Toelatingsexamen arts en tandarts 2008
Wie in het academiejaar 2008-2009 wil starten met de opleiding van
arts of tandarts
moet deze geactualiseerde
informatiebrochure aandachtig lezen.
Ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen
COLOFON: Samenstelling: Ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen
Verantwoordelijke uitgever: Wim Leybaert Wnd. administrateur-generaal Hendrik Consciencegebouw, lokaal 6A07 Koning Albert II-laan 15 B-1210 Brussel Oplage: 12.000 Depotnummer: D/2007/3241/273 Je vindt deze brochure op school, in elk CLB en bij de diensten voor studieadvies van de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap. Je kan ze ook raadplegen in de openbare bibliotheken, op het gemeentebestuur of via internet, surf naar www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen. Een gratis exemplaar kan je schriftelijk bestellen op het volgende adres: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap voor Onderwijscommunicatie cel Publicaties Koning Albert II-laan 15 B-1210 Brussel www.ond.vlaanderen.be/publicaties Aandacht: de cel publicaties verdeelt alleen de brochure. Voor alle andere vragen kan je terecht op het gratis nummer 1700 (vanuit het buitenland: +32 2 553 50 70) of via internet op start.vlaanderen.be/contact.
2
INHOUD I. II.
Waarom? a. Voor wie? b. Voor wie niet? c. Twijfel? III. Lees aandachtig IV. Organisatie en beoordeling a. Kennis en inzicht in de wetenschappen (KIW) b. Informatie verwerken en verwerven (IVV) c. Beoordeling van en slagen voor het toelatingsexamen d. Waarschuwingen e. Informatie in verband met een mogelijke handicap V. Praktisch Wanneer, waar, wanneer inschrijven, hoeveel keer inschrijven/deelnemen, dagindeling Hoe inschrijven? Mededeling van het resultaat VI. Inhoud en beantwoording van vragen VII. Uittreksel van het decreet dat de wettelijke grondslag heeft gelegd voor de organisatie van het toelatingsexamen
4 6 6 6 7 8 8 9 10 10 11 12 12 12 13 14 19
To the attention of the foreign students The restriction of the intake of students to the programmes of medicine and dentistry in Flanders occurs through an entrance examination. Passing this examination is an extra condition for these programmes. Since the decree on the universities in the Flemish community explicitly states that Dutch is the official educational language (with the exception of some cases which are not applicable to the regular programs of medicine and dentistry), the entrance examination must completely be taken in Dutch. The knowledge of the Dutch language is actually a qualitative prerequisite for the admittance to the program. All documents regarding the entrance examination and the examination itself are exclusively in Dutch.
3
I. WAAROM? De verhouding van het aantal zorgenverstrekkers tot de behoeften van een maatschappij en/of het aantal inwoners van een land of regio, zijn determinerende factoren voor de volksgezondheid. De overheid moet er dus zorg voor dragen dat deze verhoudingen steeds in evenwicht zijn. De federale overheid van BelgiĂŤ heeft daarom in 1996 de toegang tot het systeem van de sociale zekerheid (de inschrijving bij het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, afgekort als Riziv) per Gemeenschap beperkt. Dit gold voor de tandartsen vanaf 2002 en voor de artsen vanaf 2004. In de Vlaamse Gemeenschap gaat het momenteel over jaarlijks 585 artsen en 90 tandartsen. De federale overheid heeft ook een verhouding ingesteld tussen huisartsen en arts-specialisten en heeft bepaalde quota ingevoerd per specialiteit. Voor de mondzorg betreft het algemeen tandartsen, parodontologen en orthodontisten. Geconfronteerd met de federale beperking (vaak ook contingentering genoemd) hebben het Vlaams Parlement en de toenmalige minister van Onderwijs geoordeeld dat het onverantwoord zou zijn een kandidaat na vijf of zeven jaar studie een diploma te laten behalen om zich vervolgens de aanvaarding door het Riziv ontzegd te zien. Zij wilden daarom het aantal kandidaten die de opleiding van arts of tandarts wensen aan te vatten, beperken. Zij hebben daartoe vanaf 1997 een toelatingsexamen ingesteld dat zich als doel stelt de studenten te selecteren die de beste kans maken om een van beide opleidingen met succes af te ronden. Het decreet van 4 april 2003 (betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen) heeft de juridische grondslagen voor het toelatingsexamen hernomen. Een uittreksel ervan is te vinden in deze brochure (p. 19). Dat zelfde decreet stelt ook de algemene toelatingsvoorwaarden tot het hoger onderwijs vast. Het slagen voor het toelatingsexamen is een bijkomende toelatingsvoorwaarde voor de opleidingen van arts en tandarts. De bijkomende toelatingsvoorwaarde geldt alleen voor het recht op inschrijven in de bedoelde opleidingen aan een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap. Het is dus belangrijk dat kandidaten inzien dat het toelatingsexamen geen leerproces inhoudt. Er is ĂŠĂŠn toelatingsexamen per jaar, maar het wordt wel op twee momenten georganiseerd (in juli en augustus). Beide examenmomenten zijn onafhankelijk van elkaar. Kandidaten die in juli niet zouden slagen, kunnen in augustus daarom geen resultaten (punten) van juli overdragen. Belangrijk! De Vlaamse regering legt niet bij voorbaat vast hoeveel kandidaten mogen slagen. Er is dus geen numerus fixus voor de opleiding van arts of tandarts ingesteld. De laatste jaren overschreed het aantal geslaagden op het toelatingsexamen trouwens ruim het federaal contingent. 4
In 1997 ging het toelatingsexamen voor het eerst door. Sindsdien hebben bijna 16.600 kandidaten het examen afgelegd. Hiervan slaagt de helft (49,5%), gemiddeld na 1,6 pogingen. De laatste 5 jaren schommelt het aantal geslaagden tussen 850 en 1.000. Er zijn in totaal 26.000 examens afgenomen. De laatste jaren zijn er meer dan 2.000 kandidaten in het juli-examenmoment. Kandidaten moeten hierop voorbereid zijn. Sfeerbeelden op de website kunnen hiertoe bijdragen. Het elektronisch inschrijven was in 2007 een welkome vernieuwing. Sinds het toelatingsexamen plaatsvindt, zijn de slaagpercentages in de opleidingen van arts en tandarts fors gestegen. Dit niet enkel in het eerste jaar van de opleiding, maar zelfs tot in het zesde jaar van de artsenopleiding. De analyse van de examenresultaten heeft eveneens heel wat informatie opgeleverd. Daarom vraagt de examencommissie de kandidaten op vrijwillige basis te willen deelnemen aan een anonieme bevraging na het examen. Ook worden ze uitgenodigd bij het inschrijven informatie te verschaffen over hun tot dan gevolgde opleiding. Op grond van deze gegevens probeert de examencommissie terug te koppelen naar het secundair onderwijs, naar de universiteiten en uiteraard naar het toelatingsexamen zelf. Zo bleek dat de punten op het onderdeel arts-patient gesprek sterk overeenstemmen met de punten die kandidaten, soms jaren later, behalen tijdens hun artsenopleiding voor vakken die contactuele eigenschappen toetsen. Deze brochure vertelt u wat u moet weten over de inhoud en de organisatie van het toelatingsexamen. De website geeft nog meer informatie, zoals de afbakening van de leerstof. Ervaring leert dat het grondig doornemen van de teksten van de brochure en van de website misverstanden vermijdt en een betere voorbereiding mogelijk maakt. Na jouw inschrijving krijg je ten laatste twee weken voor de examendag nog meer informatie en concrete richtlijnen via mail en, indien expliciet gevraagd, per post. Aandacht: het toelatingsexamen is een zeer specifieke geschiktheidsproef voor de opleidingen van arts en tandarts. Het toelatingsexamen kan niet doorgaan als een globale geschiktheidsproef voor het academisch onderwijs. Daarvoor bestaan alternatieven. De examencommissie vraagt dan ook bij jouw inschrijving om het engagement dat je ĂŠĂŠn van beide opleidingen wil aanvatten. Tenslotte wil ik iedereen die de doelstelling of de waarde van dit toelatingsexamen in twijfel trekt, erop wijzen dat het voorspellen van wie een goede arts of goede tandarts wordt uiteraard heel moeilijk ligt, maar dat gegeven is niet nieuw en was ook aanwezig in het vroegere systeem. Vandaag wil het toelatingsexamen de kandidaten selecteren met grote kans op succes tijdens de opleiding van arts of tandarts. Het slaagt grotendeels in dat opzet. Vroeger gebeurde de selectie tijdens/na het eerste jaar van de opleiding. Toen waren de frustraties en kosten voor de betrokkenen veel groter. Prof. dr. Daniel van Steenberghe voorzitter van de examencommissie 5
II.a VOOR WIE? Vanaf 1997-1998 voor iedereen die de gewone toelatingsvoorwaarden vervult en wil inschrijven voor de opleiding van arts of van tandarts of voor een opleidingsonderdeel ervan, ook als hij/zij deze opleidingen wil volgen op grond van een examencontract waarin het structuur- en flexibiliseringsdecreet voorziet.
II.b VOOR WIE NIET? ► Uiteraard de studenten die reeds voor 2008 voor het toelatingsexamen slaagden én uiterlijk op 31 december van het jaar van dat slagen hun diploma secundair onderwijs behaalden. ► Voor studenten die in het buitenland hun diploma van arts of tandarts hebben behaald en die de toelating hebben om zich aan een universiteit van de Vlaamse Gemeenschap in te schrijven voor een mastersopleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tandheelkunde.
II.c TWIJFEL? Mocht je eraan twijfelen of jij aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde moet voldoen, dan stel je jouw concrete vraag schriftelijk aan de secretaris van de examencommissie (adres hieronder). Vermits de rechtsgevolgen van deze kwestie heel belangrijk zijn, zal de examencommissie geen enkel individueel geval telefonisch behandelen. Alleen het schriftelijke antwoord van de voorzitter of secretaris van de examencommissie op jouw schriftelijke vraag, geldt als definitief uitsluitsel. Vraag te richten aan Toelatingsexamen arts en tandarts t.a.v. de secretaris Hendrik Consciencegebouw, kamer 6A4 Koning Albert II-laan 15 (B) 1210 BRUSSEL (BELGIË)
6
III. LEES AANDACHTIG! ► Het slagen voor het toelatingsexamen arts en tandarts is een bijkomende toelatingsvoorwaarde. Kandidaten die eerst een andere opleiding volgen en later wensen over te stappen naar de opleiding van arts of tandarts (en daarbij rekenen op een aantal vrijstellingen van opleidingsonderdelen waarmee zij eventueel een studieverkorting kunnen genieten), zijn niet vrijgesteld van het slagen voor het toelatingsexamen. Het meest optredende voorbeeld is dat van de ‘omweg’ via de opleiding biomedische wetenschappen. De examencommissie legt hierop sterk de nadruk om ontgoochelingen bij de kandidaten te vermijden. Hetzelfde geldt trouwens indien een kandidaat eerst een deel van de opleiding in de Franse Gemeenschap of in het buitenland zou volgen. De website verschaft hiervoor een nog meer expliciete tekst onder “Studeren aan een universiteit van de Franse gemeenschap?” ► Het toelatingsexamen arts en tandarts is tevens een instrument tot beperking en volgt dus niet alle normaal te verwachten procedures van de academische examens. Er bestaat geen stelsel van vrijstellingen, noch van één examenmoment naar een ander, noch op grond van voorgaande curricula. Elke vraag om vrijstelling(en) van bepaalde onderdelen van het toelatingsexamen is derhalve nutteloos. ► De openbaarheid van bestuur geldt ook voor het toelatingsexamen arts en tandarts. Vermits er per jaar slechts één toelatingsexamen is, ook al zijn er twee examenmomenten, is de inzage in de documenten die tot het resultaat hebben geleid slechts mogelijk na afloop van het examenmoment in augustus. Op de website zal de nodige informatie te vinden zijn voor de kandidaten die menen dat zij redenen hebben om inzage te vragen. ► Het jaarlijks toelatingsexamen wordt tweemaal aangeboden (juli en augustus). Wie niet slaagt in juli, kan uiteraard opnieuw in augustus deelnemen, maar het is geenszins verplicht in te schrijven voor juli om te kunnen deelnemen in augustus. De mogelijkheid bestaat zelfs om een onbeperkt aantal keren deel te nemen aan het examen. Het is niet mogelijk om voor twee examenmomenten, zelfs niet van hetzelfde jaar, tegelijk in te schrijven. ► Het slaagpercentage voor het betrokken jaar is de verhouding tussen het totaal aantal geslaagde kandidaten in beide examenmomenten van één jaar samen en het totaal aantal individuen dat heeft deelgenomen (alleen in juli, alleen in augustus, in juli en in augustus). Deze opmerking is belangrijk omdat het slaagpercentage van juli of augustus afzonderlijk vermelden een fout beeld oplevert. Bij wijze van voorbeeld, de resultaten van 2006: in juli 551 geslaagden op 2184 (25,2%); in augustus 461 geslaagden op 1529 (30,2%); in het jaar 2006 totaal 1012 geslaagden op 2636 individuen (38,4%). ► De Vlaamse Gemeenschap behandelt de buitenlanders op identieke wijze als de Vlamingen (Belgen). Vermits de regelgeving duidelijk de centrale organisatie op één locatie in Brussel oplegt, is er geen mogelijkheid om dit 7
examen bijvoorbeeld af te leggen in een Belgische ambassade of in een Belgisch consulaat. De Vlaamse regering kan evenmin in taalfaciliteiten voorzien omdat het wel degelijk om een beperking gaat voor toelating in het academisch onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap waarin de onderwijstaal, in ieder geval in de bachelorjaren, het Nederlands is.
IV. ORGANISATIE EN BEOORDELING Het toelatingsexamen bestaat uit twee even belangrijke examengedeelten, Kennis en Inzicht in de Wetenschappen (a) en Informatie Verwerven en Verwerken (b). Alle vragen zijn meerkeuzevragen. Op het examen zelf kan je jouw antwoorden eerst aanduiden in werkboekjes. Nadien breng je ze over op een optisch leesbaar antwoordblad. De linkerkolom ervan gebruik je best vooraleer je de eigenlijke antwoordvakjes aanstipt. De antwoordbladen worden opto-elektronisch gelezen en het opvolgen van de instructies voor het invullen, is dus uitermate belangrijk. Eenmaal het antwoordblad is ingeleverd, kan je er geen enkele wijziging meer (laten) op aanbrengen, om welke reden ook. Maak je dus tijdig vertrouwd met deze wijze van examinering. Lees aandachtig het stuk over de beoordeling en het slagen (c), hou rekening met enkele belangrijke waarschuwingen (d) en met de vermelding over mogelijke handicaps (e).
a. Kennis en Inzicht in de wetenschappen (KIW) Dit eerste gedeelte peilt naar de kennis en het inzicht in de wetenschappen, toegespitst op de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde. Het niveau van de vragen is afgestemd op wat men redelijkerwijze kan verwachten als het gemiddelde van de leerplannen van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs (ASO). Het invoeren van de eindtermen van de derde graad heeft tot gevolg dat de leerplannen van de onderwijsnetten sterk verwant zijn. De examencommissie houdt niettemin met alle leerplannen rekening en bakent op grond ervan voor elk vak afzonderlijk een leerstofinhoud af. Het gaat bovendien niet enkel om kennis, maar ook om inzicht. Op grond van de verschafte gegevens moet een kandidaat bijgevolg ook de benodigde afleidingen kunnen maken om tot het gezochte, juiste resultaat te komen. Overigens is het duidelijk dat bepaalde leerstofonderdelen van de derde graad onmogelijk te begrijpen zijn zonder een stevig inzicht in de leerstof van eraan voorafgaande jaren die er de grondslag voor gelegd heeft. De leerstofafbakening voor het toelatingsexamen zal te vinden zijn op de webiste. De kandidaten kunnen dan op grond van de gedetailleerde opsomming van de mogelijke onderwerpen zelf nagaan of zij een tekortkoming hierbij vaststellen in hun vorig curriculum. Dit kunnen ze dan zelf bijwerken ter voorbereiding op het examen. Aandacht: noch de examencommissie, noch de overheid kan ten behoeve van de kandidaten tussenbeide komen in het aanleveren van studiemateriaal. 8
De vragen van het gedeelte KIW hebben doorgaans het karakter van een oefening. Zij peilen dus niet naar bewijzen of zuiver theoretische afleidingen. Ook kan een vraagstelling gebaseerd blijken op grafische gegevens; het kunnen analyseren van grafieken is dus een belangrijke vaardigheid. De vragen zullen verder zo opgevat zijn dat men de juiste antwoorden kan vinden zonder ingewikkelde berekeningen. Waar nodig, krijgen de kandidaten op het examen tabellen aangereikt met nuttige constanten, gegevens en formules. Gebruik van elektronische rekentoestellen of andere hulpapparatuur is niet nodig en derhalve verboden. Om de optimale leesbaarheid van de vragen te garanderen, noteert de examencommissie grootheden, symbolen en eenheden in principe volgens de geldende SI-normen. Indien verwarring mogelijk zou zijn, zal zij de verschillende mogelijkheden vermelden. Hetzelfde geldt voor begrippen met verschillende synoniemen; in dat laatste geval zal de examencommissie deze synoniemen vermelden, bijvoorbeeld Javel (= bleekwater). De examencommissie zal wetmatigheden steeds verduidelijken en er niet van uitgaan dat de kandidaten ze in formulevorm kunnen herkennen.
b. Informatie verwerven en verwerken (IVV) Dit tweede examengedeelte peilt naar het vermogen van de kandidaat om informatie adequaat op te nemen én om er vervolgens, dankzij de daarop door hem mentaal toegepaste verwerking, ook nog iets nuttig mee aan te vangen, d.w.z. problemen op te lossen. Dit laatste is niet enkel relevant voor zijn toekomstig functioneren als medicus; het bepaalt ook de eigen kansen op succes in de opleiding. IVV peilt m.a.w. in eerste instantie naar het leerpotentieel van de kandidaat. Wetenschappelijk onderzoek, ook van dit toelatingsexamen, heeft inmiddels uitgewezen dat een hogere score qua leerpotentieel ook na toelating tot de opleiding nog steeds gepaard gaat met betere studieresultaten in de opleiding zelf. Het examengedeelte IVV bestaat uit drie onderdelen die leiden tot één totaalscore. Zij behelzen het verwerven en verwerken van informatie aan de hand van een casus (een stilleestekstproef en een gesprek arts/tandartspatiënt) en van één specifieke proef, te weten ‘redeneren’. De casus (studie van een geval) confronteert de toekomstige student in de genees- dan wel tandheelkunde met twee specifieke taken: een ‘wetenschappelijke’ en een ‘medische’. - De eerste behelst zelfstudie van een wetenschappelijk onderwerp; dat geschiedt in een stilleestekstproef die het assimilatievermogen van de kandidaat peilt. - De tweede omvat analyse van ontmoetingen tussen een arts of tandarts én een patiënt. Hun dialoog handelt over een gezondheidsvraag van laatstgenoemde. De toekomstige student wordt hier beoordeeld op het kunnen verwerken en beoordelen van de zorgenverstrekker-patiëntcommunicatie in deze ontmoetingen. 9
De specifieke proef inzake redeneren peilt naar de capaciteit tot informatie verwerken van de kandidaat. Elke verworven informatie dient immers mentaal verwerkt, in casu beredeneerd, om op basis daarvan effectief probleemoplossend te zijn. Deze verwerking moet daarenboven voldoende snel verlopen, zoals in acute probleemsituaties een effectieve probleemaanpak ook nodig is. Dat verantwoordt de relatief stevige tijdsdruk waaronder deze proef wordt afgenomen.
c. Beoordeling van en slagen voor het toelatingsexamen Elk wetenschapsgebied krijgt evenveel vragen. Het examengedeelte KIW bestaat uit het geheel van deze vragen. De beoordeling gebeurt op dit geheel. Anders uitgedrukt: de kandidaat moet geen minimale score behalen op elk wetenschapsgebied afzonderlijk. Hoewel het examengedeelte IVV bestaat uit drie onderdelen (redeneerproef, stilleestekstproef, gespreksproef) toch gebeurt de beoordeling op het geheel. Anders uitgedrukt: de kandidaat moet geen minimale score behalen op elk van de hiervoor genoemde drie onderdelen. Elke kandidaat die ten minste 10 op 20 behaalt voor het examengedeelte Kennis en Inzicht in de Wetenschappen (KIW), ten minste 10 op 20 voor het examengedeelte Informatie Verwerven en Verwerken (IVV) én ten minste 22 op 40 op het geheel (dit als som) van beide examengedeelten, is geslaagd en mag zich bijgevolg inschrijven in de opleiding van arts of tandarts aan een universiteit binnen de Vlaamse Gemeenschap. GISCORRECTIE! Sedert 2007 past de examencommissie de algemene giscorrectie toe. Ze wil hiermee het “gissen” of “gokken” ontmoedigen om het examen, nog meer dan vroeger, moreel te verantwoorden. Indien een meerkeuzevraag vier antwoordalternatieven heeft, dan is één ervan het juiste antwoord en de andere drie zijn fout (men noemt ze doorgaans afleiders). Het juiste antwoord levert dan 1 punt op en een fout antwoord -1/3 punt (theorie: -1 gedeeld door het aantal antwoordalternatieven -1). Bij vijf antwoordalternatieven levert een fout antwoord dus -1/4 punt op. Geen antwoord levert uiteraard 0 punten op. Het is in deze constructie absoluut af te raden naar het juiste antwoord te gissen.
d. Waarschuwingen ► Het slagen voor het toelatingsexamen is een bijkomende toelatingsvoorwaarde die geen afbreuk doet aan de andere reeds bestaande toelatingsvoorwaarden. Gaat het bijvoorbeeld om de inschrijving in het eerste jaar door een kandidaat die nog geen hoger onderwijs heeft gevolgd, dan moet die kandidaat vanzelfsprekend ook tijdig in het bezit zijn van een diploma van 10
secundair onderwijs. Mocht een kandidaat deelnemen aan het toelatingsexamen en hiervoor slagen, dan nog heeft dat geen enkele waarde indien hij/zij geen diploma van secundair onderwijs kan voorleggen bij zijn/haar inschrijving aan de gekozen universiteit. De formele regel luidt dat dit diploma van secundair onderwijs behaald moet zijn ten laatste op het einde van het kalenderjaar waarin de kandidaat voor het toelatingsexamen slaagde. Als aan die voorwaarde voldaan is, blijft het slagen voor het toelatingsexamen onbeperkt geldig in de tijd, ook al schrijft de kandidaat zich niet onmiddellijk in de opleiding voor arts of tandarts in. â–ş De examencommissie beveelt de kandidaten ten zeerste aan alleen deel te nemen als ze oprecht de intentie hebben de opleiding van arts of tandarts aan te vatten en zal bij de inschrijving daaromtrent ook een engagement vragen. Zij heeft immers vastgesteld dat een vertekend beeld van de resultaten ontstaat, ook voor betrokkenen, indien kandidaten deelnemen zonder de intentie te hebben de opleiding van arts of tandarts te willen aanvatten.
e. Informatie in verband met een mogelijke handicap De examencommissie geeft de mogelijkheid aan kandidaten die vermoeden dat zij, omwille van een handicap, niet volwaardig kunnen deelnemen aan dit toelatingsexamen, de examencommissie daarvan op de hoogte te stellen. Met handicap is bedoeld elke langdurige en belangrijke beperking van de kansen tot sociale integratie van een persoon ten gevolge van een aantasting van de mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke mogelijkheden (decreet van 27 juni 1970 houdende de oprichting van het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap). Ongeacht de manier waarop de kandidaat inschrijft, moet hij een mogelijke handicap met een afzonderlijke brief aan de secretaris van de examencommissie melden (adres te vinden in deel II). Daarbij voegt hij een recent medisch stavingsstuk (niet ouder dan ĂŠĂŠn jaar ten opzichte van de datum van het examen). Deze brief moet de secretaris bereiken ten allerlaatste op de uiterste inschrijvingsdatum voor het examen (= 3 juni 2008 voor het examenmoment van 1 juli 2008 of 6 augustus 2008 voor het examenmoment van 26 augustus 2008). De examencommissie zal vervolgens onderzoeken of er voldoende grond is om in bijzondere maatregelen te voorzien en brengt elke betrokkene hiervan tijdig en persoonlijk op de hoogte.
11
V. PRAKTISCH Wanneer?
Wanneer inschrijven?
1ste moment
dinsdag 1 juli 2008
ten laatste op 3 juni 2008
2de moment
dinsdag 26 augustus 2008
ten laatste op 6 augustus 2008
Waar?
Dagindeling
Waarvoor inschrijven?
In een paleis van het Tentoonstellingspark van Brussel Belgiëplein 1020 Brussel (vlakbij Atomium en Koning Boudewijnstadion)
Het examen vindt plaats van 9 tot 12u en van 13u30 tot 16u.
Per jaar hoogstens tweemaal.
Ochtend: KIW Namiddag: IVV Praktische gegevens volgen na inschrijving
Tegelijk voor beide examens van éénzelfde jaar is verboden. Geen andere beperking.
Hoe inschrijven? Sedert 2007 gebeurt het inschrijven op elektronische wijze via internet op de website van het toelatingsexamen (www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen). Na de eerste aanmelding via een persoonlijk e-mailadres, ontvangt de kandidaat van de examencommissie een paswoord, waarmee hij/zij later toegang krijgt. De kandidaat kan dat paswoord persoonlijk éénmaal aanpassen. Na registratie van de inschrijving zal de examencommissie de kandidaat via het opgegeven e-mail adres vragen het inschrijvingsgeld te betalen aan de hand van een gestructureerde mededeling. Pas na ontvangst van het inschrijvingsgeld zal de examencommissie de kandidaat uitnodigen en de noodzakelijke informatie ter beschikking stellen. Het zorgvuldig bijhouden van het paswoord is essentieel om na de deliberatie jouw behaalde resultaat te kunnen raadplegen. Opnieuw aanvragen van het paswoord om het resultaat te kennen, is op dat moment vrij bezwarend voor het systeem en het antwoord kan twee dagen in beslag nemen. Kandidaten die in de volstrekte onmogelijkheid verkeren om elektronisch in te schrijven, kunnen ook schriftelijk inschrijven aan de hand van een verplicht inschrijvingsformulier, aan te vragen bij de secretaris van de examencommissie. Zij sturen dan het ingevulde formulier en het bewijs van de betaling van het inschrijvingsgeld samen op naar volgend adres 12
Toelatingsexamen arts en tandarts 2007 Hendrik Consciencegebouw, lokaal 6A4 Koning Albert II-laan 15 B-1210 BRUSSEL Zonder het betalingsbewijs is de inschrijving ongeldig.
De examencommissie gaat ervan uit dat elke kandidaat – mee in het perspectief van een hoger onderwijsopleiding – gebruik zal maken van de elektronische inschrijving. Wie toch nog voor de schriftelijke procedure kiest, moet er rekening mee houden dat de verwerking ervan veel meer tijd in beslag neemt. Het inschrijvingsgeld voor het examen is vastgesteld op 30 euro. Het betaalde inschrijvingsgeld is nooit terugvorderbaar, ook niet in het geval de kandidaat niet echt zou deelnemen of om een of andere reden verhinderd zou zijn. Het inschrijvingsgeld kan ook nooit doorgeschoven worden naar een volgend examenmoment. De examencommissie moet dit bedrag wel degelijk netto ontvangen. Wanneer banken (bijvoorbeeld buiten België) kosten aanrekenen, moet de kandidaat ervoor zorgen dat de examencommissie het nettobedrag van 30 euro ontvangt.
Mededeling van het resultaat Nadat de examencommissie de resultaten van alle kandidaten vastgesteld heeft, deelt zij aan iedere kandidaat schriftelijk mee of hij/zij geslaagd is. In het geval van slagen is dat document het formele bewijsstuk dat de kandidaat moet voorleggen bij de inschrijving aan de universiteit van zijn/haar keuze. De examencommissie voorziet eveneens in de mogelijkheid om de behaalde resultaten aan de hand van het bij de inschrijving gekozen paswoord te raadplegen op de website van het toelatingsexamen. De examencommissie zal de concrete werkwijze toelichten als zij de kandidaat op het examen uitnodigt.
13
VI. INHOUD EN BEANTWOORDING VAN VRAGEN Alle vragen in alle onderdelen zijn meerkeuzevragen. In de regel zullen telkens vier mogelijke antwoorden aangeboden worden, waarvan slechts één juist is. In het examengedeelte IVV kan het aantal antwoordmogelijkheden meer of minder zijn dan vier, maar telkens is er slechts één juist antwoord. Het komt er dus op aan elke vraag aandachtig te bestuderen en heel nauwkeurig de instructies te volgen. Het aangereikte materiaal zal voldoende ruimte bieden om aantekeningen te maken. Cruciaal is uiteraard het zorgvuldig overbrengen van de gekozen antwoorden op het formulier dat nadien optisch gelezen en gecontroleerd zal worden. De ervaring leert dat de meeste kleine ‘incidenten’ precies in deze fase optreden. De kandidaten moeten zich daarom heel strikt aan de richtlijnen houden en uitermate zorgvuldig te werk gaan bij het overbrengen van hun antwoorden. Modelvragen van het examengedeelte KIW en van de redeneerproef zijn te vinden op de website: www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen . Beide andere onderdelen van IVV worden hier nader toegelicht. Stilleestekstproef Deze proef meet de kunde om korte wetenschappelijke teksten over een diversiteit van onderwerpen binnen een beperkte tijd grondig te lezen, te begrijpen en te bepalen wat er eventueel uit af te leiden is. De kandidaat krijgt deze teksten gepresenteerd samen met hierop betrekking hebbende meerkeuzevragen. Over alle teksten heen worden 30 meerkeuzevragen gesteld. De kandidaat moet deze vragen beantwoorden op grond van de informatie, die de teksten – inclusief schema’s, figuren, tabellen, …. - aanreiken. De kandidaat mag de teksten zo vaak als nodig herlezen en continu raadplegen. Hieronder volgt een mogelijke tekst waaraan een kandidaat zich kan verwachten. Het betreft een tekst over hoesten gevolgd door enkele voorbeelden van meerkeuzevragen. Hoesten is nooit een ziekte op zich, maar een symptoom. Als arts moet men eerst – vooraleer te behandelen - op zoek gaan naar de oorzaak. Bij acute hoest is dit doorgaans eenvoudig: de oorzaak is bijna altijd een virale infectie van de bovenste luchtwegen (verkoudheid) en geneest spontaan. Een behandeling is niet nodig. Bij chronische hoest is dit moeilijker, maar ook belangrijker want er kunnen levensbedreigende aandoeningen achter schuilgaan. Roken is de belangrijkste oorzaak van chronisch hoesten: vooral het roken van sigaretten (meer dan sigaar of pijp) werkt rechtstreeks prikkelend op de hoestreceptoren. Er bestaat een duidelijk verband tussen het hoesten en het aantal sigaretten. Stoppen met roken doet bij 77% van de rokers de hoest verdwijnen. Bij kinderen kan hoest
14
veroorzaakt worden door passief inademen van sigarettenrook afkomstig van rokende ouders. Roken veroorzaakt - naast prikkelhoest - ook chronische bronchitis met een productieve, voornamelijk ochtendlijke, hoest. De gevaarlijkste consequentie van roken is ongetwijfeld longkanker. Zeventig tot 90% van patiënten met longkanker klagen van hoest. Vaak zijn er ook andere symptomen zoals vermagering of bloed in het opgehoeste slijm. Ook 8 tot 14% van niet-rokers heeft last van chronische hoest. De belangrijkste oorzaken zijn post nasale drip (zie verder) en astma . Post nasale drip ontstaat door overproductie van slijm in de neus, wat vervolgens naar achter geëvacueerd wordt (« post nasaal ») naar de keel en daar een hoestprikkel veroorzaakt. Dergelijke overproductie kan ontstaan door een verkoudheid, door acute of chronische sinusitis of door allergie en overprikkelbaarheid van de neus. Patiënten voelen het taai slijm afzakken in de keel, of moeten vaak de keel schrapen. Bovendien gaat dit frequent gepaard met neusklachten zoals verstopte neus, neusloop en/of niezen. De typische symptomen van astma zijn kortademigheid, piepende ademhaling en hoest. Soms is hoesten het enige symptoom. Astma kan veroorzaakt worden door een allergie of overprikkelbaarheid van de onderste luchtwegen. Vaak vermelden patiënten ook het optreden van hoestaanvallen bij contact met zogenaamde aspecifieke prikkels zoals temperatuursveranderingen, lachen, inspanning, mist enz. Dergelijke « overprikkelbaarheid » kan ook voorkomen gedurende enige tijd na een luchtweginfectie om dan spontaan weer te verdwijnen. In dit geval spreekt men van « postinfectieuze hyperreactiviteit ». De oorzaak van chronische hoest ligt niet altijd in de luchtwegen. Bij gastro-oesofagale reflux stijgt maagzuur op in de slokdarm waardoor patiënten meestal last krijgen van zure oprispingen, vooral bij vooroverbukken of neerliggen. Hoest kan echter ook het enige symptoom zijn. Bepaalde bloeddrukverlagende medicijnen hebben als nevenwerking prikkelhoest. Bij linkerhartfalen mist het hart de kracht om het bloed in voldoende mate weg te pompen vanuit de longcirculatie naar de grote bloedsomloop. De longen worden overvuld. Dit leidt tot hoest, vooral bij neerliggen. Vaak moeten deze patiënten ‘s nachts gaan rechtzitten om beter te kunnen ademhalen. Elk van bovenstaande ziektebeelden vereist een eigen aanpak (zie schema). Meestal zijn medicijnen niet aan de orde en bestaat de taak van de arts er vooral in om de patiënt te motiveren en te ondersteunen bij het stoppen met roken. Medicamenteus onderdrukken van het symptoom « hoest » zonder de oorzaak te kennen is volstrekt af te raden omdat men hierdoor belangrijke pathologie kan miskennen en de patiënt tevens de kans ontzegt op een adequate behandeling. In bepaalde omstandigheden kunnen hoestremmers wel nuttig zijn. Een acute prikkelhoest kan voor de patiënt overdag erg hinderlijk zijn of ‘s nachts de nachtrust verstoren. Hoesten op zich kan schadelijk zijn wegens een voorafbestaande ziekte of ongeval (bijvoorbeeld een gebroken rib). Soms slaagt een oorzakelijke behandeling er niet in de hoest volledig onder controle te brengen. De keuze in hoestremmers is bijzonder groot. (Zo stonden in het geneesmiddelenrepertorium 1999 94 verschillende merknamen vermeld.) Men kan ze indelen in twee grote groepen: enerzijds middelen die de hoestprikkels proberen te verminderen door ofwel het hoestcentrum in de hersenen te beïnvloeden ofwel de receptoren in de luchtwegen minder gevoelig te maken en anderzijds producten die het evacueren van het slijm proberen te vergemakkelijken waardoor de patiënt ook minder zal hoesten. In zo geheten hoestflessen worden deze producten vaak gecombineerd. De voorkeur van de arts zal vanzelfsprekend gaan naar producten waarvan de werkzaamheid in wetenschappelijke studies is aangetoond. Het is niet eenvoudig om te bewijzen dat een hoestmiddel echt hoestprikkels dempt: verandering of vermindering in
15
hoesten kan immers ook optreden als gevolg van het verloop van de aandoening zelf. De hoestprikkeldempende werking van verschillende producten werd o.a. bestudeerd door proefpersonen prikkelende stoffen te laten inademen en vervolgens de intensiteit en frequentie van de optredende hoest te meten. Het is ook moeilijk om aan te tonen of er daadwerkelijk een verandering optreedt in de slijmevacuatie ten gevolge van het gebruik van een geneesmiddel. De hoeveelheid opgehoest slijm is hiervoor een onbetrouwbare maat want opgehoest slijm is een mengsel van slijm uit de luchtwegen met speeksel uit de mond, en vaak wordt een deel onbewust ingeslikt. Bovendien moet men zich steeds realiseren dat een product in laboratoriumomstandigheden wel een bepaalde werking kan hebben, maar dat het enige wat echt telt de reële toestand van de patiënt is: voelt hij zich door het gebruik van deze producten beter? Heeft hij inderdaad het gevoel minder te moeten hoesten? Kan hij beter ademen? Geneest hij sneller? Daarenboven moeten werking en nevenwerkingen altijd tegen elkaar afgewogen worden. Laten we die lange lijst van hoestmiddelen toetsen aan bovenstaande criteria. Wat betreft prikkeldemping, is er slechts één klasse van producten waarvan onomstotelijk vaststaat dat zij inderdaad hoestprikkels onderdrukt, namelijk de « narcotische analgetica ». Dit is de groep van pijnstillers waartoe o.a. ook morfine behoort. De meer krachtige producten uit deze klasse worden niet bij hoest gebruikt, omdat de nevenwerkingen (slaperigheid en verstopping) en het gevaar op verslaving te groot zijn. Codeïne en afgeleiden zijn daarentegen wel geschikt : zij remmen effectief de prikkelhoest, hebben weinig nevenwerkingen en het gevaar op verslaving is zeer gering. De balans tussen voordeel en ongewenste effecten valt positief uit. Voor farmaca uit andere klassen is er ofwel helemaal geen werkzaamheid aangetoond, ofwel zijn de resultaten van verschillende onderzoeken tegenstrijdig. Qua slijmoplossende middelen: er bestaan producten die in laboratoriumomstandigheden het slijm vloeibaarder maken of die het trilhaartransport stimuleren. Het is echter niet op overtuigende wijze aangetoond dat deze middelen in gebruikelijke dosissen bij patiënten effecten hebben zoals veranderingen in volume van het opgehoeste slijm, verandering in de werking van de longen of de gaswisseling. Op dit ogenblik bestaat er dan ook geen argument om deze producten voor te schrijven bij hoest. Tot besluit: hoest is een verdedigingsreflex van het lichaam en wordt best niet onderdrukt. De beste behandeling bij hoest is ongetwijfeld de oorzakelijke. Wanneer omwille van comfort voor de patiënt of bij verwikkelingen toch een hoestremmer wordt voorgeschreven, is de beste keuze codeïne of één van zijn afgeleiden. Meerkeuzevragen : 1. Uw collega heeft sinds enkele dagen last van hoest. Wat raadt u hem aan? <A> Hoestsiroop nemen. <C> Zijn hart laten nakijken. <B> Snel een arts raadplegen. <D> Stoppen met roken. 2. Wat blijkt geen gevolg van hoesten? <A> Astma. <B> Medicatie nemen.
<C> Slapeloosheid.
<D> Werkverlet.
3. Indien een patiënt u zou consulteren naar aanleiding van een aanslepende hoest, bij welk verschijnsel zou u dan onmiddellijk aan het ergste denken? <A> Aanwezigheid van een virus. <C> Tranende ogen. <B> Postnasale drip. <D> Vermagering.
16
4. Hoestremmers zijn af te raden bij een <A> hinderlijke rokershoest. <B> verkoudheid met hinderlijke prikkelhoest. <C> verkoudheid bij een patiënt met een gebroken rib. <D> verkoudheid met hoest met slapeloosheid tot gevolg. 5. Een farmaceutische firma brengt een nieuwe hoestsiroop op de markt. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat bij patiënten die dit middel namen, het aantal keren dat zij moesten hoesten na twee dagen met de helft verminderd was. Wat concludeert u? <A> Dit is een goede hoestremmer. <B> Dit onderzoeksresultaat zegt niets over de waarde van deze hoestremmer. <C> Dit is een goede hoestremmer op voorwaarde dat er geen nevenwerkingen zijn. <D> Dit is een slechte hoestremmer.
Gesprekken arts/tandarts-patiënt Deze proef meet de capaciteit van een (tand)arts-in-spe om een schriftelijke neerslag van een reeks gesprekken tussen een arts of tandarts en een patiënt, gericht en kritisch te volgen. Hierbij verwacht men uiteraard geen medische voorkennis. Het kan gaan om op zichzelf staande gesprekken, waarbij in elk consult een ander patiënt en een andere arts voorkomt. Het kan ook gaan om een beperkt aantal patiënten die gedurende een aantal consultaties worden gevolgd. De uitgangssituatie is telkens een momentopname uit een consult voor een veelvoorkomende klacht. Aan de kandidaat wordt gevraagd zich te identificeren met de betrokken medicus en aan te geven hoe hij/zij het betreffende gesprek zou verder zetten. Bij de beoordeling van elk (tand)arts-patiënt gesprek dienen de kandidaten uit te gaan van de communicatie principes die men in een moderne (tand)arts-patiënt relatie hanteert. Een horizontaal communicatiemodel is hierbij belangrijk. Dit houdt volgende principes in: - de (tand)arts geeft voldoende ruimte aan de patiënt, zodat deze zijn/haar hulpvragen duidelijk kan formuleren. Dit impliceert openheid en luisterbereidheid van de (tand)arts en aandacht voor de bekommernissen van de patiënt. - De (tand)arts informeert de patiënt op een goed verstaanbare manier, wat de patiënt in staat stelt om zijn/haar gezondheidssituatie zo goed mogelijk in te schatten. Dit impliceert een voor de patiënt begrijpelijke taal. - Binnen de relatie (tand)arts-patiënt gaat veel aandacht naar het bevorderen van autonomie van de patiënt en naar zijn/haar eigen voorkeuren. Dit impliceert voor de (tand)arts een open en respectvolle houding t.o.v. de opvattingen en waarden van de patiënt. Een medisch consult omvat verschillende fasen en verloopt meestal in de volgorde zoals hier aangegeven: 1. Aanvang van het gesprek: de (tand)arts probeert te begrijpen wat er aan de hand is vanuit het standpunt van de patiënt. Hiervoor moet de (tand)arts luisteren naar het verhaal van de patiënt, verder bevragen wat de ideeën, gevoelens en verwachtingen zijn en een poging doen om zich in te leven in wat de klacht voor deze patiënt zou kunnen betekenen.
17
2. Anamnese en klinisch onderzoek: de (tand)arts bevraagt de medische aspecten en legt uit wat er verder zal gebeuren in woorden die voor de patiënt begrijpelijk zijn. 3. De (tand)arts geeft duidelijk aan wat de resultaten van het onderzoek zijn. 4. Samen met de patiënt overlegt de (tand)arts wat de volgende stappen kunnen zijn in het behandelingsproces. Belangrijk is dat de patiënt ook in dit gedeelte van het consult de mogelijkheid krijgt om zijn/haar bedenkingen te formuleren. 5. Als laatste wordt het gesprek afgesloten waarbij een korte samenvatting belangrijk is, evenals navragen of de patiënt alles goed begrepen heeft. Gezien het in deze proef gaat om het beoordelen van interacties tussen (tand)arts en patiënt kan het soms voorkomen dat in een concrete situatie meer dan één antwoordalternatief juist lijkt. In dit geval kiest de kandidaat het volgens hem/haar op dit ogenblik meest juiste antwoord. Hierbij moet de kandidaat zich vooral laten leiden door de inleiding die hem ook op het examen zelf wordt aangeboden in het werkboek met het arts-patiënt gesprek. Voorbeeldvraag. Je bent huisarts en krijgt Mevrouw Deroover op consultatie. Zij is al vele jaren patiënte. Zij heeft last van hoge bloeddruk en neemt hiervoor medicatie. Zij komt regelmatig bij je langs om een voorschrift voor haar medicatie op te halen. Vandaag is ze terug op consultatie. Wat is de beste openingszin in dit gesprek? A “Ah, u komt om een nieuw voorschrift voor uw bloeddruk.” B “Mevrouw Deroover, ik zal uw voorschrift snel schrijven.” C “Mevrouw Deroover, wat kan ik vandaag voor u doen?” D “En hoe gaat het nog met uw bloeddruk de laatste tijd?” Juist antwoord: C. Dit antwoord getuigt van een open houding t.o.v. de patiënt en van luisterbereidheid van de arts. Het kan immers dat de patiënte vandaag een andere vraag heeft.
18
VII. UITTREKSEL VAN HET DECREET DAT DE WETTELIJKE GRONDSLAG HEEFT GELEGD VOOR DE ORGANISATIE VAN HET TOELATINGSEXAMEN 4 april 2003. - Decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen - uittreksel ……… art. 65. §1. Voor de inschrijving voor een bachelorsopleiding geldt als algemene toelatingsvoorwaarde het bezit van een diploma van secundair onderwijs, een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie of van een diploma of getuigschrift dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een andere internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend. art. 68. … §2. Voor de inschrijving in een bachelorsopleiding in het studiegebied Geneeskunde of het studiegebied Tandheelkunde, geldt als bijkomende toelatingsvoorwaarde het geslaagd zijn voor een toelatingsexamen, ingericht door één examencommissie, verder genoemd ‘toelatingsexamen arts en tandarts’. Het beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige of tandheelkundige opleiding met succes af te ronden. Het bestaat uit twee gedeelten: 1° kennis en inzicht in de wetenschappen en met name de vakken biologie, fysica, scheikunde en wiskunde ; het niveau is afgestemd op het gemiddelde van de programma’s van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs ; 2° informatie verwerven en verwerken : de themata hiervan sluiten aan bij de beroepspraktijk van artsen of tandartsen. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van deze examengedeelten. §3. Het toelatingsexamen arts en tandarts wordt georganiseerd volgens de hierna opgesomde nadere regels : 1° het wordt tweemaal per jaar voor het begin van het academiejaar ingericht ; de organisatie ervan wordt tijdig bekendgemaakt ; 2° de Vlaamse regering kan een examengeld van ten hoogste 25 euro vastleggen als bijdrage in het dekken van de organisatiekosten. Vanaf 1998 wordt het bedrag aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 januari 1997 ; 3° de Vlaamse regering organiseert het toelatingsexamen arts en tandarts volgens de nadere regels die zij daartoe bepaalt ; 4° na advies van de examencommissie, bedoeld in §2, regelt de Vlaamse regering de werking van de examencommissie en stelt ze haar huishoudelijk reglement en het examenreglement vast ; 5° de examencommissie, bedoeld in §2, stelt de examenvragen op en evalueert de examenresultaten. Het maximumaantal punten van elk examengedeelte is twintig. Geslaagd zijn de studenten die op elk examengedeelte ten minste tien op twintig
19
behalen en ten minste tweeëntwintig op veertig voor beide examengedeelten samen. De voorzitter van de examencommissie maakt de resultaten bekend ; 6° het slagen voor het toelatingsexamen arts en tandarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt slechts aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde indien de student op uiterlijk 31 december van dat burgerlijk jaar in het bezit is van het diploma secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig of gelijkgesteld studiebewijs. §4. De Vlaamse regering benoemt de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie, bedoeld in §2. Zij telt, voorzitter en secretaris uitgezonderd, minimaal tien en maximaal vijftien leden. De leden van de examencommissie worden zo aangeduid uit de leden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten dat de nodige expertise aanwezig is op het vlak van de medische praktijk, de inhoud van de vakken van het eerste examengedeelte, de pedagogiek en de psychologie. §5. De bijkomende toelatingsvoorwaarde ‘geslaagd zijn voor het toelatingsexamen arts en tandarts’, bedoeld in §2, geldt eveneens voor de inschrijving in om het even welk studiejaar van een bachelors- of mastersopleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tandheelkunde in het geval de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen of verkorting van studieduur, op grond van een diploma behaald na een opleiding waarvoor de bijkomende toelatingsvoorwaarde, bedoeld in §2, niet gegolden heeft. Zij geldt niet voor de studenten die voor de aanvang van het academiejaar 1997-1998 in het bezit waren van een getuigschrift waaruit blijkt dat zij ten minste één studiejaar van een opleiding van arts of van een opleiding van tandarts met succes hebben voltooid en op basis daarvan in het academiejaar 1997-1998 theoretisch konden toegelaten worden tot het tweede studiejaar of een hoger studiejaar. Zij geldt evenmin voor de studenten die in het academiejaar 1996-1997 niet slaagden voor het examen van het eerste studiejaar van de opleiding van kandidaat-arts of van kandidaat-tandarts en zich in het academiejaar 1997-1998 opnieuw lieten inschrijven voor het eerste studiejaar van de betreffende opleiding. De vrijstelling van de bijkomende toelatingsvoorwaarde ‘slagen voor het toelatingsexamen arts en tandarts’ blijft voor deze studenten geldig zolang zij ononderbroken officieel ingeschreven blijven in de opleiding van arts of van tandarts aan een Vlaamse universiteit. Ze geldt evenmin voor personen die in het buitenland een diploma van arts of tandarts hebben behaald en die de toelating hebben om zich aan een universiteit in Vlaanderen in te schrijven voor een mastersopleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tandheelkunde.
20