Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013 Jaarverslag 2011
Departement Landbouw en Visserij afdeling Monitoring en Studie
Linn Dumez Michael Van Zeebroeck
Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013, Jaarverslag 2011 Linn Dumez, Michael Van Zeebroeck juni 2012 Depotnummer: D/2012/3241/151
Departement Landbouw en Visserij Afdeling Monitoring en Studie Ellipsgebouw (6de verdieping) Koning Albert II - laan 35, bus 40 1030 Brussel Tel. 02 552 78 24 - Fax 02 552 78 21 e-mail: ams@vlaanderen.be Vermenigvuldiging of overname van gegevens zijn toegestaan mits de bron expliciet vermeld wordt: Dumez L., Van Zeebroeck M. (2012) Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013, Jaarverslag 2011, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel.
Wij doen ons best om alle informatie, webpagina's en downloadbare documenten voor iedereen maximaal toegankelijk te maken. Indien u echter problemen ondervindt om bepaalde gegevens te raadplegen, willen wij u graag helpen. U kan steeds contact met ons opnemen. Wilt u op de hoogte gehouden worden van onze nieuwste publicaties, schrijf u dan in op de AMS-nieuwsflash via de onderstaande link: http://www.vlaanderen.be/landbouw/studies
Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013 Jaarverslag 2011
Conform artikel 78 d) van Verordening (EG) nr. 1698/2005 werd dit jaarverslag 2011 door het ToezichtcomitĂŠ onderzocht en goedgekeurd, alvorens het aan de Europese Commissie werd overgemaakt.
Inhoud 1
VOORWOORD ........................................................................................................................................... 2
2
LEESWIJZER ............................................................................................................................................. 3
3
ALGEMEEN KADER ................................................................................................................................ 4
4
PROGRAMMAMANAGEMENT ............................................................................................................. 7 4.1 TOEZICHT EN EVALUATIE .......................................................................................................................... 8 4.2 BEHEER VAN HET PROGRAMMA ................................................................................................................. 9 4.3 TECHNISCHE BIJSTAND ............................................................................................................................ 10 4.3.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 10 4.3.2 Vlaams Ruraal Netwerk ................................................................................................................ 11 4.4 VOORLICHTING EN PUBLICITEIT .............................................................................................................. 15
5
ONGOING EVALUATIE ......................................................................................................................... 16 5.5 INLEIDING................................................................................................................................................ 16 5.6 SYSTEEM VOOR EVALUATIE TIJDENS DE UITVOERING .............................................................................. 16 5.7 ONDERNOMEN EVALUATIEACTIVITEITEN ................................................................................................ 16 5.7.1 Opvolging aanbevelingen midtermevaluatie ................................................................................. 16 5.7.2 Uitbestede studies.......................................................................................................................... 18 5.7.3 Studies uitgevoerd binnen de administratie .................................................................................. 18 5.8 NETWERKACTIVITEITEN VAN PERSONEN BETROKKEN BIJ EVALUATIE ..................................................... 19
6
PDPO INDICATOREN 2011 ................................................................................................................... 21 6.9 ALGEMEEN .............................................................................................................................................. 21 6.10 INTERPRETATIE ................................................................................................................................... 21 6.11 FINANCIËLE INDICATOREN .................................................................................................................. 21 6.11.1 Overzicht uitgaven .................................................................................................................... 21 6.11.2 Overzicht terugvorderingen...................................................................................................... 34 6.12 INDICATOREN PER AS: TOTAAL INCLUSIEF HEALTH CHECK EN ECONOMISCH HERSTELPLAN ............. 35 6.12.1 As 1 – Verbetering van het concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector ................ 35 6.12.2 As 2 – Verbetering van het milieu en het platteland ................................................................. 59 6.12.3 As 3 – De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie .......... 87 6.12.4 As 4 – Leader............................................................................................................................ 99 6.13 INDICATOREN PER AS: SPECIFIEKE MONITORING HEALTH CHECK EN ECONOMISCH HERSTELPLAN .. 105 6.13.1 Inleiding ................................................................................................................................. 105 6.13.2 As 1 ......................................................................................................................................... 105 6.13.3 As 2 ......................................................................................................................................... 108 6.13.4 As 3 ......................................................................................................................................... 111
7
SAMENVATTING .................................................................................................................................. 112
8
BRONNEN ............................................................................................................................................... 116
9
LIJST AFKORTINGEN ......................................................................................................................... 117
10
LIJST CONTACTPERSONEN ............................................................................................................. 119
11
BIJLAGE 1: LIJST ARTIKEL 82 .............................................................................................................. I
12
BIJLAGE 2: LIJST AANGEPASTE TARGETS .................................................................................... II
13 BIJLAGE 3: TIJDREEKS VAN AANTAL CONTRACTEN, AREAAL EN UITGAVEN VAN DE AGROMILIEUMAATREGELEN .................................................................................................................... VI 14
BIJLAGE 4: INDICATORENTABELLEN (EXCEL)........................................................................... IX
1
1
Voorwoord
Het Jaarverslag 2011 van het Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 20072013 (PDPO II) bevat heel wat cijfermateriaal, onder de vorm van op Europees niveau gedefinieerde indicatoren, voor u verduidelijkt aan de hand van figuren en tabellen. Dit en de vorige jaarverslagen geven samen met de midtermevaluatie een goed overzicht van waar we staan in de huidige programmaperiode. In dit rapport wordt, in een aantal kaderstukken, dieper ingegaan op enkele maatregelen van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. Er wordt bovendien gekeken naar agromilieumaatregelen met een effect op water en een winnend project van de wedstrijd Prima Plattelandsproject wordt voorgesteld. Dit jaar wordt ook verder gerapporteerd over de Health Check en het Economisch Herstelplan. Aan de totstandkoming van dit jaarverslag ging heel wat voorbereidend werk vooraf. De beheersdiensten van de Vlaamse beleidsdomeinen Leefmilieu, Natuur en Energie en Landbouw en Visserij verzamelden en leverden het nodige cijfermateriaal. De coördinatie voor de opmaak van dit jaarverslag werd toevertrouwd aan de afdeling Monitoring en Studie van het Departement Landbouw en Visserij. Ook de Coördinerende Cel Europees Plattelandsbeleid, afdeling Organisatie en Strategisch Beleid van hetzelfde departement, leverde bijdragen. Mijn dank gaat dan ook uit naar de betrokken medewerkers van de verschillende beheersdiensten en het Vlaams Betaalorgaan (Agentschap voor Landbouw en Visserij). Ik wens u veel leesplezier.
Jules Van Liefferinge Secretaris-generaal Departement Landbouw en Visserij Voorzitter Uitvoeringscomité PDPO
2
2
Leeswijzer
Voorliggend rapport geeft een beeld van het vijfde jaar van uitvoering van het Programmadocument voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013 (PDPO II) dat bij beschikking C(2007)5555 van 13 november 2007 door de Europese Commissie werd goedgekeurd. Hoe een jaarverslag er moet uitzien en wat er allemaal in hoort, staat te lezen in verordening (EG) nr. 1698/2005 (plattelandsverordening), artikel 82 punt 2 a) tot g) en werd in detail uitgewerkt in de EU-Richtsnoeren (Europese Commissie, 2006). In feite komen de bepalingen van de EU-plattelandsverordening voor het jaarverslag neer op een kwantitatieve rapportering aan de hand van door de Europese Commissie vastgelegde indicatoren (artikel 82, punt 2 b) en een beschrijving van de uitvoeringsomstandigheden, de werkzaamheden op vlak van monitoring en evaluatie en de maatregelen genomen door de beheersautoriteit en het ToezichtcomitĂŠ om tot een goede programma-uitvoering te komen (alle andere onderdelen van artikel 82 punt 2). Waar van toepassing wordt in een kaderstukje verwezen naar de betreffende bepaling van artikel 82 (overzicht met paginering in bijlage 1). De door de Europese Commissie gevraagde indicatorentabellen (European Commission, 2009) vormen een bijlage (bijlage 4) bij dit rapport. De belangrijkste kengetallen worden in het rapport nader toegelicht aan de hand van figuren en tabellen.
3
3
Algemeen kader Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82, 2 a) elke verandering van de algemene omstandigheden die een rechtstreekse invloed heeft op de voorwaarden voor de uitvoering van het programma, en elke wijziging van het communautaire en nationale beleid dat gevolgen heeft voor de coherentie tussen de bijstand van het ELFPO en die van de andere financieringsinstrumenten
Twee gebeurtenissen hadden in 2011 een belangrijke invloed op de uitvoering van en wijzigingen aan het PDPO II: -
In maart 2011 voerde de Europese Commissie een audit uit bij het Vlaamse Betaalorgaan over de uitvoering van agromilieumaatregelen. Een van de bevindingen van de auditoren ging over het feit dat de begunstigde bij een aantal agromilieumaatregelen zijn percelen jaarlijks kan variëren en dat hierdoor ook een grotere oppervlakte dan de contractoppervlakte kon worden uitbetaald. De auditor had twijfels over de rechtsgeldigheid van deze praktijk. In 2011 werd hierover nog geen definitieve beslissing door de Europese Commissie genomen. Evenwel verzocht de Europese Commissie Vlaanderen om in afwachting van de beslissing een beperking op de variabele oppervlakte te voorzien. Dit had een grote impact op de goedkeuringsprocedure van de PDPO II-wijzigingen in 2011.
-
In 2011 werd het Mestdecreet (Vlaamse wetgeving die uitvoering geeft aan de Nitraatrichtlijn) gewijzigd. De bemestingsnormen uit het Mestdecreet vormen de basis voor de beheerovereenkomst water. Door de aanpassing van het Mestdecreet moesten ook de voorwaarden voor beheerovereenkomst water bijgesteld worden.
In 2011 werd twee maal een wijziging aan het PDPO II ingediend bij de Europese Commissie. Het ging telkens om notificatiewijzigingen in het kader van art. 6(1)(c) van de verordening 1974/2006. 1. Wijziging aan agromilieumaatregelen Op 4 mei 2011 diende de beheersautoriteit een PDPO II-wijziging in. Het betrof een aantal kleine aanpassingen aan de agromilieumaatregelen: -
Beheerovereenkomst soortenbescherming (214-H) – hamsters: in plaats van graan- of luzernestroken worden graanopvangpercelen voorzien voor de bescherming van de hamster. Het steunbedrag wordt verhoogd.
-
Beheerovereenkomst erosiebestrijding (214-I): een aantal cijfers wordt aangepast voor de dam met erosiepoel. Het betreft geen inhoudelijke wijzigingen, enkel een gewijzigde omrekening naar de eenheid euro/m² en een rechtzetting van de bijdragen van de Vlaamse cofinanciering.
-
Er werd ook een wijziging aan de beheerovereenkomst perceelsrandenbeheer (214-G) ingediend, maar deze wijziging werd tijdens de goedkeuringsprocedure terug ingetrokken.
Op 18 juli verstuurde de Europese Commissie een brief met bijkomende vragen. Op 29 juli werd op deze brief geantwoord.
4
Op 6 september zond de Europese Commissie nog een tweede brief met het verzoek om het probleem van de variabiliteit (zoals vastgesteld tijdens een auditbezoek in maart – cfr. supra) op te lossen bij een volgende PDPO II-wijziging. Op 28 september heeft de beheersautoriteit hier positief op geantwoord. De wijzigingen aan maatregelen 214-H en 214-I werden vervolgens goedgekeurd op 3 oktober 2011. 2. Wijziging aan agromilieumaatregelen, agroforestry, voedselkwaliteitsregelingen en indicatoren Op 31 augustus werden volgende wijzigingen aan het PDPO II officieel ingediend: -
Beheerovereenkomst water (214-J): een inhoudelijke wijziging ten gevolge van een wijziging aan het Mestdecreet dat de baseline vormt (onder andere wijziging van de wettelijke bemestingsnormen en van de wettelijke nitraatresidu-drempelwaarden) (cfr. supra). De voorwaarden voor de beheerovereenkomst water werden overeenkomstig aangepast, zodat deze maatregel verder gaat dan de geldende wetgeving.
-
Agroforestry (222): de wijziging omvatte een paar verduidelijkingen en inhoudelijke aanpassingen met het oog op een goede uitvoerbaarheid van de maatregel (verlaging van de minimale plantdichtheid en van de minimale subsidiabele oppervlakte).
-
Voedselkwaliteitsregelingen (132): de wijziging verduidelijkingen en tekstuele aanpassingen.
-
Daarnaast werden ook een aantal indicatoren aangepast en de staatssteunfiches geactualiseerd.
bestond
uit
enkele
Op 30 september 2011 stuurde de Europese Commissie een brief met het verzoek om het probleem van de variabiliteit (zoals vastgesteld tijdens het auditbezoek in maart 2011) aan te pakken. Op 3 oktober en op 4 oktober (correctie) heeft de beheersautoriteit hier gevolg aan gegeven. Een tweede correctie werd per mail op 11 oktober doorgestuurd en eind oktober in SFC ingediend, nadat de vorige versie in SFC werd afgesloten. Er werd voorgesteld om voor variabele agromilieumaatregelen een maximale verhoging van 30% uit te betalen (ten opzichte van de contractoppervlakte). De voorgestelde 30% werd uiteindelijk teruggebracht tot 20%. Op 19 december 2011 verstuurde de Europese Commissie een brief met aanvullende vragen, waarop de beheersautoriteit antwoordde op 2 januari 2012. De definitieve goedkeuring volgde op 6 februari 2012. In 2011 werden bovendien nog volgende twee PDPO II-wijzigingen goedgekeurd die reeds in 2010 via de notificatieprocedure bij de Europese Commissie waren ingediend. 1. Wijziging aan VLIF-steun en aan agromilieumaatregel “genetische diversiteit” Op 12 oktober 2010 werd een aantal wijzigingen ingediend voor: - modernisering van landbouwbedrijven (maatregel 121) - diversificatie van landbouwbedrijven (maatregel 311) - behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen en variëteiten van hoogstamboomgaarden (agromilieumaatregel 214 C)
5
Bovenstaande wijzigingen, veelal met het oog op het onder controle houden van het budget (zie Jaarverslag 2010), werden door de Europese Commissie goedgekeurd op 24 januari 2011. 2. Wijziging aan agromilieumaatregel “genetische diversiteit” De agromilieumaatregel 214 C (behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen en variëteiten van hoogstamboomgaarden) werd verder aangepast voor de hoogstamfruitbomen (voor details zie Jaarverslag 2010). De wijziging werd op 22 december 2010 officieel ingediend en door de Europese Commissie aanvaard op 20 april 2011.
6
4
Programmamanagement Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82, 2f) een verklaring over de inachtneming van het communautaire beleid in het kader van de bijstand, inclusief informatie over de ondervonden problemen en over de maatregelen die zijn genomen om deze aan te pakken
Alle communautaire voorschriften op het gebied van mededinging, de plaatsing van overheidsopdrachten, milieubescherming en -verbetering, de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie werden in acht genomen. In 2011 werden twee PDPO II-wijzigingen ingediend bij de Europese Commissie (zie hoger). Niettegenstaande het in beide gevallen ging om een notificatieprocedure (art. 6(1)(c) van de verordening 1974/2006), botste de beheersautoriteit op grote obstakels bij deze goedkeuringsprocedures. De ondervonden moeilijkheden zijn van tweeĂŤrlei aard: - Voor bepaalde maatregelen (in het bijzonder agromilieumaatregelen) had de Europese Commissie nood aan zeer gedetailleerde gegevens over de uitvoeringsmodaliteiten, berekening van het premiebedrag, enzovoort. De Europese Commissie stelde bijgevolg veel bijkomende vragen, zelfs over kleine wijzigingen. De beheersautoriteit is vragende partij om de onduidelijkheden en misverstanden uit te klaren op een bilateraal overleg tussen deskundigen van beide zijden. - De Vlaamse diensten waren verbaasd dat de Europese Commissie een aanpassing van het programma bedwong ten gevolge van bevindingen in een auditrapport dat nog niet volledig was afgerond. Ook hier ontstond de indruk dat er misverstanden waren die beter in een bilateraal overleg konden opgelost worden. De beheersautoriteit stelt zich dan ook de vraag of de huidige goedkeuringsprocedure niet te log is (zowel voor de lidstaat als voor de Commissie) om een soepel en flexibel beleid te kunnen voeren, dat kan inspelen op de werkelijke noden van de landbouw en het platteland en op de wijzigende nationale of regionale regelgeving. Een bijkomend praktisch probleem bij de goedkeuringsprocedure is de onmogelijkheid om in SFC tegelijkertijd twee actieve versies te hebben. Hierdoor kan de lidstaat geen nieuwe wijziging indienen als nieuwe versie, vooraleer de vorige wijziging definitief is goedgekeurd en is afgesloten, alhoewel het juridische kader dat wel toelaat. (Het is wĂŠl mogelijk om twee wijzigingen gelijktijdig in analyse te hebben.) Een andere terugkerende moeilijkheid is de invulling van het streefdoel voor een aantal indicatoren. Zo bleek in 2011 voor een aantal As 3-maatregelen de doelstelling van enkele outputindicatoren niet realistisch ingeschat. De inschatting was gebeurd op basis van preliminaire gegevens van de in 2007 voorlopig goedgekeurde projecten. Het probleem met dergelijke indicatoren is dat ze sterk afhankelijk zijn van de aard (de projectinhoud) van de individuele projecten die ingediend en goedgekeurd worden. Enkele illustraties hiervan zijn te vinden in dit en vorig jaarverslag bij de beschrijving van de voortgang van de As 3maatregelen.
7
Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82, 2e) de maatregelen die de beheersautoriteit en het toezichtcomité hebben genomen om de kwaliteit en de doeltreffendheid van de uitvoering van het programma te waarborgen, en met name: - de activiteiten op het gebied van toezicht en evaluatie; - een samenvatting van de grote problemen die bij het beheer van het programma zijn ondervonden, en de maatregelen die eventueel, al dan niet naar aanleiding van overeenkomstig artikel 83 gemaakte opmerkingen, zijn genomen; - het gebruik van technische bijstand; - de maatregelen die zijn genomen om overeenkomstig artikel 76 bekendheid aan het programma te geven.
4.1
Toezicht en evaluatie
In maart 2011 werd het Toezichtcomité via schriftelijke procedure geraadpleegd over wijzigingen aan volgende maatregelen: - maatregel 214 B – verwarringstechniek in de pitfruitteelt - maatregel 214 I – beheerovereenkomst erosiebestrijding - maatregel 214 G – beheerovereenkomst perceelsrandenbeheer - maatregel 214 H – beheerovereenkomst hamsterbescherming. Het Toezichtcomité vergaderde op 10 juni 2011 in het bezoekerscentrum Rufferdinge in Landen. De renovatie van een deel van dit bezoekerscentrum werd gefinancierd vanuit PDPO II. Na een rondleiding en een toelichting bij het project werden volgende agendapunten behandeld tijdens de vergadering: - goedkeuring verslag vorige vergadering en schriftelijke procedure - financiële voortgang PDPO II - stand van zaken wijzigingen PDPO II - voorstelling PDPO II Jaarverslag 2010 - varia In 2009 is een nieuwe Vlaamse Regering aangetreden. Daarop moest ook het Toezichtcomité opnieuw samengesteld worden. Dit kon pas gebeuren in december 2010. Een nieuw ministerieel besluit tot benoeming van de leden van het Toezichtcomité ter implementatie van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling voor de periode 2007-2013 werd opgemaakt en goedgekeurd op 16 maart 2011. De afdeling Monitoring en Studie (AMS) van het Departement Landbouw en Visserij coördineert de opmaak van het jaarverslag van het PDPO II, waarin toezicht en evaluatie van het programma worden besproken. AMS baseert zich in eerste instantie op de gegevens die de verschillende beheersdiensten aanleveren. Deze taak wordt gefinancierd door Technische Bijstand.
8
4.2
Beheer van het programma
Het Uitvoeringscomité PDPO II vergadert op zeswekelijkse basis. In het Uitvoeringscomité zijn de beheersautoriteit (CCEP) en alle beheersdiensten vertegenwoordigd, alsook het Vlaams Betaalorgaan, de interne audit, de Inspectie van Financiën, het Vlaams Ruraal Netwerk en de afdeling Monitoring en Studie. De vergaderingen van 2011 vonden plaats op 20 januari, 24 februari, 9 mei, 22 juni, 14 september, 28 oktober en 19 december. Vaste onderwerpen op de agenda zijn: - verslaggeving Rural Development Committee - briefing door en afspraken met het Betaalorgaan - mededelingen vanuit CCEP - Vlaams Ruraal Netwerk - monitoring en evaluatie. Deze agenda wordt ad hoc aangevuld met onderwerpen die op dat moment actueel zijn en/of bijzondere aandacht vragen, zoals de controlestatistieken, de borgingsverklaring, etc. Het uitvoeringscomité heeft via een gedeeld elektronisch platform toegang tot alle relevante documenten. Grote problemen met betrekking tot de uitvoering van PDPO II hebben zich in 2011 niet voorgedaan. Er werden wel moeilijkheden ondervonden bij de wijzigingsprocedure van PDPO II (cfr. supra). Het jaarlijkse overleg tussen de Europese Commissie en de beheersautoriteit, zoals voorgeschreven door verordening 1698/2005 vond plaats op 4 november 2011. De vergadering ging door op het diversifiërend biologisch landbouwbedrijf De Kollebloem in Sint-Lievens-Esse. In de namiddag werd een bezoek gebracht aan een melkveebedrijf met hoevewinkel in Brakel. De agendapunten van dit overleg waren: - financiële voortgang van het programma - PDPO II Jaarverslag 2010 - beheer van het programma (toezichtcomité, demarcatie andere fondsen, audits…) - wijzigingen aan het programma - Vlaams Ruraal Netwerk - opvolging van de mid term evaluatie - strategisch monitoringsrapport - GLB na 2013. Verslaggeving hierover gebeurt door de Europese Commissie. Enkele punten die besproken werden zijn de volgende. Bij de bespreking van de (financiële) voortgang van het programma werd de mogelijkheid van het invoeren van selectiecriteria besproken (voornamelijk voor investeringssteun). Bij het overlopen van de wijzigingen wees de Europese Commissie op het relatief grote aantal wijzigingen die Vlaanderen doorvoert aan haar programma. Het Vlaams Ruraal Netwerk kondigde de stakeholder consultatiedag aan (februari 2012) waarop de verschillende stakeholders worden geconsulteerd over het toekomstige PDPO (PDPO III). Tijdens de lunch werd tenslotte gediscussieerd over de voorstellen van de Europese Commissie over de hervorming van het GLB na 2013.
9
4.3
Technische bijstand
4.3.1 Algemeen In het PDPO II zijn binnen het onderdeel technische bijstand twee maatregelen voorzien: - algemene technische bijstand - ruraal netwerk. Tabel 1 geeft een overzicht van de betalingen in 2011 in het kader van technische bijstand. Tabel 1 Overzicht betalingen technische bijstand in 2011 Betalingen 2011 (euro) Algemene technische bijstand 1.1 voorbereiding 1.2 beheer 1.3 toezicht 1.4 evaluatie 1.5 voorlichting 1.6 controle mbt verleende bijstand 1.7 provincies Totaal algemene technische bijstand Ruraal netwerk 2.1 beheer 2.2 uitvoering actieplan Totaal ruraal netwerk Algemeen totaal
ELFPO 0,00 0,00 170,34 65.563,74 0,00 0,00 47.336,87 113.070,95 912,54 39.981,61 40.894,15 153.965,10
Vlaams Gewest 0,00 0,00 170,34 65.563,73 0,00 0,00 47.336,84 113.070,91 912,53 39.981,41 40.893,94 153.964,85
Totale overheidssteun 0,00 0,00 340,68 131.127,47 0,00 0,00 94.673,71 226.141,86 1.825,07 79.963,02 81.788,09 307.929,95
Algemene technische bijstand Binnen deze maatregel kaderen centrale uitgaven op het gebied van voorbereiding, beheer, toezicht, evaluatie en voorlichting door de beheersautoriteit. Toezicht Het vermelde bedrag heeft betrekking op de kosten voor de organisatie van de vergadering van het ToezichtcomitĂŠ (juni 2011) en de kosten voor de organisatie van het bilateraal overleg met de Commissie (november 2011). Beide vergaderingen werden op een externe locatie georganiseerd. Evaluatie De uitgaven hebben betrekking op: - de laatste betalingen voor de mid term evaluatie van het PDPO II, die in 2010 werd uitgevoerd - de loonkosten voor de beleidsondersteuner plattelandsontwikkeling die instaat voor de monitoring en evaluatie van PDPO II Provincies De provincies staan in voor de uitvoering en begeleiding van de gebiedsgerichte werking en ontvangen hiervoor een financiĂŤle bijdrage.
10
Vlaams Ruraal Netwerk Deze maatregel bestaat uit enerzijds het beheer van het netwerk en anderzijds de uitvoering van het actieplan. Beheer Vlaams Ruraal Netwerk Het vermelde bedrag is een deel van de loonkost van de coördinator van het Vlaams Ruraal Netwerk. Actieplan Vlaams Ruraal Netwerk De betalingen in 2011 hadden voornamelijk betrekking op: - personeelskosten (deel loonkost van coördinator en volledige loonkost van ondersteuner) - onderhoud van de website www.ruraalnetwerk.be - kosten verbonden aan studiedagen en excursies - publicaties: nieuwsbrief, brochure - communicatie- en promotiemateriaal - netwerking (onder meer meetings buitenland)
4.3.2 Vlaams Ruraal Netwerk Op basis van de interne evaluatie van het werkjaar 2010 schoof het Vlaams Ruraal Netwerk begin 2011 volgend speerpunt naar voren: “Het Vlaams Ruraal Netwerk werkt in 2011 verder op de asoverschrijdende benadering van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling. We behouden daarbij de drie grote pijlers (organisatie, communicatie en transnationale ondersteuning) en we laten die steeds meer in elkaar doorlopen. In de loop van 2011 wordt ook gezocht naar versterking voor het Vlaams Ruraal Netwerk.” Deze doelstellingen werden in en met behulp van drie grote pijlers uitgewerkt: organisatie, communicatie en ondersteuning. De belangrijkste krachtlijnen, gebaseerd op de evaluatie van het werkjaar 2011, zijn hieronder beschreven. Voor verslagen en foto-impressies kan de website (www.ruraalnetwerk.be) geraadpleegd worden.
4.3.2.1
Organisatie
4.3.2.1.1 Studiedagen en infomomenten In 2011 werden vijf studie- en informatiedagen voor het grote publiek georganiseerd. Hierbij werd de asoverschrijdende benadering van PDPO II-problematieken zo ver mogelijk doorgetrokken. Een eerste activiteit vond plaats tijdens Agriflanders: op 14 januari organiseerde het Vlaams Ruraal Netwerk de prijsuitreiking van de wedstrijd “Prima Plattelandsproject 2010” (zie ook http://ruraalnetwerk.be/activiteitenverslagen/activiteiten-vlaams-ruraalnetwerk/prijsuitreiking-prima-plattelandsproject ). Hierop werden alle laureaten en juryleden alsook de pers uitgenodigd. Een tweede studiedag draaide rond het thema “Vrouwen innoveren en inspireren op het platteland”. Deze studiedag werd samen met KVLV en Cera georganiseerd op 18 oktober in
11
het Vlaams Parlement. De dag kaderde in de wedstrijd “Vrouwelijk talent op het platteland”, waarvan de prijsuitreiking in het voorjaar van 2012 plaatsvindt. Voor een derde activiteit trokken we op 27 oktober richting Antwerpen waar de studiedag/excursie “Samen sterk rond landschapswerk - Agrobeheergroepen en Agrarische Natuurverenigingen in de praktijk” werd georganiseerd. Na een bezoek aan twee projecten van agrobeheergroepen in Vlaanderen, bezochten we ook een project van een agrarische natuurvereniging in het Nederlandse Rucphen. Op 7 november vond een studievoormiddag plaats voor de As 3- en As 4-coördinatoren. Tijdens een bezoek aan het Europees Parlement kregen de aanwezigen een uiteenzetting over de verschillende Europese instellingen en de Europese besluitvorming. Tijdens de lunch voegden twee leden van de Europese Commissie zich bij het gezelschap om de plannen van de Europese Commissie met betrekking tot PDPO III toe te lichten. De laatste studiedag werd samen met het Réseau Rural Wallon georganiseerd op 9 december tijdens Agribex. Het thema van het debat was “Jonge landbouwers – Realiteit en uitdagingen”. De studiedag rond procesbegeleiding voor Leadercoördinatoren, die gepland was in april, werd bij gebrek aan interesse geannuleerd.
4.3.2.1.2 Studiebezoeken/uitwisseling Er werden twee excursies georganiseerd. Op 24 mei werden tijdens een plattelandstoer, in coorganisatie met de Plaatselijke Groep (PG) Tielts Plateau, verschillende West-Vlaamse plattelandsprojecten bezocht. Samen met de Leadercoördinatoren en een aantal leden van de PG’s trok het Vlaams Ruraal Netwerk op 28, 29 en 30 september naar Hertford, Engeland. Tijdens deze driedaagse excursie toonden medewerkers van de Lokale Actie Groep (LAG) Eastern Plateau verschillende Leaderprojecten. Op 29 september stond eveneens een LAG-meeting op het programma, waar zowel de Engelse als de Vlaamse context werd geschetst.
4.3.2.1.3 Kennismarkten/ervaringsplatforms Ook in 2011 organiseerde het Vlaams Ruraal Netwerk drie “Ervaringsplatforms”. Eén behandelde het “actieplan biologische landbouw” (9 mei), één “de verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten (focus op agrovoedingssector)” (14 september) en een laatste het concept “Loket Onderhoud Buitengebied (LOB)” op 19 december.
4.3.2.1.4 Extra intern evenement: brainstormdag Eind 2011 werd door het Vlaams Ruraal Netwerk een “brainstormdag” georganiseerd in Gent voor zowel de leden van het Vlaams Ruraal Netwerk als de leden van de Coördinerende Cel Europees Plattelandsbeleid (CCEP). In het Geuzenhuis werd de werking in 2011 onder de loep genomen en werd “out of the box” gedacht aan mogelijkheden voor het nieuwe werkjaar. Deze elementen werden enerzijds in de evaluatie van 2011 meegenomen en gaven anderzijds inspiratie voor de planning van het werkjaar 2012.
4.3.2.2
Communicatie
4.3.2.2.1 Website: http://www.ruraalnetwerk.be In 2010 stond het al in de planning, maar door omstandigheden was er toen geen ruimte om een nieuwe website te ontwikkelen. In 2011 is de oude website in een nieuw kleedje gestoken. Deze is sinds eind 2011 online op het gekende adres www.ruraalnetwerk.be.
12
Minstens wekelijks werd de website inhoudelijk aangepast en aangevuld, dit aan de hand van verslagen van bezoeken en deelnames, verslagen van vergaderingen en informatie over de voorbereiding van het GLB na 2013. Ook werden de aankondigingen geactualiseerd, oproepen (voor bijvoorbeeld het indienen van plattelandsprojecten) vermeld, etc. De agenda werd actueel gehouden. Ook de projectendatabank is in 2011 aangevuld. In 2012 zal deze echter een grondige opfrisbeurt genieten en maandelijks worden aangevuld. De 100.565 individuele bezoekers (kleine 4.000 bezoekers meer ten opzichte van 2010) tonen aan dat de bekendheid van de website steeds groeit. Ook in 2012 zal de nadruk nog meer gelegd worden op de nauwe verbondenheid tussen de nieuwsbrief(thema’s) en de website.
4.3.2.2.2 Publicaties Nieuwsbrief De vier nieuwsbrieven van 2011 behandelden het thema “Ondernemerschap”, wat kadert in het aandachtsthema “Landbouwer = ondernemer²” dat in 2011 door het Beleidsdomein Landbouw & Visserij werd gelanceerd. Waar mogelijk werd dit thema gekoppeld aan een studiedag of overlegmoment en telkens werden de komende activiteiten van het VRN aangekondigd. Thema maart: Ruraal ondernemerschap; Thema juni: Ontluikend ondernemerschap; Thema september: Meer en sterker ondernemerschap; Thema december: Bedrijven in overgang of crisis. Het aantal abonnementen op deze nieuwsbrieven kende in 2011 een lichte stijging (met een voorkeur voor de digitale versie van de nieuwsbrief). Andere publicaties Gelinkt aan de wedstrijd “Prima Plattelandsproject 2010” heeft het Vlaams Ruraal Netwerk in 2010 een Nederlandstalige brochure gepubliceerd. In 2011 werd deze “best practices”brochure vertaald naar het Engels en verspreid in Europa. In 2011 werd gestart met de procedure voor het uitgeven van een fotoboek waarin de maatregelen van PDPO II in beeld worden gebracht. Hiervoor werd verschillende keren contact opgenomen met de beheersdiensten om gepaste onderwerpen, locaties en periodes voor de foto’s te vinden. Communicatie- en promotiemateriaal Het Vlaams Ruraal Netwerk kocht in 2011 250 paraplu’s aan en 250 muismatten, gepersonaliseerd met de huisstijl en het logo van het Vlaams Ruraal Netwerk. Andere communicatie Het Vlaams Ruraal Netwerk verspreidde een persbericht bij elk extern evenement. Dit werd meestal opgenomen door de vakpers. Bij enkele studiedagen, zoals de studiedag “Vrouwen innoveren en inspireren op het platteland” of de studiedag “Samen sterk rond landschapswerk – Agrobeheergroepen en Agrarische Natuurverenigingen in de praktijk” werden ook door externen artikelen en verslagen gepubliceerd op externe websites. Daarnaast was het Vlaams Ruraal Netwerk ook aanwezig op diverse studiedagen georganiseerd door derden. Hiervan werd in de mate van het mogelijke verslag uitgebracht op de website. In 2011 deed het Waals Ruraal Netwerk een oproep aan de andere Nationale Rurale Netwerken om één of meerdere filmpjes te maken over jonge landbouwers. Het Vlaams
13
Ruraal Netwerk is op deze oproep ingegaan en heeft zelf een filmpje gemaakt over drie jonge landbouwers, waarbij de nadruk ligt op de opstart/overname en de opleidingen. Dit filmpje is te bekijken via de volgende link: http://youngandfarmer.blogspot.com/2011/12/flanders-tostart-farming-activity.html.
4.3.2.3
Transnationale ondersteuning
Het Vlaams Ruraal Netwerk ondersteunt de transnationale werking van de maatregelen van het PDPO II op verschillende manieren en niveaus: als actief lid, als co-organisator, als deelnemer en door het beantwoorden van ad hoc-vragen. In het verlengde hiervan werden de Vlaamse en Europese actoren met elkaar in contact gebracht (zie hoger: Bezoek Europees Parlement en Excursie Hertford (UK)). De geplande uitwisseling voor leden van het Uitvoeringscomité ging niet door. CCEP heeft op eigen initiatief wel bilaterale contacten met andere lidstaten gehad, maar hiervoor was geen organisatie door het Vlaams Ruraal Netwerk nodig. Eerst en vooral nam het Vlaams Ruraal Netwerk deel aan de bijeenkomsten van zowel het Coordination Committee (9 juni, 8 december) als het Leader Subcommittee (17 mei, 23 november) van het European Network for Rural Development. In het verlengde hiervan werkte het Vlaams Ruraal Netwerk actief mee aan de Focus Group “Local Development Strategy” die in de schoot van het Leader Subcommittee werd opgericht. Hiervoor werd deelgenomen aan de virtuele vergaderingen en aan de voorbereidingen via mail. De bijeenkomst in Portugal kon niet worden bijgewoond. Daarnaast werkte het Vlaams Ruraal Netwerk actief mee aan de bijeenkomsten van de Nationale Rurale Netwerken. In 2011 werd drie maal op verplaatsing vergaderd (april (Duitsland), juni (Brussel), november (Nederland)) en enkele malen virtueel via videoconferentie. Door deze actieve aanwezigheid kon het Vlaams Ruraal Netwerk in 2011 aandacht blijven hebben voor de Vlaamse representatie op internationaal niveau. Hierbij werd enerzijds gefocust op het korte keten-verhaal (waarbij zowel buitenlandse expertise naar Vlaanderen werd gehaald als de Vlaamse kennis in Europa werd verspreid) en werd anderzijds proactief meegewerkt aan de “monitoring toolkit” van het European Network for Rural Development. Bovendien pleegde het Vlaams Ruraal Netwerk in 2011 diverse malen overleg met de Waalse collega’s. Naast het afstemmen van de activiteiten werd ook een gezamenlijk evenement georganiseerd (zie hoger). Tenslotte was het Vlaams Ruraal Netwerk aanwezig op diverse binnen- en buitenlandse overlegmomenten en conferenties, onder andere het “Leader event for new LAGS” (Europese Commissie – januari), de conferentie “CAP post 2013” (Europese Commissie – september) en het nieuw opgerichte overleg tussen de communicatie-actoren rond GLB (initiatief van de Europese Commissie, opgericht in het kader van 50 jaar GLB – eerste overleg september). Vanaf oktober 2011 nam het Vlaams Ruraal Netwerk ook deel aan alle overlegmomenten (zowel op Europees, federaal als Vlaams niveau) rond het toekomstig GLB. Daarnaast gaf het Vlaams Ruraal Netwerk input voor nationale en internationale bezoeken die door derden werden georganiseerd (in juni een Poolse delegatie, in oktober een Litouwse delegatie) en werkte het op vraag mee aan publicaties van het European Network for Rural Development.
14
4.4
Voorlichting en publiciteit
De algemene communicatie over het programma gebeurt door CCEP in samenwerking met het Vlaams Ruraal Netwerk. De specifieke communicatie over de voorwaarden en toepassing van de verschillende maatregelen naar de potentiële begunstigden toe gebeurt door de beheersdienst die voor de betrokken maatregel bevoegd is. CCEP heeft het communicatieplan geactualiseerd. De webpagina PDPO II binnen de website van het Beleidsdomein Landbouw en Visserij (www.vlaanderen.be/pdpo), werd verder onderhouden. Via deze webpagina kunnen het volledige programmadocument, het nationaal strategieplan en de jaarverslagen geraadpleegd worden. Bovendien kan men doorklikken naar de webpagina’s van de afzonderlijke maatregelen. Er zijn ook links naar de website van de Europese Commissie, naar het Vlaams Ruraal Netwerk, etc. CCEP heeft in 2011 twee presentaties gegeven met betrekking tot het PDPO II: •
tijdens het auditbezoek van de Europese Commissie voor As 2 (14 maart 2011) werd aan de auditoren de uitvoering van PDPO II en de werking van alle betrokken diensten voorgesteld
• voorstelling van PDPO II aan tabaks- en hoptelers (13 oktober 2011). De brochure over het PDPO II (of RDP II (Rural Development Programme) in het Engels) en de folder over de communicatieverplichtingen van begunstigden werden verder verspreid. Naar aanleiding van het tienjarig bestaan van de beheerovereenkomsten organiseerde VLM in 2011 in elke Vlaamse provincie een persmoment waarop de resultaten van het instrument werden gepresenteerd. Alle stakeholders werden uitgenodigd. Per provincie werden andere accenten gelegd. Zo focuste men in de provincie Limburg bijvoorbeeld vooral op het succes van de akkervogelmaatregelen. Sommige van deze acties werden opgepikt door de nationale en regionale pers. Bovendien werd, ook in 2011, de mascotte SAM in het leven geroepen, met de bedoeling de aandacht vestigen op de inspanningen die landbouwers leveren voor landschap, natuur en milieu. Aan de hand van SAM wil VLM Sensibiliseren, Adviseren en Mobiliseren. Bij verschillende landbouwers in de vijf provincies werden SAM-borden geplaatst om zo het ruimere publiek te informeren over de inspanningen die de plaatselijke landbouwers leveren. De landbouwers zelf bleken sterk vragende partij om via dergelijke borden hun acties in de kijker te zetten.
15
5
Ongoing evaluatie Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82, 2d) een beknopt overzicht van de werkzaamheden op het gebied van de evaluatie tijdens de uitvoering overeenkomstig artikel 86, lid 3
5.1
Inleiding
De evaluatie tijdens de uitvoering van een programma of “ongoing evaluation” omvat alle evaluatiewerkzaamheden gedurende de volledige programmaperiode. Daarbij gaat het zowel om een ex ante, midterm- en ex post evaluatie als om alle andere evaluatieactiviteiten die nuttig zijn voor het verbeteren van het programmabeheer. Hieronder vallen eveneens de interactie tussen evaluatieactiviteiten, het ontwikkelen en verfijnen van indicatoren en het verzamelen van gegevens. Voor een uitgebreidere inleiding wordt verwezen naar het jaarverslag 2007 en naar de richtsnoeren van de Europese Commissie (Europese Commissie, 2006).
5.2
Systeem voor evaluatie tijdens de uitvoering
De coördinatie van de monitoring- en evaluatieactiviteiten gebeurt door de afdeling Monitoring en Studie en wordt gedeeltelijk gefinancierd door Technische Bijstand. Deze opdracht wordt beschreven in het hoofdstuk “Monitoring van het PDPO” van het programmadocument ”Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013”. Vanaf het begin van de programmaperiode werd een systeem opgezet voor de permanente evaluatie (“ongoing evaluation”) van het PDPO II. Op basis van onder andere informatie uit het European Evaluation Network for Rural Development, aanbevelingen uit de ex post evaluatie van het PDPO I en de ex ante evaluatie van het PDPO II werd een evaluatieplanning opgemaakt. De afdeling Monitoring en Studie organiseerde op regelmatige basis intern overleg met alle betrokkenen bij het PDPO II om de planning op te volgen en zo nodig bij te sturen. Over de stand van zaken van de evaluatie tijdens de uitvoering werd gerapporteerd tijdens de vergaderingen van het Uitvoeringscomité.
5.3
Ondernomen evaluatieactiviteiten
5.3.1 Opvolging aanbevelingen midtermevaluatie In de midtermevaluatie van het PDPO II werd een aantal aanbevelingen gedaan in verband met monitoring en evaluatie. • Het aantal deelnemers aan korte vormingen (maatregel 111) wordt voor de gehele programmaperiode grofweg ingeschat op de helft van het totale aantal landbouwers in Vlaanderen. Dat totale aantal deelnemers wordt al van in het begin van de programmaperiode weergegeven als aantal deelnemers, zodat de output van deze indicator elk jaar hetzelfde bedraagt. De evaluator stelde voor het aantal deelnemers per jaar weer te geven, zodat het aantal deelnemers elk jaar 1/7 is van het totale aantal
16
•
•
•
•
• •
•
•
•
deelnemers over de gehele programmaperiode. In het huidige jaarverslag wordt deze berekeningswijze mee opgenomen. Voor de maatregel bedrijfsadviessystemen (114) werd aanbevolen bij de volgende evaluatieronde het effect van bedrijfsadvies op de naleving van de randvoorwaarden na te gaan, aan de hand van gegevens over inbreuken tegen de randvoorwaarden. De voor- en nadelen, kosten en baten van dit extra onderzoek zullen onderzocht worden in het kader van de ex post evaluatie van het PDPO II. Voor de VLIF-maatregelen (112, 121, 311) werd aanbevolen via een elektronisch systeem de meest actuele bedrijfsinformatie bij te houden, gekoppeld aan de verschillende dossiers van het bedrijf in kwestie. Dit wordt momenteel opgenomen in de re-engineering van het VLIF. Voor de maatregel vestigingssteun (112) werd gesuggereerd het startjaar van de onderneming te registreren in FADN. In het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) worden nu reeds de opstartdatum van het bedrijf en het jaar van overname bijgehouden. Deze gegevens kunnen dus ter beschikking gesteld worden van de evaluator. Voor de agrovoedingsmaatregel (123) stelde men voor de informatie over de budgetverdeling per type investering digitaal bij te houden. Een nieuwe IT-toepassing voor het beheer van de agrovoedingsdossiers werd midden 2011 opgeleverd. Waarschijnlijk zal het in de loop van 2012 ook mogelijk zijn bepaalde rapporteringen te maken, zoals de budgetverdeling per type investering. Nog voor de agrovoedingsmaatregel (123) werd aanbevolen de aanvraagdossiers te digitaliseren. Dat gebeurt vanaf 2011, zodat dossiers vanaf midden 2011 voortaan digitaal beschikbaar zijn. Voor de resultaatindicator van de bebossingsmaatregelen 221 en 227 werd gevraagd om de beslissingsregels die worden gehanteerd om dossiers toe te kennen aan een bepaald milieudoel (biodiversiteit, waterkwaliteit, etc) te expliciteren. Deze regels werden aan het begin van de programmaperiode op een pragmatische manier bepaald en beschreven in het Jaarverslag 2007. Nadien werd telkens naar de passage uit het Jaarverslag 2007 verwezen. In deze passage wordt toegelicht dat de ex ante evaluator heeft bepaald of de maatregel in sterke mate, matig of helemaal niet bijdraagt tot de verschillende milieudoeleinden (IDEA Consult, 2006). Enkel de oppervlakte waarop de maatregel correct werd uitgevoerd, telt mee (de controlegegevens worden dus in rekening gebracht). Bij een zogenaamd sterke bijdrage tot het milieudoel wordt de volledige oppervlakte van de maatregel meegerekend, bij een matige bijdrage is dat de helft van de oppervlakte. Op die manier geeft de resultaatindicator een eerste inschatting van de bijdrage van de maatregelen tot de verschillende milieudoelen. Wat betreft maatregel 121 werd voorgesteld de milieufiches, die belangrijke informatie leveren over de milieu-impact van VLIF-investeringen, te optimaliseren. Hieraan wordt gewerkt binnen het Departement Landbouw en Visserij en het Agentschap voor Landbouw en Visserij. Voor As 3 werd voorgesteld het aantal gecreëerde banen bij te houden voor alle projecten, en niet alleen voor de toerismeprojecten. Bovendien pleitte men voor een eenvormige monitoring van het aantal gecreëerde banen door alle promotoren. Overleg met de beheersdienst VLM leert dat het aantal gecreëerde banen inderdaad reeds voor alle As 3- en As 4-projecten wordt bijgehouden. Bovendien worden de opgeleverde cijfers telkens nagekeken door de plattelandscoördinatoren en PGcoördinatoren. Om de resultaatsindicator R12 (aantal inwoners op het platteland die voordeel halen uit de verbeterde dienstverlening) van maatregel 321 (basisvoorzieningen) zo getrouw 17
• •
mogelijk te kunnen inschatten, werd voorgesteld de cijfers van de promotoren te laten nakijken door de LEADER- of plattelandscoördinator. Dit blijkt reeds te gebeuren. Wat betreft de maatregel 331 (intermediaire dienstverlening) wil de evaluator meer monitoringcategorieën om zo een meer gedetailleerde evaluatie te kunnen maken. Na overleg met VLM zal bekeken worden wat daartoe kan ondernomen worden. Algemeen vond de evaluator dat er nood is aan meer eenvormigheid bij het opstellen van de doelstellingen voor de verschillende indicatoren. In de toekomst moeten betere afspraken gemaakt worden, bijvoorbeeld over of een doelstelling enkel geldt voor het nieuwe PDPO of ook voor lasten uit het verleden. Deze aanbeveling wordt meegenomen naar de voorbereidingen van het volgende programma (PDPO III).
5.3.2 Uitbestede studies In 2010 werd een studie uitbesteed waarin de impact van het PDPO II op biodiversiteit moest worden onderzocht. De opdracht werd gegund aan het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). Het rapport kan via volgende link geraadpleegd worden: http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=1965. In 2011 werd beslist de ontwikkelde meetmethode in deze programmaperiode verder toe te passen en zo de monitoringgegevens uit te breiden. Begin 2012 werd de opdracht gegund aan het INBO.
5.3.3 Studies uitgevoerd binnen de administratie In juni 2011 werd de studie “Cohesiebeleid in relatie tot plattelandsbeleid” van de afdeling Monitoring en Studie gepubliceerd. De studie geeft eerst een overzicht van het cohesiebeleid 2007-2013 en de invulling die Vlaanderen eraan gegeven heeft. Daarna wordt nagegaan in welke mate de land- en tuinbouwsector en plattelandsactoren aan bod komen binnen de Vlaamse invulling van het Europese cohesiebeleid. Vervolgens komen de beleidsmatige verschillen tussen cohesie- en plattelandsbeleid aan bod, met een vooruitblik op het cohesiebeleid na 2013 en de mogelijke impact ervan op het plattelandsbeleid. Het rapport besluit met enkele beleidsaanbevelingen. Raadplegen kan via volgende link: http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=2286. Zoals elk jaar analyseerde de afdeling Monitoring en Studie de steun aan de landbouwer. Nieuw is dat in het rapport “Analyse van de steun aan de landbouwer: 2009” naast de resultaten van de analyse van de rechtstreekse steun aan de landbouwer uit Pijler I voor de campagne 2009, nu ook de Pijler II-steun uitgekeerd aan de landbouwer tijdens kalenderjaar 2009 wordt besproken. Het rapport kan geraadpleegd worden via http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=2235. De land- en tuinbouwproducenten werden de voorbije jaren geconfronteerd met voortdurende veranderingen, zowel in de voedselketen als in de bredere maatschappij. Daardoor is een hernieuwde aandacht ontstaan voor samenwerking en de meerwaarde daarvan voor de landen tuinbouwer. Met een tweeledig rapport schept de afdeling Monitoring en Studie een beeld van de mogelijkheden die samenwerking kan bieden en de knelpunten die ermee gepaard kunnen gaan. De beleidsmaatregelen die kunnen ingezet worden om samenwerking te stimuleren, worden in een afzonderlijk rapport besproken. Hierbij ligt de focus op de mogelijkheden binnen het plattelandsontwikkelingsbeleid. Beide deelrapporten zijn te vinden via http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=2189.
18
Na 10 jaar beheerovereenkomsten maakte de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) een stand van zaken van het instrument op. Daartoe werden interviews afgenomen van een aantal landbouwers. De resultaten daarvan werden verwerkt in een rapport dat aangeeft hoe de landbouwers over beheerovereenkomsten denken. Het rapport kan hier geraadpleegd worden: http://www.vlm.be/SiteCollectionDocuments/Beheerovereenkomsten/rapport.pdf. In 2011 werd door de afdeling Monitoring en Studie een studie aangevat over drie investeringsmaatregelen uit het plattelandsontwikkelingsprogramma. Het gaat met name om de maatregelen “vestiging van jonge landbouwers”, “modernisering van landbouwbedrijven” en “diversificatie naar niet-agrarische activiteiten”. In de studie wordt de uitvoering van deze drie maatregelen in verschillende landen en regio’s vergeleken. Daarnaast werd ook de staatssteun voor investeringen in de landbouw en het fiscale regime in de verschillende landen/regio’s onder de loep genomen. Het rapport is via deze link te raadplegen: http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=2778. Er werd tevens gewerkt aan een actualisatie van het concept “less favoured areas (LFA)” met natuurlijke handicaps in Vlaanderen. In juli 2011 voerde de Europese Commissie immers enkele wijzigingen door aan de criteria. De nieuwe en gewijzigde criteria werden toegepast op de Vlaamse situatie. VLM evalueerde eind 2011 de gebiedsgerichte werking van As 3 en LEADER in PDPO II. De evaluatie gebeurde op basis van de analyse van de Provinciale Plattelandsbeleidsplannen en Lokale Ontwikkelingsstrategieën, enquêtes bij leden van de plaatselijke groepen van de verschillende LEADER-gebieden, en interviews met een aantal stakeholders. Ook de goedgekeurde en afgelopen projecten werden onderzocht. Bovendien werd een vergelijking gemaakt met het plattelandsontwikkelingsbeleid in enkele buurlanden en –regio’s en werd de verhouding tussen PDPO II en andere EU-fondsen, en de verhouding tussen het Vlaamse plattelandsbeleid en het lokale beleid besproken. Het rapport kan hier geraadpleegd worden: http://www.vlm.be/SiteCollectionDocuments/Publicaties/Platteland/evaluatie_ggw_PDPOII.p df .
5.4
Netwerkactiviteiten van personen betrokken bij evaluatie
Op 28 april kwam het Nederlandse Regiebureau naar Scherpenheuvel voor een werkbezoek waarop ervaringen omtrent de midtermevaluatie werden uitgewisseld. Vooraleer het PDPO IIproject De Vlaspit te bezoeken, stelden beide regio’s elkaar hun midtermevaluatie voor en werden ervaringen uitgewisseld. Er werd deelgenomen aan de zevende (16 juni 2011) en achtste (27 oktober 2011) bijeenkomst van het “Expert Committee on Evaluation of Rural develoment Programmes” in Brussel. Op 14 maart en 17 juni organiseerde Duitsland telkens een informele bijeenkomst over het huidige en toekomstige gemeenschappelijke monitoring- en evaluatiekader, waaraan werd deelgenomen. Op 21 juni werd de trefdag rond “Maatwerk voor akkervogels” in Landen bijgewoond.
19
Ook in juni werd deelgenomen aan een tweedaags OESO-congres in Duitsland over de evaluatie van agromilieupolitiek. Vlaanderen gaf een voorstelling van de Vlaamse evaluatie van de milieu-impact van VLIF-investeringen en van de aanpak van het meten van biodiversiteitseffecten van agromilieumaatregelen. Op 20 en 21 september werd deelgenomen aan de stakeholder conferentie over monitoring en evaluatie in het GLB na 2013, georganiseerd door de Europese Commissie. Op 11 oktober organiseerde de helpdesk van het “European Evaluation Network for Rural Development” (EENRD) een focusgroep voor de Benelux, waaraan ook Vlaanderen deelnam. Tijdens de vergadering werden conclusies en aanbevelingen uit de midtermevaluatie besproken aangaande monitoring en evaluatie vandaag en in de toekomst. Er werd deelgenomen aan een seminarie omtrent de resultaatgerichtheid van Plattelandsontwikkelingsprogramma’s. Het EENRD organiseerde het seminarie dat doorging op 9 december 2011.
20
6
PDPO indicatoren 2011
6.1
Algemeen
Op basis van de opgemaakte databehoeftenanalyes werd voor 2011 heel wat cijfermateriaal verkregen. In de indicatorentabellen, te vinden in bijlage 4 van dit rapport, is dat cijfermateriaal samengebracht. De indicatoren zijn input-, output- en resultaatindicatoren die volgens de verordening (EG) nr. 1698/2005 deel moeten uitmaken van het jaarverslag.
6.2
Interpretatie
Voor de interpretatie van de belangrijkste indicatoren wordt verwezen naar PDPO II Jaarverslag 2007 en naar de Richtsnoeren van de Europese Commissie (Europese Commissie, 2006).
6.3
Financiële indicatoren
6.3.1 Overzicht uitgaven Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 c) de financiële uitvoering van het programma, waarbij per maatregel een overzicht van de uitgaven voor betalingen aan begunstigden wordt gegeven; indien het programma geldt voor regio's die onder de convergentiedoelstelling vallen, moeten de uitgaven voor die regio’s afzonderlijk worden vermeld In tabel 3 worden de uitgaven weergegeven zonder top-up (extra Vlaams geld bovenop cofinanciering) (overeenkomstig commissieverordening 1974/2006). Bij de geplande uitgaven zijn de extra budgetten van de Health Check en het Economische Herstelplan opgenomen. In de andere figuren en tabellen en in de uitgeschreven tekst in dit rapport wordt daarentegen steeds de totale steun besproken (Europees + Vlaams) inclusief top-up. In totaal werd in 2011 118.323.909 1 euro overheidssteun uitgegeven aan de verschillende maatregelen. Dat is een daling met 9.235.546 euro ten opzichte van 2010. Hierbij komt nog 307.930 euro voor technische bijstand zodat het totaalbedrag op 118.631.839 euro komt. Cumulatief werd tijdens de eerste vijf jaar van PDPO II 545.284.207 euro subsidies uitbetaald, wat neerkomt op 72,3% van de geplande uitgaven voor de ganse programmaperiode. Figuur 1 geeft een overzicht van de uitgaven in 2011 binnen de verschillende assen (exclusief technische bijstand). 66% van de uitgaven was bestemd voor As 1, 18% voor As 2, 10% voor As 3 en 6% voor As 4.
1
Bedragen zijn inclusief top-up.
21
As 4; 6 939 370; 6% As 3; 12 022 920; 10%
As 2; 21 443 790; 18%
As 1; 77 917 830; 66%
Figuur 1 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaar 2011 over de vier assen van het PDPO II
Figuur 2 geeft een overzicht van de uitgaven in de periode 2007-2011 over de verschillende assen (exclusief technische bijstand). 68% van dat bedrag is uitgegeven binnen As 1, 21% binnen As 2, 8% binnen As 3 en 3% binnen As 4. Figuur 3 geeft een overzicht van de Europese uitgaven (inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in de periode 2007-2011 (exclusief technische bijstand).
22
As 3; 44.022.475; 8%
As 4; 15.205.343; 3%
As 2; 116.599.005; 21% As 1; 367.537.561; 68%
Figuur 2 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) voor kalenderjaren 2007-2011 over de vier assen van het PDPO II
As 4; 4.561.603; As 3; 17.082.402; 2% 10%
As 2; 44.462.454; 25% As 1; 112.507.242; 63%
Figuur 3 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de Europese uitgaven (inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaren 2007-2011 over de vier assen van het PDPO II
23
In tabel 2 worden de effectieve uitgaven in 2007-2011 uitgezet tegenover het geplande budget voor de periode 2007-2013. Hieruit blijkt dat de uitgaven binnen As 2 dicht aanleunen bij de besteding van 5/7 van het budget, dat deze van As 1 zich er licht boven bevinden en dat As 3 en vooral As 4 met een trager betalingsritme werken. Tabel 2 Effectieve publieke uitgaven 2007-2011 (Europees + Vlaams) per as tegenover geplande uitgaven 2007-2013, inclusief top-up, Health Check en Economisch Herstelplan Effectieve uitgaven 2007-2011 Geprogrammeerd budget 2007-2013 Realisatie As 1 367.537.561 464.858.857 79,1% As 2 116.599.005 171.218.571 68,1% As 3 44.022.475 68.015.113 64,7% As 4 15.205.343 41.277.197 36,8% Totaal zonder technische bijstand 543.364.383 745.369.738 72,9% Technische bijstand 1.919.824 8.980.828 21,4% Totaal met technische bijstand 545.284.207 754.350.566 72,3%
Figuur 4 geeft een overzicht van alle effectieve uitgaven voor de verschillende maatregelen, waarbij de agromilieumaatregelen (AMM) op submaatregelniveau worden beschouwd. In deze figuur valt op dat - budgettair gezien - vijf grote maatregelen het PDPO II in 2011 beheersten: “investeringen in landbouwbedrijven” (52,8%), “beheerovereenkomst (BO) water” (8,3%), “diversificatiesteun” (7,6%), “vestigingssteun voor jonge landbouwers” (6,1%) en “LEADER: lokale ontwikkelingsstrategieën” (5,2%). De maatregel “investeringen in landbouwbedrijven” springt hier sterk uit. Ook valt op dat 66,5% van de totale PDPO IIuitgaven in 2011 verdeeld werden via het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF). De maatregelen die elk tussen de 1 en 5% van het budget vertegenwoordigen, worden in de figuur gegroepeerd weergegeven in het rechtergedeelte. Samen maakt deze categorie zo’n 11% uit van het totale budget. De volgende maatregelen behoren tot deze categorie: “opleiding” (cursussen, stages, korte vorming), “bedrijfsadviessystemen” (BAS), “verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten”, agromilieuverbintenis “verwarringstechniek”, agromilieuverbintenis “vlinderbloemige gewassen” en “BO perceelsrandenbeheer”. Alle maatregelen die op zich minder dan 1% van het bestede budget uitmaken, werden ondergebracht in de categorie “maatregelen < 1%”. Al deze budgettair kleine maatregelen zijn samen goed voor 8,8% van het totale budget.
24
Figuur 4 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaar 2011 over de maatregelen van het PDPO II (uitgaven lager dan 1% van het totaal werden ondergebracht in de categorie ‘maatregelen < 1%’)
Figuur 5 geeft een overzicht van de uitgaven van As 1 in 2011. Het VLIF verdeelde 89,5% van de uitgaven binnen As 1. Figuur 6 geeft een overzicht van de uitgaven binnen As 2. Bijna de helft van die uitgaven (46%) was bestemd voor de agromilieumaatregel “BO water”. Daarna komen de agromilieumaatregelen “BO perceelsrandenbeheer” (10%), “verwarringstechniek” (9%) en “vlinderbloemigen” (8%). De overige maatregelen binnen As 2 zijn budgettair gezien kleiner.
25
Figuur 5 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaar 2011 over de maatregelen van As 1
Figuur 6 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaar 2011 over de maatregelen van As 2
26
Figuur 7 geeft een overzicht van de uitgaven binnen Assen 3 en 4. 47% van de uitgaven zijn toe te schrijven aan “diversificatiesteun voor landbouwbedrijven” (VLIF) en 33% aan de uitvoering van de lokale ontwikkelingsstrategieën binnen Leader (Leader projectwerking).
Figuur 7 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaar 2011 over de maatregelen van As 3 en As 4
Tabel 3 geeft een overzicht van de uitgaven ten opzichte van de doelstellingen voor de gehele programmaperiode. In de uitgaven in deze tabel is top-up niet opgenomen.
Tabel 3 Overzicht van de uitgaven (euro) in de periode 2007-2011 in verhouding tot de vooropgestelde uitgaven. Top-up is niet opgenomen. De bestede en geplande overheidsuitgaven zijn inclusief Health Check en Economisch Herstelplan. Overheidsuitgaven – Geprogrammeerde OverheidsMaatCumulatieve betalingen overheidsuitgaven uitgaven regelMaatregel van 2007 t/m jaar N 2007-2013 (ELFPO) nummer Jaar N ELFPO Totaal ELFPO Totaal Beroepsopleiding, 111 voorlichting en 1.442.708 7.597.835 25.326.116 11.306.603 37.688.677 sensibilisering
112
% Gerealiseerd (totaal) 67,2
Vestiging van jonge landbouwers
2.172.112
13.641.952
45.473.169
16.739.858
55.799.527
81,5
Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006
479.854
8.057.212
26.857.375
-
-
-
27
114
Bedrijfsadviessysteem voor land- en tuinbouwers
638.019
2.712.980
9.043.266
5.692.962
18.976.540
47,7
Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006
103.197
1.848.157
6.160.520
-
-
-
20.382.852
87.451.611
284.018.796
95.638.815
303.781.190
93,5
4.277.290
47.967.300
159.892.632
-
-
-
374.786
1.079.317
3.597.723
12.662.321
34.207.737
10,5
0
208.209
694.029
-
-
-
0
23.547
78.490
111.984
373.280
21,0
0
23.547
78.490
-
-
-
0
0
0
4.117.951
13.726.503
0,0
0
0
0
91.621
305.403
0,0
Totaal As 1
25.010.476
112.507.242
367.537.561
146.362.115
464.858.857
79,1
Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006
4.860.341
58.104.425
193.683.046
-
-
-
Investeringen in landbouwbedrijven 121
123
125
132
133
Totaal As 1
Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006 Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006 Infrastructuurontwikkeling Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006 Deelname door landbouwers aan voedselkwaliteitsregelingen Voorlichting en afzetbevordering van Vlaamse producten erkend als BOB/BGA/GTS
28
Maatregelnummer
212
213
214
216
221
222
227
Totaal As 2
Maatregel
Betalingen aan landbouwers in andere gebieden met handicaps dan berggebieden Natura 2000-betalingen en betalingen in verband met Richtlijn 2000/60/EC (Kaderrichtlijn Water) Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006 Agromilieubetalingen Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006 Inrichtingsmaatregelen door landbouwers in kader van kaderrichtlijn water Bebossing van landbouwgronden Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006 Boslandbouwsystemen Niet-productieve investeringen in bossen Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006 Totaal As 2 Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006
Overheidsuitgaven (ELFPO) Jaar N
Overheidsuitgaven – Geprogrammeerde Cumulatieve betalingen overheidsuitgaven van 2007 t/m jaar N 2007-2013 ELFPO
Totaal
ELFPO
Totaal
% Gerealiseerd (totaal)
104.814
300.259
672.026
1.547.208
3.094.416
21,7
76.734
565.633
1.190.449
1.306.531
2.613.062
45,6
0
335.423
672.201
-
-
-
9.006.137
42.220.329
93.969.325
59.280.319
118.560.638
79,3
5.957.131
36.703.346
82.166.281
-
-
-
0
0
0
280.032
560.064
0,0
74.749
691.904
1.469.803
1.357.104
2.714.208
54,2
52.890
577.466
1.232.538
-
-
-
0
0
0
250.000
500.000
0,0
186.349
684.328
1.407.448
1.156.403
2.312.806
60,9
20.929
203.274
415.336
-
-
-
9.448.784
44.462.454
98.709.050
65.177.597
130.355.194
75,7
6.030.950
37.819.509
84.486.356
-
-
-
29
Maatregelnummer
311
313
321 322
323
331
Totaal As 3
Maatregel Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006 Bevordering van toeristische activiteiten Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006 Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking Dorpsvernieuwing en ontwikkeling Instandhouding en opwaardering van het landelijke erfgoed Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006 Intermediaire dienstverlening (opleiding en vorming van ruraal ondernemerschap) Totaal As 3 Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006
Overheidsuitgaven (ELFPO) Jaar N
Overheidsuitgaven – Cumulatieve betalingen van 2007 t/m jaar N ELFPO Totaal
Geprogrammeerde overheidsuitgaven 2007-2013 ELFPO Totaal
% Gerealiseerd (totaal
4.980.998
11.459.860
25.280.671
15.502.218
33.674.060
75,1
111.986
1.887.382
6.291.275
-
-
-
248.561
1.480.223
4.934.076
1.892.965
6.309.883
78,2
0
591.227
1.970.760
-
-
-
117.646
758.378
2.527.928
1.167.435
3.891.450
65,0
183.278
1.516.953
5.056.510
2.362.990
7.876.633
64,2
155.731
876.740
2.922.466
3.226.482
10.754.940
27,2
0
95.625
318.749
-
-
-
218.484
990.247
3.300.825
1.652.444
5.508.147
59,9
5.904.698
17.082.402
44.022.475
25.804.534
68.015.113
64,7
111.986
2.574.234
8.580.784
-
-
-
30
Maatregelnummer 413
421 431 Tot. As 4
TOTAAL
Technische bijstand
Maatregel Lokale ontwikkelingsstrategieĂŤn leefkwaliteit / diversificatie Samenwerkingsprojecte n met andere plattelandsgebieden Werking plaatselijke groepen Totaal As 4
Overheidsuitgaven (ELFPO) Jaar N
Overheidsuitgaven – Cumulatieve betalingen van 2007 t/m jaar N ELFPO Totaal
Geprogrammeerde overheidsuitgaven 2007-2013 ELFPO Totaal
% Gerealiseerd (totaal)
1.842.181
3.774.316
12.581.050
9.606.527
32.021.757
39,3
9.656
10.183
33.943
375.000
1.250.000
2,7
229.974
777.105
2.590.350
2.401.632
8.005.440
32,4
2.081.811
4.561.603
15.205.343
12.383.159
41.277.197
36,8
Technische bijstand Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006
153.965
959.912
1.919.824
4.490.414
8.980.828
21,4
0
165.740
331.480
-
-
-
TOTAAL Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006
42.599.734
179.573.613
527.394.252
254.217.819
713.487.189
73,9
11.003.277
98.663.908
287.081.666
-
-
-
De uitgaven in tabel 3 en in bovenstaande figuren wijken voor bepaalde maatregelen af van de uitgaven die zijn weergegeven in het vervolg van dit jaarverslag (hoofdstuk 6.4). Meer bepaald gaat het om de maatregelen 313, 321, 322, 331, 413. Deze verschillen zijn te verklaren door enkele misboekingen die gebeurden bij de betrokken beheersdienst. Sommige uitgaven werden onder een foutief maatregelnummer geboekt. De totalen zijn wel correct. De misboekingen werden recht gezet in de verdere beschrijvingen van de afzonderlijke maatregelen in dit jaarverslag en in de tabellen in bijlage, maar de correcties konden niet meer worden doorgevoerd in de cijfers van het Betaalorgaan, waarop bovenstaande tabel gebaseerd is. In tabel 4 worden de verschillende bedragen op een rij gezet. Ook vorig jaar gebeurden er enkele misboekingen, die werden recht gezet in de tabellen in bijlage (zie PDPO II Jaarverslag 2010). Tabel 4 Overzicht van de verschillen tussen de werkelijke overheidsuitgaven en de cijfers van het Betaalorgaan voor maatregelen 313, 321, 322, 331, 413 in 2011 Maatregelnummer Vlaams Betaalorgaan Werkelijke uitgaven Europese uitgaven Totale uitgaven Europese uitgaven Totale uitgaven (euro) (euro) (euro) (euro) 313 248.561 828.536 256.690 855.635 321 117.646 392.155 118.637 395.455 322 183.278 610.926 182.288 607.625 331 218.484 728.280 221.269 737.563 923.700 3.079.000 934.614 3.115.382 Totaal As 3 413 1.842.181 6.140.603 1.831.267 6.104.221 1.842.181 6.140.603 1.831.267 6.104.221 Totaal As 4 Totaal 2.765.881 9.219.603 2.765.881 9.219.603
31
Tabel 5 geeft een overzicht van de top-up uitgaven in 2011 en in de periode 2007-2011. Tabel 5 Overzicht van de top-up uitgaven, inclusief de maatregelen binnen Health Check en Economisch Herstelplan Code van de Maatregel maatregel 214
Agromilieumaatregelen
221
Bebossing landbouwgronden
Top-up overheidsuitgaven – Top-up uitgaven - Jaar N Cumulatieve betalingen van 2007 (euro) t/m jaar N (euro) 2.627.827
17.889.955
0
10.380
2.627.827
17.900.335
van
Totaal
In tabel 6 worden de uitgaven binnen het Health Check-programma en het Economische Herstelplan weergegeven. Tabel 7 geeft de top-up uitgaven weer van maatregelen die genomen zijn binnen de Health Check en het Economisch Herstelplan. In totaal werd er binnen het Health Check-programma en het Economische Herstelplan in 2011 15.436.724 euro (incl. top-up) uitgegeven. Daarvan ging 43% naar As 2, 33% naar As 3 en 24% naar As 1. Tabel 6 Overzicht van de specifieke uitgaven (euro) in de periode 2010-2011 binnen de Health Check en het Economisch Herstelplan in verhouding tot de vooropgestelde uitgaven. Top-up is niet opgenomen. Overheidsuitgaven – Geprogrammeerde Overheids- Cumulatieve betalingen overheidsuitgaven % Code van uitgaven Gereavan 2010 t/m jaar N 2010-2013 de maat- Maatregel (ELFPO) liseerd regel Jaar N (totaal) ELFPO Totaal ELFPO Totaal As 1: 121
As1: 123
Investeringen in landbouwbedrijven Verhoging van de toegevoegde waarde van landen bosbouwproducten
2.725.183
3.743.196
4.990.928
7.507.430
10.009.907
49,9
0
0
0
4.000.000
5.333.333
0,0
As 2: 214
Agromilieumaatregelen
2.463.416
4.839.903
9.679.532
9.000.000
18.000.000
53,8
As3: 311
Investeringen mbt diversificatie van landbouwactiviteiten
3.829.703
6.459.429
8.612.571
9.000.000
12.000.000
71,8
Totaal
Totaal assen 1, 2, 3 en 4
9.018.302
15.042.528
23.283.029
29.507.430
45.343.240
51,3
Tabel 7 Overzicht van de top-up uitgaven specifiek voor de maatregelen binnen de Health Check en het Economisch Herstelplan
Code van de Maatregel maatregel
214
Agromilieumaatregelen
Top-up uitgaven - Top-up overheidsuitgaven – Cumulatieve Jaar N (euro) betalingen van 2010 t/m jaar N (euro)
1.770.083
32
2.431.404
In tegenstelling tot de financiële tabel G5 die opgenomen is in bijlage 4 van dit jaarverslag is in bovenstaande tabellen de top-up niet opgenomen. Ook de misboekingen op maatregelen 112 en 121 (zie jaarverslag 2007) en op maatregelen 313, 321, 322, 331, 413 en 431 (jaarverslagen 2010 en 2011) zijn in tabel 3 van dit jaarverslag niet gecorrigeerd.
Het verschil in uitgaven tussen tabel G5 (bijlage 4) en de verschillende tabellen per maatregel (hoofdstuk 6.4) bedraagt gemiddeld maximaal 1 à 2 €. Deze verschillen zijn te verklaren door afrondingsverschillen. Die worden veroorzaakt door de afronding in de Excel-tabellen van de Europese Commissie zelf en de afrondingen die de beheersdiensten doorvoeren bij de onderverdeling van de uitgaven over de verschillende gevraagde categorieën voor de monitoring.
Voor opvolging van vandedebetalingen betalingenininhet hetkader kadervan van de PDPO-monitoring gebruik Voor de opvolging PDPO monitoring wordtwordt gebruik gemaakt en en nietniet vanvan het SFC. Structural Fundshiervoor CommonisSystem gemaaktvan vande de‘jaarrekening’ ‘jaarrekening’ Die reden dat de(SFC). De reden hiervoor is dat de jaarrekening gebaseerd is jaarrekening. op de correcte detailinformatie waarop ook de beheersdiensten enkel toegang hebben tot de beheersdiensten zich baseren. Het betaalorgaan verklaart verschillen tussen jaarrekening en SFC als volgt: Het Betaalorgaan verklaart de verschillen tussen de jaarrekening en het SFC als volgt: Het betreft afrondingsverschillen door de éénmalige berekening van het Europees aandeel “Het betreft afrondingsverschillen doorSFC de eenmalige van hetterwijl Europees van uitgevoerde betalingen in de declaratieberekening per maatregel, dit deel bij van het uitgevoerde betalingen in de SFC-declaratie per maatregel, terwijl dit bij het Betaalorgaan per betaalorgaan per individuele betaling per landbouwer wordt berekend. individuele betaling per landbouwer wordt berekend.” Concreet voorbeeld: als een landbouwer 50,55 EUR overheidssteun krijgt aan een Concreet voorbeeld: als van een 50%, landbouwer euroaandeel overheidssteun krijgt aan cofinancieringspercentage dan is het50,55 Europees in de boekhouding van een het cofinancieringspercentage dan ofis afgerond het Europees aandeel in de boekhouding van het betaalorgaan = 50,55 * van 0,5 =50%, 25,275 op twee decimalen 25,28. Het Vlaams Betaalorgaan = 50,5525,27 * 0,5EUR = 25,275 euro overheidssteun of afgerond op min tweehet decimalen euro. Een Het aandeel is bijgevolg (de totale Europees25,28 aandeel). Vlaams aandeel is bijgevolg 25,27 EUR (de totale overheidssteun min het Europees aandeel). dergelijke afronding gebeurt in SFC maar één keer voor alle uitgaven van één maatregel Een dergelijke afronding gebeurt in één keerbetaling voor allevoor uitgaven van één maatregel terwijl die in het betaalorgaan bijSFC elkemaar individuele die maatregel gebeurt. terwijl die in het betaalorgaan bij elke individuele betaling voor die maatregel gebeurt. Gecumuleerd verklaren deze afrondingen dan ook het verschil tussen de boekhouding van Gecumuleerd verklaren afrondingen dan ook het verschil tussen de boekhouding van het het betaalorgaan en de deze SFC declaratie. betaalorgaan en de SFC-declaratie.
33
6.3.2 Overzicht terugvorderingen Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 g) in voorkomend geval, het hergebruik van steun die overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1290/2005 is teruggevorderd In 2011 werd 898.609 euro teruggevorderd (waarvan 330.857 euro Europese inbreng van het ELFPO) voor volgende maatregelen: • • • • • • • • • • • • •
2.023 euro (waarvan 607 euro van ELFPO) voor maatregel 111 “Opleiding in de landbouw” 19.305 euro (waarvan 5.791 euro van ELFPO) voor maatregel 112 “Vestiging van jonge landbouwers” 800 euro (waarvan 240 euro van ELFPO) voor maatregel 114 “Bedrijfsadviessysteem voor land- en tuinbouwers” 315.846 euro (waarvan 94.754 euro van ELFPO) voor maatregel 121 “Investeringen in landbouwbedrijven” 2.916 euro (waarvan 875 euro van ELFPO) voor maatregel 123 “Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten” 4.038 euro (waarvan 1.905 euro van ELFPO) voor maatregel 212 “Vergoeding natuur buiten Natura 2000” 8.920 euro (waarvan 4.427 euro van ELFPO) voor maatregel 213 “Vergoeding natuur binnen Natura 2000” 499.498 euro (waarvan 208.680 euro van ELFPO) voor maatregel 214 “Agromilieumaatregelen” 3.540 euro (waarvan 1.062 euro van ELFPO) voor maatregel 311 “Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten” 10.502 euro (waarvan 3.151 euro van ELFPO) voor maatregel 313 “Bevordering van toeristische activiteiten” 544 euro (waarvan 163 euro van ELFPO) voor maatregel 321 “Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking” 29.311 euro (waarvan 8.793 euro van ELFPO) voor maatregel 323 “Instandhouding en opwaardering van het landelijke erfgoed” 1.365 euro (waarvan 410 euro van ELFPO) voor maatregel 413 “Lokale ontwikkelingsstrategieën leefkwaliteit / diversificatie”
De teruggevorderde bedragen werden in mindering gebracht op de uitgaven, waardoor de betrokken beheersdienst deze bedragen opnieuw kan gebruiken voor de betreffende maatregel.
34
6.4
Indicatoren per as: totaal inclusief Health Check en Economisch Herstelplan Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 b) de aan de hand van output- en resultaatindicatoren aangegeven vorderingen met het programma in het licht van de vastgestelde doelstellingen
Belangrijk: in onderstaande figuren en tabellen wordt slechts een selectie van indicatoren gedetailleerd toegelicht. Voor een overzicht van alle indicatoren wordt verwezen naar de indicatorentabellen in bijlage.
6.4.1 As 1 – Verbetering van het concurrentievermogen van de landen bosbouwsector 6.4.1.1
111-A. Opleiding in de landbouw
6.4.1.1.1 Outputindicatoren Onder deze maatregel vallen cursussen (starters- en vormingscursussen), stages en korte vorming. In tegenstelling tot cursussen en stages worden onder ‘korte vorming’ bijeenkomsten verstaan waarbij gedurende één tot drie uur een bepaald onderwerp in verband met de landbouwsector onder leiding van een lesgever wordt uitgediept. Cursussen en stages Tabel 8 geeft een overzicht van het aantal deelnemers, het aantal vormingsdagen en de uitgaven per thema in 2011. De verdeling van het aantal deelnemers wordt ook grafisch voorgesteld in figuur 8. Hieruit blijkt dat de categorie “vaardigheden op management-, administratief- en marketinggebied” veruit de belangrijkste categorie is, zowel voor wat betreft het aantal vormingsdagen (47%) als de uitbetaalde subsidie (46%). De stages maken deel uit van de startersopleiding en werden daarom onder de managementsopleidingen ondergebracht. De categorie “andere”, waarin zowel de cursussen aangaande sectorspecifieke technische thema’s als het aanleren van praktische vaardigheden zijn ingedeeld, was goed voor 41% van het aantal deelnemers, 34% van het aantal vormingsdagen en 33% van de uitgaven. Aan de ICT-cursussen nam 23% van het aantal deelnemers deel, en werd 18% van het aantal vormingsdagen en 20% van de uitgaven besteed. De thema’s “landschapsbehoud en -verbetering en milieubescherming” en “productkwaliteit” vormden slechts in een beperkt aantal gevallen het hoofdthema van de cursus. De thema’s “nieuwe technologische processen / innovatieve benaderingen” en “nieuwe normen” kwamen in 2011 niet aan bod in de cursussen en stages.
35
Tabel 8 Overzicht van het aantal deelnemers, het aantal vormingsdagen en uitgaven per thema in 2011
Thema Vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied ICT-opleiding Nieuwe technologische processen en machines / innovatieve benaderingen Nieuwe normen Productkwaliteit Landschapsbehoud en -verbetering en milieubescherming Andere 2 Totaal
Aantal deelnemers
Aantal dagen vorming
Totale uitgaven (euro)
2.051 1.316
11.418 4.331
1.256.309 556.162
0 0 21
0 0 53
0 0 2.417
52 2.367 5.807
141 8.371 24.313
11.249 907.918 2.734.055
Figuur 8 Overzicht van het aantal deelnemers (absoluut en procentueel) per thema aan de cursussen en stages (2011)
De geslacht- en leeftijdsgegevens van de deelnemers aan de cursussen en stages wordt weergegeven in tabel 9. In totaal werden vorig jaar 5.807 niet-unieke deelnemers aan cursussen en stages geregistreerd. Dat aantal is vergelijkbaar met de voorgaande jaren. 37% van deze deelnemers was een vrouw en 57,9% jonger dan 40 jaar. De 5.807 deelnemers aan cursussen of stages bestonden uit 4.045 unieke personen. Dat betekent er in 2011 –net als in de vorige jaren- personen zijn die meerdere cursussen of stages gevolgd hebben. Van deze 4.045 unieke personen was 34,6% een vrouw en was 54,4% jonger dan 40 jaar. 2
De uitgaven voor ‘sociale promotie’ werden bij de categorie ‘andere’ geteld, zonder dubbeltelling.
36
Het unieke aantal deelnemers aan cursussen en stages over vijf jaren heen (2007-2011) bedroeg 12.990. Voor de jaren 2007 tot en met 2010 waren dat 10.441 personen. Daaruit volgt dat 2.549 personen in 2011 voor het eerst sinds de start van PDPO II een cursus gevolgd hebben. Van de 12.990 unieke deelnemers was 36% een vrouw en 50,9% jonger dan 40 jaar. Tabel 9 Leeftijd en geslacht van (unieke) deelnemers aan cursussen en stages
Niet-uniek 2011 Uniek 2011 Uniek 2007-2011
Aantal mannen < 40 j ≥ 40 j
Totaal
Aantal vrouwen < 40 j ≥ 40 j
Totaal
2.290
1.357
3.647
1.071
1.089
2.160
1.545
1.101
2.646
656
743
1.399
4.504
3.809
8.313
2.105
2.572
4.677
Korte vorming Tabel 10 geeft een overzicht van het aantal deelnemers, het aantal vormingsdagen en de uitgaven per thema voor de korte vorming in 2011. Uit deze tabel en figuur 9 blijkt dat de categorie “andere” de belangrijkste is, met 71% van de deelnemers. In deze categorie worden allerhande technische thema’s voor de verschillende landbouwsectoren ondergebracht. Respectievelijk 14%, 11% en 2% van het aantal deelnemers aan de korte vorming kan worden toegewezen aan “vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied”, “landschapsbehoud en -verbetering en milieubescherming” en “ICT-opleiding”. Het aantal vormingsdagen en de uitgaven volgen min of meer dezelfde verdeling. De overige thema’s (“productkwaliteit”, “nieuwe normen” en “nieuwe technologische processen en machines / innovatieve benaderingen”) vormden slechts in een beperkt aantal gevallen het hoofdthema van de korte vormingen. Bij de korte vorming registreert men enkel het aantal deelnemers, zonder verdere persoonsgegevens. De man/vrouw-verhouding van de deelnemers wordt bepaald aan de hand van steekproeven. Daaruit leiden we af dat 45,2% van de deelnemers aan korte vorming een vrouw was. De statistieken over leeftijd van de deelnemers aan de korte vorming zijn gebaseerd op de landbouwtelling van de FOD Economie en wijzen erop dat zo’n 11,2% van de deelnemers jonger was dan 40 jaar. Deze gegevens suggereren dat de deelnemers aan de korte vorming gemiddeld ouder zijn dan de deelnemers aan de cursussen en stages.
37
Tabel 10 Overzicht van deelnemers, aantal vormingsdagen en uitgaven per cursuscategorie voor de korte vorming in 2011
Cursusinhoud
Aantal deelnemers
Aantal dagen vorming
Totale uitgaven (euro)
22.653
5.267
219.201
2.500
685
53.365
517
92
4.372
961 1.785
305 397
20.145 17.199
Vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied ICT-opleiding Nieuwe technologische processen en machines / innovatieve benaderingen Nieuwe normen Productkwaliteit Landschapsbehoud en verbetering en milieubescherming Andere
17.494
3.500
117.733
110.500
25.940
1.071.281
Totaal
156.410
36.186
1.503.296
Figuur 9 Absolute en procentuele verdeling van het aantal deelnemers aan korte vorming over de verschillende thema’s in 2011
38
6.4.1.1.2 Resultaatindicatoren Cursussen en stages In totaal werden in 2011 5.011 diploma’s en getuigschriften uitgereikt aan 3.382 unieke personen. 35,7% van die personen was een vrouw en 52,7% jonger dan 40 jaar. Tijdens de eerste vijf jaren van PDPO II werden in totaal 24.899 diploma’s en getuigschriften uitgereikt aan 11.391 unieke personen. Van die 11.391 unieke personen was 36,9% een vrouw en 50,3% jonger dan 40 jaar. Korte vorming Bij korte vorming wordt enkel het aantal deelnemers geregistreerd, zonder verdere persoonsgegevens. Er wordt verondersteld dat de helft van de Vlaamse landbouwers (31.255) minstens één maal in de volledige PDPO II-programmaperiode een korte vormingssessie volgt. Daar de onderwerpen van korte vorming dicht bij de praktijk staan, wordt aangenomen dat 100% van de deelnemers het geleerde ook in de praktijk zullen brengen. Dat cijfer stelt dan meteen het unieke aantal ‘succesvolle’ deelnemers voor. De absolute cijfers van geslacht en leeftijd werden verkregen door dezelfde procentuele verdeling te gebruiken als bij de outputindicator. De man/vrouw verhouding van de deelnemers wordt aldus bepaald aan de hand van steekproeven. De statistieken over leeftijd van de deelnemers aan de korte vorming zijn gebaseerd op de landbouwtelling van de FOD Economie. Ervan uitgaande dat de helft van de Vlaamse landbouwers minstens één maal een korte vormingssessie volgt in de loop van PDPO II, zullen er tussen 2007 en 2011 ongeveer vijf zevende daarvan (of 22.325 landbouwers) al een sessie gevolgd hebben.
6.4.1.1.3 Targets Tabel 11 zet per output- en resultaatsindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 11 Targets voor maatregel 111-A Opleiding in de landbouw
Type indicator
Output
Resultaat
Doel 20072013
Indicator Aantal unieke deelnemers aan opleidingen Aantal deelnemers aan opleidingen Totaal aantal dagen opleiding voor alle deelnemers Aantal unieke deelnemers die succesvol een opleiding gevolgd hebben
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage
35.000
44.245 3
126,4%
1.200.000
840.301
70,0%
519.750
322.801
62,1%
34.000
42.646 4
125,4%
De midtermevaluatie, die eind 2010 gepubliceerd werd, geeft meer duiding bij de realisatiegraden van bovenstaande indicatoren (IDEA Consult, 2010). Men stelt onder meer dat, gezien de deelnemers aan korte vormingen niet op een unieke manier worden geregistreerd (enkel het aantal deelnemers wordt genoteerd, dus inclusief dubbels), de 3
12.990 unieke deelnemers aan cursussen en stages in 2007-2011 (exact) + 31.255 geschatte aantal unieke deelnemers korte vorming 2007-2013 = 44.245 unieke deelnemers 4 11.391 unieke geslaagden cursussen en stages 2007-2011 (exact) + 31.255 geschatte aantal unieke geslaagden korte vorming = 42.646 unieke geslaagden
39
gebruikte monitoringcijfers gebaseerd zijn op een schatting op basis van de landbouwenquête (50% van de populatie wordt verondersteld een korte vorming te hebben gevolgd). Bovendien werd deze schatting, die voor de ganse periode geldt, nu al volledig toegepast, na 5/7 van de periode. Ook voor de resultaatindicator “aantal unieke deelnemers die succesvol een opleiding gevolgd hebben” wordt de schatting van het aantal deelnemers aan korte vorming gebruikt, waarbij dan verondersteld wordt dat alle deelnemers datgene wat ze geleerd hebben ook in de praktijk zullen brengen.
6.4.1.2
111-C. Sensibiliseringsprojecten (demoprojecten)
duurzame
landbouw
6.4.1.2.1 Outputindicatoren In figuur 10 wordt per thema het aantal deelnemers aan de demoprojecten weergegeven. In totaal namen 7.270 personen deel aan de zeven sensibiliseringsprojecten die in 2011 beëindigd werden, en waarvoor de derde schijf van betaling werd uitgevoerd. Het grootste aantal deelnemers, zijnde 71%, werd geregistreerd bij demoprojecten die vallen onder de categorie “productkwaliteit”. 29% van de deelnemers volgde een demoproject rond “landschapsbehoud en –verbetering en milieubescherming”. Rond de thema’s “vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied”, ICT en “nieuwe normen” werden geen demoprojecten beëindigd. Naar schatting was 10% van de deelnemers aan de demoprojecten een vrouw en 43% jonger dan 40 jaar. Bij alle projecten werd eveneens schriftelijk gecommuniceerd, via brochures, artikels in de vakpers, enzovoort. Op die manier kon men naast de hier weergegeven deelnemers nog meer land- en tuinbouwers bereiken. In figuur 11 worden per thema de uitgaven in 2011 voor de demoprojecten weergegeven. De uitbetalingen voor de demoprojecten, die maximaal twee jaar duren, vinden plaats in drie schijven. De schijven uitbetaald in 2011 zijn opgenomen onder de desbetreffende cursuscategorie. Het betreft de betalingen voor projecten van oproepen van 2005 tot en met 2010. In totaal werd in 2011 571.675 euro uitgegeven aan sensibiliseringsprojecten. Uitbetalingen gebeurden vooral voor projecten in de categorie “landschapsbehoud en – verbetering en milieubescherming” (47%). Betalingen voor demoprojecten aangaande “productkwaliteit” komen op de tweede plaats met 37% van de totale uitgaven in 2011.
40
Figuur 10 Absolute en procentuele verdeling van het aantal deelnemers in 2011 aan demoprojecten per thema 5
Figuur 11 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de publieke uitgaven in 2011 voor demoprojecten per thema 5
De categorieën “ICT-training”, “vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied” en “Nieuwe normen” komen niet voor omdat in 2011 voor geen enkel project dat onder deze categorieën valt de derde schijf van betaling werd uitgevoerd (= einde project). Enkel van beëindigde projecten wordt het deelnemersaantal opgevolgd.
41
In 2011 werd een nieuwe oproep gedaan voor demonstratieprojecten, gericht op duurzame bemesting. De oproep kaderde in het nieuwe Mestactieplan (MAP IV) en liep tot 3 oktober 2011. De projecten hebben tot doel de land- en tuinbouwers te helpen omgaan met de nieuwe en verstrengde bemestingsnormen om enerzijds een zo goed mogelijk bedrijfseconomisch resultaat te halen en anderzijds de waterkwaliteit te verbeteren. Met het oog op een zo efficiĂŤnt mogelijk gebruik van de middelen moet in de demoprojecten de link met onderzoeksprojecten duurzame bemesting gemaakt worden. Indien mogelijk moet kennis uitgewisseld worden tussen onderzoeksprojecten en demonstratieprojecten. Acties hieromtrent moeten in het projectvoorstel beschreven worden.
6.4.1.2.2 Resultaatindicatoren De resultaatindicator geeft het aantal deelnemers aan die het geleerde toepassen in de praktijk. Hiervoor kunnen nog geen resultaten doorgegeven worden. Deze informatie kan enkel via enquĂŞtes bekomen worden een aantal jaren na het demoproject.
6.4.1.2.3 Targets Tabel 12 zet per output- en resultaatsindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 12 Targets voor maatregel 111-C Sensibiliseringsprojecten duurzame landbouw
Type indicator
Output
Resultaat
Doel 20072013
Indicator Aantal unieke deelnemers aan opleidingen Aantal deelnemers aan opleidingen Totaal aantal dagen opleiding voor alle deelnemers Aantal unieke deelnemers die succesvol een opleiding gevolgd hebben
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage
12.600
11.500 6
91%
106.000
79.226
74,7%
37.800
28.565
75,6%
7.560
NA
NA
De deelnemers aan sensibiliseringsprojecten worden niet op individuele manier geregistreerd. Het unieke aantal deelnemers is daarom een schatting gebaseerd op verslagen en de ervaring van de verantwoordelijken bij de administratie. Het werkelijke aantal unieke deelnemers is niet gekend omdat er geen systematische deelnemerslijsten worden bijgehouden.
6.4.1.3
111-D. Opleiding in de biologische landbouw (uitdovende maatregel)
Voor deze maatregel werden in 2011 geen betalingen uitgevoerd en geen nieuwe dossiers goedgekeurd.
6
Er wordt verondersteld dat alle unieke deelnemers aan de demoprojecten eveneens deelgenomen hebben aan de cursussen en stages en de korte vorming, vandaar dat in de monitoringtabellen (zie bijlage 4) enkel het cijfer van maatregel 111-A vermeld werd.
42
6.4.1.4
112. Vestiging van jonge landbouwers
6.4.1.4.1 Outputindicatoren In 2011 werden 167 vestigingsdossiers goedgekeurd die ingediend waren onder PDPO IIregelgeving. (Er werden in 2011 geen dossiers meer goedgekeurd die ingediend waren onder PDPO I-regelgeving.) Dat zijn er 41 meer dan in 2010. Die stijging is waarschijnlijk te verklaren door het toegenomen aantal ingediende vestigingsdossiers einde 2010 ten opzichte van 2009, door de in 2009 aangekondigde verhoging van het maximale steunbedrag. Een groot deel van de ingediende dossiers werd pas in 2011 volledig afgerond en beslist. 19,2% van de goedgekeurde vestigingsdossiers gebeurden in het kader van vervroegde pensionering, wat betekent dat de voorgaande bedrijfsleider tussen 55 en 64 jaar oud was. In 24,6% van de gevallen diende een vrouw het dossier in. Van de 167 dossiers werd het totale investeringsvolume (de som van de overheidssubsidie en de privĂŠbijdrage) geschat op 29,7 miljoen euro. Figuur 12 en figuur 13 tonen respectievelijk het aantal goedgekeurde PDPO II-dossiers en het totale investeringsvolume onderverdeeld per landbouwactiviteit. Hieruit blijkt dat de meeste vestigingsdossiers betrekking hebben op gemengde bedrijven, melkvee-, tuinbouw- en varkensbedrijven. De totale uitgaven voor vestigingssteun bedroegen in 2011 7,2 miljoen euro. 22% van de uitgaven ging naar dossiers daterende uit de vorige programmaperiode. 51,8% van de totale subsidie-uitgaven werd uitbetaald als een kapitaalpremie. De rest gebeurde onder de vorm van rentesubsidies. Voor de geografische uitsplitsing van de dossiers in Natura 2000-gebied en daarbuiten werd gebruik gemaakt van een GIS-applicatie. Een bedrijf wordt beschouwd gelegen te zijn in Natura 2000-gebied als meer dan 50% van de percelen erin liggen. Van de dossiers goedgekeurd in 2011 waren er drie bedrijven gelegen in Natura 2000-gebied. Van de uitgaven in 2011 ging 1,5% naar eerder goedgekeurde dossiers in Natura 2000-gebied. Dezelfde GIS-oefening werd ook uitgevoerd voor Less Favoured Area (LFA) 7. Een bedrijf werd beschouwd als gelegen in LFA-gebied wanneer meer dan 50% van de percelen in LFAgebied ligt. In 2011 werd geen enkel dossier in LFA-gebied goedgekeurd. Ook van de in 2011 uitbetaalde subsidies waren er geen uitgaven bestemd voor LFA-gebied.
7
Voor Vlaanderen komt LFA-gebied overeen met landbouwgrond gelegen in kwetsbaar gebied natuur waarop nulbemesting van toepassing is. Landbouwgrond in kwetsbaar gebied natuur waarop ontheffing van nulbemesting geldt, wordt dus niet meegerekend.
43
Figuur 12 Absolute en procentuele verdeling per landbouwactiviteit van het aantal goedgekeurde vestigingsdossiers (PDPO II-regelgeving) in 2011
Figuur 13 Absolute (euro) en procentuele verdeling per landbouwactiviteit van het totale investeringsvolume van de goedgekeurde PDPO II-vestigingsdossiers in 2011
44
6.4.1.4.2 Resultaatindicatoren Op basis van het Landbouwmonitoringnetwerk (LMN), dat gegevens aanlevert aan het Europese Farm Accountancy Datanetwork (FADN), kan een uitspraak gedaan worden over de bruto toegevoegde waarde (BrTW) van de gesteunde bedrijven. Van de dossiers die in 2007 goedgekeurd werden (zowel PDPO I- als II-dossiers) zijn er zeven bedrijven zowel in boekjaar 2007 als in boekjaren 2008, 2009 en 2010 in het LMN opgenomen. De gezamenlijke BrTW 8 van deze zeven landbouwbedrijven steeg in 2010 met 143.307 euro tot 1.033.251 euro. Ook in 2009 was een stijging opgetekend na een lichte daling in 2008 ten opzichte van 2007.
6.4.1.4.3 Targets Tabel 13 zet per output- en resultaatsindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 13 Targets voor maatregel 112 Vestiging van jonge landbouwers
Type indicator Output Resultaat
Doel 20072013 1.400
Indicator
Aantal gesteunde landbouwers Totaal investeringsvolume 280.000.000 (euro) Bruto toegevoegde waarde van Status quo 9 de landbouwbedrijven (euro)
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage 651 46,5% 112.377.731
40,1%
NA
NA
De relatief lage realisatie van de targets van de outputindicatoren in 2007-2011 is te verklaren door het gegeven dat enkel de dossiers ingediend en goedgekeurd onder PDPO II-regelgeving in beschouwing worden genomen. Daar slechts voor een beperkt aantal bedrijven de bruto toegevoegde waarde gekend is en het complexe gegeven van de BrTW niet in ĂŠĂŠn jaarlijks cijfer te vatten is, wordt via de indicatorentabellen (bijlage 4) geen cijfer doorgegeven.
8
Voor de berekening van de BrTW werd gebruik gemaakt van de nieuwe definitie die in 2009 door de Europese Commissie werd vooropgesteld. 9 In tegenstelling tot de huidige waarde van de BrTW van een groep bedrijven in het monitoringjaar n is de doelstelling te interpreteren als het verschil in BrTW voor de groep bedrijven in jaar n (jaar van toekenning PDPO-steun) en jaar n+7.
45
6.4.1.5
114. Bedrijfsadviessysteem voor land- en tuinbouwers
6.4.1.5.1 Outputindicatoren Onder deze maatregel vallen zowel bedrijfsadviezen conform de regelgeving van PDPO I (meer specifiek gaat dit om de “milieumodule” en het “bedrijfsleidingsadvies”), als de adviezen conform de regelgeving van PDPO II (wat verder het “nieuwe BAS” wordt genoemd). In 2011 kregen 509 adviesaanvragen onder PDPO II-regelgeving voorlopige goedkeuring. In de periode 2007-2011 werden in totaal 3.155 unieke aanvragen voorlopig goedgekeurd. Voor 1.251 eerder goedgekeurde bedrijfsadviezen (nieuwe BAS) werden er in 2011 betalingen gedaan. Ieder advies behandelde elk van volgende thema’s: milieu, arbeidsveiligheid, bedrijfsbeheer, volksgezondheid en gezondheid van planten en dieren, en dierenwelzijn. Voor de verdeling van de uitbetaalde adviezen over de verschillende categorieën, wordt bepaald welke module voor dat specifieke advies het belangrijkst is geweest. De verdeling van de in 2011 uitbetaalde adviezen over de verschillende categorieën wordt weergegeven in figuur 14. Voor het grootste deel (51%) van de adviezen was de milieucomponent de belangrijkste. Bij 22% van de adviezen werd volksgezondheid en gezondheid van dieren en planten als belangrijkste module aangewezen en bij een andere 22% was dat bedrijfsbeheer. Voor de 1.251 verstrekte adviezen werd in 2011 in totaal 1.782.742 euro uitgegeven. Figuur 15 toont de verdeling van dit budget over de verschillende categorieën van adviezen. Het grootste deel van de uitgaven (52%) ging naar adviezen waarbij de milieucomponent als belangrijkste werd ervaren. Op de tweede plaats kwamen adviezen waarbij volksgezondheid en gezondheid van dieren en planten primeerde (22%) en adviezen waarbij de module bedrijfsbeheer de belangrijkste was (21%). In 2011 werden nog 1.019 dossiers van de eerste programmaperiode (PDPO I) behandeld. 522 (51%) landbouwers hebben een subsidie ontvangen voor de milieumodule, voor een totaalbedrag van 143.739 euro (42% van de totale uitgaven). En 497 (49%) landbouwers hebben in 2011 subsidie ontvangen voor bedrijfsleidingadvies, voor een totaalbedrag van 200.250 euro (58% van de totale uitgaven).
46
Figuur 14 Absolute en procentuele verdeling van het aantal uitbetaalde adviesaanvragen in het nieuwe BAS-systeem in 2011
Figuur 15 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de publieke uitgaven voor adviesverstrekking in het nieuwe BAS-systeem in 2011
47
6.4.1.5.2 Resultaatindicatoren Daar er in het LMN geen landbouwbedrijven zijn opgenomen die deelnemen aan het BAS, werden in het kader van de ongoing evaluatie in 2009 gegevens aangaande BrTW verkregen van commerciële boekhoudkantoren. Voor de midtermevaluatie werden deze data geanalyseerd. De evaluatoren moesten echter concluderen dat op basis van de beschikbare gegevens moeilijk een conclusie over de invloed van de verstrekte adviezen kan worden getrokken (IDEA Consult, 2010).
6.4.1.5.3 Targets Tabel 14 zet per output- en resultaatsindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 14 Targets voor maatregel 114 Bedrijfsadviessysteem voor land- en tuinbouwers
Type indicator Output Resultaat
Doel 20072013
Indicator
Aantal gesteunde 18.634 11 10 landbouwers Bruto toegevoegde waarde van Status quo 12 de landbouwbedrijven (euro)
10
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage 6.661
35,7%
NA
NA
Aantal gesteunde landbouwers wordt geïnterpreteerd als het aantal unieke landbouwers die in 2007-2011 een uitbetaling ontvingen voor milieumodule/bedrijfsleidingadvies of die een aanvraag in eerste fase ingediend hebben voor het nieuwe BAS. 11 Deze doelstelling omvat zowel dossiers van PDPO I- als van PDPO II-regelgeving, goedgekeurd en uitbetaald in de periode 2007-2013. In de monitoringtabellen in bijlage 4 zijn enkel de uitbetaalde dossiers vervat die onder PDPO II-regelgeving vallen (‘nieuwe BAS’). De doelstelling voor die nieuwe BAS-dossiers bedraagt 11.900 gesteunde landbouwers, in de periode 2007-2013. 12 In tegenstelling tot de huidige waarde van de BrTW van een groep bedrijven in het monitoringjaar n is de doelstelling te interpreteren als het verschil in BrTW voor de groep bedrijven in jaar n (jaar van toekenning PDPO-steun) en jaar n+7.
48
6.4.1.6
121. Investeringen in landbouwbedrijven
6.4.1.6.1 Outputindicatoren In 2011 werden 2.212 dossiers, ingediend onder PDPO II-regelgeving, goedgekeurd. (Er werden in 2011 geen dossiers meer goedgekeurd die waren ingediend onder PDPO Iregelgeving). Figuur 16 toont de verdeling van de dossiers over de verschillende bedrijfstypen. Bij 34% van de goedgekeurde investeringsdossiers ging het om gemengde bedrijven, 21% waren tuinbouwbedrijven en 16% melkveebedrijven. Die verdeling is gelijkaardig aan de vorige jaren. Bijna 22% van de dossiers werd ingediend door een rechtspersoon. Van de dossiers ingediend door een natuurlijk persoon was de aanvrager in een kleine 40% van de gevallen jonger dan 40 jaar en in 7,3% van de gevallen een vrouw.
Figuur 16 Absolute en procentuele verdeling van het aantal goedgekeurde dossiers onder PDPO IIregelgeving per bedrijfstype in 2011
Het investeringsvolume, dat de som is van de overheidssubsidie en de privĂŠbijdrage, van deze 2.212 dossiers, werd geschat op 318,8 miljoen euro. Figuur 17 geeft een overzicht van het investeringsvolume per bedrijfstype. Het grootste investeringsvolume (29%) kwam voor bij gemengde bedrijven, gevolgd door de tuinbouwbedrijven (22%) en de melkveebedrijven (15%). Wat de types investeringen betreft, was 84,3% van het totale investeringsvolume bestemd voor investeringen in gebouwen, 12,5% ging naar machines en 3,2% betrof andere types investeringen. 1% van de goedgekeurde investeringsdossiers betrof een investering voor het produceren van een nieuw product. 13% van de dossiers kon gezien worden als investering voor een nieuwe techniek en nieuwe producten op sectorniveau (bv. WKK-installatie). De lijst met nieuwe producten en technieken werd in 2011 geactualiseerd en is weergegeven in tabel 15.
49
1,7% van de 2.212 goedgekeurde dossiers betrof een biologisch landbouwbedrijf. Dat is een stijging ten opzichte van 2009 en 2010, toen dat nog respectievelijk 0,6% en 1,1% was.
Figuur 17 Absolute (euro) en procentuele verdeling van het investeringsvolume van de goedgekeurde dossiers onder PDPO II-regelgeving per bedrijfstype in 2011
In 2011 werd 62,5 miljoen euro uitbetaald aan investeringen die in 2011 of vorige jaren werden goedgekeurd. Van die uitgaven gebeurde 36,1% onder de vorm van een kapitaalpremie en de rest onder de vorm van rentesubsidies. Voor de geografische bepaling van het aantal goedgekeurde dossiers in Less Favoured Area (LFA)-gebied werd gebruik gemaakt van een GIS-applicatie. Een bedrijf wordt beschouwd als gelegen in LFA-gebied als meer dan 50% van de percelen in LFA-gebied ligt. Van de 2.212 in 2011 goedgekeurde dossiers was ĂŠĂŠn bedrijf gelegen in LFA-gebied. 42.220 euro of 0,07% van de in 2011 uitbetaalde steun (voor dossiers die in vorige jaren werden goedgekeurd) was bestemd voor bedrijven in LFA-gebied. Dezelfde GIS-analyse werd ook uitgevoerd voor Natura 2000-gebied. Een bedrijf wordt beschouwd als gelegen in Natura 2000-gebied als meer dan 50% van de percelen in dat gebied ligt. 92 van de 2.212 bedrijven (4,2%) met in 2011 goedgekeurde aanvraag zijn gelegen in Natura 2000-gebied. Van de in 2011 uitbetaalde steun (voor dossiers die in vorige jaren werden goedgekeurd) was 2.184.268 euro of 3,5% bestemd voor bedrijven in Natura 2000gebied.
50
Tabel 15 Geactualiseerde lijst van investeringen die beschouwd worden als nieuwe techniek of product VLIF-investering AEA biggenstal AEA fokvarkensstal (alle categorieën) AEA kraamstal AEA legkippenstal met verrijkte kooien AEA legkippenstal met volière- of grondhuisvesting AEA moederdierenstal AEA poeljenstal AEA vleesvarkensstal AEA zeugenstal AEA varkensstal grondgebonden (40%) Bouwen/verbouwen ammoniakreductiestallen biggen (var %) Bouwen/verbouwen ammoniakreductiestallen drachtige zeugen (var %) Bouwen/verbouwen ammoniakreductiestallen fokvarkens (var %) Bouwen/verbouwen ammoniakreductiestallen kraamhokken (var %) Bouwen/verbouwen ammoniakreductiestallen melkvee en jongvee Bouwen/verbouwen ammoniakreductiestallen mestkuikens Bouwen/verbouwen ammoniakreductiestallen vleesvarkens (var %) Bouwen/verbouwen ammoniakreductiestallen vleesvee Energiebesparing: warmtepomp bij gesloten kas Erosieploeg Fytobak Geautomatiseerde champignonplukmachine Geavanceerde spuitmachines Herinrichten legkippenstal met verrijkte kooien Herinrichten legkippenstal met volière- of grondhuisvesting Herinrichten zeugenstallen met groepshuisvesting Hoeveproducten andere (gebouwen) Hoeveproducten andere (materieel) Hoeveproducten andere vanaf 1-1-2007 (gebouwen) Hoeveproducten andere vanaf 1-1-2007 (materieel) Hoevevlees (gebouwen) Hoevevlees (materieel) Hoevevlees vanaf 1-1-2007 (gebouwen) Hoevevlees vanaf 1-1-2007 (materieel) Hoevezuivel (gebouwen) Hoevezuivel (materieel) Hoevezuivel vanaf 1-1-2007 (gebouwen) Hoevezuivel vanaf 1-1-2007 (materieel) Installatie GPS-sturing Installatie lagedrukbandensysteem Installaties voor compostering Luchtwasser bij nieuwe AEA-stal Machines voor directinzaai Materieel voor mechanische afdekking silo's Mechanische onkruidbestrijding Mestbewerking-/verwerkingsystemen Micro WKK Nieuwe fruitvariëteiten Oogstprotectie fruit Opvang/hergebruik beregeningswater Opvang/hergebruik beregeningswater (40%) Rationeel afvalbeheer Tafelreiniger Verwarming op biobrandstoffen Vogelschrikapparatuur Waterbehandeling Waterdampstoomspoeling Waterreservoir WKK-installatie op gas of biobrandstof
51
nieuwe techniek (T) of nieuw product (P) T T T T T T T T T T T T T T T T T T T T T T T T T T P P P P P P P P P P P P T T T T T T T T T P T T T T T T T T T T T
6.4.1.6.2 Resultaatindicatoren Op basis van het LMN, dat gegevens aanlevert aan het FADN, kan een uitspraak gedaan worden over de BrTW van de gesteunde bedrijven. Van de dossiers (zowel PDPO I- als PDPO II-dossiers) die in 2007 werden goedgekeurd, zijn 161 landbouwbedrijven zowel in boekjaar 2007 als in boekjaren 2008, 2009 en 2010 opgenomen in LMN. De gezamenlijke BrTW8 van de 161 landbouwbedrijven bedroeg in 2010 34.899.781 euro. Dat is 9.438.486 euro meer dan de gezamenlijke BrTW in 2009 (figuur 18).
Figuur 18 Evolutie van de gezamenlijke BrTW van LMN-landbouwbedrijven met investeringssteun (AMS op basis van LMN)
6.4.1.6.3 Targets Tabel 16 zet per output- en resultaatsindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen.
52
Tabel 16 Targets voor de maatregel 121 Investeringen in landbouwbedrijven
Type indicator Output
Resultaat
Indicator
Doel 20072013
Aantal gesteunde 24.500 landbouwers Totaal investeringsvolume 1.295.000.000 (euro) Bruto toegevoegde waarde 10 % van de landbouwbedrijven stijging 13 (euro) Aantal landbouwbedrijven die nieuwe producten of 4.900 technieken introduceren
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage 8.416
34,4%
992.636.692
76,7%
NA
NA
896
18,3%
In bovenstaande cijfers worden enkel de dossiers ingediend en goedgekeurd onder PDPO IIregelgeving in beschouwing genomen. De relatief lage realisatie van de doelstelling voor aantal gesteunde landbouwers in 2007-2011 staat in contrast met de relatief goede realisatiegraad van de doelstelling voor totaal investeringsvolume. Dat wijst erop dat er meer steun per dossier (ten gevolge van grotere investeringsvolumes per dossier) wordt verleend dan aanvankelijk werd ingeschat. Dat heeft onder andere te maken met het optrekken van het plafond in 2007 tot 1 miljoen euro per bedrijfsleider in plaats van 1 miljoen euro per bedrijf (IDEA Consult, 2010). Daar slechts voor een beperkt aantal bedrijven de BrTW gekend is en het complexe gegeven van de BrTW niet in ĂŠĂŠn jaarlijks cijfer te vatten is, wordt via de indicatorentabellen (bijlage 4) geen cijfer doorgegeven.
13
In tegenstelling tot de huidige waarde van de BrTW van een groep bedrijven in het monitoringjaar n is de doelstelling te interpreteren als het verschil in BrTW voor de groep bedrijven in jaar n (jaar van toekenning PDPO-steun) en jaar n+7.
53
KADERSTUK
VLIF-investeringen (inclusief diversificatie): toegekende steun per thema (milieu, diversificatie, dierenwelzijn, biologische landbouw, structurele investeringen)
In onderstaande figuur is de toegekende steun in kalenderjaar 2011 voor maatregel 121 “investeringssteun” en maatregel 311 “diversificatiesteun” opgedeeld in vier thema’s: milieu/diversificatie, dierenwelzijn, biologische landbouw en structurele investeringen. Deze indeling gebeurde op basis van de investeringscodes die door de VLIF-administratie worden gebruikt. Onder de “structurele investeringen” worden onder meer de bouw van stallen en serres en de aankoop van machines en materieel gerekend. Alle investeringen worden uniek toegekend aan een thema. De totale in 2011 toegekende steun voor investeringen inclusief diversificatie bedroeg 86,5 miljoen euro. Dat totale steunvolume bevat ook de steun toegekend onder het Health Checkprogramma en de zogenaamde diversificatiesteun suiker. Dat laatste is immers ook investeringssteun, maar wordt apart gefinancierd met specifieke bijkomende Europese middelen afkomstig van de herstructurering van de suikersector. Voor de toegekende rentesubsidies werd in onderstaande figuur met de nominale waarde gewerkta. Meer dan 41 miljoen euro of 48% van de in 2011 toegekende steun was bestemd voor structurele investeringen. Daarvan ging 77% naar de bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen. Dat zijn investeringen zoals de bouw van serres, stallen, loodsen, frigo’s en melkinstallaties. Dertien procent van de structurele investeringen ging naar de aankoop van materieel, vee en planten. Onder “andere bedrijfsverbeteringen” (in 2011 goed voor zo’n 5% van de structurele investeringen) worden onder meer erfverhardingen verstaan. Meer dan 44 miljoen euro of 51% van de totale toegekende steun was bestemd voor diversificatie- of milieu-investeringen. Daarvan werd 43 miljoen euro toegekend aan milieuinvesteringen (waarvan 10,4 miljoen euro voor zonnepanelen en 5,3 miljoen euro voor warmtekrachtkoppeling (WKK) -installaties) en 1 miljoen euro aan diversificatieinvesteringen (exclusief zonnepanelen). De steun die werd toegekend aan dierenwelzijn en biologische landbouw is eerder beperkt. Belangrijk is er echter op te wijzen dat de 78.228 euro toegekende steun voor biologische landbouw enkel de steun is voor specifieke investeringen in de biolandbouw en niet de totale toegekende VLIF-steun in 2011 voor biologische landbouwbedrijven.
54
Figuur Verdeling van de in 2011 toegekende steunbedragen (euro) over de verschillende thema’s. Hierbij werd elk type investering uniek toegewezen. Legende: PV = zonnepanelen, WKK = warmtekrachtkoppelingsinstallatie a
Toegekende rentesubsidie wordt gespreid en degressief uitbetaald over verscheidene jaren, parallel aan het kredietaflossingsplan. De huidige waarde van deze gespreide toekomstige betalingen is de “actuele waarde� (equivalent) van de steun, berekend met een actualisatievoet (jaarpercentage): het totaal van de actualisaties van elk van de toekomstige betalingen. De waarde die effectief zal worden uitbetaald is de nominale waarde.
55
6.4.1.7
123-A. Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten
6.4.1.7.1 Outputindicatoren Eind 2010 werd een oproep gelanceerd voor financiĂŤle steun aan agrovoedingsbedrijven. Projecten konden tot uiterlijk 1 maart 2011 worden ingediend. De projecten moesten kaderen in het thema milieu (waterbesparing in het bijzonder) en energie. In totaal werd van 33 agrovoedingsbedrijven de steunaanvraag goedgekeurd. 11 van die bedrijven zijn microondernemingen, 16 medium en 6 halfgrote ondernemingen 14. Figuur 19 en figuur 20 geven respectievelijk de verdeling weer van het aantal goedgekeurde aanvragen en het daarmee gepaard gaande subsidiabele investeringsbedrag over de verschillende sectoren van de agrovoedingssector. In de vleeswarensector werden de meeste projecten goedgekeurd (34%), goed voor het grootste aandeel van het investeringsvolume (29% of bijna 13 miljoen euro). 15% van de goedgekeurde dossiers betreft een bedrijf gespecialiseerd in vlees voor een investeringsvolume van bijna 2 miljoen euro (4%). In de groenten- en fruitsector werden 12% van de dossiers goedgekeurd, voor een totaal investeringsvolume van bijna 12 miljoen euro (27%). In totaal werd in 2011 1.251.178 euro uitbetaald aan investeringen die de vorige jaren waren goedgekeurd.
Figuur 19 Absolute en procentuele verdeling van het aantal in 2011 goedgekeurde dossiers per sector van de agrovoedingsindustrie 14
Micro-ondernemingen zijn ondernemingen met minder dan 50 werkzame personen en een jaarlijkse omzet en/of jaarlijkse balans niet hoger dan 10 miljoen euro. Medium ondernemingen zijn ondernemingen met minder dan 250 werkzame personen en een jaarlijkse omzet niet hoger dan 50 miljoen euro en/of een jaarlijkse balans niet hoger dan 43 miljoen euro. Halfgrote ondernemingen zijn ondernemingen met minder dan 750 werkzame personen en een jaarlijkse omzet niet hoger dan 200 miljoen euro.
56
Figuur 20 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de subsidiabele investeringskost van de in 2011 goedgekeurde dossiers per sector van de agrovoedingsindustrie
6.4.1.7.2 Resultaatindicatoren Alle 33 nieuwe dossiers die in 2011 werden goedgekeurd betroffen de introductie van een (voor het bedrijf) nieuwe techniek. Meer specifiek ging het overal om technieken die zorgen voor minder energieverbruik of die een andere positieve milieu-impact hebben. De bruto toegevoegde waarde van de agrovoedingsbedrijven werd bepaald op basis van de jaarrekeningen neergelegd bij de Nationale Bank van BelgiĂŤ. In samenspraak met de midtermevaluator werd, rekening houdende met de nieuwe Europese definitie8, de Vlaamse berekening op basis van de jaarrekening van de Nationale Bank aangepast. Het gevolg van deze aanpassing is dat van 25 bedrijven waarvan het dossier in 2008 werd goedgekeurd, de BrTW berekend kan worden in de jaren 2008 tot en met 2010. Van de overige bedrijven ontbreken cruciale gegevens van de resultaatrekening om de berekening te kunnen uitvoeren. Van deze 25 bedrijven werd de gezamenlijke BrTW berekend in 2007, 2008, 2009 en 2010. In 2007 bedroeg de BrTW 167.641.000 euro, in 2008 193.479.000 euro, in 2009 160.765.000 euro en in 2010 156.145.000 euro (AMS op basis van Belfirst).
57
6.4.1.7.3 Targets Tabel 17 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 17 Targets voor maatregel 123-A Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten
Type indicator Output
Resultaat
Doel 20072013
Indicator
Aantal gesubsidieerde 250 bedrijven Totaal investeringsvolume 335.000.000 (euro) Bruto toegevoegde waarde van Stijging van de agrovoedingsbedrijven 155.000.000 (euro) euro 15 Aantal agrovoedingsbedrijven die nieuwe producten of 75 technieken introduceren
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage 131
52,4%
178.143.030
53.2%
NA
NA
55
73,3%
Daar slechts voor een beperkt aantal bedrijven de BrTW gekend is en deze complexe indicator moeilijk in ĂŠĂŠn jaarlijks cijfer te vatten is, wordt via de indicatorentabellen (bijlage 4) geen cijfer doorgegeven.
6.4.1.8
132. Deelname door landbouwers aan voedselkwaliteitsregelingen
Deze maatregel werd opgestart in 2011. Er werden nog geen projecten uitbetaald.
6.4.1.9
133. Voorlichting en afzetbevordering van Vlaamse producten erkend als BOB/BGA/GTS
Deze maatregel werd opgestart in 2011. Er werden nog geen projecten uitbetaald.
15
In tegenstelling tot de huidige waarde van de BrTW van een groep bedrijven in het monitoringjaar n is de doelstelling te interpreteren als het verschil in BrTW voor de groep bedrijven in jaar n (jaar van toekenning PDPO-steun) en jaar n+7.
58
6.4.2 As 2 – Verbetering van het milieu en het platteland 6.4.2.1
212/213. Vergoeding natuur buiten en binnen Natura 2000
6.4.2.1.1 Outputindicatoren In 2011 ontvingen 856 unieke landbouwbedrijven een vergoeding natuur. Alle betalingen in 2011 betroffen dossiers daterende van 2010, 2008 en 2007. Ze bestreken een totale oppervlakte van 2.609 ha. Ten opzichte van 2010 nam de uitbetaalde oppervlakte in 2011 toe met 634 ha en kregen 209 landbouwbedrijven meer een vergoeding. In 2011 werden op budgetpost 212 526 landbouwers uitbetaald voor 1.464 ha. Op budgetpost 213 werden 400 landbouwers uitbetaald voor 1.145 ha. Van deze landbouwers zijn er 856 unieke landbouwers, wat betekent dat sommige landbouwers zowel percelen binnen als buiten Natura 2000 hebben en dus op beide budgetposten uitbetaald werden. In de periode 2007-2011 werden op budgetpost 212 938 landbouwers uitbetaald voor 1.464 ha. Op budgetpost 213 werden 1.673 landbouwers uitbetaald voor 3.114 ha 16. (Voor betalingen van PDPO I-dossiers werd steeds budgetpost 213 gebruikt. Vanaf PDPO II werd de maatregel “vergoeding natuur” opgesplitst in “vergoeding natuur buiten Natura 2000” (212) en “vergoeding natuur binnen Natura 2000” (213). Daardoor zijn voor de uitbetaling beide budgetposten 212 en 213 van toepassing.) Sinds de start van PDPO II werd voor 2.115 unieke landbouwbedrijven een vergoeding natuur uitbetaald. In figuur 21 wordt de evolutie van het uitbetaalde areaal onder maatregelen 212 en 213 weergegeven vanaf de start van PDPO II tot 2011. De totale uitgaven voor eerder goedgekeurde dossiers van deze maatregelen bedroegen in 2011 362.799 euro.
16
De cumulatieve cijfers zijn te interpreteren als het aantal unieke landbouwers dat in de periode 2007-2011 uitbetaald is op de budgetpost. Het cumulatieve areaal is te interpreteren als het maximale areaal dat in een bepaald jaar in de periode 2007-2011 op het terrein aanwezig was.
59
Figuur 21 Evolutie van het uitbetaalde areaal (ha) van maatregelen 212 en 213 Vergoeding Natuur tussen 2007 en 2011
6.4.2.1.2 Resultaatindicatoren Voor de betekenis van de resultaatindicator wordt verwezen naar het jaarverslag 2007. Tabellen 19 en 20 geven de realisaties van de resultaatindicatoren weer.
6.4.2.1.3 Targets Tabellen 18, 19 en 20 zetten per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 18 Targets voor de outputindicatoren voor maatregel 212/213 Vergoeding natuur binnen en buiten Natura 2000 (PDPO I en II samen, gebaseerd op uitbetaling volgens budgetposten)
Type indicator
Indicator
Doel 20072013
Output
Aantal gesteunde bedrijven binnen Natura 2000-gebied (budgetpost 213) Gesteunde landbouwgrond binnen Natura 2000-gebied (ha) Aantal gesteunde bedrijven buiten Natura 2000-gebied (budgetpost 212) Gesteunde landbouwgrond buiten Natura 2000-gebied (ha)
60
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage
1.241
1.673
134,8%
3.462
3.114
90%
2.482
938
37,8%
5.148
1.464
28,4%
Tabel 19 Targets voor de resultaatindicatoren voor maatregel 212 Vergoeding natuur buiten Natura 2000 (PDPO I en II samen, gebaseerd op GIS-analyse)
Type indicator
Indicator
Resultaat
Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt biodiversiteit en HNVF Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt waterkwaliteit Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt klimaatsverandering Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt bodemkwaliteit Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt tot vermijden landmarginalisatie en het verlaten van land
Doel 20072013
Gerealiseerd in 2007-2011
Realisatiepercentage
die tot
2.445
802
33%
die tot
4.891
1.603
33%
die tot
NP
NP
NP
die tot
2.445
802
33%
NP
NP
NP
die het van van
Tabel 20 Targets voor de resultaatindicatoren voor maatregel 213 Vergoeding natuur binnen Natura 2000 (PDPO I en II samen, gebaseerd op GIS-analyse)
Type indicator
Indicator
Resultaat
Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt biodiversiteit en HNVF Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt waterkwaliteit Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt klimaatsverandering Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt bodemkwaliteit Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt tot vermijden landmarginalisatie en het verlaten van land
-
-
-
-
Doel 20072013
Gerealiseerd in 2007-2011
Realisatiepercentage
die tot
1.644
756
46%
die tot
3.289
1.511
46%
die tot
NP
NP
NP
die tot
1.644
756
46%
NP
NP
NP
die het van van
61
6.4.2.2
214-C. Behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen en variëteiten van hoogstamboomgaarden
6.4.2.2.1 Outputindicatoren De oppervlakteberekening van de contracten voor hoogstamboomgaarden wijzigde in 2011. Voortaan wordt de oppervlakte gerekend van het perceel waarop de hoogstambomen zijn aangeplant. Voordien werd de oppervlakte geraamd op basis van het aantal bomen waarvoor een contract werd aangevraagd. De rekenregel van gemiddeld 100 bomen per hectare werd toen toegepast. Deze wijziging in oppervlaktebepaling heeft als gevolg dat de oppervlakten van de contracten van 2011 niet vergelijkbaar zijn met de oppervlakten van de contracten van de jaren voordien. Vanaf volgend jaar zullen de oppervlakten van alle contracten berekend worden volgens de nieuwe methode. In 2011 werden 227 nieuwe contracten voor hoogstamboomgaarden aangegaan (een daling met 296 contracten ten opzichte van 2010) voor een totale oppervlakte van 197,7 ha. Die daling van het aantal nieuwe contracten in 2011 ten opzichte van 2010 is mogelijks als volgt te verklaren. Enerzijds was het aantal nieuwe contracten in 2010 uitzonderlijk hoog: er werden bijna 200 nieuwe overeenkomsten méér afgesloten dan in 2009. In 2010 konden immers voor het eerst, naast de nieuwe instappers in de regelgeving, ook oude, aflopende overeenkomsten (met startjaar 2005, het beginjaar van de subsidie voor hoogstamboomgaarden) worden vernieuwd. Anderzijds werd in 2011 gestart met de integratie van de maatregel in de verzamelaanvraag. Nieuwe contracten konden vanaf 2011 enkel nog worden aangevraagd via de verzamelaanvraag. Dat heeft mogelijks een aantal potentiële begunstigden afgeschrikt. Voor lokale veerassen werden 72 nieuwe contracten ondertekend in 2011 (in absolute cijfers een daling met 11 contracten ten opzichte van 2010, toen er 83 nieuwe contracten werden gesloten) voor een totaal van 1.577 runderen en 609 schapen. Dit komt overeen met 1.391 grootvee-eenheden (GVE), wat een stijging betekent van 1.007 GVE ten opzichte van 2010, toen de nieuwe contracten goed waren voor 384 GVE. Een mogelijke verklaring voor die sterke stijging in aantal GVE is tweeledig. Enerzijds werd op 1 januari 2011 de bovengrens voor het maximum aantal runderen per contract opgetrokken van 100 naar 125 dieren. Daarbij werd voorzien dat lopende contracten vroegtijdig konden worden stopgezet (op 31 december 2010) en vervangen door een nieuw contract (vanaf 1 januari 2011) onder de nieuwe voorwaarde van maximaal 125 runderen per contract. Een heel aantal bedrijven heeft dat toen gedaan. Anderzijds zijn er in 2010 net uitzonderlijk veel contracten afgesloten met een beperkt aantal runderen per contract. Dat was het gevolg van de verruimingsoperatie van 2009, die ervoor zorgde dat bedrijven die eerder niet in aanmerking kwamen voor een overeenkomst, in 2010 wel een contract konden afsluiten. Bovendien was er voor hen een uitzondering voorzien op de ondergrens van minimaal 5 dieren per contract. In 2011 liepen er geen contracten meer die waren gestart onder PDPO I. Wel liepen contracten verder die waren gestart tijdens de eerste vier jaar van PDPO II. Als deze worden meegerekend, waren er in 2011 1.494 contracten lopende voor hoogstamboomgaarden (daling met 200 contracten ten opzichte van 2010) met een totale oppervlakte van 677 ha. Voor lokale veerassen liepen er 292 contracten, evenveel als in 2010, voor een totaal van 3.557 GVE (stijging met 391 GVE ten opzichte van 2010): 3.785 runderen (stijging met 536 dieren ten opzichte van 2010) en 2.918 schapen (daling met 345 dieren ten opzichte van 2010). 62
1.397 unieke bedrijven hadden in het jaar 2011 een contract hoogstamboomgaarden en 250 unieke bedrijven een contract voor lokale veerassen. 1.629 unieke bedrijven hadden in 2011 een contract hoogstamboomgaarden of lokale veerassen, wat betekent dat 18 unieke bedrijven de beide samen hadden. In totaal werd er in 2011 binnen deze maatregel 527.938 euro uitbetaald. Daarvan ging een kleine 28% (145.583 euro) naar hoogstamboomgaarden, 61% (324.609 euro) naar lokale runderrassen en 11% (57.747 euro) naar lokale schapenrassen (figuur 22).
Figuur 22 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de publieke uitgaven in 2011 voor 214-C Behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen en variĂŤteiten van hoogstamboomgaarden
6.4.2.2.2 Resultaatindicatoren De targets en de jaarlijkse gegevens voor de resultaatindicatoren worden enkel weergegeven voor alle agromilieumaatregelen samen (§ 6.4.2.3.2).
63
6.4.2.2.3 Targets Tabel 21 zet per outputindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 21 Targets voor maatregel 214-C Behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen en variĂŤteiten van hoogstamboomgaarden
Type indicator Maatregel
Output
214-C bedreigde lokale veerassen en hoogstamboomgaarden
Indicator
Doel 2007-2013
Totaal areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage
NA
NA
NA
3.239
3.096
95,6%
Wegens de overgang in berekeningswijze van de oppervlakte van de contracten hoogstamboomgaarden, kan dit jaar geen totale oppervlakte worden doorgegeven. Het totale areaal hoogstamboomgaarden in de periode 2007-2010 bedroeg 934 hectare. Het areaal van de in 2011 goedgekeurde contracten bedroeg 197,7 hectare.
64
6.4.2.3
214. Bespreking van alle agromilieumaatregelen
Belangrijk: De uitgaven in 2011 komen niet overeen met het aantal contracten en het areaal in 2011. Het aantal contracten en het areaal gelden voor de lopende, maar nog niet uitbetaalde contracten, overeenkomende met de verzamelaanvraag 2011. De uitgaven zijn de effectieve betalingen gedaan door het betaalorgaan in kalenderjaar 2011. Dit betreft voornamelijk de uitbetalingen van de verzamelaanvraag 2010, naast mogelijks achterstallige betalingen van eerdere campagnes.
6.4.2.3.1 Outputindicatoren Monitoring 2011 In 2011 bedroeg het totale areaal agromilieumaatregelen 50.266 ha en waren er 9.125 lopende contracten. Al deze contracten waren PDPO II-contracten. De totale uitgaven in kalenderjaar 2011 bedroegen 20,56 miljoen euro. Een overzicht van het areaal en het aantal contracten per agromilieumaatregel is te vinden in bijlage 3, evenals de uitgaven per boekjaar. Bovenop de lopende PDPO II-contracten liepen in 2011 nog enkele PDPO I-contracten door, die eindigden in de loop van 2011 (zie tabel 22). Het gaat om 1.044 beheerovereenkomsten die in de loop van 2011 afliepen, maar die niet meer in de verzamelaanvraag van 2011 waren opgenomen. Om die reden zijn ze ook in de cijfers hieronder niet meer meegenomen. Tabel 22 Laatste PDPO I-contracten die in de loop van 2011 afliepen
Maatregel BO perceelsrandenbeheer BO soortenbescherming BO erosiebestrijding BO water BO kleine landschapselementen BO botanisch beheer (excl BO natuur) BO natuur
Aantal aflopende PDPO I-contracten 480 20 253 0 179 28 84
Areaal aflopende PDPO I-contracten 802 96 488 0 28 61 221
Figuur 23 tot figuur 25 geven een overzicht van het areaal, de uitgaven en het aantal contracten voor alle agromilieumaatregelen in 2011. De kleinere maatregelen (wat betreft areaal, budget en aantal contracten) werden telkens samengenomen onder de noemer “overig” en verder uitgesplitst in de balk aan de rechterkant. Wat betreft areaal vormde “BO water” met zo’n 46% van het totale areaal agromilieumaatregelen de belangrijkste maatregel in 2011. Daarna volgden “verwarringstechniek” (17%), “vlinderbloemigen” (10%), “mechanische onkruidbestrijding” (9%), “hectaresteun biolandbouw” (7%) en “BO erosiebestrijding” (7%). Deze zes agromilieumaatregelen samen namen ongeveer 94% van het totale areaal agromilieumaatregelen in. De vijf overige agromilieumaatregelen droegen beperkt bij tot het totale areaal. Wat betreft de effectieve uitgaven in kalenderjaar 2011 was “BO water”, net zoals de voorbije jaren, met 48% van de totale uitgaven de belangrijkste maatregel. Daarna volgen “BO perceelsrandenbeheer”, “verwarringstechniek”, “vlinderbloemigen”, “BO erosiebestrijding”, 65
“hectaresteun voor biologische landbouwproductie” en “mechanische onkruidbestrijding”. Deze zes maatregelen waren goed voor zo’n 41% van de totale uitgaven in 2011. De overige acht agromilieumaatregelen hadden een beperkt aandeel in de uitgaven. Van deze laatste groep was “BO kleine landschapselementen” de belangrijkste maatregel met 4% van de totale uitgaven. Wat betreft het aantal contracten 17 waren volgende agromilieumaatregelen de grootste: “hoogstamboomgaarden”, “BO kleine landschapselementen”, “BO water”, “vlinderbloemigen”, “mechanische onkruidbestrijding”, “BO perceelsrandenbeheer”, “BO erosiebestrijding” en “verwarringstechniek”. Samen waren deze agromilieumaatregelen goed voor 88% van het totale aantal contracten. De overige agromilieumaatregelen vertegenwoordigden een beperkter aantal contracten.
Figuur 23 Absolute (ha) en procentuele verdeling van de oppervlakte in 2011 voor de verschillende agromilieumaatregelen
17
In de jaarverslagen wordt per agromilieumaatregel maximum één contract per landbouwer gerekend, zoals voorgeschreven in de Europese GTEK-richtlijnen.
66
Figuur 24 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de publieke uitgaven in kalenderjaar 2011 voor de verschillende agromilieumaatregelen
Figuur 25 Absolute en procentuele verdeling van het aantal contracten in 2011 voor de verschillende agromilieumaatregelen
67
Evolutie tot 2011 Figuur 26 tot figuur 31 geven de evolutie van het areaal, het aantal contracten en de uitgaven voor de agromilieumaatregelen in de periode 2000-2011 weer. Tabel 23 en tabel 24 geven een overzicht van deze evoluties in 2010-2011. Tabel 27 geeft voor elke agromilieumaatregel het totale areaal en aantal contracten in de programmaperiode weer. Het is belangrijk op te merken dat “BO kleine landschapselementen” niet in de tijdsreeks voor het areaal (figuren 26 en 27) is opgenomen. De kleine landschapselementen zijn vanaf 2008 immers, in tegenstelling tot voordien, niet meer gekoppeld aan percelen. In het verleden werd de oppervlakte van de percelen aangeduid 18, terwijl vanaf 2008 enkel nog de oppervlakte van de kleine landschapselementen op zich wordt bijgehouden 19. Een vergelijking gaat bijgevolg niet meer op. Ook de areaalbepaling van de maatregel “BO soortenbescherming” is in PDPO II gewijzigd ten opzichte van PDPO I. In de eerste programmaperiode werd het beheerpakket “weidevogelbeheer nestbescherming” toegepast op vaste percelen waarvan de oppervlakte werd doorgegeven. Sinds PDPO II past de landbouwer dit pakket toe op al zijn percelen binnen het gebied afgebakend voor weidevogelbeheer. De oppervlakte kan dus jaarlijks wijzigen op basis van de percelen die de landbouwer aangeeft met de verzamelaanvraag. Daarom worden er voor dit pakket geen arealen meer bijgehouden in PDPO II. Een vergelijking van het areaal “BO soortenbescherming” met het laatste jaar van PDPO I gaat dus niet meer op. In onderstaande grafieken zijn de arealen vanaf 2008 dus exclusief het pakket “weidevogelbeheer nestbescherming”. Zoals eerder vermeld werd in 2011 tevens de areaalbepaling van de maatregel “hoogstamboomgaarden” veranderd ten opzichte van 2010. Voortaan wordt de oppervlakte gerekend van het perceel waarop de hoogstambomen zijn aangeplant. Voordien werd de oppervlakte geraamd op basis van het aantal bomen waarvoor een contract werd aangevraagd. De rekenregel van gemiddeld 100 bomen per hectare werd toen toegepast. Deze wijziging in oppervlaktebepaling heeft als gevolg dat de oppervlakten van de contracten van 2011 niet vergelijkbaar zijn met de oppervlakten van de contracten van de jaren voordien. Vanaf volgend jaar zullen de oppervlakten van alle contracten berekend worden volgens de nieuwe methode. Areaal In vergelijking met 2010 was het totale areaal agromilieumaatregelen in 2011 11.441 ha (18,5%) kleiner. Als enkel de niet-uitdovende maatregelen worden bekeken (dat zijn agromilieumaatregelen waarvoor nog nieuwe contracten afgesloten kunnen worden), dan daalde het areaal met 5.093 ha (-9,2%) ten opzichte van 2010. De daling van het totale areaal is deels te wijten aan het aflopen van de laatste PDPO Icontracten in de loop van 2011, goed voor zo’n 1.696 ha. Bovendien liepen eind 2010 de laatste contracten af van de uitdovende PDPO I-maatregelen. Zo was de maatregel “groenbedekking” in 2010 nog goed voor een areaal van 5.323 ha. In de hierna volgende tekst worden bijkomende verklaringen gegeven voor de areaalwijziging van specifieke maatregelen.
18
Dit in tegenstelling tot de “BO perceelsrandenbeheer” waar de oppervlakte van de perceelsrand zelf geldt. Voor de niet-vlakvormige kleine landschapselementen (zoals hagen en heggen) wordt een proxy van VLM gebruikt. Voor heggen wordt de lengte vermenigvuldigd met 1m breedte, voor de hagen wordt de lengte vermenigvuldigd met 0,5m breedte. 19
68
Het areaal van de agromilieumaatregel “BO soortenbescherming” (+58,5% of 352 ha) kende een sterke stijging in 2011 ten opzichte van 2010. Die stijging is te danken aan het succes van de relatief nieuwe pakketten akkervogelbeheer ‘gemengde grasstroken’ en ‘vogelvoedselgewas’ en een groei in de pakketten weidevogelbeheer ‘beweiden’ en ‘maaien’. De groei in deze pakketten compenseert ruimschoots de daling in areaal ten gevolge van het niet meer registreren van de arealen onder het pakket ‘nestbescherming’ (cfr supra). Ook de maatregelen “hectaresteun voor biologische landbouwproductie” (+9% of 299 ha), “verwarringstechniek” (+5% of 381 ha) en “BO erosiebestrijding” (+0,8% of 28 ha) kenden in 2011 een areaaltoename ten opzichte van 2010. In de hierna volgende bespreking van de verschillende agromilieumaatregelen die een daling van het areaal hebben gekend, worden de uitdovende maatregelen buiten beschouwing gelaten daar een daling hier vanzelfsprekend is. Het areaal van de agromilieumaatregelen “BO perceelsrandenbeheer” (-48% of 613 ha) en “BO water” (-18% of 5.166 ha) daalde sterk in 2011 ten opzichte van 2010. Een lichte daling van het areaal werd opgetekend bij de maatregelen “vlinderbloemigen” (-5,7% of 307 ha), “milieuvriendelijke sierteelt” (-3,2% of 40 ha), “BO kleine landschapselementen” (-3,2% of 4 ha) en “mechanische onkruidbestrijding” (-1,4% of 54 ha). De areaaldaling van de maatregel “BO perceelsrandenbeheer” is te wijten aan het aflopen van PDPO I-contracten, in de loop van 2011. Deze contracten konden pas hernieuwd worden met een PDPO II-contract met startdatum 1 januari 2012, aangezien PDPO II-contracten standaard slechts één startdatum kennen, namelijk 1 januari. Verwacht kan worden dat het areaal in 2012 dus opnieuw zal stijgen dankzij hernieuwde PDPO II-contracten. De daling in het areaal “BO water” is het gevolg van het in 2010 aflopen van PDPO Iovereenkomsten, die een heel groot areaal vertegenwoordigden (in tegenstelling tot voorgaande jaren, waarin het areaal van de aflopende overeenkomsten beduidend lager was). De daling van het areaal “mechanische onkruidbestrijding” kan (deels) verklaard worden door het aflopen van de laatste PDPO I-contracten. In PDPO I was het mogelijk om contracten “mechanische onkruidbestrijding met rijbespuiting” af te sluiten, een mogelijkheid die vanaf 2007 niet meer bestond. Beide contractvormen worden in deze monitoring wel samengeteld, wat een verklaring kan zijn voor de daling in areaal en aantal contracten van deze maatregel (Strategisch Monitoringsrapport voor België, 2010). De verklaring voor de areaaldaling “vlinderbloemigen” is tweeledig. Enerzijds mogen op derogatiepercelen geen vlinderbloemigen worden ingezaaid. Anderzijds liepen de laatste PDPO I-contracten in 2010 af en zijn de subsidies per hectare voor deze maatregel verlaagd voor PDPO II-contracten (Strategisch Monitoringsrapport voor België, 2010). Gezien de aard van de maatregel is voor “behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen” geen areaalmeting beschikbaar.
69
Figuur 26 Oppervlakte (ha) van de verschillende agromilieumaatregelen in campagnejaren 2000-2011 (kleine landschapselementen werden niet meegenomen, verklaring zie tekst)
Figuur 27 Oppervlakte (ha) van de verschillende agromilieumaatregelen in campagnejaren 2000-2011 zonder de uitdovende maatregelen (kleine landschapselementen werden niet meegenomen, verklaring zie tekst)
70
Aantal contracten In vergelijking met 2010 is het totale aantal contracten van alle agromilieumaatregelen samen in 2011 met 2.266 (-20%) achteruitgegaan. Als enkel de niet-uitdovende maatregelen worden beschouwd (dat zijn agromilieumaatregelen waarvoor nog nieuwe contracten afgesloten kunnen worden), dan daalde het aantal contracten in 2011 met 1.130 (-11%) ten opzichte van 2010. De daling van het totale aantal contracten is deels te wijten aan het aflopen van laatste PDPO I-contracten eind 2010 en in de loop van 2011. Het aantal contracten “BO soortenbescherming” is in 2011 sterk toegenomen ten opzichte van 2010 (+53% of 121 contracten). De verklaring voor deze groei is dezelfde als de verklaring voor de areaalstijging (cfr supra). Het aantal contracten van de maatregelen “BO kleine landschapselementen” (+8,2% of 107 contracten), “hectaresteun biologische landbouw” (+7,2% of 16 contracten) en “verwarringstechniek (+4,3% of 25 contracten) nam toe ten opzichte van 2010. Het aantal contracten “lokale veerassen” bleef hetzelfde als in 2010 (292 contracten). In de hierna volgende bespreking van de verschillende agromilieumaatregelen die een daling van het aantal contracten hebben gekend, worden de uitdovende maatregelen buiten beschouwing gelaten daar een daling hier vanzelfsprekend is. Het aantal contracten “vlinderbloemigen” kende een sterke daling ten opzichte van 2010 (26,9% of 371 contracten). Ook het aantal contracten “BO perceelsrandenbeheer” (-25,7% of 299 contracten), “BO water” (-20,9% of 318 contracten), “BO erosiebestrijding” (-17% of 145 contracten) en “hoogstamboomgaarden” (-11,8% of 200 contracten) ging sterk achteruit. De maatregelen “mechanische onkruidbestrijding” en “milieuvriendelijke sierteelt” kenden een lichtere daling in het aantal contracten, respectievelijk -6,% (55 contracten) en -7,3% (11 contracten). Voor de verklaring van de afname van het aantal contracten van de maatregelen “BO water” en “BO perceelsrandenbeheer” wordt verwezen naar de bespreking van de areaalevolutie (cfr supra). Voor de daling van het aantal contracten “hoogstamboomgaarden” wordt verwezen naar de bespreking van maatregel 214-C “Behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen en variëteiten van hoogstamboomgaarden” (cfr supra).
71
Figuur 28 Aantal lopende contracten voor agromilieumaatregelen in campagnejaren 2000-2011
Figuur 29 Aantal lopende contracten voor agromilieumaatregelen in campagnejaren 2000-2011 zonder de uitdovende maatregelen
72
Uitgaven per boekjaar De publieke uitgaven stegen in 2011 tot 22,5 miljoen euro (figuur 30 en figuur 31). Dat is 1,4 miljoen euro meer dan het boekjaar voordien, of een stijging met 6,7%. De uitgaven voor de volgende agromilieumaatregelen namen in 2011 toe in vergelijking met 2010: - “BO kleine landschapselementen” met 252.000 euro of 47% - “hoogstamboomgaarden/lokale veerassen” met 221.000 euro of 41,8% - “BO soortenbescherming” met 82.000 euro of 39,7% - “hectaresteun biolandbouw” met 202.000 euro of 28,5% - “BO perceelsrandenbeheer” met 70.000 euro of 3,6% - “BO water” met 135.000 euro of 1,2% In de hierna volgende opsomming van de verschillende agromilieumaatregelen die een daling van de uitgaven hebben gekend, worden de uitdovende maatregelen niet vermeld daar een daling hier vanzelfsprekend is. In vergelijking met 2010 daalden de uitgaven voor volgende agromilieumaatregelen in 2011: - “vlinderbloemigen” met 666.000 euro of 27,5% - “milieuvriendelijke sierteelt” met 37.000 euro of 13% - “BO erosiebestrijding” met 61.000 euro of 5,5% - “mechanische onkruidbestrijding” met 11.000 euro of 1,3%
Figuur 30 Publieke uitgaven per boekjaar voor de verschillende agromilieumaatregelen in de periode 2003-2011 (x1.000 euro)
73
Figuur 31 Publieke uitgaven per boekjaar voor de verschillende agromilieumaatregelen in de periode 2003-2011 zonder de uitdovende maatregelen (x 1.000 euro)
Tabel 23 Overzicht van de absolute en procentuele verschillen in areaal en aantal contracten van de nietuitdovende agromilieumaatregelen tussen jaar 2011 en 2010. Wijziging in 2011 t.o.v. 2010
AREAAL ha
CONTRACTEN %
aantal
%
BO soortenbescherming
352
(58,6%)
121
(53,1%)
Hectaresteun biolandbouw
299
(9,1%)
16
(7,2%)
-4
(-3,2%)
107
(8,2%)
381
(5,1%)
25
(4,3%)
Hoogstamboomgaarden
-
-
-200
(-11,8%)
Lokale veerassen
-
-
0
(0%)
BO kleine landschapselementen Verwarringstechniek
BO erosiebestrijding
28
(0,8%)
-145
(-17,0%)
-613
(-48,4%)
-299
(-25,7%)
-5.166
(-18,4%)
-318
(-20,9%)
Mechanische onkruidbestrijding
-54
(-1,4%)
-55
(-6,4%)
Milieuvriendelijke sierteelt
-40
(-3,2%)
-11
(-7,3%)
Vlinderbloemigen
-307
(-5,7%)
-371
(-26,9%)
BO perceelsrandenbeheer BO water
74
Tabel 24 Overzicht van de absolute en procentuele verschillen in uitgaven tussen boekjaar 2011 en boekjaar 2010 voor de niet-uitdovende agromilieumaatregelen
Wijziging in 2011 t.o.v. 2010 BO soortenbescherming Hectaresteun biolandbouw BO kleine landschapselementen Verwarringstechniek Hoogstamboomgaarden / lokale veerassen BO perceelsrandenbeheer BO water Mechanische onkruidbestrijding Milieuvriendelijke sierteelt BO erosiebestrijding Vlinderbloemigen
UITGAVEN x 1.000 euro % 82,4 (39,7%) 201,6 (28,5%) 252,0 (47,0%) 221,0 69,9 134,5 -11,2 -36,6 -60,6 -665,9
(41,8%) (3,6%) (1,2%) (-1,3%) (-13,0%) (-5,5%) (-27,5%)
Kleurlegende: Stijging > 10% Stijging < 10% Daling < 10% Daling > 10%
Voor de tabellen waarmee bovenstaande figuren werden gemaakt, wordt verwezen naar bijlage 3. GIS-informatie over arealen In tabel 25 en tabel 26 wordt de overlap van de agromilieuverbintenissen met respectievelijk Natura 2000- en VEN- (Vlaams Ecologisch Netwerk) gebied aangegeven voor kalenderjaar 2011. Het areaal waarop één of meerdere agromilieumaatregelen uitgevoerd werden (= unieke areaal) bedroeg in 2011 50.066 ha 20. Dit is een daling met 10.019 ha ten opzichte van vorig jaar. In heel Vlaanderen werden in 2011 op 8,1% van de cultuurgrond 21 één of meerdere agromilieumaatregelen toegepast. Uit tabel 27 blijkt dat 3.328 ha van het unieke areaal agromilieumaatregelen gelegen is in Natura 2000-gebied, 766 ha in VEN-gebied, en 490 ha in LFA-gebied (kwetsbaar gebied natuur met nulbemesting). Op 6,2% van de landbouwgrond die gelegen is in Natura 2000gebied (53.866 ha landbouwgrond in Natura 2000-gebied in Vlaanderen (NARA, 2007)) werden in 2011 één of meerdere agromilieumaatregelen toegepast. Er werd in 2011 452.024 euro steun uitbetaald voor agromilieumaatregelen gelegen in LFAgebied. Voor 98 van de 2.588 (3,8%) bedrijven die in 2011 één of meer nieuwe contracten (exclusief “hoogstamboomgaarden” en “lokale veerassen”) afsloten, was het areaal agromilieumaatregelen voor meer dan 90% van de oppervlakte gelegen in LFA-gebied. Dat percentage is vergelijkbaar met vorig jaar. 20
Deze oppervlakte bestaat uit 49.389 ha unieke oppervlakte waarop één of meer agromilieumaatregelen van beheersdiensten VLM of MIB werden uitgevoerd, en 677 ha hoogstamboomgaarden (agromilieumaatregel van beheersdienst ADLO). 21 In 2011 was er in Vlaanderen 617.134 ha cultuurgrond (Landbouwtelling mei 2011 voorlopige resultaten, FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie).
75
Tabel 25 Overlap agromilieuverbintenissen met Natura 2000-gebied in 2011
Agromilieumaatregel
Totale Areaal in Natura oppervlakte 2000-gebied (ha) (ha)
Percentage (%)
Mechanische onkruidbestrijding
140
3.877
3,6
Vlinderbloemigen
697
5.057
13,8
Milieuvriendelijke sierteelt
15
1.192
1,3
Hectaresteun Biolandbouw
578
3.569
16,2
0
0
0
Verwarringstechniek
214
7.866
2,7
BO Perceelsrandenbeheer
99
653
15,2
BO Soortenbescherming
432
953
45,3
BO Erosiebestrijding
43
3.455
1,2
1.107
22.847
4,8
BO Kleine Landschaps-elementen
14
120
11,7
BO Botanisch beheer (excl. BO natuur)
0
0
0
BO Natuur
0
0
0
Groenbedekking
BO Water
Tabel 26 Overlap van agromilieuverbintenissen met VEN–gebied in 2011
Agromilieumaatregel
Totale Areaal in VENoppervlakte gebied (ha) (ha)
Percentage (%)
Mechanische onkruidbestrijding
21
3.877
0,5
Vlinderbloemigen
163
5.057
3,2
Milieuvriendelijke sierteelt
18
1.192
1,5
Hectaresteun Biolandbouw
250
3.569
7,0
Groenbedekking
0
0
0
Verwarringstechniek
29
7.866
0,4
BO Perceelsrandenbeheer
23
653
3,5
BO Soortenbescherming
10
953
1,0
BO Erosiebestrijding
8
3.455
0,2
257
22.847
1,1
BO Kleine Landschapselementen
2
120
1,7
BO Botanisch beheer (excl. BO natuur)
0
0
0
BO Natuur
0
0
0
BO Water
76
Tabel 27 Unieke oppervlakte agromilieumaatregelen (behalve 214-C) in Natura 2000- en VEN-gebied
-
Overlap (ha)
Totale unieke oppervlakte van de Percentage agromilieumaatregelen (%) (ha)
Overlap agromilieumaatregelen met Natura 2000-gebied
3.328
50.066
6,6%
Overlap agromilieumaatregelen met VEN-gebied
766
50.066
1,5%
Overlap agromilieumaatregelen met LFA-gebied
490
50.066
1,0%
Unieke begunstigden In 2011 hadden in totaal 7.369 bedrijven 22 één of meerdere agromilieumaatregelen lopen, op een totaal uniek areaal van 50.066 ha. Dat is een daling met 1.151 begunstigden ten opzichte van 2010. 2.883 begunstigden 23 hebben in 2011 één of meerdere nieuwe agromilieucontracten afgesloten voor een totale unieke oppervlakte van 27.414 ha 24.
6.4.2.3.2 Resultaatindicatoren Voor de betekenis van de resultaatindicatoren voor de agromilieumaatregelen wordt verwezen naar het jaarverslag 2007. De cumulatieve waarde van het areaal dat bijdraagt tot de verschillende milieudoeleinden is weergegeven in tabel 29. Voor de cumulatieve waarden wordt gerekend met het maximale areaal dat voor een bepaald contract in uitvoering is geweest in de periode 2007-2011. Het betekent dus niet noodzakelijk dat dat cumulatieve areaal gelijktijdig in uitvoering is geweest. Er kan gesteld worden dat 127.271 ha van de agromilieumaatregelen (21% van de landbouwoppervlakte) bijdraagt tot de verbetering van de waterkwaliteit in Vlaanderen. Dit is in de eerste plaats te danken aan “groenbedekking” en op de tweede plaats aan “BO water”. Ook de nieuwe maatregel “verwarringstechniek” levert hier een bijdrage. Zo’n 106.966 ha (17% van de landbouwoppervlakte) van de agromilieumaatregelen draagt bij tot een verbetering van de bodemkwaliteit in Vlaanderen. Dit is op de eerste plaats te danken aan “groenbedekking” en op de tweede plaats aan “BO water”. 47.290 ha (8% van de landbouwoppervlakte) draagt bij tot het voorkomen van de marginalisering van gronden. Dit is vooral te danken aan “groenbedekking” en “BO kleine landschapselementen”. “Groenbedekking” heeft een onrechtstreeks effect op het voorkomen 22 In dit cijfer zitten 5.740 unieke bedrijven die één of meer agromilieumaatregelen van beheersdiensten VLM of MIB uitvoerden, en 1.629 unieke bedrijven die een contract hoogstamboomgaarden of lokale veerassen hadden lopen (agromilieumaatregel van beheersdienst ADLO). Hierin zitten alleen PDPO II-contracten, omdat er in 2011 geen PDPO I-contracten meer liepen. 23 Dit cijfer bestaat uit 2.588 bedrijven die een nieuw contract met beheersdiensten VLM of MIB afsloten, en 295 bedrijven die een nieuw contract hoogstamboomgaarden of lokale veerassen afsloten met beheersdienst ADLO. 24 Dat areaal bestaat uit 27.216 ha nieuw afgesloten contracten met beheersdiensten VLM of MIB, en 198 ha nieuw afgesloten contracten hoogstamboomgaarden.
77
van landmarginalisatie, terwijl “BO kleine landschapselementen” een rechtstreeks effect heeft volgens de ex ante evaluator. Hierbij heeft de ex ante evaluator de redenering gemaakt dat “behoud en verbetering van landschappen” in rechtstreeks verband staat met het voorkomen van landmarginalisatie. 14.467 ha (2% van de landbouwoppervlakte) van de agromilieumaatregelen in Vlaanderen draagt bij tot de verhoging van de biodiversiteit. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met de bepaling van de totale landbouwoppervlakte. In de totale landbouwoppervlakte zijn ook de gronden in natuur- en bosreservaat opgenomen die onder strikte voorwaarden beheerd worden door landbouwers. In Vlaanderen werd, in tegenstelling tot sommige andere Europese regio’s, bepaald dat voor percelen die in natuur- en bosreservaat gelegen zijn en beheerd worden door landbouwers, geen beheerovereenkomsten aangevraagd kunnen worden. Dit kan evenmin voor percelen gelegen in de afgebakende uitbreidingszones voor natuurgebieden. Op deze percelen in natuur- en bosreservaat, of uitbreidingszones voor natuur- en bosreservaat, beheerd door landbouwers (meegeteld in de totale landbouwoppervlakte) worden echter ook maatregelen genomen die bijdragen tot de verhoging van de biodiversiteit in Vlaanderen, los van de PDPO-beheerovereenkomsten. Op een totale oppervlakte van 14.467 ha dragen de maatregelen “BO kleine landschapselementen” en “vlinderbloemigen” het meest bij tot de biodiversiteit, hoewel “BO kleine landschapselementen” slechts een beperkt areaal inneemt. Ook de maatregelen “verwarringstechniek”, “hectaresteun biolandbouw”, “BO perceelsrandenbeheer” en “BO soortenbescherming” hebben hun aandeel. De bijdrage tot het tegengaan van klimaatsverandering (3.188 ha of 0,5% van de landbouwoppervlakte) is volledig te danken aan een indirect effect van de agromilieuverbintenis “vlinderbloemigen”. De cumulatieve cijfers zijn nauwelijks veranderd ten opzichte van vorig jaar omdat in 2011 de oppervlakte die bijgedragen heeft tot de verschillende milieudoeleinden niet gestegen is. Uitzondering hierop is het areaal dat bijdraagt tot de waterkwaliteit en tot biodiversiteit. Dat is wel gestegen dankzij de nieuwe maatregel “verwarringstechniek”. Voor het cumulatieve areaal voor de periode 2007-2013 wordt het jaar genomen waarin het areaal van een bepaalde agromilieumaatregel het hoogst was. In de praktijk komt dit veelal neer op het areaal van 2007 of 2008. Voor de volledigheid worden ook de arealen weergegeven die in 2011 bijgedragen hebben tot de verschillende milieudoeleinden: biodiversiteit: 10.672 ha, waterkwaliteit: 43.532 ha, tegengaan van klimaatverandering: 2.496 ha, bodemkwaliteit: 27.355 ha, landmarginalisatie: 3.832 ha.
6.4.2.3.3 Targets Tabel 28 geeft voor elke agromilieumaatregel het totale areaal en aantal contracten in de programmaperiode weer. De cumulatieve waarde van het areaal dat bijdraagt tot de verschillende milieudoeleinden is weergegeven in tabel 29.
78
Tabel 28 Targets voor de outputindicatoren voor maatregel 214 Agromilieumaatregelen (PDPO I en II samen)
Maatregel 214-A en N Mechanische onkruidbestrijding
Indicator Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten
Totale areaal dat 214-C agromilieusteun Lokale veerassen en ontvangt (ha) hoogstamboomgaarden Totaal aantal contracten
214-D Vlinderbloemigen
214-E Milieuvriendelijke sierteelt
214-F Hectaresteun biolandbouw
214-M Groenbedekking
Doel 2007- Gerealiseerd 2013 in 2007-2011 25
Realisatiepercentage
8.500
8.197
96,4%
2.000
1.804
90,2%
NA (geen doelstelling beschikbaar incl. locale veerassen)
1.132 (enkel hoogstamboomgaarden)
NA
3.239
3.096
95,6%
7.500
9.870
131,6%
2.300
2.730
118,7%
1.500
2.216
147,7%
300
282
94%
4.000
7.099
177,5%
375
503
134,1%
80.000
75.958
94,9%
8.500
8.211
96,6%
Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten
25
Wat het areaal betreft betekent dit niet dat dat areaal in de periode 2007-2011 effectief gelijktijdig aanwezig was op het terrein. Er wordt namelijk het maximale areaal bijgehouden dat in uitvoering was voor een bepaald contract in een bepaald jaar. Voor sommige agromilieumaatregelen is immers het jaarlijkse areaal dat in uitvoering is variabel. De maximale oppervlakte die in uitvoering geweest is voor een bepaalde agromilieumaaregel waarvan het contract afgelopen is (bv. omdat de periode van vijf jaar verstreken is of het contract stopgezet werd) wordt eveneens meegenomen tot 2013. Het weergegeven aantal contracten betekent eveneens niet noodzakelijk dat deze gelijktijdig op het terrein in uitvoering waren.
79
Totale areaal dat 214-O agromilieusteun GeĂŻntegreerde ontvangt (ha) pitfruitteelt Totaal aantal contracten Totale areaal dat 214-G agromilieusteun BO ontvangt (ha) Perceelsrandenbeheer Totaal aantal contracten Totale areaal dat 214-H agromilieusteun BO ontvangt (ha) Soortenbescherming Totaal aantal contracten Totale areaal dat agromilieusteun 214-I ontvangt (ha) BO Erosiebestrijding Totaal aantal contracten Totale areaal dat agromilieusteun 214-J ontvangt (ha) BO water Totaal aantal contracten Totale areaal dat 214-K agromilieusteun BO kleine ontvangt (ha) landschapelementen Totaal aantal contracten Totale areaal dat 214-P agromilieusteun BO Botanisch beheer ontvangt (ha) (inclusief BO Natuur) Totaal aantal contracten
214-B Verwarringstechniek
Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten
80
323
396
122,6%
71
46
64,8%
2.143
1.826
85,2%
2.567
1.875
73,0%
2.499
1.682
67,3%
568
504
88,7%
4.171
5.306
127,2%
1.720
1.356
78,8%
32.300
47.560
147,2%
3.615
2.928
81,0%
243
209
86%
2.392
2.293
95,9%
1.600
1.604
100,3%
664
594
89,5%
1.000
7.866
786,6%
500
620
124%
Tabel 29 Oppervlakte (ha) van agromilieumaatregelen die bijdraagt tot de verschillende milieudoeleinden in vergelijking met de doelstellingen voor de gehele programmaperiode
Milieudoelstelling Biodiversiteit en HNVF Waterkwaliteit Klimaatsverandering Bodemkwaliteit Landmarginalisatie
Target (ha)
Behaald in 2011 (ha)
2007- Realisatiepercentage
18.657 26
14.467
77,5%
124.871 3.712 111.524 57.110 27
127.271 3.188 106.966 47.290
101,9% 85,9% 95,9% 82,8%
Voor de methodologie voor de bepaling van de verschillende bijdragen tot de milieudoeleinden wordt verwezen naar jaarverslag 2007 en hoofdstuk 5.7.1 van dit rapport.
6.4.2.4
216. Inrichtingsmaatregelen door landbouwers in kader van kaderrichtlijn water
De maatregel werd in 2011 op punt gesteld. Er werden twee projecten definitief goedgekeurd: één project in West-Vlaanderen en één in Antwerpen. De projecten gaan in uitvoering vanaf 2012.
26
In deze doelstelling wordt voor de oppervlakte van “BO kleine landschapselementen” gewerkt met oppervlakte van het kleine landschapselement zelf, behalve voor het jaar 2007, waar nog met perceelsoppervlakte gewerkt wordt. 27 In deze doelstelling wordt voor de oppervlakte van “BO kleine landschapselementen” gewerkt met oppervlakte van het kleine landschapselement zelf, behalve voor het jaar 2007, waar nog met perceelsoppervlakte gewerkt wordt.
81
de de de de
KADERSTUK Landbouw en water Water is zeer belangrijk voor de landbouw. Het is nodig voor groei van de gewassen, als drinken voor het vee, als proceswater voor de stallen of de melkmachines. Anderzijds oefent de landbouw ook een druk uit op water, zowel op vlak van kwaliteit als op vlak van kwantiteit. Danckaert et al (2012) bestudeerden de relatie tussen landbouw en water op bekkenniveau aan de hand van verschillende indicatoren. Onderstaande figuur geeft een overzicht van de verschillende waterbekkens in Vlaanderen.
Figuur: Overzicht van de waterbekkens in Vlaanderen Bron: AMS op basis van VMM (2011)
Agromilieumaatregelen met impact op water EĂŠn van de indicatoren van Danckaert et al (2012) is het areaal agromilieumaatregelen met impact op water. Volgende agromilieumaatregelen worden verondersteld een positieve impact te hebben op de waterkwaliteit: groenbedekking, mechanische onkruidbestrijding, perceelsrandenbeheer, milieuvriendelijke sierteelt, botanisch beheer, erosiebestrijding, teelt vlinderbloemige gewassen, biologische productiemethode, geĂŻntegreerde productie pitfruit, verwarringstechniek pitfruitteelt en beheerovereenkomst water. Op onderstaande kaart wordt het totale, unieke areaal van deze agromilieumaatregelen weergegeven ten opzichte van het totale landbouwgebruiksareaal per bekken. De balkjes geven de evolutie weer tussen 2007 en 2010. In de meeste bekkens beslaat het landbouwgebruiksareaal onder agromilieumaatregel minder dan 5% van het totale landbouwgebruiksareaal van dat bekken. Alleen in het bekken van de Gentse Kanalen, het Maas-, het Demer- en het Dijlebekken is de verhouding groter. Dat is grotendeels te wijten aan de beheerovereenkomst water, beheerovereenkomst erosiebestrijding en verwarringstechniek die in deze bekkens vaak worden afgesloten. In de meeste bekkens nam het areaal onder agromilieumaatregel af tussen 2007 en 2010. Vooral in 2008 en 2009 was de achteruitgang drastisch. Dat was vooral toe te schrijven aan de maatregel groenbedekking die sinds PDPO II niet meer kan worden afgesloten. 2010 was het laatste jaar waarin deze maatregel voorkomt. In 2010 was op ca. 5.000 ha een contract groenbedekking afgesloten. In acht van de elf bekkens zat deze maatregel bij de drie populairste agromilieumaatregelen met impact op water. Daarnaast zijn er heel wat
82
landbouwers die een groenbedekker inzaaien zonder dat ze hiervoor steun aanvragen. Dit blijkt uit de nateelt groenbedekkers die worden aangegeven bij het Agentschap voor Landbouw en Visserij: in 2008 werd 100.197 ha aangeven, in 2009 was dit 77.338 ha en in 2010 60.341 ha. In het Dijle- en het Demerbekken is het areaal onder agromilieumaatregel in 2010 opnieuw toegenomen, dankzij de maatregel verwarringstechniek in de pitfruitteelt.
Figuur: areaal onder agromilieumaatregel met impact op water ten opzichte van het totale landbouwareaal per bekken (Vlaanderen, 2007-2010) Bron: AMS op basis van ALV (2007 t.e.m. 2010) en VMM (2011)
83
6.4.2.5
221. Bebossing van landbouwgronden
6.4.2.5.1 Outputindicatoren In 2011 werden 20 dossiers voor bebossing van landbouwgrond onder PDPO II-regelgeving goedgekeurd voor 18 unieke begunstigden, onder wie 12 privéeigenaars en 6 publieke autoriteiten. De 20 goedgekeurde dossiers zijn goed voor een te bebossen landbouwoppervlakte van 22,06 ha, waarvan 1,45 ha in LFA-gebied is gelegen. Op deze 22,06 ha zal telkens een loofboomsoort als hoofdboomsoort worden geplant. 21,26 ha (96,4%) van de landbouwgrond zal bebost worden ter bevordering van de biodiversiteit, terwijl 0,8 ha (3,6%) eerder wordt ingezet in de strijd tegen de klimaatverandering. (Deze indeling in doelstelling gebeurt op basis van aangeplante boomsoorten.) De totale, onder PDPO II-regelgeving beboste of te bebossen oppervlakte landbouwgrond kwam in 2011 op 152,84 ha. In 2011 werd voor de dossiers die eerder onder PDPO II-regelgeving werden goedgekeurd, 43.718 euro subsidie uitbetaald. Voor dossiers van PDPO I, goed voor een oppervlakte van 523 ha, werd in 2011 nog 105.780 euro onderhouds- en aanplantsubsidie en inkomenscompensatie uitbetaald. Het totale areaal landbouwgrond dat onder PDPO I- of PDPO II-regelgeving bebost of te bebossen is, bedroeg in 2011 675,8 ha. Daarvoor waren er 413 unieke begunstigden. Op 405,58 ha (60%) hiervan werd telkens één loofboomsoort als hoofdboomsoort aangeplant. 269,49 ha (39,9%) betrof een gemengde aanplant van verschillende boomsoorten, terwijl slechts 0,77 ha (0,1%) bestond uit uitsluitend één naaldboomsoort. Van het totale areaal had 559,84 ha (82,8%) als hoofddoelstelling de bevordering van de biodiversiteit en 116 ha (17,2%) het tegengaan van de klimaatverandering.
6.4.2.5.2 Resultaatindicatoren Het bebossen van landbouwgrond draagt bij tot de strijd tegen de klimaatverandering, tot het behoud van biodiversiteit en tot de verbetering van de waterkwaliteit. Voor die bijdrage wordt de volledige oppervlakte gerekend waarop de maatregel correct werd uitgevoerd, gebaseerd op controlegegevens. Deze oppervlakte wordt doorgegeven bij betaling van de tweede schijf van de PDPO II-contracten. Het is pas bij de betaling van de tweede schijf dat voldoende controlegegevens beschikbaar zijn. In 2011 werd nog voor geen enkel PDPO II-contract de tweede schijf uitbetaald (zie tabel 31).
84
6.4.2.5.3 Targets Tabellen 30 en 31 zetten per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 30 Targets voor de outputindicatoren voor maatregel 221 Bebossing van landbouwgronden
Type indicator
Indicator
Doel 20072013
Output
Aantal begunstigden die steun krijgen voor bebossing van landbouwgronden Aantal hectaren landbouwgrond die bebost werden
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage
700
113
16,1%
840
152,8
18,2%
Bovenstaande doelstellingen gelden enkel voor de aanvragen goedgekeurd tijdens de tweede programmaperiode (PDPO II). In de midtermevaluatie worden enkele redenen opgesomd voor de relatief lage participatie aan deze maatregel (IDEA Consult, 2010). Tabel 31 Targets voor de resultaatindicatoren voor maatregel 221 Bebossing van landbouwgronden
Milieudoelstelling Biodiversiteit en HNVF Waterkwaliteit Klimaatsverandering Bodemkwaliteit Landmarginalisatie
Target (ha)
Gerealiseerd 2007-2011 (ha)
in
Realisatiepercentage
832
NA
NA
832 832 NP NP
NA NA NP NP
NA NA NP NP
Voor de methodologie voor de bepaling van de verschillende bijdragen tot de milieudoeleinden wordt verwezen naar jaarverslag 2007.
6.4.2.6
227. Niet-productieve investeringen in bossen
6.4.2.6.1 Outputindicatoren In totaal werden in 2011 151 aanvragen goedgekeurd waarvan 80 voor de submaatregel “bebossing/herbebossing” en 71 voor “ecologische bosfunctie”. In 2011 werd voor de dossiers die eerder onder PDPO I- of PDPO II-regelgeving werden goedgekeurd, 372.698 euro steun uitbetaald. 83 unieke boseigenaars werden in 2011 gesteund voor de maatregel “bebossing/herbebossing” en 297 voor de “ecologische bosfunctie”. Voor de periode 2007-2011 komt dit neer op 361 unieke boseigenaars die steun ontvingen voor “bebossing/herbebossing” en 299 unieke boseigenaars voor “ecologische bosfunctie”. Voor beide submaatregelen samen zijn er 641 unieke boseigenaars in de periode 2007-2011.
6.4.2.6.2 Resultaatindicatoren Van de submaatregel “ecologische bosfunctie” werd in 2011 2.981 ha succesvol uitgevoerd. Dit betekent dat voldaan wordt aan de subsidievoorwaarden en alles conform het uitgebreide bosbeheerplan is. Een gedeelte van de oppervlakte werd gecontroleerd, en die controles
85
brachten geen overtredingen aan het licht. Deze oppervlakte draagt bij tot de verbetering van de biodiversiteit in het bos. Van de submaatregel “bebossing/herbebossing” werd in 2011 40,6 ha succesvol uitgevoerd. Deze submaatregel draagt bij tot de biodiversiteit, waterkwaliteit en bestrijding van de klimaatverandering. De cumulatieve oppervlaktes zijn weergegeven in tabel 33.
6.4.2.6.3 Targets Tabel 32 en tabel 33 zetten per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Bij de berekening van het areaal succesvol uitgevoerde maatregelen, werd vastgesteld dat in 2008 een foutief cijfer is gebruikt voor de submaatregel “bebossing/herbebossing”. In dit jaarverslag werd een correctie doorgevoerd en zijn de juiste cumulatieve oppervlakten voor de resultaatindicatoren weergegeven. Tabel 32 Targets voor de outputindicatoren voor maatregel 227 Niet-productieve investeringen in bossen
Type indicator
Indicator
Doel 20072013
Output
Unieke aantal gesteunde boseigenaars Totale investeringsvolume (euro)
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage
1.050
641
61%
5.490.625
2.324.679
42,3%
Tabel 33 Targets voor de resultaatindicatoren voor maatregel 227 Niet-productieve investeringen in bossen
Milieudoelstelling Biodiversiteit en HNVF Waterkwaliteit Klimaatsverandering Bodemkwaliteit Landmarginalisatie
Target (ha)
Gerealiseerd 2007-2011 (ha)
in
Realisatiepercentage
3.039
9.362
308,1%
35 35 NP NP
171 171 NP NP
488.6% 488.6% NP NP
Voor de methodologie voor de bepaling van de verschillende bijdragen tot de milieudoelen wordt verwezen naar jaarverslag 2007 en naar hoofdstuk 5.7.1 van dit rapport.
86
6.4.3 As 3 – De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie A - Diversificatie van landbouwactiviteiten naar niet-agrarische activiteiten
6.4.3.1
311-A. Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten
6.4.3.1.1 Outputindicatoren In 2011 werden 389 dossiers goedgekeurd, allemaal onder PDPO II-regelgeving. Dat zijn er 108 meer dan in 2010. Samen zijn deze dossiers goed voor een investeringsvolume van 35 miljoen euro. In 2010 bedroeg het investeringsvolume 26,9 miljoen euro. Figuur 32 en figuur 33 geven een overzicht van respectievelijk het aantal goedgekeurde dossiers en het subsidiabele investeringsvolume over de verschillende categorieĂŤn van diversificatie. Uit beide figuren blijkt dat de investeringen in hernieuwbare energie, net zoals de vorige jaren, met voorsprong de belangrijkste vorm van diversificatie waren. Ook de stijging in de loop der jaren valt op: de totale investeringskost voor hernieuwbare energie is gestegen van 7,0 miljoen euro in 2008, over 17,6 miljoen euro in 2009 en bijna 25 miljoen euro in 2010, tot meer dan 33 miljoen euro in 2011. 17,7% van de 389 goedgekeurde investeringsdossiers werd ingediend door een rechtspersoon, en 78% door een natuurlijk persoon. Van de dossiers ingediend door een natuurlijk persoon, werd 9,5% ingediend door een vrouw en 0,01% door een persoon jonger van 25 jaar. In 2011 werd 8.943.920 euro uitbetaald aan diversificatie-investeringen die in 2011 of vorige jaren werden goedgekeurd. 76,4% van de uitbetaalde subsidies gebeurde onder de vorm van een kapitaalpremie (in 2010 was dat 72,3%), de rest onder de vorm van rentesubsidies. In 2011 werden geen dossiers meer goedgekeurd die ingediend waren onder PDPO Iregelgeving.
87
Figuur 32 Absolute en procentuele verdeling van het aantal in 2011 goedgekeurde dossiers over de verschillende categorieĂŤn van diversificatie
Figuur 33 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de investeringskost van de in 2011 goedgekeurde dossiers over de verschillende categorieĂŤn van diversificatie
88
6.4.3.1.2 Resultaatindicatoren Op basis van de gegevens van het LMN kan een uitspraak gedaan worden over de BrTW van de gesteunde bedrijven. Op dit moment wordt in de LMN-boekhouding echter geen onderscheid gemaakt tussen landbouw- en niet-landbouwactiviteiten, zodat de niet-landbouw BrTW niet kan berekend worden. Er loopt een project voor de aanpassing van de boekhoudkundige software om dit onderscheid in de toekomst wel mogelijk te maken. Als de BrTW van het gehele landbouwbedrijf geanalyseerd wordt, komen we tot de volgende cijfers. Van de 14 landbouwbedrijven waarvan in 2007 het dossier goedgekeurd werd, steeg de BrTW in 2010 ten opzichte van 2009 met 617.745 euro tot 2.401.047 euro (figuur 34).
Figuur 34 Evolutie van de gezamenlijke BrTW van 14 LMN-landbouwbedrijven waarvan het diversificatiedossier in 2007 werd goedgekeurd (AMS op basis van LMN)
Wat betreft het bruto aantal gecreëerde banen werd een voorlopig cijfer aangegeven. Deze bruto banen werden berekend op basis van het aantal dossiers per type investering. Aan elk type investering werd door experten van het VLIF het bruto aantal banen gekoppeld 28. In 2011 kwamen er op die manier 44 bruto banen bij.
6.4.3.1.3 Targets Tabel 34 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen.
28
Daar het slechts een eerste inschatting is van het aantal gecreëerde banen werd in de monitoringtabellen in bijlage 4 de waarde op ‘NA’ (not available) gezet.
89
Tabel 34 Targets voor maatregel 311-A Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten
Type indicator Output
Resultaat
Doel 20072013 2.500
Indicator
Aantal begunstigden Totaal investeringsvolume 100.000.000 (euro) Niet-landbouw bruto 10% toegevoegde waarde van de stijging 29 landbouwbedrijven (euro) Bruto aantal banen gecreĂŤerd 500
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage 961 38,4% 88.729.065
88,7%
NA
NA
(163)
(32,6%)
Wat betreft het totale investeringsvolume blijkt de uitvoering van maatregel 311 goed op schema te zitten, terwijl wat betreft het aantal begunstigden de realisatiegraad van de outputindicator laag is. In de midtermevaluatie (IDEA Consult, 2010) worden daarvoor enkele verklaringen aangehaald, waaronder: - Door de afhandeling van het grote aantal dossiers in 2006 liepen ook de dossiers ingediend onder PDPO II in 2007 enige vertraging op; - Het plafond werd in 2007 opgetrokken tot 1 miljoen euro per bedrijfsleider in plaats van 1 miljoen euro per bedrijf. Dat verklaart het hogere steunvolume per bedrijf.
29
In tegenstelling tot de huidige waarde van de BrTW van een groep bedrijven in het monitoringjaar n is de doelstelling te interpreteren als het verschil in BrTW voor de groep bedrijven in jaar n (jaar van toekenning PDPO-steun) en jaar n+7.
90
B - Gebiedsgerichte werking Binnen de gebiedsgerichte werking van As 3 kaderen een vijftal maatregelen en twee submaatregelen. In totaal werden er voor deze maatregelen in 2011 36 nieuwe projecten goedgekeurd. Figuur 35 geeft een overzicht van het aantal goedgekeurde projecten per maatregel in 2011. Figuur 36 geeft een overzicht van het aantal goedgekeurde projecten per maatregel in de programmaperiode 2007-2011. De bespreking van de projecten per maatregel gebeurt in de hierna volgende tekst.
Figuur 35 Aantal nieuwe projecten in 2011 per maatregel van de gebiedsgerichte werking van As 3
91
Figuur 36 Aantal goedgekeurde projecten in 2007-2011 per maatregel van de gebiedsgerichte werking van As 3
6.4.3.2
313. Bevordering van toeristische activiteiten
6.4.3.2.1 Outputindicatoren Deze maatregel wordt uitgevoerd door drie beheersdiensten: de Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke rijkdommen (ALBON) voor landinrichtingsprojecten, het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) voor de natuurinrichtingsprojecten en de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) voor gebiedsgerichte projecten die worden goedgekeurd via de Provinciale Management Comités (PMC). In 2011 werden enkel projecten goedgekeurd of subsidies uitbetaald in opdracht van VLM. De PMC’s keurden in 2011 drie nieuwe projecten goed voor een totale projectkost van 486.998 euro. Twee daarvan hadden betrekking op de voorziening van kleinschalige infrastructuur (bijvoorbeeld infopunten en infoborden, een informatiecentrum). Het derde project was vooral gericht op de ontwikkeling en marketing van diensten op het gebied van plattelandstoerisme. De totale uitbetaling voor projecten die eerder al werden goedgekeurd bedroeg in 2011 855.635 euro. Voor meer informatie aangaande de projecten die goedgekeurd werden door de PMC’s wordt verwezen naar de projectendatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk op http://www.ruraalnetwerk.be.
92
6.4.3.2.2 Resultaatindicatoren Van de in 2011 afgelopen projecten werden de resultaatindicatoren bepaald. De projecten trokken in totaal 32.197 nieuwe bezoekers aan. Er werden 15 nieuwe banen gecreëerd.
6.4.3.2.3 Targets Tabel 35 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 35 Targets voor maatregel 313 Bevordering van toeristische activiteiten
Type indicator Output
Resultaat
6.4.3.3
Doel 20072013
Indicator Aantal gesteunde nieuwe 30 toeristische acties Totaal investeringsvolume 31 (euro) Stijging van de niet-landbouw bruto toegevoegde waarde van de bedrijven Bruto aantal banen gecreëerd Bijkomend aantal toeristische bezoeken
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage
55
47
85,5%
8.190.000
9.504.897
116,1%
NA
NA
NA
182
91
50%
181.000
170.883
94,4%
321. Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking
6.4.3.3.1 Outputindicatoren In 2011 werden binnen deze maatregel vijf projecten door de PMC’s goedgekeurd, waarvan er drie draaien rond het opzetten van culturele en sociale infrastructuur, één rond kinderopvang en één rond mobiliteit. Deze goedgekeurde projecten zijn goed voor een totale projectkost van 813.358 euro. De totale uitbetaling voor projecten die eerder al werden goedgekeurd bedroeg in 2011 395.455 euro. Voor meer informatie aangaande de projecten die goedgekeurd werden door de PMC’s wordt verwezen naar de projectendatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk op http://www.ruraalnetwerk.be.
6.4.3.3.2 Resultaatindicatoren Van de in 2011 afgelopen projecten werden resultaatindicatoren bepaald. Dankzij deze projecten hebben 1000 personen toegang gekregen tot internet en kunnen in totaal 27.557 personen van de basisvoorzieningen genieten. Het aantal bijkomende personen dat per project kan genieten van de basisvoorzieningen of toegang krijgt tot internet, verschilt sterk naargelang het project. Zo varieerde het aantal bijkomende personen dat kon genieten van
30
Voor deze toeristische acties worden de ‘lasten uit het verleden’ (projecten van ANB en ALBON) niet geteld daar er gevraagd wordt naar ‘nieuwe acties’. 31 Voor deze indicator worden zowel de huidige lasten (gebiedsgerichte werking via PMC’s) als de lasten uit het verleden geteld.
93
toegang tot de basisvoorzieningen ten gevolge van de projecten afgesloten in 2011 tussen 37 en 17.820.
6.4.3.3.3 Targets Tabel 36 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 36 Targets voor maatregel 321 Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking
Type indicator Output
Resultaat
6.4.3.4
Indicator Aantal gesteunde acties Totaal investeringsvolume (euro) Toename van het internetgebruik in ruraal gebied (aantal personen) Aantal inwoners ruraal gebied dat van de basisvoorziening kan genieten
Doel 20072013 46
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage 38 82,6%
14.700.000
6.734.669
45,8%
10.400
10.015
96,3%
1.340.000
1.066.468
79,6%
321-B. Ontwikkeling van de paardenhouderij als economische drager op het platteland
Deze submaatregel werd in 2010 goedgekeurd. Er werden in 2011 nog geen projecten op deze submaatregel goedgekeurd.
6.4.3.5
322. Dorpskernvernieuwing en –ontwikkeling
6.4.3.5.1 Outputindicatoren In 2011 keurden de PMC’s tien projecten goed in verband met dorpskernvernieuwing, goed voor een totaal investeringsvolume van 3.681.533 euro. Zeven van deze projecten hebben betrekking op fysieke wijzigingen en drie projecten op de bevordering van de sociale activiteit in de dorpen. Projecten aangaande bevordering van sociale activiteiten hebben vooral tot doel om de functie van het dorp als ontmoetingsplaats en locatie voor sociaal contact te bevorderen. Het opfleuren van dorpspleinen en het aanleggen van groenvoorzieningen om zodoende meer dorpelingen samen te brengen, zijn daar voorbeelden van. Onder economische projecten wordt bijvoorbeeld het creëren van parkeerplaatsen voor het beter bereikbaar maken van de middenstand verstaan. De fysieke wijzigingen slaan op het visueel aantrekkelijker maken van het dorp door restauratie, herinrichting en onderhoud van openbare voorzieningen en het restaureren van dorpshuizen. Sommige projecten zijn een combinatie van sociale activiteiten en fysieke wijzigingen. In totaal waren in de jaren tussen 2007, en 2011 50 unieke deelgemeenten betrokken bij de uitvoering van dorpskernvernieuwingsprojecten. In 2011 werden op deze maatregel uitbetalingen gedaan voor projecten die vroeger werden goedgekeurd. De totale uitbetaling in 2011 bedroeg 607.625 euro.
94
Voor meer informatie aangaande de projecten die goedgekeurd werden door de PMC’s wordt verwezen naar de projectendatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk op http://www.ruraalnetwerk.be.
6.4.3.5.2 Resultaatindicatoren Dankzij de in 2011 afgelopen projecten kunnen in totaal 43.144 personen genieten van de verbeterde voorzieningen. Dat aantal personen verschilt sterk afhankelijk van het project. Voor de projecten afgesloten in 2011 varieerde het aantal inwoners dat van de verbeterde voorzieningen kan genieten tussen 500 en 15.000 personen.
6.4.3.5.3 Targets Tabel 37 zet per output- en resultaatsindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 37 Targets voor maatregel 322 Dorpskernvernieuwing en -ontwikkeling
Type indicator Output
Resultaat
Doel 20072013
Indicator Uniek aantal (deel)gemeenten waar acties plaatsvonden Totaal investeringsvolume (euro) Inwonerstal van de plattelandsgebieden die profiteren van verbeterde voorzieningen
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage
112
50
44,6%
15.225.000
14.025.289
92,1%
1.365.925
212.583
15,6%
In het Strategisch Monitoringsrapport (2010) wordt de relatief lage realisatiegraad van het aantal goedgekeurde projecten als volgt verklaard. De projecten van de gebiedsgerichte as 3maatregelen volgen allemaal dezelfde administratieve weg (indienen door lokale promotor en goedkeuring door PMC). Er werden echter meer projecten ingediend onder maatregel 331 dan onder andere maatregelen zoals maatregel 322. De populariteit van de verschillende maatregelen kon bij aanvang van de programmaperiode niet worden ingeschat, maar leidt er wel toe dat de vooropgestelde doelstelling voor het aantal gesteunde acties onder maatregel 322 mogelijks niet zal gehaald worden. Bovendien zijn de projecten rond dorpskernvernieuwing die wel werden goedgekeurd eerder grote projecten. Daardoor wordt de doelstelling voor totaal investeringsvolume wel gehaald (Strategisch Monitoringsrapport, 2010).
6.4.3.6
323. Instandhouding en opwaardering van het landelijke erfgoed
6.4.3.6.1 Outputindicatoren Deze maatregel wordt uitgevoerd door drie beheersdiensten: Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke rijkdommen (ALBON) voor landinrichtingsprojecten, Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) voor de natuurinrichtingsprojecten en de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) voor gebiedsgerichte projecten die goedgekeurd worden via PMC’s. In 2011 werden enkel projecten goedgekeurd of subsidies uitbetaald in opdracht van VLM.
95
De PMC’s keurden voor deze maatregel in 2011 15 projecten goed voor een totale projectkost van 2.236.537 euro. Van deze projecten hadden er zeven projecten betrekking op cultureel erfgoed en acht op natuurlijk erfgoed 32. Er werd in 2011 519.103 euro steun uitbetaald aan eerder goedgekeurde projecten. Voor meer informatie aangaande de projecten die goedgekeurd werden door de PMC’s wordt verwezen naar de projectendatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk op http://www.ruraalnetwerk.be.
6.4.3.6.2 Resultaatindicatoren Dankzij de in 2011 afgelopen projecten kunnen 14.450 personen genieten van de verbeterde voorzieningen.
6.4.3.6.3 Targets Tabel 38 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 38 Targets voor maatregel 323 Instandhouding en opwaardering van het landelijke erfgoed
Type indicator Output
Resultaat
Indicator Aantal gesteunde acties Totaal investeringsvolume (euro) Aantal inwoners van de plattelandsgebieden die profiteren van verbeterde voorzieningen
Doel 20072013 193
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage 54 33 28,0%
6.128.840
7.479.509 34
122,0%
2.353.828
591.681
25,1%
In het Strategisch Monitoringsrapport (2010) wordt de lage realisatiegraad van het aantal goedgekeurde projecten als volgt verklaard. De projecten van de gebiedsgerichte as 3maatregelen volgen allemaal dezelfde administratieve weg (indienen door lokale promotor en goedkeuring door PMC). Er werden echter meer projecten ingediend onder maatregel 331 dan onder andere maatregelen, zoals maatregel 323. De populariteit van de verschillende maatregelen kon bij aanvang van de programmaperiode niet worden ingeschat, maar leidt er wel toe dat de vooropgestelde doelstelling voor het aantal gesteunde acties onder maatregel 323 waarschijnlijk niet zal gehaald worden. Bovendien zijn de projecten die wel werden goedgekeurd eerder grote projecten. Daardoor wordt de doelstelling voor totaal investeringsvolume wel gehaald (Strategisch Monitoringsrapport, 2010).
32
Voor de indeling van cultureel / natuurlijk erfgoed werd de afspraak gemaakt dat natuurlijke elementen die bij een cultureel erfgoed horen, ook als cultureel erfgoed beschouwd dienen te worden (bvb kasteelvijvers, stuk groengebied rond kloosters). Natuurlijk erfgoed staat volledig los van het culturele voorwerp (bvb stukken natuur- of bosgebied). 33 Dit zijn 50 VLM-projecten, 3 ALBON-projecten gestart onder PDPO I en 1 ANB-project gestart onder PDPO I. 34 Dat bestaat uit 7.116.598 euro voor VLM-projecten, 225.813 euro voor ALBON-projecten gestart onder PDPO I, en 137.098 euro voor ANB-projecten gestart onder PDPO I.
96
6.4.3.7
331. Intermediaire dienstverlening (opleiding en vorming van ruraal ondernemerschap)
6.4.3.7.1 Outputindicatoren In 2011 werden drie nieuwe projecten rond opleiding en vorming van ruraal ondernemerschap goedgekeurd. Er werden in 2011 op deze maatregel uitbetalingen gedaan voor projecten die eerder werden goedgekeurd. De totale uitbetaling in 2011 bedroeg 737.563 euro. In 2011 eindigden de projecten die in 2009 werden goedgekeurd en konden een aantal bijkomende gegevens worden verzameld. Aan de beëindigde projecten in het kader van “behoud en verbetering van landschap en milieubescherming” hebben 408 personen deelgenomen. In totaal werden daaraan 296 opleidingsdagen besteed. Voor de categorieën “ICT” en “management, administratie (boekhouding) en marketingvaardigheden” zijn er geen projecten beëindigd in 2011. In figuur 37 wordt het unieke aantal gesteunde economische actoren van de projecten beëindigd in 2009, 2010 en 2011 uitgesplitst naar de verschillende types actoren. Er waren 880 overheidsorganisaties betrokken bij de projecten, 308 organisaties zonder winstoogmerk en 869 bedrijven. Daarnaast werden 12.863 landbouwbedrijven gesteund. De overige deelnemers (56.153) kunnen niet tot een van de eerder genoemde actoren gerekend worden en hun deelname was dus op zelfstandige basis.
Figuur 37 Absolute en procentuele verdeling van de unieke deelnemers aan alle beëindigde projecten van intermediaire dienstverlening volgens type actor
Van de deelnemers die niet toegewezen kunnen worden aan ondernemingen, non-profit organisaties of overheidsorganisaties is het geslacht en de leeftijdscategorie gekend. Bij deze
97
deelnemers wordt een onderscheid gemaakt tussen landbouwers en niet-landbouwers. Van de landbouwers was 4,3% jonger dan 25 jaar en was 40,0% een vrouw. Van de niet-landbouwers was 5,5% jonger dan 25 en was 82,7% een vrouw. Deze percentages zijn zeer vergelijkbaar met vorig jaar. Voor meer informatie aangaande de projecten die goedgekeurd werden door de PMC’s wordt verwezen naar de projectendatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk op http://www.ruraalnetwerk.be.
6.4.3.7.2 Resultaatindicatoren In totaal waren bij de afgesloten projecten de voorbije vier jaar 73.522 unieke personen betrokken. Hierbij worden niet alleen de landbouwers en de ‘zelfstandige’ niet-landbouwers gerekend, maar ook de personen die behoren tot vzw’s, overheidsorganisaties en KMO’s. Deze personen hebben allen met succes deelgenomen aan het project (opleidingsactiviteit). Van deze personen was 5,7% jonger dan 25 en was 71,4% een vrouw.
6.4.3.7.3 Targets Tabel 39 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. In het vorige jaarverslag werd een aantal doelstellingen bijgesteld. Daarbij moet ermee rekening gehouden worden dat in 2007 met één project (televisie-uitzending) veel meer mensen bereikt werden dan met een gemiddeld project uit deze maatregel. Dat project werd dan ook niet meegenomen bij het opstellen van de nieuwe doelstelling, maar maakt wel dat de realisatiegraad al hoog is. Tabel 39 Targets voor maatregel 331 Intermediaire dienstverlening (opleiding en vorming van ruraal ondernemerschap)
Type indicator
Output
Resultaat
6.4.3.8
Doel 20072013
Indicator
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage
Aantal deelnemende economische actoren aan gesteunde activiteiten (nietuniek)
78.800
73.363
93,1%
Aantal dagen opleiding voor alle deelnemers
64.000
59.844
93,5%
Aantal unieke deelnemers die met vrucht de opleidingsactiviteit volbrachten
81.500
73.522
90,2%
331-B. Verhoging van de omgevingskwaliteit via sensibiliserende en informatieve acties
Deze submaatregel werd in 2010 goedgekeurd. Er werden nog geen projecten goedgekeurd op deze submaatregel.
98
6.4.4 As 4 – Leader 6.4.4.1
413. Lokale ontwikkelingsstrategieën leefkwaliteit / diversificatie
6.4.4.1.1 Outputindicatoren In 2011 werden 101 verschillende Leaderprojecten door de Plaatselijke Groepen (PG’s) goedgekeurd. Voor de periode 2007-2011 komt dit neer op een totaal van 433 goedgekeurde Leaderprojecten. Een overzicht daarvan is te vinden op de website van het Vlaams Ruraal Netwerk (www.ruraalnetwerk.be). In figuur 38 worden de 433 goedgekeurde Leaderprojecten in de periode 2007-2011 onderverdeeld in de verschillende types maatregelen van As 3. Figuur 39 doet hetzelfde voor 2011. Dit is enkel bedoeld om een onderscheid te kunnen maken in de types projecten (bv. toeristische activiteiten of landelijk erfgoed), maar betekent niet dat de financiering gebeurt via de reguliere werking van As 3 35. Uit de analyse blijkt dat in de periode 2007-2011 de meeste Leaderprojecten kaderden in de “bevordering van toeristische activiteiten” (28%), “basisvoorzieningen voor economie en plattelandsbevolking” (23%), en “instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed” (23%). Ook in 2011 waren die drie categorieën de grootste wat betreft aantal projecten. De 433 goedgekeurde projecten hebben in totaal 680 financieel begunstigden, van wie 376 uit de privésector en 299 uit de openbare sector. In 2011 werd er in totaal 6.104.221 euro uitbetaald aan goedgekeurde Leaderprojecten.
35
In Vlaanderen kunnen de Leadergroepen enkel projecten indienen die passen binnen de doelstellingen van de gebiedsgerichte werking van As 3. Daarenboven kunnen subsidies voor As 3-maatregelen binnen een Leadergebied enkel gegeven worden bij toepassing van de Leadermethodologie, dus via de PG’s. Reguliere subsidiëring via de gebiedsgerichte werking van As 3 (toegekend door de PMC’s) is niet mogelijk.
99
Figuur 38 Absolute en procentuele verdeling van het aantal goedgekeurde Leaderprojecten over de verschillende maatregelen van de gebiedsgerichte werking van As 3 in 2011
Figuur 39 Absolute en procentuele verdeling van het aantal goedgekeurde Leaderprojecten over de verschillende maatregelen van de gebiedsgerichte werking van As 3 in de periode 2007-2011
100
6.4.4.1.2 Resultaatindicatoren Met de 166 projecten die reeds beëindigd zijn, werden in totaal 56 bijkomende banen gecreëerd. Daarvan werden er 30 ingevuld door een vrouw en 14 door een persoon jonger dan 25 jaar.
6.4.4.1.3 Targets Tabel 40 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 40 Targets voor maatregel 413 Lokale ontwikkelingsstrategieën leefkwaliteit/diversificatie
Type indicator
Indicator
Output
Aantal gesteunde Plaatselijke Groepen (PG’s) Totale oppervlakte PG-gebied (km²) Totale bevolking in PG gebied Aantal projecten gefinancierd door PG’s Aantal gesteunde begunstigden
Resultaat
6.4.4.2
Doel 20072013
Aantal banen gecreëerd
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage
10
10
100%
3.500
5.821
166%
900.000
1.191.884
132%
500
433
86,6%
700 Geen doelstelling
680
97,1%
56
NA
421. Samenwerkingsprojecten met andere plattelandsgebieden
6.4.4.2.1 Outputindicatoren In april 2009 werd een oproep voor samenwerkingsprojecten gelanceerd. In 2011 kregen vijf nieuwe projectaanvragen goedkeuring. Eén project kadert in de doelstelling “bevordering toeristische activiteiten”, twee hebben er betrekking op “basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsontwikkeling”, een project betreft de “instandhouding en opwaardering landelijk erfgoed”, en een laatste project heeft betrekking op “intermediaire dienstverlening”. In de periode 2010-2011 werden zeven projecten goedgekeurd. In totaal werken er 16 niet-unieke PG’s, zowel Vlaamse als andere, aan deze projecten. Aan deze maatregel werd in 2011 32.187 euro uitbetaald.
6.4.4.2.2 Resultaatindicatoren Gegevens over gecreëerde banen worden verzameld bij het afsluiten van de projecten. Binnen de maatregel samenwerkingsprojecten werden tot nog toe geen projecten afgesloten. Zodus zijn er nog geen cijfers over aantal gecreëerde banen beschikbaar.
6.4.4.2.3 Targets Tabel 41 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen.
101
Tabel 41 Targets voor maatregel 421 Samenwerkingsprojecten met andere plattelandsgebieden
Type indicator
Indicator
Output
Aantal projecten Aantal gesteunde Plaatselijke Groepen (PG’s)
Resultaat
Aantal banen gecreëerd
Doel 20072013 20
Gerealiseerd Realisatiein 2007-2011 percentage 7 35%
10
7
70%
Geen doelstelling
0
NA
In bovenstaande tabel is voor het aantal gesteunde PG’s het aantal gesteunde Vlaamse PG’s opgegeven.
6.4.4.3
431. Werking Plaatselijke Groepen
6.4.4.3.1 Outputindicatoren Binnen deze maatregel wordt steun verleend voor het beheer van de Plaatselijke Groepen, de verwerving van vakkundigheid en het dynamiseren van het gebied. Het gaat voornamelijk om kortlopende vormingsactiviteiten. In 2011 werden 251 activiteiten gesteund. Voor de periode 2007-2011 komt dat neer op 1.148 activiteiten. Aan deze activiteiten werd in totaal 766.580 euro uitbetaald in 2011. In figuur 40 wordt een overzicht gegeven van deze activiteiten per type activiteit in 2011. Iets minder dan de helft (45%) van de activiteiten bestond uit een informatiesessie over het Leadergebied en het bekendmaken van de lokale ontwikkelingsstrategieën. Deze omvatten het uitgeven van artikels en folders, het verspreiden van persberichten en het organiseren van studiedagen en infomomenten. Ongeveer evenveel activiteiten (46%) draaide rond het opleiden van het personeel dat de lokale ontwikkelingsstrategie moet voorbereiden en uitvoeren. Via 4% van de activiteiten werd promotie gevoerd. Een beperkt aantal acties is onder te brengen in de categorie “studies over het betrokken gebied”. Onder de categorie “andere” worden de secretariaats- en personeelskosten van de PG-coördinatoren en administratieve krachten gerekend van de tien PG’s in Vlaanderen. Hiervoor werden tien “activiteiten” geteld overeenkomende met de tien Leadergebieden.
102
Figuur 40 Absolute en procentuele verdeling van de activiteiten rond Werking Plaatselijke Groepen per categorie in 2011
6.4.4.3.2 Resultaatindicatoren In de periode 2008-2011 hebben 1.869 unieke personen succesvol deelgenomen aan één of meerdere opleidingsactiviteiten. 36,4% van de deelnemers waren vrouwen en 6,3% was jonger dan 25 jaar. Alle deelnemers die aanwezig waren op de opleiding worden als ‘geslaagd’ beschouwd in de zin dat ze het geleerde zullen toepassen in de praktijk.
6.4.4.3.3 Targets Tabel 42 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 42 Targets voor maatregel 431 Werking Plaatselijke Groepen
Type indicator Output Resultaat
Doel 2007- Gerealiseerd Realisatie2013 in 2007-2011 percentage Aantal gesteunde acties 1.700 1.148 67,5% Aantal deelnemers dat met Geen 1.869 NA succes de opleiding volbracht doelstelling Indicator
103
KADERSTUK Winnaars Prima Plattelandsproject 2010 In het voorjaar 2010 werd de wedstrijd “Prima Plattelandsproject 2010” gelanceerd. Daarbij ging het Vlaams Ruraal Netwerk op zoek naar de beste PDPO II-projecten en -activiteiten, in vier verschillende categorieën. De winnaar binnen het thema “Zorg voor natuur en biodiversiteit” was het LEADER-project “Steenuilen in de Vlaamse Ardennen”. Voor de steenuil is het typische landschap van de Vlaamse Ardennen van groot belang. De steenuil, de kleinste uil van Vlaanderen, broedt in boomholtes of in oude schuurtjes en voedt zich met muizen, grote insecten, slakken en/of regenwormen die hij op akkers en weiden vindt. In Vlaanderen zouden 6.000 tot 10.000 broedparen van de steenuil voorkomen. En toch wordt hij bedreigd, onder andere door dalend voedselaanbod ten gevolge van insecticidengebruik, het omzetten van weiland naar akkers, het verdwijnen van kleine landschapselementen door schaalvergroting. Het Steenuilproject van het Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen vzw wil de steenuil beschermen. Daartoe plaatste de organisatie 400 nestbakken op strategische plaatsen, die ook worden gemonitord. Via de jaarlijkse boomplantactie spoort het Regionaal Landschap mensen bovendien aan om knotwilgen en fruitbomen aan te planten. Om de steenuil meer bekendheid te geven, werd een mobiele tentoonstelling opgezet, een educatieve brochure voor scholen en geïnteresseerden verspreid en een artisanaal streekbier Het Steenuilke gebrouwen.
Foto Steenuil Meer informatie: • Website Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen: http://www.leadervlaamseardennen.be/project%2022.html • Brochure genomineerden Prima Plattelandsproject 2010: http://www.ruraalnetwerk.be/sites/default/files/publicatie_files/Brochure%20Prima%20Plattelandsproject% 202010.pdf • Verslag activiteiten met prijsgeld: http://ruraalnetwerk.be/activiteitenverslagen/verslagen-winnaarswedstrijd-prima-plattelandsproject-2010
104
6.5
Indicatoren per as: specifieke monitoring Health Check en Economisch Herstelplan
6.5.1 Inleiding 2010 was het eerste jaar van uitvoering van het Health Check-programma of de tussentijdse bijsturing van het landbouwbeleid. Europa voorzag met de Health Check-verordening (verordening (EG) Nr 74/2009) extra financiële middelen voor de volgende prioriteiten: hernieuwbare energie, klimaatverandering, waterbeheer, biodiversiteit en herstructurering van de zuivelsector. Ook vanuit het Economisch Herstelplan kwamen vanaf 2010 extra middelen ter beschikking van landbouw en platteland, voor dezelfde doelstellingen als die van de Health Check aangevuld met breedband. Zoals in onderstaande tekst wordt toegelicht, heeft Vlaanderen op al deze prioriteiten ingezet, behalve op breedband omdat Vlaanderen reeds een volledige bedekkingsgraad heeft.
6.5.2 As 1 Vlaanderen koos er binnen As 1 voor om in te zetten op de Health Check-prioriteiten via de bestaande maatregelen “investeringen in landbouwbedrijven” en “verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten”. Voor de laatste maatregel werden in 2010 en 2011 nog geen Health Check-uitgaven gedaan.
6.5.2.1
121. Investeringen in landbouwbedrijven
6.5.2.1.1 Outputindicatoren In 2011 werden 409 aanvragen voor investeringen in het kader van de Health Check goedgekeurd. Samen vertegenwoordigen zij een investeringsvolume van 14,6 miljoen euro. In 2011 werd er 3.633.577 euro overheidssteun uitbetaald. Verschillende VLIF-investeringen worden toegewezen aan de specifieke acties, die kaderen in de door Europa vooropgestelde prioriteiten. Zo bestaat de prioriteit waterbeheer uit de acties “waterbesparende technologieën”, “wateropslag” en “installaties voor de behandeling van afvalwater op landbouwbedrijven”. Voor de prioriteit klimaat werd ingezet op de acties “verbetering van mestgebruik en –opslag”, “verbetering van de energie-efficiëntie” en “andere”. De investeringstypes die ondergebracht werden bij “verbetering van de energie-efficiëntie” zijn vooral investeringen die toepasbaar zijn binnen de glastuinbouw, namelijk energieschermen, warmtebuffer, rookgascondensor, energiebesparende kasomhulling, warmtepomp, micro-WKK, maar ook energiezuinige ventilatiesystemen voor de veeteeltsector. Binnen de actie “verbetering van mestopslag en –gebruik” zitten investeringen in mestopslag en mestdroging. Onder “hernieuwbare energie: andere” hoort het VLIFinvesteringstype “verwarming op hernieuwbare energie”. Onder “klimaatverandering: andere” horen de VLIF-investeringstypes rookgasreiniging en luchtwassers. Het VLIFinvesteringstype “opslag van regenwater” werd ondergebracht bij “waterbeheer: wateropslag”. Onder “waterbeheer: installaties voor de behandeling van afvalwater” werden de VLIF-investeringstypes waterzuiveringsinstallaties, phytobak en opslag van verontreinigd water/vetafscheider ingedeeld. Ten slotte kunnen de VLIF-investeringstypes “investeringen in hergebruik van beregenings- en regenwater”, “waterbehandeling (ontsmetting, ontzilting)” en
105
waterdampstoomspoeling tot de actie “waterbeheer: waterbesparende technologieën” gerekend worden. In figuur 41 en figuur 42 worden respectievelijk de goedgekeurde aanvragen en het totale investeringsvolume weergegeven voor investeringen die onder de Health Check-prioriteiten kunnen worden ondergebracht. Het aantal goedgekeurde aanvragen voor investeringstypes in het kader van de actie “wateropslag” (prioriteit waterbeheer) is het hoogst (60%), gevolgd door goedgekeurde aanvragen voor investeringstypes onder de actie “verbetering van de energie-efficiëntie” (prioriteit klimaatverandering). Vanuit het totale investeringsvolume van de goedgekeurde dossiers bekeken is “verbetering van de energie-efficiëntie” veruit de belangrijkste actie (49%), gevolgd door “wateropslag” (20%).
Figuur 41 Aantal goedgekeurde aanvragen (absoluut en procentueel) in 2011 voor investeringen die onder de Health Check-prioriteiten vallen, onderverdeeld per prioriteit (hoofdletters) en actie (kleine letters)
106
Figuur 42 Totale investeringsvolume (euro) en procentuele verdeling van de goedgekeurde aanvragen in 2011 voor investeringen die onder de Health Check-prioriteiten vallen, onderverdeeld per prioriteit (hoofdletters) en actie (kleine letters)
6.5.2.1.2 Targets Tabel 43 zet voor de outputindicatoren de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 43 Targets van maatregel 121 Investeringen in landbouwbedrijven
Type indicator
Indicator
Output
Aantal gesteunde bedrijven Totale investeringsvolume (euro)
107
Doel 20092013 1.172 45.400.000
Gerealiseerd Realisatiein 2009-2011 percentage 660 56,3% 24.334.285
53,6%
6.5.3 As 2 Vlaanderen koos er binnen As 2 voor om op de Health Check-prioriteiten in te zetten door middel van een aantal bestaande agromilieumaatregelen en de nieuwe maatregel “verwarringstechniek in de pitfruitteelt”. Pas bij de uitbetaling van de agromilieumaatregelen wordt duidelijk of hiervoor al dan niet Health Check-middelen gebruikt worden. Het is dus niet per definitie zo dat een contract dat vorig jaar is uitbetaald op Health Check-budget, dit jaar ook met Health Check-middelen zal worden uitbetaald. In 2011 werden contracten en arealen uitbetaald die in 2010 of vroeger via de verzamelaanvraag werden aangevraagd.
6.5.3.1
214. Agromilieumaatregelen
6.5.3.1.1 Outputindicatoren In 2011 zijn onder het Health Check-programma 5.426 agromilieucontracten (aangevraagd in 2010) uitbetaald. In totaal werd dat jaar 6.696.878 euro uitbetaald (waarvan 1.770.083 euro top-up) voor een oppervlakte van 13.778 ha. Vlaanderen zet door middel van een aantal agromilieumaatregelen in op de Europese prioriteiten klimaatverandering, waterbeheer en biodiversiteit. Aan de Europese prioriteit klimaatverandering werden door Vlaanderen de agromilieumaatregelen “vlinderbloemigen”, “BO water” en “”BO erosiebestrijding” toegewezen. De maatregelen “BO kleine landschapselementen: poelen” en “mechanische onkruidbestrijding” worden verondersteld bij te dragen tot de prioriteit waterbeheer. Aan de prioriteit biodiversiteit wordt gewerkt via de maatregelen “verwarringstechniek”, “BO perceelsrandenbeheer”, “BO soortenbescherming” en “BO kleine landschapselementen: niet-poelen”. Figuur 43 tot figuur 45 geven de verdeling (absoluut en procentueel) van het totale areaal, het totale aantal contracten en de totale uitgaven over de verschillende prioriteiten en acties van het Health Check-programma in 2011. Meer dan de helft (60%) van de totale oppervlakte droeg bij aan de prioriteit “aanpassing aan en mitigatie van klimaatverandering”. Op de prioriteiten “waterbeheer” en “biodiversiteit” werd ingezet op respectievelijk 26% en 14% van de totale oppervlakte. De prioriteit “biodiversiteit” was goed voor zo’n 46% van de contracten, terwijl 33% van de contracten aan de prioriteit “aanpassing aan en mitigatie van klimaatverandering” gewijd was en 21% aan “waterbeheer”. Wat betreft uitgaven was de prioriteit “biodiversiteit” de grootste budgetpost (48%), gevolgd door “aanpassing aan en mitigatie van klimaatverandering” (40%) en “waterbeheer” (12%). Deze verhoudingen zijn gelijkaardig aan die van vorig jaar. In 2011 besloeg het unieke areaal waarop agromilieumaatregelen onder Health Check werden uitbetaald 14.951 ha. 3.797 unieke bedrijven hadden één of meerdere contracten lopen die in 2011 werden uitbetaald onder het Health Check-programma.
108
Figuur 43 Absolute (ha) en procentuele verdeling van de in 2011 uitbetaalde arealen agromilieumaatregelen onder Health Check, onderverdeeld per prioriteit (hoofdletters) en actie (kleine letters)
Figuur 44 Absolute en procentuele verdeling van het aantal contracten van de in 2011 uitbetaalde agromilieumaatregelen onder Health Check, onderverdeeld per prioriteit (hoofdletters) en actie (kleine letters)
109
Figuur 45 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de uitgaven in 2011 voor agromilieumaatregelen onder Health Check, onderverdeeld per prioriteit (hoofdletters) en actie (kleine letters)
6.5.3.1.2 Targets Tabel 44 zet voor de outputindicatoren de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 44 Targets voor maatregel 214 Agromilieumaatregelen onder Health Check
Type indicator
Indicator
Doel 20092013
Output
Aantal gesteunde unieke bedrijven Totale oppervlakte (ha) Unieke areaal (ha) Aantal contracten
Gerealiseerd Realisatiein 2009-2011 percentage
2.084
4.511
216,5%
18.283 16.820 3.920
13.879 14.951 6.023
75,9% 88,9% 153,6%
De doelstellingen voor aantal gesteunde bedrijven en aantal contracten blijken niet goed ingeschat te zijn. Toch zullen deze niet aangepast worden, omdat een passende inschatting niet mogelijk is gezien de uitvoeringswijze van deze maatregel. De contracten die met Health Check-budget worden uitbetaald, kunnen immers jaarlijks variĂŤren. Pas bij de uitbetaling van de contracten (uiteraard enkel die binnen de voor de Health Check geselecteerde agromilieumaatregelen) wordt beslist of hiervoor al dan niet Health Check-middelen worden gebruikt. Daarom is het niet mogelijk hiervan voordien al een adequate inschatting te maken.
110
6.5.4 As 3 Vlaanderen koos er binnen As 3 voor om in te zetten op de Health Check-prioriteiten via de bestaande maatregel “investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten”.
6.5.4.1
311. Investeringen met landbouwactiviteiten
betrekking
tot
diversificatie
van
6.5.4.1.1 Outputindicatoren Alle goedgekeurde dossiers binnen deze maatregel vallen onder de actie “installaties/infrastructuur voor hernieuwbare energie op basis van biomassa en andere hernieuwbare energiebronnen (zonne- en windenergie, geothermische energie)”, ingedeeld onder de Europese prioriteit “hernieuwbare energie”. Meer in detail werden onder deze maatregel binnen Health Check 183 dossiers goedgekeurd voor fotovoltaïsche cellen/zonneboilers. Samen zijn deze dossiers goed voor een investeringsvolume van 20,8 miljoen euro. Van de natuurlijke personen die een dossier ingediend hebben zijn 8,5% vrouwen. Alle natuurlijke personen waren ouder dan 25 jaar. 18,6% van de begunstigden betrof een rechtspersoon. In 2011 werd aan deze maatregel 5.106.270 euro van het Health Check-budget uitgegeven.
6.5.4.1.2 Targets Tabel 45 zet voor de outputindicatoren de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Hieruit blijkt dat de vooraf ingeschatte doelstelling voor investeringsvolume bijna gehaald is, terwijl die voor aantal begunstigden nog niet gerealiseerd is. Dat wijst erop dat de gemiddelde investeringskost per dossier in werkelijkheid hoger is dan aanvankelijk was voorspeld. Tabel 45 Targets voor maatregel 311 Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten onder Health Check
Type indicator
Indicator
Output
Aantal begunstigden Totale investeringsvolume (euro)
111
Doel 20092013 1.000 40.000.000
Gerealiseerd Realisatiein 2009-2011 percentage 364 36,4% 39.588.166
99%
7
Samenvatting
Het PDPO II Jaarverslag 2011 geeft een beeld van de eerste vijf uitvoeringsjaren van het tweede Vlaamse Programma voor Plattelandsontwikkeling (PDPO II, 2007-2013). Het rapport schetst eerst kort de toezichts- en evaluatieactiviteiten van het voorbije jaar en de uitvoeringsomstandigheden waarin die plaatsvonden, maar de meeste aandacht gaat naar de monitoringsgegevens van de verschillende maatregelen. Deze samenvatting is enkel gericht op die monitoringinformatie. Financiële voortgang Tijdens de eerste vijf jaren van PDPO II werd in totaal 545,3 miljoen euro uitgegeven. Dat is 72,3% van de geplande uitgaven voor de ganse programmaperiode. De totale overheidsuitgaven bedroegen in 2011 118.631.839 euro (incl. top-up) voor de verschillende PDPO II-maatregelen en de technische bijstand. Van die overheidsuitgaven in 2011 ging 66% naar As 1, 18% naar As 2, 10% naar As 3 en 6% naar As 4. Budgettair gezien waren de belangrijkste maatregelen in 2011 “investeringen in landbouwbedrijven (VLIF)” (52,8%), “BO water” (8,3%), “diversificatiesteun (VLIF)” (7,6%) en “vestigingssteun voor jonge landbouwers (VLIF)” (6,1%). In 2010 en 2011 deed Vlaanderen ook uitgaven in het kader van het Health Check-programma en het Economisch Herstelplan. Europa voorzag met de Health Check en het Economisch Herstelplan extra middelen voor de volgende prioriteiten: hernieuwbare energie, klimaat, waterbeheer, biodiversiteit en herstructurering van de zuivelsector. In totaal ging daar in 2011 15,4 miljoen euro (incl. top-up) overheidssteun naartoe. Daarvan was 43% bestemd voor agromilieumaatregelen (As 2), 33% voor VLIF-steun voor diversificatie (As 3) en 24% voor VLIF-steun voor modernisering van landbouwbedrijven (As 1). As1 Binnen de eerste As verdeelde VLIF 89,5% van de uitgaven (investerings- en vestigingssteun). 5,4% van de uitgaven ging naar opleiding en 2,7% naar bedrijfsadvies. In het kader van opleiding wordt een onderscheid gemaakt tussen cursussen (starters- en vormingscursussen), korte vorming, en sensibiliserings- of demoprojecten. De cursussen draaiden in 2011 vooral rond management- en marketingvaardigheden en ICT. In totaal hebben 5.807 (niet-unieke) landbouwers en loonwerkers in 2011 één of meerdere cursussen of stages gevolgd en werden er 5.011 diploma’s en getuigschriften uitgereikt. In de eerste vijf jaren van PDPO II namen 12.990 unieke personen deel aan minstens één cursus of stage en werden 24.899 diploma’s en getuigschriften uitgereikt. 36% van de deelnemers aan cursussen en stages in de periode 2007-2011 was een vrouw en 51% was jonger dan 40 jaar. De korte vormingssessies trokken in 2011 156.410 (niet-unieke) geïnteresseerden. De thema’s management/marketing (15%), landschapsbehoud/milieubescherming (11%) en ICT (2%) konden op de meeste deelnemers rekenen. De sensibiliseringsprojecten duurzame landbouw (demoprojecten) telden in 2011 7.270 deelnemers. Het grootste aantal van hen (71%) nam deel aan demoprojecten die vallen onder de categorie “productkwaliteit”, terwijl 29% van de deelnemers een demoproject rond “landschapsbehoud en -verbetering / milieubescherming” volgde. 112
Voor de maatregel “vestiging van jonge landbouwers” werd in 2011 7,2 miljoen euro uitbetaald. 167 dossiers kregen dat jaar goedkeuring, waarvan 19,2% in het kader van vervroegde pensionering. De meeste vestigingsdossiers hadden betrekking op gemengde bedrijven, melkvee-, tuinbouw- en varkensbedrijven. Onder de maatregel “bedrijfsadviessystemen” vallen zowel bedrijfsadviezen conform de regelgeving van PDPO I (de “milieumodule” en het “bedrijfsleidingsadvies”), als de adviezen conform de regelgeving van PDPO II (het zogenaamde “nieuwe BAS”). De betalingen in 2010 gingen naar 1.251 bedrijfsadviezen onder het nieuwe BAS en 1.019 adviezen conform PDPO I-regelgeving. Van de 1,78 miljoen euro voor de nieuwe BAS-adviezen ging 52% naar adviezen waarbij de milieucomponent het belangrijkste onderdeel was. Voor de adviezen onder PDPO I-regelgeving werd 0,34 miljoen euro uitgegeven, verdeeld over de milieumodule (42%) en het bedrijfsleidingsadvies (58%). Binnen de maatregel “modernisering van landbouwbedrijven” werd in 2011 62,5 miljoen euro uitbetaald voor dossiers die in 2011 of vorige jaren waren goedgekeurd. 2.212 dossiers, ingediend onder PDPO II-regelgeving, kregen in 2011 een goedkeuring. De meeste dossiers hadden betrekking op gemengde, tuinbouw- en melkveebedrijven. Bijna 22% van de dossiers werd ingediend door een rechtspersoon. 13% van de goedgekeurde investeringsdossiers betreft naast mogelijke andere investeringen een investering voor een nieuwe techniek of product op sectorniveau (bv. WKK-installatie). 1,7% van de goedgekeurde dossiers was afkomstig van een biologisch landbouwbedrijf. Van 33 agrovoedingsbedrijven die een projectvoorstel indienden binnen de oproep van begin 2011, werd de aanvraag goedgekeurd. Alle projecten kaderen binnen het thema milieu en energie. De meeste projecten situeren zich in de vleeswarensector (34%). In totaal ontvingen de investeringen die de vorige jaren goedkeuring kregen in 2011 1,3 miljoen euro. As 2 Binnen de tweede As was “BO water” goed voor bijna de helft (46%) van de uitgaven. Daarna volgen de agromilieumaatregelen “BO perceelsrandenbeheer” (10%), “verwarringstechniek” (9%) en “vlinderbloemigen” (8%). In 2011 ontvingen 856 unieke landbouwbedrijven een vergoeding natuur. Samen bestreken ze een oppervlakte van 2.609 ha, waarvan 1.145 ha in Natura 2000-gebied. Sinds de start van PDPO II werd aan 2.115 unieke landbouwbedrijven een “vergoeding natuur” uitbetaald. Voor deze maatregel werd in 2011 362.799 euro overheidssteun uitgegeven. De uitgaven voor agromilieumaatregelen bedroegen 20,56 miljoen euro in kalenderjaar 2011. 48% daarvan ging naar “BO water” en 10% naar “BO perceelsrandenbeheer”. In 2011 waren 9.125 PDPO II-contracten voor agromilieumaatregelen lopende en samen bestreken die een areaal van 50.266 ha. Daarenboven liep nog een aantal PDPO I-contracten door in 2011, contracten die allemaal eindigden in de loop van 2011. Deze laatste, aflopende PDPO I-contracten zijn niet meer meegenomen in de cijfers voor 2011. “BO water” was goed voor zo’n 46% van het areaal in 2011. Daarna volgden de maatregelen “verwarringstechniek” (17%), “vlinderbloemigen (10%), “mechanische onkruidbestrijding” (9%), “hectaresteun biolandbouw” (7%) en “BO erosiebestrijding” (7%). De oppervlakte van de maatregelen “BO soortenbescherming”, “hectaresteun biolandbouw”,
113
“verwarringstechniek”, “BO erosiebestrijding” en “hoogstamboomgaarden” nam toe ten opzichte van 2010. In 2011 hebben 7.369 unieke begunstigden één of meerdere agromilieumaatregelen uitgevoerd, op een totale unieke oppervlakte van 50.066 ha. Van dat unieke areaal is 3.328 ha (6,6%) gelegen gelegen in Natura 2000-gebied, 766 ha (1,5%) in VEN-gebied, en 490 ha (1,0%) in LFA-gebied. Binnen de maatregel “bebossing van landbouwgronden” werden in 2011 20 dossiers goedgekeurd. Deze dossiers zijn goed voor een te bebossen landbouwoppervlakte van 22,06 ha. Het totale areaal landbouwgrond dat in de periode 2007-2010 bebost is of zal worden, bedraagt 675,8 ha. Aan eerder goedgekeurde dossiers werd in 2011 43.718 euro subsidie uitbetaald. Voor de maatregel “niet-productieve investeringen in bossen” werden in 2011 151 nieuwe aanvragen goedgekeurd, waarvan 71 voor “ecologische bosfunctie” en 80 voor “bebossing/herbebossing”. Aan eerder goedgekeurde dossiers werd in 2011 0,37 miljoen euro steun uitbetaald. As 3 In 2011 kregen 389 nieuwe dossiers voor diversificatie-investeringen goedkeuring. Zowel uit het aantal dossiers als uit de subsidiabele investeringskost blijkt dat investeringen in hernieuwbare energie veruit de belangrijkste vorm van diversificatie zijn. Aan diversificatiedossiers die eerder waren goedgekeurd werd 8,9 miljoen euro steun uitbetaald. In het kader van de gebiedsgerichte werking van As 3 werden door de provinciale managementcomités in 2011 36 nieuwe projecten goedgekeurd. Daarmee komt het totale aantal goedgekeurde projecten voor de periode 2007-2011 op 228. De maatregel “instandhouding en opwaardering landelijk erfgoed” nam er daar 50 van voor zijn rekening. 47 projecten kaderden in de maatregel “bevordering van toeristische activiteiten”, een andere 47 projecten investeerden in “dorpskernvernieuwing en –ontwikkeling”, 46 projecten draaiden rond “intermediaire dienstverlening” en 38 projecten verbeterden de “basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking”. As 4 Met 101 nieuwe Leaderprojecten goedgekeurd in 2011, komt het totale aantal voor de periode 2007-2011 op 433 projecten goedgekeurd door de Plaatselijke Groepen. Aan die projecten werd in 2011 6,1 miljoen euro overheidssteun uitbetaald. De 433 projecten hebben in totaal 680 financieel begunstigden, van wie 299 uit de publieke sector en 376 uit de private sector. Van de nieuwe projecten kaderden er 35 in “bevordering van toeristische activiteiten”, 26 in het verbeteren van de “basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking” en nog eens 26 in de “instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed”. Voor “dorpskernvernieuwing en –ontwikkeling” werden 5 nieuwe projecten goedgekeurd en voor “intermediaire dienstverlening” 9 nieuwe projecten. In 2011 werden vijf nieuwe samenwerkingsprojecten tussen Leadergebieden opgestart, wat het totaal op zeven projecten binnen deze maatregel brengt. Aan projecten binnen deze maatregel werd in 2011 32.187 euro uitbetaald.
114
Onder de noemer “Werking Plaatselijke Groepenâ€? kregen in 2011 251 activiteiten steun, waarmee het totaal voor de periode 2007-2011 op 1.148 gesteunde activiteiten komt. Iets minder dan de helft (45%) van de activiteiten had betrekking op het geven van informatiesessies over het Leadergebied en het bekendmaken van de lokale ontwikkelingsstrategieĂŤn. 46% van de activiteiten draaide rond het opleiden van het personeel dat de lokale ontwikkelingsstrategie moet voorbereiden en uitvoeren. Via 4% van de activiteiten werd promotie gevoerd. Deze activiteiten ontvingen in totaal 766.580 euro in 2011.
115
8
Bronnen
Administratie Land- en Tuinbouw (2000) Programma voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen (PDPO), periode 2000-2006. Danckaert S., Carels K., Van Gijseghem D. & Hens M. (2009) Indicatoren voor het opvolgen van de hoge natuurwaarden op landbouwgrond in het kader van de PDPO-monitoring. Een verkennende analyse, Beleidsdomein Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Danckaert S. & Van Zeebroeck M. (2012) Landbouw en water: indicatoren op bekkenniveau, Departement Landbouw en Visserij, Afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Departement Landbouw en Visserij (2008) Programma voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen (PDPO), periode 2007-2013 http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=72 Dumez L. & Van Zeebroeck M. (2011) Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013, Jaarverslag 2010, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Dumortier M., De Bruyn L., Hens M., Peymen J., Schneiders A., Van Daele T. & Van Reeth W. (red.) (2007) Natuurrapport 2007. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek nr. 4, Brussel. European Commission (2009) Common indicators for monitoring and evaluation of rural development programmes 2007-2013. Part I: Explanatory guidelines; Part II: Common indicator tables. Europese Commissie (2006). Handboek voor een gemeenschappelijk toezicht- en evaluatiekader. Richtsnoer en Bijlagen http://ec.europa.eu/agriculture/rurdev/eval/index_en.htm IDEA Consult (2006) Ex ante evaluatie van het PDPO 2007-2013, Brussel. IDEA Consult, UGent, Soresma & VUB (2010) Mid term evaluatie van het Vlaams Programmadocument voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013, Brussel http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=2046. Strategisch Monitoringsrapport voor BelgiĂŤ, 2010. http://lv.vlaanderen.be/nlapps/data/docattachments/rapport_strategique_be_2010.pdf . Van Zeebroeck M., Carels K. & Samborski V. (2008) Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013, Jaarverslag 2007, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Van Zeebroeck M., Carels K., Samborski V. & Danckaert S. (2009). Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013, Jaarverslag 2008, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Van Zeebroeck M. & Maertens E. (2010) Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 20072013, Jaarverslag 2009, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel.
116
9 ADLO AEA ALBON ALV AMM AMS ANB AOSB BAS BGA BO BOB BrTW CCEP EENRD ELFPO EU FADN FOD GIS GLB GTEK GTS GVE ha HNVF INBO KMO LAG Leader LFA LMN MAP MIB NA NARA NP PDPO PG PMC SFC SI UGent
Lijst afkortingen Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling Ammoniakemissiearm Afdeling Land- en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke rijkdommen Agentschap voor Landbouw en Visserij Agromilieumaatregel Afdeling Monitoring en Studie Agentschap Natuur en Bos Afdeling Organisatie en Strategisch Beleid Bedrijfsadviessysteem Beschermde Geografische Aanduiding Beheerovereenkomst Beschermde Oorsprongsbenaming Bruto Toegevoegde Waarde Coördinerende Cel Europees Plattelandsbeleid European Evaluation Network for Rural Development Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling Europese Unie Farm Accountancy Data Network Federale Overheidsdienst Geografisch Informatiesysteem Gemeenschappelijk Landbouwbeleid Gemeenschappelijk toezichts- en evaluatiekader Gegarandeerde Traditionele Specialiteit Grootvee-eenheid Hectare High Nature Value Farmland Instituut voor Natuur- en bosonderzoek Kleine en middelgrote ondernemingen Lokale Actie Groep Liaisons Entre Actions de Développement de l’Economie Rurale Less Favoured Area Landbouwmonitoringsnetwerk Mestactieplan Afdeling Markt- en Inkomensbeheer Not Available Natuurrapport Not applicable Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling Plaatselijke Groep Provinciaal Management Comité Structural Funds Common system Afdeling Structuur en Investeringen Universiteit Gent
117
VEN VLIF VLM VMM WKK
Vlaams Ecologisch Netwerk Vlaams Landbouwinvesteringsfonds Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieumaatschappij Warmtekrachtkoppeling
118
10
Lijst contactpersonen
Coördinerende Cel Europees Plattelandsbeleid (CCEP) Patricia de Clercq Els Soenen Belinda Cloet Nele Vanslembrouck Vlaams Betaalorgaan Kris Heyse De leden van het Uitvoeringscomité PDPO II Stemgerechtigde effectieve leden: Jules Van Liefferinge (voorzitter) Patricia De Clercq (secretariaat) Els Soenen Johan Verstrynge Koen Wellemans Jos De Smedt Lieven Van Waes Luc Uytdewilligen Daniël De Laender Bert Van Wambeke Nadine Vantomme Martine Swerts Tom Neels Stemgerechtigde plaatsvervangende leden: Belinda Cloet Jean Steenberghen Hilde Villé Anja Bockstal Johan De Schryver Rudy Geerts Anneleen Vandenberghe Davy De Dobbeleer Petra Deproost Carl De Schepper Bijkomende effectieve leden: Linn Dumez Stéphane Desmet Nele Vanslembrouck Daniël Ketels Hendrik De Vriese Bijkomende plaatsvervangende leden: Dirk Van Gijseghem Kris Heyse Anita Dumon
119
Afdeling Monitoring en Studie Linn Dumez Michael Van Zeebroeck Ellen Maertens Beheersdiensten Dienst
PDPO-maatregel
Contact
ADLO ADLO
Maatregelnummer 111A 111C
Opleiding in de landbouw Sensibiliseringsprojecten duurzame landbouw
SI
112
Vestiging van jonge landbouwers
SI
114
Bedrijfsadviessysteem voor land- en tuinbouwers
SI
121
Investeringen in landbouwbedrijven
Steenberghen Jean Lapage Els De Kelver Peter, Laender Daniel Windels Jozef De Kelver Peter, Laender Daniel
SI
123
ADLO
123B
ADLO
132
ADLO
133
VLM
212
Vergoeding natuur buiten Natura 2000
VLM
213
Vergoeding natuur binnen Natura 2000
MIB
214A
MIB
214B
ADLO
214C
MIB
214D
MIB
214E
MIB
214F
Hectaresteun voor biologische landbouwproductie
VLM
214G
Beheerovereenkomst perceelsrandenbeheer
VLM
214H
Beheerovereenkomst soortenbescherming
VLM
214I
Beheerovereenkomst erosiebestrijding
VLM
214J
Beheerovereenkomst water
VLM
214K
Beheerovereenkomst Herstel, Ontwikkeling Onderhoud van Kleine Landschapselementen
MIB
214M
Groenbedekking
MIB
214N
Mechanische onkruidbestrijding gecombineerd met rijbespuiting
MIB
214O
Geïntegreerde productiemethode voor pitfruit
Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten Steun voor samenwerking bij de ontwikkeling en afzet van landbouwproducten met een innovatief karakter Deelname door landbouwers aan voedselkwaliteitsregelingen Voorlichting en afzetbevordering van Vlaamse producten erkend als BOB/BGA/GTS
De
Geerts Rudy De Smit Lieve, Ryckaert Ivan Bockstal Anja (MIB) Bockstal Anja (MIB) Vandenberghe Günther, Bockstal Anja (MIB) Vandenberghe Günther, Bockstal Anja (MIB)
Introductie van technieken die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verminderen waaronder mechanische onkruidbestrijding Introductie van de verwarringstechniek in de pitfruitteelt Behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen en variëteiten van hoogstamboomgaarden Introductie van vlinderbloemige gewassen in het silagevoeder voor een meer grondgebonden Vlaamse veehouderij Reductie van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in de sierteelt
120
De
en
Bockstal Anja, Van Waes Lieven Bockstal Anja, Van Waes Lieven Nijs Katrien Bockstal Anja, Van Waes Lieven Bockstal Anja, Van Waes Lieven Bockstal Anja, Van Waes Lieven D’ Hoker Isabel, Vandenberghe Anneleen D’ Hoker Isabel, Vandenberghe Anneleen D’ Hoker Isabel, Vandenberghe Anneleen D’ Hoker Isabel, Vandenberghe Anneleen D’ Hoker Isabel, Vandenberghe Anneleen Bockstal Anja, Van Waes Lieven Bockstal Anja, Van Waes Lieven Bockstal Anja, Van Waes Lieven
VLM
214P
VLM
216
ANB ADLO ANB
221 222 227
SI
311A
VLM
313
VLM
321
VLM
321B
VLM
322
VLM
323A
VLM
331
VLM
331B
VLM
413
VLM
421
VLM
431
Beheerovereenkomst botanisch beheer Inrichtingsmaatregelen door landbouwers in kader van kaderrichtlijn water Bebossing van landbouwgronden Boslandbouwsystemen Niet-productieve investeringen in bossen Investeringen mbt diversificatie van landbouwactiviteiten Bevordering van toeristische activiteiten Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking Ontwikkeling van de paardenhouderij als economische drager op het platteland Dorpskernvernieuwing- en ontwikkeling Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed Intermediaire dienstverlening (opleiding en vorming van ruraal ondernemerschap) Verhoging van de omgevingskwaliteit via sensibiliserende en informatieve acties Lokale ontwikkelingsstrategieĂŤn leefkwaliteit / diversificatie Samenwerkingsprojecten met andere plattelandsgebieden Werking Plaatselijke groepen
121
D’ Hoker Isabel, Vandenberghe Anneleen Michiel Karolien Neels Tom Bockstal Anja (MIB) Neels Tom De Kelver Peter, De Laender Daniel Vantomme Nadine Vantomme Nadine Vantomme Nadine Vantomme Nadine Vantomme Nadine Vantomme Nadine Vantomme Nadine De Dobbeleer Davy De Dobbeleer Davy De Dobbeleer Davy
11
Bijlage 1: Lijst artikel 82
Artikel uit de Kaderverordening
Pagina
Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 a) Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 b) Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 c) Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 d) Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 e) Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 f) Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 g)
4 35 21 16 8 7 34
i
12
Bijlage 2: Lijst aangepaste targets
Hieronder volgt de lijst van aangepaste targets. In het jaarverslag van een bepaald jaar wordt telkens bij de maatregel zelf het probleem met het streefdoel beschreven en wordt een nieuw streefdoel om het probleem op te lossen aangegeven. De nieuwe target vervangt in het jaarverslag erop automatisch de oude. De aanpassingen van de targets worden ook gemeld aan de Europese Commissie via de procedures voor aanpassing programmadocument en Nationale Strategie. Monitoring jaar Maatregelvaststelling nummer probleem target 2007 111A
2007
111D
2007
114
Oorspronkelijke waarden
Nieuwe waarden
1) Totaal aantal dagen opleiding: 32.669 2) Aantal unieke deelnemers die succesvol een opleiding gevolgd hebben: 28.000 1) Aantal unieke deelnemers: 490 2) Totaal aantal dagen opleiding voor alle deelnemers: 420 3) Aantal unieke deelnemers die succesvol een opleiding gevolgd hebben= 3 Aantal gesteunde landbouwers: 11.900
1) 519.750 2) 34.000
1) Er werd bij opmaak target niet vermenigvuldigd met het aantal deelnemers. 2) Slaagpercentage voor korte vorming 100% (geleerde vaardigheden in praktijk brengen) i.p.v 80%.
1) 14 2) 14 3) 14
Targets moeten aangepast worden daar maatregel in programmadocument een uitdovend karakter heeft gekregen.
18.634
De beheersdienst heeft vastgesteld dat de target van 11.900 gesteunde landbouwers enkel slaat op de bedrijfsadviessystemen conform EG 1782/2003 en niet op de landbouwers die uitbetaald worden voor de milieumodule en bedrijfsleidingadvies. Om deze reden werd een nieuwe target voor het “aantal gesteunde landbouwers� voorgesteld, die bestaat uit de
Verantwoording
ii
uiteindelijk
som van de target voor bedrijfsadviessystemen (11.900), bedrijfsleidingadvies (2.367) en milieumodule (4.367): 18.634. Doelstelling werd bepaald op basis gegevens 2007-2008.
2008
111A
Aantal deelnemers (niet- 1.200.000 uniek): NA
2008
111C
106.000
Doelstelling werd bepaald op basis gegevens 2007-2008.
2008
111D
17
Doelstelling werd bepaald op basis gegevens 2007-2008.
2008
121
10%
2008
123A
Aantal deelnemers (nietuniek): NA Aantal deelnemers (nietuniek): NA Stijging bruto toegevoegde waarde: 0% Stijging van de bruto toegevoegde waarde: 20 %
2008
123A
414.000.000 euro
2008
132
344.000.000 euro
Omzet biosector (zonder producenten en import): 289,3 miljoen euro in 2006. Stijging van 2,5% per jaar, dus omzet eind 2013: 344 miljoen euro.
2008
214K
243 ha
2008
214P
Vanaf M2008 is het niet meer mogelijk het areaal kleine landschapselementen te koppelen aan de percelen. De nieuwe doelstelling geeft enkel de oppervlakte van de kleine landschapselementen op zich aan. De doelstellingen van subpakket “beweiding zonder beperking van weidedatum� (BO Natuur) werden toegevoegd
2008
311
Totale investeringsvolume: 1.015.000.000 Waarde van de landbouwproductie onder kwaliteitslabel: 2,5% stijging per jaar Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt: 13.977 ha 1) Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt: 203 ha 2) Aantal contracten: 74 Stijging niet-landbouw bruto toegevoegde waarde: 0%
Deze nieuwe inschatting is gebaseerd op FADN data van de periode 20002006. Deze doelstelling is tot stand gekomen op basis van informatie aangaande BrTW van agrovoedingsbedrijven die steun gekregen hebben tijdens PDPO 2000-2006 (zie ex post evaluatie PDPO 2000-2006) te koppelen aan de outputindicatoren voor maatregel 123 voor PDPO 2007-2013. Oorspronkelijke target werd opgemaakt op basis van een onrealistisch ingeschat budget.
155.000.000 euro
1) 1.600 ha 2) 664
10%
Deze nieuwe inschatting is gebaseerd op FADN data van de periode 20002006.
iii
2008
321
2008
331
2008
413
2008
431
2010
313
2010
321
2010
331
1) Bevolking die voordeel haalt uit een verbeterde dientverlening: NA 2) Bevolking toegang tot internet: NA Aantal deelnemers die succesvol een trainingsessie beĂŤindigd hebben: NA Aantal begunstigden: 200.000 Aantal gesteunde acties: 250 1) Aantal gesteunde nieuwe toeristische acties: 182 2) Bijkomend aantal toeristische bezoeken: 16.000 1) Aantal gesteunde acties: 147 2) Toename van het internetgebruik in ruraal gebied: 2.000 3) Aantal inwoners in ruraal gebied die van de basisvoorziening genieten: 60.000 1) Aantal deelnemende economische actoren aan gesteunde activiteiten
1) 60.000 2) 2000
Schatting op basis van preliminaire gegevens M2007 en M2008.
500
Schatting op basis van preliminaire gegevens M2007 en M2008.
700
Verkeerde interpretatie van begunstigden bij opstelling target
1.700
Te enge interpretatie van het aantal acties bij het opstellen van de target
1) 55 2) 181.000
Geen goede inschatting (gebaseerd op cijfers uit monitoringjaar 2007)
1) 46 Geen goede inschatting (gebaseerd op cijfers uit monitoringjaar 2007) 2) 10.400 3) 1.340.000
1) 78.800 2) 64.000 3) 81.500
Verkeerde interpretatie van de indicatoren bij het opstellen van de targets
iv
(niet-uniek): 70 2) Aantal dagen opleiding voor alle deelnemers: 210 3) Aantal unieke deelnemers die met vrucht de opleidingsactiviteit volbrachten: 500
v
13
Bijlage 3: Tijdreeks van aantal contracten, areaal en uitgaven van de agromilieumaatregelen
Tabel Overzicht van de oppervlakte (ha) van de verschillende agromilieumaatregelen voor de campagnejaren 2000-2011
Areaal (ha) 2000 kalenderjaar 151 Mechanische onkruidbestrijding 0 Verwarringstechniek 0 Hoogstamboomgaarden 0 Vlinderbloemigen 375 Milieuvriendelijke sierteelt 1.350 Hectaresteun biolandbouw 35 BO perceelsrandenbeheer 165 BO soortenbescherming 0 BO erosiebestrijding 17.526 BO water 426 BO kleine landschapselementen 5.655 Groenbedekking Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit 5.157 0 BO botanisch beheer 1.372 BO natuur 0 Steun biovarkens 32.212 TOTAAL AREAAL 29.554 RAMING UNIEK AREAAL
2001 1.298 0 0 0 344 1.584 89 251 0 29.665 1.183 27.132 8.478 0 1.597 0 71.621 65.711
2002 2.033 0 0 0 668 1.839 210 443 0 32.019 4.437 34.330 9.408 0 1.726 6 87.119 79.930
2003 2.627 0 0 0 767 2.861 308 499 0 30.709 5.602 39.582 10.058 0 1.934 6 94.953 87.117
2004 2005 2006 2007 2008 4.966 5.973 6.207 6.191 5.969 0 0 0 0 0 0 232 388 482 567 1.057 3.018 4.766 5.751 6.472 748 748 1.102 920 965 2.735 2.689 2.645 2.704 2.674 370 530 1.222 1.204 1.280 620 816 961 732 728 0 920 1.736 2.091 2.469 27.210 27.800 29.300 29.384 28.385 6.486 7.158 7.392 4.634 118 68.275 72.103 78.031 75.958 71.339 6.749 4.941 888 396 0 17 81 203 201 197 2.130 2.628 1.397 1.403 1.216 6 6 6 6 0 121.369 129.643 136.244 132.057 122.379 111.354 118.945 125.001 121.513 119.555
vi
2009 4.616 0 649 5.902 1.133 2.795 1.395 774 3.241 28.135 129 16.096 0 197 987 0 66.049 64.898
2010 3.931 7.485 646 5.364 1.232 3.270 1.266 601 3.427 28.013 124 5.323 0 156 869 0 61.707 60.085
2011 3.877 7.866 677 5.057 1.192 3.569 653 953 3.455 22.847 120 0 0 0 0 0 50.266 50.066
Tabel Overzicht van het aantal contracten voor de verschillende agromilieumaatregelen voor de campagnejaren 2000-2011
Aantal lopende contracten kalenderjaar Mechanische onkruidbestrijding Verwarringstechniek Hoogstamboomgaarden Lokale veerassen Vlinderbloemigen Milieuvriendelijke sierteelt Hectaresteun biolandbouw BO perceelsrandenbeheer BO soortenbescherming BO erosiebestrijding BO water BO kleine landschapselementen Groenbedekking Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit BO botanisch beheer BO natuur Steun biovarkens TOTALE AANTAL CONTRACTEN
2000 22 0 0 321 0 90 88 51 28 0 1.551 71 971 336 0 590 0 4.119
2001 177 0 0 443 0 71 100 141 46 0 3.077 186 3.310 599 0 731 0 8.881
2002 298 0 0 533 0 109 101 280 94 0 3.385 415 4.238 656 0 789 2 10.900
2003 424 0 0 550 0 131 175 446 114 0 3.429 607 3.906 715 0 874 2 11.373
2004 892 0 0 332 379 107 173 430 123 0 3.260 664 7.534 473 10 929 2 15.308
vii
2005 989 0 515 390 1.005 107 173 715 190 127 3.760 916 7.910 344 33 1.150 2 18.326
2006 1.068 0 854 267 1.594 134 174 1.130 163 579 2.048 914 8.378 87 76 588 2 18.056
2007 1.365 0 1.133 285 1.894 127 205 871 128 486 1.707 713 8.211 46 73 521 2 17.767
2008 1.422 0 1.385 266 2.053 144 201 1.068 128 608 1.609 946 7.929 0 71 449 0 18.279
2009 980 0 1.641 276 1.780 139 208 1.153 171 788 1.726 1.171 1.995 0 71 400 0 12.499
2010 862 586 1.694 292 1.378 150 223 1.162 228 855 1.522 1.303 731 0 50 355 0 11.391
2011 807 611 1.494 292 1.007 139 239 863 349 710 1.204 1.410 0 0 0 0 0 9.125
Tabel Overzicht van de uitgaven per boekjaar voor de verschillende agromilieumaatregelen in de periode 2003-2011
Uitgaven (x 1000 euro) boekjaar Mechanische onkruidbestrijding Verwarringstechniek Hoogstamboomgaarden/lokale veerassen Vlinderbloemigen Milieuvriendelijke sierteelt Hectaresteun biolandbouw BO perceelsrandenbeheer BO soortenbescherming BO erosiebestrijding BO water BO Kleine landschapselementen Groenbedekking Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit BO botanisch beheer incl BO natuur Steun biovarkens TOTALE UITGAVEN
2003 254 148 0 3 444 169 118 0 10.117 128 1.548 2.133 455 0 15.518
2004 323 153 0 12 740 380 141 0 8.770 199 1.866 1.750 617 5 14.957
2005 528 366 541 56 694 194 132 0 7.126 118 3.190 1.042 601 5 14.593
viii
2006 613 423 1.882 139 684 770 241 223 6.206 345 3.499 525 479 5 16.034
2007 640 447 2.677 0 737 1.135 189 592 9.080 202 3.771 84 365 5 19.924
2008 745 476 2.870 502 700 1.172 137 529 11.281 157 3.666 28 520 5 22.788
2009 902 273 2.952 247 662 2.455 188 1.074 11.556 405 3.465 0 485 0 24.664
2010 857 529 2.423 281 707 1.961 208 1.093 11.291 536 780 0 400 0 21.065
2011 846 1.841 750 1.757 244 909 2.031 290 1.032 11.426 788 233 0 335 0 22.482
14
Bijlage 4: Indicatorentabellen (Excel)
Europese tabellen met gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren voor het toezicht op en de evaluatie van de programma’s voor plattelandsontwikkeling.
ix