Dorpshuizen op het Vlaamse platteland Hefbomen richting het geconnecteerde dorp (oktober 2022)
VLM.be
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
Inhoudstafel Voorwoord
3
Situering van het onderzoek
4
Dorpenbeleid als een van de pijlers in het Vlaamse plattelandsbeleid
4
Dorpshuizen als vliegwiel voor vitale dorpen
5
VLM als gangmaker van een 3D-dorpenbeleid
5
Het platteland in beweging Uitdagingen en veerkracht Het dorp van morgen: het geconnecteerde dorp Het dorp als systeem
6 6 8 10
Gemeenschapskracht mobiliseren
11
Verbinden naar buiten
12
Digitaal verbonden
13
Geëngageerd in actuele maatschappelijke uitdagingen
13
Kennismaken met 21 dorpshuizen
15
Vijf ‘types’ dorpshuizen
16
Interessante bevindingen en leerervaringen
17
Drie succesfactoren voor dorpshuizen
19
Over het muurtje kijken Dorpshuizen in de toekomst: beleidsaanbevelingen
21 22
Subsidies voor dorpshuizen binnen LEADER 2023-2027
23
Dorpshuizen next level vanuit de ambitie ‘geconnecteerd dorp’
24
Het lokaal bestuur als partner
26
Selectiekader en randvoorwaarden voor dorpshuizen
27
LEADER ten voeten uit
28
Cover: den Hannekesnest, buurtpunt Langerbrugge en Kerkbrugge (Evergem) Deze brochure kwam tot stand op initiatief van de Vlaamse Landmaatschappij en op basis van een studie door IDEA Consult
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
Voorwoord
Toon Denys gedelegeerd bestuurder VLM
De leefbaarheid en veerkracht van het platteland verbeteren. Dat is het doel van het Vlaams plattelandsbeleid. Onze dorpen spelen daar een sleutelrol in en staan voor een aantal belangrijke keuzes. Hoe gaan dorpen bijvoorbeeld aan de slag met de dorpsruimte en het omliggende landschap? Hoe betrekken ze de lokale gemeenschap? En wat is de functie van het dorpshuis? De antwoorden op die vragen bepalen of dorpen het hoofd kunnen bieden aan de maatschappelijke uitdagingen waarmee ze geconfronteerd worden. De afgelopen jaren investeerden we via verschillende programma’s in dorpen en dorpshuizen. Het begin van een nieuwe GLB-programmaperiode is een uitgelezen moment om terug te kijken, om lessen te trekken en om te inspireren met dorpshuizen die hun rol als voortrekker met glans vervullen. We blikken vooruit naar de Vlaamse ambities voor onze dorpshuizen. Met deze publicatie wil de Vlaamse Landmaatschappij de hand reiken aan lokale initiatiefnemers en besturen, om samen te werken aan levendige en leefbare dorpen. Door dorpshuizen te creëren die de spil zijn van de dorpsdynamiek, op maat van en samen met het dorp. Ook de komende jaren blijven we vanuit Vlaanderen inzetten op leefbare dorpen en dorpshuizen.
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
Situering van het onderzoek Dorpenbeleid als een van de pijlers in het Vlaamse plattelandsbeleid In de vorige beleidsperiode van de Vlaamse Regering (2014 – 2019), alsook in de huidige (2019 – 2024), wordt veel aandacht besteed aan ‘leefbare dorpen’. Het thema is één van de pijlers van het Vlaams plattelandsbeleid. Er werden de voorbije jaren diverse dorpshuisprojecten opgezet, zowel binnen PDPO III, Platteland Plus als binnen LEADER. Ook buiten deze programma’s kwamen dorpshuizen tot stand, zowel vanuit besturen, als vanuit (groepen van) burgers.
4
Situering van het onderzoek
Dorpshuizen als vliegwiel voor vitale dorpen Met het oog op de nieuwe LEADER-periode (2023-2027) is het van belang om goed te begrijpen hoe dorpshuizen bijdragen tot de leefbaarheid en vitaliteit van dorpen en leefgemeenschappen op het platteland. Toekomstige subsidies voor dorpshuizen moeten zo worden ingericht dat ze maximale impact brengen voor bewoners. IDEA Consult werd door de VLM aangesteld om het thema te onderzoeken. De doelstellingen van het onderzoek waren drieledig:
• Evaluatief: terugblikken op gesubsidieerde projecten (‘dorpshuizen’ in de brede zin) in de afgelopen jaren en begrijpen wat werkt en wat niet; • Inspirerend: goede praktijken detecteren die initiatiefnemers op het Vlaamse platteland inspireren; • Adviserend: aangeven hoe plattelandssubsidies in de toekomst moeten worden ingericht, opdat ze maximaal bijdragen tot een vitaal platteland.
Evalueren
Inspireren Adviseren
Drieledig opzet van het onderzoek
VLM als gangmaker van een 3D-dorpenbeleid De jongste jaren zet de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) sterk in op een 3D-Dorpenbeleid. Daarmee legt ze de focus op dorpsparticipatie, dorpshuis en dorpsruimte: • Dorpsparticipatie: bewoners en verenigingen op een actieve manier betrekken; • Dorpshuis: een multifunctionele setting, waar een waaier van activiteiten en diensten kunnen worden gecombineerd; • Dorpsruimte: de buitenruimte toekomstbestendig en kwaliteitsvol inrichten.
INHOUD
5
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
Het platteland in beweging Uitdagingen en veerkracht In de publicatie ‘Veerkracht in dorpen: 37 inspirerende projecten’ (2018) noemen onderzoekers van de universiteit Antwerpen 13 uitdagingen op het platteland.
Energietransitie Klimaatverandering
Zorgbehoefte Woonbehoefte Aanbod basisvoorzieningen
Vergroening / Vergrijzing
Bestuurkracht
Sociale kwetsbaarheid Vereenzaming
Bereikbaarheid Vervoersarmoede
Financiële armoede Economische veranderingen
Bron: Veerkracht in dorpen: 37 inspirerende projecten (2018), Universiteit Antwerpen in odpracht van het provinciebestuur Antwerpen
6
Het platteland in beweging
Interessanter dan die uitdagingen op zich, is de benadering vanuit het begrip ‘veerkracht’. Daarmee maken de auteurs duidelijk dat dorpen deze uitdagingen niet lijdzaam moeten ondergaan. De impact die de uitdagingen hebben, verschilt naargelang de kenmerken van het dorp en de strategie die men er tegenover weet te plaatsen. In de uitwerking van hun onderzoek introduceren de onderzoekers de begrippen kwetsbaarheid en aanpassingsvermogen. Waar het eerste begrip verwijst naar de bestaande situatie en de aanwezige capaciteit, heeft het tweede te maken met het vermogen tot gezamenlijk handelen.
INHOUD
7
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
Het dorp van morgen: het geconnecteerde dorp
De vraag stelt zich naar een vernieuwd en eigentijds toekomstbeeld voor onze plattelandsdorpen en -gemeenschappen, waarbinnen de uitdagingen worden opgenomen en nieuwe kansen worden aangegrepen. Vanuit het Europees Netwerk voor Plattelandsontwikkeling (ENRD) werd het concept ‘Smart Villages’ gelanceerd als toekomstbeeld voor veerkrachtige dorpen. Als we de contouren van dit concept verbinden met recente literatuur over leefbaarheid en vitaliteit van dorpen, komen we tot een toekomstbeeld dat we zouden samenvatten als “het geconnecteerde dorp”.
8
Het dorp van morgen: het geconnecteerde dorp
SDG
Figuur het geconnecteerde dorp.
‘Geconnecteerd’ heeft voor ons vijf dimensies:
1
H et verwijst naar het dorp als systeem, dat een geïntegreerde aanpak vereist. Mensen, gebouwen, voorzieningen en landschap, ze zijn met elkaar verbonden;
2
I nterne verbondenheid tussen bewoners, wat in een recente Nederlandse publicatie ‘gemeenschapskracht’ wordt genoemd (Goed voor elkaar dorpen, 2022). Succesvolle dorpen kunnen terugvallen op een sterke bewonersdynamiek, ondersteund vanuit het lokaal bestuur;
3
Externe verbondenheid met omliggende dorpen en met de stedelijke omgeving;
4
Digitaal geconnecteerd en gebruik makend van nieuwe technologie: smart villages;
5
A angesloten op de toekomst en proactief inspelend op actuele uitdagingen op vlak van wonen, open ruimte, leefmilieu, en andere.
Merk op dat het geconnecteerde dorp een opgave is. Het laat zich gemakkelijk optekenen op papier, maar in de realisatie moeten we omgaan met spanningen tussen bewoners, loopt de publiek-private samenwerking niet altijd gemakkelijk en laten heersende ‘regimes’ zich niet zomaar slechten (transitiemanagement). Op de volgende pagina’s gaan we dieper in op elk van deze dimensies. INHOUD
9
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
Het dorp als systeem Een dorpenbeleid is per definitie een samenhangend en geïntegreerd beleid over de grenzen van de beleidsdomeinen heen.
Dorpen functioneren als een organisch systeem, waar verschillende elementen met elkaar in verbinding staan en elkaar beïnvloeden. Die verschillende elementen (of componenten, dimensies, ...) worden naargelang de bron wat anders ingedeeld, maar telkens zijn er verwijzingen naar de mensen in het dorp en hun onderlinge interactie, naar infrastructuur, ruimte en bestuur. In de publicatie ‘Denk doe dorp’ (2019) onderscheidt Karel Lhermitte vier samenhangende dimensies: een dorp is een samenballing van 1) mensen, 2) gebouwen en 3) voorzieningen, omringd door 4) een open landschap. In het verlengde van deze zienwijze, vereist het werken aan de leefbaarheid of aan de vitaliteit van dorpen een meervoudige strategie. In een recent leefbaarheidsonderzoek in West-Vlaanderen (2021) heeft men op een gelijkaardige manier leefbaarheid benaderd als een complex geheel met zes bepalende dimensies: veiligheid (sociale veiligheid en verkeersveiligheid), fysieke woonomgeving, sociaal leven, voorzieningen, mobiliteit en beleidsbetrokkenheid (zie onderstaande figuur). Deze componenten beïnvloeden elkaar en kunnen niet los gezien worden van elkaar. Het samenspel tussen de componenten moet gerespecteerd worden en vraagt een gecombineerde inzet.
Veiligheid:
Fysiek woonklimaat
• verkeer • sociaal
Beleids-
LEEFBAARHEID
betrokkenheid
Mobiliteit
Sociaal woonklimaat
Voorzieningen
Dimensies van leefbare dorpen (Onderzoek provincie West-Vlaanderen, 2021-2022)
10
Het dorp van morgen: het geconnecteerde dorp
Gemeenschapskracht mobiliseren In tal van dorpsportretten zien we hoe bewoners en gemeenschappen in staat zijn om nieuwe impulsen te geven aan hun dorp. Deze voorbeelden roepen nieuwe vragen op over de verhouding lokaal bestuur-gemeenschap. Tegelijk zien we dat lokale besturen niet in dit bestuurlijk vraagstuk blijven hangen en bewonersinitiatief ondersteunen en burgers medeverantwoordelijkheid geven in het vormgeven van hun lokale omgeving.
Het bruist in de samenleving. Burgers, collectieven en ondernemers nemen het heft in handen. De recente publicatie ‘Goed voor elkaar dorpen’ (2022) van de Landelijke Vereniging voor Kleine Kenen in Nederland heeft het over gemeenschapskracht. Zelf schrijven ze over dat begrip: “Gemeenschapskracht komt tot bloei als bewoners zelf de verantwoordelijkheid nemen én krijgen voor de toekomst van hun eigen dorp of wijk.” In elf dorpsportretten laat de vereniging zien tot wat bewoners en gemeenschappen in staat zijn, in tandem met de gemeente en dorpsondersteuners.
Esbeek
In Esbeek (Noord Brabant, NL) nam een bewonerscoöperatie het laatste dorpscafé over, herbestemde ze de kerk tot school en kinderopvang en bouwde ze starterswoningen voor jonge gezinnen. Op hun initiatief werd ook een energiecoöperatie opgericht. Om welzijns- en hulpvragen te beantwoorden wierf de coöperatie een dorpsondersteuner aan, die betaald wordt door de gemeente.
INHOUD
11
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
Verbinden naar buiten Gezien de actieradius van mensen is verruimd, kunnen voorzieningen op een meer regionale schaal worden georganiseerd. De leefbaarheid van dorpen staat of valt niet met de aanwezigheid van commerciële en publieke diensten. Diensten buiten het dorp moeten wel bereikbaar zijn, wat zeker voor vervoersafhankelijke bewoners een bijzonder aandachtspunt is. Dorpen staan voor grote uitdagingen, maar deze opgaves moeten niet enkel op schaal van het dorp zelf opgelost te worden. Dorpen kunnen vanuit hun eigenheid elkaar versterken. Een regionale benadering is noodzakelijk. Samen met de uitbreiding van de actieradius van bewoners, functioneert het dorp als systeem niet langer autonoom (cfr. Frans Thissen), maar is het onderdeel geworden van een groter systeem en een ruimere regio, waarin andere dorpen, open ruimte, steden en diverse grotere ruimtegebruikers onderdeel van vormen. De leefwereld van de dorpsbewoners is die van de regio en daarin neemt elke dorp een eigen rol op. Uit het Leefbaarheidsonderzoek West-Vlaanderen leerden we dat kernen met een hoge leefbaarheid vaak nabij een stedelijke kern liggen. Dat bevestigt het belang van nabijheid van voorzieningen, zonder dat die noodzakelijkerwijs in de woonkern zelf moeten aanwezig zijn. Vanuit het inzicht dat voorzieningen op een meer regionaal niveau moeten worden bekeken, moet ook de fysieke bereikbaarheid en mobiliteit worden georganiseerd op dat niveau. Dorpen moeten met elkaar verbonden zijn, zodat voorzieningen in omliggende dorpen of steden makkelijk bereikbaar zijn. Voor vervoersafhankelijke bewoners moeten oplossingen op maat worden bedacht (mindermobielencentrale, buurtbus, distributiepunten, etc).
12
Het dorp van morgen: het geconnecteerde dorp
Digitaal verbonden Digitalisering vervaagt in belangrijke mate de afstand vanuit landelijke dorpen richting arbeidsmarkt, kenniscentra en diensten. De leefbaarheid van het platteland wordt steeds nadrukkelijker bepaald door het digitaal geconnecteerd zijn. Internet, glasvezel, 5G-netwerken brengen commerciële, maar ook sociale en publieke diensten tot in de huiskamer. Vele werknemers kunnen via telewerk ook een belangrijk deel van hun werk afhandelen. In een publicatie over ‘Smart Villages’ verwijst ook het Europees Netwerk voor plattelandsont wikkeling (ENRD) sterk naar de kansen die digitalisering biedt voor landelijke regio’s: “The idea of a process of transition – towards the application of digital and other solutions, more empowered rural communities and new services, more local innovation and new knowledge networks – is central to the Smart Villages approach.” Digitalisering heeft een fysieke component, maar het gaat over vaardigheden. Het platteland is slechts digitaal geconnecteerd als bewoners over de mogelijkheden én vaardigheden beschikken om gebruik te maken van de digitale technologie (e-inclusie).
Geëngageerd in actuele maatschappelijke uitdagingen Het dorp van morgen is voorwerp en deel van een bredere beleidsagenda op Vlaams en mondiaal niveau. Het is geëngageerd en het wil bijdragen tot belangrijke maatschappelijke vraagstukken. Het geconnecteerde dorp innoveert, denkt vanuit transitie en is sterk maatschappelijk georiënteerd. Het dorp is voortrekker op het vlak van duurzame ontwikkeling. Er zijn bijvoorbeeld bewonersgroepen actief rond lokale energieproductie, collectief vervoer, korte keten, ecologische landbouw, vereenzaming, etc. Dit lokaal engagement is essentieel om het platteland en de dorpen de komende jaren in de gewenste beleidsrichting te sturen en zeker om een transitie te realiseren op een aantal thema’s. Denk aan de energietransitie, de omslag naar duurzame mobiliteit, een maximaal behoud van de open ruimte, behoud van de dorpse identiteit, etc. Deze complexe vraagstukken vragen in de toekomst meer sturing (en tegensturing).
INHOUD
13
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
Kennismaken met 21 IDEA Consult bestudeerde binnen haar opdracht voor de Vlaamse Landmaatschappij 21 dorpshuizen die het voorbije decennium in Vlaanderen werden gerealiseerd. Telkens initiatieven die vanuit het plattelandsbeleid (PDPO, LEADER, Platteland Plus) werden ondersteund.
14
Kennismaken met 21 dorpshuizen
Situering van de 21 casestudies in Vlaanderen
dorpshuizen
INHOUD
15
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
Vijf ‘types’ dorpshuizen De 21 onderzochte initiatieven verschillend sterk. Er werd een ruime interpretatie gehanteerd van ‘dorpshuis’, waarbij er niet altijd een link is met een gebouw. We herkennen vijf vormen:
Categorie 1: Een infrastructuur (gebouw) met vrije inloop.
Buurtpunt Den hannekesnest (Langerbrugge-Evergem)
Categorie 2: Een infrastructuur (gebouw) die niet doorlopend open is, maar wel op reservatie beschikbaar wordt gesteld van personen en organisaties. Zaal ‘Onder de toren’ (Haacht)
Categorie 3: Publieke open ruimte met gemeenschapsfunctie.
Tuinpaviljoen van vzw Huis Perrekes (Oosterlo)
Categorie 4: Binnen én buitenruimte tegelijk of netwerk van meerdere plekken.
Ontmoetingsplek en vlindernetwerk Kozen (Nieuwerkerken)
Categorie 5: Mobiele infrastructuur.
Evenementenmobiel (Ruiselede)
16
Kennismaken met 21 dorpshuizen
Interessante bevindingen en leerervaringen Hieronder delen we een aantal interessante bevindingen en inzichten uit de cases.
Nieuwe initiatiefnemers, met vaak sterk maatschappelijk engagement Uit het onderzoek blijkt een grote variatie aan initiatiefnemers, waaronder ongeveer de helft private en de helft publieke promotoren. Hiertussen enkele opvallende en vernieuwende initiatiefnemers, vaak in de sociale sfeer, zoals OBRA/BAKEN vzw (instelling voor mensen met een beperking), Huis Perrekes vzw (instelling voor mensen met dementie of een beperking), Den diepen Boomgaard (maatwerkbedrijf en arbeidszorg, bioboerderij), De Okelaar (cohousingproject) en Hof van Borlo (Wooncoöperatie). Merk op dat we onder de 21 cases geen voorbeelden hebben van dorpscoöperaties en stichtingen zoals deze vaak in Nederland voorkomen. Dit betekent niet dat ze in Vlaanderen niet bestaan. Buiten de cases zien we bijvoorbeeld Vrijstaat Heuvelland, een niet partijgebonden burgerparticipatiebeweging die zich toelegt op het aanpakken van maatschappelijke, sociaalecologische uitdagingen in de gemeente. Deze nieuwe types van promotoren zijn in staat om de traditionele visie op het dorpshuis te verruimen, vanuit de koppeling die ze maken met hun visie en engagement. In het licht van het geconnecteerde dorp, goed om dit soort van partijen in beeld te houden.
Herinvulling van beeldbepalende gebouwen Verschillende cases geven een nieuwe bestemming aan leegstaande infrastructuur. Tien projecten zijn ontstaan vanuit de opportuniteit om een leegstaand gebouw te herbestemmen tot ontmoetingspunt. Acht van deze gebouwen had bovendien een voormalige religieuze of parochiale invulling en zijn gelegen op een centrale plek binnen het dorp. Dorpshuizen kunnen nieuwe betekenis geven aan erfgoed of beeldbepalende gebouwen. Tegelijk loert hier ook een valkuil om de hoek. Als een beeldbepalend gebouw in een dorpskern leeg komt te staan, wordt dit al snel aangegrepen om er een publieke functie à la dorpshuis aan te geven, zonder dat er een manifeste behoefte is of andere denksporen werden verkend. Tijd nemen voor een voldoende afweging van kosten/baten is essentieel
INHOUD
17
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
Vrijwilligers aan zet De werking en de continuïteit van veel dorpshuizen berust vaak op de inzet van vrijwilligers. Vele cases hebben het werven van vrijwilligers als een grote uitdaging genoemd. Verschillende initiatieven gaven aan dat het een ‘verouderde’ kern is die de werking van het dorpshuis draagt, wat onzekerheid met zich meebrengt naar de toekomst. In buurtpunt Den Hannekesnest zagen we een interessante wisselwerking tussen cliënten van de sociale voorziening en vrijwilligers. Cliënten van OBRA houden tijdens de dag het buurtpunt open (dagbesteding) terwijl vrijwilligers in het weekend actief zijn. Dat verlicht de druk op beide groepen. De uitdagingen die naar voor komen rond vrijwilligerswerk, wekken het beeld op van eerder traditionele groepen achter de dorpshuizen, die al langer actief zijn. In onderzoek van o.a. UCLL rond burgerinitiatieven duikt vaak een ander beeld op van jonge groepen die gemakkelijk mensen rekruteren om dingen samen te doen. We herkennen hierin het levensfasemodel van vrijwilligersorganisaties. Startende groepen zijn fel naar buiten gericht en sluiten aan bij wat relevant is in de samenleving. De meeste groepen rond de bevraagde dorpshuizen lijken zich in een latere fase te bevinden, met een meer interne oriëntatie.
Sociale en digitale innovatie dient gestimuleerd We spreken over sociale innovatie wanneer er sprake is van vernieuwende producten, diensten, methodes of organisatiemodellen (voorbij ‘business as usual’) die zich richten op complexe maatschappelijke uitdagingen. Ondanks enkele vernieuwende voorbeelden, zagen we in de meerderheid van de 21 cases een vrij traditionele invulling van het dorpshuis. Vaak gaat het over het aanbieden van infrastructuur om ontmoeting te faciliteren en plaatselijke verenigingen te ondersteunen. We zien beperkte linken met (nieuwe) uitdagingen en opportuniteiten op het platteland. Ook de kansen van digitale technologie werden quasi niet benut. Dat kan te maken hebben met de selectie van projecten en de afbakening (gesubsidieerde plattelandsprojecten), want bij het opsporen van goede praktijken vonden we zowel in Vlaanderen als daarbuiten wel vernieuwers. Deze vaststelling moet alleszins de aanleiding zijn om sterker richting innovatie te prikkelen in de volgende programmaperiode. Ook wijst het op het belang om de plattelandssubsidies voldoende bekend te maken onder nieuwe groepen van burgers. Het LEADER-kader zou daar de directe aanleiding moeten voor zijn.
18
Kennismaken met 21 dorpshuizen
Drie succesfactoren voor dorpshuizen Hoewel de cases heel divers zijn, is hun hoofddoelstelling gemeenschappelijk: het bevorderen van sociale cohesie en het voorzien van een plek voor verenigingen. Bij vijf cases deden we een diepteonderzoek om nog beter de succesfactoren en uitdagingen te begrijpen. We kunnen ze in drie clusters indelen. Succes of falen heeft te maken met de context van het dorp, de openheid en de dynamiek van de initiatiefnemer en de betrokkenheid van lokale actoren. Context van het dorp en de gemeenschap Ieder dorp heeft zijn eigen unieke kenmerken: oppervlakte, aantal bewoners, aantal voorzieningen, nabijheid van steden,… Afhankelijk van deze kenmerken komen er noden en behoeftes van de gemeenschap naar boven waar een project op kan inspelen. Uit de dieptecases bleek het inspelen op urgente behoeften via oplossingen op maat een succesfactor te zijn. Tegelijk zien we dat het dorp en de cultuur die er heerst ook voor weerstand kan zorgen. Zo gaven twee van de vijf dieptecases aan dat ontharding een moeilijk thema is, omwille van een verlies van parkeerplaatsen. Sensibiliseren en draagvlak opbouwen is in geval van nieuwere thema’s essentieel.
Profiel van de initiatiefnemer De persoon of organisatie achter het project heeft vanzelfsprekend ook een dominante invloed op het succes. Zo zagen we initiatiefnemers die uit algemeen belang handelden, terwijl anderen voornamelijk de noden van hun eigen achterban trachtten te behartigen. Een brede mindset en ondernemingszin bij de initiatiefnemer zijn grote pluspunten. Dorpshuizen hebben minder kans op slagen wanneer ze enkel vanuit de eigen organisatie worden opgezet en als er een gebrek is aan openheid.
Relatie met en invloed van lokale actoren De mate waarin lokale actoren, zoals buurtbewoners en verenigingen, betrokken worden, heeft een grote impact op de invulling en het succes van het project. Samenwerking met de buurt vergroot het draagvlak en wordt gezien als belangrijke succesfactor. Er blijven evenwel doelgroepen die minder vlot te bereiken zijn, zoals jongeren of mensen van andere origine. Dit vergt extra aandacht. Als de klik met burgers en de lokale gemeenschap er niet is, is dat in negatieve zin een faalfactor. Ook het niet vinden van vrijwilligers, zou als een aanduiding kunnen gelden dat die klik er te weinig is en/of dat de initiatiefnemer (succesfactor 2) onvoldoende ondernemerschap (projectmatig werken bv.) of openheid vertoont naar nieuwe groepen.
INHOUD
19
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
In de figuur hieronder duiden we per cluster in het groen de succesfactoren aan, in het rood de uitdagingen of faalfactoren.
LOKAAL MAATWERK
+ Aansluiten bij de lokale context en urgente behoeften
– Weerstand tegen verandering of nieuwe thema’s
Succesfactoren en uitdagingen bij dorpshuizen
MAATSCHAPPELIJK ONDERNEMERSCHAP
COCREATIE + Samenwerking met de buurt
+ Brede mindset bij de initiatiefnemer + Ondernemerschap – Weinig openheid naar buiten,
handelen vanuit de eigen achterban
en verenigingen
+ Samenwerking met gemeentebestuur – Bereiken van moeilijke doelgroepen – Onvermogen om vrijwilligers te vinden
Succesfactoren en uitdagingen dorpshuizen
20
Kennismaken met 21 dorpshuizen
Over het muurtje kijken Naast het onderzoek van gesubsidieerde projecten binnen plattelandsontwikkeling, verzamelden we ook goede praktijken buiten PDPO, LEADER en Platteland plus. We laten hieronder proeven van vijf cases. In elk van de cases een andere uitdaging en een ander antwoord erop.
Voorbeeldcase
Uitdaging
Antwoord
Geno-Eifel (Duisland/België)
Vergrijzing/vergroening
Intergenerationele samenwerking
Le Jardin (Frankrijk)
Economische veranderingen
Creatie van coworking plekken
Leafhoes (Nederland)
Wegtrekken van private en publieke voorzieningen
Integratie van zorg binnen de ruimere werking van een dorpshuis
Smart Village Remmesweiler (Duitsland)
Moeilijke bereikbaarheid
Opzetten van een distributie- en ontmoetingsplatform
Duurzaam & Warm Heeg (Nederland)
Energietransitie
Lokale energieopwekking
Intergenerationele samenwerking in Geno-Eifel (Duitsland/België) Via een online platform kunnen burgers in Geno-Eifel diensten inkopen bij elkaar. Jongere en oudere generaties helpen elkaar als het gaat over de oppas van kinderen, gras maaien, klusjes of het omgaan met nieuwe technologie.
Le Jardin (Zuid-Frankrijk, Arvieu) Le Jardin is een gemeenschapsgebouw dat als ‘third place’ (niet thuis of werk) kan worden gezien voor lokaal ondernemerschap. Er zijn ruimtes voor coworking en vergaderingen, internet en ontspanning. Tegelijk is het ook gemeenschapscentrum.
‘t Leafhoês (Nederland, America) In het dorp America (Nederlands Limburg) werd een pastorie en klooster herbestemd om de samenwerking tussen zorgverleners mogelijk te
maken (huisarts, fysiotherapie, pedicure,…). Tegelijk is het een ontmoetingsplaats met tal van activiteiten en voorzieningen (bib, gezamenlijke keuken, kloostertuin, dorpsondersteuner,…).
Smart Village Remmesweiler (Duitsland) Als alternatief voor de wegtrekkende voorzieningen sloegen enkele ondernemers in Remmesweiler de handen in elkaar voor een digitale en fysieke distributieplaats voor lokale voeding. De fysieke plek doet tegelijk dienst als ontmoetingscentrum.
Duurzaam & Warm Heeg (Nederland) Heeg is een dorp in Sûdwest-Fryslân waar de bewoners in de toekomst hun huizen willen verwarmen op basis van aquathermie. Het plan is om energie op te wekken uit het oppervlaktewater van een lokaal meer. Het ultieme doel is een warmtenet dat het dorp volledig onafhankelijk maakt van aardgas. INHOUD
21
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
Dorpshuizen in de toekomst: beleidsaanbevelingen
In dit laatste deel formuleren we aanbevelingen over de rol van dorpshuizen in een toekomstig plattelandsbeleid. • Vooreerst duiden we de mogelijkheden voor het ondersteunen van dorpshuizen in de komende programmaperiode plattelandsbeleid (2023-2027); • Vervolgens formuleren we een vernieuwd toekomstbeeld voor dorpshuizen vanuit het ‘geconnecteerde dorp’; • Daarna gaan we in op de nieuwe verhouding tussen bewoners en lokale besturen; • We formuleren een kader voor de beoordeling van dorpshuizen in de programmaperiode 2023-2027; • Ten slotte concluderen we dat bovenstaande beleidsaanbevelingen naadloos aansluiten bij de Leader-methode.
22
Dorpshuizen in de toekomst: beleidsaanbevelingen
Subsidies voor dorpshuizen binnen LEADER 2023-2027 De opmaak van de nieuwe programmaperiode PDPO IV (2023-2027) door Vlaanderen en de vijf Vlaamse provincies draait op volle toeren. Voor de gebiedsgerichte maatregelen trekt Vlaanderen exclusief de LEADER-kaart. Geen projecten Omgevingskwaliteit meer binnen PDPO en ook geen Platteland Plus meer. Plaatselijke groepen in de verschillende provincies, zullen een gebiedsgerichte strategie kunnen uitwerken binnen de drie thema’s die door de Vlaamse overheid werden afgebakend: • Innovatieve en duurzame lokale landbouwproductie en -afzet, en valorisatie van biomassaresten; • Leefbare en levendige dorpen; • Biodiversiteit en landschapskwaliteit. Elke LEADER-regio kan deze maatregelen nog verder prioriteren en afbakenen.
‘Bijhorende’ investeringen Dorpshuizen kunnen financieel worden ondersteund binnen het thema ‘leefbare en levendige dorpen’. Daarin worden twee maatregelen genoemd: 1) samenwerkingsinitiatieven rond verschillende thema’s en 2) bijhorende investeringen in gemeenschapsvormende infrastructuur. De formulering van deze paragrafen is belangrijk. We leiden er twee belangrijke consequenties uit af voor dorpshuisprojecten: • ‘Bijhorende’ investeringen’ betekent dat een infrastructuurdossier op zichzelf niet wordt gesubsidieerd, maar dat de achterliggende impact primeert en moet overtuigen. Het moet over meer gaan dan stenen, de infrastructuur staat ten dienste van het verhogen van de leefbaarheid, de sociale cohesie en de woonkwaliteit; • Er wordt participatie van en samenwerking tussen dorpsbewoners en andere plattelandsactoren verwacht.
INHOUD
23
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
Dorpshuizen next level vanuit de ambitie ‘geconnecteerd dorp’ Het toekomstbeeld van het geconnecteerde dorp, geeft ons een kader om af te dalen naar het hoofdonderwerk van deze studie: hoe kunnen dorpshuizen bijdragen tot de realisatie van ‘geconnecteerde dorpen’? Uit de evaluatie van 21 dorpshuizen die de voorbije jaren vanuit het plattelandsbeleid werden ondersteund, leren we dat dorpshuizen vooral betekenisvol zijn geweest naar het verenigingsleven, of een antennefunctie vervulden op vlak van dienstverlening. Ze hebben overwegend gefaciliteerd. Vooruit denkend vanuit het ‘het geconnecteerde dorp’, zouden we aan het dorpshuis als facilitator, twee types van dorpshuizen willen toevoegen, met name de gangmaker en de innovator. Het zijn twee vormen met een versterkt engagement, enerzijds richting het dorp, anderzijds richting samenleving als geheel. Bedenk dat het prototypes zijn, tussen deze vormen bestaat overlap en ze kunnen gecombineerd voorkomen. Het ideaal dorpshuis is wellicht een dosis van elk, waarbij de verhouding aangepast is aan de context en de ‘gemeenschapskracht’ van het dorp.
De facilitator Het dorpshuis als context
De gangmaker Het dorp en haar omgeving als context
De innovator De maatschappij en de wereld als context
24
Het faciliterende dorpshuis werkt in belangrijke mate receptief. Het biedt plek aan initiatieven en dienstverlening vanuit organisaties en bestuur. Ook verenigingen organiseren er activiteiten. Het dorpshuis faciliteert verschillende diensten, creëert ruimte voor ontmoeting. De hoofdfocus ligt op een goede werking van het ‘huis’ en minder op de uitdagingen van het dorp als geheel. Het dorpshuis als gangmaker richt zich op het dorpsleven, op de woon- en omgevingskwaliteit in brede zin. De infrastructuur staat in functie van een actieve werking van de dorpelingen rond lokale thema’s. Ontmoeting is voor de gangmaker onvoldoende, ontmoeting moet leiden tot samenwerking en projecten.
Het dorpshuis als innovator is breed maatschappelijk georiënteerd en wil actor zijn in een aantal uitdagende transities. Het dorpshuis is voortrekker van duurzame ontwikkeling. Er zijn bewonersgroepen actief rond lokale energieproductie, collectief vervoer, korte keten, ecologische landbouw, vereenzaming, etc.
Dorpshuizen in de toekomst: beleidsaanbevelingen
DE INNOVATOR
DE GANGMAKER
DE FACILITATOR
het dorpshuis
het dorp en haar omgeving
de maatschappij en de wereld
Drie prototypes van dorpshuizen
Verschillende vertrekpositie vraagt gedifferentieerd beleid De drie prototypes die we schetsen voor dorpshuizen, zijn niet in elke context relevant en haalbaar. De haalbaarheid van elk type is afhankelijk van het aanwezige sociaal kapitaal. Terecht werd door de Universiteit Antwerpen gesteld (Veerkrachtige dorpen, 2018) dat de kwetsbaarheid en de veerkracht van dorpen samenhangt met de kenmerken van het dorp (bv. het aandeel senioren) en de aanwezige capaciteit van het dorp (sterke figuren en organisaties) Dit gegeven is niet eenvoudig maakbaar, al kunnen capacity building initiatieven vanzelfsprekend positief bijdragen. Ook weten we dat de woonkwaliteit een sterke aantrekkingskracht heeft op bewoners en sociaal kapitaal. Indirect kunnen we dus ook via investeringen in openbaar domein, beeldkwaliteit, landschappen, etc. ‘local cosmopolitans’ (dixit Frans Thissen) aantrekken. Blijft een feit dat er altijd wel belangrijke verschillen zullen zijn naar capaciteit in de dorpen. Een dorpenbeleid moet m.a.w. een gedifferentieerd beleid zijn dat rekening houdt met deze verschillen. Contextueel werken is essentieel in dit domein.
INHOUD
25
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
Het lokaal bestuur als partner Inzonderheid als het over verschillen in capaciteit gaat, komt het lokaal bestuur in beeld en ook regionale organisaties (regionaal landschap, opbouwwerk, streekintercommunales,...) en regionale programma’s als LEADER. De lokale actiegroep die het LEADER-programma aanstuurt, is immers meer dan een sponsor van projecten, ze moet ook werken aan visievorming en capaciteitsopbouw in de regio.
Op verschillende plaatsen manifesteert de lokale overheid zich als stakeholder nummer één als het gaat over het verhogen van de leefbaarheid en de vitaliteit van dorpen. In Vlaanderen treden gemeenten vaak op als initiatiefnemer van dorpshuizen, terwijl we in Nederlandse publicaties (o.a. Goed voor elkaar dorpen) pleidooien lezen voor een meer bescheiden rol als partner. Dorpscoöperaties treden bij onze noorderburen sterker op de voorgrond. De dorpsbegeleider, betaald door de gemeente, zien we op meer en meer plaatsen verschijnen, met een interessante meerwaarde op diverse fronten, als stimulator en inspirator van initiatief, maar ook ter ondersteuning van burgers en verenigingen op vlak van communicatie, het aantrekken van financiële middelen (bv. helpen bij subsidies), materiaal ter beschikking stellen en verbinding maken (tussen burgers onderling en naar de buitenwereld). Zeker op plaatsen waar weinig sociaal kapitaal is, kan dorpsopbouw richting ‘het geconnecteerde dorp’ moeizaam verlopen. Het zal in klein stapjes zijn. Zoals we ook al hoger stelden, zal men tegelijk de binding met de plek moeten verhogen via ingrepen in het openbaar domein en investeringen in woonkwaliteit of door identiteitsversterkende initiatieven (spektakel rond de lokale geschiedenis, een erfgoedproject, etc).
26
Dorpshuizen in de toekomst: beleidsaanbevelingen
Selectiekader en randvoorwaarden voor dorpshuizen Welke eisen en randvoorwaarden stellen we aan dorpshuisinitiatieven die zich aanbieden voor subsidiëring in de volgende programmaperiode? Welk selectiekader hanteren we?
De lat hoger Vanuit de meervoudige uitdagingen op het platteland en de kenmerken van LEADER mikken we in de komende programmaperiode op dorpshuizen die verder reiken dan ontmoeting of het prototype ‘facilitator’. We zetten in op de figuren ‘gangmaker’ en ‘innovator’. Vanuit het dorpshuis dragen we maximaal bij aan de vijf dimensies van het geconnecteerde dorp.
Selectiekader en randvoorwaarden Uit onze studie en uit de literatuur kunnen we ook een aantal do’s en don’t benoemen voor dorpshuizen. We hanteren de succesfactoren die we terugvonden op het terrein, als randvoorwaarden voor toekomstige subsidiëring: • Het succes van een dorpshuis is rechtstreeks evenredig met de mate waarin het inspeelt op een lokale urgente behoefte. Indieners van dossiers onderbouwen hun voorstellen vanuit een contextanalyse. Ook via een dorpsvisie zou een indiener de ruimere scope waarbinnen hij zijn project situeert kunnen beargumenteren. • De initiatiefnemer moet gemeenschapsgericht zijn en een brede en open mindset hanteren. Hij of zij mag niet alleen voor eigen rekening rijden. Vanuit het dorpshuis moeten meerdere doelgroepen en belangen worden gediend. Een ‘third place’ staat open voor iedereen en bereikt idealiter ook iedereen; • Er is een sterke betrokkenheid van bewoners, verenigingen en ondernemers in het project en de samenspraak of samenwerking met het lokaal bestuur is georganiseerd. Het vorm geven van een nieuw perspectief moet een cocreatietraject zijn: samen ontdekken hoe het dorp was, is en zou kunnen zijn.
Gezien dorpshuizen infrastructuurprojecten zijn, is het wenselijk om in de beoordeling ook volgende criteria mee te nemen: • Ruimtelijke en architecturale kwaliteit; Dorpshuizen zijn een belangrijk onderdeel van het dorp en ze bepalen mee de woonkwaliteit, die een belangrijke driver is voor identiteitsvorming, sociale cohesie en leefbaarheid. • Aandacht voor klimaat, energie en het gebruik van duurzame materialen. INHOUD
27
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
LEADER ten voeten uit Dat we dorpshuizen in de komende plattelandsperiode ambitieus insteken, heeft te maken met de stevige uitdagingen die we op het platteland de komende jaren en decennia willen aanpakken.
Die ambitie is in lijn met de LEADER-methode. Wie bovengenoemde voorwaarden leest, zal veel parallellen zien met de zeven LEADER-criteria: • Projecten van het prototype ‘gangmaker’ en ‘innovator’ sluiten aan hij het LEADER-kenmerk ‘Innovatie’; • Initiatiefnemers die vanuit een brede mindset hun project opzetten, denken in LEADER-termen ‘Multisectoraal en geïntegreerd’; • Een contextanalyse om aan te tonen dat een dorpshuis beantwoordt aan een lokale behoefte, noemen we in LEADER- termen ‘gebiedsgericht’; • Een sterke betrokkenheid van bewoners en verenigingen sluit aan bij de LEADER-criteria ‘bottom up’, ‘publiek-privaat partnerschap’ en ‘samenwerking’. De aandacht voor ruimtelijke/architecturale kwaliteit en de aandacht voor klimaat, energie en duurzame materialen, zijn evidente voorwaarden die moeten gelden voor alle publiek gesubsidieerde infrastructuurprojecten. Duurzaamheid is een transversale conditie die aan alle EU-programma’s wordt gesteld. Ons pleidooi voor dorpshuizen die zich op een ambitieuze manier inschrijven in de visie van het geconnecteerde dorp, ligt m.a.w. helemaal in lijn met de LEADER-filosofie.
GEBIEDSGERICHT
MULTISECTORAAL EN GEÏNTEGREERD
NETWERKVORMING
LEADER INNOVATIE
BOTTOM-UP
PUBLIEK-PRIVAAT PARTNERSCHAP
28
SAMENWERKING
Dorpshuizen in de toekomst: beleidsaanbevelingen
Colofon Dorpshuizen op het Vlaamse platteland. Hefbomen richting het geconnecteerde dorp Oktober 2022, Vlaamse Landmaatschappij, Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel, www.vlm.be Deze brochure is een samenvatting van een uitgebreider onderzoeksrapport van IDEA Consult dat te raadplegen is op de website van de Vlaamse Landmaatschappij. IDEA-onderzoeksteam: Bart Van Herck, Herman De Cock, Inès Martin. De stuurgroep bij het onderzoek bestond uit volgende VLM-medewerkers: Goele Vercammen, Kevin Grauwels, Dirk Van Gijseghem, Nadine Vervaet en Stephanie Van Opstal. Vormgeving brochure: Josworld Wijze van citeren VAN HERCK B., DE COCK H. en MARTIN I. (2022). Dorpshuizen op het Vlaamse platteland. Hefbomen richting het geconnecteerde dorp. IDEA Consult, in opdracht van de Vlaamse Landmaatschappij. Brussel.
INHOUD
Dorpshuizen op het Vlaamse platteland
De Vlaamse Landmaatschappij (VLM) gaf IDEA Consult de opdracht om na te gaan hoe dorpshuizen op het platteland bijdragen aan de leefbaarheid en de veerkracht van het platteland. De IDEA-onderzoekers bestudeerden binnen hun opdracht 21 dorpshuizen die het voorbije decennium op het Vlaamse platteland financieel werden ondersteund. Vanuit die analyse kwamen ze tot beleidsaanbevelingen voor de toekomst. IDEA Consult plaatst de toekomstige dorpshuizen binnen een vernieuwd toekomstbeeld van ‘het geconnecteerde dorp’. Vanuit dat concept wordt een lans gebroken voor dorpshuizen die niet enkel faciliteren, maar ook gangmaken en innoveren. In die laatste betekenissen staat niet het huis centraal, maar het dorp en de meer globale uitdagingen op het platteland. Deze nieuwe prototypes van dorpshuizen zullen niet overal vanzelf tot stand komen en vragen lokale besturen en organisaties die de veerkracht van plattelandsgemeenschappen ondersteunen. Ook vanuit het komende plattelandsprogramma via LEADER (2023-2027) kunnen dorpshuizen die zich inschrijven in het beeld van het geconnecteerde dorp worden ondersteund.
Deze brochure kwam tot stand op initiatief van de Vlaamse Landmaatschappij en op basis van een studie door IDEA Consult