschreven. Acties worden ondernomen om de kwalificerende trajecten voor de medewerkers en de verantwoordelijken in de zelfstandige sector toegankelijk te maken en te financieren. Inspanningen worden geleverd om hogere opleidingen voor begeleiders en verantwoordelijken in de kinderopvang op te starten (hoger beroepsonderwijs kinderopvang en/of bachelor kinderopvang). Er wordt een nieuw kader ontwikkeld voor de organisatie van de opvang van schoolgaande kinderen voor en na de schooluren en op vakantiedagen en dit in overleg met de verschillende betrokken beleidsdomeinen. Het actieplan flexibele en occasionele opvang wordt geëvalueerd en eventueel worden nodige bijsturingen voorgesteld. De vier proeftuinen dienstencheques worden in het voorjaar 2010 geëvalueerd. Het veiligheidsbeleid in de kinderopvang wordt (verder) versterkt o.a. inzake preventie van ongevallen en wiegendood, voedselveiligheid, toegangsbeveiliging, brandveiligheid en medische preventie.
3.3. Wettelijk kader Een volledig overzicht van de regelgeving is te vinden op http://www.kindengezin.be >Professional>Je bent een (kiezen)>Regelgeving Ook in de bijlage van het jaarverslag Kinderopvang is een volledig overzicht opgenomen van de vigerende regelgeving: http://www.kindengezin.be/KG/Algemeen/Over_Kind_En_Gezin/Jaarverslagen/
Kinderopvang / 140
3.4. Algemene doelstellingen In de formele opvang worden er verschillende types van opvangvoorzieningen onderscheiden. Iedereen die op bestendige wijze en al dan niet tegen betaling kinderen onder de 12 jaar opvangt, moet deze opvangactiviteit melden aan Kind en Gezin. Ouders en verwanten tot en met de vierde graad en opvang die georganiseerd wordt in het thuismilieu van het kind zijn vrijgesteld van deze plicht tot melding.
Kind en Gezin Kind en Gezin is een intern verzelfstandigd agentschap, met rechtspersoonlijkheid (een IVA, zie 1.2.2.). De missie van Kind en Gezin is om samen met haar partners voor elk kind, waar en hoe het ook geboren is en opgroeit, zoveel mogelijk kansen creëren (http://www.kindengezin.be). Om dit te realiseren heeft Kind en Gezin een ruime dienstverlening. Aan ouders met jonge kinderen biedt Kind en Gezin advies aan, medisch-preventieve begeleiding, vaccinaties en ondersteuning bij opvoeding via een spreekuur opvoedingsondersteuning. Dit gebeurt via huisbezoeken, via consulten op de consultatiebureaus en via de Kind en Gezin-lijn. Kind en Gezin heeft naast het basisaanbod ook een specifiek aanbod naar gezinnen die het moeilijk hebben. Kind en Gezin subsidieert ook centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning, de diensten voor gezinsondersteunende pleegzorg en de vertrouwenscentra kindermishandeling. De regie van de kinderopvang is één van de belangrijke opdrachten van Kind en Gezin. Kind en Gezin organiseert zelf geen kinderopvang, maar staat in voor het erkennen van opvangvoorzieningen en het uitreiken van attesten van toezicht eraan, alsook voor de subsidiering en kwaliteitsbevordering in de kinderopvang.
Kinderopvang erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin Erkenning en subsidiëring door Kind en Gezin betekent dat de voorziening moet voldoen aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid,… Daarnaast moet de voorziening ook beschikken over een systeem om aan kwaliteitszorg te doen. Het gaat hier over de wijze waarop een voorziening zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te garanderen. Dit betekent concreet dat de voorziening haar missie, visie en waarden formuleert en gaat nadenken over de wijze waarop ze dit gaat realiseren en over de middelen die ingezet zullen worden. De voorziening moet zijn werking ook evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een tevredenheidsonderzoek bij de ouders maakt hier deel van uit. De erkenning houdt ook in dat de voorziening op regelmatige basis geïnspecteerd wordt. Erkende kinderdagverblijven
● ●
●
Dit is opvang in groepsverband. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de crèches, die kinderen opvangen die nog niet naar school gaan en ook kinderen die deeltijds naar de kleuterschool gaan, en anderzijds een beperkt aantal peutertuinen voor kinderen vanaf 18 maanden tot wanneer ze naar de kleuterschool gaan. Sommige kinderdagverblijven hebben een bijkomend aanbod van buitenschoolse kinderopvang, ofwel in dezelfde lokalen (kinderen uit de kleuterschool), ofwel in aparte lokalen (kinderen uit de lagere school).
Kinderopvang / 141
●
●
Crèches hebben een minimumcapaciteit van 23 plaatsen, peutertuinen van 20 plaatsen. Kinderdagverblijven hebben ook de mogelijkheid een bijkomende vestigingsplaats met minimum 14 plaatsen te realiseren. De gezinnen betalen een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. Er is een korting voor gezinnen die meer dan één kind ten laste hebben of een meerling hebben.
Diensten voor onthaalouders
● ●
● ● ● ●
●
Dit is opvang in gezinsverband. Onthaalouders aangesloten bij een dienst voor onthaalouders vangen vooral kinderen op die nog niet naar school gaan en kinderen die deeltijds naar de kleuterschool gaan. Ze kunnen ook buitenschoolse opvang verzorgen voor kinderen uit de basisschool. Een dienst groepeert een aantal onthaalouders en heeft een minimumcapaciteit van 50 plaatsen. Elke onthaalouder mag maximaal gemiddeld 4 kindjes voltijds opvangen (eigen kinderen die nog niet naar de kleuterschool gaan meegerekend). Elke onthaalouder mag nooit meer dan 8 kindjes gelijktijdig opvangen (eigen kinderen tot en met de kleuterschool meegeteld). Onthaalouders moeten aan een aantal minimale voorwaarden voldoen om te mogen aansluiten bij een dienst. Ze zijn niet aan de dienst verbonden door een arbeidsovereenkomst. Onthaalouders hebben wel een eigen sociaal statuut, aangepast aan hun specifieke manier van werken. De dienst selecteert en begeleidt de onthaalouders en brengt hen in contact met ouders. De gezinnen betalen een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. Er is een korting voor gezinnen die meer dan één kind ten laste hebben of een meerling hebben.
IBO, Initiatieven voor Buitenschoolse Opvang
● ●
●
●
● ●
Dit is opvang in groepsverband. De initiatieven zijn specifiek en exclusief gericht op de buitenschoolse opvang van kinderen uit de basisschool. Ze kunnen opvang aanbieden voor en na schooltijd, op woensdagnamiddag, op schoolvrije dagen en gedurende de schoolvakanties. Ze hebben een minimumcapaciteit van 21 plaatsen en kunnen hun werking op verschillende vestigingsplaatsen organiseren. Deze vestigingsplaatsen hebben een minimumcapaciteit van 8 plaatsen. Gezien de grote vraag werden de regels in 2008 versoepeld. Vestigingsplaatsen met maximum 21 plaatsen mogen tijdens het schooljaar en de vakantie permanent 30% meer kinderen opvangen vanaf één uur voor de school en tot één uur na het einde van de school. Ook tijdens de vakantieperiodes geldt deze 30% regel. Initiatieven voor buitenschoolse opvang worden door verschillende instanties gesubsidieerd. De personeelskosten voor de begeleiders worden voor een deel gesubsidieerd door het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie. Het resterende deel en de personeelskosten van de coördinator, alsook de werkingskosten worden gesubsidieerd door het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD) of door Kind en Gezin. Voor sommige initiatieven is er een subsidiëring door zowel Kind en Gezin als door het FCUD. De financiële bijdrage van de gezinnen is niet gerelateerd aan het inkomen, maar de minimum- en de maximumbijdragen zijn wel in de regelgeving vastgelegd. http://www.werk.be/wg/socecontewerk/kinderopvang/
Lokale diensten voor buurtgerichte kinderopvang
● ●
Deze diensten kunnen georganiseerd worden door een erkend kinderdagverblijf, een initiatief voor buitenschoolse kinderopvang (IBO) of een buurt- en nabijheidsdienst (BND)-project. Deze diensten realiseren een toegankelijke kinderopvang die laagdrempelig is voor kwetsbare gezinnen en besteden extra aandacht aan diversiteit. In hun specifieke werking staan een buurtgerichte inbedding en de participatie van de doelgroep centraal. Een lokale dienst werft ook doelgroepwerknemers aan die mee instaan voor de begeleiding van de kinderen. Dat zijn
Kinderopvang / 142
●
personen die moeilijk hun plaats vinden in de reguliere arbeidsmarkt. De lokale diensten bieden hen gelijkwaardige kansen in de organisatie en voorzien ook in een opleidingstraject voor deze ongeschoolde begeleiders. Er zijn twee types lokale diensten mogelijk, die elk minstens tien opvangplaatsen moeten aanbieden:
○ een lokale dienst voorschoolse opvang voor kinderen die nog niet naar school gaan of die in de overgangsfase zitten tussen opvang en school; een dienst kan ook kinderen uit het kleuteronderwijs buitenschools opvangen;
○ een lokale dienst buitenschoolse opvang voor schoolgaande kinderen. ●
●
Lokale diensten worden gefinancierd vanuit verschillende instanties. Kind en Gezin voorziet in een forfaitaire subsidie per plaats en een deel van de loonkosten van de doelgroepwerknemer. Voor de omkadering en loonkosten van de doelgroepwerknemers kunnen zij een beroep doen op Vlaamse/Brusselse en federale middelen van Werk en Sociale Economie. Daarnaast kunnen de Lokale diensten ook beschikken over de – weliswaar beperkte – inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen. De gezinnen betalen een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen.
Zelfstandige kinderopvang met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderverblijven en zelfstandige onthaalouders moeten wettelijk gezien hun opvangactiviteit enkel melden aan Kind en Gezin, maar de meeste kiezen ervoor om een attest van toezicht van Kind en Gezin te verkrijgen. Dit betekent dat ze moeten voldoen aan een aantal voorwaarden inzake omgaan met kinderen en ouders, veiligheid en gezondheid, inrichting van de ruimtes. Het attest van toezicht houdt ook in dat de voorziening op regelmatige basis geïnspecteerd wordt door het Agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Sinds februari 2009 kunnen zelfstandige opvangvoorzieningen vrijwillig instappen in het systeem waarbij de gezinnen die gebruik maken van voorschoolse opvang een financiële bijdrage betalen volgens hun inkomen. Sinds 1 januari 2009 worden mini-crèches zelfstandige kinderdagverblijven genoemd.
Zelfstandige kinderdagverblijven
● ● ● ●
●
Dit is opvang in groepsverband. Ze voorzien zowel in opvang voor niet-schoolgaande kinderen, als in buitenschoolse opvang voor kinderen uit het basisonderwijs. Ze hebben een capaciteit van minimum 8 plaatsen. De belangrijkste bron van inkomsten zijn de inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen. Zelfstandige kinderdagverblijven kunnen een, beperkte, financiële ondersteuning krijgen van Kind en Gezin indien ze voldoen aan een aantal voorwaarden. In de zelfstandige kinderdagverblijven die toegetreden zijn tot het inkomensgerelateerde ouderbijdragesysteem, betalen de gezinnen een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. In de andere zelfstandige kinderdagverblijven bepaalt de opvangvoorziening zelf hoeveel de ouders moeten betalen.
Zelfstandige onthaalouders
● ● ● ●
Dit is opvang in gezinsverband. Ze voorzien zowel in opvang voor niet-schoolgaande kinderen, als in buitenschoolse opvang voor kinderen uit het basisonderwijs. Een zelfstandige onthaalouder mag tot 7 kinderen gelijktijdig opvangen. De belangrijkste bron van inkomsten zijn de inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen. Zij kunnen tevens enkele vormen van beperkte financiële ondersteuning ontvangen (bv. een startersvergoeding).
Kinderopvang / 143
●
Als de onthaalouder toegetreden is tot het inkomensgerelateerd ouderbijdragesysteem, dan betalen de ouders een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. Bij alle andere onthaalouders, is het de onthaalouder zelf die bepaalt hoeveel de ouders moeten betalen.
Schoolopvang
● ●
●
Dit is opvang in groepsverband. Heel wat scholen vangen kinderen op voor en na de schooluren. Deze opvang verschilt sterk van school tot school. Het aantal begeleiders, de opleiding van de begeleiders, de inrichting en de grootte van de ruimte, de manier van omgaan met ouders en kinderen en de opvangprijs zijn niet wettelijk vastgelegd. De school heeft hierin volledige autonomie. Scholen zijn verplicht om deze opvang te melden aan Kind en Gezin dat ondersteunt met informatie over en inspiratie voor een kwaliteitsvolle opvang. Kind en Gezin laat deze opvang niet inspecteren, tenzij er een klacht komt of er iets ernstigs gebeurt. Scholen kunnen voor deze opvang ook een attest van toezicht aanvragen bij Kind en Gezin.
Voorrangsregels In 2008 werden aangepaste voorrangsregels voor de kinderopvang goedgekeurd in de erkende en gesubsidieerde opvang en in 2009 in de inkomensgerelateerd zelfstandige opvang. Deze hebben extra aandacht voor: ● ● ● ●
alleenstaande ouders die door werkomstandigheden of het volgen van een opleiding hun kind overdag niet kunnen opvangen; ouders met een zeer laag (arbeids)inkomen; ouders met kinderen die in een sociale of pedagogische crisissituatie leven; ouders met een kind van wie broer of zus al in de voorziening wordt opgevangen.
3.5. Geografische toegankelijkheid Zie 3.4..
3.6. Toelatingsvoorwaarden en keuze opvangvoorzieningen Zie 3.4..
3.7. Financiële steun aan gezinnen Gezinnen worden op verschillende wijzen financieel gesteund bij de opvoeding van hun kinderen. ●
Ouders ontvangen kinderbijslag. Vanaf één maand na de geboorte wordt maandelijks kinderbijslag uitbetaald voor elk kind dat tot het gezin behoort en ten laste is. Deze bijslag is een basisbedrag aangevuld met een leeftijdsbijslag. Het basisbedrag loopt trapsgewijs op van het eerste tot het derde kind. Voor zelfstandigen is het bedrag kleiner dan voor werknemers. De bijslag wordt uitbetaald voor alle kinderen tot 18 jaar die ten laste zijn. Voor 18 tot 25jarigen wordt de kinderbijslag uitbetaald als ze nog ten laste zijn, onderwijs volgen en/of geen
Kinderopvang / 144
● ●
eigen inkomen (boven een bepaalde grens) hebben. Meer info : www.kindergeld.be of http://www.rkw.be (Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers) en http://www.rsvzinasti.fgov.be (Rijksdienst voor de Sociale Verzekering der Zelfstandigen). Bovendien geven kinderen ten laste recht op belastingvermindering. Ouders die gebruik maken van formele kinderopvang voor kinderen tot 12 jaar kunnen deze kosten fiscaal aftrekken op voorwaarde dat de opvang erkend is door of een attest van toezicht heeft van Kind en Gezin en georganiseerd is door de school of door een initiatief dat erkend, gecontroleerd of gesubsidieerd is door een lokaal bestuur of een openbaar bestuur van de Vlaamse Gemeenschap.
3.8. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen Voorschoolse opvang is er voor kinderen die nog niet naar school gaan en voor kinderen in de overgangsperiode tussen opvang en school. Grosso modo komt dit overeen met de leeftijd van 0 tot 3 jaar. Buitenschoolse opvang is er voor kinderen tot 12 jaar die naar de basisschool gaan.
3.9. Organisatie tijd Zie hierna.
3.9.1. Jaarplanning Erkende kinderdagverblijven en erkende diensten voor onthaalouders realiseren een opvangaanbod ten minste 220 werkdagen per jaar. Voor initiatieven voor buitenschoolse opvang zijn er geen minimum aantal openingsdagen per jaar.
3.9.2. Week- en dagplanning Erkende kinderdagverblijven en erkende diensten voor onthaalouders realiseren een opvangaanbod van minstens 11 opeenvolgende uren tussen 6u30 en 18u30. Maar ze kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijvoorbeeld vóór 6u30 en na 18u30, tijdens weekends, ’s nachts, occasionele opvang en opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Erkende initiatieven voor buitenschoolse opvang organiseren voor- en naschoolse opvang, opvang op woensdagnamiddag en opvang op schoolvrije dagen en tijdens schoolvakanties voor schoolgaande kinderen. Een initiatief is ’s morgens uiterlijk om 7 uur open en ’s avonds tot minstens 18 uur. Op woensdagnamiddag opent het initiatief na het beëindigen van de schooltijd. Ze kunnen ook ruimere opvang aanbieden. Zelfstandige onthaalouders en zelfstandige kinderdagverblijven werken autonoom en bepalen dus zelf op welke uren en momenten ze open zijn. De flexibele opvang buiten de ‘normale’ openingstijden en de occasionele opvang wordt sinds 2007 door de Vlaamse Regering extra gesubsidieerd. Kinderopvang / 145
3.10. Curriculum en activiteiten Niet van toepassing.
3.11. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal Niet van toepassing.
3.12. Evaluatie Voorzieningen voor kinderopvang die erkend en gesubsidieerd zijn door Kind en Gezin of werken met een attest van toezicht van Kind en Gezin worden geregeld geĂŻnspecteerd door het Agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. In 2004 werd een zelfevaluatie-instrument ontwikkeld dat toelaat het welbevinden en de betrokkenheid van de kinderen in de opvang te meten (ZiKo). Het instrument is bruikbaar in de groepsopvang en helpt te zien wat goed loopt en waar kansen liggen om de aanpak te verbeteren.
% van de voorzieningen dat een begeleidingstraject heeft gevolgd om te kunnen werken met het zelfevaluatie- instrument ZIKO (2008) Kinderdagverblijven
78%
Diensten
42%
Initiatieven voor buitenschoolse opvang
62%
Mini-crèches
19%
Zelfstandige kinderdagverblijven
13%
In 2008 werd ZiKo-Vo, de nieuwe variant van het ZiKo-instrument, speciaal ontwikkeld voor onthaalouders. Het volgsysteem helpt een onthaalouder om elk kind goed op te volgen en de aanpak af te stemmen op wat het kind voor zijn ontwikkeling nodig heeft. ZiKo en ZiKo-Vo werden ontwikkeld door ECEGO, het ExpertiseCentrum ErvaringsGericht Onderwijs van de K.U.-Leuven in opdracht van Kind en Gezin. In 2009 werd een onderzoek verricht door het HIVA-K.U.Leuven, in het kader van het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, naar het gebruik van kinderopvang voor kinderen jonger dan 3 jaar in het Vlaams Gewest. Op de website K&G (onder rapporten) staat een link naar het eindrapport op de website van het Steunpunt: http://www.kindengezin.be/Algemeen/Over_Kind_En_Gezin/Rapporten/
Kinderopvang / 146
3.13. Opvang van kinderen met specifieke zorgbehoeften Opvangvoorzieningen die kinderen met specifieke zorgbehoeften opvangen kunnen hiervoor een bijkomende financiële ondersteuning krijgen van Kind en Gezin.
3.14. Privaat-onderwijs Zelfstandige kinderverblijven en zelfstandige onthaalouders moeten wettelijk gezien hun opvangactiviteit enkel melden aan Kind en Gezin, maar de meeste kiezen ervoor om een attest van toezicht van Kind en Gezin te verkrijgen. Dit betekent dat ze moeten voldoen aan een aantal voorwaarden inzake omgaan met kinderen en ouders, veiligheid en gezondheid, inrichting van de ruimtes. Het attest van toezicht houdt ook in dat de voorziening op regelmatige basis geïnspecteerd wordt. Daarom behandelen we ze in 3.4.. Heel wat kinderen worden in het informele netwerk opgevangen. Deze opvang valt buiten de bevoegdheid van Kind en Gezin.
3.15. Andere organisatievormen Wanneer een kind ziek is, worden ouders soms onverwacht met een opvangprobleem geconfronteerd. Het is niet altijd mogelijk om het kind in het informele netwerk te verzorgen. Georganiseerde vormen van kinderopvang kunnen het zieke kind dan aan huis opvangen. ●
●
Formele opvangvoorzieningen. Wanneer een kind licht ziek is en er geen besmettingsgevaar dreigt voor de andere opgevangen kinderen, kan het meestal terecht in de opvangvoorziening waar het normaal wordt opgevangen. Daarnaast organiseren een aantal kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang thuisopvang voor zieke kinderen. Zij hebben een aantal personeelsleden in dienst die aan huis de opvang verzorgen wanneer het kind ziek is. Andere vormen van thuisopvang voor zieke kinderen. Sommige gemeenten en OCMW's organiseren ook thuisopvang van zieke kinderen. Voor aangesloten leden organiseren sommige ziekenfondsen eveneens thuisopvang voor zieke kinderen. Ten slotte zijn er ook werkgevers (profit en non-profit) die thuisopvang organiseren wanneer kinderen van werknemers ziek zijn.
Kinderopvang / 147
3.16. Statistieken Aantal Voorzie -ningen
Aantal opvangplaatsen
Aantal aanwezige kinderen
Absoluut
Per 1000 Kinderen (1)
Voorschools (2)
Buitenschools
Totaal
Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin
790 (3)
74 756
225,7
56 412
67 151
123 563
Kinderdagverblijven
350
15 915
69,6
20 342
197
20 539
Diensten voor onthaalouders
193
31 051 (4)
156,1 (4)
36 049
6 940
42 989
Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven
36
1 076
n.v.t.
4 (5)
2 226
2 230
Initiatieven voor buitenschoolse opvang
247
26 714
n.v.t.
17 ( 5)
57 788
57 805
Met attest en toezicht van Kind en Gezin
2 529
35 345
134,2
32 073
6 278
38 350
Mini-crèches
1131
18 924
83,0
19 291
2 157
21 448
207
9 175
16,2
5 495
3 052
8 547
Zelfstandige onthaalouders
1 191
7 246 (4)
35,0 (4)
7 287
1 069
8 356
Algemeen totaal
3 319 (3)
110 101
359,9
88 485
73 429
161 914
Zelfstandige kinderdagverblijven
Overzicht van: - het aantal erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en het aantal opvangvoorzieningen met attest van toezicht op 31 december 2008 - het aantal plaatsen in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en in opvangvoorzieningen met attest van toezicht op 31 december 2008 - het aantal plaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar in het Vlaamse Gewest op 31 december 2008 - het aantal aanwezige kinderen volgens soort opvang in de week van 1 februari 2008 (1) Deze cijfers zijn enigszins overschat, omdat ook kinderen boven de 3 jaar worden opgevangen in de vermelde voorzieningen. Het is evenwel niet mogelijk om het aantal plaatsen dat gebruikt wordt voor buitenschoolse opvang te ramen. Het aantal plaatsen in voorzieningen die alleen buitenschoolse opvang aanbieden, werd wel in mindering gebracht (2) Kinderen die nog niet naar school gaan of kinderen in de overgangsperiode tussen opvang en basisschool (3) Om dubbeltellingen te vermijden is de buitenschoolse opvang in aparte lokalen van de kinderdagverblijven niet opgenomen in het totaal (4) Eigen kinderen onder de 6 jaar van de onthaalouders inbegrepen (5) Het gaat hier om kinderen die slechts deeltijds naar school gaan en gedurende een bepaald dagdeel tijdens de schooluren in de opvangvoorziening worden opgevangen Bron: Jaarverslag 2008 Kind en gezin
Kinderopvang / 148
Kinderen van 2 maanden tot 3 jaar naar type formele opvangvoorziening binnen Kind en Gezin of kleuterschool - 2008 (percentage) (1) Onthaalouder aangesloten bij een dienst 17,9 Kinderdagverblijf 9,9 Mini-crèche of zelfstandig kinderdagverblijf 12,1 Zelfstandige onthaalouder 3,5 IBO of buitenschoolse opvang in kinderdagverblijf 1,2 Onderwijs 18,2 Totaal in formele opvang of kleuterschool 62,8 (1) Voor de kinderen jonger dan 1 jaar werd gerekend met 10/12den van de totale groep Kinderen van 3 tot 12 jaar in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin naar leeftijdscategorie en type opvangvoorziening in Vlaanderen – 2008 (percentage) Kinderen van 3 tot 6 jaar IBO of buitenschoolse opvang in kinderdagverblijf 10,8 Kinderdagverblijf of onthaalouder aangesloten bij een 2,0 dienst Zelfstandige sector 1,6 Totaal 14,4 Kinderen van 6 tot 12 jaar IBO of buitenschoolse opvang in kinderdagverblijf 8,2 Onthaalouder aangesloten bij een dienst 0,6 Zelfstandige sector 0,7 Totaal 9,5 Cijfers over het aanbod aan kinderopvang en het gebruik van kinderopvang zijn terug te vinden in het jaarverslag kinderopvang. Deze jaarverslagen zijn terug te vinden op: http://www.kindengezin.be/KG/Algemeen/Over_Kind_En_Gezin/Jaarverslagen/default.jsp
Kinderopvang / 149
4. Basisonderwijs
In Vlaanderen maakt het kleuteronderwijs, samen met het lager onderwijs, deel uit van het BaO, basisonderwijs (Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997). Sinds 1 september 2003 dienen nieuwe scholen de structuur kleuter- én lager onderwijs aan te nemen. Bestaande autonome kleuteren lagere scholen konden hun structuur behouden (Decreet landschap basisonderwijs van 10 juli 2003). Het lager onderwijs bestaat normaal gezien uit zes leerjaren (minimaal 4 en maximaal 8 jaren). In dit onderdeel behandelen we het gewoon basisonderwijs. Na het historisch overzicht (zie 4.1.), actuele discussies (zie 4.2.) en wettelijk kader (zie 4.3.) behandelen we: ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●
4.4. Algemene doelstellingen 4.5. Geografische toegankelijkheid 4.6. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze 4.7. Financiële steun voor leerlingen 4.8. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen 4.9. Organisatie van de schooltijd 4.10. Curriculum, leervakken, aantal lesuren 4.11. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal 4.12. Beoordeling van leerlingen 4.13. Voortgang van leerlingen 4.14. Studiebewijzen 4.15. Begeleiding en rol van de CLB's, centra voor leerlingenbegeleiding 4.16. Privé-onderwijs 4.17. Andere organisatievormen: ziekenhuisscholen, jeugdpsychiatrische diensten, tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke kinderen 4.18. Statistieken Basisonderwijs / 151
Nog andere onderdelen zijn relevant voor het basisonderwijs: ● ● ● ● ● ● ● ●
Methodenscholen (zie 2.3.4.) Bestuur en beheer van de instellingen, & scholengemeenschappen basisonderwijs (zie 2.6.4.4.1.) Interne participatie en overleg (zie 2.7.1.) Financiering van het leerplichtonderwijs (zie 2.8.3.) Buitenschoolse kinderopvang (zie 3.) Deeltijds kunstonderwijs (zie 7.) Doorlichting door de onderwijsinspectie (zie 9.4.2.1.) Voorzieningen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften
○ ○ ○ ○ ○ ○
●
GON, Geïntegreerd onderwijs (zie 10.5.) ION, Inclusief onderwijs voor mentaal gehandicapte type 2 leerlingen (zie 10.5.) GOK, Gelijkeonderwijskansenbeleid (zie 10.5.) OKAN, Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (zie 10.7.1.) Buitengewoon onderwijs (zie 10.6.)
Onderwijs voor zieke kinderen, tijdelijk voor het gewoon onderwijs (zie 4.17.3.) permanent voor het buitengewoon onderwijs (zie 10.6.4.) Internationale samenwerkingsprojecten, mobiliteit en uitwisseling van leerlingen in het basisonderwijs (zie 11.6.1.1.)
4.1. Historisch overzicht In 1827 werd te Brussel de eerste "bewaarschool" voor kleuters van buitenhuiswerkende ouders geopend. In 1843 werd dit type van voorschools onderwijs erkend als een onderwijsinstelling die een basis vormde voor de volksschool. Deze nieuwe schoolvorm verspreidde zich snel: in 1845 bestonden reeds een vierhonderdtal van deze bewaarscholen. Ze stonden in voor de verzorging en het morele welzijn van de kinderen, en bereidden de oudste kinderen voor op het lager onderwijs. Dat was sterk gegroeid op initiatief van particulieren en geestelijken na de invoering in 1830 van de vrijheid van onderwijs. In 1842 vaardigde het parlement de eerste wet op het lager onderwijs uit met de bedoeling de uitbreiding ervan in goede banen te leiden en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Deze wet verplichtte elk lokaal bestuur tot het oprichten of aannemen van minstens één lagere school. In 1857 werd de eerste "Fröbel-kindertuin" geopend waar elk nuttigheidsonderricht werd geweerd. In navolging van de Duitse pedagoog Friedrich Fröbel werd aan creatief spel gedaan, waarbij de activiteit en spontaniteit van de kleuter centraal stonden. Het duurde echter een tijdje voor de Fröbelmethode in de gewone bewaarscholen ingang vond. Pas in 1880 werden ministeriële richtlijnen uitgevaardigd om de werking van het voorschools onderwijs te reguleren. Het eerste curriculum voor deze scholen, dat in 1890 werd opgelegd, was grotendeels gebaseerd op het werk van Fröbel. De inspecteurs voor het lager onderwijs stonden in voor het toezicht op de implementatie van de richtlijnen. In 1912 werd de wet op de Kinderbescherming gestemd en in 1914 werd de leerplicht ingevoerd in België: iedereen van zes tot veertien jaar was verplicht onderwijs te volgen. Tot dan telde het lager onderwijs drie graden van elk twee jaar, maar met de wet van 1914 werd een vierde graad voor de kinderen van twaalf tot veertien jaar ingericht; een leerplan daarvoor werd in 1920 uitgewerkt. Tussen de twee wereldoorlogen zijn de "bewaarscholen" uitgegroeid tot opvangcentra waar kinderen sociale vaardigheden kregen aangeleerd en hun intellectuele capaciteiten en persoonlijkheid verder Basisonderwijs / 152
ontwikkelden. Verscheidene officiële programma's en activiteiten werden ingevoerd. De invloed van Fröbel, samen met die van de Italiaanse Maria Montessori en vooral de Belgische Ovide Decroly, werden groter. Dit is onder meer te merken aan het leerplan lager onderwijs van 1936. Dat beoogde meer dan het louter aanleren van lezen, schrijven en rekenen en had ook oog voor de invloed van de interesses van het kind op de leerprocessen. Sindsdien kent voorschools en lager onderwijs in België een expansieve groei. In 1973 werden in de Vlaamse Gemeenschap in enkele scholen als experiment een aantal hervormingsinitiatieven opgestart. Uit deze experimenten groeide een grootschalig innovatieproject: het Vernieuwd Lager Onderwijs. De principes van deze nieuwe onderwijsbenadering werden vanaf 1980 in alle scholen toegepast. Het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 integreerde alle wetgeving met betrekking tot het kleuter- en lager onderwijs in één coherent kader. Op 1 september 2003 werd gestart met de uitvoering van het decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs en werd de vorming van scholengemeenschappen gestimuleerd, doch niet verplicht. In september 2005 werd de ondersteuning van de scholengemeenschappen gevoelig uitgebreid en kon een directeur-coördinatie scholengemeenschap of een stafmedewerker worden aangesteld. In september 2008 kregen de scholengemeenschappen extra middelen voor zorgcoördinatie. Medisch schooltoezicht
In uitvoering van de wet op het lager onderwijs die ook de leerplicht invoerde, werd vanaf 1921 elke gemeente verplicht voor alle scholen een kosteloze dienst voor medisch schooltoezicht in te richten en een geneesheer tot medisch schoolinspecteur te benoemen om besmettelijke aandoeningen op te sporen. In 1964 kreeg het medisch schooltoezicht een nieuw wettelijk kader. Medische onderzoekingen moesten uitgevoerd worden in erkende gezondheidscentra of centra voor medisch schooltoezicht, binnen het rijksonderwijs in de rijks-PMS-centra. In 1985 werd de opdracht uitgebreid tot vaccinaties, gezondheidsvoorlichting en -opvoeding en individuele onderzoeken tot gedifferentieerde onderzoeken bij risicogroepen van leerlingen. Ook werd de nauwere samenwerking met scholen en PMS-centra verplicht en dienden schoolartsen voortaan een opleiding tot schoolhygiënist of in de jeugdgezondheidszorg te volgen. In 2000 fusioneerden PMS- en MST-centra tot CLB's, Centra voor Leerlingenbegeleiding en greep een schaalvergroting plaats, van 300 centra PMS en MST naar 75 CLB's. Leerlingenbegeleiding en studie- en beroepsoriëntering
In 1912 richtte de Brusselse onderwijzer Beroepsoriëntering (voor arbeiderskinderen) op.
A.
Christiaens
het
allereerste
Bureau
voor
In 1925 startte de katholieke arbeidersjeugd onder impuls van Cardijn acties voor de vele veertienjarige schoolverlaters die o.m. leidden tot de oprichting van een Dienst voor Voorlichting van Schoolverlaters. In 1937 ontstonden op verschillende plaatsen Diensten voor Beroepskeuzevoorlichting. Vooral na de 2e wereldoorlog kenden ze een grote verspreiding. In 1947 werden 2 Rijksdiensten voor Schooloriëntering opgericht. In 1949 werden in het rijksonderwijs bij wijze van proef de eerste PMS-centra verbonden aan rijksscholen opgericht. Daarin werd ook het medisch schooltoezicht ondergebracht. De centra kregen een wettelijk kader in 1956 en een strakke reglementering in 1962. Na de wet op het buitengewoon onderwijs (1970) werden ook gespecialiseerde PMS-centra opgericht. In 1974 startte een vernieuwingsexperiment. Basisonderwijs / 153
In 1981 werden alle Diensten voor Beroepskeuzevoorlichting omgevormd tot PMS-centra. In 2000 fusioneerden PMS- en MST-centra tot CLB's, Centra voor Leerlingenbegeleiding en greep een schaalvergroting plaats, van 300 centra PMS en MST naar 75 CLB's. http://onderwijs.vlaanderen.be/clb/Documenten/CLB-medewerker/Korte_historiek_CLB.pdf
4.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen Kleuterparticipatie
Om de participatie aan het kleuteronderwijs te maximaliseren wordt er met Kind en Gezin (zie 3.) samengewerkt voor de sensibilisering van ouders. Tevens wordt de omkadering van het kleuteronderwijs geleidelijk uitgebreid. Vanaf 1 september 2010 zullen zesjarige leerlingen pas kunnen starten in het lager onderwijs als ze het schooljaar voordien ten minste 220 halve dagen Nederlandstalig kleuteronderwijs gevolgd hebben of geslaagd zijn in een taaltest bij het CLB. (Zie ook 4.6. toelatingsvoorwaarden & 2.5.3. controle leerplicht). Van de tegen 1 september 2011 geplande hervorming van de omkadering van het basis- en secundair onderwijs, rekening houdende met de GOK_indicatoren (zie 10.2.-3.), zal worden gebruik gemaakt om geleidelijk te komen tot een volwaardige omkadering (op hetzelfde niveau als het lager onderwijs) en financiering van heel het kleuteronderwijs tegen 2014. De omkadering is daarbij prioritair. Basismobiliteit
In 2008-2009 is het project 'Duurzaam Naar School' gestart in 76 gemeenten om leerlingen uit het basisonderwijs zoveel mogelijk met de fiets en te voet naar school te laten gaan. In 2009-2010 worden in 113 gemeenten projecten gesubsidieerd en is daarvoor 3,7 miljoen euro beschikbaar gesteld. 14 van de geselecteerde gemeenten krijgen bovendien steun om netoverschrijdend leerlingenvervoer te organiseren. Vanaf het schooljaar 2010-2011 wordt het project in het kader van de besparingen stopgezet. http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenvervoer/duurzaam/Default.htm Eindtermen en ontwikkelingsdoelen
Vanaf het schooljaar 2010-2011 zullen er nieuwe ontwikkelingsdoelen gelden voor wereldoriëntatie in het kleuteronderwijs en nieuwe eindtermen voor wereldoriëntatie, Nederlands en Frans in het lager onderwijs. Nieuw Leerzorgkader
De decretale vastlegging van de uitgangspunten voor de hervorming van het buitengewoon onderwijs (zie 10.2.) is gepland tegen eind 2010; de decretale vastlegging van de financieringsmechanismen tegen eind 2011, net zoals de uitvoeringsbesluiten. Het nieuwe leerzorgkader (waarvan ook het basisonderwijs deel uitmaakt) zou dan inwerking treden op 1/9/2012.
4.3. Wettelijk kader Basiswetgeving van belang voor het basisonderwijs in Vlaanderen: ●
Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 + de bijhorende uitvoeringsbesluiten.
Basisonderwijs / 154
● ●
Decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs (voor GOK zie 10.5.1.1.)
Eindtermen en ontwikkelingsdoelen ● ● ●
Decreet van 15 juli 1997 tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs. Decreet van 15 juli 1997 betreffende de afwijkingsprocedure voor ontwikkelingsdoelen en eindtermen. Decreet van 30 april 2009 tot bekrachtiging van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs (bekrachtigt BVR 13/2/2009).
CLB, Centra voor leerlingenbegeleiding ● ●
Decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding. BVR van 3 juli 2009 tot vaststelling van de operationele doelstellingen van de CLB.
4.4. Algemene doelstellingen "De school moet op grond van een pedagogisch project een opvoedings- en leeromgeving creëren waarin de leerlingen een ononderbroken leerproces kunnen doormaken. Die omgeving dient aangepast aan de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen. Het BaO, basisonderwijs is verantwoordelijk voor onderwijs aan alle leerlingen en moet door blijvende aandacht en verbreding van de zorg zoveel mogelijk leerlingen blijvend begeleiden." Zo stelt het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 (art. 8.). De algemene doelstellingen van het kleuter- en het lager onderwijs liggen in elkaars verlengde. Deze algemene doelstellingen worden vertaald in ontwikkelingsdoelen en eindtermen die meer concreet aangeven wat wenselijk en haalbaar wordt geacht voor kinderen in het basisonderwijs (zie 4.10.). ●
●
●
●
Brede vorming: in het kleuteronderwijs en in het lager onderwijs wordt de nadruk gelegd op een ruime basisvorming waarbij de persoonlijke ontwikkeling van het kind centraal staat. Bovendien wordt er de fundering gelegd voor de verdere studie en voor het goed functioneren in de maatschappij. De verstandelijke ontwikkeling, maar ook houdingen en waarden zijn belangrijk. Actief leren: de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen geven de kinderen de ruimte om tijdens het lesgebeuren samen met de leerkracht en de medeleerlingen op zoek te gaan naar oplossingen, ervaringen op te doen, vaardigheden te gebruiken, inzichten te verwerven,… Het gaat hier om 'basiscompetenties': de geformuleerde doelen zijn levensecht en kunnen worden toegepast in het dagelijks leven van de kinderen. Zorg voor elke leerling: de eerste zorg van de school is dat elk kind de nodige basisbekwaamheden verwerft. Alle kinderen hebben recht op dat minimum. Toch doet ze ook recht aan de verschillen tussen de kinderen. De persoonlijke ontwikkeling van ieder kind staat immers centraal. Samenhang: een vierde belangrijk kenmerk is de samenhang tussen de leergebieden onderling. Kinderen zien de werkelijkheid niet gescheiden in vakjes. Daarom zijn er slechts 5 leergebieden en 2 leergebiedoverschrijdende thema's. Dit noemt men de horizontale samenhang. Daarnaast spreekt men van verticale samenhang. Er moet een vloeiende lijn zijn in het leerproces vanaf de kleuterschool tot het einde van de leerplicht.
Basisonderwijs / 155
4.5. Geografische toegankelijkheid Scholen zijn in Vlaanderen vrij gelijkmatig over het territorium verspreid. De Grondwet garandeert ouders niet enkel vrijheid van schoolkeuze, maar ook het recht om te kiezen tussen een neutrale officiële school of een confessionele school (behorend tot het vrij gesubsidieerd onderwijs). Als in het gewoon basisonderwijs er geen officieel of vrij onderwijs beschikbaar is binnen een afstand van 4 km van de woonplaats van de leerling, dan komt de overheid tussen in de kosten van het vervoer. (OZB van 23 mei 2008, Algemene omzendbrief leerlingenvervoer).
4.6. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze Toelating tot kleuteronderwijs
Kleuters kunnen vanaf 2,5 jaar enkel instappen in het kleuteronderwijs op vaste instapdata en vanaf dan als regelmatige leerling worden beschouwd. Deze instapdata zijn de eerste schooldag na: de zomervakantie, de herfstvakantie, de kerstvakantie, de krokusvakantie, de paasvakantie en Hemelvaart, en de eerste schooldag van februari. Vóór de instapdatum mag een kleuter tussen 2,5 jaar en 3 jaar niet op school aanwezig zijn. Een kleuter die de leeftijd van 3 jaar bereikt heeft, kan elke dag worden ingeschreven en in de school worden toegelaten zonder rekening te moeten houden met de instapdata (Omzendbrief BaO/2001/10 van 10 augustus 2001). Overgang naar het lager onderwijs
Een schoolcarrière in het kleuteronderwijs eindigt meestal in de maand juni van het jaar waarin het kind 6 jaar wordt; in september van dat jaar begint dan het lager onderwijs en tevens de leerplicht die twaalf jaar duurt. Ouders kunnen echter beslissen om hun kind het eerste jaar lager onderwijs reeds te laten aanvangen op de leeftijd van vijf jaar of het kind daarentegen nog een jaar in het kleuteronderwijs te laten doorbrengen. Daarvoor is echter steeds advies nodig van de klassenraad van de betrokken kleuterschool en het hoofd van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB). De ouders nemen wel de eindbeslissing. Vanaf 1 september 2010 kunnen zesjarige leerlingen pas starten in het lager onderwijs van een Nederlandstalige lagere of basisschool als ze het schooljaar voordien ten minste 220 halve dagen Nederlandstalig kleuteronderwijs gevolgd hebben of geslaagd zijn in een taaltest. Overgang naar het secundair onderwijs
Het minimaal aantal jaren in het lager onderwijs is teruggebracht tot 4. Normaal gebeurt de overgang naar het secundair na het 6e jaar lager onderwijs. Het is echter mogelijk dat een kind maximaal acht jaar doorbrengt in het lager onderwijs, mits een positief advies van de klassenraad en advies van het CLB (Decreet van 25 februari 1997). Zo kan een kind dat laattijdig in het onderwijs is gestart (ten gevolge van ziekte, handicap of immigratie) langer in het lager onderwijs blijven, tot het einde van het schooljaar waarin het de leeftijd van 15 jaar bereikt (en onder voorwaarde niet meer dan 8 jaren in dit onderwijsniveau te hebben doorgebracht). Wanneer een leerling een deel van zijn loopbaan lager onderwijs in het gewoon en een ander deel in het buitengewoon onderwijs heeft doorgebracht, dan is de mogelijke duur van het lager onderwijs deze van het buitengewoon onderwijs. Schoolkeuze
De schoolkeuze gebeurt door de ouders. Het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen verankerde het principieel recht van elke ouder op een inschrijving in de gekozen school en vestigingsplaats; vanaf 12 jaar is het de leerling die in samenspraak met de ouders de Basisonderwijs / 156
keuze bepaalt. (Voor de daarbij geldende voorrangsregelingen, zie 2.3.1.2.). Bij de eerste inschrijving in het lager onderwijs stelt het schoolbestuur de ouders en de leerling in kennis van het pedagogisch project en het schoolreglement van de school. De ouders moeten zich hiermee akkoord verklaren. Het schoolreglement voor het kleuteronderwijs bevat ten minste volgende bepalingen: ●
● ● ● ●
afspraken over de geldelijke en niet-geldelijke ondersteuning die niet afkomstig is van de Vlaamse Gemeenschap en de rechtspersonen die daarvan afhangen (m.a.w. reclame en sponsoring); de bijdragen die aan de ouders kunnen gevraagd worden en de afwijkingen die daarop kunnen gegeven worden; een engagementsverklaring (vanaf het schooljaar 2010-2011); afspraken inzake het rookverbod; bepalingen inzake onderwijs aan huis (zie 4.17.3.).
Voor het lager onderwijs komen daar nog bij: ● ● ● ● ● ●
het orde- en tuchtreglement van de leerlingen met inbegrip van de beroepsmogelijkheden; de procedure tot toekenning van getuigschriften basisonderwijs door het schoolbestuur; richtlijnen inzake afwezigheden en het te laat komen; afspraken i.v.m. huiswerk, agenda’s en rapporten; de wijze waarop de leerlingenraad wordt samengesteld; (OZB BaO/02002/1).
Het schoolreglement, zoals dat zal gelden vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2010-2011, bevat een engagementsverklaring waarin wederzijdse afspraken worden opgenomen over oudercontact, regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement ten aanzien van de onderwijstaal. Met betrekking tot het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal bevat het schoolreglement de bepaling dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren. Andere bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal kunnen enkel worden toegevoegd op voorwaarde dat daarover in het bevoegde lokaal overlegplatform een akkoord is bereikt. Voor de coördinatie en de controle van dat inschrijvingsrecht werden lokale overlegplatforms (LOP's),en een Commissie inzake leerlingenrechten gecreëerd (zie 10.5.3.1.6.). Vanaf het schooljaar 2007-2008 controleren de scholen ten laatste op de 3e schooldag of alle leerplichtige kinderen ingeschreven zijn en ook voor de eerste keer effectief aanwezig zijn. Ook de controle op regelmatig schoolbezoek is verstrengd en sluitend gemaakt (zie 2.5.3.).
4.7. Financiële steun aan het gezin van de leerling Schoolkosten
De kosteloze toegang tot het leerplichtonderwijs is gegarandeerd door de Grondwet (art. 24 §3). Het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 herbevestigde dat principe uitdrukkelijk en het onderwijsdecreet XIII van 13 juli 2001 vulde het verder in: scholen mogen niet alleen geen direct of indirect inschrijvingsgeld vragen, maar evenmin bijdragen voor onderwijsgebonden kosten die noodzakelijk zijn om een eindterm te bereiken of een ontwikkelingsdoel na te streven. Tevens werd in 2001 het principe van de bijdragelijst ingevoerd, opdat ouders bij het begin van het schooljaar een zicht zouden hebben op de maximumkosten per categorie die de school doorrekent (bv. de kosten van maaltijden en vervoer in het kader van een schooluitstap en facultatieve, niet-verplichte buitenschoolse activiteiten (zoals sneeuwklassen, sportklassen,…)). Sinds het schooljaar 2002-2003 moet de bijdrageregeling via het schoolreglement aan de ouders kenbaar worden gemaakt en Basisonderwijs / 157
besproken in de schoolraad. In de praktijk was de grens echter nog onduidelijk en bleek uit klachten van ouders en het schoolkostenonderzoek door het HIVA dat er feitelijk nog tal van extra studiekosten waren. Het decreet kostenbeheersing van 6 juli 2007 heeft hierin tenslotte duidelijkheid gebracht. Sinds 1 september 2007 is er een officiële lijst met materialen die noodzakelijk zijn voor het bereiken van de eindtermen of het nastreven van de ontwikkelingsdoelen en die de scholen dan ook kosteloos ter beschikking moeten stellen van de kinderen (zoals schriften, mappen, schoolagenda, schoolboeken). Kosten die doorgerekend worden zoals maaltijden, drankjes, toezicht, moeten steeds in verhouding staan tot de geleverde prestaties. Voor de andere kosten (tijdschriften waarmee in de klas wordt gewerkt, toneelbezoek, sportactiviteiten, eendaagse extra-murosactiviteiten…) geldt vanaf 1 september 2008 een 'scherpe' maximumufactuur van 20 euro per kleuter en 60 euro per leerling lager onderwijs. Voor meerdaagse uitstappen is er een minder scherpe maximumfactuur van 360 euro per leerling voor de volledige duur van het lager onderwijs. Om dat te realiseren krijgen de scholen gemiddeld 130 euro per leerling per jaar extra. Om de overgang naar het werken met een maximumfactuur te vergemakkelijken werd in 2008 bovendien éénmalig 21 miljoen extra in het basisonderwijs geïnvesteerd. Zie: http://www.ond.vlaanderen.be/schoolkosten/ Omzendbrief BaO/2007/05 van 22/06/2007 Leerlingenvervoer
Voor leerlingen van het gewoon basisonderwijs die binnen de 4 km van hun woonplaats geen officiële school of vrij gesubsidieerde school vinden die de vrije keuze verzekert, is de Gemeenschap verplicht hetzij een dergelijke school in de financierings- of subsidiëringsregeling op te nemen, hetzij tussen te komen in de kosten van het vervoer naar dergelijke school. Het Gemeenschapsonderwijs organiseert voor de rechthebbende leerlingen zelf gratis leerlingenvervoer en garandeert op die wijze de vrije keuze. Zie: http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=13979#-1 Algemene omzendbrief leerlingenvervoer NO/2008/02.
Schooltoelagen
Schooltoelagen worden in het kleuteronderwijs, leerplichtonderwijs en hoger onderwijs toegekend op basis van dezelfde toekenningscriteria en aan de hand van een gezindossier dat geldt voor alle kinderen van eenzelfde gezin voor alle onderwijsniveaus (zie 5.9. voor de voorwaarden tot toekenning). Om de participatie van de leerlingen te verhogen is de toekenning wel gekoppeld aan regelmatige aanwezigheid op school. Kleuters moeten een minimum aantal dagen aanwezig zijn op school. Dat aantal dagen verplichte aanwezigheid stijgt met de leeftijd: < 3 jaar op 31/12: 100 halve dagen op school 3 jaar op 31/12: 150 halve dagen op school 4 jaar op 31/12: 185 halve dagen op school 5 jaar op 31/12: 220 halve dagen op school 6 of 7 jaar op 31/12: max. 29 halve dagen ongewettigd afwezig Leerlingen uit het basisonderwijs die onvoldoende aanwezig zijn (kleuteronderwijs) of meer dan 29 dagen ongewettigd afwezig zijn (lager onderwijs), kunnen het volgend schooljaar het recht op hun schooltoelage verliezen. Als een kind twee schooljaren na elkaar 30 halve dagen of meer ongewettigd afwezig (lager onderwijs) of onvoldoende aanwezig (kleuteronderwijs) is, verliest het de toelage voor het tweede jaar.
Basisonderwijs / 158
Schooltoelagen in het basisonderwijs
Bedragen in euro (2009-2010)
kleuteronderwijs
82,16 Minimumtoelage
Lager onderwijs
92,43
Volledige schooltoelage
138,65
Uitzonderlijke schooltoelage
184,86
In 2008-2009 werden 53 285 schooltoelagen toegekend in het kleuteronderwijs (gemiddeld € 80) en 105 514 in het lager onderwijs (gemiddeld € 112,78) (zoals gekend op 16/10/2009; Statistisch Jaarboek 2008-2009). Het agentschap AHOVOS (hoger onderwijs, volwassenenonderwijs en studietoelagen) heeft een specifieke website over school- en studietoelagen: http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen/ Fiscale maatregelen
Gezinnen worden nog op andere wijzen financieel gesteund bij de opvoeding van hun kinderen (zie 3.7.).
Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers
Decreet betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap OZB Overzicht subsidies en toelagen aan gewoon en/of buitengewoon gefinancierd en/of gesubsidieerd onderwijs"
4.8. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen In het kleuteronderwijs zijn leerlingen doorgaans gegroepeerd volgens de leeftijd: kinderen van 2,5 jaar tot 3 jaar; van 3 tot 4 jaar; van 4 tot 5 jaar; van 5 tot 6 jaar. De indeling in groepen behoort echter tot de vrijheid van het schoolbestuur (d.i. de inrichtende macht). Meestal blijft de leerkracht niet bij de klasgroep als die overgaat naar een volgend jaar. Sommige scholen hanteren kortstondig of continu het verticaal verdelingssysteem, waarbij verschillende leeftijdsgroepen in eenzelfde jaar samen zitten wanneer het aantal leerlingen te klein is om aparte leerjaren in te richten. Het aantal leerlingen per klas valt onder de autonomie van het schoolbestuur. Het lager onderwijs omvat 6 jaren. De indeling van de kinderen in groepen en het aantal leerlingen per klas behoort tot de vrijheid van elk schoolbestuur. Het jaarklassensysteem is niet verplicht maar wordt de facto in veel scholen gebruikt. Wel worden vele vormen van differentiatie toegepast, meestal binnenklasdifferentiatie. Het lestijdensysteem (zie personeelsformatie 2.6.4.1.3.) maakt die keuzevrijheid mogelijk. Klasgroepen worden zo bijvoorbeeld voor bepaalde leergebieden opgesplitst, sommige leerlingen krijgen tijdelijk individuele begeleiding, leerkrachten worden gecoacht door collega’s, enz.. Op die manier geven basisscholen vorm aan een zorg- en gelijkekansenbeleid (zie ook leerlingenbegeleiding 4.15.1.). Meestal geeft één leerkracht alle vakken, maar worden daarnaast ook speciale leerkrachten aangesteld voor vakken als muziek, lichamelijke opvoeding en in het officieel onderwijs een bijzondere leermeester voor levensbeschouwelijke vorming (godsdienst of niet-confessionele zedenleer). Basisonderwijs / 159
4.9. Organisatie van de schooltijd De organisatie van de schooltijd is geregeld door het Besluit van de Vlaamse Regering tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs van 17 april 1991. Binnen dat kader organiseert het schoolbestuur autonoom de schooldag, schoolweek en het schooljaar.
4.9.1. Organisatie van het schooljaar Het schooljaar begint op 1 september en eindigt op 31 augustus.
4.9.2. Organisatie van de schoolweek en de schooldag Het schoolbestuur legt de organisatie van het onderwijs autonoom vast in een schoolwerkplan en stelt ook autonoom het lesrooster op. Met uitzondering van ziekenhuisscholen volgen de kinderen per schoolweek 28 of 29 lestijden van 50 minuten. Ze worden gelijkmatig gespreid over vijf dagen, van maandag tot en met vrijdag. De woensdagnamiddag is vrij (Besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991). De schooldag begint ten vroegste om 8 uur en eindigt ten vroegste om 15 uur en ten laatste om 17 uur. Er is een middagpauze van ten minste ĂŠĂŠn uur. Doorgaans worden de lessen in de voor- en / of in de namiddag onderbroken voor een speeltijd. Aansluitend voor- en/of na de lunchpauze is er soms ook een speeltijd (Besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991).
Lengte van de schooldag in het lager onderwijs maandag
dinsdag
woensdag
donderdag vrijdag
Voorschoolse opvang mogelijk / voorziening buiten de lesuren Start lessen ten vroegste om 8 u, meestal 8u30 Lunchpauze ten minste 1 uur Einde lessen ten vroegste om 15u, ten laatste 17u Naschoolse opvang mogelijk / voorziening buiten de lesuren
Namiddag vrij eventueel beperkte naschoolse opvang
4.10. Curriculum, leergebieden, aantal lesuren Kleuteronderwijs Voor alle kleuterscholen zijn sinds 1 september 1998 ontwikkelingsdoelen verplicht. (decreet van 15 juli 1997, met vernieuwingen door het decreet van 30 april 2009). Ontwikkelingsdoelen zijn minimumdoelen op vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid Basisonderwijs / 160
wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie en die de school bij haar leerlingen moet nastreven. In het kleuteronderwijs zijn er enkel ontwikkelingsdoelen voor het einde van de kleuterschool. De ontwikkelingsdoelen vormen het kerncurriculum. Zij worden geformuleerd voor vijf leergebieden: ● ● ● ●
lichamelijke opvoeding: motorische competenties, gezonde en zelfconcept en sociaal functioneren; muzische vorming: beeld, muziek, drama, beweging, media, attitudes; Nederlands: luisteren, spreken, lezen, schrijven, taalbeschouwing; Wereldoriëntatie:
veilige
levensstijl,
○ (tot 31/08/2010) natuur, technologie, mens, maatschappij, tijd en ruimte; ○ (vanaf 1/09/2010) natuur, techniek, mens, maatschappij, tijd en ruimte; ●
wiskundige initiatie: getallen, meten, ruimte (initiatie op meetkunde).
Alle scholen moeten activiteiten in al deze leergebieden aan de leerlingen aanbieden. De onderwijsinspectie controleert bij de doorlichting of de ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd. De schoolbesturen of de onderwijskoepels maken een leerplan waarin de ontwikkelingsdoelen zijn vervat en dat op advies van de onderwijsinspectie door de regering wordt goedgekeurd en door de onderwijsinspectie gecontroleerd. Doelen en activiteiten worden voor alle leeftijdsgroepen uitgezet in een doorgaande leerlijn naar het lager onderwijs. De ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie – natuur en wereldoriëntatie – technologie werden in 2009 aangepast. De nieuwe ontwikkelingsdoelen gelden vanaf 1 september 2010.
Lager onderwijs Voor het lager onderwijs werden eindtermen vastgelegd (decreet van 15 juli 1997). Ze zijn vanaf 1 september 1998 verplicht voor alle scholen. Eindtermen zijn minimumdoelen. Er zijn verschillende soorten eindtermen. ●
●
Leergebiedgebonden eindtermen betreffende kennis, inzicht en vaardigheden dienen door elke school bij de leerlingen bereikt te worden. Leergebiedgebonden eindtermen betreffende attitudes dienen door elke school bij de leerlingen te worden nagestreefd. Leergebiedoverschrijdende eindtermen zijn minimumdoelen die niet specifiek tot één leergebied behoren, maar door meer leergebieden of onderwijsprojecten kunnen worden nagestreefd.
Een grondig beargumenteerde afwijking van de eindtermen i.f.v. een specifiek pedagogisch project kan slechts worden toegestaan na een strenge procedure en decretale bekrachtiging. Enkel de Steinerscholen hebben (beperkte) afwijkingen voorgesteld en verkregen. Door het decreet van 30 april 2009 werden de eindtermen Nederlands, Frans, wereldoriëntatie – natuur en wereldoriëntatie – technologie gewijzigd. De nieuwe eindtermen gelden vanaf 1 september 2010. Voor alle eindtermen, zie: http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/basisonderwijs/index.htm Het kerncurriculum bestaat uit leergebieden en leergebiedoverschrijdende thema's. ●
leergebieden:
○ lichamelijke opvoeding: motorische competenties, gezonde en veilige levensstijl, zelfconcept en sociaal functioneren
○ muzische vorming: beeld, muziek, drama, beweging, media, attitudes ○ Nederlands: Basisonderwijs / 161
▪
(tot 31/08/2010) luisteren, spreken, lezen, schrijven, taalbeschouwing,vaardigheden, strategieën Nederlands
▪
(vanaf 1/09/2010) luisteren, spreken, lezen, schrijven, strategieën, taalbeschouwing, (inter)culturele gerichtheid
○ Frans:
▪ ▪
(tot 31/08/2010) luisteren, lezen, spreken, schrijven (vanaf 1/09/2010) luisteren, lezen, spreken, mondelinge interactie, schrijven
○ wereldoriëntatie:
▪ ▪
(tot 31/08/2010) natuur, technologie, mens, maatschappij, tijd, ruimte, brongebruik (vanaf 1/09/2010) natuur, techniek, mens, maatschappij, tijd, ruimte, brongebruik
○ wiskunde: getallen, meten, meetkunde, strategieën en probleemoplossende ●
vaardigheden, attitudes. leergebiedoverschrijdende thema's:
○ leren leren ○ sociale vaardigheden ○ ICT De indeling in leergebieden is dezelfde voor het kleuter- en het lager onderwijs. Dit verhoogt de doorzichtigheid en onderstreept de ontwikkelingslijn doorheen de basisschool. De leergebiedoverschrijdende thema's worden ook behouden in het secundair onderwijs. De indeling in leergebieden is geenszins bedoeld om een bepaalde structuur te geven aan het onderwijsaanbod in de klas of school. Elke school is daarin vrij. De school maakt bv. zelf uit of zij leerinhouden in meer of mindere mate in samenhang aanbiedt. De schoolbesturen of de onderwijskoepels maken een leerplan waarin de eindtermen zijn vervat en dat op advies van de onderwijsinspectie door de regering wordt goedgekeurd en door de inspectie gecontroleerd. ICT
De leergebiedoverschrijdende eindtemen voor het gewoon onderwijs en ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon onderwijs zijn breed en niet toegespitst op bepaalde computerprogramma's. Voor ICThard- en software en nascholing werden extra middelen uitgetrokken. Taalonderwijs
Frans is verplicht voor het 5e en 6e jaar. Voor de gemeenten met een speciaal statuut (Brussel, randgemeenten, taalgrensgemeenten) geldt een aparte regeling (zie 10.7.2.). Taalsensibilisering in het Frans is mogelijk vanaf het begin van het gewoon basisonderwijs (dus ook al in het gewoon kleuteronderwijs). Dit zowel in Vlaanderen als in de hogergenoemde gemeenten met een speciaal statuut. Daarnaast kan ook bijkomend taalsensibilisering in een andere taal worden aangeboden, mits eerst taalsensibilisering in het Frans is aangeboden (Omzendbrief BaO/2004/02 van 11/06/2004). Over de doelstellingen van taalsensibilisering en talensensibilisering Frans maakte de DVO (later Entiteit Curriculum voortaan ingebed in AKOV, zie 9.1.) een verhelderende nota "Talensensibilisering en initiatie Frans: doelstellingen en voorbeelden" : http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/default.htm
Basisonderwijs / 162
4.11. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal Volgens het principe van de pedagogische vrijheid (zie 2.3.1.1.) behoort een beslissing omtrent de onderwijsmethoden en de gebruikte didactische hulpmiddelen tot de vrijheid van het schoolbestuur. Bijgevolg is er geen sprake van officiële richtlijnen. De activiteiten in het kleuteronderwijs staan meestal in het teken van een bepaald thema of belangstellingspunt. Deze thema's hangen vaak samen met de jaarkalender, maar kunnen ook onderwerpen zijn die door de kleuters zelf worden ingebracht. Hoekenwerk als organisatievorm vindt men in vrijwel elke kleuterschool. Kinderen krijgen de kans zelfstandig of met hulp van andere kinderen (en volwassenen) te experimenteren, ontdekken, overleggen,... Hoekenwerk en contractwerk zijn belangrijke hulpmiddelen in het verwerven van zelfstandigheid in het lager onderwijs. ●
●
Bij hoekenwerk worden elke week een paar uurtjes (autonomie van de school) uit getrokken om de kinderen in de verschillende hoeken van de klas ontdekkingen te laten doen, reeds gekende zaken in dagdagelijkse situaties toe te passen of een oplossing voor een probleem proberen te vinden. Die uurtjes kunnen de kinderen ook gebruiken om naar eigen keuze een opdracht uit hun contract uit te voeren. Ze moeten ervoor zorgen dat ze voor een afgesproken datum klaar zijn met hun werk (planning). Dit noemt men contractwerk. Contractwerk is een organisatievorm waarbij voor iedere leerling een activiteitenpakket voor een bepaalde periode wordt vastgelegd. Voor de afwerking van het pakket (bundeltje) krijgen de leerlingen een bepaald deel van de klastijd ter beschikking, waarbij ze relatief zelfstandig over de duur en de volgorde van de activiteiten kunnen beslissen.
ICT wordt in het BaO, basisonderwijs beschouwd als ondersteuning van het leerproces. Daarom werden de kleuters vanaf 4 jaar opgenomen bij de doelgroepen van het ICT-infrastructuurprogramma. Hiertoe zijn ook ICT-competenties voor de basisschool ontwikkeld. Elke school is echter vrij om te beslissen vanaf welke leeftijd zij hieraan begint te werken (zie 4.10.). Vooral binnen het basisonderwijs kennen methodescholen een toenemend succes (zie 2.3.4.). De aankoop van leermateriaal zoals schoolboeken, audiovisueel materiaal e.a. wordt niet opgelegd vanwege de overheid. Scholen kunnen hierover wel onderling afspraken maken (bv. binnen de scholengemeenschappen).
4.12. Beoordeling van leerlingen Scholen zijn vrij in hun beoordelingsbeleid. De beoordeling in het kleuteronderwijs is hoofdzakelijk gebaseerd op observatie en vervult drie rollen: ● ● ●
Een vooruitziende rol: biedt de graad van ontwikkeling die door de leerling bereikt is voldoende perspectieven voor een schoolcarrière in het lager onderwijs? Een peilende rol: wat heeft het kind geleerd, hoever staat de leerling in vergelijking met zijn leeftijdsgenoten? Een diagnostische rol: waarom heeft de ontwikkeling van een leerling vertraging opgelopen of waarom is de kennis op bepaalde terreinen niet verworven?
Basisonderwijs / 163
De overgang van kleuter- naar lager onderwijs wordt op vraag van het schoolteam en na instemming van de ouders opgevolgd door het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) (zie 4.15.2.), samen met het onderwijsteam van de school. In het lager onderwijs toetst de leerkracht zeer regelmatig kleine en grotere leerstofonderdelen om te beoordelen in welke mate de vooropgestelde doelstellingen door de leerlingen bereikt zijn en om de doelmatigheid van zijn/haar lesgeven te evalueren. Een schoolrapport informeert elke leerling en zijn/haar ouders op regelmatige tijdstippen over de bereikte resultaten, de vooruitgang die is gemaakt, het leergedrag en de persoonlijke ontwikkeling van het kind. Op dit niveau wordt de leerkracht aangemoedigd om een pedagogie van succes en positieve stimulering te hanteren, die rekening houdt met de moeilijkheden die inherent zijn aan de vooropgestelde doelstellingen en de variërende bekwaamheden van de leerlingen. Samen met de formatieve toetsen kunnen de resultaten van de summatieve toetsen die in december of juni worden afgenomen hierbij worden gebruikt. Er is een groeiende expertise wat betreft het werken met instrumenten zoals kind- of leerlingvolgsystemen bij de observatie en het opvolgen van de ontwikkeling van de leerlingen (de instrumenten van het Centrum voor Ervaringsgericht onderwijs CEGO bijvoorbeeld) en de schalen voor het in kaart brengen van de betrokkenheid en het welbevinden van kinderen. Op het einde van het BaO, basisonderwijs beslist de klassenraad over het al dan niet uitreiken van een getuigschrift basisonderwijs. Scholen hebben hierin een grote mate van autonomie. De klassenraad baseert zich hiervoor op de schooleigen beoordelingsgegevens en doet een uitspraak over het beheersen van de doelen uit het leerplan, waarin de eindtermen voor het lager onderwijs vervat zitten. Sinds 2002 worden systematisch peilingen georganiseerd waarmee de overheid zicht wil krijgen op de mate waarin de leerlingen de eindtermen behalen (voor een overzicht van de georganiseerde peilingen zie 9.5.2.). Vanaf 2008 worden aan de scholen die niet participeren aan de peiling parallelversies aangeboden die exact hetzelfde meten als de landelijke peilingtoets maar dan met andere opgaven.
4.13. Studievoortgang Over het met vrucht doorlopen van een schooljaar en het overgaan naar het volgende jaar wordt beslist door de school. Het zittenblijven blijft vooral bij leerlingen van vreemde nationaliteit duidelijk een probleem in het lager onderwijs. 40% van hen loopt schoolachterstand op (zie 4.18.2.).
4.14. Studiebewijzen Het Getuigschrift Basisonderwijs kan worden bekomen op het einde van: ● ● ●
het 6e jaar van het lager onderwijs, het 1e jaar van het secundair onderwijs (1e jaar A of B) het voorbereidende jaar beroepsonderwijs (d.i. het 2e jaar van de 1e graad secundair onderwijs voor zij die uit de het 1e jaar B komen) waar een evenwaardig certificaat wordt verstrekt.
Basisonderwijs / 164
4.15. Begeleiding 4.15.1. Bijzondere begeleiding van leerlingen In 1984 werd in het basisonderwijs een lestijdenpakket ingevoerd dat een grotere autonomie gaf aan de scholen voor de organisatie van het onderwijsaanbod (zie personeelsformatie 2.6.4.1.3.). Een systeem van aanvullende lestijden creëerde bovendien de mogelijkheid tot extra begeleiding voor specifieke doelgroepen: ● ● ●
Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten (zie 10.7.2.) GOK-leerlingen (zie 10.5.3.1.1.) anderstalige nieuwkomers (OKAN, zie 10.7.1.).
In het kleuteronderwijs worden ook extra instaplestijden toegekend. Kleuters tussen 2,5 jaar en 3 jaar kunnen in het kleuteronderwijs immers ook na 1 september starten op vaste instapdata (zie toelatingsvoorwaarden 4.6.). Indien het aantal regelmatige kleuters op de instapdag minstens 1 kleuter hoger ligt dan het aantal regelmatige kleuters op de teldag voor de lestijden volgens de schalen kunnen er instaplestijden ingericht worden. Schooldirecties die moeilijk kleuteronderwijzers vinden voor die instaplestijden kunnen daarvoor (in de schooljaren 2008-2009 en 2009-2010) ook kinderverzorgers aanstellen. Het systeem van de puntenenveloppen biedt de mogelijkheid om een zorgbegeleider of zorgcoördinator aan te stellen en kleuterparticipatie te bevorderen (zie personeelsformatie 2.6.4.1.3.). De zorgbegeleider coördineert de zorg binnen een school, begeleidt leerlingen en leerkrachten en kan daarnaast ook de link zijn tussen leerling, school, ouders, CLB, therapeut en alle andere instanties die bij een betere ondersteuning van het kind kunnen helpen. Ter bevordering van de kleuterparticipatie (Onderwijsdecreet XVIII) kan de zorgcoördinator ook huisbezoeken afleggen. Zorguren worden toegekend voor leerlingen die extra aandacht vragen omwille van ontwikkelings- en leerachterstand of sociaal-emotionele problemen. Het budget daarvoor verhoogt in de periode 20082011 naar 53 miljoen euro (bijna een verdubbeling van het budget van 2007). Scholen zijn relatief vrij in de wijze waarop zij dit doen (bijvoorbeeld voor individuele begeleiding van leerlingen, voor het coachen van leerkrachten en coördineren van zorginitiatieven…). In het kleuteronderwijs is er sinds het schooljaar 2001-2002 ook een afzonderlijk urenpakket voor kinderverzorgers. Van zodra de school 35 kleuters telt, worden er 8 uren kinderverzorgers gesubsidieerd. Per volle schijf van 55 kleuters komt er één uur bij. Per bijkomende vestigingsplaats kleuteronderwijs die wordt ingericht, ontvangt de school 2 extra uren (Decreet van 13 juni 2001).
4.15.2. De Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) De CLB’s of Centra voor Leerlingenbegeleiding zijn ontstaan uit een fusie van de vroegere PMScentra en centra voor medisch schooltoezicht (MST) op basis van het decreet van 1 december 1998. (Voor de historiek zie 4.1.). Het Besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 herformuleerde en actualiseerde de operationele doelstellingen van de CLB’s. Ouders, leerlingen, leerkrachten en scholen moeten voortaan in elk CLB in Vlaanderen beroep kunnen doen op hetzelfde basisaanbod. Tevens werd de termijn vastgelegd waarbinnen de CLB's vragen moeten behandelen.
Basisonderwijs / 165
Het CLB is een dienst waarop leerlingen, ouders, leerkrachten en schooldirecties een beroep kunnen doen voor informatie, hulp en begeleiding. Elke school sluit daartoe een beleidsplan of beleidscontract af met een CLB. In de CLB-werking staat de leerling steeds centraal. Het CLB heeft een rechtstreeks aanbod naar leerlingen, maar kan ook de school en de ouders ondersteunen in functie van de optimalisering van het welzijn en het schools functioneren van de leerlingen. Het CLB werkt aanvullend op de zorg die door de school georganiseerd wordt en dit binnen vier domeinen: ● ● ● ●
het leren en studeren : lezen en spellen, spraak en taal, dyslexie,… de schoolloopbaan: leerplichtopvolging, studiekeuzebegeleiding, informatie over onderwijs en aansluiting arbeidsmarkt, attestering buitengewoon onderwijs,…. de sociaal-emotionele ontwikkeling: gedragsproblemen, sociale vaardigheden, emotionele problemen, de preventieve gezondheidszorg: medische consulten, vaccinaties, besmettelijke ziekten, voeding, middelengebruik, ….
De begeleiding is multidisciplinair. In een CLB werken onder andere artsen, maatschappelijk werkers, pedagogen, psychologen, psychologisch assistenten en verpleegkundigen, die elk vanuit hun eigen deskundigheid een bijdrage kunnen leveren aan het optimaliseren van het schools functioneren van jongeren. Elk CLB zal voortaan een basispakket aanbieden dat bestaat uit: ●
●
●
●
Een vraaggestuurd leerlinggebonden aanbod, waarbij zowel ouders als leerlingen begeleiding kunnen krijgen bij emotionele problemen of advies bij leerstoornissen. De begeleiding van de instap in deeltijdse leersystemen krijgt een duidelijke plaats. Een aanbod rond spijbelen en kleuterparticipatie, waarbij zowel ouders, leerlingen als een schoolteam bij het CLB terecht kunnen. Het centrum start, samen met de school, na melding door en overleg met de school, verplicht een traject op voor leerlingen na 10 halve dagen problematische afwezigheid en voor de leerlingen die afwezig zijn wegens schorsing, tijdelijke of definitieve uitsluiting. Schoolondersteuning, specifiek voor leraren en schoolteams. Zo kunnen ze bij het CLB terecht voor advies over hoe ze kunnen reageren op specifieke sociale of psychische problemen bij leerlingen. CLB's zetten ook samen met de scholen acties op rond studie- en beroepskeuze voor alle leerlingen van het laatste jaar basisonderwijs, het 2e jaar van de 1e graad secundair onderwijs, het 2e jaar van de 3e graad secundair onderwijs. CLB’s vervullen ook een draaischijffunctie tussen de school en een netwerk van actoren in de preventieve gezondheidszorg. CLB’s participeren ook aan projecten op school gericht op het beleid rond prioritaire doelgroepen. Medische onderzoeken en preventie waarbij de lichamelijke ontwikkeling opgevolgd en beschermd wordt. Een algemeen consult door een arts en een paramedisch werker wordt uitgevoerd bij alle leerlingen uit het 2e jaar kleuteronderwijs, 5e jaar lager onderwijs, 1e en 3e jaar secundair onderwijs, 1e jaar DBSO of erkende vorming (niet in de leertijd omdat daar een ander gezondheidsonderzoek plaats vindt); in het buitengewoon onderwijs op de leeftijd van 5, 11, 13 en 15 jaar. Daarnaast worden ook gerichte consulten m.b.t. de visuele functie gehouden in het 1 j. kleuteronderwijs, 1e en 3e jaar lager onderwijs, in het buitengewoon onderwijs op de leftijd van 4, 7, 9 jaar.
CLB's moeten informatie en advies geven binnen de tien werkdagen. Ze krijgen veertig werkdagen voor een diagnose bij een leerling en nog eens tien dagen als er ook een formeel verslag van de diagnose nodig is. In het vraaggestuurde aanbod gaat een CLB in op vragen van ouders en leerlingen maar kan daarnaast ook ingaan op voorstellen tot begeleiding van scholen. Begeleiding gebeurt in een sfeer van vertrouwen en dialoog. Het initiatief gaat in principe altijd uit van de vraagsteller. Een begeleiding kan dus pas opgestart worden nadat een leerling of een ouder daartoe het initiatief neemt. Vraagt een Basisonderwijs / 166
school het CLB om een leerling te begeleiden, dan zal het centrum altijd eerst de uitdrukkelijke toestemming vragen aan de ouders (voor een leerling jonger dan 12 jaar) of aan de leerling zélf (vanaf 12 jaar). Belangrijk hierbij is dat het belang van de leerling voorop staat. Begeleiding door het CLB vertrekt steeds vanuit een zorgvraag die het gevolg is van een probleem dat het leerproces of de onderwijsloopbaan nu of in de toekomst kan belemmeren. Doorgaans kan begeleiding door een CLB niet verplicht worden. Er zijn echter twee uitzonderingen op deze regel, waarbij de verplichting toch geldt. Zo is in een aantal leerjaren de deelname aan het medisch onderzoek verplicht. Het is belangrijk dat elke leerling deelneemt aan het onderzoek om beginnende aandoeningen of ziekten tijdig te kunnen opsporen of voorkomen. Op die manier kan er belangrijke informatie verzameld worden over de algemene gezondheidstoestand van de jongeren. Daarnaast dienen de ouders en leerlingen bij problematische afwezigheden verplicht in te gaan op de begeleiding van het CLB en dit in functie van het voorkomen van drop-out of escalatie van leerplichtproblemen. Elke leerling heeft recht op bijzondere aandacht maar het centrum begeleidt prioritair en intensief leerlingen die leerbedreigd zijn door hun persoonlijke kenmerken, sociale achtergrond of leefsituatie. Er is tevens bijzondere aandacht voor leerlingen uit het buitengewoon onderwijs, het kleuteronderwijs en de aanvangsjaren van de lagere school, het technisch, kunst-, beroepssecundair onderwijs, het deeltijds beroepsonderwijs en de erkende vormingen, het eerste leerjaar B, het beroepsvoorbereidend leerjaar. Het CLB is laagdrempelig en heeft een basisaanbod op vlak van jeugdhulp, het beperkt zich tot kortdurende begeleidingen en kan dus niet alle problemen oplossen. Het CLB moet zich inschakelen in een aanwijsbaar netwerk van welzijns- en gezondheidsvoorzieningen waarmee het samenwerkt. Soms zal men dus doorverwijzen naar andere, meer gespecialiseerde diensten. Het CLB kan vanuit het beroepsgeheim in de hulpverlening dan ook een belangrijke draaischijffunctie hebben tussen school en de welzijns- en gezondheidsinstellingen. Per leerling wordt door het CLB ook een leerlingdossier bijgehouden gedurende de volledige schoolloopbaan. De toegankelijkheid van dit dossier is aan strikte regels onderworpen. Bovendien zijn CLB-medewerkers gehouden aan het beroepsgeheim. In 2009 werd door alle betrokken instanties een engagementsverklaring ondertekend over de samenwerking van scholen en CLB’s met de residentiële voorzieningen Bijzondere Jeugdbijstand, om ervoor te zorgen dat een verblijf in een BJB-voorziening de schoolloopbaan van een jongere zo weinig mogelijk zou hinderen. (Kinderen en jongeren tot 18 jaar en hun gezinnen kunnen begeleid worden door een voorziening, project of dienst binnen de Bijzondere Jeugdzorg op basis van een verwijzing door het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg of via de jeugdrechtbank, zie http://wvg.vlaanderen.be/jongerenwelzijn/verwijzers/cbj.htm). De kwaliteitsbewaking van de CLB's gebeurt d.m.v. doorlichtingen door de onderwijsinspectie (zie 9.4.2.2.). Zelfevaluatie is een volwaardig onderdeel van de kwaliteitszorg en wordt meegenomen in de doorlichting door de onderwijsinspectie. De CLB-sector heeft middelen om naast het tevredenheidsinstrument (ontwikkeld binnen het kader van het OBPWO-onderzoek - zie hierna), het eigen instrument voor zelfevaluatie te verbeteren. Het onderzoek over de CLB's dat binnen het kader van het OBPWO werd uitgevoerd (zie 9.6.) wees op een grote tevredenheid bij leerlingen, ouders en personeelsleden over de begeleiding, maar ook op een grote onduidelijkheid over taken en opdrachten. Het wees ook uit dat naarmate men vooraf weet waar men zich aan kan verwachten in de begeleiding men ook meer tevreden is. Het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs bevestigde de rol van de permanente ondersteuningscellen inzake de professionalisering van de personeelsleden van de CLB’s. (zie 9.3.3.4.). Verdere informatie: Basisonderwijs / 167
● ● ● ● ● ● ● ●
Departement onderwijs en vorming: http://www.ond.vlaanderen.be/CLB/ Inspectie CLB: http://onderwijs.vlaanderen.be/inspectie/extra/clb.htm CLB's van het GO! (onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap): http://www.go-clb.be Provinciaal onderwijs: http://www.pov.be/ Stedelijk en gemeentelijk onderwijs: http://www.ovsg.be Vrij onderwijs: http://www.vclb-koepel.be Tijdschrift van de vrije CLB's: http://www.caleidoscoop.be/ Info sites
○ Vrije CLB's van Vlaams-Brabant en Brussel: http://www.digiclb.be ○ De Stap, Studieadviespunt Gent: http://www.destapgent.be/default.asp Voor cijfergegevens zie 4.18.3.. Voor ambten in de CLB's, zie 8.5.
4.16. Privaat-onderwijs 68 % van de leerlingen in het basis en secundair onderwijs lopen school in zgn. vrije scholen, niet opgericht door openbare besturen of publiekrechtelijke personen, maar privaatrechtelijk. Dit vrij onderwijs is gesubsidieerd, erkend, gecontroleerd en geïnspecteerd door de staat (zie 2.3.3.). Daarom wordt het hier ook niet afzonderlijk behandeld, maar samen met het officieel onderwijs in de andere secties. Aan de leerplicht kan ook voldaan worden door het volgen van lessen in huisonderwijs dat slechts aan een beperkt aantal voorwaarden dient te voldoen, door de ouders zelf wordt bekostigd en georganiseerd, maar geen recht geeft op erkende studiebewijzen (zie leerplicht 2.5.2.). In 2008-2009 volgden 289 leerlingen huisonderwijs op niveau basisonderwijs, 577 leerlingen huisonderwijs op niveau secundair onderwijs. (Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009). Huisonderwijs mag niet worden verward met 'onderwijs aan huis' voor zieke of gehandicapte kinderen (zie 4.17.3. voor tijdelijk onderwijs aan huis en 10.6.4. voor permanent onderwijs aan huis). Onder privaat of privé-onderwijs verstaat men in Vlaanderen commerciële onderwijsinitiatieven op de vrije markt die noch officieel erkend noch gesubsidieerd zijn. Deze zijn echter uitermate beperkt. Enkel in het hoger onderwijs zijn er enkele bekende private initiatieven waarmee dan beheersovereenkomsten zijn gesloten (zie 6.17.). Het privaat-onderwijs dient dan ook in Vlaanderen onderscheiden te worden van het vrij gesubsidieerd onderwijs en het huisonderwijs.
4.17. Andere organisatievormen Voor onderwijs aan langdurig zieke kinderen zijn tijdelijk onderwijs aan huis (zie 4.17.3.), permanent onderwijs aan huis (zie 10.6.4.) en ziekenhuisscholen (zie 4.17.1.) uitgebouwd. Er worden ook onderwijsactiviteiten georganiseerd in jeugdpsychiatrische diensten (gesubsidiëerd als Diensten met Onderwijsbehoeften) (zie 4.17.2.). Sinds september 2006 volgt een rijdend kleuterklasje voor kinderen van foorkramers het parcours van de grote kermissen. Sinds september 2009 volgen 25 kleuters er regelmatig les. Tijdens de winterstop (half november - eind februari) kunnen ze terecht in reguliere ankerscholen. Het klasje beschikt over 1 gedetacheerde kleuterleidster en een werkingsbudget.
Basisonderwijs / 168
Voor een kunstzinnige vorming kunnen jongeren lessen volgen in de lagere graad van het deeltijds kunstonderwijs (zie 7.10.5.).
4.17.1. Type 5-onderwijs (ziekenhuisscholen en preventoria) Ziekenhuisscholen en preventoria (type 5) bestaan sinds vele jaren in Vlaanderen, maar hun aantal is beperkt. ●
De programmatie- en rationalisatienormen liggen in het BaO, basisonderwijs relatief hoog zodat alleen grote ziekenhuizen met een voldoende instroom van jongeren, een ziekenhuisschool kunnen oprichten en/of in stand houden. Er zijn 7 basisscholen van het type 5:
○ 5 verbonden aan ziekenhuizen (Antwerpen, Gent, Leuven, Vlezenbeek en Pulderbos), ○ 2 bij het preventorium in De Haan (1 Franstalige en 1 Nederlandstalige). ●
In het secundair onderwijs is het aantal ziekenhuisscholen beperkt aangezien zij enkel kunnen worden opgericht bij de universitaire ziekenhuizen en eigenlijk deel uitmaken van de basisschool verbonden aan deze ziekenhuizen. Er bestaan 3 secundaire scholen type 5: in Antwerpen, Gent en Leuven. Ze bieden enkel opleidingsvorm 4 aan. Het zeepreventorium in De Haan heeft een eigen regeling.
De arts en de ziekenhuisschool beoordelen de frequentie en de hoeveelheid van het onderwijsaanbod dat de zieke jongere aan kan. Sommige jongeren krijgen 1 lestijd per dag, anderen krijgen meer les. Dat een kind opgenomen is een type 5-school, ontslaat de thuisschool niet van zijn verantwoordelijkheid voor dit kind. Het kind blijft immers ingeschreven in de thuisschool. Van deze school wordt verwacht dat zij de ziekenhuisschool informeert over bv. de gebruikte handboeken, mogelijke aandachtspunten voor de leerlingen, het programma enz. 0p 1/2/2009 bedroeg het aantal type 5-leerlingen 127 in het buitengewoon kleuteronderwijs, 216 in het buitengewoon lager onderwijs, 298 in het buitengewoon secundair onderwijs (Statistisch Jaarboek 2008-2009).
4.17.2. K-diensten (kinder- en jeugdpsychiatrische diensten) In 2003 kende het Onderwijsdecreet XIV een subsidie-enveloppe toe ten voordele van 12 erkende kinderpsychiatrische diensten, voor het verstrekken van onderwijs. Vanaf 1 januari 2008 is er een 13e kinderpsychiatrische dienst opgenomen in de subsidieregeling. De subsidie per K-dienst is gebaseerd op het aantal dagbedden en dag- en nachtbedden waarvoor de betrokken K-dienst erkend is. De Kdiensten worden gesubsidieerd om een onderwijsaanbod te verzekeren, maar kunnen geen diploma’s of getuigschriften uitreiken. Net als bij type 5, blijft de thuisschool mee verantwoordelijk voor een kind dat zich in een K-dienst bevindt.
4.17.3. Tijdelijk Onderwijs Aan Huis (TOAH) In 1997 werd het Tijdelijk Onderwijs Aan Huis in het BaO, basisonderwijs geïntroduceerd en in 2005 uitgebreid naar het secundair onderwijs. Tijdelijk Onderwijs Aan Huis komt er op neer dat een leerplichtig kind, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte of ongeval van 21 kalenderdagen, Basisonderwijs / 169
onder bepaalde voorwaarden recht heeft op 4 lestijden of -uren onderwijs thuis of in het regionale ziekenhuis. De organisatie ervan is de verantwoordelijkheid van de thuisschool, die een leerkracht aanstelt. De school krijgt hiervoor vier bijkomende lestijden of -uren per week per zieke leerling gefinancierd of gesubsidieerd. Sinds januari 2007 kunnen ook chronisch zieke kinderen (nierpatiënten, astmapatiënten, herstellende kankerpatiënten...) in basis- en secundair onderwijs genieten van Tijdelijk Onderwijs Aan Huis, al geraken ze - door de specificiteit van hun ziekte - vaak niet aan 21 opeenvolgende kalenderdagen afwezigheid. In gevolge hun chronische aandoening missen deze leerlingen veel lessen en lopen ze ook leerachterstand op. Om ook aan deze doelgroep evenwaardige kansen te bieden wordt een extra budget voorzien waarmee Tijdelijk Onderwijs aan Huis kan ingericht worden. Sinds september 2009 hebben ook vijfjarige kleuters recht op tijdelijk onderwijs aan huis. De vzw Bednet helpt bij de begeleiding van langdurig en chronisch zieke kinderen tussen 6 en 18 jaar, Bednet creëert een virtuele schoolomgeving via het internet voor deze leerlingen en zorgt ervoor dat zij synchroon of a-synchroon contact houden met hun klas en de lessen blijven volgen. Dit traject is voor de deelnemende kinderen en scholen gratis. Bij de aanvang van het tweede trimester voor het schooljaar 2009-2010 maken meer dan 100 kinderen gelijktijdig gebruik van het Bednetsysteem. zie http://www.bednet.be/ ● ● ● ● ●
Voor permanent onderwijs aan huis voor leerlingen uit het buitengewoon onderwijs (zie 10.6.4.) Onderwijsdecreet XV van 15 juli 2005 Besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2007 Omzendbrief BaO/97/5 van 17 juni 1997 Omzendbrief SO/2005/05 van 22 juli 2005
4.18. Statistieken Basisonderwijs schooljaar 2008-2009
Gewoon onderwijs
Buitengewoon onderwijs
Totaal
Aantal leerlingen kleuteronderwijs
243 482
1 977
245 459
Aantal leerlingen lager onderwijs
381 882
27 543
409 425
Bestuurs- en onderwijzend personeel basisonderwijs (aantal budgettaire full-time equivalenten)
46 588
5 895
Kostprijs per leerling basisonderwijs 2009
4 167
12 867
2 499 146 000
376 815 00
Onderwijsbegroting 2009
Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009 & Vlaams onderwijs in beeld 20082009
Basisonderwijs / 170
4.18.1. Basisonderwijs Aantal leerlingen verdeeld over de onderwijsnetten in % Onderwijsnet
Gewoon basisonderwijs Kleuter onderwijs
Buitengewoon basisonderwijs
Lager onderwijs
Kleuter onderwijs
Lager onderwijs
GO! onderwijs Vlaamse Gemeenschap
14,3
14,4
16,7
16,4
Officieel gesubsidieerd onderwijs
23,1
22,6
21,4
22,0
Vrij gesubsidieerd onderwijs
62,6
63,0
61,8
61,6
Bron: Vlaams onderwijs in beeld 2008-2009
Verdeling onderwijsbudget basisonderwijs over de netten, in % Onderwijsnet
Gewoon basisonderwijs
Buitengewoon basisonderwijs
GO! onderwijs Vlaamse Gemeenschap
15,2
30,8
Officieel gesubsidieerd onderwijs
23,5
13,7
Vrij gesubsidieerd onderwijs
61,3
55,6
Netoverschrijdend
0,1
Bron: Vlaams onderwijs in beeld 2008-2009
Aantal scholen kleuter- en lager onderwijs Soort instelling
Gewoon onderwijs
Buitengewoon ond.
Totaal
Autonome kleuterscholen
170
-
170
Autonome lagere scholen
179
96
275
Basisscholen met zowel kleuter- als lager onderwijs
1 963
94
2 057
Basisscholen (met kleuter- of lager of met kleuter- en lager onderwijs)
2 312
190
2 502
Scholen met kleuteronderwijs
2 133
94
2 227
Scholen met lager onderwijs
2 142
190
2 332
Aantal basisscholen met onderwijs type 5
-
6
6
Scholen met kleuterond. zonder jongens
4
-
4
Scholen met kleuterond. zonder meisjes
1
6
7
Scholen met lager ond. zonder jongens
5
-
5
Scholen met lager ond. zonder meisjes
5
-
5
Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009 Basisonderwijs / 171
Evolutie van het aantal leerlingen Kleuteronderwijs
Gewoon
Buitengewoon
Totaal
Verhouding t.o.v. 1995-1996 Schooljaar
Absoluut
Procent
Absoluut
Procent
Absoluut
Procent
1995 - 1996
253 756
100,00
1 721
100,00
255 477
100,00
1996 - 1997
251 259
99,02
1 784
103,66
253 043
99,05
1997 - 1998
245 704
96,83
1 811
105,23
247 515
96,88
1998 - 1999
240 841
94,91
1 780
103,43
242 621
94,97
1999 - 2000
238 887
94,14
1 767
102,67
240 654
94,20
2000 - 2001
238 881
94,14
1 701
98,84
240 582
94,17
2001 - 2002
237 818
93,72
1 686
97,97
239 504
93,75
2002 - 2003
236 417
93,17
1 726
100,29
238 143
93,22
2003 - 2004
234 951
92,59
1 720
99,94
236 671
92,64
2004 - 2005
233 172
91,89
1 791
104,07
234 963
91,97
2005 - 2006
233 709
91,71
1 821
105,81
234 530
91,80
2006 - 2007
233 344
91,96
1 907
110,81
235 251
92,08
2007 - 2008
237 530
93,61
1 950
113,31
239 480
93,74
2008 - 2009
243 482
95,95
1 977
114,88
245 459
96,08
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Lager onderwijs
Gewoon
Buitengewoon
Totaal
Verhouding t.o.v. 1995-1996 Schooljaar
Absoluut
Procent
Absoluut
Procent
Absoluut
Procent
1995 - 1996
390 195
100,00
22 528
100,00
412 723
100,00
1996 - 1997
394 248
101,04
23 121
102,63
417 369
101,13
1997 - 1998
400 038
102,52
24 072
106,85
424 110
102,76
1998 - 1999
405 021
103,80
24 935
110,68
429 956
104,18
1999 - 2000
408 545
104,70
25 727
114,20
434 272
105,22
2000 - 2001
409 323
104,90
26 212
116,35
435 535
105,53
2001 - 2002
407 526
104,44
26 794
118,94
434 320
105,23
2002 - 2003
404 308
103,62
26 901
119,41
431 209
104,48
2003 - 2004
399 615
102,41
26 952
119,64
426 567
103,35
2004 - 2005
393 910
100,95
26 768
118,82
420 678
101,93
2005 - 2006
388 973
99,69
26 753
118,75
415 726
100,73
2006 - 2007
387 157
99,22
26 794
118,94
413,951
100,30
2007 - 2008
384 557
98,56
27 140
120,47
411 697
99,75
2008 - 2009
381 882
97,87
27 543
122,26
409 425
99,20
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009 Basisonderwijs / 172
4.18.2. Schoolse vertraging / voorsprong van leerlingen met Belgische nationaliteit in het gewoon lager onderwijs, per jaar en geslacht
Leerlingen met Belgische nationaliteit voorsprong Jaar
op leeftijd
achterstand
Totaal
≼1
0
1
2
>2
Eerste
551
54 057
6 353
310
13
61 284
Tweede
587
49 899
7 619
512
25
58 642
Derde
702
48 782
7 868
672
52
58 076
Vierde
785
47 686
7 953
905
45
57 374
Vijfde
757
47 744
8 152
761
16
57 430
Zesde
724
48 346
6 813
351
3
56 237
4 106
296 514
44 758
3 511
154
349 043
totaal methodeonderwijs
8 782
Algemeen totaal
357 825
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Leerlingen met vreemde nationaliteit voorsprong
op leeftijd
achterstand
Totaal
Jaar
≼1
0
1
2
>2
Eerste
26
3 108
1 114
209
46
4 503
Tweede
27
2 457
1 161
284
55
3 984
Derde
26
2 220
1 258
364
62
3 930
Vierde
40
1 948
1 328
492
60
3 868
Vijfde
35
1 949
1 295
395
27
3 701
Zesde
29
1 881
1 075
258
12
3 255
totaal
183
13 563
7 231
2 002
262
23 241
methodeonderwijs Algemeen totaal
816 24 057
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Basisonderwijs / 173
4.18.3. CLB, Centra voor Leerlingenbegeleiding Aantal centra Inrichtende macht
GO!
Vrij gesubsidieerd ond.
Officieel gesubsidieerd ond.
Totaal
Centra
24
44
5
73
Permanente ondersteuningscel
1
1
1
3
Bron: Vlaams onderwijs in cijfers 2008- 2009 Aantal personeelsleden (budgettaire fulltime-equivalenten) in januari 2008: 2786 (waarvan 2 039 vast, 747 tijdelijk).
4.18.4. Leerlingenvervoer Aantal vervoerde leerlingen per onderwijsniveau en per onderwijsnet Gemeenschaps- Gesubsidieerd Gesubsidieerd onderwijs (1) vrij onderwijs officieel onderwijs
Totaal
Basisonderwijs Gewoon Buitengewoon Totaal basisonderwijs
1.570 6.874 8.444
1.466 16.199 17.665
395 4.209 4.604
3.431 27.282 30.713
Secundair onderwijs Gewoon Buitengewoon Totaal secundair onderwijs
31 4.557 4.588
1.703 9.363 11.066
2.476 2.476
1.734 16.396 18.130
Algemeen totaal
13.032
28.731
7.080
48.843
Aantal vervoerde leerlingen naar vervoersvorm GemeenschapsGesubsidieerd Gesubsidieerd Totaal onderwijs (1) vrij onderwijs officieel onderwijs Collectief (2) 10.971 21.765 5.035 37.771 Individueel (3) 2.061 6.966 2.045 11.072 Algemeen totaal 13.032 28.731 7.080 48.843 (1) Voor het Gemeenschapsonderwijs zijn alleen de leerlingen binnen de zones opgenomen. (2) Een collectief vervoerde leerling is een leerling die gebruikmaakt van een door de Vlaamse Gemeenschap betaalde of gesubsidieerde bijzondere ophaaldienst met een capaciteit van minimum 7 plaatsen. Vanaf 1 september 2001 wordt het collectief vervoer georganiseerd door de Vlaamse Vervoersmaatschappij. (3) Een individueel vervoerde leerling is een leerling die gebruik maakt van het openbaar vervoer en/of gebruik maakt van een voertuig van minder dan 7 plaatsen en waarvoor de Vlaamse Gemeenschap tussenkomt in de vervoerskosten op basis van de officiĂŤle abonnementstarieven. Vervoersvorm
Basisonderwijs / 174
5. Secundair & Post-secundair niet-tertiair onderwijs
Toelichting bij de organisatie van het gewoon voltijds secundair onderwijs ● ●
● ● ● ●
●
Het wordt horizontaal ingedeeld in vier graden van elk twee leerjaren (zie 5.5.). Vanaf de tweede graad is het vertikaal opgedeeld in 4 onderwijsvormen: ASO-Algemeen Secundair Onderwijs, TSO-Technisch Secundair Onderwijs, KSO-Kunstsecundair Onderwijs en BSO-Beroepssecundair Onderwijs (zie 5.5.). Vierde graden worden enkel georganiseerd in het BSO, beroepssecundair onderwijs. Ze worden progressief afgebouwd (zie 5.11.3.). De 4e graad verpleegkunde (zie 5.11.4.) werd vanaf 2009-2010 ondergebracht in het HBO5, hoger beroepsonderwijs (zie 5.20.3.). Na het 2e leerjaar van de 3e graad worden verschillende zgn. 7e leerjaren georganiseerd in ASO, KSO en BSO (zie 5.11.2.). De vroegere 7e specialisatiejaren in TSO en KSO werden vanaf 1 september 2009 ondergebracht in het nieuwe beroepsgerichte Se-n-Se, secundair-na-secundair onderwijs (zie 5.20.2.). Na de 1e graad BSO bestaat sinds 2000 een experimenteel modulair opgebouwd BSO (zie 5.11.4.).
De deeltijdse leerplicht vergt voortaan ook een voltijds engagement van de leerlingen. Daarvoor is een 'stelsel van leren en werken' uitgebouwd (zie 5.20.1.). Het omvat deeltijds beroepssecundair onderwijs DBSO (zie 5.20.1.1.) met deeltijdse vormingen (zie 5.20.1.2.) en de leertijd in KMO's georganiseerd door SYNTRA Vlaanderen (zie 5.20.1.3.).
Secundair en post-secundair onderwijs / 175
Naast het gewoon secundair onderwijs bestaat het buitengewoon secundair onderwijs voor leerlingen met bijzondere zorgbehoeften (zie 10.6.). Maar ook binnen het gewoon onderwijs worden speciale maatregelen getroffen voor zorgbehoeftigen: GOK, gelijkeonderwijskansenbeleid, GON, geïntegreerd onderwijs, ION, inclusief onderwijs voor mentaal gehandicapte type 2 leerlingen (zie 10.5.) en OKAN, onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (zie 10.7.1.). Voor zieke leerlingen wordt Tijdelijk Onderwijs Aan Huis georganiseerd (zie 4.17.3.). In deze sectie behandelen we na het historisch overzicht (zie 5.1.), actuele discussies (zie 5.2.) en wettelijk kader (zie 5.3.): 5.4. Algemene doelstellingen 5.5. Soorten instellingen 5.6. Geografische toegankelijkheid 5.7. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze 5.8. Inschrijving en/of inschrijvingsgeld 5.9. Financiële steun voor leerlingen 5.10. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen 5.11. Studierichtingen en specialisatie 5.12. Organisatie van de schooltijd 5.13. Curriculum, leervakken, aantal lesuren 5.14.Onderwijsmethoden en didactisch materiaal 5.15. Beoordeling van leerlingen 5.16. Voortgang van leerlingen 5.17. Studiebewijzen 5.18. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 5.19. Privé-onderwijs Nog andere secties zijn relevant op het secundair niveau: ● ● ● ● ● ● ● ● ●
Bestuur en beheer van de instellingen, & scholengemeenschappen secundair onderwijs (zie 2.6.4.2.2.) Interne participatie en overleg (zie 2.7.1.) Financiering van het leerplichtonderwijs (zie 2.8.3.) Methodenscholen (zie 2.3.4.) CLB's, centra voor leerlingenbegeleiding (zie 4.15.2.) Deeltijds Kunstonderwijs (zie 7.) Tweedekansonderwijs (TKO) en volwassenenonderwijs op secundair niveau (zie 7.) Doorlichting door de onderwijsinspectie (zie 9.4.2.1.) Internationale samenwerkingsprojecten, mobiliteit en uitwisseling van leerlingen in het SO (zie 11.6.1.2.)
5.1. Historisch overzicht Het duurde tot 1887 vooraleer een wet de structuur van het secundair onderwijs vastlegde. Die structuur werd behouden tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Naast de klassieke richtingen (Latijn-Grieks en Latijn) kreeg ook de moderne humaniora (met de klemtoon op moderne talen en wetenschappen) betekenis. Daarenboven werden secundaire scholen opgericht, die geen humanioraonderwijs aanboden maar die bedoeld waren om jongeren voor te bereiden op een loopbaan in de handel, industrie, administratie en financiële wereld. Ook ontstond in de loop van de 19de eeuw, los van de bestaande secundaire scholen, het technisch onderwijs. Dit onderwijstype dat gericht was op de sectoren landbouw, tuinbouw, industrie en handel, voorzag lessen met een praktische en nuttige inslag, 's avonds en op zondag. De grote politieke, sociale en economische veranderingen uit de nadagen van de Eerste Wereldoorlog hadden een invloed op de toenmalige structuur van het secundair onderwijs; het aantal scholen en leerlingen nam sterk toe (De Keyser en D'Hoker, 19841985). Secundair en post-secundair onderwijs / 176
Vanaf het interbellum spitste de discussie zich toe op de gelijkwaardigheid tussen de klassieke richtingen enerzijds en de moderne humaniora anderzijds. In 1924 kwam het leerplan van de middelbare scholen, dat een afdeling Latijn-Grieks kon bevatten in de rijksmiddelbare scholen, overeen met de eerste drie jaar van de moderne humaniora. Het technisch onderwijs, waarvan de ontwikkeling werd gekenmerkt door een gebrek aan coherentie en dat noch over een statuut noch over een unitaire structuur beschikte, kreeg door een koninklijk besluit in 1933 voor de eerste keer een samenhangende indeling voor technische scholen. Het bestuur van het technisch onderwijs, dat tot dan toe de verantwoordelijkheid was geweest van verschillende ministers (Landbouw, Handel en Arbeid) kwam onder de bevoegdheid van de minister van Openbaar Onderwijs. Op dat moment kwam, ten minste in bepaalde kringen, het idee naar voren om het secundair en technisch onderwijs dichter bij elkaar te brengen. Na de Tweede Wereldoorlog, en vooral na de jaren 1950 en 1960, evolueerde het secundair onderwijs op een determinerende wijze. Eerst en vooral werden er nieuwe afdelingen en structuren opgericht (KB van 30 april 1957(b)). Op hetzelfde moment werd het technisch en beroepsonderwijs een structuur gegeven die gelijkaardig was aan die van het oudere algemeen vormend onderwijs (KB van 30 april 1957(a)). De 'Omnivalentiewet' van 8 juni 1964 liet een grotere toegang tot hoger onderwijs en bepaalde universiteitsfaculteiten in het bijzonder toe. Tijdens de decennia die het einde van de Tweede Wereldoorlog voorafgingen was het secundair onderwijs met zijn zeer hiërarchische, categoriale en piramidale structuur, immers enkel toegankelijk geweest voor een kleine groep jongeren. De democratiseringsbewegingen hebben in het secundair onderwijs na de Tweede Wereldoorlog een radicale hervorming teweeg gebracht in haar structuren en pedagogische methoden. Deze evolutie had zowel een kwalitatieve (structurele veranderingen) als een kwantitatieve dimensie (de 'school-boom'). Meer pogingen tot hervorming van het secundair onderwijs gaan terug tot het schooljaar 1969-1970. De wet van 19 juli 1971 introduceert een nieuw type van secundair onderwijs, dat het Type 1 werd genoemd. Waar dit nieuwe (comprehensieve) type verplicht werd in het rijksonderwijs, werd het slechts gedeeltelijk toegepast in de gesubsidieerde scholen. Twee belangrijke hervormingen bepalen de actuele eenheidsstructuur van het secundair onderwijs. ●
●
Ten eerste zijn de twee hoofdtypes (een comprehensief type en een type met verschillende richtingen) vervangen, door een nieuw algemeen kader. De vroegere nationale wetgeving (aangenomen vóór de bevoegdheidsoverdracht van federale overheid naar gemeenschap) van 1971 (type I) en 1957 (type II) is vervangen door het decreet betreffende het onderwijs-II van 31 juli 1990. Dit voerde een nieuwe algemene structuur voor het secundair onderwijs in. Vanaf 1 september 1989 namen alle Vlaamse scholen progressief deze organisatievorm aan, vertrekkend van het eerste jaar secundair onderwijs. Ten tweede is het secundair onderwijs over de laatste 30 jaren geëvolueerd naar een uniforme wetgeving voor het hele secundaire onderwijs (technisch en beroepsonderwijs inbegrepen) met betrekking tot de uitreiking van diploma's, leerplannen, leerlingenbeoordeling,… In Vlaanderen verwijzen de termen 'lager' en 'hoger' secundair onderwijs naar de voormalige structuur van het secundair onderwijs dat uit twee cycli van 3 jaar bestond (met name de lagere en de hogere cyclus). Vandaag heeft het secundair onderwijs een meer uniforme structuur en een onderverdeling in 3 graden.
In het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het BaO, basisonderwijs wordt een nieuwe reorganisatie vastgelegd. Een belangrijke doelstelling van het decreet van 14 juli 1998 is de optimalisering van de oriëntering van de leerlingen, met de bedoeling aan elke leerling het onderwijs te geven dat het best beantwoordt aan zijn interesses en capaciteiten. Dit betekende dat er komaf moest worden gemaakt met een aantal problemen die zich in het onderwijs voordoen, als daar zijn: het toenemende aantal leerlingen in het buitengewoon onderwijs, het groter aantal mislukkingen, het eliminatiemechanisme dat karakteristiek is voor het secundair onderwijssysteem, de ongekwalificeerde 'output' van leerlingen van het secundair onderwijs op de arbeidsmarkt, enzovoort. Secundair en post-secundair onderwijs / 177
Op vijf vlakken werden hervormingen vastgelegd, zoals de rationalisering en herschikking van het onderwijsaanbod, de bevordering van de lokale autonomie van de scholen, bijkomende inspanningen voor leerlingen met leermoeilijkheden, de integratie van het gewoon en buitengewoon onderwijs en de modularisering van het beroepsgericht onderwijs. In 1983 werd de deeltijdse leerplicht ingevoerd in het kader van de verlenging van de leerplicht van 14 naar 18 jaar en werden verschillende wegen naar arbeidsdeelname gecreëerd: brugprojecten in 1990 (werkervaringsplaatsen in een niet-commerciële omgeving met extra begeleiding) en voortrajecten in 1997 (voor niet-arbeidsrijpe jongeren). Knelpunten in het deeltijds onderwijs waren het gemis aan beroepsgerichte attitudes bij de jongeren, problematische afwezigheden en een ongekwalificeerde uitstroom. Bovendien was het aantal deeltijdse banen vaak te beperkt. In 2008 werd een voltijds engagement ingeschreven in de (federale) leerplichtwet. Dit in functie van het Vlaamse decreet van 10 juli 2008 dat het stelsel van leren en werken grondig reorganiseerde en zorgde voor een grotere afstemming tussen het deeltijds onderwijs, de deeltijdse vorming en de leertijd (zie 5.20.1.). In 2009 werd gestart met de invoering van een secundair-na-secundair onderwijs (met opleidingen die leiden tot een kwalificatieniveau 4 volgens het Europese raamwerk) en een hoger beroepsonderwijs (met opleidingen die leiden tot een kwalificatieniveau 5 – de vroegere HOSP-opleidingen en de 4e graad verpleegkunde van het BSO).
5.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen Secundair-na Secundair (SE-n-SE) en Hoger beroepsonderwijs(HBO5)
Het decreet van 30 april 2009 ordent de opleidingen tussen het secundair en hoger onderwijs op twee niveaus. Opleidingen die leiden tot een kwalificatieniveau 4 volgens het Europese Raamwerk en die pas kunnen gevolgd worden met een diploma secundair onderwijs worden ondergebracht in het secundair-na-secundair (Se-n-Se), naar analogie met Bachelor-na-Bachelor en Master-na-Master. Dit betreft de vroegere 7e specialisatiejaren in TSO en KSO (zie 5.20.2.). (Ook diploma’s SO bevinden zich overigens op niveau 4). Opleidingen die leiden tot een kwalificatieniveau 5 zullen behoren tot het hoger beroepsonderwijs (HBO5). Het gaat om de huidige HOSP-opleidingen en de 4e graad verpleegkunde van BSO (zie 5.20.3.). Het decreet werd van kracht op 1 september 2009. In 2010 zouden de eerste nieuwe opleidingen kunnen starten. Een eerste evaluatie is voorzien in 2013. Het benodigde budget zal geleidelijk toenemen. De belangrijkste investering betreft de extra opleidingen in de hogescholen, waarvoor een bijkomende enveloppe wordt voorzien die wordt geraamd op 4,7 miljoen in 2014. Consolidatie van leren en werken
Samen met Syntra Vlaanderen zal een beleidsplan met prioriteiten, verantwoordelijkheden en een tijdspad voor de leertijd (zie 5.20.1.3.) worden ontwikkeld. Daarin zullen maatregelen worden opgenomen om de uitval en de vroegtijdige uitstroom van leerlingen terug te dringen, in te spelen op de heterogeniteit van de leerlingen, het imago van de leertijd te verbeteren, een nieuwe doelgroep aan te trekken en een gezond evenwicht tussen de economische en maatschappelijke opdracht van de leertijd en het Syntra-netwerk te bereiken. Alle trajecten zullen worden gescreend met het oog op hun actualisering en afstemming op een beroepskwalificatie. In het werkveld zal ook een band gelegd worden tussen de opleidingen en de vooropgestelde onderwijskwalificaties waartoe ze kunnen leiden. Daarbij wordt vertrokken van een geïntegreerde aanpak tussen de algemene vorming, de
Secundair en post-secundair onderwijs / 178
beroepsgerichte vorming en de praktijkopleiding in de onderneming. Voortaan staat de onderwijsinspectie in voor het kwaliteitstoezicht. Het overleg binnen de regionale overlegplatformen (ROP) (zie 5.20.1.) moet verder vorm krijgen. Via dit overleg zullen de banden met de arbeidsmarkt en de sluitende aanpak versterkt worden. Bij de overgang van de deeltijds lerenden naar de arbeidsmarkt zal een sluitende aanpak met de VDAB moeten gerealiseerd worden. Daartoe zal de VDAB over alle noodzakelijke gegevens over de leerlingen moeten kunnen beschikken. Bovendien zal de trajectbegeleiding vanuit de school naadloos moeten doorlopen in de begeleiding naar en op de arbeidsmarkt. Daarover dienen afspraken gemaakt met de Vlaamse minister bevoegd voor Werk. Laatstejaarsleerlingen zowel in het arbeidsmarktgericht secundair onderwijs als in het hoger onderwijs dienen beter voorbereid op hun intrede in de arbeidsmarkt met o.m. stages. Tevens zullen de programmatieprocedures voor de beroepsopleidingen worden vereenvoudigd en versneld. Van de hervorming van het secundair onderwijs zal gebruik worden gemaakt om een beroepskolom uit te bouwen, die start in het secundair onderwijs en eindigt op het niveau van de professionele bachelor. Hierbij moeten flexibele leerwegen mogelijk zijn, eventueel via het realiseren van een creditsysteem. Daarom zullen de Europese ontwikkelingen in het kader van het European Credit system for Vocational Education and Training (ECVET) worden opgevolgd. De hervorming van het secundair onderwijs
Als basis voor de discussie over de geplande hervorming van het secundair onderwijs heeft een werkgroep o.l.v. de oud-secretaris-generaal van het departement onderwijs G. Monard een rapport met krijtlijnen voor de hervorming opgesteld. In de loop van 2010 wil de minister van Onderwijs en Vorming een conceptnota over de hervorming voorleggen voor advies aan de VLOR en de SERV. Nog voor het einde van de legislatuur in 2014 wil hij een ontwerp van decreet voorleggen. Ter voorbereiding hiervan is ook een coördinatie van alle bestaande wettelijke en decretale bepalingen betreffende het secundair onderwijs gepland. Eindtermen en ontwikkelingsdoelen
In 2009 werden een aantal vakgebonden eindtermen en ontwikkelingsdoelen herzien. Ze worden gefaseerd ingevoerd: in 2010 in de 1e graad, 2012 in de 2e graad, 2014 in de 3e graad (zie 5.13.1.). De vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen werden herzien en geherstructureerd en zullen globaal gelden voor het hele secundair onderwijs en niet langer per graad; dit vanaf 1 september 2010. Meertalig onderwijs
In september 2007 startte een 3-jarig proefproject voor meertalig onderwijs CLIL in 9 scholen algemeen en technisch secundair onderwijs. 10-15% van de lessen wordt in een andere taal aangeboden, vnl. in Frans en Engels. Leerlingen krijgen zo één of enkele specifieke vakken in een andere taal. Er werd niet geopteerd voor immersieprojecten (of taalbaden) waarbij heel veel vakken in een vreemde taal worden aangeboden. Opdat enkel leerlingen met een goede taalkennis Nederlands in het CLIL-project zouden stappen, is wel het voorafgaand akkoord van de toelatingsklassenraad vereist.
Secundair en post-secundair onderwijs / 179
Techniek op school voor de 21e eeuw (TOS21)
Van 2004 tot 2008 ontwikkelde het project TOS21 een conceptueel kader voor techniekonderwijs en doorlopende leerlijnen voor het leren van techniek vanaf de kleuterschool tot het einde van het secundair onderwijs. Dit leidde tot een herwerking van de betreffende eindtermen die in 2010 worden ingevoerd. Ondertussen testen 20 scholen de nieuwe aanpak verder uit in de tweede fase van het project, ondersteund door de ministers van Onderwijs, van Werk en van Innovatie. http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2009/0213-TOS.htm Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap
De werking van de examencommissie voor het behalen van een diploma secundair onderwijs zonder les in het regulier onderwijs te hebben gevolgd, zal grondig worden geëvalueerd en bijgestuurd. Op termijn zal de examencommissie zich baseren op de erkenning van competenties om een diploma uit te reiken.
5.3. Wettelijk kader Onderstaande onderwijswetgeving is essentieel op secundair niveau.
● ●
Decreet van 31 juli 1990 betreffende het Onderwijs-II. Decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
Eindtermen en ontwikkelingsdoelen
● ● ● ● ● ●
Decreet van 24 juli 1996 tot bekrachtiging van de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs (bekrachtigt BVR 20/6/1996). Decreet van 18 januari 2002 tot bekrachtiging van de eindtermen van de 2e en 3e graad van het gewoon secundair onderwijs (bekrachtigt BVR 23/6/2000). Decreet van 20 december 2002 tot bekrachtiging van de eindtermen van het derde leerjaar van de 3e graad van het gewoon beroepssecundair onderwijs (bekrachtigt BVR 20/9/2002). Decreet van 7 mei 2004 tot bekrachtiging van de decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs (bekrachtigt BVR 17/10/2003). Decreet van 2 juni 2006 tot bekrachtiging van de decretale specifieke eindtermen "topsport" algemeen en technisch secundair onderwijs (bekrachtigt BVR 10/3/2006). Decreet van 30 april 2009 tot bekrachtiging van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs (bekrachtigt BVR 13/2/2009).
Stelsel van leren en werkendeeltijdse vorming - leertijd
●
Deeltijds
beroepssecundair
onderwijs-
Decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap
RTC
●
Decreet van 14 december 2007 houdende de organisatie en werking van de RTC's.
Secundair-na-Secundair onderwijs & Hoger Beroepsonderwijs
●
Decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.
Secundair en post-secundair onderwijs / 180
5.4. Algemene doelstellingen Het algemeen secundair onderwijs (ASO) houdt in vergelijking met de andere onderwijsvormen een meer theoretische benadering van de vakken in en heeft duidelijk de rol om de overgang van de leerlingen naar het hoger onderwijs te bevorderen. Het technisch secundair onderwijs (TSO) legt de nadruk op de praktische realisatie van theoretische kennis. De doelstelling van het TSO is tweeledig: enerzijds de voorbereiding op de uitoefening van een beroep en anderzijds de voorbereiding op doorstroming naar het hoger onderwijs. Het kunstsecundair onderwijs (KSO) voorziet in een meer 'artistiek' aanbod en heeft dan ook tot taak een basis aan te bieden voor doorstroming naar artistieke gebieden van het hoger onderwijs, zonder evenwel vervolgstudies in niet-artistieke gebieden van het hoger onderwijs of beroepsuitoefening na het afstuderen uit te sluiten. Het beroepssecundair onderwijs (BSO) is een praktijkgerichte onderwijsvorm waarin de jongere naast algemene vorming vooral een specifiek beroep aanleert. (Naar die onderwijsvorm worden echter ook jongeren gekanaliseerd wiens vroegere schoolcarrière - soms al van het lager onderwijs af - wordt gekenmerkt door een reeks mislukkingen of leermoeilijkheden).
5.5. Schooltypen Het voltijds secundair onderwijs wordt ingedeeld in vier graden van elk twee leerjaren (eventueel aangevuld een derde leerjaar – zie hierna). Structuur secundair onderwijs
De structuur ziet eruit als volgt (Omzendbrief over de structuur en de organisatie van het voltijds secundair onderwijs, SO 64). Eerste graad ●
1e leerjaar
○ het 1e leerjaar A; ○ het 1e leerjaar B is bestemd voor leerlingen die een leerachterstand hebben
●
opgelopen in het lager onderwijs of minder geschikt zijn voor overwegend theoretisch onderwijs; dit leerjaar fungeert als brugklas tussen LO en SO. Leerlingen stromen vaak in op basis van leeftijd, zonder het basisonderwijs te hebben afgewerkt. Na het 1e leerjaar B kunnen de leerlingen ofwel naar het beroepsvoorbereidend leerjaar ofwel naar het 1e leerjaar A; e 2 leerjaar
○ het 2e leerjaar biedt naast de basisvorming de keuze uit verschillende basisopties.
Het bereidt de leerling voor om in de 2e graad te kiezen voor een studierichting in één van de 4 onderwijsvormen die vanaf dan worden aangeboden.
○ het beroepsvoorbereidend 2e leerjaar biedt naast de basisvorming de keuze uit verschillende opleidingen die hier beroepenvelden worden genoemd. Het bereidt de leerling voor om in de 2e graad te kiezen voor één van de studierichtingen in het beroepssecundair onderwijs. Tweede graad ASO, TSO, KSO, BSO Secundair en post-secundair onderwijs / 181
● ●
de 1e en 2e leerjaren van de 2e graad bieden de keuze tussen 4 onderwijsvormen: ASO, TSO, KSO, BSO (zie hierna onder 'onderwijsvormen'); in het BSO bestaat tevens een 3e leerjaar ingericht onder de vorm van een vervolmakingsjaar.(Vanaf 1 september 2010 worden deze derde leerjaren afgeschaft).
Derde graad ASO, TSO, KSO, BSO & Se-n-Se (zie 5.20.2.) ● ● ●
●
de 1e en 2e leerjaren van de 3e graad bieden eveneens de keuze tussen 4 onderwijsvormen: ASO, TSO, KSO, BSO (zie hierna onder 'onderwijsvormen'); in het ASO en KSO bestaat tevens een 3e leerjaar ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs; in het BSO bestaat tevens een 3e leerjaar ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar en een 3e leerjaar niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar (een zgn. naamloos 7e leerjaar). Daarnaast bestaan de opleidingen Se-n-Se, secundair-na-secundair (zie 5.20.2.).
Vierde graad BSO ●
de 1e en 2e leerjaren van de 4e graad van het BSO;
Het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (zie 10.7.1.).wordt in geen enkele graad ondergebracht. Onderwijsvormen
In de eerste graad komen geen onderwijsvormen voor. De tweede en derde graad bieden vier onderwijsvormen aan, die verder zijn onderverdeeld in studiegebieden, waarbinnen de leerling kan kiezen voor een bepaalde studierichting: ● ●
●
●
Algemeen Secundair Onderwijs (ASO) beoogt een brede theoretische vorming en bereidt de leerling voor op hoger onderwijs; Technisch Secundair Onderwijs (TSO) heeft vooral aandacht voor algemene en technischtheoretische vakken met praktijklessen en bereidt de leerlingen voor op het beroepsleven of het hoger onderwijs; Kunstsecundair Onderwijs (KSO) combineert een algemene en brede ontwikkeling met een actieve artistieke praktijk en bereidt de leerlingen voor op een professioneel leven of op hoger onderwijs; Beroepssecundair Onderwijs (BSO) laat de leerlingen specifieke beroepsvaardigheden opdoen in combinatie met een algemene opleiding. De overstap naar hoger onderwijs is mogelijk maar niet gebruikelijk.
Types onderwijsinstellingen
Een onderwijsinstelling kan een van volgende combinaties van graden aanbieden: 1e / 1e + 2e / 2e + 3e / 1e + 2e + 3e / 2e + 3e + HBO verpleegkunde / 1e + 2e + 3e + HBO verpleegkunde / HBO verpleegkunde (indien voorheen uitsluitend de opleiding verpleegkunde werd georganiseerd) / en tot en met het schooljaar 2012-2013: 2e + 3e + 4e / 1e + 2e + 3e + 4e . In de eerste graad dient een school zowel het eerste als het tweede leerjaarniveau aan te bieden. In de andere graden dient een studierichting zich over het eerste en tweede leerjaar uit te strekken. Het verder studieaanbod valt onder de bevoegdheid van de inrichtende machten (zie omzendbrief SO 64). In het licht van de ontwikkelingen tot comprehensivering van het secundair onderwijs dient hier ook de organisatie van 'authentieke onafhankelijke middenscholen' vermeld. Deze ijveren ervoor om hun structuur, schoolwerkplan en schoolpraktijk te focussen op de opvang van alle basisschoolverlaters, basisvorming voor alle leerlingen, uitstel van studiekeuze en positieve oriëntering en begeleiding van alle leerlingen in de domeinen van 'leren leren', 'leren leven' en 'leren kiezen'. De vereniging St.A.M. is Secundair en post-secundair onderwijs / 182
al sinds 1985 actief en groepeert een 60-tal middenscholen uit het katholieke en provinciale net. VIGOM groepeert instellingshoofden middenscholen uit het gemeenschapsonderwijs. http://users.pandora.be/vigom St.A.M.-Vlaanderen, Studiegroep Authentieke Middenscholen
5.6. Geografische toegankelijkheid Scholen die gewoon secundair onderwijs verstrekken, zijn vrij gelijkmatig verspreid over het territorium. Grondwettelijk wordt gegarandeerd dat ouders het recht hebben om een school te kiezen van een filosofische of godsdienstige strekking waaraan zij de voorkeur geven.
5.7. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze Toelatingsvoorwaarden
Over het algemeen hebben de leerlingen de leeftijd van twaalf jaar bereikt vooraleer zij tot het secundair onderwijs toetreden (voor overgang van lager naar secundair onderwijs zie 4.6.). Hieronder worden de toelatingsvoorwaarden beschreven voor leerlingen in de verschillende graden en onderwijsvormen van het secundair onderwijs. Leerlingen met een getuigschrift basisonderwijs kunnen het 1e leerjaar A aanvangen (Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002). Leerlingen die het getuigschrift basisonderwijs niet behaalden na het laatste jaar lager onderwijs, kunnen toch worden toegelaten tot het 1e leerjaar A op voorwaarde van een onderling akkoord met de ouders, een advies van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) én een gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad van het 1e leerjaar A. (Voor de rol van de centra voor leerlingenbegeleiding, zie 4.15.2.). In het 1e leerjaar B kunnen als regelmatige leerling worden toegelaten: ● ●
●
●
de regelmatige leerlingen die het 6e leerjaar van het gewoon lager onderwijs hebben beëindigd, doch niet met vrucht; de leerlingen die het 6e leerjaar van het gewoon lager onderwijs niet hebben gevolgd of niet hebben beëindigd, op voorwaarde dat zij uiterlijk op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar 12 jaar worden; de houders van het getuigschrift van basisonderwijs, behaald in het gewoon of buitengewoon onderwijs, op voorwaarde van akkoord met de betrokken personen die vooraf het advies van het CLB moeten hebben ontvangen; de regelmatige leerlingen van het buitengewoon lager of secundair onderwijs die geen getuigschrift van basisonderwijs bezitten, op voorwaarde van een gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad én een akkoord van de betrokken personen, die vooraf het advies van het CLB-centrum moeten hebben ontvangen.
Overgang binnen het secundair onderwijs
De overgang van het 1e leerjaar B naar het 1e leerjaar A is mogelijk tot de 15de november en van het 1e leerjaar A naar het 1e leerjaar B tot de 15de januari, indien de ouders van de leerling akkoord gaan en de klassenraad van 1A dit gunstig beslist.
Secundair en post-secundair onderwijs / 183
Buitenlandse leerlingen die wensen hun secundaire studies in België verder te zetten, moeten bij de eerste inschrijving in het bezit zijn van een gelijkwaardigheidsverklaring voor hun gedane studies in het buitenland, verstrekt door de betrokken administratie. Bij de inschrijving van een leerling zonder wettig verblijfsstatuut kunnen, wanneer een buitenlands studiebewijs kan worden voorgelegd, de bestaande procedures voor het bekomen van de gelijkwaardigheid gehanteerd worden. Zo niet kan de gelijkwaardigheid ook worden verkregen, zoals dit voor het onthaalonderwijs reeds van toepassing is, op basis van een verklaring op eer door de ouder of de niet begeleide minderjarige zelf over de precieze opleiding die werd gevolgd. Een overstap van de ene onderwijsvorm naar de andere is toegelaten doorheen het secundair onderwijs, op voorwaarde dat de beslissing van de toelatingsklassenraad en de overgangsvoorwaarden tussen de studierichtingen worden gerespecteerd. In de derde graad van het algemeen, technisch en kunstonderwijs zijn overgangen beperkter. Veranderingen van Se-n-Se gedurende het schooljaar zijn niet toegelaten, tenzij op 1 februari overgegaan wordt naar een Se-n-Se die op die datum van start gaat. In het 1e en 2e leerjaar van de 4e graad BSO zijn veranderingen van studierichting binnen hetzelfde leerjaar gedurende het schooljaar niet toegelaten. Op de leeftijd van 16 jaar kan een leerling het 3e leerjaar van het beroepsonderwijs aanvangen, ongeacht zijn voorafgaande schoolcarrière, indien de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt. In het secundair onderwijs kunnen drie soorten attesten worden uitgereikt: ●
●
●
een A-attest wanneer een leerling het jaar succesvol doorlopen heeft; (oriënteringsattesten A worden niet uitgereikt in het 2e en 3e leerjaar van de 3e graad en in het 2e leerjaar van de 4e graad); een B-attest dat toegang geeft tot het volgende leerjaar maar met uitsluiting van sommige onderwijsvormen en/of richtingen; (oriënteringsattesten B worden niet uitgereikt in het 2e en 3e leerjaar van de 3e graad en in het 1e en 2e leerjaar van de 4e graad); een C-attest waardoor de leerling moet zittenblijven.
In het HBO verpleegkunde wordt geen enkel oriënteringsattest uitgereikt. Schoolkeuze
Het recht op inschrijving in de school naar keuze wordt vanaf 2003-2004 gegarandeerd door het decreet gelijke onderwijskansen (voor de daarbij geldende voorrangsregelingen zie 2.3.1.2.). Schoolreglement
Voorafgaand aan de eerste inschrijving van een leerling dient deze en de betrokken personen kennis te nemen van het schoolreglement en het pedagogisch project van de school en daarmee in te stemmen. Het schoolreglement bevat de grote krachtlijnen van de organisatie van de studies waaronder alleszins: ● ● ● ● ●
het studieaanbod van de school, de lesspreiding tezamen met de vakantie- en verlofregeling, het beoordelingsstelsel met inbegrip van de remediëringsmaatregelen, de verhaalmogelijkheden tegen beslissingen van de delibererende klassenraden, de afspraken inzake het rookverbod, de controle op de naleving ervan en de sancties die kunnen worden opgelegd bij overtreding,
Secundair en post-secundair onderwijs / 184
●
in voorkomend geval: de bijdrageregeling en de afwijking hierop, de stageregeling, het onderwijs aan huis voor zieke jongeren, de afwijkende toelatingsvoorwaarden in het hoger beroepsonderwijs.
Het schoolreglement omvat ten minste de onderdelen ● ●
●
studiereglement; de inrichtende macht is vrij bij de redactie hiervan; ordereglement; dat omvat aanwijzingen inzake de eisen die een inrichtende macht vastlegt op het vlak van de orde die in de onderwijsinstelling dient te heersen, en de ordemaatregelen die er toe strekken de leerling te helpen zijn gedrag te verbeteren en aan te passen zodat een goede samenwerking met alle personeelsleden en medeleerlingen van de school opnieuw mogelijk wordt; tuchtreglement; dat slaat op situaties die zich in een onderwijsinstelling kunnen voordoen waarbij leerlingen zich derwijze gedragen dat het ordentelijk verstrekken van het onderwijs en/of het opvoedingsproject van de school in het gedrang wordt gebracht, ja zelfs gevaar loopt. Het omvat ook de mogelijke tuchtmaatregelen.
Het schoolreglement, zoals dat zal gelden voor de inschrijvingen vanaf het schooljaar 2010-2011, bevat een engagementsverklaring waarin wederzijdse afspraken worden opgenomen over oudercontact, regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement ten aanzien van de onderwijstaal. Met betrekking tot het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal bevat het schoolreglement de bepaling dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren. Andere bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal kunnen enkel worden toegevoegd op voorwaarde dat daarover in het bevoegde lokaal overlegplatform een akkoord is bereikt. (Omzendbrief SO/2008/04)
5.8. Inschrijving en/of inschrijvingsgeld De kosteloze toegang tot het leerplichtonderwijs is gegarandeerd door de Grondwet (art. 24 §3). Het onderwijsdecreet XIII van 13 juli 2001 vulde het verder in: scholen mogen geen direct of indirect inschrijvingsgeld vragen in het voltijds secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs. Met indirecte inschrijvingsgelden worden kosten bedoeld, geheven bij het begin of in de loop van het jaar, door inrichtende machten of nevenorganisaties, waarvan het bedrag dermate hoog is dat ze een reële belemmering kunnen vormen om zich in te schrijven. Zo bleek uit schoolkostenonderzoek door het HIVA dat er feitelijk nog tal van extra studiekosten waren en dat de kost voor een leerling in het secundair onderwijs in 2006-2007 gemiddeld 978 euro bedroeg. De samenstelling van de schoolkosten verschilde echter sterk tussen en binnen de studiegebieden. Er mogen enkel kosten worden doorgerekend aan ouders en meerderjarige leerlingen voor bepaalde onderwijsactiviteiten en didactisch materiaal mits: ●
●
de inrichtende macht een lijst met bedragen heeft vastgelegd na overleg binnen de participatieraad of de schoolraad, met vermelding van de afwijkingen daarvan voor financieel minder gegoede gezinnen; die bijdrageregeling uiterlijk bij het begin van het schooljaar schriftelijk aan de belanghebbenden is meegedeeld. Het schoolreglement is hiervoor het meest aangewezen instrument.
Onderwijs, dagelijkse kost? Kostenbeheersing in het secundair onderwijs. Een verkenning. KBS, 2009. Secundair en post-secundair onderwijs / 185
5.9. Financiële steun aan leerlingen Het toekennen van schooltoelagen is grondig hervormd door het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering. Dit decreet regelt voortaan de studiefinanciering in het kleuteronderwijs, het leerplichtonderwijs en het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. Dit via een stelsel van schooltoelagen in het kleuter- en leerplichtonderwijs en via een stelsel van studietoelagen in het hoger onderwijs. Er wordt voortaan gewerkt met een uniek gezinsdossier geldend voor alle leerlingen en studenten binnen hetzelfde gezin. Daardoor worden de aanvragen voortaan verwerkt door één ploeg dossierbehandelaars (i.p.v. per onderwijsniveau zoals voorheen). De nationaliteitsvoorwaarde en de financiële voorwaarden om in aanmerking te komen voor een financiële tussenkomst zijn voortaan voor alle niveaus gelijk. Enkel de pedagogische voorwaarden verschillen nog per onderwijsniveau. Vanaf het schooljaar 2008-2009 kunnen ook leerlingen uit centra voor deeltijds onderwijs, centra voor deeltijdse vorming en de leertijd een schooltoelage krijgen. Daar komen een 3300-tal leerlingen (30% van het totaal) voor in aanmerking. Leerlingen die het 7e jaar TSO en BSO volgen krijgen een verhoogde schooltoelage, die 20% hoger ligt dan een gewone schooltoelage voor het secundair onderwijs. Voorwaarden
Om in aanmerking te komen voor een toelage, moet tegelijkertijd aan volgende voorwaarden worden voldaan. ●
●
●
Leerlingen of studenten dienen de Belgische nationaliteit te hebben, maar onder specifieke voorwaarden kunnen ook andere nationaliteiten en slachtoffers van mensenhandel in aanmerking komen. De leerling moet ingeschreven zijn in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basis-, voltijds of deeltijds secundair en hoger onderwijs, of in een door de Vlaamse Regering erkende instelling voor erkende vormingsprogramma's ter vervulling van de leerplicht. De student in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor hoger onderwijs. De toelage is ook afhankelijk van een minimale aanwezigheid op school.
○ In het kleuteronderwijs 150 halve schooldagen (voor leerlingen die 3 j zijn voor 31
●
december van het begonnen schooljaar), 100 halve schooldagen (voor degenen die 3 j. worden na 31 december), 185 voor 4-jarigen, 220 voor 5-jarigen. 6- en 7-jarigen mogen niet meer dan 29 halve schooldagen ongewettigd afwezig zijn geweest. o In het lager onderwijs mogen de leerlingen niet meer dan 29 halve schooldagen ongewettigd afwezig zijn geweest, ook niet in het voorafgaande schooljaar. Als zij toen nog niet onderworpen waren aan de leerplicht, moeten zij minimaal 220 halve schooldagen aanwezig zijn geweest. o In het voltijds secundair onderwijs en het deeltijds leerplichtonderwijs mogen de leerlingen niet meer dan 29 halve schooldagen (of lessen van vormingsprogramma's en/of werkplekleren) ongewettigd afwezig zijn geweest, ook niet in het voorafgaande schooljaar. Hiervan kan afgeweken worden voor onderwijsinstellingen met een afwijkende uurregelingen in het deeltijds onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie. Een leerling heeft recht op een schooltoelage voor het voltijds secundair en deeltijds leerplichtonderwijs tot en met het schooljaar waarop de leerling 22 jaar wordt. Voor leerlingen
Secundair en post-secundair onderwijs / 186
●
in het buitengewoon secundair onderwijs, in de 4e graad voltijds secundair onderwijs en in de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs geldt geen leeftijdsbeperking. Inzake financiële voorwaarden wordt rekening gehouden met verschillende parameters.
○ De 'leefeenheid', waarbij verschillende categorieën worden onderscheiden : o.m. bij één of beide ouders; bij een andere natuurlijke persoon waaraan de leerling is toegewezen; gehuwd; zelfstandig; alleenstaand e.a..
○ Het referentie-inkomen van de leefeenheid waartoe de leerling/student behoort. ○ Het kadastraal inkomen van de leefeenheid waartoe de leerling/student behoort. ○ De samenstelling van de leefeenheid (aantal personen ten laste, aantal studenten, aantal gehandicapten). Het nieuwe stelsel wordt tevens gekoppeld aan een strengere aanpak van spijbelen en schoolverzuim (zie 2.5.3.). Bedragen (2009-2010)
Leerlingenkenmerken
Schooltoelage (in euro) volledige
Voltijds beroepssecundair onderwijs 1e,2e,3e leerjaar 4e graad
intern
2 755,47
extern
733,61
Voltijds secundair onderwijs gehuwde, zelfstandige en alleenstaande leerlingen Voltijds technisch en beroepssecundair onderwijs 3e leerjaar van de 3e graad Voltijds secundair onderwijs andere leerlingen dan voorgaande Deeltijds leerplichtonderwijs (met inbegrip van de leertijd bij SYNTRA)
minimum 611,17
uitzonderlijke 2 755,47 733,61
2 542,38
507,16
2 542,38
intern
1 219,55
507,16
1 219,55
extern
611,17
138,14
773,57
Intern
1016,29
422,63
1016,29
extern
509,79
115,12
644,65
290,49
96,83
403,46
In 2008-2009 werden 126 367 schooltoelagen toegekend in het secundair onderwijs voor een gemiddeld bedrag van 377,22 euro. (zoals gekend op 16/10/2009, Statistisch Jaarboek 2009-2009). Dit is meer dan een verdubbeling t.o.v. het schooljaar 2006-2007. Het departement Onderwijs en Vorming heeft een specifieke website gewijd aan school- en studietoelagen http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen/ Andere voorzieningen
Naast de overheidssteun worden ook beurzen, toelagen en leningen verstrekt door verschillende instellingen. Zo staat het Studiefonds van de Gezinsbond vzw studieleningen toe aan studenten uit grote gezinnen (vanaf 3 kinderen). Het geld is bestemd om de studiekosten te financieren voor Nederlandstalig secundair en hoger onderwijs met volledig leerplan. Voor andere studiebeurzen en studieleningen, zie: http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen/faq/ander_studiebeurzen_NL.htm
Studiekosten in het secundair onderwijs. Wat het aan ouders kost om schoolgaande kinderen te hebben Decreet betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap
Secundair en post-secundair onderwijs / 187
5.10. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen Het voltijds secundair onderwijs wordt ingedeeld in vier graden van elk twee leerjaren (uitgezonderd de driejarige opleiding verpleegkunde van de vierde graad), eventueel aangevuld met een derde leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs en met een derde leerjaar van de derde graad (zie verder 5.5.). In theorie geldt voor het secundair onderwijs het jaarklassensysteem waarin groepen leerlingen met een identieke leeftijd een klas vormen. Omwille van mislukkingen en zittenblijven hebben de klassen soms een heterogene samenstelling (in het bijzonder in het beroepsonderwijs). Elk vak wordt onderwezen door een leerkracht die zich daarin heeft gespecialiseerd. De onderwijsbevoegdheid van de leerkracht hangt af van zijn bekwaamheidsbewijs. Leerkrachten geven les in verschillende leerjaren en leerlingen krijgen les van verschillende leerkrachten.
5.11. Studiespecialisatie Het secundair onderwijs is vanaf de 2e graad ingedeeld in 4 verschillende onderwijsvormen: algemeen, technisch, beroeps- en kunstsecundair onderwijs (ASO, TSO, BSO, KSO). Daarbinnen zijn er studiegebieden, die studierichtingen groeperen. Binnen een studierichting onderscheidt men de basisvorming, het specifiek gedeelte en een complementair gedeelte. Als structuuronderdelen worden volgende entiteiten binnen de onderwijsstructuur geïdentificeerd: het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B, de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, elke basisoptie in het 2e leerjaar van de 1e graad, elk beroepenveld in het beroepsvoorbereidend leerjaar en elke studierichting van elk leerjaar/onderwijsvorm van de 2e, 3e en 4e graad.
5.11.1. 1e graad secundair onderwijs De 1e graad heeft een beperkter indeling. ● ● ● ●
Leerlingen die zich voorbereiden op het beroepsonderwijs volgen een 1e leerjaar B en een 2e beroepsvoorbereidend leerjaar. In het 1e leerjaar A en het 1e leerjaar B van de 1e graad onderscheidt men telkens basisvorming en een keuzegedeelte. In het 2e leerjaar A onderscheidt men basisvorming, basisopties en soms een keuzegedeelte. In het beroepsvoorbereidend leerjaar onderscheidt men basisvorming, beroepenvelden en soms een keuzegedeelte.
Secundair en post-secundair onderwijs / 188
Basisopties organiseerbaar in het 2e leerjaar A Een basisoptie is een specifiek leervak of specifieke groep van leervakken die een bredere observatie en oriëntatie van de leerling mogelijk maakt; de leerling kiest voor één basisoptie. Basisoptie
Al dan niet specifiek (1) Studiegebied dat er in de 2e graad bij aansluit
Agro- en biotechniek
S
Land- en tuinbouw
Artistieke vorming
S
Beeldende kunsten Podiumkunsten
Ballet
S
Ballet
S
Mode
S
Voeding
S
Maritieme opleidingen
S
Algemeen secundair onderwijs
Textiel
S
Textiel
Topsport
S
Sport
Yeshiva
S
Algemeen secundair onderwijs
Bouw- en houttechnieken Creatie- en vormgeving Grafische communicatie en media Grieks-Latijn Handel Hotel-voeding Industriële wetenschappen Latijn Maritieme technieken Mechanica-elektriciteit Moderne wetenschappen Rudolf Steinerpedagogie Sociale en technische vorming Techniek- wetenschappen
(1) Structuuronderdelen zoals basisopties, beroepenvelden en opties worden gerangschikt als "specifiek" wanneer ze voorbereiden op zeer beperkte en sterk gespecialiseerde beroepen of beroepssectoren en/of om redenen van inhoudelijke validiteit slechts in beperkte mate kan aangeboden worden.
Secundair en post-secundair onderwijs / 189
Beroepenvelden organiseerbaar in het beroepsvoorbereidend leerjaar Een beroepenveld is een specifieke combinatie van technische disciplines; de leerling kiest voor hetzij één hetzij een combinatie van twee beroepenvelden.
Beroepenveld Bouw Decoratie Elektriciteit Haarzorg Hotel-bakkerij-slagerij Hout Kantoor en verkoop Land- en tuinbouw Metaal Mode Nijverheid Rijn- en binnenvaart Textiel Verzorging- voeding Maritieme vorming (1) zie bij basisopties
Al dan niet specifiek (1)
Studiegebied dat er bij aansluit in de 2e graad
S
Voeding
S
Land- en tuinbouw
S
Mode
S S
Maritieme opleidingen Textiel
S
Maritieme opleidingen
5.11.2. 2e en 3e graad secundair onderwijs We geven hier een overzicht van ● ● ●
de studiegebieden in de 2e en 3e graad secundair onderwijs de 7e leerjaren secundair onderwijs de studierichtingen in de 2e en 3e graad ASO, algemeen secundair onderwijs
Studiegebieden 2e en 3e graad secundair onderwijs Er zijn momenteel 29 studiegebieden, waarvan 1 voor het ASO, 3 voor KSO, 1 (Sport) ASO en TSO overschrijdend en 24 (voor het merendeel) TSO en BSO overschrijdend. Dit studieaanbod wordt nu systematisch herzien. Elk jaar worden daartoe de opleidingen van een aantal studierichtingen gescreend. In de toekomst zullen de beroepskwalificaties mee in rekening worden gebracht bij de screening. In 2008 werd een format uitgewerkt om de studierichtingen 2e en 3e graad SO in te delen volgens interessegebieden en de competenties waartoe ze leiden duidelijk te beschrijven.
Secundair en post-secundair onderwijs / 190
ASO
TSO
BSO
Modulair BSO
Auto
Auto
Auto
KSO
Algemeen SO Ballet Beeldende kunsten Bouw
Bouw
Chemie Decoratieve technieken Fotografie Glastechnieken Grafische technieken Grafische technieken
Grafische technieken
Handel
Handel
Handel
Hout
Hout
Hout
Juwelen Koeling en warmte
Koeling en warmte
Koeling en warmte
Land- en tuinbouw
Land- en tuinbouw
Lichaamsverzorging
Lichaamsverzorging
Maatschappelijke veiligheid
Maatschappelijke veiligheid
Maritieme opleidingen
Maritieme opleidingen
Mechanicaelectriciteit
Mechanica-electriciteit
Mode
Mode
Lichaamsverzorging
Mechanicaelectriciteit
Muziekinstrumentenbouw Optiek Orthopedische technieken Personenzorg
Personenzorg
Personenzorg Podiumkunsten
Sport
Sport Tandtechnieken Textiel
Textiel
Textiel
Voeding
Voeding
Toerisme Voeding
Secundair en post-secundair onderwijs / 191
Volgende 7e leerjaren (3e leerjaren van de 3e graad) worden aangeboden ● ●
In het ASO, een voorbereidend leerjaar op het hoger onderwijs, de speciale studierichting Bijzondere wetenschappelijk vorming. In het KSO een voorbereidend leerjaar op het hoger onderwijs, gericht op leerlingen die geen KSO gevolgd hebben, geen of onvoldoende artistieke vooropleiding genoten hebben en toch wensen door te stromen naar het hoger kunstonderwijs;
○ 'bijzondere beeldende vorming' voor het studiegebied beeldende kunsten; ○ 'bijzondere muzikale vorming' voor het studiegebied podiumkunsten. ●
In het BSO:
○ een specialisatiejaar; specialisatiejaren in BSO dienen in principe binnen hetzelfde studiegebied gekozen, maar kunnen mits toestemming van de toelatingsklasseraad ook vanuit een andere studierichting worden gekozen;
○ een zgn. naamloos 7e leerjaar (niet onder de vorm van een specialisatiejaar). De vroegere 7e specialisatiejaren in TSO en KSO werden vanaf 1 september 2009 als nietleerjaargebonden (en ‘specifiek’) ondergebracht in het nieuwe secundair-na-secundair onderwijs (zie 5.20.2.).
Studierichtingen in de 2e en 3e graad ASO Een studierichting stemt overeen met een specifiek leervak of specifieke groep van leervakken die het karakteristieke van de opleiding bepalen. De leerling kiest voor één studierichting. ASO studierichtingen
2e graad ASO
3e graad ASO
Studiegebied ASO Bijzondere wetenschappelijke vorming Economie
S (1) X
Economie-moderne talen
X
Economie-wetenschappen
X
Economie-wiskunde
X
Grieks
X
Grieks-Latijn
X
X
Grieks-moderne talen
X
Grieks-wetenschappen
X
Grieks-wiskunde
X
Humane wetenschappen
X
Latijn
X
X
Latijn-moderne talen
X
Latijn-wetenschappen
X
Latijn-wiskunde
X
Moderne talen-wetenschappen
X
Moderne talen-wiskunde
X
Rudolf Steinerpedagogie
S
Wetenschappen
X
Wetenschappen-wiskunde Secundair en post-secundair onderwijs / 192
S X
Yeshiva
S
S
Studiegebied sport Moderne talen-topsport
S
Sport (1)
S
Wetenschappen-sport
S
Wetenschappen-topsport
S
S
Wiskunde-topsport
S
Voor S (specifiek) zie 5.11.1. bij basisopties. (1) Sport ASO S in de 2e graad en wetenschappen-sport ASO S in de 3e graad worden omgezet naar Sportwetenschappen ASO S, in het 1e leerjaar vanaf 1 september 2009, in het 2e leerjaar vanaf 1 september 2010. Voor de studierichtingen in de andere onderwijsvormen, zie omzendbrief SO 60; die geeft ook de procedure voor indiening, advisering en beslissing van voorstellen van nieuwe structuuronderdelen uitgaande van onderwijsverstrekkers of anderen (bedrijfssectoren, socio-culturele of maatschappelijke verenigingen, sociale partners,‌). Onderwijsaanbod, http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsaanbod/so/gewoon.htm Sinds 2008 kunnen leerlingen van de 3e graad secundair onderwijs voortaan hun rijbewijs op school halen. Het pakket omvat 8 uur theoretische rijlessen en een rijexamen en is gratis. De leerlingen krijgen ook vorming over verantwoorde mobiliteit. Tijdens het eerste jaar lag het slaagpercentage op 60%. http://www.mobielvlaanderen.be/ros/
5.11.3. Vierde graad beroepssecundair onderwijs De vierde graad beroepssecundair onderwijs is ontstaan uit het ''Aanvullend Secundair Beroepsonderwijs'' dat lange tijd een verzameling van opleidingen was, zwevend tussen het secundair en het hoger onderwijs. Na de fusie-operatie van 1995 in het hoger onderwijs, werden deze opleidingen samengebracht en gegroepeerd onder de noemer 'vierde graad beroepssecundair onderwijs'. (ISCED 4 niveau). Er worden 2 studierichtingen aangeboden, in 2 studiegebieden. De 4e graad wordt progressief afgebouwd. Het eerste leerjaar uiterlijk vanaf september 2012, het tweede leerjaar uiterlijk vanaf september 2013; maar dat zal allicht vroeger gebeuren. De 4e graad verpleegkunde werd door het Decreet van 30 april 2009 ondergebracht in het HBO5, hoger beroepsonderwijs (zie 5.20.3.). Verpleegkunde telde in 2008-2009 79 leerlingen in het BSO 4e graad en 4 693 leerlingen in het modulair onderwijs. Aantal studenten 2008-2009
Studiegebied
Studierichting
Studieduur
Decoratieve technieken
Plastische kunsten
2 jaar
182
Mode
Modevormgeving
2 jaar
70
Omwille van de specificiteit wordt geen basisvorming opgelegd. Daarenboven is in het officieel onderwijs de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer niet verplicht (Omzendbrief van 25 juni 1999; decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II en het Besluit van de Vlaamse Regering van 19/7/2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs). Secundair en post-secundair onderwijs / 193
5.11.4. Experimenteel beroepssecundair onderwijs volgens een modulair stelsel (modulair BSO) In het beroepssecundair onderwijs stromen nog te veel leerlingen uit zonder kwalificatie. Bovendien is de afstemming op de arbeidsmarkt nog te weinig flexibel en zijn de leerwegen te weinig gedifferentieerd. Leerlingen worden nog te veel georiënteerd op basis van mislukkingen i.p.v. op basis van capaciteiten. Daarom wordt sedert 1 september 2000 in het beroepssecundair onderwijs na de eerste graad geëxperimenteerd met een modulair opgebouwd onderwijs. (Vanaf 1 september 2001 in het buitengewoon beroepssecundair onderwijs, opleidingsvorm 3, na de observatiegraad). Modulair onderwijs bestaat enkel in BSO, DBSO en OV3-BuSO.
Structuur In het modulair onderwijs wordt elke opleiding naast de basisvorming opgedeeld in een aantal modules met beroepsgerichte vorming, waarin algemeen vormende componenten zijn geïntegreerd en waarbij de nodige aandacht wordt besteed aan sleutelvaardigheden. Hierdoor bereidt men de leerling beter voor op de beroepsuitoefening maar eveneens op persoonlijk en maatschappelijk functioneren. Van belang hierbij zijn de beroepsprofielen opgesteld door de sociale partners via de SERV en de eindtermen door de overheid opgesteld per graad en per onderwijsvorm. Op basis van de beroepsprofielen wordt een nauwere band met de arbeidsmarkt verzekerd. Modularisering is een belangrijk instrument om het aantal niet-gekwalificeerden uit het leerplichtonderwijs te verminderen. (Deel)certificaten geven immers toegang tot de arbeidsmarkt of tot vervolgonderwijs. Door de opleidingenstructuur en de verschillende onderdelen daarvan af te stemmen op de gevraagde kwalificaties, realiseert men bovendien een transparantie tussen het onderwijsaanbod en de arbeidswereld. Het is belangrijk dat de uitgebouwde leertrajecten bruggen bouwen tussen verschillende opleidingen, tussen studiegebieden, tussen onderwijsvormen, tussen gewoon en buitengewoon onderwijs, tussen voltijds en deeltijds onderwijs, tussen initieel onderwijs en volwassenenonderwijs, tussen beroepsgericht onderwijs en beroepsopleiding en beroepsvorming verstrekt door anderen zoals bijvoorbeeld Syntra en VDAB. Het project modularisering wordt eveneens gekoppeld aan de integratie van nieuwe onderwijsvisies en onderwijsmethodes zoals geïntegreerd werken, gedifferentieerd werken en team teaching. Het modulair onderwijs wordt georganiseerd per studiegebied, zonder opdeling in graden, leerjaren of fasen. (Een verwijzing naar graden of leerjaren komt nog wel voor in de studiebewijzen omwille van de gelijkwaardigheid en gelijkvormigheid met het lineair onderwijs). De betrokken studiegebieden zijn: auto, bouw, grafische communicatie en media, handel, hout, koeling en warmte, lichaamsverzorging, mechanica-elektriciteit, personenzorg, textiel en voeding. Binnen eenzelfde onderwijsinstelling kan een zelfde studiegebied niet gelijktijdig modulair en niet-modulair worden aangeboden. Elk studiegebied bundelt een reeks opleidingen. Een opleiding is een samenhangend geheel van modules dat wordt gesanctioneerd met een door de overheid erkend certificaat. Eenzelfde module of opleiding kan in verschillende studiegebieden voorkomen. De modules en opleidingen zijn identiek in het voltijds gewoon en buitengewoon onderwijs en deeltijds onderwijs. Een module is het kleinste deel van een opleiding dat wordt gesanctioneerd met een door de overheid erkend deelcertificaat. Een leerling kan slechts één module tezelfdertijd volgen.
Curriculum Elke opleiding in het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs is samengesteld als volgt : Secundair en post-secundair onderwijs / 194
●
● ●
algemene vorming, met inbegrip van de basisvorming : wordt hetzij niet-modulair, hetzij gedeeltelijk modulair georganiseerd (vakken zoals de levensbeschouwelijke cursus, de cursus bedrijfsbeheer en lichamelijke opvoeding blijven buiten het modulaire concept). In modules komen geen afzonderlijke vakken voor, doch wordt vakoverschrijdend gewerkt. In de opleiding verpleegkunde echter is deze algemene vorming facultatief en bestaat er geen basisvorming; beroepsgerichte vorming, modulair zonder afzonderlijke vakken, waarin vormende componenten en sleutelvaardigheden zijn geïntegreerd; gedifferentieerde onderwijsactiviteiten.
In de opleidingen van het buitengewoon secundair onderwijs zijn er geen gedifferentieerde onderwijsactiviteiten, enkel algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. Het maximum aantal uren per week is 36. (Voor de opleiding verpleegkunde echter is dit een minimum). Voor modulair georganiseerde leerinhouden gelden geen leerplannen in het voltijds gewoon secundair onderwijs en gelden geen opleidingsprofielen in het buitengewoon secundair onderwijs. Competenties kunnen ook door middel van stages of (in het buitengewoon secundair onderwijs) werkervaring worden gerealiseerd. Het kan zowel om blokstages als om alternerende stages gaan. Vormen van werkplekleren geven in elk geval een toegevoegde waarde aan de opleiding. De opleiding verpleegkunde (HBO5)
Deze opleiding wordt niet opgedeeld in leerjaren doch heeft een duurtijd van 6 semesters. Het programma dient in overeenstemming te zijn met de Europese richtlijn 2005/36/EG en het daarop aansluitend ministerieel besluit van 28 februari 2008 betreffende verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger en koninklijke besluiten betreffende de uitoefening van gezondheidsberoepen. De opleiding moet dan ook ten minste 4600 uren bedragen. Daarom moeten de onderwijsinstellingen vanaf het schooljaar 2009-2010 buiten de wekelijkse lessentabel, aan de cursisten gedurende de volledige opleidingsduur ten minste 4 wekelijkse uren opleidingsgebonden persoonlijke activiteiten opleggen (extra stages, zelfstudie, eindwerk…). Net zoals voor de opleidingen Se-n-Se kan een onderwijsinstelling voor de organisatie van de opleiding verpleegkunde samenwerken met andere instanties (voor de bepalingen terzake, zie 5.20.2.).
Beoordeling & studiebewijzen De delibererende klassenraad beslist: ●
op het ogenblik dat een leerling een module heeft beëindigd (en wordt dan beperkt tot de leden die effectief aan de leerling in de betreffende module onderricht hebben gegeven) i.f.v.:
○ een attest van verworven competenties (wanneer de module niet met vrucht werd gevolgd, het attest vermeldt de competenties die de jongere wel heeft bereikt);
○ een deelcertificaat of een certificaat (als de module of de opleiding met vrucht werd ●
gevolgd); op het ogenblik dat de leerling aan alle opleidingsvoorwaarden heeft voldaan voor het toekennen van:
○ een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs; ○ een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;
○ een studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar;
○ een diploma van secundair onderwijs. Secundair en post-secundair onderwijs / 195
Daarnaast kan een getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer worden uitgereikt. Voor het buitengewoon onderwijs is dat:
○ attest van verworven competenties ○ deelcertificaat ○ een getuigschrift van verworven competenties (wanneer een afgerond geheel binnen een opleiding met vrucht werd gevolgd),
○ certificaat ○ een getuigschrift van een opleiding (wanneer een opleiding van assistentniveau met vrucht werd gevolgd)
○ een getuigschrift van alternerende beroepsopleiding (wanneer de integratiefase met vrucht werd gevolgd). In het gewoon modulair beroepssecundair onderwijs worden geen geïntegreerde proeven ingericht; in het buitengewoon modulair onderwijs geen kwalificatieproeven. De scholen mogen echter wel externe deskundigen bij de beoordeling betrekken. De opleiding verpleegkunde (HBO5)
Voor de opleiding verpleegkunde in het hoger beroepsonderwijs (zie 5.20.3.) kunnen volgende studiebewijzen worden uitgereikt:
○ ○ ○ ○
attest van verworven competenties deelcertificaat diploma van secundair onderwijs diploma van gegradueerde (associate degree); dit wordt uitgereikt aan een cursist die geslaagd is voor alle modules van de opleiding verpleegkunde en derhalve houder is van de deelcertificaten van alle modules van die opleiding. Indien een onderwijsinstelling voor de organisatie van de opleiding verpleegkunde samenwerkt met één of meer andere onderwijsinstellingen (voor secundair, hoger of volwassenenonderwijs), kan worden overgegaan tot toekenning van een gezamenlijk diploma van gegradueerde. Bij het diploma wordt een diplomasupplement uitgereikt. Dit is een document dat de inhoud van de studies van de cursist en de structuur van het onderwijs in het land waar de cursist gestudeerd heeft, verduidelijkt. Het is gebaseerd op het model dat door de Europese Commissie, de Raad van Europa en UNESCO/CEPES is ontwikkeld.
○ getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer.
Looptijd experiment Vanaf het schooljaar 2008-2009 kan het experiment enkel worden ingericht in die onderwijsinstellingen die reeds tijdens het schooljaar 2007-2008 aan het experiment deelnamen. Deelname impliceert het engagement van de onderwijsinstelling tot duidelijke communicatie naar ouders en leerlingen, tot aanvaarding van ondersteuning of opvolging vanuit de overheid en tot medewerking bij evaluatie vanuit de overheid. Het experiment blijft lopen tot het tijdstip waarop het Vlaams Parlement globale hervormingsmaatregelen aangaande de structuur en de organisatie van het voltijds gewoon secundair onderwijs in werking laat treden. Vermoedelijk zal dit het geval zijn in de loop van de legislatuur 2009-2014. De opleiding verpleegkunde (HBO5)
Voor de opleiding verpleegkunde vond op 1 september 2009 een structuuromschakeling plaats van de vierde graad BSO naar het hoger beroepsonderwijs (HBO5). Alle verpleegscholen waren dan
Secundair en post-secundair onderwijs / 196
toegetreden tot het experiment. De opleiding wordt tot en met het schooljaar 2011-2012 op experimentele basis modulair georganiseerd.
5.11.5. Topsport Op 25 juni 2004 werd tussen de Vlaamse ministers, bevoegd voor respectievelijk onderwijs en sport, diverse sportinstanties (waaronder BLOSO), en afgevaardigden van het Gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs, een globaal topsportconvenant gesloten. In aansluiting hierop zijn er verscheidene bijzondere topsportconvenants tot stand gekomen tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, een bepaalde sportfederatie (= federatie van een bepaalde sporttak) en een lokale onderwijsinrichter. Het globaal convenant heeft ertoe geleid dat het voltijds secundair onderwijsaanbod met een aantal topsportrichtingen ASO, TSO en BSO werd uitgebreid. Scholen die één of meer van deze richtingen aanbieden, worden als “topsportschool” erkend ( momenteel 6) en kunnen een topsportcoördinator aanstellen. Topsportrichtingen zijn voorbehouden voor leerlingen aan wie de selectiecommissie voor de betrokken sportdiscipline een (jaarlijks te hernieuwen) topsportstatuut (A of B) toekent. Zonder afbreuk te doen aan de eindtermen, gelden in een topsportrichting specifieke leerplannen en leermethodes die de leerling-topsporters in staat moeten stellen de leerstof op een snelle en doelmatige maar niettemin volledige wijze te verwerken. Ook worden een aantal uren van het wekelijkse lessenrooster vrijgemaakt voor sportspecifieke trainingsarbeid, waarvoor de sportfederatie instaat en verantwoordelijk is. Leerlingen met een topsportstatuut kunnen ook kiezen voor een andere studierichting buiten topsport en kunnen dan aanspraak maken op een contingent van rechtswege gewettigde afwezigheden in het kader van hun sportbeoefening. In zijn beleidsnota onderwijs 2009-2014 heeft de minister van Onderwijs en Vorming een evaluatie op inhoudelijk en organisatorisch vlak aangekondigd. Tevens zal worden onderzocht hoe de doorstroming naar vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt verloopt en of het statuut van topsportscholen op andere disciplines kan worden toegepast. Daarnaast maakt het decreet van 13 februari 2009 de subsidiëring mogelijk van een vereniging of stichting voor de organisatie van schoolsport. Die organisatie moet leerlingen uit het basis- en secundair onderwijs stimuleren om levenslang deel te nemen aan sport- en bewegingsactiviteiten, zowel in georganiseerd verband binnen een sportvereniging, als in los georganiseerd of ongeorganiseerd verband. De organisatie van schoolsport omvat: ● ● ●
innovatie, planning en ontwikkeling van de schoolsport; het stimuleren van de wisselwerking tussen het vak- of leergebied lichamelijke opvoeding en de schoolsport enerzijds, en de schoolsport en de lokale sportactiviteiten anderzijds; de organisatie van extracurriculaire sport- en bewegingsactiviteiten in schools en naschools verband voor de leerlingen uit het basis- en secundair onderwijs.
5.12. Organisatie van de schooltijd De inrichtende macht beschikt over een grote vrijheid wat betreft de organisatie van de schooldag, schoolweek en het schooljaar in het secundair onderwijs (zie ook Omzendbrief SO 74 van 12 juni 2001 betreffende de organisatie van het schooljaar).
Secundair en post-secundair onderwijs / 197
5.12.1. Organisatie van het schooljaar Net zoals voor het basisonderwijs, begint het schooljaar voor het secundair onderwijs op 1 september en eindigt het in theorie op 31 augustus. ● ●
●
●
Omwille van de zomervakantie (1 juli t/m 31 augustus) eindigt het schooljaar in de praktijk echter op 30 juni. Na 31 augustus is geen enkele onderwijsactiviteit (ook geen leerlingenstage) meer mogelijk die betrekking heeft op het voorbije schooljaar; uitzondering hierop vormen laattijdige beslissingen van de delibererende klassenraad (uiterlijk 1 september) of beroepen tegen omstreden beslissingen van voornoemde klassenraad (uiterlijk 20 september). Gezien 31 augustus de theoretische einddatum van het schooljaar is, betekent dit dat regelmatige leerlingen ertoe gehouden zijn om aan alle onderwijsactiviteiten die de school in de zomerperiode organiseert, deel te nemen, bv. een leerlingenstage of een vakantietaak. In voorkomend geval geldt het principe van uitstel op 30 juni van de eindbeslissing van de delibererende klassenraad, aangezien het onderwijsprogramma nog niet volledig is afgewerkt of aangezien de klassenraad over onvoldoende gegevens beschikt om de beslissing te nemen over het al dan niet geslaagd zijn. De vakanties indachtig, is de school gedurende 182 dagen per schooljaar open.
5.12.2. Organisatie van schoolweek en schooldag Schoolweek
De lessen zijn in het voltijds gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs gespreid over 9 halve dagen van maandag tot en met vrijdag; leerlingenstages worden hierbij buiten beschouwing gelaten. De vrije halve dag (voormiddag of namiddag) kan naar keuze worden bepaald en valt in praktijk zeer vaak op woensdagnamiddag. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs worden de lessen gespreid over maximum 4 halve dagen van maandag tot en met vrijdag. Het woord ''maximum'' slaat op het feit dat voor sommige leerlingen het deeltijds beroepssecundair onderwijs 15 uren omvat en voor anderen, die de algemene vakken in een erkende vormingsinstelling volgen, slechts 8 uren. De lesspreiding doet in elk geval geen afbreuk aan de mogelijkheid om, na toelating van het onderwijsdepartement, de lessen in een ander ''ritme'' te organiseren. Binnen het ''voltijds secundair onderwijs'' geldt een lesweek van ten minste 28 lestijden (36 wekelijkse lestijden voor de verpleegkunde). Het maximum aantal wekelijkse lestijden, dat voor overheidsfinanciering of -subsidiëring in aanmerking komt (waarin de eventuele lesuren inhaallessen niet zijn begrepen) is vastgelegd in het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978. Het bedraagt maximum 32 u met uitzondering van ● ● ● ● ●
Het 2e leerjaar 1e graad met ten minste 4 wekelijkse lestijden praktische vakken: max. 34 Het beroepsvoorbereidend leerjaar: max. 34 Het TSO, KSO, BSO: max. 36 De 3e graad ASO met ten minste 2 wekelijkse lestijden lichamelijke opvoeding en ten minste 1 wekelijkse lestijd artistieke opvoeding of esthetica: max. 33 Het hoger beroepsonderwijs: max. 36
Schooldag
De lessen starten ten vroegste om 8u en eindigen tussen 15u en 17u. Er is een middagpauze van minimaal 50 minuten die moet worden voorzien op een voor het nuttigen van een middagmaal Secundair en post-secundair onderwijs / 198
aanvaardbaar tijdstip. Bij afwezigheid van de leraar en de onmogelijkheid om in vervanging of een vervangende activiteit te voorzien, kan beslist worden dat de leerlingen de school mogen verlaten. Het gezond verstand en het belang van de leerlingen moeten hierbij vooropstaan; elementen zoals het akkoord van de ouders, de verzekeringsdekking, de mate van overmacht, het tijdstip, de leeftijd van de leerlingen e.d. zullen in overweging worden genomen. Lengte van de schooldag in het secundair onderwijs
maandag
dinsdag
woensdag
donderdag vrijdag
Start lessen ten vroegste om 8 u, meestal 8u30 Lunchpauze ten minste 50 min. Einde lessen ten vroegste om 15u, ten laatste 17u
Namiddag vrij
5.13. Curriculum, leervakken, aantal lesuren De overheid bewaakt de onderwijskwaliteit door het vastleggen van eindtermen en ontwikkelingsdoelen, beroepskwalificaties en een minimumlessenrooster, gedefinieerd als de basisvorming.
5.13.1. Eindtermen, ontwikkelingsdoelen en beroepskwalificaties Eindtermen en ontwikkelingsdoelen
De eindtermen en ontwikkelingsdoelen worden door de overheid gehanteerd als middel tot kwaliteitsbewaking. Ze zijn verplicht opgenomen in de leerplannen. Voor de basisvorming (met uitzondering van de cursus levensbeschouwing) zijn er vakgebonden eindtermen geformuleerd. Dit zijn minimumdoelen die de onderwijsoverheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingengroep. Met minimumdoelen wordt bedoeld: enerzijds een minimum aan kennis, inzicht en vaardigheden die alle leerlingen van de leerlingengroep dienen te verwerven tijdens het leerproces en anderzijds een minimum aan attitudes die de school nastreeft bij de leerlingen. Voor het gewoon secundair onderwijs worden ze vastgelegd per graad en per onderwijsvorm. Attitudinale vakgebonden eindtermen, moeten niet bereikt worden, maar nagestreefd. De vakgebonden eindtermen m.b.t. kennis, inzicht en vaardigheden houden voor de school een resultaatsverplichting in. Het bereiken ervan wordt bij een schooldoorlichting afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie. Naast de vakgebonden eindtermen zijn er ook vakoverschrijdende eindtermen (VOET). Dat zijn minimumdoelen die niet specifiek behoren tot een vakgebied, maar onder meer door middel van meerdere vakken of onderwijsprojecten worden nagestreefd. De vakoverschrijdende eindtermen houden voor de school een inspanningsverplichting in. Ze hoeven dan ook niet in de leerplannen te worden opgenomen. In 2010 werden de resultaten van het OBPWO-onderzoek ’10 jaar vakoverschrijdende eindtermen: een evaluatie’ gepubliceerd. De resultaten van het onderzoek lagen mee aan de basis van de nieuwe vakoverschrijdende eindtermen. Voor de basisvorming van het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar van de eerste graad zijn er i.p.v. eindtermen ontwikkelingsdoelen geformuleerd. Het zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid wenselijk acht voor een Secundair en post-secundair onderwijs / 199
bepaalde leerlingenpopulatie en die de school bij haar leerlingen moet nastreven. Ontwikkelingsdoelen kunnen net zoals eindtermen vakgebonden of vakoverschrijdend zijn. Specifieke eindtermen zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling moet beschikken om vervolgonderwijs in het hoger onderwijs aan te vatten. Ze worden verworven door middel van het specifieke gedeelte van een doorstroomgericht structuuronderdeel. Ze worden vastgelegd voor het 2e leerjaar van de 3e graad ASO, TSO en KSO en ontwikkeld uit de kenmerkende onderdelen van een bepaald wetenschapsdomein. Voor het TSO en KSO betekent dit dat (in tegenstelling tot het ASO) slechts voor bepaalde structuuronderdelen specifieke eindtermen zullen worden vastgelegd, nl. voor die structuuronderdelen die een zuiver doorstroomgericht karakter hebben. In de praktijk zijn er momenteel specifieke eindtermen bepaald voor alle structuuronderdelen ASO evenals voor het structuuronderdeel topsport TSO. Voor de andere structuuronderdelen die in aanmerking komen, moet dit alsnog gebeuren. De doelstellingen in het specifiek gedeelte van het TSO, KSO en BSO die geen doorstroomgericht karakter hebben, zullen afgeleid worden uit de beroepscompetentieprofielen van de sectoren op de arbeidsmarkt. De overheid formuleert geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen voor: ● ● ● ●
het keuzegedeelte in de 1e graad, de basisopties in het 2e leerjaar A van de 1e graad de beroepenvelden in de 1e graad secundair onderwijs het complementaire gedeelte van de tweede en derde graad.
Gewoon secundair onderwijs
1e graad
2e graad
3e graad
A-stroom
ASO
TSO
KSO
(D)BSO
ASO
TSO
KSO
(D)BS O
Vakgebonden eindtermen voor de basisvorming
X
X
X
X
X
X
X
X
X
Vakoverschrijdende eindtermen
X
X
X
X
X
X
X
X
X
Cesuurdoelen voor de specifieke eindtermen
X
Specifieke eindtermen
X B-stroom
Vakgebonden ontwikkelingsdoelen
X
Vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen
X
Eindtermen, de specifieke eindtermen, de ontwikkelingsdoelen worden vastgelegd door het Vlaams Parlement bij wijze van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse Regering, genomen op advies van de VLOR. Ze werden uitgewerkt door de Entiteit Curriculum (ex-DVO, voortaan ingebed in AKOV, zie 9.1.). De eindtermen en specifieke eindtermen worden voortaan ontwikkeld gebruik makend van de descriptorelementen vastgelegd door het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur (zie 2.3.5.). Net zoals voor het kleuter- en lager onderwijs, geldt voor het secundair onderwijs eveneens de mogelijkheid tot afwijking van de vastgelegde eindtermen en ontwikkelingsdoelen op grond van het
Secundair en post-secundair onderwijs / 200
pedagogisch project en middels een grondige procedure (Decreet van 15 juli 1997). Enkel de Steinerscholen hebben (beperkte) afwijkingen voorgesteld en verkregen. De vakgebonden eindtermen en vakgebonden ontwikkelingsdoelen voor de 1e graad secundair onderwijs werden in september 1997 ingevoerd. Er werden tevens vakoverschrijdende eindtermen inzake: leren leren, sociale vaardigheden, opvoeden tot burgerzin, gezondheidseducatie, milieueducatie en ICT. Deze laatste zijn algemeen en niet toegespitst op specifieke softwareprogramma's. De vakgebonden eindtermen voor de 2e en 3e graad van het secundair onderwijs werden vanaf het schooljaar 2002-2003 progressief ingevoerd. Er werden eindtermen geformuleerd voor alle vakken binnen de basisvorming van de verschillende studierichtingen. Bijkomend werden er vakoverschrijdende eindtermen geformuleerd. Deze vakoverschrijdende eindtermen zijn geordend in thema's, die dezelfde zijn voor alle onderwijsvormen (ASO, TSO, KSO, BSO) zij het niet in aantal. In de 2e en 3e graad komen er nog 2 thema's bij deze van de 1e graad: muzisch-creatieve vorming en (enkel voor het ASO) technisch-technologische vorming. Vakgebonden eindtermen worden vastgelegd per graad en per onderwijsvorm, behalve in de 3e graad BSO waar afzonderlijk eindtermen worden vastgelegd voor de eerste twee jaren enerzijds, en voor het derde leerjaar anderzijds; dit voor de vakken lichamelijke opvoeding en project algemene vorming. Vanaf het schooljaar 2008-2009 zijn de bepalingen van het decreet (van 18 januari 2002) betreffende eindtermen, leerplannen en afwijkingsprocedure (met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding) ook van toepassing op de algemene vorming van het deeltijds beroepssecundair onderwijs (zie 5.20.1.1.), respectievelijk op de algemene vorming van de leertijd (zie 5.20.1.3.). Voor de vakoverschrijdende eindtermen zijn de bepalingen van toepassing vanaf het schooljaar 2010-2011. De bepalingen van het decreet zijn niet van toepassing op het hoger beroepsonderwijs (zie 5.20.3.). In 2009 werden ontwikkelingsdoelen Nederlands voor nieuwkomers in de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers (OKAN) in het secundair onderwijs vastgelegd (zie 10.7.1.). Herziening eindtermen en ontwikkelingsdoelen
In 2009 werden een aantal eindtermen en ontwikkelingsdoelen gewijzigd. Voor de 1e graad gewoon SO (de wijzigingen gelden vanaf 1 september 2010): ●
●
●
de vakgebonden eindtermen
○ ○ ○ ○
natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk
○ ○ ○ ○
Nederlands
moderne vreemde talen: Frans – Engels Nederlands
technologische opvoeding (dit wordt vanaf 1/09/2010 het vak ‘techniek’) de vakgebonden ontwikkelingsdoelen natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk technologische opvoeding (dit wordt vanaf 1/09/2010 het vak ‘techniek’)
Frans de (oude) vakoverschrijdende eindtermen en de vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen worden opgeheven en vervangen door nieuwe.
Voor de 2e en 3e graad gewoon SO (de wijzigingen gelden voor de 2e graad vanaf 1 september 2012, voor de 3e graad vanaf 1 september 2014): ● ●
de vakgebonden eindtermen moderne vreemde talen: Frans – Engels (voor ASO, TSO, KSO) de (oude) vakoverschrijdende eindtermen en de vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen worden opgeheven en vervangen door nieuwe. Secundair en post-secundair onderwijs / 201
De nieuwe vakoverschrijdende eindtermen en vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen gelden globaal (en niet langer per graad) voor het gewoon secundair onderwijs (inclusief BSO) vanaf 1 september 2010. Ze hebben een gemeenschappelijke stam met essentiële vaardigheden die generiek (ontdaan van elke context) worden geformuleerd en betrekking hebben op: communicatief vermogen, creativiteit, doorzettingsvermogen, empathie, esthetische bekwaamheid, exploreren, flexibiliteit, initiatief, kritisch denken, mediawijsheid, open en constructieve houding, respect, samenwerken, verantwoordelijkheid, zelfbeeld, zelfredzaamheid, zorgvuldigheid, zorgzaamheid. Deze worden geconcretiseerd in een aantal contexten: lichamelijke gezondheid en veiligheid, mentale gezondheid, sociorelationele ontwikkeling, omgeving en duurzame ontwikkeling, politiek-juridische samenleving, socio-economische samenleving, socioculturele samenleving. Ze worden nagestreefd doorheen de zes jaren van het secundair onderwijs en verwijzen naar een beoogd ‘eindgedrag’ bij het verlaten van het secundair onderwijs en naar het leren als een doorlopend proces. Daarnaast zijn er nieuwe ●
● ●
vakoverschrijdende eindtermen leren leren voor de 1e graad, voor de 2e graad en voor de 3e graad (met eindtermen inzake opvattingen over leren, informatieverwerving, informatieverwerking, probleemoplossen, regulering van het leerproces, studie- en beroepsgerichte keuzebekwaamheid); vakoverschrijdende eindtermen/ontwikkelingsdoelen informatie- en communicatietechnologie (ICT) voor de 1e graad SO; vakoverschrijdende eindtermen technisch-technologische vorming voor de 2e en 3e graad ASO.
Voor alle eindtermen, zie: http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/secundair/index.htm Beroepskwalificaties
Erkende beroepskwalificaties zijn afgeronde en ingeschaalde gehelen van competenties om als beginnend beroepsbeoefenaar een beroep uit te oefenen. Het zijn de (beroeps)competentieprofielen van de SERV die als beroepskwalificaties door de Vlaamse Regering worden erkend. Ze worden verworven door middel van het specifieke gedeelte van een beroepsgericht structuuronderdeel. Tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn, wordt voor het specifiek gedeelte van een beroepsgericht structuuronderdeel vanuit een erkend referentiekader een set van competenties door de Vlaamse Regering bepaald, gebruik makend van de descriptorelementen uit de kwalificatiestructuur (zie 2.3.5.). Onderwijskwalificaties
De combinatie van eindtermen en specifieke eindtermen, de combinatie van eindtermen en een of meer erkende beroepskwalificaties dan wel één of meer erkende beroepskwalificaties (doch uitsluitend indien ingeschaald op niveau 4 of 5 van de Vlaamse kwalificatiestructuur) op zich, vormen door de Vlaamse Regering erkende en ingeschaalde onderwijskwalificaties.
5.13.2. Leerplannen De ontwikkelingsdoelen en eindtermen zeggen wel wat de leerlingen minimaal moeten kennen en kunnen, maar geven niet aan hoe dit moet gebeuren. De scholen zijn hierin volledig vrij. Leerplannen bevatten essentiële gegevens voor de concrete onderwijspraktijk en zijn afgestemd op een welomschreven leerlingengroep. Bovendien geven ze wenken voor de didactische aanpak en de realisatie ervan. Ze kunnen in principe door elk schoolbestuur of inrichtende macht ontwikkeld worden, maar worden in praktijk ontwikkeld door de onderwijskoepels. De bij de koepels aangesloten scholen nemen gewoonlijk de goedgekeurde leerplannen over.
Secundair en post-secundair onderwijs / 202
In de leerplannen moeten echter, op een herkenbare wijze en voor zover ze bepaald zijn, worden opgenomen: ● ● ●
de vakgebonden eindtermen en ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de erkende beroepskwalificaties of de in de plaats daarvan vastgelegde competenties.
Desgewenst (en dus niet verplicht) bevatten de leerplannen de doelen die de inrichtende macht uitdrukkelijk formuleert voor haar leerlingen vanuit het eigen opvoedingsproject in het algemeen of de eigen visie op het vak in het bijzonder. Die doelstellingen kunnen ook via een ander intern document worden geformuleerd. Elke school hanteert in elk structuuronderdeel één of meer door de overheid goedgekeurde leerplannen voor de realisatie van basisvorming en specifiek gedeelte. De onderwijsinspectie beoordeelt het leerplan op basis van vastgelegde criteria en de eindtermen en ontwikkelingsdoelen en adviseert de minister van Onderwijs m.b.t. de goedkeuring. Voor de realisatie van het keuze- of complementair gedeelte moeten nooit leerplannen ter goedkeuring bij de overheid worden ingediend. Bij schooldoorlichting door de onderwijsinspectie kan de realisatie van het keuze- of complementair gedeelte worden onderzocht, doch de onderwijsinspectie zal er geen gevolgen naar erkenning of financiering/subsidiëring aan verbinden. Voor de leerplannen, zie ● ● ● ●
Katholiek onderwijs, http://www.vvkso.be > secundair onderwijs > publicaties > leerplannen Gemeenschapsonderwijs, http://pbd.gemeenschapsonderwijs.net/so/index.htm Provinciaal onderwijs, http://www.pov.be > documenten> leerplannen Onderwijs van steden en gemeenten, http://www.ovsg.be > publicaties en documenten > leerplannen
5.13.3. Lessenroosters In het eerste leerjaar van de eerste graad omvat het lessenrooster de vakken van de basisvorming en eventueel een keuzegedeelte (keuzevakken). In alle overige leerjaren omvat het lessenrooster de vakken van de basisvorming, een specifiek gedeelte (vakken inherent aan de basisoptie, het beroepenveld respectievelijk de studierichting) en eventueel een complementair gedeelte (complementair aanbod dat de school of zelfs de leerling kiest). De overheid beperkt zich tot het opleggen van een minimumrooster, gedefinieerd als vakken van de basisvorming, afhankelijk van de gevolgde graad/onderwijsvorm door elke leerling volledig te volgen. De inrichtende machten bepalen dus autonoom hoe de wekelijkse lessenroosters worden samengesteld.
5.13.3.1. Basisvorming
Wat de basisvorming (het kerncurriculum) betreft, worden aan de diverse limitatieve lijsten van verplicht te volgen vakken uitsluitend in de eerste graad - en dan nog globaal en geenszins per afzonderlijk vak – minimale lestijden gekoppeld. Overigens kan de Vlaamse Regering, op voorwaarde dat hetzelfde studiepeil voor de basisvorming wordt gewaarborgd, aan onderwijsinstellingen individuele afwijkingen verlenen van voornoemde minimale lestijden. In de tweede en derde graad kan de urentoekenning en -verdeling met betrekking tot de basisvorming op volledig autonome wijze worden uitgevoerd.
Secundair en post-secundair onderwijs / 203
De respectieve verplichte vakkenreeksen van de basisvorming e
1e graad
e
2e graad (1 en 2 leerjaar)
1e lj. A
1e lj. B
2e lj.
beroepsvoorbereidend lj.
ASO
TSO en KSO
BSO
levensbesch.*
levensbesch.*
levensbesch.*
levensbesch.*
levensbesch.*
levensbesch.*
levensbesch.*
Nederlands
Nederlands
Nederlands
Nederlands
Nederlands
Nederlands
Nederlands
Frans
ev. Frans (3)
Frans
Ev. Frans (3)
Frans
Frans of Engels (4)
(5)
wiskunde en/of toegepaste [natuurwet. en/of fysica en/of biologie of en/of chemie] al dan niet geïntegreerd
eventueel Engels
Engels
Engels
wiskunde
wiskunde
wiskunde
wiskunde
wiskunde
wiskunde
natuurwet. of [fysica en/of biologie] (1)
natuurwet. of [fysica en/of biologie] (1)
natuurwet. of [fysica en/of biologie] of wetenschap. Werk (1)
natuurwet. of [fysica en/of biologie] of wetenschap. Werk (1)
(toegepaste) natuurwet. of [fysica en/of biologie of en/of chemie] al dan niet geïntegreerd
(toegepaste) natuurwet. of fysica en/of biologie of en/of chemie al dan niet geïntegreerd
geschiedenis
maatschap. v. of geschiedenis en aardrijkskunde
geschiedenis
maatschap. v. of geschiedenis en aardrijkskunde
geschiedenis
geschiedenis
aardrijkskunde
aardrijkskunde
lich. opv.
lich. opv.
aardrijkskunde
aardrijkskunde
artistieke of plastische en/of muzikale opv.
artistieke of plastische en/of muzikale opv.
artistieke of plastische en/of muzikale opv.
artistieke of plastische en/of muzikale opv.
lich. opv.
lich. opv.
lich. opv.
lich. opv.
technol. opv. (2)
technol. opv. (2)
technol. opv. (2)
min. 27u/w
min. 27u/w
min. 24 u/w
maatschap. v. of geschiedenis en/of aardrijkskunde
lich. opv.
min. 16 u/w
(1) natuurwetenschappen, vanaf het schooljaar 2010-2011 (2) techniek, vanaf het schooljaar 2010-2011 (3) Frans, vanaf het schooljaar 2010-2011 (4) Frans en Engels, vanaf het schooljaar 2012-2013 in het 1e leerjaar, vanaf 2013-2014 in het 2e leerjaar (5) Frans of Engels, vanaf het schooljaar 2010-2011 in het 1e leerjaar, vanaf 2011-2012 in het 2e leerjaar
Secundair en post-secundair onderwijs / 204
3e graad (1e en 2e leerjaar) ASO
TSO en KSO
BSO
levensbesch.*
levensbesch.*
levensbesch.*
Nederlands
Nederlands
Nederlands
Frans
(7)
Engels of Duits
Frans of Engels (6)
wiskunde
wiskunde
natuurwet. of [fysica en/of biologie en/of chemie] geschiedenis
geschiedenis
aardrijkskunde
aardrijkskunde
maatschap. v. of geschiedenis en/of aardrijkskunde
lich. opv.
lich. opv.
lich. opv.
(6) Frans en Engels, vanaf het schooljaar 2014-2015 in het 1e leerjaar, vanaf het schooljaar 20152016 in het 2e leerjaar (7) Frans of Engels, vanaf het schooljaar 2012-2013 in het 1e leerjaar, vanaf 2013-2014 in het 2e leerjaar Nadere specificatie ●
●
●
●
●
●
* Levensbeschouwing = de keuze godsdienst of niet-confessionele zedenleer in het officieel onderwijs; godsdienst of niet-confessionele zedenleer, of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs). In de 1e leerjaren A en B dient de basisvorming, die ten minste 27 u/w bedraagt, te worden georganiseerd op grond van minstens eenzelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde onderwijsinstelling dient gevolgd te worden. In het 2e lj. van de 1e graad bedraagt de basisvorming ten minste 24u/w, waarvan ten minste 14u/w dienen te worden georganiseerd op grond van minstens eenzelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde onderwijsinstelling dient te worden gevolgd. In het 1e leerjaar B, het beroepsvoorbereidend jaar van de 1e graad en in het 1e en 2e leerjaar van de 2e graad BSO en de 3e graad BSO kunnen twee of meer vakken worden geïntegreerd onder het project algemene vakken. Voor het 3e leerjaar van de 2e graad BSO, ingericht onder de vorm van een vervolmakingsjaar, wordt geen basisvorming opgelegd, aangezien de vervolmaking uitermate optie-gebonden is met bijgevolg bijzondere aandacht voor technische en zeker praktische vakken. Voor het 3e leerjaar van de 3e graad BSO al dan niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar geldt een ietwat bijzondere regel :
○ de basisvorming
▪
moet worden samengesteld uit algemene vakken waarvan er twee of meer kunnen worden geïntegreerd onder het project algemene vakken;
▪
moet de vakken bevatten van het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad BSO, vanaf het schooljaar 2014-2015 : Frans of Engels
▪
moet ten minste 12 uren/week bedragen;
○ wanneer dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar, moeten daarenboven ten minste 14 uren/week worden toegekend aan technische vakken en/of praktische vakken. Secundair en post-secundair onderwijs / 205
●
●
●
Voor het 3e leerjaar van de 3e graad ASO, resp. KSO, ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, en voor het Se-n-Se TSO en KSO, wordt geen basisvorming opgelegd, vermits de secundaire opleiding van de betrokken leerlingen reeds als voltooid mag worden beschouwd en het leerjaar in kwestie hetzij een zuiver specialiserend karakter draagt, hetzij een verdieping van de genoten studie met het oog op hoger onderwijs beoogt. Voor de leerjaren van de 4e graad BSO wordt omwille van de specificiteit ook geen basisvorming opgelegd. Daarenboven is in het officieel onderwijs de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer niet verplicht (Decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II). In het secundair-na-secundair TSO en KSO en in het hoger beroepsonderwijs is in het officieel onderwijs de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer niet verplicht.
De overheid stelt zelf geen wekelijkse lessentabellen samen, enkel de basisvorming wordt als minimumlessenrooster opgelegd.
5.13.3.2. Het optionele vakkenpakket (fundamenteel en complementair gedeelte)
Aangezien de eigenlijke lessenroosters de verantwoordelijkheid zijn van de inrichtende macht, kunnen zij in dit kort bestek niet worden gegeven. We geven hier enkel de opties binnen het GO! (gemeenschapsonderwijs). We gaan achtereenvolgens dieper in op: ● ● ● ● ●
de eerste graad het Algemeen Secundair Onderwijs (ASO) het Technisch Secundair Onderwijs (TSO) het Kunstsecundair Onderwijs (KSO) het Beroepssecundair Onderwijs (BSO)
5.13.3.2.1. Eerste graad
In het eerste jaar A volgen alle leerlingen een gelijkaardige basisvorming. Bijkomend moeten leerlingen in het gemeenschapsonderwijs per week 4 lestijden naar keuze volgen (in totaal maximum 32 lestijden per week in het gemeenschapsonderwijs). Zij kunnen opteren voor het volgen van nieuwe vakken en/of voor aanvulling van de lestijd van de reeds gedoceerde vakken uit de basisvorming. De keuze bestaat tussen de algemene vakken Latijn, lichamelijke opvoeding, muzikale opvoeding, plastische opvoeding, wetenschappelijk werk en Nederlands, en tussen de technische vakken technologische opvoeding en nautische technieken. Voorwaarde is dat de school deze keuzes aanbiedt en dat het totaal aantal keuzelestijden niet meer dan 4 bedraagt. Voor het 1ste leerjaar B geldt vrijwel een identieke indeling maar binnen de lijst van keuzevakken zijn de algemene vakken Frans en Wiskunde opgenomen. Latijn, wetenschappelijk werk en nautische technieken behoren niet tot de keuzemogelijkheden. In het tweede jaar volgen alle leerlingen uit de A-stroom een basisvorming van maximum 26 lestijden per week. Afhankelijk van de gekozen basisoptie, krijgen de leerlingen nog bijkomend 6 of 8 uur per week les binnen optiespecifieke vakken. Leerlingen hebben de keuze uit volgende basisopties: agroen biotechnieken, artistieke vorming, ballet, bouw- en houttechnieken, Grieks-Latijn, grafische technieken, handel, hotel-voeding, industriële wetenschappen, Latijn, maritieme vorming, mechanica-
Secundair en post-secundair onderwijs / 206
elektriciteit, moderne wetenschappen, en sociale en technische vorming. In totaal geldt aldus een lesweek van maximum 32 of 34 uur. In het tweede leerjaar B, het zogenaamde beroepsvoorbereidende leerjaar (BVL) geldt een basisvorming van maximum 16 lesuren per week, aangevuld met een pakket van maximum 18 lestijden waarvan de inhoud verschilt naargelang het gekozen beroepenveld, wat het totaal aantal lesuren per week aldus op maximum 34 brengt. De leerling kiest voor hetzij ĂŠĂŠn beroepenveld van minimum 14 u/w, hetzij voor een combinatie van twee beroepenvelden van elk minimum 7 wekelijkse uren. Er kan worden gekozen uit 48 beroepenvelden die worden gevormd door combinaties van bouw, decoratie, elektriciteit, haarzorg, hout, kantoor en verkoop, metaal, mode, Rijn- en binnenvaart en verzorging-voeding. Enige uitzonderingen op deze ''combinatieregel'' zijn de beroepenvelden Land- en tuinbouw, en Nijverheid (gemeenschapsonderwijs, 2004).
5.13.3.2.2. Algemeen Secundair Onderwijs (ASO)
Het ASO houdt in vergelijking met de andere onderwijsvormen een meer theoretische benadering van de vakken in en heeft duidelijk de rol om de overgang van de leerlingen naar het hoger onderwijs te bevorderen.
ASO
Maximum aantal lestijden per week (gemeenschapsonderwijs) studierichtingen 1e en 2e lj. 3e graad
bijzondere wetenschappelijke vorming
sport-wetenschappen
Basisvorming
18 - 20
2
18
Specifiek gedeelte
8 - 14
24
13
Complementair gedeelte
4-0
6
1
32
32
32
Totaal
5.13.3.2.3. Technisch Secundair Onderwijs (TSO)
Het TSO legt de nadruk op de praktische realisatie van theoretische kennis. De doelstelling van het TSO is tweeledig: enerzijds de voorbereiding op de uitoefening van een beroep en anderzijds de voorbereiding op doorstroming naar het hoger (technisch) onderwijs. Voor de studiegebieden binnen het TSO zie 5.11.
Maximum aantal lestijden per week (gemeenschapsonderwijs) TSO
2e en 3e graad
3e lj. 3e graad (7e lj.)
Basisvorming
13 - 20
4
Specifiek gedeelte
14 - 23
32
Complementair gedeelte Totaal
0-4 36
36 Secundair en post-secundair onderwijs / 207
In het kader van de herwaardering van het TSO, en ook van het BSO nemen leerlingenstages en lerarenstages een belangrijke plaats in omdat zij een hefboom vormen voor de noodzakelijke aansluiting tussen de onderwijs- en de beroepswereld (zie werkplekleren 5.18.2.).
Effectiviteit van TSO- en BSO-scholen in Vlaanderen Historiek van het technisch- en beroepsonderwijs 1830-1990
5.13.3.2.4. Kunstsecundair Onderwijs (KSO)
Deze kleine onderwijsvorm (ongeveer 2% van de leerlingen van het secundair onderwijs) voorziet in een meer 'artistiek' aanbod en heeft dan ook tot taak een basis aan te bieden voor doorstroming naar artistieke gebieden van het hoger onderwijs, zonder evenwel vervolgstudies in niet-artistieke gebieden van het hoger onderwijs of beroepsuitoefening na het afstuderen uit te sluiten. Omwille van deze ruime doeleinden van het KSO, is het vormingsproces fundamenteel gebaseerd op de integratie van algemene vorming met artistieke componenten. In het KSO krijgen jongeren aldus een zeer volledige opleiding: handvaardigheidstraining, kunstopleiding en theoretische vorming. Daarnaast worden ze ook filosofisch gevormd (VLOR, 2001). Het decreet van 14 juli 1998 bepaalt dat het KSO in drie studiegebieden wordt ingedeeld, met name ballet, podiumkunsten en beeldende kunsten. Elk van deze drie studiegebieden bevat ĂŠĂŠn of meerdere studierichtingen. Kenmerkend voor het studiegebied beeldende kunsten is de zogenaamde driepoligheid 'vorming', 'kunsten' en 'opleiding'. De polen verschillen van elkaar op vlak van doelstellingen, verhouding algemene en kunstvakken, en de uitstroommogelijkheden. Ongeacht de studierichting, moeten KSO-leerlingen volgens het decreet betreffende het onderwijs-II van 31 juli 1990 verplicht een aantal algemene vakken volgen. Deze basisvorming is identiek aan deze van het TSO Naast de algemene vakken dienen leerlingen een belangrijk pakket kunstvakken te volgen. Dit pakket verschilt naargelang de gekozen studierichting. In dit specifieke gedeelte komen geen technische en/of praktijkvakken voor.
Maximum aantal lestijden per week (gemeenschapsonderwijs)
KSO
Beeldende kunsten
Podiumkunsten
voorbereidend 3e leerjaar bijzondere beeldende vorming 2e graad
2e graad
3e graad
Basisvorming
17 - 21
13 - 16
4
19 - 20
15
16
4
Specifiek gedeelte
15 - 19
18 - 23
28
13 - 17
21
20
25
0-2
0-2
36
36
Complementair gedeelte totaal
Secundair en post-secundair onderwijs / 208
3e graad
voorbereidend 3e leerjaar bijzondere muzikale vorming
0-3 32
36
3 36
36
32
Het Kunstsecundair onderwijs Studieloopbanen in het kunstgericht onderwijs: in-, door- en uitstroom in het secundair en hoger onderwijs
5.13.3.2.5. Beroepssecundair Onderwijs (BSO)
Het beroepssecundair onderwijs is een praktijkgerichte onderwijsvorm waarin de jongere naast algemene vorming vooral een specifiek beroep aanleert. In het voltijds beroepssecundair onderwijs vindt men evenwel niet enkel jongeren met een praktische aanleg terug die een beroep willen leren, maar ook leerlingen wiens vroegere schoolcarrière - soms al van het lager onderwijs af - wordt gekenmerkt door een reeks mislukkingen of leermoeilijkheden. Zoals reeds vermeld (zie 5.11.) is het BSO-onderwijsaanbod van de tweede, derde en vierde graad gegroepeerd rond 18 studiegebieden die in grote lijnen overeenkomen met deze uit het TSO.
Maximum aantal lestijden per week (gemeenschapsonderwijs) BSO
2e en 3e graad
3e lj. 3e graad
Basisvorming
8 - 13
4 - 12
Specifiek gedeelte
21 - 26
20 - 32
1-4
0-4
36
36
Complementair gedeelte Totaal
5.14. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal De keuze van onderwijsmethoden en -hulpmiddelen behoort tot de vrijheid van de inrichtende machten. Bijgevolg is er geen sprake van officiële richtlijnen hieromtrent. In het algemeen kan worden gezegd dat het onderricht vakgebonden gebeurt. Door de vakoverschrijdende eindtermen is men echter verplicht ook vakoverschrijdend te werken. Een aantal methodescholen laten zich voor hun pedagogisch project inspireren door Steiner, Freinet, Montessori, Jenaplan, Dalton, of opteren voor ervaringsgericht onderwijs, een leefschool of spelend leren (zie 2.3.4.). Er bestaat geen wettelijke regeling inzake de duur en omvang van huistaken. De Vlaamse Gemeenschap laat dit over aan de scholen. In het modulair beroepssecundair onderwijs (zie 5.11.4.) ligt de klemtoon op onderwijsmethodes zoals 'geïntegreerd werken', 'team teaching', 'permanente beoordeling' en 'step by step learning'.
Secundair en post-secundair onderwijs / 209
5.15. Beoordeling van leerlingen De beoordeling van de leerlingen gebeurt door testen en examens, georganiseerd door de individuele leerkracht onder de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de inrichtende macht van de school (Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002). Ook permanente beoordeling is mogelijk. In het secundair onderwijs vormt de klassenraad het centrale beoordelingsorgaan (zie ook 2.7.1.1.2.). De begeleidende en de delibererende klassenraad bestaan uit de directeur of zijn afgevaardigde en alle leden van het onderwijzend personeel die in een bepaald leerjaar aan de leerling onderwijs verstrekken (deze personen zijn stemgerechtigd). Zij kunnen worden bijgestaan door de adjunctdirecteur, de technisch adviseur(-coördinator), ondersteunend personeel en/of personeelsleden die in de betrokken onderwijsinstelling bij de psycho-sociale of pedagogische begeleiding van de leerlingen betrokken zijn (deze personen zijn raadgevend). In tegenstelling tot de begeleidende en delibererende klassenraad, hoeft de toelatingsklassenraad niet uit alle leraars te bestaan van het structuuronderdeel waarvoor de leerling kiest. De klassenraad is verantwoordelijk voor het onderricht van een specifieke groep leerlingen, de beoordeling van hun vooruitgang op school, de beslissing over de overgang van elke leerling naar een hoger jaar en de uitreiking van attesten. (Omzendbrief SO 64). In een secundair-na-secundair worden de beslissingen van de delibererende klassenraad reeds genomen op het einde van het eerste semester indien de opleiding dan voltooid is. Indien de opleiding drie semesters duurt en dus doorloopt in het daaropvolgend schooljaar worden zij eerst dan genomen. Het maximum aantal dagen dat aan beoordeling van leerlingen mag besteden worden is 30 (= 60 halve dagen); voor scholen die het systeem van permanente beoordeling hebben ingevoerd enerzijds en voor de opleidingsvormen 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs anderzijds, is het maximum 9 (= 18 halve dagen). De geïntegreerde proef en de bekwaamheidsproeven die opgelegd worden door instanties, extern aan de instelling, met betrekking tot bepaalde technische of beroepsopleidingen (bvb. ADR-examen voor vrachtwagenchauffeur) vallen niet onder het opgegeven maximum aantal dagen.
5.16. Studievoortgang Elke klassenraad (zie 5.15.) heeft de delicate taak om op regelmatige tijdstippen een intellectuele en sociale beoordeling van elke leerling te maken en om de pedagogische conclusies te trekken die uit deze beoordeling voortkomen. Daarbij wordt mogelijke hulp gesuggereerd en, indien nodig, een (her)oriëntering. Verder heeft de klassenraad de taak om een gezamenlijke houding af te spreken voor elke leerling en aan het eind van het schooljaar de noodzakelijke beslissingen te nemen voor de overgang naar een hoger jaar en de uitreiking van een oriënteringsattest. De klassenraad kan zijn beslissingen baseren op onder meer de volgende factoren: ● ● ● ●
de vroegere schoolcarrière van elke leerling; de tussentijdse resultaten van het dagelijks werk, testen en examens; de informatie van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding; gesprekken met ouders en kinderen, indien nodig.
Er kunnen 3 soorten oriënteringsattesten worden uitgereikt: ● ●
een A-attest wanneer de leerling het jaar succesvol heeft doorlopen; een B-attest als de leerling wordt toegelaten tot het volgend jaar, maar waarbij sommige onderwijsvormen en/of richtingen zijn uitgesloten;
Secundair en post-secundair onderwijs / 210
●
een C-attest waardoor de leerling moet blijven zitten.
De beslissing kan ook worden uitgesteld en afhankelijk gemaakt van slagen in een herexamen. De beslissing ligt bij de betrokken personen (bv. bij B-attest kan/kunnen de leerling/ouders beslissen het leerjaar te herdoen). Een leerling delibereren, mag enkel op basis van studieresultaten, niet op basis van disciplinaire maatregelen. Leerlingen of hun ouders die een B- of C-attest willen betwisten, moeten dat doen binnen de drie dagen nadat ze de beslissing vernomen hebben. Een beroepscommissie beslist of de klassenraad opnieuw moet samenkomen. Een belangrijk probleem blijft dat van de mislukkingen. In te veel gevallen is het zittenblijven een te gemakkelijk alternatief voor een falend oriënteringsproces of het gevolg van een verkeerde studiekeuze. Verdere initiatieven omtrent het zittenblijven en mislukken op school zijn op til.
5.17. Studiebewijzen Naast de oriënteringsattesten die aan het eind van elk jaar van het secundair onderwijs worden opgelegd (zie 5.16.), kan de klassenraad het diploma secundair onderwijs (volgens de voorwaarden bepaald door het Decreet van 31 juli 1990) uitreiken op het eind van: ● ● ●
3e graad: het 2e leerjaar ASO, TSO, KSO, het 3e leerjaar BSO ingericht als specialisatiejaar, het 3e leerjaar BSO niet ingericht als specialisatiejaar (het zgn. naamloos 7e leerjaar); 4e graad BSO: het 1e of laatste leerjaar; bij het einde van de HBO-opleiding verpleegkunde.
Na het 1e leerjaar A en B kan ook een getuigschrift basisonderwijs verworven worden, voor leerlingen die dat nog niet zouden bezitten; na het beroepsvoorbereidend leerjaar, een gelijkwaardig getuigschrift. Er kunnen ook getuigschriften worden afgeleverd: ● ●
Na het beroepsvoorbereidend leerjaar en het 2e leerjaar van de 1e graad: het getuigschrift van de 1e graad van het SO. Na het 2e leerjaar ASO, TSO, KSO van de 2e graad: het getuigschrift van de 2e graad van het SO
In het beroepssecundair onderwijs kunnen de leerlingen naast oriënteringsattesten ook studiegetuigschriften verwerven na: ● ● ●
2e graad: het 2e en 3e leerjaar (ingericht als vervolmakingsjaar) 3e graad: het 2e en 3e leerjaar (ingericht als specialisatiejaar) 4e graad: het 2e leerjaar (Omzendbrief SO 64).
In een aantal leerjaren en onderwijsvormen moeten de leerlingen slagen in een geïntegreerde proef (GIP): ● ● ● ●
2e graad BSO: het 3e leerjaar ingericht als vervolmakingsjaar 3e graad TSO, KSO, BSO: het 2e leerjaar 3e graad BSO: het 3e leerjaar ingericht als specialisatiejaar 4e graad BSO: het 2e leerjaar (Omzendbrief SO 64)
De 3e graad: het 3e leerjaar ASO, KSO, ingericht als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs levert een attest van regelmatige lesbijwoning op.
Secundair en post-secundair onderwijs / 211
In elke studierichting van het 2e en 3e leerjaar van de 3e graad, alle onderwijsvormen, en in elk leerjaar van de 4e graad BSO kan een getuigschrift over basiskennis van het bedrijfsbeheer worden behaald. Het kan ook in het deeltijds beroepssecundair onderwijs (zie 5.20.1.1.) worden uitgereikt, mits de leerling - met uitzondering van de 1e graad - minstens 4 schooljaren in het secundair onderwijs (of in de leertijd) heeft doorgebracht. Vanaf 1 september 2008 startte een nieuw, rond competenties uitgewerkt, programma bedrijfsbeheer voor alle secundaire onderwijsinstellingen (Omzendbrief SO/2008/01) In het modulair beroepsonderwijs (zie 5.11.4.) leidt elke module tot een deelcertificaat en alle modules van een leertraject samen leiden tot een certificaat. In het modulair onderwijs leidt het voldaan hebben voor de eindtermen en het geslaagd zijn in de beroepsgerichte vorming, na een minimum aantal jaren secundair onderwijs te hebben doorlopen, tot een getuigschrift van de tweede graad, een studiegetuigschrift of een diploma van secundair onderwijs. In Se-n-Se van de 3e graad TSO, KSO kan een leerling een certificaat van een opleiding secundair-na-secundair (Se-n-Se) verwerven. Als de leerling de opleiding niet met vrucht heeft beëindigd of slechts gedurende een gedeelte van de voorziene duurtijd in de betrokken instelling heeft gevolgd ontvangt hij een oriënteringsattest C.
5.18. Begeleiding, beroepsvoorbereiding en relatie met de arbeidsmarkt We behandelen hier verschillende initiatieven inzake studie- en beroepsoriëntering, initiatieven ter stimulering van ondernemerschap, startbanenprojecten voor jongeren, werkplekleren, Regionale technologische Centra (RTC) en de Dienst Beroepsopleiding (DBO) en de samenwerking met de VDAB inzake het gebruik van hoogtechnologische apparatuur. Voor onderwijsbegeleiding kunnen leerlingen, ouders, leerkrachten en scholen beroep doen op CLB's, Centra voor Leerlingenbegeleiding (zie 4.15.2.). Zie ook 7.15., inzonderheid de competentieagenda en de sectorconvenants (zie 7.15.7.1.).
5.18.1. Studie- en beroepsoriëntering Inbreng CLB
In de vernieuwde opdracht krijgt het CLB een eerstelijnsrol te spelen op vlak van studie- en beroepsinformatie en het begeleiden van het keuzeproces (zie 4.15.2.). De CLB-sector heeft dan ook netoverschrijdend een aantal experten samengebracht rond onderwijsloopbaanbegeleiding. Zij werken samen met de VDAB in een task force om hun kennis en inspanningen in functie van een beter onderbouwde studiekeuze van de jongeren te bundelen. Een leidraad voor leerkrachten zal het materiaal en de instrumenten over studie- en beroepskeuze op een overzichtelijke wijze presenteren en tips verschaffen om in de klas met dat materiaal aan de slag te gaan. Op die wijze kunnen de leerkrachten hun leerlingen beter informeren over vervolgopleidingen en beroepsmogelijkheden. SID-in's
Elk jaar organiseren de CLB's en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming netoverschrijdende provinciale studie-informatiedagen (SID-in) om de laatstejaars secundair onderwijs kennis te laten
Secundair en post-secundair onderwijs / 212
maken met de studiemogelijkheden na het secundair onderwijs, een zo volledig mogelijk aanbod hoger onderwijs en de beroepssectoren. http://www.ond.vlaanderen.be/sidin/ Het beroepenhuis Gent
Het beroepenhuis wil jongeren van 11 tot 14 jaar laten kennismaken met vooral technische en praktische uitvoerende beroepen. Naast een website is er ook een doe-tentoonstelling in Gent, zie http://www.beroepenhuis.be/ Studiekeuzeproject "de wereld aan je voeten"
Het project “De wereld aan je voeten!” wil de instroom van jongeren in een wetenschappelijke of technologische opleiding verhogen en het (internationaal) ondernemerschap bij jongeren stimuleren. Het wordt gecoördineerd door de Koninklijke Vlaamse Ingenieursvereniging en ondersteund door de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming en de Vlaamse minister van Economie. Het project richt zich specifiek naar leerlingen uit de 3e graad ASO/TSO en hun leerkrachten en bestaat uit vier deelprojecten. Scholen bepalen zélf aan welke deelprojecten zij willen deelnemen, maar als ze de vier projecten uitvoeren in één schooljaar, krijgen zij een financiële tegemoetkoming van 1.000 euro voor de gemaakte kosten. De vier deelprojecten zijn: ● ● ● ●
een seminarie over mondialisering en de nood aan meer opgeleiden met wetenschappelijke en technische kennis; bedrijfscontact gericht op informatie over studiekeuze, loopbaan en jobinhoud; een webquest waarbij in groep wetenschappelijke en technologische processen en internationaal ondernemen worden gesimuleerd; een studiekeuzebegeleiding
http://www.dewereldaanjevoeten.be/ Sudiekeuze-instrument van de SERV
Voor de jongeren van 11 tot 13 jaar ontwikkelde de Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen (SERV) in 2008 een instrument dat hun studiekeuze kan ondersteunen. In ‘Wie wordt wat? Werk voor durvers’ verduidelijken de verschillende beroepssectoren naar welke beroepen de onderwijstrajecten leiden en welke competenties zij van de beroepsbeoefenaars verwachten. Het instrument is beschikbaar zowel op CD-rom als via de website http://www.durvers.be. Portfolio mijn leer- en arbeidsloopbaan
Een portfolio is een map waarin een lerende, werkende of werkzoekende bewijzen of zelfinschattingen van zijn of haar competenties en/of ervaringen bijhoudt. Met een talentontwikkelingsportfolio kunnen jongeren hun talenten inventariseren, evalueren en ontwikkelen. Ze krijgen immers een beter zicht op hun talenten en de mate waarin die aansluiten op de gevraagde competenties in vervolgonderwijs n/of op de arbeidsmarkt. ‘My digital me’ is een onlineportfolio om leerlingen te ondersteunen in hun leeren studiekeuzeproces http://www.my-digital-me.be/ het kwam tot stand binnen het project 'Mijn loopbaan', in samenwerking tussen de DBO (zie 5.18.5.2.) en de VDAB. Men heeft gestreefd naar een parallelle opmaak om de leerloopbaan en arbeidsloopbaan in kaart te brengen. Voor het arbeidsloopbaanbegeleidingsluik kan men terecht op http://www.vdab.be/loopbaanbegeleiding/ . Onderwijs- en opleidingsdatabanken
Het departement Onderwijs en Vorming geeft een overzicht van het onderwijsaanbod op http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsaanbod/ Het aanbod van de door de Vlaamse overheid gesubsidieerde opleidings- en vormingsaanbieders en een overzicht van de centra en organisaties vindt men op http://www.wordwatjewil.be/ Er zijn ook diverse regionale informatiepunten zoals de regionale opleidingsdatabank IVO voor OostVlaanderen http://www.ivo.be/
Secundair en post-secundair onderwijs / 213
Voor een overzicht van het aanbod van de niet-commerciële aanbieders van begeleidingstrajecten naar werk kan men terecht bij het SLN, Vlaams Steunpunt Lokale Netwerken, de koepelorganisatie van de 'derden' in Vlaanderen. http://www.sln.be/ (Voor de voorzieningen voor volwassenen: zie 7.15.).
5.18.2. Werkplekleren & stages Methodiek
Werkplekleren kan men omschrijven als een actief en constructief leerproces dat steunt op ervaring en plaatsvindt in een echte arbeidssituatie met de werkelijke problemen uit de (toekomstige) arbeidspraktijk als leerobject. In een advies hierover in 2007 heeft de VLOR er o.m. op gewezen dat twee leerwegen dienen te worden onderscheiden en gevolgd: ● ●
competenties verworven in een theoretische of praktische opleiding worden toegepast en verder verkend in een arbeidssituatie (bv. stage); competenties verworven in een arbeidssituatie, gaat men exploreren, theoretisch of praktisch verwerken en breder opentrekken in een formele opleiding (bv. stelsel leren en werken).
Werkplekleren is een essentiële component naast leren in het nieuwe stelsel leren en werken ter vervulling van het voltijds engagement in de deeltijdse leerplicht (zie 5.20.1.). Het is ook een methodiek, met verschillende werkvormen, die systematisch kan worden gebruikt in heel het secundair, hoger en volwassenenonderwijs, zowel voor leerlingen als voor leerkrachten., niet enkel voor technisch en beroepsonderwijs maar ook voor algemeen vormend onderwijs. Leerlingenstages en bedrijfsstages voor leerkrachten worden dan ook gestimuleerd. Momenteel bestaan er voor werkplekken diverse statuten, soorten vergoedingen en premies. Daarom zal gestreefd worden naar een vereenvoudiging van die statuten. Praktijkvoorbeelden van werkplekleren kan men raadplegen op: http://www.ond.vlaanderen.be/werkplekleren/praktijkvoorbeelden/ Een brochure 'Leidraad kwaliteitsvol werkplekleren' is te downloaden op: http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/?get=NIEUW&nr=318&i=175 Meer stages voor leerlingen
Vanaf september 2009 worden alle BSO- en TSO-leerlingen aangespoord op stage gaan in het zesde jaar, en leerlingen van het BSO ook zoveel mogelijk in het vijfde jaar. Stages omvatten ten minste één week op schooljaarbasis, wat overeenkomt met één uur op de lessentabel. Stages inrichten wordt aanbevolen, doch is vooralsnog geen afdwingbare maatregel. Voor opleidingen Se-n-Se en verpleegkunde HBO kan bezoldigde tewerkstelling als stage in aanmerking worden genomen. De afspraken rond werkplekleren worden geconcretiseerd in de sectorconvenants (zie 7.15.7.1.) en per jaar vastgelegd in kwantitatieve doelstellingen. SO/2002/09 Leerlingenstages in het voltijds SO (Bedrijfs)stages voor leerkrachten
Vanaf 1 september 2008 kunnen niet enkel leraren AV maar voortaan alle personeelsleden van het secundair onderwijs, uitgezonderd directeurs, adjunct-directeurs en het statutair meester- vak en dienstpersoneel van het GO! bedrijfsstages lopen. Het grootste struikelblok blijkt het vinden van een
Secundair en post-secundair onderwijs / 214
geschikte vervanger te zijn voor het personeelslid dat een bedrijfsstage loopt. Daarom werd de mogelijkheid gecreëerd om: ● ●
bedrijfsstages te lopen tijdens de vakantieperiode van de leerlingen, zodat geen vervanger nodig is; vervangers aan te stellen over een langere periode met een maximum van één schooljaar, zodat het gemakkelijker is een vervanger te vinden, daar deze werkzekerheid heeft voor een langere periode.
Goede praktijkvoorbeelden van bedrijfsstages voor leerkrachten vindt men op: http://www.ond.vlaanderen.be/werkplekleren/praktijkvoorbeelden/bedrijfsstages/ In het kader van de besparingen wordt het budget voor de vervangingseenheden beperkt en wordt ten opzichte van het aangewende aantal vervangingseenheden in het schooljaar 2008-2009 slechts een groei toegelaten van 20%. Tevens wordt de premie voor leerkrachten die een stage volgen tijdens de vakantie, afgeschaft vanaf 1 september 2010. Via het leerkrachtenstageforum kunnen leerkrachten zich kandidaat stellen voor een stageplaats en kunnen bedrijven, organisaties en intermediairen stageplaatsen aanbieden: http://www.ond.vlaanderen.be/leerkrachtenstageforum/ Leraren en docenten uit het secundair, het volwassenenonderwijs en de lerarenopleiding kunnen tussen februari 2009 en januari 2011 korte “snuffelstages” van 1 tot 3 dagen of “doestages” van 1 week volgen in bedrijven via het PROLERON-project (een Europees project voor Professionalisering van Leraren rond Ondernemerschap). Door de stage krijgen leraren en docenten meer voeling met het zelfstandige beroep en de dagelijkse realiteit in een bedrijf. Secundaire scholen kunnen tijdens de stageweek rekenen op vervanging. Naast het stageaanbod zal PROLERON ook geregeld nascholingen en workshops rond ondernemerschap aanbieden voor leraren, docenten en studenten van de lerarenopleiding. Zie http://www.ondernemendonderwijs.be Het VON, Vlaams Ondernemerschapsbevorderend Netwerk, is een initiatief van het Agentschap Ondernemen van de Vlaamse overheid. http://www.von-online.be/
5.18.3. Startbanenprojecten voor jonge schoolverlaters en werklozen Het startbanenproject startte in 1999 federaal en werd geleidelijk uitgebreid. De FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg financiert de startbanen. De projecten richten zich in het bijzonder tot laaggeschoolde (niet in het bezit van een diploma secundair onderwijs), allochtone en kansarme jongeren. Het Jo-Jo startbanenproject 'Scholen voor Jongeren, Jongeren voor scholen' omvat 3 deelprojecten. ●
●
Preventiemedewerkers Niet meer leerplichtige, laaggeschoolde jongeren onder de 26 jaar kunnen toegewezen worden aan secundaire GOK-scholen en BUSO-scholen in centrumsteden die type 1 OV3 aanbieden (met minstens 100 leerlingen) en aan Centra voor Deeltijdse Vorming om mee te werken aan een positief schoolklimaat en een beter contact tussen de leraren en de allochtone of kansarme gezinnen. Tijdens hun tewerkstelling wordt de jongeren de mogelijkheid geboden om bijkomende kwalificaties te behalen zodat zij een sterkere positie innemen op de arbeidsmarkt. Onderhoudsmedewerkers DBSO Jongeren die deeltijds secundair onderwijs volgen in de opleidingen onderhoud, decoratie, land- en tuinbouw kunnen toegewezen worden aan een scholengemeenschap van het basis en secundair onderwijs voor een tewerkstelling van één jaar. Secundair en post-secundair onderwijs / 215
●
Laaggeschoolde onderhoudsmedewerkers Niet meer leerplichtige, laaggeschoolde jongeren onder de 26 jaar die ingeschreven zijn als werkzoekende kunnen voor een jaar toegewezen worden aan een scholengemeenschap basis of secundair onderwijs voor het opknappen van klusjes.
http://www.ond.vlaanderen.be/jojo/ In het VeVe startbanenproject 'verkeersveiligheid' worden niet meer leerplichtige, laaggeschoolde jongeren onder de 26 jaar die ingeschreven zijn als werkzoekende tewerkgesteld bij steden, gemeenten, provinciebesturen of verkeersorganisaties om een verkeersveilige schoolomgeving te creëren en het school-woonverkeer veiliger te maken. Sinds 2007 worden binnen het VeVe-project ook 20 'schoolspotters' ingezet om het onveiligheidsgevoel van reizigers op het openbaar vervoer te verminderen. Antwerpen en Gent kunnen als grootstad aanspraak maken op 5 spotters, de centrumsteden maximum 2, andere steden of gemeenten slechts één. http://www.ond.vlaanderen.be/veve/
5.18.4. Stimulering van ondernemerschap ●
●
●
●
●
●
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming maakt samen met de Vlaamse minister van Economie en deze van Werk een strategisch plan ‘Ondernemend Onderwijs en Opleiding’ dat voorziet in een belangrijke taak voor SYNTRA Vlaanderen, nl. het stimuleren van ondernemerszin in onderwijs en opleiding. Sinds 2007 wordt jaarlijks een Ondernemersklasseweek voor alle onderwijsniveaus georganiseerd. (Daar namen in 2008 1020 scholen, 38 383 leerlingen en 4750 leerkrachten aan deel – Syntra Cahier 6). Jaarlijks wordt ook de ondernemingsplanwedstrijd 'Beloftevol ondernemer' georganiseerd voor de leerlingen van de 3e graad SO en cursisten in het volwassenenonderwijs. Tweejaarlijks zal een infomarkt 'ondernemerschap' plaats vinden rond projecten, methodieken en onderwijsmiddelen. In 2000 startte binnen de Koning Boudewijnstichting een toekomstverkennende commissie met het uittekenen van een nieuw perspectief voor technische en technologische beroepen en opleidingen 'Accent op talent'. Dat leidde tot verschillende projecten, proeftuinen en publicaties van ervaringen. N.a.v. de verkiezingen publiceerde de commissie een overzicht en perspectieven voor een talentenbeleid voor 2009-2014. http://www.kbs-frb.be/ Om het gebrek aan overzicht en de versnippering van het aanbod aan ondernemersvorming tegen te gaan werd Competento een nieuw virtueel Kenniscentrum rond ondernemerscompetenties opgericht; http://www.competento.be/Competentonew/Default.aspx (zie 7.4.3.) UNIZO (de Unie van Zelfstandige Ondernemers) organiseert tal van projecten om ondernemingszin en ondernemerschap in het onderwijs te stimuleren. Een overzicht daarvan geeft de website van de UNIZO Stichting Onderwijs & Ondernemen. http://www.ondernemendeschool.be/ Zie verder ook 7.15.7. voor competentieagenda en sectorconvenants.
Accent op talent 2009-2014: van onderwijsbeleid naar talentenbeleid Koning Boudewijnstichting
Secundair en post-secundair onderwijs / 216
5.18.5. Samenwerkingsverbanden onderwijs - arbeidsmarkt Zie ook de rol van de ERSV's, Erkende Regionale Samenwerkingsverbanden bij volwassenonderwijs en -opleidingen (7.15.1.); de Regionale Overlegplatformen voor het stelsel leren en werken (5.20.1.); de sectorcomités & commissies binnen de VLOR (2.7.2.1.) en de sectorconvenants (7.15.7.1.).
5.18.5.1. Regionale Technologische Centra (RTC)
RTC's, Regionale Technologische Centra zijn netoverschrijdende samenwerkingsverbanden tussen het onderwijs en het bedrijfsleven opgericht in 2000, die op provinciaal niveau acties ondernemen op vlak van infrastructuur, leerlingenstages en bedrijfsstages/nascholing voor leerkrachten. Hun werking werd uitgebreid naar het volwassenenonderwijs en in de toekomst zullen ze ook het hoger onderwijs moeten ondersteunen. (De vroeger DIVA vzw – zie vorige editie 7.15.8. van dit rapport - werd omgevormd tot het RTC-netwerk). Een RTC neemt concrete initiatieven inzake: ●
●
● ●
de onderlinge afstemming tussen onderwijsinstellingen en bedrijven inzake de vraag naar en het aanbod van hoogtechnologische infrastructuur, apparatuur en uitrusting voor technisch en beroepsonderwijs, die een pedagogisch-didactische rol kunnen vervullen; de onderling afstemming tussen onderwijsinstellingen en bedrijven inzake de vraag naar en het aanbod van werkplekleren; daartoe werden ook extra 'bruggenbouwers' bij de RTC's aangesteld (in elk RTC 2,5 voltijdsequivalente krachten), zij zullen ook de nodige contacten moeten leggen met de sectorconsulenten van de SERV; voor die bruggenbouwers wordt jaarlijks (voorlopig tot 2010) 900.000 euro uitgetrokken; het faciliteren of coördineren van nascholing op het vlak van nieuwe technologieën; de creatie van een platform voor uitwisseling van kennis en ervaring.
Elk RTC sluit een driejarige beheersovereenkomst met de Vlaamse Regering (momenteel 20082010), met inbegrip van een strategisch plan en een jaaractieplan. Dit geeft recht op een jaarlijkse werkingsenveloppe. Een RTC kan ook cofinanciering krijgen door RTC-projecten, van het bedrijfsleven en van de paritair beheerde opleidingsfondsen van de bedrijfssectoren. De jaaractieplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan een evaluatiecommissie samengesteld uit telkens één lid per pedagogische begeleidingsdienst, 2 onderwijsinspectieleden en 2 leden van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. Zie: http://www.ond.vlaanderen.be/rtc/ Sinds het schooljaar 2008-2009 staan de RTC's in voor de organisatie van de online examens voor het afleveren van een attest Basisopleiding Veiligheid, gezondheid en milieu Checklist Aannemers (BVCA-attest). Voor de doelgroep buitengewoon secundair onderwijs bepaalt de klassenraad in welk jaar de leerling het VCA-examen moet afleggen: het 4e, 5e of het ABO-jaar (zie 10.6.10.). Opleidingsinfrastructuur VDAB
Sinds 1 september 2008 stelt de VDAB (zie 7.5.2.) opleidingsinfrastructuur kosteloos ter beschikking aan alle leerlingen in het tweede en derde leerjaar van de derde graad TSO- en BSO (diverse studiegebieden) en aan leerlingen in het vijfde leerjaar van de beroepsopleiding BuSO. Scholen kunnen voor een periode van maximum 72 uur per leerling gebruik maken van de machines in de VDAB-competentiecentra, op momenten dat de centra zélf geen gebruik maken van de capaciteit. De VDAB neemt zowel de kost van het gebruik van de machines, de te verwerken materialen, als de
Secundair en post-secundair onderwijs / 217
aanwezigheid van een instructeur voor zijn rekening. De Regionale Technologische Centra (RTC) houden scholen op de hoogte van het beschikbare aanbod. Decreet van 14 december 2007 houdende de organisatie en werking van de regionale technologische centra
5.18.5.2. DBO, Dienst Beroepsopleiding
De DBO is een dienst van het departement onderwijs en vorming, een onderdeel van de entiteit Instellingen en Leerlingen Secundair Onderwijs en Volwassenenonderwijs. De DBO, Dienst Beroepsopleiding zorgt voor: ● ● ● ● ● ● ● ● ●
coördinatie tussen de verschillende administraties voor overkoepelende materies m.b.t. onderwijs en arbeidsmarkt contacten met andere beroepsverstrekkers: SYNTRA-Vlaanderen – VDAB – NGO's … contacten met werkgevers-, werknemers- en sectororganisaties opvolgen van adviezen SERV - VLOR … opvolgen convenants onderwijs-arbeidswereld opvolgen Vlaamse en Europese werkgelegenheidsrichtsnoeren opvolgen bespreking rond invulling 2de luik deeltijdse leerplicht en trajectbegeleiding in DBSO opvolgen Europese structuurfondsen met het oog op de realisatie van projecten. coördinatie ESF-projecten voor onderwijs.
Zie: http://www.ond.vlaanderen.be/dbo/ De dienst heeft ook een portaalsite leren en werken ontwikkeld: http://www.lerenenwerken-dbo.be
5.19. Privaat-onderwijs Zie 4.16..
5.20. Andere organisatievormen In deze sectie behandelen we het in 2008 vernieuwde stelsel van leren en werken (zie 5.20.1.) en de herstructurering van de opleidingen na het secundair onderwijs leidend tot een kwalificatieniveau 4 (SE-n-SE, secundair-na-secundair onderwijs – zie 5.20.2.) en kwalificatieniveau 5 (HBO5, hoger beroepsonderwijs – zie 5.20.3.). Voor onderwijs aan langdurig zieke kinderen zijn verschillende voorzieningen uitgebouwd die we elders behandelen: ziekenhuisscholen (zie 4.17.1.), tijdelijk onderwijs aan huis (zie 4.17.3.), permanent onderwijs aan huis (zie 10.6.4.) en jeugdpsychiatrische diensten (gesubsidiëerd als Diensten met Onderwijsbehoeften) (zie 4.17.2.). De kunstzinnige vorming die jongeren kunnen volgen in het deeltijds kunstonderwijs komt aan bod in 7.10.5..
Secundair en post-secundair onderwijs / 218
5.20.1. De stelsels van leren en werken Deze stelsels zijn toegankelijk voor jongeren die voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht en nog geen 25 jaar oud zijn. Jongeren zijn (sinds 1983) deeltijdse leerplichtig vanaf 15 jaar als ze de eerste twee leerjaren van het voltijds secundair onderwijs gevolgd hebben, anders vanaf 16 jaar (zie leerplicht 2.5.2.). De stelsels werden grondig hervormd door het decreet van 10 juli 2008 en omvatten het deeltijds beroepssecundair onderwijs (5.20.1.1.), de deeltijdse vorming met de persoonlijke ontwikkelingstrajecten (5.20.1.2.) en de leertijd (5.20.1.3.) die voortaan beter op elkaar zijn afgestemd. Centraal daarin staat een voltijds engagement van de jongere die wordt gescreend i.f.v. de verschillende mogelijke trajecten op weg naar arbeidsdeelname en vervolgens ook een permanente trajectbegeleiding krijgt. De leertijd realiseerde al eerder een voltijds engagement. Leertijdjongeren scoren ook goed op vlak van tewerkstelling. Het schoolverlatersonderzoek van de VDAB (2009) toont aan dat 90% van de leerjongeren na 1 jaar na afstuderen aan het werk was. Van de 10% die na 1 jaar nog werkzoekend was, had slechts 0,6% geen werkervaring opgedaan gedurende deze periode.
Voltijds engagement Jongeren die opteren voor een stelsel van leren en werken dienen zich voortaan voltijds te engageren voor een systeem met twee onlosmakelijk met elkaar verbonden componenten: leren en werkplekleren. Dat voltijds engagement is intussen ook in de leerplichtwet ingeschreven. Het staat gelijk met een weekinvulling van minimaal 28 uren van 50 minuten, niet toevallig hetzelfde minimum aantal uren dat het voltijds secundair onderwijs per week omvat. Aan voltijds engagement (met een component leren én een component werkplekleren) kan een jongere voortaan voldoen: ●
●
door deeltijds leren binnen een CDO, Centrum voor Deeltijds Beroepssecundaironderwijs te combineren met een component werkplekleren bestaande uit arbeidsdeelname of uit een persoonlijk ontwikkelingstraject, voortraject of brugproject. De aard van de arbeidsdeelname wordt bepaald door het CDO na overleg met de jongere (of zijn ouders indien minderjarig) en is ruim maar duidelijk omschreven in het decreet (art. 6) (5.20.1.1.); door in de leertijd (in KMO's) theoretische vorming (in een SYNTRA-campus) te combineren met een praktijkopleiding (via een leerovereenkomst bij een patroon). Enkel indien een leerovereenkomst wordt opgeschort of verbroken, kan werkplekleren in de leertijd ook onder vorm van een voortraject (5.20.1.3.).
(Werkplekleren wordt overigens ook buiten het stelsel van werken en leren gebruikt). Het is soms moeilijk werkplekleren vanaf de eerste schooldag te realiseren. Daarom mogen maximum 60 halve dagen per jongere en per schooljaar niet-ingevuld zijn voor het totaal van de periode tussen het sluiten en het inwerkingtreden van de overeenkomst + de periode waarin de jongere actief solliciteert met het oog op de invulling van de component werkplekleren. Daarnaast kan niet-invulling getolereerd worden tijdens de periode tussen de inschrijving en de screening (die maximaal 14-dagen duurt). Dat voltijds engagement zal ook gelden voor de +18-jarigen die zich inschrijven. De controle op het voltijdse engagement zal voor alle systemen worden aangestuurd vanuit het beleidsdomein Onderwijs en Vorming met een eenduidige gegevensregistratie en trajectopvolging. Tevens zal het gebrek aan motivatie bij jongeren preventief worden aangepakt i.s.m. de opleidingsverstrekkers en trajectbegeleiders en CLB's. De schooltoelagen die vanaf 2008-2009 zijn ingevoerd voor deeltijds lerenden zijn trouwens gekoppeld aan regelmatige aanwezigheid. Secundair en post-secundair onderwijs / 219
Inschrijvingsgeld In het (deeltijds)leerplichtonderwijs mogen geen directe of indirecte inschrijvingsgelden worden gevraagd (zie 5.8.).
Schooltoelage Ook leerlingen uit centra voor deeltijds onderwijs, centra voor deeltijdse vorming en de leertijd een schooltoelage krijgen, tot en met het schooljaar waarin zij 22 jaar worden (zie 5.9.). Ook hier is deze toelage gekoppeld aan een strenge controle op afwezigheden.
Voortrajecten en brugprojecten Jongeren die nog niet in staat zijn tot arbeidsgericht werken kunnen daarop voorbereid worden door hen een tijdelijk voortraject of brugproject te laten volgen. Als zelfs die stap te groot blijkt wordt de jongere een persoonlijk ontwikkelingstraject op maat aangeboden in een CDV, Centrum voor Deeltijdse Vorming (zie 5.20.1.2.). Daarom worden de jongeren vooraf grondig gescreend en wordt hun traject begeleid. Voortrajecten
Voortrajecten (ontstaan in 1997) zijn gericht op jongeren die nog geen duidelijk loopbaanperspectief hebben en nog geen keuze kunnen maken voor een of andere opleiding, ontoereikende arbeidsattitudes en vaardigheden hebben. De klemtoon in deze trajecten (een specifieke opleidingsen begeleidingsmodule) ligt op intake, diagnose en oriĂŤntering. Centra kunnen daartoe een onthaalgroep inrichten. De projecten worden gesteund door het ESF-Agentschap. De maximumduur dat een jongere een voortraject kan volgen is 312 uren, al dan niet onderbroken en al dan niet schooljaaroverschrijdend. Een jongere die voor de leeftijd van 18 jaar in een CDO/CDV of Syntra-campus is ingeschreven, kan in een voortraject participeren tot het einde van het schooljaar waarin zij/hij 19 jaar wordt. http://www.ond.vlaanderen.be/dbo/projecten/projecten_alternerend%20leren_voortrajecten.htm Brugprojecten
Dit is een vorm van arbeidsparticipatie ingevoerd in 1990 voor jongeren die wel arbeidsbereid zijn maar hun arbeidsgerichte attitudes en vaardigheden nog verder moeten ontwikkelen. In brugprojecten kunnen zij werkervaring opdoen gedurende 40 weken bij een openbaar bestuur of een vzw (derdenorganisaties met een rechtspersoonlijkheid). Ze krijgen dan een minimale maandelijkse leervergoeding van een 230 euro (niet-geĂŻndexeerd bedrag). De maximumduur dat een jongere een brugproject kan volgen is 800 uren, al dan niet onderbroken en al dan niet schooljaaroverschrijdend.
Secundair en post-secundair onderwijs / 220
Observatiestage
Een jongere kan eenmalig en gedurende maximum 2 dagen een observatiestage lopen in een brugproject of in arbeidsdeelname met het oog op eventueel latere tewerkstelling. Het betreft dan jongeren die op het vlak van werkplekleren nog niet structureel in die fase zijn beland, doch er kortstondig “kennis� willen mee maken. Voor die observatiestage moet de trajectbegeleider vanuit het CDO als regisseur optreden naar de jongere toe. http://www.ond.vlaanderen.be/dbo/projecten/projecten_alternerend%20leren_brug.htm Attestering
De verantwoordelijke organisator van een voortraject respectievelijk brugproject reikt aan een jongere die een voortraject of brugproject heeft gevolgd een attest van verworven competenties uit. In combinatie met de studiebekrachtiging DO is dit een vorm van portfolio voor de jongere.
Screening en trajectbegeleiding Trajectbegeleiding is erop gericht is jongeren actief te ondersteunen in de toeleiding naar de arbeidsmarkt. Het werd reeds in 2003 ingevoerd in het DBSO. Deze procesbegeleiding door trajectbegeleiders bestaat uit volgende fasen: 1) Intake & screening van de jongere in een CDO of bij een trajectbegeleider van Syntra voor de leertijd, binnen de 14 dagen na inschrijving. Deze zullen de jongere ook inschrijven als werkzoekende bij de VDAB. Meldt de jongere zich echter eerst aan in een CDV en schrijft hij zich vervolgens in een CDO, dan wordt hij door dat CDV gescreend, zij het dat een trajectbegeleider van het CDO en een afgevaardigde van het CLB medeverantwoordelijk zijn voor die screening. De screening heeft betrekking op arbeidsrijpheid, interesses, motivatie en eerder verworven competenties. Hoewel het resultaat van de screening op de component werkplekleren slaat, wordt de leercomponent bij screening niet buiten beschouwing gelaten. De middelen of methodieken voor de screening moeten, voor wat betreft de component werkplekleren, door de VDAB worden gevalideerd met het oog op kwaliteitsborging. Het resultaat van de screening wordt door de trajectbegeleider geregistreerd in een trajectvolgsysteem van de VDAB. Het resultaat is bindend en is een inschakeling van de jongere in hetzij arbeidsdeelname, een brugproject, een voortraject of een persoonlijk ontwikkelingstraject. Uit de screening kan ook volgen dat, met betrekking tot de component leren, de jongere een andere opleiding of vorm van onderwijs (buiten DO) wordt aanbevolen, zoals de leertijd of het buitengewoon onderwijs. 2) Op basis van de screening wordt binnen de maand en in overleg met de begeleidende klassenraad resp. het begeleidingsteam van de leertijd en het CLB een trajectbegeleidingsplan opgesteld, doorgepraat met de jongere en in een overeenkomst geformaliseerd. Bij inschaling in het persoonlijk ontwikkelingstraject wordt een trajectbegeleidingsplan opgesteld gezamenlijk door het CDV en de trajectbegeleider van het CDO, in overleg met de actoren die betrokken zijn bij de invulling van de component leren en de component werkplekleren. 3) Alle trajectadviezen worden tijdens een tweemaandelijks case-overleg tussen traject-begeleider, het CLB, zo nodig de VDAB en in voorkomend geval het CDV besproken en zo nodig bijgestuurd. De opeenvolgende fasen die de jongere in zijn traject doorloopt, worden geregistreerd in het trajectvolgsysteem van VDAB. In de loop van het proces kan trouwens beroep worden gedaan op de trajectbegeleiding van de VDAB. 4) Verworven competenties worden bijgehouden in een portfolio en meegenomen in het vervolg van het traject en uiteindelijk overgebracht naar de VDAB. Hiertoe wordt een samenwerkingsprotocol gesloten tussen het departement Onderwijs en Vorming, de VDAB, de onderwijskoepels en SYNTRA-Vlaanderen.
Secundair en post-secundair onderwijs / 221
Voor een overzicht van het aanbod van de niet-commerciële aanbieders van begeleidingstrajecten naar werk kan men terecht bij het SLN, Vlaams Steunpunt Lokale Netwerken, de koepelorganisatie van de 'derden' in Vlaanderen. http://www.sln.be/ Nascholing trajectbegeleiders
Er wordt slechts één vzw gesubsidieerd voor de nascholing van trajectbegeleiders en trajectbegeleiders Syntra Vlaanderen. Dat nascholingscentrum moet zijn werking openstellen voor alle centra binnen het stelsel van leren en werken.
Regionale overlegplatformen CDO's, CDV's en SYNTRA's dienen vanaf 1 januari 2009 te participeren aan de werkzaamheden van het handelingsgericht regionaal overlegplatform dat binnen elk RESOC-gebied (Regionaal SociaalEconomisch Overlegcomité) is opgericht (er zijn 15 RESOC-gebieden, zie ook 7.15.1.). Iedere scholengemeenschap zal contacten moeten onderhouden met minimaal één regionaal overlegplatform. Een regionaal overlegplatform is ten minste samengesteld uit één afgevaardigde van elk CDO, CDV, centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, lokaal klantencentrum van de VDAB (vertegenwoordigd door een VDAB-account leren en werken) uit het werkingsgebied van het RESOC, alsook één trajectbegeleider Syntra-Vlaanderen en één afgevaardigde van resp. de officiële CLB, de vrije CLB, het RESOC, het departement Onderwijs en Vorming en het departement Werk en Sociale Economie. Bevoegdheden ● ● ●
●
●
●
Bespreken van het regionale opleidings- en vormingsaanbod. Deskundigheid en knowhow benutten en uitwisselen. Bespreken van de toeleiding, oriëntering en doorverwijzing van jongeren naar en binnen het stelsel van leren en werken. Elke scholengemeenschap secundair onderwijs heeft ter zake een overlegplicht. Initiatieven nemen, inzonderheid bij de sociaal-economische actoren en de sociale partners, die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de realisatie van het principe van het voltijds engagement van elke jongere die opteert voor het stelsel van leren en werken. Kwalitatief en kwantitatief afstemmen van vraag en aanbod inzake persoonlijke ontwikkelingstrajecten, voortrajecten, brugprojecten en arbeidsdeelname tussen de CDO, de CDV, de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen en de organisatoren van voortrajecten, brugprojecten en arbeidsdeelname. Voor wat het luik arbeidsdeelname betreft, moet de uitoefening van deze bevoegdheid van het regionaal overlegplatform als een tweedelijnfunctie worden beschouwd. Bespreken van algemene maatregelen om problematische afwezigheden te bestrijden, zowel binnen de component leren als binnen de component werkplekleren.
Omzendbrief SO/2008/08, Stelsel van leren en werken
5.20.1.1. Deeltijds onderwijs (DO) in centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (CDO)
DO, deeltijds onderwijs is een onderdeel van de netgebonden onderwijsconstellatie en kan enkel worden georganiseerd in een autonoom CDO of een niet-autonoom CDO (= verbonden aan een onderwijsinstelling met voltijds gewoon TSO of BSO).
Secundair en post-secundair onderwijs / 222
Toelatingsvoorwaarden DO is toegankelijk voor jongeren die deeltijds leerplichtig zijn en kan worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin de jongere de leeftijd van 25 jaar bereikt. Een jongere kan niet tot een opleiding DO worden toegelaten als hij al in het bezit is van een eindstudiebewijs van dezelfde opleiding, behaald in het secundair onderwijs, in het volwassenenonderwijs of in de leertijd. Een jongere kan niet tot een module van een opleiding DO worden toegelaten als hij die module al met vrucht heeft gevolgd in het secundair onderwijs of in het volwassenenonderwijs. Medische geschiktheid kan nodig zijn voor bepaalde opleidingen omwille van de consumentenbescherming (contact met voedingswaren) of omwille van de beroepsuitoefening (bv. dakwerker). Inschrijven kan tot en met 31 januari en mits akkoord van het CDO zelfs later. Het CDO schrijft de jongere dan tevens in als deeltijds lerende bij de VDAB. Een CDO kan een inschrijving weigeren: 1) als de vooropgestelde maximumcapaciteit van het centrum wordt overschreden, 2) omdat de jongere specifieke noden zou hebben op vlak van onderwijs, therapie en verzorging en de draagkracht van het centrum onvoldoende is om daaraan tegemoet te komen, of 3) omdat de jongere eerder definitief werd uitgesloten. Weigering dient medegedeeld aan de voorzitter van het LOP (zie 10.5.3.1.6.).
Inhoud Algemene vorming
Voor jongeren die trajecten volgen die niet leiden tot een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of een diploma van secundair onderwijs, dient er enkel rekening mee gehouden dat algemene vorming en beroepsgerichte vorming voor een stuk geĂŻntegreerd worden aangeboden zodat de inhoudelijke voorwaarden die, vertrekkend vanuit de referentiekaders voor de beroepsgerichte vorming, impliciet ook betrekking hebben op die algemene vorming. Voor jongeren die, gezien hun aanleg en capaciteiten, trajecten volgen die wel leiden tot hogergenoemde studiebewijzen, moet de algemene vorming bovendien beantwoorden aan de voorwaarden van eindtermen en leerplannen teneinde te waarborgen dat het studiepeil gelijkwaardig is aan dat van het voltijds secundair onderwijs. Als vakgebonden eindtermen gelden de bestaande eindtermen voor de vakken van de basisvorming van het BSO, met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding. Als vakoverschrijdende eindtermen gelden de eindtermen respectievelijk van het BSO (zie 5.13.1. voor de eindtermen BSO). Beroepsgerichte vorming - modulaire opleidingen
De beroepsgerichte vorming van een modulair georganiseerde opleiding bevat ten minste ĂŠĂŠn erkende beroepskwalificatie. Tot zolang er geen erkende beroepskwalificatie bestaat, bepaalt de Vlaamse Regering het referentiekader waarvan de competenties voor de beroepsgerichte vorming van een modulair georganiseerde opleiding worden afgeleid. Voor een opleiding die zowel in het DO als in de leertijd voorkomt geldt dezelfde erkende beroepskwalificatie(s) of, bij ontstentenis, hetzelfde referentiekader. Beroepsgerichte vorming - lineaire opleidingen (overgangsperiode)
Voor de beroepsgerichte vorming wordt gewerkt met goedgekeurde opleidingskaarten die voor de opleidingsverstrekkers bindend zijn. In een opleidingskaart worden de minimale leerdoelen en inhouden van de opleiding in kwestie beschreven. Een opleidingskaart wordt opgemaakt door de VLOR en ter goedkeuring aan de overheid voorgelegd. Zolang dit laatste niet het geval is, hanteert de opleidingsverstrekker een eigen kaart waarin omschreven wordt welk het doel en het basispakket is van de opleiding. Secundair en post-secundair onderwijs / 223
OKAN, Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers
In deeltijds onderwijs kan onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers worden ingericht. Het is gericht op taalvaardigheid, inburgering en zelfredzaamheid. (Voor de criteria ter bepaling van anderstalige nieuwkomers, zie 10.7.1.).
Organisatie In DO komen geen graden, leerjaren of studiegebieden doch wel opleidingen voor. Tegen 2015 zal DO volledig modulair zijn. Elke opleiding zal dan uit een of meer modules bestaan. Eenzelfde module kan in verschillende opleidingen voorkomen. In hoofde van de jongere kan een opleiding starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren. Ook een module kan starten op elk ogenblik van het schooljaar, gespreid worden over een aantal dagen of weken, en zelfs schooljaaroverschrijdend zijn. Er wordt geen moduleduur vastgelegd, zodat een traject op maat van elke jongere kan uitgestippeld worden. Modules binnen modulaire opleidingen die zich sequentieel tot elkaar verhouden, moeten worden doorlopen in een welbepaalde volgorde zoals in de opleidingenstructuur zal worden bepaald. In afwachting van deze omschakeling blijven de CDO lineair werken. Binnen het lineair stelsel start een opleiding bij het begin van het schooljaar en wordt gespreid over een of meer schooljaren. Het deeltijds secundair onderwijs wordt 40 weken per jaar aangeboden met wekelijks 15 uren van 50 minuten algemene en beroepsgerichte vorming. De urenverdeling tussen algemene en beroepsgerichte vorming wordt aan het CDO overgelaten (in praktijk vaak 1 dag met 7 lesperioden algemene vorming, 1 dag met 8 lesperioden beroepsvorming). Hierop zijn een aantal afwijkingen mogelijk o.m. i.f.v. lokale omstandigheden. DO in de vorm van zeevisserijonderwijs wordt verstrekt gedurende ten minste 7 en ten hoogste 10 weken per schooljaar naar rata van minimaal 240 uren (van 50 minuten). De algemene en beroepsgerichte vorming wordt in het modulair onderwijs ingericht onder vorm van uren leren en werken. Het, in de overgangsperiode, niet-modulair onderwijs vindt plaats onder vorm van algemene, technische en praktische vakken (vakbenamingen idem voltijds secundair onderwijs) en, eventueel, seminaries. Een CDO kan ook samenwerken met een of meer andere instellingen die in de eigen gebouwen eigen materiële middelen én onderwijzend personeel ter beschikking stellen van het betrokken centrum: ●
●
een CDO kan zich beperken tot organisatie van de beroepsgerichte vorming en de algemene vorming laten verstrekken door een CDV. Het biedt als voordeel dat het programma DO wordt verenigd met de geëigende pedagogisch-didactische aanpak en cultuur van de CDV en zijn lesgevers; een CDO kan, voor de organisatie van de beroepsgerichte vorming, samenwerken met een instelling voor TSO of BSO, met een ander CDO, met een centrum voor volwassenenonderwijs (CVO) of met een centrum voor vorming van zelfstandigen en KMO. Het biedt als voordeel dat op de beroepsgerichte expertise en specifieke uitrusting van een andere instelling kan worden teruggevallen.
Beoordeling In het DO bepaalt de klassenraad de vorm waarin de jongere individueel wordt geëvalueerd en gaat daarbij na of hij in voldoende mate de module- of opleidingsdoelstellingen, naargelang van het geval, heeft bereikt om een door de Vlaamse Gemeenschap erkend studiebewijs te verwerven. Bij het nemen van evaluatiebeslissingen wordt er rekening gehouden met de concrete gegevens uit het dossier van de jongere, inzonderheid met de resultaten die voortvloeien uit de evaluatie van de jongere tijdens het schooljaar. Bij betwisting kan de jongere zich richten tot een beroepscommissie ingesteld door het centrumbestuur.
Secundair en post-secundair onderwijs / 224
Studiebewijzen Volgende studiebewijzen zijn mogelijk: ●
● ●
●
●
●
●
Attest van verworven competenties: indien de jongere hetzij een module van een modulaire opleiding niet met vrucht heeft gevolgd, hetzij een niet-modulaire opleiding niet met vrucht heeft gevolgd. Deelcertificaat: indien de jongere een module van een modulaire opleiding met vrucht heeft gevolgd. Certificaat: indien de jongere een modulaire of niet-modulaire opleiding met vrucht heeft gevolgd. Een attest van vrijstelling voor een of meer modules van een modulaire opleiding wordt gelijkwaardig beschouwd aan de deelcertificaten voor de desbetreffende modules, zonder dat de jongere deze deelcertificaten fysiek ontvangt. Getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs: indien de jongere ten minste één certificaat heeft behaald en in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming, en met uitzondering van de eerste graad ten minste twee schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd heeft doorgebracht. Studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs: indien de jongere ten minste één certificaat heeft behaald en in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming, en met uitzondering van de eerste graad ten minste vier schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd heeft doorgebracht. Diploma van secundair onderwijs: indien de jongere in het bezit is van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, ten minste één certificaat heeft behaald en in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming, en met uitzondering van de eerste graad ten minste vijf schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd heeft doorgebracht. Getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer: indien de jongere
○ met uitzondering van de eerste graad, ten minste 4 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd heeft doorgebracht, en
○ voldaan heeft aan de voorwaarden van basiskennis van het bedrijfsbeheer. Contracten voor arbeidsdeelname De jongeren kunnen aan het werk: ● ●
● ● ●
● ●
met een deeltijds arbeidscontract dat recht geeft op een minimumloon met een industrieel leercontract waarbij de werkgever zich engageert om de jongere op de werkvloer een opleiding te geven. De organisatie ervan gebeurt in de schoot van de paritaire leercomités, die een leerreglement opstellen, een type leercontract voorstellen en de eindproeven voor de jongeren organiseren). De opleidingsverantwoordelijke van het bedrijf stelt een leerprogramma op. De jongere heeft recht op een leervergoeding. met een startbaanovereenkomst (als ze in dienst treden bij een werkgever voor 1 januari van het jaar waarin ze 19 worden); als thuishelper (waarbij ze een familiale band moeten hebben met de zaakvoerder); met een opleidingscontract met de VDAB voor een IBO, individuele beroepsopleiding, waarbij de VDAB haar opleidingsopdracht uitbesteedt aan een bedrijf dat de werkzoekende de job aanleert op de werkvloer zelf; met een interimcontract van een uitzendkantoor een BIO, beroepsinlevingsovereenkomst met Vlaamse, provinciale en lokale overheden.
Secundair en post-secundair onderwijs / 225
Opleidings- en vormingsaanbod deeltijds beroepssecundair onderwijs (DO) Het DO omvat een geheel van opleidingen. De lijst wordt op macroniveau vastgelegd door de Vlaamse Regering. Op microniveau (= centrumbestuur) wordt, uitgaande van die lijst, het aanbod van een CDO geprogrammeerd. Op een tussenliggend of mesoniveau (scholengemeenschap, regionaal overlegplatform) wordt het lokale aanbod van een CDO richting gegeven. Macroniveau
De lijst is tijdelijk nog ingedeeld in rubrieken in afwachting van een omschakeling naar een modulaire organisatievorm. In 2015 dient het DO volledig modulair te zijn, dan zal het bestaan uit studiegebieden opgedeeld in modules). Tegen dan zal ook het volledig opleidingsaanbod geactualiseerd moeten zijn. Er loopt overigens al sinds september 2000 - net zoals in het voltijds beroepssecundair onderwijs een experiment met modulair onderwijs. De screening wordt uitgevoerd door een commissie samengesteld uit afgevaardigden van de overheid, de inrichtende machten en de beroepswereld en voorgezeten door de Dienst Beroepsopleiding. Na kennisname van het advies van de VLOR over de conclusies van die commissie, neemt de Vlaamse Regering een beslissing. De commissie behandelt ook initiatieven tot of voorstellen van nieuwe opleidingen. Mesoniveau
Bij programmatie van zijn opleidingsaanbod moet een centrum rekening houden met de bevoegdheden die aan de scholengemeenschappen secundair onderwijs en aan de binnen het stelsel van leren en werken fungerende regionale overlegplatformen zijn toegekend i.f.v. de uitbouw van een rationeel aanbod. Microniveau
Tot en met het schooljaar 2009-2010 kon het centrumbestuur, met in acht name van de bevoegdheden van scholengemeenschappen en regionale overlegplatformen, volledig autonoom het aanbod van het CDO vastleggen. Als bewarende maatregel in afwachting van de hervorming van het secundair onderwijs en als besparingsmaatregel heeft de decreetgever echter beslist om vanaf het schooljaar 2010-2011 een programmatiestop in te voeren. In vergelijking met het opleidingenaanbod van het schooljaar 2009-2010, mogen dus geen bijkomende opleidingen worden opgericht. Deze programmatiestop is niet absoluut. Voor uitzonderlijke gevallen kan de Vlaamse Regering op gemotiveerd verzoek van het centrumbestuur een afwijking toestaan. Voorafgaand aan haar beslissing wint de Vlaamse Regering het advies in enerzijds van de VLOR en anderzijds van het AGODI en de inspectie. De onthaalgroep
Een bijzondere opleiding in het DO is de “onthaalgroep�, gericht op jongeren die, om welke reden dan ook, nog geen duidelijke keuze kunnen formuleren voor een van de overige opleidingen. Een combinatie van deze opleiding met arbeidsdeelname is dan ook uitgesloten en zelfs een combinatie met een brugproject lijkt veeleer uitzonderlijk. De duur dat jongeren in een onthaalgroep zitten, dient beperkt te zijn en moet ofwel structureel vastliggen in de organisatie van het CDO, ofwel voor elke jongere individueel geregeld worden door de klassenraad. (De "onthaalgroep" mag niet verward worden met het persoonlijk ontwikkelingstraject georganiseerd door een CDV).
CDO, Centra voor Deeltijds beroepssecundair Onderwijs Het aantal CDO is als volgt geplafonneerd: Gemeenschapsonderwijs: 16, gesubsidieerd officieel onderwijs: 8, gesubsidieerd vrij onderwijs: 24. Voor het zeevisserijonderwijs geldt een aparte regeling: een dergelijk CDO (maximum 1 in elk van voormelde onderwijsnetten) is steeds verbonden aan een voltijds secundaire onderwijsinstelling met studiegebied maritieme opleidingen.
Secundair en post-secundair onderwijs / 226
Voor een CDO zijn er enkele bijzondere erkenningsvoorwaarden: ●
●
beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen inzake eindtermen en leerplannen voor zover de uitreiking wordt beoogd van eindstudiebewijzen die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs: indien een CDO voor bepaalde jongeren een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of een diploma van secundair onderwijs bereikbaar stelt, dan moeten daartegenover dezelfde kwaliteitsnormen als in het voltijds secundair onderwijs worden gehanteerd; samenwerken met ten minste één CDV met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten.
Voor een CDO gelden ook enkele bijzondere financierings- of subsidiëringsvoorwaarden: ●
●
maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren: hoewel het niet om een resultaatsverbintenis gaat, wordt van de CDO verwacht dat ze zich maximaal inzetten om, samen met andere betrokken partners, dit voltijds engagement waar te maken; deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer regionale overlegplatformen (zie 5.20.1.).
Elk CDO heeft een centrumraad. ●
●
Die telt ten minste 6 leden en dient paritair samengesteld uit afgevaardigden van het onderwijs, aangewezen door het centrumbestuur, en afgevaardigden van socio-economische organisaties. Een afgevaardigde van elk CDV waarmee het CDO samenwerkt en een afgevaardigde van het CLB maken raadgevend deel uit van de centrumraad. De centrumraad geeft voorafgaandelijk advies over het reglement, de organisatorische en materiële uitbouw, de pedagogische aanpak van het leerprogramma, de aanwending van de beschikbare middelen en de aansluiting op de arbeidsmarkt, inz. de aansluiting van de component leren op de component werkplekleren.
Elk CDO moet, behoudens tijdens de vakantieperiodes, altijd gedurende ten minste 9 halve lesdagen per week opengesteld zijn. Tijdens de periodes dat een jongere de component werkplekleren effectief invult, moet altijd een vertegenwoordiger van het CDO (dit hoeft niet per se een personeelslid te zijn) bereikbaar zijn.
Financiering De basiswerkingsmiddelen worden gefinancierd volgens het financieringsmodel voor het leerplichtonderwijs (zie 2.8.3.). Op de personeelsleden is de rechtspositieregeling van het onderwijs van toepassing. Vermits trajectbegeleiding een vorm van aanwending van uren-leraar is, wordt die begeleiding uitgeoefend vanuit het ambt van leraar (of godsdienstleraar); trajectbegeleider is dus geen afzonderlijk ambt. Er kunnen ook contractuele voordrachtgevers worden ingeschakeld. http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsaanbod/dbso/
5.20.1.2. Deeltijdse vorming door CDV, centra voor deeltijdse vorming
Persoonlijke ontwikkelingstrajecten voor jongeren met persoonlijke of sociale problemen in het deeltijds beroepsonderwijs kunnen enkel georganiseerd worden door een CDV, maar de jongeren kunnen enkel ingeschreven worden in een CDO. Daarom is samenwerking tussen beide essentieel.
Secundair en post-secundair onderwijs / 227
POT, Persoonlijke ontwikkelingstrajecten Persoonlijke ontwikkelingstrajecten dienen om jongeren die nog niet arbeidsgericht kunnen werken, toch te begeleiden naar een gekwalificeerd traject. Het zijn doorgaans maatschappelijk kwetsbare jongeren, waarvan de gedrags-, emotionele- en sociale problemen nog worden verscherpt door de omstandigheden waarin ze verkeren. Tijdens de persoonlijke ontwikkelingstrajecten tracht men hen inzicht te geven in de eigen situatie en de problematische situatie draaglijk te maken. Een persoonlijk ontwikkelingstraject is een flexibel traject; mogelijke combinaties zijn ● ● ●
een persoonlijk ontwikkelingstraject van 28 uren (van 50 minuten) dat de componenten leren en werkplekleren (géén arbeidsdeelname, brugproject of voortraject) omvat; een persoonlijk ontwikkelingstraject van 15 uren (van 50 minuten) dat de component leren omvat en gecombineerd wordt met een brugproject of voortraject; een persoonlijk ontwikkelingstraject van 13 uren (van 50 minuten) dat de component werkplekleren (géén arbeidsdeelname, brugproject of voortraject) omvat en gecombineerd wordt met DO in een CDO.
Toelatingsvoorwaarden Een jongere kan slechts een persoonlijk ontwikkelingstraject volgen na inschrijving in een bepaalde opleiding in een CDO. Het traject kan slechts gevolgd worden tot het einde van het schooljaar waarin de jongere zijn leerplicht beëindigt. Ingeval de jongere rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking zal komen is medische geschiktheid vereist.
Organisatie van een persoonlijk ontwikkelingstraject Voor de start van een persoonlijke ontwikkelingstraject moet er een gemotiveerd verslag worden geschreven. Dit gebeurt door een CLB-medewerker van het desbetreffend CDO en is een resultaat van de intake, de screening, de gegevens vanuit het CLB en, desgevallend, de gegevens van de klassenraad. Dit verslag geeft minstens weer welke vorm van persoonlijk ontwikkelingstraject gevolgd wordt en de startdatum. Minstens om de 2 maanden vindt een case-overleg plaats. De doelstelling is het evalueren van het traject van de jongere in functie van het voortzetten, het aanpassen of het stopzetten van het persoonlijk ontwikkelingstraject van die jongere. Een medewerker van het CLB, een medewerker van het CDV en een trajectbegeleider van het CDO zijn hierop aanwezig. Eventueel kan dit overleg uitgebreid worden met de organisator van een voortraject of brugproject indien de jongere een persoonlijk ontwikkelingstraject volgt gecombineerd met respectievelijk een voortraject of brugproject. Wijzigingen in het traject van een persoonlijk ontwikkelingstraject kunnen enkel na een case-overleg waarop alle betrokkenen aanwezig zijn. De beslissingen over het traject van de jongere dienen gezamenlijk genomen te worden. Indien er geen consensus is, dan heeft de medewerker van het CLB het laatste woord. Het einde van een persoonlijk ontwikkelingstraject kan enkel na een gezamenlijke beslissing op het case-overleg van de jongere. Indien er geen consensus is, dan heeft de medewerker van het CLB het laatste woord.
Studiebewijzen Aan een jongere die een persoonlijk ontwikkelingstraject heeft gevolgd, wordt door het CDV een attest van verworven competenties binnen een persoonlijk ontwikkelingstraject uitgereikt. Het attest vermeldt op gedetailleerde wijze de stappen van het persoonlijk ontwikkelingstraject die met vrucht werden doorlopen.
Secundair en post-secundair onderwijs / 228
CDV, Centra voor Deeltijdse Vorming Historiek
Deeltijdse vormingsprogramma's werden georganiseerd door diverse vzw's actief in het vormings- en het jeugdwerk. Tot 1 september 2003 vielen die CDV, Centra voor Deeltijdse Vorming onder de bevoegdheid van de Minister van Cultuur. Sindsdien onder de minister van Onderwijs en Vorming. De vorming omvatte persoonlijke en maatschappelijke vorming en arbeidsgerichte vorming. Erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden
De inrichters van persoonlijke ontwikkelingstrajecten worden niet als “onderwijsinrichters” gekwalificeerd en ze situeren zich niet binnen de netgebonden onderwijsconstellatie. Als centrumbestuur kan enkel een vzw in aanmerking komen die actief is in het jeugdwerk of het vormingswerk. In tegenstelling tot de CDO wordt geen maximum aantal CDV vastgelegd. Specifiek is ook dat de erkenning (die gelijk staat met subsidiëring) trapsgewijs verloopt: in eerste instantie de noodzakelijke overheidserkenning na advies van de erkenningscommissie en vervolgens het permanent beantwoorden aan een reeks erkenningsvoorwaarden. Voor een CDV gelden enkele bijzondere erkennings-/subsidiëringsvoorwaarden: ● ● ●
vanaf 1 september 2009 moet het samenwerken met ten minste één CDO met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten voor bepaalde jongeren van dat CDO het moet maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren vanaf 1 januari 2009 moet het deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer regionale overlegplatformen. Het platform is een constructie op meso-niveau die niet alleen de implementatie van het nieuwe stelsel van leren en werken in het algemeen maar ook specifieke zaken zoals de afstemming van vraag en aanbod inzake persoonlijke ontwikkelingstrajecten als opdracht heeft, steeds zonder te raken aan de bevoegdheden van de centrumbesturen.
Vormingsaanbod
Het aanbod van een erkend CDV kan slechts omvatten: ● ● ●
persoonlijke ontwikkelingstrajecten; algemene vorming binnen DO; ondersteuning van leerlinggebonden activiteiten in CDO (bv. activiteiten zoals het onthaal van instromers of time-in voor jongeren die dreigen uit te vallen).
Naar analogie met het regionaal opleidingsaanbod wordt het regionaal vormingsaanbod in het regionaal overlegplatform besproken. De organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten is inherent aan een CDV, over het andere aanbod beslist het centrumbestuur autonoom. Financiering
In tegenstelling tot de CDO verloopt de subsidiëring van de CDV niet afzonderlijk voor personeel en voor werking. Het toegekende budget moet dus zowel de personeels- als de werkingskosten dekken. Met betrekking tot de subsidiëring van persoonlijke ontwikkelingstrajecten en de berekening van de subsidieerbare deelnemersuren is er een overgangsregeling voor de schooljaren 2008-2009, 20092010 en 2010-2011. Het personeel van de CDV is contractueel aangesteld en ressorteert onder paritair comité nr. 329. De rechtspositieregeling in onderwijs is niet van toepassing. Dit is dan ook de reden waarom de verloning van het personeel wordt betoelaagd binnen een globale enveloppe die tevens de werkingskosten dekt.
Secundair en post-secundair onderwijs / 229
5.20.1.3. De leertijd, georganiseerd door SYNTRA Vlaanderen
De 'leertijd' is toegankelijk voor jongeren die aan de voltijdse leerplicht hebben voldaan en de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. De leertijd mag worden gevolgd tot het einde van het schooljaar waarin de jongere de leeftijd van 25 jaar bereikt. Een opleiding in de leertijd duurt in principe 3 jaar en minstens 1 jaar. Afhankelijk van leeftijd en vooropleiding is een kortere opleiding mogelijk. De leertijd omvat: â—? â—?
Een praktijkopleiding (4 dagen per week) in een onderneming, gegeven door de patroon of een door de patroon aangestelde monitor. Een theoretische vorming gedurende ten minste 30 weken per schooljaar met algemene vorming (minimum 4 uren per week) en beroepsgerichte vorming (minimum 4 uren per week). Eventueel aangevuld met taalcursussen of bijwerkingscursussen voor leerlingen met leerachterstand. Deze vorming wordt gegeven door lesgevers in een SYNTRA-campus, 1 dag per week (1,5 voor 15-jarigen).
De praktijkopleiding en de leerovereenkomst De praktijkopleiding omvat het sluiten van een leerovereenkomst tussen de leerling en het ondernemingshoofd door bemiddeling van de leertrajectbegeleider. Dit is een overeenkomst van bepaalde duur. Het ondernemingshoofd-opleider verbindt zich ertoe aan de leerling een beroep aan te leren, de leerling verbindt zich ertoe deze praktijk aan te leren onder leiding van het ondernemingshoofd-opleider, en daarnaast de nodige theoretische opleiding te volgen. Via een leerovereenkomst kunnen meer dan 200 beroepen worden aangeleerd. Als een ondernemingshoofd-opleider een opleiding wil geven aan een leerling over wie hij de ouderlijke macht of de voogdij uitoefent, volstaat een leerverbintenis van bepaalde duur van het ondernemingshoofd tegenover de leertrajectbegeleider. Duur
De leerovereenkomst is een voltijdse overeenkomst. De tijd die de leerling besteedt aan het volgen van de theoretische vorming en het deelnemen aan de bijbehorende examens en praktische proeven, wordt beschouwd als arbeidstijd. Voor de berekening van de arbeidstijd telt een les- of examenuur mee voor 60 minuten. De praktijkcommissie van SYNTRA bepaalt de duur van de praktijkopleiding in een onderneming per opleiding of groep van opleidingen in een beroep. De raad van bestuur bepaalt aan de hand daarvan de duur van de theoretische vorming per opleiding of groep van opleidingen in een beroep. De duur van de leerovereenkomst moet overeenstemmen met de duur van de opleiding in een beroep waarop de overeenkomst slaat. De duur mag niet minder dan een volledig cursusjaar en niet meer dan drie jaar bedragen. Proeftijd
De leerovereenkomst bevat een proeftijd waarin de leerling de gekozen opleiding en de opleidingsplaats beter kan leren kennen. Deze duurt resp. 1, 2, 3 maanden afhankelijk van een leerovereenkomst van resp. maximum 1 jaar, tussen 1 en 2 jaar, langer dan 2 jaar. Opleidings- en vormingsaanbod
Net zoals voor het deeltijds onderwijs wordt de lijst van opleidingen in de leertijd (meer dan 200) op macroniveau vastgelegd door de Vlaamse Regering. Ook hier worden alle bestaande opleidingen gescreend op basis van de omschakelingskalender door een commissie bestaande uit afgevaardigden van het departement Onderwijs en Vorming, de onderwijsinspectie, het Agentschap
Secundair en post-secundair onderwijs / 230
voor Onderwijsdiensten, deskundigen uit de beroepswereld. De commissie onderzoekt ook voorstellen tot nieuwe opleidingen. Het SYNTRA-opleidingsnetwerk werkt nauw samen met de professionele en interprofessionele organisaties en sectorfondsen voor de inhoudelijke uitbouw van haar opleidingen.
Financiële steun aan de cursisten Leerjongeren hebben recht op een leervergoeding, betaald door het ondernemingshoofd. Deze is afhankelijk van hun leeftijd en hun ervaring in het beroep. De leerling met een erkende leerovereenkomst is gelijkgesteld met een schoolgaande leerling. Daarom blijft het recht op kinderbijslag bestaan tot 25 jaar. Vanaf 1 september van het jaar waarin de leerling 18 jaar wordt, geldt wel als voorwaarde dat de leervergoeding niet hoger mag liggen dan de kinderbijslaggrens. Minimaal bedraagt de leervergoeding op 1 januari 2010:
Leertijd
-18 jaar
+ 18 jaar
1e jaar
€ 290,60
€ 387,47
e
€ 387,47
€ 435,90
e
€ 480,47
€ 480,47
2 jaar 3 jaar
Het ondernemingshoofd moet ook bijdragen in de verplaatsingskosten van de leerling voor woonwerkverkeer. Gemiddeld schommelt deze bijdrage rond 75% van de werkelijke vervoerprijs. Ook voor het volgen van de cursussen beroepsgerichte vorming kunnen de vervoerkosten van de leerling in zekere mate worden vergoed. Het ondernemingshoofd moet ook de nodige werk- en veiligheidskledij ter beschikking stellen. Vanaf het cursusjaar 2008-2009 kunnen ook leerlingen in de leertijd, tot 22 jaar een schooltoelage krijgen (zie 5.9.). Als de leerovereenkomst gesloten is voor het einde van de deeltijdse leerplicht kan een startbonus worden toegekend aan de leerling (op voorwaarde dat hij geslaagd is in het opleidingsjaar), een stagebonus aan het ondernemingshoofd-opleider (op voorwaarde dat de leerovereenkomst minstens 3 maanden heeft geduurd).
De theoretische vorming De theoretische vorming wordt gegeven in een centrum voor de vorming van zelfstandigen en kmo in een SYNTRA-campus (zie 7.5.3.). ● ● ●
●
De algemene vorming wordt verstrekt op basis van leerplannen goedgekeurd door de Vlaamse Regering. De beroepsgerichte vorming omvat technische leerinhouden en is aanvullend op en onlosmakelijk verbonden met de praktijkopleiding in de onderneming. De aanvullende taalcursussen zijn gericht op het verwerven van een basiskennis Nederlands voor anderstaligen of op het verwerven van een basiskennis van een vreemde taal om de omgang met het cliënteel te bevorderen. De bijwerkingscursussen zijn gericht op leerlingen met leerachterstand.
Opleidingsmethode ●
In de beroepsgerichte vorming wordt de "betogende praktijk" gehanteerd: men combineert praktische demonstratie met een denk- en leerproces dat door de leerlingen met behulp van de lesgever luidop doorlopen en gedemonstreerd wordt. In de beroepstechnische vorming Secundair en post-secundair onderwijs / 231
●
wordt door de lesgevers theoretische ondersteuning aangebracht m.b.t. het beroep dat de jongere aanleert op de werkvloer. In de cursus algemene vorming wordt via thematisch projectwerk en afzonderlijke trainingsmomenten voor taalen rekenvaardigheden gewerkt aan de persoonlijkheidsontwikkeling van de leerjongeren. Specifiek wordt gewerkt aan: een verantwoorde zelfontplooiing, een verantwoord familiaal en beroepsleven, burgerschap en wereldburgerschap.
Erg belangrijk is het takenboek. Hierin worden taken, opdrachten en lessen genoteerd die de leerling in de onderneming en de campus krijgt. Elke cursus van de theoretische vorming groepeert leerlingen van eenzelfde opleidingsjaar. Elke cursus beroepsgerichte vorming groepeert leerlingen van eenzelfde opleiding in een beroep of van een groep van verwante opleidingen in een beroep.
Begeleiding Leertrajectbegeleiders bepalen en begeleiden het opleidingstraject en het traject algemene vorming van de leerlingen verbonden door een leerovereenkomst, op basis van intake en screening (zie 5.20.1.). Zij begeleiden ook de patroons. De leertrajectbegeleiders sluiten een overeenkomst met de Praktijkcommissie van SYNTRA Vlaanderen en worden ook erkend en gecontroleerd door deze Praktijkcommissie. De pedagogische adviseurs van SYNTRA Vlaanderen zorgen voor de coördinatie van de pedagogische en didactische begeleiding van de leerlingen. Samen vormen de leertrajectbegeleider, de lesgevers algemene en beroepsgerichte vorming, de directeur van het centrum of zijn afgevaardigde, medewerkers van het CLB en de pedagogisch adviseur van SYNTRA Vlaanderen een begeleidingsteam. Dat volgt de vorderingen van de leerlingen tijdens de leertijd. Maandelijks is er begeleiding door de cellen leerlingbegeleiding. Voor probleemgevallen zijn er begeleidingsteams. Beroeps- en bezwaarprocedures komen terecht bij de leertijdadviseur en/of de praktijkcommissie. Meer en meer spelen ook de sectoren een toezichthoudende rol inzake opleiding in de bedrijven binnen hun sector. Sinds 2007 werkt SYNTRA Vlaanderen aan een sectoraal uitgebouwd begeleidingssysteem.
Beoordeling De algemene vorming wordt beoordeeld door een schriftelijk eindejaarsexamen (70%) en door tussentijdse beoordelingen (30%) die aan de hand van attitude, taken en toetsen de vorderingen van de leerling tijdens de lessen algemene vorming van het cursusjaar beoordelen. De praktijkopleiding en de beroepsgerichte vorming worden per opleidingsjaar beoordeeld door: ● ● ●
een praktische eindejaarsproef over de praktijkopleiding afgestemd op de desbetreffende beroepscompetenties (60%); een schriftelijk theoretisch eindejaarsexamen over de beroepsgerichte vorming (30%); tussentijdse beoordelingen die aan de hand van attitude, taken en toetsen de vorderingen van de leerling tijdens de lessen beroepsgerichte vorming van het cursusjaar beoordelen (10%).
De leerling die niet slaagt voor het examen van algemene vorming krijgt de gelegenheid in hetzelfde jaar te herkansen. Syntra Vlaanderen beslist of een niet-geslaagde leerling in hetzelfde jaar mag herkansen voor het examen beroepsgerichte vorming. Een herkansing in de praktijkproef kan slechts tijdens het volgende cursusjaar.
Studiebewijzen Vanaf 2009-2010 geldt een nieuwe regeling tengevolge van het nieuwe decreet van 10 juli 2008 voor het stelsel leren en werken. ●
Attest: indien de leerling een of meer opleidingsjaren heeft gevolgd en daarvoor geslaagd is.
Secundair en post-secundair onderwijs / 232
● ● ●
●
●
Certificaat: indien de leerling een opleiding met vrucht heeft gevolgd. Getuigschrift leertijd: indien de leerling alle opleidingen van een opleidingstraject met vrucht heeft gevolgd. Getuigschrift van de 2e graad van het secundair onderwijs: indien de leerling ten minste één certificaat heeft behaald, minstens 2 schooljaren secundair onderwijs of leertijd heeft gevolgd na de 1e graad secundair onderwijs en in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming. Studiegetuigschrift van het 2e leerjaar van de 3e graad van het secundair onderwijs: indien de leerling ten minste één certificaat heeft behaald, minstens 4 schooljaren secundair onderwijs of leertijd heeft gevolgd na de 1e graad secundair onderwijs en in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming. Diploma van secundair onderwijs: indien de leerling in het bezit is van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, ten minste één certificaat heeft behaald, minstens 5 schooljaren secundair onderwijs of leertijd heeft gevolgd na de 1e graad secundair onderwijs en in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming.
SYNTRA In de nieuwe beheersovereenkomst 2008-2010 die de Vlaamse Regering sloot met SYNTRA Vlaanderen werden een aantal concrete doelstellingen vastgelegd voor de leertijd. Zo moet bv. ● ● ● ● ●
gewerkt worden met actuele curricula en takenbladen, ontwikkeld door de sectorale adviseurs van SYNTRA Vlaanderen; geïnvesteerd worden in de opleiding van ondernemers-opleiders, lesgevers, leertrajectbegeleiders, leertijdverantwoordelijken; acties opgezet worden die het spijbelen en de uitval van leerlingen (verbreking, vroegtijdig uitstromen) tegengaan; het profiel van leerlingen en ondernemers-opleiders beter in kaart gebracht worden; gewerkt worden aan het dossier leren en werken en de afstemming tussen leertijd, deeltijds onderwijs en het vormingswerk.
Nascholing lesgevers & patroons
SYNTRA Vlaanderen organiseert voor de lesgevers een initiële bijscholing van 120 uur, waarbij de klemtoon ligt op pedagogisch-didactische elementen. Verder worden regelmatig periodieke bijscholingen georganiseerd waarbij de klemtoon ligt op vaktechnische elementen, of specifieke aspecten van de pedagogisch-didactische aanpak. Voor de patroons (die de leerjongere 4 dagen per week opleiden) bestaan de Estafette-opleidingen. Hierin wordt voornamelijk gefocust op instructies geven aan leerjongeren, coaching en conflicthantering. http://www.leertijd.be/ Daar kan ook de brochure 'Wegwijs in de leertijd" gedownload worden. BVR van 13 februari 2009 betreffende de leertijd, vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – SYNTRA Vlaanderen.
Secundair en post-secundair onderwijs / 233
5.20.2. Secundair-na-Secundair (Se-n-Se) Op 1 september 2009 zijn alle specialisatiejaren van de derde graad TSO en KSO omgevormd naar Se-n-Se met behoud van hun duurtijd (één jaar = twee aansluitende semesters).
Algemene doelstellingen De opleidingen secundair-na-secundair (Se-n-Se) zijn sterk beroepsgericht, leiden tot een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 4 die bestaat uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 4. Ze bevatten een relevant aandeel werkplekleren, leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene en/of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is. De opleidingen worden beschouwd als voltijds en hebben een duurtijd van 1, 2 of 3 semesters afhankelijk van de opleiding in kwestie. De opleidingen worden bekrachtigd met een certificaat. Se-n-Se en HBO5 bieden ook kwalificatiemogelijkheden aan werkenden en werkzoekenden. Duale trajecten zullen toelaten dat werkenden bepaalde competenties op de werkplek kunnen verwerven.
Inschrijvingsgeld en schooltoelage Deze zijn hetzelfde als voor het secundair onderwijs (zie 5.9.).
Studieaanbod Op termijn kunnen ook Se-n-Se aan het studieaanbod worden toegevoegd die één semester of drie aaneensluitende semesters bestrijken. Belangrijk is dat Se-n-Se kunnen starten zowel op 1 september als op 1 februari, afhankelijk van de beslissing van de inrichtende macht. Het wordt dus mogelijk om binnen eenzelfde schooljaar een Se-n-Se slechts één semester in te richten of te volgen, maar ook om eenzelfde Se-n-Se binnen eenzelfde schooljaar met een nieuwe leerlingencohorte terug aan te vatten. Jongeren die in een andere richting afhaken, die geen werk vinden of die bewust eerst wat werkervaring opgedaan hebben kunnen zo alsnog instappen.
Samenwerkingsverbanden Samenwerkingsverbanden zijn van cruciaal belang. Voor de organisatie van een Se-n-Se kan een instelling voor voltijds secundair onderwijs samenwerken met : ● ● ● ● ●
één of meer andere instellingen voor secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs of hogescholen; één of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen; één of meer sectoren van het beroep waartoe de Se-n-Se leidt; bedrijven of organisaties; een opleidingsinstelling van de politie of de brandweer (deze samenwerking kan uitsluitend voor de optie Integrale veiligheid van het technisch secundair onderwijs).
Dergelijke samenwerking moet toelaten om bijvoorbeeld expertise in te huren of gebruik te maken van up-to-date materiële en infrastructurele voorzieningen, maar ook om een deel van het opleidingsprogramma in de andere instelling te verstrekken. Het verstrekken van het opleidingsprogramma "in zijn totaliteit" blijft, het alleenrecht van de betrokken instelling voor voltijds secundair onderwijs, die ook de coördinerende instelling is. Uitsluitend de coördinerende instelling is bevoegd en verantwoordelijk voor inschrijving (steeds voor het geheel van de Se-n-Se) van leerlingen, programmatie, beoordeling, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg, terwijl op het vlak van financiering of subsidiëring enkel de vigerende decretale en regelgevende bepalingen van de coördinerende instelling van toepassing zijn.
Secundair en post-secundair onderwijs / 234
Decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair-na-secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs
5.20.3. Hoger beroepsonderwijs (HBO5) Op 1 september 2009 werd het hoger beroepsonderwijs (HBO5) ingevoerd. Hierin worden de opleidingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie (HOSP) en de opleiding verpleegkunde uit de 4e graad beroepssecundair onderwijs ondergebracht. (Decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair-na-secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs. & het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II – zoals gewijzigd). Door het niet aanwezig zijn van ingeschaalde beroepsprofielen, beroepskwalificaties onderwijskwalificaties konden er nog geen nieuwe HBO5 opleidingen starten in 2009-2010.
en
Algemene doelstellingen Het HBO5 biedt kansen voor leerlingen (in deze opleidingen ‘cursisten’ genoemd) die na het secundair onderwijs via korte opleidingen een beroepskwalificatie van niveau 5 (volgens het Vlaamse en ook volgens het Europese raamwerk) willen verwerven. Deze opleidingen leiden tot een graduaatsdiploma van kwalificatieniveau 5. De studieduur bedraagt 6 semesters. HBO5 biedt ook kwalificatiemogelijkheden aan werkenden en werkzoekenden. Het zal daarom mogelijk zijn korte en flexibele trajecten te volgen. Duale trajecten zullen toelaten dat werkenden bepaalde competenties op de werkplek kunnen verwerven. Het HBO5 wil ook een opstap naar een professionele bachelor vormen, de opleidingen moeten daartoe ook vervolgtrajecten naar relevante bachelors garanderen.
Soorten opleidingen en instellingen De opleidingen situeren zich op niveau hoger onderwijs en worden ingericht door centra voor volwassenenonderwijs en hogescholen; met uitzondering van de opleiding verpleegkunde (voorheen 4e graad BSO) die enkel wordt ingericht door instellingen voor voltijds secundair onderwijs. De opleiding verpleegkunde behoudt de studieduur van 6 semesters en wordt tot en met het schooljaar 2011-2012 modulair georganiseerd (zie 5.11.4.). Een onderwijsinstelling kan voor de organisatie van de opleiding verpleegkunde samenwerken met andere instanties (voor de bepalingen terzake, zie 5.20.2.). De opleidingen van het hoger beroepsonderwijs van het volwassenenonderwijs (vastgelegd bij het decreet van 15 juni 2007) en de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs waarmee deze zijn geconcordeerd, worden ingericht door de centra voor volwassenenonderwijs (zie 7.10.1.3.). De Vlaamse Regering zal een register aanleggen van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs. Nieuwe opleidingen HBO5 dienen eerst een macrodoelmatigheidstoets (door de Commissie Hoger Beroepsonderwijs) en een toets nieuwe HBO5-opleiding (door het accreditatieorgaan) met positief gevolg te doorstaan. Het evaluatiekader omvat de volgende criteria : ●
de onderwijsinhoud, die omvat in ieder geval het kwalificatieniveau van de opleiding, de competenties die in de opleiding worden behaald (waarin ten minste alle competenties zijn vervat van de onderwijskwalificatie waartoe de opleiding leidt), voldoende samenhang in het opleidingsprogramma, de studieomvang van de opleiding en de onderdelen ervan uitgedrukt
Secundair en post-secundair onderwijs / 235
●
in studiepunten, een duidelijke relatie tussen de doelstellingen en de inhoud van het opleidingsprogramma en een relevant aandeel werkplekleren; het onderwijsproces, dat omvat in ieder geval:
○ de aangewezen trajecten om in te stromen in de opleiding, ○ de mogelijke verkorte of aangepaste trajecten in de opleiding van het HBO5, ○ de mogelijke verkorte of aangepaste trajecten in aansluitende opleidingen in het hoger onderwijs,
○ voldoende studiebegeleiding en inzichtelijke evaluatie en toetsing van het onderwijs, ○ een flexibele organisatie van de opleiding; ten minste de inhoud en de organisatie van ●
●
het programma moeten goed aansluiten bij de beoogde doelgroep; de uitkomst van het onderwijs, dit omvat in ieder geval voldoende maatschappelijke relevantie van de bereikte kwalificaties van afgestudeerden van de opleiding en voldoende rendement van de opleiding; de materiële voorzieningen, de kwaliteit van het personeel, de organisatie en de interne kwaliteitszorg.
Toelatingsvoorwaarden Tot de opleiding verpleegkunde & het hoger beroepsonderwijs georganiseerd door de CVO heeft men toegang (na te hebben voldaan aan de deeltijdse leerplicht) met een studiegetuigschrift 2e leerjaar van de 3e graad van het SO, een diploma SO, een certificaat van een opleiding secundair volwassenenonderwijs van minimum 900 lestijden, een diploma HOSP, een diploma van het hoger beroepsonderwijs, een diploma van hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, een diploma van bachelor of master, of via een door het centrum georganiseerde toelatingspoef.
Inschrijvingsgeld en studietoelage Deze zijn afhankelijk van het niveau van de organiserende instelling (secundair, volwassenenonderwijs, hoger onderwijs, zie 5.8., 5.9., 6.7., 6.8., 7.8.1., 7.9.1.). Voor de cursisten in de opleiding verpleegkunde geldt geen leeftijdsbeperking.
Kwaliteitszorg Net zoals in het hoger onderwijs omvat de kwaliteitszorg een interne en een externe kwaliteitszorg, deze laatste bestaande uit de visitatie en de accreditatie. De instellingen die opleidingen van het hoger beroepsonderwijs aanbieden dienen te zorgen voor een interne kwaliteitszorg m.b.t. die opleidingen. De visitatie vindt ten minste om de 8 jaar plaats en wordt uitgevoerd door een visitatiecommissie, samengesteld door de VLHORA (later de VLUHR) en de stuurgroep volwassenenonderwijs (zie 9.3.3.2.). De visitatie wordt uitgevoerd, per opleiding hoger beroepsonderwijs of per cluster van opleidingen voor alle instellingen die de opleiding of de cluster van opleidingen organiseren. De VLHORA en de stuurgroep volwassenenonderwijs bepalen die clusters in overleg met de inspectie. In elk geval worden opleidingen geclusterd binnen eenzelfde studiegebied. De visitatie resulteert in een openbaar visitatierapport. De visitaties worden gecoördineerd door de VLHORA en de stuurgroep volwassenenonderwijs. Ze verlopen op grond van een protocol van kwaliteitszorg dat door de inspectie, de VLHORA, de stuurgroep en het accreditatieorgaan, wordt vastgelegd en openbaar gemaakt, en dat is afgestemd op door de Vlaamse Regering vastgelegde criteria van het evaluatiekader voor opleidingen hoger beroepsonderwijs. Op basis van het visitatierapport kan een accreditatie worden verleend door het accreditatieorgaan, de NVAO, de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (zie 9.4.2.4.).
Secundair en post-secundair onderwijs / 236
Samenwerkingsverbanden Samenwerkingsverbanden zijn van cruciaal belang. Een instelling van het voltijds secundair onderwijs, een centrum voor volwassenenonderwijs of een hogeschool kan voor de organisatie van een opleiding hoger beroepsonderwijs samenwerken met: ● ● ● ●
één of meerdere onderwijsinstellingen; één of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen; één of meer sectoren van het beroep waartoe de opleiding leidt; bedrijven of organisaties.
Binnen dat samenwerkingsverband wordt steeds één onderwijsinstelling aangewezen als coördinerende instelling. Uitsluitend de coördinerende instelling is bevoegd en verantwoordelijk voor programmatie, beoordeling, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg. Onderwijsinstellingen of publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen binnen een samenwerkingsverband, buiten de coördinerende instelling, kunnen slechts onderdelen van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs inrichten. Ingeval van opleidingen hoger beroepsonderwijs van het volwassenenonderwijs (zie 7.10.1.3.) is de coördinerende instelling een centrum voor volwassenenonderwijs. Ingeval van de HBO5-opleiding verpleegkunde is de coördinerende instelling een instelling van het voltijds secundair onderwijs.
Commissie Hoger Beroepsonderwijs Deze commissie adviseert inzake de voorstellen voor onderwijskwalificaties binnen de kwalificatiestructuur (zie 2.3.5.) over volgende aspecten: ● ● ●
●
de wenselijkheid, de frequentie en de regionale spreiding van een aanbod van nieuwe opleidingen hoger beroepsonderwijs die leiden tot die onderwijskwalificatie; de studieomvang van de opleidingen hoger beroepsonderwijs die leiden tot die onderwijskwalificatie, uitgedrukt in studiepunten; de omzetting van studiepunten in lesuren of lestijden voor de HBO5-opleidingen verpleegkunde, respectievelijk de opleidingen HBO5 van de centra voor volwassenenonderwijs; de benamingen van de opleidingen in het hoger beroepsonderwijs en het studiegebied waartoe een opleiding behoort.
De commissie adviseert ook over de macrodoelmatigheid van een nieuwe opleiding en verleent haar akkoord of niet-akkoord over de samenstelling van de visitatiecommissies. De commissie bestaat uit deskundigen inzake: ● ● ● ● ●
de beroepsgerichte opleidingen in het secundair onderwijs, het hoger beroepsonderwijs in het volwassenenonderwijs, de professionele bachelors, de opleidingen van de publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen, arbeidsmarktregie.
De commissie wordt aangevuld met wisselende leden die de sector of sectoren vertegenwoordigen van het beroep waartoe de opleiding hoger beroepsonderwijs leidt.
Evaluatie van het opleidingssysteem Uiterlijk in 2013 wordt de evaluatie van het hoger beroepsonderwijs opgestart.
Secundair en post-secundair onderwijs / 237
5.21. Statistieken Aantal leerlingen in het gewoon secundair onderwijs
436 146
Aantal leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs
18 548
Bestuurs- en onderwijzend personeel gewoon secundair onderwijs (aantal budgettaire full-time equivalenten)
62 891
Bestuurs- en onderwijzend personeel buitengewoon secundair onderwijs (aantal budgettaire full-time equivalenten)
6 242
Kostprijs per student gewoon secundair onderwijs
7 383
Kostprijs per student buitengewoon secundair onderwijs
16 421
Onderwijsbegroting gewoon secundair onderwijs (2009)
3 283 365 000
Onderwijsbegroting buitengewoon secundair onderwijs (2009)
304 256 000
Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
5.21.1. Secundair onderwijs Aantal leerlingen in het gewoon secundair onderwijs Secundair onderwijs
Algemeen
Technisch
Kunst
Beroeps
Totaal
331
331
4 graad modulair ond.
4 693
4 693
2°, 3e graad modulair ond.
2 315
2 315
4e graad e
3e graad
54 440
48 688
3 231
41 688
148 047
e
62 772
44 455
2 960
31 803
141 990
e
e
Beroepsvoorbereidend jaar 12 731
136 931
2 graad 1 graad
2 leerjaar 1e leerjaar A
56 244 59 015
Onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers Totaal gewoon secundair onderwijs
1e leerjaar B
8 941 1 839 436 146
Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009 Het aantal leerlingen in de opleiding verpleegkunde (4e graad BSO) bedroeg 79 in het lineair systeem, 4 693 in het modulair systeem.
Secundair en post-secundair onderwijs / 238
Aantal leerlingen secundair onderwijs verdeeld over de netten in %
Onderwijsnet
Gewoon onderwijs
Buitengewoon onderwijs
16,6%
23,1%
7,9%
13,0%
75,5%
63,9%
GO! onderwijs Vlaamse Gemeenschap Gesubsidieerd officieel onderwijs Gesubsidieerd vrij onderwijs Bron: Vlaams onderwijs in beeld 2008-2009
Aantal scholen secundair onderwijs en centra deeltijds onderwijs Soort instelling
Gewoon onderwijs
Buitengewoon onderwijs
Totaal
953
112
1 065
Scholen met type 5
-
4
4
Scholen met enkel jongens
3
2
5
Centra Deeltijds Onderwijs
48
1
49
Secundair onderwijs
Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Aantal CDV's, centra voor deeltijdse vorming: 6 (21 vestigingsplaatsen) Aantal persoonlijke ontwikkelingstrajecten 13 -urentraject
15 -urentraject
28 -urentraject
Totaal aantal POTs
282
104
780
1166
Secundair en post-secundair onderwijs / 239
Evolutie van het aantal leerlingen in het secundair onderwijs Secundair onderwijs
Gewoon
Buitengewoon
Totaal
Verhouding t.o.v. 1995-1996 Schooljaar
Absoluut
Procent
Absoluut
Procent
Absoluut
Procent
1995 - 1996
435 436
100,00
15 357
100,00
450 793
100,00
1996 - 1997
432 227
99,26
15 548
101,24
447 775
99,33
1997 - 1998
426 220
97,88
15 647
101,89
441 867
98,02
1998 - 1999
420 366
96,54
15 659
101,97
436 025
96,72
1999 - 2000
415 253
95,36
15 774
102,72
431 027
95,62
2000 - 2001
413 343
94,93
15 763
102,64
429 106
95,19
2001 - 2002
414 079
95,10
16 084
104,73
430 163
95,42
2002 - 2003
419 379
96,31
16 402
106,80
435 781
96,67
2003 - 2004
427 922
98,27
16 792
109,34
444 714
98,65
2004 - 2005
435 048
99,91
17 393
113,26
452 441
100,37
2005 - 2006
439 550
100,94
17 801
115,91
457 351
101,45
2006 - 2007
439 338
100,90
18 189
118,44
457 527
101,49
2007 - 2008
438 315
100,66
18 263
118,92
456 578
101,28
2008 -2009
436 146
100,16
18 548
120,78
454 694
100,87
Schooljaar
OKAN (*)
1e graad
ASO
TSO
KSO BSO (**)
Totaal
1995 - 1996
364
141 347
117 276
91 696
5 239
79 514
435 436
1996 - 1997
414
137 489
117 154
91 833
5 223
80 114
432 227
1997 - 1998
429
133 870
115 593
91 506
5 117
79 705
426 220
1998 - 1999
606
133 332
112 626
90 301
5 093
78 408
420 366
1999 - 2000
947
134 725
109 821
88 826
4 816
76 118
415 253
2000 - 2001
1 597
136 051
108 307
88 131
4 663
74 594
413 343
2001 - 2002
1 810
138 101
107 243
87 890
4 782
74 253
414 079
2002 - 2003
1 897
141 606
107 519
88 343
5 018
74 996
419 379
2003 - 2004
1 879
144 970
109 896
89 127
5 446
76 604
427 922
2004 - 2005
1 695
146 257
112 951
90 452
5 555
78 138
435 048
2005 - 2006
1 684
145 192
116 265
91 554
5 694
79 161
439 550
2006 - 2007
1 535
141 244
118 226
92 885
5 753
79 695
439 338
2007 - 2008
1 673
137 942
118 586
93 941
6 023
80 150
438 315
2008 - 2009
1 839
136 931
117 212
93 143
6 191
80 830
436 146
(*) OKAN Onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers (**) BSO incl. 4e graad en modulair onderwijs Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Secundair en post-secundair onderwijs / 240
Aantal leerlingen in het Deeltijds BeroepsSecundair Onderwijs : 6 935
Schoolse vertraging/voorsprong in het gewoon secundair onderwijs per graad en onderwijsvorm (anderstalige nieuwkomers, modulair onderwijs, derde leerjaar van de derde graad, vierde graad zijn niet inbegrepen in de cijfers) Leerlingen met Belgische nationaliteit voorsprong op leeftijd achterstand aantal jaar >1 1 0 1 2 1ste graad 1ste leerjaar 1ste leerjaar A 1ste leerjaar B Totaal 1ste leerjaar 2de leerjaar 2de leerjaar (A-stroom) Beroepsvoorbereidend leerjaar Totaal 2de leerjaar Totaal 1ste graad
Totaal >2
17 17
854 854
47 710 3 905 51 615
7 286 3 734 11 020
694 242 936
31 12 43
56 592 7 893 64 485
13 1 14 31
770 4 774 1 628
45 009 5 080 50 089 101 704
7 127 5 298 12 425 23 445
940 901 1 841 2 777
72 39 111 154
53 931 11 323 65 254 129 739
Totaal 2de graad
7 2 9
1 194 71 14 11 1 290
53 344 28 317 1 598 11 927 95 186
5 534 11 647 908 12 494 30 583
634 2 327 272 3 628 6 861
87 415 58 680 1 240
60 800 42 779 2 850 28 740 135 169
Totaal 3de graad
17 17
958 85 17 17 1 077
44 836 27 135 1 600 12 132 85 703
6 260 13 666 936 12 121 32 983
824 3 723 339 3 507 8 393
126 895 104 913 2 038
53 021 45 504 2 996 28 690 130 211
Algemeen totaal
57
3 995
282 593
87 011
18 031
3 432
395 119
2de graad ASO TSO KSO BSO
3de graad ASO TSO KSO BSO
Bron: Statistisch jaarboek 2008-2009
Secundair en post-secundair onderwijs / 241
Leerlingen met vreemde nationaliteit voorsprong op leeftijd achterstand >1 1 0 1 2 1ste graad 1ste leerjaar 1ste leerjaar A 1ste leerjaar B Totaal 1ste leerjaar 2de leerjaar 2de leerjaar (A-stroom) Beroepsvoorbereidend leerjaar Totaal 2de leerjaar Totaal 1ste graad
Totaal >2
1 1
26 1 27
1 116 371 1 487
913 527 1 440
329 124 453
38 25 63
2 423 1 048 3 471
2 2 3
12 12 39
960 335 1 295 2 782
887 729 1 616 3 056
376 309 685 1 138
76 35 111 174
2 313 1 408 3 721 7 192
Totaal 2de graad
1 1
23 2 2 27
882 448 25 522 1 877
677 623 45 1 237 2 582
322 437 29 883 1 671
68 166 11 418 663
1 972 1 676 110 3 063 6 821
Totaal 3de graad
2 2
13 4 2 1 20
556 335 24 335 1 250
515 496 42 831 1 884
223 362 28 654 1 267
65 205 17 440 727
1 372 1 402 113 2 263 5 150
Algemeen totaal
6
86
5 909
7 522
4 076
1 564
19 163
2de graad ASO TSO KSO BSO
3de graad ASO TSO KSO BSO
Bron: Statistisch jaarboek 2008-2009
5.21.2. Leertijd Leertijd - aantal cursussen, lesuren en cursisten Maatschappijgerichte vorming
Beroepskennis
Cursusjaar
Cursussen
Lesuren
Cursisten
Cursussen
Lesuren
Cursisten
2004-2005
438
46 103
5 170
1 085
67 202
5 322
2005-2006
404
43 657
5 406
1 308
98 076
5 796
2006-2007
336
37 152
4 799
1 206
96 467
5 142
2007-2008
287
34 232
4 799
1 235
95 311
5 085
45 791
4 262
102 510
4 520
2008-2009
Bron: SYNTRA Vlaanderen; Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Secundair en post-secundair onderwijs / 242
Leerovereenkomsten en –verbintenissen onder toezicht op 31 december 2004
4 543
onder toezicht op 31 december 2005
4 296
onder toezicht op 31 december 2006
4 202
onder toezicht op 31 december 2007
4 037
onder toezicht op 31 december 2008
3 640
Bron: SYNTRA Vlaanderen; Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
5.21.3. Internaten
Internaten op 1/2/2009
Aantal internaten Aantal internen - uit gewoon kleuteronderwijs - uit buitengewoon kleuteronderwijs - uit gewoon lager onderwijs - uit buitengewoon lager onderwijs - uit gewoon secundair onderwijs - uit buitengewoon secundair onderwijs - uit deeltijds secundair onderwijs
Internaten gemeenschapsonderwijs – tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben 134
4
11 129
449
135
41
17
0
1 211
247
176
23
9 402
124
138
8
50
6
Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Secundair en post-secundair onderwijs / 243
6. Hoger (tertiair) onderwijs
Na het historische overzicht (zie 6.1.), actuele discussies (zie 6.2.) en het wettelijk kader (zie 6.3.) volgen: 6.4. Algemene doelstellingen 6.5. Soorten instellingen 6.6. Toelatingsvoorwaarden 6.7. Inschrijving en/of inschrijvingsgeld 6.8. Financiële steun voor studenten 6.9. Organisatie van het academiejaar 6.10. Studiegebieden 6.11. Curriculum 6.12.Onderwijsmethoden 6.13. Beoordeling van studenten 6.14. Voortgang van studenten 6.15. Studiebewijzen 6.16. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 6.17. Privé-onderwijs 6.18. Verschillen in organisatie en andere structuren 6.19. Statistieken
Ook andere hoofdstukken bevatten voor het hoger onderwijs relevante onderdelen: ● ●
het bestuur en beheer van de hogescholen (zie 2.6.4.3.), de universiteiten (zie 2.6.4.4.) en de associaties (zie 2.6.4.5.) de VLIR, Vlaamse Interuniversitaire Raad, de VLHORA, Vlaamse Hogescholenraad en de VLUHR (zie 2.7.2.2.) Hoger onderwijs / 245
● ● ● ● ●
het financieringssysteem (zie 2.8.6.) de interne kwaliteitsbewaking (zie 9.4.1.2.) de externe visitaties (zie 9.4.2.3.) en de accreditatie (zie 9.4.2.4.) de vernieuwde lerarenopleidingen (zie 8.1.) de groepering van opleidingen tussen het secundair en het hoger onderwijs in een HBO5, hoger beroepsonderwijs (zie 5.20.3.) de ondersteuning van studenten met functiebeperkingen (zie 10.5.).
Het hoger onderwijs omvat: ● ● ● ●
opleidingen die leiden tot de graad van bachelor, de graad van master en de graad van doctor de opleidingen die kunnen afgesloten worden met een postgraduaatgetuigschrift opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die leiden tot een diploma van gegradueerde geïntegreerde en specifieke lerarenopleidingen die leiden tot het diploma van leraar
Door het Bolognaproces is het hoger onderwijs in Vlaanderen hervormd tot een geïntegreerd hogeronderwijssysteem met als basiskenmerken: ●
de "bachelor-master-doctor"-structuur (zie voor doelstellingen 6.4.) Soorten opleidingen en organiserende instellingen (*) bacheloropleidingen professioneel gerichte
hogescholen hogescholen binnen de associatie met een universiteit
universiteiten
master
hogescholen binnen de associatie met een universiteit
universiteiten
master-na-master
hogescholen binnen de associatie met een universiteit
universiteiten
academisch gerichte bachelor-na-bachelor
hogescholen
masteropleidingen
promotie tot de graad van doctor
universiteiten
(*) voor de privé-instellingen waarvan de opleidingen geaccrediteerd werden op het niveau van bachelor en master en geregistreerd werden, zie 6.17.; ● ●
● ●
flexibilisering van de leertrajecten (zie 6.14.); versterking van het systeem van kwaliteitsbewaking door accreditatie, zodat de studenten en de werkgevers de garantie hebben dat de afgestudeerden een internationaal herkenbaar competentieniveau bereikten (zie 9.4.2.4.); samenwerking van hogescholen met een universiteit in de vorm van een associatie (zie 2.6.4.5. en 6.5.); Nederlands als bestuurs- en onderwijstaal, maar met de mogelijkheid om bepaalde opleidingsonderdelen in een andere taal aan te bieden, vooral voor masteropleidingen. In de postinitiële masteropleidingen en de gezamelijke opleidingen is de onderwijstaal volledig vrij.
Het Vlaamse kwaliteitszorgstelsel bestaat uit drie stappen: ● ●
een intern gedeelte, zelfevaluatie resulterend in een zelfevaluatierapport (zie 9.4.1.2.); een extern gedeelte, de visitatie op basis van het zelfevaluatierapport, uitgevoerd door een visitatiecommissie en georganiseerd door de koepelorganisaties van de universiteiten (VLIR) en de hogescholen (VLHORA) (zie 9.4.2.3.);
Hoger onderwijs / 246
●
de accreditatie, de finale kwaliteitsbevestiging door de gezamenlijke Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) gebaseerd op het visitatierapport en de evaluatie van de opleiding door de visitatiecommissie (zie 9.4.2.4.); http://nvao.net en http://www.hogeronderwijsregister.be ; Engelse versie: www.highereducation.be
6.1. Historisch overzicht Het hogescholenonderwijs en het universitair onderwijs hebben tot 2003 een afzonderlijke ontwikkeling gekend.
6.1.1. Geschiedenis van het hogescholenonderwijs Het hogescholenonderwijs is hoofdzakelijk ontstaan uit hogere niveaus van het secundair onderwijs, vooral uit beroepsgerichte opleidingen verbonden aan technische scholen. Na de 2e wereldoorlog werden ze opgewaardeerd als hogeronderwijsinstellingen tot op het niveau ‘NUHO’, niet-universitair hoger onderwijs. De groei van het hoger onderwijs door de democratisering in de jaren '60 stimuleerde een grondige reorganisatie en opwaardering. De wet van 7 juli 1970 hervormde het NUHO, tot ‘HOBU’, Hoger Onderwijs Buiten de Universiteit, bestaande uit: ●
twee onderwijstypes:
○ HOKT, Hoger Onderwijs van het Korte Type, met een studieduur van 2 of 3 jaar ○ HOLT, Hoger Onderwijs van het Lange type, met een studieduur van 4 of 5 jaar; ●
zeven onderwijsvormen: technisch, economisch, agrarisch, paramedisch, sociaal, artistiek, pedagogisch en (vanaf 1985) maritiem hoger onderwijs
Het Vlaams decreet van 23 oktober 1991 opwaardeerde het HOLT door het aan te duiden als 'onderwijs op academisch niveau' en dezelfde regels op te leggen als aan het universitair onderwijs. Het HOLT kreeg ook een grotere autonomie met een forfaitaire financiering en viel niet langer onder het schoolpact (zie 2.1.). Tevens kwam een flexibeler systeem van overgangen tussen de verschillende opleidingsniveaus tot stand. Het Vlaams decreet van 31 juli 1994 integreerde alle hogeschoolopleidingen in één systeem met één institutioneel kader en één wetgeving, het HOBU, Hoger Onderwijs Buiten de Universiteit. De hogescholen werden ook autonomer inzake budgetaanwending binnen een werkingsenveloppe. Ze fusioneerden van 164 tot 22 hogescholen. De ondertekening van de Bolognaverklaring in 1999 leidde in 2003 tot een nieuwe ingrijpende herstructurering en reorganisatie voor de hogescholen waarbij associaties met universiteiten tot stand kwamen binnen een geïntegreerd hogeronderwijssysteem (zie 6.1.3.).
Hoger onderwijs / 247
6.1.2. Geschiedenis van het universitair onderwijs Na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 bleef de Rijksuniversiteit Gent (°1817) bestaan en heropende de in 1425 gestichte Katholieke Universiteit Leuven (°1834). Als vrijzinnige tegenhanger werd de Vrije Universiteit Brussel (°1834) opgericht. De Belgische wet van 1835 op het hoger onderwijs erkende formeel twee staatsuniversiteiten (Rijksuniversiteit Gent en l’Université de Liège (°1817), één katholieke universiteit (Katholieke Universiteit Leuven) en één vrijzinnige universiteit (Vrije Universiteit Brussel). Het universitair onderwijs was toen Franstalig, in overeenstemming met de doelgroepen, de hogere burgerij en de adel. Pas in 1930 werd de Rijksuniversiteit Gent als eerste volledig Nederlandstalig. Vanaf de jaren zestig werd het universitair onderwijs meer gedemocratiseerd en steeg de studentenbevolking in Vlaanderen fel, met als gevolg dat er in Vlaanderen nieuwe universiteiten werden opgericht, enkele hogescholen werden opgewaardeerd tot universiteiten en de unitaire vrije universiteiten werden gesplitst in autonome Nederlandstalige en Franstalige universiteiten. Tevens kregen de studenten inspraak. In de jaren '90 werd dit wettelijk verplicht door het universiteitendecreet van 12 juni 1991 en het hogescholendecreet van 13 juli 1994. Na de reorganisatie van het hoger onderwijs in 2003 is de participatie voortaan geregeld door het participatiedecreet van 19 maart 2004 (zie 2.7.1.2.). Vanaf 1/1/2008 is een nieuw financieringssysteem voor het hoger onderwijs operationeel (zie 2.8.6.).
6.1.3. Het hogeronderwijssysteem na de Bolognaverklaring In 1999 ondertekenden de onderwijsministers van 29 Europese landen de Bolognaverklaring ter creatie van een Europese hogeronderwijsruimte (EHEA, European Higher Education Area) als opvolging van de Sorbonneverklaring (1998), waarin verschillende Europese universiteiten zich bereid verklaarden tot grotere samenwerking (http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/bologna/ ). De uitvoering van de Bolognaverklaring in Vlaanderen kreeg gestalte door het 'structuurdecreet' van 4 april 2003, het 'participatiedecreet' van 19 maart 2004 (zie 2.7.1.2.), het 'flexibiliseringdecreet' van 30 april 2004 (zie 6.7. en 6.14.) en de nieuwe kwalificatiestructuur (zie 2.3.5.). De zelfcertificatie in het kader van het Bolognaproces werd afgerond op 2 februari 2009 met de conclusie van onafhankelijke internationale experten waaruit blijkt dat het kwalificatieraamwerk hoger onderwijs van Vlaanderen compatibel is met het overkoepelend raamwerk van de Europese Hogeronderwijsruimte. De officiële bevestiging daarvan staat op de website van de NVAO http://www.nvao.net/nqf-fl en op de website van de ENIC en NARIC Netwerken: http://www.enicnaric.net/index.aspx?s=n&r=ena&d=qf. In 2009 keurden de ministers van Onderwijs van 46 Europese landen de Verklaring van Leuven goed, waarin nieuwe gezamelijke doelstellingen werden geformuleerd voor de ontwikkeling van het hoger onderwijs in de komende 10 jaar: ●
●
meer steunmaatregelen ter verhoging van de participatie aan hoger onderwijs van populatiegroepen die nu nog ondervertegenwoordigd zijn; elk land dient daarvoor ook meetbare doelen voor 2020 te ontwikkelen; levenslang leren met flexibele leerwegen (inclusief stelsels van deeltijds leren en werken), erkenning van eerder verworven kwalificaties, uitbouw (uiterlijk 2012) van een nationale
Hoger onderwijs / 248
●
● ●
kwalificatiestructuur in overeenstemming met het overkoepelend Europees kwalificatieraamwerk; student-gericht onderwijs en verbetering van de onderwijskwaliteit van de onderwijsprogramma’s op alle niveaus, met meer werkervaring ingebouwd in de studieprogramma’s en werkplekleren; hoger onderwijs gebaseerd op de laatste stand van het onderzoek en internationale openheid; verhoogde mobiliteit van studenten, leerkrachten, onderzoekers en stafleden. In 2020 zouden ten minste 20% van de van de afgestudeerden een buitenlandse studieperiode hebben gehad. De huidige Vlaamse minister heeft bovendien bepaald dat in 2015 afgestudeerden al ten minste 15% van de afgestudeerden een buitenlandse studieperiode hebben gehad.
Om de voorgang van die processen te kunnen opvolgen en de transparantie tussen de onderwijsstelsels te verhogen zal ook de gegevensverzameling en -verwerking nog verbeterd worden. De ministers bevestigden ook het belang van de publieke financiering voor de verdere ontwikkeling en het garanderen van gelijke toegang. The Bologna Process 2020 - The European Higher Education Area in the new decade
6.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen In uitvoering van de recente ingrijpende hervormingen van het hoger onderwijs wordt verder gewerkt aan de rationalisatie van het aanbod, de versterking van de onderzoekscapaciteit van de academische bachelor- en masteropleidingen van de hogescholen en de academisering van het hoger kunstonderwijs (zie verder 6.17.). Alle bestaande opleidingen zijn omgevormd en moeten tegen het einde van het academiejaar 2012-2013 effectief geaccrediteerd zijn door de NVAO. De toelatingsproef voor de (tand)artsenopleiding zal geëvalueerd worden en eventueel bijgestuurd. Met de Franse Gemeenschap is een overleg gestart over de realisatie van een zesjarige artsenopleiding conform de ER 2005/36. Hét debat binnen het hoger onderwijs betreft de structurele organisatie na het academiseringsproces in 2013. Gaan de academische opleidingen van de hogescholen blijven bestaan aan de hogescholen of zullen zij verhuizen en enkel aangeboden worden door de universiteiten? Gaan de hogescholen met professionele bacheloropleidingen ook geïntegreerd worden in de universititeiten? De minister is alvast voorstander van een tweedeling met integratie van de geacademiseerde hogeschoolopleidingen in de universiteit op het ogenblik dat zij hun accreditatie verwerven (rond 2013). De huidige decreten hoger onderwijs (met uitzondering van de bijzondere decreten en de decreten die enkel regelgeving bevatten voor specifieke instellingen) zullen in 2010 gecoördineerd en later geïntegreerd worden in een nieuw basisdecreet hoger onderwijs. Conform de Verklaring van Leuven (zie 6.1.3.) zal de participatie aan het hoger onderwijs verhoogd worden van jongeren uit kansengroepen. Hiertoe zal het stelsel van studiefinanciering worden verruimd en de sociale voorzieningen gemoderniseerd en zal een financieringsbonus voor studenten met functiebeperkingen worden bepaald. Op het einde van het academiejaar 2015-2016 zal 15% van de gegradueerden een buitenlandse leerervaring van minstens 3 maanden dienen te bezitten. Zoveel mogelijk studieprogramma’s van de tweejarige masteropleidingen zullen een ingebouwde studieperiode of periode van werkplekleren van minstens 3 maanden in het buitenland moeten bevatten.
Hoger onderwijs / 249
Het nieuwe financieringsmechanisme van het hoger onderwijs (zie 2.8.6.) zal worden geëvalueerd en zo nodig bijgestuurd. De procedure voor de erkenning van buitenlandse diploma’s in het hoger onderwijs zal worden herzien conform de principes van de Lisbon Recognition Convention (LRC) van 11 april 1997, zodat de erkenning nog enkel gemotiveerd kan geweigerd worden als er substantiële verschillen bestaan die de ontvangende lidstaat dient aan te tonen. België heeft namelijk de LRC geratificeerd en de LRC trad in België in werking op 1 september 2009. Met Nederland worden stappen gezet om de hogeronderwijsdiploma’s wederzijds automatisch te erkennen. Ook de automatische erkenning van diploma’s van de Bolognalanden wordt nagestreefd. Onder de benaming de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad (VLUHR) zullen de hogescholen, de universiteiten en de associaties in de Vlaamse Gemeenschap een vereniging zonder winstoogmerk oprichten. De VLUHR is bevoegd voor de externe kwaliteitsevaluaties in de instellingen. De VLUHR kan daartoe een verzelfstandigd orgaan oprichten. In 2009 werd een Vlaamse kwalificatiestructuur (zie 2.3.5.) decretaal vastgelegd (decreet van 30 april 2009). Dit conform het EQF, European Qualifications Framework (zie 7.14.7.). Voor de ontwikkelingen inzake het HBO5, hoger beroepsonderwijs (zie 5.20.3.).
6.3. Wettelijk kader Basisregelgeving hoger onderwijs in Vlaanderen. ● ● ● ●
●
●
●
● ●
Decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (het structuurdecreet). Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (participatiedecreet). Bijzonder decreet van 19 maart 2004 betreffende de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen, de coördinatie van de hogeronderwijsregelgeving en de modernisering van de regelgeving op de Vlaamse autonome hogescholen. De principes van het participatiedecreet worden door dit bijzonder decreet ingevoerd voor de gemeenschapsinstellingen van het hoger onderwijs. Decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs en houdende dringende hogeronderwijsaangelegenheden (flexibiliseringsdecreet), gewijzigd bij decreet van 20 mei 2005. Het flexibiliseringsdecreet is vanaf 2005-2006 van toepassing voor alle opleidingen. Voor de opleidingen in afbouw is een afwijking mogelijk. Decreet van 27 januari 2006 tot bekrachtiging van het reglement van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie tot bepaling van de bestuursbeginselen die van toepassing zijn bij de besluitvorming inzake accreditatie en toets nieuwe opleiding ten aanzien van hogeronderwijsopleidingen in de Vlaamse Gemeenschap. Decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap. Decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen.
Een volledig overzicht vindt men op http://onderwijs.vlaanderen.be/hogeronderwijs/regelgeving/
Hoger onderwijs / 250
De universitaire regelgeving. Coördinatie en annotatie
6.4. Algemene doelstellingen Professioneel gerichte bacheloropleidingen hebben tot doel de studenten te brengen tot een niveau van algemene en specifieke kennis en van competenties die nodig zijn voor de zelfstandige uitoefening van een beroep of groep van beroepen. Een professioneel gerichte bacheloropleiding biedt als dusdanig een directe uitstroommogelijkheid naar de arbeidsmarkt. Voor academisch gerichte bacheloropleidingen vormt het doorstromen naar een masteropleiding de hoofddoelstelling. Zij hebben dus tot doel de studenten te brengen tot een niveau van kennis en competenties eigen aan het wetenschappelijk of artistiek functioneren in het algemeen en aan een specifiek domein van de wetenschappen of de kunsten in het bijzonder. De masteropleidingen hebben tot doel de studenten te brengen tot een gevorderd niveau van kennis en competenties eigen aan het wetenschappelijk of artistiek functioneren in het algemeen en aan een specifiek domein van de wetenschappen of de kunsten in het bijzonder, dat noodzakelijk is voor de autonome beoefening van de wetenschappen of de kunsten of voor de aanwending van deze wetenschappelijke of artistieke kennis in de zelfstandige uitoefening van een beroep of groep van beroepen. Mastersopleidingen zijn academisch gericht maar kunnen daarenboven (sinds september 2009) een professionele gerichtheid hebben. 'Advanced' bacheloropleidingen volgen op een andere (professioneel gerichte) bacheloropleiding. Deze vervolgopleiding is gericht op de verbreding of specialisatie van de competenties verworven tijdens de initiële bacheloropleiding. 'Advanced' masteropleidingen volgen op een andere masteropleiding. Deze vervolgopleidingen zijn gericht op verdere uitdieping van de kennis en/of competenties verworven in een studiedomein.
6.5. Soorten instellingen voor hoger onderwijs De instellingen voor hoger onderwijs in Vlaanderen bestaan uit de ambtshalve geregistreerde instellingen en de private geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs. De ambtshalve geregistreerde instellingen zijn de hogeronderwijsinstellingen die reeds vóór 2004 door de overheid zijn erkend en voor hun onderwijs en onderzoek op overheidsfinanciering kunnen rekenen. De lijst van deze instellingen is opgenomen in het Hogeronderwijsregister. http://www.hogeronderwijsregister.be Het gaat om: ● ●
hogeronderwijsinstellingen (de hogescholen en de universiteiten); de andere ambtshalve geregistreerde instellingen: Vlerick Leuven Gent Management School, Universiteit Antwerpen Management School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde, de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid Brussel en de Evangelische Theologische Faculteit Heverlee.
Een bijzondere instelling is de transnationale Universiteit Limburg (tUL). Deze werd bij verdrag opgericht door Nederland en Vlaanderen en is dus een binationale instelling. In Vlaanderen is het een ambtshalve geregistreerde instelling en maakt, via de Universiteit Hasselt, deel uit van de groep van de Vlaamse universiteiten. Hoger onderwijs / 251
De private geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs zijn alle private instellingen die een registratieprocedure met succes hebben doorlopen en officieel geregistreerd zijn door de Vlaamse Regering. Daartoe dienen hun opleiding(en) eerst de accreditatieprocedure van het NVAO succesvol te doorlopen, gevolgd door een visitatie van de instelling (zie 9.4.2.4.). Kandidaatinstellingen dienen ook hun financiële solvabiliteit aan te tonen en een samenwerkingsakkoord te sluiten met een hogeschool of een universiteit, onder meer ter garantie dat de studenten hun studies zullen kunnen beëindigen aan die hogeschool of universiteit indien de nieuw geregistreerde instelling haar activiteiten zou stopzetten. Na een succesvolle registratie worden de geaccrediteerde bacheloren masteropleidingen van de geregistreerde instellingen opgenomen in het Hogeronderwijsregister. De geregistreerde instellingen zijn: Continental Theological Seminary, Europa College Brugge, Faculteit voor vergelijkende godsdienstwetenschappen, Flanders Business School en Vesalius College. Een associatie is een officiële samenwerking tussen een universiteit en één of meer hogescholen. Die instellingen kunnen dan bepaalde beslissingsbevoegdheden overdragen aan de associatie. Er zijn 5 associaties tot stand gekomen in Vlaanderen. De Katholieke Universiteit Brussel behoort niet tot een associatie maar werkt wel nauw samen met de Associatie KU Leuven. De transnationale universiteit Limburg (TUL) is een samenwerking tussen de Universiteit Maastricht en de Universiteit Hasselt.
Associatie
Univ.
Aantal Aantal studenten ingeschreven met hogescholen diplomacontract in een basisopleiding (2008-2009) Professioneel gerichte opleiding
Academische opleiding
Totaal
12
39 254
37 197
76 451
Associatie KU Leuven
KUL
Associatie Universiteit en Hogescholen Antwerpen
UA
4
13 989
14 231
28 220
Associatie Universiteit Gent
UG
3
21 797
31 115
52 912
Associatie UniversiteitHogescholen Limburg
UH
2
5 078
2 922
8 000
Universitaire Associatie VUB Brussel
1
2 858
8 873
11 731
KUB
0
0
23
23
TUL(*)
0
0
661
661
22
83 180
97 865
181 045
Algemeen totaal (*) Transnationale Universiteit Limburg
Bron: Statistisch Jaarboek Onderwijs 2008-2009
http://associatie.kuleuven.be/ http://www.augent.be/ http://www.associatie-antwerpen.be/ http://www.auhl.be/ http://www.vub.ac.be/infoover/associatie/index.html Hoger onderwijs / 252
Commissarissen van de Vlaamse Regering, aangeduid voor een periode van 5 jaar door de minister van Onderwijs en Vorming, houden toezicht op de wettelijkheid van de beslissingen en het financiële evenwicht van de associaties. Door de beperkte bevoegdheid blijft de beleidsvrijheid van de associaties gegarandeerd. Een commissaris kan alle bestuursvergaderingen van een associatie bijwonen met raadgevende stem (Besluit van de Vlaamse Regering van 5 september 2003). Voor meer informatie over het beheer van de hogescholen, de universiteiten en de associaties (zie 2.6.4.3., 2.6.4.4. en 2.6.4.5.). Er bestaan ook verschillende private instellingen voor hoger kunstonderwijs (zie 6.17.). Alle links vindt men op http://onderwijs.vlaanderen.be/hogeronderwijs/nuttigeAdressen/
6.6. Toelatingsvoorwaarden Bacheloropleidingen
Volgende diploma's verlenen rechtstreeks toegang tot een bacheloropleiding: ● ●
het Vlaams diploma van secundair onderwijs, een buitenlands diploma dat door een Vlaams decreet, Belgische wet, Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend.
Indien een student niet in het bezit is van een diploma dat hem op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wil inschrijven, kan hem een voorbereidingsprogramma worden opgelegd. Een 'numerus clausus' bestaat in Vlaanderen niet maar er zijn wel toelatingsexamens voor elke student die de opleiding tot Tandarts en Arts wil aanvatten. http://www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen/ Er zijn bekwaamheidsproeven (artistieke toelatingsproeven) om toegelaten te worden tot het hoger kunstonderwijs. Het gaat om de opleidingen en opleidingsonderdelen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. Ook een examen dat de kennis van de onderwijstaal test, kan verplicht worden. Het instellingsbestuur kan de toegang tot een bacheloropleiding mogelijk maken op grond van afwijkende toelatingsvoorwaarden (vastgelegd in een reglement) die enkel rekening mogen houden met: ● ● ●
humanitaire redenen; medische, psychische of sociale redenen; het algemeen niveau van de kandidaat, getoetst op een door het instellingsbestuur bepaalde wijze.
Deze reglementen betreffende de afwijkende toelatingsvoorwaarden kunnen bij de instelling worden opgevraagd en staan in het onderwijs- en examenreglement. Een student die reeds een bachelordiploma heeft, kan instromen in een andere bacheloropleiding en dan studieduurverkorting of vermindering van de voorgeschreven studieomvang verkrijgen. De bachelor-na-bacheloropleidingen kunnen door de hogeronderwijsinstellingen enkel opengesteld worden voor personen die reeds in het bezit zijn van een bachelordiploma. De instellingen kunnen de rechtstreekse toegang tot die opleidingen beperken tot afgestudeerden van bacheloropleidingen met Hoger onderwijs / 253
specifieke opleidingskenmerken; afgestudeerden van andere bacheloropleidingen kunnen dan door de instelling verplicht worden tot het volgen van een voorbereidingsprogramma als voorwaarde tot toelating. De inhoud en studieomvang van deze voorbereidingsprogramma's wordt bepaald door de instelling en kan variëren naargelang de graad van inhoudelijke verwantschap tussen de vooropleiding en de betrokken bachelor-na-bacheloropleiding. Masteropleidingen
Het bezit van de graad van bachelor, verworven in een academische gerichte bacheloropleiding, geeft recht op een rechtstreekse toegang tot een masteropleiding. Met een professioneel gerichte bacheloropleiding dient er meestal een schakelprogramma te worden gevolgd. Een schakelprogramma omvat ten minste 45 en ten hoogste 90 studiepunten; dat minimum kan worden teruggebracht tot 30 studiepunten op basis van de resultaten van een bekwaamheidsonderzoek. Indien dat bekwaamheidsonderzoek ook betrekking had op de eerder verworven kwalificaties (EVK) kan de instelling het schakelprogramma nog verder terugbrengen of zelfs een volledige vrijstelling verlenen. Een student met een masterdiploma, kan instromen in een andere masteropleiding en daarvoor studieduurverkorting of vermindering van studiebelasting krijgen, mits hij ten minste voor 30 studiepunten opleidingsonderdelen van die andere masteropleiding volgt. Master-na-masteropleidingen kunnen door de hogeronderwijsinstellingen enkel opengesteld worden voor personen die reeds in het bezit zijn van een diploma van masteropleiding. Ze kunnen de rechtstreekse toelating beperken tot afgestudeerden van masteropleidingen met specifieke opleidingskenmerken. Voor afgestudeerden van andere masteropleidingen, kan de instelling het volgen van een voorbereidingsprogramma als toelatingsvoorwaarde opleggen. De inhoud en studieomvang daarvan wordt bepaald door de instelling en kan variëren naargelang de graad van inhoudelijke verwantschap tussen de vooropleiding en de betrokken master-na-masteropleiding (zie 6.14.) In de brochure 'Bewijs je bekwaamheid', waarvan de elektronische versie staat op www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs wordt uitgelegd dat men met een vooropleiding en EVK + EVC vrijstellingen zelfs een diploma kan krijgen. Doctoraat
Als algemene toelatingsvoorwaarde tot het doctoraat op proefschrift geldt het bezit van een diploma van een masteropleiding. De universiteit kan echter een bijkomend onderzoek opleggen, waarin kan gepeild worden naar "de geschiktheid van de student om in de betrokken discipline wetenschappelijk onderzoek uit te voeren en de resultaten ervan in een proefschrift neer te leggen". Ook een student die niet in het bezit is van een masterdiploma kan toegelaten worden tot een doctoraatsopleiding. De universiteit kan dan echter verlangen dat de student ofwel een bekwaamheidsonderzoek ondergaat waarin kan gepeild worden naar de geschiktheid voor het opstellen van een doctoraatsproefschrift, ofwel een examen aflegt over onderdelen van het academisch onderwijs, die door de universiteit worden bepaald.
6.7. Inschrijving en/of inschrijvingsgeld Een student die zich inschrijft voor een aantal studiepunten sluit een studiecontract met een bepaalde instelling. Het flexibiliseringsdecreet creëert drie types van studiecontract (zie 6.14.). Het studiegeld wordt geregeld door het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs. Het bedrag is verschillend naargelang ● ● ●
de student beursgerechtigd is of niet, de student EER-onderdaan is of niet het leertraject,
Hoger onderwijs / 254
● ●
de opleiding (bachelor, master, schakelprogramma, …), het aantal studiepunten.
Ter indicatie enkele getallen (niet geïndexeerd), inschrijving voor ten minste 54 en ten hoogste 66 studiepunten: minimum € 445 en maximum € 505, (niet-beurstariefstudent), inschrijving voor een examencontract: een vast gedeelte van € 50 en een variabele gedeelte van € 3 per studiepunt. Gedetailleerde informatie vindt men op: http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/werken/studentadmin/mededelinggegevensbeheer/md20090325studiegeld0910.htm Studenten die het laatste jaar secundair onderwijs volgen kunnen zich voortaan ook inschrijven met een creditcontract. Met een creditcontract voor maximum 10 studiepunten betalen zij 50% van het studiegeld van een beurstariefstudent.
6.8. Financiële steun aan studenten Wetgeving
●
●
De studiefinanciering wordt voortaan op een geïntegreerde wijze geregeld voor alle onderwijsniveaus door het decreet van 08 juni 2007. Voor het hoger onderwijs geldt dit vanaf het academiejaar 2007-2008. Voortaan spreekt men van studietoelagen voor het hoger onderwijs.
Er zijn drie groepen van voorwaarden: N a t i o n a l i t e i t s v o o r wa a r d e n ( m e t s p e c i f i e k e v o o r wa a r d e n v o o r n i e t - B e l g e n ) P e d a g o g i s c h e v o o r wa a r d e n
● ●
de student moet ingeschreven zijn aan een geregistreerde instelling voor hoger onderwijs; de opleiding moet geaccrediteerd zijn, erkend als nieuwe opleiding of tijdelijk erkend (of een opleiding zijn uit de oude structuur); waarnaast ook volgende opleidingen in aanmerking komen:
○ voorbereidingsprogramma's; ○ schakelprogramma's; ○ een specifieke lerarenopleiding als vervolgopleiding; ● ●
de opleiding moet gevolgd worden met een diplomacontract; iedere student die zich inschrijft kan in aanmerking komen voor een studietoelagekrediet bestaande uit:
○ ○ ○ ○ ○ ○
●
twee bachelorkredieten; één masterkrediet; één jokerkrediet; één krediet voor het volgen van een voorbereidingsprogramma; één krediet voor het volgen van een schakelprogramma;
één krediet voor het volgen van een specifieke lerarenopleiding als vervolgopleiding; bij berekening van het bedrag van de studietoelage wordt het aantal studiepunten waarvoor de student zich heeft ingeschreven mee in rekening gebracht;
○ per academiejaar kan een student maximaal voor 60 studiepunten een studietoelage krijgen en dient de student zich in te schrijven voor minstens 30 studiepunten;
Hoger onderwijs / 255
○ de studieomvang van een voltijds studietraject (van een opleiding uitgedrukt in studiepunten) of een academiejaar (niet uitgedrukt in studiepunten) wordt vastgesteld op 60 studiepunten;
○ de studieomvang van een halftijds studietraject wordt gelijkgesteld met 30 studiepunten;
○ een jokerkrediet omvat 60 studiepunten en geldt voor de hele studieduur; het kan worden opgenomen voor het volgen van opleidingsonderdelen van gevolgde opleidingen waarvoor men niet geslaagd was of van andere opleidingen dan deze; het geldt ook voor een actualiseringsprogramma voor verworven studiepunten waarvan de geldigheidsduur verstreken is; het kan ook gebruikt worden voor opleidingsonderdelen van een bachelor- of masteropleiding, als in een bepaald academiejaar of semester waarin de student een diploma kan behalen, blijkt dat het desbetreffende krediet voor de opleiding in kwestie is opgebruikt; ingeval studies zijn gevolgd in de Franse of Duitstalige Gemeenschap of in het buitenland is, onder bepaalde voorwaarden de, studietoelagefinanciering meeneembaar.
●
F i n a n c i ë l e v o o r wa a r d e n : h i e r b i j wo r d t r e k e n i n g g e h o u d e n m e t :
●
de 'leefeenheid' van de student, waarbij verschillende categorieën worden onderscheiden :
○ hoofdverblijfplaats bij één of beide ouders; ○ hoofdverblijfplaats bij een andere natuurlijke persoon waaraan de student is toegewezen, of waarvan hij fiscaal ten laste is;
○ gehuwde studenten; ○ zelfstandige studenten; ○ alleenstaande studenten; ● ● ●
het referentie-inkomen van de leefeenheid waartoe de leerling/student behoort; het kadastraal inkomen van de leefeenheid waartoe de leerling/student behoort; de samenstelling van de leefeenheid (aantal personen ten laste, aantal studenten, aantal gehandicapten).
Bedragen in € (2009-2010)
Studenten die voor 60 studiepunten toelagegerechtigd zijn
Volledige studietoelage
Uitzonderlijke studietoelage
Kotstudenten
3 496,54
4 707,62
Niet-kotstudenten
2 098,60
3 045,37
Minimumstudietoelage (inkomen gelijk aan de maximumgrens) 225,94
Studenten die voor minder dan 60 studiepunten toelagegerechtigd zijn ontvangen een % van die bedragen. Ook hier is de minimumtoelage € 225,94. In 2008-2009 werden 41 561 studietoelagen toegekend in het hoger onderwijs, voor een gemiddeld bedrag van 1 569,26 euro (zoals gekend op 16/10/2009, Statistisch Jaarboek 2008-2009). Meer info
Het departement Onderwijs en Vorming heeft een specifieke website gewijd aan school- en studietoelagen http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen/
Hoger onderwijs / 256
Andere voorzieningen
Er worden ook studiebeurzen verstrekt door instanties zoals de Provinciale Commissies voor Studiebeurzenstichtingen, ook in het kader van Europese uitwisselingsprogramma’s en ook door allerlei private organisaties en stichtingen. Voor het buitenland en voor wetenschappelijk onderzoek zijn ook studiebeurzen beschikbaar, zie: http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen/faq/ander_studiebeurzen_NL.htm Studenten die via het Erasmusprogramma een studieperiode in het buitenland doorbrengen (van minimum 3 maand en maximum een academiejaar) kunnen in aanmerking komen voor een mobiliteitstoelage van de Vlaamse Gemeenschap. Voor studenten met functiebeperkingen kunnen speciale onderwijsleermiddelen gefinancierd worden. Doctoraatsstudenten kunnen worden gefinancierd door de universiteit als universitaire assistenten of als doctoraatsbursalen of door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en aanverwante fondsen. Het is ook mogelijk om het doctoraat zelf te financieren, maar dit gebeurt eerder uitzonderlijk. Studieleningen worden verstrekt door allerlei private organisaties en stichtingen. De instellingen voor hoger onderwijs verschaffen ook tal van sociale voorzieningen (o.a. voor studentenrestaurants en huisvesting). De subsidies daarvoor werden voor de hogescholen gelijkgetrokken met deze voor de universiteiten.
6.9. Organisatie van het academiejaar De organisatie van het academiejaar - met inbegrip van de vakantieregeling voor de studenten - wordt opgenomen in het door het instellingsbestuur opgestelde onderwijsreglement. Een academiejaar wordt wettelijk omschreven als een periode van één jaar die ten vroegste op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en eindigt op de dag voor het begin van het volgende academiejaar. Van die vaste duur van één jaar kan uitzonderlijk worden afgeweken, indien het instellingsbestuur beslist de start van het academiejaar ofwel te vervroegen, ofwel te verlaten. De meeste hogescholen en universiteiten werken met een semestersysteem, d.w.z. dat het academiejaar wordt ingedeeld in twee afzonderlijke lesperiodes, nl. semesters. Na het 2de semester volgt een zomeronderbreking met daarna de tweede zittijd, die bestaat uit enkele weken examens.
6.10. Studiegebieden & soorten opleidingen Het structuurdecreet legt strenge voorwaarden op aan nieuwe opleidingen. Zo toetst de onafhankelijke Erkenningscommissie of de opleiding wel een meerwaarde biedt in het bestaande onderwijslandschap. De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) gaat nauwgezet na of er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat de opleiding van het vereiste kwaliteitsniveau zal zijn. Hogescholen zijn vooral actief in het hoger professioneel onderwijs en kunnen ook opleidingen aanbieden in het academisch onderwijs in het kader van een associatie. De universiteiten zijn actief in het academisch onderwijs.
Hoger onderwijs / 257
Basisopleidingen omvatten de professioneel gerichte bacheloropleidingen (enkel aan hogescholen georganiseerd), de academisch gerichte bacheloropleidingen en de masteropleidingen. Hun studieomvang wordt uitgedrukt in studiepunten, op basis van het ECTS studiepuntensysteem: ● ●
de professionele en academische bacheloropleidingen omvatten minstens 180 studiepunten (komt overeen met ongeveer 3 academiejaren van elk 60 studiepunten); de masteropleidingen sluiten aan bij een academische bachelor en omvatten minstens 60 studiepunten.
Voortgezette opleidingen sluiten aan bij de basisopleidingen en omvatten minstens 60 studiepunten: ● ●
een bachelor-na-bachelor; een master-na-master.
De lerarenopleidingen (zie 8.1.) werden hervormd door het decreet van 15 december 2006. Dit decreet is in werking getreden in september 2007. Voortaan zijn er twee wegen: ●
●
De geïntegreerde lerarenopleidingen voor leerkrachten kleuter- lager- en secundair onderwijs - groep 1, worden georganiseerd aan hogescholen en leiden tot de graad van bachelor in onderwijs, respectievelijk kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs. De hogescholen kennen aan de afgestudeerden de betreffende graad toe en reiken het diploma van leraar uit. De opleiding duurt 3 jaar en omvat 180 studiepunten, inclusief minimum 45 studiepunten voor de stage. Studenten die reeds een ander diploma hebben van hoger onderwijs of volwassenenonderwijs of relevante beroepservaring en enkel een bijkomende pedagogische/didactische training nodig hebben, kunnen een specifieke lerarenopleiding volgen. Deze omvat een studiebelasting van 60 studiepunten, waarvan 30 voor de stage. Deze programma's worden georganiseerd aan universiteiten, hogescholen en CVO's, Centra voor Volwassenenonderwijs (waar ze de vroegere GPB-opleidingen tot het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid vervangen). Ze kunnen georganiseerd worden:
○ aansluitend bij een vakinhoudelijke opleiding, ○ als ingebouwde opleiding, een afstudeerrichting van een vakinhoudelijke opleiding (30 studiepunten binnen een master opleiding van 120 studiepunten);
○ als autonome opleiding voor personen die vanuit een beroepservaring de stap naar het lerarenberoep willen zetten. Om de samenwerking te bevorderen tussen de verschillende instellingen die de lerarenopleidingen organiseren, financiert de overheid de uitbouw van ENW's, expertisenetwerken gevormd binnen een associatie en regionale platforms die associatieoverschrijdend werken. (Zie 8.1.4.4.). De universiteiten en hogescholen kunnen ook korte opleidingstrajecten met de studieomvang van ten minste 20 studiepunten organiseren in het kader van de verdere professionele vorming die bekrachtigd worden met een postgraduaat getuigschrift. De doctoraatsopleiding is gericht op de voorbereiding van een proefschrift. Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs: zie 5.20.3. en 7.10.1.3..
Hoger onderwijs / 258
Opleidingen aangeboden door hogescholen Studiegebied
Professioneel gerichte bacheloropleiding
Academisch gerichte bachelor- en masteropleiding binnen het kader van een associatie
Architectuur
x
x
Audiovisuele en beeldende kunst
x
x
Biotechniek
x
x
Gezondheidszorg
x
x
Handelswetenschappen en bedrijfskunde
x
x
IndustriĂŤle wetenschappen, technologie en nautische wetenschappen
x
x
Muziek en podiumkunsten
x
x
Onderwijs
x
Sociaal-agogisch werk
x
Productontwikkeling
x
Toegepaste taalkunde
x
Universiteiten kunnen academisch onderwijs (bachelor- en masteropleidingen) aanbieden in de volgende studiegebieden: Archeologie en kunstwetenschappen
Psychologische en pedagogische wetenschappen
Biomedische wetenschappen
Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen
Diergeneeskunde
Sociale gezondheidswetenschappen
Economische en toegepaste economische wetenschappen
Taal- en letterkunde
Farmaceutische wetenschappen
Tandheelkunde
Geneeskunde
Toegepaste biologische wetenschappen
Geschiedenis
Toegepaste wetenschappen
Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht
Verkeerskunde
Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie
Wetenschappen
Politieke en sociale wetenschappen
Wijsbegeerte en moraalwetenschappen
Een geĂŻntegreerd overzicht van alle opleidingen is voortaan Hogeronderwijsregister (HOR) http://www.hogeronderwijsregister.be/ en de Engelstalige versie http://www.highereducation.be
te
raadplegen
in
het
Hoger onderwijs / 259
6.11. Curriculum Hogescholen en universiteiten zijn vrij in het uitwerken van de curricula. Het instellingsbestuur bepaalt voor elke opleiding een opleidingsprogramma dat bestaat uit een samenhangend geheel van opleidingsonderdelen. Bij de vaststelling van het opleidingsprogramma houdt het instellingsbestuur rekening met de door nationale en internationale wetgeving (zoals de Europese Richtlijnen) vastgelegde voorwaarden die de toegang tot bepaalde ambten of beroepen reguleren.
6.12. Onderwijsmethoden De keuze van onderwijsmethoden en –hulpmiddelen behoort tot de vrijheid van de instellingen. Professioneel gerichte bacheloropleidingen omvatten doorgaans theorielessen, praktijklessen en een stageperiode, die doorgaans ontbreekt bij academisch gerichte opleidingen waarin de klemtoon ligt op het theoretische luik en onderzoek. Cursussen en handboeken worden massaal gebruikt. Ze dienen aangekocht te worden door de studenten. Het gebruik van elektronische leerplatforms vindt meer en meer ingang.
6.13. Beoordeling van studenten Over het algemeen worden minstens ĂŠĂŠn of twee weken voorzien voor voorbereiding op de examens die plaatsgrijpen in twee examenperiodes, met name in juni en september. In een semestersysteem worden ook examens georganiseerd in januari (het einde van het eerste semester); deze worden beschouwd als onderdeel van de eerste zittijd. Op het einde van de masteropleiding moet elke student een verhandeling (masterproef) indienen (en soms verdedigen). Het Participatiedecreet van 19 maart 2004 regelt o.m. de rechtsbescherming van de studenten bij studievoortgangbeslissingen (zoals examenbeslissingen, examentuchtbeslissingen, het toekennen van een bewijs van bekwaamheid, het toekennen van een vrijstelling, de beslissing waarbij het volgen van een schakel- en of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking). Het heeft ook een Raad voor betwistingen inzake studievoortgangbeslissingen opgericht als administratief rechtscollege op Vlaams niveau. In eerste instantie worden betwistingen behandeld door de interne beroepsinstantie van de individuele hoger onderwijsinstelling. Deze interne beroepsprocedure dient opgestart te worden alvorens beroep kan worden gedaan op de Raad voor Betwistingen. Indien de hogeronderwijsinstelling geen beslissing neemt binnen de 15 kalenderdagen nadat het intern beroep werd opgestart, kan de student zonder deze beslissing een beroep bij de Raad instellen. De Raad neemt de eindbeslissing op korte termijn (in principe binnen de 15 kalenderdagen), zodat de student snel kan weten of en onder welke voorwaarden de studies kunnen worden voortgezet. De student kan een beslissing van de Raad aanvechten bij de Raad van State door middel van een administratief beroep.
Hoger onderwijs / 260
6.14. Studievoortgang Het Flexibiliseringsdecreet van 30 april 2004 maakt meer flexibele studietrajecten mogelijk, met meer kansen op uitwisseling tussen opleidingen en instellingen, grotere differentiatie o.m. op vlak van aanbiedingsvormen en met meer kansen tot levenslang leren. Het hanteert daarvoor volgende principes, waarbinnen de universiteiten en hogescholen op eigen wijze invulling kunnen geven aan het creditsysteem. ● ● ●
● ●
●
● ●
●
●
●
Het jaarsysteem werd vervangen door een credit- of studiepuntensysteem. De opleiding is en blijft de basis- en structurerende eenheid, maar wordt niet langer gezien als een optelsom van leerjaren, maar als één geordend geheel van opleidingsonderdelen. Een opleiding wordt opgedeeld in opleidingsonderdelen. Een opleidingsonderdeel is een afgebakend geheel van onderwijs-, leer- en beoordelingsactiviteiten dat gericht is op het verwerven van welomschreven (deel)competenties inzake kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes. Het kan flexibel ingevuld worden door de instelling en daardoor bestaan uit één vak (in de traditionele betekenis van het woord), maar net zo goed uit een clustering van vakken of van groepen leeractiviteiten. De studiebelasting wordt uitgedrukt in studiepunten, volledig conform ECTS, waarbij één studiepunt een studielast van 25-30 uren vertegenwoordigt. De omvang van een opleidingsonderdeel wordt uitgedrukt in gehele studiepunten. Een opleidingsonderdeel omvat ten minste 3 studiepunten, met een maximum van 12 onderdelen per 60 studiepunten. Een student heeft een opleidingsonderdeel voltooid wanneer beoordeling aantoont dat hij de relevante (deel)competenties in voldoende mate heeft verworven. Hij wordt daartoe meestal beoordeeld op een schaal van 0 tot 20 (in gehele getallen), met 10 als grens om geslaagd te zijn. De student heeft per opleidingsonderdeel recht op ten minste twee inschrijvingen, met per inschrijving het recht op ten minste twee examenkansen. Het voltooien van een opleidingsonderdeel (slagen voor een opleidingsonderdeel) resulteert in een formele erkenning via een creditbewijs, onafhankelijk van de stand van zaken met betrekking tot andere opleidingsonderdelen die eventueel in zijn programma voorkomen. De geldigheidsduur van een verworven creditbewijs is in principe onbeperkt en geldt ten minste tot 5 kalenderjaren na het behalen van het creditbewijs. Kennis evolueert echter zeer snel en een kwaliteitsvolle opleiding moet zich permanent actualiseren. Daarom hebben de instellingen ook de mogelijkheid om na 5 jaar een soort van 'actualiseringprogramma' op te leggen, wanneer de student zijn studie wenst te continueren of te voltooien. Instellingen kunnen aan studenten vrijstellingen verlenen op basis van erkenning verworven kwalificaties (EVK) en/of erkenning verworven competenties (EVC). Meer details daarover is te vinden in het onderwijs- en examenreglement van elke instelling voor hoger onderwijs en uitgebreide informatie over de algemene principes en procedures voor flexibele leertrajecten staat in de brochure 'Bewijs je bekwaamheid', waarvan de elektronische versie staat op www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs . Om de studievoortgang op een reguliere manier te kunnen bewaken en dwingend te kunnen optreden bij ontsporing voorziet het decreet verschillende maatregelen. Zo kan aan een student die zich meer dan twee keer inschreef bindende voorwaarden worden opgelegd bij toelating (zoals een tussenbeoordeling of een minimaal te leveren studieprestatie) en kan een risicostudent na meerdere kansen geweigerd worden.
ECTS-helpline: info over de invoering van het European Credit Transfer System , het diplomasupplement en het Bolognaproces: http://webhost.ua.ac.be/ectshelp/nl/index.html
Hoger onderwijs / 261
Het instellingsbestuur biedt bij de inschrijving van de student de keuze tussen een creditcontract, een diplomacontract en een examencontract. De instellingen kunnen in hun onderwijsregeling vastleggen dat bepaalde opleidingsonderdelen wegens hun aard niet in aanmerking komen voor een examencontract. Dit dient wel te worden gemotiveerd. Studenten kunnen dus de volgende keuzes maken: ●
●
●
creditcontract: een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor één of meer opleidingsonderdelen; diplomacontract: een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een graad of diploma van een opleiding of die zich inschrijft voor een schakel- of voorbereidingsprogramma; examencontract: een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich onder de door het instellingsbestuur bepaalde voorwaarden inschrijft voor het afleggen van examens met het oog op het behalen van:
○ een graad of een diploma van een opleiding, of ○ een creditbewijs voor één of meer opleidingsonderdelen.
6.15. Studiebewijzen Het instellingsbestuur opleidingsonderdeel.
verleent
een
creditbewijs
als
een
persoon
slaagt
voor
een
Het instellingsbestuur verleent de graad van bachelor of master als de student de bacheloropleiding of masteropleiding met succes voltooit. De graad van 'doctor' of 'doctor of philosophy' wordt uitgereikt door een universitaire jury na de openbare verdediging van een doctoraatsproefschrift dat aantoont nieuwe wetenschappelijke kennis te kunnen produceren op basis van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Het doctoraatsproefschrift dient ook te kunnen leiden tot publicaties in wetenschappelijke tijdschriften. Alleen diegene aan wie in overeenstemming met het Vlaamse structuurdecreet van 4 april 2003 de graad van bachelor, master of doctor is verleend, is gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van bachelor, master of doctor, en de wettelijk beschermde afkortingen 'dr' en 'Ph D'. Meer details zijn te vinden in het onderwijs- en examenreglement van elke instelling voor hoger onderwijs. Personen kunnen ook het diploma van bachelor en master behalen als het instellingsbestuur van mening is dat zij op basis van EVC en EVK beschikken over voldoende bekwaamheden. 'EVC' betekent erkenning verworven competenties, namelijk het geheel van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes verworven door middel van leerprocessen die niet met een studiebewijs werden bekrachtigd (zoals niet-formeel en informeel leren). 'EVK' betekent erkenning van verworven kwalificaties, namelijk elk binnenlands of buitenlands studiebewijs dat aangeeft dat een persoon een formeel leertraject, al dan niet binnen onderwijs, met goed gevolg heeft doorlopen. Uitgebreide informatie over de algemene principes en procedures voor flexibele studievoortgang en over EVC en EVK staat in de brochure 'Bewijs je bekwaamheid'; te downloaden op: http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs . NARIC-Vlaanderen is het National Academic (& Professional) Recognition and Information Centre van Vlaanderen binnen het kader van de Europese Commissie en is tevens het European National Information Centre of Flanders binnen het kader van de Raad van Europa en de Unesco. Het is belast met de academische erkenning van buitenlandse diploma's hoger onderwijs en de professionele erkenning van het gereglementeerd beroep van onderwijzend personeel op basis van de toepasselijke Europese Richtlijn (ER 2005/36). Meer informatie op de website. http://www.ond.vlaanderen.be/naric/ Hoger onderwijs / 262
De vorm van hogeronderwijsdiploma's werd vastgelegd in het BVR van 11 juni 2004 en meerdere malen geactualiseerd. Vlaanderen was de eerste in Europa om, in 1991 voor de universiteiten, in 1994 voor de hogescholen, een diplomasupplement wettelijk in te voeren met gegevens over de aard, het niveau, de context, de inhoud en de status van de gevolgde studies en een beschrijving van het hogeronderwijssysteem. Het actuele diplomasupplement is gebaseerd op het model dat door de Europese Commissie, de Raad van Europa en UNESCO/CEPES is ontwikkeld en dat het Vlaamse model als een goed voorbeeld gebruikte. Het diplomasupplement verschaft onafhankelijke gegevens ter verbetering van de internationale transparantie en faire erkenning van diploma's voor academische en beroepsdoeleinden. Studenten krijgen het automatisch bij hun diploma, want het diploma en het bijhorend diplomasupplement zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en zijn één geheel. Op verzoek van de student verstrekt de ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs éénmalig kosteloos het diploma en het diplomasupplement ook in het Engels. Voor een opleiding die volledig in een andere taal dan het Nederlands wordt aangeboden, wordt het diploma en het diplomasupplement in die taal opgemaakt en ook in het Nederlands. (Zie ook Europass 11.6.).
6.16. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Professioneel gerichte bacheloropleidingen zijn in de eerste plaats gericht op de beroepspraktijk en hebben tot doel de studenten te brengen tot een niveau van algemene en specifieke kennis en van competenties nodig voor de zelfstandige uitoefening van een beroep of groep van beroepen en bieden zo een directe uitstroommogelijkheid naar de arbeidsmarkt. Een praktische opleiding in echte werkomstandigheden (bedrijven, scholen, ziekenhuizen, ...) maakt een essentieel deel van elke opleiding uit. De begeleiding van de studenten om hun intrede op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, neemt verschillende vormen aan. De meerderheid van de hogescholen heeft plaatsingsdiensten, alhoewel de werking nogal kan verschillen. Hiervoor zijn geen officiële richtlijnen. Sommige hogescholen beperken zich tot het verzamelen van vacatures of het bijhouden van de tewerkstellingsstatistieken, terwijl andere uitgebreide tewerkstellingsdossiers van de individuele afgestudeerden bijhouden, sollicitatietrainingen geven en/of voorbereidingsseminaries op tewerkstelling organiseren,.... Regelmatig gebeurt het dat de stageactiviteiten van de student leiden tot de aanwerving van de student eens hij/zij is afgestudeerd. De interactie tussen de arbeidsmarkt en de onderwijsprogramma's is niet altijd even optimaal, maar dit varieert naargelang het studiegebied of de opleiding. Net als de hogescholen hebben de universiteiten binnen de sociale sector een specifieke infrastructuur uitgebouwd ten behoeve van deze ruimere zorg en begeleiding. Het gaat hier onder andere om jobdiensten. Al naargelang de instelling worden er initiatieven genomen voor afstuderenden en oud-studenten door onder meer een eigen vacaturedatabank te creëren, het organiseren van informatiesessies over tewerkstelling in verschillende sectoren, enz.
6.17. Privaat-onderwijs Enkel door de Vlaamse overheid erkende instellingen mogen in Vlaanderen bachelor- en masteropleidingen aanbieden. Dat kunnen ambtshalve geregistreerde instellingen (zoals universiteiten Hoger onderwijs / 263
en hogescholen) of private geregistreerde instellingen zijn. Die private instellingen kunnen erkende opleidingen hoger onderwijs aanbieden en erkende diploma's uitreiken indien hun opleidingen geaccrediteerd zijn door het accreditatieorgaan, de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie en ze geslaagd zijn in de registratieprocedure (zie 6.5.). Instellingen die geen geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs zijn behoren tot het pure privaat-onderwijs dat in Vlaanderen niet wettelijk gereglementeerd is door de grondwettelijke vrijheid van onderwijs. Hoger kunstonderwijs
Met de Hogere Instituten en andere instellingen voor Schone Kunsten - Orpheusinstituut (Advanced studies & research in music), Operastudio Vlaanderen, HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten), P.A.R.T.S. (Performing Arts Research and Training Studios, opgericht in 1995 door Rosas dance company en de Belgische nationale opera De Munt) en PoPok (Posthogeschool voor Podiumkunsten) - zijn beheersovereenkomsten gesloten voor de periode 2007-2011. In de beheersovereenkomsten zijn specifieke voorwaarden geformuleerd zoals de grotere integratie van de instituten in het hoger onderwijs, het invoeren van een audit naast het reeds bestaande visitatiesysteem en een rationelere verdeling van de middelen tussen de instituten.
6.18. Verschillen in organisatie en andere structuren Binnen het actuele opleidingenaanbod kunnen verschillende varianten of alternatieven op de reguliere organisatie van het hoger onderwijs worden onderscheiden. ● ●
●
●
Sommige instellingen bieden een alternatieve lesindeling (avondonderwijs) aan voor studenten die al zijn tewerkgesteld. Voor iedereen bestaat de mogelijkheid om enkel de examens af te leggen, dus zonder dat er lessen moeten worden bijgewoond. Deze examens moeten worden afgelegd in de onderwijsinstelling die het voltijdse programma aanbiedt (zie 6.7. Examencontract). Vele programma's worden ook (deeltijds) aangeboden in het volwassenenonderwijs. Deze leiden niet tot een Bachelor of Master, maar tot een diploma van het HBO5, hoger beroepsonderwijs (zie 5.20.3.). De Open Universiteit Nederland biedt academisch afstandsonderwijs aan in Vlaanderen ondersteund door studiecentra Open Hoger Onderwijs ter beschikking gesteld door de Vlaamse universiteiten. De cursisten studeren echter af met een diploma dat niet automatisch gelijkwaardig is aan een Vlaams of zelfs Nederlands diploma. Ook vele Vlaamse hogescholen bieden afstandsonderwijs aan.
○ http://www.ou-vlaanderen.be. ○ http://www.ou.nl/ ●
E-learning is in vele instellingen in volle ontwikkeling.
Hoger onderwijs / 264
6.19. Statistieken Evolutie van het aantal studenten aan hogescholen per soort opleiding en per geslacht; academiejaren 2004-2005 t/m 2008-2009 BAMA en Basisopleidingen en initiële lerarenopleidingen Mannen Academiejaar
Vrouwen
Totaal
Absoluut
Procentueel
Absoluut
Procentueel
Absoluut
2004 - 2005 (1)
46 233
45,69
54 952
54,31
101 185
2005 - 2006 (2)
46 904
45,82
55 463
54,18
102 367
2006 - 2007
46 802
45,67
55 675
54,33
102 477
2007 - 2008
47 768
45,85
56 406
54,15
104 174
2008 – 2009 (3)
49 216
45,85
58 116
54,15
107 332
Bachelor na bachelor 2004 - 2005
368
34,62
695
65,38
1 063
2005 - 2006
411
29,32
991
70,68
1 402
2006 - 2007
442
20,11
1 756
79,89
2 198
2007 - 2008
469
19,23
1 970
80,77
2 439
2008 – 2009 (3)
486
19,39
2 020
80,61
2 506
Master na master 2004 - 2005
23
50,00
23
50,00
46
2005 - 2006
65
39,88
98
60,12
163
2006 - 2007
51
45,54
61
54,46
112
2007 - 2008
60
57,14
45
42,86
105
2008 – 2009 (3)
41
68,33
19
31,67
60
Voortgezette opleidingen 2004 - 2005
388
52,15
356
47,85
744
2005 - 2006
161
52,27
147
47,73
308
2006 - 2007
172
52,12
158
47,88
330
2007 - 2008
23
58,97
16
41,03
39
2008 – 2009 (3)
19
76,00
6
24,00
25
(1) vanaf 2004-2005 worden in deze tabel de professioneel en academisch gerichte bachelors, De masters en de basisopleidingen in afbouw, inclusief HOKT SP, opgenomen (2) Vanaf 2005-2006: het betreft de eerste inschrijving van de studenten met een diplomacontract en dit in een instelling van het HO in het huidig academiejaar. Daarnaast kunnen de studenten zich nog inschrijven in een andere opleiding. Dit zijn dan 2e of volgende inschrijvingen. Alle onderwijstalen worden opgenomen. (3) Vanaf 2008-2009 wordt het concept ‘eerste inschrijving’ verlaten. Een student kan in meerdere opleidingen ingeschreven zijn. Een student die met een diplomacontract in verschillende opleidingen ingeschreven is, wordt meerdere keren meegeteld.
Hoger onderwijs / 265
Initiële lerarenopleiding van academisch niveau Mannen Academiejaar
Vrouwen
Totaal
Absoluut
Procentueel
Absoluut
Procentueel
Absoluut
1999 - 2000
167
40,83
242
59,17
409
2000 - 2001
145
34,04
281
65,96
426
2001 - 2002
166
36,48
289
63,52
455
2002 - 2003
183
38,36
294
61,64
477
2003 - 2004
244
37,31
410
62,69
654
2004 - 2005
230
36,68
397
63,32
627
2005 - 2006
184
39,48
282
60,52
466
2006 - 2007
167
34,79
313
65,21
480
2007 - 2008
105
36,97
179
63,03
284
69
40,35
102
59,65
171
2008 – 2009 (3)
Specifieke lerarenopleiding na Master 2007 - 2008 2008 – 2009 (3)
48
49,48
49
50,52
97
107
33,86
209
66,14
316
Voortgezette lerarenopleidingen 1999 - 2000
146
15,77
780
84,23
926
2000 - 2001
147
14,36
877
85,64
1 024
2001 - 2002
133
13,42
858
86,58
991
2002 - 2003
141
12,75
965
87,25
1 106
2003 - 2004
183
14,41
1 087
85,59
1 270
2004 - 2005
188
14,14
1 142
85,86
1 330
2005 - 2006
124
13,64
785
86,36
909
2006 - 2007
29
12,72
199
87,28
228
2007 - 2008
9
18,37
40
81,63
49
2008 – 2009 (3)
1
16,67
5
83,33
6
Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Hoger onderwijs / 266
Evolutie van het aantal studenten aan universiteiten per geslacht; academiejaren 1999-2000 t/m 2008-2009 Academiejaar
Mannen
Vrouwen
Totaal
Absoluut
Procentueel
Absoluut
Procentueel
Absoluut
Procentueel
1999 - 2000 (1)
29 982
47,23
33 500
52,77
63 482
100
2000 - 2001
29 156
46,22
33 925
53,78
63 081
100
2001 - 2002
29 360
45,67
34 933
54,33
64 293
100
2002 - 2003
29 760
45,33
35 888
54,67
65 648
100
2003 - 2004
29 989
45,17
36 402
54,83
66 391
100
2004 - 2005 (2)
29 877
45,04
36 464
54,96
66 341
100
2005 - 2006 (3)
30 535
44,92
37 436
55,08
67 971
100
2006 - 2007
31 117
44,92
38 151
55,08
69 268
100
2007 - 2008
31 520
44,92
39 225
55,08
70 745
100
2008 – 2009 (4)
34 146
44,48
46 620
55,52
76 766
100
(1) Vanaf het academiejaar 1999-2000 worden de studentengegevens verzameld door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming via de Databank Tertiair Onderwijs (DTO). Voor het bepalen van de studentenbevolking in het universitair onderwijs, worden in DTO de hoofdinschrijvingen in volgende opleidingen meegeteld: academische basisopleidingen, aanvullende opleidingen, specialisatieopleidingen en de academische initiële lerarenopleiding. (2) Vanaf 2004-2005 zijn de academisch gerichte bachelors en de master na master inbegrepen. (3) Vanaf 2005-2006 betreft het de eerste inschrijving van de studenten met een diplomacontract en dit in een instelling van het hoger onderwijs in het huidige academiejaar. Daarnaast kunnen de studenten zich nog inschrijven in een andere opleiding. Dit zijn dan tweede of volgende inschrijvingen. Alle onderwijstalen worden opgenomen. Tot 2004-2005 gaat het om het aantal hoofdinschrijvingen. (4) Vanaf 2008-2009 wordt het concept ‘eerste inschrijving’ verlaten. Een student kan in meerdere opleidingen ingeschreven zijn. Een student die met een diplomacontract in verschillende opleidingen ingeschreven is, wordt meerdere keren meegeteld. Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Aantal studenten hoger onderwijs ingeschreven met een diplomacontract per professioneel en academisch niveau Professioneel gerichte bachelor en basisopleidingen Academiejaar
Hogescholen
Academische opleidingen en basisopleidingen
Hogescholen Universiteiten
Totaal
Totaal
2005 – 2006 (1)
78 764
25 816
62 867
88 683
167 447
2006 - 2007
78 526
23 951
60 866
84 817
163 343
2007 - 2008
80 010
24 164
64 372
88 536
168 546
2008 – 2009 (2)
83 025
25 547
71 478
97 025
180 050
(1) het betreft de eerste inschrijving van de studenten met een diplomacontract en dit in een instelling van het hoger onderwijs in het huidige academiejaar. Daarnaast kunnen de studenten zich nog inschrijven in een andere opleiding. Dit zijn dan tweede of volgende inschrijvingen. (2) Vanaf 2008-2009 wordt het concept ‘eerste inschrijving’ verlaten. Een student kan in meerdere opleidingen ingeschreven zijn. Een student die met een diplomacontract in verschillende opleidingen ingeschreven is, wordt meerdere keren meegeteld. Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Hoger onderwijs / 267
Hoger onderwijs / 268
7. PERMANENTE VORMING EN OPLEIDINGEN VOOR JONGE SCHOOLVERLATERS EN VOLWASSENEN In dit hoofdstuk worden verschillende stelsels behandeld 1 volwassenenonderwijs & basiseducatie 2 Beroepsopleiding VDAB 3 Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 4 Landbouwvorming 5 DKO, Deeltijds kunstonderwijs 6 Sociaal-cultureel volwassenenwerk Elk stelsel wordt op dezelfde wijze beschreven. De aandachtspunten zijn vergelijkbaar met deze gebruikt voor de beschrijving van de verschillende onderwijsniveaus (hoofdstukken 3 t/m 6). Deze aandachtspunten zijn: 1 Historisch overzicht 2 Lopende discussies en beleidsontwikkelingen 3 Wettelijk kader 4 Algemene doelstellingen 5 Soorten instellingen 6 Geografische toegankelijkheid 7 Toelatingsvoorwaarden 8 Inschrijving(sgeld) 9 FinanciĂŤle steun voor cursisten 10 Studieaanbod 11 Onderwijsmethoden 12 Lesgevers 13 Beoordeling en voortgang 14 Studiebewijzen 15 Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 16 PrivĂŠ-onderwijs 17 Statistieken
Permanente vorming - volwasseneneducatie
In Vlaanderen vallen verschillende opleidingen onder de noemer 'permanente vorming'. Deze opleidingen richten zich tot zeer verschillende doelgroepen, van zeer uiteenlopende leeftijden (bij DKO van jong tot oud) en, bieden cursussen aan op zeer verschillende niveaus. Permanente vorming omvat zowel formeel als niet-formeel onderwijs en training, en is al dan niet beroepsgericht. Het is alleszins ruimer dan volwassenenonderwijs, dat zich richt op volwassenen. Volwassenenvorming en volwasseneneducatie en "levenslang en levensbreed leren" zijn andere gangbare benamingen. Volwasseneneducatie
Bevoegd minister
Zie
Volwassenenonderwijs Basiseducatie http://www.basiseducatie.be/ (formeel) http://www.ond.vlaanderen.be/ Secundair volwassenenonderwijs volwassenenonderwijs/ Hoger beroepsonderwijs van het volwassenenonderwijs
Onderwijs
7.*.1
Onderwijs
7.*.1
Onderwijs
7.*.2
Onderwijs
8.1.4.2.
Specifieke lerarenopleidingen
Permanente vorming / 269
Beroepsopleiding
Beroepsopleiding werkzoekenden en werknemers (VDAB) http://vdab.be/vdab/
Werk
7.*.2
Ondernemersvorming (SYNTRA Vlaanderen) De 'leertijd' voor jongeren behandelen we in het stelsel leren en werken 5.20.1.3. http://www.syntravlaanderen.be
Werk
7.*.3
Landbouwvorming http://lv.vlaanderen.be
Landbouw
7.*.4
Volwassenen en jongeren formeel en niet-formeel
Onderwijs Deeltijds kunstonderwijs (DKO) http://onderwijs.vlaanderen.be/dko/
7.*.5
Volwassenenwerk (niet-formeel)
Sociaal-cultureel volwassenenwerk Cultuur http://www.sociaalcultureel.be/
7.*.6
Voor het hoger beroepsonderwijs (dat ruimer is dan het hoger beroepsonderwijs van het volwassenenonderwijs, zie 5.20.3. Voor de specifieke lerarenopleidingen, zie 8.1.4.2. Voor de pedagogische begeleiding van het volwassenenonderwijs, zie 9.3.3.2. Voor de externe evaluatie van de permanente vorming, zie 9.4.2.5. Voor de financiering van de diverse stelsels permanente vorming, zie 2.8.5.
7.1. Historiek 7.1.1. Volwassenenonderwijs - historiek De oorsprong van het volwassenenonderwijs lag in twee soorten instellingen uit de 19de eeuw: de volwassenenscholen en de industriële scholen. Deze laatste werden opgericht in de grote steden en boden een technisch programma aan voor de 'elite van het werkvolk'. Op zondagen en weekavonden werden er lessen gegeven door onderwijzers. In het begin boden de initiatiefnemers van dit volwassenenonderwijs een bijzonder grote variëteit aan opleidingen aan, afhankelijk van de eisen en het niveau van ervaring en kennis van hen die zich wilden inschrijven. In 1920 nam de toenmalige minister van Justitie Emiel Vandervelde het initiatief tot oprichting van sociale scholen. Dit in het kader van de materiële en morele wederopbouw van het land na de 1e wereldoorlog. In 1933 werden er aanzienlijke inspanningen gedaan om het volwassenenonderwijs te standaardiseren binnen het kader van het technisch onderwijs en werden de sociale scholen ingedeeld bij het middelbaar technisch onderwijs (maar met behoud van een belangrijke verantwoordelijkheid voor het ministerie van Justitie). In 1957 werden de aangeboden opleidingen en kwalificaties (van het NUHO, nietuniversitair hoger onderwijs) wettelijk gelijk getrokken en ondergebracht in 4 categorieën die in 1967 werden geherclassificeerd in een secundair onderwijs bestaande uit 2 cycli (lager en hoger) en een hoger onderwijs eveneens bestaande uit 2 cycli (1e graad en 2e graad). De wet van 7 juli 1970 introduceerde het begrip OSP, Onderwijs voor Sociale Promotie en herstructureerde het hoger onderwijs (HOBU, hoger onderwijs buiten de universiteit) in 7 categorieën met opleidingen kort type (1e graad) en lang type (2de graad). Het sociaal hoger onderwijs, de paramedische en de Permanente vorming / 270
pedagogische opleidingen bleven echter onderwijs van het korte type. Tevens werd de bevoegdheid van Justitie naar Nationale Opvoeding overgedragen, met oprichting in 1979 van de Hoge Raden voor beleidsadvies. Het decreet van 2 maart 1999 gaf het secundair onderwijs voor sociale promotie de organisatorische structuur van het SO en situeerde het in de 2e en de 3e graad, en in beperkte mate in de 4e graad. Het talenonderwijs kreeg een eigen rangschikking in richtgraden. Het Tweedekansonderwijs (diplomatrajecten op het niveau van secundair onderwijs voorbereidend op examens ASO, TSO, BSO) werd geïntegreerd in de opleiding algemene vorming van het secundair onderwijs voor sociale promotie. Het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs zorgde voor een grondige reorganisatie en verving de term 'onderwijs voor sociale promotie' door secundair volwassenenonderwijs en hoger beroepsonderwijs van het volwassenenonderwijs. Met uitzondering van de taalopleidingen en de opleidingen Nederlands tweede taal, waarvoor de rangschikking in richtgraden behouden blijft, omvat het secundair volwassenenonderwijs opleidingen die georganiseerd worden op het niveau van het voltijds secundair onderwijs, uitgezonderd de eerste graad. De indeling in onderwijsvormen en –graden. wordt echter verlaten. Bij het begin van de jaren '80 ontstonden in Vlaanderen binnen de sociaal-culturele sector tal van initiatieven met een educatief aanbod voor laaggeschoolde volwassenen. In 1985 startte de Vlaamse overheid met een 3-jarig experiment ' basiseducatie'. Dat leidde in 1990 tot een decreet en de oprichting van 29 lokale centra, en een ondersteunings- en coördinatiecentrum VOCB, Vlaams Ondersteuningscentrum voor de basiseducatie. Het decreet hevelde de bevoegdheid voor basiseducatie ook over naar de minister van Onderwijs. Daarna werd de basiseducatie geleidelijk verder in het onderwijs geïntegreerd: in 1994 met aanpassing van het scholingsniveau van de cursisten, de financieringstechniek en de functieomschrijvingen van het personeel in de centra; in 1996 met de toetreding van basiseducatie tot de Raad voor Volwassenenonderwijs binnen de VLOR (Vlaamse Onderwijsraad); in 1999 met overdracht van het administratief toezicht en de kwaliteitscontrole door het VOCB aan het departement Onderwijs en Vorming en door uitbreiding van de bevoegdheid van de onderwijsinspectie voor het volwassenenonderwijs tot de basiseducatie; in 2003 met de invoering van ontwikkelingsdoelen en een modulaire structuur van de opleidingen in functie van een betere aansluiting op het volwassenenonderwijs; in 2007 met het nieuwe decreet betreffende het volwassenenonderwijs, waarbij basiseducatie expliciet als onderwijsmaterie werd gedefinieerd en opgenomen werd in het volwassenenonderwijs. Het eindniveau van de opleidingen basiseducatie met een equivalent in het leerplichtonderwijs is voortaan vergelijkbaar met het lager onderwijs of met de eerste graad van het secundair onderwijs. Door de vernieuwing, die voor de basiseducatie eerst inging op 1 september 2008, dienden de 29 centra voor basiseducatie te fusioneren tot 13 (één gesubsidieerd centrum per regionaal werkingsgebied). Het schriftelijk onderwijs of 'afstandsonderwijs' ging in België van start in 1959, werd in 1965 officieel erkend en in 1999 als zelfgestuurd leren' gedeeltelijk in het volwassenenonderwijs geïntegreerd. In 2000 werd het officieel 'Begeleid Individueel Studeren'. Met de vernieuwing van het volwassenenonderwijs in 2007 werd het afstandsonderwijs niet langer ingericht door het ministerie van Onderwijs en Vorming maar ingebed in de voorzieningen van de verschillende opleidingsverstrekkers voor volwassenenonderwijs en beroepsopleiding. Het decreet van 2007 zorgde voor een grondige reorganisatie van het volwassenenonderwijs, met onder meer een resolute keuze voor de modulaire structuur, de volwaardige integratie van de basiseducatie in het onderwijs, een schaalvergroting binnen de basiseducatie, een nieuwe ondersteuningsstructuur voor het volwassenenonderwijs, de introductie van het hoger beroepsonderwijs en de oprichting van 13 regionale overlegplatformen of consortia volwassenenonderwijs. Vanaf 1 januari 2008 werd het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie (VOCB) omgevormd tot het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs en kregen de pedagogische begeleidingsdiensten expliciete opdrachten (en bijkomende middelen) met betrekking tot de ondersteuning van de Centra voor Volwassenenonderwijs.
Permanente vorming / 271
In 2009 kwam er een apart decreet voor het HBO5, hoger beroepsonderwijs (zie 5.20.3.).
7.1.2. VDAB – historiek Na 1945 werd op vraag van de regering, in functie van de ontwikkeling van het sociale zekerheidssysteem, een omvangrijk netwerk van centra uitgebouwd dat beroepsopleidingscursussen voor de secundaire en de tertiaire sector organiseerde voor de werkloze bevolking. De wet van 14 februari 1961 betreffende de economische expansie introduceerde niet enkel een nieuwe benaming, namelijk de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), maar voerde bovenal veranderingen inzake doelstellingen, inhoud en doelgroepen in. In het kader van de communautarisering werd in 1984 bij decreet de VDAB (Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding) opgericht, maar de uitvoering en bevoegdheidsoverdracht gebeurde eerst na de grondwetsherziening van 1988. De controle van de werkloosheid en de werkloosheidsuitkeringen bleven federale RVA-bevoegdheden. De arbeidsbemiddeling werd sinds 1989 overgedragen aan de gewesten, de beroepsopleiding is een gemeenschapsbevoegdheid: VDAB (Vlaanderen), FOREM (Waalse Gewest) en BGDA (Brussels Hoofdstedelijk Gewest), later omgedoopt tot Actiris (www.actiris.be). De ADG (Arbeidsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft) opereert in/voor de Duitstalige gemeenschap (www.adg.be). In 1989 werd n.a.v. 20jaar VDAB een overzicht uitgegeven. (Zie ook http://vdab.be/ > over VDAB > geschiedenis). In 2003 werden de VDAB-centra voor beroepsopleiding omgevormd tot competentiecentra. In het kader van de reorganisatie van de Vlaamse administratie werd de VDAB door het decreet van 7 mei 2004 een extern verzelfstandigd agentschap EVA. Het beheer wordt uitgemaakt door de representatieve Vlaamse werkgevers- en werknemersorganisaties. De VDAB staat onder toezicht van de Vlaamse minister die werkgelegenheid in zijn bevoegdheid heeft (zie 2.6.2.2.). Sinds 1 mei 2006 werkt de VDAB volgens een nieuwe structuur, waarin alles wat met opleiding en competentieontwikkeling te maken heeft is ondergebracht onder een nieuwe algemene directie 'Competentiecentra'. De regionale werking van de competentiecentra wordt provinciaal vertaald.
7.1.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - Historiek De oudste vorm van buitenschoolse beroepsopleiding was het systeem van leercontracten in de sector van de zelfstandige beroepen. Reeds in de vroege middeleeuwen ontwikkelden coöperatieve verenigingen en handelsgilden in steden als Brugge, Gent, Brussel en Antwerpen een systeem dat voorzag in de opleiding van leerlingen op de werkvloer, met een hiërarchische indeling in leerjongens, gezellen en meesters, samen met een raad voor ambachten of gilden die toezicht hield op de toelatingsvoorwaarden tot het beroep. Het was echter pas in 1906 dat een Ministerieel Besluit officieel 'leercontracten' vastlegde en een vergoeding uitkeerde aan werkgevers die jonge leerlingen in hun zaak opnamen. In 1947 werd een officieel kader opgesteld voor de opleiding en nascholing voor ambachtslieden en zelfstandigen. In 1959 werd een begeleiding door pedagogische adviseurs georganiseerd. Het KB van 4 oktober 1976 betreffende de voortdurende vorming van de middenstand, creëerde Instituten voor Voortdurende Vorming van de Middenstand (IVVM) en een Nationaal Coördinatie en Overlegcomité en legde de structuur van de opleiding vast. Permanente vorming / 272
Na de staatshervorming van 1980 werd de middenstandvorming overgedragen aan de Gemeenschappen en werd de lijst van beroepen waarvoor in een leertijd en/of een opleiding tot ondernemingshoofd kan worden voorzien erkend door de minister van onderwijs. In Vlaanderen werd de bevoegdheid voor de vorming door het decreet van 23/1/1991 overgedragen aan een Vlaamse Openbare Instelling (VOI), nl. het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO). Het had drie werkingsterreinen: bedrijfsadvies, opleiding en vormgeving. In 2002 reorganiseerden de 16 bestaande vormingscentra (met toen 22 lesplaatsen) zich tot 5 grote SYNTRAkoepels. In het kader van de reorganisatie van de Vlaamse administratie – die per 1/1/2006 operationeel werd werden nieuwe Agentschappen gecreëerd. Voor de opleiding zorgt voortaan een Vlaams Agentschap voor ondernemersvorming – SYNTRA Vlaanderen. SYNTRA Vlaanderen valt sindsdien onder de bevoegdheid van de Vlaamse minister die werkgelegenheid in zijn bevoegdheid heeft (zie 2.6.2.2.).
7.1.4. Landbouwvorming - Historiek Het beroepsonderwijs gericht op de landbouwsector, was vroeger de bevoegdheid van de federale minister van Landbouw. Door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is het overgeheveld naar de Gemeenschappen.
7.1.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - historiek In het gewone, voltijds onderwijs wordt kunstonderwijs gegeven op niveau van het secundair, hoger en universitair onderwijs. Daarnaast bestaat apart deeltijds kunstonderwijs, gegroeid uit de kunstacademies waarvan vele werden opgericht in de 17e, 18e en 19e eeuw. In de jaren '70 van de 20e eeuw zorgde de toegenomen vrije tijd, democratisering en maatschappelijke participatie voor een sterke toename van volwassenen aan dit onderwijs. Het is een onderwijsvorm die traditioneel overwegend als gemeentelijk onderwijs werd uitgebouwd. Het kunstonderwijs voor sociaal-culturele promotie kreeg een eerste duidelijke structuur door de Koninklijke Besluiten van 5 en 12 augustus 1971. Het eerste KB bepaalde de volledige structuur (in 4 cycli) en organisatie. Het tweede KB herhaalde die structuur maar dan in een lichter lestijdenregime (het normale stelsel), in principe afgestemd op algemene kunstzinnige persoonlijkheidsontwikkeling. Het decreet van 31 juli 1990 reorganiseerde de structuur van het DKO ten gronde. Zo werd de eigen structuur met graden en opties van elke studierichting in het DKO vastgelegd. Het werd gedefinieerd als complementair aan het leerplichtonderwijs. In 2001 werd de afstemming op de leerbehoeften van steeds meer uiteenlopende groepen van participanten in het licht van levenslang leren verbeterd, door het creëren van flexibelere leertrajecten en een meer gedifferentieerd en geactualiseerd studieaanbod. Tevens werd de autonomie voor directies, leerkrachten en inrichtende macht vergroot. Vanaf september 2000 past de inspectie het nieuwe doorlichtingsinstrument volgens het CIPOmodel toe.
Permanente vorming / 273
7.1.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - historiek Het sociaal-cultureel volwassenenwerk (vroeger: volksopvoeding, volksverheffing, volksontwikkeling, vormings- en ontwikkelingswerk) heeft zijn wortels in de periode van de Verlichting. Het (liberale) Willemsfonds (1851) en het (katholieke) Davidsfonds (1875) waren de eerste volksontwikkelingsinitiatieven, waarop ook andere sociale ontvoogdingsbewegingen inhaakten. Het volksontwikkelingswerk kende een grote (maar levensbeschouwelijk en ideologisch verzuilde) expansie in de tweede helft van de 20ste eeuw. Daarom werd in 1967 een betere subsidieregeling voor nationale en regionale volksontwikkelingsorganisaties van kracht en werden in de periode '75'85 bestaande en nieuwe werksoorten erkend en gesubsidiëerd door een hele reeks nieuwe afzonderlijke decreten. In 1995 werd een herordening van het terrein doorgevoerd door de verschillende werksoorten onder te brengen in drie nieuwe decreten, met name voor verenigingen, vormingsinstellingen en diensten. De ontzuiling van het werkveld leidde eind 1999 tot de beslissing te stoppen met subsidiëring van de koepels vanaf 1 januari 2001. In 2000 hebben de koepels dan samen de FOV, Federatie van Organisaties voor Volksontwikkelingswerk opgericht die de belangenbehartigende taak van de koepels heeft overgenomen. Nagenoeg alle erkende organisaties zijn daar nu lid van. De FOV wordt daarvoor gesubsidieerd door de Vlaamse overheid, à rato van het aantal aangesloten leden. Een aantal koepelmedewerkers werd overgeheveld naar diverse steunpunten, o.m. het VCVO, dat voorjaar 2001 werd omgedoopt tot SoCiuS. ● ●
Steunpunt Socius: http://www.socius.be FOV: http://www.fov.be/
In 2003 kwam een geïntegreerde wetgeving tot stand; één decreet met 3 luiken: voor sociaal-culturele verenigingen, voor bewegingen en voor vormingsinstellingen (regionale volkshogescholen en landelijke vormingsinstellingen). Dit decreet van 4 april 2003 regelt ook de erkenning en subsidiëring van één steunpunt voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk (SoCiuS). Sinds 1 april 2006 is binnen het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media verantwoordelijk voor de voorbereiding, de opvolging en de evaluatie van het beleid, het Agentschap Sociaal-cultureel werk voor Jeugd en Volwassenen voor de uitvoering van het beleid inzake sociaal-cultureel volwassenenwerk, jeugdwerk, amateurskunsten en lokaal cultuurbeleid (zie 2.6.2.4.).
7.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.2.1. Volwassenenonderwijs & basiseducatie 7.2.2. Beroepsopleiding VDAB 7.2.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.2.4. Landbouwvorming 7.2.5. DKO, Deeltijds kunstonderwijs 7.2.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk Vervolgens behandelen we belangrijke beleidsontwikkelingen die de verschillende stelsels overschrijden. 7.2.7. De uitbouw van een geïntegreerd onderwijs- en vormingsbeleid Permanente vorming / 274
7.2.8. Het strategisch plan geletterdheid verhogen 7.2.9. Strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden Voor beleidsontwikkelingen op vlak van begeleiding en band met arbeidsmarkt (zie 7.15.). Hier vermelden we kort dat de diverse bestaande financiële stimuli voor cursisten in de verschillende stelsels (zoals de KMO-portefeuille, de opleidingscheques, de studiefinanciering…) zullen worden gestroomlijnd.
7.2.1. Volwassenenonderwijs – lopende discussies en beleidsontwikkelingen Evaluatie
Het nieuwe niveaudecreet wordt tussentijds geëvalueerd in 2009-2010 en zal grondig worden geëvalueerd in 2012. Rechtspositieregeling
Het decreet volwassenenonderwijs voorziet dat de rechtspositieregeling van de personeelsleden van de Centra voor Volwassenenonderwijs meer moet afgestemd worden op de modulaire opleidingenstructuur van het volwassenenonderwijs. Nu is die rechtspositie geënt op een lineair model met een vakkenstructuur. De omschakeling tussen die vakkenstructuur en het modulaire opleidingsstelsel maakt het personeelsstatuut zeer complex en ligt aan de basis van heel wat fouten bij de aanstelling en uitbetaling van personeelsleden. Daarom zijn een aantal belangrijke wijzigingen aan de personeelsregelgeving voor het volwassenenonderwijs gepland vanaf 1 september 2010. Het gaat o.a. om een nieuw stelsel van bekwaamheidsbewijzen, een aangepaste prestatieregeling en de invoering van enkele nieuwe ambten. Stimulering tweedekansonderwijs en gecombineerd onderwijs
Tweedekansonderwijs zal sterker worden gepromoot en de uitbreiding van het gecombineerd onderwijs (zie 7.11.1.) zal worden bevorderd. Hoger beroepsonderwijs
De ontwikkeling van het HBO5 zal een intense samenwerking vragen tussen de hogescholen en de CVO’s en ook met SYNTRA en de VDAB, die de mogelijkheid moeten krijgen om onderdelen van opleidingen van het HBO5 te verzorgen en te valideren (zie 5.20.3.). Studiefinanciering
De studiefinanciering zal worden uitgebreid naar cursisten in het HBO5 en cursisten die de algemene vorming volgen in het tweedekansonderwijs.
7.2.2. Beroepsopleiding VDAB - lopende discussies en beleidsontwikkelingen N.a.v. de recessie werden verschillende maatregelen getroffen, zoals gratis opleidingen (inclusief webleren) voor werknemers getroffen door tijdelijke werkloosheid. Zie ook het Werkgelegenheids- en Investeringsplan (WIP): downloadbaar via http://www.serv.be/dispatcher.aspx?page_ID=02-00-00-00-000 . De operationalisering van dit WIP maakt voorwerp uit van overleg tussen de VESOC-partners. Permanente vorming / 275
In 2010 wordt een nieuw type sectorconvenants onderhandeld (de 5de generatie) (zie 7.15.7.1.). Tevens worden de besprekingen opgestart m.b.t. de nieuwe Beheersovereenkomst tussen de VDAB en de Vlaamse Regering.
7.2.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - lopende discussies en beleidsontwikkelingen In 2008 hebben de VDAB en SYNTRA Vlaanderen een raamovereenkomst gesloten voor het gemeenschappelijk gebruik van hun gebouwen en opleidingsuitrusting. Binnen deze raamovereenkomst kunnen de VDAB-competentiecentra en de SYNTRA-campussen concrete samenwerkingsverbanden uitwerken. Concreet houdt de samenwerking in dat de VDAB en SYNTRA elkaars leerateliers of praktijkruimtes met specifieke (technische) uitrusting, leslokalen met uitrusting (stoelen, tafels, whiteboard, dataprojector) en pc-lokalen samen gebruiken. De VDAB heeft de leslokalen voornamelijk overdag nodig terwijl de SYNTRA-opleidingen meestal ’s avonds plaatsvinden. Ook op diverse andere terreinen werd een structurele samenwerking tussen VDAB en SYNTRA Vlaanderen op touw gezet (werkzoekenden naar ondernemerstrajecten, e-leren, EVC, …)
7.2.4. Landbouwvorming - lopende discussies en beleidsontwikkelingen Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen inzake landbouwvorming te melden.
7.2.5. DKO - lopende discussies en beleidsontwikkelingen Binnen het DKO lopen verschillende "tijdelijke projecten". ●
●
●
●
Tijdelijke projecten muzische vorming, waarin basisscholen samenwerken met academies en leerkrachten BaO leren van DKO-leerkrachten werden in 2008 met twee schooljaren verlengd. Het ligt overigens in de bedoeling de samenwerking tussen het DKO en het basisonderwijs structureel uit te bouwen. Tijdelijke projecten kunstinitiatie voor kansarme autochtone en allochtone jongeren die liepen van 2005 tot 2008 en door de inspectie gunstig werden beoordeeld, werden met twee schooljaren verlengd (zie 10.5.3.1.4.). In 2009 werd een werkgroep opgericht die tegen 1/5/2010 moet onderzoeken hoe die twee projecten een structureel netwerk kunnen vormen. Een tweede werkgroep dient te inventariseren welke aanpassingen van de leeromgeving in een kunstopleiding nodig zijn ten behoeve van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Vanaf het schooljaar 2007-2008 zijn nieuwe tijdelijke projecten (van maximum 4 schooljaren) gestart i.v.m. de volgende beleidsprioriteiten:
▪
verbetering van de doorstroming van amateurkunstgroepen naar het deeltijds kunstonderwijs en vice versa;
▪ ▪ ▪
het DKO in het perspectief van "brede school" plaatsen (zie 2.2.-2.4.); integratie van leerinhouden van verschillende vakken; ontwikkeling van een visie op het gebruik van ICT in het DKO.
Permanente vorming / 276
○ De voorwaarde voor die tijdelijke projecten is dat ze:
▪
ofwel onderwijsvernieuwend zijn en nieuwe leerinhouden aanbieden inspelend op de vraag van leerlingen naar een nieuwe opleiding
▪
● ●
● ●
●
ofwel doelgroepspecifiek zijn en het leerlingen met speciale noden mogelijk maken om een DKO-opleiding te volgen De projecten die gunstig werden geëvalueerd werden in 2008 met twee schooljaren verlengd. Tijdelijke projecten die hun deugdelijkheid hebben bewezen werden in 2009 als nieuwe opleidingen toegevoegd aan het DKO-aanbod, zodat ook andere academies ze kunnen organiseren. In 2009 startte in Zuid-Limburg een nieuw tijdelijk project regionale samenwerking voor 4 schooljaren. Er wordt onderzocht onder welke vorm regionale samenwerking een structurele verankering kan krijgen. De organisatoren van de lopende intergemeentelijke samenwerkingsprojecten maken daartoe een zelfevaluatierapport tegen 1/4/2010. Er kunnen als besparingsmaatregel vanaf 2010 geen nieuwe tijdelijke projecten meer worden aangevraagd.
Als besparingsmaatregel is de programmatie van instellingen, studierichtingen, graden en filialen bevroren voor de schooljaren 2010-2011 en 2011-2012. De vorming van nieuwe kunstacademies vanuit bestaande DKO-entiteiten blijft wel mogelijk. Tegen 2013 is een nieuw niveaudecreet voor het DKO gepland. Het zal fundamentele inhoudelijke en organisatorische vernieuwingen bevatten aansluitend bij het rapport “Verdieping/Verbreding: perspectieven voor inhoudelijke vernieuwing van het DKO”. Zo zullen leertrajecten meer gedifferentieerd worden naargelang de behoeften van de verschillende doelgroepen, zal de achterhaalde opdeling in deelsectoren beeldende kunst en muziek, woordkunst en dans worden verlaten, zullen waar nodig eindtermen worden vastgelegd, zullen arbeidsmarktgerichte en mogelijk andere opleidingen afgestemd worden met de Vlaamse Kwalificatiestructuur en zullen de academies een actief gelijkekansenbeleid moeten voeren. Het DKO zal ook een plaats moeten krijgen binnen het netwerk van de brede school en de academies zullen samen met andere organisaties uit de kunst- en cultuursector scholen moeten ondersteunen bij het aanbieden van kwaliteitsvolle kunst- en cultuureducatie. De schoolbesturen zullen daartoe, via regionale samenwerkingsverbanden, meer autonomie krijgen.
7.2.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - lopende discussies en beleidsontwikkelingen Zowel op internationaal niveau als op Vlaams niveau is de discussie m.b.t. EVC (erkenning van elders/eerder verworven competenties) en de kwalificatiestructuur (zie 2.3.5.) heel actueel. Kwalificaties zullen bouwstenen worden in de loopbanen van levenslang leren. Ook voor de sociaalculturele sector zal de VKS kunnen gebruikt worden als kader om leerresultaten en ervaringen zichtbaar te maken en te valoriseren, zowel vanuit vrijwilligers- als vanuit vormingsperspectief. In de loop van 2010 wordt een traject opgestart binnen de sociaal-culturele sector om te komen tot een gedragen visie m.b.t. de kwalificatiestructuur en m.b.t. EVC. Op het vlak van EVC zijn er nog een aantal ontwikkelingen. De sociaal-culturele sector introduceerde in 2009 een nieuw instrument: Oscar. Oscar helpt deelnemers aan het sociaal-cultureel jeugd- en volwassenenwerk een zicht te krijgen op de competenties die ze verwerven doorheen het volgen van vormingen en het opnemen van vrijwilligersfuncties en -taken. Op die manier ondersteunt Oscar het (h)erkennen van verworven competenties (EVC) in het sociaal-cultureel jeugd- en volwassenenwerk (meer info op www.oscaronline.be). Permanente vorming / 277
Er werd in 2009 een website ontwikkeld op Vlaams niveau voor alle organisaties die professioneel betrokken zijn bij EVC (www.vlaanderen.be/evc). Ontwikkelingen op beleidsniveau, instrumenten, studiedagen, … worden via deze website ontsloten. Midden 2009 trad Joke Schauvliege aan als nieuwe minister van cultuur. In haar beleidsnota 20092014 zijn de belangrijkste beleidsprioriteiten aangegeven. De concretisering van de 7 strategische doelstellingen van de nota zullen uiteraard in de komende jaren ook een invloed hebben op de beleidsontwikkelingen binnen de sociaal-culturele sector. De beleidsnota is te vinden op: http://www.cjsm.vlaanderen.be/cultuurbeleid/kader/documenten/
7.2.7. De verdere uitbouw van een geïntegreerd onderwijs- en vormingsbeleid In het kader van de uitvoering van het decreet op de Vlaamse kwalificatiestructuur (zie 2.3.5.) zullen de erkende kwalificaties in een publiek consulteerbare kwalificatiedatabank worden geregistreerd. Voor de beroepskwalificaties wordt gezocht naar afstemming met COMPETENT, de databank met beroepscompetentieprofielen die de SERV en VDAB ontwikkelden. Conform de EQF-aanbeveling zullen de Vlaamse kwalificatiebewijzen en de niveaus van de Vlaamse kwalificatiestructuur aan de niveaus van het Europees kwalificatiekader (EQF) worden gekoppeld. Hiervoor zal een procedure worden opgesteld volgens de criteria, vooropgesteld door de Europese Commissie. Gezien het belang van de Vlaamse kwalificatiestructuur wordt ook gestart met de uitvoering van een globaal communicatieplan, gericht op de partners binnen onderwijs en vorming, werk, cultuur, jeugd en sport. Er zal ook een geïntegreerd kader worden uitgewerkt voor alle opleidingen die naar erkende beroepskwalificaties leiden. Bijzondere aandacht zal daarbij uitgaan naar het kwaliteitstoezicht op werkplekleren en afstandsleren. Tevens zal worden nagegaan hoe de aanbeveling rond het Europees referentiekader voor de kwaliteitszorg voor beroepsopleidingen (EQARF) naar de Vlaamse situatie kan worden vertaald.
7.2.8. Strategisch Plan Geletterdheid Verhogen Eind juni 2005 heeft de Vlaamse Regering een 'Strategisch Plan Geletterdheid Verhogen' goedgekeurd. Het leidde tot een operationeel plan waarin heel wat partners betrokken werden: de opleidingenverstrekkers (VDAB, SYNTRA, CBE's, Centra voor Basiseducatie en CVO's, Centra voor Volwassenenonderwijs en het leerplichtonderwijs), de werkgevers en werknemers en welzijnsorganisaties. Het plan loopt af in 2011. Het wordt dan geëvalueerd als basis voor een nieuw plan. Er wordt onderzocht hoe de doelstellingen en acties van het plan ook in Brussel kunnen uitgewerkt worden. Budget 2009 : 925 283 euro http://www.ond.vlaanderen.be/geletterdheid/plan/default.htm In 2009 werd een tussentijdse balans opgemaakt.
Permanente vorming / 278
2005-2009
●
● ●
●
●
●
●
●
●
●
● ●
●
●
Voor een gefaseerde en systematische screening van geletterdheid werd een quickscaninstrument ontwikkeld door de VDAB en de CBE en verrichtte het HIVA een ‘Studie naar de haalbaarheid van een doelmatig gebruik van een screeningsinstrument voor geletterdheid’ (http://hiva.kuleuven.be/en/publicaties/publicatie_detail.php?id=3061 ) In verschillende bedrijfssectoren werden diversiteitsplannen en sectorconvenants ingezet om geletterdheidsbevorderende initiatieven te nemen (voor convenants zie 7.15.7.1.). De brochure 'Geletterdheid op de werkvloer' voor bedrijven en sectorale organisaties geeft een overzicht van goede praktijken met concrete instrumenten om op de werkvloer te werken aan de geletterdheid van de werknemers. http://www.ond.vlaanderen.be/geletterdheid/publicaties/ Het HIVA voerde een OBPWO-onderzoek uit naar de barrières bij volwassenen voor deelname aan geletterdheidstrainingen. Tegelijk liep er een OBPWO-onderzoek om zicht te krijgen op het (sociaal) profiel en de school- en werkloopbanen van de deelnemers aan het tweedekansonderwijs en de centrale examencommissie waarbij ook wordt nagegaan wat hen motiveerde tot deelname (zie 9.6.). Het CTO (zie GOK-ondersteuning 10.5.3.1.5.) heeft in ‘De G-factor in bedrijf en organisatie’ een stappenplan uitgewerkt dat in een kort bestek laat zien hoe een bedrijf of organisatie aan geletterdheid kan werken (http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/eDocs/pdf/294.pdf ). Binnen de Vlaamse overheidsadministratie heeft het Loopbaanontwikkelingscentrum een specifieke training georganiseerd om laaggeletterde ambtenaren beter voor te bereiden op generieke proeven voor vaste benoeming (http://www2.vlaanderen.be/loopbaanontwikkeling/ ). SoCiuS & het voormalig VOCB hebben een traject opgezet gericht op structurele samenwerking tussen de CBE en het sociaal-cultureel volwassenenwerk en meer doorstroming van cursisten. Het rapport Bevordering van proza- (en multimediale) geletterdheid binnen het beleidsveld Cultuur – een overzicht (2007) gaf een overzicht van de samenwerkingsverbanden in de (sociaal-)culturele sector die gericht zijn op de bevordering van geletterdheid.. In 2009 startte het VOCB een project inzake informatiegeletterdheid in Vlaamse bibliotheken. Meer bepaald wordt een methodiek ontwikkeld om mensen met geletterdheidsproblemen informatie over burgerschapscompetenties te leren zoeken en vinden. In de basiseducatie werden alle opleidingen modulair. Tevens werden de CBE onderwijsinstellingen waardoor ze ook geldige studiebewijzen kunnen uitreiken, en een vlottere doorstroom naar vervolgopleidingen mogelijk wordt. Het VOCVO en het Vlaams Netwerk Armoede zetten vanaf september 2007 i.s.m. armenverenigingen mobiliserende acties op om meer kansarme laaggeletterden te bereiken. De doelstellingen van het "Plan Geletterdheid Verhogen" werden ook opgenomen in het "Vlaams Actieplan Armoedebestrijding 2005-2009" (http://www.wvc.vlaanderen.be/armoede/vap.htm ). In de brochure “Iedereen geletterd – lokaal samenwerken voor geletterde mensen” werden succesvolle vormen van samenwerking tussen gemeenten, OCMW’s, CBE en welzijnsorganisaties beschreven. http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/eDocs/pdf/286.pdf De financiële middelen voor de basiseducatie werden vanaf 2006 systematisch verhoogd en bedroegen in 2009 3 292 560 euro. Vanaf dat jaar heeft de basiseducatie ook een open end financiering en wordt een groeipad mogelijk op basis van gerealiseerde lesuren. Voor de inbouw van ICT in de leerprocessen kregen de CBE daarenboven nog extra middelen.
Projecten 2009-2011
● ●
De nieuwe decretaal vastgelegde kwalificatiestructuur (zie 2.3.5.) is belangrijk voor het afstemmen van de opleidingen, voor de studie- en beroepskeuze en loopbaanplanning. Uit recent onderzoek bleek dat de leerlingen die slecht scoren voor geletterdheid geconcentreerd zitten in het BSO en de groei aan geletterdheid bij die jongeren nagenoeg stilvalt tussen het 3e en 6e leerjaar BSO. Daarom worden in 10 scholen coachingstrajecten opgezet om het geletterdheidsonderwijs te optimaliseren binnen het project algemene vakken en algemene vorming en binnen de beroepsopleiding. Permanente vorming / 279
● ●
●
● ● ● ●
Participatie aan het PIAAC onderzoeksprogramma van de OESO moet actueel cijfermateriaal opleveren o.m. inzake geletterdheidsvaardigheden (zie 9.5.3.). Ontwikkeling van een breed screeningsinstrument. Er wordt een meer verfijnde screeningsprocedure ontwikkeld door CTO (Leuven) en CITO (Arnhem) die bestaat uit twee stappen: een indicatortest die ingebed wordt in de intakeprocedure en een subscreening op deeldomeinen (taal , rekenen, ICT). De indicatortest moet toelaten een onderscheid te maken tussen analfabeten, laaggeletterden (die een subscreening moeten krijgen) en voldoende geletterden. Het CTO (zie GOK-ondersteuning 10.5.3.1.5.) en het CBE-Leuven-Hageland hebben de Gcoach uitgewerkt: een model voor de organisatie van geïntegreerde geletterdheidstraining in beroepsopleidingen plus methodiek (http://www.ond.vlaanderen.be/geletterdheid/G-coach/ ). Kortlopende duale en/of geïntegreerde geletterdheidstrajecten met derden voor werkzoekenden worden met de steun van het ESF ontwikkeld. Samen met de CBE ontwikkelt de VDAB een methodiek voor geletterdheidscoaching op de werkvloer (met de steun van het ESF). De VVSG werkt aan geïntegreerde opleidingen voor het personeel van de lokale besturen. Het steunpunt voor het lokaal cultuurbeleid LOCUS ontwikkelt een draaiboek voor informatiegeletterdheid in bibliotheken (het zoeken, vinden, verwerken en toepassen van informatie). Dit i.s.m. BIBNET, VOCVO en experten op het vlak van informatiegeletterdheid en praktijkwerkers.
http://www.ond.vlaanderen.be/geletterdheid/ Zie ook de brochure Strategisch plan geletterdheid verhogen 2005-2011. (Vlaamse overheid, 2009).
7.2.9. Strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden Op 8/12/2000 keurde de Vlaamse Regering een strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden goed om de hulp- en dienstverlening aan gevangen uit te breiden en te verbeteren met een degelijk aanbod van hulpverlening, vorming, beroepsopleiding, onderwijs, sport en ontspanning. In de operationele plannen is o.m. voorzien in individuele arbeidstrajectbegeleiding. In 2002 werden 3 proefprojecten opgestart gecoördineerd door CBE's. In 2007 werden de projecten stopgezet en vervangen door een nieuwe regeling voor alle Vlaamse en Brusselse gevangenissen. De coördinatie van het onderwijs aan gedetineerden is voortaan een taak van de consortia volwassenenonderwijs (zie 7.5.1.). Daartoe hebben zij onderwijscoördinatoren aangesteld met het budget dat hen daarvoor werd toegekend. De onderwijscoördinatoren worden ondersteund door het samenwerkingsverband tussen de pedagogische begeleidingsdiensten en het VOCVO, het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs (zie 9.3.3.2.). Er fungeert tevens een 'stuurgroep onderwijs aan gedetineerden'. Ondanks de stopzetting van de organisatie van afstandsleren door het ministerie van Onderwijs en Vorming kunnen gedetineerden beroep blijven doen op schriftelijk onderwijs (zie 7.2.9.). Ondanks de overdracht van de organisatie van afstandsleren door het departement onderwijs kunnen gedetineerden beroep blijven doen op afstandsleren (zie 7.11.7.). Inzake cultuur, sociaal-culturele vorming en sport is De Rode Antraciet (zie 7.5.6.) verantwoordelijk voor het aanbod voor gedetineerden. WEVO, de Werkgroep Vorming en Ondersteuning, samengesteld uit vertegenwoordigers van de beleidscel Samenleving en Criminaliteit, het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, het VOCVO, de Rode Antraciet en de VDAB, staat in voor de bovensectorale vorming en opleiding van de hulp- en dienstverleners die bij de implementatie van het strategisch plan zijn betrokken. Permanente vorming / 280
http://wvg.vlaanderen.be/welzijnenjustitie/gedetineerden/stratplan.htm http://www.derodeantraciet.be/ Voor een overzicht van de onderwijsinitiatieven aan gedetineerden: zie http://www.vocvo.be
7.3. Wettelijk kader In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.3.1. Volwassenenonderwijs & basiseducatie 7.3.2. Beroepsopleiding VDAB 7.3.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.3.4. Landbouwvorming 7.3.5. DKO, Deeltijds kunstonderwijs 7.3.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk
7.3.1. Volwassenenonderwijs - wettelijk kader ● ●
●
●
●
Decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. Bijzonder nuttig zijn de omzendbrieven betreffende de centra voor basiseducatie (VWO/2007/02 (cbe)), de centra voor volwassenenonderwijs (VWO/2007/01 (cvo)) en de consortia volwassenenonderwijs (VWO/2009/02). In uitvoering van het decreet van 2007 werden er heel wat besluiten van de Vlaamse Regering opgemaakt en werden de omzendbrieven aangepast. Voor een volledig overzicht van het wettelijk kader voor het volwassenenonderwijs zie: www.ond.vlaanderen.be/edulex/ > rubrieken wetgeving > volwassenenonderwijs; onder de rubriek omzendbrieven vindt men de bijhorende omzendbrieven. In 2008 en 2009 verschenen verschillende Besluiten van de Vlaamse Regering betreffende de modulaire structuur voor verschillende studiegebieden van het secundair volwassenenonderwijs. Het Besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 betreft de organisatie en de werking van de ombudsdienst van de consortia volwassenenonderwijs.
7.3.2. Beroepsopleiding VDAB - wettelijk kader Er werd een beheersovereenkomst gesloten met de VDAB voor de periode 2005-2009 (verlengd tot 2010). ● ● ●
Besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding. Besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de opleidings- en begeleidingscheques voor werknemers. VDAB-decreet van 7 mei 2004.
Permanente vorming / 281
7.3.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - wettelijk kader Het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – SYNTRA Vlaanderen (een EVA, extern verzelfstandigd agentschap) werd gecreëerd door het Decreet van 7 mei 2004, in uitvoering van het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003; geconcretiseerd door het Organisatiebesluit van 3 juni 2005. Het valt onder de bevoegdheid van de Vlaamse minister die werkgelegenheid onder zijn bevoegdheid heeft. De Vlaamse Regering keurde eind december 2007 de beheersovereenkomst 2008-2010 met SYNTRA-Vlaanderen goed. Die vindt men samen met een gedetailleerd overzicht van de relevante wetgeving op de website van SYNTRA Vlaanderen. http://www.syntravlaanderen.be/Syntravlaanderen/Index.aspx Volgende besluiten hebben betrekking op de vorming: Ondernemersopleiding - basisbesluit
Besluit Vlaamse Regering 23 februari 1999
Voortgezette vorming - basisbesluit
Besluit Vlaamse Regering 4 april 2003
Voor de leertijd: zie 5.3..
7.3.4. Landbouwvorming – wettelijk kader ● ● ●
●
Decreet van 3 maart 2004 inzake de subsidiëring van meer duurzame landbouwproductiemethoden en de erkenning van centra voor meer duurzame landbouw. Besluit van de Vlaamse Regering van 4 juni 2004 betreffende de toekenning van subsidies voor naschoolse opleidingsinitiatieven in de landbouwsector. Besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2008 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juni 2004 betreffende de toekenning van subsidies voor naschoolse opleidingsinitiatieven in de landbouwsector. Ministerieel besluit van 26 november 2007 betreffende de toekenning van subsidies voor naschoolse opleidingsinitiatieven in de landbouwsector.
7.3.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO – wettelijk kader ● ● ● ●
●
Decreet van 31 juli 1990 (Onderwijsdecreet II). Besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "Beeldende Kunst". Idem, voor "Muziek, Woordkunst en Dans". Besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2007 betreffende de administratieve omkadering in het deeltijds kunstonderwijs en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage Besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 2007 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het Deeltijds Kunstonderwijs.
Permanente vorming / 282
● ●
Decreet van 10 juli 2007 houdende enkele dringende maatregelen voor het deeltijds kunstonderwijs. Besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 2009 betreffende de oprichting en organisatie van kunstacademies in het deeltijds kunstonderwijs.
7.3.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - wettelijk kader ● ● ●
Decreet van 6 juli 2001 houdende ondersteuning van de federatie van erkende organisaties voor volksontwikkelingswerk (FOV-decreet). Decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Het werd bijgestuurd na een eerste evaluatie in 2006 en een tweede in 2008. Besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2003 houdende uitvoering van het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk (bijgestuurd na de eerste evaluatie in 2006).
Het decreet beperkt zich tot het sociaal-cultureel werk voor volwassenen. Het bepaalt de organisatie van de sector, welke werksoorten erkend en gesubsidieerd kunnen worden en aan welke voorwaarden ze moeten voldoen.
7.4. Algemene doelstellingen In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.4.1. Volwassenenonderwijs & basiseducatie 7.4.2. Beroepsopleiding VDAB 7.4.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.4.4. Landbouwvorming 7.4.5. DKO, Deeltijds kunstonderwijs 7.4.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk
7.4.1. Volwassenenonderwijs - doelstellingen Het volwassenenonderwijs heeft als doelstelling: ●
●
de cursisten de kennis, vaardigheden en attitudes bij te brengen die nodig zijn voor de persoonlijke ontwikkeling, het maatschappelijk functioneren, het verder deelnemen aan onderwijs, het uitoefenen van een beroep of het beheersen van een taal; de cursisten in staat te stellen erkende studiebewijzen te behalen.
Belangrijke opdrachten hierbij zijn: ● ● ● ● ●
organisatie van leertrajecten en leertrajectbegeleiding; behoeftendetectie van doelgroepen; activerings- en keuzebegeleidingsactiviteiten gericht op verdere deelname van cursisten aan het opleidingsaanbod; onderlinge afstemming van het aanbod; samenwerking en afstemming met andere publieke verstrekkers van opleidingen voor volwassenen; Permanente vorming / 283
●
beoordeling en certificering van eerder verworven competenties.
De opleidingen basiseducatie hebben tot doel het algemene geletterdheidsniveau te verhogen. Consortia volwassenenonderwijs
Voor de doelstellingen van de consortia volwassenenonderwijs, zie 7.5.1.. De consortia volwassenenonderwijs staan ook in voor de coördinatie van de onderwijsinitiatieven naar gedetineerden (zie 7.2.9.).
7.4.2. Beroepsopleiding VDAB - algemene doelstellingen Het dienstenpakket van de VDAB omvat arbeidsbemiddeling, trajectbegeleiding, competentieontwikkeling en loopbaanbegeleiding. Met betrekking tot competentie-ontwikkeling met het oog op de levenslange en duurzame inschakeling op de arbeidsmarkt staan drie belangrijke doelstellingen centraal: ●
●
●
het stimuleren, organiseren en bevorderen van de competentieontwikkeling en –erkenning van werkzoekenden inzonderheid door de inrichting van competentiecentra, de erkenning van de verworven competenties en de organisatie van opleidingen met als doel het verwerven van aangepaste competenties met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt; het verschaffen, organiseren en bevorderen van beroepsopleidingen en de bijhorende begeleiding van werkzoekenden en werknemers door, onder meer, het verzorgen van sollicitatietraining, van beroepsspecifieke opleiding, van persoonsgerichte vorming in opleidingscentra en/of op de werkvloer; het toekennen van tegemoetkomingen inzake opleiding met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt, inzonderheid het toekennen van opleidingscheques.
De beheersovereenkomst en het meerjarenondernemingsplan van VDAB voor de periode 20052009/2010 omvat voor de beroepsopleiding onder meer de volgende ontwikkelingen. Na een experimentele start in 2002 en de omvorming van de VDAB-centra voor beroepsopleiding in competentiecentra in 2003 werden deze centra als belangrijke pijler van de VDAB-dienstverlening geconsolideerd. De uitbouw van de competentiecentra sloot aan bij de Vlaamse en Europese doelstellingen van een Leven Lang Leren om alle actieven op de arbeidsmarkt te begeleiden en hen kansen te geven om competenties te verwerven. De gekende vaktechnische opleiding (competentieontwikkeling) werd in deze competentiecentra aldus aangevuld met informatie over de arbeidsmarkt, loopbaanbegeleiding, gespecialiseerde screening en certificering van competenties. Met zijn competentiebeleid wil VDAB de competenties van werkzoekenden en werknemers actualiseren, vertrekkend van de herkenning van de competenties die ze reeds bezitten, via een opleiding en leerbegeleiding die de kortste weg naar werk garandeert en tegelijk perspectief biedt op verdere loopbaansturing en kwalificering, zodat ze na verloop hun competenties kunnen toetsen aan competenties die in vacatures worden gevraagd. De sectorale inbedding van deze centra moet borg staan voor een nauwe aansluiting van het competentie- en opleidingsbeleid bij de sectorale ontwikkelingen. De verdere ontwikkeling van de VDAB-competentiecentra gebeurt volgens de volgende krachtlijnen: ● ●
nauwere en gestructureerde samenwerking met sectoren en gecoördineerde uitvoering van de afspraken voortvloeiende uit de sectorconvenants (zie 7.15.7.1.); zich inschakelen in de uitvoering van het decreet " titels van beroepsbekwaamheid" (ervaringsbewijs) en in de ruimere EVC-procedures (zie 7.14.7.);
Permanente vorming / 284
● ● ● ●
integratie van de opleiding basisvaardigheden ICT; basisbeheersing van het Nederlands, sleutelvaardigheden en zelfsturingscompetenties; afstemming met de andere publieke opleidingsactoren en onderwijsinstellingen; uitbouw van virtuele dienstverlening via webleren en blended leren en van leermethodes ter flexibilisering van de leerpaden (die een echte boom heeft gekend in 2009); een belangrijke rol wordt voorzien voor stages en werkplekleren.
Ingevolge de beheersovereenkomst moet de VDAB een oververtegenwoordiging van de volgende kansengroepen in zijn aanbod bereiken: allochtonen, arbeidsgehandicapten, ouderen, kortgeschoolden. Dit impliceert dat de competentiecentra hun processen op methodologisch vlak aan deze nieuwe klanten aanpassen met focus op een gepaste kanalenmix. Nagestreefde innovaties houden o.a. in teamwerking van de medewerkers, remediërende opleidingen voor volwassenen met leerproblemen, expertise-opbouw inzake cultuurneutraal test- en leermateriaal. De algemene doelstellingen, leerplannen en methoden hangen sterk samen en hangen af van het specifieke doel van een bepaalde opleiding of initiatief. Het opleidingsaanbod omvat: ● ● ●
opleidingen voor industriële en technische beroepen; opleidingen voor de dienstensector, voor handel en verkoop (HAVO); opleidingen voor de social profit.
Naast de opleidingen voor individuele werknemers, maken sinds 1988 ook de opleidingen voor werknemers op vraag van de werkgever deel uit van het opleidingsaanbod van de VDAB; sinds 2002 zijn die betalend.
7.4.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - algemene doelstellingen Het "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – SYNTRA Vlaanderen" heeft tot missie de draaischijf te zijn van een geïntegreerd beleid inzake “Ondernemersvorming”, teneinde hierdoor bij te dragen tot meer en beter ondernemerschap als essentiële factor in de sociaal – economische ontwikkeling van Vlaanderen. Strategisch moeten door “Ondernemersvorming” drie doelstellingen bewerkstelligd worden: de organisatie van een draaischijf, meer ondernemerschap en beter ondernemerschap. Als draaischijf moet SYNTRA Vlaanderen instaan voor een brede kennisvergaring rond het opleidings- en vormingsgebeuren m.b.t. ondernemerschap. Een gestructureerd overzicht van info moet leiden tot kwaliteitsverbetering en moet het mogelijk maken om lacunes op te sporen en aan te pakken, zowel voor het beleid als relevante spelers op het terrein." ("Samen voor meer banen": Een Vlaams Meerbanenplan, januari 2006, p. 14). Het in belangrijke mate virtueel kenniscentrum voor ondernemerscompetenties Competento (http://www.competento.be ) zorgt voor de kennisborging van alle inhoudelijke activiteiten inzake “Ondernemersvorming” in Vlaanderen. Het geeft informatie over: o o o o o o
Beleidsdocumenten en Onderzoeksrapporten Contacten en uitwisseling onderwijs-bedrijfsleven Modellen, methodieken en Lesmaterialen Netwerken rond Leren Ondernemen Screeningsinstrumenten ondernemerscompetenties Opleiding voor opleiders, lesgevers en onderwijzers Opleidingstrajecten
Permanente vorming / 285
Om bepaalde (potentiële) marktsegmenten, knelpuntenberoepen of specifieke doelgroepen te detecteren en aan te spreken zullen samenwerkingsverbanden en partnerschappen worden aangegaan met instellingen en organisaties die de specificiteit van deze markt goed kennen of die ervaring hebben met een bepaalde doelgroep. Om meer ondernemerschap te realiseren zal het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – SYNTRA Vlaanderen de draaischijf zijn van diverse initiatieven in verband met de algemene promotie en sensibilisering rond “Ondernemersvorming” en het stimuleren van de ondernemerszin, ondernemersvaardigheden en – attitudes, en dit met het oog op doelgroepen die in het verleden minder participeerden aan het opleidingsaanbod en aan het ondernemerschap in Vlaanderen. Een eerste speerpunt, met een duidelijke strategie is het onderwijs. Vandaag al worden er binnen onderwijs tal van initiatieven genomen om de ondernemerscompetenties bij jongeren aan te scherpen. SYNTRA Vlaanderen treedt daarom ondersteunend op – zowel beleidsmatig als operationeel – binnen het Actieplan Ondernemend Onderwijs. Daarnaast is het even belangrijk dat het agentschap instaat voor de formulering, implementatie en coördinatie van een doelgroepen – en kansengroepenbeleid inzake ondernemersvorming. De nadruk ligt hierbij zowel op het aspect meer als het aspect beter ondernemen. Eigenlijk zijn deze beide elementen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Deze specifieke gerichtheid naar doel- en kansengroepen wordt onderbouwd doordat specifieke doelgroepen in onvoldoende mate doorstromen naar het ondernemerschap en/of in onvoldoende mate participeren aan opleiding en vorming of indien ze participeren verminderde slaagkansen hebben voor het succesvol beëindigen van een opleidingstraject. Uit de praktijk blijkt vooreerst dat specifieke groepen, in elk geval kansengroepen, in onvoldoende mate doorstromen naar het ondernemerschap. Aangepaste trajecten in functie van de vooropleiding en elders verworven competenties vormen vaak de juiste brug tussen het willen starten als ondernemer en het effectief opstarten van een zaak. Extra aandacht wordt besteed aan kortgeschoolden, allochtonen, 50-plussers en personen met een arbeidshandicap. Het doel- en kansengroepenbeleid dat vanaf het najaar 2006 zeer expliciet door SYNTRA Vlaanderen werd geoperationaliseerd past perfect in de competentieagenda van de Vlaamse Regering en in de talentontwikkeling van elkeen. (Voor een overzicht van de resultaten van de eerste 2 jaar doel- en kansengroepenbeleid, zie Cahier 6 ‘Ondernemersvorming heeft oog voor elk talent’, 2009) Met het oog op beter ondernemerschap is een eerste geplande actie de afstemming en de vernieuwing van de trajecten bedrijfsbeheer. Het agentschap speelt een ondersteunende rol, vanuit de expertise die het opbouwde. Om de ondernemerschap – en innovatiecultuur van zowel ondernemers als werknemers in de ondernemingen te realiseren, moeten de behoeften aan kennis van de ondernemingen in alle fases van hun groei ingevuld worden. Dergelijke bedrijfsversterkende acties zijn hoofdzakelijk vraaggericht. Het opleidingsaanbod van het SYNTRA-netwerk is gebaseerd op drie basisprincipes: ● ● ●
het aanbieden van permanente vorming met opeenvolgende niveaus en mogelijkheden; het systeem van alternerend leren, waarbij leren afgewisseld wordt met werken; de modulaire organisatie van het aanbod, waarbij men zelf de opleiding samenstelt volgens het eigen niveau en de eigen opleidingsbehoeften.
Permanente vorming / 286
7.4.4. Landbouwvorming - algemene doelstellingen De vormingsactiviteiten zijn bestemd voor verschillende doelgroepen. Alle opleidingen (behalve vervolmaking):
● ● ● ● ● ●
de zelfstandige bedrijfshoofden (in hoofd- of nevenberoep) van een land- of tuinbouwbedrijf, hun medewerkende gezinsleden, zelfstandige helpers en landbouwwerknemers; de werknemers van bedrijfsverzorgingsdiensten in de landbouwsector; de loonwerkers, bloemisten, tuinaannemers en hun meewerkende gezinsleden en werknemers; de werknemers van groendiensten van openbare besturen; de erkende verkopers en gebruikers van fytoproducten en de erkende gebruikers van biociden voor gebruik in de landbouw; de imkers.
Startersopleidingen:
● ●
●
alle voornoemde deelnemers; de personen die zich voorbereiden om in hoofd- of nevenberoep te gaan werken in de landbouwsector, of die zich voorbereiden op een bedrijfsaanpassing, een omschakeling of een diversifiëring binnen de landbouwsector; de personen die kandidaat zijn om erkende verkopers en gebruikers van fytoproducten en erkende gebruikers van biociden voor gebruik in de landbouwsector te worden.
K o r t e v o r m i n g s a c t i v i t e i t e n b e s t e m d v o o r h o b b yl a n d b o u we r s :
●
personen die landbouwactiviteiten als hobby uitoefenen.
Vervolmakingsdagen:
●
de lesgevers die in de naschoolse landbouwvorming actief zijn.
7.4.5. Deeltijds kunstonderwijs – algemene doelstellingen Het deeltijds kunstonderwijs komt tegemoet aan de algemene kunstzinnige belangstelling van de leerling, biedt de mogelijkheid tot voeding van zijn artistieke ambities of kan instaan voor een professionele vorming, met kansen in het beroepsleven. De doelstellingen zijn drieledig: kunst zelf leren beoefenen, kunst leren ontdekken en begrijpen en jongeren voorbereiden op het hoger kunstonderwijs. Het deeltijds kunstonderwijs van de toekomst (volgende de uitgangspunten in het rapport Verdieping/Verbreding) heeft een dubbele maatschappelijke opdracht: enerzijds artistieke opleidingen organiseren, op het niveau van amateurs, maar ook ter voorbereiding op het hoger(kunst)onderwijs, anderzijds kunst- en cultuureducatie in het kleuter- en leerplichtonderwijs bevorderen.
7.4.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk- algemene doelstellingen Het sociaal-cultureel volwassenenwerk heeft drie gemeenschappelijke algemene doelstellingen: ●
bijdragen tot de evenwichtige ontplooiing van ieder individu als actieve participant in de samenleving;
Permanente vorming / 287
● ●
mensen via niet-formele educatie stimuleren in de ontwikkeling van competenties (bijv. op het vlak van maatschappelijke integratie, actief burgerschap, …); werken aan de zingeving en emancipatie van mensen en zo bijdragen tot cultuuropbouw, tot maatschappelijke integratie en tot de realisatie en de versteviging van een democratische samenleving.
7.5. Soorten instellingen In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.5.1. Volwassenenonderwijs & basiseducatie 7.5.2. Beroepsopleiding VDAB 7.5.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.5.4. Landbouwvorming 7.5.5. DKO, Deeltijds kunstonderwijs 7.5.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk
Soorten en aantal instellingen CVO's, Centra voor Volwassenenonderwijs
113
CBE's, Centra voor Basiseducatie
13
Campussen van SYNTRA Vlaanderen (5 regionale koepels)
24
Opleidingscentra VDAB
68
Academies voor deeltijds kunstonderwijs, waarvan: - voor beeldende kunst - voor muziek, woordkunst en dans
167 66 101
Opleidingscentra voor landbouwvorming
42
Sociaal-culturele verenigingen
57
Sociaal-culturele bewegingen
31
Volkshogescholen
13
Erkende landelijke vormingsinstellingen
26
7.5.1. Volwassenenonderwijs - soorten instellingen Het onderwijsaanbod is georganiseerd binnen 13 regionale werkingsgebieden, door CBE's, centra voor basiseducatie en CVO's, centra voor volwassenenonderwijs, waarbij per werkingsgebied een consortium zorgt voor de optimalisering van het aanbod en de onderlinge samenwerking van de centra.
CBE's, centra voor basiseducatie & CVO's, centra voor volwassenenonderwijs De basiseducatie is georganiseerd door CBE's, centra voor basiseducatie. ● ●
Dit dienen pluralistische centra te zijn, opgericht onder de vorm van een vzw. De algemene vergadering dient voor ten minste ¼ te bestaan uit vertegenwoordigers van gemeenten, provincies, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, OCMW's of districten (in
Permanente vorming / 288
●
het CBE van Brussel hoofdstad dient dit ten minste één vertegenwoordiger van de Vlaamse Gemeenschapscommissie te zijn). Per werkingsgebied is vanaf 1 september 2008 slechts één centrum voor basiseducatie gesubsidieerd. Dat beschikt dan wel over een volwaardige directiefunctie met de mogelijkheid om stafmedewerkers en ervaringsdeskundigen inzake armoede en uitsluiting aan te stellen.
Het secundair volwassenenonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleidingen worden georganiseerd door CVO's, Centra voor volwassenenonderwijs. Deze kunnen worden opgericht als vrij centrum of als officieel centrum De CBE's en de CVO's zijn bevoegd voor de opleidingen die tot hun leer-/studiegebied behoren alsook voor de organisatie van de individuele trajectbegeleiding van de cursisten, de activerings- en keuzebegeleidingsactiviteiten en de openleercentra. Ze kunnen ook geldige studiebewijzen uitreiken. De CVO's zijn bovendien bevoegd voor het assessment van de bekwaamheid die iemand via formeel of non-formeel leren heeft verworven om een bepaald beroep uit te oefenen i.f.v. het verwerven van een ervaringsbewijs. Voor deze bevoegdheid is een specifieke erkenning noodzakelijk. Sommige centra organiseren Open leercentra. Dit zijn klassen uitgerust met didactisch materiaal en ICT-infrastructuur waar cursisten op individuele basis al dan niet onder begeleiding zelfstandig komen leren. De openleercentra dienen o.a. om de drempel naar de cursisten te verlagen met een beperkt opleidingsaanbod en met de mogelijkheid om er op individuele basis te leren met zo nodig begeleiding en ondersteuning of om te zoeken naar een passen opleidingsaanbod. Ze zijn ook een geschikte methodiek om onderwijs aan gedetineerden te organiseren. De CBE's en CVO's worden ondersteund door het VOCVO, Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs of de PBD's, de pedagogische begeleidingsdiensten (zie 9.3.3.2.). Daartoe werden op 23/5/2008 samenwerkingsovereenkomsten gesloten tussen de Vlaamse Regering, de PBD's en het VOCVO. (http://www.vocvo.be & http://www.ond.vlaanderen.be/sites/pbd.htm ) De belangen van de CBE's worden behartigd door de koepelorganisatie Federatie Centra Basiseducatie. De belangen van de CVO's worden behartigd door de Raad GO! voor het Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap en door de representatieve verenigingen van inrichtende machten voor de andere netten. Enkele centra zijn niet aangesloten bij een representatieve vereniging van inrichtende machten. (http://www.basiseducatie.be/federatie-centra-voor-basiseducatie-vzw )
Consortia volwassenenonderwijs In 2008 zijn ook 13 consortia volwassenenonderwijs opgericht. Met elk consortium heeft de overheid een samenwerkingsovereenkomst gesloten ter concretisering van de bepalingen in het decreet. ●
● ●
●
De consortia volwassenenonderwijs dienen de samenwerkingsovereenkomst lokaal in te vullen met het opmaken van een vijfjaarlijks opleidingsplan; met o.m. een omgevingsanalyse om de dienstverlening naar de cursisten te optimaliseren, afstemming van het aanbod CBE - CVO, voldoende aanbod NT2, Algemene Vorming, onderwijs aan gedetineerden, afsprakenkader andere publieke aanbodverstrekkers. De consortia volwassenenonderwijs verstrekken adviezen over aanvragen voor nieuwe onderwijsbevoegdheid of vestigingsplaatsen door de CVO. Ze dienen sinds 1 september 2008 een regionale ombudsdienst voor de (kandidaat)cursisten te organiseren voor klachtenbehandeling & bemiddeling bij conflicten tussen centrumbestuur en cursisten van alle centra binnen het werkingsgebied (BVR 11 april 2008 betreffende de organisatie en werking van de ombudsdienst van de consortia volwassenenonderwijs). Ze dienen uiterlijk 6 maanden na het sluiten van de samenwerkingsovereenkomst een samenwerkingsprotocol te sluiten met de Huizen van het Nederlands (zie 7.15.8.).
Permanente vorming / 289
●
●
● ●
●
Ze nemen ook de coördinatie en ondersteuning op zich van zogenaamde "duale trajecten" (een anderstalige die bv. een beroepsopleiding wil combineren met een ondersteunende taalopleiding). Ze coördineren en ondersteunen de CBE en CVO bij de uitwerking van een onderwijs- en vormingsbeleid voor gedetineerden, de organisatie van het detecteren van de onderwijs- en vormingsbehoeften van gedetineerden en de begeleiding van het onderwijstraject van gedetineerden. Ze dienen het opleidingenaanbod van de centra te optimaliseren en op elkaar af te stemmen en de onderlinge samenwerking te bevorderen. Ze werken ook samen met andere publieke verstrekkers van opleidingen voor volwassenen (zoals VDAB en SYNTRA) en fungeren als intermediair aanspreekpunt, ook naar de socioculturele en sociaaleconomische actoren. Ze ondersteunen de centra ook bij de invoering van een kwalitatief afstandsonderwijs (zie 7.11.7.).
7.5.2. Beroepsopleiding VDAB - soorten instellingen De meeste VDAB-opleidingen vinden plaats in de eigen centra van de VDAB. De VDAB heeft 68 competentiecentra, verspreid over Vlaanderen, met zo'n 700 instructeurs, met lesgevers Nederlands als Tweede taal (NT2), sollicitatiebegeleiders en klantenconsulenten. Over het hele land zijn er ongeveer 400 afdelingen die een hele reeks beroepen beslaan in de bouwnijverheid, metaalnijverheid, transportindustrie, grafische industrie, houtindustrie, textielindustrie,... Voorts kunnen opleidingen ook plaatsvinden in de ondernemingen zelf die vragende partij zijn voor de opleiding. Met webleren gebeurt het leren thuis of op de werkplek en is het cursusmateriaal 24 uur op 24 online ter beschikking. Van maandag tot en met vrijdag tussen 16.00u en 22.00u geeft een onlinecoach feedback. In 2009 heeft deze ontwikkeling een echte boom gekend. In 2008 hebben de VDAB en SYNTRA Vlaanderen een raamovereenkomst gesloten voor het gemeenschappelijk gebruik van hun gebouwen en opleidingsuitrusting. Binnen deze raamovereenkomst kunnen de VDAB-competentiecentra en de SYNTRA-campussen concrete samenwerkingsverbanden uitwerken. Concreet houdt de samenwerking in dat de VDAB en SYNTRA elkaars leerateliers of praktijkruimtes met specifieke (technische) uitrusting, leslokalen met uitrusting (stoelen, tafels, whiteboard, dataprojector) en pc-lokalen samen gebruiken. De VDAB heeft de leslokalen voornamelijk overdag nodig terwijl de SYNTRA-opleidingen meestal ’s avonds plaatsvinden. (http://vdab.be/ )
7.5.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - soorten instellingen Het SYNTRA-netwerk bestaat uit 5 erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kmo met in het totaal 24 campussen in Vlaanderen en Brussel. Het wordt gesubsidieerd door SYNTRA Vlaanderen. De subsidiëring is echter maar partieel, een gedeelte van de inkomsten moet worden verworven via inschrijvingsgelden. (http://www.syntravlaanderen.be/ )
Permanente vorming / 290
7.5.4. Landbouwvorming - soorten instellingen Het vormingsaanbod wordt georganiseerd door erkende centra gesubsidieerd door het Vlaamse Gewest (zie 2.6.2.3.). De subsidie wordt deels gedragen door de Europese Unie in het kader van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling. De Vlaamse Overheid (Departement Landbouw en Visserij, Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling) staat in voor de erkenning van de organisatoren (de erkende centra), de registratie van de lesgevers, de subsidiëring van de vormingsactiviteiten, de inspecties ter plaatse, de visering van de getuigschriften en de betaling van de vergoeding voor sociale promotie van de deelnemers. Er zijn in Vlaanderen 48 erkende opleidingscentra: ● ● ●
4 algemene centra voor landbouweducatie, 33 gewestelijke, 11 centra voor hobbylandbouwvorming.
De Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling heeft in het kader van de nieuwe regelgeving van de landbouwvorming de mogelijkheid om jaarlijks een oproep tot het indienen van innovatieve vormingsprojecten in de landbouwsector te richten aan de erkende vormingscentra. Tot nu toe werd de toepassing van nieuwe leermethoden die gebruik maken van Internet (e-learning) te stimuleren, of het uittesten van peterschap in de landbouw gesubsidieerd. http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=36
7.5.5. Deeltijds Kunstonderwijs – soorten instellingen Het DKO bood tot 1 september 2009 biedt 4 studierichtingen aan in 2 soorten scholen: ● ●
academies voor Beeldende kunst, academies voor Muziek, Woordkunst en Dans.
De schoolbevolking in het Deeltijds Kunstonderwijs is sinds het schooljaar 1994-1995 sterk toegenomen (zie 7.17.5.1.). Vanaf het schooljaar 2009-2010 kunnen ook kunstacademies worden opgericht, o.m. door oprichting van nieuwe instellingen of fusie van instellingen, overheveling of samensmelting van filialen. Kunstacademies zijn instellingen die de studierichtingen beeldende kunst en muziek en één of meer andere studierichtingen organiseren. Directeursverenigingen voor het deeltijds kunstonderwijs (DKO) VerDi vzw (muziek, woordkunst en dans) en Codibel vzw (beeldende kunst) hebben samen een website deeltijds kunstonderwijs ontwikkeld die een permanent geactualiseerd overzicht geeft van activiteiten: http://www.deeltijdskunstonderwijs.be
Permanente vorming / 291
7.5.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - soorten organisaties Het nieuwe decreet sociaal-cultureel volwassenenwerk (4 april 2003) heeft geleid tot een grondige hertekening van het landschap, met sociaal-culturele verenigingen, volkshogescholen (of Vormingsplus-centra), landelijke vormingsinstellingen en bewegingen. Verenigingen
Een vereniging is volgens het decreet, een netwerk van afdelingen of groepen, gericht op zingeving en emancipatie van leden en deelnemers, met het oog op persoonlijke en maatschappelijke ontplooiing. Een vereniging vervult een gemeenschapsvormende functie, een culturele functie, een educatieve functie en een maatschappelijke activeringsfunctie. Een vereniging moet minstens 50 werkende (lokale) afdelingen of (thematische/bovenlokale) groepen tellen, gespreid over minstens 3 provincies, een vereniging met startsubsidies minstens 25 afdelingen. Verenigingen van migranten moeten pas tegen het einde van de lopende beleidsperiode (2010) voldoen aan de normen van het decreet (minstens 50 afdelingen of groepen, spreiding over 3 provincies) en vanaf dan werken op basis van een beleidsplan. De 57 sociaal-culturele verenigingen tellen bijna 13 000 lokale afdelingen en groepen en 2 miljoen leden (op basis van cijfers van FOV). Bewegingen
Bewegingen zijn organisaties met landelijk karakter die gespecialiseerd zijn in een thema of cluster van nauw verwante thema's. Ze organiseren activiteiten op het vlak van sensiblisatie, educatie en sociale actie met het oog op maatschappelijke verandering en richten zich daartoe op een ruim publiek. Sedert 1 januari 2006 werden 32 organisaties gesubsidieerd als sociaal-culturele beweging. Eén beweging heeft ondertussen haar werking stopgezet. Vormingsplus-centra of volkshogescholen
Sedert begin 2004 zijn 13 volkshogescholen (dit zijn de Vormingplus-centra) actief in evenveel regio's. Zij moeten zorgen voor een behoeftedekkend aanbod van niet-formele educatie in hun regio door het zelf te organiseren en door het aanbod van andere culturele aanbieders te coördineren. Dit aanbod moet breed en open zijn. Open wil zeggen dat het tijdig wordt aangekondigd en dat iedereen vrijwillig moet kunnen deelnemen. Een volkshogeschool mag daarvan afwijken voor doelgroepen met een educatieve achterstand die weinig of niet bereikt worden met een open aanbod in hun autonome levenssfeer. Bij de oprichting van deze volkshogescholen waren een 30-tal erkende vormingsinstellingen en deelorganisaties van erkende samenwerkingsverbanden betrokken. Landelijke vormingsinstellingen
Deze moeten in minstens 4 provincies activiteiten ontplooien of deelnemers uit minstens 4 provincies bereiken. Er zijn 3 soorten instellingen met in het totaal 26 erkende vormingsinstellingen. ●
●
In een thema gespecialiseerde vormingsinstellingen: deze moeten een aanbod niet-formele educatie ontwikkelen en organiseren rond het thema of de cluster van thema's waarin ze gespecialiseerd zijn. Ook dit aanbod moet in principe open zijn. Een gespecialiseerde vormingsinstelling mag daarop een uitzondering maken met een gesloten aanbod voor kaders en multiplicatoren uit de culturele sector en in beperkte mate voor doelgroepen met een educatieve achterstand. Tot het einde van de lopende beleidsperiode (2006-2010) worden 19 (in een thema) gespecialiseerde vormingsinstellingen erkend en gesubsidieerd. Syndicale vormingsinstellingen: deze richten zich binnen een syndicale beweging met een open aanbod tot personen in een arbeidssituatie en personen in een situatie van werkloosheid. Sedert het nieuwe decreet worden nog 3 (samenwerkingsverbanden van) syndicale vormingsinstellingen erkend. Er wordt immers nog slechts één syndicale vormingsinstelling per erkende vakbond gesubsidiëerd.
Permanente vorming / 292
●
Vormingsinstellingen voor personen met een handicap
○ De vormingsinstellingen gespecialiseerd in de doelgroep personen met een handicap hebben zich, zoals de overheid voorschreef, gegroepeerd in 3 federaties. Ze moeten via een aanbod niet-formele educatie een sociaal-culturele werking ontplooien voor personen met een handicap en hun omgeving. Een kwart van hun programmaaanbod mag zich richten tot begeleiders van hun doelgroep uit de non-profitsector.
○ De overheid subsidieert op basis van het decreet ook één Federatie van vormingsdiensten voor personen met een handicap. Deze federatie groepeert 5 voormalige diensten voor sociaal-cultureel werk. Zij ontwikkelen naast educatieve programma's, aanvullende activiteiten op het vlak van sensiblisatie, begeleiding en maatschappelijke activering.
○ Er worden ook een aantal verenigingen en bewegingen gesubsidieerd die zich richten tot bepaalde doelgroepen en in functie hiervan niet-formele vorming organiseren of informele leercontexten creëren. Op basis van het zelfde decreet werd tot eind 2007 ook één vormingsinstelling gesubsidieerd gespecialiseerd in de doelgroep voor gedetineerden: De Rode Antraciet (voor het strategisch actieplan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden zie 7.2.9.). Deze organisatie kreeg vanaf 2008 een plaats in het participatiedecreet, maar blijft voorzien in een vormings-, ontspannings- en sportaanbod voor gedetineerden. Het decreet houdende flankerende maatregelen ter bevordering van de participatie aan cultuur, jeugdwerk en sport van 18 januari 2008 is een nieuw instrument dat enerzijds een kwaliteitsvol aanbod wil stimuleren en dit aanbod in het bereik van zoveel mogelijk mensen wil brengen en anderzijds mensen en groepen wil stimuleren om zelf mee vorm te geven aan een rijk en divers jeugdwerk-, sport- en cultuurleven. Ook bepaalde vormingsinitiatieven voor volwassenen worden d.m.v. dit decreet financieel ondersteund. In opdracht van het Agentschap Sociaal-Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen werd in 2008 middels een Delphi-onderzoek de recente evoluties en kenmerken van niet-formele educatie in kaart gebracht, gefocust op de educatieve component van het sociaal-cultureel werk. Dit actieonderzoek focust zich op de regionale volkshogescholen en moet meer duidelijkheid bieden inzake gemeenschappelijke positionering, afstemming en beleidsvoering van de regionale volkshogescholen. Hieraan voorafgaand werd in 2007 een adviesrapport opgemaakt dat de eigenschappen en positie van niet-formele educatie in het sociaal-cultureel volwassenenwerk in kaart brengt. http://www.sociaalcultureel.be/volwassenen/onderzoek_posnietformeduc.aspx Op 20 februari 2006 maakte de bevoegde minister een 'Vlaams Actieplan: Interculturaliseren van en voor Cultuur, Jeugdwerk en Sport ' bekend. Dit plan houdt onder meer in dat het steunpunt SoCiuS en de volkshogescholen hun besturen en personeelsbestanden etnisch-cultureel divers moeten samenstellen. De notie 'interculturaliteit' wordt ook als evaluatiecriterium ingeschreven voor alle werksoorten. Dit wil concreet zeggen dat de organisaties vanaf 2008 in hun beleidsplan en jaarplannen moeten verduidelijken hoe ze zich positioneren ten opzichte van dit criterium en dat het Agentschap Sociaal-cultureel werk voor Jeugd en Volwassenen het zal gebruiken voor de evaluatie van de werking van de organisaties. Voor het Vlaams actieplan http://www.interculturaliseren.be/. De uitvoering van het decreet op het sociaal-cultureel volwassenenwerk stond het afgelopen jaar in het teken van de visitaties van de sociaal-culturele organisaties. De artikelen 42 en 43 van het decreet van 4 april 2003 voorzien voor elke gesubsidieerde organisatie in een evaluatiemoment door de administratie. De decreetaanpassing van 14 maart 2008 heeft dit evaluatiemoment geactualiseerd onder meer in de vorm van een verplicht plaatsbezoek (visitatie) bij elke gesubsidieerde organisatie in de loop van een beleidsperiode. In de periode van september 2008 t.e.m. juni 2009 verrichtte de administratie 108 visitaties. In september en oktober gingen nog 7 visitaties door bij de drie syndicale vormingsinstellingen, de drie vormingsinstellingen voor personen met een handicap en de federatie voor vormingsdiensten voor personen met een handicap (Vijftact). Permanente vorming / 293
De actualisering van de evaluatiemethode en het plaatsbezoek sluiten aan bij het door de decreetgever ter beschikking gestelde vernieuwende beleidsinstrumentarium (beleidsperiodes, subsidie-enveloppen, beleidsplanning, inhoudelijke en kwaliteitsevaluatie, aandacht voor kwaliteitszorg,..). Het eindresultaat van de evaluaties werd eind 2009 aan de organisaties meegedeeld en levert voor elke gesubsidieerde organisatie een basis op voor de vaststelling van de subsidie-enveloppe voor de volgende beleidsperiode 2011-2015 conform de regels vervat in het decreet van 4 april 2003.
7.6. Geografische toegankelijkheid In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.6.1. Volwassenenonderwijs & basiseducatie 7.6.2. Beroepsopleiding VDAB 7.6.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.6.4. Landbouwvorming 7.6.5. DKO, Deeltijds kunstonderwijs 7.6.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk
7.6.1. Volwassenenonderwijs - geografische toegankelijkheid De centra hebben doorgaans verschillende vestigingsplaatsen en lesplaatsen en zijn verspreid over gans Vlaanderen. Voor specifieke opleidingen is dat niet steeds het geval. Het behoort tot de opdracht van de consortia volwassenenonderwijs om het aanbod in elke regio te optimaliseren in functie van de opleidingsbehoeften zowel van de cursisten als van de arbeidsmarkt.
7.6.2. Beroepsopleiding VDAB - geografische toegankelijkheid De VDAB heeft een wijdvertakt lokaal en regionaal netwerk van competentiecentra. Bovendien maakt de VDAB gebruik van de nieuwste informaticatoepassingen. Webleren is sterk uitgebouwd.
7.6.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - geografische toegankelijkheid Het SYNTRA-netwerk bestaat uit 5 erkende centra voor de vorming van zelfstandigen en KMO (SYNTRA West, SYNTRA Midden-Vlaanderen, SYNTRA Limburg, SYNTRA Brussel, en SYNTRA provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant), met in het totaal 24 campussen in Vlaanderen en Brussel.
Permanente vorming / 294
7.6.4. Landbouwvorming - geografische toegankelijkheid De 4 algemene centra zijn in gans Vlaanderen actief. Daarnaast zijn er ook gewestelijke centra, die meestal provinciaal werken of gespecialiseerd zijn in een sector. Recent wordt ook e-learning en peterschap gepromoot.
7.6.5. Deeltijds kunstonderwijs – geografische toegankelijkheid Het DKO is sterk verspreid in Vlaanderen. De meeste grote en middelgrote steden hebben op hun grondgebied een academie voor beeldende kunst en een voor muziek, woordkunst en/of dans. Die academies hebben meestal filialen in kleinere gemeenten in de buurt, waar heel wat leerlingen dichter bij huis de lagere graad kunnen volgen. Niettemin bestaan er door de zware programmatieregelgeving nog gemeenten zonder officieel aanbod. Een aantal, tijdelijke projecten trachten de blinde vlekken weg te werken door te experimenteren met een alternatieve manier van programmeren, nl. de tijdelijke projecten intergemeentelijke en regionale samenwerking (zie 7.2.5.). Er kunnen als besparingsmaatregel vanaf 2010 geen nieuwe tijdelijke projecten meer worden aangevraagd. Als besparingsmaatregel is de programmatie van instellingen, studierichtingen, graden en filialen bevroren voor de schooljaren 2010-2011 en 2011-2012. De vorming van nieuwe kunstacademies vanuit bestaande DKO_entiteiten blijft wel mogelijk.
7.6.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - geografische toegankelijkheid De sociaal-culturele verenigingen zijn doorgaans sterk lokaal ingebed. Zij tellen samen ongeveer 13.000 lokale afdelingen, dat is gemiddeld bijna 40 afdelingen per Vlaamse en Brusselse gemeente. De 13 volkshogescholen zijn actief in evenveel regio's. Zij vormen samen een netwerk dat het heel Vlaanderen en Brussel bestrijkt. Elke volkshogeschool afzonderlijk moet haar aanbod spreiden tot in de uithoeken van de regio. De landelijke vormingsinstellingen en de bewegingen moeten in minstens 4 provincies activiteiten ontplooien of deelnemers uit minstens 4 provincies bereiken.
7.7. Toelatingsvoorwaarden In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.7.1. Volwassenenonderwijs & basiseducatie 7.7.2. Beroepsopleiding VDAB 7.7.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.7.4. Landbouwvorming 7.7.5. DKO, Deeltijds kunstonderwijs 7.7.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk
Permanente vorming / 295
7.7.1. Volwassenenonderwijs - toelatingsvoorwaarden 7.7.1.1. Basiseducatie Om toegelaten te worden tot een opleiding van de basiseducatie moet een cursist voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht (dus 18 jaar zijn). Voor de opleiding alfabetisering Nederlands 2e taal, Nederlands 2e taal of talen, moet een cursist voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht, dus op het ogenblik van de inschrijving 16 of 15 jaar zijn en de eerste twee leerjaren van het voltijds secundair onderwijs hebben gevolgd.
7.7.1.2. Secundair volwassenenonderwijs Om toegelaten te worden tot het secundair volwassenenonderwijs moet de cursist voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht (uitgezonderd voor de opleidingen Hebreeuws). Voor de opleidingen algemene vorming dient de cursist voldaan te hebben aan de deeltijdse leerplicht; d.w.z. 18 jaar zijn bij inschrijving. Vanaf het schooljaar 2009-2010 is een medisch geschiktheidsattest vereist om als cursist te worden toegelaten tot de opleidingen binnen het studiegebied voeding waarin ze rechtstreeks of onrechtstreeks voedingswaren of –stoffen kunnen verontreinigen of besmetten. Opleidingen Nederlands tweede taal
Alleen de Huizen van het Nederlands (zie 7.15.8.) mogen de intake, testing en doorverwijzing organiseren en coördineren van cursisten NT2 in het leer- of studiegebied Nederlands als tweede taal van CBE en CVO die niet over een studiebewijs NT2 beschikken. Tot de opleidingen Nederlands tweede taal van het leer- of studiegebied Nederlands tweede taal van CBE en CVO kunnen ook 12- tot 16-jarige leerlingen uit het voltijds secundair onderwijs toegelaten worden, mits de leerling: ● ● ●
vrijwillig deelneemt; de opleiding volgt buiten de lesuren van de school voor secundair onderwijs; een attest krijgt van zijn secundaire school met een omschrijving van zijn taalachterstand en de contactgegevens van de persoon die door de school voor secundair onderwijs wordt aangeduid voor de opvolging van de modules of de opleiding waarvoor de leerling in het organiserende Centrum voor Volwassenenonderwijs is ingeschreven; en het CVO die contactpersoon op de hoogte houdt van de voortgang.
Sequentieel geordende modules
Modules kunnen zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden. Als de modules in een sequentieel verband staan, moeten zij in een bepaalde volgorde worden gevolgd. Startmodules of niet-sequentieel geordende modules zijn in principe vrij van instapvoorwaarden. Om als cursist toegelaten te worden tot een sequentieel geordende module dient men te voldoen aan een van de aanvullende toelatingsvoorwaarden vermeld in de bijlage van het BVR van 4 september 2009. In opvolging van het Bilateraal samenwerkingsakkoord tussen het Ministerie van Landsverdediging en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming kunnen militairen met bepaalde attesten van het
Permanente vorming / 296
Ministerie van Defensie automatische volwassenenonderwijs verkrijgen.
vrijstellingen
van
opleidingsonderdelen
in
het
7.7.1.3. Hoger beroepsonderwijs Om als cursist toegelaten te worden tot een opleiding van het hoger beroepsonderwijs, moet de cursist voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en daarenboven beschikken over één van de volgende studiebewijzen : ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●
een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs; een diploma van het secundair onderwijs (hiervoor kan het centrumbestuur onder bepaalde voorwaarden afwijkingen toestaan); een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimum 900 lestijden; een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimum 900 lestijden; een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie; een certificaat van het hoger beroepsonderwijs; een diploma van het hoger beroepsonderwijs; een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan; een diploma van bachelor of master; een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst wordt erkend als gelijkwaardig met een van de voorgaande diploma's.
Zonder deze studiebewijzen kan een cursist worden toegelaten via een door het centrum georganiseerde toelatingsproef. Specifieke lerarenopleidingen
Zie 8.1.4.2.
7.7.2. Beroepsopleiding VDAB - toelatingsvoorwaarden De opleidingen van de VDAB staan open voor elke volwassene -zonder onderscheid van nationaliteit. Door middel van voordelen en begeleiding worden kansengroepen in het bijzonder aangespoord om de opleidingen te volgen. Belangrijk is dat de beoogde opleiding aansluit bij de talenten en het jobdoelwit van de kandidaat. Sedert het schooljaar 2007-2008 zijn de competentiecentra ook toegankelijk voor scholen met hun leerlingen à rato van 72 uren per leerling en binnen een afgesproken planning.
7.7.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen toelatingsvoorwaarden De opleidingen richten zich in de eerste en voornaamste plaats naar zelfstandigen en (toekomstige) medewerkers uit KMO. Cursisten die de ondernemersopleiding willen volgen moeten voldaan hebben aan de leerplicht. Zij moeten bovendien ofwel voldoende vooropleiding hebben (bv. in de leertijd) of voldoende beroepservaring in het beroep dat onderwerp is van hun ondernemersvorming. Indien hieraan niet Permanente vorming / 297
voldaan is, kan praktijkervaring opgedaan worden door het volgen van een aanvullende praktijkopleiding of een praktijkstage via een stageovereenkomst. Voor bepaalde opleidingen worden hogere toelatingsvoorwaarden inzake vooropleiding gesteld.
7.7.4. Landbouwvorming - toelatingsvoorwaarden De deelnemers mogen bij aanvang van de opleidingen niet meer leerplichtig zijn.
7.7.5. Deeltijds Kunstonderwijs DKO - toelatingsvoorwaarden Het Deeltijds Kunstonderwijs kent een organisatiestructuur met verschillende niveaus die in een hiërarchische verhouding tot elkaar staan; men kan bv. niet met een specialisatiecursus aanvangen zonder voldoende opleiding op een lager niveau te hebben gevolgd; al kunnen academies leerlingen zonder voorgeschiedenis in het DKO, via toelatingsperiodes in principe wel inschalen op het niveau waarvoor ze competent zijn (zie verder). Op voorwaarde dat de vereiste minimumleeftijd voor de studierichting bereikt is, start een leerling in principe in het eerste leerjaar van de gekozen optie. Om naar een volgend leerjaar over te gaan, moet de leerling geslaagd zijn voor de proeven van het gevolgde jaar. Op dit algemeen principe zijn er twee uitzonderingen. ●
●
In volgende gevallen stromen leerlingen in volgens leeftijd: in de lagere en middelbare graad Beeldende kunst, in de lagere graad Woordkunst, en in de eerste drie leerjaren van de lagere graad Dans. Na een positieve toelatingsperiode kan/mag een leerling een leerjaar volgen waarvoor hij/zij volgens de 'gewone' toelatingsvoorwaarden niet in aanmerking komt. Dergelijke toelatingsperiode laat de leerkrachten toe om de leerling gedurende een korte of langere periode (max. tot 31 januari) grondig te observeren. Gezien op deze manier het niveau en de leermoeilijkheden van de leerling veel beter kunnen worden ingeschat dan bij een toelatingsproef, wordt in het gewijzigde Besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2001 enkel nog een toelatingsperiode voorzien.
Bovenop deze uitzonderingsregels, kan er in sommige gevallen nog worden afgeweken van de gebruikelijke toelatingsvoorwaarden 'minimumleeftijd' en/of 'succesvol beëindigen van het gevolgde jaar'. Voor de minimumleeftijden: zie 7.10.5. Vanaf 2009-2010 gelden strengere voorwaarden voor de financiering van leerlingen. Ze mogen ten hoogste in één leerjaar in dezelfde optie van dezelfde graad van dezelfde studierichting hebben overgezeten en ze dienen op 1 februari ten minste twee derde van de lessen te hebben bijgewoond.
7.7.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - toelatingsvoorwaarden Voor deelname aan de leeractiviteiten van sociaal-culturele organisaties gelden geen specifieke toelatingsvoorwaarden. Behalve voor bepaalde activiteiten van verenigingen die zich specifiek tot de eigen leden richten en van de (kader)vormingsinitiatieven gericht op de vrijwillige en freelance medewerkers van organisaties.
Permanente vorming / 298
7.8. Inschrijving(sgeld) In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.8.1. Volwassenenonderwijs & basiseducatie 7.8.2. Beroepsopleiding VDAB 7.8.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.8.4. Landbouwvorming 7.8.5. DKO, Deeltijds kunstonderwijs 7.8.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk
7.8.1. Volwassenenonderwijs - inschrijving(sgeld) Voor het volgen van een opleiding basiseducatie moeten de cursisten geen inschrijvingsgeld betalen. De CBE's, centra voor basiseducatie mogen de cursisten enkel de kostprijs van het cursusmateriaal aanrekenen. In de CVO's bedraagt het inschrijvingsgeld vanaf het schooljaar 2008-2009 1 euro per lestijd. ● ● ●
●
Het inschrijvingsgeld is begrensd op 400 euro per opleiding en per schooljaar of 1.200 euro binnen een periode van vier schooljaren voor de ganse opleiding. Voor een cursus NT2 is het standaardtarief een halve euro. Voor een opleiding in het studiegebied algemene vorming (tweedekansonderwijs) en voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting geldt een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld. Volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geldt ook voor volgende doelgroepen:
○ personen die aanspraak kunnen maken op het leefloon; ○ bepaalde categorieën van asielzoekers en vreemdelingen; ○ inburgeraars die een inburgeringscontract hebben ondertekend, of een attest van inburgering hebben behaald;
○ gedetineerden die in een Belgische strafinrichting verblijven; ○ werkzoekenden met een wachtuitkering of een werkloosheidsuitkering voor een opleiding binnen een door de VDAB erkend traject naar werk;
○ niet-werkende, verplicht ingeschreven werkzoekenden die nog geen recht op wachtuitkering hebben;
○ voltijds leerplichtigen; ○ leerlingen die reeds ingeschreven zijn in het deeltijds beroepsonderwijs. ●
Een verminderd inschrijvingsgeld van 0,25 euro geldt voor:
○ bepaalde categorieën van mindervaliden; ○ werkzoekenden met een wachtuitkering of een werkloosheidsuitkering voor een opleiding buiten een door de VDAB erkend traject naar werk;
○ cursisten die voorafgaandelijk 2 jaar een opleiding van minstens 120 lestijden hebben gevolgd in een CBE. De CVO mogen verder aan de cursisten uitsluitend kosten aanrekenen voor cursusmateriaal tegen kostprijs. Voor de beoordeling van cursisten algemene vorming die geen lessen hebben gevolgd in het centrum, en voor de beoordeling van cursisten afstandsonderwijs kan een CVO maximaal 15 euro vragen per beoordelingsperiode. Permanente vorming / 299
Werknemers kunnen de helft van de inschrijvingskost betalen met opleidingscheques.
7.8.2. Beroepsopleiding VDAB - inschrijving(sgeld) Voor niet-werkende werkzoekenden zijn alle opleidingen van de VDAB gratis. Dit geldt eveneens voor de webleercursussen, waarbij overigens ook andere werkloosheidscategorieën in aanmerking komen voor vrijstelling van de opleidingskost (zie 7.9.2.). Een werknemer die op eigen verzoek een opleiding volgt, betaalt enkel een vergoeding voor didactisch cursusmateriaal. Deze vergoeding bedraagt -naargelang de opleidingscategorie- 25, 40 of 50 euro/dag met een maximum van 250 euro per cursusreeks. Voor webleercursussen is de totale opleidingsprijs afhankelijk van de opleiding. Voor werkgevers geldt dat de prijs van de opleiding afhankelijk is van de gekozen opleiding, de duurtijd, de opleidingsplaats (bedrijf of VDAB-centrum), het aantal deelnemers, enz.. De prijs wordt contractueel vastgelegd in afspraak met de opleidingsverantwoordelijke van het betrokken VDABcentrum. De prijs van een werknemersopleiding op vraag van de werkgever varieert van € 80 tot € 160 per individu en per opleidingsdag.
7.8.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - inschrijving(sgeld) De prijzen van langdurige en kortlopende opleiding verschillen naargelang de aard van de opleiding. De persoonlijke bijdrage van de cursist ligt in evenredigheid hoger voor kortlopende opleidingen omdat de subsidie vanuit de overheid hiervoor lager is.
7.8.4. Landbouwvorming – inschrijving(sgeld) Inschrijvingen gebeuren via de erkende centra. De centra bepalen zelf hoeveel inschrijvingsgeld zij vragen.
7.8.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO – inschrijving(sgeld) De opleidingen van het Deeltijds Kunstonderwijs vallen niet onder de leerplicht, bijgevolg moet een inschrijvingsgeld worden betaald. Het inschrijvingsgeld voor het schooljaar 2009-2010 bedraagt 56 euro voor jongeren (verminderd tarief: 36 euro) en 183 euro voor volwassenen (verminderd tarief: 106 euro). Dit bedrag wordt doorgestort aan het departement Onderwijs en Vorming (Omzendbrief OND/13EA/SBT 01/3 & Omzendbrief dko/2008/02)
Permanente vorming / 300
7.8.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk – inschrijving(sgeld) Voor deelname aan het educatief aanbod van sociaal-culturele volwassenenorganisaties wordt doorgaans een kleine bijdrage gevraagd. Het bedrag ervan wordt bepaald door de aanbieder zelf.
7.9. Financiële steun aan cursisten Binnen Vlaanderen bestaan een aantal vormen van financiële toelage aan cursisten binnen het geheel van opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen. De overheid heeft dergelijke maatregelen in het leven geroepen om het "levenslang en levensbreed" leren bij volwassenen te stimuleren. De voornaamste zijn het systeem van betaald educatief verlof en de systemen "ondernemerschapsportefeuille voor werkgevers", en "opleidings- en begeleidingscheques voor werknemers" (zie ook 7.9.4. VDAB en 7.9.5. SYNTRA). Het systeem van het Betaald Educatief Verlof (BEV) wordt geregeld door de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, het Koninklijk Besluit van 23 juli 1985 en dat van 27 augustus 1993. Het Betaald Educatief Verlof beoogt de sociale promotie van de werknemers uit de privé-sector. Hiertoe krijgen ze extra verlofuren voor de opleidingen die ze in hun vrije tijd volgen of wordt hen verlof toegekend om effectief de lessen bij te wonen, dit laatste als de lesuren met de werkuren samenvallen. Dit verlof wordt in eerste instantie door de werkgever met het normale maandloon en op het normale tijdstip van verloning uitbetaald. Deze kan echter terugbetaling bekomen bij het daartoe opgericht fonds. Het aantal terugbetaalbare uren verlof is gelijk aan het aantal aanwezigheidsuren op de cursus en is begrensd in functie van de aard van de gevolgde opleiding en het al of niet samenvallen van de lesuren met de werkuren. Er is ook een begrenzing vastgelegd voor het terugbetaalbaar loon. De gevolgde opleidingen kunnen een professionele finaliteit hebben, zonder dat er een verband moet bestaan met het actueel uitgeoefend beroep, maar ze kunnen ook algemeen vormend van aard zijn. Daarenboven bestaan er ook specifieke regelingen voor de werknemers die zich voorbereiden voor de examens van de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, voor de werknemers van KMO's en voor bepaalde deeltijdse werknemers. Bij Koninklijk Besluit van 20 juli 2006 werd het aantal kredieturen waar een werknemer recht op heeft sterk gereduceerd. http://www.meta.fgov.be , met downloadbare brochure "Wegwijs in het BEV" van de Algemene Directie werkgelegenheid en arbeidsmarkt (november 2005). Werknemers of interimkrachten, woonachtig in Vlaanderen of het Brussels Gewest (waar ook Actiris opereert), kunnen opleidingscheques aankopen ter waarde van maximum 250 € per kalenderjaar. Daarmee kunnen zij opleidingen betalen bij een erkend opleidingsverstrekker. De begunstigde zelf dient slechts de helft van het gevraagde bedrag aan opleidingscheques te betalen. Het stelsel van de opleidingscheques wordt overigens geëvalueerd en eventueel bijgestuurd in het kader van het VESOC-overleg m.b.t. het WIP (werkgelegenheids- en investeringsplan, downloadbaar via http://www.serv.be/dispatcher.aspx?page_ID=02-00-00-00-000 .). Wie geen diploma algemeen, beroeps- of technisch secundair onderwijs heeft krijgt de opleidingscheques zelfs volledig terugbetaald. Die maatregel geldt voor: ● ●
alle opleidingen die personen van minimum 18 jaar of ouder de kans bieden om een diploma of getuigschrift van algemeen, beroeps- of technisch secundair onderwijs te behalen, alle opleidingen verstrekt door de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs, Permanente vorming / 301
● ●
basisopleidingen informatica: basisopleidingen Nederlands voor anderstaligen.
Wie geen diploma hoger onderwijs heeft en een hogere studie wil volgen die langer dan 1 jaar duurt (bachelor, lerarenopleiding of hoger beroepsonderwijs), en meer dan 250 euro onkosten heeft kan per kalenderjaar een extra tussenkomst van 250 euro opleidingscheques krijgen. Ook na een loopbaanbegeleiding is er voor sommige categorieën een bijkomende tegemoetkoming. http://www.vdab.be/opleidingscheques/werknemers.shtml Vanaf 2009 is de vroegere steun voor opleiding, advies, mentorschap en kennis vervangen door “KMO-portefeuille-steun". De ondernemer betaalt voortaan 50% van de dienstverlening zelf, met een maximum van € 5000. In de steun vervallen mentorschap en kennis.
7.9.1. Volwassenenonderwijs - financiële steun aan cursisten Cursisten in het volwassenenonderwijs komen niet in aanmerking voor een school- of studietoelage. Zij kunnen wel Betaald Educatief Verlof krijgen, maar enkel voor dat deel van de opleiding dat in contactonderwijs wordt gegeven (zie 7.9.). De centra (CBE en CVO) zijn in het kader van de opleidingscheques erkend door de VDAB (zie 7.9.). Cursisten die een diplomagerichte opleiding volgen kunnen na het beëindigen van hun opleiding een premie aanvragen en zodoende het betaalde inschrijvingsgeld geheel of gedeeltelijk recupereren.
7.9.2. Beroepsopleiding VDAB - financiële steun (aan cursisten) Werknemers kunnen genieten van opleidingscheques, terwijl voor dienstverlenende bedrijven (en KMO's en zelfstandigen) de KMO-portefeuille-steun geldt, voor opleidingen die gegeven worden door een erkend vormingscentrum zoals de VDAB (zie 7.9.). VDAB voorziet voor werkzoekende cursisten een aantal vergoedingen. Een greep uit de voornaamste: (http://vdab.be/opleidingen/opleidingspremies.shtml ) ●
●
●
●
Stimulanspremie: om werkzoekenden uit ééninkomensgezinnen te stimuleren om een opleiding te volgen. Om in aanmerking te komen voor de stimulanspremie zijn er specifieke voorwaarden: o De werkzoekende is leefloongerechtigd (met een attest van OCMW) of is uitkeringsgerechtigde werkloze, wordt erkend als ‘werknemer met gezinslast’ (met een attest van de RVA) en is minstens al 1 jaar ingeschreven als niet-werkende werkzoekende. o De werkzoekende volgt minimum een opleiding van 24 uur/week. o De werkzoekende heeft minimum 150 uren opleiding of stage gevolgd. Een verplaatsingsvergoeding: o busabonnement van de Lijn voor de duur van 1 jaar of o forfaitaire verplaatsingsvergoeding voor de verplaatsing tussen de woonplaats en de opleidings/stageplaats. Een verblijfsvergoeding: De VDAB kan een verblijfsvergoeding toestaan wanneer een overnachting aangewezen is in het kader van de gevolgde opleiding. Een kinderopvangvergoeding voor cursisten met kinderlast:
Permanente vorming / 302
terugbetaling van een vergoeding voor de kinderopvang tijdens de aanwezigheid van de cursist in de opleiding of stage. Daarnaast zijn er tegemoetkomingen bij Leren op de werkvloer: zowel de individuele beroepsopleiding in de onderneming (IBO), als de instapopleiding IBO-interim en GIBO (IBO voor arbeidsgehandicapten) (zie 7.10.2.). ●
●
Tijdens de opleiding betaalt de onderneming geen loon of RSZ, enkel een productiviteitsvergoeding. Bovendien krijgt de onderneming een extra korting voor de begeleiding wanneer de kandidaat laaggeschoold is (geen diploma HSO). De werkzoekende kandidaat krijgt een extra premie bovenop zijn uitkering (het verschil tussen het normale loon en de uitkering).
Verder zijn er tal van opleidingssubsidies zowel van de Vlaamse en federale als Europese overheid (inz. via Europees Sociaal Fonds). Daarnaast zijn er nog heel wat maatregelen per beroepssector. Een overzicht daarvan vindt men op de website van de VDAB. Bovendien geeft de VDAB advies en begeleiding voor de aanwending van die subsidies.
7.9.3. ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen – financiële steun aan cursisten Werknemers kunnen genieten van opleidingscheques, KMO's en zelfstandigen van KMOportefeuille-steun voor cursussen gegeven door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kmo (zie 7.9.). Cursisten die minstens 18 jaar zijn en een stageovereenkomst hebben gesloten, waarbij zij een ondernemersopleiding in een SYNTRA-campus combineren met een praktische opleiding in een bedrijf naar keuze, ontvangen een stagevergoeding. Het bedrag is afhankelijk van de vooropleiding. Stagevergoeding (minimumbedragen op 1 mei 2009) Geen vooropleiding
Voldoende vooropleiding
e
€ 480,47 + kinderbijslag
€ 684,54
e
2 jaar
€ 684,54
€ 808,99
3e jaar
€ 808,99
€ 808,99
1 jaar
(*) de stagevergoeding van het 1e jaar zonder vooropleiding mag niet hoger liggen dan de kinderbijslaggrens (het recht op kinderbijslag blijft tot de leeftijd van 25 jaar behouden voor zover de stageovereenkomst noodzakelijk is voor het behalen van het diploma ondernemersopleiding en de opleidingsuren inclusief de stage ten minste 17 uur per week bedragen). Voor initiatieven die zich specifiek richten naar doel- en kansengroepen wordt er bijzonder rekening gehouden met de laagdrempeligheid. Dit impliceert een aangepaste subsidiëring waardoor het inschrijvingsgeld ten laste van de cursist kan worden beperkt.
7.9.4. Landbouwvorming - financiële steun aan cursisten Aan de deelnemers van de vorming wordt een premie (van 6 euro per lesuur) als vergoeding voor sociale promotie toegekend. Dit mits het voorleggen van getuigschriften (van cursussen en stages) Permanente vorming / 303
waarvan het totale aantal lesuren minstens 75 uur bedraagt. Een stagedag van 8 uur geldt voor 4 lesuren. Wie komt in aanmerking voor het aanvragen van de premie? ● ● ● ● ● ●
de zelfstandige bedrijfshoofden (in hoofd- of nevenberoep) van een land- of tuinbouwbedrijf, hun medewerkende gezinsleden, zelfstandige helpers en landbouwwerknemers; de werknemers van bedrijfsverzorgingsdiensten in de landbouwsector; de loonwerkers, bloemisten, tuinaannemers en hun meewerkende gezinsleden en werknemers; de werknemers van groendiensten van openbare besturen; de erkende verkopers en gebruikers van fytoproducten en de erkende gebruikers van biociden voor gebruik in de landbouw; de imkers.
7.9.5. Deeltijds Kunstonderwijs – financiële steun aan leerlingen Zoals blijkt in 7.8.5., bestaat er in het deeltijds kunstonderwijs een systeem van 'sociale reductie' of 'verminderd tarief'. Om voor het verminderde inschrijvingsgeld in aanmerking te komen, moeten de leerlingen (Decreet van 31 juli 1990) een attest of bewijs kunnen voorleggen waaruit blijkt dat zij tot een van volgende categorieën behoren: ● ● ● ● ● ●
uitkeringsgerechtigd volledig werkloos of ten laste van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze zijn; verplicht ingeschreven zijn als werkzoekende, het bestaansminimum ontvangen, of ten laste zijn van één van deze twee categorieën; gehandicapt zijn met een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 %, recht hebben op een tegemoetkoming als gehandicapte, of ten laste zijn van één van deze twee categorieën; in een gezinsvervangend tehuis of in een medisch-pedagogische instelling verblijven; het statuut van erkend politiek vluchteling hebben of ten laste zijn van een dergelijke persoon; steun krijgen uit het kinderbijslagfonds, indien ouder dan 18 jaar.
Een leerling die de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie, betaalt verminderd inschrijvingsgeld indien een ander lid van het gezin waartoe hij/zij behoort het inschrijvingsgeld reeds heeft betaald in dezelfde of in een andere instelling; en/of voor iedere extra inschrijving in een andere studierichting in dezelfde of in een andere instelling. Academies voor deeltijds kunstonderwijs zijn erkend als opleidingsverstrekkers. Leerlingen kunnen dus opleidingscheques voor werknemers gebruiken. (Zie 7.9.) http://www.vdab.be/opleidingscheques/werknemers.shtml
7.9.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - financiële steun aan cursisten Verenigingen hanteren meestal lagere tarieven voor eigen leden, vormingsinstellingen houden vaak rekening met het (gezins)inkomen en/of de gezins- of werksituatie van deelnemers bij het bepalen van deelnemersgelden.
Permanente vorming / 304
7.10. Studieaanbod In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.10.1. Volwassenenonderwijs & basiseducatie 7.10.2. Beroepsopleiding VDAB 7.10.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.10.4. Landbouwvorming 7.10.5. DKO, Deeltijds kunstonderwijs 7.10.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk
Overzicht van het studieaanbod in Vlaanderen
● ● ● ● ● ●
Het meest volledige overzicht van cursussen en opleidingen voor volwassenen in Vlaanderen, vindt men in de databank http://www.wordwatjewil.be Het aanbod volwassenenonderwijs van de CBE's en de CVO's is te vinden via de website http://www.ond.vlaanderen.be/volwassenenonderwijs Voor stages zie 5.18.2. Het educatief aanbod van de centra voor basiseducatie : http://www.basiseducatie.be/ Jaarlijks organiseert het departement Onderwijs en Vorming ook in elke provincie Studieinformatiedagen, SID-in's, http://www.ond.vlaanderen.be/sidin/ Er zijn ook regionale informatiepunten
○ ○ ○ ○ ○
Werkwinkels van de VDAB verspreid over heel Vlaanderen De Stap te Gent geeft alle informatie over onderwijs en vorming uit de regio Tracé te Brussel Educatieve Wegwijzer te Hasselt Ivo dekt de regio Gent-Eeklo.
7.10.1. Volwassenenonderwijs - studieaanbod Dit is verschillend voor de basiseducatie, het secundair volwassenenonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleidingen. De specifieke lerarenopleidingen nemen binnen het onderwijsveld een eigen plaats in en zijn niet gekoppeld aan een onderwijsniveau (zie 8.1.4.2.).
7.10.1.1. Basiseducatie - studieaanbod
In de basiseducatie omvatten de leergebieden Nederlands, wiskunde, maatschappijoriëntatie en informatie- en communicatietechnologie opleidingen die georganiseerd worden op het niveau van het lager onderwijs en de eerste graad van het voltijds secundair onderwijs. De leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal in de basiseducatie omvatten opleidingen die georganiseerd worden op het niveau richtgraad 1 van het Europese referentiekader voor vreemde talen. Het niveau van het leergebied talen is enerzijds richtgraad 1, niveau 1 van het Europese referentiekader voor vreemde talen, en anderzijds is het gelijkgesteld met het niveau van het lager onderwijs en de eerste graad van het voltijds secundair onderwijs. Permanente vorming / 305
Spreiding lesurencursist in de basiseducatie leergebieden (1/04/2008 – 31/3/2009)
Leergebieden Nederlands (moedertaal) Nederlands tweede taal Alfabetisering Nederlands tweede taal Wiskunde
over
de
verschillende
Aantal LUC’s 185 740 1 520 160 866 880 59 346
Maatschappijoriëntatie
213 294
ICT, informatie- en communicatietechnologie
447 111
Talen
79 560
Maatwerk
32 543
Totaal
3 404 634
Bron: Vlaams onderwijs in cijfers 2008-2009
In 2000 ging het project modularisering van start. De eerste cursussen werden modulair aangeboden in 2003. Vanaf 1 september 2005 zijn alle opleidingen modulair. De modulaire opleidingen in de CBE sluiten aan op de opleidingen in de CVO, zodat een vlotte overstap mogelijk is. Modules kunnen zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden. Als de modules in een sequentieel verband staan, moeten zij in een bepaalde volgorde worden gevolgd. Op verzoek van derden (OCMW, welzijnsorganisatie…) kan het CBE ook maatwerk organiseren. Dit is niet-erkend gesubsidieerd onderwijs dat niet leidt tot geldige studiebewijzen. Het educatief aanbod van de centra voor basiseducatie vindt men op: http://www.basiseducatie.be/
Eindtermen en basiscompetenties
Voor de opleidingen van de leergebieden Nederlands, wiskunde, maatschappijoriëntatie, informatieen communicatietechnologie en talen in de basiseducatie gelden dezelfde eindtermen als die voor de leergebieden in het lager onderwijs en eindtermen en ontwikkelingsdoelen in de eerste graad van het voltijds secundair onderwijs. Voor de opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal, Nederlands tweede taal en wiskunde in de basiseducatie worden basiscompetenties vastgelegd. Deze worden ook vastgelegd voor de opleidingen in het leergebied talen waarvoor geen eindtermen zijn bepaald. Elk centrum heeft de maatschappelijke opdracht de eindtermen of basiscompetenties met betrekking tot kennis, inzicht en vaardigheden met de cursisten te bereiken. Het bereiken van de eindtermen of basiscompetenties zal worden afgewogen tegenover de centrumcontext en de kenmerken van de cursistenpopulatie. De eindtermen of basiscompetenties voor de attitudes moeten door elk centrum worden nagestreefd.
Leerplannen
Met inachtneming van de door de Vlaamse Regering goedgekeurde opleidingsprofielen beschikt elk centrumbestuur over de vrijheid om de leerplannen vast te stellen en kiest het vrij zijn agogische methodes. Permanente vorming / 306
De leerplannen bevatten de doelen die het centrumbestuur uitdrukkelijk formuleert voor zijn cursisten vanuit het eigen agogische project in het algemeen of de eigen visie op de opleiding in het bijzonder. In de leerplannen worden de eindtermen of de basiscompetenties op herkenbare wijze opgenomen. Het leerplan moet voldoende ruimte laten voor de inbreng van centra, leraren, lerarenteams of cursisten. De leerplannen dienen goedgekeurd te worden door de onderwijsinspectie.
7.10.1.2. Het secundair volwassenenonderwijs
Het secundair volwassenenonderwijs omvat opleidingen die georganiseerd worden op het niveau van de 2e en 3e graad van het voltijds secundair onderwijs, met uitzondering van de studiegebieden Nederlandse tweede taal, talen richtgraad 1 en 2 en talen richtgraad 3 en 4 die gerangschikt worden volgens het Europees referentiekader voor moderne vreemde talen. De opleidingen zijn gegroepeerd in studiegebieden
Algemene vorming
Land- en tuinbouw
Auto
Lederbewerking
Bijzondere educatieve noden
Lichaamsverzorging
Boekbinden
Maritieme opleidingen
Bouw
Mechanica - elektriciteit
Chemie
Mode
Decoratieve technieken
Muziekinstrumentenbouw
Diamantbewerking
Nederlands tweede taal
Grafische technieken (waaronder het vroegere fotografie)
Personenzorg
Handel (waaronder het vroegere bedrijfsbeheer)
Smeden
Hout (waaronder het vroegere meubelrestauratie en houtsnijden)
Talen richtgraad 1 en 2
Huishoudelijk onderwijs
Talen richtgraad 3 en 4
Informatie- en communicatietechnologie
Textiel
Juwelen
Toerisme
Kant
Voeding
Koeling en warmte Binnen het studiegebied 'algemene vorming' worden ook de opleidingen van het vroegere 'tweedekansonderwijs aangeboden. Deze opleidingen bieden volwassenen van minimum 18 jaar de kans om nog een diploma secundair onderwijs te behalen. De centra voor volwassenenonderwijs richten zelf de examens in en reiken het diploma secundair onderwijs uit. De CVO's bieden naast het modulaire aanbod nog steeds lineaire opleidingen aan met een duur van ĂŠĂŠn of meer leerjaren en met lessen gespreid over 32 tot 40 weken in de periode begin september einde juni. De afbouw van de bestaande lineaire opleidingen en de voorlopige modulaire opleidingen zal gefaseerd gebeuren tegen 2012. Dan moeten alle opleidingen modulair opgebouwd zijn. Modules kunnen zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden. Als de modules in een sequentieel verband staan, moeten zij in een bepaalde volgorde worden gevolgd. Eindtermen, specifieke eindtermen en basiscompetenties
Voor de opleidingen van het studiegebied algemene vorming gelden dezelfde eindtermen of specifieke eindtermen als voor de overeenkomstige studierichtingen in het voltijds secundair onderwijs. De eindtermen worden vastgelegd per opleiding. Permanente vorming / 307
Voor de opleidingen van de andere studiegebieden gelden dezelfde specifieke eindtermen en erkende beroepskwalificaties als voor de overeenkomstige studierichtingen in het voltijds secundair onderwijs waarmee zij geconcordeerd zijn. Voor de opleidingen van de studiegebieden in het secundair volwassenenonderwijs waarvoor in het secundair onderwijs geen overeenkomstige studierichtingen of specifieke eindetermen zijn, worden per opleiding basiscompetenties vastgelegd. De basiscompetenties die worden vastgelegd voor opleidingen die leiden naar een beroep nemen erkenbare beroepskwalificaties op herkenbare wijze op. Elk centrum heeft de maatschappelijke opdracht de eindtermen, specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties of basiscompetenties met betrekking tot kennis, inzicht en vaardigheden met de cursisten te bereiken. Het bereiken van de eindtermen, specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties of basiscompetenties zal worden afgewogen tegenover de centrumcontext en de kenmerken van de cursistenpopulatie. De eindtermen of basiscompetenties voor de attitudes moeten door elk centrum worden nagestreefd. Opleidingsprofielen
Een opleiding dient gebaseerd op een door de Vlaamse Regering goedgekeurd opleidingsprofiel. Dat omvat ten minste: ● ● ● ●
het minimale aantal lestijden van een opleiding; het aantal modules; het aantal lestijden per module dat in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de financiering; de verdeling van de eindtermen, de specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties of basiscompetenties over de modules binnen een opleiding.
Elk goedgekeurd opleidingsprofiel wordt uiterlijk 3 jaar na de implementatie geëvalueerd. Sleutelvaardigheden
Sleutelvaardigheden zijn cognitieve, psycho-motorische of affectieve vaardigheden die tot de kern van een beroep behoren, maar ruimer gaan en bijdragen tot de algemene persoonsvorming van een cursist. In de goedgekeurde opleidingsprofielen voor het secundair volwassenenonderwijs zijn bepaalde sleutelvaardigheden opgenomen. Die moeten worden nagestreefd. Het centrumbestuur zal de verdeling per module moeten doorvoeren en opnemen in het leerplan. Leerplannen
Met inachtneming van de door de Vlaamse Regering goedgekeurde opleidingsprofielen beschikt elk centrumbestuur over de vrijheid om de leerplannen vast te stellen en kiest het vrij zijn agogische methodes. De leerplannen bevatten de doelen die het centrumbestuur uitdrukkelijk formuleert voor cursisten vanuit het eigen agogische project in het algemeen of de eigen visie op de opleiding in het bijzonder. In de leerplannen worden de eindtermen, de specifieke eindtermen of de basiscompetenties op herkenbare wijze opgenomen. De leerplannen dienen goedgekeurd te zijn door de onderwijsinspectie (zie 2.3.5.). Het leerplan moet voldoende ruimte laten voor de inbreng van centra, leraren, lerarenteams of cursisten.
Permanente vorming / 308
7.10.1.3. Het hoger beroepsonderwijs van het volwassenenonderwijs
Het hoger beroepsonderwijs omvat beroepsgerichte opleidingen op niveau 5 van de Vlaamse kwalificatiestructuur (zie 5.20.3.). In het hoger beroepsonderwijs van het volwassenenonderwijs zijn de vroegere categorieën vervangen door 5 studiegebieden: biotechniek, gezondheidszorg, handelswetenschappen en bedrijfskunde, industriële wetenschappen en technologie, sociaal agogisch werk. De opleidingen worden zowel lineair als modulair georganiseerd. Maar de lineaire opleidingen moeten uiterlijk tegen 1 september 2012 afgebouwd worden. Opleidingsprofielen
De procedure voor de ontwikkeling, de kwaliteitszorg en de accreditatie van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs is voortaan gesitueerd op het niveau van de individuele centra. De opleidingsprofielen van het hoger beroepsonderwijs worden niet meer goedgekeurd door de Vlaamse Regering en zijn niet op Vlaams niveau geldend maar kunnen verschillen van centrum tot centrum. Het opleidingsprofiel van een opleidng van het hoger beroepsonderwijs moet wel ten minste volgende elementen omvatten: ● ● ● ●
het minimale aantal lestijden van de opleiding; het aantal modules; het aantal lestijden per module; de verdeling van de erkende beroepskwalificaties en basiscompetenties over de modules binnen de opleiding.
Voor de specifieke lerarenopleidingen die georganiseerd worden door de CVO’s: zie 8.1.4.2.
7.10.2. Beroepsopleiding VDAB - studieaanbod De VDAB organiseert honderden praktijkgerichte beroepsopleidingen, in zowat alle mogelijke beroepsdomeinen, met daarnaast opleidingen Nederlands als 2e taal en ICT-opleidingen. De opleidingen worden zowel tijdens werkuren als 's avonds of op zaterdagen gegeven en kunnen verschillende organisatievormen aannemen, zoals opleidingen in VDAB-opleidingscentra of bij derden, stages in ondernemingen, opleidingen in een erkend centrum, individuele beroepsopleiding in een onderneming of onderwijsinrichting en webleren. Leren op de werkvloer kan via volgende opleidingen: ● ●
●
Cursistenstages als vast onderdeel van elke reguliere opleiding in een competentiecentrum. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen voltooiingstages, en alternerende stages. Individuele beroepsopleiding in de onderneming (IBO). Dit is een opleiding waarbij de cursist door de onderneming op de werkplek wordt getraind en begeleid. In het kader van het meerbanenplan van de Vlaamse Regering wordt het IBO-proces meer intensief begeleid, niet alleen door de werkgever. Voor deze begeleiding doet de VDAB beroep op andere marktspelers en schrijft daarvoor aanbestedingen uit, waarop zowel commerciële als nietcommerciële organisaties kunnen intekenen (Tendering IBO-begeleiding). Instapopleiding. Dit is een bedrijfsgerichte afwerking van een beroepsopleiding of studie (voor schoolverlaters). De opleiding duurt 2 maanden en moet starten binnen de 4 maanden na het einde van een gevolgde beroepsopleiding (georganiseerd of erkend door de VDAB) of studie
Permanente vorming / 309
(voor schoolverlaters met een diploma of studiebewijs van eerste graad ASO, tweede graad TSO, BSO, KSO, ondernemersvorming, het DBSO, alternerend beroepsonderwijs). Na deze opleidingen is het bedrijf verplicht om de cursisten een contract voor onbepaalde duur te geven. In het kader van het WIP (werkgelegenheids- en investeringsplan, zie 7.2.2.) is een wijziging gepland van het contract van onbepaalde duur na een IBO.
7.10.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - studieaanbod Leertijd
Dit is een opleiding voor jongeren die aan de voltijdse leerplicht hebben voldaan en de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. De leertijd combineert het volgen van cursussen in een SYNTRAcampus met werken onder begeleiding van een ondernemer of stagebegeleider. De opleiding maakt deel uit van het stelsel van leren en werken (zie aldaar 5.20.1.3.). http://www.leertijd.be De ondernemersopleiding (+ 18j.)
● ● ●
Deze bereidt de deelnemers voor op het algemene, technische, commerciële, financiële en administratief beheer van een zelfstandig beroep of een kleine of middelgrote onderneming. De ondernemersopleiding duurt 1 tot 3 jaar. Ze bestaat uit twee delen: cursussen bedrijfsbeheer (met de opmaak van een eigen haalbaarheidsstudie) en cursussen beroepskennis (die bijna steeds modulair zijn opgebouwd). Ze kan worden gecombineerd met een stageovereenkomst waarbij de cursist voltijds of deeltijds praktijkopleiding in een onderneming krijgt, begeleid door een leertrajectbegeleider. De stageovereenkomst duurt minimaal 6 maanden en maximaal tot de einddatum van de ondernemersopleiding.
Bedrijfsbeheer
●
De opleiding 'bedrijfsbeheer' duurt 1 jaar en leidt tot een getuigschrift 'basiskennis van bedrijfsbeheer', vereist voor een vestigingsattest. Sinds 2008 kan dit getuigschrift ook via Elearning worden behaald. ● De opleiding 'bedrijfsmanagement voor KMO' is bestemd voor bedrijfsleiders of leidinggevende functies en vereist een hogere vooropleiding. ● Daarnaast zijn er specifieke trajecten bedrijfsbeheer voor bv. werkzoekenden en allochtonen. Inhoudelijk is de opleiding identiek maar er worden voor- of neventrajecten voorzien voor onder meer lager geschoolden en mensen met taalproblemen zodanig dat hun slaagkansen worden geoptimaliseerd.
Gecertificeerde bijscholingen
●
Dit zijn een 80-tal opleidingen waarvoor de Vlaamse overheid een specifiek diploma of getuigschrift aflevert. In de meeste gevallen dient hier een examen te worden afgelegd. ● Het betreft bijscholingen in snel evoluerende beroepen zoals preventieadviseur, energiedeskundige,… of bijkomende specialisaties of kwalificaties zoals kleuradviseur, schoonheidsspecialiste,…Ze worden ontwikkeld en continue bewaakt in samenspraak met de beroepsfederaties. ● De gecertificeerde bijscholingen leiden tot een officieel getuigschrift van de Vlaamse Gemeenschap.
Niet-gecertificeerde bijscholingen
● ●
Meer dan 350 verschillende bijscholingen gericht op zelfstandige ondernemers, KMO's en naaste medewerkers. Ze omvatten o.m.:
○ algemene programma's over actuele topics voor de KMO; ○ thema's uit bedrijfsbeheer en KMO-management; Permanente vorming / 310
○ seminaries over nieuwe reglementering in de KMO; ○ specifieke taalcursussen voor de KMO waarin vooral bedrijfseconomische conversaties worden bijgebracht en geoefend;
○ opfrissingscursussen voor gevestigde ondernemers die op de hoogte willen blijven van een bepaalde ontwikkeling in hun beroep of in het algemene ondernemen; Opleidingen op maat
● ●
Deze kunnen worden georganiseerd zowel in-company, als in een van de educatieve centra van SYNTRA, of elders. De opleidingsconsulenten van de SYNTRA-koepels werken een globaal opleidingsplan uit dat bijdraagt tot de verhoging van de competentie van de medewerkers en dus ook van de onderneming.
Deze leveren een attest van SYNTRA op. De gecertificeerde bijscholingen leiden tot een officieel getuigschrift van de Vlaamse Gemeenschap. Modulair aanbod
Dit zijn opleidingen samengesteld uit modules die een bepaalde competentie vertegenwoordigen. http://www.syntra.be/
7.10.4. Landbouwvorming - studieaanbod De naschoolse vormingsactiviteiten, die gesubsidieerd worden door de afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling, worden in 5 vormingstypes onderverdeeld. ●
Starterscursussen:
○ Type A : algemene starterscursussen
▪
Deze geven een vorming over de bedrijfsvoering in het algemeen en de wetgeving met betrekking tot de landbouwsector.
○ Type B : bijzondere starterscursussen
▪ ○
Deze geven een vorming over de bedrijfsvoering, de wetgeving en een aantal belangrijke technische aspecten met betrekking tot een of twee deelsectoren van de landbouw.
Type C
▪
●
● ●
Deze geven specifieke technische kennis die nodig is bij een eerste vestiging op een landbouwbedrijf of voor de erkenning als verkoper of gebruiker van fytoproducten en biociden voor gebruik in de landbouwsector. Vormingscursussen: opleidingen van minimum 20 uur bestemd voor land- en tuinbouwers. Het aanbod is zeer gevarieerd, zoals computercursussen, cursussen kunstmatige inseminatie bij rundvee, rundveepedicure, onderhoud van materieel,... Dit kunnen theoretische cursussen of praktijkcursussen zijn. Stages: praktische opleidingen op een landbouwbedrijf met het doel het bedrijfsbeleid ter plaatse te observeren of speciale kennis te verwerven. Korte vormingsactiviteiten: bijeenkomsten waarop een bepaald onderwerp in verband met de landbouwsector onder de leiding van een lesgever wordt uitgediept (studievergadering, demonstratie, geleid bezoek, panelgesprek, contactvergadering of voordracht).
○ Korte vormingsactiviteiten ingericht door een algemeen of gewestelijk centrum: vormingsactiviteiten van maximum 3 uur bestemd voor personen die een landbouwactiviteit uitoefenen. Zij kunnen een sociaal, juridisch, technisch, economisch, milieukundig of ethisch thema behandelen. De thema's sluiten dikwijls zeer dicht aan bij de actualiteit. Permanente vorming / 311
○ Korte vormingsactiviteiten ingericht door een centrum voor ●
hobbylandbouwvorming: behandelen onderwerpen over landbouwactiviteiten die als hobby worden uitgeoefend. Vervolmakingsdagen: activiteiten van minimum 3 uur voor de bijscholing van de lesgevers in de landbouwvorming.
7.10.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO – studieaanbod
Beeldende kunst J Lagere Graad
Middelbare Graad
Hogere Graad
Woordkunst
J
V
J
V
Dans J
V
Aanvangsleeftijd
6
8 - 14
15
8
6
15
Aantal leerjaren
6
4
3
4
6
2
Minimum lestijden
2
3,5
1
(*)
2
Opties
2
1
1
1
Aanvangsleeftijd
12
Aantal leerjaren
6
Minimum lestijden Opties
1 1 vanaf 2e jaar meteen 18
12
12
15
12
3
3
3
3
4
2 of 3
2
2
2
5
8
5
5
3
Aanvangsleeftijd
18
15
15
Aantal leerjaren
4 of 5
3
3
3
10 (4j.) of 8 (5j.)
2
2
2
29
12
4
4
Minimum lestijden Opties Specialisatie graad
V
Muziek
Aanvangsleeftijd
Na hogere graad
Aantal leerjaren
2
Minimum lestijden
8
Opties
29
15
J= jongere; V = volwassene; (*) minimum 1 lestijd/week eerste 2 jaren, minimum 2 de volgende 4 leerjaren Een lestijd duurt 50 minuten in de studierichting beeldende kunst en 60 minuten in de andere studierichtingen. De hoger vermelde minimum aanvangsleeftijd geldt voor de studierichtingen beeldende kunst en woordkunst voor de eerste twee leerjaren van de graad, de daarop volgende leerjaren vormen in blokken van twee jaren een andere leeftijdgroep met een hogere aanvangsleeftijd. De minimumleerplannen dienen goedgekeurd door de minister van onderwijs.
Permanente vorming / 312
Een academie kan ook via de organisatie van een tijdelijk project een nieuwe opleiding uitproberen (zie 7.2.5.). Hiervoor moet ze een aanvraag in te dienen die vervolgens wordt beoordeeld door een selectiecommissie die een advies overmaakt aan de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming. De Vlaamse Regering beslist uiteindelijk over goedkeuring. Op dit ogenblik is de aanvraag van nieuwe tijdelijke projecten ten gevolge van de recente besparingsronde niet mogelijk. Tijdelijke projecten die hun deugdelijkheid hebben bewezen werden in 2009 als nieuwe opleidingen toegevoegd aan het DKO-aanbod, zodat ook andere academies ze kunnen organiseren. Er lopen een aantal projectmatige opleidingen. http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsaanbod/dko/default.htm . De leertrajecten volgen een volledig schooljaar van maximaal 40 weken dat duurt van 1 september tot 30 juni. In sommige scholen worden de wekelijkse lestijden van sommige vakken samengevoegd tot tweewekelijkse of maandelijkse lessen. Tijdelijke projecten die hun deugdelijkheid hebben bewezen werden in 2009 als nieuwe opleidingen toegevoegd aan het DKO-aanbod, zodat ook andere academies ze kunnen organiseren. In afwachting van een grote landschapshervorming kunnen instellingen vanaf 1 september 2009 via de figuur van een ‘kunstacademie’ alle studierichtingen aanbieden en de voorbijgestreefde scheiding tussen beeldende kunsten en podiumkunsten overstijgen. Tevens worden een aantal witte vlekken in het DKO-landschap opgevuld door de programmatie van nieuwe academies op plekken met voldoende leerlingenpotentieel. Die laatste mogelijkheid is voor de schooljaren 2010-2011 en 20112012 bevroren via een programmatiestop in het DKO omwille van besparingen.
7.10.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - studieaanbod Het aanbod aan leeractiviteiten van sociaal-culturele volwassenenorganisaties is zeer divers. De indeling naar thema van de meer dan 8.055 activiteiten die in 2006 in de databank Prettig Geleerd (een databank van sociaal-culturele activiteiten) werden ingevoerd, geeft een concreet beeld van deze diversiteit. Persoonlijkheidsvorming Gezondheid, zorg en sport
15,1 % Sociale en communicatieve vaardigheden
3,0 %
15,05 % Interculturele vorming
1,6 %
Kunsteducatie
9,1 % Consumentenvorming
3,1 %
Zingeving en filosofie
8,6 % Natuur en milieu
5,4 %
Maatschappij en politiek
7,0 % Opvoeding en onderwijs
2,2 %
Creativiteit en expressie
13,3 % Relationele vorming
2,7 %
Computer, media en informatie
2,7 % Toerisme
2,2 %
Werk en loopbaan
0,4 % Wetenschap en techniek
1,5 %
Populaire cultuur en hobby
5,7 % Andere
Talen
1,3 %
0%
Kanttekening bij dit beeld is dat het om (een deel van) het bovenlokaal aanbod van verenigingen, bewegingen en vormingsinstellingen gaat. Met name de lokale activiteiten van de afdelingen van verenigingen waren in deze databank niet opgenomen. http://www.prettiggeleerd.be - Sociaal-culturele Activiteitenkalender
Permanente vorming / 313
7.11. Onderwijsmethoden In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.11.1. Volwassenenonderwijs & basiseducatie 7.11.2. Beroepsopleiding VDAB 7.11.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.11.4. Landbouwvorming 7.11.5. DKO, Deeltijds kunstonderwijs 7.11.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk
7.11.1. Volwassenonderwijs - onderwijsmethoden Het volwassenenonderwijs kan contactonderwijs of (sinds 1999) gecombineerd onderwijs zijn. In contactonderwijs worden alle lessen in het centrum gegeven. In gecombineerd onderwijs wordt een deel van de opleiding in de klas gegeven (contactonderwijs) en kan een deel zelfstandig worden verwerkt, thuis of in een open leercentrum via afstandsonderwijs. Het afstandsonderwijs maakt maximaal gebruik van de mogelijkheden van multimediale toepassingen, zoals een elektronisch leerplatform. Het nieuwe decreet wil gecombineerd onderwijs op verschillende manieren stimuleren. Gecombineerd onderwijs moet aan volgende criteria beantwoorden: ● ● ● ● ●
betrekking te hebben op één of meerdere modules van een goedgekeurd opleidingsprofiel; in het afstandsonderwijs cursusmateriaal en didactische middelen gebruiken die geschikt zijn voor multimediaal gebruik; minimaal een beoordelingmoment in het contactonderwijs omvatten; de wijze van evaluatie van het afstandsonderwijs duidelijk omschrijven; de deelname van de cursisten in het afstandsonderwijs systematisch opvolgen.
De CBE en CVO kunnen vanaf 1 september 2009 integrale opleidingen in afstandsonderwijs organiseren. Centra kunnen een aanvraag doen om het gecombineerd onderwijs dat zij organiseren aan 120% te financieren. Daartoe dient het gecombineerd onderwijs minimaal 25% afstandsonderwijs te omvatten en een gunstig advies van de inspectie te krijgen. Die onderzoekt eerst de kwaliteit van het project aan de hand van een aantal indicatoren. Ter stimulering en ondersteuning van het ontwikkelen van gecombineerd onderwijs kunnen jaarlijks enkele centra een aanvullende financiering of subsidiëring krijgen voor grotere projecten. Het luik afstandsonderwijs dient hiervoor minimaal 50 van het totale aantal lestijden te bedragen en minstens 200 lestijden te omvatten. Bovendien kregen het VOCVO en de PBD's de opdracht om de centra inhoudelijk te ondersteunen bij het ontwikkelen van afstandsonderwijs. De basiseducatie werkt samen met de VDAB, voor opleidingen basisvaardigheden op de werkvloer of voor de remediëring van rekenen tijdens beroepsopleidingen. Samenwerking is er ook met de centra voor volwassenenonderwijs, de ocmw's, de gemeentebesturen en andere diensten. Vanaf 1 januari 2008 worden jaarlijks middelen voorzien voor speciale onderwijsleermiddelen (SOL) voor het volwassenenonderwijs, met name voor enerzijds het inschakelen van tolken Vlaamse
Permanente vorming / 314
gebarentaal en/of schrijftolken en anderzijds het aanpassen van lesmateriaal (omzetten in braille en grootletterdruk op maat), zie Omzendbrief VWO/2008/01. Het VOCVO stelt een onlinedatabank met beschrijvingen van leermiddelen basiseducatie ter beschikking. http://www.vocvo.be Onderwijsmethoden en leerplannen behoren overigens tot de pedagogische vrijheid van de inrichtende machten (zie 2.3.1.1.). Van de werkingstoelage (voor CBE’s) of de werkingsmiddelen (CVO’s) moet er 5% besteed worden aan kwaliteitszorg en aan de ontwikkeling van leermiddelen.
7.11.2. Beroepsopleiding VDAB - onderwijsmethoden Er worden uiteenlopende onderwijsmethoden gehanteerd al naargelang de opleiding. ● ●
●
●
●
Opleiding in groep onder leiding van een instructeur, op vaste tijdstippen en met een gemeenschappelijk leertraject voor de deelnemers. Bij open leren neemt men individueel het totale leerpakket door in een VDAB-centrum of het bedrijf. Naast ondersteuning van een instructeur kan men er gebruik maken van een waaier aan leermiddelen (cd-rom, video, zelfstudiepakketten). Het betreft hier dus zelfstudie met onmiddellijke begeleiding, op afspraak, wanneer het de cursist past. Met webleren gebeurt het leren thuis of op de werkplek en is het cursusmateriaal 24 uur op 24 online ter beschikking. Van maandag tot en met vrijdag tussen 16.00u en 22.00u geeft een onlinecoach feedback. dit heeft een echte boom gekend in 2009. Meer dan 15 000 cursisten volgden in 2009 een webleercursus bij de VDAB. Webleren zit in de lift : 52.000 inschrijvingen. 185 webcursussen (http://www.vdab.be/webleren ). Bij werkplekleren kan de cursist beroep doen op een coach binnen het bedrijf. De VDAB heeft daartoe trouwens een Vademecum werkplekleren samengesteld en online ter beschikking gesteld. Blended learning: een mix van verschillende aanbiedingsvormen. Voorbeeld: webleren in combinatie met groepsleren.
7.11.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - onderwijsmethoden De leertijd komt aan bod in 5.20.1.2.. De ondernemersopleiding omvat zowel een theoretische vorming (ook hier zowel beroepstechnisch als bedrijfsbeheer) als praktijkervaring, een praktijkstage of aanvullende praktijkopleiding. Voor het bedrijfsbeheer wordt gebruik gemaakt van een haalbaarheidsstudie als rode draad doorheen de opleiding. De bijscholings- en vervolmakingsprogramma's voor zelfstandige ondernemers, KMO en naaste medewerkers bestaan uit algemene en specifieke/thematische programma's, seminaries, specifieke taalcursussen, opfrissingscursussen, enz.. Bij de opleidingen-op-maat werken opleidingsconsulenten via een stappenplan een globaal opleidingsplan uit dat het dichtst bij de persoonlijke behoeften en ambities van (het hoofd van) de onderneming aanleunt. Met steun van het ESF werd een e-cursus basiskennis bedrijfsbeheer ontwikkeld. De cursus combineert het afstandsleren met online ondersteuning door docenten en begeleidingsmomenten op Permanente vorming / 315
de campus. De cursus verschilt inhoudelijk niet van de gewone opleiding en leidt tot hetzelfde getuigschrift. SYNTRA Vlaanderen hanteert de methodiek van het competentiegericht opleiden met veel aandacht voor de persoonlijke en individuele ontwikkeling van de cursisten. Vanaf 2009 wordt gewerkt aan een betere integratie van de zelfreflectie bij de cursisten en het afstemmen van de beoordeling.
7.11.4. Landbouwvorming - onderwijsmethoden Een theoretische les is een theoretische uiteenzetting, gegeven door een lesgever en eventueel gevolgd door een bespreking of een demonstratie van de praktijk aan de deelnemer. Een praktijkles is een les waarbij alle deelnemers, na een eventuele korte theoretische inleiding, de praktijk van het vak beoefenen onder leiding van een lesgever. Een stagedag bestaat uit acht uur stageactiviteit. In de praktijk worden ook panelgesprekken, geleide bedrijfsbezoeken, discussiegroepen e.d. aanvaard, mits die geleid worden door een moderator, die de functie van 'lesgever' vervult. Sinds 2005 worden jaarlijks nieuwe e-learningsprojecten en peterschapsprojecten opgestart.
7.11.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - onderwijsmethoden Beslissingen omtrent methoden behoren tot de vrijheid van de inrichtende machten. Bijgevolg zijn er geen officiële richtlijnen; onderwijs in kleine groepjes en zelfs individueel onderricht zijn alledaagse praktijk.
7.11.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - onderwijsmethoden Volgens het decreet van 4 april 2003 dient elke erkende sociaal-culturele volwassenenorganisatie een sociaal-culturele methodiek te hanteren. “Een sociaal-culturele methodiek is een wijze van denken en handelen die gesteund is op reflectie, ervaringsdeskundigheid en wetenschappelijke inzichten. Die methodiek wordt door diverse organisaties en hun vrijwillige en professionele medewerkers gebruikt om individuen en groepen aan te spreken en te activeren in één of meerdere bestaansdimensies en in hun diverse leefsituaties. Deze bestaansdimensies kenmerken de mens als zin- en waardenzoeker, als kennisverwerker, als vaardige actor of creatieve explorator, als cultuurschepper en sociaal wezen. Als doelstellingen staan het ontwikkelen van een eigen identiteit, het bevorderen van sociale integratie en maatschappelijke participatie en de opbouw van een democratische, duurzame en inclusieve samenleving voorop. Daartoe worden op bewuste en doordachte wijze open kansen geschapen die uitnodigen tot ontmoeting en informeel leren. Er worden processen van kritische bewustwording, reflexieve verantwoording en persoonlijke bekwaming gestimuleerd. Er wordt aangezet tot de ontwikkeling van sociale, culturele en communicatieve competenties en de vorming van sociale netwerken en culturele symbolen. In het scheppen en benutten van deze kansen zijn de betrokken personen en groepen actieve ‘deel-nemers’ met wie de medewerkers in dialoog treden over de concrete doelen en de aanpak."
Permanente vorming / 316
In het Sociaal-cultureel Volwassenenwerk worden de methoden bepaald door de interventiestrategie die men aanwendt. De belangrijkste interventiestrategieën van het sociaal-cultureel volwassenenwerk zijn: ●
● ● ●
Het opzetten van een context waarbinnen deelnemers informeel kunnen leren in interactie met anderen en/of via zelfreflectie, alsook het begeleiden van deelnemers op niet-formele wijze (d.w.z. vormen van begeleiden van leerprocessen, die niet gebonden zijn aan vooraf door derden vastgestelde programma's en eindtermen). Het maatschappelijk activeren van mensen rond diverse kwesties en thema's van collectieve aard met het oog op integratie en/of participatie aan de samenleving. Het stimuleren van gemeenschapsvorming en ontmoeting tussen mensen. Het creëren van een context waarin cultuurbeleving, betekenisschepping en de creatie van symbolen, mogelijk is en aangemoedigd wordt.
Het sociaal-cultureel volwassenenwerk biedt niet-formele educatie aan met de klemtoon op het informele en niet-formele leren. Het aanbod omvat zowel het stimuleren van incidenteel als intentioneel leren. In het sociaal-cultureel volwassenenwerk worden interventies en vormen van begeleiding niet als een overdracht opgevat van de begeleider naar het individu. De deelnemer is daarentegen een actieve partner die zowel de inhoud als de aanpak van de programma's, projecten en activiteiten, op een of andere wijze mee bepaalt. De overheid wenst in het kader van het decreet betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk de evoluties en kenmerken van niet-formele educatie in kaart te brengen. Door de vakgroep Agogische wetenschappen van de VUB werd een adviesrapport 'Eigenschappen en positie van niet-formele educatie in het sociaal-cultureel volwassenenwerk' geschreven. Het zal als achtergrond worden gebruikt voor een onderzoek dat meer duidelijkheid moet bieden inzake gemeenschappelijke positionering, afstemming en beleidsvoering van de regionale volkshogescholen. Te downloaden op de website van het agentschap sociaal-cultureel http://www.sociaalcultureel.be/volwassenen/onderzoek_evolnietformeduc.aspx
volwassenenwerk:
7.11.7. Afstandsleren Beperking BIS tot gedetineerden en voorbereiding op examens
In 2007 besliste de minister van Onderwijs en Vorming de organisatie van schriftelijk onderwijs door het departement onderwijs (BIS, begeleid individueel studeren) af te bouwen. Ondanks de hoge kwaliteit van de BIS-cursussen, was het weinig succesvol. Een te geringe interesse en een te hoge ontwikkelingskost voor het cursusmateriaal maakten van BIS een weinig rendabel initiatief. Enkel cursisten die zich voorbereiden op examens van de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap en gedetineerden) kunnen voorlopig nog gebruik maken van het cursusmateriaal van BIS. http://www.ond.vlaanderen.be/bis/examencommissie/index.html Valorisering ontwikkelde materialen
In de loop van september 2008 werd de leermaterialendatabank van BIS ontsloten via de educatieve portaalsite KlasCement. http://www.klascement.net/ De VDAB ontsloot de leermiddelen van BIS-online inz. een aantal taalcursussen via het "webleren". Het cursusmateriaal is 24 uur op 24 online ter beschikking. Van maandag tot en met vrijdag tussen 16.00u en 22.00u geeft een onlinecoach feedback. De digitale leermiddelen worden ook ingezet Permanente vorming / 317
binnen de taalopleidingen in de competentiecentra van de VDAB als ondersteuning van het gecombineerd leren. http://www.vdab.be/webleren/cursussen.shtml BIS-online zal ook ontsloten worden voor de CVO en CBE voor het volwassenenonderwijs. In het volwassenenonderwijs wordt het gecombineerd onderwijs (contactonderwijs gecombineerd met afstandsonderwijs) trouwens sterk uitgebreid (zie 7.11.1.). Verdere uitbouw
Het afstandsleren zal verder worden uitgebouwd, ook in het hoger beroepsonderwijs waarbij de hogescholen zullen worden betrokken. Om de uitwisselbaarheid van digitale leermiddelen te verhogen zijn afspraken nodig over leerstandaarden en metadata. Het Departement Onderwijs en Vorming heeft een ondersteuningsproject opgezet dat voortbouwt op het zgn. PUBELO-project (Publiceren in een Elektronische Leeromgeving) (http://www.pubelo.be/ ). Via dit project wordt expertise opgebouwd en uitgewisseld en afspraken gemaakt over standaardisering en uitwisseling van digitale leermaterialen. De doelgroep omvat ICT-coördinatoren, beheerders van elektronische leeromgevingen, maar ook educatieve uitgeverijen, beleidsmedewerkers en lesgevers. Binnen dit ondersteuningsproject werden ook contacten gelegd met de verantwoordelijken voor digitale leermaterialen bij VDAB en Syntra Vlaanderen om de bereidheid af te toetsen voor gezamenlijke afspraken rond digitale leermaterialen binnen de bredere volwasseneneducatie. Competentieontwikkeling van coaches en lesgevers is eveneens noodzakelijk en alvast opgenomen door Toll-net (technologie-ondersteund levenslang leren) een netwerk van lesgevers, ICTcoördinatoren, directies en pedagogische begeleiders in de volwasseneneducatie. Binnen het netwerk wisselen de leden ervaringen en kennis uit over e-leren en gecombineerd leren. http://www.toll-net.be/
7.12. Lesgevers In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.12.1. Volwassenenonderwijs & basiseducatie 7.12.2. Beroepsopleiding VDAB 7.12.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.12.4. Landbouwvorming 7.12.5. DKO, Deeltijds kunstonderwijs 7.12.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk
7.12.1. Volwassenenonderwijs - lesgevers De personeelsleden van de CBE Sinds 1 september 2008 (start hervorming volwassenenonderwijs voor CBE's) ressorteren de personeelsleden niet langer onder het paritair comité van het sociaal-cultureel vormingswerk, maar wel onder onderwijs als contractuele personeelsleden. Ze hebben nu een CODO-statuut (zie 8.2.6.1.) (= contractueel betaald door het departement onderwijs). De nieuwe arbeidsvoorwaarden en regelgeving werd op 30 juni 2008 in een eerste cao voor de basiseducatie vastgelegd (zie 2.7.2.6.), Elk centrum beschikt ook over één of meer administratieve medewerkers. De sector basiseducatie telt zo’n 900 personeelsleden in 13 CBE's. Permanente vorming / 318
Vanaf 1 september 2008 gelden volgende functies. ● ● ● ● ● ●
Directeur (elk centrum beschikt over één VTE directeur) Stafmedewerker Leraar basiseducatie (leerkrachten met een pedagogisch bekwaamheidsbewijs kregen een substantiële loonsverhoging) Ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting Beleidsondersteunend administratief medewerker Uitvoerend administratief medewerker
Vanaf 1 september 2010 zal de directeur met functiebeschrijvingen, functioneringsgesprekken en evaluaties de middelen in handen krijgen om een beter personeelsbeleid te voeren.
De personeelsleden van de CVO Het onderwijzend personeel valt onder de decreten rechtspositie (27 maart 1991). Hun wettelijk statuut en kwalificaties zijn gelijkaardig aan de vereisten die gelden voor het voltijds secundair onderwijs. Een CVO kan maximum 5% van de toegewezen leraarsuren aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers. Vanaf 1 september 2010 gelden een aantal nieuwe, voor het volwassenenonderwijs specifieke regelingen voor het personeel. Aanleiding is het verlaten van de vakken als vertrekbasis voor de personeelsregelgeving. In de plaats worden opleidingen en soms ook modules als kapstok gehanteerd. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor o.a. het stelsel van bekwaamheidsbewijzen, de prestatieregeling, de salarisschalen, de nuttige ervaring en de vaste benoeming en reaffectatie. Aan de basisprincipes van de personeelsregelgeving zoals voorzien in de decreten rechtspositie wordt niet geraakt. Via individuele of ambtshalve concordantie worden de rechten van de personeelsleden gegarandeerd.
7.12.2. Beroepsopleiding VDAB - lesgevers VDAB-opleiders (“instructiepersoneel”) worden doorgaans gerekruteerd als vakmensen uit de bedrijfswereld), maar VDAB werft ook lesgevers aan die een lerarenopleiding hebben gevolgd. Behalve door instructeurs worden de cursisten ook begeleid door klantenconsulenten, lesgevers sollicitatievoorbereiding en lesgevers Nederlands als tweede taal.
7.12.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - lesgevers Leerlingen in de leertijd krijgen algemene en beroepsgerichte vorming door lesgevers en praktijkopleiding door patroons. De lesgevers zijn, zeker voor wat betreft beroepskennis, mensen uit de praktijk die zelf patroon zijn of tewerkgesteld zijn als ondernemende medewerker in een KMO. Alle lesgevers algemene vorming hebben een bewijs van pedagogische bekwaamheid. SYNTRA Vlaanderen organiseert voor de lesgevers een initiële bijscholing van 120 uur, waarbij de klemtoon ligt op pedagogisch-didactische elementen. Verder worden regelmatig periodieke bijscholingen georganiseerd waarbij de klemtoon ligt op vaktechnische elementen, of specifieke aspecten van de pedagogisch-didactische aanpak. Voor de patroons (die de leerjongeren of stagiairs 4 dagen per week opleiden) bestaan de Estafette-opleidingen. Hierin wordt voornamelijk gefocust op instructies geven aan leerjongeren, coaching en conflicthantering. Permanente vorming / 319
Een nieuwe functie binnen het SYNTRA-netwerk is de ‘taal- en leercoach’, waarvoor in samenwerking met de VDAB een competentieprofiel werd uitgewerkt. Deze medewerker moet eventuele taal- of leermoeilijkheden efficiënt aanpakken en heeft een ondersteunende functie voor, tijdens en na de lessen. De docent kan de coach ook inzetten om het lesgeven aan een heterogene klas beter onder de knie te krijgen.
7.12.4. Landbouwvorming - lesgevers Het Vlaamse Gewest subsidieert via de vervolmakingsdagen ook de opleiding van de lesgevers. De centra hebben de mogelijkheid om vervolmakingsdagen voor lesgevers te organiseren. Deze worden gesubsidieerd door het Vlaamse Gewest. Ze hebben als doel de technische en didactische kennis van de lesgevers bij te schaven en hen vertrouwd te maken met nieuwe regelgeving. De centra doen eveneens beroep op lesgevers met een diploma van leerkracht. Meest doen zij beroep op specialisten in de onderwezen materie. Dit zijn lesgevers uit het dagonderwijs, personeelsleden van landbouworganisaties, voorlichters,… De Afdeling Duurzame landbouwontwikkeling (zie 2.6.2.3.) zorgt voor inspecties ter plaatse.
7.12.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - leraars Leraars in het DKO functioneren onder de rechtspositieregeling die ook geldt voor het personeel in het leerplichtonderwijs en het volwassenenonderwijs. Zij moeten over een specifiek, vereist bekwaamheidsbewijs beschikken. Voor bijna alle vakken in het DKO zijn deze vereiste bekwaamheidsbewijzen vastgelegd. Het betreft specifieke basisdiploma's van kunstopleidingen, aangevuld met een lerarenopleiding. De academies beoordelen zelf of een houder van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs de nodige competenties heeft om een vak te onderwijzen. In uitzonderlijke gevallen kan ervaring als bekwaamheidsbewijs in aanmerking genomen worden, en tot een volwaardige aanwerving leiden (zie 8.2.5.1.). In 2007 en verder in 2008 werd de regelgeving bekwaamheidsbewijzen aangepast aan de hervormingen in het hoger en volwassenenonderwijs.
7.12.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - lesgevers De educatieve medewerkers in sociaal-culturele organisaties dienen niet over een specifiek diploma te beschikken. Geëigende opleidingen vormen de basisopleiding 'sociaal-agogisch werk' ingericht door de sociale hogescholen en de richtingen sociale (ped)agogiek en sociaal werk op universitair niveau. SoCiuS, het steunpunt voor sociaal-cultureel volwassenenwerk, heeft een bijscholingsaanbod en organiseert intervisiebijeenkomsten, collegagroepen en werkplaatsen. Speciale aandacht krijgen de thema's 'interculturaliseren' en 'gemeenschapsvorming en maatschappelijke activering'. SoCius begeleidt ook de toepassing van kwaliteitszorg in de sector. Een overzicht van het vormingsaanbod vindt men op: http://www.bijleren.be De organisaties zorgen meestal zelf voor de vorming van hun vrijwillige en freelance lesgevers. Zowel verenigingen als vormingsinstellingen doen ook beroep op gespecialiseerde experts.
Permanente vorming / 320
7.13. Beoordeling en studievoortgang In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.13.1. Volwassenenonderwijs & basiseducatie 7.13.2. Beroepsopleiding VDAB 7.13.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.13.4. Landbouwvorming 7.13.5. DKO, Deeltijds kunstonderwijs 7.13.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk
7.13.1. Volwassenenonderwijs - beoordeling en studievoortgang Het centrum organiseert per module een beoordeling. Die kan de vorm aannemen van permanente beoordeling of een afsluitende beoordeling. In de overgangsperiode, moeten de CVO’s in het lineaire systeem ten minste één examen voor elk vak aan het einde van het schooljaar organiseren. In het hoger beroepsonderwijs kan een tweede beoordelingsperiode worden georganiseerd.
7.13.2. Beroepsopleiding VDAB - beoordeling en studievoortgang Cursisten worden, middels hun technisch-pedagogisch dossier (TPD), permanent opgevolgd en geëvalueerd in de loop van hun (modulaire) opleiding. In de opleidingengids op http://www.vdab.be staat per VDAB-opleiding ook het opleidingstraject vermeld met, per module drie rubrieken: wat leer je?, leermethode en een korte omschrijving van de module. Het nieuwe agentschap voor kwaliteitszorg in onderwijs en vorming (zie 9.3.2.) zal ook instaan voor het kwaliteitszorgsysteem voor trajecten die leiden naar bewijzen van erkende kwalificaties, ook voor de beroepsopleiding van de VDAB.
7.13.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - beoordeling en studievoortgang Voor de leertijd (zie 5.20.1.2.). Het nieuwe agentschap voor kwaliteitszorg in onderwijs en vorming (zie 9.3.2.) zal ook instaan voor het kwaliteitszorgsysteem voor trajecten die leiden naar bewijzen van erkende kwalificaties, ook voor de vormingstrajecten van SYNTRA
7.13.4. Landbouwvorming - beoordeling en studievoortgang Na het volgen van de starterscursussen type A en B en een stage van 20 dagen kunnen de deelnemers deelnemen aan de installatieproef voor een jury waarin juryleden uit de administratie en de provinciale diensten zetelen, en waar de centra kunnen aanwezig zijn als waarnemer. Het afgeleverde ‘installatieattest’ opent rechten op investeringsteun bij vestiging op een landbouwbedrijf. Permanente vorming / 321
In de starterscursussen type C (verkoper of gebruiker van fytoproducten en biociden) moeten de deelnemers slagen in een eindproef onder controle van de FOD Volksgezondheid. Tijdens de stages zijn de stagiair, de stagebegeleider en de bedrijfsleider verplicht een beoordelingsverslag in te vullen.
7.13.5. Deeltijds Kunstonderwijs DKO – beoordeling en studievoortgang Tweemaal per schooljaar wordt er een schriftelijke beoordeling gemaakt van elke leerling en meegedeeld aan de leerling en/of ouders. Het schoolbestuur kan zelf de vorm van die beoordeling uittekenen. Binnen de academies voor Beeldende kunst worden aan het einde van de lagere graad, aan het einde van het vijfde en zesde leerjaar van de middelbare graad en aan het einde van ieder leerjaar van de andere graden tussen 1 juni en 30 juni overgangsproeven of eindproeven georganiseerd. De eindproeven worden georganiseerd in het laatste leerjaar van de middelbare graad, van de hogere graad en van de specialisatiegraad. Binnen de academies voor Muziek, Woordkunst en Dans vinden de overgangs- en eindproeven plaats tussen 15 mei en 30 juni. De eindproeven worden hier georganiseerd in het laatste leerjaar van elke graad; de overgangsproeven in de andere leerjaren. Verspreide of gedeeltelijke proeven kunnen georganiseerd worden mits kennisgeving aan de inspectie. Voor bepaalde vakken worden geen proeven georganiseerd, of geldt er geen verplichting tot het afnemen van overgangsproeven. Tussen 15 augustus en 15 september worden van alle vakken uitgestelde proeven afgenomen van de leerlingen die om een gewettigde reden niet hebben kunnen deelnemen aan de proeven aan het einde van het schooljaar. De inrichtende macht kan beslissen om tijdens die periode ook herkansingsproeven te organiseren. De leerlingen zijn verplicht deel te nemen aan de proeven ingericht aan het einde van het leerjaar waarvoor zij zijn ingeschreven. De leerlingen die meer dan 1/3 van de lessen niet hebben bijgewoond zonder dat hun afwezigheid gewettigd was, worden niet toegelaten tot de proeven en zijn derhalve niet geslaagd.
7.13.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - beoordeling en studievoortgang Kenmerkend is het ontbreken van elke vorm van formele beoordeling van de deelnemers. De organisaties doen wel aan zelfevaluatie, zowel ten behoeve van de deelnemers, als ten behoeve van hun eigen werking.
7.14. Studiebewijzen In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.14.1. Volwassenenonderwijs & basiseducatie 7.14.2. Beroepsopleiding VDAB 7.14.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.14.4. Landbouwvorming 7.14.5. DKO, Deeltijds kunstonderwijs 7.14.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk Permanente vorming / 322
7.14.7. EVC - Vlaamse kwalificatiestructuur
7.14.1. Volwassenenonderwijs - studiebewijzen In de basiseducatie reikt een CBE een deelcertificaat uit ter bekrachtiging van een module, een certificaat ter bekrachtiging van een opleiding. In het secundair volwassenenonderwijs en in het hoger beroepsonderwijs reikt een CVO verschillende types van studiebewijzen uit: ● ● ● ● ●
een attest bekrachtigt een eenheid van een voorlopig modulair structuurschema tot uiterlijk 1 september 2012; een deelcertificaat bekrachtigt een module in een opleiding (en tot uiterlijk 1 september 2012 een submodule van een voorlopig modulair structuurschema); een certificaat bekrachtigt een modulaire opleiding, of een opleiding van het hoger beroepsonderwijs van minder dan 900 lestijden; een getuigschrift bekrachtigt de opleiding bedrijfsbeheer in het studiegebied handel (en tot uiterlijk 1 september 2012 ook een lineaire opleiding); een diploma bekrachtigt :
▪
de opleidingen economie-moderne talen, economie-wiskunde, humane wetenschappen ASO3, moderne talen-wetenschappen, moderne talen-wiskunde en wetenschappen-wiskunde van het studiegebied algemene vorming;
▪
de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een certificaat van een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied in het secundair volwassenenonderwijs; (overgangsbepaling tot en met het schooljaar 2010-2011): de opleidingen algemene vorming BSO 3 of algemene vorming TSO 3, gecombineerd met een certificaat van een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied in het secundair volwassenenonderwijs;
▪
de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een of meer deelattesten als bewijs van slagen voor het specifiek gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het TSO of BSO voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds onderwijs voor zover de onderverdeling overeenkomt met een diplomagerichte opleiding in het volwassenenonderwijs;
▪
● ●
een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied dan algemene vorming in het secundair volwassenenonderwijs, als de cursist bij zijn inschrijving houder is van een diploma van het secundair onderwijs; een diploma van leraar bekrachtigt de specifieke lerarenopleiding van het hoger beroepsonderwijs; het centrum mag het diploma aanvullen met de omvang van de opleiding en het behaalde resultaat, uitgedrukt in studiepunten; een diploma van gegradueerde bekrachtigt een opleiding van het hoger beroepsonderwijs van minimum 900 lestijden, met uitzondering van de specifieke lerarenopleidingen. Bij een diploma van gegradueerde wordt steeds een diplomasupplement uitgereikt (zie 6.15.).
Op het diploma secundair onderwijs wordt steeds het totale aantal lestijden opgenomen.
7.14.2. Beroepsopleiding VDAB - studiebewijzen Deelnemers kunnen een attest krijgen voor bepaalde opleidingen die ze hebben gevolgd. Bij webleercursussen bekomt de cursist, na positieve beoordeling door de coach,een getuigschrift. Dergelijke attesten hebben geen formele of wettelijke waarde; zij worden niet erkend als equivalent
Permanente vorming / 323
met de erkende studiebewijzen van de eigenlijke onderwijssector. Ze worden echter wel de facto erkend door de bedrijfswereld. Er bestaan verschillende vormen van certificering van werkzoekenden of werknemers binnen VDAB: ●
VDAB-certificaten – veelal "getuigschriften" genoemd:
○ vermelden de inhoud van de programmaonderdelen die de cursist met succes ●
gevolgd heeft; VDAB-certificaten met certificaat van een sector:
○ het certificaat geeft aan dat de sector de opleiding promoot en co-financiert; ○ bovendien ondersteunt het certificaat van de sector het VDAB-getuigschrift als bewijs van verworven competenties;
○ voorbeelden: Europees lasdiploma EWF, opleidingen in de autosector ondersteund
●
door EDUCAM, opleidingen in de electrosector ondersteund door VORMELEK, opleidingen in de bouwsector ondersteund door het Fonds voor Vakopleiding in de Bouwnijverheid; VDAB-certificaten met certificaat van een bedrijf:
○ het certificaat geeft aan dat het bedrijf de opleiding promoot en co-financiert; ○ bovendien ondersteunt het certificaat het VDAB-getuigschrift als bewijs van verworven competenties; ●
○ voorbeelden: ECDL, VCA, Cysco; VDAB-certificaten met aanvullend wettelijk certificaat: ○ VDAB bereidt de cursist grondig voor op een examen buiten VDAB voor certificaten die wettelijk verplicht zijn voor de uitoefening van bepaalde beroepen;
○ voorbeelden: rijbewijs CE, ADR (zwaar goederenvervoer op de weg), CEDICOL ●
(centrale verwarming), diploma's in de social profit; Een ervaringsbewijs (zie 7.14.7.)
○ dit is een wettelijk certificaat uitgereikt door de minister van Onderwijs, Vorming en Werk;
○ doelgroepen die in aanmerking komen: cursisten op het einde van hun opleiding die
●
vermoedelijk voldoen aan de competenties vermeld in de standaard van de Sociaaleconomische Raad van Vlaanderen (SERV), werkzoekenden op eigen verzoek, werknemers op eigen verzoek. Een vrijstellingsattest Vanaf 2007 werden met de lokale CVO’s overeenkomsten afgesloten waarbij de cursist vrijstelling bekomt voor bepaalde modules in de opleiding tot professionele bachelor (bedrijfsadministratie en ICT). Naar samenwerkingen in het Hoger Beroepsonderwijs toe worden vergelijkbare leerladders mogelijk.
7.14.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - studiebewijzen Voor de leertijd zie 5.20.1.2.. Wie in een ondernemersopleiding slaagt voor de cursus beroepskennis én de cursus bedrijfsbeheer ontvangt een diploma dat beantwoordt aan de eisen van de vestigingswet zowel voor de vereiste beroepskennis als voor het bewijs van basiskennis van bedrijfsbeheer. Wie enkel slaagt voor de cursus beroepskennis ontvangt een getuigschrift beroepskennis en praktijk dat voldoet voor de vereiste beroepskennis. Wie enkel slaagt voor de cursus bedrijfsbeheer ontvangt een getuigschrift van basiskennis van bedrijfsbeheer, waarmee men voldoet aan de vereisten van bedrijfsbeheer. Permanente vorming / 324
Gecertificeerde bijscholingen die aansluiten op een ondernemingsopleiding leiden tot een officieel getuigschrift van de Vlaamse Gemeenschap. Niet-gecertificeerde bijscholingen (actuele thema's, taalcursussen, thema's uit bedrijfsbeheer en management, nieuwe reglementering…) leveren een attest van het organiserend SYNTRA op.
7.14.4. Landbouwvorming - studiebewijzen De cursussen worden steeds afgesloten met een cursustest. De deelnemers die minstens 75 % van de uren aanwezig waren en geslaagd zijn voor de cursustest krijgen een namens de minister door de Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling geviseerd getuigschrift. Een succesvolle opleiding voor starter in land- en tuinbouw leidt tot een installatieattest. Het is nodig voor: ● ● ●
personen die zich wensen te vestigen op een land- of tuinbouwbouwbedrijf en hiervoor een tussenkomst wensen van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) en geen diploma kunnen voorleggen van een volledige cyclus land- of tuinbouwgericht onderwijs van minstens het niveau hoger secundair onderwijs.
Het installatieattest geldt als voldoende bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer, voor de inschrijving bij de Kruispuntenbank van ondernemingen (KBO). Het bekomen van een installatieattest verloopt in vier fasen: 1 2 3 4
starterscursus type A van minimum 75 uren; starterscursus type B van minimum 40 lesuren afgestemd op de landbouwsector waarin de kandidaat-landbouwer zich wenst te vestigen; stage van 20 stagedagen van acht uur op een land- of tuinbouwbedrijf; installatieproeven: zowel een schriftelijke proef over de inhoud van de starterscursus A, als een mondelinge proef (een socio-economische voorstelling van een landbouwbedrijf).
De afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling organiseert tweemaal per jaar in elke provincie een installatieproef, in samenwerking met de provinciale landbouwdiensten. De jury bestaat uit ambtenaren van het Beleidsdomein Landbouw en Visserij (2), het Agentschap voor Landbouw en Visserij (1) en de provincie (1). De algemene centra kunnen elk een waarnemer sturen.
7.14.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - studiebewijzen Bij het succesvol beëindigen van elke graad ontvangt de leerling een attest of getuigschrift. Dit heeft geen 'civiel effect', maar toont enkel aan dat men een bepaald niveau aan kan. De opleiding biedt natuurlijk wel een stevige basis aan jongeren die wensen aan te vangen met een opleiding binnen het hoger kunstonderwijs (bv. muziekconservatorium, toneel- en kleinkunstopleidingen, dansopleidingen). Al naargelang de graad kan het getuigschrift beeldende kunst als complementair aan het basis- of secundair kunstonderwijs worden beschouwd.
7.14.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - competentiedocumenten SoCiuS riep in 2005 een werkgroep ‘EVC in het sociaal-cultureel werk’ in het leven. In deze groep zetelden naast vertegenwoordigers uit het werkveld ook mensen van de administratie, het kabinet, de Permanente vorming / 325
Universiteit Gent, de basiseducatie en het Steunpunt Jeugd. De activiteiten van deze werkgroep resulteerden in de visietekst ‘EVC in het sociaal-cultureel werk’ (2006). Op basis van deze visietekst werd nagedacht hoe deze visie in de praktijk zou kunnen omgezet worden. Het gevolg is een concreet project waarbij SoCiuS samen met Steunpunt Jeugd in maart 2008 van start is gegaan met de ontwikkeling van een portfolio voor niet- en informele leerervaringen in het erkende en/of gesubsidieerde sociaal-cultureel volwassenenwerk en jeugdwerk. Het project loopt tot februari 2010. Het portfolio is een verzamel- en documentatiemap m.b.t. leerervaringen uit niet-formele en informele leeromgevingen en dit voor personen vanaf 12 jaar. Het portfolio is eigendom van het individu. Deze beslist zelf wanneer en waar hij/zij het portfolio gebruikt. Dit betekent ook dat de gebruikers ervan op elk moment zelf kunnen bepalen wat ze er in steken en wat niet. Dit kan bijvoorbeeld heel interessant zijn in het geval men een selectie van competentiedocumenten uit het portfolio wil gebruiken voor een specifiek doel (sollicitatie, vrijwilligersengagement, leertijdverkorting, ...). In het portfolio worden twee types documenten gebruikt. Enerzijds documenten waarbij de competenties geïnventariseerd en gedocumenteerd worden, anderzijds bewijzen waarbij de competenties ook getest worden op basis van autonome of publieke standaarden. Ze worden voorlopig competentiedocumenten noemen. De invulling van beide types van documenten zal gebaseerd zijn op de concepten van het leerbewijs, het competentiebewijs en het functiebewijs. Het portfolio werd in deelnemers aan het competenties die ze vrijwilligersfuncties en competenties (EVC) www.oscaronline.be)
2009 voorgesteld en gelanceerd en kreeg de naam Oscar. Oscar helpt sociaal-cultureel jeugd- en volwassenenwerk een zicht te krijgen op de verwerven doorheen het volgen van vormingen en het opnemen van -taken. Op die manier ondersteunt Oscar het (h)erkennen van verworven in het sociaal-cultureel jeugd- en volwassenenwerk. (meer info op
Er werd in 2009 een website ontwikkeld op Vlaams niveau voor alle organisaties die professioneel betrokken zijn bij EVC (www.vlaanderen.be/evc). Ontwikkelingen op beleidsniveau, instrumenten, studiedagen, … worden via deze website ontsloten.
7.14.7. EVC & titels van beroepsbekwaamheid of ervaringsbewijzen Reeds in 2004 werden 'titels van beroepsbekwaamheid' gecreëerd, nu ook ervaringsbewijzen genoemd. ●
● ● ●
●
Het zijn bewijzen uitgereikt door een bevoegde instantie na een procedure van herkenning, beoordeling en erkenning waarbij vastgesteld werd dat de betrokken persoon beschikt over de competenties die werden vastgelegd ten aanzien van een bepaald beroep of deelberoep. Het geldt eveneens als bewijs dat de betrokken persoon een erkende beroepskwalificatie heeft behaald. Elk erkend studiebewijs dat de vastgelegde competenties voor een bepaald (deel)beroep omvat, wordt als ervaringsbewijs aanvaard. Diploma's die mede afgeleverd werden op grond van het voldoen aan de beroepscompetenties vastgelegd in een erkende beroepskwalificatie, worden steeds geacht ten minste de competenties te omvatten die werden vastgelegd ten aanzien van dat (deel)beroep. Onder voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering worden de ervaringsbewijzen ook in aanmerking genomen bij inschrijving voor een opleiding of vorming of als werkzoekende bij de VDAB.
Permanente vorming / 326
De procedure tot het bekomen van een titel van beroepsbekwaamheid wordt op eigen initiatief opgestart. De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de SERV, de beroepen waarvoor een titel van beroepsbekwaamheid wordt uitgereikt. De SERV ontwikkelt op basis van beroepscompetentieprofielen en competentieprofielen standaarden die een selectie omvatten van de competentievereisten die noodzakelijk worden geacht voor de uitoefening van een bepaald beroep. Als erkenningsinstantie fungeert het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie. http://www.ervaringsbewijs.be Relevante wetgeving ● ● ●
● ● ●
Decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid (B.S. 26/11/2004). Besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid (B.S. 30/11/2005). Besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2007 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 augustus 2004 betreffende de erkenning en subsidiëring van centra voor loopbaandienstverlening en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid. Decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur Flexibiliseringsdecreet van 30 april 2004 voor het hoger onderwijs Decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs
EVC, erkennen van verworven competenties geeft iemand de mogelijkheid om zijn kennen, kunnen en attitudes te laten erkennen, onafhankelijk van de context waarin hij deze kennis, vaardigheden en attitudes verwierf. De competenties van de persoon worden beoordeeld aan de hand van een standaard. EVC-procedures bieden een alternatief parcours om een bewijs van erkenning te verkrijgen, buiten het traditionele onderwijs- en opleidingscircuit. Wie een EVC-procedure doorloopt, kan een formele erkenning krijgen, met bewijs van zijn competenties, ongeacht de wijze waarop hij ze verwierf. De stappen 'beoordelen' en 'erkennen' zijn cruciaal om tot een erkenning van verworven competenties te komen en deze erkenning te formaliseren. Het AKOV, Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (zie 9.3.2.) legt zich onder meer toe op de kwaliteit en transparantie van EVC-trajecten. Een samenwerking met het EVC-werkveld is hierbij zeer belangrijk. Het AKOV heeft daarom een Kennisnetwerk EVC geactiveerd dat wordt aangestuurd door een Promotorenteam EVC. Het Promotorenteam EVC is actief sinds juni 2009. Het bestaat uit 23 leden die een representatieve vertegenwoordiging vormen voor het Kennisnetwerk. Tot het Kennisnetwerk kunnen alle aanbieders van trajecten van erkenning en/of herkenning van verworven competenties toetreden. De bedoeling is om expertise en goede praktijken op te bouwen en uit te wisselen rond kwaliteitsvolle (h)erkenningsprocedures, kwaliteitscriteria en betrouwbare methodieken en instrumenten. Promotorenteam en Kennisnetwerk stellen daarnaast ook beleidsaanbevelingen op. Voor alle organisaties die professioneel betrokken zijn bij EVC werd een website ontwikkeld: http://www.evcvlaanderen.be Binnen de Vlaamse overheid loopt momenteel een project om na te gaan of het ervaringsbewijs ook nuttig kan zijn voor functies binnen de overheid. Daarbij moet worden bekeken of het mogelijk is om - binnen het huidig Vlaams personeelsstatuut - mensen met een ervaringsbewijs toegang te verlenen tot de selectieproeven voor de functies bij de overheid. Met de minister bevoegd voor Binnenlands Bestuur lopen gesprekken om te onderzoeken of het ervaringsbewijs kan worden ingezet voor de toegang tot functies binnen de lokale besturen. Binnen de Vlaamse overheid erkende Kind en
Permanente vorming / 327
Gezin het ervaringsbewijs 'begeleider buitenschoolse kinderopvang' voor de 50% regel inzake gekwalificeerd personeel. Ontwikkelingen binnen de sociaal-culturele sector
In de loop van 2010 wordt een traject opgestart binnen de sociaal-culturele sector om te komen tot een gedragen visie m.b.t. m.b.t. de kwalificatiestructuur en m.b.t. EVC. Er werd alvast een nieuw instrument Oscar ontwikkeld, dat de deelnemers aan het sociaal-cultureel jeugd- en volwassenenwerk een zicht moet geven op de competenties die ze verwerven doorheen het volgen van vormingen en het opnemen van vrijwilligersfuncties en -taken. Tevens werd in 2009 een website ontwikkeld voor alle organisaties die professioneel betrokken zijn bij EVC (www.vlaanderen.be/evc). Ontwikkelingen op beleidsniveau, instrumenten, studiedagen, … worden via deze website ontsloten (zie 7.14.7.). EQF, European Qualification Framework
Op 23 april 2008 ondertekenden de voorzitters van het Europees Parlement en de Raad de Europese Aanbeveling voor een Europees kwalificatieraamwerk voor levenslang leren. De aanbeveling roept de lidstaten van de Europese Unie (de EU-lidstaten) op hun kwalificaties tegen 2010 aan één van de acht niveaus van EQF te koppelen. Zo kunnen de nationale kwalificaties met elkaar vergeleken worden. Daarenboven zouden in 2012 alle nationale certificaten en diploma’s een verwijzing moeten bevatten naar het overeenstemmende EQF-niveau. Voor de communicatie over de koppeling van de nationale kwalificatieniveaus aan de niveaus van het EQF is een ‘nationaal coördinatiepunt’ gepland. European Commission - Education & Training - lifelong learning policy - The European Qualifications Framework (EQF)
7.15. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.15.1. Volwassenenonderwijs 7.15.2. Beroepsopleiding VDAB 7.15.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.15.4. Landbouwvorming 7.15.5. DKO Deeltijds kunstonderwijs 7.15.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk Vervolgens behandelen we belangrijke beleidsontwikkelingen die de verschillende stelsels overschrijden. 7.15.7. Competentieagenda & sectorconvenants 7.15.8. Huizen van het Nederlands
7.15.1. Volwassenenonderwijs - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Vanaf 1 september 2008 trad het nieuwe financieringssysteem voor de basiseducatie in werking. Op basis van dit nieuwe systeem krijgen de centra voor basiseducatie een bijkomende educatieve omkadering van 10 procent voor de organisatie van leertrajectbegeleiding, de organisatie van activering en keuzebegeleiding en de organisatie van openleercentra.
Permanente vorming / 328
De basiseducatie werkt samen met de VDAB, voor opleidingen basisvaardigheden op de werkvloer of voor de remediëring van rekenen tijdens beroepsopleidingen. Samenwerking is er ook met de centra voor volwassenenonderwijs, de ocmw's, de gemeentebesturen en andere diensten. In het bijzonder voor het volwassenenonderwijs zijn er permanente werkgroepen opgericht binnen de ERSV's, de Erkende Regionale Samenwerkingsverbanden (de vroegere STC's). Deze werkgroepen hebben een overlegfunctie en doelen op een intense samenwerking tussen industrie, onderwijs en de werkgelegenheidscentra. Zij hebben daarenboven een formele adviesbevoegdheid met betrekking tot de planning van nieuwe opleidingsprogramma's in het volwassenenonderwijs (zie ook 2.7.2.7.). http://www.ersv.be ; www.ersvvlaamsbrabant.be; www.ersvlimburg.be ; www.ersvprovincieantwerpen.be Voor de pedagogische begeleiding van de centra zorgen Ondersteuningscentrum voor het volwassenenonderwijs en begeleidingsdiensten (zie 9.3.3.2.).
het de
VOVCO, het Vlaams PBD's, pedagogische
7.15.2. Beroepsopleiding VDAB - Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Ingevolge de herstructurering van VDAB is er vanaf 2006 naast de Algemene Directie Competentiecentra, een Directie Arbeidsmarktbeheer. De hoofdactiviteiten van de omgevormde bemiddelingsdiensten omvatten: de basisdienstverlening aan werkzoekenden, werknemers en werkgevers, de uitgebreide dienstverlening aan werkzoekenden, d.i. de bemiddelings- en begeleidingstrajecten, en de uitgebreide dienstverlening aan werkgevers. Daarnaast zijn er nog specifieke taken: havenbemiddeling trajectbegeleiding gedetineerden, ervaringsdeskundigen in de armoede, jobcoaching, interregionale en internationale bemiddeling / samenwerking (o.a. Eures), inburgering, inwerking, IBO, begeleiding laaggeletterden, sociaal interventie-advies, gespecialiseerde psychologische screening,… VDAB biedt sinds 2009 ook experimenteel een basisdienstverlening aan voor werknemers in het kader van het loopbaanperspectief. Met het oog op het ondersteunen van mensen die hun eigen loopbaan in handen willen nemen, biedt de VDAB ook loopbaandiensten aan, met VDABloopbaanbegeleiders om loopbaankeuzes te helpen bepalen en een persoonlijk ontwikkelingsplan op te stellen. Als werknemer kan men ook op eigen initiatief naar een competentiecentrum stappen. Naast de klassieke media zijn vooral de uitgebreide toepassingen op het internet belangrijke hulpmiddelen evenals de servicelijn. Jaarlijks worden enkel honderdduizenden vacatures ter beschikking gesteld via de WIS-terminal en de VDAB-website. Werkzoekenden kunnen deze vacatures ontvangen via e-mail, brief, SMS,… (automatisch of op eigen aanvraag). Naast trajectbegeleiding, kan een werkloze in zijn zoektocht naar een gepaste job via de VDABwebsite ook een beroep doen op de CO.BR.A.-databank (COmpetentie- en BeroepenRepertorium voor de Arbeidsmarkt) die 550 beroepenfiches bevat. Uiteraard is deze databank ook voor nietwerkloze geïnteresseerden toegankelijk. http://vdab.be/cobra/. Een ander instrument is de VDABberoepenoriëntatie die aan de hand van een vragenlijst duidelijk maakt welke beroepen bij een persoon passen. De KISS-sollicitantenbank is een gratis databank met cv's van sollicitanten. Werkgevers kunnen zelf interessante kandidaten uit de databank selecteren en contacteren. Werkzoekenden kunnen een eigen promofilmpje op het net plaatsen. In de ' Werkwinkels' zijn alle organisaties die men kan raadplegen wanneer men op zoek is naar werk samen aanwezig op 1 locatie. Permanente vorming / 329
Voor diegenen die nog geen werk hebben, biedt de VDAB sinds 1999 de mogelijkheid tot trajectbegeleiding, of ''jobbegeleiding op maat''. Deze methode impliceert diepgaande en persoonlijke begeleiding van de werkloze en kan bestaan uit verschillende stappen: ● ● ● ● ● ●
diagnose en trajectbepaling (kwalificerende intake, screening, oriëntatie, psychologisch en medisch onderzoek, profielbepaling, infosessies, vooropleiding), sollicitatietraining en -begeleiding, opleiding in een centrum, persoonsgerichte vorming, begeleiding naar de arbeidsmarkt, opleiding en begeleiding op de werkvloer, trajectbegeleiding en -opvolging van de verdere stappen die de werkzoekende doorneemt.
Sinds 1 januari 2006 doet de VDAB beroep op niet-commerciële en commerciële begeleidingsorganisaties om de begeleiding, opleiding en/of werkervaring van langdurig werkzoekenden te realiseren. In de trajecttendering wordt de volledige trajectbegeleiding toevertrouwd aan externe partnerorganisaties. De VDAB zorgt voor een kwaliteitsvolle trajectbepaling. Zie: http://partners.vdab.be/tendering.shtml Voor het opvolgen van de dossiers (ook door de partners) heeft de VDAB een online clïentvolgsysteem uitgebouwd: http://partners.vdab.be/cvs/
7.15.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt De opleidingen van SYNTRA Vlaanderen zijn sterk praktijk- en arbeidsmarkt gericht. Zowel in de raad van bestuur van SYNTRA Vlaanderen als in de Praktijkcommissie (verantwoordelijk voor de leertijd), zetelen vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, middenstand en landbouw die deel uitmaken van de SERV. SYNTRA-Vlaanderen evalueert 3-jaarlijks de 5 SYNTRA op bekendheid, marktaandeel, klantentevredenheid en effectiviteit van de opleiding. Daarnaast volgt SYNTRA een zelfevaluatieinstrument gebaseerd op EFQM gekoppeld aan een visitatiecommissie waarin zowel interne als externe leden zetelen. Deze commissie beoordeelt de zelfevaluatie, de actie- en verbeterplannen die door SYNTRA worden ontwikkeld en heeft indringende gesprekken met alle actoren betrokken bij de organisatie van het SYNTRA-opleidingsgebeuren.
7.15.4. Landbouwvorming - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Het initiatief wordt aan de centra overgelaten.
7.15.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Het initiatief wordt aan de academies overgelaten. Dit item komt ook aan bod in de discussie over inhoudelijke vernieuwing van het deeltijds kunstonderwijs (zie 7.2.5.). Permanente vorming / 330
7.15.6. Sociaal-cultureel volwassenenvorming - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Het initiatief wordt aan de centra overgelaten.
7.15.7. Competentieagenda & sectorconvenants Er van uitgaande dat elk talent telt werd op 14 mei 2007 de Competentieagenda 2010 goedgekeurd door de Vlaamse Regering en de sociale partners, gericht op het ontdekken, ontwikkelen en inzetten van de competenties van studenten, werkzoekenden en werknemers. De agenda doet beroep op de verantwoordelijkheid van zowel het individu, de werkgevers, sociale partners, sectoren, onderwijs als aanbieders van opleiding en loopbaandienstverlening. Voor de 10 prioriteiten van de competentieagenda werden actielijnen uitgewerkt, waarvoor in totaal 38 miljoen euro werd uitgetrokken (10 miljoen euro in 2007 en 14 miljoen euro telkens in 2008 en 2009). Op 21 november 2007 ondertekenden de Vlaamse Regering, de representatieve verenigingen van inrichtende machten, het GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap en de interprofessionele sociale partners een samenwerkingsprotocol waarin de uitgangspunten en doelstellingen van de Competentieagenda onderschreven worden. De stand van zaken wordt opgevolgd door het Vlaams Sociaal-Economisch Overlegcomité (VESOC). De klemtonen uit de Competentieagenda en talent in de brede zin vormen tevens één van de speerpunten van het sociaal-economisch actieplan dat Vlaanderen heeft opgesteld in het kader van het actieplan Vlaanderen in Actie (VIA). Om dit actieplan concreter vorm te geven en uit te diepen, werd op 16 mei 2008 het VIA-Atelier Talent georganiseerd. Dat leidde tot een aantal aanbevelingen zoals het belang van de leraar als baken in de kennissamenleving, evenredige participatie in het onderwijs en de arbeidsmarkt, de school als wieg voor integrale talentontwikkeling (school van de 21e eeuw), een vernieuwde visie op basisvorming en een strategisch competentiebeleid in organisaties. We gaan nader in op de 10 prioriteiten van de competentieagenda. http://www.werk.be/beleid/competentiebeleid/competentieagenda/ 1. Geïnformeerde studie- en beroepskeuze 1.1. Sensibiliseringsacties gericht op leerlingen, ouders en scholen moeten wijzen op het belang van een goed doordachte studiekeuze en interesse voor beroepen opwekken. Tegelijk dient werk gemaakt van een betere oriënteringspraktijk en dient het studieaanbod te worden herzien en geactualiseerd. Daarom wordt ook een blauwdruk voorbereid rond de hervorming van het secundair onderwijs. 1.2. De kennis van het onderwijsaanbod in het secundair en hoger onderwijs en van de mogelijkheden op de arbeidsmarkt wordt verhoogd door samenwerking van de CLB, centra voor leerlingenbegeleiding met de VDAB (zie 5.18.1.). 1.3. Om een continuüm met betrekking tot leer- en levensloopbaanbegeleiding te realiseren, hebben de DBO en VDAB een portfolio voor leerlingen, werknemers én werkzoekenden ontwikkeld “Mijn loopbaan” (zie 5.18.1.). http://www.my-digital-me.be/ 2. Competenties opdoen via leren en werken met meer en beter werkplekleren in alle onderwijs- en opleidingsvormen 2.1. Een systematische en structurele uitbouw van kwaliteitsvol werkplekleren binnen secundair en hoger onderwijs, volwassenenonderwijs, VDAB- en Syntra-opleidingen (zie 5.18.2.).
Permanente vorming / 331
2.2. Verdere uitbouw van stages voor leerlingen en van de databank 'stageforum' om een consistente registratie van de stages in het secundair onderwijs mogelijk te maken. Doorlichting door de inspectie van het stagebeleid van scholen. Tevens uitbouw van een registratiesysteem voor de monitoring van het voltijds engagement van leerlingen (zie 5.18.2.). 2.3. Optimalisering en stimulering van stages voor leerkrachten (zie 8.1.). 2.4. Betere afstemming van vraag en aanbod inzake stageplaatsen door o.m. de aanstelling van 'bruggenbouwers' bij de RTC's (zie 5.18.5.2.). 2.5. Vernieuwing van het stelsel voor afwisselend leren en werken (zie 5.20.1.). 2.6. Het structureel inbouwen van opleidingsstages voor werkzoekenden tijdens een VDABopleiding via een sectorale aanpak. En vereenvoudiging van de diversiteit aan soorten stagesystemen bij de VDAB (zie 7.10.2.). 2.7. Syntra onderzoekt de wenselijkheid en mogelijkheden om het stagebeleid te versterken in de ondernemersvorming. 3. Strategisch plan ondernemend onderwijs en opleiding De Vlaamse minister van Onderwijs maakt samen met de Vlaamse minister van Economie en deze van Werk een strategisch plan ‘Ondernemend Onderwijs en Opleiding’ dat voorziet in een belangrijke taak voor SYNTRA Vlaanderen, nl. het stimuleren van ondernemerszin in onderwijs en opleiding. Zie ook 5.18.4. (stimulering van ondernemerschap) en 7.4.3. (Competento, een nieuw virtueel kenniscentrum rond ondernemerscompetenties). 4. Versterken van de Erkenning van Verworven Competenties (EVC) 4.1. Het ervaringsbewijs (zie 7.14.7.) moet worden ingezet waar het het meest nodig is, meer bepaald voor beroepen/functies waarvoor het moeilijk is competente kandidaten te vinden; die kansen bieden aan bepaalde meer kwetsbare groepen; die zich in ontwikkelende marktniches bevinden (of met andere woorden die competenties die “nieuw” ontstaan op de arbeidsmarkt); o waarvoor geen of weinig instroom vanuit onderwijs bestaat (of het aanvullen van competentieleemtes via de arbeidsmarkt); daarbij zal gestreefd worden naar een evenwichtige mix van doelgroepen, beroepen en functies met voldoende aandacht voor schaalgrootte d.w.z. een zo groot mogelijk bereik én impact van het ervaringsbewijs op de arbeidsmarktpositie. 4.2. Voor het sneller en meer efficiënt ontwikkelen van standaarden wordt het competentiemanagementsysteem aangewend. Het competentiemanagementsysteem moet gezien worden als een vernieuwd en ICT-ondersteund systeem voor het ontwikkelen van beroepenstructuren, beroepscompetentieprofielen en standaarden. Het systeem biedt aldus een kaart van economische activiteiten en daaraan verbonden competenties. Het werkproces achter het ontwikkelen van beroepscompetentieprofielen en standaarden zal daarbij geïnformatiseerd en geprofessionaliseerd worden. Er kan op een veel breder inbreng van experten (namelijk sectorale sociale partners, het directe werkveld en eventueel andere experten) beroep gedaan worden en er zal zo veel mogelijk gebruik gemaakt worden van reeds bestaand, binnenlands en buitenlands materiaal. Hiermee wordt dubbelwerk vermeden en worden de werkzaamheden gestroomlijnd met Europese en internationale ontwikkelingen. Het competentiemanagementsysteem wordt onder de naam COMPETENT ontwikkeld door de SERV i.s.m de VDAB, die hier als technische partner optreedt. Het project COMPETENT wordt gefinancierd door ESF (doelstelling 3, zwaartepunt 4) en hefboomkrediet ten bedrage van 1.500.000 euro. Het project omvat een testfase van het competentiemanagementsysteem. (COMPETENT mag niet verward worden met het COMPETENTO kenniscentrum van SYNTRA Vlaanderen zie 7.4.3.). 4.3. Om een draagvlak te creëren en het ervaringsbewijs ingang te doen vinden op de werkvloer, is er nood aan het voeren van een stevig promotiebeleid rond de meerwaarde en het gebruik van het ervaringsbewijs, zowel naar werkgevers als werknemers en werkzoekenden. o o o
Permanente vorming / 332
4.4. Ook dient het werken met persoonlijke ontwikkelplannen en het gebruik van portfolio’s op de arbeidsmarkt te worden gestimuleerd (zie 5.18.1.). 4.5. EVC-praktijken moeten meer ingang vinden bij onderwijsverstrekkers en publieke opleidingsverstrekkers met het oog op verkorte leer- of opleidingstrajecten. 4.6. Een gecoördineerd en coherent EVC-beleid in onderwijs, werk en cultuur moet resulteren in maximale erkenningsmogelijkheden voor verworven competenties van personen. Het gaat over het gezamenlijk ondersteunen van zo veel als mogelijk gemeenschappelijke kaders, instrumenten en processen voor het erkennen van verworven competenties die in het kader van studie- en beroepskeuze, doorstroming in onderwijs, opleiding en vorming en bij loopbaanontwikkeling op de arbeidsmarkt ondernomen worden. Een overkoepelende Vlaamse kwalificatiestructuur uitbouwen Lessen trekken uit de OESO-doorlichting Uitbouwen van een kennisnetwerk voor het ondersteunen van EVC-processen. (cfr. het Nederlandse centrum EVC http://www.kenniscentrumevc.nl/ 5. Uitbreiding van de aanpak van jeugdwerkloosheid 6. Stimuleren van competentiebeleid, in al zijn facetten, in bedrijven en organisaties (waarbinnen ook aandacht wordt besteed aan de laaggeletterdheid). 6.1. Proeftuinen "lerende netwerken competentiemanagement" worden gelanceerd, waarbij een aantal piloterende bedrijven en organisaties zullen samenwerken rond het geheel of facetten van competentiebeleid (zie projectenlijst 2007-2013 ESF http://www.esf-producten.be ). 6.2. Deze zullen ondersteund worden, ook teneinde de opgebouwde expertise te kunnen verspreiden o.m. via het virtueel platform. Ze worden gefinancierd vanuit het ESF en de hefboomkredieten. 6.3. Doorlichting door het Steunpunt WSE van de financiële incentives voor opleidingen op initiatief van de werkgever. Op basis van de resultaten en de benchmarking met instrumenten in andere EU-landen zullen de SERV-partners aan de Vlaamse Regering voorstellen formuleren. 6.4. Goede praktijkvoorbeelden van competentieontwikkeling in dialoog tussen werkgever en werknemers zullen worden verzameld en verspreid. 7. Investering in blijvende inzetbaarheid van werknemers over hun gehele loopbaan. 7.1. Daartoe is een praktijkstimulerend, kennisbevorderend en beleidsontwikkelend Expertisecentrum Leeftijd en Werk uitgebouwd (http://www.leeftijdenwerk.be/ ). Die website geeft ook een overzicht van diversiteitsplannen. Zie ook: http://www.werk.be/wg/diversiteitsplannen/ 7.2. Oudere werknemers kunnen ingezet worden als mentor bij competentieontwikkeling van hun collega's (inclusief IBO'ers, deeltijds lerenden en schoolstagiairs) en aan het werk blijven binnen projecten rond competentiemanagement. o o o
○ Omdat een ervaren beroepsbeoefenaar niet per definitie een goede begeleider is dienen de mentors goed te worden ondersteund bij hun begeleiding en moeten ze hiervoor worden opgeleid.
○ Om de competenties te valoriseren van de (oudere) werknemers die als opleiders in ondernemingen, instellingen en organisaties in het kader van bv. een leeftijdsbewust personeelsbeleid ingezet worden, zal de procedure voor een ervaringsbewijs ‘opleiding-begeleider’ worden opgestart. Een ervaringsbewijs zou voor een onderneming ook de betekenis kunnen hebben van een soort kwaliteitslabel voor de begeleiding van hun werkplekleren en de kwaliteit van de door hen aangeboden stage- of werkervaringsplaatsen. Zie: http://www.ervaringsbewijs.be/ 8. Verstrekken van incentives aan werknemers teneinde opleidingen, die buiten ondernemingen en/of trajecten om gevolgd worden, haalbaar en betaalbaar te houden. Het Steunpunt WSE heeft daartoe een doorlichting gemaakt van de bestaande studiefinanciering voor volwassenen in al haar vormen, inclusief studiefinanciering binnen het volwassenenonderwijs. De resultaten van dit onderzoek zullen gebenchmarkt worden met de instrumenten die in andere landen van de EU aangewend worden. Op basis van de resultaten van de doorlichting en de benchmark zullen de Permanente vorming / 333
SERV-partners aan de Vlaamse Regering voorstellen formuleren. In afwachting daarvan worden de opleidingcheques gecontinueerd. (Heeft Vlaanderen nood aan ‘meer’? Een evaluatie van instrumenten voor stimulering van opleidingsinspanningen, L. Sels, WSE-rapport, 2009). 9. Werk maken van werknemerschap. Meer werknemerschap houdt in dat men zichzelf kan positioneren op de arbeidsmarkt en loopbaancompetenties ontwikkelt, dat men zijn rechten en plichten kent, goede arbeidsattitudes kan ontplooien, zich inschrijft in levenslang leren en zijn/haar vakmanschap onderhoudt door innovatiegerichtheid, creativiteit en verantwoordelijkheid als competenties te ontwikkelen. 9.1. Het huidige stelsel van loopbaandienstverlening zal geherpositioneerd worden zodat het ook kan evolueren naar een brede basisdienstverlening m.b.t. loopbaaninfo en loopbaanmanagement. Met het oog op de rol en expertise van de vakorganisaties op dit vlak zal de nieuwe dienstverlening in goede afstemming en partnerschap met hen uitgebouwd worden. Het uiteindelijke doel van deze dienstverlening is het ondersteunen van mensen in werknemerschap of het management van hun loopbaan (zijnde het anticiperen op en maken van keuzes met betrekking tot de eigen loopbaan); zowel preventief als curatief. Hierbij zal gebruik gemaakt worden van een virtueel platform 'mijn loopbaan' en van de lokale werkwinkels 9.2. Een traject van loopbaanbegeleiding wil de deelnemer zelfredzaam maken om eigen loopbaankeuzes en loopbaanbeslissingen te kunnen nemen. Het algemene kader hierbij is de arbeidsmarkt, het einddoel is een verhoogde zelfredzaamheid op deze arbeidsmarkt. In elk traject zal het opstellen van een persoonlijk ontwikkelingsplan centraal staan. 9.3. Om het bereik van de loopbaandienstverlening te vergroten zal een communicatieplan worden uitgewerkt. 10. Versterken van de sectorale invalshoek. 10.1. Sectoren en/of sectorale (opleidings)fondsen zullen moeten uitgroeien tot expertisecentra/draaischijven voor sectoraal competentiegericht innovatiebeleid t.a.v. leerlingen, werkzoekenden en ondernemingen (werkgevers en werknemers). Het project COMPETENT (SERV) kan daarbij aangewend worden voor het krijgen van een zicht op de huidige en toekomstige sectorale competentiebehoeften. Een ESF-enveloppe en hefboomkredieten kunnen de ontwikkeling tot expertisecentrum ondersteunen. Voor de ESF-projecten zie http://www.esf-producten.be, oproepnummer 18 en 83) 10.2. De elementen uit de Competentieagenda waar een engagement van de sector wordt verwacht, worden geïntegreerd in de sectorconvenants (zie ook hierna). 10.3. Zie ook andere punten van de competentieagenda: 4.1. & 4.2. & 4.3. & 4.6. 10.4. Het werken met persoonlijke ontwikkelplannen en portfolio’s op de arbeidsmarkt breder ingang doen vinden (in bedrijven, in combinatie met andere tewerkstellingsmaatregelen bv stages, bij herstructurering en outplacement) en verspreiding van goede praktijkvoorbeelden rond het gebruik van portfolio. 10.5. EVC-praktijken ook bij onderwijsverstrekkers en publieke opleidingsverstrekkers meer ingang doen vinden met het oog op verkorte leer- of opleidingstrajecten.
7.15.7.1. Sectorconvenants
Na initiatieven van de VLOR in 1993 en de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen in 1995 heeft de samenwerking tussen onderwijs en het bedrijfsleven sinds 2001 meer structurele steun gekregen door middel van convenants met de sectoren over werkgelegenheid en opleiding. De verschillende engagementen die de sociale partners hebben opgenomen in het kader van de Competentieagenda, werden ook vastgelegd in 28 sectorconvenants, gebaseerd op het modelconvenant 2007-2009, dat is goedgekeurd door VESOC op 11 mei 2007. Daarin wordt o.m. concreet gespecificeerd hoeveel plaatsen voor werkervaringen er komen in het deeltijds onderwijs, hoeveel stageplaatsen in het voltijds onderwijs, hoeveel opleidingen er kunnen gevolgd worden, hoeveel banen gecreëerd, de Permanente vorming / 334
waardering van verworven competenties…In een aantal gevallen leidt dit tot de onderhandeling van specifieke onderwijsconvenants. Er worden meer dan 100 voltijdse sectorconsulenten gesubsidieerd die waken over de uitvoering van de afspraken en de acties op het terrein opvolgen. Elk convenant heeft een looptijd van twee kalenderjaren, maar de startdatum verschilt tussen de sectoren. De werking van de sectorconvenants binnen het Vlaams werkgelegenheidsbeleid is vastgelegd door het decreet van 13 maart 2009.. Voor de sectorconvenants, zie: http://www.werk.be/beleid/sectoraal_beleid/sectorconvenants/ http://www.ond.vlaanderen.be/geletterdheid/sectorconvenanten/ Er wordt in 2010 ook een nieuw type sectorconvenants onderhandeld (de 5de generatie): meer info via http://www.serv.be/dispatcher.aspx?page_ID=01-14-00-00-000
7.15.8. 'Huizen van het Nederlands' als draaischijven voor Nederlands als 2e taal Er zijn acht Huizen van het Nederlands, één voor elke Vlaamse provincie en telkens één voor de steden Antwerpen, Brussel en Gent. Na een experimentele fase, werd de werking van de Huizen van het Nederlands wettelijk verankerd (decreet van 7 mei 2004 betreffende de Huizen van het Nederlands). De doelstelling is het optimaliseren van de dienstverlening t.a.v. anderstaligen die aan de voltijdse leerplicht voldaan hebben en die Nederlands willen leren gericht op sociale, professionele of educatieve redzaamheid. De HvN brengen het volledige aanbod Nederlands Tweede taal (NT2) in hun werkingsgebied in kaart, evenals de noden van anderstaligen op zoek naar een cursus. Na een professionele en eenvormige intakeprocedure, oriënteren zij de anderstaligen naar het meest geschikte cursusaanbod Nederlands. Dankzij een speciaal hiertoe ontwikkeld cursistenregistratiesysteem informeren zij de overheid over de bestaande behoeften, eventuele wachtlijsten, doorstroming en uitval. Enkel de Huizen van het Nederlands zijn bevoegd voor de organisatie en coördinatie van de intake, testing en doorverwijzing van cursisten die niet beschikken over een studiebewijs NT2. Alle Centra voor Basiseducatie, Centra voor Volwassenenonderwijs met een aanbod NT2, VDABcentra, Syntra, universitaire talencentra, provinciale overheden, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de stedelijke overheden van Antwerpen en Gent zetelen als partners in de Huizen van het Nederlands. Tussen een Huis van het Nederlands en de consortia volwassenenonderwijs binnen hun werkingsgebied wordt een samenwerkingsprotocol gesloten (zie 7.5.1.). De Huizen van het Nederlands zijn net zo verspreid als de onthaalbureaus (voor nieuwkomers) waarmee ze nauw zullen samenwerken voor de inburgering van anderstalige nieuwkomers. Een Huis van het Nederlands kan slechts worden erkend en gesubsidieerd indien het wordt ingericht onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk. Tussen de beleidsdomeinen 'Werk en sociale economie”, “Onderwijs en Vorming' en 'Wonen en Inburgering' geldt vanaf 1/9/2009 een nieuw afsprakenkader NT2 over: ● ● ●
de organisatie en afstemming van het opleidingsaanbod; de wederzijdse erkenning van de studiebewijzen; de oriëntering, niveaubepaling en leertrajecten van de cursisten; de samenwerking op vlak van NT2 tussen de aanbieders van NT2 (de Centra voor Basiseducatie, Centra voor volwassenenonderwijs, Universitaire Talencentra, VDAB, SYNTRAVlaanderen), de onthaalbureaus, Huizen van het Nederlands en consortia volwassenenonderwijs. Permanente vorming / 335
Nieuwe elementen in dit afsprakenkader zijn o.a.: ●
●
● ●
de onthaalbureaus, VDAB en de Huizen van het Nederlands krijgen een regisseursrol voor respectievelijk het inburgeringstraject, het traject naar werk en de taalbereidheid in het kader van de Wooncode; de Huizen van het Nederlands krijgen een ruimere delegatie op het vlak van doorverwijzing, waarbij meer rekening gehouden wordt met de leerbehoeften van de cursist enerzijds en anderzijds ook de verwachtingen van de regisseur van het traject; per regio worden afspraken gemaakt over minimale en maximale groepsgroottes bij de verschillende aanbodsverstrekkers; er wordt gestreefd naar een zo centraal mogelijke intakeprocedure zodat de objectiviteit maximaal gegarandeerd blijft.
http://www.ond.vlaanderen.be/volwassenenonderwijs/beleid/rtc_nt2.htm Relevante wetgeving ● ●
Decreet van 7 mei 2004 betreffende de Huizen van het Nederlands (B.S.19/11/2004). Besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005 betreffende de Huizen van het Nederlands (B.S. 16/09/2005).
http://www.huizenvanhetnederlands.be/
7.16. Privé-onderwijs De privé onderwijssector heeft zich eveneens ingelaten met afstandsonderwijs –als vorm van volwassenenonderwijs- en heeft 'scholen' of centra opgezet in verschillende steden en gemeenten, vooral in de sector van talen en informatietechnologie. Dit privé-onderwijs (al dan niet schriftelijk) is in ons land echter niet wettelijk gereglementeerd en bijgevolg ook niet van overheidswege gefinancierd of gesubsidieerd. De diploma's afgeleverd door deze instellingen hebben geen wettelijke waarde en het aanbod binnen dit privé-onderwijs is zeer verscheiden, zowel qua aard van de opleidingen, als qua de lesmodaliteiten en prijs zie de jaarlijkse Studie- en informatiedagen (SIDIN) http://www.ond.vlaanderen.be/sidin
7.17. Statistieken In deze sectie behandelen we achtereenvolgens: 7.17.1. volwassenenonderwijs & basiseducatie 7.17.2. Beroepsopleiding VDAB 7.17.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 7.17.4. Landbouwvorming 7.17.5. DKO, Deeltijds kunstonderwijs Voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk zie 7.10.6..
Permanente vorming / 336
7.17.1. Volwassenenonderwijs Aantal cursisten VOLWASSENENONDERWIJS
Jongens
Meisjes
Totaal
- referteperiode 1/2/2007-31/8/2007
23.816
33.094
56.910
- referteperiode 1/9/2007-31/3/2008
107.351
163.469
270.820
- referteperiode 1/2/2007-31/8/2007
3.717
5.936
9.653
- referteperiode 1/9/2007-31/3/2008
9.721
13.036
22.757
n.b.
n.b.
13.688
Secundair volwassenenonderwijs (1)
Hoger beroepsonderwijs van het volwassenenonderwijs (1)
Begeleid Individueel Studeren (inclusief BIS-online)
(1) Het aantal unieke inschrijvingen in een opleiding wordt geteld. Unieke inschrijving in een opleiding: iemand die zich gedurende een referteperiode twee of meer keer inschrijft in dezelfde opleiding en binnen hetzelfde stelsel, wordt slechts éénmaal geteld. Wanneer hij/zij zich twee (of meer) keer inschrijft in dezelfde opleiding, maar in een verschillend stelsel (de ene keer lineair, de andere keer modulair), dan wordt hij tweemaal geteld. Wanneer hij/zij zich in twee verschillende opleidingen -al dan niet binnen hetzelfde studiegebied- inschrijft, wordt hij tweemaal geteld. Omdat de invoering van het nieuwe decreet eigenlijk kan gezien worden als een ‘trendbreuk’ in het statistisch materiaal, heeft de afdeling Volwassenenonderwijs ervoor gekozen om de referteperiode op te splitsen in 2 periodes, nl. de periode voor en na de invoering van het decreet op 01.09.2007. Dit betekent concreet dat er in het jaarboek per ‘onderwerp’ steeds een tabel opgenomen is met cijfergegevens m.b.t. de referteperiode 01.02.2007 t.e.m. 31/08/2007 en een tabel met cijfergegevens voor de referteperiode 01.09.2007 t.e.m. 31.03.2008 (de referteperiode voor het schooljaar 2007-2008 loopt niet zoals voorheen van 01.02.2007 t.e.m. 31.01.2008, maar wordt eenmalig verlengd tot 31.03.2008); De cijfers in de beide referteperiodes dienen afzonderlijk beschouwd te worden en kunnen niet samengeteld worden. Als gevolg van deze gewijzigde registratie is een vergelijking met de cijfergegevens van vorige referteperiodes onmogelijk.
Aantal cursisten secundair volwassenenonderwijs Secundair volwassenenonderwijs Referteperiode
Lineair onderwijs Mannen
Vrouwen
Modulair onderwijs
Totaal
Mannen
Vrouwen
Totaal
1/9/2007 - 31/3/2008
3 687
7 440
11 127
103 664
156 029
259 693
1/9/2008 - 31/3/2009
2 726
5 246
7 972
118 144
173 977
292 121
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2007-2008 / 2008-2009
Permanente vorming / 337
Aantal studenten in het hoger beroepsonderwijs van het volwassenenonderwijs Referteperiode 1/4/2008-31/3/2009 Aantal lesuren-cursist 57 380 51 716
Aantal unieke inschrijvingen Studiegebied 213 Biotechniek 178 Gezondheidszorg Handelswetenschappen en 8 459 bedrijfskunde 2 041 694 IndustriĂŤle wetenschappen en 1 734 technologie 484 952 8 046 Onderwijs 1 954 752 6 435 Sociaal agogisch werk 1 548 514 25 065 Totaal 6 139 008 Lesuren-cursist = aantal financierbare cursisten vermenigvuldigd met het aantal lestijden, verminderd met het aantal uren vrijstelling (lineair stelsel); bij gecombineerd onderwijs (gedeeltelijk afstandsonderwijs/gedeeltelijk contactonderwijs) wordt dit vermenigvuldigd met een factor 1,2 Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Evolutie aantal cursisten basiseducatie Werkjaar
Totaal
Werkjaar
Totaal
1992 - 1993
9 994
2000 - 2001
21 213
1993 - 1994
11 825
2001 - 2002
26 387
1994 - 1995
12 842
2002 - 2003
24 662
1995 - 1996
13 288
2003 - 2004
n.b.
1996 - 1997
13 590
2004 - 2005
26 188
1997 - 1998
14 779
2005 - 2006
31 838
1998 - 1999
16 902
2006 - 2007
33 463
1999 - 2000
19 472
2007 - 2008
39 223
Bron: Federatie Centra Basiseducatie / Statistisch Jaarboek 20082009
Aantal cursussen basiseducatie in 2007-2008: 6.514
Centra voor volwassenenonderwijs Aantal CBE, centra basiseducatie
13
Aantal CVO, centra voor volwassenenonderwijs
113
Aantal CVO waar secundair volwassenenonderwijs wordt ingericht
106
Aantal CVO waar hoger beroepsonderwijs wordt ingericht Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Permanente vorming / 338
63
Evolutie budget volwassenenonderwijs in 1000 ₏ 2004
2005
2006
2007
2008
2009
233 526
246 211
270 364
282 549
299 939
307 274
Bron: Vlaams onderwijs in cijfers 2008-2009 (Departement Onderwijs en Vorming)
Budget volwassenenonderwijs (= vroegere onderwijs voor sociale promotie + basiseducatie + BIS + Nederlands Tweede Taal + Universitaire talencentra in het kader van het Vlaams inburgeringsbeleid)
Aantal getuigschriften, certificaten en diploma's in het secundair volwassenenonderwijs uitgereikt tijdens de referteperiode 1/2/2006 - 3/1/2007 Getuigschriften
Certificaten
Diploma's
14 149
18 178
729
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2006-2007
Aantal diploma's in het hoger onderwijs voor sociale promotie (1/2/2006 - 31/1/2007) Lineair ond.
Modulair ond.
Korte type Artistiek
25
Economisch
551
491
Paramedisch
37
7
Sociaal
507
394
Technisch
257
43
1 377
935
Totaal korte type
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2006-2007
Permanente vorming / 339
7.17.2. Beroepsopleiding VDAB (Over)Vertegenwoordiging van kansengroepen in de trajectwerking in 2008 Oververtegenwoordiging Allochtonen
+24,3%
Arbeidsgehandicapten
+28,3%
Kortgeschoolden
+10,8%
Ouderen
114,2
Bron: VDAB Kerncijfers 2008
Aantal beëindigde opleidingen, opgesplitst naar activiteit werknemers werkzoekenden in 2008 Module
Werknemers
Werkzoekenden
Totaal
Opleidingsuren
1
12 086
12 087
332 406
160
9 064
9 224
284 319
47 485
56 247
103 732
9 991 156
113
11 569
11 682
809 417
-
163
163
2 363 984
47 759
89 129
136 888
13 781 281
module 2: oriënterende opleiding module 3: sollicitatietraining en begeleiding module 4: beroepsspecifieke opleiding module 5: persoonsgerichte vorming module 6: begeleiding/ opleiding op de werkvloer Totaal
Beroepsgerichte opleidingen gevolgd door werknemers op vraag van hun werkgever 46 057 Beroepsgerichte opleidingen gevolgd door werknemers op eigen verzoek : 1 702 Aantal aanvragen voor opleidingscheques: 255 631 Aantal gestarte IBO’s, individuele opleidingen op de werkvloer: 12 316; aandeel ongunstige stopzettingen: 19,2% Bron: VDAB Kerncijfers 2008 / Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs 2008-2009
Permanente vorming / 340
7.17.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen Doel- en kansengroepenbeleid
Bron: SYNTRA-Vlaanderen, Cahier 6, Ondernemersvorming heeft oog voor elk talent, 2009
Permanente vorming / 341
Globaal kwantitatief overzicht doelgroep aantal cursisten 2008-2009 Allochtonen : 569 Werkzoekenden - bedrijfsbeheer 479 - voortraject Kortgeschoolden*1 172 Knelpuntberoepen : 202 Nieuwe marktsegmenten : 84 Hooggeschoolden : 31 KMO - micro 269 50 + 171 Kortgeschoolden - TLC 185 TOTAAL 2 162 *1 de kortgeschoolden die het volledige traject afgelegd hebben, zijn doorgestroomd naar bedrijfsbeheer
Ondernemersopleiding - aantal cursussen, lesuren en cursisten Bedrijfsbeheer
Beroepskennis
Cursusjaar
Cursussen
Lesuren
Cursisten
Cursussen
Lesuren
Cursisten
2004-2005
746
50 517
6 904
4 203
250 628
20 913
2005-2006
878
55 832
7 741
4 513
304 231
23 369
2006-2007
739
47 027
6 691
4 004
282 123
23 224
2007-2008
597
40 364
6 303
4 021
305 457
25 535
42 820
5 801
354 431
26 720
2008-2009 Bron: SYNTRA Vlaanderen 2010
Stageovereenkomsten en –verbintenissen onder toezicht op 31 december 2004
1 004
onder toezicht op 31 december 2005
918
onder toezicht op 31 december 2006
863
onder toezicht op 31 december 2007
803
onder toezicht op 31 december 2008
786
Bron: SYNTRA Vlaanderen 2010
Permanente vorming / 342
7.17.4. Landbouwvorming Landbouwkundige opleiding van starters in de landbouw, Vlaanderen 2007 B-cursus of gelijkwaardig
6
Installatietest of gelijkwaardig
76
Lager secundair landbouw
1
Hoger secundair onderwijs landbouw
90
Hoger secundair beroepsonderwijs landbouw
68
Hoger secundair niet-landbouw
3
Universitair onderwijs
73
andere
5
Totaal
322
Bron: Landbouw & Visserij - afdeling Monitoring & Studies, 2007
1,6% 1,9%
Andere B-cursus of gelijkw aardig
22,7% 23,6%
Installatieattest of gelijkw aardig Lager secundair landbouw
0,9% 0,3%
Hoger secundair landbouw Hoger secundair beroepsonderw ijs landbouw
21,1% 28,0%
Hoger secundair nietlandbouw Universitair onderw ijs
Permanente vorming / 343
7.17.5. Deeltijds kunstonderwijs (DKO) Evolutie van het aantal leerlingen vanaf het schooljaar 1991-1992 Schooljaar
Beeldende Kunst
Muziek, Woordkunst, Dans Muziek
Woordkunst
Dans
Totaal DKO
Totaal MWD
1991 - 1992
39 910
67 787
18 373
5 047
91 207
131 117
1992 - 1993
40 446
67 886
18 185
4 516
90 587
131 033
1993 - 1994
41 190
66 033
16 917
4 000
86 950
128 140
1994 - 1995
43 553
66 983
17 512
3 912
88 407
131 960
1995 - 1996
44 534
68 130
17 920
3 986
90 036
134 570
1996 - 1997
45 456
67 974
18 167
3 710
89 851
135 307
1997 - 1998
46 233
67 280
18 198
3 630
89 108
135 341
1998 - 1999
48 205
67 348
19 104
3 607
90 059
138 264
1999 - 2000
49 901
66 527
19 381
3 678
89 586
139 487
2000 - 2001
50 989
66 927
19 354
3 680
89 961
140 950
2001 - 2002
52 380
68 558
19 623
5 047
93 228
145 608
2002 - 2003
54 132
70 058
19 646
5 885
95 589
149 721
2003 - 2004
54 994
72 098
20 013
6 446
98 557
153 551
2004 - 2005
55 511
74 350
20 600
7 251
102 201
157 712
2005 - 2006
56 119
77 107
20 841
8 056
106 004
162 123
2006 - 2007
57 545
77 475
21 348
8 789
107 612
165 157
2007 - 2008
58 503
78 476
21 571
9 516
109 563
168 066
2008 - 2009
58 263
78 513
21 199
9 672
109 384
167 647
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Verdeling van de financierbare leerlingen over studierichtingen en graden Lagere Middelbare graad graad Beeldende kunst
Hogere graad
Specialisatie
Totaal
29 983
10 972
15 145
2 163
58 263
Muziek
43 281
20 961
14 271
-
78 513
Woordkunst
10 734
6 497
3 968
-
21 199
7 266
1 527
879
-
9 672
Totaal Muziek, Woordkunst en Dans
61 281
28 985
19 118
- 109 384
Algemeen totaal
91 264
39 957
34 263
2 163 167 647
Muziek, Woordkunst, Dans
Dans
De telling is gebaseerd op het aantal financierbare leerlingen. Wie voor meer dan één studierichting inschreef, werd per studierichting éénmaal geteld. (Tellingsdatum 1 februari 2009) Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009 Permanente vorming / 344
Percentage financierbare leerlingen naar leeftijd en geslacht Aantal financierbare leerlingen (1) Beeldende kunst
% jongeren (6) % 8-17 jaar volwassenen 18 jaar en +
% mannen
% vrouwen
58 263
67,5%
32,5%
32,3%
67,7%
Muziek
78 513
75,2%
24,8%
41,1%
58,9%
Woordkunst
21 199
90,0%
10,0%
26,6%
73,4%
9 672
92,1%
7,9%
1,7%
98,3%
Totaal MWD
109 384
79,6%
20,4%
34,8%
65,2%
Algemeen totaal
167 647
75,4%
24,6%
33,9%
66,1%
Muziek, Woordkunst, Dans
Dans
(1) De telling is gebaseerd op het aantal financierbare leerlingen. Wie voor meer dan één studierichting inschreef, werd per studierichting éénmaal geteld. (Tellingsdatum 1 februari 2009) Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Aantal instellingen DKO
Beeldende kunst
Muziek, woordkunst en dans
Totaal
Aantal instellingen
66
101
167
Per onderwijsnet
GO!
VGO
Gem. ond.
GO!
VGO
Gem. ond.
Aantal instellingen
5
4
57
10
0
91
Gem. ond = gemeentelijk onderwijs Bron: Vlaams onderwijs in cijfers 2008-2009
Kostprijs per leerling DKO 2009: 1 170 euro Onderwijsbudget DKO 2009: 196 659 000 euro Bron: Vlaams onderwijs in cijfers, 2008-2009
Permanente vorming / 345
8. Onderwijzend & management personeel en educatieve stafleden We behandelen hier: 8.1. De lerarenopleiding 8.2. De arbeidsvoorwaarden voor het onderwijzend personeel 8.3. De aanstellings- en arbeidsvoorwaarden voor (adjunct)directeurs 8.4. De aanstellings- en arbeidsvoorwaarden voor inspecteurs 8.5. Het personeel verantwoordelijk voor begeleiding en personeel van de CLB 8.6. Andere personeelsleden
8.1. Lerarenopleiding In 2007 werd de lerarenopleiding grondig vernieuwd. Vanaf 1 september 2007 worden 3 clusters van lerarenopleidingen onderscheiden. ●
●
●
De geïntegreerde lerarenopleidingen georganiseerd door hogescholen, waarin vakinhoudelijke en pedagogisch-didactische onderdelen gedurende de gehele 3-jarige opleiding zijn geïntegreerd. De specifieke lerarenopleidingen naast of na een vakinhoudelijke opleiding of beroepservaring, georganiseerd door hogescholen, universiteiten en centra voor volwassenenonderwijs. Bachelor-na-bacheloropleiding buitengewoon onderwijs en bachelor-na-bacheloropleiding zorgverbreding en remediërend leren, die zorgen voor verdere uitdieping of specialisatie en toegankelijk zijn voor alle personeelsleden van het onderwijs. Deze opleidingen (de vroegere voortgezette lerarenopleidingen) worden in dit overzicht niet behandeld.
Voor docenten hoger onderwijs bestaat geen specifieke opleiding.
8.1.1. Historisch overzicht Vroeger werden de opleidingen van leerkracht voor het kleuter-, lager en secundair onderwijs-groep 1 in aparte instellingen georganiseerd, nl. de normaalscholen; voor de leerkrachten secundair onderwijs-groep 1 het zgn. 'regentaat'. Oorspronkelijk op niveau hoger secundair onderwijs, vanaf 1970 geïntegreerd in het structurele kader van het hoger onderwijs. Na de fusieoperatie van 1995 (zie 6.1.1.), werden ze omgevormd tot departementen voor lerarenopleiding binnen de nieuwe gefusioneerde hogescholen. Voor de lerarenopleiding aan de universiteit werd in 1929 bij wet een minimalistisch deeltijds schema vastgelegd dat complementair was met de gekozen studierichting, het zgn. 'aggregaat'. Veel pogingen zijn ondernomen om deze wet te wijzigen. Pas in 1996 gebeurde dit met succes en resulteerde in het decreet betreffende de lerarenopleiding en nascholing van 16 april 1996. Voor personen die een ander beroep uitoefenden (de zogenaamde zij-instromers) bestond een opleiding tot het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid (het D-diploma, later de GPB-opleiding) Personeel / 347
In 1998 werden sets van basiscompetenties en 4 beroepsprofielen voor leraren vastgelegd. In 2006 kwam een nieuw decreet tot stand dat de lerarenopleidingen grondig vernieuwde vanaf 1 september 2007. De bestaande opleidingen (de initiële lerarenopleidingen, de initiële academische lerarenopleidingen, de initiële lerarenopleidingen van academisch niveau en de opleidingen van het pedagogisch hoger onderwijs van de Centra voor Volwassenenonderwijs) werden afgebouwd en vervangen door twee soorten opleidingen: de geïntegreerde en de specifieke; beide met een praktijkcomponent in de opleiding. De hervorming van het volwassenenonderwijs in 2007 veranderde de categorie "pedagogische hoger onderwijs voor sociale promotie" in het studiegebied "onderwijs" van het hoger beroepsonderwijs.
8.1.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen Evaluatie nieuwe lerarenopleiding
Er zijn verschillende evaluaties gepland. ●
●
●
De eerste externe evaluatie van de bachelor-na-bacheloropleidingen in het onderwijs en de specifieke lerarenopleidingen moet afgerond zijn voor eind 2012. Vanaf 2013 zal die minstens om de 8 jaar gebeuren. Het systeem van de LIO-baan (leraar-in-opleidingsbaan) als inservicetraining werd geëvalueerd op het einde van het schooljaar 2008-2009. Het zal daarna om de 5 jaar worden geëvalueerd. Het eerste evaluatierapport is gepland voor 2010. Voor eind 2012 zal het decreet op de lerarenopleiding worden geëvalueerd, vooral m.b.t. de instroom, doorstroom en uitstroom van de verschillende soorten lerarenopleidingen, de externe kwaliteitsevaluaties van de specifieke lerarenopleidingen, de impact van de diversiteitsprojecten, de expertisenetwerken en de regionale platformen.
Mentorschap
Het mentorschap zal worden herbekeken in het kader van het debat over de onderwijsloopbaan. In het kader van de besparingen krijgen scholen alvast niet langer extra mentoruren vanaf 1 september 2010. Taalbeheersing
De haalbaarheid, ontwikkeling en implementatie van een starterstoets taalbeheersing Nederlands wordt onderzocht. Alsook een kader om het uitstroomniveau van het Nederlands als instructietaal voor de afgestudeerden te bepalen. Tutoring
In 2007-2009 kwamen initiatieven tot stand waarin studenten uit het hoger onderwijs (doorgaans kansarme) leerlingen uit basis- en secundair onderwijs op een gestructureerde manier helpen bij hun schoolloopbaan. Ze werden o.m. gesteund door de projectenfondsen van de KBS en het departement Onderwijs en Vorming. Deze projecten werden opnieuw met een schooljaar verlengd. In 2009-2010 zullen meer dan 1 500 leerlingen studiehulp ontvangen. Aan de KBS, Koning Boudewijn Stichting werd een vervolgonderzoek gevraagd naar evaluatie- en kwaliteitsstandaarden voor een meer structurele financiering. De lerarenopleidingen zullen alvast worden aangemoedigd om voor alle studenten minstens één stageperiode in te vullen met een tutoringproject. http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2008p/0523-tutoring.htm
8.1.3. Wettelijk kader Personeel / 348
De volgende decreten en besluiten regelen de lerarenopleidingen. ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●
Decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Decreet van 16 april 1996 betreffende het mentorschap en de nascholing in Vlaanderen. BVR van 15 juli 1997 betreffende de omvorming van de lerarenopleidingen van de hogescholen in Vlaanderen. BVR van 22 juni 1999 betreffende de minimale studieomvang van de voortgezette lerarenopleiding in de hogescholen van de Vlaamse Gemeenschap. Decreet van 04 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. Decreet van 15 december 2006 betreffende de lerarenopleiding in Vlaanderen. Decreet van 22 juni 2007 betreffende het onderwijs XVII. Decreet van 15 juli 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. BVR van 7 september 2007 betreffende de toekenning van middelen voor mentorschap in het onderwijs. BVR van 5 oktober 2007 betreffende de basiscompetenties van de leraren. BVR van 5 oktober 2007 betreffende de beroepsprofielen van de leraren. Decreet van 7 december 2007 tot bekrachtiging van het BVR van 5 oktober 2007 betreffende het beroepsprofiel van de leraar.
8.1.4. Instellingen, niveau en opleidingsmodellen Vanaf 1 september 2007 zijn er twee soorten lerarenopleidingen: de geïntegreerde lerarenopleidingen en de specifieke lerarenopleidingen. Beide soorten leiden tot één beroepstitel: het diploma van leraar.
8.1.4.1. De geïntegreerde lerarenopleidingen
● ●
● ●
●
●
Deze integreren vakinhoudelijke en pedagogisch-didactische onderdelen gedurende de gehele 3-jarige opleiding. Het zijn professioneel gerichte bacheloropleidingen aangeboden door hogescholen die leiden tot de graad van bachelor in het onderwijs, respectievelijk in kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs. De hogescholen kennen aan de afgestudeerden de betreffende graad toe en reiken het diploma van leraar uit. De opleiding omvat 180 studiepunten (1 studiepunt vertegenwoordigt 25 à 30 uur studiebelasting, een volledig academiejaar omvat 60 studiepunten). De praktijkcomponent omvat praktijkgerichte onderwijsactiviteiten en bedraagt 45 studiepunten (i.p.v. gemiddeld 34 voorheen). De hogescholen organiseren de praktijkcomponent als preservicetraining in samenwerking met de scholen, centra of instellingen. Onder preservicetraining wordt verstaan : de praktijkcomponent van een lerarenopleiding die de student zonder een statutaire relatie met een centrum, instelling of school vervult tijdens de vakinhoudelijke opleiding. Tijdens deze preservicetraining en tijdens het eerste jaar van de beroepsuitoefening worden de studenten zowel begeleid door de mentor in de school, de instelling of het centrum als door een personeelslid van de hogeschool, de stagebegeleider. Voor de opleiding secundair onderwijs kiest de student voortaan 2 onderwijsvakken i.p.v. 3 vakken. Dat moet voor meer diepgang zorgen en ruimte in het curriculum creëren voor nieuwe Personeel / 349
aandachtspunten zoals zorg voor leerlingen met specifieke behoeften, omgaan met andere culturen, taalvaardigheid, enz. De kwaliteitszorg gebeurt zoals voor de andere opleidingen hoger onderwijs door zelfevaluatie, visitatie en accreditatie (zie 9.4.2.4.). In december 2007 werden de visitatierapporten van de professioneel gerichte bacheloropleidingen onderwijs: kleuter-, lager en secundair onderwijs gepubliceerd (http://www.vlhora.be ).
8.1.4.2. De SLO, specifieke lerarenopleidingen
● ●
Dit zijn opleidingen naast of na een vakinhoudelijke basisopleiding of een beroepservaring. Deze opleidingen worden aangeboden door hogescholen, universiteiten en CVO's (centra voor volwassenenonderwijs).
○ De hogescholen kunnen -mits goedkeuring van de Vlaamse Regering- de specifieke lerarenopleidingen voortaan organiseren voor de afgestudeerden van de professionele bachelors. De hogescholen bieden deze ook aan voor de afgestudeerden van de masteropleidingen in de studiegebieden waarvoor ze dat tot nu toe ook al konden (handelswetenschappen en kunst).
○ De universiteiten kunnen de specifieke lerarenopleidingen aanbieden voor afgestudeerden van masteropleidingen.
○ De CVO’s kunnen de specifieke lerarenopleidingen aanbieden voor iedereen. De vroegere 'GPB-opleidingen' in de CVO’s die leidden tot een getuigschrift van pedagogische bekwaamheid worden volwaardige specifieke lerarenopleidingen en moeten ook 60 studiepunten tellen. Het CVO bepaalt zelf het opleidingsprogramma op basis van de basiscompetenties van de leraar.
○ Ook de Evangelische Theologische faculteit (Heverlee) en de Faculteit Protestantse ●
●
●
Godgeleerdheid (Brussel) kunnen de specifieke lerarenopleidingen aanbieden. Professioneel gerichte bachelors (PBA) en masters kunnen de specifieke lerarenopleidingen volgen zowel tijdens hun vakinhoudelijke opleiding als erna. Ook houders van een diploma secundair onderwijs worden toegelaten tot de specifieke lerarenopleidingen. De opleidingen hebben een studieomvang van 60 studiepunten, waarvan 30 voor de praktijkcomponent. Er wordt geopteerd voor een geïntegreerd opleidingsconcept waarin de theoretische en praktijkgerichte opleidingsonderdelen alterneren en interageren. De specifieke lerarenopleiding kan in 3 vormen worden aangeboden:
○ als ingebouwde opleiding, d.w.z. als afstudeerrichting van een vakinhoudelijke opleiding; de hogescholen en universiteiten kunnen de lerarenopleiding daartoe voor 30 studiepunten inbouwen in een masteropleiding van 120 studiepunten;
○ als aansluitende opleiding bij een vakinhoudelijke opleiding; ○ als aparte opleiding voor mensen die vanuit een beroepservaring de stap naar het ●
lerarenberoep willen zetten. De praktijkcomponent kan op 3 manieren worden gerealiseerd:
○ via een stage tijdens de opleiding, de zgn. pre-service training (zonder dat de stagiair een statutaire relatie heeft met de school, instelling of centrum);
○ via een baan als leraar, de zgn. in-servicetraining, d.i. de LIO-baan, leraar-inopleiding-baan. In de LIO-baan maakt men kennis met het beroep via een leerwerktraject, nadat men de theoretische component al geheel of gedeeltelijk achter de rug heeft;
○ via een combinatie van beide. ●
De kwaliteitszorg gebeurt via zelfevaluatie en visitatie (geen accreditatie) (zie 9.4.2.3.).
Personeel / 350
8.1.4.3. Mentorschap
De stage
De pre-servicetraining wordt begeleid door een personeelslid van het opleidingsinstituut, de stagebegeleider genoemd, en een mentor, een personeelslid van de school, het centrum of de instelling dat belast is met het mentorschap. De student die zijn pre-service stage vervult, wordt niet beschouwd als een werknemer van de stageschool. Er wordt dan ook geen arbeidsovereenkomst afgesloten. De LIO-baan
●
●
● ●
● ●
●
●
De student/cursist van een specifieke lerarenopleiding kan de praktijkcomponent van de lerarenopleiding ook als werkende vervullen en kan hiervoor een LIO-baanovereenkomst afsluiten. Voorwaarde is echter dat hij voor de effectieve LIO-opdracht voldoet aan de voorwaarde van de 'andere' bekwaamheidsbewijzen. Die vereiste studiebewijzen of algemene opleidingsniveaus worden per niveau bepaald door de besluiten betreffende de bekwaamheidsbewijzen. Als de LIO-baan wordt uigeoefend in een centrum voor basiseducatie moet de student minimaal over het vereiste niveau van bekwaamheidsbewijs beschikken dat is vastgelegd voor de functie die hij opneemt. Deze LIO-baan biedt een begeleide overgang van studie naar de arbeidssituatie door de begeleiding via de mentor van de school, instelling of het centrum van tewerkstelling, met ondersteuning van de lerarenopleiding. De praktijkcomponent bedraagt op jaarbasis ten minste 500 uren-leraar (gewoon secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs), lesuren (buitengewoon secundair onderwijs), leraarsuren (secundair volwassenenonderwijs) en lestijden (in het basisonderwijs voor de master lichamelijke opvoeding). De leraar-in-opleiding wordt begeleid door het centrum, de instelling of de school van tewerkstelling en krijgt ondersteuning van zijn opleidingsinstelling. De LIO-baan kan opgenomen worden in een instelling voor basis-, secundair- of deeltijds kunstonderwijs, in een centrum voor volwassenenonderwijs, en (sinds 1 september 2009) in een centrum voor basiseducatie. De leraar-in-opleiding wordt aangesteld als tijdelijk personeelslid en is onderworpen aan de statutaire rechtspositieregelgeving. Op het einde van de LIO-baan wordt de student/cursist gedurende een assessment over de inservicetraining beoordeeld door de school, instelling of centrum enerzijds en de lerarenopleiding anderzijds. Indien de leraar-in-opleiding er niet in slaagt deze 500 uren te presteren, dan kan hij dit tekort aanvullen met pre-servicetraining. Alle uren van de aanstelling tellen mee om de 500 uren te bereiken. Het salaris als leraar-in-opleiding bevindt zich op het niveau van een leraar zonder pedagogisch bekwaamheidsbewijs.
De mentor
In het centrum, de instelling of de school is de mentor verantwoordelijk voor de begeleiding en ondersteuning van stagiairs, leraren-in-opleiding en startende leraren. Mentoren zijn leraren die in het kader van taakdifferentiatie een vermindering van hun lesopdracht krijgen om zich aan deze begeleidingstaak te wijden en die ook een specifieke vorming daartoe krijgen. Men wordt mentor na een selectie in onderling overleg tussen de centra, instellingen of scholen en de lerarenopleidingen. De mentor blijft zelf ook een actieve leraar en kan maximaal voor de helft van zijn totale opdracht in het onderwijs (met inbegrip van het hoger onderwijs) met het mentorschap worden belast. Hij moet
Personeel / 351
voorafgaand aan of in het begin van het mentorschap een mentorenvorming volgen. Hierover maken de instellingen, scholen of centra onderlinge afspraken. Het mentorschap omvat: ●
●
De ondersteuning van studenten en cursisten die vanuit hun lerarenopleiding stage lopen. Deze heeft plaats in een school voor basisonderwijs (gewoon en buitengewoon), een instelling voor gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, een instelling voor deeltijds kunstonderwijs of een Centrum voor Volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor het secundair volwassenenonderwijs. In dit geval verleent de mentor een professionele beoordeling. De aanvangsbegeleiding gedurende het eerste jaar van de beroepsuitoefening als leraar. Deze is voorzien voor:
○ de afgestudeerden van de geïntegreerde lerarenopleidingen, namelijk de bachelors in het onderwijs: kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs;
○ de afgestudeerden van de specifieke lerarenopleidingen die geen LIO-
●
baanovereenkomst hebben afgesloten en hun praktijkcomponent als pre-service hebben vervuld. (Voor wie praktijkervaring opdoet via een LIO-baan, valt de aanvangsbegeleiding samen met de LIO-baan). De ondersteuning van de leraar-in-opleiding Het assessment van de LIO gebeurt in overleg tussen de mentor en de lerarenopleiding.
De middelen voor het mentorschap werden vanaf het schooljaar 2007-2008 toegekend aan scholen, centra of instellingen van het basis-, secundair, secundair volwassenenonderwijs en deeltijds kunstonderwijs. Als onderdeel van bezuinigingsmaatregelen worden vanaf het schooljaar 2010-2011 de middelen voor mentorschap stopgezet. Omzendbrief NO/2009/01 Besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2009 betreffende de toekenning van de middelen voor het mentorschap in het onderwijs
8.1.4.4. Expertisenetwerken en regionaal platform
De instellingen die lerarenopleidingen aanbieden, werden door de hervorming ook aangespoord om samen te werken op vlak van onderwijs- en studieactiviteiten, kwaliteitszorg en gebruik van infrastructuur en met extra subsidies Expertisenetwerken of regionale platforms uit te bouwen. ●
Een expertisenetwerk (ENW) is gevormd in de schoot van een associatie. Er mogen maximum 2 expertisenetwerken worden opgericht binnen één associatie. Een expertisenetwerk omvat één universiteit, ten minste één hogeschool en ten minste één CVO. Het heeft ruime, in het decreet welomschreven opdrachten:
○ de ontwikkeling van een strategisch beleidsplan betreffende de lerarenopleiding, nascholing en de wetenschappelijke en maatschappelijke dienstverlening inzake professionalisering van leraren;
○ de samenwerking en profilering van de verschillende lerarenopleidingen, onder meer wat betreft toegankelijkheid, doelgroepenbeleid, flexibele leerwegen en zij-instromers;
○ de ondersteuning en versterking van de lerarenopleiding op het vlak van pedagogisch, onderwijskundig en vakdidactisch onderzoek;
○ de synergie op het vlak van de praktijkcomponent en de mentorenvorming; ○ de aanpak van de interne en externe kwaliteitszorg.
Personeel / 352
●
Een regionaal platform werkt associatieoverschrijdend en moet toelaten dat lerarenopleidingen die deel uitmaken van een pluralistische associatie kunnen samenwerken met lerarenopleidingen van dezelfde ideologische strekking maar van een andere associatie.
Sinds 2007 zijn 4 expertisenetwerken en 1 regionaal platform uitgebouwd, waarmee beheersovereenkomsten tot 2011 werden gesloten. Het totale bedrag voor hun financiering is 2.877.000 euro met ingang van het begrotingsjaar 2010.
Associatie K.U.Leuven
http://www.schoolofeducation.be/
Associatie Universiteit Gent
http://enw.augent.be/nl-be/wie-zijn-we/default43.aspx
Associatie Universiteit en Hogescholen Antwerpen http://www.associatieantwerpen.be/main.aspx?c=.ELANT Regionaal Platform Lerarenopleiding Limburg
http://www.novelle.be/
Universitaire Associatie Brussel
http://www.lerarenopleidingbrussel.be/
Gedurende de academie-/schooljaren 2008-2011 kent de Vlaamse Regering financiële middelen toe aan diversiteitsprojecten die in de schoot van een expertisenetwerk of regionaal platform op experimentele basis de in-, door- en uitstroom in de lerarenopleidingen bevorderen van doelgroepen die onevenredig participeren in het hoger onderwijs: allochtone studenten, studenten afkomstig uit milieus met een lage sociaal-economische status en studenten met functiebeperkingen. Ook het uitwerken en implementeren van een taalbeleid Nederlands in de lerarenopleiding is opgenomen in de beheersovereenkomsten met de expertisenetwerken en het regionaal platform.
8.1.5. Toelatingsvoorwaarden Geïntegreerde lerarenopleidingen Voor de geïntegreerde lerarenopleiding zijn de toegangsvoorwaarden dezelfde als voor andere professioneel gerichte bacheloropleidingen aan hogescholen.
Specifieke lerarenopleidingen Specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de hogescholen voor professioneel gerichte bacheloropleidingen Volgende studenten kunnen worden toegelaten: ● ● ●
de houders van een professioneel gericht bachelordiploma (PBA); de studenten van een PBA-opleiding die al 120 studiepunten hebben verworven; voor de lerarenopleiding dans: de kandidaten die voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden tot de basisopleidingen van één cyclus, geslaagd zijn voor een artistiek toelatingsexamen, georganiseerd door de hogeschool die de basisopleiding dans van één cyclus organiseert, en vijf jaar nuttige ervaring als professioneel danser in een erkend gezelschap kunnen aantonen.
Specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de hogescholen voor de afgestudeerden van de masteropleidingen in de studiegebieden handelswetenschappen en bedrijfskunde, audiovisuele kunst en beeldende kunst of in het studiegebied muziek en podiumkunsten Personeel / 353
Volgende studenten kunnen worden toegelaten: ●
● ●
(1) de houders van een masteropleiding in de studiegebieden handelswetenschappen en bedrijfskunde, audiovisuele kunsten en beeldende kunst of in het studiegebied muziek en podiumkunsten; de houders van een PBA-opleiding die inschrijven voor een schakelprogramma met het oog op het volgen van een master in één van de studiegebieden vermeld in (1); de houders van een academische bachelor (ABA) in de studiegebieden vermeld in (1) op voorwaarde dat ze ingeschreven zijn voor de masteropleiding.
Deze opleiding kan worden ingebouwd. De hogescholen kunnen 30 studiepunten van die lerarenopleiding organiseren als een afstudeerrichting in het opleidingsprogramma van een masteropleiding van 120 studiepunten. De houders van een academisch bachelordiploma in de bovenvermelde studiegebieden kunnen een inschrijving nemen voor de specifieke lerarenopleiding samen met de inschrijving voor de masteropleiding. Specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de universiteiten Volgende studenten kunnen worden toegelaten: ● ●
de houders van een masteropleiding; de houders van een professioneel gerichte bacheloropleiding (PBA) die inschrijven voor een schakelprogramma met het oog op het volgen van een masteropleiding.
De universiteiten kunnen 30 studiepunten van die lerarenopleiding organiseren als een afstudeerrichting in het opleidingsprogramma van een masteropleiding van 120 studiepunten. De houders van een academisch bachelordiploma kunnen zich inschrijven voor de specifieke lerarenopleiding samen met de inschrijving voor de masteropleiding. Specifieke lerarenopleidingen in het studiegebied godsdienstwetenschappen en godgeleerdheid georganiseerd door de Evangelische Theologische faculteit (Heverlee) en de faculteit Protestantse Godsdienst (Brussel) Deze instellingen kunnen een specifieke lerarenopleiding aanbieden onder dezelfde voorwaarden als de universiteiten. Specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de Centra voor Volwassenenonderwijs De toelatingsvoorwaarden zijn gelijk aan deze voor het hoger beroepsonderwijs (zie 7.7.1.3.).
LIO-baan Een LIO-baan kan enkel worden uitgeoefend door een student van de specifieke lerarenopleiding op voorwaarde dat hij voor de effectieve LIO-opdracht voldoet aan de voorwaarde van de 'andere' bekwaamheidsbewijzen. Die vereiste studiebewijzen of algemene opleidingsniveaus worden per niveau bepaald door de besluiten betreffende de bekwaamheidsbewijzen (zie 8.1.7.).
EVC/EVK Als zij-instromers (uit een ander beroep) aan een lerarenopleiding beginnen zal rekening gehouden worden met hun elders verworven competenties (EVC) en eerder verworven kwalificaties (EVK).
8.1.6. Curriculum, speciale vaardigheden, specialisatie
Personeel / 354
Om op een volwaardige manier als beginnend leraar te kunnen fungeren dient iedere afgestudeerde over de relevante basiscompetenties (omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes) te beschikken. Deze basiscompetenties stellen de leraar in staat door te groeien naar het beroepsprofiel (omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes van de leraar bij zijn beroepsuitoefening). Het beroepsprofiel werd geactualiseerd door het BVR van 5 oktober 2007. Het is gemeenschappelijk voor alle leraren en gebaseerd op de typefuncties die in het decreet van 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing werden onderscheiden, namelijk de leraar als: ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●
begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen opvoeder inhoudelijk expert organisator innovator en onderzoeker partner van de ouders/verzorgers lid van een schoolteam partner van externen lid van de onderwijsgemeenschap cultuurparticipant.
De basiscompetenties zijn eveneens geactualiseerd door een BVR van 5 oktober 2007. Ze zijn gedifferentieerd in 3 sets, respectievelijk voor kleuter-, lager en secundair onderwijs. Voor de basiscompetenties worden dezelfde clusters van competenties gebruikt zoals in het beroepsprofiel, maar ze worden hier functionele gehelen genoemd i.p.v. typefuncties. Zie: http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/lerarenopleiding/index.htm Voor alle typefuncties en functionele gehelen gelden resp. volgende beroepshoudingen of attitudes: ● ● ● ● ● ● ● ●
beslissingsvermogen relationele gerichtheid kritische ingesteldheid leergierigheid organisatievermogen zin voor samenwerking verantwoordelijkheidszin flexibiliteit.
De opleidingsprogramma's van de lerarenopleidingen zijn gebaseerd op de basiscompetenties.
8.1.7. Studiebewijzen Geïntegreerde lerarenopleidingen De geïntegreerde lerarenopleidingen, aangeboden door hogescholen, zijn professioneel gerichte bacheloropleidingen en leiden tot de graad van bachelor in het onderwijs, respectievelijk in kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs. De hogescholen kennen aan de afgestudeerden de betreffende graad toe en reiken het diploma van leraar uit. Alle diploma’s hebben nu de beroepstitel ‘diploma van leraar’. Het diploma wordt aangevuld met een diplomasupplement (zie 6.15.). Voor de geïntegreerde lerarenopleidingen bachelor in het onderwijs, secundair onderwijs worden de gekozen onderwijsvakken vermeld. De hervorming wijzigt niets aan het bestaande systeem van bekwaamheidsbewijzen. Het zal dus mogelijk blijven om zonder pedagogisch bekwaamheidsbewijs als leraar te functioneren.
Personeel / 355
Specifieke lerarenopleidingen In de specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de hogescholen voor professioneel gerichte bacheloropleidingen kan het diploma van leraar pas uitgereikt worden na het behalen van de bachelorgraad. In de specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de hogescholen voor de afgestudeerden van de masteropleidingen in de studiegebieden handelswetenschappen en bedrijfskunde, audiovisuele kunst en beeldende kunst of in het studiegebied muziek en podiumkunsten kan het diploma van leraar pas uitgereikt worden na het behalen van de mastergraad. In de specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de universiteiten kan het diploma van leraar pas uitgereikt worden na het behalen van de mastergraad. In de specifieke lerarenopleidingen in het studiegebied godsdienstwetenschappen en godgeleerdheid georganiseerd door de Evangelische Theologische faculteit (Heverlee) en de faculteit Protestantse Godsdienst (Brussel), kan het diploma van leraar kan pas uitgereikt worden na het behalen van de mastergraad.
8.1.8. Alternatieve opleidingswegen Voor de hervorming van de lerarenopleidingen in 2007 bestond binnen het vroegere hoger onderwijs voor sociale promotie een GPB-opleiding (voorheen D-cursus genoemd). Deze was bestemd voor personen die reeds een basisdiploma bezaten en gericht op het behalen van een getuigschrift pedagogische bekwaamheid. Deze opleiding is nu geïntegreerd in het vernieuwde kader voor lerarenopleidingen als een specifieke, aparte lerarenopleiding (zie 8.1.4.).
8.2. Arbeidsvoorwaarden voor het onderwijzend personeel Na historiek (zie 8.2.1.), actuele tendensen (zie 8.2.2.) en wetgeving (zie 8.2.3.) behandelen we hier 8.2.4. Het planningsbeleid 8.2.5. Toegang tot het beroep 8.2.6 Het statuut 8.2.7 Vervangingsmaatregelen 8.2.8. Ondersteunende maatregelen (o.a. de begeleiding van beginnende leerkrachten) 8.2.9. Functiebeschrijving en evaluatie 8.2.10. Nascholing en het mentorschap bij de opleiding van leerkrachten 8.2.11. Salaris 8.2.12. Arbeidstijd en vakantie 8.2.13. Bevordering, taak- en functiedifferentiatie 8.2.14. Beroepsmobiliteit 8.2.15. Ontslag 8.2.16. Pensioenregeling Andere relevante secties zijn: ● ● ●
Personeelsformatie in het leerplichtonderwijs (zie 2.6.4.1.3.) Participatiestructuren inzake arbeidsvoorwaarden (zie 2.7.2.6.) Onderwijscao's (zie 2.7.2.6.)
Soorten ambten
Personeel / 356
Voor de leden van het onderwijzend personeel in het (buiten)gewoon basis- en secundair onderwijs kunnen 3 soorten ambten onderscheiden worden ●
Wervingsambt
○ Wervingsambten bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon basisonderwijs: kleuteronderwijzer, onderwijzer, leermeester godsdienst, leermeester nietconfessionele zedenleer, leermeester lichamelijke opvoeding
○ Wervingsambten bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon secundair ● ●
onderwijs: leraar, godsdienstleraar, begeleider Selectieambt (bv. adjunct-directeur, technisch adviseur, …), Bevorderingsambt (bv. directeur, technisch adviseur-coördinator).
In het hoger onderwijs worden de ambten van het onderwijzend personeel ingedeeld in 3 groepen.
Groep
Ambt
Type van HO waarin het ambt kan voorkomen
1
Praktijklector Hoofdpraktijklector Lector Hoofdlector
Professionele bacheloropleidingen
2 Assisterend personeel
Assistent Doctor-assistent Werkleider
Academische opleidingen Praktijkassistenten, benoemde assistenten en werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen
3
Docent Hoofddocent Hoogleraar Gewoon hoogleraar
Academische opleidingen
De ambten van hoofdpraktijklector, hoofdlector en werkleider kunnen slechts door bevordering of ambtswijziging worden toegewezen. De andere kunnen ook door werving worden toegewezen. Sinds 1991 bestaat er aan de universiteiten geen onderwijzend personeel meer. Het academisch personeel moet zowel wetenschappelijk onderzoek verrichten als academisch onderwijs verschaffen. Het academisch personeel aan de universiteiten wordt in het decreet van 12 juni 1991 ingedeeld als volgt.
Zelfstandig academisch personeel (ZAP)
Docent Hoofddocent Hoogleraar Gewoon hoogleraar Buitengewoon hoogleraar
Assisterend academisch personeel (AAP)
Assistent Doctor-assistent Praktijkassistent of –lector
Voor het academisch personeel aan de universiteiten en het onderwijzend personeel in de hogescholen bestaat geen initiële lerarenopleiding.
Personeel / 357
8.2.1. Historisch overzicht Zowel in het GO!, onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap als in het gesubsidieerd onderwijs wordt de loopbaan van het personeel sinds 1991 geregeld door een statuut. Voor het GO! verving dit twee statuten van de jaren '60. Voor het gesubsidieerd onderwijs betekende het de realisatie van een reeds sedert 1973 aangekondigd initiatief. Beide statuten leggen de regels op een minder rigide manier vast en verlenen autonomie aan de plaatselijke inrichtende machten. Sedert hun ontstaan zijn de decreten van 1991 al herhaaldelijk gewijzigd en fundamenteel aangepast ingevolge structurele wijzigingen in het basis- en secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs, het GO! (onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap) en de omvorming van de PMS-centra tot centra voor leerlingenbegeleiding (CLB's). De opeenvolgende wijzigingen hebben vereenvoudiging en overeenstemming onderwijsniveaus nagestreefd. Toch blijven er enkele verschillen bestaan.
tussen
de
8.2.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen ● ●
●
● ●
●
Verschillen tussen de huidige rechtsposities worden stapsgewijze weggewerkt, met meer autonomie, deregulering en responsabilisering voor scholen en scholengemeenschappen. Na de integratie van opleidingen in de bachelor/master/doctor-structuur zal ook het personeelsbeleid tussen hogescholen en universiteiten beter op elkaar moeten worden afgestemd en zal er een evolutie zijn naar een geïntegreerd personeelsstatuut. De inzetbaarheid en bekwaamheidsbewijzen van leraren moet herbeken worden, zodat o.m. vakleraren zouden kunnen ingezet worden in het basisonderwijs en leraren uit het basisonderwijs en de eerste graad SO hun oorspronkelijke job zouden kunnen behouden na het behalen van bv. een academisch diploma. Nascholing, stages en werkplekleren voor leerkrachten en verdere competentieontwikkeling voor directeurs zullen worden gestimuleerd. Gezien het tekort aan leerkrachten vormt de werkzekerheid van beginnende leerkrachten een bijzonder aandachtspunt en wordt ook gezocht naar mogelijkheden om de vergoeding van onderwijsgerelateerde ervaring uit de privésector aan te passen. Vanaf 1 september 2010 gelden nieuwe, voor het volwassenenonderwijs specifieke regelingen voor het personeel. Aanleiding is het verlaten van de vakken als vertrekbasis voor de personeelsregelgeving. In de plaats worden opleidingen en soms ook modules als kapstok gehanteerd. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor o.a. het stelsel van bekwaamheidsbewijzen, de prestatieregeling, de salarisschalen, de nuttige ervaring en de vaste benoeming en reaffectatie. Aan de basisprincipes van de personeelsregelgeving zoals voorzien in de decreten rechtspositie wordt niet geraakt. Via individuele of ambtshalve concordantie worden de rechten van de personeelsleden gegarandeerd.
8.2.3. Wettelijk kader We behandelen achtereenvolgens ● ● ●
Basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs Hogescholenonderwijs Universitair onderwijs
Personeel / 358
Inzake de arbeidsvoorwaarden worden bij elke legislatuur centrale cao's gesloten. De huidige zijn onderwijs-cao VIII van 5 oktober 2006, cao II voor het hoger onderwijs van 12 december 2006 en cao I voor de basiseducatie van 30 juni 2008 (zie 2.7.2.6.).
8.2.3.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs
De decreten van 27 maart 1991 voor respectievelijk het gemeenschapsonderwijs (nu GO!, onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap) en het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding vormen de basis voor de rechtspositieregeling van het personeel in het basisen secundair onderwijs, het buitengewoon onderwijs, de internaten, het deeltijds kunstonderwijs, het volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. Voor het basisonderwijs bevat ook het decreet van 25 februari 1997 een aantal rechtpositionele bepalingen. http://www.ond.vlaanderen.be/wetwijs/thema.asp?id=110 Ook de jaarlijkse Romeins genummerde 'decreten betreffende het onderwijs' regelen mee de rechtpositie. Het personeelsstatuut voor het gemeenschapsonderwijs: http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=12528 Het personeelsstatuut voor het gesubsidieerd onderwijs: http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=12657
8.2.3.2. Onderwijzend personeel in hogescholen
Het decreet van 13 juli 1994 vormt het wettelijk kader van de arbeidsvoorwaarden van het onderwijzend personeel aan de hogescholen. Titel III van dat decreet gaat meer specifiek in op de rechtspositieregeling van het personeel van de hogescholen. De gemeenschappelijke bepalingen hebben betrekking op de administratieve standen (dienstactiviteit, non-activiteit en terbeschikkingstelling), de evaluatie, de tucht, de toegang tot de ambten, de einde-aanstelling en de definitieve ambtsneerlegging; terwijl de bepalingen specifiek voor het onderwijzend personeel ingaan op de samenstelling, de taakomschrijving en de opdracht, de werving, bevordering en ambtswijziging, de toegang tot de ambten, de bezoldigingsregeling en de cumulatieregeling.
8.2.3.3. Academisch personeel in universiteiten
Het decreet van 12 juni 1991 vormt het wettelijk kader van de arbeidsvoorwaarden van het onderwijzend personeel aan de universiteiten. In het decreet wordt ondermeer dieper ingegaan op de samenstelling en opdrachten van het academisch personeel, de benoeming en aanstelling van het academisch personeel, de salarisschalen, vergoedingen en toelagen en tenslotte ook de evaluatie.
Personeel / 359
8.2.4. Planningsbeleid Jaarlijks verschijnt een nieuw arbeidsmarktrapport waarin het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming i.s.m. de VDAB vraag en aanbod op de onderwijsarbeidsmarkt analyseert en prognoses maakt. De arbeidsmarktrapporten sinds 2001 vindt men via http://onderwijs.vlaanderen.be/beleid/personeel/ Op basis van de gegevens die dateren uit de periode voor de economische crisis wordt in het arbeidsmarktrapport van 2009 over een tijdspanne van 4 jaar (2008-2011) een tekort verwacht aan kleuteronderwijzers van 452 of 516 (afhankelijk van de manier waarop de arbeidsplaatsen in het kleuteronderwijs worden ingevuld); voor het lager onderwijs bedraagt het verwachte tekort 415 of 544 budgettaire fulltime equivalenten (bft’s), Voor het secundair zou er een overschot zijn van 2420 leerkrachten, maar dat is concreet 2,4 leerkachten per secundaire school. Bovendien worden in het secundair onderwijs een 150-tal verschillende vakken onderwezen. Bijgevolg kan er niet echt gesproken worden van een overschot. Jonge leraren verlaten nog steeds vaak snel het onderwijs. In Brussel liggen de percentages nog veel hoger. Uitstroom van jonge leerkrachten binnen 5 jaar na indiensttreding in het onderwijs Vlaanderen
Brussel (Nederlandstalig onderwijs)
Basis
Secundair
Basis
Secundair
Gewoon onderwijs
27%
37%
53%
65%
Buitengewoon ond.
32%
35%
57%
8%
Bron: Arbeidsmarktrapport 2009 (cijfers hebben betrekking op oktober 2008) In de vernieuwde lerarenopleiding wordt dan ook veel aandacht besteed aan de begeleiding van beginnende leraren (zie 8.1.). Om vraag en aanbod in het onderwijs vlotter samen te brengen heeft de VDAB i.s.m. het departement Onderwijs en Vorming een leerkrachtendatabank uitgewerkt voor basis- en secundair onderwijs. http://www.vdab.be/leerkrachtendatabank Het aantal zij-instromers, leerkrachten die pas na een andere werkervaring overstappen naar een job in het onderwijs, bleef erg beperkt; in 2008 bij benadering 81 in het basisonderwijs en 724 in het secundair onderwijs. Om de schaarste aan onderwijsverstrekkers te verminderen werd in 2009 de bestaande regeling in verband met het opnieuw in actieve dienst treden – de zogenaamde ‘herindiensttreders’ – tijdens sommige dienstonderbrekingen uitgebreid, vereenvoudigd en gunstiger. De regeling geldt nu ook voor elke opdracht en ambt in elk onderwijsniveau en nu ook voor het deeltijds kunstonderwijs en het volwassenenonderwijs. Vanaf het schooljaar 2009-2010 mogen 65-plussers blijven lesgeven en kunnen ook gepensioneerden in actieve dienst treden. Ze worden betaald op basis van de diensten die zij voor hun pensionering gepresteerd hebben. Personeelsleden binnen het onderwijs die extra presteren, kunnen eveneens rekenen op een betere bezoldiging. Prestaties of inkomsten buiten het onderwijs hebben voortaan geen invloed meer op de prestaties binnen het onderwijs. Iedereen die in het onderwijs aan de slag is, kan maximaal tot 140% bezoldigd worden. Personeel / 360
8.2.5. Toegang tot het beroep We behandelen achtereenvolgens de reglementering voor: ● ● ●
Basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs (zie 8.2.5.1.) Hoger onderwijs (zie 8.2.5.2.) Universiteiten (zie 8.2.5.3.)
8.2.5.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs
Algemene toelatingsvoorwaarden (Decreten van 27 maart 1991):
● ● ● ● ● ●
burger zijn van de Europese Unie of de Europese Vrijhandelsassociatie (uitzonderingen zijn mogelijk gezien de Vlaamse Regering een vrijstelling kan verlenen); in het bezit zijn van zijn/haar burger- en politieke rechten (de Vlaamse Regering kan ook hier een vrijstelling verlenen die samengaat met de hierboven vermelde vrijstelling); voldoen aan de taalvereisten. Het Nederlands is de officiële onderwijstaal; van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt uit een attest van goede zeden dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven; voldoen aan de dienstplichtwetten; medisch geschikt zijn.
Vereiste taalkennis
Met ingang van 1 september 2009 wordt voor een aanstelling in het onderwijs een aantal niveaus van taalkennis vastgelegd op basis van de indeling van het Europees Referentiekader voor Talen (ERK). Deze niveaus verschillen naargelang het ambt dat een personeelslid uitoefent in het onderwijs. Het ERK kent zes niveaus van taalkennis, waarbij: ● ● ●
niveau A het taalkennisniveau van de basisgebruiker is, niveau B het niveau van de onafhankelijke gebruiker is niveau C het niveau van de vaardige gebruiker is.
Elk van die 3 niveaus kent telkens twee tussenniveaus, wat resulteert in de niveaus A1, A2, B1, B2, C1 en C2 en waarbij A1 het laagste niveau is en C2 het hoogste. Zie: de website van de Taalunie: http://taalunieversum.org/onderwijs/publicaties/gemeenschappelijk_europees_referentiekader/ Niveau C 1 geldt voor: ● ● ●
het bestuurs- en onderwijzend personeel van basis-, secundair, volwassenen- en deeltijds kunstonderwijs; de directeur, stafmedewerkers en leraars basiseducatie van een Centrum voor Basiseducatie; leden van de pedagogische begeleidingsdiensten, van de onderwijsinspectie en van de inspectie en begeleiding voor de levensbeschouwelijke vakken.
Voor ambten die niet tot het bestuurs- en onderwijzend personeel behoren en voor leraren levende vreemde talen is niveau B2 vereist. Voor leraars Arabisch, Chinees, Grieks, Japans, Pools, Russisch en Turks in een centrum voor volwassenenonderwijs geldt niveau A2. Personen die al aangesteld waren in het ambt worden geacht te voldoen aan de nieuwe regeling.
Personeel / 361
Onderwijzers die belast worden met de verplichte tweede taal Frans in het basisonderwijs (zowel in Vlaanderen als in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest moeten een kennis van het Frans hebben op niveau B1 voor lezen en schrijven, B2 voor luisteren en spreken. Zolang de personeelsleden niet voldoen aan de taalkennisvereisten kunnen ze niet vastbenoemd worden. De school moet voor hen een tijdelijke taalafwijking aanvragen die geldt voor maximaal drie jaar. De nieuwe regelgeving geldt ook voor de Franstalige scholen op het grondgebied van het Vlaams Gewest. Het gaat dan specifiek om de kennis van het Frans als onderwijstaal, de kennis van het Nederlands als bestuurstaal en ook de kennis van het Nederlands waar deze verplicht als tweede taal moet worden onderwezen. (Omzendbrieven pers/2010/1 en pers/2010/2). Bekwaamheidsbewijzen
De Vlaamse overheid legt per onderwijsniveau de bekwaamheidsbewijzen vast. Dat gebeurt per ambt en voor het secundair onderwijs per vak, graad, onderwijsvorm (ASO, TSO, BSO, KSO), voor het volwassenenonderwijs per module en/of opleiding. Een bekwaamheidsbewijs omvat een basisdiploma, een bewijs van pedagogische bekwaamheid (lerarenopleiding) en/of nuttige ervaring. Er zijn drie soorten bekwaamheidsbewijzen, namelijk: "vereist", "voldoende geacht" en "andere". Men beschikt over een "vereist" bekwaamheidsbewijs, als men een specifieke vooropleiding gevolgd heeft in functie van dat te onderwijzen vak. De eisen die aan het diploma gesteld worden qua niveau, zijn afhankelijk van het soort vak, de graad, de onderwijsvorm, de module en/of de opleiding. Men beschikt over een "voldoende geacht" bekwaamheidsbewijs als men een basisdiploma van hetzelfde niveau heeft als het vereist bekwaamheidsbewijs, maar niet in die specialiteit. In het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid (lerarenopleiding) is een noodzakelijke voorwaarde voor een "vereist" en "voldoende geacht" bekwaamheidsbewijs. De inrichtende macht kan bij de aanwerving vrij kiezen tussen kandidaten met een "vereist" of een "voldoende geacht" bekwaamheidsbewijs. In principe moeten scholen steeds voorrang geven aan iemand met een "vereist" of "voldoende geacht" bekwaamheidsbewijs. Uitzonderlijk kan de school afwijken van deze algemene regel en iemand aanstellen met een "ander bekwaamheidsbewijs". In dit geval beschikt men over een basisdiploma van een bepaald (minimum)niveau. Voor sommige vakken volstaat drie jaar "nuttige ervaring". http://www.ond.vlaanderen.be/bekwaamheidsbewijzen/ bekwaamheidsbewijzen.
geeft
een
interactief
overzicht van
de
Stappen in de onderwijsloopbaan
De onderwijsloopbaan van een leerkracht bestaat uit drie belangrijke stappen: 1. de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur 2. de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur 3. de vaste benoeming. We lichten die stappen nader toe. 1) Bij het begin van de onderwijsloopbaan krijgt een leerkracht steeds een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Dit is een aanstelling voor maximum één schooljaar in een vacante of niet-vacante betrekking. Het personeelslid moet voldoen aan de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden (zie hierboven). Verder worden geen bijkomende voorwaarden gesteld. 2) Na ten minste drie schooljaren kan een tijdelijk personeelslid een tweede fase bereiken in de onderwijsloopbaan: de TADD, tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Dit is een eenvormig Personeel / 362
voorrangssysteem voor leerkrachten zowel in het gemeenschapsonderwijs als in het gesubsidieerd onderwijs. Deze aanstelling loopt over de schooljaren heen, in hetzij een vacante of niet vacante betrekking. De voorwaarden zijn: ● ●
een dienstanciënniteit hebben van ten minste 720 dagen gespreid over ten minste drie schooljaren. Van deze 720 dagen moeten er 600 effectief gepresteerd zijn; als laatste evaluatie geen evaluatie of evaluatie "onvoldoende" gekregen hebben.
3) Een derde stap in de onderwijsloopbaan is de vaste benoeming. ●
Een vaste benoeming in een wervingsambt (o.m. leraar) vereist zowel in het GO! als in het gesubsidieerd onderwijs:
○ de vervulling van een aantal persoonsgebonden voorwaarden (de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden);
○ een dienstanciënniteit van minstens 720 dagen, waarvan minstens 360 in het ambt waarin het personeelslid wordt benoemd;
○ een aanstelling van doorlopende duur op 31 december voorafgaand aan de vaste ●
benoeming. Een vaste benoeming in een selectieambt (bv. adjunct-directeur) of een bevorderingsambt (bv. directeur) is een bevordering (zie 8.2.13.). Daar zijn geen bijkomende voorwaarden inzake dienstanciënniteit voor vereist.
8.2.5.2. Onderwijzend personeel in hogescholen
Voor de toegang tot een ambt van het personeel van de hogescholen gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden: ● ● ● ● ● ●
onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie; de burgerlijke en politieke rechten genieten; houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs; een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van het beoogde ambt; voldoen aan de dienstplichtwetten; de lichamelijke geschiktheid bezitten die vereist is voor het uit te oefenen ambt (Decreet van 13 juli 1994).
De formele kwalificatievereisten zijn: ● ● ●
het diploma van een professionele bacheloropleiding voor de ambten van praktijklector en hoofdpraktijklector; een diploma van master voor de ambten lector, hoofdlector, assistent en werkleider; een diploma van doctor voor het ambt van doctor-assistent, docent, hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar.
Kandidaten voor het ambt van gewoon hoogleraar moeten aan de volgende criteria beantwoorden: ● ● ●
de instelling die aanwerft, moet betrokken zijn in een gezamenlijk onderzoeksakkoord met een universiteit binnen het betrokken onderzoeksveld; de kandidaat moet minstens zes jaren anciënniteit hebben in een ambt van groep 3 of equivalent daarmee; de wetenschappelijke bekwaamheden van de kandidaat moeten worden geëvalueerd door een commissie die bestaat uit drie gewone hoogleraren van drie verschillende Vlaamse universiteiten.
Personeel / 363
Voor de toewijzing van het ambt van hoofdpraktijklector, hoofdlector, werkleider, hoofddocent of hoogleraar wordt er naast de vereiste bekwaamheidsbewijzen een bijkomende anciënniteitsvoorwaarde gesteld. (art. 130 decreet van 13 juli 1994). De hogescholen bepalen zelf de nadere specificaties waarover iemand moet beschikken om een bepaald ambt te kunnen uitoefenen. De leden van het onderwijzend personeel die belast zijn met de opleidingsonderdelen godsdienst of niet-confessionele zedenleer worden aangesteld door het Hogeschoolbestuur, in consensus met de bevoegde instantie van de betrokken levensbeschouwing. Elke werving in een vacante betrekking, met uitzondering van de aanstelling van minder dan één academiejaar, kan slechts gebeuren na een openbare vacature. Dit is een vacature die via ten minste twee openbare informatiekanalen bekendgemaakt is (decreet betreffende het onderwijs XVIII).
8.2.5.3. Academisch personeel in universiteiten
Om assistent te worden moet men houder zijn van een diploma van master of een diploma dat equivalent is volgens de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord. (onderwijsdecreet XVIII). In uitzonderlijke omstandigheden kan het universiteitsbestuur, na advies en op grond van een omstandige motivering, personen die een ander buitenlands einddiploma van een instelling van academisch onderwijs hebben behaald, aanstellen tot assistent. In het belang van het onderwijs of het onderzoek kan het universiteitsbestuur ook personen die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie tot lid van het academisch personeel benoemen of aanstellen. Een belangrijke voorwaarde om tot lid van het zelfstandig academisch personeel (ZAP) of tot doctor-assistent te worden benoemd, is een diploma van doctor op proefschrift of een diploma dat hiermee equivalent wordt geacht (in overeenstemming met de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord). In uitzonderlijke gevallen kan het universiteitsbestuur, na advies en op grond van een omstandige motivering, personen die blijk hebben gegeven van een buitengewone wetenschappelijke verdienste of een specifieke deskundigheid, tot deeltijds lid van het ZAP benoemen of aanstellen.
8.2.6. Statuut We behandelen achtereenvolgens het statuut voor: ● ● ●
Basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs (zie 8.2.6.1.) Hoger onderwijs (zie 8.2.6.2.) Universiteiten (zie 8.2.6.3.)
Meer info : http://www.ond.vlaanderen.be/gidsvoorleraren
Onderwijszakboekje
Personeel / 364
8.2.6.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs
Leerkrachten zijn een soort bedienden in het gesubsidieerd vrij onderwijs en een soort van ambtenaren in het officieel onderwijs. De Vlaamse Regering heeft in de hoedanigheid van financier de modaliteiten voor rekrutering, benoeming, evaluatie, bevordering, ontslag en dergelijke vastgelegd. Het statuut van de leerkrachten is geregeld door twee decreten van 27 maart 1991 (zie 8.2.3.1.) die voorzien in een specifiek statuut voor de leerkrachten uit respectievelijk het gemeenschaps- en het gesubsidieerd onderwijs, verschillend van het normale statuut van het personeel uit de publieke en private sector, omwille van het specifieke karakter en de speciale noden van het onderwijsveld. De verschillen tussen de rechtsposities in het gemeenschaps- en het gesubsidieerd onderwijs zullen overigens steeds meer worden weggewerkt. Op grond van het soort contract onderscheidt men contractuele aanstellingen, tijdelijke aanstellingen en vaste benoemingen. ●
Er bestaan verschillende soorten contractuele aanstellingen waarvoor specifieke regelingen zijn uitgewerkt, o.m.
○ contractuele personeelsleden ten laste van het departement Onderwijs en Vorming (CODO's); zij hebben een contract van onbepaalde duur en kunnen rechten opbouwen om vastbenoemd te worden. Naargelang de functie waarvoor, het onderwijsnet of de onderwijsvorm waarin zij zijn tewerkgesteld worden verschillende categorieën van CODO's onderscheiden:
▪
gesubsidieerde contractuelen (GECO's) aangesteld op conventies, afgesloten tussen de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister bevoegd voor Tewerkstelling;
▪
GECO's in scholen aangesteld op basis van individuele conventies tussen een inrichtende macht en een minister bevoegd voor Tewerkstelling;
▪
de contractuelen aangesteld op basis van werkingsmiddelen van de school (COWE's). → omzendbrief Pers/2003/06 (2/4/2004)
○ Zowel voor GECO's, CODO's als COWE's zijn bepalingen uitgewerkt waardoor zij op ●
●
basis van hun vroegere prestaties dienst- en ambtsanciënniteit verwerven. Een tijdelijke aanstelling kan van bepaalde duur of van doorlopende duur zijn (zie 8.2.13.). Een aanstelling voor bepaalde duur geldt voor maximum één jaar. Een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur (TADD) daarentegen loopt over de schooljaren heen. De voordelen van een vaste benoeming t.o.v. een tijdelijke aanstelling zijn de garantie op vastheid van betrekking en verloning, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking indien er geen betrekking is en vervolgens recht op reaffectatie en wedertewerkstelling, de toegang tot een aantal verlofstelsels, en het recht op een overheidspensioen.
Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling
Vastbenoemde personeelsleden van wie de opdracht wegvalt of vermindert buiten hun wil om, vallen onder het stelsel van de 'terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling'. Dit betekent dat zij 'ter beschikking worden gesteld' als hun betrekking wegvalt en op dat moment voorrang genieten bij vacatures; scholen moeten prioritair op hen beroep doen. Reaffectatie gebeurt binnen hetzelfde ambt. Indien dit niet mogelijk is, kan de inrichtende macht of de reaffectatiecommissie de betrokkene 'wedertewerkstellen'. Wedertewerkstelling gebeurt in een 'ander ambt', zoals een directeur in een leraarsambt en een leraar in het ambt van leraar maar dan voor vakken waar hij geen vereist bekwaamheidsbewijs voor heeft (zie 8.2.5.1.). Personeel / 365
Voor scholen die tot een scholengemeenschap behoren, situeren de reaffectatiewedertewerkstellingsverplichtingen zich op het niveau van de scholengemeenschap.
en
Tijdens de terbeschikkingstelling krijgen de personeelsleden een wachtgeld(toelage). Terbeschikkinggestelde personeelsleden zijn in bepaalde gevallen verplicht hun reaffectatie of wedertewerkstelling te aanvaarden. Zij kunnen ook in bepaalde gevallen beschikbaar zijn voor het uitoefenen van pedagogische taken. Voor de reaffectaties en wedertewerkstellingen werden per onderwijssector verschillende reaffectatiecommissies opgericht per scholengroep (voor het gemeenschapsonderwijs) en per scholengemeenschap (voor het basisonderwijs en secundair onderwijs). Bij het Vlaams Ministerie Onderwijs en Vorming fungeert een Vlaamse Reaffectatiecommissie die beslissingsbevoegdheid heeft (voor alle onderwijsniveaus) maar ook fungeert als beroepsinstantie voor het behandelen van bezwaarschriften. Deze commissie bestaat uit een kamer voor het GO! en een voor het gesubsidieerd onderwijs. Deontologie
In elk onderwijsnet wordt een eigen deontologische code gehanteerd voor het onderwijzend personeel. Ook de CLB's, pedagogische begeleidingsdiensten en inspectie hebben een eigen deontologische code. De personeelsleden moeten de belangen behartigen van het onderwijs, de instelling, de leerlingen en de consultanten. Zij vervullen de taken die hen worden opgedragen nauwgezet en gedragen zich in de omgang met de leerlingen, de ouders en het publiek op een correcte wijze. Zij vermijden alles wat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van de functie. Het is hen verboden giften, geschenken, beloningen of een ander voordeel te aanvaarden. Ze mogen hun gezag niet aanwenden voor politieke of commerciële doeleinden. Ze moeten het ambtsgeheim bewaren (bv. na de delibererende klassenraad). Ze mogen de uitoefening van hun ambt niet onderbreken zonder voorafgaande toestemming van de hiërarchische overheid. In het gesubsidieerd onderwijs moeten de verplichtingen die voortvloeien uit de specificiteit van het opvoedingsproject worden nageleefd (onverenigbaarheden dienen door het schoolbestuur/ inrichtende macht schriftelijk meegedeeld voor indiensttreding). Het decreet vermeldt expliciet dat feiten uit het privé-leven, die geen weerslag hebben op de relatie tussen de leerling en het personeelslid of op het schoolleven, geen aanleiding kunnen geven tot een maatregel vanwege het schoolbestuur of inrichtende macht. In het GO! moeten de personeelsleden de neutraliteit in acht nemen en vormgeven aan het pedagogisch project van het GO!. De neutraliteitsverklaring vindt men op http://www.go.be/SiteCollectionDocuments/tekstneutraal.doc
8.2.6.2. Onderwijzend personeel in hogescholen
De leden van het onderwijzend personeel in de hogescholen zijn contractueel gezien werknemers in de vrije hogescholen of een soort van ambtenaren in de hogescholen met een publiekrechtelijk karakter. Het personeel wordt betaald door de Vlaamse overheid. Ofschoon hun wettelijk statuut voor de vrije en de hogescholen met een publiekrechtelijk karakter niet geheel hetzelfde is, zijn de verschillen tussen de twee klein. Aan de hogescholen kan het hogeschoolbestuur vacante betrekkingen tijdelijk of in vast verband toewijzen aan kandidaten. De meeste assistenten hebben een tijdelijke aanstelling. Ten hoogste 25% van het aantal assistenten, uitgedrukt in voltijdse eenheden kunnen vastbenoemd worden. De benoeming in een betrekking gebeurt door werving, bevordering of ambtswijziging.
Personeel / 366
8.2.6.3. Academisch personeel in universiteiten
Contractueel gezien zijn academici werknemers in de private sector van hoger onderwijs en een soort van ambtenaren in de publieke sector van hoger onderwijs. Het academisch personeel wordt betaald door de universiteiten. De verschillen qua wettelijk statuut voor publiek en privaat universitair onderwijs zijn echter klein. De universiteitsbesturen zijn bevoegd om vacante voltijdse of deeltijdse betrekkingen aan kandidaten toe te wijzen. Het assisterend academisch personeel is tijdelijk aangesteld, terwijl het zelfstandig academisch personeel vastbenoemd is, met uitzondering van de buitengewoon hoogleraren die een deeltijdse universitaire functie vervullen. Het onderwijsdecreet XVIII voert een "tenure track" in voor docenten (zelfstandig academisch personeel). Dat is een tijdelijke aanstelling van maximum 5 jaar, maar met het uitzicht op een vaste benoeming als hoofddocent.
8.2.7. Vervanging We behandelen achtereenvolgens de (tijdelijke) vervanging voor: ● ● ●
Basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs (zie 8.2.7.1.) Hoger onderwijs (zie 8.2.7.2.) Universiteiten (zie 8.2.7.3.)
8.2.7.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs
Afwezigheden vanaf 10 aaneensluitende werkdagen geven de scholen in het basis, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs recht op een vervanging. Kortere afwezigheden zorgden traditioneel voor een probleem. Voor korte afwezigheden van personeelsleden in het basisonderwijs en het secundair onderwijs werd vanaf het schooljaar 20082009 een nieuw systeem ingevoerd dat sinds 2006 als een tijdelijk project was uitgetest. Het systeem geldt enkel voor personeelsleden die zijn aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het basis- en secundair onderwijs. Elke school krijgt een contingent vervangingseenheden dat binnen een samenwerkingsplatform wordt samengelegd en beheerd en kan aangewend worden op maat en in functie van de lokale noden en prioriteiten. (Vervangingseenheden zijn dus een andere vorm van omkadering dan lesuren, urenleraar, lestijden of punten. Lesuren, uren-leraar, lestijden of punten worden immers op weekbasis voor een volledig schooljaar of voor de rest van het schooljaar toegekend. Bij vervangingseenheden is dit niet het geval.) Onder “samenwerkingsplatform” wordt verstaan: scholen die samenwerken binnen ● ● ●
een scholengemeenschap; een samenwerkingsverband tussen een of meer scholengemeenschappen en een of meer onderwijsinstellingen die niet behoren tot een scholengemeenschap; een samenwerkingsverband tussen verschillende scholengemeenschappen. Personeel / 367
Het samenwerkingsverband dient steeds binnen hetzelfde onderwijsniveau te blijven, hetzij basisonderwijs hetzij secundair onderwijs. De vervangingseenheden kunnen daarenboven enkel worden aangewend op voorwaarde dat er een convenant gesloten wordt tussen de inrichtende macht(en) en de vakorganisaties die op niveau van het samenwerkingsplatform in de bevoegde onderhandelings- en/of overlegcomité(s) vertegenwoordigd zijn (zie 2.7.2.6.). Daarnaast wordt het vanaf het schooljaar 2008-2009 zowel in het basisonderwijs als in het secundair onderwijs mogelijk om met de vervangingseenheden een personeelslid aan te stellen voor de duur van maximum één schooljaar, op voorwaarde dat hierover afspraken zijn gemaakt in het convenant. Sinds 1 september 2009 is een betere bezoldiging van toepassing voor personeelsleden die vervangingen van korte afwezigheden uitoefenen in overwerk of als bijbetrekking. (Zie Omzendbrief PERS/2005/23) In het kader van de besparingen worden de vervangingseenheden voor korte vervangingen in het secundair onderwijs afgeschaft vanaf 1 september 2010.
8.2.7.2. Onderwijzend personeel in hogescholen
Het hogeschoolbestuur bepaalt onder welke voorwaarden een lid van het onderwijzend personeel tijdelijk kan worden vervangen.
8.2.7.3. Academisch personeel in universiteiten
Het universiteitsbestuur stelt zelf een reglement op dat de tijdelijke vervanging van de leden van het academisch personeel regelt. Een tijdelijke vervanging van een lid van het zelfstandig academisch personeel door een externe persoon is uitzonderlijk en kan nooit langer duren dan één academiejaar en eindigt in ieder geval op het einde van het academiejaar. Deze vervangingen in hoofde van de vervanger zijn maximaal vier maal hernieuwbaar. Om te voorzien in tijdelijke personeelsbehoeften of in tijdelijke vervangingen van personeelsleden kan het universiteitsbestuur personeel aanwerven, doch enkel op contractuele basis. De duur van de waarneming van vacante betrekkingen in afwachting van de definitieve opvulling ervan mag ten hoogste twee jaar bedragen (Decreet van 12 juni 1991).
8.2.8. Begeleiding De vernieuwde lerarenopleiding creëert een veel intensievere begeleiding en ondersteuning van stagiairs, leraren-in-opleiding en startende leraren door mentoren (zie 8.1.4.). Tijdens hun loopbaan worden leerkrachten begeleid door de pedagogische begeleidingsdiensten (zie 9.3.3.).
Personeel / 368
8.2.9. Evaluatie We behandelen achtereenvolgens: ● ● ●
basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs (zie 8.2.9.1.) hoger onderwijs (zie 8.2.9.2.) universiteiten (zie 8.2.9.3.)
8.2.9.1. Functiebeschrijvingen en evaluatie in het basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs
Invoering
De decreten van 27 maart 1991 (rechtspositie personeel) voeren een evaluatiesysteem in waarbij ook functiebeschrijvingen zijn voorzien. Afspraken inzake functiebeschrijvingen zijn ook voorzien in het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en het BVR van 10 juni 1997 introduceerde alvast een negatieve lijst met taken die niet in de functiebeschrijving kunnen worden opgenomen. Met functiebeschrijvingen werd effectief gestart in het secundair onderwijs en in de centra voor volwassenenonderwijs vanaf september 2004; in de centra voor leerlingenbegeleiding vanaf 1 september 2005. De daarop gebaseerde evaluaties startten op 1 september 2007. Het decreet van 13 juli 2007 hervormde immers het evaluatiesysteem en koppelde de evaluatie aan de invoering van geïndividualiseerde functiebeschrijvingen. Vanaf 1 september 2007 werden die functiebeschrijvingen dan ook effectief ingevoerd in het basisonderwijs, de internaten, de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben en het deeltijds kunstonderwijs. De evaluaties startten daar op 1 september 2009. Principes
Het evaluatieproces moet een constructief en positief, geen repressief personeelsbeleidsinstrument zijn; geen momentopname maar eerder een procesmatig gebeuren. De ondersteuning en de begeleiding van het personeelslid is daarin zeer belangrijk. Het evaluatie- en begeleidingsproces steunt op een geïndividualiseerde functiebeschrijving. Deze is verplicht voor elk personeelslid dat voor minstens 104 dagen wordt aangesteld, maar kan ook (zonder verplichting) voor personeelsleden met een kortere aanstelling. De functiebeschrijving dient opgemaakt per instelling waarin het personeelslid fungeert en per uitgeoefend ambt. Een personeelslid kan dus meerdere functiebeschrijvingen hebben. De inrichtende macht of de scholengemeenschap (gesubsidieerd onderwijs) en het college van directeurs (GO!) onderhandelt over de algemene afspraken inzake functiebeschrijving in het voor de instelling bevoegde lokaal comité. De functiebeschrijvingen van de leerkrachten levensbeschouwelijke vorming dienen voor de vakspecifieke aspecten ook het akkoord te krijgen van de bevoegde levensbeschouwelijke instantie. Het evaluatieproces kan maximaal 4 schooljaren omvatten. Daarna is een nieuwe evaluatie nodig. Ieder personeelslid heeft twee evaluatoren behorende tot dezelfde instelling (of instelling van dezelfde inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs) als het personeelslid. De rol van de eerste evaluator is essentieel, hij staat in voor begeleiding en coaching. Hij dient dan ook een hogere hiërarchische rangorde te hebben dan het betrokken personeelslid. In het GO! duidt de directeur van de school de evaluatoren aan. In het gesubsidieerd onderwijs gebeurt dit door de inrichtende macht. Personeel / 369
Het wordt aangeraden dat de evaluatoren een opleiding krijgen. De overheid trekt daarvoor de nodige middelen uit. Voor de leraars levensbeschouwelijke vorming treedt de bevoegde instantie op als evaluator voor de vakspecifieke aspecten. Voor de andere aspecten is het de gewone evaluator. Inhoud functiebeschrijving
Een functiebeschrijving omvat drie delen: ● ● ●
de taken en instellingsgebonden opdrachten en de wijze waarop het personeelslid deze moet uitvoeren; de instellingsspecifieke doelstellingen; de rechten en plichten inzake permanente vorming en nascholing.
Persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen kunnen worden toegevoegd na een functioneringsgesprek of op basis van afspraken gemaakt op het einde van een evaluatieperiode. Bij het opmaken van de geïndividualiseerde functiebeschrijving moet ook rekening gehouden worden met de algemene afspraken die ter zake op het niveau van de inrichtende macht, desgevallend de scholengemeenschap, zijn gemaakt en met bepalingen uit het arbeidsreglement, en voor het gesubsidieerd vrij onderwijs ook met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst. De functiebeschrijvingen voor personeelsleden van het basisonderwijs mogen geen taken omvatten die zijn vastgelegd in de zgn. negatieve lijst, sinds dit schooljaar opgenomen in het BVR betreffende de opdracht van het personeel in het basisonderwijs van 17 juni 1997, en moeten rekening houden met de prestatieregeling vastgelegd in het decreet basisonderwijs (BaO/97/8). Taken die niet mogen worden opgenomen zijn o.m. huisbezoeken, busvervoer en -begeleiding, materieel onderhoud. Voor het secundair onderwijs staat de hoofdtaak, het lesgeven centraal. ●
Tot deze hoofdtaak - de geïntegreerde lerarenopdracht - behoren taken zoals:
○ ○ ○ ○ ○
●
de planning en voorbereiding van lessen, het lesgeven zelf, de klaseigen leerlingenbegeleiding, de beoordeling van de leerlingen (toetsen, taken, examens, proeven),
de nascholing en het overleg en de samenwerking met directie (personeelsvergaderingen en pedagogische studiedagen), collega's (klassenraden en vakverenigingen), het CLB (opvolgen leerlingen) en ouders (oudercontacten). Daarnaast kan van leraren in het secundair onderwijs ook een beperkt aantal instellingsgebonden taken worden gevraagd, zoals:
○ het opnemen van verantwoordelijkheden die het les- of klasgebeuren overschrijden (vakverantwoordelijke, organisatie culturele en andere activiteiten, klassendirectie, ...),
○ het opnemen van een of andere specifieke rol of opdracht (onthaal nieuwe leerlingen, mentorschap, coördinatiefuncties, ...),
○ afwezige leraren vervangen en aanvullend toezicht houden ○ vertegenwoordiging in schoolexterne organen (bij de koepelorganisatie, gemeentelijk, ●
enz.). De directeur van de school maakt een lijst van dergelijke taken op en legt ze voor ter onderhandeling in het lokaal onderhandelingscomité. Als deze instellingsgebonden taken een dermate groot deel van de opdracht vertegenwoordigen, kan de leraar (geheel of gedeeltelijk) worden vrijgesteld van lesopdracht. De criteria op basis waarvan leraren kunnen worden vrijgesteld om instellingsgebonden taken uit te oefenen, worden eveneens onderhandeld in het lokaal onderhandelingscomité. Deze werkwijze garandeert een billijke taakverdeling en een beperking van de werkdruk.
Personeel / 370
Procedures
Het evaluatieproces start met het aanduiden van de evaluatoren. Vervolgens volgt het opstellen van een functiebeschrijving en het evaluatieproces zelf met de coaching en begeleiding van het personeelslid. Dit mondt tenslotte uit in een evaluatieverslag en de eventuele gevolgen daarvan. De functiebeschrijving wordt in principe door de eerste evaluator en het personeelslid in samenspraak gemaakt. Raken zij het niet eens, dan moet de inrichtende macht een beslissing nemen. De eerste evaluator ondertekent de geïndividualiseerde functiebeschrijving en het personeelslid tekent voor kennisname. Tijdens het functioneringsgesprek (dat op geregelde tijdstippen wordt gehouden) staan de evaluator en het personeelslid op gelijke voet. Tijdens het evaluatiegesprek - dat steeds een evaluatieperiode afsluit - wordt het functioneren van het personeelslid besproken op basis van de overeengekomen functiebeschrijving. Het mondt steeds uit in een evaluatieverslag dat beschrijvend is én concluderend. Is de eindconclusie uitzonderlijk 'onvoldoende', dan kan het personeelslid beroep aantekenen bij een college van beroep inzake evaluaties. Het beroep werkt opschortend. Voor zover een definitieve onvoldoende niet leidt tot ontslag, moet het personeelslid een nieuwe evaluatie krijgen na een periode van tenminste 12 maanden effectieve prestaties. Ontslag geldt enkel voor het betreffende ambt in de betreffende instelling. De modaliteiten zijn verschillend naargelang het uitgeoefende ambt en vaste of tijdelijke benoeming. Zo worden tijdelijke personeelsleden voor bepaalde duur na één definitieve onvoldoende ontslagen. Vastbenoemde personeelsleden ingeval van twee opeenvolgende definitieve onvoldoendes of na drie definitieve onvoldoendes in de loopbaan. College van beroep
Het college van beroep betreffende evaluaties wordt opgericht naast de beroepsinstanties voor tuchtzaken. Het wordt paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers en bestaat uit 3 kamers (respectievelijk voor GO!, gesubsidieerd vrij en gesubsidieerd officieel onderwijs). Het wordt voorgezeten door een magistraat. Het gaat na of de evaluatie op een zorgvuldige en kwaliteitsvolle manier is gebeurd en beoordeelt de redelijkheid van de sanctie. Het doet uitspraak in een met redenen omklede beslissing bijgewone meerderheid.
8.2.9.2. Onderwijzend personeel in hogescholen
De evaluatieregeling wordt vastgelegd door het hogeschoolbestuur (Decreet van 13 juli 1994). Deze evaluatie is verplicht voor elk personeelslid en wordt minstens elke vijf jaar uitgevoerd. Er zijn echter een aantal uitzonderingen: ● ●
wanneer het personeelslid de evaluatie ''onvoldoende'' toegewezen krijgt, dient een nieuwe evaluatie te gebeuren na één jaar; in afwijking van de termijn van vijf jaar, gebeurt de eerste evaluatie van het personeelslid na de eerste aanstelling, of na benoeming of bevordering na maximum drie jaar.
Indien een evaluatie ''onvoldoende'' wordt toegekend, kan het betrokken personeelslid binnen een termijn van vijftien kalenderdagen beroep aantekenen tegen deze beslissing bij het college van beroep inzake evaluatie. De evaluatie ''onvoldoende'' is definitief indien de termijn waarin is voorzien voor het instellen van een beroep is verstreken of nadat in beroep een definitieve beslissing werd genomen. Op elke evaluatie die niet eindigt met een ''onvoldoende'' kan de betrokkene schriftelijk reageren. Deze schriftelijke reactie wordt aan het evaluatiedossier toegevoegd.
Personeel / 371
8.2.9.3. Academisch personeel in universiteiten
In een academische carrière bestaan er enkele evaluatiemomenten: de tijdelijke benoeming, contractverlenging, vaste benoeming en promotie. In het kader van het systeem van kwaliteitsgarantie zijn ook de individuele docenten onderworpen aan een evaluatie en kunnen de verkregen resultaten worden gehanteerd in de context van benoemingen en promotie. Het universiteitsbestuur legt de regels vast voor de evaluatie van de prestaties en de wijze van functioneren van de leden van het academisch personeel (Decreet van 12 juni 1991). Ten minste om de vijf jaar moet er een evaluatie plaatsvinden van de wijze waarop elk lid van het academisch personeel zijn taak heeft vervuld in de voorbije periode. Na elke nieuwe aanstelling en na elke benoeming of bevordering dient er een evaluatie na drie jaar plaats te vinden. De evaluatieprocedure moet voorzien in een beroepsmogelijkheid bij onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen. ●
● ●
Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als "ondermaats" worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar wordt gehalveerd. Indien het eindoordeel van een evaluatie ''onvoldoende'' is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar stopzetten. Indien het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties ''onvoldoende'' is of driemaal ''onvoldoende'' is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.
Het zelfstandig academisch personeel (ZAP) wordt ook geëvalueerd buiten de statutaire context van de universiteit, zoals bij het wedijveren naar onderzoeksfondsen op nationale en internationale niveaus.
8.2.10. Nascholing Het wettelijk kader bestaat uit: ● ● ●
Decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. Besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 1996 tot regeling van de procedure voor de toewijzing van nascholingsprojecten op initiatief van de Vlaamse Regering. Besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2009 betreffende de vorming voor directeurs van de onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding.
Sinds het schooljaar 2009-2010 wordt nascholing voor instellingen geregeld via het nieuwe decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. Wat de nascholing betreft, regelt dit decreet ten eerste de nascholingsmiddelen voor de instellingen, ten tweede de nascholing op initiatief van de Vlaamse Regering en ten derde de nascholing op initiatief van de pedagogische begeleidingsdiensten.
Personeel / 372
Nascholingsmiddelen voor instellingen
De instellingen blijven verantwoordelijk voor hun eigen nascholingsbeleid en ontvangen hiervoor middelen. Volgende niveaus krijgen nascholingsmiddelen: basisonderwijs, secundair onderwijs, volwassenenonderwijs, deeltijds kunstonderwijs, CLB's en basiseducatie. Een school is verplicht om elk jaar een nascholingsplan op te maken. Het dient goedgekeurd te worden door het lokaal comité, of bij ontstentenis daarvan, de algemene personeelsvergadering. Het nascholingsplan bevat op een samenhangende wijze alle vormingsinspanningen die erop gericht zijn de kennis, vaardigheden en attitudes van personeelsleden van de instellingen te ontwikkelen. De vaststelling van de noden kan resulteren in een prioriteitenplan op korte en lange termijn. Binnen de wetgeving wordt nascholing ruim opgevat, zolang kan worden aangetoond dat de gefinancierde initiatieven bijdragen tot de professionalisering van de leerkracht. Zowel de directie als alle personeelsleden van de school kunnen in principe beroep doen op het nascholingsgeld. Er moet wel kunnen worden aangetoond dat de nascholing nuttig is voor de taken van het personeelslid. Scholen kunnen vervoerskosten en inschrijvingsgelden van leerkrachten terugbetalen. Bij nascholing speelt het principe van de vrije markt. De instellingen kunnen voor de nascholing van hun personeel aankloppen bij een nascholingsorganisatie naar keuze en kunnen hiervoor de nascholingsdatabank raadplegen (zie onder) Nascholing op initiatief van de Vlaamse Regering
Elk jaar bepaalt de regering een aantal prioritaire nascholingsthema's waarbinnen nascholingsprojecten worden goedgekeurd, die dan gratis en netoverschrijdend worden aangeboden. Voor het schooljaar 2009-2010 werden 4 thema’s geselecteerd (met een budget van 1.451.000 euro). ● ● ● ●
Kunst- en cultuureducatie. Vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen secundair onderwijs. Eindtermen en ontwikkelingsdoelen techniek basisonderwijs en 1e graad secundair onderwijs. Eindtermen en ontwikkelingsdoelen natuurwetenschappen 1e graad secundair onderwijs.
Voor het schooljaar 2010-2011 werden 3 nieuwe prioritaire nascholingsthema’s vastgelegd (met een budget van 1.266.000). ● ● ●
Herstelgerichte methodieken. Studiekeuze en studiekeuzebegeleiding. Lokaal professionaliseringsbeleid.
Nascholing op initiatief van de pedagogische begeleidingsdiensten
Sinds het nieuwe decreet van 2009 worden de middelen die aanvankelijk aan de zgn. nascholingskoepels werden uitgekeerd overgeheveld naar de pedagogische begeleidingsdiensten. Het decreet formuleert op het vlak van nascholing drie opdrachten: ●
● ●
om nascholings- en begeleidingsactiviteiten te organiseren voor de eigen personeelsleden en voor de personeelsleden van de door hen begeleide instellingen ontvangen de begeleidingsdiensten jaarlijks een bedrag van 1.332.000 euro; voor de organisatie van de vorming van directeurs van de door hen begeleide instellingen ontvangen de begeleidingsdiensten jaarlijks een bedrag van 430.000 euro; voor de organisatie van nascholing op het vlak van functiebeschrijving en evaluatie voor de directies van de door hen begeleide instellingen ontvangen de begeleidingsdiensten jaarlijks een bedrag van 402.000 euro.
Tevens stellen de pedagogische begeleidingsdiensten zoals bepaald in het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2009, lijsten samen over welke opleidingen voor directeurs in aanmerking te komen tot terugbetaling. Personeel / 373
Budget
Nascholingsmiddelen voor de instellingen per niveau in 2010 in 1000 euro Basisonderwijs 3 930 Secundair onderwijs 5 394 Volwassenenonderwijs met uitzondering van de basiseducatie 412 Deeltijds kunstonderwijs 252 CLB’s 178 Basiseducatie 26 Nascholingsmiddelen op initiatief van de pedagogische 2 164 begeleidingsdiensten Nascholing op initiatief van de Vlaamse Regering 1 266 Vanaf het begrotingsjaar 2011 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex
Databank
Het departement Onderwijs en Vorming creëerde ook een nascholingsdatabank voor het onderwijspersoneel: http://www.ond.vlaanderen.be/nascholing. Elke organisatie die wenst opgenomen te worden in deze databank, wordt weergegeven. Deze databank heeft enkel een informerende functie, is niet exhaustief en geeft de nascholingsorganisaties geen kwaliteitslabel. ICT-competentiecentrum REN-Vlaanderen
Het competentiecentrum REN-Vlaanderen (Regionaal Expertisenetwerk Vlaanderen) biedt sinds 2000 zowel aanbod- als vraaggestuurde nascholing aan op vlak van invoering en gebruik van ICT, zowel op pedagogisch-didactisch, als technisch en organisatorisch vlak. Vanaf 2006 - 2007 worden jaarlijks 3 thema’s uitgewerkt met telkens een studiedag gekoppeld aan de ontwikkeling en disseminatie van (didactisch) materiaal en een nascholingsaanbod. Voor 2009-2010 zijn dat: visie op ICT-gebruik en visieontwikkeling; digitale schoolborden; ICT in leerzorg. Het volledige aanbod vindt men op http://www.renvlaanderen.be Voor bedrijfsstages leerkrachten secundair onderwijs: zie 5.18.2.).
8.2.11. Salaris We behandelen achtereenvolgens: ● ● ●
basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs (zie 8.2.11.1.) hoger onderwijs (zie 8.2.11.2.) universiteiten (zie 8.2.11.3.)
8.2.11.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs
De personeelsleden van het GO! ontvangen een salaris, en de personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs een salaristoelage, die rechtstreeks en maandelijks uitbetaald wordt door de Vlaamse Gemeenschap. Het salaris hangt in de onderwijssector af van de volgende factoren: Personeel / 374
● ● ● ● ● ● ● ●
het uitgeoefende ambt (soorten ambten en personeelscategorieën - wervings-, selectie-, bevorderingsambt) de statutaire toestand (tijdelijk of vastbenoemd); de administratieve toestand (actief, non-actief,…); de bekwaamheidsbewijzen en de eraan verbonden salarisschalen; de aard van de betrekking (hoofdbetrekking, bijkomende betrekking) en de omvang van de betrekking; de vroegere diensten (anciënniteit); de persoonlijke en familiale situatie (bijkomende financiële voordelen als vakantiegeld, kindergeld, vergoeding van transportkosten, eindejaarspremie,…); andere tegemoetkomingen, zoals de vergoeding voor kinderopvang voor en na de schooltijd en de vergoeding voor middagtoezicht.
De salarisschalen zijn verbonden met een welbepaald bekwaamheidsbewijs en bestaan uit een aanvangssalaris (minimum), een aantal periodieke verhogingen (jaarlijks, tweejaarlijks en op het einde van de loopbaan) en een maximumsalaris, overeenkomstig de salarisanciënniteit. De salarisanciënniteit begint pas te lopen na het bereiken van de minimumleeftijd. De bedragen van de salarisschalen worden aangepast aan de stijging van de consumptieprijzen. De salarisschalen kunnen worden geraadpleegd op de website van het departement Onderwijs en Vorming. (http://www.ond.vlaanderen.be/wedde/weddenschalen/overzicht.htm ) Naast het eigenlijke salaris kan een personeelslid, in welbepaalde omstandigheden, aanspraak maken op volgende vergoedingen: ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●
haard- en standplaatsvergoeding, een niet-verworven salarisschaal bv. vergoeding voor bijzondere getuigschriften en diploma's, vakantiegeld, eindejaarstoelage, kraamgeld, kinderbijslag, verplaatsingskosten, begrafenisvergoeding, vakbondspremie vergoeding voor middagtoezicht en voor- en naschoolse opvang.
In feite hebben de leerkrachten een speciaal bezoldigingsstatuut in die zin dat zij worden betaald naargelang het aantal geleverde diensten (op basis van het aantal gegeven lesuren), maar het aantal lesuren dat ze willen geven niet vrij kunnen kiezen. De politieke maatregelen die zijn voorgesteld om inzake het aantal uren lesgeven (en dus het salaris) meer flexibiliteit in te voeren, zijn op verzet gestoten. Een ander probleem is dat van de beroepsonkosten van de leerkrachten: in de meeste gevallen moeten zij zelf boeken en didactisch hulpmateriaal bekostigen.
8.2.11.2. Onderwijzend personeel in hogescholen
De salarissen van het onderwijzend personeel in de hogescholen zijn bij decreet en besluit vastgelegd (zie tabel 8.7.3.). De berekening van de salarissen gebeurt volgens dezelfde principes als voor het onderwijzend personeel van de andere onderwijsniveaus. De hogescholen hebben het recht om personeelsleden die bijkomende administratieve taken zijn toevertrouwd, een bonus van maximum 20% van het normale salaris toe te kennen (Decreet van 13 juli 1994 en BVR van 3 mei 1995).
Personeel / 375
8.2.11.3. Academisch personeel in universiteiten
De salarissen van het zelfstandig academisch personeel, het assisterend academisch personeel en de lectoren in de universiteiten zijn bij decreet en besluit vastgelegd (Decreet van 12 juni 1991, BVR van 30 juni 1998, BVR van 4 mei 2001, en BVR van 31 januari 2003) (zie tabel 8.7.3.). Aan de personeelsleden die een bestuursmandaat bekleden, kan een vergoeding worden toegekend waarvan het bedrag door het universiteitsbestuur is vastgelegd. Het universiteitsbestuur kan voor ten hoogste 1% van de geraamde personeelsuitgaven premies toekennen na evaluatie van de geleverde prestaties. Professoren op emeritaat die jonger zijn dan 65 en die hun activiteiten voortzetten, kunnen hiervoor een vergoeding krijgen.
8.2.12. Arbeidstijd en vakantie Het volume van de opdracht van leerkrachten wordt uitgedrukt in lestijden van 50 minuten, en niet in uren werk. In het hoger onderwijs van één cyclus wordt het volume van de opdracht doorgaans ook uitgedrukt in lestijden van 50 minuten, maar is er een tendens om naar 60 minuten over te stappen. We behandelen achtereenvolgens: ● ● ●
basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs (zie 8.2.12.1.) hoger onderwijs (zie 8.2.12.2.) universiteiten (zie 8.2.12.3.)
8.2.12.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs
Arbeidstijd
Het decreet Basisonderwijs heeft in het basisonderwijs 3 begrippen ingevoerd: de opdracht, de schoolopdracht en de hoofdopdracht. ● ●
●
De opdracht omvat alle taken die het personeelslid uitvoert, zowel in als buiten de school (bv. thuis). De schoolopdracht bestaat uit de taken die een leerkracht uitvoert in schoolverband, zijnde de hoofdopdracht (de lesopdracht) en een aantal andere taken. De overheid heeft daarbij vastgelegd (BVR van 17 juni 1997) dat de wekelijkse schoolopdracht in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs maximaal 26 klokuren bedraagt en dat het deelnemen aan oudervergaderingen of personeelsvergaderingen daarbuiten valt. De hoofdopdracht is in principe de lesopdracht.
Personeel / 376
Wekelijkse hoofdopdracht voltijds
Aantal lestijden minimum
maximum
Kleuteronderwijzer
24
26
Onderwijzer
24
27
Leermeester godsdienst, leermeester niet-confessionele zedenleer, leermeester lichamelijke opvoeding
24
28
Kleuteronderwijzer ASV
22
26
Onderwijzer ASV, de leermeester godsdienst, de leermeester nietconfessionele zedenleer, de leermeester lichamelijke opvoeding en de leermeester compensatietechniek Braille in type 6
22
27
Gewoon basisonderwijs
Buitengewoon basisonderwijs
De wekelijkse schoolopdracht van het beleids- en ondersteunend personeel in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs (administratief medewerker, ict-coördinator, zorgcoördinator) dat voltijds fungeert bedraagt 36 klokuren. Ook de functie van stafmedewerker-SG (scholengemeenschap) bedraagt voltijds 36 klokuren. Voor het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel in het buitengewoon onderwijs is dat 32 klokuren per week. In het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs worden de werkuren van leerkrachten nog steeds aangeduid als uren effectief lesgeven. ●
●
●
●
In het gewoon secundair onderwijs bedragen de wekelijkse lestijden, afhankelijk van de graad waarin de leerkracht lesgeeft en het ambt (algemene vakken, technische vakken, kunstvakken of praktische vakken), minimaal 20 lestijden en maximaal 29 lestijden van 50 minuten. In het buitengewoon secundair onderwijs bedragen de wekelijkse lestijden minimaal 22 lestijden voor de leraar algemene en sociale vorming en 24 lestijden voor de leraar beroepsgerichte vorming, en maximaal 24 lestijden en 28 lestijden respectievelijk. In het volwassenenonderwijs bedraagt de wekelijkse opdracht hetzij 20 lesuren (voor een opdracht in algemene vakken of technische vakken), hetzij 25 lesuren van 50 minuten (voor een opdracht in praktische vakken). In het deeltijds kunstonderwijs bedraagt de wekelijkse opdracht bedraagt hetzij 22 lesuren (voor een opdracht in de lagere en middelbare graad), hetzij minimaal 20 lesuren en maximum 22 lesuren van 50 minuten (voor een opdracht in de hogere graad en in de specialisatiegraad).
Vakantieregeling
●
● ● ● ●
De jaarlijkse vakantie bestaat uit de officiële vakanties en vakantiedagen, en enkele dagen die elke onderwijsinstelling zelf moet kiezen. Het jaarlijks vakantieverlof bestaat uit de kerstvakantie (2 weken), de paasvakantie (2 weken), de zomervakantie (2 maanden), de herfstvakantie en de krokusvakantie (2 keer 1 week), en een aantal wettelijke en reglementaire verlofdagen (+/- 4 dagen). De instellingen voor secundair onderwijs kunnen bijkomend over een facultatieve vakantiedag beschikken; de instellingen voor basisonderwijs en buitengewoon secundair onderwijs over twee facultatieve vakantiedagen. De vakanties worden vergoed en met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Tijdelijke leerkrachten worden evenwel per 30 juni uit dienst gemeld. Tijdelijke onderbrekingen Verder bestaat o.m. de mogelijkheid tot: omstandigheidsverlof (in geval van huwelijk, bevalling, overlijden van een familielid,…); uitzonderlijk verlof wegens overmacht (ziekte of ongeval van een gezinslid dat onder hetzelfde dak als de leerkracht woont); Personeel / 377
● ● ● ● ●
●
afwezigheid voor het vervullen van staatsburgerlijke plichten of burgerlijke opdrachten (rechtsgedingen, lokale verkiezingen,…); afwezigheid voor de opvang van kinderen met het oog op adoptie of pleegvoogdij; verlof voor verminderde prestaties omwille van sociale of familiale redenen of wegens persoonlijke aangelegenheden; verlof voor het uitoefenen van bepaalde publieke ambten, politiek verlof. Net zoals in de andere sectoren is er ook de mogelijkheid van loopbaanonderbreking. Onder bepaalde voorwaarden kunnen tijdelijk en vastbenoemde personeelsleden hun professionele activiteiten voor een bepaalde tijdsperiode onderbreken en een vergoeding ontvangen. Meer informatie op http://www.ond.vlaanderen.be/gidsvoorleraren/
8.2.12.2. Onderwijzend personeel in hogescholen
●
●
●
Het hogeschoolbestuur bepaalt de opdracht en taakomschrijving van het onderwijzend personeel. Een voltijdse betrekking bedraagt 38,5 tot 40 uren per week (inclusief lesvoorbereiding). De voltijdse beschikbaarheid van een personeelslid impliceert echter geen voltijdse aanwezigheid; voor voltijdse personeelsleden is de aanwezigheid immers niet vereist voor twee halve dagen per week. De meeste hogescholen hebben een protocol gesloten met de personeelsafvaardiging omtrent de taakbelasting en uurregeling. Daarin staan richtlijnen omtrent het aantal lesuren en uren voor andere opdrachten (bv. begeleiden van eindwerk, uitvoeren van projectmatig wetenschappelijk onderzoek,…). Het hogeschoolbestuur kan ervoor opteren beginnend onderwijzend personeel minder lesuren te geven omdat hij/zij nog meer tijd nodig heeft voor lesvoorbereidingen. Het aantal lesuren kan dus verschillen van persoon tot persoon, en van hogeschool tot hogeschool. Voltijds personeel mag geen andere functie of job hebben. Zij kunnen een uitzondering vragen indien deze andere professionele verplichtingen verenigbaar zijn met de opdracht aan de hogeschool en indien ze niet meer dan twee halve dagen per week in beslag nemen. Als de nevenactiviteiten een te groot deel van de tijd in beslag nemen, wordt een voltijdse opdracht ambtshalve gereduceerd. Voor deze regeling wordt een opdracht van meer dan 70% als een voltijdse opdracht beschouwd. De wetgeving voorziet het onderwijzend personeel van minstens negen vakantieweken. De vakantieregeling wordt vastgelegd door het hogeschoolbestuur.
8.2.12.3. Academisch personeel in universiteiten
●
●
Elk lid van het personeel heeft een individuele functiebeschrijving die voor voltijdse personeelsleden bestaat uit onderwijs-, onderzoeks- en dienstverleningstaken. Voltijdse personeelsleden mogen bijkomend andere functies vervullen als die niet meer dan twee halve dagen per week beslaan en als het universiteitsbestuur daarmee instemt. Als de nevenactiviteiten een te groot deel van de tijd in beslag nemen, wordt de voltijdse opdracht aan de universiteit ambtshalve gereduceerd. De vakantieregeling wordt vastgelegd door het universiteitsbestuur.
Personeel / 378
8.2.13. Bevordering We behandelen achtereenvolgens: 8.2.13.1. basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs 8.2.13.2. hoger onderwijs 8.2.13.3. universiteiten
8.2.13.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwis
Het onderwijs kent voor leerkrachten slechts in beperkte mate bevorderingsmogelijkheden, zodat de loopbaan van een leerkracht hoofdzakelijk een vlakke loopbaan is. Bevordering is mogelijk via een aanstelling in een selectie- of bevorderingsambt. ●
●
●
Selectieambten zijn het ambt van adjunct-directeur, technisch adviseur en coördinator voor het secundair onderwijs en adjunct-directeur en technisch adviseur voor het volwassenenonderwijs. Bevorderingsambten zijn het ambt van directeur BaO, basisonderwijs directeur secundair onderwijs, directeur volwassenenonderwijs, directeur deeltijds kunstonderwijs en technisch adviseur-coördinator in het secundair onderwijs en het volwassenenonderwijs. Daarnaast zijn er nog een aantal functies in beide onderwijsniveaus die als een bevordering kunnen worden beschouwd. Het gaat om de functies van directeur-coördinatie scholengemeenschap basisonderwijs, stafmedewerker scholengemeenschap basisonderwijs, coördinerend directeur van een scholengemeenschap secundair onderwijs en algemeen directeur van een scholengroep in het GO! of van een inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs.
Om de vlakke loopbaan in enige mate te doorbreken en leerkrachten beter aan te spreken op hun specifieke competenties en interesses werd in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs functie- en taakdifferentiatie ingevoerd (o.m. graadcoördinatie, mentorschap). Sinds 2008 wordt daar jaarlijks 13 miljoen euro in geïnvesteerd.
8.2.13.2. Onderwijzend personeel in hogescholen
De betrekking van werkleider kan enkel worden ingenomen door promotie of verschuiving van betrekkingen. Anciënniteit vormt in combinatie met nuttige professionele ervaring het criterium voor de betrekkingen van hoofdpraktijklector, hoofdlector, werkleider, hoofddocent en hoogleraar. In het geval van interne toewijzing moeten kandidaten minstens twee jaar anciënniteit hebben als praktijklector om hoofdpraktlijklector te worden. Bij externe werving als hoofdpraktijklector of hoofdlector moet de kandidaat tenminste vier jaar nuttige beroepservaring buiten de hogeschool of twee jaar dienstanciënniteit als praktijklector of lector in een andere hogeschool kunnen voorleggen.
Personeel / 379
In het geval van externe werving tot hoofddocent moeten kandidaten minstens vier jaar nuttige beroepservaring buiten de hogeschool of minstens twee jaar anciĂŤnniteit als docent aan een andere hogeschool of universiteit kunnen voorleggen. De promotie naar gewoon hoogleraar vereist het volgende: ten eerste moet de hogeschool actief betrokken zijn bij onderzoek in samenwerking met een universiteit in het onderzoeksveld van de vacante betrekking; ten tweede moeten de kandidaten docent, hoofddocent of hoogleraar zijn geweest voor zes jaar aan een hogeschool of een universiteit en tijdens die periode verantwoordelijk geweest zijn voor kwalitatief hoogstaand onderzoek. De bekwaamheid van de kandidaten binnen een bepaald onderzoeksveld wordt beoordeeld door een 'jury' of commissie van drie gewone hoogleraren van verschillende universiteiten.
8.2.13.3. Academisch personeel in universiteiten
Het academisch vastbenoemd personeel begint haast altijd zijn/haar universitaire loopbaan als docent. Inzake de promotie tot zelfstandig academisch personeel (ZAP) evalueren evaluatiecommissies op departements- en/of faculteitsniveau de kandidaturen voor promoties. Naast het diploma spelen andere criteria mee voor promotie. Zij die het mandaat van docent beogen, moeten op basis van voordien geleverde prestaties, beantwoorden aan de verwachting dat men degelijk wetenschappelijk onderzoek en onderwijs verricht en verstrekt. De kandidaat voor hoofddocent moet bewezen hebben dat men degelijk wetenschappelijk onderzoek en onderwijs verricht en verstrekt. Indicaties van het wetenschappelijk onderzoek vormen bv. publicaties, deelname aan congressen, het lidmaatschap van redactieraden,... Zij die promoveren naar het ambt van hoogleraar worden verondersteld een creatieve en productieve onderzoeker te zijn (ook leiding geven aan onderzoek en verwerven van onderzoeksgelden), alsook een lesgever met didactische kwaliteiten en een brede onderwijservaring. Docenten in het tenure track systeem worden aangesteld voor een termijn van vijf jaar. Als het universiteitsbestuur aan het einde van die termijn de prestaties gunstig beoordeelt, wordt het personeelslid zonder nieuwe vacature benoemd in de graad van hoofddocent. De evaluatie wordt grondig gemotiveerd op basis van de academische verdiensten van de docent in het tenure track stelsel. De kandidaat voor gewone of buitengewone hoogleraar moet een uitstekend onderzoeker zijn die nationale of internationale erkenning geniet in zijn vakgebied. Als pedagoog wordt van hem/haar verwacht over de nodige didactische vaardigheden te beschikken, alsook een brede onderwijservaring en leiderskwaliteiten. De Vlaamse Regering heeft de verantwoordelijkheid voor het bepalen van de anciĂŤnniteitsvereisten voor de benoeming in een bepaalde ZAP-rang aan de universiteiten gelaten. Het universiteitendecreet van 12 juni 1991 schrijft ook voor dat bij de vaststelling van de personeelsformatie en de begrote jaarlijkse bezettingsgraad het aantal betrekkingen van het zelfstandig academisch personeel, uitgedrukt in voltijdse eenheden, ten hoogste 70 percent van het totaal aantal plaatsen in de formatie van het academisch personeel mogen bedragen. Zo lang dit aantal is overschreden, mag geen enkele benoeming of aanstelling in de desbetreffende personeelscategorie worden gedaan.
Personeel / 380
8.2.14. Beroepsmobiliteit We behandelen achtereenvolgens: ● ● ●
basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs (zie 8.2.14.1.) hoger onderwijs (zie 8.2.14.2.) universiteiten (zie 8.2.14.3.)
8.2.14.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs
De mobiliteit tussen het onderwijs en de andere sectoren is traditioneel erg beperkt. De nieuwe lerarenopleiding verbetert de opleiding van de zgn. zij-instromers (mensen met beroepservaring in andere sectoren), maar maakt ze ook zwaarder (zie 8.1.). Er zijn beperkte detacheringsmogelijkheden voor leerkrachten. Ook de mobiliteit tussen scholen is bij vastbenoemden eerder beperkt.
8.2.14.2. Onderwijzend personeel in hogescholen
Horizontale beroepsmobiliteit in hogescholen is eerder beperkt, wat hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de individuele band tussen het personeelslid en de hogeschool. Gewoonlijk wordt het personeelslid benoemd aan één bepaalde hogeschool en die benoeming kan niet worden overgedragen naar een andere hogeschool. Hogescholen kunnen met één of meer instellingen van hoger onderwijs of derden een overeenkomst sluiten waarbij een personeelslid met zijn instemming of op zijn verzoek belast wordt met een opdracht aan de andere onderwijsinstellingen of derden. Het betrokken personeelslid blijft gedurende de opdracht juridisch en administratief tot zijn hogeschool behoren (art. 95 decreet van 4 april 2003).
8.2.14.3. Academisch personeel in universiteiten
Horizontale beroepsmobiliteit aan de universiteiten is eerder beperkt. Universiteiten kunnen met één of meer instellingen van hoger onderwijs of derden een overeenkomst sluiten waarbij een personeelslid met zijn/haar instemming of op zijn/haar verzoek belast wordt met een opdracht aan de andere onderwijsinstellingen of derden. Het betrokken personeelslid blijft gedurende de opdracht juridisch en administratief tot zijn/haar universiteit behoren. (Idem art. 95) Een lid van het zelfstandig academisch personeel kan voor maximaal twee jaar tijdens zijn carrière een sabbatsverlof nemen voor herbronning. Het kan daarnaast ook een gehele of gedeeltelijke onderbreking van de ambtsvervulling nemen voor een gastprofessoraat of het bezetten van een leerstoel aan een buitenlandse universiteit of voor het vervullen van wetenschappelijke opdrachten buiten een Vlaamse universiteit. Een lid van het assisterend academisch personeel kan mits toestemming van het universiteitsbestuur de ambtsvervulling onderbreken voor het vervullen van bezoldigde wetenschappelijke opdrachten. De totale duur van de onderbreking is maximaal twee jaar als de wetenschappelijke opdrachten volledig kaderen in het onderzoeksopzet van het doctoraatsonderzoek. Is dat niet het geval, dan is de maximale termijn één jaar.
Personeel / 381
8.2.15. Ontslag We behandelen achtereenvolgens: ● ● ●
basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs (zie 8.2.15.1.) hoger onderwijs (zie 8.2.15.2.) universiteiten (zie 8.2.15.3.)
8.2.15.1. Leerkrachten basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs
Een tijdelijk personeelslid kan zijn/haar ambt vrijwillig neerleggen, mits een opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen in acht wordt genomen (15 dagen in geval van tijdelijke aanstelling van doorlopende duur). De directeur (GO!) of inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs) kan evenwel akkoord gaan met een kortere opzeggingstermijn. Ook vastbenoemde personeelsleden kunnen hun job vrijwillig verlaten. In dat geval geldt een opzeggingstermijn van minstens 15 kalenderdagen, tenzij met de inrichtende macht een andere termijn wordt overeengekomen. De directeur (GO!) of inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs) kan een personeelslid met tijdelijke aanstelling van bepaalde duur ook om dringende redenen ontslaan, zonder vooropzeg. Daaronder is de ernstige tekortkoming begrepen die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Zowel tijdelijke, als vastbenoemde personeelsleden kunnen ook ambtshalve en zonder vooropzeg uit hun ambt worden ontslagen. Dit is bijvoorbeeld het geval indien zij na een geoorloofde afwezigheid, zonder geldige reden, hun dienst niet hervatten, behoudens overmacht, en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijven. Vastbenoemde leerkrachten en leerkrachten met tijdelijke aanstelling van doorlopende duur kunnen ten gevolge van een tuchtmaatregel worden ontslagen of worden afgezet. Bij het ontslag (GO!) en de afdanking (gesubsidieerd onderwijs) wordt het vastbenoemd personeelslid definitief verwijderd uit zijn/haar ambt. Daarbij wordt een opzeggingstermijn gerespecteerd, afhankelijk van het aantal arbeidsdagen die vereist zijn om aanspraak te kunnen maken op een werkloosheidsuitkering. De afzetting houdt in dat het personeelslid niet alleen wordt ontslagen, maar daarnaast ook zijn verworven pensioenrechten verliest. Dit personeelslid kan dus geen beroep doen op een pensioen zoals dit voor het onderwijzend personeel is vastgelegd (zie 8.2.16.). Er zijn echter ook andere sancties decretaal vastgelegd voor vastbenoemden en personeelsleden met tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals: ● ● ● ● ● ●
een blaam afhouding van het salaris schorsing bij tuchtmaatregel terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel terugkeer tot de tijdelijke aanstelling terugzetting in rang.
Naast de tuchtmaatregelen kan ook de evaluatie (zie 8.2.9.1.) een reden tot ontslag zijn en dit als een personeelslid tijdens zijn onderwijsloopbaan een of meerdere keren een evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' krijgt.
Personeel / 382
In het kader van evaluatie volgt ontslag voor een vastbenoemde leerkracht of een tijdelijke leerkracht die voor doorlopende duur is aangesteld als hij/zij twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie 'onvoldoende' krijgt of in zijn loopbaan drie keer een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' krijgt. Voor een tijdelijke leerkracht (niet TADD) volgt ontslag als hij/zij een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' krijgt.
8.2.15.2. Onderwijzend personeel in hogescholen
Onder normale omstandigheden kunnen personeelsleden worden ontslagen met een opzegperiode van drie maanden voor elke dienstperiode van vijf jaar (een pas nieuw begonnen periode van vijf jaar wordt beschouwd als een volledige periode). Een personeelslid kan worden ontslagen (zonder een opzegperiode) als gevolg van een tuchtmaatregel of wanneer hij/zij twee opeenvolgende jaren een negatieve evaluatie heeft gekregen of vijfmaal in zijn/haar carrière aan de hogeschool. De onderwijsbevoegdheid godsdienst of niet-confessionele zedenleer van personeelsleden belast met de lesopdracht godsdienst of niet-confessionele zedenleer eindigt van rechtswege vanaf het ogenblik dat de bevoegde instantie van de betrokken levensbeschouwing daartoe beslist. Deze beslissing moet uitdrukkelijk gemotiveerd zijn (Decreet betreffende Onderwijs X). Een vastbenoemd personeelslid kan op eigen initiatief zijn betrekking verlaten, waarbij een opzegtermijn van minstens 60 dagen moet worden gerespecteerd. Tijdelijk benoemden moeten een opzegtermijn respecteren van 30 dagen. Bij ontslag wegens dringende redenen (bv. fraude) is er geen opzegtermijn van toepassing.
8.2.15.3. Academisch personeel in universiteiten
Het universiteitsbestuur kan een personeelslid ontslaan indien het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties ''onvoldoende'' is of driemaal ''onvoldoende'' in de loop van de beroepscarrière. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan evenwel geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn (Decreet betreffende Onderwijs X).
8.2.16. Pensioenregeling De pensioenregeling voor het onderwijzend personeel is een federale (Belgische) bevoegdheid. De regeling is identiek voor alle onderwijsniveaus, maar zeer ingewikkeld. Voor het recht op een rustpensioen wordt een onderscheid gemaakt tussen het zgn. organiek stelsel (voor alle personeelsleden die niet in dienst waren op 31/12/1960), en het overgangsstelsel voor hen die toen wel al in dienst waren. Binnen het organiek stelsel is de pensioenleeftijd 60 jaar en het aantal
Personeel / 383
vereiste dienstjaren 5 jaar. Binnen het overgangsstelsel verschilden die minima naargelang het onderwijsniveau en net (zo gold bv. leeftijd 50 jaar met 30 jaar dienst in het stedelijk onderwijs). Vanaf 55 jaar konden personen met minstens 20 jaar dienst die nog niet pensioengerechtigd waren een TBS terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen aanvragen, een onomkeerbaar prepensioen in afwachting van het pensioen op 60 jaar. Tijdens de duur van de TBS heeft het personeelslid recht op wachtgeld(toelage). Gezien het lerarentekort werd die uitstapleeftijd vanaf 1 september 2002 opgetrokken tot 58 jaar, behalve voor kleuteronderwijzers en kleuteronderwijzers algemene en sociale vorming, waarvoor de uitstapleeftijd op 56 jaar werd gebracht. Er gelden ook overgangsbepalingen. Wie ten laatste op 31/8/2002 55 jaar wordt behoudt de vroegere regeling maar met nog slechts 3 vaste uitstapdata per jaar. Zij die geboren zijn tussen 31/8/1947 en 1/9/1954 kunnen een aantal maanden een extra TBS krijgen (de zgn. "bonus") om toch voor de nieuwe uitstapdatum volledig of gedeeltelijk uit te stappen (zie Omzendbrief PERS/2002/03). Het pensioenbedrag is gebaseerd op het aantal jaren dienst en het gemiddelde salaris van de laatste 5 dienstjaren. Weinig leerkrachten werken tot en met de pensioengerechtigde leeftijd. De meesten maken gebruik van de vervroegde uitstapregeling. Heel wat expertise vloeit weg uit het onderwijs vanaf de leeftijd van 55 à 56 jaar. In het kader van enerzijds het lerarentekort en anderzijds het generatiepact zal het in de toekomst belangrijk zijn om oudere leerkrachten aan te moedigen om langer te werken. Hierover is in 2009 een OBPWO-onderzoek gestart (zie 9.6.).
8.3. Ondersteunend & managementpersoneel Op niveau van de scholen werd in 2005 een personeelcategorie 'beleids- en ondersteunend personeel' ingevoerd met als ambten: ● ● ●
administratief medewerker ICT-coördinator Zorgcoördinator.
Vanaf 1 september 2005 kunnen ook op het niveau van de scholengemeenschappen een betrekking van directeur-coördinatie scholengemeenschap en van stafmedewerker scholengemeenschap worden ingericht. Dit zijn functies waarin slechts een tijdelijke aanstelling mogelijk is. Het personeelslid wordt klas- en schoolvrij gemaakt. Die ondersteuning gebeurt door aanwending van puntenenveloppes (2.6.4.1.3.). Hier behandelen we de ambten van directeur en adjunct-directeur en de mandaten voor directeur, algemeen directeur (scholengroep/ inrichtende macht), coördinerend directeur (scholengemeenschap SO), directeur-coördinatie scholengemeenschap basisonderwijs. Deze personeelsleden worden aangesteld en benoemd door de inrichtende machten. Voor de bevoegdheden inzake het bestuur en beheer van de onderwijsinstellingen op schoolniveau (zie 2.6.4.1.). Voor de functies op niveau van de scholengemeenschappen (zie 2.6.4.2.).
8.3.1. Aanstellingsvoorwaarden voor het directeursambt Directeur en adjunct-directeur
Personeel / 384
Binnen de categorie bestuurs- en onderwijzend personeel is het ambt van directeur een bevorderingsambt, het ambt van adjunct-directeur een selectieambt. In de CDO, Centra voor Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs (zie 5.20.1.1.) heeft een autonoom CDO recht op één directeur (= bevorderingsambt), een niet-autonoom CDO krijgt één betrekking van coördinator (= selectieambt). In het GO! bestaat er voor de selectie- en bevorderingsambten een proeftijd van 12 maanden, die eenmaal met 12 maanden kan worden verlengd. Tijdens deze periode moet het personeelslid effectief presteren in het ambt waarin het tot de proeftijd toegelaten is. Het personeelslid moet voor de toelating tot de proeftijd: ● ● ● ● ●
houder zijn van het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, tijdens de laatste evaluatie of evaluatie geen ''onvoldoende'' hebben bekomen, voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden (zie 8.2.5.1.), beschikken over de vereiste bekwaamheden voor het ambt (vastgelegd door de raad voor het GO!) en getest in een proef, zich kandidaat gesteld hebben bij de raad van bestuur.
Na het beëindigen van de proeftijd met gunstig advies wordt het personeelslid door de raad van bestuur in vast verband benoemd. In het gesubsidieerd onderwijs bestaat de verplichte proeftijd niet. Het personeelslid wordt vastbenoemd in het selectie- of bevorderingsambt indien hij/zij houder is van het vereiste of voldoende geachte bekwaamheidsbewijs, als de laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie ''onvoldoende'' heeft opgeleverd, en als de kandidaat voldoet aan de algemene wervingsvoorwaarden (zie 8.2.5.1.). Een vaste benoeming is enkel mogelijk in hoofdambt. Sinds 1 september 2002 kan een volledige betrekking echter worden toegekend aan één of twee personeelsleden, die elk met een halve betrekking worden belast. Naast een vaste benoeming in het ambt van directeur is het ook mogelijk dat een vastbenoemd personeelslid (gesubsidieerd onderwijs) of personeelslid (GO!) wordt aangesteld als waarnemend (adjunct-)directeur. Het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs bepaalt dat het ambt van directeur bij mandaat zal moeten worden toegewezen. De modaliteiten zijn vastgelegd in het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs. Gelijkaardige bepalingen zijn opgenomen in het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs. De ingangsdatum die bepaald was op 1 september 2000 is ondertussen uitgesteld, behalve voor de centra voor leerlingenbegeleiding. In deze centra wordt vanaf 1 september 2000 elke nieuwe directeur – met uitzondering van de permanente ondersteuningscel – aangesteld met een mandaat. Het mandaat geldt voor onbepaalde duur en zowel het personeelslid als de inrichtende macht resp. raad van bestuur kunnen er een einde aan stellen. Het personeelslid neemt na het mandaat zijn vorige ambt weer op. Het personeelslid en de inrichtende macht kunnen wel een mutatie of een nieuwe affectatie (gesubsidieerd vrij onderwijs) overeenkomen. Wanneer het mandaat beëindigd wordt ingevolge een evaluatie 'onvoldoende' dan neemt het personeelslid eveneens zijn vorig ambt weer op. Algemeen directeur (ALDI)
Het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998 bepaalt dat de scholengroepen bestuurd worden door een algemene vergadering, een raad van bestuur, een college van directeurs en een algemeen directeur. Het mandaat van die algemeen directeur wordt toegewezen door de raad van bestuur en bekrachtigd door de algemene vergadering. Alleen directeurs van scholen van de scholengroep komen voor dit mandaat in aanmerking. Het mandaat wordt toegekend voor onbepaalde duur en kan op elk ogenblik op gemotiveerde wijze beëindigd worden. De algemeen directeur ontvangt een niet-verworven salarisschaal.
Personeel / 385
In het gesubsidieerd onderwijs kan de inrichtende macht een directeur van een instelling belasten met de taak van algemeen directeur van de totaliteit van haar instellingen. De algemeen directeur ontvangt een niet-verworven salarisschaal. Ook het ambt van algemeen directeur in een hogeschool kan uitsluitend bij mandaat toegewezen worden. Coördinerend directeur (CODI)
Zowel in het gemeenschaps- als het gesubsidieerd secundair onderwijs kan een directeur van een instelling van een scholengemeenschap voltijds (of met twee elk halftijds) bij mandaat aangesteld worden tot coördinerend directeur, belast met taken voor de totaliteit van de instellingen die deel uitmaken van de scholengemeenschap. Ook de coördinerend directeur ontvangt een niet-verworven salarisschaal (niet cumuleerbaar met deze van algemeen directeur). De coördinerend directeurs kunnen indien gewenst voltijds ingezet worden en kunnen dus schoolvrij gemaakt worden. Directeur-coördinatie scholengemeenschap basisonderwijs
Vanaf 1 september 2005 kan op het niveau van de scholengemeenschap BaO, basisonderwijs een directeur-coördinatie scholengemeenschap worden aangesteld. De directeur-coördinatie is geen afzonderlijk ambt maar een functie die wordt uitgeoefend in het onderliggend ambt van directeur. Per scholengemeenschap kunnen maximaal twee halftijdse of één voltijdse functie(s) worden ingericht. Dit personeelslid wordt klas- en schoolvrij aangesteld ter ondersteuning van de scholengemeenschap. Vaste benoeming is niet mogelijk. Het personeelslid ontvangt geen bijkomende vergoeding.
8.3.2. Arbeidsvoorwaarden Voor de arbeidsvoorwaarden van de directeur en de adjunct-directeur (ambten die ressorteren onder de categorie van het niet-onderwijzend personeel) verwijzen we naar deze van het onderwijzend personeel (zie 8.2.). Inzake de evaluatieprocedure is er een verschil met het onderwijzend personeel (zie 8.2.9.1.), in die zin dat de (adjunct-)directeur wordt geëvalueerd door de raad van bestuur (GO!) of de inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs).
8.4. Inspectie Het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs wijzigde ingrijpend de rechtspositie van de onderwijsinspectie. De ambten die de leden van de inspectie kunnen uitoefenen zijn: ● ● ●
inspecteur coördinerend inspecteur inspecteur-generaal.
De vroegere adviseurs en navorsers van de vroegere Entiteit Curriculum (aanvankelijk de Dienst voor Onderwijsontwikkeling (zie 9.1.) zijn voortaan inspecteur, de directeur voortaan coördinerend inspecteur. Zij worden vanuit de inspectie gedetacheerd naar het Agentschap voor kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (zie 9.3.2.). De inspectiedienst bekleedt een aparte plaats binnen het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, in directe relatie met het Agentschap voor kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming. Personeel / 386
Aanwervingsvoorwaarden
Om tot de onderwijsinspectie te worden toegelaten dient men te behoren tot één van de volgende categorieën personeelsleden: ● ● ● ●
de personeelsleden die vallen onder de decreten van 27 maart 1991 (die het statuut regelen). het zelfstandig en het assisterend academisch personeel van de universiteiten; het onderwijzend personeel van de hogescholen; de leraars basiseducatie, de stafmedewerkers en de directeurs in een centrum voor basiseducatie en de educatieve personeelsleden tewerkgesteld in het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs. Die personeelsleden dienen ten minste 8 jaar dienstanciënniteit te hebben. Daarnaast kan iemand zich ook kandidaat stellen als hij ten minste acht jaar relevante ervaring heeft in of met het onderwijs of de basiseducatie, aangevuld met ervaring in kwaliteitszorg en evaluatie in educatieve sectoren. De algemene toelatingsvoorwaarden tot kandidaatstelling voor een ambt bij de inspectie zijn: ● ● ● ● ●
onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie (behoudens een vrijstelling door de Vlaamse Regering); van onberispelijk gedrag zijn; de burgerlijke en politieke rechten genieten (behoudens een vrijstelling door de Vlaamse Regering); voldoen aan de dienstplichtwetten; voldoen aan de taalvereisten (niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen).
De kandidaat dient voor de test van de generieke competenties een dossier in te dienen met een curriculum vitae en een competentieportfolio. Selectieprocedure
De selectie bestaat uit twee fasen: 1) een test van de generieke competenties door Jobpunt Vlaanderen; de geslaagde kandidaten blijven 6 j. opgenomen in de algemene wervingsreserve; 2) het interview, eventueel aangevuld met bijkomende testen waarbij specifieke competenties worden getest die nodig zijn voor de concrete functie. Deze worden afgenomen door een selectiecommissie die bestaat uit inspectieleden en externe deskundigen. Zij stellen een lijst op van de geslaagde kandidaten in volgorde van de mate waarin de kandidaten beantwoorden aan het vereiste functieprofiel. Die volgorde is dwingend. De schriftelijke oproep voor de tweede fase geeft aan of het gaat om een toelating tot de proeftijd, een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur of een tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur. Geslaagde kandidaten die niet tot de proeftijd worden toegelaten, worden gedurende 4 jaar opgenomen in een specifieke wervingsreserve gebaseerd op het desbetreffende concrete functieprofiel. Proeftijd
De proeftijd omvat één volledig en effectief te presteren jaar. De evaluatie leidt tot een benoeming in vast verband of ontslag of eenmalige verlenging van de proeftijd met maximaal één jaar. Tegen het gemotiveerd voorstel tot ontslag is beroep mogelijk.
Coördinerend inspecteur en inspecteur-generaal Aanwervingsvoorwaarden
●
vastbenoemd inspecteur zijn (voor coördinerend inspecteur), inspecteur of coördinerend inspecteur (voor inspecteur-generaal); in afwijking hiervan kan het ambt ook bij mandaat Personeel / 387
worden toegewezen aan een kandidaat extern aan de inspectie, die voldoet aan de volgende voorwaarden:
○ gedurende ten minste 5 j. (voor coördinerend inspecteur) of 10 j. (voor inspecteurgeneraal) een leidinggevende functie hebben uitgeoefend;
○ ten minste 8 j. (voor coördinerend inspecteur) of 15 j. (voor inspecteur-generaal) relevante ervaring hebben in of met het onderwijs;
○ voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden voor inspecteur; ● ● ●
ten minste 3 jaar dienstanciënniteit in het ambt van inspecteur; geen definitieve eindevaluatie met eindconclusie onvoldoende in het ambt van inspecteur gekregen hebben; zich kandidaat hebben gesteld zoals bepaald in de vacature.
De selectieprocedure in twee fasen is analoog aan deze voor inspecteur. Mandaat
De aanstelling in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal wordt toegewezen bij mandaat voor een duur van 4 jaar. 3 maanden voor het einde van het mandaat vindt een algemene eindevaluatie plaats. Als die niet resulteert in een eindconclusie onvoldoende, wordt het mandaat vernieuwd voor 4 jaar. Tegen de eindconclusie onvoldoende is beroep mogelijk. Een personeelslid dat belast is met een mandaat kan, zonder opzegging, om dringende redenen (ernstige tekortkoming die het voortduren van het mandaat onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt) worden ontslagen. Dit binnen de 3 dagen nadat de tekortkoming bekend is geworden. Daartegen is beroep mogelijk. De inspecteur-generaal wordt geëvalueerd zoals de titularissen van een management- of projectleiderfunctie op N-niveau bij de diensten van de Vlaamse overheid. Vaste benoeming
Een personeelslid dat belast is met een mandaat of tijdelijk is aangesteld voor (on)bepaalde duur kan op eigen verzoek vast worden benoemd in het ambt mits de leeftijd van 55 jaar bereikt is, het mandaat ten minste 4 jaar is uitgeoefend en geen definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' werd gekregen. Tijdelijke aanstelling
Een personeelslid kan tijdelijk worden aangesteld voor (on)bepaalde duur via de hogergenoemde selectieprocedure. In het eerste jaar van de tijdelijke aanstelling van (on)bepaalde duur in het ambt van inspecteur volgt het tijdelijk personeelslid een opleidingsprogramma, indien het voor de tijdelijke aanstelling van (on)bepaalde duur nog niet was aangesteld bij de inspectie. Een aanstelling van bepaalde duur heeft een minimale duur van een jaar. De tijdelijke aanstelling die volgt op twee aaneensluitende tijdelijke aanstellingen van bepaalde duur is een tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur. De aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur kan zonder opzegging beëindigd worden om dringende redenen of als het personeelslid een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen. Daartegen is beroep mogelijk. De aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde duur kan zonder opzegging beëindigd worden als het personeelslid gedurende twee opeenvolgende evaluaties of drie Personeel / 388
keer tijdens de loopbaan in hetzelfde ambt bij de inspectie een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen, of als het personeelslid ontslagen wordt na een tuchtmaatregel. Daartegen is beroep mogelijk. Ook in het ambt van coördinerend inspecteur en inspecteur-generaal is tijdelijke aanstelling van bepaalde duur mogelijk. Functiebeschrijving
Een functiebeschrijving wordt opgesteld op basis van een functieprofiel en bevat twee delen, namelijk: de permanente opdracht en de periodegebonden doelstellingen. De permanente opdracht bestaat uit de volgende twee delen : ● ●
de resultaatgebieden : de taken die het personeelslid tot een goed einde moet brengen; de competenties.
De functiebeschrijving kan worden aangepast : ● ● ●
bij een substantiële wijziging van de opdracht; na afspraken die de eerste evaluator en het personeelslid maken tijdens een functioneringsgesprek; bij de aanvang van een nieuwe evaluatieperiode.
Elke functiebeschrijving of wijziging wordt opgemaakt in onderling overleg tussen de eerste evaluator en het betrokken personeelslid. Als geen consensus bereikt kan worden, ligt de beslissing bij de inspecteur-generaal, indien het om de functiebeschrijving van een inspecteur gaat. In het geval van de coördinerend inspecteur en de inspecteur-generaal ligt de beslissing, als er geen consensus kan bereikt worden, bij de minister bevoegd voor onderwijs. De evaluatoren
1e evaluator 2e evaluator
Voor inspecteur Een coördinerend inspecteur De inspecteur-generaal of een ander coördinerend inspecteur
Voor coördinerend inspecteur De inspecteur-generaal De minister bevoegd voor onderwijs
De 1e evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid te coachen bij zijn functioneren. Het houden van functioneringsgesprekken is een onderdeel van die taak. De 2e evaluator is tijdens het volledige proces belast met de kwaliteitsbewaking. De evaluatie is het beoordelen van het functioneren van een personeelslid op basis van de functiebeschrijving en is de appreciatie van het totale functioneren van het betrokken personeelslid. In de loop van de evaluatieperiode kan de geëvalueerde bij zijn evaluatoren terecht voor opvolging en ondersteuning om de verwachte resultaten te behalen. Een opleiding tot evaluator is verplicht voor alle leden van de inspectie die met evaluatie belast zijn. Alleen de evaluaties, opgemaakt door personeelsleden die de opleiding hebben gevolgd, zijn geldig. De evaluatoren worden geëvalueerd op de kwaliteit van de evaluaties die ze opmaken. Met het oog op de evaluatie wordt er een evaluatiegesprek gehouden tussen de eerste evaluator en het betrokken personeelslid. Het evaluatiegesprek heeft als eerste doel het functioneren van het personeelslid te verbeteren waar dat nodig is, en het te ondersteunen. Het is niet louter op het verleden gericht. Na het gesprek moeten niet alleen de goede en sterke punten, maar ook de eventueel te verbeteren punten van het personeelslid duidelijk zijn. Het evaluatiegesprek kan bijgevolg aanleiding geven tot bijsturingen in de toekomst en kan leiden tot nieuwe, duidelijke afspraken. Het
Personeel / 389
evaluatiegesprek leidt altijd tot een evaluatieverslag. Als het evaluatieverslag de eindconclusie onvoldoende bevat, moet het, op straffe van nietigheid, altijd de beroepsmogelijkheden bevatten. Ontslag
Het vastbenoemde lid van de inspectie en het tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor onbepaalde duur wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid als hij gedurende twee opeenvolgende evaluaties of drie keer tijdens zijn loopbaan in hetzelfde ambt bij de inspectie de definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen. Het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur wordt ontslagen als hij één definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen. Het ontslag wordt uitgesproken door de Vlaamse Regering.
8.5. Personeel verantwoordelijk voor begeleiding We behandelen hier het personeel van de PDB, pedagogische begeleidingsdiensten en dat van de CLB's. centra voor leerlingenbegeleiding. Beide categorieën ressorteren onder de noemer 'nietonderwijzend personeel'. De personeelsleden worden aangesteld en benoemd door de inrichtende machten.
8.5.1. PBD, pedagogische begeleidingsdiensten De rechtspositie van het personeel van de PBD, pedagogische begeleidingsdiensten wordt geregeld door de decreten van 27 maart 1991 voor het personeel van het onderwijs (zie 8.2.3.1.). In de pedagogische begeleidingsdiensten (zie 9.3.3. voor hun opdracht en werking) bestaan de (bevorderings)ambten van pedagogisch adviseur en pedagogisch adviseur-coördinator (het hoofd van een pedagogische begeleidingsdienst). Deze ambten kunnen halftijds of voltijds worden uitgeoefend. De toelatingsvoorwaarden tot een ambt binnen de pedagogische begeleidingsdienst van het gesubsidieerd onderwijs verschillen licht van deze van het GO!. Algemeen kunnen we echter stellen dat de kandidaat minstens 10 jaar dienstanciënniteit dient te hebben om in aanmerking te komen voor een tijdelijke aanstelling of vaste benoeming. De Vlaamse Regering kan ook steeds bijkomende diplomavereisten bepalen (Decreet van 17 juli 1991). Een begeleidingsopdracht kan ook worden toegekend aan onderwijzend personeel d.m.v. verlof wegens bijzondere opdracht.
8.5.2. CLB, centra voor leerlingenbegeleiding De rechtspositie van het personeel van de CLB, centra voor leerlingenbegeleiding wordt geregeld door de decreten van 27 maart 1991 voor het personeel van het onderwijs (zie 8.2.3.1.). Het personeel van een CLB (zie 4.15.2. voor hun opdracht en werking) bestaat uit een aantal vaste ambten, gaande van directeur, over arts, consulent, psycho-pedagogisch werker, maatschappelijk werker, administratief werker, paramedisch werker, psycho-pedagogisch werker tot medewerker.
Personeel / 390
Het ambt van directeur is een bevorderingsambt. Sinds 1 september 2000 wordt elke nieuwe directeur van een CLB – met uitzondering van de permanente ondersteuningscel – aangesteld met een mandaat. De administratieve werkers en de medewerkers vormen het administratief personeel van een CLB, terwijl de overige ambten het technisch personeel van een CLB uitmaken. Voor de aanstelling en benoeming in de ambten van het CLB zijn bepaalde bekwaamheidsbewijzen vereist (BVR van 12 december 2003 en Omzendbrief CLB/2007/01). Personeelsleden van een CLB kunnen vastbenoemd worden. Het personeel van de centra is per definitie in verlof op dagen dat het centrum gesloten is (zie Omzendbrief CLB/2009/03). Daarnaast heeft het personeel recht op 21 extra werkdagen vakantie. Elk voltijds personeelslid in de centra voor leerlingenbegeleiding heeft ook recht op een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal vormingsdagen per schooljaar (Decreet van 1 december 1998, BVR van 19 september 2003 & Omzendbrief CLB/2005/04).
8.6. Overig personeel in het onderwijs Naast het bestuurs- en onderwijzend personeel bestaan er nog een aantal andere categorieën nietonderwijzend personeel in het Vlaamse onderwijssysteem ●
In het gewoon basisonderwijs:
○ beleids- en ondersteunend personeel (administratief medewerker, zorgcoördinator (zie 10.5.3.1.2.), ICT-coördinator),
○ paramedisch personeel (kinderverzorger). ●
In het buitengewoon basisonderwijs bovendien:
○ medisch personeel (arts), ○ orthopedagogisch personeel (orthopedagoog), ○ paramedisch personeel (ergotherapeut, kinderverzorger, kinesitherapeut, logopedist, verpleger),
○ psychologisch personeel (psycholoog), ○ sociaal personeel (maatschappelijk werker). ●
In het secundair onderwijs:
●
○ ondersteunend personeel (administratief medewerker, opvoeder). In het volwassenenonderwijs:
●
○ ondersteunend personeel (administratief medewerker). In het deeltijds kunstonderwijs: ○ administratief personeel (o.a. opsteller).
●
In het buitengewoon secundair onderwijs bovendien:
○ medisch personeel (arts), ○ orthopedagogisch personeel (orthopedagoog), ○ paramedisch personeel (ergotherapeut, kinderverzorger, kinesitherapeut, logopedist, verpleger),
○ psychologisch personeel (psycholoog), ○ sociaal personeel (maatschappelijk werker), ○ ondersteunend personeel (administratief medewerker, opvoeder). ●
In het hoger onderwijs:
○ administratief en technisch personeel, Personeel / 391
○ mandaten (algemeen directeur, departementshoofd, bibliothecaris).
8.7. Statistieken We behandelen achtereenvolgens de lerarenopleiding (zie 8.7.1.), het bestuurs- en onderwijzend personeel (zie 8.7.2.) en de salarissen (zie 8.7.3.).
8.7.1. Lerarenopleiding Aantal diploma´s in een lerarenopleiding, uitgereikt op het einde van het academiejaar
2006-2007
2007-2008
Professioneel gerichte bachelor en basisopleidingen van één cyclus - onderwijs: kleuteronderwijs
916
881
- onderwijs: lager onderwijs
1 526
1 285
- onderwijs: secundair onderwijs
1 931
1 753
Totaal
4 373
3 919
Bachelor na bachelor
635
749
Voortgezette lerarenopleiding
202
53
1 693
1 216
347
308
-
274
Totaal
2 877
2 600
Totaal lerarenopleidingen
7 250
6 519
Academische initiële lerarenopleiding (ailo universiteiten) Initiële lerarenopleidingen academisch niveau (ilo en iloan hogescholen) Specifieke lerarenopleiding
Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Personeel / 392
8.7.2. Bestuurs- en onderwijzend personeel
Bestuurs- en onderwijzend personeel per onderwijsniveau (exclusief UO); aantal budgettaire fulltime-equivalenten (inclusief alle vervangingen, TBS+ en Bonus) - januari 2009 (1) Vastbenoemden
Tijdelijken
Totaal
Mannen
Vrouwen
Mannen
Vrouwen
6 473
32 365
1 732
13 215
53 785
889
3 825
274
1 614
6 602
18 789
27 873
6 377
10 557
63 596
Buitengewoon secundair onderwijs
1 754
2 555
684
1 249
6 242
Hogescholenonderwijs
2 722
2 679
2 414
2 328
10 143
117
619
736
Gewoon basisonderwijs Buitengewoon basisonderwijs Gewoon secundair onderwijs
Basiseducatie Secundair volwassenenonderwijs Hoger beroepsonderwijs van het VWO Deeltijds kunstonderwijs Totaal
1 000
2 118
1 017
1 374
5 509
224
245
478
278
1 225
1 534
1 960
738
970
5 202
33 385
73 620
13 831
32 204
153 040
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009 Het aantal personeelsleden wordt uitgedrukt in aantal fysieke personen. Er wordt rekening gehouden met korte vervangingen van minder dan een jaar. Het aantal personeelsleden uitgedrukt in voltijdse eenheden is de som van alle deelopdrachten van alle personeelsleden (m.a.w. met inbegrip van vervangingen van minder dan een jaar).
Leeftijdsstructuur van het personeel in het basisonderwijs in januari 2009 leeftijd man 20-29 1 763 30-39 2 142 40-49 2 759 50-59 3 028 60+ 519 Totaal 10 211 55+ 1 946 Bron: Vlaams onderwijs in cijfers 2008-2009
vrouw 13 029 15 885 16 977 11 253 1 358 58 502 6 695
totaal 14 792 18 027 19 736 14 281 1 877 68 713 8 641
Leeftijdsstructuur van het personeel in het voltijds en deeltijds secundair onderwijs in januari 2009 leeftijd man 20-29 4 480 30-39 6 609 40-49 6 825 50-59 10 654 60+ 1 522 Totaal 30 090 55+ 7 098 Bron: Vlaams onderwijs in cijfers 2008-2009
vrouw 9 381 12 364 11 916 13 949 1 307 48 917 7 827
totaal 13 861 18 973 18 741 24 603 2 829 79 007 14 925
Personeel / 393
Vlaams Onderwijs in beeld 2008-2009
Personeel / 394
Bestuurs- en onderwijzend personeel hogescholenonderwijs - aantal budgettaire fulltimeequivalenten (inclusief alle vervangingen, TBS+ en Bonus) - januari 2009 Vastbenoemden Mannen
Vrouwen
2 464
2 210
Tijdelijken Totaal Mannen 4 674
1 458
Vrouwen 1 679
Totaal Totaal Mannen 3 137
3 922
Vrouwen
Totaal
3 889
7 811
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Personeel aan de universiteiten betaald ten laste van de werkingsuitkeringen (voltijdse eenheden op 1 februari 2009) Mannen
Vrouwen
Totaal
2.082,3
506,9
2 589,2
840,4
947,8
1 788,2
Administratief en technisch personeel (ATP)
1 825,7
2 136,8
3 962,5
Totaal
4 748,4
3 591,4
8 339,8
Zelfstandig academisch personeel (ZAP) Assisterend academisch personeel (AAP)
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
8.7.3. Bruto-jaarsalarissen (€)
Inspectie, entiteit Curriculum, Pedagogische BegeleidingsDienst, Centra voor Leerlingen Begeleiding
Barema's
Aanvang
Bij maximum aantal jaren salarisanciënniteit
Inspecteur BaO / inspecteur-adviseur BaO (levensbeschouwelijke vakken) / pedagogisch adviseur BaO
167
23 806,04
40 313,31
Inspecteur SO / DKO / CLB / VWO / pedagogisch adviseur SO / CLB - master - andere
541 354
30 825,29 27 240,26
49 081,70 42 546,95
Coördinerend inspecteur BaO
338
27 240,26
42 148,07
Coördinerend inspecteur SO - master - andere
544 505
35 726,27 30 960,23
52 312,35 49 835,45
Insp.-gen. BaO / SO & Dir. Entiteit Curriculum
531
43 041,33
60 263,12
Coördinerend insp.-gen.
532
45 594,36
62 816,42
Adviseur/navorser entiteit curriculum - doctor - Andere
544 514
35 726,27 30 825,29
52 312,35 48 047,08
Directeur CLB
511
28 556,22
45 778,01
De salarissen zijn bedragen in € aan 100 %, ze dienen vermenigvuldigd met coëfficiënt 1,4859 (index op 1/09/2009)
Personeel / 395
Onderwijzend personeel per niveau
Barema's
Aanvang
Bij maximum aantal jaren salarisanciënniteit
Kleuteronderwijs
141
17 347,42
30 212,35
Lager onderwijs (onderwijzer)
148
17 347,42
30 212,35
SO- groep 1 (regent)
301
17 347,42
30 212,35
SO - groep 2 (licentiaat/ geaggregeerde SO)
501
21 726,55
38 312,63
De salarissen zijn bedragen in € aan 100 %, ze dienen vermenigvuldigd met coëfficiënt 1,4859 (index op 1/09/2009)
Voltijds academisch personeel
Barema's
Aanvang
Bij maximum aantal jaren salarisanciënniteit
Hogeschool Praktijklector
316
22 498,03
35 362,96
Hoofdpraktijklector
348
23 405,66
38 313,47
Lector
502
24 177,08
40 763,16
Hoofdlector
509
26 695,63
43 281,71
Werkleider
509
26 695,63
43 281,71
Universiteit Assistent
502
23 468,58
39 716,10
Doctor-assistent
509
26 695,63
43 281,71
Docent
528
28 669,65
45 255,73
Hoofddocent
515
30 825,29
48 047,08
Hoogleraar
544
35 726,27
52 312,35
Gewoon hoogleraar
520
46 272,53
70 692,49
De salarissen zijn bedragen in € aan 100 %, ze dienen vermenigvuldigd met coëfficiënt 1,4859 (index op 1/09/2009) Bron : http://www.ond.vlaanderen.be/wedde/weddenschalen/overzicht.htm
Personeel / 396
9. Evaluatie van de onderwijsinstellingen en het onderwijssysteem ● ● ●
9.1. Historisch overzicht 9.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen 9.3. De verschillende instanties
○ 9.3.1. De onderwijsinspectie ○ 9.3.2. Het agentschap voor kwaliteitszorg in onderwijs en vorming ○ 9.3.3. De pedagogische begeleidingsdiensten en het VOCVO, Vlaams Ondersteuningscentrum voor het volwassenenonderwijs
○ 9.3.4.1. De inspectie van levensbeschouwelijke vakken ○ 9.3.4.2. De inspectie van steden en provincies ●
9.4. De evaluatieprocedures op de verschillende onderwijsniveaus
○ Interne evaluatie ○ Externe evaluatie ○ De accreditatie van opleidingen in het hoger onderwijs ● ●
9.5. De evaluatie van het onderwijssysteem 9.6. Het wetenschappelijk onderzoek betreffende de evaluatie
9.1. Historisch overzicht De controlebevoegdheid van de overheid over het onderwijssysteem, en haar gevolgen in het bijzonder, is steeds een heel delicaat punt geweest in de Belgische (en nu Vlaamse) onderwijswereld. De oorspronkelijke zin over de controle vanwege de overheid is expliciet afgewezen bij de voorbereiding van de eerste Belgische grondwet in 1830. Er werd uitdrukkelijk de nadruk gelegd op de keuzevrijheid voor de ouders enerzijds en de vrijheid van de inrichtende machten om de scholen te organiseren anderzijds. Daarom bouwden veel inrichtende machten en koepelorganisaties van de gesubsidieerde netten een eigen inspectie uit die tevens begeleidingstaken op zich namen. Dit, naast een rijksinspectie die o.m. de minimumleerplannen opstelde, de diploma's controleerde en het studiepeil naging. De inrichtende machten stelden de leerplannen op die door de minister werden goedgekeurd. De toepassing ervan werd gecontroleerd door de (rijks)inspectie. Deze inspecteurs deden ook klasbezoeken. Die leerplannen moesten analoog zijn aan de rijksleerplannen die als referentie fungeerden. Met de wet van 1971 op het VSO (vernieuwd secundair onderwijs) werden de leerplannen voor het secundair onderwijs door de inrichtende machten opgesteld en geadviseerd voor al of niet goedkeuring door de zogenaamde commissie artikel 8 van die wet. Het verlenen van autonomie aan het toenmalige rijksonderwijs en de creatie van een Autonome Raad voor het GO! vergde vanaf 1989 een hertekening van het onderwijsbeleid. De zorg voor de kwaliteit van het onderwijs werd ingrijpend gereorganiseerd door het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten.
Evaluatie / 397
●
●
●
● ● ●
Het systeem van evaluatie van individuele leraren door individuele (vak)inspecteurs via (doorgaans niet vooraf aangekondigde) klasbezoeken werd vervangen door een grondig voorbereide en geplande schooldoorlichting door een team van inspecteurs (zo nodig aangevuld met externe deskundigen). Tevens werd een scheiding doorgevoerd tussen controle en begeleiding. De inspectie legde zich voortaan toe op doorlichting, kwaliteitsbewaking en –verhoging en feedback. Voor de begeleiding van leerkrachten en ondersteuning van scholen werden nieuwe pedagogische begeleidingsdiensten opgericht. De inspectie werd een gemeenschapsinspectie die enkel zou werken in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap; de pedagogische begeleidingsdiensten zouden netgebonden worden uitgebouwd. De inspectie zou niet bevoegd zijn voor de gebruikte pedagogische methodes. De inspectie van de levensbeschouwelijke vakken werd buiten het decreet gehouden. De te controleren minimumverwachtingen van de gemeenschap dienden geconcretiseerd te worden in nieuw te ontwikkelen minimumlessenroosters, minimumleerplannen, eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Daartoe werd een Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO) opgericht.
De DVO, Dienst voor Onderwijsontwikkeling werd in 1991 opgericht als studiedienst bij de inspectie o.m. belast met het ontwikkelen van eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Door het decreet betreffende de lerarenopleiding en de nascholing van 16 april 1996 kreeg de DVO tevens de opdracht het beroepsprofiel en de basiscompetenties van elk leraarstype uit te werken. In 1999 werd de DVO een studiedienst van de minister en de Vlaamse Regering en in 2006 de Entiteit Curriculum binnen het departement Onderwijs en Vorming, met o.m. als taak de ontwikkeling van eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen, basiscompetenties voor de lerarenopleiding, studieprofielen, instrumenten voor kwaliteitsbewaking en criteria voor leerplannen en handelingsplannen op pedagogisch-didactisch vlak. http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/. Vanaf 1 september 2009 werden die taken en de personeelsleden van de Entiteit Curriculum opgenomen in het nieuw opgerichte Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, AKOV (BVR 24/4/2009). Door het decreet van 17 juli 1991 werd de adviserende en ondersteunende taak toevertrouwd aan de netgebonden pedagogische begeleidingsdiensten. Het Besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 1996 bekrachtigde hun werkingscodes. Tot de opdrachten behoorden: ● ● ●
de externe ondersteuning van de betrokken onderwijsinstellingen volgens het eigen pedagogisch concept, onder meer bij het opstellen van het schoolwerkplan; het ontwikkelen van initiatieven ter bevordering van de onderwijskwaliteit van de betrokken instellingen; het stimuleren van initiatieven ter versterking van de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden uit de betrokken instellingen.
De pedagogische begeleidingsdiensten hebben geen autoriteit over de levensbeschouwelijke vakken. Voor die vakken zijn er speciale procedures van toepassing. Het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs zorgde voor een nieuw regelgevend kader voor de taken van nascholing, inspectie, en pedagogische begeleiding.
Evaluatie / 398
9.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen Het decreet op de kwaliteit van het onderwijs wordt nu verder uitgevoerd. Interne kwaliteitszorg op schoolniveau wordt erkend en aangemoedigd. In de toekomst zullen de scholen op systematische wijze hun eigen kwaliteit onderzoeken en bewaken. De wijze waarop ze dit doen, is vrij. Deelname aan peilingen of afname van paralleltoetsen kan daarvan een onderdeel vormen. Tijdens het schooljaar 2011-2012 zullen de PBD, het Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten (SNPB) en de permanente ondersteuningscellen (POC) voor het eerst geëvalueerd worden. Tegen midden van 2011 zou een regelgevend kader voor het visitatie- en accreditatiestelsel van de tweede ronde moeten goedgekeurd worden (zie 9.4.2.4.).
9.3. Administratief en wettelijk kader ● ● ● ●
9.3.1. De onderwijsinspectie 9.3.2. Het agentschap voor kwaliteitszorg in onderwijs en vorming 9.3.4.1. De inspectie van levensbeschouwelijke vakken 9.3.4.2. De inspectie van steden en provincies
Basiswetgeving inzake begeleidingsdiensten ● ●
● ●
inspectie,
dienst
voor
onderwijsontwikkeling
en
pedagogische
Decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. Besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot uitvoering van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. Decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. Besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap ‘Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming’.
Accreditatie ● ●
Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen Decreet van 2 april 2004 houdende goedkeuring en uitvoering van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003.
9.3.1. De Onderwijsinspectie De onderwijsinspectie van de Vlaamse gemeenschap werkt in opdracht van de Vlaamse overheid en is belast met het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. Het decreet van 8 mei 2009 betreffende de Evaluatie / 399
kwaliteit vernieuwde ingrijpend structuur en werking voor basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs (inclusief de basiseducatie) maar met uitzondering van de specifieke lerarenopleidingen in het volwassenenonderwijs en het hoger beroepsonderwijs. Ook internaten en CLB’s behoren tot het bevoegdheidsgebied van de onderwijsinspectie. Het hoger onderwijs valt daarbuiten. Hierna behandelen we de organisatie (zie 9.3.1.1.) en de taken (zie 9.3.1.2.) van de inspectie. Andere aspecten worden elders behandeld: ● ● ● ● ● ●
Werkwijze van de doorlichting (zie 9.4.2.1.) Jaarverslag van de inspectie, De Onderwijsspiegel (zie 9.5.1.) Inspectie van de levensbeschouwelijke vakken (zie 9.3.4.1.) Het ambt van inspecteur (zie 8.4.) Inspectie van stedelijk en provinciaal onderwijs (zie 9.3.4.2.) Zie ook: http://www.onderwijsinspectie.be
9.3.1.1. Organisatie van de inspectie
Het decreet van 8 mei 2009 heeft de organisatie van de onderwijsinspectie ingrijpend gewijzigd en de opdeling in onderwijsniveau afgeschaft. Onder leiding van één inspecteur-generaal (IG) bestaat het korps voortaan enkel uit inspecteurs en coördinerend inspecteurs (CI). De verdeling tussen de ambten ligt niet vast. De onderwijsinspectie beschikt voortaan over een enveloppe (jaarlijks vastgelegd door de Vlaamse Regering) waarbinnen ze de beroepservaring en competenties gerichter kan inzetten. Wel zijn een aantal waarborgen voor een evenwichtige samenstelling decretaal vastgelegd. Minstens 35% van de personeelsleden dienen afkomstig te zijn uit het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd officieel onderwijs, minstens 35% uit het gesubsidieerd vrij onderwijs. Ook inzake relevante beroepservaring zijn er minima voor de personeelsbezetting vastgelegd: ● ● ● ● ● ●
Gewoon basisonderwijs 40% Gewoon secundair onderwijs 26% volwassenenonderwijs of basiseducatie 3% Coördinatie leerlingenbegeleiding of CLB 2% Kunstonderwijs of kunstvakken 2% Buitengewoon onderwijs 7%
Binnen de organisatie is er ook ruimte voor externen die als experts bij een doorlichting betrokken kunnen worden (bv. bij een school met een complexe problematiek op het vlak van preventie en arbeidsbescherming). Voor de inhoudelijke ondersteuning beschikt de onderwijsinspectie over (10) stafmedewerkers. Voor de opvolging en afhandeling van de doorlichtingen staat het doorlichtingssecretariaat in. Voor 2009-2010 bestaat de inspectie uit een 150-tal onderwijsinspecteurs die een thuiskantoor hebben. Er zijn 9 coördinerende inspecteurs voor 10 programma’s: doorlichten / curriculum / communicatie en publicaties / informatiemanagement / planning / vorming, training en opleiding / welzijnsbeleid / internationalisering / projecten / huisonderwijs. Onder verantwoordelijkheid van de inspecteurgeneraal vallen: financieel beheer / kwaliteitszorg / personeel en organisatie / levensbeschouwelijke vakken. Er wordt een permanent overlegorgaan opgericht waarin de inspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten elkaar regelmatig ontmoeten in functie van hun opdrachten. Voor zover het Evaluatie / 400
overleg betrekking heeft op het volwassenenonderwijs wordt ook het VOCVO, Vlaams Ondersteuningscentrum voor het volwassenenonderwijs (zie 9.3.3.2.) daarin betrokken.
9.3.1.2. Taken van de inspectie
Bij iedere aanvraag tot erkenning van een nieuwe instelling of een structuuronderdeel ervan geeft de inspectie een advies waaruit blijkt of de erkenningsvoorwaarden vervuld zijn. De inspectie stelt na de indiening van de aanvraag ter plaatse een onderzoek in naar het vervullen van de erkenningsvoorwaarden. Na het onderzoek bezorgt de onderwijsinspectie een rapport, met een advies over de erkenning, aan de Vlaamse Regering. Dat rapport moet uiterlijk zes maanden na de aanvraag tot erkenning bekendgemaakt worden, zo niet wordt het advies geacht gunstig te zijn. De onderwijsinspectie voert doorlichtingen van de onderwijsinstelling uit (zie 9.4.2.1.). Iedere instelling komt binnen een periode van 10 jaar minimaal een keer aan bod om te worden doorgelicht. De doorlichtingsverslagen, de opvolgingsverslagen en de adviezen met betrekking tot de erkenning van de instelling zijn bestuursdocumenten die vallen onder de toepassing van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De doorlichtingsverslagen (sinds 1 januari 2007) zijn raadpleegbaar op de website van de inspectie: http://www.ond.vlaanderen.be/doorlichtingsverslagen/ De inspectie is ook belast met het kwaliteitstoezicht op de opleidings- en vormingsprogramma's georganiseerd door organisaties die geen onderwijsinstellingen zijn maar die leiden tot diploma's, getuigschriften, certificaten of deelcertificaten met eenzelfde civiel effect als deze die van rechtswege worden uitgereikt door onderwijsinstellingen. Jaarlijks brengt de inspectie verslag uit van haar werkzaamheden en behandelt daarbij tevens een of meer kwaliteitsaspecten van het onderwijs. Dat verslag bezorgt de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement. Sedert enkele jaren wordt dit verslag uitgegeven onder de titel “Onderwijsspiegel” (zie 9.5.1.). http://onderwijs.vlaanderen.be/inspectie/publicaties/ De inspectie is niet bevoegd voor de controle op de invulling van het pedagogisch of agogisch project, noch voor de controle op de gebruikte pedagogische, agogische, artistieke of begeleidingsmethoden. Ze is evenmin bevoegd voor het toezicht op het onderwijs in de levensbeschouwelijke vakken.
9.3.2. Het agentschap voor kwaliteitszorg in onderwijs en vorming (AKOV) Bij Besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 werd het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming opgericht. Een IVA, intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid (zie 1.2.2.) met als missie een kwaliteitszorgsysteem te realiseren voor de onderwijs-, beroepsopleidings- en vormingstrajecten en voor de EVC-trajecten die naar bewijzen van erkende kwalificaties leiden door : ● ● ●
einddoelen van onderwijs-, beroepsopleidings- vormings- en EVC-trajecten die naar bewijzen van erkende kwalificaties leiden, op te stellen; de kwaliteit van de instellingen te bewaken die dergelijke trajecten aanreiken; eenduidige en heldere certificeringsprocessen te garanderen.
Evaluatie / 401
Het agentschap zal ook het kwaliteitstoezicht verzorgen op de competentiecentra van de VDAB en de SYNTRA. Het agentschap heeft tot taak: ●
studiewerk uit te voeren ter concretisering van :
○ ontwikkelingsdoelen, eindtermen en basiscompetenties; ○ goedkeuringscriteria voor leerplannen en handelingsplannen; ○ de opleidingenstructuur; ● ● ●
● ●
●
● ● ● ●
voorstellen voor de onderwijskwalificaties voor de niveaus 1 tot en met 5 uit te werken; in samenwerking met het Departement Onderwijs en Vorming peilingtoetsen in het leerplichtonderwijs te organiseren en op te volgen; de resultaten van de evaluatie van de realisatie van de ontwikkelingsdoelen, eindtermen en basiscompetenties door de instellingen te verwerken met het oog op een eventuele bijsturing ervan; beroepscompetentieprofielen in te schalen tot beroepskwalificaties en te adviseren over de erkenning ervan; erkende onderwijs- en beroepskwalificaties te registreren in een kwalificatiedatabank en die databank met bijbehorende website te beheren en in te staan voor de coördinatie en het inhoudelijk beheer van de databank met de leer- en ervaringsbewijzen; het toezicht op de kwaliteit van het kleuter,- leerplicht en volwassenenonderwijs en de leerlingenbegeleiding, het deeltijds kunstonderwijs, de leertijd en de in het kader van leren en werken aangeboden vormingsprogramma's aan te sturen, te organiseren en af te stemmen met de pedagogische begeleiding; het toezicht te organiseren op de toepassing van reglementering binnen de onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding; kwaliteitsvoorwaarden voor EVC in onderwijsinstellingen en kwaliteitskaders en procedures voor EVC-processen in onderwijsinstellingen te ontwikkelen; een EVC-kennisnetwerk op te zetten en een uniek loket voor vragen over EVC te installeren de gelijkwaardigheid van kwalificatiebewijzen te bepalen en gelijkwaardigheidsattesten uit te reiken; de examens van de Vlaamse Gemeenschap om een diploma secundair onderwijs te behalen, de toelatingsexamens arts-tandarts en de taalexamens voor het personeel in het onderwijs te organiseren.
Daarnaast zullen in de toekomst een aantal taken worden uitgevoerd voor andere beleidsdomeinen dan het beleidsdomein Onderwijs en Vorming binnen hetzelfde kwaliteitskader, door een afzonderlijke cel binnen het agentschap die op onafhankelijke wijze en met kennis van het betrokken beleidsdomein haar werkzaamheden organiseert. De cel rapporteert haar vaststellingen jaarlijks aan de betrokken Vlaamse ministers. Deze taken zijn: ●
●
het toezicht te organiseren op de kwaliteit van de opleidings- en vormingsprogramma's buiten het beleidsdomein Onderwijs en Vorming die leiden tot bewijzen van erkende beroepskwalificaties; het toezicht te organiseren op de kwaliteit van de EVC-instellingen waar mensen hun competenties kunnen laten testen of erkennen.
De minister van Onderwijs stuurt het agentschap aan, inzonderheid via een beheersovereenkomst. Als bijlage bij de beheerovereenkomst wordt het samenwerkingsprotocol met het beleidsdomein Werk en Sociale Economie en het samenwerkingsprotocol met het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media gevoegd. De personeelsleden van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming die deel uitmaakten van de volgende afdelingen/cellen zijn met ingang van 1 september 2009 toegewezen aan het agentschap: ●
de Entiteit Curriculum (de vroegere Dienst voor Onderwijsontwikkeling);
Evaluatie / 402
● ● ●
de cel Ondersteuning Inspectie de cel Naric, belast met de gelijkwaardigheid van kwalificatiebewijzen in het basis-, secundair of hoger onderwijs; het secretariaat van de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs.
Deze inspectie is een autonome dienst die met het oog op de uitoefening van haar opdrachten door de Vlaamse Regering ter beschikking wordt gesteld van het agentschap. http://onderwijs.vlaanderen.be/wegwijs/AKOV/ http://onderwijs.vlaanderen.be/dvo http://www.ond.vlaanderen.be/secundair/examencommissie/ http://www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen/ http://www.ond.vlaanderen.be/naric/ http://www.evcvlaanderen.be/index.html
9.3.3. Pedagogische begeleiding We behandelen afzonderlijk de begeleiding in het leerplichtonderwijs (zie 9.3.3.1.) en het volwassenenonderwijs (zie 9.3.3.2.).
9.3.3.1. Pedagogische begeleidingsdiensten (PBD)
De pedagogische begeleidingsdiensten worden georganiseerd door verenigingen zonder winstoogmerk die zijn opgericht door de onderwijskoepels. Per koepel kan één PBD worden betoelaagd. De pedagogische begeleidingsdiensten hebben de volgende opdrachten : ●
●
de onderwijsinstellingen in kwestie ondersteunen bij de realisatie van hun eigen pedagogisch of agogisch project en de CLB's in kwestie ondersteunen bij de realisatie van hun eigen missie en hun eigen begeleidingsproject; de onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie ondersteunen bij het bevorderen van hun onderwijskwaliteit, respectievelijk de kwaliteit van hun leerlingenbegeleiding en bij hun ontwikkeling tot professionele lerende organisatie door :
○ netwerkvorming te bevorderen en netwerken te ondersteunen; ○ leidinggevenden te ondersteunen of te vormen; ○ de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden te ondersteunen binnen een instelling en instellingsoverstijgend met bijzondere aandacht voor beginnende personeelsleden en personeelsleden met specifieke opdrachten;
○ het beleidsvoerend vermogen van instellingen te versterken; ○ de kwaliteitszorg van instellingen te ondersteunen; ● ●
op verzoek van het bestuur van de instelling de instelling ondersteunen en begeleiden bij de uitwerking van de aangegeven actiepunten na een doorlichting; onderwijsinnovaties aanreiken, stimuleren en ondersteunen;
Evaluatie / 403
● ● ●
aanbodgerichte nascholingsactiviteiten aanreiken en aansturen met inbegrip van de nascholing van directies; met verscheidene onderwijsactoren op verschillende niveaus overleggen over onderwijskwaliteit en de kwaliteit van de leerlingenbegeleiding; participeren aan de aansturing of opvolging van ondersteuningsinitiatieven georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Regering die als doelstelling het ondersteunen van instellingen, leerkrachten of begeleiders hebben.
Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt driejaarlijks een begeleidingsplan op voor de volgende drie schooljaren. De pedagogische begeleidingsdienst deelt dat begeleidingsplan mee aan de instellingen en aan de Vlaamse Regering. Jaarlijks rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar, met inbegrip van een financiële verantwoording over de ontvangen werkingsmiddelen. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt een werkingscode op en maakt die bekend bij de instellingen en hun personeelsleden. Elke pedagogische begeleidingsdienst onderzoekt en bewaakt op systematische wijze haar eigen kwaliteit. De pedagogische begeleidingsdienst kiest zelf de wijze waarop zij dit doet. De personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdiensten wordt per schooljaar vastgesteld, afzonderlijk voor : ● ● ●
het basisonderwijs; het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs samen; de CLB's.
De PBD’s ontvangen tevens werkingsmiddelen, met jaarlijks gezamenlijk 84.000 euro aanvullende werkingsmiddelen voor de ondersteuning van het gelijkeonderwijskansenbeleid. Om nascholings- en begeleidingsactiviteiten te organiseren voor de eigen personeelsleden en voor de personeelsleden van de door hen begeleide instellingen ontvangen de pedagogische begeleidingsdiensten samen jaarlijks een bedrag van 1.332.000 euro. Voor de organisatie van nascholing op het vlak van functiebeschrijving en evaluatie in de door hen begeleide instellingen ontvangen de pedagogische begeleidingsdiensten samen jaarlijks een bedrag van 430.000 euro. Voor de vorming van directeurs van de door hen begeleide instellingen ontvangen de pedagogische begeleidingsdiensten jaarlijks een bedrag van 402.000 euro. (Al deze bedragen gelden voor 2010. Vanaf 2011 worden ze aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.) Elke directeur kan gedurende zijn loopbaan een beroep doen op die middelen om kosten te dekken die verbonden zijn aan het volgen van de opleiding. Vanaf 2009-2010 werden verbredings- en verdiepingsbegeleiders toegevoegd voor het ondersteunen van de scholen voor buitengewoon onderwijs die een aanbod voor jongeren met autismespectrumstoornissen (ASS) willen uitbouwen (zie ook 10.2.). Meer gedetailleerde informatie inzake pedagogische begeleiding vindt men bij de onderwijskoepels: ● ●
Voor de PBD van het GO!, onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, http://www.gemeenschapsonderwijs.be/pbd Binnen het VSKO, Verbond Secundair Katholiek Onderwijs zorgt de Algemene Pedagogische Begeleidingsdienst voor vorming, nascholing en begeleiding van begeleiders, coördineert de verschillende begeleidende instanties en vormt een studie- en documentatiedienst ter
Evaluatie / 404
● ● ● ● ●
ondersteuning van de begeleiders, http://ond.vsko.be/ > tab diensten > pedagogische begeleiding Voor steden en gemeenten, http://www.ovsg.be/ Voor het provinciaal onderwijs Vlaanderen, http://www.pov.be/ Voor FOPEM, de Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodescholen, http://users.skynet.be/fopem/ Voor VOOP, het Vlaams Onderwijs Overlegplatform, http://www.voop.be/ Voor de Federatie van Steinerscholen in Vlaanderen, Pedagogische begeleiding, http://www.steinerscholen.be/
9.3.3.2. Pedagogische begeleiding in het volwassenenonderwijs en VOCVO,Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs
Voor de basiseducatie en de CVO’s geldt een specifieke regeling op basis van het decreet van 15 juli 2007 voor het volwassenenonderwijs. Een VOCVO, Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs ondersteunt alle CBE's (Centra voor Basiseducatie) en die CVO's (Centra voor Volwassenenonderwijs) die niet in rekening worden gebracht voor het vaststellen van de personeelsformatie van de netgebonden PBD's (pedagogische begeleidingsdiensten). Het VOCVO en de PBD's dienen te zorgen voor: ● ● ● ●
agogische en organisatorische ondersteuning; deskundigheidsbevordering van de personeelsleden; coördinatie, stimulering en facilitering van onderwijsvernieuwing en kwaliteitszorg; ondersteuning van de centra bij het realiseren van de eindtermen, specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties en basiscompetenties bij de cursisten, via het werken met leerplannen en met goedgekeurde opleidingsprofielen in afwachting van de goedgekeurde leerplannen.
Voor al deze opdrachten werden concrete resultaatsverbintenissen vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomsten die met de Vlaamse Regering werden gesloten op 23/5/2008, voor een periode van vijf jaar. http://www.ond.vlaanderen.be/volwassenenonderwijs/centra/ Het VOCVO ontvangt daarvoor in 2009 een budget van € 915.000. Het VOCVO is een vzw met een afgevaardigde van elk deelnemend centrumbestuur in de algemene vergadering. De vzw Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten (SNPB) (of de afzonderlijke pedagogische begeleidingsdiensten) krijgt jaarlijks 692.000 euro in 2010 en 622.000 in 2011 (daarna geïndexeerd volgens de gezondheidsindex) extra voor de begeleiding van de centra voor volwassenenonderwijs. Het VOCVO en de pedagogische begeleidingsdiensten hebben samen, met de Vlaamse Regering, een samenwerkingsovereenkomst gesloten om 20% van de hun toegekende middelen (met voorafname) te besteden aan de gezamenlijke kennis- en expertiseontwikkeling in het volwassenenonderwijs. Daartoe is een stuurgroep volwassenenonderwijs (StuV) opgericht, samengesteld uit vertegenwoordigers van de directies en de leraren van de CBE's (3) en de CVO's (3) - aangeduid door de representatieve vakorganisaties - het VOCVO (2) en de pedagogische begeleidingsdiensten (4). De opdracht omvat: ● ●
ontwikkeling van een visie en nieuwe concepten op het vlak van onderwijs, vorming en opleiding aan volwassenen; evaluatie van eindtermen, specifieke eindtermen en basiscompetenties in functie van aanpassingen aan bestaande opleidingsprofielen of ontwikkeling van nieuwe; Evaluatie / 405
● ● ● ● ● ●
●
● ●
coördinatie van de ontwikkeling van nieuwe opleidingsprofielen of de aanpassing van bestaande; formuleren van voorstellen m.b.t. het oprichten van experimenteel nieuwe leer- en studiegebieden, op vraag van de stuurgroep; coördinatie en ondersteuning van centrumoverstijgende en netoverschrijdende ontwikkeling van leerplannen, op vraag van centrumbesturen; coördinatie en ondersteuning van de ontwikkeling van instrumenten en procedures inzake de erkenning van eerder verworven competenties (EVC); ontwikkeling van expertise en deelname aan expertise-uitwisseling inzake kwaliteitsvol afstandsleren, e-leren en gecombineerd onderwijs; verdere uitbouw van expertise inzake de aanpak van laaggeletterdheid met aandacht voor het toegankelijk maken van relevante informatie en documentatie, met deelname aan initiatieven van de overheid inzake geletterdheid en aan internationale uitwisseling terzake; in uitvoering van het Strategisch Plan Hulp- en Dienstverlening aan Gedetineerden, de onderwijscoördinatoren ondersteunen bij enerzijds de uitbouw van een behoeftedekkend en aangepast aanbod voor onderwijs aan gedetineerden en anderzijds de coördinatie van het onderwijsaanbod in de gevangenis; stimulering en coördinatie van wenselijke acties op vlak van kennis- en expertiseontwikkeling; ondersteuning van onderwijscoördinatoren, in uitvoering van het Strategisch Plan Hulp- en Dienstverlening aan Gedetineerden, bij enerzijds de uitbouw van een behoeftedekkend en aangepast aanbod voor onderwijs aan gedetineerden en anderzijds de coördinatie van het onderwijsaanbod in de gevangenis.
Ook voor deze opdrachten werden resultaatsverbintenissen vastgelegd. Het samenwerkingsverband ontwikkelt een intern kwaliteitszorgsysteem en stelt vijfjaarlijks een beleidsplan op en jaarlijks een actieplan. In 2010 en in 2012 zal het systeem van ondersteuning en begeleiding in het volwassenenonderwijs worden geëvalueerd.
9.3.3.3. Samenwerkingsverband netgebonden pedagogische begeleidingsdiensten Er wordt een vzw Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten gesubsidieerd als alle netgebonden pedagogische begeleidingsdiensten er in vertegenwoordigd zijn en projecten worden gerealiseerd die alle instellingen ondersteunen die tot de doelgroep van het project behoren. De vzw dient jaarlijks te rapporteren aan de bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Er worden jaarlijks subsidies toegekend voor: ●
●
●
de uitbouw van een structuur voor tweedelijnsondersteuning kleuterparticipatie ter ondersteuning van de kleuterscholen in de gemeenten met minstens 25 % GOK-leerlingen, als die gemeenten behoren tot een werkingsgebied van een lokaal overlegplatform (zie 10.5.3.1.6.): 1.568.000 euro in 2010 en 1.409.000 vanaf 2011; de tweedelijnsondersteuning op het vlak van taalvaardigheidsonderwijs in de basisscholen van de rand- en taalgrensgemeenten en van de gemeenten uit de brede rand rond Brussel (zie 10.7.2.); 1.136.898 euro in 2010 en 1.020.898 vanaf 2011; de nascholing van de coördinatoren en de trajectbegeleiders van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor deeltijdse vorming, de directeurs van de Syntralesplaatsen en de leertrajectbegeleiders (zie 5.20.1.); 222.000 euro in 2010 en 199.000 vanaf 2011. (Vanaf 2012 worden alle bedragen aangepast op basis van de gezondheidsindex).
Daarnaast kunnen tijdelijke subsidies worden toegekend voor begeleiding van onderwijsvernieuwing. Evaluatie / 406
9.3.3.4. Permanente ondersteuningcellen in de CLB’s Het decreet van 1 december 1998 betreffende de CLB's creëerde ook een omkadering voor een permanente ondersteuningscel binnen elk van de 3 grote onderwijsnetten, voor de netgebonden ondersteuning van de centra binnen van het net. Het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs stelt dat de permanente ondersteuningscellen de opdracht hebben de professionalisering van de personeelsleden van de CLB’s te versterken. Daarover dienen zij afspraken te maken met de pedagogische begeleidingsdiensten van het eigen centrumnet. Driejaarlijks stellen ze een begeleidingsplan op en delen dat mee aan de CLB’s en aan de Vlaamse Regering. Jaarlijks rapporteren ze aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het voorbije schooljaar met inbegrip van een financiële verantwoording over de ontvangen werkingsmiddelen. Ze dienen tevens een werkingscode op te stellen en op systematische wijze de eigen kwaliteit te bewaken. Ze kiezen zelf de wijze waarop.
9.3.3.5. Evaluatie van de organen voor pedagogische begeleiding
Ten minste eenmaal om de zes jaar, en voor het eerst tijdens het schooljaar 2011-2012, wordt de werking geëvalueerd van de pedagogische begeleidingsdiensten, de permanente ondersteuningscellen en in voorkomend geval van het samenwerkingsverband. De evaluaties worden uitgevoerd door een door de Vlaamse Regering samengestelde commissie. De commissie bestaat uit vertegenwoordigers van de academische wereld, vertegenwoordigers van de instellingen en ambtenaren van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. De commissie wordt aangevuld met externe leden, deskundig op het vlak van kwaliteitszorg. De vertegenwoordigers van de academische wereld en de vertegenwoordigers van de instellingen worden aangeduid op voorstel van de Vlaamse Onderwijsraad. De conclusies van de evaluatie worden meegedeeld aan het Vlaams Parlement.
9.3.4. Speciale regelingen Hier behandelen we: ● ●
9.3.4.1. de inspectie levensbeschouwelijke vakken 9.3.4.2. de inspectie en begeleidingsdiensten van steden en provincies
9.3.4.1. Inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken
De grondwet garandeert alle leerlingen, die onder de voorwaarden van de wet op de leerplicht vallen, twee lesuren per week moraal- of godsdienstonderricht op school, als deel van het leerplan. Deze vakken zijn op geen enkele manier onderworpen aan enige overheidscontrole zolang de democratische basisbeginselen van de samenleving worden gerespecteerd. Het decreet van 17 juli 1991 op de inspectie en de begeleidingsdiensten had uitdrukkelijk geen betrekking op de levensbeschouwelijke vakken. Ook het nieuwe decreet van 8 mei 2009 heeft daar
Evaluatie / 407
geen betrekking op. De inspectie en onderwijskundige ondersteuning van de levensbeschouwelijke vakken werd geregeld door een apart decreet van 1 december 1993. De erkende instanties van de erkende godsdiensten (rooms-katholieke, orthodoxe, protestantsevangelische, anglicaanse, israëlitische en islamitische godsdienst) en de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap bepalen de werking van de inspectie en de begeleiding van de betrokken godsdiensten en van de niet-confessionele zedenleer. Bovendien zijn ze verantwoordelijk voor de leerplannen voor deze vakken en de nascholing van de betrokken leerkrachten. De aangewezen inspecteurs-adviseurs hebben o.m. volgende taken en verantwoordelijkheden: ● ● ● ● ● ●
●
●
de controle op de naleving van het lesrooster en de verklaringen betreffende de keuze voor een godsdienst of de niet-confessionele zedenleer; de controle van de leermiddelen; de controle van de bewoonbaarheid, de didactische bruikbaarheid en de hygiëne van de lokalen; het uitbrengen van beleidsadviezen; het controleren van de uitvoering van de leerplannen en de controle van het peil der studiën; de externe ondersteuning en de evaluatie van de beroepsbekwaamheid en de pedagogische bekwaamheid van de betrokken leerkrachten en het stimuleren van initiatieven ter verbetering van de beroepskwaliteit; het ontwikkelen van initiatieven ter bevordering van de onderwijskwaliteit van het betrokken vakgebied en het bewaken en het stimuleren van het aan de levensbeschouwing aangepast opvoedingsproject binnen het vakgebied; alle andere opdrachten die worden toegekend door of krachtens wetten en decreten.
De inspecteurs-adviseurs geven informatie aan: ●
●
de erkende instanties van de erkende godsdiensten en de erkende vereniging voor de nietconfessionele zedenleer voor wat betreft de inhoud, de leerplannen en de beroepsbekwaamheid van de leerkrachten; de coördinerend inspecteur-generaal die aan het hoofd van de inspectie staat, voor wat de toepassing van de wettelijke en administratieve reglementering betreft.
In tegenstelling tot de onderwijsinspectie blijven de ambten van de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken opgedeeld per niveau. Binnen de inspectie levensbeschouwelijke vakken is een CLBV, Commissie LevensBeschouwelijke Vakken opgericht. Een overlegcel van inspecteurs-adviseurs van alle erkende levensbeschouwingen. Ze geeft gemeenschappelijke adviezen die voor de verschillende vakken gelden. Tevens werd een Nascholingsinstituut Levensbeschouwelijke Vakken vzw opgericht, waarin eveneens alle erkende en onderwezen levensbeschouwingen zijn vertegenwoordigd. ● ● ●
http://onderwijs.vlaanderen.be/inspectie/lbv/default.htm Interdiocesane Dienst voor het Katholiek Godsdienstonderwijs: http://www.idkg.be/ Raad voor Inspectie en Begeleiding niet-confessionele Zedenleer: http://www.ribz.be
9.3.4.2. Inspectie en begeleidingsdiensten van steden en provincies
Enkele grotere steden (Antwerpen en Gent) en provincies (Antwerpen, Limburg en Oost-Vlaanderen) betalen hun eigen 'inspectiepersoneel' en/of begeleidingsdienst. In feite moeten zij worden gezien als ambtenaren van hogere rang die in naam van de gemeentelijke overheid optreden, in haar rol van inrichtende macht voor de gesubsidieerd officiële scholen (zie 2.6.3.6.).
Evaluatie / 408
9.4. Evaluatie van onderwijsinstellingen De huidige evaluatie van onderwijsinstellingen omvat: ● ●
interne evaluatievormen op aangeven van de scholen zelf of hun inrichtende machten (zie 9.4.1.1.) externe evaluatie door de onderwijsinspectie (zie 9.4.2.1.)
De huidige evaluatie van de opleidingen van de hogeronderwijsinstellingen omvat: ● ● ●
interne evaluatie (zie 9.4.1.2.) externe evaluatie (zie 9.4.2.3.) accreditatie van de opleidingen in het hoger onderwijs (zie 9.4.2.4.).
Het kwaliteitszorgsysteem heeft de volgende doelstellingen: ● ● ●
de constante verbetering van de kwaliteit van het onderwijs verantwoording afleggen aan de overheid voor het gebruik van publieke middelen informatie verstrekken aan studenten en ouders over de kwaliteit van het onderwijs.
In 2005 publiceerde de DVO online de vergelijkende studie "Equilibrium: evenwicht tussen interne en externe evaluatie op de Europese scène". Zie http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/publicaties/equilibrium/equilibrium.htm
9.4.1. Interne evaluatie Vlaanderen heeft geen sterke institutionele traditie opgebouwd inzake zelfevaluatie. In feite is zelfevaluatie nog niet zo lang officieel aangemoedigd als deel van het huidige inspectiesysteem en de huidige programma's voor externe ondersteuning van scholen; het principe van zelfevaluatie is eveneens terug te vinden in de meest recente wetgeving op het hoger onderwijs. De voorbije jaren werden verscheidene zelfevaluatie-instrumenten ontwikkeld, maar de uitvoering van dergelijke procedures voor zelfevaluatie behoren nog steeds tot de exclusieve bevoegdheid van de scholen en hun inrichtende machten. Systemen van zelfevaluatie in het kleuter-, lager en secundair onderwijs werden uitgebouwd (zie 9.4.1.1.). Op basis van het zelfevaluatieinstrument voor het secundair onderwijs, ontwikkeld aan de Universiteit Antwerpen, ontwikkelde de pedagogische begeleiding van OVSG een DKO-scanner voor de academies van het deeltijds kunstonderwijs. http://www.ovsg.be/content/Publicaties/tijdschriften/imago%20jan%202007.pdf Voor de hogescholen en de universiteiten voorzien de decreten op de universiteiten en de hogescholen een systeem van kwaliteitsbewaking waarin zelfevaluatie een essentieel element is (zie 9.4.1.2.). De CLB's, centra voor leerlingenbegeleiding hanteren ook een systeem van zelfevaluatie (zie 9.4.2.2.).
Evaluatie / 409
9.4.1.1. Interne evaluatie in het basis- en secundair onderwijs
Internationaal is er een groeiende tendens bij scholen om zichzelf kritisch te bevragen en de realisatie van de eigen doelen op een meer systematische wijze te onderzoeken (Michielsens, 2002). Het uitvoeren van zelfevaluaties is ook binnen het Vlaamse onderwijs een belangrijk aspect in de kwaliteitsbewaking geworden. Bij zelfevaluatie gaat het om de vraag of de basisschool of de secundaire school voldoet aan de eigen doelstellingen die zij vanuit haar pedagogisch project formuleert. Bij een doorlichting door de onderwijsinspectie daarentegen gaat het in de eerste plaats over de vraag of de school voldoet aan de minimumverwachtingen die de samenleving stelt t.a.v. de school. Het overgrote deel van de zelfevaluaties wordt geĂŻnitieerd door de scholen zelf, zonder verplichting van overheidswege. Daartoe kunnen scholen een beroep doen op een veelheid van instrumenten die met het oog op het uitvoeren van zelfevaluatie in het BaO, basisonderwijs en secundair onderwijs ontwikkeld werden. De verscheidenheid in zelfevaluatie-instrumenten gaat terug op verschillende invullingen omtrent het onderwijsniveau, de te bevragen aspecten, de gevolgde methodieken, de functies van de zelfevaluatie, de begeleiding die scholen genieten en dergelijke. Scholen kiezen dus doorgaans zelf of ze zichzelf evalueren en hoe ze daarbij te werk gaan. Het decreet betreffende de gelijke onderwijskansen I (GOK-I) (B.S. 14/09/02) geeft aan het uitvoeren van zelfevaluatie voor het eerst het statuut van een wettelijk verankerde verwachting ten aanzien van scholen. Van basisscholen en secundaire scholen die over GOK-middelen beschikken, wordt verwacht dat zij in de loop van de looptijd van het Gelijkeonderwijskansenbeleid een zelfevaluatie van het beleid dienaangaande uitvoeren. Het behoort echter tot de autonomie van de school om concreet invulling te geven aan deze zelfevaluatie.
Toetsen voor scholen Om het beleidsvoerend vermogen van scholen te verhogen op basis van relevante informatie over het ontwikkelingsniveau en de vorderingen van de leerlingen investeert de overheid in de ontwikkeling van toetsen die scholen ondersteunen in hun interne kwaliteitszorg. Ze stelt deze vrijblijvend en gratis ter beschikking van de scholen via de website http://www.ond.vlaanderen.be/toetsenvoorscholen/. De website is gestart met het ter beschikking stellen van de Vlaamse versie van de toetsen van het Nederlandse LVS, leerlingvolgsysteem CITO voor kleuters (taal en ordenen) en voor het lager onderwijs (technisch lezen en spelling). Met een leerlingvolgsysteem worden zowel de huidige prestaties van de leerlingen als hun ontwikkeling op systematische wijze in kaart gebracht. De toetsen zijn al sinds 2004 ter beschikking op cd-rom, nu downloadbaar via de website. Daarnaast staat ook de nieuwe SALTO-toets ter beschikking (Screening Aanvang Lager TaalOnderwijs). Deze luistertoets, ontwikkeld door het Centrum voor Taal en Onderwijs (zie 10.5.3.1.5.), kunnen de scholen gebruiken om zelf de taalvaardigheid Nederlands te screenen van leerlingen die starten in het 1e leerjaar lager onderwijs. Sinds 2009 kunnen scholen ook gebruik maken van paralleltoetsen ontwikkeld in het kader van het periodiek peilingonderzoek inzake eindtermen worden toegepast (zie 9.5.2.).
9.4.1.2. Interne evaluatie in het hoger onderwijs
De vorm van interne en externe kwaliteitsbewaking in het hoger onderwijs verschilt van het systeem van kwaliteitscontrole zoals dat in het kleuter-, lager en secundair onderwijs gekend is.
Evaluatie / 410
Het interne gedeelte speelt zich af op het niveau van de opleiding. Wat de interne kwaliteitsbewaking betreft heeft elke instelling de plicht permanent de eigen onderwijs- en onderzoeksactiviteit te controleren. Het gaat om een kritische zelfanalyse door de betrokkenen van de te visiteren opleidingen: academisch, administratief en technisch personeel, studenten, afgestudeerden en vertegenwoordigers van het beroepenveld. Deze zelfbevraging neemt ongeveer een jaar in beslag. De resultaten worden samengebracht in een uitvoerig zelfevaluatierapport.
9.4.1.2.1. Interne kwaliteitsbewaking aan de hogescholen
Van elke hogeschool wordt verwacht dat zij permanent de kwaliteit van haar onderwijs en onderzoek evalueert en dat acties om de situatie te verbeteren worden opgenomen in het jaarlijks rapport van de hogeschool. Studenten dienen actief in dit proces betrokken te worden. Daarenboven dient men zoveel mogelijk de gegradueerden en andere mensen uit het beroepsveld waarop het studiedomein is gericht bij deze evaluatie te betrekken. De zelfevaluatie moet resulteren in een rapport waarvan de status en de verdeling wordt bepaald door het hogeschoolbestuur. De invoering van de accreditatieplicht heeft de interne kwaliteitszorg in de onderwijsinstellingen sterk gestimuleerd. Deze gebeurt overwegend op opleidingsniveau, meestal door de opleidingscommissies. Er is sturing en ondersteuning vanuit het centrale niveau van de onderwijsinstellingen. Op dit moment passen de meeste hogescholen het EFQM-systeem (European Foundation for Quality Management) toe, hoewel zeer verscheidene toepassingen gebruikt worden. Zo hebben veel hogescholen gekozen voor een standaardsysteem van kwaliteitszorg zoals TRIS (Transnationale Institutionele Samenwerking) of PROZA (Projectgroep Ontwikkeling Zelfanalyse). Hierin dienen verschillende stappen te worden gezet door het evaluatieteam van de hogeschool: ● ● ●
de voorbereiding van de zelfevaluatie: Wie zal de coördinator worden? Wat dient er geëvalueerd te worden? Hoe dient men te quoteren, enz..; de samenstelling van het evaluatieteam; de stappen die moeten gezet worden, d.w.z. individuele zelfevaluatie, discussie van de individuele vragenlijsten in groepsvorm; het actieplan om de situatie te verbeteren.
9.4.1.2.2. Interne kwaliteitsbewaking aan de universiteiten
In Vlaanderen hebben de universiteiten in 1991 in ruil voor een grotere zelfstandigheid een systeem van interne en externe kwaliteitszorg opgezet. De verantwoordelijkheid en het eigenaarschap van het kwaliteitszorgsysteem werd door de overheid volledig bij de instellingen gelegd. Net als de hogescholen zorgen de universiteiten voor de interne en externe kwaliteitszorg van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten. Zij zien permanent en op eigen initiatief toe op de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten. De zelfevaluatie is een controlevorm binnen het geheel van de interne kwaliteitszorg. De periodiciteit wordt vastgelegd door het universiteitsbestuur rekening houdende met elementen als de studieomvang van de opleiding en de frequentie van de externe kwaliteitszorg.
Evaluatie / 411
9.4.2. Externe evaluatie In het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs (incl. de basiseducatie), het deeltijds kunstonderwijs en de CLB's is de externe kwaliteitscontrole gebaseerd op de doorlichting van de instellingen. We behandelen hier achtereenvolgens de externe evaluatieprocedures in: ● ● ● ●
9.4.2.1. het basis-, secundair, volwassenen en deeltijds kunstonderwijs 9.4.2.2. de CLB, centra voor leerlingenbegeleiding 9.4.2.3. het hoger onderwijs – de visitaties & 9.4.2.4. de accreditatie 9.4.2.5. de voortdurende vorming
9.4.2.1. Doorlichting in het basis-, secundair, volwassenen en deeltijds kunstonderwijs
Met het nieuwe Kwaliteitsdecreet van 8 mei 2009 stapte de onderwijsinspectie over van integraal naar gedifferentieerd doorlichten: de onderwijsinspectie licht de scholen, academies en centra door op basis van het schoolprofiel. Dit schoolprofiel (gebaseerd op een bronnenanalyse en een verfijning ter plaatse) geeft een inschatting van de kwaliteit van de instelling. Door interpretatie en deliberatie komen de inspecteurs uiteindelijk tot een doorlichtingsfocus: welk leergebied, studierichting of ander aspect bekijken ze van nabij tijdens de eigenlijke doorlichting? De inspecteurs bepalen de focus in verhouding (recht evenredig) tot de ingeschatte sterke en zwakke punten van de school. Een doorlichting wordt uitgevoerd door een doorlichtingsteam dat bestaat uit ten minste 2 inspecteurs en kan worden uitgebreid met een of meer externe deskundigen. Tijdens een doorlichting van een onderwijsinstelling gaat de inspectie na of de onderwijstelling de onderwijsreglementering respecteert en of de onderwijsinstelling op systematische wijze haar eigen kwaliteit onderzoekt en bewaakt. Tijdens een doorlichting van een CLB gaat de inspectie na of het CLB de CLB-reglementering respecteert en of het CLB op systematische wijze haar eigen kwaliteit onderzoekt en bewaakt. De inspectie onderzoekt daarbij ook de opdrachten die de instelling eventueel heeft toegewezen aan de scholengemeenschap, de scholengroep of het consortium waartoe zij behoort. Als de inspectie tijdens een doorlichting tekorten vaststelt, onderzoekt ze of de instelling deze tekorten al dan niet zelfstandig en zonder externe ondersteuning weg kan werken. Iedere instelling dient binnen een periode van 10 jaar minimaal een keer te worden doorgelicht. Voor de bepaling van de frequentie en de intensiteit van de doorlichting baseert de inspectie zich op het profiel van de instelling. De inspectie kan ook, naar aanleiding van ernstige klachten over een instelling, op vraag van de Vlaamse Regering, een doorlichting uitvoeren. Het toezicht op de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid van gebouwen en lokalen, vermeld in de reglementering, kan afzonderlijk van de doorlichting uitgevoerd worden. De inspectie spreekt zich in haar oordeel nooit uit over de rol van het bestuur van de instelling, noch over individuele personeelsleden.
Evaluatie / 412
Instrumentarium Het referentiekader dat de inspectie hanteert bij doorlichtingen is gebaseerd op het CIPO-model (bestaande uit 4 componenten: context, input, proces, output) als structurerend kader waarbinnen de vaststellingen in hun onderlinge samenhang kunnen worden bekeken. Elke component bestaat uit een verzameling indicatoren. De invulling van deze componenten is de volgende: ●
●
●
●
Context: de stabiele informatie m.b.t. ligging, bestuurlijke organisatie, materiële en structurele omstandigheden waarin de school moet functioneren, maar waar ze zelf nauwelijks invloed op heeft. Input: informatie over de omstandigheden waarin en de middelen waarmee de school haar processen moet uitbouwen, maar waarop ze zelf toch enige invloed kan hebben zoals personeel (profiel, nascholing en vorming), financiële middelen, studieaanbod, leerlingen (aanbod, profiel)… Proces: het geheel van onderwijskundige en schoolorganisatorische kenmerken dat aangeeft welke inspanningen de school doet om de door de overheid vooropgestelde doelen te bereiken. Het omvat de domeinen algemeen beleid, personeelsbeleid, logistiek beleid en onderwijskundig beleid. Output: zowel de harde outputgegevens die aangeven in welke mate de te realiseren doelstellingen (eindtermen, leerplannen, doorstroming…) worden bereikt, als de zachtere outputgegevens zoals het welbevinden van leerlingen en leerkrachten.
Bij elk aspect van de werking waarnaar gekeken wordt, stelt de inspectie dezelfde basisvragen: ● ● ● ●
Welke ondersteunende initiatieven neemt de instelling om de inspanningsverplichting en/of resultaatsverplichting waar te maken? Welke effecten wil het team met deze initiatieven bereiken? Welke ontwikkelingen zijn aan de gang? Hoe verantwoordt het team de keuzes die gemaakt werden?
De keuze voor dit model impliceert dat de inspectie het functioneren van de leraar en de directeur ziet binnen het totale functioneren van de school en dat men het functioneren van de school kadert binnen de lokale context. Het werken met dit model gebeurt vanuit een verantwoordings- en schoolontwikkelingsperspectief. De schooldoorlichting is zowel een middel om gegevens in de school te controleren (verantwoording) als een mogelijke aanleiding voor scholen om hun onderwijskwaliteit te optimaliseren (ontwikkeling). Aanvullend gaat het doorlichtingsteam na of de infrastructuur van de school voldoet en of de wettelijke bepalingen nauwgezet worden opgevolgd. Het referentiekader verwijst op het niveau van indicatoren of variabelen in ieder geval naar de reglementaire verplichtingen van instellingen inzake de minimumdoelen, de erkenningsvoorwaarden en de financierings- en subsidiëringsvoorwaarden en naar de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van : ● ● ● ● ● ● ● ●
het beleid inzake gelijke onderwijskansen; het zorgbeleid en de leerlingenbegeleiding; het talenbeleid; het beleid inzake de oriëntering van leerlingen; het evaluatiebeleid met betrekking tot leerlingen en cursisten; de beleidskeuzes die erop gericht zijn de personeelsleden optimaal in te zetten en te ondersteunen; het nascholings- en professionaliseringsbeleid; het beleid inzake participatie.
Evaluatie / 413
Procedure Instellingen die worden doorgelicht krijgen tijdig vooraf een aankondigingsbrief, met uitnodiging voor een infosessie, gevolgd door een infodossier waarin gepeild wordt naar gegevens die niet beschikbaar zijn in de databanken van de overheid. Een doorlichting bestaat uit drie fases: (1) het vooronderzoek (2) de eigenlijke doorlichting (3) het verslag. Bij elke fase doorlopen de inspectieteams telkens vier identieke stappen: (1) (2) (3) (4)
de bronnen analyseren de informatie uit die bronnen onderzoeken de informatie interpreteren delibereren.
(1) Wanneer de inspectieteams een school, centrum of academie doorlichten, maken ze eerst een schoolprofiel: een inschatting van de kwaliteit van de instelling. Dat gebeurt tijdens het vooronderzoek, dat bestaat uit: ●
een bronnenanalyse:
○ een eerste bron zijn de cijfergegevens uit de operationele databanken van de overheid. Dat zijn de data die de onderwijsinstellingen doorsturen naar Brussel.
○ een tweede bron zijn de gegevens die de inspectie met het infodossier bij de instellingen verzamelt. Het infodossier is een korte schriftelijke vragenlijst.
○ een derde bron is alle informatie uit de voorbije doorlichtingen: doorlichtings- en ●
opvolgingsverslagen, GOK-verslagen, enzovoort. een verfijning ter plaatse via observatie, gesprekken en documentenanalyse. Een team van twee inspecteurs bezoekt gedurende één dag de school, het centrum of de academie.
Uiteindelijk komen de inspecteurs door interpretatie en deliberatie tot een doorlichtingsfocus: welk leergebied, studierichting of ander aspect bekijken ze van nabij tijdens de doorlichtingsfase? De inspecteurs bepalen de focus in verhouding (recht evenredig) tot de ingeschatte sterke en zwakke punten van de school. Die doorlichtingsfocus wordt één week op voorhand medegedeeld. (2) In doorlichtingsfase komen de inspecteurs een paar dagen een kijkje nemen in de school, het centrum of de academie. Zij voeren er gesprekken, bestuderen documenten en observeren. De fase duurt 3 tot 6 dagen, afhankelijk van: de schoolgrootte, de omvang van de doorlichtingsfocus, de samenstelling van het doorlichtingsteam. ●
Gesprekken: de gesprekken beogen de verworven informatie uit het informatiedossier en de vaststellingen te vervolledigen en te verfijnen. In de gesprekken met leerlingen komen algemene thema's aan bod, gebaseerd op de schalen en subschalen van de wetenschappelijk ontwikkelde enquête 'welbevinden leerlingen'. Deze gesprekken zijn niet bedoeld als een evaluatie van personeelsleden. Gesprekken met leraren hebben onder andere tot doel de reeds ingewonnen informatie te verfijnen, eventuele nieuwe aspecten of aandachtspunten te ontdekken, de persoonlijke inbreng en het initiatief van de leraar in de doorlichting te garanderen, en vaststellingen mee te delen. Gesprekken met titularissen van een vak- of vakkengroep zijn in het begin van de feitelijke doorlichting nuttig om informatie uit documenten (bijvoorbeeld het vak- of studierichtingsinformatiedossier) en observaties toe te lichten en op het einde van de feitelijke doorlichting om de bevindingen te bespreken. Gesprekken met ouders en/of externen beogen de perceptie van het schoolgebeuren door derden te toetsen.
Evaluatie / 414
●
●
● ●
●
Lesobservaties: de inspecteurs wonen lessen bij. Deze klasbezoeken hebben niet als doel de individuele leraar te beoordelen, maar dragen bij tot vaststellingen m.b.t. het rendement van het vakkenonderwijs. Deelonderzoeken: voor sommige deelaspecten, zoals o.m. de vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen, de veiligheid, het welbevinden en het taalbeleid, maakt de inspectie gebruik van specifieke instrumenten. Die instrumenten staan voor de scholen ter beschikking op de website van de inspectie. Deelname aan het schoolleven: bezoek aan het leerlingenrestaurant, speelplaatsbezoek, informele ontmoetingen met leraren in de leraarskamer, aanwezigheid bij klassenraden. Vakvergaderingen: op het einde van de doorlichting kunnen de bevindingen op vak- of studierichtinggebied door de betrokken inspecteurs met de vakgroepen in een vergadering of met individuele leraren worden besproken. Na de schoolfase selecteert en ordent elke inspecteur zijn informatie op basis van het analysekader om te komen tot een zo objectief mogelijk totaalbeeld van de school. Op het einde van de verwerkingsperiode organiseert de inspecteurverslaggever een vergadering met alle teamleden. Die vergadering heeft een delibererend karakter, wat leidt tot het uiteindelijke verslag en advies.
Het doorlichtingsverslag Uiterlijk 60 dagen na een doorlichting informeert de inspectie, tijdens een verifiëringsgesprek, de directie en het schoolbestuur over haar bevindingen. Uiterlijk 30 dagen na dat gesprek stuurt de inspectie het verslag naar het schoolbestuur. Het verslag moet binnen dertig dagen na ontvangst door de directeur op de agenda van een personeelsvergadering worden geplaatst. Het moet integraal worden besproken. Pas wanneer het verslag ondertekend (door de directie en de inrichtende macht) is terugbezorgd aan de inspectie, en er geen beroepsprocedure loopt, is de procedure voltooid en wordt het verslag openbaar gemaakt. In het verslag formuleert de inspectie aanbevelingen om een schoolintern proces van kwaliteitszorg te stimuleren. Het is de school zelf die uitmaakt welke acties er op deze aanbevelingen volgen. Zo nodig signaleert de inspectie ook tekorten. In tegenstelling tot aanbevelingen hebben tekorten een bindend karakter. Om ze tegen een vooropgestelde datum weg te werken kan de school een aantal hulpmiddelen hanteren: een concreet stappenplan uitzetten, de hulp en ondersteuning van een begeleidingsdienst inroepen of een nascholingsplan maken in relatie met de tekorten. Maar hierover beslist de school zelf. Elk verslag eindigt met een advies aan de minister. Er zijn drie mogelijkheden: ●
●
●
een gunstig advies, of advies 1, als de onderwijsinspectie voldoende professionaliteit en bereidheid in de instelling ziet om zelf kwaliteitsvol verder te werken aan haar ontwikkeling; ze voert dan geen opvolging uit; een gunstig advies, beperkt in de tijd, of advies 2; dan volgt na de periode, vermeld in het advies, een opvolgingsdoorlichting. Tijdens deze opvolgingsdoorlichting gaat het inspectieteam na of de instelling de vastgestelde tekorten heeft geremedieerd; een ongunstig advies, of advies 3, waarin de onderwijsinspectie aangeeft of de instelling al dan niet met externe ondersteuning de vastgestelde tekorten kan remediëren. Tevens wordt de procedure tot intrekking van de erkenning van de instelling of van een structuuronderdeel opgestart. Het bestuur van de instelling kan binnen een termijn van twee maanden na die mededeling de opschorting van de procedure tot intrekking van de erkenning aanvragen op basis van een door het bestuur van de instelling uitgewerkt verbeteringsplan. Na een ongunstig advies volgt ook steeds een nieuwe doorlichting gericht op de eerder geformuleerde tekortkomingen. Dit gebeurt door een paritair college binnen drie maanden of binnen de laatste drie maanden van de opschortingstermijn.
Evaluatie / 415
De doorlichtingsverslagen van de instellingen die werden doorgelicht na 1 januari 2007 zijn te raadplegen op de website van het departement Onderwijs en Vorming, ten vroegste 3 maanden na een doorlichting. De verslagen die vroeger dan 2007 werden afgeleverd kunnen opgevraagd worden per e-mail. http://www.ond.vlaanderen.be/doorlichtingsverslagen/ De controle van de internaten vindt plaats in het schooljaar 2009-2010. In 2009-2010 worden ook een aantal opleidingsprofielen geëvalueerd in het studiegebied Talen richtgraad 1 en 2, 3 en 4 van het secundair onderwijs voor sociale promotie.
9.4.2.2. Doorlichting CLB’s, centra voor leerlingenbegeleiding
Het decreet van 1 december 1998 betreffende de CLB's voorzag in kwaliteitsbewaking aan de hand van een systeem van visitaties zoals in het hoger onderwijs. In de opstartperiode van de CLB's werd door de CLB-inspectie tijdens doorlichtingen vooral gefocust op de omvorming van PMS en MST naar CLB. In 2005-2006 en 2006-2007 werden de CLB's enkel doorgelicht met als onderwerp de voorwaarden voor erkenning, financiering of subsidiëring. In 2008 startte een nieuwe doorlichtingscyclus voor de CLB's. Vooral de relatie tot de interne kwaliteitszorg binnen de centra (met een kwaliteitshandboek en kwaliteitsplan) en de in sommige centra reeds gangbare zelfevaluatie diende daarbij met de CLB's te worden uitgeklaard. Centra die reeds een voldoende ervaring opbouwden met zelfevaluatie kunnen overwegen om dat zelfevaluatierapport ook deel te laten uitmaken van de doorlichting. De evaluatie van het zelfevaluatierapport kan dan een onderdeel zijn van de voorbereidingsfase van de doorlichting en een invloed hebben op de aard en de omvang van de doorlichting. In de doorlichting kan dan worden nagegaan of: ● ● ●
de zelfevaluatie heeft geleid tot een betrouwbare evaluatie van de geëvalueerde kwaliteitsaspecten; er een kwaliteitsbeleid werd gevoerd en de resultaten van de zelfevaluatie systematisch werden opgevolgd; resultaten kunnen worden voorgelegd inzake kwaliteit van dienstverlening en het bereiken van gezondheids- en onderwijsloopbaandoelstellingen.
Met elk van de 73 CLB's is daartoe in 2008 een protocol gesloten dat bestaat uit twee delen: ● ●
een engagement van het centrum om te beginnen met zelfevaluatie (op haar eigen tempo) en van de inspectie om dit te betrekken bij de doorlichting; een schets door het centrum van haar beginsituatie en de wijze waarop ze met de zelfevaluatie wil beginnen.
Het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs regelt voortaan ook de doorlichting van de CLB’s. Tijdens een doorlichting van een CLB gaat de inspectie na of het CLB de CLB-reglementering respecteert en of het CLB op systematische wijze haar eigen kwaliteit onderzoekt en bewaakt.
9.4.2.3. Visitaties hoger onderwijs
Het externe gedeelte speelt zich af op het niveau van de overkoepelingen van de universiteiten en de hogescholen, respectievelijk VLIR en de VLHORA. Dit zijn de overkoepelingen van respectievelijk de universiteiten en de hogescholen. In het externe gedeelte vindt er een visitatie plaats. Dit wordt gedaan door deskundigen van buiten de opleiding en de instelling. Deze deskundigen vormen de visitatiecommissie waarin de volgende specifieke deskundigheid aanwezig moet zijn: Evaluatie / 416
● ● ● ●
domeinspecifieke deskundigheid in de discipline en het betreffende veld; onderwijsdeskundigheid; evaluatiedeskundigheid; deskundigheid in de internationale ontwikkelingen van de discipline.
Er is ook steeds een student lid van de visitatiecommissie. Deze studenten worden voorgesteld door de Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS). Het zelfevaluatierapport uit het interne gedeelte vormt de inhoudelijke basis waarop de visitatiecommissie verder werkt. De commissie hanteert daarbij het accreditatiekader van de NVAO. In dit kader zijn verschillende onderwerpen met onderliggende facetten opgenomen die het mogelijk maken de kwaliteit van de opleiding zichtbaar te maken. Tijdens haar evaluatie licht de commissie de opleiding door, bespreekt de zelfevaluatie, bezoekt de instelling, spreekt met de betrokkenen uit de opleiding (omkadering, docenten/professoren, studenten, alumni, …) en evalueert werkstukken van studenten. De commissie schrijft haar bevindingen en oordelen neer in een evaluatierapport. De instelling dient aan de NVAO de accreditatie van een opleiding aan te vragen. Dit gebeurt zowat een jaar voordat de geldende (overgangs)accreditatie vervalt. De aanvraag wordt vergezeld van het evaluatierapport van de visitatiecommissie. Een externe evaluatie, per opleiding of per cluster van opleidingen, dient ten minste om de 8 jaar te gebeuren voor de bachelor- en de masteropleidingen (Decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (B.S. 18.08.2003). De VLHORA en de VLIR (en na oprichting de nieuwe VLUHR) (zie 2.7.2.2.) zorgen voor de organisatie en coördinatie van deze zgn. visitaties van opleidingen. Er is een grondig vernieuwd protocol van kwaliteitszorg uitgewerkt dat de visitatiecommissies, bestaande uit externe onafhankelijke deskundigen bij hun evaluatie van een opleiding of cluster van opleidingen hanteren. Het protocol is zowel een handleiding voor de opleidingen (ter voorbereiding van de zelfevaluatie) als voor de visitatiecommissies (ter instructie van hun bezoek en de rapportering erover). Alle instellingen die een te controleren opleiding of groep van opleidingen aanbieden, worden bij de visitatie betrokken. De procedure verloopt als volgt: 1
De visitatiecommissie vertrekt van het zelfevaluatierapport, opgesteld door de opleidingen (zie 9.4.1.2.). De visitatiecommissie bezoekt de betrokken instelling. Op basis van de visitatieactiviteiten komt ze tot een consensus over de sterke punten en de punten waarvoor de commissie aanbevelingen tot verbetering wenst te formuleren. De bezoekfase wordt afgerond met een mondeling verslag van de voornaamste bevindingen aan de beleidsverantwoordelijken van de betrokken instelling. De visitatie is gericht op het proces van kwaliteitsverbetering. De visitatiecommissies brengen de uitkomst van hun evaluatie samen in een openbaar verslag.
2
3
Het visitatierapport vormt voor de NVAO de basis om tot een accreditatiebesluit te komen (zie 9.4.2.4.). De NVAO legt haar jaarverslagen voor aan het Vlaams Parlement. http://nvao.net De visitatieprotocols en de visitatierapporten vindt men op ● ●
http://www.vlir.be http://www.vlhora.be/VLHORA_evaluatieorgaan/vlhora-kz.asp
De visitatiecommissies zelf worden niet geauditeerd. Zij zijn decretaal aangewezen. In 2008 heeft het Rekenhof (zie 2.6.1.) samen met de Nederlandse Algemene Rekenkamer een onderzoeksrapport uitgebracht over de kwaliteitsbewaking in het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Dat werd voorgesteld en besproken in het Vlaams Parlement op 19 november 2008. In de toekomst zal de VLUHR, samen met de decretale stuurgroep volwassenenonderwijs, instaan voor de coördinatie van de visitaties van de opleidingen HBO5, hoger beroepsonderwijs (zie 5.20.3.).
Evaluatie / 417
In 2009 liet de Vlaamse Onderwijsraad een vooronderzoek uitvoeren rond kwaliteitszorg in HBO5. Dit vooronderzoek werd opgevolgd door een klankbordgroep waarin alle actoren inzake kwaliteitszorg in HBO5 waren vertegenwoordigd, met name de VLHORA, de decretale stuurgroep volwassenenonderwijs, de onderwijsinspectie en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Het vooronderzoek geeft een overzicht van de bestaande regelgeving en de diverse evaluatiekaders inzake kwaliteitszorg en lijst een aantal knelpunten inzake afstemming tussen de verschillende actoren op. Zie hogergenoemde webpagina van de VLHORA.
9.4.2.4. De accreditatie van opleidingen in het hoger onderwijs
De in 1999 ondertekende Bolognaverklaring hield ook de verbintenis in om een transparant stelsel van externe kwaliteitszorg in te voeren. De Europese ministers spraken op de tweejaarlijkse opvolgconferentie in 2003 af dat de nationale kwaliteitszorgsystemen uiterlijk in 2005 een evaluatie van opleidingen / instellingen, een openbare rapportage en een accreditatie zouden moeten omvatten. Het accreditatieverdrag van 23 september 2003 vormt samen met het structuurdecreet van 4 april 2003 de decretale basis voor de invoering van de accreditatie in Vlaanderen. Sinds 1 februari 2005 is de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) actief in Vlaanderen en de eerste Vlaamse accreditatiebesluiten zijn genomen in 2006. Het reglement van de NVAO werd bekrachtigd door het decreet van 27 januari 2006. Het huidige accreditatiestelsel beoordeelt de basiskwaliteit en beoogt dat op het einde van de eerste accreditatieronde (2012-13) alle Vlaamse hogeronderwijsopleidingen voldoen aan de eisen van basiskwaliteit. Kwaliteitszorg wordt gedefinieerd als een proces waarmee het vertrouwen van de stakeholders (de belanghebbenden) wordt bevestigd dat het onderwijs (input, proces en resultaten) de verwachtingen inlost of aan de minimumvereisten voldoet. Op grond van dit vertrouwen in de basiskwaliteit zal er gestreefd worden naar een (nog) hogere kwaliteit. Met de Verklaring van Leuven (april 2009) is het Bolognaproces een nieuwe fase ingetreden, waarin objectief aantoonbare kwaliteit van opleidingen en instellingen voorop staat. Accreditatie vormt eigenlijk het sluitstuk van de kwaliteitszorg. Het initiatief voor een accreditatieaanvraag ligt bij de instelling voor hoger onderwijs. Een opleiding wordt beoordeeld aan de hand van het accreditatiekader dat de NVAO heeft uitgewerkt en dat zes onderwerpen omvat: doelstellingen van de opleiding, programma, inzet van personeel, voorzieningen, interne kwaliteitszorg en resultaten. Het visitatierapport, de evaluatie van de opleiding door de visitatiecommissie, vormt voor de NVAO de basis om tot een accreditatiebesluit te komen. Daartoe gaat de NVAO na ● ● ●
of de commissie wel voldoende expertise had om een deskundige en onafhankelijke uitspraak te doen over de opleiding, of de commissie alle elementen uit het accreditatiekader heeft beoordeeld en of de verschillende oordelen wel op een degelijke en begrijpelijke manier onderbouwd zijn.
Het accreditatiebesluit kan enkel positief of negatief zijn. ● ●
Indien het besluit positief is, wordt de accreditatietermijn van de opleiding in het Hogeronderwijsregister vernieuwd voor 8 academiejaren. Indien het besluit negatief is, vervalt de erkenning van de opleiding. Dit betekent dat de opleiding uit het Hogeronderwijsregister wordt verwijderd. De instelling mag dan de opleiding niet meer aanbieden (en het erkende diploma niet meer uitreiken). Indien de opleiding overheidsfinanciering kreeg, valt die natuurlijk weg. De instelling kan in geval van een negatief besluit wel een verbeteringstraject voorleggen aan de minister verantwoordelijk voor hoger
Evaluatie / 418
onderwijs. Die kan dan een tijdelijke erkenning van maximaal drie jaar toekennen. Binnen die termijn moet er dan een positief accreditatiebesluit verworven worden. De geaccrediteerde opleidingen worden door het NVAO bijgehouden in het Hogeronderwijsregister. De Vlaamse administratie moet er op toezien dat het onderwijsaanbod in overeenstemming is met dit register. In Vlaanderen mogen en kunnen enkel (ambtshalve) geregistreerde instellingen geaccrediteerde opleidingen aanbieden die leiden tot erkende diploma’s zoals Bachelor, Master en Doctor. (En sinds 2009 ook voor het HBO5, hoger beroepsonderwijs, zie 5.20.3.). Accreditatie moet op termijn leiden tot een automatische erkenning van het behaalde Vlaamse diploma in de rest van Europa. Gezien Nederland vroeger gestart is met accreditatie zijn in 2009 alle Nederlandse hogeronderwijsopleidingen geaccrediteerd (accreditatiecyclus 6 jaar). In Vlaanderen zullen alle opleidingen pas tegen het eind van het academiejaar 2012-13 het proces hebben doorlopen (accreditatiecyclus 8 jaar). De Nederlands Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) heeft ondertussen een diepgaander accreditatiestelsel uitgewerkt en uitgetest in pilots aan Nederlandse en Vlaamse hogescholen en universiteiten. Dit accreditatiestelsel bestaat uit een combinatie van audits op niveau van de instellingen en evaluaties op niveau van de opleiding. De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming streeft ernaar het regelgevende kader voor het visitatie- en accreditatiestelsel van de tweede ronde tegen het midden van 2011 te laten goedkeuren. De NVAO is als een van de eerste Europese kwaliteitszorgorganisaties opgenomen in het onafhankelijke Europese register van kwaliteitsagentschappen (European Quality Assurance Register for Higher Education - EQAR), dat eind 2008 werd gepubliceerd. Uit het eindrapport van de internationale evaluatiecommissie bleek immers dat de NVAO met haar accreditatie voldoet aan de European Standards and Guidelines van de European Association for Quality Assurance in Higher Education (ENQA). In 2009 zijn ook de VLIR en de VLHORA, nu VLUHR, opgenomen in EQAR. De NVAO is ook lid van deze organisatie alsook van het European Consortium for Accreditation in Higher Education (ECA) en wordt dus ook zelf doorgelicht. http://nvao.net & http://www.hogeronderwijsregister.be
9.4.2.5. Externe evaluatie voortdurende vorming
Ook in het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs worden door de onderwijsinspectie regelmatig doorlichtingen georganiseerd (zie 9.4.2.1.). In de aanloop naar het nieuwe decreet Leren en Werken heeft de onderwijsinspectie in 2007-2008 de organisatie en de werking nagegaan van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de Syntra en de centra voor deeltijdse vorming. Sinds 2009 staat het nieuwe agentschap voor kwaliteitszorg in onderwijs en vorming in voor het kwaliteitszorgsysteem voor trajecten die leiden naar bewijzen van erkende kwalificaties, ook voor de beroepsopleiding van de VDAB en de vormingstrajecten van SYNTRA. In de ondernemersvorming is integrale kwaliteitszorg sinds 2001 structureel ingebed in het SYNTRA-netwerk. Voor kritische zelfevaluatie binnen de centra wordt het PROZA kwaliteitsinstrument versie VIZO gebruikt. De evaluatie van het kwaliteitsproces wordt opgevolgd door een visitatiecommissie bestaande uit de voorzitter en ondervoorzitter van de raad van beheer van SYNTRA Vlaanderen, de gedelegeerd bestuurder, de afdelingshoofden sectorale netwerking en draaischijf ondernemerscompetenties, het bevoegde decentrale diensthoofd evenals interne en Evaluatie / 419
externe deskundigen. Daarnaast zijn er resultaatsmetingen door een extern onderzoeksbureau, op vlak van effectiviteit, klantentevredenheid, naam- en productbekendheid, marktaandeel. In de landbouwvorming staat de afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling van het Departement Landbouw en Visserij in voor de erkenning van de organisatoren (de erkende centra) en inspecties ter plaatse. De organisaties die gesubsidieerd worden op het decreet betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk worden verondersteld in hun werking rekening te houden met principes van integrale kwaliteitszorg en zorg te dragen voor professionalisering en professionaliteit. De manier waarop ze dit doen vormt een onderdeel van de evaluatie van hun werking door de administratie. Het Agentschap Sociaal-cultureel werk voor Jeugd en Volwassenen beoordeelt de werking van de organisaties onder meer op basis van de jaarlijkse verantwoordingsdocumenten en d.m.v. een visistatiebezoek door een gemengde commissie, samengesteld uit leden van het Agentschap Sociaal-cultureel werk voor jeugd en volwassenen en externe deskundigen. Voor verenigingen, gespecialiseerde vormingsinstellingen en bewegingen kan dat gevolgen hebben voor de aanpassing van het subsidiebedrag (zie 2.8.5.6.). SoCiuS, het steunpunt voor sociaal-cultureel volwassenenwerk, begeleidt de toepassing van kwaliteitszorg in de sector. SoCiuS heeft een bijscholingsaanbod en organiseert intervisiebijeenkomsten, collegagroepen en werkplaatsen. Speciale aandacht krijgen o.a. de thema’s ‘interculturaliseren’ en ‘gemeenschapsvorming en maatschappelijke activering’. SoCius begeleidt ook de toepassing van kwaliteitszorg in de sector. In de periode 2008-2010 ontwikkelt SoCiuS deskundigheid en kennis over kansengroepen met betrokkenheid van ervaringsdeskundigen en de wetenschappelijke wereld. Het steunpunt verzorgde ondertussen reeds twee publicaties rond het educatief werken met ouderen en een rond het educatief werken met personen met een handicap.
9.5. Evaluatie van het onderwijssysteem Vlaanderen beschikt niet over een systeem van nationale examens. Dat neemt niet weg dat verschillende andere kanalen in het leven geroepen werden die het mogelijk maken de kwaliteit van het onderwijssysteem te evalueren. We verwijzen daarbij naar het zogenaamde periodiek peilingonderzoek en de deelname aan internationaal vergelijkend onderzoek. Uiteraard speelt ook de onderwijsinspectie hier een belangrijke rol.
9.5.1. Het jaarverslag van de onderwijsinspectie Op basis van de ervaringen bij de evaluatie van de onderwijsinstellingen (zie 9.4.2.) schrijft de onderwijsinspectie elk jaar een verslag over de toestand van het onderwijs. Dit jaarverslag van de inspectie (de zogenaamde Onderwijsspiegel) beschrijft de toestand van het onderwijs tijdens het voorgaande schooljaar en poneert een aantal beleidsaanbevelingen, zowel op algemeen beleidsniveau als op schoolniveau. Het is decretaal in eerste instantie bedoeld voor de leden van het Vlaams parlement. Daarbij wordt eens om de drie jaar een uitvoeriger verslag geschreven op basis van de doorlichtingsverslagen van de voorgaande 3 jaren. Dit verslag zoomt dan in op specifieke aspecten die tijdens iedere doorlichting onderzocht werden. In de tussenliggende 2 jaren wordt de “Onderwijsspiegel” uitgewerkt rond vooraf vastgelegde thema’s. Die thema’s worden dan meer gericht (hetzij tijdens doorlichtingen, hetzij afzonderlijk) onderzocht. In het verslag over de toestand van het onderwijs schooljaar 2007-2008 trekt de onderwijsinspectie de kaart van het gedifferentieerd doorlichten. Het omvat de synthese van drie Evaluatie / 420
onderzoeken. Het verslag begint met een terugblik op de doorlichtingen van 2000 tot 2008. Een tweede deel bevat het verslag van de inspectie van een aantal GOK-scholen; het afgelopen schooljaar was het laatste van de tweede GOK-cyclus dat uitliep op een controle. In de aanloop naar het nieuwe decreet Leren en Werken gaat de onderwijsinspectie in een derde deel de organisatie en de werking na van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de Syntra en de centra voor deeltijdse vorming. Te downloaden op: http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/?nr=272
9.5.2. Periodiek peilingonderzoek inzake eindtermen De overheid organiseert sinds 2002 regelmatig een peilingonderzoek naar een cluster van eindtermen. Via representatieve steekproeven worden de prestaties van de leerlingen anoniem onderzocht en worden resultaten op het niveau van het onderwijssysteem berekend. Aan de hand van de periodieke peilingen wil de overheid zicht krijgen op het behalen van de eindtermen in het Vlaams onderwijs. De peilingen worden steeds aan het einde van een onderwijsniveau of van een graad in het secundair onderwijs afgenomen. Zo wordt een peiling over de eindtermen van het basisonderwijs steeds op het einde van het zesde leerjaar lager onderwijs afgenomen. Dat komt omdat de eindtermen ook per onderwijsniveau of graad geformuleerd zijn. De peilingen verschaffen noodzakelijke informatie over de opbrengsten van het onderwijs in termen van wat de leerlingen nu werkelijk geleerd hebben, wat ze kennen en kunnen. De betrouwbare landelijke gegevens over leerlingenprestaties worden aangewend in het bevorderen en bewaken van de kwaliteit van het onderwijssysteem. De informatie uit peilingen kan - naast andere informatie over de implementatie van de eindtermen - worden gebruikt om deze te evalueren en eventueel te herzien. Het peilingonderzoek kan ook worden gebruikt om het onderwijsaanbod en de gebruikte leer- en onderwijsmethodes bij te sturen en een idee te krijgen van de behoefte aan begeleiding en nascholing van leerkrachten. Jaarlijks worden 2 peilingen georganiseerd en is de methodiek bijgestuurd. Gedurende 5 jaar zal het peilingonderzoek worden uitgevoerd door het Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -Evaluatie (CO&E) van de K.U.Leuven http://ppw.kuleuven.be/livo/ Voortaan wordt gewerkt met grotere steekproeven en bijkomende gegevens. Dat laat preciezere analyses toe. Een peiling kan zo bv. een beter inzicht bieden in hoe de prestaties van leerlingen samenhangen met bepaalde kenmerken van de school. Na een peiling zijn enkele opgaven raadpleegbaar online. Bovendien zijn sinds 2009 parallelversies beschikbaar van reeds gehouden peilingproeven. Met deze parallelversies kunnen scholen die niet in de steekproef opgenomen waren, zichzelf testen en hun resultaten analyseren en vergelijken. De toetsopgaven in deze versies zijn anders dan in de echte peilingen, maar ze meten wel dezelfde kennis en/of vaardigheden. Op basis van de peilingresultaten worden voortaan ook consultaties en conferenties georganiseerd. De conferenties kunnen gezien worden als de vierde stap in een cyclus van 5 stappen. Deze zijn: ● ● ● ●
Stap 1: De onderzoekers bezorgen de overheid de resultaten van de peiling. Stap 2: De overheid maakt de resultaten bekend in een colloquium, in een toegankelijke brochure en op een website. Stap 3: De overheid nodigt alle partners uit om na te denken over de peilingresultaten en organiseert consultaties bij iedereen die een bijdrage levert aan het onderwijs. Stap 4: De overheid organiseert een open conferentie. Op basis van een dossier debatteren de aanwezigen over de consultatievragen en over mogelijke manieren om de onderwijskwaliteit te behouden of te verbeteren; formuleert een groep deskundigen na het debat aanbevelingen aan alle betrokkenen. Na de conferentie publiceert de overheid een
Evaluatie / 421
●
brochure over de resultaten van de conferentie: een syntheseverslag van de werkgroepen en aanbevelingen van externe deskundigen over mogelijk te ondernemen acties. Stap 5: De partners zetten na het debat, in overeenstemming met hun visie, prioriteiten en werking, de aanbevelingen om in concrete acties. De overheid is één van die partners en is onder meer verantwoordelijk voor aanpassingen aan de eindtermen. Leerplanmakers, begeleiders en nascholers, opleiders, uitgeverijen, inspectie, en eventueel andere partners voeren hun acties uit. Leerkrachten moeten naar aanleiding van dit proces de kans krijgen om te leren omgaan met de evaluaties en, mits goede ondersteuning en tijd die hiervoor kan worden vrijgemaakt, kansen krijgen tot professionalisering. Leerkrachten dragen ook mee verantwoordelijkheid om de beoogde kwaliteitsverbetering te realiseren. Na het doorlopen van deze cyclus kan een herhaling van de peiling worden gepland.
Deze cyclus beoogt het draagvlak voor de eindtermen en voor de implementatie ervan te vergroten, door een 'systeemaanpak' waarbij zoveel mogelijke partners worden betrokken (leerkrachten, directies, begeleiders, inspectie, uitgeverijen, lerarenopleidingen, sociale partners…). In 2007 werd begonnen met open conferenties over de peilingen van 2004, 2005 en 2006. Vanaf 2008 worden jaarlijks de peilingen van het vorige jaar besproken. De brochures met peilingresultaten en de dossiers met het verslag van de werksessies tijdens de conferenties kunnen gedownload worden op: http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/peilingen/conferenties/index.htm
Reeds georganiseerde peilingen sinds 2007 Jaar 2007 2008 2009
Onderwijsniveau
Leergebied & domein e
Secundair onderwijs 1 graad, A-stroom
Frans lezen, luisteren en schrijven
Basisonderwijs
Nederlands, begrijpend lezen (bis) en luisteren
Basisonderwijs
Frans lezen, luisteren, schrijven en spreken
Secundair onderwijs 1e graad, B-stroom
Wiskunde
Basisonderwijs
Wiskunde (bis) e
2010
Secundair onderwijs 1 graad, A-stroom
Wiskunde
Basisonderwijs
Wereldoriëntatie: tijd, ruimte en maatschappij met praktische proef gebruik bronnenmateriaal
Secundair onderwijs 3e graad
Nederlands: lezen en luisteren met praktische proef spreken
Indicatieve planning voor de afname (mei-juni) van peilingen en herhalingspeilingen voor de eerstkomende jaren (daar gaat dus nog een ontwikkelfase aan vooraf) Jaar
Onderwijsniveau
Leergebied & domein
2011
Secundair onderwijs 1e graad, A-stroom e
2012
2013
Informatieverwerving en –verwerking (bis)
Secundair onderwijs 2 graad ASO
Wiskunde
Basisonderwijs
Informatieverwerving en –verwerking met praktische proef ict
Secundair onderwijs 3e graad
Frans
Basisonderwijs
Nederlands: lezen (tris) en luisteren (bis)
Secundair onderwijs 3e graad BSO
Informatieverwerving en –verwerking
Evaluatie / 422
9.5.3. Deelname aan internationaal vergelijkend onderzoek Vlaanderen neemt met grote regelmaat deel aan internationaal vergelijkend onderzoek. Op basis van een internationale vergelijking van verscheidene kenmerken van het Vlaamse onderwijssysteem wordt informatie verkregen die het mogelijk maakt het functioneren van het onderwijssysteem te evalueren. Outputinformatie speelt daarbij een belangrijke rol maar wordt systematisch aangevuld met context-, input en procesinformatie. We geven de belangrijkste internationaal vergelijkende onderwijsonderzoeken waaraan Vlaanderen recentelijk heeft geparticipeerd. Voor een vergelijking tussen PIAAC, PIRLS, PISA en TIMSS is de brochure van het IES (Institute of Education Sciences) handig: http://nces.ed.gov/surveys/international/pdf/brochure_USparticipation.pdf alsook Comparing NAEP, TIMSS, and PISA in mathematics & science, http://nces.ed.gov/timss/pdf/naep_timss_pisa_comp.pdf
PISA (Programme for International Student Assessment / OECD), 2000, 2003, 2006, 2009 Dit is een internationaal onderzoek van de OESO naar de kennis en vaardigheden van 15-jarigen ongeacht het leerjaar waarin ze zich bevinden. Eerder dan op de beheersing van een schools curriculum richt PISA zich op de mate waarin leerlingen begrippen en concepten verstaan, processen beheersen en kennis en vaardigheden kunnen toepassen in verschillende realiteitsgetrouwe situaties. PISA meet het gecumuleerd effect van vaardigheden en competenties in leesvaardigheid, wiskundige geletterdheid en wetenschappelijke geletterdheid ongeacht waar jongeren dit hebben geleerd. ● ●
Worldwide learning at age 15. First results from PISA 2000 (Belgian report Flemish speaking community) http://www.pisa.oecd.org/dataoecd/30/16/33683931.pdf Learning for Tomorrow’s Problems in Flanders – First Results from PISA 2003 (report Flemish Community of Belgium) http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/eDocs/pdf/235.pdf
PISA werkt met een driejaarlijkse cyclus. In PISA2000 lag de nadruk op leesvaardigheid. PISA 2003 legde de nadruk op wiskundige geletterdheid en problemen oplossen (2003). De PISA 2003steekproef bestond uit 162 Vlaamse scholen waaronder een aantal scholen van het buitengewoon secundair onderwijs. In elke geselecteerde school werden op basis van toeval ongeveer 35 leerlingen geselecteerd. Vlaamse jongeren horen bij de besten van de wereld op vlak van leesvaardigheid en wiskundige geletterdheid, en bij de subtop voor wetenschappelijke geletterdheid. Deze goede resultaten werden gehaald zonder grote verschillen tussen de leerlingen met de hoogste en de laagste scores. De verschillen tussen leerlingen uit gezinnen met een hoge en lage sociaaleconomische status zijn relatief groot in Vlaanderen. Toch presteren leerlingen uit Vlaamse kansarmere milieus even goed als vergelijkbare groepen in het buitenland. Maar ze moeten 'opboksen' tegen leerlingen uit gezinnen met een hogere sociaaleconomische status die ongewoon hoge prestaties halen. Ook blijkt het verschil tussen autochtonen en allochtonen zeer groot. Het PISA-onderzoek toont hoe Vlaanderen voor wiskunde van de derde naar de eerste plaats op de wereldranglijst klimt. TIMSS daarentegen stelt dalende trends vast. Dat is volgens de onderzoekers een gevolg van de 'thermometer' waarmee wordt gemeten. ●
●
TIMSS test vooral de klassieke schoolse kennis. De wiskunde wordt theoretisch en abstract benaderd. De testitems zijn geïnspireerd op oefeningen zoals die doorgaans in scholen worden aangeboden. PISA situeert de opdrachten in levensechte contexten. Wiskunde wordt functioneel benaderd: wat kan ik ermee doen in het dagelijks leven? Leerlingen moeten 'echte' problemen oplossen met behulp van wiskundige formules en redeneringen in plaats van traditionele wiskundeoefeningen te maken. De klemtoon ligt meer op (probleemoplossende) vaardigheden dan op kennis. Daarom spreekt PISA ook over 'wiskundige geletterdheid'. Dat de Vlaamse Evaluatie / 423
leerlingen op PISA beter scoren, komt volgens de onderzoekers omdat de eindtermen net op die vaardigheden meer de klemtoon leggen dan op theoretische kennis. Die andere benadering van wiskunde zou tevens kunnen verklaren waarom steeds meer leerlingen aangeven dat ze graag wiskunde doen. PISA 2006 toetste de wetenschappelijke geletterdheid bij 15-jarigen uit 57 landen. In Vlaanderen legden iets meer dan 5000 leerlingen uit 162 scholen de tests af. Vlaanderen haalde de achtste plaats en scoorde beter dan de onmiddellijke buurlanden. 88 procent van de Vlaamse leerlingen haalt het basisniveau dat nodig is om echt wetenschappelijke vaardigheden toe te passen. In een gemiddeld Oeso-land is dat maar 81 procent. In Vlaanderen is het verschil tussen de sterkste en zwakste leerlingen iets kleiner dan in een gemiddeld Oeso-land. Meisjes en jongens scoren gemiddeld even goed, maar de invloed van sociaal-economische achtergrondkenmerken is in Vlaanderen wel heel groot. Voor wiskundige geletterdheid (dat nu niet centraal stond) scoorde Vlaanderen deze keer iets lager, maar bleef in de topgroep. Voor lezen stond Vlaanderen op de vijfde plaats. Vlaanderen neemt deel aan het Pisa 2009-onderzoek. Daarin ligt de nadruk op leesvaardigheid (major) zoals ook het geval was in PISA 2000, terwijl wiskunde en wetenschappen de minoren zijn. Vlaanderen neemt ook deel aan de optie om leesvaardigheid via de computer te testen. Het Vlaamse onderzoeksluik wordt uitgevoerd door de Vakgroep Onderwijskunde van de Universiteit Gent. ●
het volledige rapport over de Vlaamse prestaties in PISA 2006:
● ●
http://www.pisa.oecd.org http://www.oecd.org/department/0,2688,en_2649_35845621_1_1_1_1_1,00.html
http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsstatistieken/
PIAAC (Programme for International Assessment of Adult Competencies / OECD), 2011 PIAAC is een nieuw initiatief van de OESO, dat gesteund wordt door de Europese Commissie. Het programma wil nagaan in welke mate volwassenen beschikken over de belangrijkste sleutelcompetenties om succesvol te kunnen participeren in de samenleving en de economie van de 21e eeuw. Hoewel ruimer van opzet, sluit dit onderzoek aan bij het International Adult Literacy Survey (IALS), een geletterdheidsonderzoek waaraan Vlaanderen in het verleden heeft deelgenomen. PIAAC zal gegevens opleveren om de evolutie van geletterdheid en laaggeletterdheid in Vlaanderen op een betrouwbare en internationaal vergelijkbare wijze in kaart te brengen. In 2010 vindt het vooronderzoek plaats. Het hoofdonderzoek volgt in 2011 en de resultaten zullen in het voorjaar van 2013 beschikbaar zijn. Behalve Vlaanderen zijn meer dan 20 landen betrokken bij de voorbereiding van dit programma. In de Vlaamse begroting wordt voor de uitvoering van het vooronderzoek in 2009 en 2010 in een bedrag van € 730.000 voorzien. http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/links/PIAAC/piaac.htm
TALIS (Teaching and Learning International Survey / OECD), 2007-2008 In deze OESO-studie worden leerkrachten uit de 1e graad secundair onderwijs en hun directies in 2007/8 bevraagd rond thema’s als schoolklimaat, lespraktijk, professionele ontwikkeling, evaluatie en waardering van leerkrachten, schoolleiderschap. Er namen 23 landen aan deel. In Vlaanderen namen 203 scholen effectief deel en verrichtte de onderzoeksgroep EduBRON (UA) het onderzoek en zorgde voor de communicatie van de resultaten. Het onderzoeksrapport werd gepubliceerd in 2009. http://www.oecd.org/edu/talis & http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/Talis/
TIMSS (Trends in International Mathematics and Science Study / IEA), 2003 TIMSS (van de International Association for the Evaluation of Educational Achievement) brengt de leerlingenprestaties voor wiskunde en wetenschappen in het 4e leerjaar lager onderwijs en het Evaluatie / 424
2e leerjaar secundair onderwijs internationaal in kaart. De Vlaamse lagere scholen deden voor het eerst in 2003 mee aan de test. Vlaanderen neemt echter niet deel aan TIMSS 2007 en evenmin aan TIMMS 2011. http://timss.bc.edu/
PIRLS (Progress in International Reading Literacy Study / IEA), 2006 Voor de leesvaardigheid van hun leerlingen in het 4e leerjaar van het lager onderwijs plaatsen de Vlaamse scholen zich in 2006 op de dertiende plaats van de Progress in International Reading Literacy Study (PIRLS), een internationale studie naar begrijpend lezen van de International Association for the Evaluation of Educational Achievement (IEA). Het Vlaamse onderzoeksluik werd uitgevoerd door het Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -Evaluatie van de KU Leuven. Vlaanderen neemt niet deel aan PIRLS 2011, de Franstalige Gemeenschap wel. http://ppw.kuleuven.be/pirls/ http://timss.bc.edu/pirls2006/index.html
ICCS (International Civic and Citizenship Education Study / IEA), 2009 ICCS is een internationaal onderzoeksprogramma van de International Association for the Evaluation of Educational Achievement (IEA). Het onderzoek moet tonen in welke mate jongeren voorbereid zijn om hun rol als burgers van de 21e eeuw op te nemen. Op basis van een representatieve steekproef van leerlingen uit het 2e jaar van de 1e graad in meer dan 150 scholen, wil het project inzicht verschaffen in de vaardigheden en attitudes die in verband worden gebracht met democratisch burgerschap en de schoolse en andere factoren die deze beïnvloeden. De Europese Commissie zal het onderzoek gebruiken voor de monitoring van indicatoren met betrekking tot actief burgerschap in het kader van de opvolging van de Lissabondoelstellingen. http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/links/ICCS/default.htm In 2007 vond het vooronderzoek plaats, het hoofdonderzoek is gepland voor 2009 en de resultaten zullen beschikbaar zijn in 2010. Voor het Vlaamse luik van het onderzoek zorgt de Onderzoeksgroep TOR van de VUB. http://iccs.acer.edu.au/
ICALT (International Comparative Analysis of Learning and Teaching), 2007 De Vlaamse onderwijsinspectie werkte in 2007 mee aan een internationaal vergelijkend onderzoek over leren en onderwijzen 'International Comparative Analysis of Learning and Teaching' (ICALT) dat in 2007 gelijktijdig liep in een aantal Europese landen. In elk land observeerden de inspecteurs de lessen wiskunde in het 4e leerjaar van zoveel mogelijk basisscholen. In de eerste plaats wou dit onderzoek de kwaliteit van het wiskundeonderwijs aan deze doelgroep in kaart brengen. Het was ook de bedoeling te kijken of de gehanteerde indicatoren en beschrijvingen ook bruikbaar waren om de kwaliteit van leren en onderwijzen in brede zin te vatten. Veilig en stimulerend leerklimaat, duidelijke en activerende instructie, efficiënt klassenmanagement … waren enkele indicatoren. In Vlaanderen werkten alle inspecteurs basisonderwijs hieraan mee. Ze voerden het onderzoek uit in de scholen die dat schooljaar doorgelicht worden. Alle 4e leerjaren van die scholen kwamen aan bod. Het rapport verscheen in 2009. http://www.onderwijsinspectie.nl/site/actueel/publicaties/ICALT.html
ESLC (European Survey on Language Competences), 2011 De ESLC is een initiatief van de Europese Onderwijsministers die afspraken de beheersing van twee vreemde talen door de leerlingen in het leerplichtonderwijs op te volgen. In Vlaanderen zal worden gepeild naar de beheersing van het Frans en het Engels. De voorbereidingen voor deze studie zijn gestart in juni 2008. In 2009 concentreerden de werkzaamheden zich op het (verder) ontwikkelen en testen van het raamwerk, de testitems en de vragenlijsten. Begin 2010 vindt het vooronderzoek plaats. Het hoofdonderzoek zal doorgaan in 2011. De onderzoeksresultaten zullen Evaluatie / 425
worden opgeleverd in de eerste helft van 2012. Ook in Vlaanderen is de voorbereiding gestart: http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/oproepen/eslc/ Het onderzoek wordt opgezet door het consortium SurveyLang onder leiding van het Nederlandse CITO: http://www.surveylang.org/en/
Daarnaast worden er in Vlaanderen gegevens verzameld met het oog op het vergelijken van aspecten van het onderwijssysteem in internationale publicaties zoals Education at a Glance (OESO) en Key data on Education in Europe (Europese Commissie) en neemt Vlaanderen deel aan verschillende andere reviews van de OECD (zie 11.4.2.2.). De entiteit verantwoordelijk voor de ontwikkeling van eindtermen maakt ook deel uit van CIDREE, Consortium of Institutions for Development and Research in Education in Europe. http://www.cidree.org/
9.6. Onderwijskundig wetenschappelijk onderzoek betreffende de evaluatie van het onderwijssysteem OBPWO-onderzoek Het OBPWO is een onderzoeksprogramma voor beleidsgericht onderzoek. Elk jaar besteedt de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming een deel van het budget aan 'Onderwijskundig Beleids- en Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek' (OBPWO). De onderzoeksprogrammering sluit nauw aan bij de strategische en operationele doelstellingen zoals geformuleerd in de Beleidsnota en de beleidsbrieven van de minister. De jaarlijkse procedure verloopt als volgt. ●
● ● ● ●
1 Een aantal onderzoeksthema's worden voorgesteld door de minister en de gezamenlijke vergadering van enerzijds de ad hoc beleidscommissie voor het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek samengesteld door de secretaris-generaal van het departement onderwijs en vorming en bestaande uit ambtenaren werkzaam binnen het beleidsdomein onderwijs en vorming, en anderzijds het college van inspecteurs-generaal. 2 Deze worden voor advies voorgelegd aan de VLOR. 3 De minister bepaalt de prioritaire onderzoeksthema's. 4 Deze worden meegedeeld aan de universiteiten aan de hand van een open oproep tot voorstellen. 5 De voorstellen worden dubbel gerangschikt door twee afzonderlijke jury's die onafhankelijk van elkaar werken:
○ Op basis van hun beleidsrelevantie door een commissie van leidende ambtenaren. ○ Op basis van hun wetenschappelijke kwaliteit door een internationale, ● ●
interdisciplinaire wetenschappelijke jury. 6 De geselecteerde projecten worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering, na akkoord van de minister van Begroting. 7 Gedurende de looptijd (gemiddeld 2 jaar) wordt elk onderzoeksproject opgevolgd door een stuurgroep die zowel de wetenschappelijke kwaliteit als de beleidsrelevantie van dat project bewaakt. In elke stuurgroep zetelen zowel beleidsmakers als wetenschappelijke experts. De onderzoekers verbinden zich ertoe om op basis van hun bevindingen een reeks beleidsaanbevelingen te formuleren.
Evaluatie / 426
●
8 In overleg met de stuurgroep wordt voor elk onderzoeksproject ook een gepast initiatief voor valorisatie en publicatie ontwikkeld (bv. studiedag, seminarie, uitgave brochure voor scholen).
In 2007 goedgekeurde projecten
● ● ● ●
Evaluatie van het professionaliseringsbeleid van basis- en secundaire scholen. Evaluatie van scholengemeenschappen in basis- en secundair onderwijs. Sociale ongelijkheid bij overgang van basis- naar secundair onderwijs: een onderzoek naar het verloop van de oriënteringspraktijk. Verdiepend onderzoek bij de peilingresultaten met betrekking tot het raadplegen van tabellen en grafieken.
In 2009 goedgekeurde projecten
● ● ● ● ●
● ● ●
'De directe en indirecte studiekosten verbonden aan de participatie aan formele vormen van volwassenenonderwijs' (Ides Nicaise: KUL). 'Haalbaarheidsstudie van een monitoringsysteem voor antisociaal gedrag en onveiligheidsgevoelens op school' (Nicole Vettenburg: UG - Mark Elchardus: VUB). 'De evaluatie van het evaluatiesysteem van het onderwijspersoneel' (Geert Devos: UG - Peter Van Petegem: UA). 'Vorderingen van leerlingen in het leren van het Nederlands: een secundaire analyse ten behoeve van het Vlaamse onderwijs' (Kris Van den Branden: KUL). 'Zorgbeleid in het gewoon basis- en secundair onderwijs in Vlaanderen: kenmerken, predictoren en samenhang met taakopvatting en handelingsbekwaamheid van leerkrachten' (Elke Struyf: UA - Karine Verschueren: KUL - Pieter Verachtert: Karel de Grote-Hogeschool). 'Oorzaken en motieven van de vroegtijdige uittrede van leraars. Een empirisch onderzoek' (Dimokritos Kavadias: UA - Mark Elchardus: VUB). 'Maatschappelijke baten en kosten van onderwijs en leerervaring. Een micro-benadering.' (Mark Elchardus: VUB - Dimokritos Kavadias: UA). 'Proeftuinen en hun bijdrage tot onderwijsvernieuwing' (Ludo Struyven: KUL).
In 2008-2009 gepubliceerde resultaten van eerdere onderzoeksprojecten
Te raadplegen op http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/projecten/ ● ● ● ● ● ● ● ● ●
● ● ●
Goede praktijkvoorbeelden als hefboom voor schoolontwikkeling – identificatie van determinanten en kritische kenmerken. De perceptie van eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basisonderwijs van leerkrachten en directies. http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/?get=&nr=358 Tevredenheid van cliënten in de Centra voor leerlingenbegeleiding: ontwikkeling van een instrumentarium. Met een dynamische keuzebegeleiding naar een effectieve keuzebekwaamheid: 2e fase. Studiekosten in het basisonderwijs. Studiekosten in het secundair onderwijs. Evaluatie van het CLB-decreet. Beginsituatie van leerlingen in de B-stroom van het secundair onderwijs. Vakoverschrijdende eindtermen in het secundair onderwijs: een onderzoek naar de maatschappelijke en onderwijskundige relevantie van vakoverschrijdende eindtermen en de haalbaarheid ervan. Het beroep van leraar doorgelicht. Een cross-sectionele en longitudinale studie naar het profiel en de loopbaan van leraren in vergelijking met andere beroepsgroepen. “Wie herkanst?” Sociografische schets, leerroutes en beweegredenen van de deelnemers aan het tweedekansonderwijs en de centrale examencommissie. Evaluatie op een aantal aspecten van de samenwerking tussen internaten en semi-internaten van welzijn en scholen voor buitengewoon onderwijs.
Evaluatie / 427
Een overzicht van de publicaties voortvloeiende uit het OBPWO-onderzoek 2004-2009 werd ook opgenomen in de Beleidsspecifieke bijdrage Onderwijs en Vorming van de Vlaamse administratie aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse Regering in 2009. In 2008 werd door het Project Strategisch Onderwijs- en Vormingsbeleid van het departement Onderwijs en Vorming en de departementen, Werk en Sociale Economie en Cultuur, Jeugd, Sport en Media een seminarie gehouden over EVC in beleid en praktijk; uitdagingen voor Vlaanderen naar aanleiding van een OESO-review terzake. http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/studiedagen/20080131/
Steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek van belang voor onderwijs Het Steunpunt SSL, 'Studie- en schoolloopbanen' is een Vlaams interuniversitair multidisciplinair expertisecentrum voor gegevensverzameling en onderzoek over de loopbanen van jongeren doorheen het ganse initiële onderwijs, met inbegrip van de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt. http://www.steunpuntloopbanen.be BVR van 15 september 2006 betreffende de steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek. BVR van 7 september 1994 tot regeling van de procedure voor de projecten van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek.
Universitaire onderzoeksgroepen Tenslotte zijn er aan de verschillende Vlaamse Universiteiten onderzoeksgroepen die zich bezig houden met fundamenteel en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek omtrent het functioneren van (aspecten van) het Vlaamse onderwijssysteem. ● ● ● ● ● ● ● ●
EduBROn- Universiteit Antwerpen http://www.edubron.be/ Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -evaluatie K.U.Leuven http://ppw.kuleuven.be/coe/ Centrum voor onderwijsbeleid en –vernieuwing K.U.Leuven http://ppw.kuleuven.be/cobv/ HIVA-K.U.Leuven http://www.hiva.be/nl/ Universiteit Gent Vakgroep onderwijskunde http://www.onderwijskunde.ugent.be/ VUB Onderzoeksgroep TOR http://www.vub.ac.be/TOR/intro/intro.phtml VUB Vakgroep onderwijskunde http://www.vub.ac.be/ONKU/ ICOR, Interuniversitair Centrum voor Onderwijrecht http://www.onderwijsrecht.be/
Het FWO bevordert het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in alle wetenschappelijke disciplines in de Vlaamse universiteiten, met inbegrip van samenwerkingsverbanden tussen universiteiten en andere onderzoeksinstellingen, in het bijzonder door financiële steun te verlenen aan onderzoekers en onderzoeksprojecten op basis van wetenschappelijke competitie en rekening houdend met internationale kwaliteitsmaatstaven. Het werd in 2009 erkend als privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap (zie 1.2.2.). (http://www.fwo.be/ ). Het VFO, Vlaams Forum voor Onderwijsonderzoek profileert zich ook als belangenvereniging van Vlaamse onderwijsonderzoekers (http://www.vfo.be)
9.7. Statistieken Geen
Evaluatie / 428
10. Onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften In Vlaanderen bestaat een tweedeling binnen het onderwijs, enerzijds het "gewone onderwijs", anderzijds het "buitengewoon onderwijs" in aparte scholen voor leerlingen met beperkingen die niet kunnen opgevangen worden in het gewone onderwijs (zie 10.6.). De geplande herziening van het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon en buitengewoon onderwijs, leerzorg genaamd, wil die tweedeling doorbreken (zie 10.2.). De laatste decennia zijn ondertussen in het hele onderwijs tal van nieuwe intiatieven gegroeid voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Sommige leerlingen met beperkingen worden opgevangen binnen het gewoon onderwijs met ondersteuning vanuit het buitengewoon onderwijs: in het GON, geïntegreerd onderwijs en het ION, inclusief onderwijs voor leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke beperking. Bovendien worden extra zorguren toegekend en speciale onderwijsleermiddelen en doventolkondersteuning ter beschikking gesteld (zie 10.5.). Zieke of zwakke leerlingen hebben recht op tijdelijk of permanent onderwijs aan huis (zie respectievelijk 4.17.3. 4.17.3. en 10.6.4.). Anderstalige nieuwkomers kunnen terecht in een onthaalklas en kunnen ook in het vervolgjaar extra ondersteuning krijgen (zie 10.7.1.). Kansarme leerlingen, migrantenleerlingen en leerlingen van etnisch-culturele minderheden kunnen voorrang krijgen bij hun inschrijving in een school (zie 2.3.1.2.). Scholen die een minimum aantal van die leerlingen recruteren krijgen extra ondersteuning in het kader van het gelijkeonderwijskansenbeleid (zie 10.5.3.1.). Nederlandstalige scholen in het Brussel, de rand- en taalgrensgemeenten krijgen gezien de heterogene taalkennis van de leerlingen aangepaste voorzieningen en ondersteuning (zie 10.7.2.).
10.1. Historisch overzicht In 1901 richtte Decroly een 'Instituut voor abnormale kinderen' op. Voor personen met een zware handicap bestonden er in de jaren '30 een aantal instellingen. In 1956 werden er aan de normaalscholen jaren ingericht voor kinderen met een hersenletsel. In 1968 gingen 46.000 leerlingen naar buitengewone scholen. Op dat moment bereikte het buitengewoon lager onderwijs (BLO) haar verzadigingspunt en werd het duidelijk dat twee categorieën door elkaar werden gehaald: enerzijds de kinderen met leermoeilijkheden en anderzijds kinderen met een handicap die echt nood hadden aan speciaal onderwijs. De wet van 1970 op het buitengewoon onderwijs legde het toekomstig beleid vast met o.m. toelatingsprocedures voor de leerlingen, de organisatie van de verschillende onderwijsniveaus, de personeelscategorieën, de overheidsinterventies, raden en commissies. In 1978 werd de huidige indeling in types vastgelegd (zie 10.3.). In het gewoon onderwijs kregen pedagogische achterblijvers vanaf het schooljaar 1976-1977 ondersteuning door een taakleerkracht in een 'aanpassingsklas'. Het ambt van taakleraar werd Specifieke onderwijsbehoeften / 429
organiek vanaf het schooljaar 1977-1978. In 1980 startte het project Geïntegreerd Onderwijs (GON), waarbij kinderen met lichamelijke of zintuiglijke handicaps, met bijkomende ondersteuning vanuit een school voor buitengewoon onderwijs, werden opgevangen in het gewoon onderwijs. Onder invloed van de maatschappelijke ontwikkelingen kreeg het Vlaamse onderwijsbeleid in het begin van de jaren negentig oog voor andere doelgroepen, in het bijzonder voor kinderen van allochtonen. Dit leidde tot twee projecten waarvoor de overheid extra middelen vrijmaakte die gekoppeld werden aan sociaaleconomische en culturele indicatoren: ●
●
het ‘onderwijsvoorrangsbeleid’ (OVB) gestart in 1989 voor het wegwerken van schoolse achterstanden bij migrantenkinderen (vanaf 1998 ook in het buitengewoon onderwijs); later geheel geïntegreerd in het GOK (zie hierna). het project ‘zorgverbreding’ (ZVB), gestart in 1993 voor het opvangen van (leer-)problemen bij leerbedreigde en kansarme autochtone leerlingen.
In 1992 werd de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon basis- en secundair onderwijs opgestart; in 2003 uitgebreid tot het DBSO, deeltijds beroepsseccundair onderwijs. In 1993 ondertekenden de Vlaamse onderwijsminister en de koepelorganen van de inrichtende machten een non-discriminatieverklaring, met netoverschrijdende overeenkomsten om segregatie en concentratiescholen tegen te gaan. Rekening houdende met de Europese richtlijn inzake gelijke kansen werd op 28 juni 2002 het decreet Gelijke Onderwijskansen (GOK-decreet) goedgekeurd, gericht op kansarme kinderen. Het onderwijsvoorrangsbeleid werd er in geïntegreerd. Vanaf 2003-2004 (in het kader van de regeling tot ‘hertekening onderwijslandschap basisonderwijs’), werd de zorg nog breder opengetrokken en kregen alle gewone basisscholen, los van indicatoren op basis van leerlingenaantallen, extra middelen voor het voeren van een zorgbeleid met als spilfiguur een zorgcoördinator. Vanaf 1 september 2007 werd een puntenenveloppe Zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie geïntroduceerd en kregen scholen met 40% of meer GOK-leerlingen extra GOK+ lestijden voor het kleuteronderwijs. Over het dossier leerzorg werd in 2007 een politiek akkoord bereikt in de vorm van een eerste principiële goedkeuring van een voorontwerp van decreet. Tijdens de regeerperiode 2004-2009 kwam het niet meer tot een gestemd decreet. Momenteel wordt gekeken hoe verder kan gewerkt worden aan dit dossier. (Zorgcahier. De effecten van zorguren in niet-GOK-scholen, een vergelijking met GOK-lestijden in GOK-scholen. Inspectie basisonderwijs 2007)
10.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen -1 Het nieuwe leerzorgkader De geplande invoering van een nieuw leerzorgkader in het gewoon en buitengewoon onderwijs werd uitgesteld. In de beleidsnota onderwijs wordt de decretale vastlegging van de uitgangspunten gepland tegen eind 2010; de decretale vastlegging van de financieringsmechanismen tegen eind 2011, net zoals de uitvoeringsbesluiten. Het nieuwe leerzorgkader zou dan inwerking treden op 1/9/2012. De bedoeling is dat gewone scholen door grotere ondersteuning meer leerlingen met problemen kunnen opvangen en begeleiden, terwijl scholen voor buitengewoon onderwijs meer verschillende groepen kunnen opvangen. Het nieuwe leerzorgkader is een matrix met 4 clusters van Specifieke onderwijsbehoeften / 430
leerlingenkenmerken en 5 leerzorgniveaus (die de tweedeling gewoon - buitengewoon onderwijs vervangen). Vier clusters op basis van leerlingenkenmerken vervangen de acht types van buitengewoon onderwijs. ●
● ● ●
Cluster 1: geen beperkingen, kinderen zonder noemenswaardige problemen die evenwel extra aandacht nodig hebben (bijvoorbeeld omdat ze anderstalige ouders hebben) en kinderen met problemen die niets te maken hebben met een stoornis of beperking; Cluster 2: leerbeperkingen, kinderen met ernstige leerstoornissen (bv. dyslexie) en kinderen met een licht verstandelijke handicap; Cluster 3: functiebeperkingen, kinderen met een verstandelijke handicap of kinderen die bv. doof of blind zijn of een fysieke beperking hebben; Cluster 4: beperkingen in de sociale interactie, kinderen met gedrags- en emotionele problemen, ADHD en autisme.
De vier clusters zijn breder dan de bestaande types zodat leerlingen soepeler georiënteerd kunnen worden en problemen met leerlingenvervoer en de gebrekkige spreiding van het aanbod in het buitengewoon onderwijs deels kunnen worden verholpen. Wel moeten daarvoor zowel het gewoon als het buitengewoon onderwijs met een grotere diversiteit leren omgaan. Vijf leerzorgniveaus vervangen de tweedeling gewoon en buitengewoon onderwijs. ●
●
●
●
De eerste twee niveaus zijn bedoeld voor gewone scholen. Niveau één richt zich op preventie, differentiëren en remediëren, niveau twee op compenseren en dispenseren. De scholen streven een gemeenschappelijk curriculum na en de leerlingen krijgen een diploma. Op het derde niveau kunnen leerlingen zowel gewoon als buitengewoon onderwijs volgen. Scholen in het gewoon onderwijs krijgen daarbij dezelfde ondersteuning als in het buitengewoon onderwijs. Op leerzorgniveau vier volgen de leerlingen in principe het buitengewoon onderwijs. Zowel op niveau drie als vier individualiseren de scholen en werken ze met een handelingsplanning (zie 10.6.7.), ze streven een individueel curriculum na en de leerlingen krijgen, behoudens uitzonderingen, alternatieve certificaten. Naast de vier leerzorgniveaus is er ook nog een apart leerzorgniveau voor kinderen die tijdelijk of niet naar school gaan. Dat niveau bevat de ziekenhuisscholen en preventoria, permanent en tijdelijk onderwijs aan huis en onderwijs in K-diensten, de jeugdpsychiatrische diensten (zie 4.17. en 10.6.4.).
De leerzorgniveaus hebben te maken met de mate van aanpassing van de onderwijsomgeving aan de noden van de leerlingen. De aanpassingen hebben onder andere betrekking op de aard van het onderwijsaanbod, de pedagogisch-didactische aanpak en de aard en intensiteit van de ondersteuning. Hoe hoger het niveau, hoe meer zorg een leerling nodig heeft. Het Centrum voor Leerlingenbegeleiding selecteert het meest geschikte leerzorgniveau voor een leerling in nauw overleg met de school, de ouders en de leerling zelf. Leerlingen kunnen ook veranderen van leerzorgniveau. Een leerling kan pas naar een hoger leerzorgniveau als de school aantoont dat ze voldoende inspanningen geleverd heeft op het huidige leerzorgniveau. Het nieuwe leerzorgkader in de conceptnota:
Specifieke onderwijsbehoeften / 431
Zie: http://www.ond.vlaanderen.be/leerzorg/ Om leraren en CLB_medewerkers alvast te leren werken met het nieuwe leerzorgkader zal er geïnvesteerd moeten worden in competentieontwikkeling. Er werden in het kader van het leerzorgdossier een aantal denkpistes ontwikkeld: extra middelen voor specifieke projecten terzake en voor de (vroegere voortgezette) lerarenopleidingen: de bachelor-na-bacheloropleiding Buitengewoon Onderwijs & de bachelor-na-bachelor Zorgverbreding en remediërend lezen (voor zorgcoördinatoren), middelen via de prioritaire nascholing en extra middelen voor professionalisering binnen de CLB’s op het gebied van het gebruik van het nieuwe inschalingskader. Deze projecten gingen nog niet van start in afwachting van een beslissing hoe tijdens deze regeerperiode 2009-2014 verder zal gewerkt worden aan het leerzorgdossier. Als proef hebben alle 73 CLB’s, in de periode van mei tot oktober 2008 ruim 8600 dossiers van leerlingen uit het basis- en secundair onderwijs in het nieuwe kader voor leerzorg ingeschaald. Globaal geeft de praktijktest voor het basis- en secundair onderwijs aan dat er 10 tot 15% van de leerlingen specifieke onderwijsbehoeften heeft. 5% krijgt momenteel les in het buitengewoon onderwijs of krijgt ondersteuning uit het buitengewoon onderwijs via geïntegreerd onderwijs (GON). Dankzij het nieuwe referentiekader worden nu ook de andere leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften zichtbaar. Van de leerlingen die op leerzorgniveau II ingeschaald worden, komt er 95 % uit het gewoon onderwijs. 4 à 5% van de leerlingen wordt in leerzorgniveau III of IV ingeschaald, wat ongeveer overeenkomt met de huidige populatie in het buitengewoon onderwijs. Deze cijfers wijzen dus absoluut niet op een grote verschuiving van leerlingen van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs, wat in het begin van de discussie over leerzorg een vaak gehoorde bezorgdheid was. Om de integratie van het BuSO in de bestaande scholengemeenschappen van secundair onderwijs te vergemakkelijken werd het ondersteunend personeel in beide soorten onderwijs alvast in lijn gebracht.
-2 Autisme ASS, autismespectrumstoornissen ontbreken in de huidige typologie van het buitengewoon onderwijs. Ze zullen echter een plaats krijgen in het nieuwe leerzorgkader. Ondertussen werden alvast een aantal maatregelen genomen voor leerlingen met autisme. Specifieke onderwijsbehoeften / 432
●
● ●
●
Om het GON voor leerlingen met autisme te optimaliseren werden extra lestijden (BuBaO) en begeleidingsuren (BuSO) toegekend; die worden gecontinueerd en uitgebreid in 2009-2010, 2010-2011 en 2011-2012. De diagnose van ASS dient sinds 1 september 2007 door een (kinder)psychiater, een COS, Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen of een referentiecentrum ‘autisme’ te worden gesteld. Ter ondersteuning van hoofdzakelijk type 3 scholen buitengewoon onderwijs is een extra begeleidingscorps voorzien (22,5 voltijdse opdrachten) bestaande uit orthopedagogen, psychologen e.a. praktijkervaringsdeskundigen; dit voor de schooljaren 2008-2009 t/m 20102011. Voor de organisatie van meer en betere stages en betere doorstroming naar tewerkstelling kregen de pedagogische begeleidingsdiensten verbredings- en verdiepingsbegeleiders.
-3 GOK Naar analogie met de doorgevoerde hervorming van het financieringssysteem (waarmee een belangrijk deel van de werkingsmiddelen verdeeld worden op basis van leerlingenkenmerken) zal bij de integratie van de GOK-uren in de omkadering van dezelfde principes en uitgangspunten gebruik gemaakt worden. Tegen 1 september 2011 is een geïntegreerd en transparant omkaderingssysteem gepland voor het basis- en secundair onderwijs, waarbij scholen bovenop hun basisomkadering extra uren krijgen voor leerlingen die aan de indicatoren van onderwijskansarmoede (zie 10.5.3.1.1.) voldoen.
10.3. Definiëring en diagnose van doelgroepen Leerlingen met beperkingen
Leerlingen met beperkingen worden in het huidige systeem van het buitengwoon onderwijs ingedeeld in 8 types op basis van de aard en graad van de (hoofd)handicap van een bepaalde groep. Die typologie wordt ook gebruikt als basis voor de organisatie van het buitengewoon onderwijs (zie 10.6.). ● ● ● ● ● ● ● ●
Type 1: kinderen met een licht mentale (= verstandelijke) handicap; Type 2: kinderen met een matige of ernstige mentale handicap; Type 3: kinderen met ernstige emotionele en/of gedragsproblemen; Type 4: kinderen met een fysieke (= lichamelijke) handicap; Type 5: kinderen die opgenomen zijn in een ziekenhuis of op medische gronden verblijven in een preventorium; Type 6: kinderen met een visuele handicap (= gezichtsstoornis); Type 7: kinderen met een auditieve handicap (= gehoorstoornis); Type 8: kinderen met ernstige leerstoornissen.
Type 1 en type 8 worden niet georganiseerd in het buitengewoon kleuteronderwijs. Type 8 wordt evenmin aangeboden op het niveau van het secundair onderwijs. Met uitzondering van type 2 & 5 kunnen leerlingen van alle types onder bepaalde voorwaarden ook les volgen in het gewoon onderwijs (zie GON, geïntegreerd onderwijs 10.5.2.2.). Een beperkt aantal type 2 leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap kunnen begeleid worden opgenomen in het gewoon lager en secundair onderwijs binnen het kader van Inclusief onderwijs (ION) (zie 10.5.2.3.). Op het niveau van het secundair onderwijs worden vier opleidingsvormen georganiseerd die leerlingen van verschillende types kunnen samenbrengen overeenkomstig de aard en graad van hun handicap. Specifieke onderwijsbehoeften / 433
Opleidingsvorm
Aard en graad handicap
Attest dat ervoor in aanmerking komt
OV 1
kinderen voor wie geen individueel zelfstandig leven mogelijk is
type 2, 3, 4, 6 of 7
OV 2
kinderen die, beschikkend over een zekere mate aan type 2, 3, 4, 6 of 7 sociale zelfredzaamheid, een opleiding kunnen krijgen om hen voor te bereiden op een arbeidsleven in een beschermde arbeids- en leefomgeving
OV 3
leerlingen die bekwaam zijn om een beroepsopleiding te volgen die voorbereidt op een job in een normale werkomgeving
type 1, 3, 4, 6 of 7
OV 4
leerlingen wiens intellectuele capaciteiten voldoende zijn om onderwijsprogramma's van het gewoon onderwijs te volgen, mits onderwijsmethoden en – regelingen zijn aangepast aan hun specifieke handicap
type 3, 4, 5, 6 of 7
Zieke of zwakke leerlingen
Leerplichtige leerlingen en 5-jarige kleuters die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon onderwijs maar die door hun handicap (bv. zeer broze beenderen, vergroot risico bij infecties) niet over een langere periode (één of meerdere jaren) onderwijs kunnen volgen op school en dus permanent ziek of zwak zijn hebben recht op POAH, Permanent Onderwijs Aan Huis (zie 10.6.4.). Type 5-kinderen die opgenomen zijn in een ziekenhuis of op medische gronden in een preventorium verblijven kunnen daar onderwijs ontvangen (zie 4.17.1.). Leerlingen en 5-jarige kleuters uit het gewoon onderwijs die wegens ziekte of een ongeval ononderbroken afwezig zijn gedurende 21 kalenderdagen, of die chronisch ziek zijn (nierpatiënten, astmapatiënten, herstellende kankerpatiënten…) kunnen TOAH, Tijdelijk Onderwijs Aan Huis krijgen (zie 4.17.3.). Via Bednet wordt voor langdurig en chronisch zieke kinderen tussen 6 en 18 jaar een virtuele schoolomgeving gecreëerd. Kinderen die opgenomen zijn in kinderpsychiatrische diensten (K-diensten) kunnen daar onderwijs ontvangen onder verantwoordelijkheid van de thuisschool (zie 4.17.2.).
Kansarme leerlingen, culturele minderheden
migrantenleerlingen
en
kinderen
van
etnisch-
Kinderen die voldoen aan minstens één gelijkekansenindicator kunnen genieten van voorrang bij inschrijving in een school (zie 2.3.1.2.). Scholen in het basis en secundair onderwijs, zowel gewoon als buitengewoon onderwijs, die een minimum aan kansarme leerlingen op basis gelijkekansenindicatoren recruteren kunnen door het gelijkeonderwijskansenbeleid bijkomende GOK-ondersteuning krijgen (zie 10.5.3.1.). Voor kinderen van foorkramers volgt een rijdend kleuterklasje het parcours van de grote kermissen (zie 4.17.). In het gewoon en buitengewoon onderwijs kunnen migrantenleerlingen en kinderen van etnischculturele minderheden eveneens genieten van de GOK-ondersteuning voor kansarme leerlingen.
Specifieke onderwijsbehoeften / 434
Anderstalige nieuwkomers
Nederlandsonkundige leerlingen die pas in het land aankomen en kinderen uit open asielcentra kunnen speciaal OKAN, onthaalonderwijs krijgen binnen het gewone onderwijs (zie 10.7.1.).
Nederlandstalig onderwijs in Brussel
De leerlingen in Nederlandstalig onderwijs in het tweetalig Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn zeer heterogeen qua taalkennis, daarom krijgen die scholen ook extra ondersteuning en specifieke voorzieningen. Ook de Nederlandstalige basisscholen in de rand- en taalgrensgemeenten en de daaraan grenzende gemeenten krijgen extra ondersteuning (zie 10.7.2.).
10.4. Financiële steun aan het gezin Het systeem van toelagen in het buitengewoon onderwijs verschilt niet van dat in het gewoon onderwijs (zie 4.5.), leerlingen in het secundair en tertiair onderwijs ontvangen financiële ondersteuning via het reguliere systeem van de studietoelagen (zie 5.9. en 6.8.). Voor kinderen uit het buitengewoon onderwijs wordt bus- of taxitransport georganiseerd, gefinancierd door de overheid (zie 10.6.3.). Ouders ontvangen diverse extra financiële tegemoetkomingen: ●
●
het Kinderbijslagfonds keert een verhoogd kindergeld uit, in functie van de graad van handicap bepaald volgens de OBSI, de officiële Belgische schaal voor graad van invaliditeit. Deze schaal berust op 3 pijlers: de mate van ongeschiktheid van het kind, de activiteits- en participatiemogelijkheden van het kind en de belasting voor het gezin; de FOD financiën geeft belastingsvermindering, afhankelijk van het inkomen.
In het volwassenenonderwijs zijn gehandicapte leerlingen vrijgesteld van inschrijvingsgeld.
10.5. Specifieke voorzieningen binnen het gewoon onderwijs Er zijn 3 ondersteuningsprojecten GOK, GON, ION die we in elke subsectie afzonderlijk zullen behandelen. -1 Het gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK)
Het gelijkeonderwijskansenbeleid gestart in 2002 wil uitsluiting, sociale scheiding en discriminatie tegengaan en heeft daarom speciale aandacht voor kinderen uit kansarme milieus. Het is van toepassing op het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs. Het omvat: ● ● ●
het recht op inschrijving van een kind in een school naar keuze (zie 2.3.1.2.); de rechtszekerheid van leerlingen via de lokale overlegplatforms en de Commissie inzake leerlingenrechten (zie10.5.3.1.6.); een geïntegreerd ondersteuningsaanbod dat de scholen toelaat een zorgbrede werking te ontwikkelen gericht op kansarme kinderen. Specifieke onderwijsbehoeften / 435
Vanaf het schooljaar 2009-2010 werd de vroegere regeling betreffende het onderwijsvoorrangsbeleid migranten in het buitengewoon onderwijs geïntegreerd in het GOK.
OVB,
De eerste GOK-cyclus startte in 2002, de 2e in 2005, de 3e in 2008. Voor coördinatie en opvolging van de implementatie en rechtsbescherming van de leerlingen werden lokale overlegplatforms (LOP’s) en een Commissie inzake leerlingenrechten opgericht (zie 10.5.3.1.6.). Er werden ook tijdelijke projecten kunstinitiatie opgestart (zie 10.5.3.1.4.). Voor GOK-cijfers zie 10.8.3. http://www.ond.vlaanderen.be/gok/ Het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon onderwijs behandelen we in 10.7.1.. -2 Geïntegreerd onderwijs (GON)
Geïntegreerd onderwijs kan worden gegeven op niveau van het kleuter, lager, secundair en hoger onderwijs (met uit zondering van het universitair onderwijs). GON-leerlingen volgen les in het gewoon onderwijs en worden begeleid door een personeelslid uit het buitengewoon onderwijs. Het systeem startte in 1983 voor leerlingen met een attest van type 4, 6 en 7 en werd in 1994 uitgebreid met types 1, 2 (kleuter), 3 en 8. (Voor die types zie 10.3.). Voor het aantal leerlingen: zie 10.8.2. e.v. -3 Inclusief onderwijs (ION)
Inclusief onderwijs (ION) is een regeling gericht op de begeleiding in het gewoon lager en secundair onderwijs van kinderen met een matige of ernstige verstandelijke handicap (type 2) door scholen voor buitengewoon onderwijs type 2, die daarvoor aanvullende lestijden en een integratietoelage krijgen. Het project startte in 1999-2000 met 5 leerlingen, in 2003 uitgebreid tot 50 leerlingen en vanaf 1 september 2008 tot 100. Hiernaast bestaan nog verschillende andere voorzieningen. -4 Speciale onderwijsleermiddelen
Het decreet van 8 juli 1996 en het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 creëerde de mogelijkheid om speciale onderwijsleermiddelen ter beschikking te stellen aan leerlingen of studenten met een handicap die gewoon basis-, secundair of hoger onderwijs volgen (zoals leerboeken en cursussen in braille of grootletterdruk, kopieën van notities van medecursisten, of een schrijftolk). Sinds 2007 werd dit uitgebreid naar cursisten volwassenenonderwijs. Op aangeven van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) is in de loop van december 2008 een protocol afgesloten tussen de ministers van Onderwijs en Welzijn waarbij de voorziene middelen ter ondersteuning van dyslectici, met ingang van 1 juli 2009, naar het beleidsdomein Onderwijs overgeheveld werden. Dit is een aanzet om de toekenning van speciale onderwijsleermiddelen door het ministerie van Onderwijs en Vorming en de toekenning van hulpmiddelen door het Vlaams Agentschap van Personen met een Handicap in het kader van de individuele materiële bijstand beter op elkaar af te stemmen.
Specifieke onderwijsbehoeften / 436
-5 Doventolkondersteuning
Leerlingen/studenten in het secundair en hoger onderwijs en cursisten in het volwassenenonderwijs (vanaf januari 2008) met een auditieve handicap kunnen beroep doen op doventolkondersteuning. Voor het schooljaar 2009-2010 werd het budget daarvoor aanzienlijk opgetrokken zodat 1 550 bijkomende uren kunnen worden gefinancierd. -6 Zorguren
In het basisonderwijs worden zorguren toegekend voor leerlingen die extra aandacht vragen omwille van ontwikkelings- en leerachterstand of sociaal-emotionele problemen. Het budget daarvoor werd bijna verdubbeld in de periode 2008-2011 naar 53 miljoen euro (zie 4.15.1.). -7 Zorgbeleid onderwijs
voor
studenten
met
een
functiebeperking
in
het
hoger
In het nieuwe financieringsdecreet voor het hoger onderwijs wegen o.m. studenten met een functiebeperking extra door bij het bepalen van werkingsmiddelen van universiteiten en hogescholen. (zie 2.8.6.). In januari 2008 ging het SIHO, Steunpunt voor Inclusief Hoger Onderwijs - Leren en werken met functiebeperkingen in het hoger onderwijs van start. Deze opvolger van VEHHO is een samenwerkingsverband tussen de Hogeschool West-Vlaanderen, de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel. Het moet instellingen helpen bij het uitstippelen van een zorgbeleid. Mensen met een functiebeperking die (willen) studeren of werken in het hoger onderwijs kunnen er terecht voor advies en hulp. -8 Ondersteuning door het Vlaams Agentschap voor personen met een handicap
Kinderen en jongeren met een handicap in het gewoon onderwijs kunnen ook ondersteuning krijgen via een PAB, persoonlijke-assistentiebudget. Zie ook de website van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap: VAPH - Onderwijs.
10.5.1. Wettelijk kader We behandelen achtereenvolgens het gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK), het geïntegreerd onderwijs (GON) en het inclusief onderwijs (ION).
10.5.1.1. Het gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK)
● ● ● ● ●
Decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen. Besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 creëerde lokale overlegplatforms. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 regelt het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon basisonderwijs. Besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2002 regelt het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon secundair onderwijs. Besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2009 betreffende het ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon basisonderwijs
Specifieke onderwijsbehoeften / 437
● ● ● ● ● ●
Besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2009 betreffende het ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon secundair onderwijs Besluit van de Vlaamse Regering van 27 september 2002, richtte de Commissie inzake leerlingenrechten op. Omzendbrief BaO/2006/01 Het gelijkeonderwijskansenbeleid voor het basisonderwijs. Omzendbrief SO/2005/07, Het gelijkeonderwijskansenbeleid voor het secundair onderwijs vanaf het schooljaar 2006-2007 (15/08/2005). Omzendbrief SO/2009/05(BuSO) Het ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon secundair onderwijs Besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende tijdelijke projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen.
10.5.1.2. Het geïntegreerd onderwijs (GON)
Het geïntegreerd onderwijs (GON) wordt geregeld door de volgende onderwijswetgeving: ● ●
● ●
Wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs (inclusief uitvoeringsbesluiten). Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap dat o.m. de toelatingsvoorwaarden tot het geïntegreerd hoger onderwijs en de eventuele vrijstellingen vastlegt. Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 dat o.m. de bijkomende toelatingsvoorwaarden voor het geïntegreerd basisonderwijs vastlegt. Omzendbrief GD/2003/05 (11/09/2003).
10.5.1.3. Het inclusief onderwijs (ION)
● ● ●
●
Wet op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs van 6 juli 1970. Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997. Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 betreffende de integratie van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs. Omzendbrief NO/2008/05 Integratie van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs (ION) (22/07/2008).
10.5.2. Algemene doelstellingen We behandelen achtereenvolgens het gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK), het geïntegreerd onderwijs (GON) en het inclusief onderwijs (ION).
Specifieke onderwijsbehoeften / 438
10.5.2.1. Het gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK)
Het decreet Gelijke Onderwijskansen (GOK) zorgt voor extra begeleiding voor scholen met relatief veel kansarme leerlingen die bv. minder kansen hebben omwille van hun thuissituatie, hun anderstaligheid of omdat ze eerder al achterstand opliepen. GOK-lestijden/ GOK-uren mogen niet verward worden met zorguren die een breed zorgbeleid in de school ondersteunen en bestemd zijn voor alle leerlingen met ontwikkelings- en leerachterstanden of met sociaal-emotionele problemen. GOK-leerlingen kunnen ook voorrang krijgen bij hun inschrijving (zie 2.3.1.2.).
10.5.2.2. Het ge誰ntegreerd onderwijs (GON)
Het ge誰ntegreerd onderwijs is een samenwerking tussen het gewoon onderwijs en het buitengewoon onderwijs, met als doel jongeren met een handicap en/of leer- en opvoedingsmoeilijkheden tijdelijk of permanent, gedeeltelijk of volledig, lessen of activiteiten te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs. Dit met hulp vanuit een school voor buitengewoon onderwijs die daarvoor aanvullende lestijden en/of aanvullende uren (GON-pakket) krijgt, plus een integratietoelage via het werkingsbudget.
10.5.2.3. Het inclusief onderwijs (ION)
Inclusief onderwijs ondersteunt de integratie van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs (niet in het kleuteronderwijs). De leerling moet beschikken over een inschrijvingsverslag (attest en protocol) (zie 10.6.4.) dat hem toelaat tot buitengewoon onderwijs type 2 en moet voldoen aan de toelatings- en overgangsvoorwaarden die gelden in het gewoon onderwijs. De leerling moet ook volledig en permanent ge誰ntegreerd zijn in het gewoon onderwijs. Bij aanvang van de begeleiding moet er een integratieplan voor de leerling zijn opgemaakt.
10.5.3. Specifieke ondersteunende maatregelen We behandelen achtereenvolgens het gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK), het ge誰ntegreerd onderwijs (GON) en het inclusief onderwijs (ION).
10.5.3.1. Het gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK)
We behandelen achtereenvolgens de voorwaarden in het gewoon onderwijs, GOK-uren, voorwaarden en ondersteuning in het buitengewoon onderwijs, de tijdelijke projecten kunstinitiatie, de wetenschappelijke GOK-ondersteuning, de lokale overlegplatforms (LOP's) en de Commissie inzake leerlingenrechten.
Specifieke onderwijsbehoeften / 439
10.5.3.1.1. Voorwaarden in het gewoon onderwijs
Scholen kunnen op grond van het gelijkeonderwijskansenbeleid voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren (een GOK-cyclus) bijkomende ondersteuning (aanvullende lestijden of extra uren/leraar) krijgen, op voorwaarde dat de school : ● ● ●
een minimum aantal leerlingen telt die voldoen aan minstens een van de gelijkekansenindicatoren; een schooleigen visie uitschrijft rond gelijke onderwijskansen; een positief inspectieverslag heeft betreffende de werking van de voorbije periode van drie schooljaren.
Minimumdrempel en gelijkekansenindicatoren
De school moet in haar leerlingenpopulatie een minimumdrempel overschrijden: ● ●
in het basisonderwijs en de 1ste graad secundair onderwijs minimum doelgroepleerlingen, in de 2de en 3de graad secundair onderwijs minimum 25 % doelgroepleerlingen.
10
%
De doelgroepleerlingen voldoen aan minstens één van de gelijkekansenindicatoren. ● ●
● ● ●
de ouders behoren tot de trekkende bevolking (binnenschippers, kermis- of circusexploitanten of –artiesten, of woonwagenbewoners); de moeder is niet in het bezit van een diploma secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het 2e leerjaar van de 3e graad beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs; de (thuisloze) leerling wordt tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen; het gezin ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, minstens één schooltoelage van de Vlaamse gemeenschap; de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met vader, moeder, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Verschillende broers en zussen worden steeds als één gezinslid beschouwd.
Voor de start van een GOK-cyclus vragen de scholen deze gegevens op bij de ouders. Op basis daarvan worden GOK-uren aan de scholen toegekend. Schooleigen visie uitwerken inzake gelijke kansen
De school dient te bepalen, op basis van een analyse van de beginsituatie, welke concrete doelstellingen zij met de extra middelen wil nastreven, op welke wijze zij deze doelstellingen wil bereiken en op welke wijze zij zichzelf zal evalueren. De doelstellingen kunnen gekozen worden: ●
binnen de volgende themata:
○ preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden, ○ taalvaardigheidsonderwijs, ○ omgaan met diversiteit (in het basisonderwijs), intercultureel onderwijs (in het secundair onderwijs)
○ doorstroming en oriëntering, ○ sociaal-emotionele ontwikkeling, ○ leerlingen- en ouderparticipatie. ●
binnen een cluster waarvan de doelstellingen op voorhand zijn vastgelegd:
○ cluster 1: ontwikkelings- en leerachterstanden remediëren en leerwinst realiseren, Specifieke onderwijsbehoeften / 440
○ cluster 2: de taalvaardigheid bij leerlingen bevorderen, ○ cluster 3: een positief zelfbeeld en sociale competentie bij leerlingen stimuleren. Een positief inspectieverslag hebben van de voorbije periode van drie schooljaren
De onderwijsinspectie controleert in de loop van het derde jaar van iedere driejaarlijkse periode in de GOK-scholen de uitvoering van de doelstellingen en gaat bij de controle op de aanwending van de aanvullende lestijden na of, en in welke mate de gelijkekanseninstrumenten werden uitgebouwd en de doelstellingen werden bereikt, rekening houdend met de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie. Daarnaast controleert de inspectie de uitvoering van de gekozen doelstellingen en de zelfevaluatie. Bij negatieve evaluatie van de onderwijsinspectie verliest de school haar recht op aanvullende lestijden in het kader van het gelijke onderwijskansenbeleid voor de volgende periode van drie schooljaren tenzij de school zich verplicht laat begeleiden door de pedagogische begeleidingsdienst van het eigen net en een begeleidingstraject opstelt.
10.5.3.1.2. GOK-lestijden/GOK-uren Scholen kunnen hun GOK-lestijden/GOK-uren op verschillende wijze inzetten voor gelijke kansen en er GOK-leraren mee aanstellen. In tegenstelling tot de vroeger kunnen leraren vastbenoemd worden in de lestijden/uren gelijkeonderwijskansenbeleid van het basis- en secundair onderwijs. Scholen die meer dan 40% kansarme kinderen tellen kregen vanaf 1 september 2007 extra GOK+ lestijden voor extra kleuterbegeleiding. Vanaf 1 september 2008 is het aantal GOK-lestijden fors gestegen.
Evolutie van GOK en GOK + in basis- en secundair onderwijs 2002 (eerste GOK-cyclus)
2008 (derde GOK-cyclus)
budget
GOK-uren
Voltijdse GOK-jobs
budget
Uren GOK en GOK+
Voltijdse GOK-jobs
Bao
52 mio €
37321
1555
72,2 mio € (+39%)
48957 (+31%)
2040 (+31%)
SO
12 mio €
7609
337
28,8 mio € (+140%)
16765 (+120%)
744 (+120%)
10.5.3.1.3. Voorwaarden en ondersteuning in het buitengewoon onderwijs Vanaf het schooljaar 2009-2010 werd de vroegere regeling betreffende het onderwijsvoorrangsbeleid migranten in het buitengewoon onderwijs geïntegreerd in het GOK.
OVB,
De mate waarin scholen worden ondersteund, hangt af van het aantal leerlingen dat voldoet aan de gelijkekansenindicator ‘opleidingsniveau van de moeder’. Scholen met deze doelgroep die type 1 en/of type 3 aanbieden kunnen beroep doen op aanvullende lestijden, begeleiding en ondersteuning. Deze aanvullende lestijden in het kader van het gelijke onderwijskansenbeleid worden toegekend voor 3 opeenvolgende schooljaren. Uitzondering hierop is de eerste periode die slechts voor 2 opeenvolgende schooljaren loopt, nl. de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011. Om in aanmerking te komen voor aanvullende lestijden in het kader van het gelijke onderwijskansenbeleid moet een school: Specifieke onderwijsbehoeften / 441
●
● ● ●
op de teldag minstens 40% externe en semi-interne regelmatige leerlingen van type 1 en/of type 3 tellen die voldoen aan de gelijkekansenindicator ‘opleidingsniveau van de moeder’ d.w.z. de moeder is niet in het bezit van een diploma hoger secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs; minstens 6 lestijden genereren; een schooleigen visie uitschrijven rond gelijke onderwijskansen; vanaf de 2de cyclus een positief inspectieverslag hebben van de werking van de voorbije periode van drie schooljaren.
De aanvullende lestijden worden berekend op basis van het aantal leerlingen dat voldoen aan de indicator ‘opleidingsniveau van de moeder’ en (enkel in combinatie daarmee) de indicator ‘taal die de leerling in het gezin spreekt is niet het Nederlands’. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Verschillende broers en zussen worden steeds als één gezinslid beschouwd. Schooleigen visie uitwerken inzake gelijke kansen
De school dient te bepalen, op basis van een analyse van de beginsituatie, welke concrete doelstellingen zij met de extra middelen wil nastreven, op welke wijze zij deze doelstellingen wil bereiken en op welke wijze zij zichzelf zal evalueren in de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar. De doelstellingen kunnen betrekking hebben op een van volgende thema’s: ●
● ●
een gericht aanbod rond taalvaardigheidsonderwijs uitwerken, waarbij de taalvaardigheid, zoals luisteren, spreken, schrijven en begrijpend lezen in functionele contexten, bij leerlingen wordt bevorderd; onderwijsgerichte opvoedingsondersteuning aanbieden aan ouders; de (laagdrempelige) sociale functies opnemen in een netwerk met partners uit andere sectoren.
Een positief inspectieverslag hebben van de voorbije periode van drie schooljaren
Zie hiervoor 10.5.3.1.1.
10.5.3.1.4. Tijdelijke projecten kunstinitiatie
In het kader van het decreet betreffende Gelijke onderwijskansen I initieerde de Vlaamse Regering vanaf het schooljaar 2002-2003 projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone leerlingen in het basis- en secundair onderwijs. Ze werden ondertussen met 3 jaar verlengd in 2005 & en daarna (2008) nog eens met 2 jaar tot 2010 (Decreet 10/7/2008). Tevens werd in 2005 een nieuwe 3-ledige doelstelling geformuleerd: ● ● ●
het zelfbeeld bevorderen van leerlingen die risico lopen op schoolse achterstand; de cultuurcompetentie bij deze doelgroep bevorderen; de betrokkenheid van de buurt en ouders bij de school vergroten.
De projectwerking is in handen van een samenwerkingsverband dat verplicht bestaat uit: ● ● ● ●
de initiatiefnemende school; één of meer academies voor deeltijds kunstonderwijs; een culturele organisatie (bv. cultuurcentrum, kunsteducatieve organisatie); een buurtgerichte organisatie (bv. wijkcomité, buurthuis, plaatselijke gemeenschap…).
Specifieke onderwijsbehoeften / 442
allochtone
Het gelijkeonderwijskansendecreet geeft zelf drie mogelijke werkwijzen om de drieledige projectdoelstelling te verwezenlijken: ● ● ●
een artistieke begeleiding van de betrokken minderjarigen door kunstenaars; de professionalisering van leerkrachten van een school voor basisonderwijs of secundair onderwijs inzake de integratie van muzische vorming in een interculturele schoolomgeving; de organisatie van een kunstinitiatie die nauw aansluit bij de leefwereld van de betrokken minderjarigen.
De ondersteuning heeft de vorm van een puntenenveloppe die gradueel stijgt naarmate er meer basis- of secundaire scholen aan het project deelnemen. De school kan vrij kiezen hoe zij die punten besteedt: ● ●
extra uren voor onderwijzend personeel, beleids- en ondersteunend ondersteunend personeel, administratief personeel of opvoedend hulppersoneel; bijkomende middelen voor werkingskosten of voordrachtgevers.
personeel,
De betrokken instellingen nemen samen met de instellingen voor deeltijds kunstonderwijs die een tijdelijk project muzische vorming organiseren deel aan een werkgroep die onderzoekt hoe beide projecten via een complementaire werking een structureel netwerk kunnen vormen.
10.5.3.1.5. Ondersteuning GOK
Het Steunpunt Gelijke Onderwijskansen bood ondersteuning aan Vlaamse GOK-scholen en het GOKbeleid: http://www.steunpuntgok.be/ Het werd vanaf 31 december 2009 omwille van budgettaire redenen stopgezet. De ondersteuning wordt echter voortgezet door centra die eerder al meewerkten aan het GOK-steunpunt. ● ●
CTO, Centrum voor Taal en Onderwijs (voorheen Steunpunt Nederlands Tweede Taal), verbonden aan de K.U.Leuven: http://www.cteno.be Steunpunt Diversiteit & Leren (voorheen Steunpunt ICO, Intercultureel Onderwijs), verbonden aan de Universiteit Gent: http://www.steunpuntico.be
Kleuteronderwijzers van scholen die gelegen zijn in LOP-gemeenten met minimum 25% GOKleerlingen kunnen genieten van tweedelijnsondersteuning die bestaat uit een intensieve begeleiding gericht op hun pedagogisch didactisch handelen.
10.5.3.1.6. LOP's, lokale overlegplatforms & Commissie inzake leerlingenrechten
LOP’s, lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen De LOP's werden opgericht om het gelijkeonderwijskansenbeleid op het lokale vlak mee te implementeren (41 basisonderwijs, 29 secundair onderwijs). Hierin zetelen onderwijsverstrekkers en lokale actoren zoals vertegenwoordigers van allochtone en (kans)arme autochtone gemeenschappen, van de integratiesector, van socio-economische partners, etc.. Een lokaal overlegplatform dient afspraken te maken over: ●
●
het nastreven van de doelstellingen van het gelijke onderwijskansenbeleid, zijnde het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen, het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie en het bevorderen van sociale cohesie; de opvang, het aanbod en de toeleiding van leerlingen naar het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers en de opvolging van gewezen anderstalige nieuwkomers; Specifieke onderwijsbehoeften / 443
●
● ●
de uitoefening van de bemiddelingsbevoegdheid; bij weigering op basis van draagkracht voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften start het LOP onmiddellijk, en zonder te wachten op een vraag van de ouders, een bemiddeling om zo snel mogelijk een oplossing te vinden voor de geweigerde leerling. Bij weigering op basis van de andere redenen start het LOP alleen een bemiddeling wanneer de ouders er uitdrukkelijk om verzoeken; gezamenlijke inschrijvingsperiodes; de toepassing van de voorrangsregels, inzonderheid afspraken over het effectief voorzien in de scholen betrokken bij een LOP van een voorrangsrecht voor leerlingen die beantwoorden aan één van de gelijkekansenindicatoren. De voorrangsregels waarvan sprake slaan op:
○ leerlingen die tot dezelfde leefeenheid behoren als een reeds ingeschreven leerling; ○ voor scholen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad: leerlingen van wie de thuistaal Nederlands is. In dit kader hebben de Brusselse lokale overlegplatforms een bijkomende opdracht, nl. het vooraf vastleggen van het percentage dat voorrang krijgt (kinderen met thuistaal Nederlands of GOK-leerlingen). In 2006 heeft het de 30% voorrang voor thuistaal Nederlands opgetrokken tot 45% en de 20% voorrang voor GOK-leerlingen opgetrokken tot 30%. De percentages en de andere afspraken rond het inschrijvingsbeleid zijn in principe van toepassing voor 4 jaar, maar worden na 2 jaar tussentijds grondig geëvalueerd;
○ leerlingen die beantwoorden aan één of meerdere van de gelijkekansenindicatoren; ○ voor scholen in het Nederlandse taalgebied: leerlingen die niet beantwoorden aan één ● ● ●
van de gelijkekansenindicatoren; de communicatie over het inschrijvingsbeleid van de scholen; het verhogen van de kleuterparticipatie; de LOP’s hebben een centrale rol gekregen in de informatiedoorstroming rond kleuterparticipatie; eventuele experimenten in het kader van een aanmeldingsprocedure.
Een lokaal overlegplatform moet tevens: ● ●
● ● ●
een omgevingsanalyse maken inzake ongelijke onderwijskansen binnen het werkingsgebied; de relatieve aanwezigheid herberekenen van leerlingen die beantwoorden aan één of meer gelijkekansenindicatoren in het werkingsgebied en dat werkingsgebied opdelen in deelgebieden; instrumenten ontwikkelen om dubbele inschrijvingen te voorkomen; criteria en procedures vastleggen volgens dewelke scholen voor secundair onderwijs de inschrijving van een elders definitief uitgesloten leerling kunnen weigeren; aanvullende bepalingen uitwerken over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal.
Zie: http://www.lop.be/ & http://www.ond.vlaanderen.be/GOK/lop/ Op 27/11/2009 organiseerde de VLOR (zie 2.7.2.1.) i.s.m. de AgODi (zie 2.6.2.1.) een studiedag over de werking van de LOP’s. Voor de presentaties en het verslag zie http://www.vlor.be > activiteiten > het LOP.
Commissie inzake leerlingenrechten Als de ouders de school niet volgen in haar motivatie om het kind te weigeren, kunnen zij klacht indienen bij de Commissie inzake leerlingenrechten, binnen de 30 kalenderdagen na het ontvangen van de weigering. Na ontvangst van de klacht oordeelt de Commissie inzake leerlingenrechten binnen de 21 kalenderdagen over de grond van de klacht en stuurt een bericht per aangetekende brief en een advies aan de Vlaamse Regering. Oordeelt de commissie dat de school het recht had het kind te weigeren, dan wordt met de hulp van het lokaal overlegplatform gezocht naar een andere, geschikte school. Indien de commissie vindt dat de school geen enkele gegronde reden had om het kind te weigeren, kan de school een financiële sanctie krijgen, tenzij ze toch bereid is het kind in te schrijven.
Specifieke onderwijsbehoeften / 444
De commissie leerlingenrechten is daarnaast ook bevoegd, enkel na klacht, om te oordelen over de regelmatige toepassing van de aanmeldingsprocedure. Zij velt geen oordeel over het gehanteerde ordeningscriterium noch over de keuze van de aanmeldingsperiode(s). De Commissie werd opgericht door het BVR van 27/9/2002 en is operationeel sinds 1 januari 2003; ze is autonoom en niveauoverschrijdend. De uitspraken van de commissie zijn te raadplegen op de website van de commissie. http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenrechtencommissie
10.5.3.2. Het geïntegreerd onderwijs (GON)
Voor GON-leerlingen dienen verschillende voorwaarden vervuld. ● ● ●
De GON-leerling moet in het bezit zijn van een inschrijvingsverslag (= attest en protocol) dat hem toelaat tot het buitengewoon onderwijs. De GON-leerlingen die georiënteerd worden naar de types 1, 3 en 8 moeten het voorafgaand schooljaar minstens negen maanden voltijds buitengewoon onderwijs gevolgd hebben. Voor GON-leerlingen moet een integratieplan opgemaakt zijn. Dat is een handelingsgerichte engagementsverklaring die essentiële gegevens bevat en voor een langere periode wordt opgesteld. Dit plan bevat o.a.
○ een omschrijving van de problematiek en de hulpvragen van de leerling, de ouders en het schoolteam;
○ de inhoud van de collegiale ondersteuning (teamgerichte werking), leerlinggerichte werking, en oudergerichte werking;
○ de planning (intensiteit, evolutie doorheen het schooljaar, betrokken disciplines, plaats...);
○ materiaalaanpassingen en materiële ondersteuning (speciale onderwijsleermiddelen); ○ de inschakeling van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB). ●
Voor alle nieuwe GON-leerlingen met ASS dient sinds 1 september 2007 een ASS-diagnose te worden opgesteld door een (kinder)psychiater, een referentiecentrum autisme of een COS (voor autismespectrumstoornissen – zie 10.2.).
Bij volledige integratie volgt de leerling alle lessen en activiteiten in het gewoon onderwijs. Bij de gedeeltelijke integratie volgt de leerling minstens twee halve dagen per week gewoon onderwijs. De GON-begeleiding wordt verzorgd door een school voor buitengewoon onderwijs. Deze instelling ontvangt daarvoor: ● ●
een integratietoelage waarmee o.a. de verplaatsingen van de personeelsleden van het buitengewoon onderwijs naar het gewoon onderwijs worden betaald; een GON-pakket voor het aanstellen van GON-begeleiders voor het begeleiden van leerkrachten van het gewoon onderwijs waar de leerlingen de lessen volgen (collegiale consultatie) en het begeleiden van de leerlingen en/of de ouders. Het pakket hangt af van het type-attest en van de ernst van de handicap: matig of ernstig. Type 3
Matig
Ernstig
(Lager, secundair, hoger onderwijs) 2 uur, 1 jaar
4
2 uur, 2 jaar
2 uur, elk jaar
6/7
2 uur, 2 jaar
4 uur, elk jaar
8
(enkel lager onderwijs) 1 of 2 uur, 1 jaar
Specifieke onderwijsbehoeften / 445
●
●
Voor het eventueel klasvrij maken van de directie van een school voor buitengewoon onderwijs houdt men (op grond van het onderwijsdecreet XVI) voortaan ook rekening met het aantal GON-leerlingen. Om het GON voor leerlingen met autisme te optimaliseren werden extra lestijden (BuBaO) en begeleidingsuren (BuSO) toegekend; die worden gecontinueerd in 2009-20010, 2010-2011 en 2011-2012.
Hoger onderwijs Voor het hogeschoolonderwijs zijn gelijkaardige GON-voorwaarden en regelingen van kracht, ofschoon er geen scholen voor buitengewoon hoger onderwijs bestaan. De student participeert in het gewoon hogescholenonderwijs met de nodige aanpassingen en GON-begeleiding vanuit het buitengewoon secundair onderwijs.
10.5.3.3. Het inclusief onderwijs (ION)
Een school buitengewoon onderwijs type 2 die ION begeleidt, ontvangt daarvoor: ● ●
5,5 aanvullende lestijden/lesuren onderwijzend personeel per leerling; een forfaitaire geïndexeerde integratietoelage van 250 euro op jaarbasis per leerling (voor de verplaatsingsonkosten van de ondersteunende leerkracht).
Daardoor kan pedagogische en didactische ondersteuning worden verleend aan de klasseleerkracht, het team en aan de leerling. Dit met het oog op de maximale integratie van de leerling binnen de reguliere klassituatie en deelname aan de lessen en activiteiten. Hogescholen kunnen persoonlijke ondersteuning of opvolging door studenten, stagiairs hoger onderwijs, aanvragen. Die zal doorgaans verstrekt worden vanuit hogescholen die een voortgezette opleiding buitengewoon onderwijs in dagopleiding aanbieden. http://www.inclusiefonderwijs.be/
10.6. Buitengewoon onderwijs (BuO) In Vlaanderen bestaat op niveau van basis- en secundair onderwijs naast het "gewoon" onderwijs ook "buitengewoon onderwijs" in aparte scholen voor leerlingen met beperkingen. Daarin worden ongeveer 46.000 leerlingen opgevangen tegenover 1,1 miljoen in het gewoon onderwijs. Dat aantal ligt 40% hoger dan 15 jaar geleden. Het bedroeg toen 2,9% nu 4%. Leerlingen met beperkingen worden ingedeeld in 8 types op basis van de aard en graad van de (hoofd)handicap van een bepaalde groep (type 1 licht mentaal, 2 matig/ernstig mentaal, 3 gedrag en/of emotioneel, 4 fysiek, 5 ziek, 6 visueel, 7 auditief, 8 leerstoornis). Die typologie wordt ook gebruikt als basis voor de organisatie van het buitengewoon onderwijs. Op het niveau van het secundair onderwijs worden daarenboven vier opleidingsvormen georganiseerd die leerlingen van verschillende types kunnen samenbrengen (1 geen zelfstandig leven mogelijk, 2 zelfredzaamheid binnen een beschermde omgeving, 3 bekwaamheid tot beroepsopleiding, 4 mits begeleiding integreerbaar in het gewoon onderwijs) (zie verder voor deze typologie 10.3.). Het buitengewoon onderwijs komt ook in andere secties aan bod. ●
Historiek (zie 10.1.), toekomstige ontwikkelingen (zie 10.2.), doelgroepen (zie 10.3.), financiële ondersteuning van het gezin (zie 10.4.).
Specifieke onderwijsbehoeften / 446
● ● ●
Het GOK, gelijkeonderwijskansenbeleid, dat ook van toepassing is op het buitengewoon onderwijs (zie 10.5.). Het GON, geïntegreerd onderwijs voor de opvang van gehandicapte leerlingen in het gewoon onderwijs met ondersteuning vanuit het buitengewoon onderwijs (zie 10.5.). Het ION, inclusief onderwijs voor de opvang van type 2 leerlingen in het gewoon onderwijs met ondersteuning vanuit het buitengewoon onderwijs (zie 10.5.).
10.6.1. Wettelijk kader Voor het buitengewoon basisonderwijs is van belang het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997. Voor het buitengewoon secundair onderwijs de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. In 2008 werd het toepassingsgebied van het BVR van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs uitgebreid naar opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs.
Ontwikkelingsdoelen
●
●
● ●
●
●
Decreet van 2 maart 1999 tot bekrachtiging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2. Decreet van 18 januari 2002 houdende bekrachtiging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8. Decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Decreet van 22 maart 2002 tot bekrachtiging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 november 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1. Decreet van 19 juli 2002 tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (bekrachtigt BVR 19/04/02). Decreet van 23 mei 2003 tot bekrachtiging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7.
Voor Permanent onderwijs aan huis (POAH): BVR 13 juli 2007 betreffende onderwijs aan huis voor zieke kinderen en jongeren Voor het wettelijk kader van het gelijkeonderwijskansenbeleid, zie 10.5.1.1..
10.6.2. Algemene doelstellingen Zowel in de wet op het buitengewoon onderwijs van 6 juli 1970 als in het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt het buitengewoon onderwijs gedefinieerd refererend naar de moeilijkheden en de onbekwaamheid van het gewoon onderwijs om voor een optimale en persoonlijke en sociale ontwikkeling te zorgen van alle kinderen, eerder dan naar de handicaps van het kind. In het decreet Basisonderwijs luidt dit: ''het is het onderwijs dat op grond van een pedagogisch project aangepast Specifieke onderwijsbehoeften / 447
onderwijs, opvoeding, verzorging en therapie verstrekt aan leerlingen waarvan de totale persoonlijkheidsontwikkeling tijdelijk of permanent, niet of onvoldoende door het gewoon onderwijs kan verzekerd worden'' (Decreet van 25 februari 1997).
10.6.3. Geografische toegankelijkheid Het buitengewoon onderwijs wordt doorgaans georganiseerd in scholen die los staan van de gewone scholen; ze zijn wel soms verbonden met andere sociale en opvoedkundige instellingen voor personen met een handicap. Noch in het basis- noch in het secundair onderwijs is het aanbod buitengewoon onderwijs evenwichtig gespreid. Dit is vooral het geval op niveau van het basisonderwijs voor type 3 (emotioneel, sociaal gedrag), 4 (lichamelijk), 6 (visueel) en 7 (auditief) en voor opleidingsvormen 1 (geen zelfstandig leven mogelijk) & 4 (integreerbaar in gewoon onderwijs mits begeleiding) in het secundair onderwijs. Het recht op leerlingenvervoer wordt bepaald door het Departement Onderwijs en Vorming. De organisatie van het leerlingenvervoer is een taak van De Lijn. Het leerlingenvervoer is netoverstijgend georganiseerd. De ongelijkmatige spreiding van scholen voor buitengewoon onderwijs leidt ertoe dat leerlingen vaak lang op de bus moeten zitten om op school en terug thuis te geraken. Om dagelijkse lange ritduurtijden in het woonschoolvervoer te vermijden gaan ouders van leerlingen in het buitengewoon onderwijs soms kiezen voor internaatsopvang, of vermeldt het BuO-attest van sommige leerlingen een type dat door scholen in de ruime buurt van de leerling wordt aangeboden. De huidige regelgeving voorziet in leerlingenvervoer naar de dichtstbijzijnde school van het net van de vrije keuze die het type / opleidingsvorm aanbiedt waarnaar het BuO-attest van de leerling verwijst. In het buitengewoon onderwijs wordt de vrije keuze ruimer ingevuld dan in het gewoon basis onderwijs. Leerlingen hebben de vrije keuze tussen het vrij onderwijs al naargelang de onderscheiden godsdiensten, het gemeenschapsonderwijs of het officieel onderwijs (gemeentescholen, stedelijke scholen en provinciale scholen). Binnen het buitengewoon onderwijs bestaat er geen ‘redelijke afstand’. Alle leerlingen die de dichtstbijzijnde school van hun keuze bezoeken, zijn rechthebbende leerlingen. Het vervoer is voor rechthebbende leerlingen gratis. http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenvervoer/
10.6.4. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze Leeftijdsvoorwaarde
Voor buitengewoon kleuteronderwijs moet de kleuter ten minste 2,5 jaar zijn. Hierbij gelden de instapdata voor het gewoon kleuteronderwijs (zie 4.6.) niet (Omzendbrief BaO/2007/02). Kinderen kunnen in het buitengewoon kleuteronderwijs ingeschreven worden tot 6 jaar, of uitzonderlijk tot de leeftijd van 7 indien dit als beter voor het kind wordt beoordeeld. Voor het buitengewoon lager onderwijs moet de leerling normaal 6 jaar geworden zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar, maar ook leerlingen die dan 5 jaar worden, kunnen uitzonderlijk worden ingeschreven. De ouders kunnen daarover beslissen na kennisname van en toelichting bij de omstandig gemotiveerde adviezen van de klassenraad en het CLB. Het buitengewoon lager onderwijs duurt in principe 7 jaar. De ouders kunnen echter beslissen het buitengewoon lager onderwijs te verlengen tot en met het schooljaar dat aanvangt in het jaar waarop de leerling 14 wordt.
Specifieke onderwijsbehoeften / 448
In het buitengewoon secundair onderwijs is de aanvangsleeftijd 13 jaar, de maximum leeftijd 21 jaar (Wet van 28 juni 1983). Afwijkingen op de leeftijdsgrens van 21 jaar kunnen worden toegestaan op advies van de Commissie voor Advies voor het Buitengewoon Onderwijs (CABO). Een inschrijving in een instelling voor buitengewoon onderwijs vergt steeds een inschrijvingsverslag dat bestaat uit twee delen: ● ●
een attest met informatie over het onderwijstype en/of de opleidingsvorm en het onderwijsniveau dat het kind dient te volgen; een verantwoordingsprotocol waarin het afgeleverde verslag wordt verantwoord op basis van multidisciplinair onderzoek.
Dat attest dient aan de ouders afgeleverd door een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) of door een andere verwijzende instantie. Van de bevoegde centra en instellingen wordt jaarlijks een lijst opgesteld. In elke provincie bestaat een CABO, Commissie van Advies voor het Buitengewoon Onderwijs (CABO) bevoegd voor vrijstelling van leerplicht, overschrijding van leeftijdsgrenzen, overplaatsing van een gewone school naar een buitengewone en omgekeerd, overplaatsing naar een andere meer aangepaste buitengewone school en toekenning van recht op permanent onderwijs aan huis. Naast de ouders, de meerderjarige persoon met een handicap of zijn wettelijk vertegenwoordiger, kan ook een lid van de inspectie, een directeur of een arts van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) om advies vragen. Indien de ouders of de meerderjarige met een handicap weigeren samen te werken of helemaal niet akkoord gaan met de beslissing van het CABO is er een beroepsprocedure mogelijk. Begeleidingstraject
In 2007 verscheen een handleiding voor CLB-medewerkers en scholen inzake de nieuwe methodiek voor de begeleiding van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften die gekenmerkt wordt door een sterke handelingsgerichtheid en betrokkenheid van school, CLB, ouders en leerlingen in het uittekenen van het begeleidingstraject. http://www.ond.vlaanderen.be/leerzorg/documenten/begeleidingstraject-eindverslag.htm Gelijke onderwijskansen bij inschrijving
Sinds de regelgeving betreffende gelijke onderwijskansen (zie 2.3.1.2.) mag een school niet langer leerlingen met een valabel attest voor een door de school aangeboden type en opleidingsvorm weigeren voor inschrijving, met als reden dat de school zich zou richten op een specifieke doelgroep binnen dat type en die opleidingsvorm. Een school dient de inschrijvingen van de leerlingen chronologisch in een register te noteren tot de school/vestigingsplaats/het type (basisonderwijs)/de opleidingsvorm (secundair onderwijs)/de administratieve groep/de leerlingengroep (secundair onderwijs)/de pedagogische eenheid vol is en er omwille van materiële omstandigheden kan geweigerd worden. De school moet via dat register kunnen aantonen dat na de weigering geen nieuwe leerlingen meer werden ingeschreven. Indien ouders menen onterecht geweigerd te zijn, kunnen zij klacht indienen bij de commissie voor leerlingenrechten. (Omzendbrieven BaO/2005/13 en SO/2005/07). De ouders dienen bij inschrijving van hun kind in te stemmen met het pedagogisch project en het schoolreglement. POAH, permanent onderwijs aan huis voor zieke kinderen
Leerplichtige leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon onderwijs maar door hun handicap (bv. zeer broze beenderen, vergroot risico bij infecties) niet over een langere periode (één of meerdere jaren) onderwijs kunnen volgen op school, hebben recht op Permanent Onderwijs Aan Huis. De school voor buitengewoon onderwijs die het Permanent Onderwijs Aan Huis zal verstrekken wordt toegewezen door de Commissie van Advies voor Buitengewoon Onderwijs, Specifieke onderwijsbehoeften / 449
rekening houdend met de vrije keuze van de ouders. De school krijgt voor de betrokken leerling vier bijkomende lestijden per week (Besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2007). Vanaf 1/9/2009 hebben ook vijfjarige leerlingen in het kleuteronderwijs recht op permanent onderwijs aan huis.
10.6.5. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen Het buitengewoon onderwijs wordt georganiseerd op niveau kleuter-, lager en secundair onderwijs (zie 10.3.). ● ● ●
Op niveau lager onderwijs zijn er acht types georganiseerd op basis van leerlingenkenmerken. In het kleuteronderwijs wordt onderwijs voor type 1 (lichte mentale handicap) en type 8 (ernstige leerstoornissen) niet georganiseerd. Op niveau secundair onderwijs worden bijkomend vier opleidingsvormen georganiseerd die leerlingen van verschillende types - zoals gedefinieerd voor het lager onderwijs - kunnen samenbrengen, overeenkomstig de aard en graad van hun handicap. Onderwijs voor type 8 (ernstige leerstoornissen) wordt niet georganiseerd op secundair niveau.
Over de indeling van de leerlingen in pedagogische eenheden binnen de onderwijstypes en opleidingsvormen beslist de inrichtende macht. De klassenraad plaatst de leerling in de meest geschikte klassengroep.
10.6.6. Organisatie van de schooltijd De organisatie van het schooljaar, de schoolweek en -dag is vergelijkbaar met deze van de overeenstemmende onderwijsniveaus (zie 4.9. en 5.10.) ofschoon de dagactiviteiten meer op de individuele noden van de leerlingen zijn georiënteerd.
10.6.7. Curriculum en vakken In het secundair onderwijs is de organisatie verschillend naargelang de opleidingsvorm (zie 10.3.). ● ● ●
Opleidingsvorm 1 : één enkel deel van minstens vier studiejaren. Opleidingsvorm 2 : twee delen die elk minimum twee studiejaren omvatten. Opleidingsvorm 3 : drie fasen plus een facultatieve integratiefase:
○ 1° de observatiefase: omvat het eerste leerjaar en is beperkt tot één volledig schooljaar;
○ 2° de opleidingsfase: omvat ten minste twee schooljaren; ○ 3° de kwalificatiefase: omvat ten minste twee schooljaren; ○ 4° de facultatieve integratiefase. Deze fase omvat één volledig schooljaar in de vorm van een alternerende beroepsopleiding (Besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002).
Specifieke onderwijsbehoeften / 450
●
Opleidingsvorm 4: hier zijn de lesroosters exact dezelfde als die van de corresponderende gewone scholen, daar deze opleidingsvorm verplicht is een structuur te hebben identiek aan die van het secundair onderwijs.
Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert de klassenraad de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie wordt vastgelegd in de doelenfase van de handelingsplanning. Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit: ● ● ●
de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaald onderwijstype of een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd; de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs; de ontwikkelingsdoelen die voor andere onderwijstypes zijn vastgelegd.
Buitengewoon basisonderwijs
Op dit moment zijn er reeds ontwikkelingsdoelen gedefinieerd voor het buitengewoon basisonderwijs van type 1 (licht mentaal), 2 (matig/ernstig mentaal), 7 (auditief) en 8 (ernstige leerstoornis). De ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs zijn geordend in leergebieden. Deze leergebieden zijn grotendeels dezelfde als deze van het gewoon BaO, basisonderwijs (zie 4.10.). Om te kunnen inspelen op de specificiteit van de doelgroep, zijn bepaalde leergebieden meer of anders uitgewerkt. Voor sommige onderwijstypes zijn voor bepaalde leergebieden de eindtermen van het gewoon basisonderwijs overgenomen als ontwikkelingsdoelen. De doelenselectie wordt vastgelegd in het handelingsplan. http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/buitengewoon/buitengewoon_basis/index.htm Buitengewoon secundair onderwijs
Voor het buitengewoon secundair onderwijs zijn ontwikkelingsdoelen gedefinieerd voor: ● ●
opleidingsvorm 3 (bekwaam tot beroepsopleiding) - algemene en sociale vorming; opleidingsvorm 4 (mits begeleiding integreerbaar in gewoon onderwijs), hier gelden de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen en erkende beroepskwalificaties van het overeenstemmende niveau van het gewoon secundair onderwijs;
Opleidingsvorm 3 (bekwaam secundair onderwijs
tot
beroepsopleiding)
–
buitengewoon
In 2002 werd een nieuwe opleidingenstructuur ingevoerd met opleidingen die rechtstreeks worden afgeleid van beroepsprofielen. Die opleidingenstructuur omvat de opleidingsvorm 3 van het BuSO samen met het BSO, TSO, DBSO en OSP. Van alle maatschappelijk relevante beroepen werd in samenwerking met de SERV en de sociale partners een beroepsprofiel uitgeschreven. Op basis daarvan werd bepaald welke competenties, ondersteunende kennis en sleutelvaardigheden een beginnende beroepsbeoefenaar moet beheersen. Dit betekent dat de opleidingen die in de OV3 worden aangeboden, passen in een totale opleidingenstructuur, met behoud van de specificiteit van het buitengewoon onderwijs. Die specificiteit berust bij de mogelijkheid het leeraanbod aan te passen aan de individuele leerling op basis van handelingsplanning. Voortaan heeft een opleiding steeds dezelfde inhoud, wanneer deze dezelfde benaming draagt, ongeacht de onderwijsvorm waarin ze wordt aangeboden. Dit is nodig om compatibel te zijn met de vraag van de arbeidsmarkt en om de einddoelstelling van OV3 te realiseren. Daartoe worden er voor OV3 voldoende opleidingen voorzien op het assistentniveau. Binnen de doelenfase van de handelingsplanning worden door de klassenraad per periode van maximaal een schooljaar ontwikkelingsdoelen geselecteerd op maat van de leerling. Dit geldt zowel voor de beroepsgerichte als voor de algemene en sociale vorming. De inhouden van de opleidingen Specifieke onderwijsbehoeften / 451
die in het buitengewoon onderwijs worden aangeboden, werden voor ASV uitgeschreven in de lijst ontwikkelingsdoelen. Voor het beroepsgericht gedeelte van de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs zijn de opleidingsprofielen richtinggevend voor de invullen van het curriculum. In deze opleidingsprofielen zijn de competenties vastgelegd die leerlingen moeten verwerven om het getuigschrift te halen van een opleiding of een getuigschrift van een afgerond geheel van een opleiding dat leidt tot inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. (Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 van 6 december 2002). Binnen de opleidingsvorm 3 (enkel opleidings- en kwalificatiefase, niet de observatiefase) en opleidingsvorm 4 (tweede en derde graad) van het buitengewoon secundair onderwijs wordt vanaf 1 september 2001 geëxperimenteerd met modulair onderwijs (zie 5.11.4.). Door de implementatie van het nieuwe modulaire opleidingsprofiel voor de opleiding 'Algemene vorming BSO 3' werden de vakken aardrijkskunde, Frans, geschiedenis, Nederlands en wiskunde vervangen door het nieuwe algemene vak 'project algemene vakken'. (Zie Omzendbrief SO/2002/08/buso) http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/buitengewoon/buitengewoon_secundair/index.htm Handelingsplan(ning)
Het handelingsplan vermeldt de ontwikkelingsdoelen alsook hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders. Het handelingsplan is het resultaat van een cyclisch verlopend proces van handelingsplanning waarin telkens de beginsituatie (met onderwijs- en opleidingsbehoeften van de leerling) wordt bepaald, ontwikkelingsdoelen geselecteerd, de realisatie daarvan wordt voorbereid, die planning en strategie wordt uitgevoerd en het gehele proces wordt geëvalueerd. Naast de procesevaluatie wordt ook een evaluatie van de leerlingenvorderingen gedaan om na te gaan of de nagestreefde ontwikkelingsdoelen al dan niet bereikt werden. Deze evaluatie is het vertrekpunt voor een nieuwe beginsituatie voor een nieuwe planningsperiode. (Decreet van 18 januari 2002).
10.6.8. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal De onderwijsmethoden zijn sterk geïndividualiseerd in het buitengewoon onderwijs. Voor elk kind moet een handelingsplan worden uitgewerkt (zie 10.6.7.). De beslissingen omtrent onderwijsmethoden en didactisch materiaal ressorteren onder de vrijheid van de inrichtende machten.
10.6.9. Studievoortgang De beoordeling en begeleiding van leerlingen zijn sterk met elkaar verweven. In het buitengewoon onderwijs heeft de beoordeling hoofdzakelijk een vormend karakter. De klassenraad bijgestaan door de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) neemt beslissingen m.b.t. de samenstelling van de klassen, of een bepaalde leerling in een bepaalde leerlingengroep moet blijven, en omtrent de overgang van leerlingen naar andere klassen of naar een bepaald onderwijstype of -vorm.
Specifieke onderwijsbehoeften / 452
10.6.10. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Naast de directie en het onderwijzend personeel bestaat de personeelsformatie in het buitengewoon onderwijs ook uit paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. Deze personeelscategorieën staan onder meer in voor de begeleiding van de leerlingen in het buitengewoon onderwijs. Daarnaast richten ook de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB's) zich op de begeleiding van leerlingen in het buitengewoon onderwijs (Decreet van 1 december 1998). Het centrum voor leerlingenbegeleiding begeleidt het buitengewoon onderwijs o.m. bij ontwikkelingsmoeilijkheden en de vermindering van risicogedrag, de adequate en kwaliteitsvolle verwijzing van de leerlingen van het gewoon onderwijs naar het buitengewoon onderwijs en omgekeerd, en het veilig school lopen (in het bijzonder de veiligheid en hygiëne en de impact op de gezondheid van de praktijkvakken) (Decreet van 1 december 1998). In opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs (voor leerlingen die bekwaam zijn om een beroepsopleiding te volgen die voorbereidt op een job in een normale werkomgeving) wordt de leerling gedurende de integratiefase expliciet begeleid door een begeleidingsteam. Het begeleidingsteam bestaat uit leden die behoren tot de onderwijsinstelling enerzijds, en externen van de bedrijfswereld, van sociale organisaties of andere deskundigen die de leerling zinvol kunnen begeleiden anderzijds (Besluit van 6 december 2002). Een van de maatregelen om het onderwijs nauwer te doen aansluiten op de beroepswereld is de sociaal-maatschappelijke training en de stage. Die verschilt naargelang de opleidingsvorm. ●
Opleidingsvorm 1 (geen zelfstandig leven mogelijk). Voor leerlingen die 18 jaar zijn of in de loop van het schooljaar worden, kan een sociaal-maatschappelijke training georganiseerd worden van maximum 21 kalenderdagen of 28 kalenderdagen gedurende het schooljaar waarin zij vermoedelijk voor het laatst buitengewoon onderwijs volgen. De doelstellingen zijn vergelijkbaar met deze van een stage. De sociaal-maatschappelijke training kan alleen plaatsvinden in instellingen die erkend zijn (of zich in de erkenningsfase bevinden) voor de opname van volwassen gehandicapte personen die er geen op productie gerichte arbeid verrichten (bv. een dagcentrum, een bezigheidshome, ...) (Omzendbrief SO/2002/11).
●
Opleidingsvorm 2 (zelfredzaamheid binnen een beschermde omgeving)
○ In fase 1 is stage verboden. ○ In fase 2 is stage mogelijk. Alle leerlingen moeten hier toegang toe krijgen (zie hierna ●
bij kwalificatiefase 3 van opleidingsvorm 3). Opleidingsvorm 3 (bekwaamheid tot beroepsopleiding)
○ In fase 1 observatie en fase 2 opleiding is stage verboden. ○ In fase 3 kwalificatie is stage verplicht. Alle leerlingen moeten zonder onderscheid tot
●
de stage kunnen worden toegelaten. Zelfs personen die niet beschikken over een verblijfstitel van meer dan drie maanden kunnen vanaf het schooljaar 2003-2004 onder vorm van een leerlingenstage in België worden tewerkgesteld (Koninklijk Besluit van 6 januari 2003 / Besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3). Opleidingsvorm 4 (mits begeleiding integreerbaar in gewoon onderwijs). Hier is geen speciale regeling voorzien, de stage verloopt identiek als in het gewoon secundair onderwijs. De leerlingen komen net zoals alle anderen op de arbeidsmarkt terecht. Grotere bedrijven zijn bij wet verplicht om minstens enkele personen met een handicap in dienst te nemen (afhankelijk van het aantal werknemers in het bedrijf). Zo vinden bijvoorbeeld personen met een visuele handicap werk als telefonist(e). Specifieke onderwijsbehoeften / 453
Binnen de opleidingsvorm 3 kan als facultatieve integratiefase ook een éénjarige ABO, alternerende beroepsopleiding worden georganiseerd. Dit voor leerlingen die in opleidingsvorm 3 een kwalificatiegetuigschrift hebben behaald. Indien zij een getuigschrift van verworven competenties of een attest van verworven bekwaamheden hebben behaald dienen ze door de klassenraad bekwaam te worden geacht voor de opleiding. In de ABO wordt vorming op school (ten minste 14 lesuren algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming) afgewisseld met 3 dagen onbezoldigde alternerende werkervaring in een regulier bedrijf. Het initiatief krijgt financiële steun van het Europees Sociaal Fonds. Zie omzendbrief SO/2007/09 (BuSO).
10.6.11. Studiebewijzen Leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs kunnen in bepaalde gevallen een getuigschrift bekomen dat dezelfde waarde heeft als een getuigschrift behaald in het gewoon basisonderwijs. In het buitengewoon secundair onderwijs zijn volgende studiebewijzen mogelijk: ● ● ●
Opleidingsvorm 1 (geen zelfstandig leven mogelijk): attest BuSO tot sociale aanpassing Opleidingsvorm 2 (zelfredzaamheid binnen een beschermde omgeving): attest BuSO tot sociale aanpassing en arbeidsgeschiktmaking Opleidingsvorm 3 (bekwaamheid tot beroepsopleiding) (oude structuur)
○ voor geslaagde leerlingen: kwalificatiegetuigschrift ○ voor leerlingen die daar niet voor in aanmerking komen: het attest buitengewoon ●
secundair beroepsonderwijs Opleidingsvorm 3 (bekwaamheid tot beroepsopleiding) (nieuwe structuur) na beslissing door de kwalificatiecommissie:
○ op het einde van de kwalificatiefase:
▪ ▪
getuigschrift van de opleiding (indien geslaagd in de opleiding)
▪
attest van verworven bekwaamheden
getuigschrift van verworven competenties voor een afgerond geheel (indien geslaagd voor een deel van de opleiding)
○ indien de leerling daar niet voor in aanmerking komt:
▪
attest van beroepsonderwijs
○ na de (facultatieve) integratiefase (ABO, alternerende beroepsopleiding – zie 10.6.10.):
▪ ▪
●
met vrucht: getuigschrift alternerende beroepsopleiding
niet met vrucht of bij vroegtijdige beëindiging: attest alternerende beroepsopleiding Opleidingsvorm 4 (mits begeleiding integreerbaar in gewoon onderwijs): getuigschriften en diploma's zoals in het gewoon SO
10.6.12. Privaat-onderwijs Zie 4.16.
Specifieke onderwijsbehoeften / 454
10.7. Specifieke maatregelen voor leerlingen van immigranten en etnische minderheden We behandelen hier achtereenvolgens ● ●
●
OKAN, het onthaalonderwijs in het gewoon onderwijs (zie 10.7.1.) De ondersteunende maatregelen voor Brussel, en de Nederlandstalige scholen voor basisonderwijs gelegen in de rand- en taalgrensgemeenten en in de scholen voor basisonderwijs gelegen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en / of grenzen aan de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (zie 10.7.2.) De extra middelen voor het hoger onderwijs (zie 10.7.3.)
Ook in andere secties komen maatregelen voor migrantenleerlingen aan bod: ●
●
het GOK, gelijkeonderwijskansenbeleid (zie 10.5.). Vanaf het schooljaar 2009-2010 werd hierin de vroegere regeling betreffende het OVB, onderwijsvoorrangsbeleid migranten in het buitengewoon onderwijs geïntegreerd. projecten gericht op een betere aansluiting onderwijs - arbeidsmarkt (zie 5.18.).
Binnen het ESF-programma (zie 2.6.2.2.) lopen verschillende projecten (2008-2010) voor taal- en leercoaching gericht op allochtonen en/of kortgeschoolden. Aandacht voor etnische minderheden vindt men ook in het sociaal-cultureel volwassenenwerk, zie http://www.socius.be > omgaan met diversiteit (zie ook 7.2.6.) Ook in de beroepsopleiding van de VDAB (zie 7.4.2.) de ondernemersvorming van SYNTRA Vlaanderen (zie 7.4.3.) wordt een kansengroepenbeleid gevoerd. Daarnaast hanteert de overheid ook diversiteitsplannen om discriminaties en drempels waarmee kansengroepen worden geconfronteerd op de arbeidsmarkt tegen te gaan. http://www.werk.be/wg/diversiteitsplannen.
10.7.1. Het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (OKAN) in het gewoon onderwijs Het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (OKAN) in het gewoon basis- en secundair onderwijs is opgestart in 1991. Het wil de taalvaardigheid Nederlands en de sociale integratie van anderstalige nieuwkomers bevorderen. Het werd in 2006 niet langer beperkt tot een onthaaljaar, maar uitgebreid tot ondersteuning, begeleiding en opvolging tijdens een vervolgjaar. Vanaf 1 september 2008 werd het verder uitgebreid tot kinderen die officieel verblijven in een open asielcentrum. Er zijn in 2009 ook ontwikkelingsdoelen voor anderstalige nieuwkomers in het secundair onderwijs vastgelegd. Voor een uitgebreide historiek: zie http://www.ond.vlaanderen.be/onthaalonderwijs/inhoud/Historiek/ Voor de opvang van de anderstalige nieuwkomers kunnen de scholen extra lesuren en een extra werkingstoelage krijgen. Evolutie van het aantal leerlingen dat onthaalonderwijs volgde in het secundair onderwijs: 1995-1996 364
1999-2000 947
2000-2001 1 597
2001-2002 1 810
2003-2004 1 879
2008-2009 1 839
http://www.ond.vlaanderen.be/onthaalonderwijs
Specifieke onderwijsbehoeften / 455
Wettelijk kader ● ● ● ● ● ● ●
●
Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997. Besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs. Besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 betreffende de toekenning van aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen. Omzendbrief BaO/2006/03 Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (30 juni 2006). Omzendbrief SO 75 (30 juni 2006). Omzendbrief SO/2008/08 Stelsel van leren en werken. Vanaf maart 2003 tot en met 2005 zat de regelgeving voor het onthaalonderwijs in het DBSO vervat in het Besluit van de Vlaamse Regering van 4 juli 2003 betreffende het experimenteel onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het DBSO. Vanaf het schooljaar 20052006 zit ze vervat in het Proeftuinendecreet. Besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009 tot vaststelling van de ontwikkelingsdoelen Nederlands voor nieuwkomers in de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers in het secundair onderwijs en tot wijziging van sommige eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het secundair onderwijs.
Doelgroep 'Anderstalige nieuwkomers' zijn leerlingen die op de datum van hun inschrijving gelijktijdig aan al de volgende voorwaarden voldoen (waarbij het departement Onderwijs en Vorming sommige afwijkingen kan toestaan): ● ● ● ● ● ●
niet het Nederlands als moedertaal hebben; onvoldoende de onderwijstaal beheersen om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen; niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal hebben; nog geen volledig schooljaar onderwijs hebben gevolgd in een school met Nederlands als onderwijstaal; een nieuwkomer zijn, d.w.z. maximaal één jaar ononderbroken in België verblijven; de leeftijd van 5 jaar of ouder hebben voor het BaO, basisonderwijs van 12 (tot 18) jaar voor het secundair onderwijs.
In 2008 werd de definitie uitgebreid zodat ook kinderen die officieel verblijven in een open asielcentrum recht hebben op twee jaar onthaalonderwijs.
Specifieke ondersteunende maatregelen Voor de opvang van anderstalige nieuwkomers kunnen de scholen aanvullende lestijden (BaO) en extra lesuren (SO) en een extra werkingstoelage per anderstalige nieuwkomer krijgen. ●
●
In het basisonderwijs: 2 aanvullende lestijden per school, 1,5 aanvullende lestijd per anderstalige nieuwkomer. In het kleuteronderwijs vanaf de leeftijd van 5 jaar. Voor het vervolgjaar 1 aanvullende lestijd per gewezen anderstalige nieuwkomer. In het secundair onderwijs: 2,5 uren-leraar per anderstalige nieuwkomer in het onthaaljaar; in het deeltijds beroepssecundair onderwijs 3,4 u. Elke contactschool krijgt 22 uren-leraar om in ondersteuning van gewezen anderstalige nieuwkomers te voorzien tijdens en na de overstap naar het regulier onderwijs op voorwaarde dat in de betrokken school of scholengemeenschap het schooljaar voordien een onthaaljaar werd ingericht. Indien de school of scholengemeenschap stopt met het inrichten van een onthaaljaar kan ze toch nog gedurende 3 schooljaren rekenen op die 22 uren-leraar ondersteuning.
De toelage bedraagt 12,5 euro per volledige maand per anderstalige nieuwkomer in het onthaaljaar. Voor het vervolgjaar is geen extra toelage voorzien. Specifieke onderwijsbehoeften / 456
Voorwaarden
●
● ● ●
In het basisonderwijs dienen al naargelang het type school minimum 4-6 anderstalige nieuwkomers als regelmatige leerling ingeschreven te zijn, of 12 per schoolgemeenschap (of een aangroei van 4 boven de vorige vaststelling). Voor het vervolgjaar geldt geen minimumaantal. In het secundair onderwijs zijn ten minste 25 nieuwkomers per scholengemeenschap vereist. In het DBSO kan per net in één centrum DBSO onthaalonderwijs worden georganiseerd. Per centrum worden maximaal 60 anderstalige nieuwkomers in aanmerking genomen. De scholen dienen tevens een gestructureerd en systematisch overleg te organiseren met het oog op de pedagogisch-didactische en organisatorische afstemming, samen te werken met het CLB en de leerkrachten toe te laten aan specifieke navormingen deel te nemen.
Begeleiding van de leerlingen
●
Basisonderwijs
○ Voor elke anderstalige nieuwkomer dient een individueel werkplan opgesteld. ●
Secundair onderwijs
○ De school dient een specifiek 'raamplan' op te stellen dat aansluit bij de doelstellingen van het onthaaljaar.
○ In het onthaaljaar wordt naast het vak godsdienst en/of niet-confessionele zedenleer en de 4 wekelijkse uren-leraar, vanaf het schooljaar 2006-2007 een nieuwe vak Nederlands voor nieuwkomers gegeven.
○ Het wekelijkse lessenrooster van het onthaaljaar beslaat minstens 28-urenleraar en ten hoogste 32. Maximaal 4 wekelijkse uren-leraar kunnen door de school anders worden ingevuld dan voor het aanleren van Nederlands.
○ Binnen het raamplan dient de school voor elke anderstalige nieuwkomer een leertraject uit te werken, in samenwerking met het betrokken CLB. Daaruit moet duidelijk de opvolging van de leerling blijken. Ook de wijze van evalueren dient daarin opgenomen.
○ Alle informatie dient bij overstap naar het reguliere onderwijs te worden overgemaakt. Ook na die overstap dient de leerling opgevolgd en begeleid te worden. De begeleiding kan gebeuren binnen de scholengemeenschap of in samenspraak met één of meerdere scholen van een andere scholengemeenschap. Het verbeteren van het begrip en de expertise van reguliere leerkrachten in de onthaalschool en daarbuiten door middel van coaching door leerkrachten van het onthaalonderwijs, de aanwezigheid van een vervolgschoolcoach, een goede doorstroming van leerlingeninformatie en het onderhouden van contacten met de ex-onthaalleerlingen hebben een belangrijke weerslag op de schoolresultaten van de ex-onthaalleerlingen. Ontwikkelingsdoelen
In 2009 werden ontwikkelingsdoelen Nederlands voor nieuwkomers in de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers in het secundair onderwijs vastgelegd (zie 5.13.1.). Ondersteuning
De scholen die anderstalige nieuwkomers opvangen, worden ondersteund door de pedagogische begeleiding en het CTO, Centrum voor Taal en Onderwijs (K.U.Leuven), dat voor het secundair onderwijs een 'referentiekader voor het onthaalonderwijs' ontwikkelde. http://www.cteno.be
Specifieke onderwijsbehoeften / 457
Bekrachtiging van de studie Op het einde van het schooljaar krijgt elke anderstalige nieuwkomer die als regelmatige leerling het onthaaljaar gevolgd heeft, een attest met de vermelding dat de leerling in kwestie het onthaaljaar gevolgd heeft.
10.7.2. Nederlandstalige scholen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest & onder invloed van andere taalgebieden We behandelen eerst de maatregelen voor het Nederlandstalig onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en daarna deze voor de Nederlandstalige basisscholen gelegen in de rand- en taalgrensgemeenten en voor de basisscholen gelegen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of grenzen aan de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
10.7.2.1. Nederlandstalig onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Het aantal leerlingen in Vlaamse scholen blijft stijgen, maar steeds meer van die leerlingen hebben een anderstalige achtergrond. Daarom organiseerde de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming in 2007 een rondetafelconferentie over het Brussels Nederlandstalig onderwijs, samen met de minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die als lid van de Vlaamse Gemeenschapscommissie bevoegd is voor het Nederlandstalig Brussels onderwijs (zie ook 2.6.3.7.) met als eindrapport "Rondetafelconferentie over de kwaliteit van het Nederlandstalig onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest". In 2008 bundelden de ministers hun beleidsintenties in een conceptnota. Zie: http://www.vgc.be/onderwijs > algemeen onderwijsbeleid > rondetafelconferentie 2007 Controle op leerplicht
In Brussel was de controle op het schoolverzuim gehandicapt doordat het Vlaamse en het Franstalige onderwijs aparte inschrijvingslijsten hanteren. Tot in 2007 wist niemand hoeveel kinderen tussen 6 en 18 jaar binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voldeden aan de leerplicht. Begin 2007 werd door de Vlaamse en Franstalige minister van Onderwijs een akkoord gesloten om tot een gemeenschappelijke lijst te komen en tot een gezamelijke controle op de leerplicht vanaf het schooljaar 2007-2008 (zie 2.5.3.). Daarnaast zullen time-outprojecten (zie 2.2.) worden gebruikt om het spijbelen tegen te gaan. Gelijkeonderwijskansenbeleid
Voor het Brussel Hoofdstedelijk Gewest gelden speciale voorrangsregelingen voor inschrijving van leerlingen (zie 2.3.1.2.). Basisonderwijs
Maar liefst 68% van de leerlingen in het Nederlandstalig basisonderwijs in Brussel spreken thuis geen Nederlands. Voor het secundair onderwijs betreft het 51%. Daarom zijn verschillende maatregelen getroffen. Vanaf 2010-2011 zullen kinderen (ook in Vlaanderen) pas ingeschreven kunnen worden in een Nederlandstalige lagere school, als ze ook ĂŠĂŠn jaar Nederlandstalig kleuteronderwijs gevolgd hebben, of geslaagd zijn in een taaltest. Daarbij zullen de ouders ook een engagementsverklaring dienen te ondertekenen (zie 4.6.).
Specifieke onderwijsbehoeften / 458
De wettelijke plicht om een vast aantal uren Frans te onderwijzen in de basisschool is voor de groep leerlingen met een Franstalige achtergrond weinig doeltreffend. Daarom kan sinds 1 september 2009 het aantal lestijden Frans dat gegeven wordt, door de school worden bepaald in functie van de instroomkenmerken van de leerlingen (Onderwijsdecreet XIX, 2009). (Zie ook 1.4. Talen). Om de overgang van taalzwakke kinderen van basis- naar secundair onderwijs te verbeteren zullen ze in de 3e graad basisonderwijs sterker gedifferentieerd worden op basis van talige competenties en in het secundair onderwijs een traject van taalremediĂŤring kunnen volgen. Deeltijds Kunstonderwijs (DKO)
In het BHG krijgen instellingen voor DKO 30% extra uren-leraar wanneer de schoolbesturen deel uitmaken van een netoverschrijdend Samenwerkingsforum. Uitwisseling leerkrachten
De Vlaamse en Franse gemeenschapsministers van onderwijs hebben in 2007 een akkoord gesloten om de scholen in Brussel leerkrachten te laten uitwisselen. In het schooljaar 2008-2009 zijn 19 Nederlandstalige basisscholen gestart met het uitwisselen van leerkrachten met een Franstalige school in de buurt (zie 11.6.2.). Taalwetexamens
De onderwijstaalwetexamens krijgen een modulaire opbouw en de principes van EVC zullen erop van toepassing zijn. Bovendien zullen de niveaus van veronderstelde taalkennis afgestemd worden op de bestaande Europese standaarden. Ondersteuningsstructuren
BROSO, het Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs is een netoverschrijdend begeleidingsinitiatief voor Nederlandstalige scholen voor secundair onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, operationeel sinds 2006. Het is gericht op leraren en directies en wil hen ondersteunen in het verhogen van de taalvaardigheid van de leerlingen en het afnemen van taaltoetsen. De middelen voor BROSO komen voor 80 % van de Vlaamse Gemeenschap en 20% van de Vlaamse Gemeenschapscommissie VGC (zie ook 2.6.3.7.). Het VBB, Voorrangsbeleid Brussel ondersteunt netoverschrijdend basisscholen op het gebied van taalvaardigheidsonderwijs, efficiĂŤnt omgaan met diversiteit en differentiatie, samenwerken met ouders en samenwerken met andere onderwijspartners. Hoofddoel is het vergroten van de professionaliteit van leerkrachten met het oog op het verkleinen van de leer- en ontwikkelingsachterstanden van leerlingen. De directies krijgen ondersteuning over hun rol als leider en vernieuwingsbegeleider op hun school. Deze ondersteuning wordt gerealiseerd door een team van schoolexterne begeleiders. De klemtoon bij de VBB-ondersteuning ligt op intensieve inhoudelijke en procesmatige begeleiding van individuele leerkrachten, schoolteams en directies. Een VBB-begeleider begeleidt gemiddeld een honderdtal leerkrachten individueel of in groep. VBB schakelt momenteel fasegewijs over naar een meer vraaggestuurde begeleiding. Meer aandacht zal gaan naar onthaal van nieuwe leerkrachten en directies, en uitwisseling van materiaal en ervaringen tussen scholen. Het Onderwijscentrum Brusssel bundelt sinds 1 september 2008 verschillende organisaties die het Nederlandstalig onderwijs in Brussel ondersteunen (zoals Leermiddelencentrum en Schoolopbouwwerk, Nascholingscentrum). Vanaf 2010 zal ook Voorrangsbeleid Brussel er deel van uitmaken. http://bop.vgc.be/onderwijs/taalvaart/index.html
Specifieke onderwijsbehoeften / 459
10.7.2.2. Ondersteuning Nederlandstalige basisscholen onder invloed van andere taalgebieden Een belangrijk aandachtspunt van de Vlaamse Regering is het versterken van het Nederlandstalig onderwijs én de integratie van de vele anderstalige kinderen in Nederlandstalige scholen voor basisonderwijs gelegen in de rand- en taalgrensgemeenten en in de scholen voor basisonderwijs gelegen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of grenzen aan de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De uitvoering gebeurde in fasen (zie BaO/2006/02). Vanaf het schooljaar 2006-2007 werd een organiek stelsel ingevoerd dat van toepassing is op de Nederlandstalige basisscholen in de 6 randgemeenten, de taalgrensgemeenten en de 13 gemeenten van de brede Vlaamse Rand rond Brussel. Die scholen kregen aanvullende lestijden taalvaardigheid voor een betere integratie van anderstalige leerlingen op voorwaarde dat school ten minste 10% leerlingen telt van wie de thuistaal niet het Nederlands is (leerlingen TNN - een gelijkekansenindicator voor het GOK – zie 10.5.3.1.1.). Vanaf het schooljaar 2008-2009 werden die lestijden voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren toegekend en loopt de cyclus voortaan gelijk met de GOK-cyclus (teldag voor de nieuwe cyclus was 1 februari 2008). Bovendien is er sinds 2006 door de begeleidingsdiensten een gezamelijke ondersteuningsstructuur 'Samenwerkingsverband netgebonden pedagogische begeleidingsdiensten' ter ondersteuning op maat van het taalonderwijs in de basisscholen in de Vlaamse Rand. Na een analyse van de situatie op school wordt het schoolteam intensief begeleid om de taalvaardigheid in de school optimaal aan te leren. Het zorgt ook voor de tweedelijnsondersteuning inzake kleuterparticipatie. Een evaluatie van de werking dient tegen 2010 afgerond. Net zoals in Brussel (zie 10.7.2.1.) worden de onderwijstaalwetexamens hervormd. Ze krijgen een modulaire opbouw en de principes van EVC zullen erop van toepassing zijn. Regelgeving ● ●
●
Omzendbrief BaO/2006/02 Aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen in de Nederlandse scholen in de rand- en taalgrensgemeenten. Besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2006 betreffende het tijdelijke project voor de toekenning van extra lestijden aan de scholen van het basisonderwijs in de gemeenten die grenzen aan de Brusselse randgemeenten en in de gemeenten die grenzen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 betreffende de toekenning van aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen.
10.7.3. Hoger onderwijs Bepaalde doelgroepen blijven ondervertegenwoordigd, zoals kansarmen, allochtonen en mensen met een functiebeperking. Slaagkansen van allochtonen blijken in het eerste jaar hoger onderwijs drie keer lager te liggen dan deze van hun autochtone medestudenten: slechts 19,4% van de jongeren van Turkse of Noord-Afrikaanse afkomst slaagt in het eerste jaar hoger onderwijs tegenover 56% van de autochtonen. Haast 60% van de allochtone eerstejaars HO uit de islamregio heeft studievertraging opgelopen, tegenover 20% bij de autochtonen. Veel allochtone studenten blijken onrealistische studiekeuzes te maken, pakken hun studies te weinig efficiënt aan en hebben moeite om zich aan te passen (zie "Allochtonen in het hoger onderwijs Factoren van studiekeuze en studiesucces bij allochtone eerstejaarsstudenten Onderwijskundig onderzoek in opdracht van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming" - OBPWO 03.03 brochure, Nederlands, 2007, 37 blz., gratis).
Specifieke onderwijsbehoeften / 460
In het nieuwe financieringsdecreet wegen beursstudenten en studenten met een functiebeperking extra door bij het bepalen van werkingsmiddelen van de universiteiten en de hogescholen.
10.8. Statistieken We behandelen achtereenvolgens het buitengewoon onderwijs (zie 10.8.1.), het geĂŻntegreerd onderwijs (zie 10.8.2.), het gelijkeonderwijskansenbeleid (zie 10.8.3.), leerlingen van vreemde nationaliteit (zie 10.8.4.), het Nederlandstalig ond. in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (zie 10.8.5.).
10.8.1. Aantal leerlingen in het buitengewoon onderwijs
Aantal leerlingen 2008-2009
Basisonderwijs Secundair onderwijs
Gewoon onderwijs
625 364
436 146
Buitengewoon onderwijs
29 520
18 548
GeĂŻntegreerd onderwijs
5 870
3 720
Aantal leerlingen buitengewoon onderwijs naar type Type Aard handicap
Type1
Type 2
Type 3
Type 4
Type 7
Type 8
Licht mentaal
Matig mentaal
Karakterieel
Fysiek Visueel Auditief
Spraak/ Taal/Leren
1 106
193
296
41
341
3 692
2 216
1 143
121
929
Kleuteronderwijs Lager onderwijs
9 920
Type 6
Secundair ond.
Totaal
1 977 9 522
27 543 18 548
Opleidingsvorm 1
2 404
28
754
165
226
3 577
Opleidingsvorm 2
2 464
100
1 005
19
65
2 899
1 520
116
26
339
11 330
327
200
21
194
742
Opleidingsvorm 3
9 329
Opleidingsvorm 4
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Type 5 (op 1 februari 2009) 127 leerlingen in het buitengewoon kleuteronderwijs 216 leerlingen in het buitengewoon lager onderwijs (GO! 48, privaatrechtelijk ond. 97, gemeentelijk 71); gemiddelde aanwezigheid op jaarbasis bedroeg 44,22 voor het GO!, 92,15 voor het privaatrechtelijk onderwijs, 60,89 voor het gemeentelijk onderwijs 298 leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs (GO! 178, privaatrechtelijk ond. 33, gemeentelijk 87); gemiddelde aanwezigheid op jaarbasis bedroeg 151,71 voor het GO!, 32,14 voor het privaatrechtelijk onderwijs, 74,44 voor het gemeentelijk onderwijs Specifieke onderwijsbehoeften / 461
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Evolutie van de schoolbevolking in het buitengewoon onderwijs Verhouding t.o.v. 1995-1996 Buitengewoon lager onderwijs Schooljaar
Buitengewoon secundair onderwijs
Absoluut
Procent
Absoluut
Procent
1992-1993
20 462
90,83
14 222
92,61
1993-1994
21 054
93,46
14 558
94,80
1994-1995
21 752
96,56
14 961
97,42
1995-1996
22 528
100,00
15 357
100,00
1996-1997
23 121
102,63
15 548
101,24
1997-1998
24 072
106,85
15 647
101,89
1998-1999
24 935
110,68
15 659
101,97
1999-2000
25 727
114,20
15 774
102,72
2000-2001
26 212
116,35
15 763
102,64
2001-2002
26 794
118,94
16 084
104,73
2002-2003
26 901
119,41
16 402
106,80
2003-2004
26 952
119,64
16 792
109,34
2004-2005
26 768
118,82
17 393
113,26
2005-2006
26 753
118,75
17 801
115,91
2006-2007
26 794
118,94
18 189
118,44
2007-2008
27 140
120,47
18 263
118,92
2008-2009
27 543
122,26
18 548
120,78
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Specifieke onderwijsbehoeften / 462
10.8.2. GeĂŻntegreerd onderwijs Evolutie van het aantal GON-leerlingen
Schooljaar
begeleid vanuit het buitengewoon basisonderwijs
begeleid vanuit het buitengewoon secundair onderwijs
1993-1994
647
286
1994-1995
744
313
1995-1996
804
304
1996-1997
790
263
1997-1998
891
311
1998-1999
1 031
344
1999-2000
1 120
435
2000-2001
1 289
466
2001-2002
1 516
491
2002-2003
1 874
598
2003-2004
2 404
772
2004-2005
3 362
1 088
2005-2006
4 331
1 540
2006-2007
5 439
1 920
2007-2008
6 417
2 342
2008-2009
7 134
2 675
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Specifieke onderwijsbehoeften / 463
Aantal leerlingen in het geĂŻntegreerd onderwijs per onderwijsniveau van de leerling, in 2007-2008 Kleuteronderwijs Type
type 4
type 6
Lager onderwijs
Aantal
Aard
leerlingen
handicap
640
203 ernstig lichamelijk
101
1 matig of ernstig mentaal
type 4
1 365
581 ernstig lichamelijk
70 ernstig visueel
614
784 matig lichamelijk type 6
type 7
Aantal
Aard
leerlingen
handicap
758
Hoger onderwijs Type
Aantal
Aard
leerlingen
handicap
27
23 ernstig lichamelijk 4 matig lichamelijk
type 6
32
type 7
150
160 ernstig visueel
58 ernstig auditief 92 matig auditief
Totaal
637 ernstig auditief
3 720
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2008-2009
Specifieke onderwijsbehoeften / 464
28 ernstig visueel 4 matig visueel
1.985 matig auditief Totaal
==
4 525
439 ernstig lichamelijk
22 matig visueel 2 622
179
1456 normaal begaafd
319 matig lichamelijk 182
443 ernstig auditief 2 318 matig auditief
2 licht mentale handicap
type 7
2 761
1 355
158
153 ernstig visueel 50 matig visueel
type 4
type 6
203
28 ernstig auditief
Secundair onderwijs
type 4
handicap
17 normaal begaafd
Totaal
type 3
leerlingen
17
type 8
Type
Aard
type 3
586 matig auditief Totaal
Aantal
436 matig lichamelijk
31 matig visueel type 7
Type
209
10.8.3. Gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK)
LT of ULK
2002-2003
2005-2006
2007-2008
2008-2009
% evolutie 02-08
basisonderwijs
37.321
40.332
44.155
48.957
31,18%
1°graad SO
5.231
6.565
6.565
8.850
69,18%
2° en 3°graad SO
2.378
2.685
3.895
7.915
232,84%
totaal SO
7.609
9.250
10.460
16.765
120,33%
Totaal
44.930
49.582
54.615
65.722
46,28%
aantal FTE
2002-2003
2005-2006
2007-2008
2008-2009
% evolutie 02-08
basisonderwijs
1.555
1.681
1.840
2.040
31,19%
1°graad SO
232
291
291
393
69,40%
2° en 3°graad SO
105
119
173
351
234,29%
totaal SO
337
410
464
744
120,77%
Totaal
1.892
2.091
2.304
2.784
47,15%
evolutie budget
2002-2003
2005-2006
2007-2008
2008-2009
% evolutie 02-09
basisonderwijs
52.000.000
54.782.000
64.760.102
72.273.943
38,99%
1°graad SO
7.800.000
11.700.000
11.700.000
15.200.000
94,87%
2° en 3°graad SO
4.200.000
4.700.000
6.700.000
13.600.000
223,81%
totaal SO
12.000.000
16.400.000
18.400.000
28.800.000
140,00%
Totaal
64.000.000
71.182.000
83.160.102
101.073.943
57,93%
aantal scholen
2002-2003
2005-2006
2007-2008
basisonderwijs
1.923
1.881
1.870
2.032
109
1°graad SO
378
400
400
549
171
2° en 3°graad SO
120
108
108
392
272
2008-2009 evolutie aantal 02-08
Totaal aantal scholen basisonderwijs
2.147
1°graad secundair onderwijs
703
2° en 3°graad secundair onderwijs
701
% GOK-scholen 2008 basisonderwijs
94,64%
1°graad secundair onderwijs
78,09%
2° en 3°graad secundair onderwijs
55,92% Specifieke onderwijsbehoeften / 465
10.8.4. Aantal leerlingen/studenten van vreemde nationaliteit, per onderwijsniveau
Kleuteronderwijs
Lager onderwijs
Gewoon onderwijs J
M
Secundair onderwijs DBSO DKO
Gewoon BuO J
onderwijs
M
J
M
Gewoon BuO J
onderwijs
M
J
M
BuO J
M
EUROPA EU-landen Bulgarije
63
57
-
-
99
93
4
8
115
129
7
3
23
16
Duitsland
110
100
1
-
127
116
10
4
106
119
9
5
5
107
Frankrijk
159
161
1
-
216
206
22
13
154
131
12
16
20
85
81
59
-
-
143
177
13
18
211
231
20
12
18
71
Italië Nederland Polen
2.235 2.078 19
9 3.143 3.137 280 142 4.140 2.939 357 104
95 3.562
247
237
3
1
390
414
15
6
243
245
12
3
8
32
Portugal
82
101
2
-
147
149
16
7
113
131
10
8
16
21
Spanje
85
73
-
-
132
89
4
12
124
132
8
2
6
46
U.K.
76
68
-
1
111
143
4
1
79
100
2
2
4
71
219
246
3
2
350
325
56
40
254
255
33
32
72
102
Andere landen Totaal
3.357 3.180 29 13 4.858 4.849 424 251 5.539 4.412 470 187
267 4.113
Niet-EU Albanië
66
79
1
1
144
148
14
6
128
96
10
5
8
41
Bosnië Herzegovina
42
42
-
-
99
115
7
10
70
47
8
7
10
4
Oekraïne
40
32
1
-
73
88
2
2
105
103
2
-
1
44
Rusland
349
317
4
2
520
533
22
12
524
502
19
7
23
183
Servië
266
238
1
1
431
433
57
65
270
240
75
72
89
3
Andere landen
111
104
1
-
229
176
28
27
197
174
23
24
53
27
Totaal
874
812
8
4 1.496 1.493 130 122 1.294 1.162 137 115
184
302
Totaal Europa 4.231 3.992 37 17 6.354 6.342 554 373 6.833 5.574 607 302
451 4.415
AFRIKA CongoKinshasa
94
116
1
-
17
8
Marokko
684
648
5
6 1.681 1.702 150
83
64
48
-
2
61
51
7
405
401
8
3
556
602
61
Ghana Andere landen Totaal Afrika
11
6
11
2
922 1.035 103
88
149
21
5
121
150
11
14
29
4
41
478
504
54
31
69
48
1.247 1.213 14 11 2.424 2.482 235 137 1.604 1.809 179 139
258
75
Specifieke onderwijsbehoeften / 466
126
127
83
120
AMERIKA 136
145
2
-
296
355
23
23
280
289
18
10
21
97
Afghanistan
83
62
-
-
158
150
16
14
199
111
10
7
21
10
Armenië
88
75
2
-
196
156
8
4
207
224
7
5
30
45
Iran
66
56
-
1
148
115
3
6
159
133
7
2
10
52
Kazachstan
37
35
-
1
76
77
4
-
116
105
4
3
-
32
Pakistan
62
63
-
-
110
84
5
4
85
70
8
7
9
-
Thailand
18
25
-
-
102
108
3
3
65
96
5
1
3
12
Turkije
383
345
5
2 1.169 1.166 131
78
545
566
77
60
96
23
Andere landen
419
443
9
-
25
665
581
35
16
48
185
4 2.671 2.490 207 134 2.041 1.886 153 101
217
359
AZIE
Totaal Azië
1.156 1.104 16 3
-
634
37
-
1
7
-
-
7
8
-
-
155 145 1 2 Vluchtelingen Bron: Statistisch Jaarboek 2007-2008
282
291
38
36
177
138
33
23
OCEANIË
5
712
2 53
25
10.8.5. Schoolbevolking in het Nederlandstalig gewoon onderwijs, Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Onderwijsniveau Kleuteronderwijs
Lager onderwijs
Secundair onderwijs
Schooljaar
Totaal
Evolutie index t.o.v. 1994-1995
% westerse culturele achtergrond
% homogeen Nederlandstalig
% taalgemengd
% homogeen Franstalig
% homogeen anderstalig
1994-1995
8 471
100
70,4
23,6
28,7
29,1
18,6
2006-2007
11 121
131,3
49,3
10,0
19,6
29,1
41,2
2007-2008
11 173
131,9
48,7
9,5
24,9
32,1
33,4
2008-2009
11 430
134,9
47,3
9,7
25,3
32,1
32,9
1994-1995
9 409
100
80,9
35,4
30,4
21,7
12,5
2006-2007
13 301
141,4
54,4
13,9
21,0
27,9
37,1
2007-2008
13 488
143,4
54,2
13,7
25,0
30,3
31,1
2008-2009
13 680
145,4
53,4
11,8
25,1
32,6
30,5
1994-1995
12 397
100
94,7
74,4
16,1
6,2
3,4
2006-2007
12 457
100,5
71,4
33,7
27,9
17,8
20,6
2007-2008
12 402
100,0
65,9
33,7
24,4
21,0
20,9
2008-2009
12 357
99,7
66,8
31,4
25,3
21,3
21,9
Bron: Vlaamse Gemeenschapscommissie http://www.vgc.be/Onderwijs/Onderwijsbeleid+van+de+VGC/Over+het+Brussels+Nederlandstalig+ond erwijs/cijfers.htm
Specifieke onderwijsbehoeften / 467
Aantal leerlingen in de scholen van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (als inrichtende macht) Kleuteronderwijs Lager onderwijs Secundair onderwijs Totaal
49 91 429 569
10.8.6. OKAN, Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers Evolutie aantal anderstalige nieuwkomers in het basisonderwijs Schooljaar Aantal scholen Aantal AN 1997-1998 32 406 1998-1999 105 880 1999-2000 222 1957 2000-2001 351 2930 2001-2002 244 2535 2002-2003 169 1775 2003-2004 161 1743 2004-2005 147 1552 2005-2006 146 1559 2006-2007 164 1307 2007-2008 180 1516 2008-2009 225 1998 2009-2010 284 2302 Toestand op 26/3/2010 Bron: Stafdiensten Onderwijs en Vorming
Specifieke onderwijsbehoeften / 468
11. De Europese en internationale dimensie in het onderwijs Na het historisch overzicht (zie 11.1.), actuele discussies (zie 11.2.), Vlaamse beleidslijnen en wettelijk kader (zie 11.3.) behandelen we: ● ● ●
11.4. Vlaamse programma's en initiatieven 11.5. de Europese en internationale dimensie in het Vlaamse curriculum 11.6. mobiliteit en uitwisseling, van leerlingen en studenten, van leerkrachten en docenten
11.1. Historisch overzicht België werkte actief mee aan de Europese opbouw na de 2e wereldoorlog, met name aan: het afsluiten van een douane-akkoord tussen België, Nederland en Luxemburg (1947), de oprichting van de NAVO (1949), de Raad van Europa (1949), de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal EGKS (1951), de West-Europese Unie WEU (1954), de EEG en Euratom (1957), de BENELUX (1958), de Europese Vrijhandelsassociatie EVA (1960), het fusieverdrag (1965), het Europees Monetair Stelsel EMS (1979), de Europese Akte (1987), Schengen (1990), de Europese Unie (1992), het Europees Monetair Instituut (1994), de Europese Centrale Bank (1998), de Eurozone (1998). Tevens sloot België culturele akkoorden af met diverse landen om de mobiliteit en onderlinge uitwisselingen te stimuleren. In 2010 werd de Belgische oud-premier Herman Van Rompuy de eerste voorzitter van de Europese Raad. Zie: http://www.belgium.be/nl/over_belgie/belgie_internationaal/belgie_in_europa/historisch_overzicht/ In 1993 kreeg Vlaanderen de bevoegdheid om zelf internationale verdragen te sluiten op alle domeinen die tot de Vlaamse bevoegdheid behoren. Deze verdragen maakten het mogelijk werkprogramma's uit te werken die breder zijn dan de domeinen onderwijs en cultuur, verschillende financieringsvormen toelaten en openstaan voor projectmatige samenwerking (zie 11.4.). Het Europese onderwijsbeleid werd in de jaren '60-'80 vooral gekenmerkt door intergouvernementele samenwerking. Eind jaren '80 kwamen daar Europese programma's bij (Erasmus, Leonardo Da Vinci, e.a.) waar Vlaanderen van bij de opstart heel actief aan participeerde. Sinds 2000 is de Europese samenwerking inzake onderwijs en vorming sterk geïntensifieerd via het Bolognaproces (1999), Europees Doelstellingenproces (2001) en Kopenhagenproces (2002) (zie 11.2.2.). Bij de multilaterale samenwerking (Unesco, Raad van Europa en OESO) kiest Vlaanderen vooral voor projecten die aansluiten bij het Vlaamse onderwijsbeleid of waaraan van Vlaamse zijde een structurele bijdrage kan worden geleverd (zie 11.4.2.). Zie: Departement internationaal Vlaanderen & http://onderwijs.vlaanderen.be/internationaal/
Specifieke onderwijsbehoeften / 469
11.2. Lopende discussies en beleidsontwikkelingen We behandelen eerst de huidige Europese invloeden op het Vlaams onderwijssysteem, daarna de Europese samenwerkingsverbanden.
11.2.1. Huidige Europese invloeden op het Vlaams onderwijssysteem Sinds 1998 namen Vlaamse scholen deel aan EU-pilootprojecten over kwaliteitsgarantie en zelfevaluatie op lager en secundair niveau. Sinds 2003 worden gelijkaardige EU-initiatieven genomen in de volwasseneneducatie. De Nederlands-Vlaamse samenwerking op het niveau van de inspectie kreeg concreet gestalte in een intensieve uitwisseling van outputmetingen bij schooldoorlichtingen. De hervorming van het Vlaamse hoger onderwijs in de jaren '90 beoogde o.a. een verbetering van de participatie van de instellingen voor hoger onderwijs in internationale programma's. Elke instelling voor hoger onderwijs heeft dan ook een dienst opgericht om de uitbouw van internationale contacten en relaties administratief te ondersteunen. Het decreet van 4 april 2003 voerde de nieuwe internationale bachelor/master/doctor structuur in, conform het Bolognaproces. De zelfcertificatie in het kader van het Bolognaproces werd afgerond op 2 februari 2009 met de conclusie van onafhankelijke internationale experten waaruit blijkt dat het kwalificatieraamwerk hoger onderwijs van Vlaanderen compatibel is met het overkoepelend raamwerk van de Europese Hogeronderwijsruimte. De officiĂŤle bevestiging daarvan staat op de website van de NVAO http://www.nvao.net/nqf-fl en op de website van de ENIC en NARIC Netwerken: http://www.enic-naric.net/index.aspx?s=n&r=ena&d=qf. Het bestuur van instellingen voor hoger onderwijs kan beslissen dat in beperkte mate voor opleidingsonderdelen een andere taal dan het Nederlands wordt gebruikt wanneer de meerwaarde voor de studenten en de functionaliteit voor de opleiding blijkt uit de expliciet gemotiveerde beslissing daartoe en op voorwaarde dat de hiervoor aangewezen docent de andere taal op adequate wijze beheerst. De instellingen voor hoger onderwijs kunnen ook studenten anderstalige opleidingsonderdelen laten volgen aan een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs. Vlaamse studenten uit de lerarenopleiding kunnen lesgeven of een stage doen in buitenlandse scholen, hetgeen een positieve invloed heeft op o.a. hun CLIL-vaardigheden (Content Language Integrated Learning). Het instellingsbestuur kan opleidingen volledig in een andere taal aanbieden indien het gaat om opleidingen specifiek bedoeld voor buitenlandse studenten of om masteropleidingen in het kader van Europese en internationale programma's. Dit op voorwaarde dat er in dezelfde instelling een equivalente opleiding in het Nederlands wordt aangeboden. Voor bacheloropleidingen is het gebruik van een andere taal dan het Nederlands beperkt tot ten hoogste 10% van de omvang van het opleidingsprogramma. Datzelfde decreet verplicht opnieuw het vernieuwd diplomasupplement dat reeds in 1991 werd ingevoerd voor alle Vlaamse universitaire diploma's en in 1994 voor alle Vlaamse hogescholendiploma's. Het Vlaamse diplomasupplement stond model voor het internationale Diploma Supplement dat gezamenlijk werd ontwikkeld door de Europese Commissie, de Raad van Europa en UNESCO (zie 6.15.). De vermelding van de afronding van de zelfcertificatie in het kader van het Bolognaproces met nuttige links in het diplomasupplement is de laatste stap in de “Criteria & Procedures for Verification of Framework Compatibilityâ€? van het Bolognaproces. In het Vlaams diplomasupplement zal vanaf het academiejaar 2010-2011 vermeld worden dat de compatibiliteit van Specifieke onderwijsbehoeften / 470
het Vlaamse hogeronderwijssysteem met het overkoepelend raamwerk van de Europese Hogeronderwijsruimte werd afgerond met de conclusie van onafhankelijke internationale experten waaruit blijkt dat het kwalificatieraamwerk hoger onderwijs van Vlaanderen compatibel is met het overkoepelend raamwerk van de Europese Hogeronderwijsruimte. Ook de website http://www.nvao.net/nqf-fl waarop de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) dat officieel bevestigt zal vermeld worden op het diplomasupplement. De introductie in de jaren '90 van een Vlaams studiepuntensysteem, volledig gebaseerd op het Europese ECTS-systeem (European Credit Transfer System), bevordert de onderlinge uitwisseling van studenten van instellingen voor hoger onderwijs zowel binnen Vlaanderen als in andere landen. Dankzij het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen kan de student opteren voor een credit-, diploma- of examencontract (zie 6.7.). De keuze wordt vastgelegd in een studiecontract tussen de student en de instelling. De student ontvangt een diploma na het behalen van creditbewijzen voor alle opleidingsonderdelen die erin vervat zijn of wanneer de examencommissie van oordeel is dat de globale doelstellingen van het opleidingsprogramma voldoende verwezenlijkt zijn. De Vlaamse instellingen voor hoger onderwijs zijn zeer actief en succesvol in het organiseren van 'Joint Degrees' en masteropleidingen in het kader van het Erasmus Mundus-programma. Conform de translation tool van de Europese Commissie, de “European Qualifications Framework for Lifelong Learning (EQF for LLL)” zullen de Vlaamse kwalificatiebewijzen en de niveaus van de Vlaamse kwalificatiestructuur (die op 30 april 2009 decretaal werd vastgelegd) aan de niveaus van het Europees kwalificatiekader worden gekoppeld. Daarvoor zal een procedure worden opgesteld volgens de criteria, vooropgesteld door de Europese Commissie. (Zie 2.3.5. voor de Vlaamse kwalificatiestructuur en 7.14.7.) voor het EQF, European Qualifications Framework). Meer informatie op deze websites: ● ●
http://www.evcvlaanderen.be/evc_beleid/kwalificatiestructuur.html http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/?get=&nr=391
Met ingang van 1 september 2009 wordt voor een aanstelling in het onderwijs een aantal niveaus van taalkennis vastgelegd op basis van de indeling van het Europees Referentiekader voor Talen (ERK) (zie 8.2.5.1.). De minister van Onderwijs wil de geplande hervorming van het secundair onderwijs aangrijpen om een beroepskolom uit te bouwen die start in het secundair onderwijs en met als tussenstap het hoger beroepsonderwijs eindigt op het niveau van de professionele bachelor. Hierbij moeten flexibele leerwegen mogelijk zijn, eventueel via het realiseren van een creditsysteem. Daarom worden de Europese ontwikkelingen in het kader van het European Credit System for Vocational Education and Training (ECVET) opgevolgd.
11.2.2. Europese samenwerkingsverbanden Het verdrag van Maastricht (1992) creëerde een juridisch kader voor een stimulerend en faciliterend Europees onderwijsbeleid gebaseerd op het subsidiariteitsbeginsel. Hier gaan we kort in op het Europees Doelstellingenproces en het Brugge/Kopenhagenproces. Voor het Bolognaproces en de Verklaring van Leuven 2009, zie 6.1.3.).
Specifieke onderwijsbehoeften / 471
11.2.2.1. Het Europees Doelstellingenproces
Op de Europese top in Lissabon in 2000 formuleerden de Europese regeringsleiders de strategische doelstelling om tegen 2010 de meest concurrerende en dynamische wereldeconomie van de wereld te worden, die in staat is tot duurzame economische groei, met meer en betere banen en hechtere sociale samenhang. Op de top van Stockholm in 2001 vroegen ze aan de onderwijsministers een gedetailleerd werkprogramma voor de onderwijs- en opleidingssystemen op te stellen. Dit resulteerde in hun Doelstellingenrapport (2001), dat na de Europese Raad van Barcelona in 2002 leidde tot het 10-jaren programma 'Education & training 2010'. De centrale doelstellingen zijn: ● ● ●
de verbetering van de kwaliteit en de effectiviteit van de Europese onderwijs- en opleidingssystemen; het verzekeren van de toegang daartoe voor allen; het opengooien van onderwijs en opleiding naar de wijde wereld.
In aansluiting op de beleidsprioriteit 'een antwoord bieden op uitdagingen van de toekomst', hebben de Vlaamse Regering en de vertegenwoordigers van het Vlaamse middenveld op 22 november 2001 een zogenaamd Pact van Vilvoorde ondertekend. Het werd in 2005 geactualiseerd. Hierin worden 21 concrete lange termijndoelstellingen (te verwezenlijken tegen 2010) voor de 21ste eeuw vooropgesteld. Drie van die doelstellingen hebben specifiek betrekking op het onderwijs en komen ook terug in het Europees Doelstellingenrapport. ● ● ●
Tegen 2010 neemt minstens 12,5 procent van de Vlaamse inwoners, tussen 25 en 65, deel aan permanente vorming (lifelong learning). Het aantal jongeren dat de school verlaat zonder voldoende startkwalificaties is tegen 2010 minstens gehalveerd. Elke jongere uit Vlaanderen krijgt de kans om een ervaring op te doen in het buitenland, onder meer in het kader van samenwerkingsontwikkeling, culturele vorming of onderwijs.
Vlaanderen werkt actief mee aan de diverse opgerichte expertenwerkgroepen (o.m. over Active Citizenship en over Adult competences). Vlaanderen heeft daarnaast werk gemaakt van de communicatie-acties om het rapport bekend te maken in het departement en het onderwijsveld. Op de Europese Lenteraad van maart 2005 werd, in navolging van de Europese Commissie beslist dat groei en werkgelegenheid de voornaamste prioriteiten zouden worden voor de komende jaren. Op de Europese Lenteraad 2006 trad echter ook het energie- en klimaatbeleid binnen de strategie zeer sterk op de voorgrond. Aangezien Vlaanderen een eigen Hervormingsprogramma en voortgangsrapportage had, stonden in het Hervormingsprogramma 2005-2008 zowel maatregelen op macro- en micro-economisch vlak, als maatregelen op het vlak van de werkgelegenheid centraal. De Vlaamse Lissabonrapportering 2008 bracht een nieuwe stand van zaken. De hoge arbeidsdeelname van 66% in Vlaanderen werd ondersteund door de hoge scholingsgraad van de bevolking (87% van de 22-jarigen is minstens in het bezit van een diploma hoger secundair onderwijs) en door uitgebreide voorzieningen voor kinderopvang (34,5 opvangplaatsen per 100 kinderen jonger dan 3 jaar), waardoor de Lissabondoelstellingen voor 2010 toen reeds werden gerealiseerd. De economische groeiverwachtingen waren echter minder rooskleurig en voor 55plussers e.a. kansengroepen was de arbeidsdeelname erg laag. De deelname aan de permanente vorming daalde reeds voor het 3e jaar op rij tot 8% in 2007, nog ver onder de doelstelling van 12,5 tegen 2010. (Voor het rapport, zie: http://www.vlaanderen-in-actie.be/nlapps/docs/default.asp?id=266) Het tweede semester van 2010 is België voorzitter van de Europese Raad. Tijdens het voorzitterschap zal de Vlaamse Gemeenschap de coördinatie voor Onderwijs verzorgen. In 2010 loopt het Lissabonproces af en wordt de globale strategie van de Europese Unie voor het volgend decennium vastgelegd. Specifieke onderwijsbehoeften / 472
11.2.2.2. Het Kopenhagenproces voor het beroepsonderwijs en -opleiding
Een gezamenlijk Europees beleid inzake beroepsonderwijs en -opleiding werd geïnitieerd in Brugge in 2001 tijdens een vergadering van de directeurs-generaal van de Beroepsopleiding, onder voorzitterschap van België. De Europese Raad in Barcelona in 2002 gaf als opdracht een proces op te starten voor de stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding naar analogie met het Bolognaproces voor het hoger onderwijs. Dit leidde, op de bijeenkomst van de Europese Ministers bevoegd voor beroepsonderwijs en –opvoeding, tot de Verklaring van Kopenhagen in 2002. De strategische doelstellingen zijn: ●
●
●
●
● ●
● ●
versterking van de Europese dimensie met nauwere samenwerking en grotere onderlinge mobiliteit en partnerschappen, resulterend in grotere internationale uitstraling en met levenslange leermogelijkheden en begeleiding verhoging van de doorzichtigheid en vergelijkbaarheid van de beroepsonderwijs en opleidingssystemen en van het opleidingenaanbod o.m. door uitbouw van opleidingsdatabanken cf. http://www.wordwatjewil.be, het Europese CV, het Europese talenportfolio, Europass, het diplomasupplement en het certificaatsupplement; een EQF, dit is een Europees Kwalificatiekader met 8 kwalificatieniveaus dat een vertaalinstrument is tussen diverse nationale kwalificatiekaders (zoals o.a. de Vlaamse kwalificatiestructuur) dat eerder gericht is op de resultaten van leerprocessen (outputfactoren) dan op de duur van studies en de aard van het diploma (inputfactoren); zie de EQFaanbeveling van 23 april 2008 op volgende site: http://ec.europa.eu/education/lifelonglearning-policy/doc44_en.htm; een ECVET (European Credit system for Vocational Education and Training), Europees systeem voor overdracht van leerresultaten van beroepsonderwijs- en opleiding (vergelijkbaar met het ECTS in hoger onderwijs); zie de ECVET-aanbeveling van 18 juni 2009 op volgende site: http://ec.europa.eu/education/lifelong-learning-policy/doc50_en.htm; erkenning van verworven competenties en kwalificaties ook uit het niet-formeel en informeel leren; waarborgen inzake kwaliteit, met gemeenschappelijke criteria en principes o.m. door uitwerking van een Europees kwalificatieraamwerk voor kwaliteitsbevordering, uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden, opleiding van opleiders en nascholing van leerkrachten…; zie de aanbeveling betreffende een Europees raamwerk voor kwaliteitsborging in VET (EQARF) van 18 juni 2009 op volgende site: http://ec.europa.eu/education/lifelong-learningpolicy/doc1134_en.htm; meer flexibele leertrajecten en promotie van zelfgeorganiseerd online leren; speciale aandacht voor laaggeschoolden, schooluitvallers, migranten, gehandicapten en werklozen.
De samenwerking met Nederland blijft een prioriteit (bv. de NVAO) en het Benelux-verdrag zal een meer dynamische invulling krijgen.
11.3. Vlaamse beleidslijnen en wettelijk kader Voor uitgebreide informatie en documenten over het Vlaams buitenlands beleid verwijzen we naar verschillende websites van de Vlaamse overheid. We geven hier enkel de websites die direct relevant zijn voor onderwijs.
Specifieke onderwijsbehoeften / 473
Departement Internationaal Vlaanderen
http://iv.vlaanderen.be/nlapps/default.asp
NADIA (1)
http://nadia-burger.vlaanderen.be/nadia
Voor het beleidskader, beleidsnota's, Vlaams regeerakkoord (luik buitenlands beleid en internationale samenwerking)
http://www.vlaandereninactie.be/nlapps/ http://iv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=2
Internationalisering in het http://www.ond.vlaanderen.be/internationaal onderwijs Vlaanderen en de Europese Unie
http://iv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=33
Lissabonstrategie
http://www.vlaandereninactie.be/nlapps/docs/default.asp?fid=54
Vlaanderen en OESO
http://iv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=56
Vlaanderen en Raad van http://iv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=60 Europa Vlaanderen en Unesco
http://iv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=91
(1) NADIA is de databank van de afdeling Beleid van het departement Internationaal Vlaanderen en archiveert de Intergouvernementele en Internationale Akten van de Vlaamse Overheid. De intergouvernementele akten zijn de binnenlandse samenwerkingsakkoorden die gesloten werden door de Vlaamse Regering met de federale regering en/of de regeringen van de andere Gemeenschappen en/of Gewesten. EPOS vzw voert het Europese LLP (Lifelong learning Programme) programma uit, het departement onderwijs is verantwoordelijk voor de beleidsvoering (zie 11.4.2.4.).
11.4. Vlaamse programma's en initiatieven We behandelen afzonderlijk: ● ● ●
11.4.1. bilaterale programma's 11.4.2. multilaterale programma's 11.4.3. andere projecten, waaronder deze in het kader van ontwikkelingssamenwerking
11.4.1. Bilaterale programma's en initiatieven Bilaterale samenwerking is mogelijk in het kader van culturele akkoorden en samenwerkingsakkoorden; sommige gesloten door België maar ingevuld door de regio's, andere door Vlaanderen gesloten (aangezien Vlaanderen in 1993 de bevoegdheid heeft verkregen om verdragen te sluiten). Sindsdien heeft Vlaanderen met 27 landen bilaterale samenwerkingsakkoorden gesloten (http://www.ond.vlaanderen.be/internationaal/CA/default.htm). Op onderwijsgebied dient hier de samenwerking met Nederland, de buurlanden, Rusland en Zuid-Afrika te worden geschetst.
Specifieke onderwijsbehoeften / 474
11.4.1.1. Samenwerking met Nederland
Deze samenwerking berust op verschillende verdragen en akkoorden. Het Taalunieverdrag dat de Nederlandse Taalunie creëerde
De Nederlandse Taalunie is opgericht in 1980 door het Taalunieverdrag tussen Nederland en de Vlaamse Gemeenschap. Dit supranationaal orgaan geeft de mogelijkheid om op internationaal niveau als één taalgemeenschap te handelen en bij te dragen aan de ontwikkeling van het Nederlands, onderwijs in het Nederlands, literatuur en leesbevordering. Op de website Taalunieversum (http://taalunieversum.org/) vindt men o.m. een elektronische attenderingslijst met samenvattingen van artikelen over het onderwijs Nederlands uit Nederlandse en Vlaamse vakbladen, een verklarende woordenlijst van Nederlandse, Surinaamse en Vlaamse onderwijstermen en/of afkortingen. GENT-akkoorden
Deze onderwijssamenwerking tussen Vlaanderen en Nederland loopt sinds 1990. GENT staat voor 'Gehele Europese Nederlandse Taalgebied'. Het Gent-5 akkoord liep van 2000-2003 en werd verlengd voor 4 jaar door het GENT-6 akkoord. De onderhandelingen voor het GENT-7 akkoord zijn lopende. Binnen het GENT-akkoord worden jaarlijks participatieve uitwisselingsstages voor leraren tussen Vlaamse en Nederlandse basisscholen georganiseerd (zie 11.6.2.). Het Cultureel Verdrag tussen Vlaanderen en Nederland
Dit verdrag over nauwe samenwerking op vlak van cultuur, onderwijs, wetenschappen en welzijn werd in 1995 ondertekend. De commissie Cultureel Verdrag adviseert regelmatig de Nederlandse en Vlaamse Regering en organiseert conferenties en studiedagen, zie http://www.cvn.be/cult/index.htm Open universiteit
In 1984 ging de Nederlandse Open Universiteit (OU) van start. Deze biedt mensen de kans om buiten de normale dagopleidingen aan de universiteit en in eigen tempo een universitaire opleiding te volgen. De Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) sloot daartoe met de Nederlandse OU een samenwerkingsakkoord. Er bestaan studiecentra Open Hoger Onderwijs in Antwerpen, Brussel, Diepenbeek, Gent, Kortrijk en Leuven. http://www.ou.nl/ Onderwijsvisitaties
Reeds in 1992 sloten de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU) en de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) een overeenkomst over samenwerking inzake onderwijsvisitaties. Visitatiescommissies met Nederlandse en Vlaamse leden controleren de kwaliteit van de opleidingen. In het kader van de invoering van accreditatie in het Vlaamse hoger onderwijs hebben de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA) gezamenlijk een grondig vernieuwd visitatieprotocol uitgewerkt (zie 9.4.2.3.). Het accreditatieverdrag
Op 3 september 2003 werd met Nederland een verdrag afgesloten betreffende de samenwerking inzake de accreditatie van opleidingen in het hoger onderwijs in het kader van de invoering van de bachelor-masterstructuur ten gevolge van de Bologna-afspraken. Het verdrag heeft ook de gezamenlijke Nederlands-Vlaamse Accrediteringsorganisatie (NVAO) in het leven geroepen. Het verdrag vormt samen met het structuurdecreet van 4 april 2003 de decretale basis voor de invoering van de accreditatie in Vlaanderen (zie 9.4.2.4.). http://nvao.net
Specifieke onderwijsbehoeften / 475
Het verdrag voor de Transnationale Universiteit Limburg (TUL)
In 1991 beslisten de Universiteit Maastricht en het Limburgs Universitair Centrum in Diepenbeek om gezamenlijk de studierichting kennistechnologie in te stellen. In 2001 werd het verdrag inzake de TUL ondertekend. Stapsgewijs worden opleidingen ondergebracht in deze TUL : kennistechnologie, biomedische wetenschappen, informatie- en communicatietechnologie, onderwijswetenschappen. http://www.tul.edu/
Samenwerking tussen universiteiten en hogescholen
Er bestaan ook talrijke vormen van samenwerking tussen universiteiten en hogescholen in Nederland en Vlaanderen. De IWETO-databank van de Vlaamse Gemeenschap bevat meer dan 1000 wetenschappelijke samenwerkingsverbanden tussen Vlaamse universiteiten (geen hogescholen of wetenschappelijke instellingen) en Nederlandse instellingen. Die samenwerking is soms nog ruimer. Zo werken de universiteiten van Aken, Luik, Maastricht en Diepenbeek (de Euregio Maas-Rijn) samen onder de noemer ALMA en de hogescholen onder de noemer HORA EST. Verder hebben jaarlijks Nederlands-Vlaamse ontmoetingsdagen hoger onderwijs plaats.
11.4.1.2. Samenwerking met buurlanden
Het GROS-programma voor Vlaamse en Nederlandse secundaire scholen
Sedert 1995 maakt het GROS-programma (Grensoverschrijdende samenwerking) uitwisseling van klassen mogelijk tussen Vlaamse en Nederlandse secundaire scholen. Vanaf het schooljaar 20042005 werd dit programma opengesteld naar de andere onmiddellijke buurlanden van België: Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk (zie 11.6.1.2.). Buurlanden-programma voor het basisonderwijs
Dit programma wil Vlaamse basisscholen (gewoon en buitengewoon onderwijs) de mogelijkheid bieden in een gemeenschappelijk onderwijsproject samen te werken met één of meer basisscholen uit de onmiddellijke buurlanden van België: Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Buurlanden bestaat uit twee componenten. ●
●
De directie en/of één of meer leden van het onderwijzend, beleids- en ondersteunend personeel of paramedici gaan voor minstens één volledige dag naar een Nederlandse, Luxemburgse, Britse, Franse of Duitse basisschool. Ze maken er kennis met het onderwijssysteem, wisselen informatie uit over een bepaald pedagogisch of organisatorisch vraagstuk enzovoort. Ze kunnen er ook één of meer collega's in hun dagelijkse praktijk volgen. Ze kunnen ook een subsidie ontvangen voor nascholingscursussen in één van de buurlanden. Leerlingen kunnen in klasverband met hun buitenlandse leeftijdsgenootjes kennismaken (zie 11.6.1.1.).
Formaprim, Frans voor leerkrachten, begeleiders basisonderwijs
directies
en
pedagogische
Dit nascholingsprogramma wordt georganiseerd door het departement Onderwijs en Vorming i.s.m. de culturele dienst van de Franse ambassade, de onderwijsinspectie, de onderwijskoepels en de Belgische Vereniging voor Leraren Frans (http://www.formaprim.org/). Het omvat:
Specifieke onderwijsbehoeften / 476
●
●
●
Zomercursussen – een veertiendaagse nascholingscursus in Vichy, voor leerkrachten basisonderwijs en leerkrachten Frans in de 1e graad van het secundair onderwijs, gericht op methodologische vorming en het gebruik van Frans in verschillende contexten. Bijscholingscursussen in Frankrijk en Vlaanderen voor het nascholersteam. De nascholers worden gerekruteerd uit de gewezen deelnemers aan de genoemde zomercursussen, mogelijk aangevuld met een of meer vertegenwoordigers van de lerarenopleiding. De basiscursus wordt georganiseerd in een gespecialiseerd instituut in Frankrijk, de ondersteunende bijscholingscursussen in Vlaanderen. Nascholingscursussen in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In elke provincie en het BHG worden jaarlijks 3 cursussen van 3 uur op een woensdagnamiddag gegeven.
Formacom, voor leerkrachten Frans in het secundair onderwijs en het volwassenenonderwijs
● ●
●
●
●
Het Formacom-III project loopt van 2008-2010 De leerkrachten volgen eerst een opleidingsseminarie in Frankrijk. Daarna worden opvolgdagen georganiseerd in Vlaanderen en starten de nascholers met workshops voor hun collega-leerkrachten Frans. Het programma wordt georganiseerd door het departement Onderwijs en Vorming i.s.m. de Franse ambassade, de Vlaamse universiteiten en de Vlaamse onderwijskoepels, dit in het kader van het cultureel akkoord Vlaanderen-Frankrijk. Het programma wordt gefinancierd door het departement Onderwijs en Vorming, de Franse overheid en Comeniusnascholingsbeurzen. De scholen(gemeenschappen) van de deelnemers betalen een bescheiden bijdrage ter financiering van de opvolgdagen in Vlaanderen. http://www.form-a-com.org
Nascholingscursussen Duits
In samenwerking met de Duitse autoriteiten zijn er in principe jaarlijks uitwisselings- en nascholingsactiviteiten: een nascholingscursus voor Vlaamse leerkrachten Duits in Duitsland en een nascholingscursus voor Duitse leerkrachten Frans in Vlaanderen. Nascholingscursussen Engels
Voor leerkrachten Engels vinden jaarlijkse nascholingscursussen plaats in Groot-Brittannië. De cursisten logeren bij een Britse familie.
11.4.1.3. Samenwerking met Rusland
Sinds 1991 werden diverse samenwerkingsakkoorden en –protocollen gesloten tussen de Vlaamse en Russische ministers van onderwijs. In uitvoering hiervan zijn tientallen projecten opgezet. De terreinen waarop wordt samengewerkt zijn o.a. onderwijs aan kinderen met speciale noden, leerlingenbegeleiding, het beroepsonderwijs. In 2005 werd een nieuw akkoord ondertekend. In uitvoering daarvan liepen er tot eind 2007 4 projecten, 2 rond leerlingenbegeleiding en 2 rond kinderen en jongeren met bijzondere noden. Deze 4 projecten werden eind 2008 verlengd voor een periode van 2 jaar.
Specifieke onderwijsbehoeften / 477
11.4.1.4. Samenwerking met Zuid-Afrika
In 1996 werd een samenwerkingsverdrag gesloten tussen Vlaanderen en Zuid-Afrika. In 2000 werd het vernieuwd en uitgebreid en werden drie provincies Vrijstaat, KwaZulu-Natal en Limpopo als geografisch prioritaire gebieden aangeduid. Recent werden volgende programma’s gesubsidieerd. ●
●
●
●
In december 2007 is het project ‘Support for Free State Foundation Phase Learners with barriers to Language Learning’ van start gegaan. Dit project legt de nadruk op het effectief onderwijzen van talen aan kinderen met leermoeilijkheden. Het biedt een gespecialiseerd ondersteuningsprogramma voor de 25 schoolclusters die geselecteerd zijn in een voorgaand project rond taal en onderwijs (het Language of Learning and Teaching project). Dit project worden uitgevoerd door de NGO ‘Culture of Learning Association’. In 2007 werd een subsidie toegekend aan het project 'Early Childhood Development in the Free State, project two' in de Vrijstaat. Het project wil het basisonderwijs en de gezondheidsvoorzieningen voor jonge leerlingen verbeteren. In 2008 startte het project 'Educational Support to develop environmental management in primary schools in South Africa'. Dit 'Project Green Schools' beoogt het systeem van milieuzorg op school in 60 basisscholen, verspreid over de provincies Gauteng, Limpopo en Vrijstaat, verder uit te breiden en te verdiepen. Het is een samenwerking tussen de Vrije Universiteit Brussel, de Universiteit van Johannesburg en nog twee Zuid-Afrikaanse partners. In 2009 ontving de Culture of Learning Association in Zuid-Afrika een subsidie voor de coördinatie en uitvoering van het project 'A Free State Academic Literacy Support Programme to the Foundations for Learning Campaign'. Het project wil kwaliteitsvol onderwijs realiseren in een meertalige context, waarbij de onderwijstaal meestal verschilt van de moedertaal van leerlingen en leerkrachten.
11.4.2. Multilaterale programma's en initiatieven We behandelen hierna de samenwerking in het kader van: ● ● ● ●
de Raad van Europa (zie 11.4.2.1.) de OESO (zie 11.4.2.2.) de UNESCO (zie 11.4.2.3.) de EU-programma's (zie 11.4.2.4.)
Financieringsprogramma voor stages bij multilaterale organisaties
Op 29 september 2006 keurde de Vlaamse Regering het ‘Besluit betreffende het financieringsprogramma voor jongerenstages bij internationale multilaterale organisaties’ goed. De meeste internationale organisaties bieden aan studenten of pas afgestudeerden de mogelijkheid om een aantal maanden stage te lopen. Maar aangezien de meeste van deze stages onbetaald zijn, startte de Vlaamse overheid een programma van multilaterale stagefinanciering op. Deze financiële tegemoetkomingen moeten Vlaamse studenten of pas afgestudeerden de kans bieden internationale ervaring bij multilaterale organisaties op te doen. De financiering is bedoeld voor jongeren uit Vlaanderen of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, niet ouder dan 30 j., die een stageaanbod hebben gekregen bij een internationale organisatie en een einddiploma bezitten van secundair of hoger onderwijs, of ingeschreven zijn voor een voltijdse opleiding hoger onderwijs. www.vlaanderen.be/internationalisering/stagefinanciering
Specifieke onderwijsbehoeften / 478
11.4.2.1. Samenwerking in het kader van de Raad van Europa
De Raad van Europa (http://www.coe.int/ ) is opgericht in 1949 door 10 Europese landen waaronder België en telt in 2008 47 lidstaten. Op de derde top van regeringsleiders in Warschau in 2005 werden volgende doelstellingen voor de Raad geformuleerd: ● ● ●
het bevorderen van de gemeenschappelijke waarden inzake mensenrechten, rechtszekerheid en democratie; het versterken van de veiligheid van Europese burgers, bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad en mensenhandel; het bevorderen van samenwerking met andere internationale en Europese organisaties.
Het onderwijsprogramma wordt vastgelegd door het Onderwijscomité (CDED), samengesteld vertegenwoordigers van de onderwijsministers van de lidstaten. Het programma hoger onderwijs wetenschappelijk onderzoek wordt gestuurd door het Comité voor Hoger Onderwijs Wetenschappelijk Onderzoek (CDESR). Het Departement Onderwijs en Vorming participeert in activiteiten van beide comités.
uit en en de
Het onderwijsprogramma omvat: ● ● ● ● ● ●
Onderwijs voor Roma/zigeunerkinderen in Europa (2002-2009) Herinneringseducatie – onderwijs ter preventie van misdaden tegen de mensheid (°2001-) Educatie voor democratisch burgerschap en rechten van de mens (2010-2014) ter opvolging van het programma ‘Learning and living democracy for all’ (2006-2009) Geschiedenisonderwijs (°1949-) Intercultureel onderwijs en socio-culturele diversiteit (°2002-) Hoger onderwijs en research. Prioriteiten hier zijn:
○ bijdragen tot het scheppen van een Europese hogeronderwijsruimte (Bolognaproces);
○ erkenning van kwalificaties in de Europese regio; ○ hervorming van het hoger onderwijs in Zuid-Oost Europa, Zuid-Kaukasus, GOSlanden
○ bevorderen van de toegang tot het HO; ○ bewaren van de autonomie en het erfgoed van de Europese universiteiten. ●
●
Het project "talen, diversiteit, burgerschap" wil bijdragen tot een gediversifieerde aanpak van taalonderwijs binnen de context van democratische burgerschapsvorming in Europa. 26 september is uitgeroepen tot Europese dag van de talen (http://www.ond.vlaanderen.be/edt. & http://www.edt-vl.be/ ) Het Pestalozzi-programma van de Raad van Europa (°2005-) biedt leraren basis- en secundair onderwijs de mogelijkheid een workshop van 3-5 dagen te volgen in een lidstaat, doorgaans betreffende de thema’s waar de Raad van Europa mee bezig is, zoals cultuur, talen en mensenrechten. Een overzicht van de workshops is te vinden op http://www.coe.int/training. Daarnaast organiseert het programma ook Europese seminaries en ontwikkelt Europese modules voor de opleiding van opleiders.
Specifieke onderwijsbehoeften / 479
11.4.2.2. Samenwerking in het kader van de OESO (OECD)
België is een van de 20 stichtende leden van de organisatie. Momenteel maken 30 landen er deel van uit. Het 'Directorate for education' (EDU) van de OESO heeft 6 strategische objectieven tot einde 2008: ● ● ● ● ● ●
het bevorderen van levenslang leren en het verbeteren van de banden met het sociaaleconomische beleid; evaluatie en verbetering van onderwijsresultaten; kwalitatief hoogstaand onderwijs bevorderen; tertiair onderwijs herdenken binnen een globale economie; sociale samenhang verbeteren door onderwijs; toekomstgericht onderwijs uitbouwen.
De strategische objectieven voor 2009-2010 zijn: ● ● ● ●
verhoging effectiviteit van onderwijs en leren; verkleining van de competentieskloof en verhoging rol beroepsonderwijs en -opleiding; hervorming van het bestuur en het onderwijsbestuur; bevordering van mobiliteit en inclusief onderwijs.
Er zijn 4 werkdomeinen: ● ● ● ●
Voorschools en schools: Programme for International Student Assessment (PISA) – voor de deelname van Vlaanderen zie 9.5.3.. Hoger onderwijs en volwassenenvorming: Programme on Institutional Management in Higher Education (IMHE) Onderwijs, economie en samenleving: Centre for Effective Learning Environments (CELE) Onderzoek en kennismanagement: Centre for Educational Research and Innovation (CERI)
De eigenheid van de OESO-onderwijswerking ligt in: ● ● ● ●
de analyse van onderwijs en opleiding in het licht van de ontwikkelingen in andere beleidsdomeinen en in de maatschappij; de aandacht voor equity en sociale cohesie; de aandacht voor de opbrengsten van onderwijs; het gebruik van onderwijsindicatoren voor het onderwijsbeleid.
Het departement Onderwijs en Vorming participeert momenteel aan diverse programma's: ● ● ● ●
PISA, Programme for International Student Assessment (zie 9.5.3.). PIAAC, Programme for International Assessment of Adult Competencies (zie 9.5.3.). TALIS, Teaching and Learning International Survey (zie 9.5.3.). AHELO, Assessment of Higher Education Learning Outcomes, een haalbaarheidstudie binnen IMHE, http://www.oecd.org/edu/ahelo
Vlaanderen neemt ook regelmatig deel aan de thematische doorlichtingen met medewerking van onafhankelijke externe experten. Daarbij wordt eerst een achtergrondrapport opgesteld, gevolgd door een meerdaags studiebezoek door OESO-experten, leidend tot een beschrijving van het terzake gevoerde beleid in Vlaanderen. ●
Zo nam Vlaanderen in 2009 deel aan de 2e ronde van de OESO-review Vocational Education and Training (VET). Deze studie besteedt bijzondere aandacht aan de aansluiting van beroepsopleidingen op de arbeidsmarkt en de rol van werkgevers en werknemers daarin.
Specifieke onderwijsbehoeften / 480
Voor een overzicht van de OESO-publicaties inzake onderwijs, waarin België aan bod komt: http://www.oecd.org > country Belgium > topic education. De laatste jaren werden volgende rapporten gepubliceerd. ●
2006
○ CERI - Schooling for Tomorrow: International Seminar “Demand, Autonomy and Accountability in Schooling” (Brussels, 15-16 May 2006)
○ Country Profiles: An Overview of Early Childhood Education and Care Systems in the Participating Countries - Belgian Flemish Community
○ Thematic Review of Tertiary Education - Country Background Report - Flemish Community of Belgium
○ Improving School Leadership - Country Background Report for Flanders ○ Teaching, Learning and Assessment for Adults: Improving Foundation Skills. Belgium Background Report ●
2007
○ Equity in Education Thematic Review Country Analytical Report - Flemish Community of Belgium
○ Improving School Leadership - Belgium: The Flemish approach to School Leadership for systemic improvement
○ Improving incentives in tertiary education in Belgium ●
2008
○ Improving School Leadership - Vol 1 Policy and Practice, Volume 2 Case Studies on System Leadership
○ Teaching, Learning and Assessment for Adults: Improving Foundation Skills. Case Study: Belgium (Flemish Community)
○ Recognition of non-formal and informal learning. Background report Belgium (Flanders) + Country note for Belgium (Flanders)
○ Improving school leadership – summary English vol 2 ●
2009
○ Creating Effective Teaching and Learning Environments: First results from TALIS: briefing note Belgium In 2008 werd door de departementen Onderwijs en Vorming, Werk en Sociale Economie en Cultuur, Jeugd, Sport en Media naar aanleiding van de OESO-review een seminarie gehouden over EVC in beleid en praktijk; uitdagingen voor Vlaanderen. http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/studiedagen/20080131/ Jaarlijks publiceert de OECD 'Education at a Glance' een comparatieve doorlichting van de OECDlanden a.h.v. de OECD-onderwijsindicatoren. De werking van de OESO is uiteraard breder dan onderwijs. De Vlaamse Gemeenschap financiert verschillende OESO-activiteiten en neemt deel aan verschillende comités en werkgroepen via het departement Internationaal Vlaanderen, http://iv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=59
11.4.2.3. Samenwerking in het kader van de UNESCO en UNICEF
In 1990 lanceerde de UNESCO de beweging 'Education for All' (EFA) in samenwerking met de agentschappen UNDP, UNFPA, UNICEF & de Wereldbank. De focus is gericht op kinderopvang, basisonderwijs, leren en leefvaardigheden programma's voor jongeren en volwassenen, geletterdheid Specifieke onderwijsbehoeften / 481
voor volwassenen, gelijkheid van geslachten in onderwijs en onderwijskwaliteit. Een jaarlijks Global Monitoring Report onderzoekt de vooruitgang terzake binnen de verschillende landen. In 2009 werd de 6e internationale conferentie over volwasseneneducatie (CONFINTEA VI) georganiseerd door het UNESCO Institute for Lifelong Learning (UIL). Ter voorbereiding hiervan en in functie van het geplande Global report on Adult Learning and Education (GRALE) bracht het departement Onderwijs en Vorming de Vlaamse initiatieven terzake in kaart. Zie National report on the Development and State of Art of Adult Learning and Education (ALE). http://www.unesco.org/en/confinteavi/ > national reports > Europe > Belgium – Flemish Community Het "IBE, internationaal Bureau of Education'', is de Unesco-instelling gespecialiseerd in onderwijsinhouden, methoden en structuren. Het organiseert elke 3 à 4 jaar een internationale onderwijsconferentie waar ministers van onderwijs en andere betrokkenen elkaar ontmoeten. De 48ste zitting vond plaats in november 2008 in Genève met als hoofdthema: 'Onderwijs gericht op inclusie: de weg naar de toekomst. In 2005 werd een 'Community of Practice in Curriculum Development' opgericht. http://www.ibe.unesco.org/ Ambtenaren van het departement Onderwijs en Vorming nemen op regelmatige basis deel aan de algemene conferentie van Unesco (die niet alleen over onderwijs handelt) en aan specifieke bijeenkomsten (zoals over hoger onderwijs). De basis van de samenwerking tussen Vlaanderen en de UNESCO ligt besloten in een samenwerkingsovereenkomst die werd afgesloten op 6 maart 1998. Het is een van de zeldzame overeenkomsten van de UNESCO met substatelijke entiteiten (ook met het Baskenland werd een akkoord gesloten) en vooralsnog de enige met een Belgische deelstaat. In 2004 richtte de Vlaamse Regering de Vlaamse Unesco Commissie op waarin ook vertegenwoordigers van het ministerie van onderwijs en vorming participeren. http://www.unescovlaanderen.be De Unesco heeft ook een netwerk van geassocieerde scholen ASPnet uitgebouwd, voor het promoten van vrede en verdraagzaamheid en om te leren met elkaar samen te leven. Die scholen zetten pilootprojecten op in vier studiegebieden: wereldproblemen en de rol van de Verenigde Naties bij het oplossen ervan; mensenrechten, democratie en tolerantie; intercultureel leren; en de milieuproblematiek en duurzame ontwikkeling. In Vlaanderen maken 4 basisscholen en 19 secundaire scholen deel uit van het netwerk. De Vlaamse Unesco Commissie heeft samen met het Unesco Platform de inhoudelijke criteria voor deelname aan het netwerk herzien. In het voorjaar van 2010 wordt een eerste oproep gelanceerd voor secundaire scholen om een aanvraag in te dienen voor toetreding tot dit ‘vernieuwde’ netwerk. Vlaanderen participeert ook aan enkele driejaarlijkse onderwijsprojecten van Unicef (zie 11.4.3.1.). In het partnerschapsakkoord werd ook voorzien dat Unicef België instaat voor de sensibilisering en bewustmaking voor de problematiek in Vlaanderen.
11.4.2.4. EU-programma's en initiatieven
LLP, Een Leven lang Leren programma De Europese Unie heeft een aantal onderwijs- en opleidingsprogramma's in gang gezet met het oog op het promoten van de Europese dimensie en het verbeteren van de onderwijskwaliteit door middel van samenwerking tussen de landen. In 2007 startte het 'Een Leven lang Leren Programma 2007-2013 (LLP, Lifelong Learning Programme)" met als deelprogramma's: Specifieke onderwijsbehoeften / 482
● ● ● ● ●
●
Comenius (BaO, SO, lerarenopleiding en -nascholing), Erasmus (Europese activiteiten van instellingen hoger onderwijs; mobiliteit en uitwisseling – zowel voor studie als voor stage - van studenten, docenten en stafleden), Leonardo da Vinci (beroepsonderwijs en -opleiding), Grundtvig (formele en niet-formele volwasseneneducatie), het transversaal programma (beleidssamenwerking en -vernieuwing, taalonderwijs, ICT, verspreiding en benutting van goede projectresultaten); daarbinnen worden ook ‘study visits’ georganiseerd, Jean Monnet (stimulering van onderwijs, reflectie en debat over het Europese integratieproces in instellingen voor hoger onderwijs verspreid over de hele wereld – Jean Monnet-actie, Europese instituten, Europese associaties).
(Voor cijfermateriaal over de deelname vanuit Vlaanderen zie 11.7.) Met dat LLP wil Europa: ● ● ● ● ●
een Europese ruimte voor een leven lang leren ondersteunen; de bijdrage stimuleren van een leven lang leren tot sociale samenhang, actief burgerschap, interculturele dialoog; de kwaliteit van onderwijs en opleiding verbeteren; een intensievere deelname bewerkstelligen aan een leven lang leren bij mensen van alle leeftijden, met inbegrip van personen met speciale behoeften en kansarmen; een zo sterk mogelijke integratie van projecten en partnerschappen in het curriculum.
Voor het beheer van de gecentraliseerde acties zorgt het EACEA, Education, Audiovisual and Culture Executive Agency in Brussel. Voor de implementatie van LLP in Vlaanderen zorgt het Nationaal Agentschap, de vzw EPOS (Europese Programma’s voor Onderwijs, Opleiding en Samenwerking), een samenwerkingsverband tussen het Departement Onderwijs en Vorming, VDAB en SYNTRA Vlaanderen. Dit is de opvolger van het Vlaams Leonardo Da Vinci Agentschap en het Vlaams Socrates Agentschap. Naast elk “Nationaal Agentschap” (NA) staat een “Nationale Autoriteit (NAU)” (in casu het Departement Onderwijs): dat is de bevoegde overheid die door de Europese Commissie een grote inhoudelijke en financiële verantwoordelijkheid over het programma krijgt toegewezen. Het behoort ondermeer tot de taken van de Nationale Autoriteit om in het werkprogramma van het agentschap de aansluiting met het Vlaamse onderwijsbeleid te verzekeren en de nodige cofinanciering te voorzien om het LLPprogramma kwaliteitsvol vorm te geven. Naast de uitvoering van het LLP-programma is EPOS ook het Vlaamse coördinatieagentschap voor een aantal andere hogeronderwijsprogramma’s. ●
● ●
● ● ●
Tempus (gericht op de EU-lidstaten en partnerlanden uit de Westelijke Balkan, Noord-Afrika, Oost-Europa, Midden-Oosten en Centraal Azië); met in 2008 Vlaamse deelname aan 9 projecten. Erasmus Mundus (voor de hele wereld); in de eerste periode 2004-2008 waren 5 hogeronderwijsinstellingen betrokken bij 12 Erasmus Mundus Master Courses. Erasmus Mundus External Cooperation window (gericht op samenwerking binnen het hoger onderwijs tussen de Europese Unie en de rest van de wereld. Dit via partnerschappen en institutionele samenwerking tussen hogeronderwijsinstellingen, via een mobiliteitsschema voor studenten op bachelor, master en (post-)doctoraatsniveau en via mobiliteit voor academici op vlak van onderwijs, training en onderzoek); in 2008 was er een Vlaamse deelname aan 5 projecten. Co-operation with industrialised Countries (gericht op de USA, Canada, Australië, NieuwZeeland, Japan, Korea); met in 2008 Vlaamse deelname aan 3 projecten. Alban & Alfa (gericht op Latijns-Amerika). Erasmus Belgica (een samenwerkingsproject tussen de Vlaamse, Franstalige en Duitstalige Gemeenschap om de mobiliteit van de studenten hoger onderwijs tussen de Specifieke onderwijsbehoeften / 483
●
gemeenschappen te bevorderen. Het biedt aan universiteitsstudenten of hogeschoolstudenten de mogelijkheid om een gedeelte van hun opleiding aan een universiteit of een hogeschool in een andere gemeenschap door te brengen). In 2006-2007 maakten 85 studenten uit Vlaanderen er gebruik van. Het Nationaal Europass Centrum maakt ook deel uit van EPOS vzw (voor Europass zie 11.6.).
EPOS vzw is ook verantwoordelijk voor de uitreiking van het Europees Label voor Innovatief Talenonderwijs. Meer informatie is te vinden op http://epos-vlaanderen.be/ In 2008 werden ook overlegorganen voor "Een Leven lang Leren Programma" opgericht: het Vlaamse Comeniuscomité, het Vlaamse Erasmuscomité, het Vlaamse Grundtvigcomité en het Vlaamse Leonardo da Vincicomité. Deze comités zijn bedoeld om de betrokkenheid van “stakeholders” met betrekking tot het LLP- programma te verhogen en hen inspraak te geven in de uitvoering van het programma. In de adviescomités zetelen vertegenwoordigers van de Vlaamse overheid en van het onderwijs- en vormingsveld. Jaarboek EPOS 2007-2008 Joint report on the evaluation of the Socrates II, Leonardo da Vinci and eLearning programmes
ESF, Europees Sociaal Fonds Het Europees Sociaal Fonds (ESF) zorgt voor de financiële ondersteuning van de lidstaten in het nastreven van de Europese Werkgelegenheidsrichtsnoeren ter bevordering van de sociale integratie en inpassing in het arbeidsproces van werklozen en achterstandsgroepen. Daartoe ondersteunt het ook scholingsmaatregelen. Het Europees Sociaal Fonds Vlaanderen wordt beheerd door het ESFagentschap Vlaanderen vzw, http://www.esf-agentschap.be
11.4.3. Overige programma's en initiatieven De VLOR, Vlaamse Onderwijsraad (zie 2.7.2.1.) stimuleerde de oprichting in 1999 van de EUNEC (European Network of Education Councils) en het neemt het secretariaat waar, http://www.eunec.eu . Het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (zie 9.3.2.) neemt het secretariaat waar van CIDREE, the Consortium of Institutions for Development and Research in Education in Europe, opgericht in 1990, http://www.cidree.org/ Binnen het departement is ook het secretariaat gevestigd van SICI, the Standing International Conference of Inspectorates, opgericht in 1995, http://www.sici-inspectorates.org/ww/en/pub/sici/homepage.htm. De Vlaamse Gemeenschap is ook sinds 1986 lid van ENSI, Environment and School Initiatives, dat onderwijs voor een duurzame ontwikkeling promoot, http://www.ensi.org/ . Voor de deelname van Vlaanderen aan internationaal vergelijkend onderzoek, zie 9.5.3.
Specifieke onderwijsbehoeften / 484
11.4.3.1. Contacten in het kader van ontwikkelingssamenwerking
Naast de bilaterale en multilaterale samenwerking onderneemt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming ook initiatieven die onder de brede noemer “ontwikkelingssamenwerking” kunnen geplaatst worden. In 2007 werd een intentieverklaring ondertekend tussen toenmalig minister van Onderwijs en Vorming Vandenbroucke en Unicef België voor de uitvoering van onderwijsprojecten in Malawi, Mozambique en India. In deze intentieverklaring werd opgenomen dat drie projecten rond ‘Child Friendly Schools’ in de drie genoemde landen kunnen rekenen op een jaarlijkse financiering van 2.500.000 euro. Child Friendly Schools, een door UNICEF ontwikkeld model, promoten een gezonde en beschermende leeromgeving en streven naar kwaliteitsvol basisonderwijs voor alle kinderen, zowel in alledaagse omstandigheden als in noodsituaties. De projecten lopen van 2008 tot 2011. In het kader van de hervorming van het technisch onderwijs in Mozambique kende de Vlaamse Regering in 2008 een subsidie toe aan de Sociedade Salesiana Moçambique voor de constructie van praktijklokalen en labo's elektriciteit en mechanica in het Hoger Instituut Don Bosco in Maputo. Ze kende in 2008 ook een subsidie toe aan de faculteit geneeskunde van de Universiteit Gent voor de coördinatie en de uitvoering van het project 'Quality Improvement in Medicine Studies at the Eduardo Mondlane University in Mozambique'. Het project wil de kwaliteit van de artsenopleiding verbeteren door onder andere studentgericht en probleemoplossend leren ingang te laten vinden. Ook in Cuba subsidieert het ministerie van Onderwijs en Vorming al enkele jaren een aantal onderwijsprojecten. Het gaat om het optimaliseren van het Cubaans model van ‘inclusief onderwijs’, in een eerste fase in een stedelijke context (Havana, 2005-2007), in een tweede fase in een landelijke regio (Pinar del Río, 2007-2009). Deze projecten worden gecoördineerd en uitgevoerd door Handicap International Belgium. In Ghana ten slotte loopt momenteel een project voor het versterken van de institutionele capaciteit van basisscholen om kwaliteitsvol onderwijs te verschaffen. Ook voorziet de subsidie in de renovatie van een aantal schoolgebouwen. Dit project loopt af in 2010.
11.5. Europese en internationale dimensie in het curriculum In de eindtermen en ontwikkelingsdoelen wordt aandacht besteed aan rechten van de mens, herinneringseducatie, de mondiale problematiek, de werking van internationale organisaties, de landen van de Europese Unie, de ongelijke verdeling van welvaart en het bestaan van verschillende levenswijzen en culturele diversiteit. In het secundair onderwijs is 'opvoeden tot burgerzin' één van de vakoverschrijdende thema's. Ook in de vakken levensbeschouwelijke vorming, wereldoriëntatie, maatschappelijke vorming, geschiedenis en aardrijkskunde komt de Europese en internationale dimensie en burgerschapsvorming uitdrukkelijk aan bod. In 2005 participeerde Vlaanderen aan het Europees jaar van burgerschapsvorming (zie ook Raad van Europa 11.4.2.1.). Inzake Europese vorming en internationalisering in scholen werkt het departement Onderwijs en Vorming samen met : ● ●
Stichting Ryckevelde, http://www.ryckevelde.be/ Landcommanderij Alden-Biesen, http://www.alden-biesen.be
Beiden geven o.a. informatie voor het organiseren van grensoverschrijdende projecten. Specifieke onderwijsbehoeften / 485
e-Twinning helpt scholen om ICT en de Europese dimensie te integreren in het dagelijks klasgebeuren en leert jongeren en leerkrachten uit verschillende Europese landen elkaar kennen en samenwerken. Heel wat Vlaamse scholen participeren hieraan met projecten. http://www.etwinning.net/nl/pub/index.htm
11.6. Mobiliteit en uitwisseling In deze inleiding gaan we nader in op de erkenning en validering van buitenlandse diploma's, op Europass en Flamenco. Daarna beschrijven we de programma’s voor mobiliteit en uitwisseling van leerlingen en studenten (zie 11.6.1.) en leerkrachten (zie 11.6.2.). Zie verder ook de nascholingsprogramma’s met de buurlanden (11.4.1.2.) en uitwisselingsprogramma’s (11.4.2.4.).
de EU-
Erkenning en validering van buitenlandse diploma's
De procedures die gelden voor de verschillende onderwijsniveaus zijn gevat in verschillende besluiten. Deze zijn te vinden op de website van het departement (http://www.ond.vlaanderen.be/edulex). De afhandeling van de procedures is over de onderwijsniveaus heen grotendeels gelijklopend. De procedure bevat telkens vier stappen: het indienen van een aanvraag, het administratief onderzoek op de volledigheid van het dossier, de adviezen van experts en het besluit tot het al of niet verlenen van de gelijkwaardigheidserkenning. Het samenstellen van een aanvraagdossier komt neer op het vervullen van drie aspecten: het verschaffen van informatie over de gevolgde opleiding, het voorleggen van studiebewijzen, het beëdigd laten vertalen van documenten die niet in het Nederlands, Frans, Duits of Engels zijn opgesteld. Bij elke procedure zijn oplossingen en/of alternatieven voorzien voor aanvragers die géén studiebewijzen kunnen voorleggen. De erkenning van hogeronderwijsdiploma's gebeurt door NARIC Vlaanderen, de Vlaamse afdeling van het NARIC Netwerk en het ENIC Netwerk. NARIC Vlaanderen is het National Academic (& Professional) Recognition and Information Centre van Vlaanderen binnen het kader van de Europese Commissie en is tevens het European National Information Centre (ENIC) binnen het kader van de Raad van Europa en de Unesco. Het is belast met de academische erkenning van buitenlandse diploma’s hoger onderwijs en de professionele erkenning leraren op basis van de Europese Richtlijn 2005/36. Meer informatie op de website. http://www.ond.vlaanderen.be/NARIC Beide netwerken werken heel nauw samen door onder andere jaarlijks samen te vergaderen over erkenningperikelen en oplossingen. Het internationale model van het Diploma Supplement is een voorbeeld van de intense samenwerking. Het decreet van 4 april 2003 bevestigt dat de erkenning van buitenlandse diploma's hoger onderwijs in Vlaanderen verloopt volgens de principes van de ''Lisbon Recognition Convention'' van 1997 van de Raad van Europa en UNESCO. Dankzij de instemmingen tot ratificatie in 2006 van de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap in 2007, van de federale overheid in 2008 en de instemming van de Duitstalige Gemeenschap in 2009, kon België het ratificeren in juli 2009. Het trad in werking op 1 september 2009. Voor EVC en EVK zie 6.14.).
Specifieke onderwijsbehoeften / 486
Europass
Europass is een verzamelmap waarin 5 documenten kunnen gebundeld worden ter vergemakkelijking van het solliciteren of aanvangen van nieuwe studies in het buitenland: een zelf in te vullen CV en een taalpaspoort, een diplomasupplement (voor het hoger onderwijs) of een certificaatsupplement (voor beroepsopleiding) en een mobiliteitsoverzicht als bewijs van de Europese leerervaringen. http://www.europass-vlaanderen.be Agentschap voor internationalisering in het hoger onderwijs, FLAMENCO
Sinds 28 oktober 2008 kent Vlaanderen een agentschap voor internationalisering in het Hoger Onderwijs: “Flanders Agency for Mobility and co-operation in Higher education” (Flamenco). In aansluiting bij het werk van de instellingen, de associaties en de koepels VLIR en VLHORA wil Flamenco bijdragen aan de internationalisering van het Vlaamse Hoger Onderwijs, en zich inspannen om het internationaal te positioneren. Flamenco is opgericht door alle Vlaamse Associaties gezamenlijk met VLIR, VLHORA, VVS en FWO. Het agentschap verzorgt ook een website http://www.studyinflanders.be met informatie over de studiemogelijkheden in Vlaanderen en een overzicht van de niet-Nederlandstalige taalcursussen. http://www.flamenco-vzw.be
11.6.1. Mobiliteit en uitwisseling van leerlingen en studenten We behandelen de programma's voor het (BaO), basisonderwijs, het secundair onderwijs en het hoger onderwijs afzonderlijk. Voor EU-uitwisselingsprogramma's zie 11.4.2.4..
11.6.1.1. Programma's voor het basisonderwijs
Uitwisselingen met de Buurlanden
●
●
● ● ●
Het programma Buurlanden wil gemeenschappelijke onderwijsprojecten stimuleren met een of meerdere basisscholen uit de onmiddellijke buurlanden van België: Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk. De klasuitwisseling (in principe minimum één volledige klas) moet voortvloeien uit een gemeenschappelijk onderwijsproject tussen scholen dat ingebed is in het normale curriculum van de leerlingen. Bij het bezoek aan de partnerschool moeten de leerlingen minimum 2 dagen en 1 nacht ter plaatse zijn, exclusief reistijd. Logies bij voorkeur in een gastgezin. De klasuitwisselingen mogen niet plaatsvinden tijdens de schoolvakanties en zijn in principe gebaseerd op wederkerigheid. Het aantal projecten dat voor financiering in aanmerking komt is afhankelijk van het beschikbare totaalbudget.
Uitwisselingen tussen Nederlands-, Frans- en Duitstalige scholen basisen secundair onderwijs
● ●
De uitwisselingen zijn gericht op leerlingen van het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs. Ze moeten plaatsvinden tussen klassen uit minstens 2 van de 3 Belgische Gemeenschappen.
Specifieke onderwijsbehoeften / 487
●
● ●
De klassen werken samen rond een gemeenschappelijk thema. De leerlingen ontmoeten elkaar minstens één volledige dag in elke betrokken gemeenschap. Tijdens de ontmoeting werken de leerlingen aan een gemeenschappelijk eindproduct. De invulling van het project gebeurt zoveel mogelijk op basis van de eindtermen. De bedoeling is het verdiepen van de talenkennis en het verruimen van de cultuur door de ontdekking van elkaars achtergrond, met respect voor elkaars eigenheid. De uitwisselingen worden gesubsidieerd door het Prins Filipfonds (dat beheerd wordt door de Koning Boudewijnstichting) en de departementen onderwijs van de drie gemeenschappen. http://www.prins-filipfonds.org/
Twinning - Uitwisselingen tussen Vlaamse en Marokkaanse scholen
De belangrijke aanwezigheid van Marokkaanse kinderen in de Vlaamse scholen was één van de redenen om in 2001 een samenwerkingsakkoord te sluiten met Marokko. Het samenwerkingsakkoord liep af in 2004, maar sindsdien werden 'twinningprojecten' opgestart, een uitwisseling tussen Vlaamse en Marokkaanse scholen, op basis van vakoverschrijdend werken, waarbij de identiteit- en verdraagzaamheidontwikkeling centraal staan. Ondertussen werd een protocol ter verlenging van de schoolpartnerschappen gesloten, zodat de twinnings kunnen verder gezet worden tot een der partijen het protocol opzegt. De subsidie vanuit het departement Onderwijs en Vorming bedraagt maximum 7000 euro per jaar. http://www.ond.vlaanderen.be/twinning/ Zie Omzendbrief BaO/2009/03 van 9 mei 2009
11.6.1.2. Programma's voor het secundair onderwijs
Zie ook de uitwisselingen in het kader van het Prins Filipfonds voor basis- en secundair onderwijs (zie 11.6.1.1.) GROS (Grensoverschrijdende secundair onderwijs)
● ● ●
● ●
samenwerking
met
de
buurlanden
in
het
Dit programma staat open voor alle leerlingen van het secundair onderwijs. De klasuitwisseling is mogelijk met scholen uit de onmiddellijke buurlanden van België: Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De klasuitwisseling (in principe minimum één volledige klas) moet voortvloeien uit een gemeenschappelijk onderwijsproject tussen scholen, dat ingebed is in het normale curriculum van de leerlingen. Bij het bezoek aan de partnerschool moeten de leerlingen minimum 3 dagen en 3 nachten ter plaatse zijn, exclusief reistijd (2 voor BuSO-scholen). Het aantal projecten dat voor financiering in aanmerking komt is afhankelijk van het beschikbare totaalbudget en is beperkt tot één project per school/per schooljaar.
Zie Omzendbrief SO/2004/04
Euroklassen (Europese klasuitwisseling)
● ● ●
Dit programma staat open voor leerlingen vanaf het 4de jaar van het secundair onderwijs. De klasuitwisseling kan met scholen uit de landen die deelnemen aan het programma 'Een Leven lang Leren' van de Europese Unie. De klasuitwisseling (in principe minimum één volledige klas) moet voortvloeien uit een gemeenschappelijk onderwijsproject tussen scholen, dat ingebed is in het normale curriculum van de leerlingen.
Specifieke onderwijsbehoeften / 488
● ●
Bij het bezoek aan de partnerschool moeten de leerlingen minimum 6 dagen en 6 nachten ter plaatse zijn, exclusief reistijd (4 voor BuSO-scholen). Het aantal projecten dat voor financiering in aanmerking komt is afhankelijk van het beschikbare totaalbudget en is beperkt tot één project per school/per schooljaar.
Zie Omzendbrief SO/2004/05
11.6.1.3. Programma's voor het hoger onderwijs
Erasmus Belgica- een samenwerkingsproject tussen de gemeenschappen
Dit is een samenwerkingsproject tussen de drie gemeenschappen van België om de mobiliteit van de studenten hoger onderwijs te bevorderen en hen de mogelijkheid te geven om een gedeelte van hun opleiding aan een universiteit of een hogeschool in een andere gemeenschap door te brengen. Het programma loopt volgens dezelfde principes als het Europese Erasmus-programma. Het project werd gelanceerd in februari 2004 en de eerste uitwisselingen gebeurden in het academiejaar 2004-2005. Sinds het academiejaar 2006-2007 is het Erasmus Belgica-programma uitgebreid tot de uitwisseling van docenten hoger onderwijs (zie 11.6.2.). http://www.epos-vlaanderen.be/ In 2009 werd een regionale samenwerking opgestart tussen Frankrijk, de Franse Gemeenschap en Vlaanderen in het hoger onderwijs, zoals het stimuleren van het opstarten en uitbreiden van Joint (degree) programmes.
Uitwisselingen tussen de gemeenschappen in het kader van het Prins Filipfonds
Het Prins Filipfonds steunt de uitwisseling tussen studenten aan hogescholen en universiteiten van minstens 2 van de 3 Belgische gemeenschappen. Een uitwisseling dient minstens 5 dagen te duren, die kunnen gespreid worden over het academiejaar, maar ook over verschillende locaties in België. Aan een project dienen per hogeschool of universiteit minstens 5 studenten deel te nemen. Voorrang wordt gegeven aan projecten met innovatieve werkvormen en een interdisciplinaire aanpak gericht op kennis van de 3 gemeenschappen en het bevorderen van de kennis van de 3 landstalen. http://www.prins-filipfonds.org/ Het Prins Filipfonds heeft ook in 2009 een project opgestart dat informatie verstrekt over het opstarten en uitbreiden van Joint (degree) programmes (vb.: bidiplomering) tussen de drie Gemeenschappen van België.
11.6.2. Mobiliteit en uitwisseling van leerkrachten, directeurs en academisch personeel Voor Europese uitwisselingsprogramma's (zie 11.4.2.4.)
Specifieke onderwijsbehoeften / 489
Uitwisselingen tussen de gemeenschappen in het kader van het Prins Filipfonds voor het basis- en secundair onderwijs
● ●
●
● ●
Dit programma staat open voor alle scholen basis- en secundair onderwijs. Directies en/of leraren brengen dan enige tijd door in de partnerschool en leren de realiteit ‘op de werkvloer’ in een school van de andere gemeenschap ontdekken. Deze vorm van samenwerking moet wederkerig zijn. Het kan bij een dergelijk project om de volgende facetten gaan: vernieuwende praktijken observeren die inspirerend kunnen zijn en in de eigen school kunnen worden geïmplementeerd, lesgeven in een school van een andere Gemeenschap. Een project kan ook leerlingen, leerkrachten en directies betrekken (zie 11.6.1.1.). http://www.prins-filipfonds.org/
Uitwisselingen tussen de gemeenschappen in het kader van het Prins Filipfonds voor het hoger onderwijs
Het Prins Filipfonds steunt lectoren, docenten en professoren van de hogescholen en universiteiten uit de verschillende gemeenschappen van België bij de gezamenlijke ontwikkeling van cursusmateriaal. Zij dienen per academiejaar minstens 3 vergaderdagen te besteden aan de ontwikkeling van gemeenschappelijk pedagogisch materiaal. Deze samenwerkingsprojecten kunnen gedurende 2 of 3 jaar worden gefinancierd. http://www.prins-filipfonds.org/ Erasmus Belgica- een samenwerkingsproject tussen de gemeenschappen
Sinds het academiejaar 2006-2007 is het Erasmus Belgica-programma uitgebreid tot de uitwisseling tussen docenten hoger onderwijs van de 3 gemeenschappen. De deelnemende hogescholen en universiteiten dienen daartoe bilaterale overeenkomsten te sluiten met de partners van de andere gemeenschap. Uitwisseling tussen Nederlandstalige en Franstalige leraren in Brussel
De Vlaamse en Franse gemeenschapsministers van onderwijs hebben in 2007 een akkoord gesloten waardoor leraren uit het Nederlandstalige en het Franstalige onderwijs in Brussel de kans krijgen om tijdelijk elkaars lesopdracht over te nemen. In de eerste experimentele fase was de uitwisseling beperkt tot leerkrachten uit het 3e t/m 6e leerjaar basisonderwijs en de eerste graad van het secundair. De projecten moeten minimum 2 weken per schooljaar voltijds omvatten of minstens 50 lesuren deeltijds. De gastleraren spreken de eigen taal met de leerlingen, maar de taal van de school in hun contacten met de collega's. Op 27 mei 2009 hebben de ministers van Onderwijs van de drie gemeenschappen een akkoord gesloten om de samenwerking inzake talenonderwijs nog te vergemakkelijken. Voor 2009-2010 worden 30 schoolpartnerschappen vooropgesteld. (zie Omzendbrief NO/2008/04). Uitwisseling tussen participatieve stages
Vlaamse
en
Nederlandse
basisscholen
–
De participatieve stages zijn uitwisselingen tussen Vlaamse en Nederlandse basisscholen binnen het GENT-akkoord (zie 11.4.1.1.). ● ● ● ●
Per cyclus van drie jaar staat een thema centraal dat vooraf bepaald werd. Gedurende drie jaar gaan jaarlijks leerkrachten van zestien Vlaamse scholen een week observeren in een Nederlandse school en omgekeerd. Elk jaar komen scholen uit een andere regio aan de beurt. De scholen die deelnemen aan de participatieve stages worden aangezocht door hun respectieve koepel.
Specifieke onderwijsbehoeften / 490
11.7. Statistieken We behandelen achtereenvolgens de programma's Erasmus (zie 11.7.1.), Comenius (zie 11.7.2.), Grundtvig (zie 11.7.3.) en Leonardo (zie 11.7.4.).
11.7.1. Erasmus (hoger onderwijs) In 2008 bedroeg het budget voor mobiliteit € 4 806 576, voor (21) Intensieve programma’s € 765 676, voor (7) Erasmus Intensive Language Courses (waaraan 546 studenten deelnamen) € 180 000. ERASMUS studentenmobiliteit 3500
hogescholen
3000
universiteiten totaal
aantal studenten
2500
2000
1500
1000
500
0
88/89 89/90 90/91 91/92 92/93 93/94 94/95 95/96 96/97 97/98 98/99 99/00 00/01 01/02 02/03 03/04 04/05 05/06 06/07 07/08 08/09
hogescholen
50
128
252
291
462
595
universiteiten
217
353
576
849
965
1339 1316 1394 1384 1341 1390 1313 1330 1328 1256 1193 1247 1341 1502 1382 1484
834
976
1004 1166 1304 1328 1245 1400 1406 1482 1481 1504 1415 1583 1768
totaal
267
481
828
1140 1427 1934 2150 2370 2388 2507 2694 2641 2575 2728 2662 2675 2728 2845 2917 2965 3243
academiejaar
Bron: EPOS website
Specifieke onderwijsbehoeften / 491
LLP-Erasmus studentenmobiliteit, studentenaantallen per studiegebied
Studiegebied Landbouwwetenschappen Architectuur, Stedebouw en ruimtelijke ordening Kunst en Vormgeving Bedrijfskunde, Beheerswetenschappen Onderwijs, Lerarenopleiding Technische Wetenschappen, Technologie Aardrijkskunde, Geologie Geesteswetenschappen Talen en Filologie Rechtsgeleerdheid Wiskunde, Informatica Medische Wetenschappen Natuurwetenschappen Sociale Wetenschappen Communicatie en Informatiewetenschappen Overige Studierichtingen
2001/ 2002/ 2003/ 2004/ 2005/ 2006/ 2007/ 2008/ 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 Totaal
%
103
94
75
64
60
60
76
77
935
2,82%
71 128
81 130
62 126
96 128
101 132
136 111
128 111
155 146
1170 1473
3,53% 4,44%
525
476
478
530
512
535
616
706
6580
19,83%
340
254
309
293
317
284
242
278
3227
9,73%
198 20 89 363 208 57
232 23 75 357 197 60
259 12 76 357 197 80
231 14 90 368 172 72
269 22 92 396 175 35
200 30 80 401 206 44
262 12 64 378 191 60
322 16 22 384 176 52
2751 200 930 4587 2345 623
8,29% 0,60% 2,80% 13,82% 7,07% 1,88%
219 24 233
256 22 240
260 19 232
244 29 252
244 40 333
282 36 322
287 46 320
331 70 331
3110 452 3151
9,37% 1,36% 9,50%
104 134 115 114 86 152 132 154 1220 3,68% 46 31 18 31 31 38 40 23 1,29% 427 2728 2662 2675 2728 2845 2917 2965 3243 33181 100,00%
Bron: EPOS Jaarboek 2007-2008
Specifieke onderwijsbehoeften / 492
Bron: EPOS Jaarboek 2007-2008
Specifieke onderwijsbehoeften / 493
Erasmus studentenmobiliteit uit Vlaanderen, studentenaantallen per gastland 1999/ 2000/ 2001/ 2002/ 2003/ 2004/ 2005/ 2006/ 2007/ 2008/ Totaal Totaal % 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 AT 62 57 56 54 64 84 59 60 65 49 2,29% 761 BG 1 8 3 10 10 13 10 9 2 0,20% 66 CY 3 3 7 3 7 7 0,09% 30 CZ 12 14 14 27 33 34 51 55 50 42 1,02% 339 DE 243 219 214 189 177 165 183 207 207 224 7,66% 2542 DK 55 51 56 67 41 69 49 63 65 76 2,16% 717 EE 3 8 4 1 2 6 10 7 14 0,17% 55 ES 471 536 583 645 672 701 699 677 677 755 7221 21,76% FI 127 120 123 127 148 142 140 144 154 149 4,74% 1572 FL 1 2 3 0,02% 6 FR 558 554 559 534 533 561 577 544 636 697 6808 20,52% GB 303 248 209 171 156 131 160 141 178 187 7,84% 2601 GR 40 50 52 50 49 37 51 29 28 29 1,47% 489 HU 8 9 26 20 17 22 34 38 29 49 0,78% 259 IE 56 67 53 49 44 45 52 50 53 40 2,00% 664 IS 2 3 3 3 4 3 3 2 5 0,11% 37 IT 187 177 212 203 212 192 201 240 202 220 7,15% 2373 LT 1 4 2 4 5 3 10 10 11 0,15% 50 LU 3 2 0,02% 5 LV 4 1 7 4 4 5 1 1 0,08% 27 MT 2 2 5 8 8 8 10 18 20 0,24% 81 NL 261 208 245 202 188 150 141 161 179 191 7,56% 2508 NO 38 36 28 29 24 23 51 45 46 56 1,40% 463 PL 22 21 33 33 34 55 55 54 33 50 1,23% 409 PT 92 100 125 126 136 144 129 151 140 142 4,29% 1424 RO 3 6 5 9 14 7 11 13 12 21 0,32% 107 SE 96 90 98 97 87 110 118 128 89 126 3,81% 1263 SI 1 2 4 4 7 12 8 15 17 12 0,25% 82 SK 2 1 6 6 5 7 9 5 8 0,15% 49 TR 7 25 41 44 55 0,52% 172 Totalen 2641 2575 2728 2662 2675 2728 2845 2917 2965 3243 33180 100,00% Bron: EPOS Jaarboek 2007-2008
Specifieke onderwijsbehoeften / 494
Bron: EPOS Jaarboek 2007-2008
Specifieke onderwijsbehoeften / 495
11.7.2. Comenius (basis- en secundair onderwijs en opleiding en nascholing van leraren) Het budget 2008 bedroeg € 1 850 000 voor heel Comenius, € 1 345 000 voor schoolpartnerschappen, € 35 000 voor deelname aan contactseminaries in het buitenland, € 223 000 voor nascholingsbeurzen voor personeel.
Evolutie aangevraagde/goedgekeurde Schoolpartnerschappen 2001-2009
Aanvragen Goedkeuringen Lopende projecten (**) Goedkeuringen voor nieuwe projecten (**)
2001 316 243 243
2002 275 190 190
2003 237 177 177
2004 242 188 188
2005 255 214 214
2006 276 207 207
2007 257 172 172
2008 111 91 195
2009 (*) 126 91 187
90
58
71
77
89
75
50
91
91
(*) Toestand 31/12/2009 (**) Tot en met 2007 werden elk jaar, naast aanvragen voor nieuwe projecten, ook aanvragen voor verlengingen ingediend. Vanaf 2008 zijn verlengingsaanvragen niet meer mogelijk (projecten worden onmiddellijk voor 2 jaar goedgekeurd), vandaar de vermindering van het aantal aanvragen. Een bijkomende vergelijking tussen het aantal lopende projecten en het aantal goedkeuringen voor nieuwe projecten (dus exclusief de verlengingen) geeft een vollediger en correcter beeld. Bron: EPOS vzw Qua mobiliteit waren er per jaar ruwweg 1000 verplaatsingen naar het buitenland, waarvan ongeveer 33% door leerlingen. In 2005 waren ruim 2 800 leerkrachten en 21 000 leerlingen betrokken bij een Comeniusproject. Vooral partnerscholen in de Skandinavische landen, het Verenigd Koninkrijk en Spanje zijn populair.
Evolutie goedgekeurde Schoolpartnerschappen 2001-2009, volgens projecttype en onderwijsniveau (toestand 31/12/2009) Comenius Schoolpartnerschappen Basisonderwijs Multilaterale Secundair onderwijs Multilaterale Secundair onderwijs Bilaterale
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
100
79
77
72
77
81
68
29
36
132
103
91
103
130
119
99
58
54
11
8
9
13
7
7
5
4
5
Bron: EPOS vzw
Specifieke onderwijsbehoeften / 496
Goedgekeurde Schoolpartnerschappen volgens onderwijstype: vergelijking 2001-2006 vs. 2007, 2008 en 2009 (toestand 31/12/2009) 2001-2006 (SOCRATES II)
2007 (LLP)
2008 (LLP)
2009 (LLP)
Kleuteronderwijs
18
1%
1
1%
2
2%
13
14%
Lager onderwijs
409
34%
59
34%
25
27%
12
13%
59
5%
8
5%
2
2%
10
11%
SUBTOTAAL BASISONDERWIJS
486
40%
68
40%
29
32%
35
38%
ASO
374
31%
50
29%
27
30%
24
26%
TSO/BSO
246
20%
40
23%
28
31%
27
30%
Buitengewoon secundair onderwijs
113
9%
14
8%
7
8%
5
5%
SUBTOTAAL SECUNDAIR OND.
733
60%
104
60%
62
68%
56
62%
1219
100%
172
100%
91
100%
Buitengewoon basisonderwijs
ALGEMEEN TOTAAL
91 100%
Bron: EPOS vzw Van alle Vlaamse basisscholen nam in de periode 2001-2006 8,33% deel aan een Comeniusproject, van de secundaire scholen 25%.
Evolutie aangevraagde/goedgekeurde nascholingsbeurzen 2001-2009 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 (*) aanvragen goedkeuringen
137
54
84
97
93
82
144
143
197
81
43
58
64
58
47
91
116
140
(*) toestand 31/12/2009 Bron: EPOS vzw
Evolutie goedgekeurde nascholingsbeurzen volgens onderwijstype 2005-2009
kleuter lager Buitengewoon basis Algemeen secundair TSO / BSO Buitengewoon secundair Lerarenopleiding andere Totaal
2005 2 13 3 20 7 3 6 4 58
2006 0 9 2 20 9 0 3 4 47
2007 0 13 0 29 18 2 11 17 91
2008 1 21 3 39 16 0 25 11 116
2009 (*) 0 23 2 36 17 3 37 22 140
(*) toestand 31/12/2009
Specifieke onderwijsbehoeften / 497
Evolutie aangevraagde/goedgekeurde beurzen voor Comenius (Taal)Assistenten 20012009 2001
2002
2003
2004
2005 2006 2007
aanvragen
27
29
49
39
64
95
goedkeuringen
10
16
26
22
41
43
2008
2009
68
61
66
43
34(*)
35(*)
(*) toestand 31/12/2009 Bron: EPOS vzw
Evolutie Gastscholen voor Comenius (taal)Assistenten 2001-2009 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 Aanvragen
2008 2009(*)
35
29
38
23
27
42
39
28
26
Zonder volwassenenonderwijs
?
?
?
?
16
25
21
19
21
Effectief ontvangen assistenten
15
16
13
14
17
27
22
10
15
Zonder volwassenenonderwijs
?
?
?
?
12
17
14
9
15
(*) toestand 31/12/2009; vanaf 2009 kunnen instellingen voor volwassenenonderwijs geen aanvraag meer indienen onder Comenius (wel onder Grundtvig) Bron: EPOS vzw
Vergelijking aanvragen/goedkeuringen voorbereidende bezoeken (PV) en contactseminaries (CS) 2007-2009 (toestand op 31/12/2009)
Aanvragen Goedkeuringen
PV 32 30
2007 CS Totaal 92 124 45 75
PV 25 23
2008 CS 97 44
Totaal 122 67
PV 43 38
2009 CS 51 31
Totaal 94 69
Evolutie goedgekeurde voorbereidende bezoeken/contactseminaries volgens onderwijstype 2005-2009 (toestand op 31/12/2009)
Kleuter Lager Buitengewoon basis Algemeen secundair Technisch en beroeps secundair Buitengewoon secundair Totaal
Specifieke onderwijsbehoeften / 498
2005 0 17 0 9 12 1 39
2006 0 36 0 28 17 8 89
2007 0 23 0 21 27 4 75
2008 19 13 8 18 6 3 67
2009 4 23 4 13 22 3 69
11.7.3. Grundtvig (volwasseneneducatie)
2001 Leerpartnerschappen - aanvragen
2002 2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
10
18
27
23
48
55
51
33
38
Leerpartnerschappen goedgekeurde
5
13
19
19
24
33
34
22
26
Contactseminaries en voorbereidende bezoeken goedgekeurde
9
18
25
8
29
19
25
28(*)
10
(*) voorlopig cijfer Het totale Europese budget voor Grundtvig was in 2009 € 582 928,41. Aan de leerpartnerschappen werd hiervan € 385.000 toegekend; voor de voorbereidende bezoeken werd er hiervan € 1 000 besteed, de rest van de deze beurzen werd betaald met Vlaamse co-financiering. In 2009 werd de professionalisering van actoren uit de volwasseneneducatie gesplitst in 2 acties: enerzijds de gestructureerde nascholingscursussen (€ 70 982) en anderzijds de ‘bezoeken en uitwisselingen’ (€ 14 949). Dit houdt in dat de non-formele nascholingsactiviteiten zoals schaduwstages (jobshadowing), het volgen van conferenties enz. meer visibiliteit kregen. Om de professionalisering van actoren uit de volwasseneneducatie nog meer te stimuleren, werd de actie ‘Grundtvig-assistentschappen’ gecreëerd. Daardoor kunnen (toekomstige) personeelsleden uit de volwasseneneducatie als Grundtvig-assistent aan de slag in organisaties uit de (non)-formele volwasseneneducatie in het buitenland. Voor deze assistentschappen werd er max € 20.688 in 2009 uitgegeven. 2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
Nascholingsbeurzen aanvragen
38
27
50
63
63
17
61
95
84
Nascholingsbeurzen goedgekeurde
28
25
26
42
36
11
23
51
50
Bezoeken en uitwisselingen – aanvragen
27 (*)
Bezoeken en uitwisselingen goedgekeurde
12 (*)
Grundtvig-assistentschappen aanvragen
8
Grundtvig-assistentschappen goedgekeurde
4
2009 Workshops - aanvragen
4
Workshops - goedgekeurde
3
In 2009 startte het Grundtvig-programma eveneens met de financiering van de Grundtvig-workshops. Dit zijn interactieve doe-vormen waarbij volwassenen gestimuleerd worden om actief te participeren
Specifieke onderwijsbehoeften / 499
aan het ‘leren een leven lang’ en dit in internationaal verband. Het budget voor deze workshops bedroeg € 82.400 in 2009. (Bron: EPOS vzw)
11.7.4. Leonardo da Vinci (beroepsonderwijs en –opleiding) 2008 Voorbereidende bezoeken Mobiliteitsprojecten (totaal) Initiële beroepsopleiding Partnerschapsprojecten Projecten voor transfer van innovatie
Goedgekeurde projecten 38 60 35 23 4
Bron: EPOS Jaarboek 2007-2008
Specifieke onderwijsbehoeften / 500
Beurzen
Totaal budget in €
38 786 573
34 656 1 646 434 876 686 365 000 1 112 984
GLOSSARIUM ASO (Algemeen Secundair Onderwijs) : Een der 4 vertikale onderwijsvormen in de 2e & 3e graad van het secundair onderwijs. Nadruk ligt hier meer op theorie en doorstroming naar hoger onderwijs. Zie 5.11.2 BaO (basisonderwijs) : Deze term refereert in Vlaanderen naar het kleuter- én het lager onderwijs. Zie 4. Niet te verwarren met basiseducatie, dat deel uitmaakt van het volwassenenonderwijs. Basiseducatie : "Basiseducatie": opleidingen voor laaggekwalificeerde volwassenen: algemene taalen rekenvaardigheden, sociale vaardigheden, burgerschap en voorbereiding tot andere studies of werk. Basiseducatie mag niet verward worden met 'basisonderwijs' dat refereert naar het gewone of het buitengewone kleuter- en lager onderwijs. Zie 7.10.1.1. BSO (Beroepssecundair Onderwijs) : Een der 4 vertikale onderwijsvormen in de 2e en 3e graad van het secundair onderwijs, gericht op specifieke arbeidsmarkt gerichte vaardigheden. Zie 5.11.2. Binnen het stelsel van leren en werken wordt ook Deeltijds (Beroepssecundair) Onderwijs DBSO of DO georganiseerd. Zie 5.20.1.1. Buitengewoon kleuteronderwijs : Dit type van onderwijs voorziet in onderwijs, zorg en therapie aangepast aan de capaciteiten van de leerlingen waarvan de ontwikkeling van hun algemene persoonlijkheid niet of onvoldoende verzekerd wordt door het gewone kleuteronderwijs, tijdelijk of permanent. Zie 10.6. Buitengewoon Lager Onderwijs (BLO) : Dit type van onderwijs voorziet in onderwijs, zorg en therapie aangepast aan de capaciteiten van de leerlingen waarvan de ontwikkeling van hun algemene persoonlijkheid niet of onvoldoende tijdelijk of permanent verzekerd wordt door het gewone lager onderwijs. Zie 10.6. BuSO (Buitengewoon Secundair Onderwijs) : Dit type onderwijs voorziet in onderwijs, zorg en therapie aangepast aan de capaciteiten van de leerlingen waarvan de ontwikkeling van hun algemene persoonlijkheid niet of onvoldoende tijdelijk of permanent verzekerd wordt door het gewone secundair onderwijs. Zie 10.6. CLB (Centrum voor Leerlingenbegeleiding,Centra voor Leerlingenbegeleiding,CLB's) : Deze centra organiseren begeleidingsactiviteiten op vlak van het leren en studeren, de onderwijsloopbaan, de preventieve gezondheidszorg en het psychisch en sociaal functioneren van leerlingen uit het leerplichtonderwijs. Zie 4.15.2. DBSO (Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs) : Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs is een vorm van afwisselend werken en leren binnen het kader van het deeltijdse leerplichtonderwijs vanaf de leeftijd van 15 of 16 jaar. Zie 5.20.1.1. Directeur (algemeen directeur,coördinerend directeur,directeur-coördinatie scholengemeenschap) : Het schoolhoofd geeft leiding aan het schoolteam. Een algemeen directeur is verantwoordelijk voor een groep basis- en secundaire scholen van een inrichtende macht, of voor een hogeschool. Een coördinerend directeur is verantwoordelijk voor de scholen van een scholengemeenschap secundair onderwijs; in het basisonderwijs is dat een directeur-coördinatie scholengemeenschap. Centra worden geleid door een directeur. Zie 2.6.4.1 en 2.6.4.2. DKO (Deeltijds Kunstonderwijs) : Deeltijds artistiek onderwijs, buiten de leerplicht, voor jongeren en volwassenen op avonden, woensdagnamiddagen, weekends, aangeboden in academies voor beeldende kunst en academies voor muziek, woord en dans. Zie 7.x.5. Eindtermen : Eindtermen (lager onderwijs, secundair onderwijs, volwassenenonderwijs) zijn minimumdoelen die decretaal worden bekrachtigd. Ze vormen het minimum aan kennis, inzicht en vaardigheden die alle leerlingen van de leerlingengroep moeten verwerven tijdens het leerproces en het minimum aan attitudes die de school moet nastreven bij de leerlingen. De eindtermen dienen opgenomen te worden in leerplannen en leerboeken. De toepassing ervan wordt gecontroleerd door Glossarium / 501
de onderwijsinspectie. Daarnaast worden ook ontwikkelingsdoelen en basiscompetenties gehanteerd. Zie o.a. 2.3.5. & 4.10. & 5.13.1. Gesubsidieerd officieel onderwijs : Onderwijsaanbod georganiseerd door gemeenten en provincies. Zie 2.3.2. Gesubsidieerd vrij onderwijs : Onderwijsaanbod georganiseerd door vrije verenigingen en non-profit organisaties. Zie 2.3.2. GO! (onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap,) : De onderwijsvoorzieningen georganiseerd door de representatieve organen van de Vlaamse Gemeenschap: de 28 scholengroepen en de Raad van Het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. (Voorheen het "gemeenschapsonderwijs" en voor de federalisering het "rijksonderwijs"). Zie 2.3.2. Hoger beroepsonderwijs (HBO5) : (HBO5) Beroepsonderwijs na de leerplicht leidend tot kwalificatieniveau 5, met een studieduur van 6 semesters. Zie 5.20.3. Inrichtende macht (inrichtende machten,schoolbestuur,schoolbesturen) : De "inrichtende macht" van een onderwijsinstelling is de initiatiefnemer voor het organiseren van onderwijsvoorzieningen en het beslissende gezag over de instelling. In de wetgeving betreffende het basisonderwijs wordt hiervoor de term "schoolbestuur" gebruikt. Zie 2.3.2. Kleuteronderwijs : Onderwijs georganiseeerd voor nog niet leerplichtige kleuters vanaf 2,5 jaar. Sinds 2003 dienen nieuwe scholen zowel kleuter- als lager onderwijs te organiseren. Kleuteronderwijs vormt samen met lager onderwijs het basisonderwijs. Zie 4. KSO (Kunstsecundair Onderwijs) : Een der 4 vertikale onderwijsvormen in de 2e en 3e graad van het secundair onderwijs, gericht op artistieke vorming en voorbereidend op hoger onderwijs, artistiek of ander. Zie 5.11.2. Lager onderwijs : Leerplichtonderwijs, normaal van 6 tot 12 jaar. Het vormt samen met het kleuteronderwijs het basisonderwijs. Zie 4. Leertijd : Theoretische en praktische vorming georganiseerd door Het Vlaams Agentschap voor ondernermersvorming Syntra Vlaanderen voor jongeren onder de 25 die niet langer voltijds leerplichtig zijn. Zie 5.20.1.3. Levensbeschouwelijke vorming : Cursussen levensbeschouwelijke vorming dienen verplicht georganiseerd in alle leerjaren van het lager en secundair onderwijs. Confessionele scholen bieden een cursus aan op religieuze basis (katholieke, protestantse, joodse godsdienst). Officiële scholen dienen de keuze aan te bieden tussen een cursus van een erkende religie (inclusief islamitische godsdienst) en een cursus niet-confessionele zedenleer. De enkele niet-confessionele vrije scholen bieden enkel een cursus niet-confessionele zedenleer aan. Zie 2.3.2. LOP (LOP's,lokaal overlegplatform,lokale overlegplatforms) : Lokale overlegplatforms werden opgericht om het gelijkeonderwijskansenbeleid op het lokale vlak mee te implementeren (41 voor basisonderwijs, 19 voor secundair onderwijs). Hierin zetelen onderwijsverstrekkers en lokale actoren. Zie 10.5.3.1.6. Niet-confessionele zedenleer : Cursussen niet-confessionele zedenleer dienen in officiële scholen in alle leerjaren aangeboden te worden. De vrije keuze voor een cursus niet-confessionele zedenleer wordt gegarandeerd door het schoolpact en de grondwet. Zie 2.3.1 & 2.3.2. Onderwijsnet (onderwijsnetten) : Scholen, die georganiseerd kunnen worden door verschillende inrichtende machten, worden op basis van hun wettelijke status gegroepeerd in onderwijsnetten. Op grond van de grondwettelijke vrijheid van onderwijs, kan een onderwijsnet georganiseerd worden door publieke autoriteiten zoals de gemeenschappen en de gemeenten, en door private personen (privépersonen, vrije verenigingen of non-profit organisaties). Zie 2.3.2. Onderwijstype (onderwijstypes,Type 1,Type 2,Type 3,Type 4,Type 5,Type 6,Type 7,Type 8,types) : Indeling binnen buitengewoon lager onderwijs, volgens de aard van der beperking: T1 licht mentaal,
Glossarium / 502
T2 matig/ernstig mentaal, T3 gedrag en/of emotioneel, T4 fysiek, T5 ziek, T6 visueel, T7 auditief, T8 leerstoornis. In het bijzonder secundair onderwijs zijn er 4 opleidingsvormen. Onderwijsvorm (onderwijsvormen) : Vertikale indeling van het secundair onderwijs. Vanaf de 2e graad secundair onderwijs worden 4 onderwijsvormen georganiseerd: algemeen (ASO), beroeps (BSO), kunst (KSO), technisch (TSO). Deze zijn verder onderverdeeld in studiegebieden, waarbinnen de leerling kan kiezen voor een bepaalde studierichting. Zie 5.5. Ontwikkelingsdoelen : "Ontwikkelingsdoelen" vormen een belangrijk element binnen het uitgebalanceerd overheidsbeleid van kwaliteitsbewaking. Het zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, vaardigheden en attitudes die de overheid wenselijk acht en die de school bij haar leerlingen moet nastreven. Ze worden toegepast in het gewoon kleuteronderwijs, het gewoon secundair onderwijs B-stroom, het buitengewoon lager en secundair onderwijs en de basiseducatie. Scholen dienen de doelen te integreren in hun lessen en cursussen. Zie o.a. 2.3.5. & 4.10. & 5.13.1. Opleidingsvorm (opleidingsvormen) : Indeling in het buitengewoon secundair onderwijs volgens aard en graad van handicap: OV1 niet zelfredzaam, OV2 sociaal zelfredzaam binnen beschermde omgeving, OV3 beroepsopleiding en -uitoefening mogelijk, OV4 geĂŻntegreerd onderwijs mogelijk. Zie 10.3. & 10.6.6. Pedagogisch project : Het "pedagogisch project" is het geheel van onderwijskundige en opvoedkundige uitgangspunten die vanuit een mens- en wereldbeeld door het schoolbestuur worden vastgelegd. Zie 2.3.4. Scholengemeenschappen (scholengemeenschap) : Vrijwillige samenwerkingsverbanden tussen scholen van eenzelfde onderwijsniveau binnen een of twee der 44 geografische zones, met het oog op schaalvergroting. Ze bestaan sinds 1998 in het secundair onderwijs, sinds 2003 in het basisonderwijs. Zie 2.6.4.2. Scholengroep (scholengroepen) : Binnen het GO!, onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, een samenwerkingsverband tussen basis- en secundaire scholen (en eventueel een centrum voor leerlingenbegeleiding) binnen een der 28 schoolzones. Scholengroepen zijn samen met de centrale Raad de inrichtende machten van het GO!. Zie 2.6.3.1.1. Niet te verwarren met scholengemeenschappen. Schoolwerkplan : Het "schoolwerkplan" is een plan dat door de school wordt opgesteld en dat tenminste volgende elementen bevat: - de omschrijving van het pedagogisch project, zijnde het geheel van fundamentele uitgangspunten dat door het schoolbestuur voor de school wordt vastgesteld; - de organisatie van de school en voornamelijk de indeling in leerlingengroepen; - de wijze waarop het leerproces van de leerlingen wordt beoordeeld en hoe daarover wordt gerapporteerd; - de voorzieningen in het gewoon onderwijs voor leerlingen met een handicap of die leerbedreigd zijn, inclusief de samenwerkingsvormen met andere scholen van gewoon en/of buitengewoon onderwijs. (Zie 2.3.4.) Secundair-na-secundair onderwijs (Se-n-Se) : (Se-n-Se) Beroepsonderwijs na de leerplicht leidend tot kwalificatieniveau 4, met een studieduur van 1, 2 of 3 semesters. Zie 5.20.2. Stelsel van leren en werken : Dit stelsel met een leercomponent en een component werkplekleren is toegankelijk voor jongeren tot 25 jaar, die niet langer voltijds leerplichtig zijn. Het omvat DO, deeltijds(beroepssecundair) onderwijs, de leertijd en deeltijdse vorming met persoonlijke ontwikkelingstrajecten. Zie 5.20.1. TSO (Technisch Secundair Onderwijs) : Een der 4 vertikale onderwijsvormen in de 2e en 3e graad van het secundair onderwijs, gericht op algemene en technisch-theoretische vorming. In eerste instantie voorbereidend op hoger technisch onderwijs of het beroepsleven. Zie 5.11.2. Volwassenenonderwijs (volwassenenonderwijs) : Omvat vanaf 2007 het vroegere onderwijs voor sociale promotie, inclusief het tweede kans onderwijs en de basiseducatie. Het wordt georganiseerd in CVO's (centra voor volwassenenonderwijs); de basiseducatie blijft apart georganiseerd in CBE's (centra voor basiseducatie). Volwassenenvorming en vooral permanente vorming worden gebruikt om alle stelsels van onderwijs aan volwassenen aan te duiden. Zie 7.
Glossarium / 503
Glossarium / 504
WET-EN-REGELGEVING Besluit van de Minister betreffende de erkenning van de instanties van de erkende godsdiensten en van de vereniging van de niet-confessionele gemeenschap (Ministerieel Besluit) : 01/03/2004, B.S. 15/03/2004 Bijzonder Decreet betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (Bijzonder Decreet) : 19/12/1988, B.S. 29/12/1988 Bijzonder Decreet betreffende de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen, de coรถrdinatie van de hogeronderwijsregelgeving en de modernisering van de regelgeving op de Vlaamse autonome hogescholen (Bijzonder Decreet) : 19/03/2004, B.S. 30/04/2004 Bijzonder Decreet betreffende het Gemeenschapsonderwijs (Bijzonder Decreet) : 14/07/1998, B.S. 30/09/1998 Bijzonder Decreet houdende de deelname van gemeenschapsinstellingen aan de associaties in het hoger onderwijs (Bijzonder Decreet) : 04/04/2003, B.S. 06/07/2003 Bijzondere Wet betreffende de financiering van Gemeenschappen en Gewesten (Bijzondere Wet) : 16/01/1989, B.S. 17/01/1989 BVR aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar (Besluit van de Vlaamse Regering) : 15/07/2002, B.S. 10/09/2002 BVR betreffende de basiscompetenties van de leraren (Besluit van de Vlaamse Regering) : 05/10/2007, B.S. 17/01/2008 BVR betreffende de beroepsprofielen van de leraren (Besluit van de Vlaamse Regering) : 05/10/2007, B.S. 29/11/2007 BVR betreffende de Commissie inzake leerlingenrechten (Besluit van de Vlaamse Regering) : 27/09/2002, B.S. 31/10/2002 BVR betreffende de concordantie en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2000 houdende de vaststelling van de vakken en de indeling van de vakken in algemene vakken, technische vakken en praktische vakken in het secundair onderwijs voor sociale promotie (Besluit van de Vlaamse Regering) : 10/01/2003, B.S. 20/03/2003 BVR betreffende de concordantie van de specialiteiten in opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 14/01/2003, B.S. 09/07/03 BVR betreffende de controle op de inschrijvingen van leerlingen in het secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 16/09/1997, B.S. 31/10/1997 BVR betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 13/02/2009, B.S. 03/07/2009 BVR betreffende de globale puntenenveloppe in het secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 04/09/2009, B.S. 16/10/2009 BVR betreffende de goedkeuring van tijdelijke projecten in het deeltijds kunstonderwijs vanaf het schooljaar 2007-2008 (Besluit van de Vlaamse Regering) : 15/06/2007, B.S. 17/07/2007 BVR betreffende de Huizen van het Nederlands (Besluit van de Vlaamse Regering) : 22/07/2005, B.S. 16/09/2005
Wet- en regelgeving / 505
BVR betreffende de leertijd, vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen" (Besluit van de Vlaamse Regering) : 13/02/2009, B.S. 19/03/2009 BVR betreffende de lokale overlegplatforms inzake Gelijke Onderwijskansen (Besluit van de Vlaamse Regering) : 28/06/2002, B.S. 24/09/2002 BVR betreffende de minimale studieomvang van de voortgezette lerarenopleidingen in de Vlaamse Gemeenschap (Besluit van de Vlaamse Regering) : 22/06/1999, B.S. 29/09/1999 BVR betreffende de modulaire structuur van het OSP (een hele reeks verschillende besluiten) (Besluit van de Vlaamse Regering) : 18/11/2005 BVR betreffende de omvorming van de lerarenopleiding van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (Besluit van de Vlaamse Regering) : 15/07/1997, B.S. 02/09/1997 BVR betreffende de omvorming van sommige afdelingen van het HO voor sociale promotie naar de bachelor-masterstructuur van het hoger onderwijs in Vlaanderen (Besluit van de Vlaamse Regering) : 17/09/2004, B.S. 10/12/2004 BVR betreffende de ondernemersopleiding, bedoeld in het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en begeleiding (Besluit van de Vlaamse Regering) : 23/02/1999, B.S. 06/05/1999 BVR betreffende de opleidigs- en begeleidingscheques voor werknemers (Besluit van de Vlaamse Regering) : 18/07/2003, B.S. 25/08/2003 BVR betreffende de oprichting van de werkgroepen 'leerlingen met speciale noden in het deeltijds kunstonderwijs' en 'afstemming tijdelijke projecten kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen en muzische vorming' (Besluit van de Vlaamse Regering) : 24/07/2009, B.S. 13/10/2009 BVR betreffende de organisatie en de werking van de ombudsdienst van de consortia volwassenenonderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 11/04/2008, B.S. 18/08/2008 BVR betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (Besluit van de Vlaamse Regering) : 06/12/2002, B.S. 06/02/2003 BVR betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 19/07/2002, B.S. 04/12/2002 BVR betreffende de programmatie in het secundair volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2003-2004 (Besluit van de Vlaamse Regering) : 18/07/2003, B.S. 27/08/2003 BVR betreffende de puntenenveloppe voor scholengemeenschappen basisonderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 15/03/2004, B.S. 11/06/2004 BVR betreffende de steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek (Besluit van de Vlaamse Regering) : 15/09/2006, B.S. 04/12/2006 BVR betreffende de studiebekrachtiging in het volwassenenonderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 19/07/2007, B.S. 28/08/2007 BVR betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (Besluit van de Vlaamse Regering) : 28/05/2004, B.S. 28/07/2004 BVR betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap (Besluit van de Vlaamse Regering) : 07/09/2007, B.S. 17/10/2007 BVR betreffende de studiegebieden en structuuronderdelen in het voltijds secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 21/12/2007, B.S. 05/02/2008 Wet- en regelgeving / 506
BVR betreffende de subsidiëring van ouderkoepelverenigingen (Besluit van de Vlaamse Regering) : 22/09/2006, B.S. 15/07/2008 BVR betreffende de toekenning van aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen (Besluit van de Vlaamse Regering) : 01/09/2006, B.S. 24/11/2006 BVR betreffende de toekenning van subsidies aan time-outprojecten voor welzijn en onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 05/05/2006, B.S. 17/07/2006 BVR betreffende de toekenning van subsidies voor naschoolse opleidingsinitiatieven in de landbouwsector. (Besluit van de Vlaamse Regering) : 04/06/2004, B.S. 16/11/2004 BVR betreffende de toelage voor anderstalige nieuwkomers in het basisonderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 22/09/1998, B.S. 06/03/1999 BVR betreffende de vastlegging van de prestaties van een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 14/03/2003, B.S. 09/07/2003 BVR betreffende de wijze waarop er uitvoering moet worden gegeven aan de 2e fase van het Europees actieprogramma op onderwijsgebied Socrates (Besluit van de Vlaamse Regering) : 28/05/2004, B.S. 25/10/2004 BVR betreffende de wijze waarop sommige bevoegdheden van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap worden uitgevoerd (Besluit van de Vlaamse Regering) : 02/02/1999, B.S. 01/04/1999 BVR betreffende het erkennen van centra voor landbouweducatie en het subsidiëren van landbouweducatieve activiteiten (Besluit van de Vlaamse Regering) : 17/07/2004, B.S. 10/09/2004 BVR betreffende het experimenteel Brussels curriculum in het voltijds secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 14/07/2004, B.S. 23/09/2004 BVR betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel (Besluit van de Vlaamse Regering) : 01/03/2002, B.S. 19/06/2002 BVR betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon basisonderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 19/07/2002, B.S. 04/12/2002 BVR betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 06/09/2002, B.S. 07/11/2002 BVR betreffende het ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon basisonderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 30/10/2009, B.S. 28/12/2009 BVR betreffende het ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 30/10/2009, B.S. 29/12/2009 BVR betreffende het tijdelijk project onderwijsvoorrang in het basisonderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 14/07/1998, B.S. 20/10/1998 BVR betreffende het tijdelijke project voor de toekenning van extra lestijden aan de scholen van het basisonderwijs in de gemeenten die grenzen aan de Brusselse randgemeenten en in de gemeenten die grenzen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (Besluit van de Vlaamse Regering) : 17/03/2006, B.S. 20/04/2006 BVR betreffende onderwijs aan huis voor zieke kinderen en jongeren (Besluit van de Vlaamse Regering) : 13/07/2007, B.S. 31/08/2007 BVR betreffende structuurwijzigingen in het hoger onderwijs voor sociale promotie (Besluit van de Vlaamse Regering) : 30/04/2004, B.S. 08/11/2004
Wet- en regelgeving / 507
BVR betreffende tijdelijke projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen (Besluit van de Vlaamse Regering) : 31/03/2006, B.S. 16/06/2006 BVR betreffende vorming voor directeurs van de onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding (Besluit van de Vlaamse Regering) : 06/03/2009, B.S.09/04/2009 BVR houdende bekrachtiging van de werkingscodes van de pedagogische begeleidingsdiensten in het onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 09/07/1986, B.S. 12/09/1996 BVR houdende de machtiging tot uitvoering en de bekrachtiging van sommige regelingen van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (Besluit van de Vlaamse Regering) : 16/09/2005, B.S. 22/11/2005 BVR houdende de oprichting en samenstelling van de afdeling deeltijds kunstonderwijs van de Vlaamse Onderwijsraad (Besluit van de Vlaamse Regering) : 15/10/1996, B.S. 21/11/1996 BVR houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding (Besluit van de Vlaamse Regering) : 21/12/1988, B.S. 14/01/1989 BVR houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs. (Besluit van de Vlaamse Regering) : 31/08/2001, B.S. 24/10/2001 BVR houdende de vaststelling van de modellen van de studiebewijzen in het OSP en de modaliteiten voor uitreiking van de studiebewijzen door de centra voor volwassenenonderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 16/04/2004, B.S. 19/11/2004 BVR houdende de voorwaarden tot toekenning van de subsidies en houdende de wijze van selectie, de duur en de evaluatie van kortdurende en langdurige time-outprogramma's (Besluit van de Vlaamse Regering) : 19/06/2009, B.S. 05/10/2009 BVR houdende de werkingsbudgetten in het basisonderwijs en de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 06/02/2009, B.S. 02/04/2009 BVR houdende oprichting en samenstelling van de lokale comitĂŠs voor de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 28/08/2000, B.S. 26/10/2000 BVR houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "Beeldende kunst". (Besluit van de Vlaamse Regering) : 31/07/1990, B.S. 29/03/1991 BVR houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen "Muziek", "Woordkunst" en "Dans". (Besluit van de Vlaamse Regering) : 31/07/1990, B.S. 29/03/1991 BVR houdende uitvoering van het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk (Besluit van de Vlaamse Regering) : 13/06/2003, B.S. 23/07/2003 BVR inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 24/05/2002, B.S. 11/09/2002 BVR met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie (Besluit van de Vlaamse Regering) : 03/06/2005, B.S. 22/09/2005 BVR over de bevoegdheid, de samenstelling en de werking van de commissies van advies voor het buitengewoon onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 24/06/1997, B.S. 17/09/1997 BVR ter uitvoering van het decreet houdende de regeling van de basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen (Besluit van de Vlaamse Regering) : 18/07/1990, B.S. 04/10/1990 BVR tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 27/05/1997, B.S. 28/08/1997
Wet- en regelgeving / 508
BVR tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2 (Besluit van de Vlaamse Regering) : 01/12/1998, B.S. 18/05/1999 BVR tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7 (Besluit van de Vlaamse Regering) : 31/01/2003, B.S. 01/04/2003 BVR tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 (Besluit van de Vlaamse Regering) : 27/04/2001, B.S. 18/09/2001 BVR tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type I (Besluit van de Vlaamse Regering) : 23/11/2001, B.S. 10/04/2002 BVR tot bepaling van de vakgebonden eindtermen en de vakgebonden ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 20/06/1996, B.S. 08/08/1996 BVR tot invoering van een tijdelijk project betreffende vervangingen van korte afwezigheden, bedrijfsstages en mentorschap (Besluit van de Vlaamse Regering) : 27/01/2006, B.S. 19/04/2006 BVR tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van aanvragen tot afwijking van de decretaal bekrachtigde eindtermen en ontwikkelingsdoelen "informatie- en communicatietechnologie" in het basis- en secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 22/02/2008, B.S. 14/04/2008 BVR tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 16/09/2005, B.S. 05/12/2005 BVR tot operationalisering van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming (Besluit van de Vlaamse Regering) : 31/03/2006, B.S. 30/06/2006 BVR tot oprichting en samenstelling van de lokale comitĂŠs voor de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 28/08/2000, B.S. 26/10/2000 BVR tot oprichting en samenstelling van een Vlaams onderhandelingscomitĂŠ voor het hoger onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 21/01/2005, B.S. 18/02/2005 BVR tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming" (Besluit van de Vlaamse Regering) : 24/04/2009, B.S. 16/07/2009 BVR tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie (Besluit van de Vlaamse Regering) : 17/04/1991, B.S. 11/07/1991 BVR tot regeling van de procedure voor de projecten van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek (Besluit van de Vlaamse Regering) : 07/09/1994, B.S. 07/12/1994 BVR tot regeling van de procedure voor de toekenning van subsidies aan projecten in het kader van het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau (Besluit van de Vlaamse Regering) : 18/04/2008, B.S. 05/06/2008 BVR tot regeling van een aantal aangelegenheden van het Begeleid Individueel Studeren (Besluit van de Vlaamse Regering) : 08/11/2002, B.S. 24/12/2002 BVR tot uitvoering van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken (Besluit van de Vlaamse Regering) : 15/12/1993, B.S. 08/02/1994 BVR tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid (Besluit van de Vlaamse Regering) : 23/09/2005, B.S. 30/11/2005
Wet- en regelgeving / 509
BVR tot vaststelling en indeling van de ambten in de instellingen van het gewoon basisonderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 25/06/2004, B.S. 18/11/2004 BVR tot vaststelling en indeling van de ambten in het buitengewoon onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 24/01/2003, B.S. 11/04/2003 BVR tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding (Besluit van de Vlaamse Regering) : 12/12/2003, B.S. 01/06/2004 BVR tot vaststelling van de bij decreet te bekrachtigen decretale specifieke eindtermen "topsport" Algemeen en Technisch Secundair Onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 10/03/2006, B.S. 20/04/2006 BVR tot vaststelling van de bij decreet te bekrachtigen decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 17/10/2003, B.S. 13/01/2004 BVR tot vaststelling van de functies, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen in de Centra voor Basiseducatie (Besluit van de Vlaamse Regering) : 29/05/2009, B.S. 17/08/2009 BVR tot vaststelling van de nadere regels over de werking van het college van algemeen directeurs van de hogescholen (Besluit van de Vlaamse Regering) : 29/09/2006, B.S. 05/12/2006 BVR tot vaststelling van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (Besluit van de Vlaamse Regering) : 19/04/2002, B.S. 26/07/2002 BVR tot vaststelling van de ontwikkelingsdoelen Nederlands voor nieuwkomers in de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers in het secundair onderwijs en tot wijziging van sommige eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 16/10/2009, B.S. 13/01/2009 BVR tot vaststelling van de operationele doelstellingen van de CLB's (Besluit van de Vlaamse Regering) : 03/07/2009, B.S. 03/09/2009 BVR tot vaststelling van de salarisschalen van de leden van het onderwijzend personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (Besluit van de Vlaamse Regering) : 03/05/1995, B.S. 29/08/1995 BVR tot vaststelling van de vakgebonden eindtermen van de tweede en de derde graad gewoon secundair onderwijs. (Besluit van de Vlaamse Regering) : 23/06/2000, B.S. 29/11/2000 BVR tot vaststelling van de vakgebonden eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het gewoon beroepssecundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 20/09/2002, B.S. 28/11/2002 BVR tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 augustus 2004 betreffende de erkenning en subsidiĂŤring van centra voor loopbaandienstverlening en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid (Besluit van de Vlaamse Regering) : 05/10/2007, B.S. 07/11/2007 BVR tot wijziging van het BVR 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering (Besluit van de Vlaamse Regering) : 23/12/2005, B.S. 21/01/2006 BVR tot wijziging van het BVR van 4 april 2003 ter ondersteuning van brugprojecten tussen economie en onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 04/06/2004, B.S. 23/09/2004 BVR van 12 december 2003 betreffende de integratie van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 12/12/2003, B.S. 02/03/2004 Wet- en regelgeving / 510
De Grondwet (Grondwet) : 17/02/1994 Decreet basisonderwijs (Decreet) : 25/02/1997, B.S. 17/04/1997 Decreet betreffende de afwijkingsprocedure voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen (Decreet) : 15/07/1997, B.S. 29/08/1997 Decreet betreffende de Centra voor Leerlingenbegeleiding (Decreet) : 01/12/1998, B.S. 10/04/1999 Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs (Decreet) : 18/01/2002, B.S. 08/02/2002 Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs (Decreet) : 18/01/2002, B.S. 08/02/2002 Decreet betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en universiteiten in Vlaanderen (Decreet) : 14/03/2008, B.S. 26/06/2008 Decreet betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs en houdende dringende hogeronderwijsaangelegenheden (flexibiliseringsdecreet), gewijzigd bij decreet van 20 mei 2005 (Decreet) : 30/04/2004, B.S. 12/10/2004 Decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (Decreet) : 04/04/2003, B.S. 14/08/2003 Decreet betreffende de herziening van de financiering van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap en begeleidende bepalingen. (Decreet) : 07/12/2001, B.S. 12/02/2002 Decreet betreffende de Huizen van het Nederlands (Decreet) : 07/05/2004, B.S. 19/11/2004 Decreet betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur (Decreet) : 07/07/2006, B.S. 15/09/2006 Decreet betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken (Decreet) : 01/12/1993, B.S. 08/02/1994 Decreet betreffende de intergemeentelijke onderwijsvereniging (IGOV) (Decreet) : 28/11/2008, B.S.16/01/2009 Decreet betreffende de kwalificatiestructuur (Decreet) : 30/04/2009, B.S. 16/07/2009 Decreet betreffende de kwaliteit van het onderwijs (Decreet) : 08/05/2009, B.S. 28/08/2009 Decreet betreffende de lerarenopleiding in Vlaanderen (Decreet) : 15/12/2006, B.S. 06/02/2007 Decreet betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid (Decreet) : 30/04/2009, B.S. 06/07/2009 Decreet betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het DKO (Decreet) : 13/07/2007, B.S. 22/08/2007 Decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs (Decreet) : 27/03/1991, B.S. 25/05/1991 Decreet betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde PMS-centra (Decreet) : 27/03/1991, B.S. 25/05/1991 Decreet betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale
Wet- en regelgeving / 511
promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (Decreet) : 19/03/2004, B.S. 10/06/2004 Decreet betreffende de regionale technologische centra en houdende noodzakelijke en dringende onderwijsbepalingen (Decreet) : 07/05/2004, B.S. 31/08/2004 Decreet betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (Decreet) : 30/04/2004, B.S. 28/07/2004 Decreet betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap (Decreet) : 08/06/2007, B.S. 19/07/2007 Decreet betreffende de subsidiĂŤring van ouderkoepelverenigingen (Decreet) : 20/06/1996, B.S. 09/08/1996 Decreet betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft (Decreet) : 04/07/2008, B.S. 20/10/2008 Decreet betreffende enkele dringende maatregelen voor het deeltijds kunstonderwijs (Decreet) : 10/07/2008, B.S. 16/10/2008 Decreet betreffende functiebeschrijving en evaluatie in het onderwijs (Decreet) : 13/07/2007, B.S. 31/08/2007 Decreet betreffende gelijke onderwijskansen I (Decreet) : 28/06/2002, B.S. 14/09/2002 Decreet betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau (Decreet) : 30/11/2007, B.S. 11/02/2008 Decreet betreffende het landschap basisonderwijs (Decreet) : 10/07/2003, B.S. 24/10/2003 Decreet betreffende het onderwijs II (Decreet) : 31/07/1990, B.S. 18/08/1990 Decreet betreffende het onderwijs IX (Decreet) : 14/07/1998, B.S. 29/08/1998 Decreet betreffende het onderwijs VIII (Decreet) : 15/07/1997, B.S. 21/08/1997 Decreet betreffende het onderwijs XI (Decreet) : 18/05/1999, B.S. 31/08/1999 Decreet betreffende het onderwijs XII-Ensor (Decreet) : 20/10/2000, B.S. 16/12/2000 Decreet betreffende het Onderwijs XIII-MozaĂŻek (Decreet) : 13/07/2001, B.S. 27/11/2001 Decreet betreffende het onderwijs XIV (Decreet) : 14/02/2003, B.S. 01/07/2003 Decreet betreffende het onderwijs XIX (Decreet) : 08/05/2009, B.S. 28/08/2009 Decreet betreffende het onderwijs XVI (Decreet) : 07/07/2006, B.S. 31/08/2006 Decreet betreffende het onderwijs XVII (Decreet) : 22/06/2007, B.S. 21/08/2007 Decreet betreffende het onderwijs XVIII (Decreet) : 04/07/2008, B.S. 01/09/2008 Decreet betreffende het onderwijs-XV (Decreet) : 15/07/2005, B.S. 16/09/2005 Decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs (Decreet) : 30/04/2009, B.S. 20/07/2009 Decreet betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk (Decreet) : 04/04/2003, B.S. 28/05/2003
Wet- en regelgeving / 512
Decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap (Decreet) : 10/07/2008, B.S. 03/10/2008 Decreet betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid (Decreet) : 30/04/2004, B.S. 26/11/2004 Decreet betreffende het volwassenenonderwijs (Decreet) : 15/06/2007, B.S. 31/08/2007 Decreet betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad (Decreet) : 02/04/2004, B.S. 06/08/2004 Decreet betreffende tijdelijke projecten in het onderwijs (Decreet) : 09/12/2005, B.S. 02/02/2006 Decreet houdende bekrachtiging van het BVR van 27 april 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 (Decreet) : 18/01/2002, B.S. 16/02/2002 Decreet houdende de Middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2007 (Decreet) : 22/12/2006, B.S. 29/12/2006 Decreet houdende de organisatie en werking van de regionale technologische centra (Decreet) : 14/12/2007, B.S. 01/02/2008 Decreet houdende de organisatie van de schoolsport (Decreet) : 13/02/2009, B.S. 26/03/2009 Decreet houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen (Decreet) : 12/07/1990, B.S. 04/10/1990 Decreet houdende de subsidiëring van studenten- en leerlingenkoepelverenigingen. (Decreet) : 30/03/1999, B.S. 15/09/1999 Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs (Decreet) : 14/07/1998, B.S. 29/08/1998 Decreet houdende een aanpassing van de regelgeving betreffende het tertiair onderwijs (Decreet) : 20/04/2001, B.S. 13/07/2001 Decreet houdende goedkeuring en uitvoering van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs (Decreet) : 02/04/2004, B.S. 18/05/2004 Decreet houdende goedkeuring van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg (Decreet) : 13/07/2001, B.S. 08/08/2001 Decreet houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding (Decreet) : 06/06/2008, B.S. 18/07/2008 Decreet houdende interpretatie van de artikelen 44, 44bis en 62, §1, 7°,9° en 10°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 (Decreet) : 23/10/2009, B.S. 24/11/2009 Decreet houdende ondersteuning van de federatie van erkende organisaties voor volksontwikkelingswerk (FOV) en houdende ondersteuning van de Vereniging van Vlaamse Cultuurcentra (Decreet) : 06/07/2001, B.S. 17/08/2001 Decreet houdende oprichting van onderhandelingscomités voor de basiseducatie en voor het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs (Decreet) : 23/01/2009, B.S. 26/03/2009 Decreet tot bekrachtiging van de decretale specifieke eindtermen "topsport" algemeen en technisch secundair onderwijs (Decreet) : 02/06/2006, B.S. 13/07/2006 Wet- en regelgeving / 513
Decreet tot bekrachtiging van de decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs (Decreet) : 07/05/2004, B.S. 08/11/2004 Decreet tot bekrachtiging van de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs (Decreet) : 24/07/1996, B.S. 14/08/1996 Decreet tot bekrachtiging van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het gewoon beroepssecundair onderwijs (Decreet) : 20/12/2002 Decreet tot bekrachtiging van de schrapping en de aanpassing van eindtermen voor het studiegebied Algemene Vorming van het secundair onderwijs voor sociale promotie (Decreet) : 24/04/2007, B.S. 2/07/2007 Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs (Decreet) : 30/04/2009, B.S. 08/07/2009 Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2008 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van aanvragen tot afwijking van de decretaal bekrachtigde eindtermen en ontwikkelingsdoelen "informatie- en communicatietechnologie" in het basis- en secundair onderwijs (Decreet) : 25/04/2008, B.S. 13/08/2008 Decreet tot bekrachtiging van het BVR van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2 (Decreet) : 02/03/1999, B.S. 26/05/1999 Decreet tot bekrachtiging van het BVR van 15/6/2007 betreffende de goedkeuring van tijdelijke projecten in het DKO vanaf het schooljaar 2007-2008 (Decreet) : 13/07/2007, B.S. 22/08/2007 Decreet tot bekrachtiging van het BVR van 16 september 2005 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs. (Decreet) : 27/01/2006, B.S. 21/02/2006 Decreet tot bekrachtiging van het BVR van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs (Decreet) : 14/07/2006, B.S. 08/11/2006 Decreet tot bekrachtiging van het BVR van 23 november 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1 (Decreet) : 22/03/2002, B.S. 27/04/2002 Decreet tot bekrachtiging van het BVR van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7 (Decreet) : 23/05/2003, B.S. 16/07/2003 Decreet tot bekrachtiging van het BVR van 5 oktober 2007 betreffende het beroepsprofiel van de leraar (Decreet) : 7/12/2007, B.S. 21/01/2008 Decreet tot bekrachtiging van het reglement van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie tot bepaling van de bestuursbeginselen die van toepassing zijn bij de besluitvorming inzake accreditatie en toets nieuwe opleiding ten aanzien van hoger onderwijs (Decreet) : 27/01/2006, B.S. 21/03/2006 Decreet tot bekrachting van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (Decreet) : 19/07/2002, B.S. 10/09/2002 Decreet tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid "Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs" (Decreet) : 07/05/2004, B.S. 07/06/2004 Decreet tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen ". (Decreet) : 07/05/2004, B.S. 09/06/2004 Wet- en regelgeving / 514
Decreet tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding" (Decreet) : 07/05/2004, B.S. 07/06/2004 Decreet tot oprichting van onderhandelingscomitĂŠs in het vrij gesubsidieerd onderwijs (Decreet) : 05/04/1995, B.S. 08/06/1995 Het ministrieel besluit van 16 mei 1999 bepaalt de voorwaarden voor de aanvraag van een programmatie in het deeltijds kunstonderwijs en de behandeling ervan, de voorwaarden voor de melding van een structuurwijziging in het bestaande studieaanbod in het deeltijds kunstonderwijs (Ministerieel Besluit) : 16/05/1999, B.S. 11/08/1999 Kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003 (Kaderdecreet) : 18/07/2003, B.S. 22/08/2003 Koninklijk Besluit houdende omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs (Koninklijk Besluit) : 28/06/1978, B.S. 29/08/1978 Koninklijk Besluit inzake gebruik rijksregisternummer door het Departement Onderwijs als uniek leerlingennummer (Koninklijk Besluit) : 07/07/2002, B.S. 17/09/2002 MB betreffende de toekenning van subsidies voor naschoolse opleidingsactiviteiten in de landbouwsector (Ministerieel Besluit) : 26/11/2007, B.S. 11/12/2007 Ministerieel besluit tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2003 ter ondersteuning van brugprojecten tussen economie en onderwijs (Ministerieel Besluit) : 12/05/2006, B.S. 17/07/2006 OZB Aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen in de Nederlandstalige scholen voor basisonderwijs gelegen in de rand- en taalgrensgemeenten en in de scholen voor basisonderwijs gelegen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en / of grenzen aan de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (Omzendbrief) : 04/07/2006, BaO/2006/02 OZB Aanwending van de globale puntenenveloppe in het secundair onderwijs (Omzendbrief) : 17/08/2009, PERS/2009/06 OZB Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het buitengewoon secundair onderwijs (Omzendbrief) : 15/08/2002, SO/2002/05/buso OZB Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds secundair onderwijs (Omzendbrief) : 08/07/2005, SO/2005/04 OZB Algemene omzendbrief leerlingenvervoer (Omzendbrief) : 23/05/2008, NO/2008/02 OZB Bedrijfsbeheer in het secundair onderwijs (Omzendbrief) : 25/01/2008, SO/2008/01 OZB Beginmeting en peiling in de B-stroom van de eerste graad van het secundair onderwijs (Omzendbrief) : 25/08/2006, SO/2006/04 OZB Berekening van de globale puntenenveloppe in het secundair onderwijs (Omzendbrief) : 03/07/2009, SO/2009/03 OZB Berekening van de globale puntenenveloppe in het secundair onderwijs (BuSO) (Omzendbrief) : 03/07/2009, SO/2009/04(BuSO) OZB Bijzondere maatregelen voor de contractuele personeelsleden tewerkgesteld in CODOprojecten in de verschillende onderwijsniveaus en de centraliserende instanties en voor de gesubsidieerde contractuele personeelsleden in het basisonderwijs (Omzendbrief) : 18/07/2003, PERS/2003/06
Wet- en regelgeving / 515
OZB Controle op de leerplicht (Omzendbrief) : 14/07/1998, BaO/98/3 OZB Controle van de leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs (Omzendbrief) : 9/10/2006, BaO/2006/05 OZB Controle van de leerlingen in het gewoon basisonderwijs (Omzendbrief) : 09/10/2006, BaO/2006/04 OZB De leerplicht (Omzendbrief) : 01/03/2000, SO 68 OZB De organisatie van het volwassenenonderwijs - Centra voor Basiseducatie (Omzendbrief) : 05/07/2007, VWO/2007/02 (CBE) OZB De organisatie van het volwassenenonderwijs - Centra voor Volwassenenonderwijs (Omzendbrief) : 05/07/2007, VWO/2007/01 (CVO) OZB De verwerving van financiĂŤle steun van het ESF voor de Alternerende Beroepsopleiding (ABO) in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 - ESF doelstelling 2 prioriteit 1 AS 1 (Omzendbrief) : 04/12/2007, SO/2007/09 (BuSO) OZB Doventolken in het voltijds gewoon onderwijs (Omzendbrief) : 09/05/2006, NO/2006/01 OZB Engagementsverklaring in het basisonderwijs (Omzendbrief) : 27/04/2009, BaO/2009/02 OZB EUROKLASSEN: Europese samenwerking in het secundair onderwijs (Omzendbrief) : 03/04/2004, SO/2004/05 OZB Experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel (Omzendbrief) : 18/07/2008, SO/2008/04 OZB Functiebeschrijving en evaluatie (Omzendbrief) : 29/10/2007, PERS/2007/09 OZB GeĂŻntegreerd onderwijs (Omzendbrief) : 11/09/2003, GD/2003/05 OZB GROS: Grensoverschrijdende Samenwerking met de buurlanden in het secundair onderwijs (Omzendbrief) : 02/04/2004, SO/2004/04 OZB Het gelijkeonderwijskansenbeleid voor het basisonderwijs (Omzendbrief) : 13/06/2006, BaO/2006/01 OZB Het gelijkeonderwijskansenbeleid voor het secundair onderwijs vanaf het schooljaar 20062007 (Omzendbrief) : 15/08/2005, SO/2005/07 OZB Het mentorschap in het onderwijs (Omzendbrief) : 09/04/2009, NO/2009/01 OZB Het ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon secundair onderwijs (Omzendbrief) : 07/07/2009, SO/2009/05 (BuSO) OZB Het recht op onderwijs voor kinderen zonder wettig verblijfsstatuut (Omzendbrief) : 24/02/2003, GD/2003/03 OZB Integratie van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs (Omzendbrief) : 22/07/2008, NO/2008/05 OZB Internationalisering in het basisonderwijs (Omzendbrief) : 09/05/2009, BaO/2009/03 OZB Kostenbeheersing in het basisonderwijs (Omzendbrief) : 22/06/2007, BaO/2007/05 OZB Leerlingenstages en sociaal-maatschappelijke training in het buitengewoon secundair onderwijs (Omzendbrief) : 16/09/2002, SO/2002/11
Wet- en regelgeving / 516
OZB Leerlingenstages in het voltijds secundair onderwijs (Omzendbrief) : 16/09/2002, SO/2002/09 OZB Leren en werken (Omzendbrief) : 08/08/2008, SO/2008/08 OZB Lokale participatieregeling in het basis- en secundair onderwijs (Omzendbrief) : 13/07/2004, GD/2004/03 OZB Maatregelen ter stimulering van de participatie van kleuters aan het onderwijs (Omzendbrief) : 22/06/2007, BaO/2007/04 OZB Nieuwe structuur van opleidingsvorm 3 (Omzendbrief) : 15/06/2002, SO/2002/08/buso OZB Ondersteuning van leerlingen/ studenten met een auditieve handicap in het gewoon voltijds secundair en hoger onderwijs (Omzendbrief) : 15/05/2009, NO/2009/02 OZB Onderwijs aan huis (Omzendbrief) : 17/06/97, BaO/97/5 OZB Onderwijs voor zieke jongeren (BuSO) (Omzendbrief) : 22/07/2005, SO/2005/06 (BuSO) OZB Onderwijs voor zieke jongeren (SO) (Omzendbrief) : 22/07/2005, SO/2005/05 OZB Onderwijsbeleid voor migranten. Maatregelen voor de schooljaren 2005-2006 tot en met 2007-2008 (Omzendbrief) : 10/06/2005, BaO/2005/06 OZB Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (Omzendbrief) : 30/06/2006, BaO/2006/03 OZB Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs (Omzendbrief) : 23/07/2001, SO 75 OZB Organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs (Omzendbrief) : 12/06/ 2001, SO 74 OZB Organisatie van het volwassenenonderwijs - consortia volwassenenonderwijs (Omzendbrief) : 01/07/2009, VWO/2009/02 OZB Overzicht subsidies en toelagen aan gewoon en/of buitengewoon gefinancierd en/of gesubsidieerd onderwijs" (Omzendbrief) : 26/02/2002, BaO/2002/04 OZB Peiling eindtermen biologie in de a-stroom van de eerste graad van het secundair onderwijs (Omzendbrief) : 07/03/2006, SO/2006/02 OZB Personeelsaangelegenheden in het onderwijs voor sociale promotie (Omzendbrief) : 16/08/2005, PV/2005/5 (OSP) OZB Procedure voor de erkenning van de specifieke vorming inzake leidinggeven (art. 48 van het DCLB) (Omzendbrief) : 12/12/2005, CLB/2005/04 OZB Puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen basisonderwijs: personeelsformatie en personeelsaspecten (Omzendbrief) : 30/06/2005, BaO/2005/12 OZB Rationeel energiegebruik in scholen (Omzendbrief) : 23/09/2008, NO/2008/06 OZB Registratie van leerlingen secundair onderwijs (Omzendbrief) : 03/07/2000, SO 70 OZB Scholengemeenschappen basisonderwijs (Omzendbrief) : 30/06/2005, BaO/2005/11 OZB Scholengemeenschappen secundair onderwijs (Omzendbrief) : 30/04/1999, SO 62 OZB Speciale onderwijsleermiddelen in het volwassenenonderwijs - schooljaar 2009-2010 (Omzendbrief) : 15/05/2009, VWO/2009/01
Wet- en regelgeving / 517
OZB Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs (Omzendbrief) : 25/06/1999, SO 64 OZB Structuur van de lineaire en modulaire taalopleidingen in het volwassenenonderwijs (Omzendbrief) : 10/06/2004, PV/2004/04 OZB Subsidiëring consortia volwassenenonderwijs - schooljaar 2007-2008 (Omzendbrief) : 22/08/2007, VWO/2007/03 (Cons) OZB Taak- en functiedifferentiatie in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs (Omzendbrief) : 10/07/2007, SO/2007/03 (pers) OZB Toelatingsvoorwaarden en inschrijvingsverslag leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs (Omzendbrief) : 10/05/2007, BaO/2007/02 OZB Toelatingsvoorwaarden leerlingen in het gewoon basisonderwijs (Omzendbrief) : 10/08/2001, BaO/2001/1 OZB Uitwisseling van leerkrachten tussen Brusselse scholen (Omzendbrief) : 04/06/2008, NO/2008/04 OZB Vakantieregeling in de centra voor leerlingenbegeleiding (Omzendbrief) : 25/11/2009, CLB/2009/03 OZB Vaststelling van het pakket "uren-leraar" in het voltijds secundair onderwijs (Omzendbrief) : 31/07/1998, SO 55 OZB Vereiste taalkennis bij een aanstelling in een Franstalige school op het grondgebied van het Vlaams Gewest (Omzendbrief) : 19/01/2010, PERS/2010/02 OZB Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs (Omzendbrief) : 19/01/2009, PERS/2010/01 OZB verhoging van het werkingsbudget - aanwending voor beleidsondersteuning en klasvrij maken van de directeur/adjunct-directeur (Omzendbrief) : 27/07/1998, BaO/98/5 OZB Vreemdetalenonderwijs in het gewoon basisonderwijs (Omzendbrief) : 11/06/2004, BaO/2004/02 OZB Wijziging van de besluiten van de vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende de organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting “beeldende kunst" en de sudierichtingen "muziek", "woordkunst" en "dans" (Omzendbrief) : 09/07/2001, OND/13EA/SBT 2001/05 Wet betreffende de leerplicht (Wet) : 29/06/1983, B.S. 07/07/1983 Wet houdende organisatie van het bedrijfsleven (Wet) : 20/09/1948, B.S. 27/09/1996 Wet op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs (Wet) : 06/07/1970, B.S. 25/08/1970 Wet ter bevordering van de werkgelegenheid (Wet) : 24/12/1999, B.S. 27/01/2000 Wet tot bepaling van de criteria bedoeld in artikel 39, §2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten (Wet) : 23/05/2000, B.S. 30/05/2000 Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel (Wet) : 19/12/1974, B.S. 24/12/1974 Wet tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving (Wet) : 29/05/1959, B.S. 19/06/1959
Wet- en regelgeving / 518
Wetgeving houdende taalregeling in het onderwijs (Wet) : 30/07/1963, B.S. 22/08/1963
Wet- en regelgeving / 519
INSTELLINGEN ACOD, Algemene Centrale der Openbare Diensten - Sector Onderwijs Fontainasplein 9-11 B-1000 Brussel Tel: +32.2.508.58.80 E-mail: onderwijs@acod.be Website: http://www.acodonderwijs.be (11/03/2010) 2.7.2.4. Agentschap Sociaal-Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen - Team Sociaal-Cultureel Volwassenenwerk Arenbergstraat 9 B-1000 Brussel Tel: +32.2.553.42.45 E-mail: sociaalcultureelwerk@vlaanderen.be Website: http://www.sociaalcultureel.be (11/03/2010) 2.6.2.4. AGIOn, Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (voorheen DIGO) Ellipsgebouw - Koning Albert II-laan 35 bus 75 B-1030 Brussel Tel: +32.2.221.05.11 E-mail: info@agion.be Website: http://www.agion.be (11/03/2010) 2.8.4. / 2.6.2.1. AgODI, Agentschap voor Onderwijsdiensten H. Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel Tel: +32.2.553.93.76 E-mail: agodi@ond.vlaanderen.be Website: http://www.agodi.be (21/03/2010) 2.6.2.1. AHOVOS, Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen H. Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 B-1210 Brussel Website: http://www.ahovos.be (11/03/2010) 2.6.2.1. AKOV, Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming H. Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel Website: http://www.ond.vlaanderen.be/wegwijs/AKOV (21/03/2010) 9.3.2. Alden Biesen - Europaklassen Landcommanderij Alden Biesen Kasteelstraat 6 B-3740 Bilzen Tel: +32.89.51.93.59 E-mail: annemarie.vandeweyer@cjsm.vlaanderen.be Website: http://www.alden-biesen.be/paginas/eurowerking/index.php? (11/03/2010) 11.5.
Instellingen / 521
AOC, Agentschap voor Onderwijscommunicatie Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel Website: http://www.ond.vlaanderen.be/wegwijs/com/ (11/03/2010) 2.6.2.1. BEDNET Bondgenotenlaan 134 bus 4 3000 Leuven Tel: +32.16.20.40.45 E-mail: info@bednet.be Website: http://www.bednet.be/ (15/03/2010) 4.17.3 Canon cultuurcel Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Agentschap voor Onderwijscommunicatie Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel Tel: +32.2.553.96.63 E-mail: canon@ond.vlaanderen.be Website: http://www.canoncultuurcel.be (15/03/2010) CEGO, Centrum voor Ervaringsgericht Onderwijs Schapenstraat 34 B-3000 Leuven Tel: +32.16.32.57.40 E-mail: cego@ped.kuleuven.be Website: http://www.cego.be/ (11/03/2010) 10.5.3.1.5. Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -evaluatie (KU Leuven) Dekenstraat 2 3000 Leuven Tel: +32.16.32.57.58 Website: http://ppw.kuleuven.be/coe/ (15/03/2010) 9.6. COC, Christelijke Onderwijscentrale Trierstraat 33 1040 Brussel Tel: +32.2.285 04 40 E-mail: coc.brussel@acv-csc.be Website: http://www.coc.be (11/03/2010) 2.7.2.4. Commissie inzake Leerlingenrechten H. Consciencegebouw Koning Albert II-laan 2 A 25 1210 Brussel Tel: 32.2.553.93.85 Website: http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenrechtencommissie/ (11/03/2010) 10.5.3.1.6. Commissie Zorgvuldig Bestuur Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming AgODI t.a.v. Marleen Broucke Koning Albert II-laan 15 1 C 24 B-1210 Brussel Instellingen / 522
Tel: +32.2.553.65.56 E-mail: zorgvuldigbestuur.onderwijs@vlaanderen.be Website: http://www.ond.vlaanderen.be/zorgvuldigbestuur/ (11/03/2010) 2.6.2.1. COV, Christen Onderwijzersverbond Koningsstraat 203 B-1210 Brussel Tel: +32.2.227.41.11 E-mail: cov@acv-csc.be Website: http://www.cov.be (11/03/2010) 2.7.2.4. CTO, Centrum voor Taal en Onderwijs NT2 Blijde Inkomststraat 7 3000 Leuven Tel: +32.16.32.53.67 E-mail: info@cteno.be Website: http://cteno.be (11/03/2010) 10.7.2.3. DBO, Dienst Beroepsopleiding (Departement Onderwijs en Vorming) Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 2A 1210 Brussel Tel: +32.2.553.87.00 Website: http://www.ond.vlaanderen.be/DBO/ (11/03/2010) 5.18.5.2. Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media Vlaams ministerie van Cultuur Arenberggebouw Arenbergstraat 9 B-1000 Brussel Tel: +32.2.553.68.00 E-mail: cultuur@vlaanderen.be Website: http://www.vlaanderen.be/cultuur/ (11/03/2010) 2.6.2.4. Departement landbouw & visserij, Afdeling Landbouwvorming, Voorlichting en Duurzame Landbouw Ellipsgebouw (6e verdieping) Koning Albert II-laan 35 bus 40 B-1030 Brussel Tel: +32.2.552.78.92 Fax: +32.2.552.78.71 E-mail: jean.steenbergen@lv.vlaanderen.be Website: http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=36 (11/03/2010) 2.6.2.3. Departement Onderwijs Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-Laan 15 B-1210 Brussel Tel: +32.2.552.68.00 Website: http://www.ond.vlaanderen.be/wegwijs/departement/ (11/03/2010) 2.6.2.1. DHO, Duurzaam Hoger Onderwijs Vlaanderen Conferentiecentrum CafĂŠ de Fiennes De Fiennesstraat 77 1070 Brussel Instellingen / 523
Tel: +32.2.523.80.84 E-mail: info@dhovlaanderen.be Website: http://www.dhovlaanderen.be/ (15/03/2010) DPF, Federale Politie, Algemene Directie van de Ondersteuning en het Beheer, Directie van de Opleiding Luchtmachtlaan 10 B-1040 Etterbeek E-mail: info@police.ac.be Website: http://www.police.ac.be (11/03/2010) 2.6.1. EduBROn, Begeleiding, Research, Onderwijs, Universiteit Antwerpen Universiteit Antwerpen Campus Drie Eiken Universiteitsplein 1 - Gebouw A B-2610 Antwerpen E-mail: edubron@ua.ac.be Website: http://www.edubron.be (11/03/2010) 9.6. Entiteit Curriculum (ex-DVO) Consciencegebouw Koning Albert II-Laan 15 B-1210 Brussel Tel: +32.2.553.88.07 E-mail: jean.vanholder@ond.vlaanderen.be Website: http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/ (11/03/2010) 9.3.2. EPOS vzw Koning Albert II-laan 15/C7 B-1210 Brussel Tel: +32.2.553.98.67 E-mail: info@epos-vlaanderen.be Website: http://www.epos-vlaanderen.be (11/03/2010) 11.4.2.4. ESF-Agentschap (Europees Sociaal Fonds - Vlaanderen) Gasthuisstraat 35 1000 Brussel Tel: +32.2.546.22.11 E-mail: info@esf-agentschap.be Website: http://www.esf-agentschap.be/ (11/03/2010) 2.6.2.2. Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-Laan 15 B-1210 Brussel Tel: +32.2.528.09.40 Website: http://www.ond.vlaanderen.be/secundair/examencommissie/ (11/03/2010) 2.5.2. Federatie Centra Basiseducatie Dok Noord 5 B-9000 Gent Tel: +32.473.17.09.53 E-mail: info@federatie-basiseducatie.be Website: http://www.basiseducatie.be/ (11/03/2010) 7.5.1. Federatie Steinerscholen Vlaanderen Instellingen / 524
Gitschotellei 188 B-2140 Antwerpen Tel: +32.3.213.23.33 E-mail: steinerscholen@telenet.be Website: http://www.steinerscholen.be (11/03/2010) 2.6.3.1.2. FLAMENCO, Flanders Agency for Mobility and Co-operation in Higher Education VLIR Ravensteingalerij 27 bus 3 1000 Brussel Website: http://www.vlir.be/content1.aspx?url=p_266.htm (15/03/2010) 2.7.2.2. FOD Defensie - Algemene Directie Vorming (DG Vmg) Kwartier Koninklijke Militaire School Renaissancelaan 30 B-1000 Brussel Website: http://www.mil.be/fmn (11/03/2010) 2.6.1. FOD FinanciĂŤn, Administratie der Thesaurie, Centrale dienst der vaste uitgaven - pensioenen Kunstlaan 30 B-1040 Brussel Tel: +32.2.257.257.11 E-mail: cdvupensioenen.thesaurie@minfin.fed.be Website: http://www.cdvupensioenen.fgov.be (11/03/2010) 2.6.1. FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt Directie van het betaald educatief verlof Ernest Blerotstraat 1 B-1070 Brussel Tel: +32.2.233.41.11 E-mail: fod@werk.belgie.be Website: http://www.werk.belgie.be (11/03/2010) 2.6.1. FOK, Federatie Organisaties voor Kunsteducatie Interim-secretariaat FOK De Veerman vzw Kronenburgstraat 34 B-2000 Antwerpen Tel: +32.3.290.69.66 E-mail: fok@veerman.be Website: http://www.kunsteducatie.be (21/03/2010) FOPEM, Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodenscholen Kartuizerlaan 20 B-9000 Gent Tel: +32.9.233.94.90 E-mail: fopem@skynet.be Website: http://www.fopem.be (11/03/2010) 2.6.3.1.2. FOV, Federatie van Organisaties voor Volksontwikkelingswerk Gallaitstraat 86 bus 12 B-1030 Brussel Tel: +32.2.244.93.39 E-mail: info@fov.be Website: http://www.fov.be/ (11/03/2010) Instellingen / 525
7.1.6. Freinetbeweging Vlaanderen E-mail: info@freinetbewegingvlaanderen.be Website: http://www.freinetbewegingvlaanderen.be/ (11/03/2010) 2.6.3.1.2. FWO, Fonds voor wetenschappelijk onderzoek - Vlaanderen Egmontstraat 5 B-1000 Brussel Tel: +32.2.512.91.10 E-mail: post@fwo.be Website: http://www.fwo.be (11/03/2010) 2.7.2.2. GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap Emile Jacqmainlaan 20 1000 Brussel Tel: +32.2.790.92.00 E-mail: info@g-o.be. Website: http://www.g-o.be/ (11/03/2010) 2.6.3.2. Grondwettelijk Hof van BelgiĂŤ Koningsplein 7 1000 Brussel Tel: +32.2.500.12.11 Website: http://www.arbitrage.be/ (15/03/2010) 2.6.1. HIVA, Hoger Instituut voor de Arbeid - Onderwijs en Arbeidsmarkt Parkstraat 47 B-3000 Leuven Tel: +32.16.32.33.33 E-mail: hiva@kuleuven.be Website: http://www.hiva.be (11/03/2010) 9.6. ICOR, Interuniversitair Centrum voor Onderwijsrecht Arthur Goemaerelei 52 B-2018 Antwerpen Tel: +32.3.238.44.23 E-mail: info@Onderwijsrecht.be Website: http://www.onderwijsrecht.be/ (11/03/2010) 9.6. IPCO, Raad van inrichtende machten van het Protestants-Christelijk Onderwijs Lakenmakersstraat 271 2800 Mechelen Tel: +32.15.55.61.52 E-mail: info@ipco.be Website: http://www.ipco.be/ (11/03/2010) 2.6.3.1.2. K.U. Leuven, Centrum voor Onderwijsbeleid en -vernieuwing Vesaliusstraat 2 B-3000 Leuven Tel: +32.16.32.62.89 Website: http://www.kuleuven.be (11/03/2010) 9.6. K.U. Leuven, Centrum voor sociologisch onderzoek Instellingen / 526
Parkstraat 45 bus 3601 B-3000 Leuven BelgiĂŤ Tel: +32.16.32.32.05 E-mail: jef.verhoeven@soc.kuleuven.be Website: http://perswww.kuleuven.be/~u0003309/School/EducationAndTheory/indexE_css.html (11/03/2010) 9.6. Kind & Gezin Hallepoortlaan 27 1060 Brussel Tel: +32.2.533.12.11 E-mail: info@kindengezin.be Website: http://www.kindengezin.be/KG/ (11/03/2010) 3.4. Kinderrechtencommissariaat Leuvensesteenweg 86 1000 Brussel Tel: 02/ 552.98.00 Fax: 02/ 555.98.01 Website: http://www.kinderrechtencommissariaat.be (11/03/2010) 2.7.2.5. Koning Boudewijnstichting Brederodestraat 21 B-1000 Brussel Tel: +32.2.511.18.40 E-mail: info@kbs-frb.be Website: http://www.koningboudewijnstichting.be/ (11/03/2010) 5.18.4. KOOGO, Koepel van Ouderverenigingen van het Officieel Gesubsidieerd Onderwijs Nederpolder 2 9000 Gent Tel: +32.9.269.70.04 Website: http://www.koogo.be/ (11/03/2010) 2.7.2.3. NARIC-Vlaanderen AKOV Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 B-1210 Brussel Tel: +32.2.553.97.44 E-mail: Naric@vlaanderen.be Website: http://www.ond.vlaanderen.be/NARIC/ (11/03/2010) 6.15. / 11.6. Nederlandse Taalunie Lange Voorhout 19 2514 EB Den Haag Nederland Tel: + 31.70.346.95.48 E-mail: info@taalunie.org Website: http://taalunieversum.org/taalunie/ (11/03/2010) 11.4.1.1. NVAO, Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie Parkstraat 28 NL-2514 JK Den Haag Instellingen / 527
Nederland Tel: +31.70.312.23.00 E-mail: info@nvao.net Website: http://nvao.net/ (11/03/2010) 9.4.2.4. OKO, Overlegplatform Kleine Onderwijsverstrekkers Website: http://www.oko.be/ (11/03/2010) 2.6.3.1.2. OVSG, Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap Ravesteingalerij 3 bus 7 B-1000 Brussel Tel: +32.2.506.41.50 E-mail: info@ovsg.be Website: http://www.ovsg.be/ (11/03/2010) 2.6.3.1.2. PDOS, Pensioendienst voor de overheidssector Victor Hortaplein 40 - bus 30 B-1060 Brussel Tel: +32.2.558.60.00 Website: http://www.pdos.fgov.be/ (11/03/2010) 2.6.1. POV, Provinciaal Onderwijs Vlaanderen Boudewijnlaan 20/21 B-1000 Brussel Tel: +32.2.514.19.00 E-mail: provinciaal.onderwijs@pov.be Website: http://www.pov.be/ (11/03/2010) 2.6.3.1.2. Prins Filipsfonds c/o koning Boudewijnstichting Brederodestraat 21 B-1000 Brussel Tel: +32.2.545.08.08 E-mail: info@prins-filipfonds.org Website: http://www.prins-filipfonds.org (11/03/2010) 11.6.1. Provincie Antwerpen, Dienst Onderwijs Koningin Elisabethlei 22 B-2018 Antwerpen Tel: +32.3.240.50.11 Website: http://www.provant.be/ (11/03/2010) 2.6.3.5. Provincie Limburg, 1° Directie onderwijs en onderwijsinspectie Universiteitslaan 1 3500 Hasselt Tel: +32.11.24.73.11 E-mail: onderwijs@limburg.be Website: http://www.limburg.be/onderwijs/ (11/03/2010) 2.6.3.5. Provincie Oost-Vlaanderen, 7e directie onderwijs Provinciehuis Gouvernementstraat 1 B-9000 Gent Tel: +32.9.267.80.00 Instellingen / 528
E-mail: info@oost-vlaanderen.be Website: http://www.oost-vlaanderen.be (11/03/2010) 2.6.3.5. Provincie Vlaams-Brabant, Dienst Onderwijs Provinciehuis Provincieplein 1 B-3010 Leuven Tel: +32.16.26.76.40 E-mail: onderwijs@vlaamsbrabant.be Website: http://www.vlaamsbrabant.be (11/03/2010) 2.6.3.5. Provincie West-Vlaanderen Provinciehuis Boeverbos Koning Leopold III-laan 41 B-8200 Brugge Tel: +32.50.40.31.11 E-mail: provincie@west-vlaanderen.be Website: http://www.west-vlaanderen.be (11/03/2010) 2.6.3.5. Raad van State Wetenschapsstraat 33 1040 Brussel Tel: +32.2.234.96.11 Website: http://www.raadvanstate.be/ (15/03/2010) 2.6.1. Rekenhof Regentschapsstraat 2 1000 Brussel Tel: +32.2.551.81.11 Website: http://www.rekenhof.be/NL/ (15/03/2010) 2.6.1. Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers E-mail: info@rkw.fgov.be Website: http://www.rkw.be/ (11/03/2010) 3.7. SERV, Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen Wetstraat 34-36 1040 Brussel Tel: +32.2.20.90.111 Website: http://www.serv.be (11/03/2010) 2.6.2.2. SLN, Steunpunt Lokale Netwerken Reigerstraat 10 9000 Gent Tel: +32.9.220.84.31 E-mail: info@sln.be Website: http://www.sln.be/ (15/03/2010) 2.7.2.7. Socius, Steunpunt voor Sociaal-Cultureel Volwassenenwerk Gallaitstraat 86 bus 4 B-1030 Brussel Tel: +32.2.215.27.08 E-mail: info@socius.be Website: http://www.socius.be/ (11/03/2010) Instellingen / 529
7.1.6. SSL, Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen Parkstraat 47 B-3000 Leuven E-mail: ssl@kuleuven.be Website: http://www.steunpuntloopbanen.be/ (11/03/2010) 9.6. St.A.M.-Vlaanderen, Studiegroep Authentieke Middenscholen Kasteelstraat 12 B-8580 Avelgem Tel: +32.56.64.42.12 E-mail: info@stam-vlaanderen.be Website: http://www.stam-vlaanderen.be/ (11/03/2010) 5.5. Stad Antwerpen, Lerende Stad Lange Gasthuisstraat 15 B-2000 Antwerpen Tel: +32.3.201.33.14 Website: http://antwerpen.be/ (11/03/2010) 2.6.3.6. Stad Brussel, Openbaar onderwijs Anspachlaan 6 B-1000 Brussel Tel: +32.2.279.39.77 Website: http://www.brunette.brucity.be/ (11/03/2010) 2.6.3.7. Stad Gent, Departement Onderwijs en Opvoeding Nederpolder 2 B-9000 Gent Tel: +32.9.269.70.00 E-mail: onderwijs@gent.be Website: http://onderwijs.gent.be (11/03/2010) 2.6.3.6. Steunpunt Diversiteit & Leren (voorheen Steunpunt intercultureel onderwijs) Sint- Pietersnieuwstraat 49 B-9000 Gent Tel: +32.9.264.70.38 E-mail: info@diversiteitenleren.be Website: http://www.steunpuntdiversiteitenleren.be/ (11/03/2010) 10.5.3.1.5. Steunpunt WSE, Werk en Sociale Economie Parkstraat 45 bus 5303 B-3000 Leuven Tel: +32.16.32.32.39 E-mail: steunpuntwse@econ.kuleuven.be Website: http://www.steunpuntwse.be (11/03/2010) 9.6. Stichting Ryckevelde Ryckevelde 6-10 B-8340 Damme Tel: +32.50.35.27.20 E-mail: info@ryckevelde.be Website: http://www.ryckevelde.be/ (11/03/2010) 11.5 Instellingen / 530
SVS, Stichting Vlaamse Schoolsport Leopold II-laan 184 D 1080 Brussel Tel: +32.2.420.06.80 E-mail: svs@schoolsport.be Website: http://www.schoolsport.be/ (15/03/2010) SYNTRA-Vlaanderen Kanselarijstraat 19 B-1000 Brussel Tel: +32.2.227.63.93 E-mail: info@syntravlaanderen.be Website: http://www.syntra.be/ (11/03/2010) 2.8.5.3. / 5.20.1.3. / 7.1.3. / 7.4.3. Toll-net, Technologie-ondersteund levenslang leren Boudewijnlaan 20/21 1000 Brussel Tel: +32.2.553.96.36 E-mail: info@toll-net.be Website: http://www.toll-net.be/ (15/03/2010) 7.11.7. TOR Onderzoeksgroep (VUB) VUB Pleinlaan 2 1050 Brussel Tel: +32.2.629.20.24 Website: http://www.vub.ac.be/TOR/intro/intro.phtml (15/03/2010) 9.6. Unesco Platform Vlaanderen Farasijnstraat 32 B-8670 Koksijde Tel: +32.58.51.44.79 E-mail: info@unesco-vlaanderen.be Website: http://www.unesco-vlaanderen.be (11/03/2010) 11.4.2.3. Universiteit Gent - Vakgroep Onderwijskunde H. Dunantlaan 2 B-9000 Gent Tel: +32.9.264.86.64 Website: http://www.onderwijskunde.ugent.be/ (11/03/2010) 9.6. VCLB, Vrije-CLB-Koepel Anatole Francestraat 119 bus 1 B-1030 Brussel Tel: +32.2.240.07.50 E-mail: info@vclb-koepel.be Website: http://vclb.bmgroup.be/ (11/03/2010) 4.15.2. VCOV, Vlaamse Confederatie van Ouders en Ouderverenigingen Interleuvenlaan 15A B-3001 Leuven Tel: +32.16.38.81.00 E-mail: info@vcov.be Website: http://www.vcov.be (11/03/2010) 2.7.2.3. Instellingen / 531
VDAB, Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding Keizerslaan 11 B-1000 Brussel Tel: +32.2.508.38.11 E-mail: info@vdab.be Website: http://www.VDAB.be (11/03/2010) 2.8.5.2. / 7.1.2. / 7.4.2. VFO, Vlaams Forum voor Onderwijsonderzoek Venusstraat 35 (VE35.210) B-2000 Antwerpen E-mail: vfo@ua.ac.be Website: http://www.vfo.be (11/03/2010) 9.6. VGC, Vlaamse Gemeenschapscommissie - Directie Onderwijs Technologiestraat 1 B-1082 Sint-Agatha-Berchem Tel: +32.2.482.00.81 E-mail: onderwijs@vgc.be Website: http://www.vgc.be/onderwijs/ (11/03/2010) 2.6.4.1.6. Vlaamse Unesco Commissie Afdeling Buitenlandse Zaken Departement Internationaal Vlaanderen Boudewijnlaan 30 1000 Brussel Tel: +32.2.553.59.00 E-mail: jan.debisschop@iv.vlaanderen.be Website: http://www.unesco-vlaanderen.be (30/3/2010) VLHORA, Vlaamse Hogescholenraad Ravensteingalerij 27 bus 3 B-1000 Brussel Tel: +32.2.211.41.90 Website: http://www.vlhora.be/ (11/03/2010) 2.7.2.2. VLIR, Vlaamse Interuniversitaire Raad Ravensteingalerij 27 B-1000 Brussel Tel: +32.2.792.55.00 E-mail: administratie@vlir.be Website: http://www.vlir.be/ (11/03/2010) 2.7.2.2. VLOR, Vlaamse Onderwijsraad Kunstlaan 6 bus 6 B-1210 Brussel Tel: +32.2.219.42.99 E-mail: info@vlor.be Website: http://www.vlor.be/ (11/03/2010) 2.7.2.1. VOCVO, Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs Kardinaal Mercierplein 1 B-2800 Mechelen Tel: +32.15.44.65.00 E-mail: vraag@vocvo.be Website: http://www.vocvo.be (11/03/2010) Instellingen / 532
9.3.3.2. VOOP, Vlaams Onderwijs OverlegPlatform Nederkouter 112 B-9000 Gent Tel: +32.3.230.03.84 Website: http://www.voop.be/ (11/03/2010) 2.6.3.1.2. VSK, Vlaamse Scholierenkoepel Paleizenstraat 90 B-1030 Brussel Tel: +32.2.215.32.29 E-mail: info@vsknet.be Website: http://vsknet.be/ (11/03/2010) 2.7.2.5. VSKO, Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs Guimardstraat 1 B-1040 Brussel Tel: +32.2.507.06.01 E-mail: secretariaat@vsko.be Website: http://ond.vsko.be (11/03/2010) 2.6.3.1.2. VSOA-onderwijs, Vrij Syndicaat voor Openbare Ambten - Groep Onderwijs Boudewijnlaan 20-21 B-1000 Brussel Tel: +32.2.529.81.39 E-mail: info@vsoa-onderwijs.be Website: http://www.vsoa-onderwijs.be/ (11/03/2010) 2.7.2.4. VUB, Vrije Universiteit Brussel - Vakgroep Onderwijskunde Pleinlaan 2 1050 Brussel Tel: +32.2.629.13.10 E-mail: kvdbergh@vub.ac.be Website: http://www.vub.ac.be/ONKU/ (11/03/2010) 9.6. VVS, Vlaamse Vereniging van Studenten Zavelput 20 1000 Brussel Tel: +32.2.502.01.22 E-mail: vvs@vvs.ac Website: http://www.vvs.ac./ (11/03/2010) 2.7.2.5.
Instellingen / 533
BIBLIOGRAFIE Aantrekken, ontwikkelen en behouden van leerkrachten: achtergrondrapport Vlaanderen / Geert Devos, Karlien Vanderheyden. - Brussel: Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs en Vorming, 2004. Aanwerving van leraren technische en praktijkvakken / Jef Verhoeven, Koen Stassen. - Gent: Academia, 2006. Accent op talent 2009-2014: van onderwijsbeleid naar talentenbeleid / Commissie Accent op Talent. - Brussel: Koning Boudewijnstichting, 2009. ADIOV (onderwijsliteratuurdatabank) / Departement onderwijs. http://www.ond.vlaanderen.be/adiov Agodi - jaarverslag 2008 / Guy Janssens. - Brussel: Agentschap voor Onderwijsdiensten, 2009. Arbeidsmarktbarometer onderwijs, december 2009. - Brussel: Vlaamse Overheid, 2010. http://onderwijs.vlaanderen.be/beleid/personeel/arbeidsmarkt.htm Arbeidsmarktrapport basisonderwijs en secundair onderwijs. - Brussel: Vlaamse Overheid, 2009. Jaarlijks. http://onderwijs.vlaanderen.be/beleid/personeel/arbeidsmarkt.htm Beleidsindicatoren time-out in het onderwijs / E. Roevens ; E. Verdonck, G. Deboutte. - Brussel : Vlaamse Overheid, 2009. - ( RP/19.01.331 ) Beleidsnota onderwijs 2009-2014: Samen grenzen verleggen voor elk talent / Minister Pascal Smet. - Brussel : Vlaamse Overheid, 2009. http://onderwijs.vlaanderen.be/beleid/default.htm Belgielex, kruispuntbank van de wetgeving (databank). - Brussel,. http://www.belgielex.be Belgisch Staatsblad (databank). - Brussel,. http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/welcome.pl Belgische statistieken portaal (databank): FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie,. http://statbel.fgov.be Bijdrage Vlaamse administratie aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse Regering: Beleidsdomeinspecifieke bijdrage deel 3.6 Onderwijs en Vorming. - Brussel : Vlaamse Overheid, 2009. http://www.vlaanderen.be/w3vlaanderen/Bijdrageregeerakkoord2009/36OV.pdf BOP, Brussels Onderwijspunt (databank) / Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC). http://www.bop.vgc.be Caleidoscoop (tijdschrift van de vrije CLB's). - Brussel : VCLB,. http://www.caleidoscoop.be. Case study: Belgium (Flemish Community) / David Rosen en Inge De Meyer : OECD, 2008. - ( Teaching, learning and assessment for adults improving foundation skills ) Competentie-ontwikkelend onderwijs: Een verkenning : VLOR & Garant, 2008. De arbeidsmarkt in Vlaanderen. Jaarboek / Steunpunt WAV. - Leuven : Steunpunt WAV,.
Bibliografie / 535
De grondwetsherziening van 1988 en het onderwijs. De schoolvrede en zijn toepassing / Jan De Groof. - Gent : Story Scientia, 1989. De overgang van basis- naar secundair onderwijs; een verkenning : VLOR & Garant, 2008. De profielengids / VLOR. - Brussel : VLOR, 2005. cd-rom met beroepsopleidingsprofielen SO en HO. http://www.vlor.be De school als ontwerpopgave. Schoolarchitectuur in Vlaanderen 1995-2005” met katern “Aanbevelingen bij de inhaaloperatie in de scholenbouw (2006-2010) / Verschaffel, Bart ; e.a : A&S/books & De Vlaamse Gemeenschap/ Team Vlaams Bouwmeester, 2006. De school van de ongelijkheid / Nico Hirtt, Ides Nicaise & Dirk De Zutter : EPO, 2007. De schoolgebouwenmonitor 2008: indicatoren voor de kwaliteit van schoolgebouwen in Vlaanderen / G. Leemans (red.). - Leuven : Garant, 2009. De Schoolpactwet. Coördinatie en annotatie / J. De Groof. - Brussel : E. Story Scientia, 1996. De transitie van het initieel beroepsonderwijs naar de arbeidsmarkt met speciale aandacht voor de onderwijsverlaters / Hilde Creten, Veerle Van de Velde, Jan Van Damme, met medewerking van Dieter Verhaest. - Leuven : HIVA, 2004. De universitaire regelgeving. Coördinatie en annotatie / Yvette Janssens, Jan De Groof. Nijmegen (Nederland) : Wolf Legal Publishers, 2005. De verlenging van de leerplicht. Veertig jaar Belgische onderwijspolitiek / Dirk De Ceulaer. Leuven : Universitaire pers Leuven, 1990. Delta: tijdschrift voor hoger onderwijs (voortzetting van Universiteit en beleid) / VLIR, VLHORA, Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid. - Brugge : Die Keure,. Directeur in een basisschool: een veelzijdig leid(st)er / Geert Devos, Nadine Engels, Antonia Aelterman, D. Bouckenooghe, Gwendoline Hotton, Pieter Lesage : Wolters Plantyn, 2006. Discussienota Hoger Kunstonderwijs in Vlaanderen: een toekomst in academisch en professioneel perspectief / Minister Frank Vandenbroucke : Vlaamse Gemeenschap. Departement Onderwijs en Vorming, 2008. http://www.vlaanderen.be/servlet/Satellite?c=MIN_Publicatie&cid=1205992913592&lyt=11417212859 50&p=1142511947281&pagename=minister_frank_vandenbroucke%2FMIN_Publicatie%2FPublicatie _met_relatiesMIN&site=minister_frank_vandenbroucke&subtype=Nota Educational Effectiveness. An introduction to international and Flemish research on schools, teachers and classes / Jan Van Damme, M.-C. Opdenakker, G. Van Landeghem, B. De Fraine, H. Pustjens & E. Van de gaer ; K.U. Leuven, Centre for Educational Effectiveness and Evaluation. Leuven : Acco, 2006. Edulex, de Vlaamse onderwijswetgeving en omzendbrieven (databank). - Brussel : Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs en Vorming,. http://www.ond.vlaanderen.be/edulex Een voltijds engagement in het deeltijdsonderwijs. Strategieën van de centra voor deeltijds onderwijs / Katleen De Rick & Roselien Leens : HIVA, 2008. Effectiviteit van TSO- en BSO-scholen in Vlaanderen / Sven De Maeyer, Rita Rymenans, Frans Daems, Peter Van Petegem, H. Van den Bergh. - Leuven : Acco, 2003. Elektronisch ondersteund leren in het volwassenenonderwijs: een verkenning / VLOR. - Brussel : Garant / VLOR, 2006. Equity in education. Thematic review Flanders / Thu Dang Kim en Koen Pelleriaux : OECD, 2006. Bibliografie / 536
Europass-Vlaanderen / Nationaal Europass Centrum (NEC Vlaanderen). 2006. http://www.europass-vlaanderen.be European Networking and Learning for the Future: the EuroPACE approach / Annemie Boonen, Johannes De Gruyter & Wim Van Petegem (eds.) : Garant, 2007. Evaluatie van het experiment modularisering in het secundair onderwijs / Koen Pelleriaux, Katleen De Rick, Helena Op den Kamp e.a. - Leuven : HIVA, 2005. EVC/EVK-praktijken, diplomagelijkwaardigheid & diplomaverwerving voor (vrouwelijke) nieuwe migranten: een accent op elk talent / J. Geets ; J. Wets, C. Timmerman : HIVA - K.U.Leuven, 2009. Financiering van onderwijs: een verkenning / VLOR. - Antwerpen : Garant / VLOR, 2006. Flexibilisering van het hoger onderwijs: Een verkenning : VLOR & Garant, 2007. Forum (tijdschrift van het VSKO) : Licap,. http://ond.vsko.be. Frans leren in de basisschool. Vroeg begonnen, half gewonnen: talensensibilisering en taalinitiatie vanaf de kleuterschool : VLOR & Garant, 2008. Geboortecohorten in de 2e en 3e graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs: Evolutie van 1989-1990 tot 2005-2006 / Georges Van Landeghem ; Jan Van Damme : Steunpunt studie- en schoolloopbanen, 2008. Gelijke kansen op school: het kan! Zestien sporen voor praktijk en beleid / Ides Nicaise, Ella Desmedt, Donat Carlier, Marc Demeuse, Kathleen De Rick, Kathy Lindekens, Loes Vandenbroucke & Nicole Vettenburg : Plantyn, 2008. Gemeenschappelijk Europees referentiekader voor moderne vreemde talen : leren, onderwijzen, beoordelen: Nederlandse Taalunie, 2008. Gemeentelijk onderwijs organiseren / OVSG, Onderwijssecretariaat van steden en gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap ; Smets, Filip; Bal, Jurgen; Bataille, Didier : Politeia,. losbladig. Geschiedenis van het onderwijs en het onderwijsbeleid in BelgiĂŤ / Mark D'hoker. - Leuven : K.U. Leuven, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen. K.U.L, 1997. Gids voor leerlingen in het secundair onderwijs. 99 vragen en antwoorden over rechten en plichten. - Brussel : Vlaamse Overheid, 2009. GOK-evaluatie: inspiratietekst basisonderwijs / VLOR, Vlaamse onderwijsraad : VLOR, 2006. http GOKken op de toekomst: het gelijkeonderwijskansenbeleid in Vlaanderen / Jos CrĂŠ, Pieter Lesage & Peter van Hoof : Wolters Plantyn, 2006. GOK-zelfevaluatie: inspiratietekst secundair onderwijs / VLOR, Vlaamse onderwijsraad : VLOR, 2006. http Handboek deeltijds kunstonderwijs voor steden en gemeenten. - Brussel : Politeia & OVSG,. losbladig. Handboek gemeentelijk basisonderwijs / OVSG, Onderwijssecretariaat van steden en gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap : Politeia,. losbladig.
Bibliografie / 537
Het CLB-decreet: tussen wens en realisatie. Evaluatie acht jaar na de invoering van het CLBdecreet / H. Vermaut ; R. Leens, K. De Rick. - Leuven : HIVA-K.U. Leuven, 2009. Het deeltijds kunstonderwjs - Ontmoeting tussen cultuur- en onderwijsbeleid / S. Peeters, A. Blondeel, M Scheck. - Antwerpen : Kluwer Rechtswetenschappen, 1994. Journal : Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, Vol. 1993-1994, Nr. 4, pp. 54-63. ISSN 0778-0443 Het hoger secundair onderwijs in Vlaanderen geschetst. resultaten van de International Survey of Upper Secondary Schools (IUSS) / Peter Van Petegem, Alexia Deneire. - Mechelen : Wolters Plantyn, 2003. Het hogeronderwijsregister (databank - opleidingen hoger onderwijs) / NVAO. http://www.hogeronderwijsregister.be Het Kunstsecundair onderwijs / Vlaamse Onderwijsraad. - Antwerpen : Garant, 2000. Het reglementair kader van lokaal onderwijsbeleid / G. Devos, P. Vandenberghe, P. Vandingenen, J. Verhoeven. - Leuven : Acco, 1987. ISBN 9033416506 Het schoolpact van 1958 / Le pacte scolaire de 1958. Ontstaan, grondlijnen en toepassing van een Belgisch compromis / Origines, principes et application d'un compromis belge / Els Witte, Jan De Groof, Jeffrey Tyssens (red.). - Brussel, Antwerpen : VUB press, Garant, 1999. Historiek van het technisch- en beroepsonderwijs 1830-1990 / Robert Smet, AndrĂŠ Vannecke, Etienne Baeten. - Antwerpen : Garant, 2002. Huisonderwijs: evaluatie 2006-2007 en 2007-2008 / A. Lips ; B. De Cuyper, L. Van Proeyen. Brussel : Vlaamse Overheid, 2009. - ( RP/18.05/201 ) Ik zie, ik zie wat jij niet ziet: collegiale visitatie als hefboom voor schoolontwikkeling / Paul Cautreels en Peter Van Petegem : Wolters Plantijn, 2006. Implementatie en impact van het Socrates II-programma in Vlaanderen / Wouter Van den Berghe ; Magda Kirsch, Yves Beernaert. - Brussel : Vlaamse Overheid, 2007. http://www.epos-vlaanderen.be Improving incentives in tertiary education in Belgium. Economics department working paper 587 / Jens HĂ˜j : OECD, 2007. Improving school leadership. OECD review. Background report from Flanders / Geert Devos ; Melissa Tuytens : OECD & U Gent, 2006. Improving teaching and learning for adults with basic skill needs through formative assessment. Background report / Inge De Meyer : U Gent & Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, 2006. - ( OEDC/CERI-study what works in innovation in education ) Impuls voor onderwijsbegeleiding (tijdschrift). - Leuven : Acco,. In het lang en in het breed. Levenslang leren in Vlaanderen en Europa / Annick Van Woensel : Steunpunt WAV, 2006. http://www.steunpuntwav.be/steunpuntwav/view/nl Indicatoren van de ongekwalificeerde uitstroom. Verwerking van de gegevens van 2005 en integratie van het modulair beroepsonderwijs / Georges Van Landeghem en Jan Van Damme : Steunpunt studie- en schoolloopbanen, 2008. Inspiratieboek Zelfgestuurd leren / Vlaamse Onderwijsraad. - Antwerpen : Garant, 2003.
Bibliografie / 538
Intercommunautaire uitwisselingen tussen scholen: Analyse en enquête over schooluitwisselingen de jongste 5 jaar. Evaluatie van de projecten ondersteund door het Prins Filipfonds / Wouter Van den Berghe. - Brussel : Koning Boudewijnstichting, 2009. Internationalization and commercialization of higher education in an era of globalization / Jef Verhoeven, Geert Kelchtermans & Kristien Michielsen. - Leuven : K.U. Leuven, Centre for sociology of education, 2004. Jaarboek EPOS 2007-2008 = Yearbook EPOS 2007-2008 / EPOS. - Brussel : Vlaamse Overheid, 2008. http://www.epos-vlaanderen.be Jaarverslag Jeugdbeleid en Kinderrechten aan het Vlaams Parlement en de Kinderrechtencommissaris goedgekeurd door de Vlaamse Regering : Vlaamse Gemeenschap,. http://www.cjsm.vlaanderen.be/kinderrechten Jaarverslag Kinderopvang / Kind en Gezin : Kind en Gezin,. Jaarlijks. http://www.kindengezin.be Joint report on the evaluation of the Socrates II, Leonardo da Vinci and e-learning programmes / Ecotec. - Brussel : Vlaamse Overheid, 2008. http://www.epos-vlaanderen.be Juridat (portaalsite van de rechterlijke macht van België) (databank). - Brussel,. http://www.juridat.be Klasse voor leerkrachten (tijdschrift) : Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs en Vorming,. http://www.klasse.be. Kwaliteitszorg in het onderwijs / Lut Creemers, Gilbert Deketelaere, Veerle Hendrickx (hoofdredactie) : Wolters Plantyn, 2002. Losbladig. Leerkrachtenstageforum. http://www.ond.vlaanderen.be/leerkrachtenstageforum Leerplicht. Wie is er niet als de schoolbel rinkelt? Evaluatie 2007-2008 / AgODi. - Brussel : Vlaamse Overheid, 2009. Leraars. Profiel van een beroepsgroep / Mark Elchardus ; E. Huyge. - Leuven : Lannoo Campus, 2009. Lerarendirect (elektronische nieuwsbrief voor leraren) / Departement onderwijs. - Brussel : Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs en Vorming,. http://www.lerarendirect.be Lerarengids secundair onderwijs. Klas en loopbaan van A-Z. - Brussel : Politeia, 2009. Lerarenhandboek / Walter Vanlerberghe (coörd.) : Politeia, 2009. Literatuuronderwijs in Nederland en Vlaanderen: een stand van zaken / Maarten Nicolaas ; Steven Vanhooren : Nederlandse Taalunie, 2008. Lokaal flankerend onderwijsbeleid / Marleen De Vry : Politeia & OVSG, 2007. McOnderwijs in Vlaanderen. Internationalisering en commercialisering van het hoger onderwijs / Jef Verhoeven, Geert Kelchtermans, Kristien Michielsen. - Mechelen : Wolters Plantyn, 2005. Naar een brede school in Vlaanderen? / Frank Pirard, Lieve Ruelens, Ides Nicaise. - Leuven : HIVA, 2004. Bibliografie / 539
Naar hoger onderwijs? Overgang na het middelbaar onderwijs in Vlaanderen / Jan Van Damme. - Leuven : Acco, 2009. Nieuwe organisatievormen voor leerlingen met specifieke noden: een verkenning / VLOR, met medewerking van Pol Ghesquière, Gracienne Lauwers, Bea Maes e.a. - Antwerpen : Garant / VLOR, 2005. Notebook Nederlandse en Vlaamse Onderwijstermen in het Engels / Broekhof, Kees; Stoops, Luc; Morris, Teresa : Sardes, 1999. Ondernemersvorming heeft oog voor elk talent. De resultaten van 2 jaar doel en kansengroepenbeleid / SYNTRA-Vlaanderen. - Brussel : SYNTRA-Vlaanderen, 2009. http://www.syntravlaanderen.be Onderwijs in het regeerakkoord 2004-2009 / Minister Frank Vandenbroucke : Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs en Vorming, 2004. http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2004/0803-regeerakkoord2004.htm Onderwijs in Vlaanderen. Een brede kijk op het onderwijslandschap/2008 = Education in Flanders. A broad view of the Flemish educational landscape/2008 / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. - Brussel : Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs en Vorming, 2008. Onderwijs in Vlaanderen. Het Vlaamse onderwijslandschap in een notendop/2008 = Education in Flanders. The Flemish educational landscape in a nutshell/2008. - Brussel : Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs en Vorming, 2008. Onderwijs, dagelijkse kost? Kostenbeheersing in het secundair onderwijs. Een verkenning. Brussel : Koning Boudewijnstichting, 2009. Onderwijsspiegel - Kwaliteit van het onderwijs / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Onderwijsinspectie. - Brussel : Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs en Vorming,. Onderwijszakboekje / Johan Heyvaert & Guy Janssens. - Mechelen : Wolters Plantyn, 2009. Jaarlijks. Onderzoek naar de kostprijs van inclusief onderwijs: 20 gevalstudies / Lijne Vloeberghs m.m.v. Gert Van den Broeck, Ides Nicaise, Liesbeth Claes & Lisette Vanhelmont : GRIP / KHLeuven / HIVA, 2008. Organisatie en processen op school / Jef Verhoeven, Leen Dom. - Leuven : K.U. Leuven, Centrum voor Onderwijssociologie, 2005. Politiek zakboekje (jaarlijks) / Clair Ysebaert. - Mechelen : Kluwer,. Jaarlijks. Prettig geleerd (databank - socioculturele activiteiten) / Socius. http://www.prettiggeleerd.be School en samenleving (losbladige uitgave) / Paul Mahieu (hoofdredactie). - Mechelen : Wolters Plantyn,. Schoolbeleid en stadsbeleid: aanzetten tot een geopedagogiek / Paul Mahieu e.a. - Mechelen : Wolters Plantyn, 2005. Schooldirect (elektronische nieuwsbrief voor schooldirecteurs). - Brussel : Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs en Vorming,. http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/default.htm
Bibliografie / 540
Schoolleadership and equity: the case of Antwerp: a report on good practice in three primary schools / Noël Clycq, Paul Mahieu, Ina Lodewijckx, steunpunt gelijkekansenbeleid : UA, LUC, Steunpunt gelijkekansenbeleid, 2004. Schoolvoorbeelden. Over kunstinterventies in scholen / De Vlaamse bouwmeester. - Brussel : Vlaamse Overheid, 2009. Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs. - Brussel : Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs en Vorming,. Jaarlijks. http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsstatistieken Statuut personeel gesubsidieerd onderwijs / Guy Janssens ; Raf Verstegen, Erwin De Buyser. Mechelen : Plantyn, 2009. Strategisch plan geletterdheid verhogen 2005-2011. - Brussel : Vlaamse Overheid, 2009. Student tutoring: veel kansen in één: Over hoe tutoringprojecten een meerwaarde zijn voor tutees, maar ook voor student-tutors die de tutoring geven / Eva Sante ; Ruben Hermans, Liesje De Backer, Hilde Van Keer. - Brussel : Koning Boudewijnstichting, 2009. Studiekosten in het basisonderwijs. Wat het aan ouders kost om schoolgaande kinderen te hebben / Ides Nicaise ; Joost Bollens & M. Vandeputte : Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs en Vorming & HIVA, 2007. - ( OBPWO-project ) Studiekosten in het secundair onderwijs. Wat het aan ouders kost om schoolgaande kinderen te hebben / Mayke Poesen-Vandeputte & Joost Bollens. - Leuven : HIVA, Hoger Instituut voor de Arbeid, 2008. Studieloopbanen in het kunstgericht onderwijs: in-, door- en uitstroom in het secundair en hoger onderwijs / Peter Van Petegem, Willem Elias, Sven De Maeyer, Ann Van Leeuw. - Mechelen : Wolters Plantyn, 2005. Studietoelagen / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. - Brussel : Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs en Vorming,. http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen SVR, Studiedienst van de Vlaamse Regering. http://www4.vlaanderen.be/dar/svr The Flemish approach to school leadership for systemic improvement. A case study report for the OECD activity improving school leadership / Christopher Day et al : OECD, 2007. The Flemish qualifications structure. Finding one's way around in qualifications. - Brussel: Vlaamse Overheid, 2010. Thuisonderwijs in Nederland en Vlaanderen / L. Witmond. - Baarle Nassau : HB uitgevers, 2009. TORB, tijdschrift voor onderwijsrecht en onderwijsbeleid / ICOR, interuniversitair centrum voor onderwijsrecht. - Brugge : Die Keure,. http://www.onderwijsrecht.be TOS 21. Technische geletterdheid voor iedereen. Standaarden & referentiepunten: Eindrapport van Techniek Op School voor de 21e eeuw : Vlaamse Gemeenschap. Departement Onderwijs en Vorming en Departement Economie, Wetenschap & Innovatie, 2008. http://www.ond.vlaanderen.be/tos21/visietekst/index.htm Trajectbegeleiding in DBSO / VLOR. - Brussel : VLOR, 2005. http://www.vlor.be
Bibliografie / 541
Trajectbenadering voor laaggeletterden in Vlaanderen / Ingrid Vanhoren, Judith Kerkhof, Kurt Demeester & Nick Matheus. - Leuven / Gent : HIVA / Vakgroep onderwijskunde Universiteit Gent, 2004. Vakoverschrijdende eindtermen in het secundair onderwijs: OBPWO onderzoek / TOR : Vlaamse Overheid, 2010. Vergelijken van onderwijssystemen / Roger Standaert. - Leuven : Acco, 2003. Vijf jaar Accent op talent. Een eerste balans: Onderwijsvernieuwing en talentontwikkeling van alle leerlingen in Vlaamse scholen / Wouter Van den Berghe : Koning Boudewijnstichting, 2008. http://www.kbs-frb.be Vijf jaar vernieuwing in scholen. De visie van duizend Vlaamse directeurs: Resultaten en analyse van een enquête bij schooldirecteurs over belangrijke onderwijsvernieuwingen in Vlaanderen / Wouter Van den Berghe : Koning Boudewijnstichting, 2008. http://www.kbs-frb.be Vlaams onderwijs in beeld, 2008-2009 = Flemish education in images, 2008-2009 : Vlaamse Overheid, 2009. Jaarlijks. http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsstatistieken Vlaams onderwijs in cijfers, 2008-2009 = Flemish education in figures, 2008-2009. - Brussel : Vlaamse Overheid, 2009. Jaarlijks. http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsstatistieken Vlaams regeerakkoord 15 juli 2009: Vlaamse Overheid, 2009. http://www.vlaanderen.be Vlaamse Codex, gecoördineerde wetgeving vanaf 1/1/1976 (databank). http://codex.vlaanderen.be Vlaamse Gemeenschapscommissie beleidsnota 2009-2014. Nederlandstalig onderwijs in Brussel: Vlaamse Gemeenschapscommissie, 2009. http://www.vgc.be/onderwijs Vlaamse Onderwijsindicatoren in internationaal perspectief / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Departement Onderwijs. - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap,. jaarboek. Vlaamse onderwijsstatistieken (databank). http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsstatistieken Vlaanderen in TIMSS 2003 / Universiteit Gent, Vakgroep onderwijskunde; K.U. Leuven, Centrum voor onderwijseffectiviteit en -evaluatie. - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs, 2004. Vlaanderen leert, cijfers en beleidsontwikkelingen. - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs, 2005. http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/2005/Vlaanderenleert.pdf VLOR-jaarverslag / VLOR : VLOR,. Jaarlijks. http://www.vlor.be Volwaardig evenwaardig: het formeel erkennen van eerder verworven competenties: een empirisch onderbouwd EVC-model voor verkorte opleidingstrajecten initiële lerarenopleiding lager onderwijs / Kristien Carnel, Björn Callewaert, Pieter Tratsaert, Mariet Vaesen. - Leuven : Acco, 2005.
Bibliografie / 542
Vormgeven aan schoolbeleid: effectieve scholenonderzoek als inspiratiebron voor de zelfevaluatie van scholen / Peter Van Petegem. - 2 - Leuven : Acco, 2005. VRIND Vlaamse Regionale Indicatoren / Vlaamse Overheid. Jaarlijks. http://aps.vlaanderen.be/statistiek/publicaties/stat_Publicaties_vrind.htm Wegwijs in het Vlaams onderwijs 2008-2009 / Peter Van Petegem, Ingrid Imbrecht. - Mechelen : Wolters Plantyn, 2009. Wetwijs, webgids voor de schooladministratie (databank). - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs,. http://www.onderwijs.vlaanderen.be/wetwijs Wie herkanst? Profiel, leerroutes en beweegredenen van de deelnemers aan het tweedekansonderwijs en de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap / Ignace Glorieux ; Ryfka Heyman, M. Jegers, M. Taelman, Y Van Dorsselaer. - Antwerpen : Garant, 2009. Word wat je wil (databank cursussen en opleidingen) / DIVA : DIVA,. http://www.wordwatjewil.be Zelfevaluatie binnenstebuiten. Een onderzoek naar het verloop en de kwaliteit van zelfevaluatie in Vlaamse scholen / Jan Vanhoof : Wolters Plantyn, 2007. Zelfevaluatie en beleidseffectiviteit in Vlaamse scholen: het gelijkeonderwijskansenbeleid als casus / Peter Van Petegem, Jef Verhoeven, Ina Buvens, Jan Vanhoof. - Gent : Academia, 2005. Zorgcahier. De effecten van zorguren in niet-GOK-scholen; een vergelijking met GOK-lestijden in GOK-scholen / Inspectie basisonderwijs : Vlaamse Gemeenschap. Departement Onderwijs en Vorming, 2007.
Bibliografie / 543