Uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/022
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2022/022
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Bij aangetekend schrijven van 25 november 2021 diende xxx in het kader van een beroep tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen van het Agentschap voor Natuur en Bos van 12 november 2021 (xxx) lastens zijn cliënt, een verzoek in bij afdeling Handhaving van het Departement Omgeving (verder ‘afdeling Handhaving’), tot het bekomen van een afschrift van de “bijlagen die bij het bestreden besluit zijn gevoegd en waarop dit besluit (minstens mede) is gesteund”. Bij mailbericht d.d. 20 december 2021 werd de openbaarmaking door afdeling Handhaving geweigerd. Bij mailbericht d.d. 19 januari 2022 diende xxx beroep in bij de beroepsinstantie tegen voormelde beslissing. Dit beroep werd geregistreerd op 19 januari 2022. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijk verzoek dateert van 25 november 2021. De bestreden beslissing dateert van 20 december 2021. Deze beslissing maakt melding van de beroepsmogelijkheid en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het Bestuursdecreet.
www.vlaanderen.be
Het beroep werd ingediend bij mailbericht d.d. 19 januari 2022 en is bijgevolg tijdig ingesteld. Het beroepschrift is ontvankelijk. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Aangevochten beslissing
In een mailbericht van 20 december 2021 wordt door afdeling Handhaving gesteld: “Uw vraag betreft “de
onmiddellijke overlegging van de bijlagen die bij het bestreden besluit zijn gevoegd en waarop dit besluit (minstens mede) is gesteund”. Wij kunnen niet ingaan op uw verzoek. Met name stellen wij vast dat het bestreden besluit geen bijlagen bevat.
In de mate dat wij uw vraag kunnen interpreteren als een vraag om een afschrift te verkrijgen van de bijlagen van het proces-verbaal met nr. xxx kunnen wij evenmin ingaan op uw verzoek. We wijzen uw verzoek af op grond van artikel II.36, §1, 3° van het Bestuursdecreet. De door u gevraagde bestuursdocumenten werden uitsluitend voor een strafvordering of een vordering van een administratieve sanctie opgesteld en maken deel uit van een strafdossier dat in handen is van de procureur des Konings. Dit dossier valt onder het geheim van het onderzoek (artikel 28 quinquies Sv). Om het geheim van het onderzoek en rechten van verdediging niet te schenden, kunnen wij niet ingaan op uw verzoek. Als u inzage wenst in dit strafdossier, moet u hiervoor rechtstreeks een machtiging vragen aan de bevoegde procureur des Konings.” 2. Inhoud van het beroepschrift De beroeper tekent beroep aan tegen de weigeringsbeslissing van afdeling Handhaving en verwijst hierbij in eerste instantie naar zijn beroep tegen de weigeringsbeslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos d.d. 17 november 2021 op zijn verzoek d.d. 17 november 2021 tot het bekomen van een afschrift van de bijlagen, alsook van het proces-verbaal van vaststelling door gerechtsdeurwaarder xxx, waarnaar wordt verwezen in het besluit van het Agentschap voor Natuur en Bos d.d. 12 november 2021 waarbij een bestuurlijke maatregel werd opgelegd aan zijn cliënt. Over dit beroep werd door de beroepsinstantie uitspraak gedaan op 6 januari 2022 (dossier OVB/2021/443). De beroeper verwijst ook naar artikel 32 Grondwet en artikel II.31 Bestuursdecreet. Hij geeft aan dat het uitgangspunt is dat elk bestuursdocument van nature openbaar is, tenzij er redenen zijn die een tijdelijke niet openbaarmaking rechtvaardigen en deze in een wettelijke norm hun grondslag vinden, waarbij uitzonderingen restrictief dienen te worden geïnterpreteerd. De beroeper merkt op dat geen beroep kan worden gedaan op artikel II.36, §1, 3° Bestuursdecreet omdat deze uitzonderingsgrond slechts geldt voor bestuursdocumenten die uitsluitend werden opgesteld ten behoeve van de strafvordering. Hij geeft aan dat de bijlagen en het proces-verbaal van vaststelling zijn opgesteld, minstens aangewend, in het kader van het opleggen van een bestuurlijke maatregel die aan zijn cliënt is opgelegd. De beroeper argumenteert verder:
“Dat kort na het Besluit houdende bestuurlijke maatregelen een proces-verbaal werd opgesteld in het kader
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/022
pagina 2 van 8
van een strafrechtelijke procedure, staat hier los van. Het betreft hier twee afzonderlijke, naast elkaar lopende procedures – zoals bevestigd door het AGENTSCHAP NATUUR & BOS bij e-mail d.d. 17 november 2021. Bijgevolg dringt zich ook geen afweging tussen het publiek belang van openbaarheid en de bescherming van de opsporing of vervolging van sanctioneerbare feiten op grond van artikel 27, §1, 4° van de wet van 5 augustus 2006 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie op.” Hij benadrukt dat het verzoek tot toegang tot het gevraagde kadert in het aantekenen van beroep tegen het Besluit houdende bestuurlijke maatregelen, hetgeen inmiddels is gebeurd. Zijn cliënt wenst de mogelijkheid te hebben om zijn argumentatie verder uit te werken (eventueel t.e.m. het instellen van een vernietigingsberoep bij de Raad van State). Hij stelt dat zijn cliënt, zonder kennisname van de bijlagen bij dit Besluit houdende bestuurlijke maatregelen, zich niet naar behoren kon verweren tegen dit besluit, wat afbreuk doet aan zijn rechten.
Wat het voorwerp van zijn verzoek betreft, duidt de beroeper dat er niet verzocht wordt om inzage van – de bijlagen bij – het proces-verbaal in het kader van de strafrechtelijke procedure, maar dat het verzoek louter en alleen de bijlagen (en het proces-verbaal van vaststelling) waarop het Besluit houdende bestuurlijke maatregelen (mede) is gebaseerd, betreft. 3. Toelichting door afdeling Handhaving De beroepsinstantie nam op 19 januari 2022 bij mail contact op met afdeling Handhaving om nadere toelichting te verkrijgen. Hierbij werd ook verwezen naar de uitspraak van de beroepsinstantie in dossier OVB/2021/443 van 6 januari 2022. Bij mailbericht d.d. 26 januari 2022 ontving de beroepsinstantie volgende toelichting: “1. De weigeringsbeslissing van onze afdeling is eveneens gebaseerd op de uitzonderingsgrond uit artikel 36, §1, 3° van het Bestuursdecreet.
a. De beroepsinstantie is van oordeel dat het ANB ten onrechte beroep deed op deze uitzonderingsgrond, omdat deze slechts van toepassing zou zijn op de documenten die uitsluitend werden opgesteld ten behoeve van de strafvordering, terwijl zij van mening is dat het procesverbaal inclusief de bijlagen niet uitsluitend hiervoor zijn opgesteld, gelet op de aanwending ervan met oog op het nemen van het BHBM. Het proces-verbaal en de bijlagen maakt ook deel uit van het administratief dossier in het beroep tegen het BHBM. Onze afdeling is van mening dat de uitzonderingsgrond uit artikel 36, §1, 3° van het Bestuursdecreet wel degelijk van toepassing blijft op het proces-verbaal en de bijlagen, ongeacht of daaraan ook bestuurlijke maatregelen werden gekoppeld. Zolang er nog een strafrechtelijke of bestuurlijke sanctioneringsprocedure loopt, is de uitzonderingsgrond van toepassing. b. Commentaar in relatie tot uw weigeringsbeslissing aangaande de verwijzing naar artikel 6, §2, 2° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, artikel 6, §1, 5° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en artikel 27, §1, 4° van de wet van 5 augustus 2006 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie: Ik stel met u vast dat deze artikelen niet werden opgenomen in onze beslissing over openbaarheid van bestuur. Ik wens daar ook geen motivering achteraf over te geven. 2. Het verzoek tot “toegang tot deze bijlagen (en het proces-verbaal van vaststelling van gerechtsdeurwaarder xxx)” kadert volgens de beroeper in het aantekenen van het beroep tegen het BHBM dat xxx instelde. Het zou tot doel hebben om hem de mogelijkheid te geven om zijn argumentatie verder uit te werken met kennisname van de bijlagen bij het BHBM, want zonder zou hij zich niet naar behoren
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/022
pagina 3 van 8
kunnen verweren, wat afbreuk zou doen aan zijn rechten. Er zou niet worden ”verzocht om inzage van – de bijlagen bij - het proces-verbaal in het kader van de strafrechtelijke procedure. Het verzoek betreft louter en alleen de bijlagen (en het proces-verbaal van vaststelling) waarop het Besluit houdende bestuurlijke maatregelen (mede) is gebaseerd.” Zoals uit de weigeringsbeslissing van onze afdeling blijkt, kon enerzijds niet worden ingegaan op het verzoek om “de bijlagen die bij het bestreden besluit zijn gevoegd” te bezorgen, om de eenvoudige reden dat het BHBM geen bijlagen bevat. Zoals door het ANB ook reeds werd gekaderd, betreffen de verwijzingen naar bijlagen in de tekst van het onderdeel “FEITEN EN VOORGAANDEN” van het BHBM een materiële vergissing, ontstaan door het copy-pasten van tekst uit de vaststellingen opgenomen in het aanvankelijk procesverbaal, dat naar aanleiding van de feiten werd opgesteld en werd bezorgd aan de procureur des Konings te Gent met het oog op strafrechtelijke afhandeling van het milieumisdrijf. Anderzijds kan onze afdeling het verzoek om de bijlagen “waarop dit besluit (minstens mede) is gesteund” te bezorgen niet anders interpreteren dan als zijnde een verzoek tot het overmaken van de bijlagen bij het proces-verbaal. Immers zijn dat de enige bijlagen die bestaan. Aangezien het proces-verbaal inclusief de bijlagen een bestuursdocument betreft dat uitsluitend voor een strafvordering of een vordering van een administratieve sanctie werd opgesteld, maakt het deel uit van een strafdossier dat nog in handen is van de procureur des Konings, waarop het geheim van het onderzoek (artikel 28 quinquies Sv) van toepassing is, zodat onze afdeling gelet op de uitzonderingsgrond uit artikel 36, §1, 3° van het Bestuursdecreet het verzoek moest afwijzen. Het genomen BHBM is gericht op het herstel van de natuur en heeft geen repressief of bestraffend karakter (artikels 16.4.5 en 16.4.7 DABM). De beginselen uit het strafrecht (vermoeden van onschuld, rechten van verdediging,..) zijn niet zonder meer van toepassing bij het opleggen van bestuurlijke maatregelen. De beginselen van behoorlijk bestuur (recht op tegenspraak, hoorplicht, motiveringsplicht,..) zijn dat daarentegen wel. In casu werd xxx door het ANB verhoord vooraleer zij het BHBM namen, er werd in het kader van het beroep tegen het BHBM door onze afdeling als adviesverlener een hoorzitting georganiseerd, het BHBM voldoet aan alle nodige vormvoorschriften (vermelding geschonden bepalingen, omschrijving maatregelen, beroepsmogelijkheid e.d.) en bevat de nodige elementen en overwegingen van waaruit de oplegger het nemen van het besluit rechtvaardigt. Uit het beroepschrift ingediend tegen het BHBM blijkt ook dat de beroeper met voldoende kennis van zaken zijn argumenten heeft kunnen uitwerken en nuttig voor zijn standpunt is kunnen opkomen, zodat besloten kan worden dat de beginselen van behoorlijk bestuur werden nageleefd. De mening van de beroeper dat hij zich niet naar behoren zou kunnen verweren, kan niet gevolgd worden en impliceert geen verplichting tot openbaarmaking van de bestuursdocumenten. 3. Over de stand van zaken van het strafrechtelijk onderzoek: wij zijn daarvan niet op de hoogte. Voor meer informatie hierover, verwijzen wij u graag door naar het parket van de procureur des Koning te Gent. De administratieve procedure inzake het beroep tegen het BHBM loopt momenteel nog. Onze afdeling heeft op 24 januari 2022 een advies aan de minister opgesteld en de minister heeft nog tot 28 februari 2022 de tijd om een besluit te nemen (tenzij de termijn eenmalig zou worden verlengd conform artikel 16.4.17, §3, tweede lid DABM). 4. Om bovenstaande redenen kunnen wij niet ingaan op uw verzoek om de gevraagde documenten te bezorgen” 4. Standpunt van de beroepsinstantie Vooreerst blijkt uit het oorspronkelijke verzoek dat ook werd gevraagd naar een afschrift van “bijlagen die bij het bestreden besluit zijn gevoegd”. Zoals de beroepsinstantie ook reeds heeft vastgesteld in haar uitspraak in dossier OVB/2021/443 en zoals bevestigd door afdeling Handhaving, zijn er geen bijlagen bij
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/022
pagina 4 van 8
het besluit van ANB houdende bestuurlijke maatregelen (BHBM) d.d. 12 november 2021. Volgens de toelichting van afdeling Handhaving zijn de verwijzingen naar bijlagen in de tekst van het onderdeel “FEITEN EN VOORGAANDEN” van het BHBM een materiële vergissing, ontstaan door het copy-pasten van tekst uit de vaststellingen opgenomen in het aanvankelijk proces-verbaal, dat naar aanleiding van de feiten werd opgesteld en werd bezorgd aan de procureur des Konings te Gent met het oog op strafrechtelijke afhandeling van het milieumisdrijf. Uit het oorspronkelijk verzoek en het beroepschrift van de beroeper blijkt echter ook duidelijk dat het voorwerp van het beroep betrekking heeft op de bijlagen, alsook het proces-verbaal van vaststelling van gerechtsdeurwaarder xxx, waarnaar wordt verwezen in het besluit van het Agentschap voor Natuur en Bos d.d. 12 november 2021 waarbij een bestuurlijke maatregel werd opgelegd aan de cliënt van de beroeper (xxx). Dit besluit werd aan cliënt van de beroeper betekend bij aangetekend schrijven van 12 november 2021. Processen-verbaal (en de bijlagen) zijn te beschouwen als gerechtelijke documenten én bestuursdocumenten in de zin van artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet (in zoverre in bezit van de overheidsinstantie zoals in casu) en komen derhalve principieel in aanmerking voor openbaarmaking tenzij uitzonderingsgronden van toepassing zijn. In artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet wordt een bestuursdocument gedefinieerd als de informatie, ongeacht de drager ervan, die in het bezit is van een overheidsinstantie. Het is duidelijk dat dit PV en bijlagen waaronder ook het PV van vaststelling van gerechtsdeurwaarder xxx, bestuursdocumenten zijn conform het Bestuursdecreet. Het Bestuursdecreet maakt, voor wat betreft de uitzonderingen op het recht op openbaarheid, een onderscheid naargelang het gaat om een aanvraag tot openbaarmaking die betrekking heeft op milieuinformatie dan wel op andere informatie. De beroepsinstantie wenst op te merken dat zij ook – zoals ook het geval was in het dossier OVB/2021/443 - bij de behandeling van dit dossier geen kennis heeft gekregen van de gevraagde bijlagen bij het PV, noch van het PV. In de toelichting aan de beroepsinstantie heeft afdeling Handhaving haar standpunt gehandhaafd en beroept zij zich, om de openbaarmaking te weigeren, in eerste instantie op de uitzonderingsgrond zoals bepaald in artikel 36, §1, 3° van het Bestuursdecreet. Artikel II.36, §1, 3° Bestuursdecreet bepaalt dat overheidsinstanties de aanvraag tot openbaarmaking afwijzen, voor zover die betrekking heeft op bestuursdocumenten die milieu-informatie bevatten, indien ze van oordeel zijn dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van het vertrouwelijke karakter van bestuursdocumenten die uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie zijn opgesteld, en dit zolang de mogelijkheid blijft bestaan om een strafsanctie of een administratieve sanctie op te leggen. De beroepsinstantie verwijst naar de uitspraak in het dossier OVB/2021/443 van 6 januari 2022 en handhaaft het standpunt dat, gelet op de concrete omstandigheden, het gevraagde PV met in begrip van de bijlagen, niet uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie zijn opgesteld. De beroepsinstantie herneemt hierbij hetgeen gesteld werd in het dossier OVB/2021/443: “Beide door ANB aangehaalde artikelen uit het Bestuursdecreet bepalen dat de openbaarmaking dient te worden afgewezen als het om bestuursdocumenten gaat die uitsluitend ten behoeve van de strafvordering
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/022
pagina 5 van 8
of de vordering van een administratieve sanctie zijn opgesteld, zolang de mogelijkheid blijft bestaan om een strafsanctie of een administratieve sanctie op te leggen. Gelet op de concrete omstandigheden van dit beroep is de beroepsinstantie van oordeel dat het PV met in begrip van de bijlagen, niet uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie zijn opgesteld. Zoals immers blijkt uit de hierboven vermelde toelichting zijn het opgestelde PV en de bijlagen ook aangewend met het oog op het nemen van een besluit houdende bestuurlijke maatregel. Bij onderzoek door de beroepsinstantie is ook vastgesteld dat het PV van ANB (met de bijlagen) deel uitmaakt van het administratief dossier m.b.t. het hangende beroep tegen de opgelegde bestuurlijke maatregel. Een dergelijke bestuurlijke maatregel is trouwens geen administratieve sanctie zoals bedoeld in het Bestuursdecreet. In de parlementaire voorbereiding van het Bestuursdecreet wordt immers hierbij aangegeven (Parl.St. Vl.Parl. 2017-18, 1656/1, 59-60): “De toenemende trend inzake het opleggen van administratieve sancties maakt een bescherming van bestuursdocumenten die uitsluitend werden opgesteld ten behoeve van een administratieve procedure die leidt tot het opleggen van administratiefrechtelijke sancties noodzakelijk wanneer deze sancties onder het toepassingsgebied vallen van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Men moet immers verhinderen dat diegene die het voorwerp uitmaakt van een administratieve sanctie door de openbaarmaking niet de garanties zou genieten die deze internationaalrechtelijke bepalingen hem in dit geval garanderen. Het EHRM kent aan het begrip “straf” een autonome en materiële inhoud toe en wendt daartoe drie criteria aan: ze onderzoekt de juridische kwalificatie van de overtreding in het interne recht, ze gaat na of de norm een algemeen karakter heeft en of het doel van de sanctie zowel preventief als repressief is en controleert vervolgens ook de aard en de ernst van de sanctie die kan worden opgelegd. Deze criteria zijn niet cumulatief, maar een cumulatieve benadering kan aangewezen zijn wanneer de analyse van elk criterium afzonderlijk het niet mogelijk maakt om tot een helder besluit te komen omtrent het bestaan van een “strafvervolging” in de zin van artikel 6, §1, EVRM (EHRM, 24 februari 1994, Bendenoun, Serie A, Vol. 284, §47). Dit belet niet dat deze bestuursdocumenten wel kunnen openbaar gemaakt worden van zodra de sanctie is opgelegd, behoudens eventueel andere uitzonderingsgronden.” Hieruit blijkt dat de bedoelde administratieve sancties onder het toepassingsgebied van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR moeten vallen. Zoals ook door de Raad van State aangegeven is een bestuurlijke maatregel geen sanctie, maar een instrument dat gericht is op het herstel van het leefmilieu: “Blijkens de memorie van toelichting bij het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het milieubeleidsdecreet met een titel XVI "Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen" is het bij bestuurlijke maatregelen, zoals te dezen opgelegd, "niet zozeer de bedoeling om de overtreder in persoon te raken, dan wel om een einde te stellen aan een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, zijn gevolgen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen" (St. Vl. Parl., nr. 1249/1, 2006-2007, p. 14). Dergelijke maatregelen zijn aldus gericht op de bescherming en het herstel van het leefmilieu en hebben geen repressief of bestraffend oogmerk. Derhalve kan de persoon aan wie een bestuurlijke herstelmaatregel wordt opgelegd, zich niet beroepen op de strafrechtelijke rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden.” (RvS nr. 227.191 van 29 april 2014). Alsook blijkt uit volgend arrest van de Raad van State: “14. Overeenkomstig artikel 16.4.5 DABM kunnen “na de vaststelling van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf [...] bestuurlijke maatregelen worden opgelegd”. Artikel 16.4.18, §2, DABM schrijft voor dat het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen “aannemelijk [moet] maken dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is”. Volgens artikel 16.1.2, 2°, DABM moet onder milieumisdrijf worden verstaan: “een gedraging, in strijd met een voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van deze titel, waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van deze titel”. Blijkens de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI „Toezicht, handhaving
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/022
pagina 6 van 8
en veiligheidsmaatregelen‟, dat later het decreet van 21 december 2007 is geworden, is het bij bestuurlijke maatregelen “niet zozeer de bedoeling om de overtreder in persoon te raken, dan wel om een einde te stellen aan een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, zijn gevolgen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen”, kunnen “bestuurlijke maatregelen […] volledig onafhankelijk van strafsancties worden genomen”, kan een bestuurlijke maatregel aangezien ze “geen sanctie is in de strafrechtelijke betekenis van het woord, […] niet het voorwerp uitmaken van een genademaatregel met toepassing van artikel 110 van het gecoördineerde Grondwet” en zijn “de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering nopens de uitwissing van veroordelingen en het herstel in eer en rechten in strafzaken [evenmin] hierop van toepassing” (St. Vl.Parl., nr. 1249/1, 2006-2007, p. 14). Bestuurlijke maatregelen zijn aldus gericht op de bescherming en het herstel van het leefmilieu en hebben geen repressief of bestraffend oogmerk. Derhalve kan de persoon aan wie een bestuurlijke herstelmaatregel wordt opgelegd, zich niet beroepen op de strafrechtelijke rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden. De bestuurlijke maatregel strekt immers niet tot sanctionering of bestraffing van het milieumisdrijf als dusdanig. De verwerende partij kan in dit verband ook niet dienstig verwijzen naar het beweerd ontbreken van een “intentioneel element” in hoofde van de exploitant. Het aannemelijk bestaan van een milieumisdrijf, op grond van de samenlezing van de artikelen 16.4.5 en 16.4.18, § 2, DABM, vergt in hoofde van de verwerende partij niet de uitoefening van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid” (RvS nr. 239.676 van 26 oktober 2017).” Bijgevolg is de beroepsinstantie van oordeel dat door afdeling Handhaving ten onrechte beroep werd gedaan op de uitzonderingsgrond vermeld in artikel 36, §1, 3° van het Bestuursdecreet. In tweede instantie weigert de afdeling Handhaving de openbaarmaking omdat het gevraagde deel uitmaakt van een strafdossier dat in handen is van de procureur des Konings, dat onder het geheim van het onderzoek (artikel 28 quinquies Sv) valt. Afdeling Handhaving geeft aan dat, om het geheim van het onderzoek en rechten van verdediging niet te schenden, zij niet kunnen ingaan op het verzoek en dat, als inzage wordt gewenst van dit strafdossier, de beroeper hiervoor rechtstreeks een machtiging moet vragen aan de bevoegde procureur des Konings. De beroepsinstantie wenst op te merken dat in het dossier OVB/2021/443 de beroepsinstantie bij uitspraak d.d. 06 januari 2022 het beroep ontvankelijk en gegrond, onder voorbehoud van de toepassing van wettelijke of decretale uitzonderingsgronden, heeft beschouwd omwille van het feit dat de gevraagde documenten niet werden bezorgd aan de beroepsinstantie en een in concreto beoordeling bijgevolg niet tot de mogelijkheden behoorde. Niettegenstaande de beroepsinstantie de gevraagde documenten thans nog steeds niet mocht ontvangen en dus in se geen concrete beoordeling kan maken, is de beroepsinstantie thans op basis van het geheel van de aan de beroepsinstantie verstrekte gegevens in huidig beroepsdossier en de dossiers (OVB/2021/443 en OVB/2022/028) van oordeel dat in casu toepassing dient gemaakt te worden van de uitzonderingsgronden bepaald in artikel 6, §1, 5° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (wat niet milieu-informatie betreft) en artikel 27, §1, 4° van de wet van 5 augustus 2006 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie (voor wat milieu-informatie betreft). Op grond van artikel 6, §1, 5° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur moet een aanvraag tot openbaarmaking door een federale of niet federale administratieve overheid worden afgewezen als het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de opsporing of vervolging van strafbare feiten. Voor milieu-informatie dient echter artikel 27, §1, 4° van de wet van 5 augustus 2006 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie bekeken te worden. Deze bepaling voorziet dat een vraag tot openbaarmaking afgewezen wordt als het publiek belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de opsporing of vervolging van sanctioneerbare feiten. Deze uitzondering geldt ook voor de niet-federale overheden omdat zij verband houdt met de
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/022
pagina 7 van 8
strafvervolging, die met uitzondering van de bevoegdheden die artikel 11 en 11bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de Gemeenschappen en de Gewesten hebben toegekend, een federale bevoegdheid blijft. In bovenvermelde wet worden met “sanctioneerbare feiten” de strafrechtelijk beteugelde feiten bedoeld, evenals de feiten die onderworpen zijn aan een administratieve sanctie met inbegrip van de disciplinaire maatregelen. Onder deze uitzonderingsgrond kunnen bijvoorbeeld ook de documenten vallen die nog niet gelinkt zijn aan een lopend gerechtelijk onderzoek, maar waarvan de openbaarmaking het onderzoek eventueel kan schaden (Parl.St. Kamer 2005-2006, nr. 51, 2511/001, 36). Uit deze bepalingen volgt dat de aanvraag wordt afgewezen als het publiek belang van de openbaarmaking niet opweegt tegen de bescherming van het belang van de opsporing of vervolg van strafbare of sanctioneerbare feiten. De beroepsinstantie wenst hierbij te benadrukken dat bij voormelde belangenafweging geen rekening dient te worden gehouden met de individuele belangen. De beroepsinstantie mocht bij mailbericht van 31 januari 2022 van het Agentschap voor Natuur en Bos vernemen: “Dit dossier zit op het parket met status “in onderzoek”. Zolang er sprake is van een onderzoek door het Parket, wat in casu dus het geval is, kan de openbaarmaking van de gevraagde documenten niet toegestaan worden. De neutraliteit en objectiviteit van het onderzoek moet gevrijwaard worden zonder daarbij een lopend onderzoek door het Parket te beïnvloeden. Zolang het strafonderzoek nog lopende is, zou het vroegtijdig onthullen van het gevraagde kunnen verhinderen dat mogelijke nuttige onderzoekdaden in een geruststellende en serene sfeer zouden kunnen plaatsvinden. Een publiek belang inzake de openbaarmaking is in casu niet voorhanden, zodat de afweging van beide belangen bijgevolg in casu resulteert in het primerende belang van de uitzonderingsgrond vermeld in bovenvermelde bepalingen. Bijgevolg is het beroepschrift, gelet op de voorgaande overwegingen, ongegrond. Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 19 januari 2022 tegen de weigeringsbeslissing d.d. 20 december 2021 vanwege afdeling Handhaving wordt als ontvankelijk en ongegrond beschouwd. Brussel, 15 februari 2022 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/022
pagina 8 van 8