Skip to main content

Werkgelegenheid _doelgroepen_eindrapport_deel_3.pdf

Page 1

In dit hoofdstuk bespreken we afzonderlijk de deelpopulatie werkenden, dit zijn de personen uit de onderzoekspopulatie die werkten op 30/6/1997. Zoals reeds gesteld waren (op 30 juni 1997) 2 125 personen uit de onderzoekspopulatie ingeschreven bij de RSZ. Een aantal (177) van hen was in de referteperiode ook ingeschreven bij de RVA en beschouwen we als deels werkend, deels werkloos. Deze laatste groep wordt in de analyse van dit deel buiten beschouwing gelaten en apart behandeld (hoofdstuk 4). Zo omvat de analyse in dit deel 1 948 eenheden, i.e. 36% van de totale onderzoekspopulatie.

1

Bij de werkenden vinden we 68,4% mannen en 31,6% vrouwen, wat een man/vrouw verhouding oplevert van 2,13. Een cijfer dat iets hoger ligt dan deze index in de populatie (1,82) en beduidend hoger dan deze verhouding in de groep van de werklozen (1,43). De mannen uit de populatie blijken dan ook meer kans (65/100) te hebben op werk dan de vrouwen (56/100). Een mogelijke gedeeltelijke verklaringsgrond zou de leeftijd kunnen zijn: de mannen zijn gemiddeld ouder dan de vrouwen. Dan moet het percentage werkenden echter toenemen met de leeftijdscategorie. Dit onderzoeken we in een volgend punt. Waarschijnlijk is, zoals op de ganse arbeidsmarkt, de factor geslacht hier doorslaggevend: mannen blijken makkelijker werk te vinden dan vrouwen, zeker bij (laaggeschoolde en vaak) fysieke arbeid.

Tabel 3.1 geeft een overzicht van de verdeling naar leeftijdscategorieĂŤn van de werkenden. Ook wordt de kans op werk weergeven binnen elk leeftijdsniveau. 1. Zoals eerder reeds gesteld ligt het percentage werkenden hoger in de deelpopulatie 1996 (43%) en lager in de deelpopulatie 1997 (30%)

25


HOOFDSTUK 3

Tabel 3.1 Overzicht van de verdeling naar leeftijdscategorie van de werkenden Kans op werk Man/vrouw Index

Leeftijdscategorie

Absoluut aantal

% van de werkenden

Verwacht op basis van Populatie

18 tot 25 jaar

778

39,9

42,9%

33,8%

2,01

26 tot 30 jaar

308

15,8

15,1%

38,2%

2,34

31 tot 35 jaar

280

14,4

14,4%

36,2%

2,07

36 tot 40 jaar

223

11,4

11,7%

35,6%

1,97

41 tot 45 jaar

197

10,1

9,0%

40,9%

2,22

46 tot 50 jaar

114

5,9

4,8%

43,7%

3,75

51 tot 55 jaar

48

2,5

1,9%

47,1%

2,24

Bron: Eigen berekeningen, Kruispuntbank

Net zoals in de ganse populatie is de grootste groep van de werkenden (40%) tussen de 18 en de 25 jaar en neemt het aantal absoluut en procentueel af met de leeftijd. Als we de percentages bekijken en vergelijken met de op basis van de populatiegegevens verwachte percentages valt op dat de jongeren iets ondervertegenwoordigd zijn en de ouderen oververtegenwoordigd. Jongeren blijken minder kans op werk te hebben dan de oudere arbeidsgehandicapten. Dit wordt duidelijker als we de kans op werk bekijken per leeftijdscategorie (kolom 5): bij de jongeren (tot 25j) is deze 33/100, bij de 26- tot 40-jarigen stijgt deze tot 37/100 en bij de ouderen (+40 jaar) uit de populatie ligt deze op 43/100. De vraag die wij ons in een vorig punt stelden blijkt dus positief te worden beantwoord: leeftijd speelt een rol in het al dan niet werkend zijn bij de onderzochte arbeidsgehandicapten. Dat dit gegeven waarschijnlijk niet toe te schrijven valt aan een eventueel hoger opleidingsniveau van de oudere onderzoekseenheden blijkt uit figuur 3.1 die de verdeling van het opleidingsniveau weergeeft per leeftijdscategorie. Het is duidelijk dat het aandeel mensen die enkel een opleiding lager onderwijs hebben genoten toeneemt met het leeftijdsniveau en dat het aantal mensen met een hogere opleiding ongeveer stabiel blijft. Dit is logisch aangezien de laatste decennia de gemiddelde scholingsgraad van de gehele Vlaamse bevolking is toegenomen. Wat ook interessant is om te bestuderen is het aandeel per leeftijdscategorie van de mensen waarvan de opleiding gekend is en wel om de volgende reden: we hebben de gegevens in verband met opleiding gekregen van de RVA (de RSZ houdt zulke gegevens niet individueel bij) m.a.w. we hebben enkel de opleiding van alle werkende mensen die ooit ingeschreven zijn bij de

26

WAV D O S S I E R


OP DE ARBEIDSMARKT

RVA. Aan de hand van deze percentages kunnen we dus voor alle werkenden nagaan per leeftijdscategorie wie ooit werkloos is geweest. De dikke zwarte lijn in figuur 2.1 stelt dit voor. Het is duidelijk dat het aandeel gekend (= ooit werkloos geweest) daalt per leeftijdscategorie. Figuur 3.1 Verdeling van het opleidingsniveau van de werkenden naar leeftijdscategorie

Bron: Eigen berekeningen, Kruispuntbank

De man/vrouw verhouding schommelt in alle leeftijdscategorieĂŤn rond het gemiddelde van 2,16. Enkel bij de 46- tot 50-jarigen ligt deze bijna dubbel zo hoog (3,75).

Tabel 3.2 geeft een overzicht van de woonplaats van de werkenden uit de onderzoekspopulatie. Bovendien is ook per provincie het percentage werkenden weergegeven. De verdeling van de werkenden over de verschillende provincies uit de populatie volgt grotendeels deze van de populatie. Van alle mensen wiens woonplaats bekend is (3 024) werkt 59,7% van de populatie. Dit cijfer ligt ongeveer even hoog in alle provincies, behalve in Antwerpen dat lager scoort dan het gemiddelde met 51%. In West Vlaanderen en Vlaams Brabant ligt het percentage werkenden iets hoger dan het gemiddelde (rond de 65%). Figuur 3.2 geeft enkele karakteristieken weer van de werkenden per provincie die deze ver2

schillen mogelijk verklaren: het gemiddelde leeftijdsniveau, de gemiddelde scholingsgraad en de man/vrouw index. 2. De gemiddelde scholingsgraad is enkel berekend op basis van de individuen per provincie van wie de scholing is gekend en moet dus met de nodige voorzichtigheid worden geĂŻnterpreteerd.

ARBEIDSGEHANDICAPTEN OP DE ARBEIDSMARKT

27


HOOFDSTUK 3

Tabel 3.2 Overzicht van de geografische spreiding van de werkenden Woonplaats

Absoluut aantal

% van de werkenden

% werkend

Onbekend

143

7,3

100,0

Antwerpen

294

15,1

51,5

0

0,0

0,0

Limburg

298

15,3

60,2

Oost-Vlaanderen

328

16,4

56,9

West-Vlaanderen

562

28,9

64,8

Vlaams-Brabant

323

16,6

64,9

Brussel

Bron: Eigen berekeningen, Kruispuntbank

Figuur 3.2 Overzicht van het percentage werkenden, het gemiddelde opleidingsniveau, het gemiddelde leeftijdsniveau en de man/vrouw index van de werkenden per provincie

Bron: Eigen berekeningen, Kruispuntbank

De werkenden wonende in de provincie Antwerpen hebben het hoogste gemiddelde leeftijdsniveau, dezen uit Oost-Vlaanderen het laagste. De werkende deelpopulaties uit Limburg, Vlaams Brabant en West-Vlaanderen bevinden zich qua gemiddelde leeftijd van de residerende arbeidsgehandicapten, tussen deze twee uitersten. Het gemiddelde opleidingsniveau van de werkenden ligt in alle Vlaamse provincies ongeveer even hoog. De man/vrouw index daarentegen verschilt wel sterk van provincie tot provincie: Vlaams Brabant heeft het grootse percentage vrouwen bij de werkende arbeidsgehandicapten wat resulteert in de laagste man/vrouw index (1,53). Oost- en West-Vlaanderen en Antwerpen hebben

28

WAV D O S S I E R


OP DE ARBEIDSMARKT

vergelijkbare indexen van rond de 2,25. In Limburg vinden we beduidend meer mannen bij de werkenden dan vrouwen (2,78), de hoogste index bij de werkende deelpopulatie van de vijf, maar, zoals in vorig hoofdstuk bleek, is dit ook het geval wanneer we de ganse onderzoekspopulatie beschouwen.

Wat opleidingsniveau aangaat, voor de werkenden waarvan we de opleiding kennen, heeft slechts 18% een diploma hoger secundair onderwijs.

Tabel 3.3 Overzicht van de werkenden uit de onderzoekspopulatie naar opleidingsniveau Opleidingsniveau Onbekend

Absoluut aantal

% van de werkenden

Kans op werk

Gemiddelde Leeftijd

Man/vrouw Index

1 132

57,8

45,13

2,9084

2,3682

Lager onderwijs

199

24,3

28,67

2,7587

2,3728

Lager sec onderwijs

442

54,2

28,30

2,0023

1,9864

Hoger sec onderwijs

115

14,1

27,71

2,1391

1,2549

Hoger onderwijs

38

4,6

33,33

3,0000

1,3750

Ander

22

2,6

48,89

1,9090

2,0000

Bron: Eigen berekeningen, Kruispuntbank

Van 57,8% van de werkenden is de opleiding onbekend. Aangezien we de informatie over het opleidingsniveau enkel kunnen weten indien zij ooit bij de RVA ingeschreven geweest zijn, kunnen we dus concluderen dat van de werkenden slechts 57,8% nooit werkloos is geweest. Het is opvallend dat de kans op werk niet veel blijkt te stijgen per opleidingsniveau. Vraag bij deze kans op werk is uiteraard in welke mate dit beeld al dan niet vertekend wordt door de tewerkstelling in de beschutte werkplaatsen. Figuur 3.3 illustreert dit. Het aandeel van de beschutte werkplaatsen in de tewerkstelling is logischerwijze duidelijk lager bij de mensen met een hoger opleidingsniveaus dan bij de mensen met een lagere opleiding, maar zelfs bij deze laatste groep arbeidsgehandicapten is het aandeel van de tewerkstelling in de ‘reguliere arbeidsmarkt’ bijna 50%. De laatste kolom van tabel 3.3 illustreert opnieuw de hogere scholingsgraad van de vrouwen in onze onderzoekspopulatie: de dalende man/vrouw index wijst erop dat het procentueel aandeel van de vrouwen toeneemt evenredig met het opleidingsniveau.

ARBEIDSGEHANDICAPTEN OP DE ARBEIDSMARKT

29


HOOFDSTUK 3

Figuur 3.3 Overzicht van de verdeling van de werkenden naar aard van de onderneming per opleidingsniveau

Bron: Eigen berekeningen, data Kruispuntbank

Interessant is te zien waar al deze mensen op de arbeidsmarkt precies (niet) terecht komen, een vraag die we in dit punt trachten te beantwoorden. Voor de werkenden is immers ook beschikbaar welke economische activiteit het bedrijf waarin zij tewerkgesteld zijn, uitoefent. Hiervoor gebruiken we de activiteitennomenclatuur NACE Bel.

We geven eerst een globaal overzicht per sector. Tabel B.3.1 in bijlage biedt een gedetailleerder beeld. Net meer dan de helft van de werkende personen uit onze populatie is tewerkgesteld in de sectoren die vallen onder de noemer ‘Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening’. Reden hiervoor is het feit dat de tewerkstelling in beschutte werkplaatsen hieronder ressorteert. Iets meer dan 10% van de werkenden vinden we terug in de industrie, 6% wordt tewerkgesteld in de Groot en kleinhandel; reparatie van auto’s en huishoudelijke artikelen. De overige 34% is verdeeld over de overige sectoren. Enkel in de Visserij en de Winning van delfstoffen vinden we geen werkende arbeidsgehandicapten terug.

30

WAV D O S S I E R


OP DE ARBEIDSMARKT

Tabel 3.4 Overzicht van de sector van tewerkstelling (NACE-Bel indeling) Sectie

Omschrijving

Primair

Landbouw, jacht en bosbouw

Secundair

2,5

0

0,0

Totaal

49

2,5

Industrie Productie en distributie van elektriciteit, gas en water

0

0,0

205

10,5

6

0,3

73

3,7

Totaal

284

14,5

Groot en kleinhandel; reparatie van auto’s en huishoudelijke artikelen

123

6,3

Hotels en restaurants

41

2,1

Vervoer, opslag en communicatie

63

3,2

Bouwnijverheid

Financiële instellingen

Quartair

% werkenden

49

Visserij Winning van delfstoffen

Tertiair

Absoluut aantal

22

1,2

Onroerende goederen, verhuur en diensten aan bedrijven

207

10,6

Totaal

456

23,4

Openbaar bestuur

52

2,6

Onderwijs

53

2,7

982

50,4

61

3,1

Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening Gemeenschapsvoorzieningen, sociaal-culturele en persoonlijke diensten Overige diensten Totaal

11

0,5

1 159

59,3

Bron: Eigen berekeningen, Kruispuntbank

Naast de sector van tewerkstelling, beschikken we ook over loongegevens, tevens opgesteld 3

naar sector. Herberekenen naar categorieën van 250 BEF. Figuur 3.4 geeft een overzicht van het dagloon van de 1 948 werkenden uit de populatie. 3. Van alle werkende arbeidsgehandicapten uit onze populatie werd op volgende wijze het gemiddeld dagloon berekend: – Per persoon worden alle arbeidsplaatsen opgezocht voor de periode 01/4 tot 30/6 1997; – Per arbeidsplaats worden alle aangegeven bezoldigde periodes opgezocht; – Som van de bezoldigingen voor alle geselecteerde periodes; – Som maken van alle bezoldigde dagen voor alle geselecteerde periodes; – (Deeltijdse periodes: totaal aantal arbeidsuren delen door 7,6 om een omzetting op basis van een 38-uren week te maken naar equivalente dagen); – Delen van het totaal bedrag der bezoldigingen door het totaal aantal bezoldigde dagen levert een gemiddeld dagloon voor dat trimester op; – Herberekenbaar naar categorieën van 250 BEF.

ARBEIDSGEHANDICAPTEN OP DE ARBEIDSMARKT

31


HOOFDSTUK 3

Figuur 3.4 Overzicht van het dagloon van de werkenden uitgedrukt in klassen van 250 BEF

Bron: Eigen berekening, Kruispuntbank

De figuur illustreert treffend de grote verschillen tussen de individuele daglonen van de arbeidsgehandicapten. Het gemiddelde4 niveau situeert zich weliswaar op 9,410 BEF (tussen de 2 250 en de 2 500 BEF.), toch ligt het dagloon van meer dan ĂŠĂŠn derde van de werkende mensen uit onze populatie tussen de 1 501 en 1 750 BEF. (waarde 7). Slechts 14% verdient meer dan 3 000 BEF. Mannen verdienen gemiddeld gezien beduidend meer dan vrouwen: de 1 275 mannen hebben een gemiddeld loonniveau van 9,669 BEF, de 595 vrouwen scoren duidelijk lager met 8,857 BEF. De (iets) hogere gemiddelde leeftijd van de mannenpopulatie kan een deel van dit verschil verklaren.

5

Uiteraard is ook opleiding een belangrijke determinerende variabele voor wat het loon betreft. Personen met een hogere opleiding verdienen gemiddeld meer dan personen met een lagere opleiding. Figuur 3.5 brengt dit in kaart. De dikke zwarte lijn duidt het globaal gemiddelde aan.

4. Om onderschatting van het reĂŤle dagloon van de individuen, werd bij de berekeningen van gemiddeldes van dagloon geen rekening gehouden met de 78 personen die de waarde 0 hadden. Deze personen stonden dus wel ingeschreven bij de RSZ maar ontvingen dus geen loon. (gevolg N=1 870) 5. Dit verschil wordt statistisch bevestigd door de uitslag van de t-test (F=4,0299; DF=1456,1; p=0,0001).

32

WAV D O S S I E R


OP DE ARBEIDSMARKT

Figuur 3.5 Overzicht van het gemiddelde loonniveau van de werkenden naar scholingsgraad

Bron: Eigen berekening, Kruispuntbank

De belangrijkste factor in het loon van de arbeidsgehandicapten is (logischerwijze) de leeftijd. Hoe ouder de personen hoe groter de kans op een hoger loon (anciĂŤnniteit). Figuur 3.6 illustreert dit treffend.

Figuur 3.6 Overzicht van het gemiddelde loonniveau van de werkenden naar leeftijd

Bron: Eigen berekening, Kruispuntbank

Het individueel loonniveau kan beĂŻnvloed worden door variabelen als de sector, het persoonlijk statuut, het statuut van de onderneming en de grootte van de onderneming. Figuur 3.6 geeft het gemiddelde loonniveau van de werkende arbeidsgehandicapten weer per sector van tewerkstelling. Om rekening te houden met de reeds aangehaalde effecten van geslacht en leeftijd op het gemiddeld loonniveau werden deze variabelen in de figuur betrokken. Merk op dat het in de figuren aangeduide percentage mannen om didactische redenen teruggebracht werd tot een schaal van 1 tot 10 en dus met 10 vermenigvuldigd moet worden om het ware percentage mannelijke arbeidsgehandicapten tewerkgesteld in een bepaalde sector, te kennen.

ARBEIDSGEHANDICAPTEN OP DE ARBEIDSMARKT

33


HOOFDSTUK 3

Het hoogste gemiddeld loonniveau vinden we terug in de sector van Speur- en Ontwikkelingswerk. Het laagste in de sector Luchtvaart en Vervoer over Water. Deze gemiddeldes dienen wel voorzichtig te worden geĂŻnterpreteerd omwille van de grote verschillen in het aantal personen uit de onderzoekspopulatie per sector. Ook geslacht speelt blijkbaar een rol in de sector van de tewerkstelling. Traditiegetrouw zijn er een aantal industriĂŤle sectoren waar uitsluitend mannen uit de onderzoekspopulatie tewerkgesteld zijn: Papier- en Kartonnijverheid, Rubber- en Kunststofnijverheid, Metallurgie, de Houtindustrie, Vervaardiging van Transportmiddelen en (elektrische) machines. Andere sectoren zoals de Kledingsector en de Telecommunicatiesector stellen hoofdzakelijk vrouwen tewerk.

Figuur 3.7 Gemiddeld dagloonniveau, gemiddeld leeftijdsniveau en procentueel aandeel mannen van de werkende arbeidsgehandicapten per sector, 1997

34

WAV D O S S I E R


OP DE ARBEIDSMARKT

Bron: Eigen berekeningen o.b.v. data Kruispuntbank

Alle werkenden kunnen wettelijk gesproken drie mogelijke statuten hebben: arbeider, bediende of ambtenaar. Onderstaande tabel geeft een overzicht van enkele karakteristieken van de onderzochte arbeidsgehandicapten naar deze categorieĂŤn.

ARBEIDSGEHANDICAPTEN OP DE ARBEIDSMARKT

35


HOOFDSTUK 3

Tabel 3.5 Overzicht van de werkenden naar statuut Statuut

Absoluut aantal

Arbeider

1 550

79,6%

2,31

8,5167

Bediende

350

18,0%

1,34

12,7512

48

2,5%

3,03

14,0831

1 948

100,0%

1,82

9,4100

Ambtenaar Totaal

Percentage van de werkenden

Man/Vrouw Index

Gemiddeld loonniveau

Bron: Eigen berekeningen, Kruispuntbank

Bijna 80% van de werkenden werkt als arbeider, 18% werkt met een bediendecontract en slechts 2,5% heeft een ambtenaren statuut. Opvallend is de sterk verschillende man/vrouw index over de drie statuten heen. Over de ganse populatie gezien bedraagt deze immers 1,82, in de arbeiderscategorie ligt deze iets hoger (2,31) en in de categorie van de ambtenaren veel hoger (3,03). Bijgevolg vinden we een duidelijk lagere index terug bij de bediendepopulatie. Veel beroepen die traditioneel hoofdzakelijk uitgeoefend worden door vrouwen behoren immers tot de administratieve sfeer waar met een bediendecontract wordt gewerkt. Het verschil in beloning is duidelijk: bedienden (12,7) verdienen beduidend meer dan arbeiders (8,5), ambtenaren nog meer (14,1). De tewerkstelling in beschutte werkplaatsen verklaart dit verschil voor een deel. Berekenen we het gemiddelde loonniveau voor de arbeiders immers zonder deze tewerkgesteld in beschutte werkplaatsen, dan stijgt dit tot 9,6. Zoals reeds werd vastgesteld is ook leeftijd een belangrijke factor voor loon. Het is dan ook interessant na te gaan of er verschillen zijn op statutair vlak tussen de leeftijdscategorieĂŤn. Figuur 3.8 toont aan dat dit duidelijk het geval is. Figuur 3.8 Overzicht van de verdeling van de werkenden naar statuut per leeftijdscategorie

Bron: Eigen berekeningen, Kruispuntbank

36

WAV D O S S I E R


OP DE ARBEIDSMARKT

Globaal kunnen we stellen dat de concentratie arbeiders afneemt met de leeftijd zonder onder de 64% te duiken, en dat de concentratie bedienden en ambtenaren iets toeneemt. Dit verklaart weer een deel van het loonverschil. Een analyse van het gemiddelde opleidingsniveau kan ook een deel van het loonverschil verklaren: het gemiddelde opleidingsniveau bij de arbeiders is 1,79 bij de bedienden 1,96. De rest van het loonverschil is te verklaren door de sector waarin de tewerkstelling gebeurt en de functie die men bekleedt: de vaak beter betaalde kaderfuncties en dergelijke ressorteren immers onder het bediendestatuut.

Tabel 3.6 geeft een overzicht van de grootte van de onderneming waarin arbeidsgehandicapten tewerkgesteld worden. Tabel 3.6 Overzicht van de werkenden naar ondernemingsgrootte Ondernemingsgrootte

Absoluut aantal

Percentage van de werkenden

Gemiddeld loonniveau

1-9 werknemers

259

13,3%

9,729

10-49 werknemers

279

14,3%

9,881

50-99 werknemers

120

6,2%

9,902

100-499 werknemers

629

32,3%

8,502

meer dan 499 werknemers

661

33,9%

9,861

Bron: Eigen berekeningen, Kruispuntbank

De meeste werkende arbeidsgehandicapten (66%)uit onze populatie vinden we terug in de grotere ondernemingen met meer dan 100 werknemers. De overigen zijn tewerkgesteld in de kleinere ondernemingen: 13% in ondernemingen met minder dan 10 werknemers, iets meer (14%) in ondernemingen met tussen de 10 en de 49 werknemers en 6% in ondernemingen met meer dan 49 maar geen 100 werknemers.

6

Het gemiddelde loonniveau berekend naar de grootte van de onderneming ligt overal ongeveer even hoog, uitgezonderd bij de werkenden tewerkgesteld in ondernemingen met tussen de 100 en de 500 werknemers. Een verklaring zou een groter aandeel tewerkstelling in beschutte werkplaatsen kunnen zijn. Dit onderzoeken we verder in dit rapport. Dat een groot deel van de arbeidsgehandicapten tewerkgesteld zijn in beschutte werkplaatsen is een algemeen gekend feit. Interessant is dan ook niet alleen na te gaan hoeveel personen uit de 6. Een analyse met de tewerkstelling in de beschutte werkplaatsen afzonderlijk maken we verder in dit rapport.

ARBEIDSGEHANDICAPTEN OP DE ARBEIDSMARKT

37


HOOFDSTUK 3

onderzoekspopulatie in ‘gewone’ ondernemingen werken en hoeveel in beschutte werkplaatsen, maar ook en vooral te zoeken naar verschillen in persoonlijke karakteristieken tussen zij die werken in ‘gewone’ ondernemingen en zij die werken in beschutte werkplaatsen. Tabel 3.7 geeft hiervan een overzicht.

Tabel 3.7 Overzicht van de werkenden naar statuut van de onderneming Statuut

Gewone onderneming Beschutte werkplaats

Absoluut aantal

Percentage

Gemiddeld loonniveau

Gemiddeld Opleidingsniveau

Man/vrouw Index

Gemiddeld Leeftijdsniveau

1 088

55,9%

11,142

1,925

2,583

2,782

860

44,1%

7,278

1,691

1,746

2,446

Bron: Eigen berekeningen, Kruispuntbank

Op het gebied van loonniveau stellen we een serieus verschil vast: werkenden in beschutte werkplaatsen verdienen beduidend minder dan collega’s werkend in ‘gewone’ ondernemingen.

7

Deels kan dit verklaard worden door een lager opleidingsniveau van diegenen die in beschutte 8

werkplaatsen werken. Ook het gegeven dat er meer jongeren werken in beschutte werkplaatsen speelt hierin een rol.

9

De belangrijkste verklaring voor dit geconstateerde loonverschil is echter dat op het moment van het onderzoek een heel groot deel van de mensen tewerkgesteld in de beschutte werkplaatsen nog niet eens het minimumloon verdienden. Het feit dat beduidend meer vrouwen in beschutte werkplaatsen werken dan in gewone onder10

nemingen kan een deel van het loonverschil tussen mannen en vrouwen dat we reeds vaststelden, verklaren. Bij het onderzoeken van het gemiddelde loonniveau volgens de ondernemingsgrootte van de tewerkstelling, stelden we een deficit vast bij de grotere ondernemingen (meer dan 100 werknemers). We opperden toen dat de reden hiervoor een groter aandeel van beschutte werkplaatsen in deze categorie kon zijn. 7. 8. 9. 10.

Dit verschil wordt statistisch bevestigd door de uitslag van de t-test. (t=31,8486; Df=1200,5; p=0,0001) Dit verschil wordt statistisch bevestigd door de uitslag van de t-test. (t=5,0960; Df=1 840;p=0,0001) Dit verschil wordt statistisch bevestigd door de uitslag van de t-test. (t=4,1350; Df=1 818; p=0,0001) Dit verschil wordt statistisch bevestigd door de uitslag van de chi-square. (X2=16,832; DF=1; p=0,001)

38

WAV D O S S I E R


OP DE ARBEIDSMARKT

Figuur 3.9 brengt de verhouding gewone ondernemingen – beschutte werkplaatsen naar ondernemingsgrootte in beeld. Het is duidelijk dat de beschutte werkplaatsen gemiddeld veel groter zijn dan de ondernemingen waarin tewerkstelling gebeurt in de ‘gewone’ vorm. Het aandeel van de beschutte werkplaatsen in de totale tewerkstelling naar ondernemingsgrootte stijgt hiermee evenredig. In de categorie van ondernemingen met meer dan 100 werknemers is hun aandeel zelfs groter dan deze van gewone onderneming: 63%. De eerder geformuleerde hypothese dat het lage gemiddelde loonniveau bij personen tewerkgesteld in deze categorie kan verklaard worden door de tewerkstelling in beschutte werkplaatsen, wordt dus bevestigd. Figuur 3.9 Overzicht van de verdeling van de werkenden naar aard van tewerkstelling per ondernemingsgrootte

Bron: Eigen berekeningen, Kruispuntbank

Een andere zaak is de woonplaats van de tewerkgestelden in de beschutte werkplaats, dit zou immers een verklaring kunnen zijn voor de geografische spreiding in de totale populatie. Figuur 3.10 geeft het procentueel aandeel van de tewerkstelling per provincie weer. De zwarte verticale lijn duidt opnieuw het gemiddelde aan. Procentueel gezien heeft de tewerkstelling in beschutte werkplaatsen het grootste aandeel in de totale tewerkstelling van onze onderzoekseenheden in West-Vlaanderen (52%) en Vlaams Brabant (48). Antwerpen scoort iets minder (45%) en situeert zich rond het gemiddelde (44%). In Limburg (36%) en vooral in Oost-Vlaanderen (33%) ligt dit aandeel beduidend lager. Dit ondersteunt onze eerder geformuleerde hypothese in verband met de oververtegenwoordiging van West-Vlaanderen bij het analyseren van de geografische spreiding.

ARBEIDSGEHANDICAPTEN OP DE ARBEIDSMARKT

39


HOOFDSTUK 3

Het feit dat West-Vlaanderen oververtegenwoordigd is in de tewerkstelling in beschutte werkplaatsen wordt onderstreept door het hoog absoluut aantal werkenden (562), waar dat dit in de andere provincies rond de 300 schommelt. Figuur 3.10 Verdeling van de werkenden naar statuut onderneming per provincie

Bron: Eigen berekeningen, Kruispuntbank

In totaal gebeurt dan ook meer dan een derde van de tewerkstelling in beschutte werkplaatsen uit onze onderzoekspopulatie in West-Vlaanderen. Vreemd genoeg blijkt uit de tewerkstellingsgegevens van het aantal arbeidsplaatsen in beschutte werkplaatsen per provincie dat West-Vlaanderen 24% van het totaal aantal arbeidsplaatsen in beschutte werkplaatsen in Vlaanderen heeft, wat minder is dan Antwerpen (28%), maar meer dan Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen (19%) en Limburg (10%). Waarom deze situatie niet in onze onderzoekspopulatie wordt weerspiegeld, kunnen wij voorlopig niet verklaren.

De meeste bedrijven die deze arbeidsgehandicapten tewerkstellen, hebben een privaat statuut. Slechts 8% van de arbeidsgehandicapten werkt in ondernemingen met een publiek statuut.

40

WAV D O S S I E R


OP DE ARBEIDSMARKT

Volgende elementen onthouden we uit de analyse: – Van de 5 347 onderzochte arbeidsgehandicapten blijkt slechts 36% werk te hebben (40% wanneer we ook de deeltijds werkenden – deeltijds werklozen meerekenen). – Mannen blijken iets meer kans op werk te hebben dan vrouwen (0,64 t.o.v. 0,56). – De kans op werk stijgt evenredig met het leeftijdsniveau (van 0,60 bij de jongeren tot 0,76 bij de oudsten). – Van de arbeidsgehandicapten waarvan de woonplaats gekend is, blijken zij die wonen in West Vlaanderen (65%) en Vlaams Brabant (65%) meer kans op werk te hebben diegenen die in Antwerpen wonen (52%). Dit verschil is niet te wijten aan substantiële verschillen in het opleidingsniveau, het leeftijdsniveau of de man/vrouw index. – Via de opleidingsvariabele weten we dat 42%van de werkenden ooit werkloos was. – De kans op werk blijkt niet te stijgen met de opleidingsgraad door de vertekening van de tewerkstelling in beschutte werkplaatsen die logischerwijze een veel groter aandeel heeft in de tewerkstelling van arbeidsgehandicapten met een zeer lage opleiding. – Bijna de helft (44%) van de werkenden is tewerkgesteld in een beschutte werkplaats. De overigen zitten verspreid over verschillende sectoren: de voornaamste zijn Industrie (10%), Onroerende Goederen, Verhuur en Diensten aan Bedrijven (10%) en de Groot en Kleinhandel, Reparatie van auto’s en huishoudelijke artikelen (6%). – Het gemiddelde dagloonniveau in de werkende populatie bedraagt 9,410 (tussen de 2 250 en de 2 500 BEF). Toch ligt het dagloon van meer dan één derde van de werkenden onder de 1 750 BEF. Slechts 14% van de werkenden verdient meer dan 3 000 BEF per dag. – De vrouwen uit de populatie verdienen gemiddeld minder dan mannen. (gemiddeld loonniveau mannen 9,669 ten opzichte van 8,857 bij de vrouwen). – De belangrijkste factoren die de hoogte van het loon bepalen zijn leeftijd (ouderen verdienen meer dan jongeren), opleiding (hoe hoger het opleidingsniveau hoe meer kans op een hoger loon), de sector, het statuut (ambtenaren verdienen meer dan bedienden die op hun beurt meer verdienen dan arbeiders) en de aard van de onderneming waarin men tewerkgesteld is (mensen in beschutte werkplaatsen verdienen minder dan mensen in ‘gewone’ ondernemingen). Andere belangrijke factoren zoals functie en dergelijke werden niet in het onderzoek opgenomen. – Vrouwen, jongeren, onderzochte personen met een lage opleiding en personen wonende in West-Vlaanderen en Brabant blijken in de onderzoekspopulatie de grootste kans te hebben om tewerkgesteld te worden in beschutte werkplaatsen. – Slechts een heel klein percentage arbeidsgehandicapten (8%) wordt tewerkgesteld in de publieke sector.

ARBEIDSGEHANDICAPTEN OP DE ARBEIDSMARKT

41


42


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook