Skip to main content

SERV_20220627_Beleidsevaluatie-VBH_RAP_deel2.pdf

Page 1

DEEL 2 – BELEIDSEVALUATIE IN VLAANDEREN: TERUGBLIK OP BELEIDSINITIATIEVEN 1999-2021


Rapport van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.serv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be

Disclaimer: Dit achtergronddocument werd opgemaakt door het SERV-secretariaat ter ondersteuning van het sociaal-economisch overleg en de beleidsadvisering door de sociale partners in de SERV. De bevindingen, interpretaties en conclusies in dit achtergronddocument vallen volledig onder de verantwoordelijkheid van het SERV-secretariaat en kunnen op geen enkele wijze toegeschreven worden aan de raad, een organisatie vertegenwoordigd in de raad of een lid van de raad. Kennisname raad

27 juni 2022

Contactpersoon

Peter Van Humbeeck Stijn Wouters

pvhumbeeck@serv.be 02 209 01 01 swouters@serv.be 02 209 01 07


Inhoud Dit Deel 2 van het achtergrondrapport van het SERV-Secretariaat bij het advies ‘De Vlaamse brede heroverweging als opstap naar een structureel evaluatiebeleid’ gaat in op de initiatieven rond beleidsevaluatie in Vlaanderen in de periode 1999-2021. Het volledige rapport bestaat uit 5 delen en 3 bijlagen: 1. Beleidsevaluatie: wat en waarom? 2. Beleidsevaluatie in Vlaanderen: beleidsinitiatieven 1999-2021 3. Terugblik op de Vlaamse Brede Heroverweging 4. Principes en internationale goede praktijken voor verankering van ex post beleidsevaluatie 5.Toetsing van Vlaanderen aan een analyse kader voor de verankering van beleidsevaluatie Bijlage A: Spending reviews en beleidsevaluatie in de federale overheid Bijlage B: The governance of policy evaluation: an international review of policy evaluation frameworks and practices Bijlage C: Ex post evaluation and spending reviews: OECD principles, best practices and recommendations

2.

Beleidsevaluatie in Vlaanderen: een terugblik op beleidsinitiatieven

4

2.1

Inleiding

4

2.2

Periode 1999-2004

5

2.3

Periode 2004-2009

6

2.4

Periode 2009-2014

8

2.5

Periode 2014-2019

10

2.6

Periode 2019-2024

16

Referentielijst

23

3


2. Beleidsevaluatie in Vlaanderen: een terugblik op beleidsinitiatieven 2.1 Inleiding Beleidsevaluatie staat in Vlaanderen al minstens 30 jaar op de politieke en ambtelijke agenda. Van een groeitraject is niet echt sprake. Het gaat meer om een slingerbeweging met meer en minder interesse voor beleidsevaluatie. Dit deelrapport bevat een terugblik van de beleidsinitiatieven op het vlak van beleidsevaluatie in Vlaanderen. Het gaat dan om initiatieven van de Vlaamse Regering, de Vlaamse overheid en het Vlaams Parlement in elke legislatuur vanaf 1999. De SERV schetste eerder al een uitgebreide historiek in een achtergronddocument bij het advies ‘ex post decreetsevaluatie’ (SERV, 2015). Desmedt, Pattyn en Van Humbeeck (2016) maakten in 2016 in een VTOM-themanummer over beleidsevaluatie een balans op. De eerste vier secties van dit deelrapport bevatten daarvan een samenvatting. De vierde en vijfde sectie vullen dit aan met een bespreking van de initiatieven vanaf 2017. De conclusie eind 2016 was dat dat ex post beleidsevaluatie in Vlaanderen nog (steeds) weinig geïnstitutionaliseerd was. Met ‘institutionalisering’ wordt dan bedoeld de mate waarin culturele (waarden, normen, gewoonten …) en structurele componenten (instrumenten, procedures, instituties …) aanwezig zijn. Institutionalisering draagt ertoe bij dat beleidsevaluatief onderzoek en andere beleidsevaluatieve activiteiten gebeuren, goed worden gepland en uitgevoerd en dat ze doorwerken in de beleidspraktijk. De opeenvolgende Vlaamse Regeringen en parlementen leken wel overtuigd van het nut van evaluaties en hebben in het verleden diverse initiatieven aangekondigd. Toch gebeurt er in de praktijk gebeurt vrij weinig evaluatieonderzoek. Niettemin waren er wel tekenen die wezen op een zoektocht naar manieren om ex post evaluatie structureler uit te bouwen. Het witboek open en wendbare overheid zorgde vanaf 2017 voor nieuwe pogingen om beleidsevaluatie in Vlaanderen sterker uit te bouwen. Politieke actoren formuleerden herhaaldelijk duidelijke ambities en realiseerden op sommige vlakken vooruitgang (zie verder). Maar de concrete vertaling naar structuren, processen, engagementen en randvoorwaarden ontbreekt nog steeds om die ambities ook in de praktijk waar te maken. Er is vandaag geen samenhangend beleidskader voor ex post beleidsevaluatie in Vlaanderen. Het evaluatiebeleid en de evaluatiepraktijk zijn erg gedecentraliseerd, verschillend van domein tot domein en soms zelfs afwezig. In tegenstelling tot andere landen is er geen duidelijke trekker binnen het Center of Government (CoG) (in Vlaanderen DKBUZA) of elders. Er is bijgevolg ook geen generiek aanbod aan richtlijnen, handleidingen of opleidingen, en geen interne sturing of controle.

4


De grootste dynamiek voor beleidsevaluatie in Vlaanderen vandaag komt van de ‘Vlaamse Brede Heroverweging’. Die heeft expliciet tot doel beleidsevaluaties structureel te verankeren in het beleids- en begrotingsproces. Deelrapport 3 licht de VBH verder toe.

2.2 Periode 1999-2004 België (incl. Vlaanderen) wordt gerekend tot de landen waar beleidsevaluatie pas algemeen ingang heeft gevonden vanaf het einde van de jaren 1990. Typisch voor deze groep van landen uit de zgn. tweede golf is dat evaluatie op de agenda is gekomen ten gevolge van externe druk of als onderdeel van een groter pakket van maatregelen. Hierbij speelde initieel de Europese Unie en vooral de sterke verantwoordingsfilosofie van het New Public Management (NPM) een sleutelrol. Andere landen zoals het VK, Denemarken, Zweden, en iets later ook Nederland, waren al eind jaren ’60-‘70 op de evaluatiekar gesprongen. In die landen was een andere logica dominant. Het beleid rond beleidsevaluatie werd er vooral gestuurd door interne factoren, zoals: een rationele visie op beleid (‘maakbare samenleving’), een grote verankering van sociale wetenschappen in de administratie en een hoog publiek uitgavenpeil met de daarbij horende vraag naar verantwoording (‘value for money’). In Vlaanderen werd beleidsevaluatie deel van het discours via het ‘project’ Beter Bestuurlijk Beleid (BBB) dat vanaf 2000 en de jaren nadien in uitvoering werd gebracht. BBB had onder meer als doelstelling om in Vlaanderen een aantal principes van het NPM in te voeren. Ex post beleidsevaluatie kreeg in BBB expliciete aandacht, o.a. door deze rol nadrukkelijk toe te kennen aan de departementen als zgn. centres of excellence voor beleidsevaluatie binnen elk beleidsdomein. Die kregen (in principe) rollen op het vlak van beleidsvoorbereiding en beleidsevaluatie, in samenspraak en samenwerking met de verzelfstandigde agentschappen.BBB omvatte op het vlak van ex post beleidsevaluatie volgende elementen: • De beleidsraad (de interface tussen het politieke en administratieve niveau) kreeg opdrachten op het vlak van de voorbereiding van beleidsevaluaties en beleidsbijsturingen. • De departementen zorgden voor de monitoren en evalueren de effectiviteit van de ingezette instrumenten op het niveau beleidsdomein/beleidsveld. Ze coördineerden ook de relatie tussen geleverde prestaties en vastgestelde en beoogde effecten. • De verzelfstandigde agentschappen kregen taken op het vlak van de evaluatie van het proces van beleidsuitvoering, de geleverde prestaties en de daartoe ingezette middelen, en het verzamelen van indicaties over de bereikte effecten. • Daarnaast bepaalde het Comptabiliteitsdecreet dat de Vlaamse Regering jaarlijks een beleidseffectenrapport diende over te maken aan het Vlaams Parlement. Dat beleidseffectenrapport moest o.a. de evaluatie van de realisaties van de beleidsopties gedurende het vorige begrotingsjaar bevatten. Diverse andere initiatieven naast BBB zorgden eveneens voor stappen richting een meer structureel ex post beleidsevaluaties. Die waren er o.a. aan de rol van de Studiedienst van de Vlaamse Regering op het vlak van ex post evaluatie, de decretale verplichting voor de dienst milieurapportage (MIRA) om aan milieubeleidsevaluatie te doen, de uitwerking van beleidsevaluatie door Duurzame ontwikkeling effect beoordelingen (DOEB’s), de oprichting van steunpunten voor beleidsrelevant wetenschappelijk onderzoek enz. 5


In het bijzonder kan ook worden gewezen op de ontwikkeling van een Vlaams wetgevingsbeleid. Dat kreeg - grotendeels onder impuls van adviezen van de SERV - vanaf 2000 vorm. Dit wetgevingsbeleid was zowel gericht op de opmaak van nieuwe of wijzigende regelgeving (ex ante) als op het beheer van bestaande regelgeving (ex post). Een van de acht kenmerken van goede regelgeving die de Vlaamse Regering op 2003 goedkeurde als basis en toetssteen voor het wetgevingsbeleid stelt dat ‘kwaliteitsvolle regelgeving blijvend actueel en relevant is’. In de bijbehorende gids werd ingegaan op ex post evaluatie. De klemtoon lag echter op ex ante impactanalyse en ex ante meting van administratieve lasten. Het ex post beheer van de bestaande regelgeving kwam vooral tot uiting in drie elementen. Deze zijn: •

Jaarlijkse actieplannen voor administratieve vereenvoudiging en betere regelgeving. Die werden tevens gekoppeld aan een meldpunt voor klachten over regelgeving (administratieve lasten, tegenstrijdigheden …);

•

Het takenpakket van de cellen wetskwaliteit. Die werden in alle beleidsdomeinen opgericht, waaronder met o.a. taken als de voorbereiding, coördinatie, opvolging en monitoring van ex post wetsevaluaties en het promoten en bijhouden van het gebruik van evaluatiebepalingen in regelgeving;

•

De koppeling die vanuit de ex ante evaluatie (RIA). Die werd gelegd met ex post beleidsevaluatie door te vragen dat in de RIA’s steeds zou worden vertrokken van eventuele bestaande evaluaties. In de RIA’s zou men ook aangeven hoe en wanneer men de latere monitoring en evaluatie van de uitgewerkte regelgeving zou organiseren.

2.3 Periode 2004-2009 Sommige van de voormelde initiatieven waren in de periode 2004-2009 vrij succesvol. Meerdere voorbeelden kunnen in dat verband worden vermeld: •

Onderzoekers van het Steunpunt Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen (SBOV) schreven een handleiding beleidsevaluatie (De Peuter et al., 2007). Het Instituut voor de Overheid begon tevens met een tweedaagse opleiding over beleidsevaluatie voor ambtenaren. Die opleiding werd in de jaren nadien meerdere keren hernomen.

•

Het Steunpunt Milieubeleidswetenschappen functioneerde een tijdje als een katalysator voor milieubeleidsevaluatief onderzoek in Vlaanderen. Het publiceerde zowel een Vademecum milieubeleidsevaluatie (Crabbé et al, 2006) als een neerslag van de ervaringen (Leroy en Loots, 2006). Aan de Universiteit Antwerpen liep gedurende enige tijd ook een specifieke leerstoel omtrent milieubeleidsevaluatie.

•

Onder impuls van een reeks studiedagen die de Vlaamse Vereniging voor Bestuur en Beleid (VVBB) in 2006 organiseerde rond beleidsevaluatie werd in 2007 het Vlaams Evaluatie Platform (VEP) opgericht. Het kwam er op initiatief van de VVBB, de universiteiten, de Studiedienst van de Vlaamse Regering, het Rekenhof, de SERV en de MIRA.

Meerdere andere beleidsvoornemens rond ex post evaluatie werden nooit echt (goed) geoperationaliseerd. Ook hiervan kunnen meerdere voorbeelden worden gegeven: •

De bevoegdheidsverdeling inzake ex post beleidsevaluatie bleef onduidelijk en werd niet steeds goed opgenomen. 6


•

Beleidseffectenrapportage is nooit van de grond gekomen en de verplichting werd nadien ook geschrapt uit de regelgeving; hetzelfde geldt voor ‘duurzameontwikkelingeffectbeoordeling’.

•

Binnen de verschillende generaties steunpunten gebeurde weinig – en steeds minder volwaardige – beleidsevaluaties. Ook MIRA voerde geen milieubeleidsevaluaties meer uit (tenzij beperkt, als onderdeel van focusrapporten).

•

In het wetgevingsbeleid werd het werken met actieplannen afgeschaft. De cellen wetskwaliteit werkten weinig rond ex post beleidsevaluatie. RIA’s waren eveneens weinig effectief in het stimuleren van aandacht voor ex post beleidsevaluatie.

Diverse studies bevestigden het beeld dat er weinig ex post beleidsevaluatie gebeurde in de Vlaamse overheid en dat het weinig geïnstitutionaliseerd was. Voorbeelden van studies in de periode 2005-2014 en hun bevindingen zijn de volgende. •

Het onderzoek van Vancoppenolle en Brans (2005) leerde dat 2/3e van de kabinetsmedewerkers en topambtenaren overtuigd is van het nut van beleidsevaluaties maar dat in de praktijk weinig evaluatieonderzoek gebeurde. Het bevestigde dat de capaciteit van de Vlaamse overheid om zelf evaluatieonderzoek op te zetten en uit te voeren beperkt werd ingeschat, nieuwe beleidsmaatregelen zelden grondig en systematisch werden geëvalueerd en geschikte meetsystemen ontbraken om de beleidsprestaties en de maatschappelijke effecten van het overheidsbeleid op te volgen.

•

Uit Crabbé en Bruyninckx (2006) bleek dat de institutionalisering van milieubeleidsevaluatie in Vlaanderen minder ver stond in vergelijking met het buitenland. Als belangrijke hinderpalen wezen zij op een gebrek aan voldoende capaciteit, onduidelijkheid over de inhoudelijke en de organisatorische vormgeving van beleidsevaluatie en vooral een gebrek aan interesse bij politiek en ambtelijke (top)verantwoordelijken om te investeren in beleidsevaluatie.

•

Van Humbeeck (2006) stelde vast dat er in de context van BBB wel werd gewerkt aan beleidsevaluatie, maar dat er weinig samenhang was. Er ging veel energie gegaan naar de uittekening van een nieuw organisatiemodel maar zaken als beleidscultuur, leiderschap en strategische intelligentie bleven onderbelicht. Als belangrijkste belemmering voor beleidsevaluatie zag hij de overheersende beleidscultuur die snelheid van politieke besluitvorming boven de kwaliteit van het beleid stelt.

•

Tieleman en Van Humbeeck (2007) onderzochten in hoeverre er sprake is van een geïnstitutionaliseerde beleidsevaluatiepraktijk. De praktijkgetuigenissen in de interviews die zij afnamen wezen op meerdere pijnpunten in de evaluatiepraktijk waaronder naast de beleidscultuur een gebrek aan kwaliteit en capaciteit en aan coördinatie en programmering van beleidsevaluaties.

•

Smet (2012) stelde vast dat Vlaanderen geen echt evidence-based beleid voerde. De rol van onderzoekers bij beleidsevaluatie bleef vaak beperkt tot het ontwikkelen van meetsystemen (monitors en indicatoren) voor intern gebruik door beleidsmakers.

•

Pattyn (2014) sprak van een ‘premature evaluatie-activiteit’ en lage graad van institutionalisering in Vlaanderen. Zij stelde vast dat van de 29 onderzochte departementen en agentschappen, slechts 7 organisaties een zekere routine hadden in evalueren, 11 voerden zelden of zeer ad hoc evaluaties uit en 11 organisaties deden oen geen evaluaties waarvan 9 ook geen intentie tot evalueren hadden. 7


•

De SERV stelde in diverse adviezen en rapporten (SERV, 2006, 2007) dan weer vast dat de instrumenten, procedures en voorzieningen voor betere regelgeving in de praktijk niet goed werkten. Er waren enkele goede voorbeelden en successen, maar fundamentele problemen bleven met bv. de kwaliteit van de RIA’s en de beperkte aandacht voor ex post evaluatie, onder andere door een gebrekkige planning (o.a. regelgevingsagenda) en de positionering en slagkracht van het ‘oversight body’ (de toenmalige dienst wetsmatiging).

In het Vlaams Parlement steeg in de legislatuur 2004-2009 de interesse voor beleidsevaluatie. Er werd een commissie expliciet bevoegd gemaakt voor decreetsevaluatie. De Juridische Dienst van het Vlaams Parlement stelde een nota op over de mogelijke rol van het Vlaams Parlement inzake decreetsevaluatie als basis voor verschillende besprekingen in de Commissie bevoegd voor Decreetsevaluatie. Dit leidde echter niet meteen tot beslissingen. Die zouden er pas in volgende legislaturen komen. Wel vond een beperkt onderzoek plaats naar de interesse van het parlement in decreetsen beleidsevaluatie. Dat gebeurde aan de hand van een analyse van de schriftelijke vragen en antwoorden in de legislatuur 2004-2009 (Jacob, Speer, & Furubo, 2015). Slechts 3,5% van deze vragen en antwoorden bleken verwijzingen naar evaluaties te bevatten. Verschillende hypotheses werden ontkracht: •

De hypothese dat de meeste vragen gesteld worden door parlementsleden van de oppositie werd niet bevestigd.

•

De hypothese dat parlementsleden vragen zouden stellen aan ministers van de eigen partij om zo successen in het daglicht te brengen werd ook niet weerhouden.

•

Het was ook niet zo dat vaak dezelfde parlementsleden vragen omtrent evaluatie stelden. Er was één uitzondering. Voor één politieke partij (NVA) werden 30 van de 45 vragen gesteld door hetzelfde parlementslid. Dit parlementslid werd in 2009 voorzitter van het Vlaams Parlement. Het was dan ook wellicht geen toeval dat het Parlement vanaf 2009 bijzondere aandacht heeft gewijd aan deze thematiek (cf. infra).

2.4 Periode 2009-2014 In de periode 2009-2014 was er op niveau van de Vlaamse overheid weinig beweging op het vlak van beleidsevaluatie. De dienst wetsmatiging werkte in uitvoering van de beleidsnota bestuurszaken 2009-2014 wel aan een strategisch beleidskader ‘Kwaliteitsvolle regelgeving en administratieve vereenvoudiging 2009 – 2014’ (Dienst wetmatiging, 2010) en aan de formulering van een specifiek beleid rond ex post wetsevaluaties. Dit leidde enerzijds tot de studie ‘kwaliteitsvolle regelgeving door ex post evaluatie van regelgeving’ van het Interuniversitair Centrum voor Wetgeving (ICW) en anderzijds tot een handleiding ‘Kwaliteitsbewaking van regelgeving door middel van monitoring en evaluatie’. De Dienst Wetsmatiging ging ook op zoek naar pilootprojecten om samen met een consultant de resultaten en aanbevelingen van deze studie in de praktijk verder uit te testen. De interesse was echter zeer beperkt. Echte vooruitgang bleef uit. Toch was er in de beleidsnota’s van de diverse beleidsdomeinen vrij veel aandacht voor beleidsevaluatie. Dat blijkt uit een analyse van De Peuter en Pattyn (2016) van het aantal 8


referenties naar beleidsevaluaties in de beleidsnota’s tussen 1999 en 2019. Deze lagen in de bestuursperiode 2009-2014 merkelijk hoger dan in de drie andere. de analyse bevestigde ook de grote verschillen tussen beleidsdomeinen. Met name de sectoren Onderwijs, Milieu, Economie, Welzijn en Mobiliteit zorgen over de vier legislaturen heen voor de helft van alle citaten in de beleidsnota’s. De meeste aangekondigde beleidsevaluaties in de hele periode (1999-2019) konden worden gelinkt aan het motief ‘verbeteren’ en ‘beleidsgericht leren’ (2/3 e) en aan ‘beleidsplanning’ (1/3e). Het aandeel van de citaten met het motief ‘verantwoording’ lag opmerkelijk laag, variërend van 3% tot maximaal 9%. Op niveau van het Vlaams Parlement was er wel veel beweging. Na de verkiezingen van 2009 ontving het Vlaams Parlement een memorandum van het Interuniversitair Centrum voor Wetgeving (ICW) met onder andere de vragen om (i) decreten ex post te gaan evalueren, (ii) decreetsevaluatie structureel te verankeren via een betere planning, en (iii) de uitwerking van richtlijnen voor een memorie van toelichting en inschakeling van instanties zoals de Vlaamse ombudsdienst, het Rekenhof, de SERV en de strategische adviesraden voor ex post evaluaties. Wat volgde was een periode van intens overleg tussen de nieuwe voorzitter (Dhr. Jan Peumans), de Commissie bevoegd voor Decreetsevaluatie, de administratie van het Vlaams Parlement, de SERV, het ICW, het VEP en het Rekenhof. Dat leidde in 2010 tot het project 'slimme decreetgeving' met onder andere proeftuinen ex post evaluatie in enkele Commissies. Ook los van deze initiatieven vonden sinds 2009 meer evaluaties plaats in het parlement. Die verliepen vaak onder de vorm van hoorzittingen of via een commissie ad hoc en het Rekenhof. Die laatste had namelijk sinds 1998 ook de taak gekregen om zgn. performance audits te doen. De diverse besprekingen leidden vervolgens in 2012 tot een reeks bijkomende beslissingen van het Bureau van het Vlaams Parlement. Enkele belangrijke waren de beslissing om: •

Richtlijnen uit te werken voor de memorie van toelichting bij ontwerpen van decreet met ook bepalingen relevant voor ex post evaluatie. Deze richtlijnen werden eind 2013 goedgekeurd door het parlement en nadien door de regering opgenomen in omzendbrief VR 2014/11 betreffende de samenwerking met het Vlaams Parlement.

•

Een opleiding te organiseren inzake decreetsevaluatie voor de geïnteresseerde leden van de parlementaire gemeenschap en in samenwerking met het Vlaams Evaluatieplatform een checklist ‘ex post evaluatie’ uit te werken. De werkzaamheden werden opgestart maar konden niet voor het einde van de legislatuur worden afgerond. Midden 2014 werd een uitgewerkte ontwerpversie van de checklist afgewerkt.

•

De diensten van het Vlaams Parlement de opdracht te geven alle evaluatie- en rapportageverplichtingen aan het Vlaams Parlement die decretaal zijn vastgesteld te inventariseren. Een tabel met rapportageverplichtingen aan het Vlaams Parlement werd elke week geactualiseerd en via het intranet aan de volksvertegenwoordigers ter beschikking gesteld. Veel leek er met de rapportage echter niet te gebeuren.

Er was ook een beperkte analyse van de vragen om uitleg en interpellaties i.v.m. beleidsevaluatie tijdens de legislatuur 2009-2014. Dat gebeurde voor vier beleidsdomeinen: ruimtelijke ordening, onderwijs, cultuur en mobiliteit (Van Cortenberg, 2015). 143 vragen voldeden aan 9


de vooropgestelde definitie. Er volgde ook een beperkte interviewronde bij acht parlementsleden uit de diverse politieke partijen. De algemene indruk was dat parlementsleden niet erg vertrouwd waren met beleidsevaluatie. De analyse wees ook op de noodzaak van een cultuurverandering in het omgaan met beleidsevaluaties bij zowel de wetgevende als de uitvoerende macht.

2.5 Periode 2014-2019 De periode 2014-2019 zorgde in Vlaanderen voor een versnelling en verdieping van de discussie over beleidsevaluatie. Dat begon reeds voor de start van de nieuwe legislatuur. In haar bijdrage voor de nieuwe Vlaamse Regering pleitte de Vlaamse administratie voor een efficiëntieen effectiviteitsmeting van de bestaande beleidsmaatregelen. Die zou – in samenhang met de doorlichting van de regelgeving – als basis moeten dienen voor gedocumenteerde beleidsevaluaties en prioriteitenkeuzes. ‘Betere informatie en effectieve evaluaties garanderen’ was een van de acht prioriteiten die de SERV voorop stelde op het vlak van een slagkrachtige overheid in de nieuwe legislatuur (SERV, 2014). Bovendien had het Vlaams Parlement in de periode 2009-2014 een aantal verwachtingen ten aanzien van ex post evaluatie gecreëerd (cf. supra). In het regeerakkoord 2014-2019 en de diverse beleidsnota’s werden vervolgens talrijke evaluaties aangekondigd. De beleidsnota algemeen regeringsbeleid 2014-2019 bevestigde het belang van een coherente en transparante besluitvorming (Bourgeois, 2014). Die zou moeten leiden tot kwaliteitsvolle beleidsbeslissingen en regelgeving met hoge resultaatsgerichtheid, stabiliteit en rechtszekerheid voor alle belanghebbenden. Concreet zou de ex ante evaluatie van beleidsvoorstellen worden versterkt door een betere toepassing van reguleringsimpactanalyse, een betere betrokkenheid van de belanghebbenden en een versterking van de zgn. oversight-functie vanuit het centre of government. De beleidsnota algemeen regeringsbeleid 2014-2019 legde bovendien meer dan in vorige legislaturen een klemtoon op het belang van een beleid rond ex post evaluaties. De beleidsnota wilde een meer systematische en meer kwaliteitsvolle evaluatie van het beleid en de beleidsmaatregelen. Er werd een gecoördineerde evaluatieagenda in het vooruitzicht gesteld samen met een toename van het aantal beleidsevaluaties, in overleg met stakeholders. De beleidsnota kondigde ook een beter kader en instrumenten aan om de resultaten en effecten van het gevoerde beleid geïntegreerd op te volgen en erover te rapporteren en te communiceren (cf. doelstellingenmanagement, prestatiebegroting). Daarnaast kon in diverse beleidsdomeinen een nieuwe dynamiek op het vlak van (ex post) beleids- en wetsevaluatie worden vastgesteld. In een aantal beleidsdomeinen was er al langer een ex post evaluatiebeleid (o.a. in EWI, WVG, OV). Het departement EWI bv. publiceerde op haar website telkens de evaluatieagenda voor het komende jaar. In sommige andere beleidsdomeinen werden cellen opgericht en mensen vrijgesteld die zo’n ex post evaluatiebeleid moesten vorm geven (o.a. in WSE, VDAB, RO ...). Die dynamiek had meerdere oorzaken. Het had onder meer te maken met de gestegen aandacht voor rationalisering en verantwoording als gevolg van de financieel-economische crisis, de impact van de 6e staatshervorming (ook in het licht van de beperktere overgedragen budgetten) 10


en de klemtoon die Europa legde op ex post evaluatie (cf. evaluate first en het gebruik van fitness checks). Ook de beslissing van de Vlaamse Regering om de cofinanciering van de Steunpunten vanuit wetenschapsbeleid vanaf 2016 te schrappen, was in diverse beleidsdomeinen aanleiding om structureler na te denken over hun onderzoeksagenda met inbegrip van beleidsevaluaties en over de aansturing en uitvoering van die onderzoeksagenda (SERV, 2015). Toch bleven er meerdere knelpunten. Dat bleek uit een analyse die de SERV uitvoerde (SERV, 2015). Knelpunten die werden vastgesteld waren •

een gebrek aan planning van beleidsevaluatief onderzoek;

•

een groot ad-hoc gehalte in de keuze van geëvalueerde onderwerpen;

•

een (vaak zeer) beperkte inbreng van de stakeholders in de keuze van te evalueren beleid en regelgeving;

•

een tekort aan beleidsevaluaties op sommige terreinen;

•

een gebrekkige onderlinge afstemming van beleidsevaluaties;

•

een versnippering van de werkzaamheden en middelen;

•

een lage voorspelbaarheid en transparantie

•

een gebrekkige link tussen ex ante (RIA) en ex post evaluatie.

Een themanummer van VTOM in 2016 over beleidsevaluatie maakte eveneens een balans op (Desmedt, Pattyn, & Van Humbeeck, 2016). Enkele belangrijke vaststellingen waren: •

Meerdere beleidsdomeinen hadden stappen gezet naar een sterkere institutionalisering van beleidsevaluatie. Beleidsevaluatie werd dan herkenbaar opgenomen in de structuur en de strategie van administraties, met een duidelijk evaluatiekader en evaluatiebeleid, met ook een meerjarenplanning en een systeem van kwaliteitsbewaking. Een expliciete (h)erkenning van de evaluatiefunctie bleek er een belangrijke hefboom.

•

In veel andere beleidsdomeinen was de institutionalisering vaak nog beperkt, vooral omdat de interesse van politiek verantwoordelijken en leidinggevenden in evaluaties beperkt bleek. Ook de coördinatie van evaluaties was weinig uitgebouwd, binnen beleidsdomeinen en nog minder tussen beleidsdomeinen. Hier bleek de verkokering van de Vlaamse overheid de grote spelbreker.

•

Beleidsevaluatie werd in veel gevallen nog steeds als gevolg van externe (lees: geen intrinsieke) stimuli ondernomen, m.a.w. omdat het verplicht is (in wetgeving, of door Europa). Tegelijk bleek dat maar liefst 85% van de evaluatiebepalingen in decreten in de praktijk niet (tijdig) werd uitgevoerd. Een ander probleem met die evaluatiebepalingen was dat ze dikwijls moeilijk vertaalbaar waren in concrete evaluatievragen. De focus op wettelijke verplichtingen en verantwoording ging benodigde (leer)cultuur ten koste van het leerpotentieel van evaluaties.

•

De besparingen die in de nasleep van de financieel-economische crisis werden genomen, bleken voor beleidsevaluatie een tweesnijdend zwaard. Aan de ene kant werd soms fel gesnoeid in personeel en middelen voor evaluatieonderzoek. Aan de andere kant zorgden de besparingen ook voor vraag naar efficiëntie en aandacht voor beleidsevaluatie.

11


•

De capaciteit in termen van expertise, traditie en ervaring, bleek in heel wat domeinen goed te zitten. De expertise (inhoudelijk en methodologisch) en de kritische massa waren aanwezig, zowel bij de overheid als bij potentiële andere uitvoerders van evaluatieonderzoek zoals universiteiten, kennisinstellingen en studiebureaus. Toch werd in meerdere beleidsdomeinen de evaluatiekwaliteit soms als te zwak beoordeeld door de ‘vraagzijde’. Het aanbod van goede externe evaluatoren in het commerciële circuit was soms beperkt. Aan universiteiten waren er te weinig incentives voor onderzoekers om (voldoende snel) in te tekenen op evaluatieoproepen. Aan de ‘aanbodzijde’ werd gesteld dat vraagstellers zelden goede onderzoeksvragen formuleren of dat het beleid soms niet goed evalueerbaar was, bijvoorbeeld op effectiviteit door het ontbreken van duidelijke beleidsdoelstellingen.

•

Een specifieke bezorgdheid was de continuïteit van de aanwezige evaluatiecapaciteit in de toekomst omdat de beleidsevaluatieve (aansturende) taak vaak berustte bij een kleine groep deskundige en gemotiveerde mensen binnen een bepaalde entiteit. Dit maakte beleidsevaluatie echter kwetsbaar. Overzichten van uitgevoerde beleidsevaluaties waren meestal niet beschikbaar en de kennis en ervaring zaten vooral in de hoofden van de betrokken medewerkers.

•

In meerdere beleidsdomeinen was het evaluatieproces wel participatief, maar niet de planning en programmatie van evaluaties of de prioriteitenstelling. Bovendien worstelden beleidsdomeinen vaak met de rolafbakening van de diverse betrokkenen in een evaluatieproces en het balanceren tussen afstand en betrokkenheid.

•

Vaak was een sterke traditie van monitoring aanwezig maar ontbraken goede data voor evaluaties. Er was geen beleid rond data en tijdreeksen of rond platformen die toegang geven tot die informatie.

•

De analyse wees ook op het ontbreken van een beleid dat het gebruik van evaluatieresultaten bevordert. Dat vergt zowel maatregelen aan de aanbod- als de vraagzijde, en structurele en persoonlijke interfaces tussen de beleidswereld en de evaluatiewereld.

Ook in het Vlaams Parlement bleef er veel aandacht voor ex post decreetsevaluatie. Na de verkiezingen van mei 2014 bleef dhr. Peumans op post als parlementsvoorzitter. Een belangrijk hoofdstuk van zijn beleidsplan was gewijd aan het Vlaams Parlement als slimme decreetgever. Daarin werd gesteld dat reeds lang wordt gepleit voor betere regelgeving en voor evaluatie van regelgeving, dat daartoe een bescheiden aanzet is gegeven, maar dat die nog maar weinig tastbaars heeft opgeleverd. Midden 2015 ontving de SERV daarom een vraag van het Vlaams Parlement om voorstellen te doen voor de aanpak van decreetsevaluatie ex post in en door het Vlaams Parlement. Dat advies werd uitgebracht in september 2015 en bevatte – onderbouwd door een uitgebreid studierapport – 10 concrete aanbevelingen (SERV, 2015). Het SERV-advies leidde in 2016 tot een reeks beslissingen van het Bureau van het Vlaams Parlement. Dat gebeurde na intens overleg in een speciale parlementaire werkgroep, in de bevoegde Commissie voor Algemeen Beleid en in het Bureau. Deze beslissingen zorgden ervoor dat:

12


•

Het Parlementair Informatiecentrum de opdracht kreeg om systematisch evaluaties op te sporen, te groeperen en vlot te ontsluiten voor de parlementsleden.

•

De diensten van het Vlaams Parlement de opdracht kregen om aan Hof van Cassatie, het College van procureurs-generaal en de Vlaamse bestuursrechtcolleges te vragen periodiek aan het Vlaams Parlement te rapporteren over moeilijkheden bij de toepassing van bestaande decreten. Een soortgelijke vraag werd aan de minister-president gesteld wat de jaarverslagen van de Vlaamse overheidsinstanties betreft.

•

Het Reglement van het Vlaams Parlement werd aangepast met de verplichting voor de regering om via de beleidsbrieven jaarlijks te rapporteren over zowel geplande en lopende decreetsevaluaties, met een indicatieve timing, als over de al uitgevoerde decreetsevaluaties, met een toelichting van wat de Vlaamse Regering met de conclusies heeft gedaan of van plan is ermee te doen. Er werd niet ingegaan op de suggestie van de SERV om de Vlaamse Regering een afzonderlijke beleidsevaluatienota te laten indienen omdat men het belangrijk vond om de rapporteringsverplichtingen zo veel mogelijk in te passen in de bestaande beleidscyclus.

•

De parlementaire commissies kregen de vraag om voor hun bevoegdheden één of meer decreten aan te wijzen die voor een evaluatie in aanmerking komen, desgevallend uitgevoerd door het Rekenhof.

Het SERV-advies was ook een belangrijke inspiratiebron voor het groenboek bestuur (2016) en het witboek ‘open en wendbare overheid’ (Vlaamse Regering, 2017a). Ze legden de lat duidelijk hoger. •

Het groenboek nam de voorstellen van de SERV over om te gaan werken met een gecoördineerde evaluatieagenda. Het groenboek bevatte ook de aanbeveling om beleidsevaluaties die de Vlaamse overheid uitvoert actief openbaar te maken via een centrale databank met alle beleidsrelevante onderzoeken.

•

Het Witboek onderstreepte – na de consultatieronde en de adviezen van de SERV en de strategische adviesraden op het groenboek – het belang van decreetsevaluaties. Het witboek stelde: ‘We voeren systematisch decreetsevaluaties uit als een vast onderdeel van de levenscyclus van regelgeving.’ (…) We hanteren het principe ‘evalueer eerst’ en geven bij beleidsnota’s en beleidsbrieven een overzicht van de geplande, lopende en afgeronde decreetsevaluaties. We voorzien in een minimale procesmatige, methodologische en inhoudelijke standaard voor decreetsevaluaties. We maken afspraken met het Vlaams Parlement over hoe we meer aandacht kunnen besteden aan de bespreking van de evaluatieresultaten.’ (Vlaamse Regering, 2017a, p. 21).

•

Het Witboek stelde ook dat de reguleringsimpactanalyse zou worden hervormd. ‘We heffen de verplichting een afzonderlijk RIA-document op door een betere toepassing van de richtlijnen voor een memorie van toelichting. Zo sluit de reguleringsimpactanalyse beter aan bij de juridische toetsing van de wetgevingskwaliteit op basis van de beginselen van legitimiteit, geschiktheid, noodzakelijkheid, evenredigheid, zorgvuldigheid en motivering.’

Het witboek is belangrijk geweest om stappen vooruit te zetten. Het bevatte duidelijke ambities, gebaseerd op internationale goede voorbeelden. Die ambities gingen over: •

evidence-informed beleid en beleidsevaluatie als standaardpraktijk in de beleidsvoering; 13


•

bundeling in een netwerk van de aanwezige expertise binnen de Vlaamse overheid inzake evaluatie;

•

versterking van de interne onderzoeks- en evaluatiecapaciteit (via opleidingen en aanwervingen);

•

meer samenwerking met wetenschappelijke instellingen;

•

planning van onderzoeken en evaluaties en publieke communicatie daarover via een gemeenschappelijke onderzoeks- en evaluatieagenda;

•

ontsluiting via een portaal van evaluaties en beleidsgerichte syntheses;

•

grotere betrokkenheid van stakeholders in het ganse evaluatieproces;

•

procesmatige, methodologische en inhoudelijke standaarden voor evaluaties.

Deze ambities kregen nadien concrete vertaling in het ‘implementatieplan witboek open en wendbare overheid’ (Vlaamse Regering, 2017b). Project 23 ging geheel over ‘inzetten op onderzoek en evaluatie’. De voornemens werden vervolgens ten dele ook uitgevoerd, al bleek die uitvoering soms eerder formalistisch te gebeuren (cf. infra). Het Vlaams Parlement besliste vervolgens begin 2018 om decreetsevaluatie structureel te verankeren in de beleidsbrieven. Dat gebeurde via een wijziging van het Reglement van het Vlaams Parlement. Het reglement bepaalde dat voortaan de beleidsbrief drie elementen moest bevatten: een lijst met geplande en lopende decreetsevaluaties met een indicatieve timing; een lijst van de decreetsevaluaties die al in de lopende zittingsperiode zijn uitgevoerd; een toelichting over het gevolg dat de Vlaamse Regering heeft gegeven aan de conclusies van die evaluaties of van plan is eraan te geven. In 2018 publiceerde de Vlaamse overheid dan de ‘decreetsevaluatieagenda 2018-2019’. Het ging om een overzicht van hoe aan de beslissing van het Parlement gevolg werd gegeven in de beleidsbrieven 2018-2019. Bepaalde beleidsbrieven integreerden de decreetsevaluatieagenda binnen de regelgevingsagenda. In andere werd er een aparte bijlage aan gewijd. In nog andere kwamen decreetsevaluaties in de tekst van de beleidsbrief zelf aan bod of werd er geen enkele manier verwezen naar afgeronde, lopende of geplande decreetsevaluaties. Ook in de toelichting bij de decreetsevaluaties waren er grote verschillen merkbaar. Eveneens in 2018 stelde de Vlaamse overheid evaluatiestandaarden op. Het witboek open en wendbare overheid uit 2017 bevatte het engagement om werk te maken van minimale procesmatige, methodologische en inhoudelijke evaluatiestandaarden binnen de Vlaamse overheid. In 2018 werden die evaluatiestandaarden gepubliceerd (Vlaamse Overheid, 2018). Ze zijn bedoeld als een kwaliteitsleidraad voor iedereen die met evaluatie te maken krijgt: evaluatoren, opdrachtgevers en stakeholders. Deze evaluatiestandaarden zijn erg algemeen en geven op één pagina enkele principes mee voor het proces, de methode en de inhoud: •

Proces: •

Inspraak: We betrekken stakeholders doorheen het ganse proces.

•

Transparantie: We zijn transparant in de stappen die worden gezet.

•

Communicatie: We communiceren helder van de opstart tot de oplevering van het rapport. 14


•

Methode: •

Wetenschappelijk onderbouwd: We gebruiken de meeste geschikte methoden en technieken, verzamelen van alle noodzakelijke data, leggen verbanden tussen resultaten en hypotheses, verifiëren de bevindingen, bewaken de reproduceerbaarheid.

•

Neutraal: We handelen onpartijdig ten opzichte van de verschillende actoren en onbevooroordeeld ten opzichte van de evaluatieresultaten.

•

Competente evaluatoren: We garanderen de inzet van adequate technische vaardigheden, maar ook van communicatievaardigheden en vaardigheden inzake het coördineren van een proces met inbreng van verschillende stakeholders.

•

Inhoudelijk: •

Relevantie: We stellen de juiste vragen en definiëren een gepaste draagwijdte van een evaluatie.

•

Haalbaarheid/proportionaliteit: We gaan op voorhand na of de evaluatie haalbaar is, en of de middelen in verhouding staan tot het beoogde resultaat.

•

Gebruik georiënteerd: We waken erover dat de resultaten bruikbaar zijn door heerlijk helder te schrijven, en duidelijke en onderbouwde conclusies te trekken

De indruk bestaat echter dat de standaarden weinig gekend zijn of gebruikt worden. Er is geen Vlaamse evaluatiehandleiding. Er bestaat wel een verwijzing op de webpagina ‘Beleidsonderzoek en -evaluatie’ naar de handleiding beleidsevaluatie van het Steunpunt Bestuurlijke Organisatie uit 2007 (De Peuter et al., 2007). De Vlaamse overheid investeerde ook een tijd in een kennisnetwerk beleidsonderzoek. Er was ook sprake van de oprichting van een ruimer kennisnetwerk onderbouwd beleid gecoördineerd door DKB en EWI. Diverse entiteiten van de Vlaamse overheid participeren wel actief aan het Vlaams Evaluatieplatform (VEP, de Vlaamse vereniging van evaluatieprofessionals). Finaal kwamen diverse maatregelen uit het witboek en het implementatieplan terecht in de nieuwe omzendbrief VR 2019/11 beleids- en regelgevingsprocessen. Die omzendbrief werd in oktober 2019 van kracht na de eedaflegging van de nieuwe Vlaamse Regering (zie ook verder). In deze omzendbrief komen twee belangrijke initiatieven samen die de Vlaamse Regering (en het Vlaams Parlement) aan het einde van de legislatuur namen: •

de codificatie van 12 bestuurlijke decreten in één bestuursdecreet, met tevens een aantal inhoudelijke vernieuwingen voortvloeiend uit het witboek bestuur, zoals bepalingen over een consultatieportaal (‘alle formele consultatiemomenten verlopen transparant en worden ontsloten via een consultatieportaal’), de formalisering van de openbaarmaking van regeringsbeslissingen (die al bestond sinds september 2016 nadat de SERV daar in 2015 had op aangedrongen, zie Vlaamse Regering, 2016) en een regeling voor het gebruik van experimentwetgeving en regelluwe zones;

•

de codificatie van 4 financieel-budgettaire decreten in één Vlaamse Codex Overheidsfinanciën (VCO), met tevens een aantal inhoudelijke vernieuwingen voortvloeiend uit de discussies en eerdere beslissingen over prestatie-geïnformeerd begroten, waaronder de indeling van de begroting volgens beleidsvelden en inhoudelijke structuurelementen (en niet langer volgens strategische en operationele doelstellingen) en de invoering van de ‘beleids15


en begrotingstoelichting’ (BBT) met het oog op de geïntegreerde benadering van beleidsen begrotingsinformatie (zie verder). De omzendbrief VR 2019/11 beleids- en regelgevingsprocessen is op zich tevens een codificatie en vernieuwing van een 7-tal eerdere omzendbrieven. Ook een aantal bepalingen uit het huishoudelijk reglement van de Vlaamse Regering en het Reglement van het Vlaams Parlement werden erin meegenomen. De richtlijnen in deze omzendbrief zijn een mix van (1) herhaling en nadere invulling van een aantal reglementaire verplichtingen uit het Bestuursdecreet en de VCO en (2) aanvullende procedurele en inhoudelijke richtlijnen rond aspecten die men niet decretaal wenste te regelen (zie ook het implementatieplan bij het witboek bestuur, zoals bv. over het consulteren van belanghebbenden, het werken met conceptnota’s, wit- en groenboeken, het hanteren van referentiedata voor de inwerkingtreding van wetgeving, enz.) Concreet bevat de omzendbrief 6 hoofdstukken, nl. over •

strategische planning van de Vlaamse Regering

•

conceptfase van besluitvorming

•

besluitvorming Vlaamse Regering

•

bekendmaking en archivering van regelgeving

•

inhoudelijke toelichting van regelgeving

•

samenwerking met het Vlaams Parlement.

In 2018 is de Vlaamse overheid begonnen met de jaarlijkse publicatie van een overzicht van de geplande beleidsonderzoeken, inclusief beleidsevaluaties. Dat gebeurt op de webpagina ‘Beleidsonderzoek en -evaluatie’. Maar dit jaarlijkse overzicht kan bezwaarlijk een gemeenschappelijke evaluatieagenda worden genoemd zoals die in veel andere landen bestaat. Het overzicht wordt immers achteraf gemaakt, op basis van een screening door DKBUZA van de beleidsnota’s en de BBT’s. Het document wordt wel bezorgd aan alle belanghebbenden als aanzet tot een overkoepelende en transparante onderzoeks- en evaluatieagenda van de Vlaamse overheid.

2.6 Periode 2019-2024 Het Vlaamse Regeerakkoord 2019-2024 en de diverse beleidsnota’s herhalen veel van de voorgaande onderwerpen en engagementen (Vlaamse Regering, 2019b). Ze spreken over o.a.: •

beleidsevaluaties;

•

wetenschappelijk onderbouwd beleid;

•

de coördinatie van beleidsrelevant onderzoek en beleidsevaluaties;

•

een gemeenschappelijke onderzoeks- en evaluatieagenda;

•

maximale publieke ontsluiting;

•

beleidsgerichte syntheses;

•

samenwerking tussen adviesraden;

•

onderzoeksinstellingen;

•

steunpunten.

Het deel over financiën beoogt onder meer de verdere uitrol van prestatie-geïnformeerd begroten om het brede besluitvormingsproces te verbeteren (onder meer via beleidsleren) en het 16


budgettaire beslissingsproces beter te onderbouwen. Het stelde ook de uitrol van uitgaventoetsingen (spending reviews) in het vooruitzicht. De beleidsnota algemeen regeringsbeleid 2019-2024 bevatte eveneens duidelijke voornemens inzake beleidsevaluatie. Daarover werd volgende passage opgenomen: “Voorts wens ik de coördinatie op te nemen van het beleidsrelevant onderzoek en van de beleidsevaluaties op het niveau van de Vlaamse overheid. (…) Ik zal werken aan een gemeenschappelijke onderzoeksen evaluatieagenda met de nadruk op concrete handvaten voor beleid. Ik stimuleer verder een maximale publieke ontsluiting van de resultaten met bijzondere aandacht voor heerlijk heldere beleidsgerichte syntheses. Bedoeling is om niet alleen binnen de Vlaamse overheid (decentrale studiediensten en onderzoeksinstellingen) de nodige coördinatie te voorzien maar ook in overleg te treden met de steunpunten beleidsrelevant onderzoek, de strategische adviesraden, de universiteiten, de hogescholen, de denktanks, referentielanden en –regio's, en de internationale organisaties met betrekking tot beleidsonderzoek en -evaluatie. Ik stem hiervoor af met de minister van Economie, Wetenschap en Innovatie. Voor de spending reviews stem ik af met de minister van Begroting.” (Jambon, 2019, p. 11). Een belangrijke mijlpaal was de inwerkintreding in 2019 van de nieuwe regels van de VCO die zorgden voor de verdere integratie van de beleids- en begrotingscyclus. Met name zijn er sindsdien enkele belangrijke wijzigingen van kracht die ook relevant zijn voor beleidsevaluatie (zie schema ‘Instrumenten van strategische planning voor en sinds 2019’): •

Er wordt niet langer gewerkt met aparte beleidsbrieven en begrotingstoelichtingen maar met beleids- en begrotingstoelichtingen (BBT’s). Die moeten zorgen voor de integrale bespreking en behandeling van beleids- en begrotingsinformatie.

•

Er werd afgestapt van het hybride karakter van beleidsbrieven. Die moesten voordien zowel informatie bevatten over het komende jaar als over het voorbije begrotingsjaar. In de plaats daarvan wordt naast de BBT’s bij de begrotingsopmaak (oktober) gewerkt met afzonderlijke BBT’s bij de begrotingsuitvoering (in mei). Anders dan de vroegere bespreking van de rekeningen (uitvoering van de begroting) die enkel gebeurde in de commissie bevoegd voor begroting, worden de BBT’s bij de begrotingsuitvoering net zoals de BBT’s bij de begrotingsopmaak besproken in alle vakcommissies van het Vlaams Parlement. Deze wijziging kwam er o.a. op advies van de SERV (2015) met de bedoeling om meer beleidsmatige en parlementaire aandacht te creëren voor de beleids- en begrotingsuitvoering (zie kaderstuk).

•

De SERV (2015) en Van Humbeeck en Buyse (2016) hadden tevens voorgesteld om rond de beleids- en begrotingsuitvoering een jaarlijks momentum te creëren waarop het gevoerde regeringsbeleid (de realisaties, niet de intenties) besproken en geëvalueerd kan worden, naar het voorbeeld van de jaarlijkse verantwoordingsdag in Nederland in mei) als keerzijde van de Septemberverklaring (of de Prinsjesdag in Nederland, eveneens in september). Op die aanbeveling is tot dusver niet ingegaan.

17


Instrumenten van strategische planning voor en sinds 2019 Beleidscyclus (beleidsdoelstellingen)

Meerjarig

Jaarlijks Uitvoering Meerjarig

Jaarlijks

Uitvoering Effecten

Financiële/begroting cyclus (Begrotingsdoelstellingen) Voor 2019 Regeerakkoord/regeringsverklaring VR Meerjarenbegroting Beleidsnota’s ministers

Septemberverklaring VR Beleidsbrieven ministers Beleidsbrieven ministers

Begroting Programmadecreet Rekeningen Sinds 2019

Regeerakkoord/regeringsverklaring VR Beleidsnota’s ministers (28/10) Meerjarenraming (28/10) Beleids- en begrotingstoelichting (28/10) Septemberverklaring VR (4e maandag) Begroting (21/10 – 27/4) + Programmadecreet (28/10 – 30/4) Beleids- en begrotingstoelichting (28/10 – 30/4) Toelichting over beleids- en begrotingsuitvoering (21/5) Prestatiebegroting

Beheers/contract cyclus (organisatiedoelstellingen) Managementovereenkomst (Departementen) Beheersovereenkomst (Agentschappen) Ondernemingsplan Jaarrapport Ondernemingsplan (Beheersovereenkomst VRT, Delijn) (31/3)

Jaarrapport (31/3)

Beleidsopvolgingsbrieven invoeren (uittreksel uit SERV, 2015) Een stap verder is het grondig doordenken van de rol en timing van de beleidsbrieven, met name om te onderzoeken of die omgevormd kunnen worden tot beleidsopvolgingsbrieven teneinde de aandacht voor ex post evaluatie en beleidsresultaten structureel in te bouwen in de werking en de agenda van het parlement. Dit idee wordt hierna toegelicht. Het reglement van het Vlaams Parlement omschrijft de inhoud van de jaarlijkse beleidsbrieven (…). Uit deze opsomming blijkt duidelijk dat de beleidsbrieven vandaag een wat hybride karakter hebben: enerzijds betreft het informatie over het komende jaar en anderzijds betreft het informatie over het voorbije begrotingsjaar. Het toekomstige beleid moet idealiter vertrekken van een evaluatie van het gevoerde beleid, en in theorie zorgen de beleidsbrieven voor een koppeling van beide. Vanuit die optiek is het hybride karakter verdedigbaar. Maar in de praktijk wordt die koppeling weinig gelegd en heeft de informatie over het voorbije begrotingsjaar vaak eerder een technisch-informatief dan een beleidsmatig karakter. Ook de timing (bespreking samen met de begroting voor het volgende jaar) leidt ertoe dat er weinig aandacht is of kan zijn voor de evaluatie van het gevoerde beleid, doordat deze aangeleverd wordt op een ogenblik dat de besprekingen vandaag in een strak tijdsschema gebeuren. Om de aandacht en ruimte in het parlement voor ex post evaluatie te vergroten (en zo tevens de vraag naar en het aanbod van ex post evaluatie), zou dan ook overwogen kunnen worden om af te stappen van het hybride karakter van de beleidsbrieven. Een concreet voorstel zou kunnen zijn om de huidige beleidsbrieven te beperken tot het beleid voor het volgende jaar (en te zorgen voor een goede afstemming of integratie met de informatie in de toelichting bij de begroting om de verspreiding van onderling gerelateerde informatie over meerdere documenten te vermijden aangezien dit niet bijdraagt tot de transparantie en efficiëntie). Het Parlement kan zich dan op het einde van elk jaar concentreren op de beleidsintenties voor het komende jaar en op de daarmee samenhangende begrotingsbesprekingen. Daaraan gekoppeld zou voor informatie die relevant is voor de opvolging en evaluatie van het beleid en de regelgeving een nieuw document en momentum kunnen worden gecreëerd: ‘beleidsopvolgingsbrieven’. De idee is dat de leden van de Vlaamse Regering hierin per beleidsdomein beleidsrelevante informatie opnemen over de wijze waarop ze in het voorbije jaar hun beleid gevoerd hebben en wat de resultaten ervan zijn. De ‘beleidsopvolgingsbrieven’ zouden de politiek en beleidsmatig relevante informatie voor de opvolging en evaluatie van het gevoerde beleid synthetiseren. 18


(…) Idealiter zouden de beleidsopvolgingsbrieven inhoudelijk en qua timing ook gekoppeld moeten kunnen worden de bespreking van de rekeningen (uitvoering van de begroting). Dat zou ook de scheeftrekking in de politieke aandacht voor de begroting (ramingen) vs. de beperkte aandacht voor de rekeningen (uitvoering) kunnen verhelpen. Zo worden de rekeningen uitsluitend behandeld door de commissie algemeen beleid, financiën en begroting, terwijl de begroting in alle bevoegde commissie behandeld wordt. In de praktijk is dat echter niet evident. Volgens het rekendecreet moeten de algemene rekeningen pas goedgekeurd worden door het Vlaams Parlement in oktober van het jaar volgend op het jaar waarop de rekeningen betrekking hebben (en in werkelijkheid wordt die deadline ook niet altijd gehaald). Dat zou betekenen dat de bespreking van de beleidsopvolgingsbrieven vrijwel zou samenvallen met de bespreking van de beleidsbrieven en de begroting met als risico opnieuw weinig aandacht voor de beleidsopvolging en beleidsevaluatie. Het lijkt daarom beter om de indiening en bespreking van de beleidsopvolgingsbrieven te organiseren in het voorjaar (bv. bij de begrotingscontrole), zodat een jaarlijks momentum wordt gecreëerd waarop het gevoerde regeringsbeleid (de realisaties, niet de intenties) besproken en geëvalueerd kan worden (cf. ‘verantwoordingsdag’ in Nederland, jaarlijks op de derde woensdag in mei). Dat heeft het voordeel dat dit kan plaatsvinden los van de tijdsdruk die met begrotingsbesprekingen gepaard gaat.

De nieuwe omzendbrief VR 2019/11 beleids- en regelgevingsprocessen werd in oktober 2019 van kracht na de eedaflegging van de nieuwe Vlaamse Regering (Vlaamse Regering, 2019). Hij bevat diverse (nieuwe) bepalingen inzake beleidsevaluatie. Ten eerste op niveau van de BBT’s bij de begrotingsopmaak (deze worden telkens ook meegegeven in de in de jaarlijkse instructies voor de BBT’s): •

Zo is er in de richtlijnen voor de opmaak van de BBT’s opgenomen dat er in elke BBT een overzicht moet worden gegeven van de geplande beleids- en regelgevingsinitiatieven, ‘met een voldoende onderscheid tussen nieuwe beleidsinitiatieven, beleidsevaluaties en onderzoeksinitiatieven, nieuwe en belangrijke wijzigingen van Vlaamse decreten, decreetsevaluaties of experimenten/regelluwe zones’. Die informatie kan ook worden opgenomen in een facultatieve bijlage ‘overzicht beleids- en regelgevingsinitiatieven’ maar ze ‘moet in elk geval beschikbaar zijn’.

•

De omzendbrief bevat ook de vereiste om in de BBT’s in het kader van de beleids- en begrotingsuitvoering ‘zeker de decreetsevaluaties op te nemen die in het voorgaande jaar zijn uitgevoerd, met een toelichting over het gevolg dat de Regering aan de conclusies van die evaluaties heeft gegeven of van plan is er aan te geven’ (Vlaamse Regering, 2019, p. 18-19). Ook dit gebeurt in de praktijk nog zelden. Ook het portaal met evaluaties en beleidsgerichte syntheses dat werd aangekondigd in het witboek is er nog niet.

Ten tweede bevat de omzendbrief ook bepalingen inzake beleidsevaluatie op het niveau van de memorie van toelichting bij een ontwerp van decreet: •

De omzendbrief bevat de richtlijn om in de memorie van toelichting te vermelden of en op welke manier de effectiviteit en efficiëntie van het decreet zullen worden opgevolgd en daartoe te vermelden op welke manier data verzameld zullen worden.

•

De omzendbrief bevat tevens de richtlijn om in de memorie van toelichting te vermelden of en op welke manier het decreet in de toekomst zal worden geëvalueerd en te vermelden in welke artikelen een evaluatiebepaling is opgenomen. Er is geen vereiste om naar aanleiding van nieuw beleid of beleidswijzigingen in nota’s aan de Vlaamse Regering of in memories van toelichting bij decreten te verwijzen naar uitgevoerde beleidsevaluaties. 19


Verder kan worden vermeld dat de regeling voor ex ante impactanalyse werd aangepast. De omzendbrief VR 2014/13 betreffende regelgevingsagenda, reguleringsimpactanalyse en compensatieregel administratieve lasten werd opgeheven. Daardoor is ook de verplichting vervallen om een afzonderlijk RIA-document. In de plaats daarvan moet de beleidsonderbouwende informatie worden opgenomen in de nota aan de Vlaamse Regering en/of in de memorie van toelichting bij een ontwerp van decreet. De richtlijnen terzake werden eveneens opgenomen in de omzendbrief beleids- en regelgevingsprocessen VR 2019/11. Ook hier is de naleving ervan echter problematisch. •

In de nota aan de Vlaamse Regering moet, wanneer die gaat over beleidsprojecten, toelichting worden gegeven bij de probleemstelling, de motivering van de keuze voor een bepaalde beleidsmaatregel en de maatschappelijke impact: •

‘Probleemstelling: neem een probleemstelling en omgevingsanalyse op’

•

‘Beleidsmaatregel: Vermeld de inhoud van de nieuwe beleidsmaatregel en motiveer deze keuze’.

•

‘Bij nieuwe of hervormde beleidsmaatregelen met maatschappelijke impact: vermeld wat de concrete impact op de verschillende doelgroepen zal zijn (verplichtingen of voordelen, kosten).

•

De omzendbrief bevat ook richtlijnen voor de inhoud van een memorie van toelichting. In de algemene toelichting moet, indien relevant, in detail de inhoud en de verwachte impact van het ontwerpdecreet worden toegelicht. Het gaat dan met name om de onderdelen van een traditionele reguleringsimpactanalyse zoals die door o.a. de OESO wordt gepromoot: •

‘De probleemstelling en omgevingsanalyse: Beschrijf welke juridische, sociaaleconomische of maatschappelijke problemen aan de oorsprong liggen van het ontwerpdecreet. Besteed hierbij voldoende aandacht aan de oorzaak van deze problemen.’

•

‘Beleidsmaatregelen: Beschrijf de verschillende beleidsmaatregelen (geboden, verboden, subsidies, vergunning, …) die zijn opgenomen in het ontwerpdecreet en motiveer deze keuze.’

•

Impactanalyse: In de impactanalyse wordt een inschatting gemaakt van de verwachte effecten op de maatschappij en op de werking van de overheid. (…) Vermeld wat de concrete impact op de verschillende doelgroepen zal zijn (verplichtingen of voordelen, kosten) (…) Vermeld de financiële weerslag van het ontwerpdecreet duidelijk en geargumenteerd. (…) Vermeld (indien relevant) de impact op de werking van de lokale en provinciale besturen en Brussel.’

•

‘Uitvoering: (…) Neem een overzicht op van flankerende overheidsmaatregelen. (…) Neem in voorkomend geval een overzicht op van de maatregelen die de doelgroep zelf moet nemen om de regelgeving te kunnen naleven. Vermeld op welke manier deze maatregelen gecommuniceerd zullen worden aan die doelgroepen.’

•

‘Handhaving en toezicht: (…) Verduidelijk wie (Vlaamse, lokale, federale overheid, andere) en de wijze waarop het toezicht op de naleving van het ontwerpdecreet georganiseerd zal worden. (…) Beargumenteer waarom de straffen of bestuurlijke sancties op niet-naleving van het voorgestelde decreet in een redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het misdrijf of de inbreuk.’

20


•

‘Monitoring: Vermeld of en op welke manier de effectiviteit en efficiëntie van het decreet zal worden opgevolgd. Vermeld op welke manier er data zullen verzameld worden.’

•

‘Evaluatie: Vermeld of en op welke manier het decreet zal worden geëvalueerd.’

De Vlaamse overheid stelde op basis van de beleidsnota’s de ‘Onderzoeks- en evaluatieagenda 2019-2024’ op. Het ging daarbij opnieuw om een loutere screening en bundeling van alle evaluatie-initiatieven, en dus niet om een gecoördineerde agenda. Omdat het niet eenvoudig bleek om in de beleidsnota’s altijd een goed onderscheid te maken tussen onderzoek en evaluatie werden beide samengebracht in een evaluatie- én onderzoeksagenda. Het Vlaams Evaluatieplatform (VEP), het Kennisnetwerk Beleidsonderzoek (KNBO) en de contactpersonen voor de beleidsnota’s/BBT’s zorgden in 2019 voor een nazicht van de ontwerpversie. De rapportering over de geplande, lopende en afgeronde onderzoeken gebeurt via de bestaande rapportering van de beleidsbrief/BBT op de website van het Vlaams parlement en in de ondernemingsplannen op de publicatiedatabank van de Vlaamse overheid. De onderzoeken en evaluaties zelf worden maximaal publiek en transparant ontsloten door de entiteiten en in een aantal gevallen ook op het FRIS-onderzoeksportaal. Uit deze oefening bleek opnieuw dat de beleidsnota’s niet steeds de vereiste informatie bevatten. Op vlak van het in kaart brengen van beleidsevaluaties, decreetsevaluaties en onderzoeksininitatieven zijn ze niet altijd helemaal conform de richtlijnen van (Vlaamse Regering, 2019a). Het overzicht remedieert dit deels, zonder daarin volledig te (kunnen) zijn. Het wilde daarnaast zorgen voor meer publieke transparantie over de geplande onderzoeks- en evaluatieagenda. Daarnaast wilde men zo de kennisuitwisseling en mogelijke synergiën versterken. In 2021 werd de ‘onderzoeksagenda 2022’ gepubliceerd. De opmaak ervan werd uitbesteed aan het Intituut voor de Overheid (Stepman en Hondeghem, 2022). Zij hebben elk van de 26 BBT’s 2022 op vermeldingen gelieerd aan onderzoek en evaluatie. De belangrijkste bevinding naar aanleiding van deze screening- en analyseopdracht was dat er “veelal een gebrek is aan een duidelijk en meer prominent overzicht van de onderzoeks- en evaluatieagenda binnen de individuele BBT’s. Een uitbreiding van de bijlage ‘Overzicht beleids- en regelgevingsinitiatieven’ (momenteel opgenomen in 18 van de 26 BBT’s) per BBT (…) zal de samenstelling van een overkoepelend Vlaams onderzoeks- en evaluatieagenda vereenvoudigen.” (Stepman, & Hondghem, 2022, pp. 8-9). In de meeste beleidsdomeinen lijken er dus geen echte evaluatieagenda te zijn. Er blijkt ook nog steeds geen onderlinge afstemming te gebeuren tussen de bestaande evaluatieagenda’s. De coronapandemie en de relance zorgden nogmaals voor vragen naar een beter data- en evidence based beleid en structurele ex post beleidsevaluatie. De vraag kwam terug in de adviezen van de twee relancecomités, de expertengroep arbeidsmarkt, de SERV en de VLIR (ERC, 2020; MRC, 2020; Baert et al., 2020; SERV, 2020a; SERV, 2020b, SERV en VLIR, 2021). Als gevolg daarvan is er in Vlaamse Veerkracht een project VV162 ‘investeren in Vlaamse kennisoverheid’. Dat project gaat echter over de versterking van de Vlaamse Statistische Autoriteit en de organisatie van ‘Strategische Inzichten en Analyses’, niet over beleidsevaluatie (Vlaamse Regering, 2021a).

21


De belangrijkste dynamiek voor beleidsevaluatie in Vlaanderen komt vandaag niet van bovenstaande maatregelen maar van de ‘Vlaamse Brede Heroverweging’ (VBH). Dit is tevens een project in het relanceplan Vlaamse Veerkracht (VV158). Het project werd getrokken door het Departement Financiën en Begroting en had als expliciete bedoeling de kwaliteit van de publieke financiën te verbeteren op vlak van efficiëntie en effectiviteit door te zorgen voor een structurele verankering van beleidsevaluaties en uitgaventoetsingen in het beleids- en begrotingsproces (Vlaamse Regering, 2020b). Het doorlopen proces bevestigde dat er een duidelijk verschil is in maturiteit tussen de verschillende beleidsdomeinen inzake beleidsevaluatie. Dit slaat zowel op de evaluatiecultuur op de beschikbare data. De conclusies van de Stuurgroep VBH (2021) bevatten belangrijke aanbevelingen en liggen in lijn met internationale goede praktijken en met de eerdere voornemens uit het witboek open en wendbare overheid. Ze gaan onder meer over: •

het gebruik van beleidsevaluatieagenda’s waarop uitgaventoetsingen zouden moeten kunnen aansluiten;

•

de nood aan interne capaciteitsopbouw op het vlak van beleidsevaluatie;

•

het belang van transparantie en onafhankelijkheid en van samenwerking met experts;

•

het zorgen voor relevante datasets en het installeren van een gepaste governance structuur (incl. de rol van belanghebbenden).

De VBH-stuurgroep pleitte bovendien voor een verankering van de kennis inzake beleidsevaluatie op een centraler niveau. Dat zou ruimte geven voor de realisatie van schaalvoordelen, versterkte interacties tussen de beleidsdomeinen, het doorbreken van het silo-denken, en de garantie op een overheidsbrede invalshoek bij toekomstige beleidsevaluaties en in het bijzonder uitgaventoetsingen en brede heroverwegingen. Intussen zijn ook enkele nieuwe beslissingen genomen na afloop van de VBH. Naast beleidsbeslissingen gaan die over het ondernemen van 8 nieuwe uitgaventoetsingen. Het doel van die uitgaventoetsingen is de regeringsvorming van 2024 te informeren (Vlaamse Regering, 2021b). De Vlaamse Regering (2022) nam zette in het voorontwerp tot wijziging van het decreet Vlaamse Codex Overheidsfinanciën ook principiële stappen om uitgaventoetsingen en brede heroverwegingen decretaal te verankeren. In de BBT’s over de begrotingsuitvoering 2021 is de informatie over de VBH nog erg beperkt. De onderstaande analyse toont dat Deelrapport 3 gaat meer uitgebreid in op de VBH.

22


Referenties Baert, S., De Vos, A., Marx, I., Struyven, L., Vansteenkiste, S., & Van der Beken, W. (2020). Expertenadvies Relancebeleid Vlaamse Arbeidsmarkt. https://www.vlaanderen.be/publicaties/expertenadvies-relancebeleid-vlaamse-arbeidsmarkt Bourgeois, G. (2014). Beleidsnota 2014-2019. Algemeen Regeringsbeleid. https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/15632 Conings V., Sterck M., Van Dooren W., & Bouckaert G. (2005). Beleidsnota’s versus Beter Bestuurlijk Beleid. Een toetsing van de beleidsnota’s aan het Comptabiliteitsdecreet en het Kaderdecreet Bestuurlijk Beleid. Leuven: Steunpunt Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen. Crabbé, A., & Bruyninckx H. (2006). To BE or not to BE? De institutionalisering van milieubeleidsevaluatie in Vlaanderen. In: Leroy P. & Loots I. (Red.). Vlaams milieubeleid: in staat van/tot vernieuwing? (pp. 159-177). Brugge: Vanden Broele. De Peuter, B., De Smedt, J, & Bouckaert, G. (2007). Handleiding beleidsevaluatie (drie boekdelen). Leuven: Steunpunt Bestuurlijke Organisatie. De Peuter, B., Pattyn, V., & Brans, M. (2008). Policy evaluation before and after the governmental reform in Flanders (Belgium). Progress in evaluating progress? Paper gepresenteerd op de European Evaluation Society Conferentie van 2-3.10.2008 in Lissabon, Portugal. De Peuter, Bart en Valérie Pattyn (2016). Waarom evalueren beleidsmakers ? Een longitudinale analyse van motieven voor beleidsevaluatie in Vlaamse ministeriële beleidsnota’s. Boom Bestuurskunde, 2016, nr. 2. https://tijdschriften.boombestuurskunde.nl/tijdschrift/bk/2016/2 Desmedt, E., Pattyn, V., & Van Humbeeck, P. (2016). Beleidsevaluatie vandaag: een voorzichtige balans. Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement, 21(2), 63-69. https://www.uantwerpen.be/en/staff/peter-vanhumbeeck/my-website/publications-and-dow/ Dienst wetsmatiging (2010). Strategisch beleidskader. Kwaliteitsvolle regelgeving en administratieve vereenvoudiging 2009-2014. https://www.vlaanderen.be/publicaties/strategisch-beleidskaderkwaliteitsvolle-regelgeving-en-administratieve-vereenvoudiging-2009-2014 ERC (2020). Economisch Relancecomité. Vlaanderen: welvarender, weerbaarder en wervender. https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/37585 Europese Commissie (2020). Improving evaluation practices for better policy making. Centre for Strategy & Evaluation Services Report. Jacob, S., Speer, S., & Furubo, J.-E. (2015). The institutionalization of evaluation matters: Updating the International Atlas of Evaluation 10 years later. Evaluation, 21(1), 6-31. https://www.doi.org/ 10.1177/1356389014564248 Jambon, J. (2019). Beleidsnota 2019-2024. Algemeen regeringsbeleid. https://www.vlaanderen.be/publicaties/beleidsnota-2019-2024-algemeen-regeringsbeleid MRC (2020). Maatschappelijk Relancecomité. ‘Vlaanderen herleeft’ Aanbevelingen voor maatschappelijke relance naar aanleiding van COVID-19. https://publicaties.vlaanderen.be/viewfile/37581 Pattyn, V. (2014). Policy evaluation activity unravelled. A configurational analysis of the incidence, number, locus and quality of policy evaluations in the Flemish public sector (doctoraatsthesis). Leuven: Instituut voor de overheid. 23


Peeters, D. (2009). Een vergelijkend onderzoek naar de rol van het Vlaams Parlement bij beleidsevaluaties (masterthesis). Leuven: KU Leuven. Popelier, P., Van Humbeeck, P., e.a. (2004) Gezocht: Vlaamse politici voor betere regelgeving. Memorandum voor de aantredende Vlaamse Regering. In verkorte versie gepubliceerd in De Standaard van 9 juni 2004 onder de titel: “Prof. zkt. pol. om betere wetten te maken”. https://www.uantwerpen.be/en/staff/peter-vanhumbeeck/my-website/publications-and-dow/ Popelier, P., Van Humbeeck, P., Van Nieuwenhoven, J., & Van Aeken, K. (2009). Scoren op het terrein van betere wetgeving: een elftal voor de nieuwe legislatuur. Memorandum Interuniversitair Centrum voor wetgeving. https://www.uantwerpen.be/en/staff/peter-vanhumbeeck/my-website/publications-and-dow/ Popelier, P., Van Humbeeck, P., Van Nieuwenhoven, J., & Van Aeken, K. (2009). Betere wetgeving: een prioriteit voor het nieuwe Vlaams Parlement. Memorandum Interuniversitair Centrum voor wetgeving. https://www.uantwerpen.be/en/staff/peter-vanhumbeeck/my-website/publicationsand-dow/ SERV (2006). Evaluatie en Aanbeveling ReguleringsImpactAnalyse (RIA). https://www.serv.be/node/1759 SERV (2007). Maken we goede wetgeving? Benchmarking van Vlaanderen. https://www.serv.be/node/3242 SERV (2010). Rapport Wetgevingsprocedures, -structuren en –instrumenten in Vlaanderen: een evaluatie van 10 jaar wetgevingsbeleid in Vlaanderen. https://www.serv.be/node/2633 SERV (2013). Evaluatie Meerjarenprogramma slagkrachtige overheid / aandachtspunten voor de nieuwe legislatuur. https://www.serv.be/node/8965 SERV (2014). Advies slagkrachtige overheid: prioriteiten voor de volgende regeerperiode. https://www.serv.be/node/8323 SERV (2015). Advies tien denksporen voor ex post decreetsevaluatie in en door het Vlaams Parlement. https://www.serv.be/node/9857 SERV (2015). Advies Toekomstige organisatie van het beleidsrelevant wetenschappelijk onderzoek. https://www.serv.be/node/9736 SERV (2020). Advies Betere data voor het (Corona-) beleid. https://www.serv.be/node/13736 SERV (2020). Vlaams relancebeleid: bijzondere tijden vragen bijzondere aanpak. https://www.serv.be/node/13718 SERV en VLIR (2021). Oproep en advies ‘Betere overheidsdata voor sterk beleidsonderzoek en goed bestuur’. https://www.serv.be/node/14560. Smet, V. (2013). Evidence-based policy en de doorwerking van sociaalwetenschappelijk onderzoek: are we there yet? Beleidsonderzoek Online, december 2013. https://doi.org/10.5553/Beleidsonderzoek.000031 Speer, S., Pattyn, V., & De Peuter, B. (2015) The growing role of evaluation in Parliaments: Holding governments accountable. International Review of Administrative Sciences, 81(1), 37-57. https://doi.org/10.1177/0020852314546583 Stepman, M., & Hondeghem, A. (2022). Screening en analyse van de Vlaamse Beleids- en Begrotingstoelichtingen 2022 in teken van de opmaak van de Vlaamse onderzoeks- en evaluatieagenda 2022. https://assets.vlaanderen.be/image/upload/v1643808725/Onderzoeks-_en_evaluatieagenda_Vlaamse_overheid_2022_pv82ug.pdf 24


Stuurgroep VBH (2021). VBH – leerlessen en aanbevelingen. https://fin.vlaanderen.be/eindrapporten-stuurgroep/ Tieleman, B., & Van Humbeeck, P. (2007). Evolutie in evaluatie? Analyse van de beleidsevaluatiepraktijk aan de Vlaamse milieuoverheid. Milieurapport Vlaanderen: Beleidsevaluatierapport. MIRA-BE 2007. Mechelen: Vlaamse Milieumaatschappij. https://www.uantwerpen.be/en/staff/peter-vanhumbeeck/my-website/publications-and-dow/ Van Cortenberg, J. (2015). Beleidsevaluatie in het Vlaams Parlement: analyse van vragen om uitleg en interpellaties in de legislatuur 2009-2014 (masterproef). Leuven: KU Leuven. Van Humbeeck, P. (1999). Naar een evaluatiesysteem voor de Vlaamse regelgeving. Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement, 4(1), 9-19. https://www.uantwerpen.be/en/staff/peter-vanhumbeeck/my-website/publications-and-dow/ Van Humbeeck, P. (2004). Betere Vlaamse regelgeving: voorstellen voor een slagvaardig beleid. Tijdschrift voor Wetgeving, 2004(8). https://www.uantwerpen.be/en/staff/peter-vanhumbeeck/mywebsite/publications-and-dow/ Van Humbeeck, P. (2006). Beter Bestuur in Vlaanderen: boeken we voldoende vooruitgang? Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement, 11(2), 40-49. https://www.uantwerpen.be/en/staff/peter-vanhumbeeck/my-website/publications-and-dow/ Van Humbeeck, P. (2006). Wetgevingsbeleid in Vlaanderen: een update van de uitdagingen voor betere regelgeving. In P. Popelier, & Van Nieuwenhove, J. (Red.). Wie maakt de Wet? Brugge: Die Keure. https://www.uantwerpen.be/en/staff/peter-vanhumbeeck/my-website/publications-anddow/ Van Humbeeck, P., & De Peuter, P. (2015). Decreetsevaluatie Vlaams Parlement. Aanzet checklist ex post evaluaties. UA/Vlaams Evaluatieplatform. https://www.uantwerpen.be/en/staff/peter-vanhumbeeck/my-website/publications-and-dow/ Van Humbeeck, Peter en Tim Buyse (2016). Parliamentary Oversight via evaluaties? De positie van het Vlaams parlement in een internationale context. Boom Bestuurskunde, 2016, nr. 2. https://tijdschriften.boombestuurskunde.nl/tijdschrift/bk/2016/2 Vlaamse Overheid (2003). Gids kenmerken van goede regelgeving. Vlaamse Overheid (2018). Evaluatiestandaarden in de Vlaamse overheid. Vlaamse Overheid (2020). Onderzoeks- en evaluatie-agenda Vlaamse Overheid 2019-2024. Vlaamse Regering (2003). Kenmerken van goede regelgeving. Vlaamse Regering (2016). Groenboek bestuur. Vlaamse Regering (2017a). Witboek open en wendbare overheid. Vlaamse Regering (2017b). Implementatieplan witboek open en wendbare overheid. Vlaamse Regering (2019a). Omzendbrief VR 2019/11 beleids- en regelgevingsprocessen VR 2019/11. Vlaamse Regering (2019b). Regeerakkoord 2019-2024. Vlaamse Regering (2019c). Conceptnota Actieve openbaarmaking van de documenten van de Vlaamse Regering Vlaamse Regering (2020a). Vlaamse Veerkracht. Relanceplan Vlaamse Regering. Vlaamse Regering (2020b). Vlaamse Brede Heroverweging (VBH). VR 2020 0412 MED.039. 25


Vlaamse Regering (2021a). Monitoring relanceplan Vlaamse Veerkracht. Voortgangsrapport en covernota. Meetmoment september 2021. Vlaamse Regering (2021b). Uitgaventoetsingen voor de jaren 2022-2024. VR 2021 1911 MED.0394/1TER. Vlaamse Regering (2022). Voorontwerp van decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019. VR 2022 1802 DOC.0186/2BIS. Willem, J. & Bouckaert, G. (2011). Effecten van een prestatiebegroting. Leuven: Steunpunt Fiscaliteit & Begroting.

26


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
SERV_20220627_Beleidsevaluatie-VBH_RAP_deel2.pdf by Vlaanderen-be - Issuu