Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Inhoudstafel
Inhoudstafel 01 / INLEIDING
5
02 / DE MIDDELENBEGROTING
9
2.1. Inleidend overzicht 2.2. Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen 2.2.1. Parameters 2.2.2. Resultaten 2.2.3. Sensitiviteit 2.2.4. Toelichting 2.3. Specifieke dotaties vanwege de federale overheid 2.4. Gewestelijke belastingen 2.5. Toegewezen ontvangsten 2.6. Andere ontvangsten 2.7. Lotto-middelen 2.8. Te consolideren instellingen
9 12 12 16 18 19 20 21 25 25 26 26
03 / DE UITGAVENBEGROTING
30
3.1. Inleiding 3.2. Indexatie bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 3.3. Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden: Toelichting per beleidsdomein 3.4. De globale evolutie van de beleids- en betaalkredieten bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 3.5. De beleids- en betaalkredieten verdeeld over de 13 beleidsdomeinen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 3.6. Impliciete schuld
30 32
04 / HET FINANCIEEL BEHEER
67
4.1. Schuldevolutie 4.1.1. Het begrotingssaldo in ESR-termen 4.1.2. Kredietverleningen en participaties 4.1.3. Globale evolutie 4.2. Herfinancieringsbehoeften
66 66 66 67 68
36 61 62 65
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING
70
5.1. Vorderingensaldo bij constant beleid 5.2. Begrotingsnormering in komende legislatuur
70 74
BIJLAGE I: BEKNOPTE TOELICHTING BIJ DE HERZIENING VAN DE BIJZONDERE FINANCIERINGSWET
76
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
82
BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING
97
BIJLAGE IV: IMPACT AANBEVELINGEN VAN EUROSTAT
105
BIJLAGE V: BESPARINGSMODEL OP BASIS VAN GENORMEERDE UITGAVENGROEI PER BELEIDSDOMEIN
108
Lijst met Tabellen Tabel 2.1: Grote rubrieken van de ESR gecorrigeerde middelen 2014-2019 (in duizend euro) 10 Tabel 2.2: Impact maatregelen financiële sector (in duizend euro) 11 Tabel 2.3: Volledig parameteroverzicht 13 Tabel 2.4: Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen (in duizend euro) 16 Tabel 2.5: Sensitiviteit (in duizend euro) 19 Tabel 2.6: Specifieke dotaties vanwege de federale overheid (in duizend euro) 20 Tabel 2.7: Gewestelijke belastingen (in duizend euro) 22 Tabel 2.8: Te consolideren instellingen (in duizend euro) 27 Tabel 3.1: Indexparameters 33 Tabel 3.2: Cumulatief effect indexatie kredieten huidige bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 (in duizend euro) 34 Tabel 3.3: Cumulatief effect indexatie kredieten nieuwe bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 (in duizend euro) 35 Tabel 3.4: Beleidskredieten per beleidsdomein bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 2013-2019 (in duizend euro) 62
Inhoudstafel
Tabel 3.5:
Betaalkredieten per beleidsdomein bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 2013-2019 (in duizend euro) Tabel 4.1: Globale evolutie van de schuld (in duizend euro) Tabel 4.2: Herfinancieringsbehoeften 2014-2019 (in duizend euro) Tabel 5.1: Vorderingensaldo van de Vlaamse begroting bij constant beleid (in duizend euro) Tabel V.1: Simulatie begrotingsmodel – Bereiken van 50% van benodigde besparing in 2016 via beperken uitgavengroei.
64 67 69 72 111
Lijst met Figuren Figuur 3.1: Beleids- en betaalkredieten bij constant beleid (in duizend euro) Figuur 3.2: Stand van de impliciete schuld 2004-2013 (incl. impliciete schuld m.b.t. ESR-8) t.o.v. geraamde ontvangsten ministeries (excl. DAB’s) (in duizend euro) Figuur 4.1: Evolutie van de directe en indirecte schuld 2014 – 2019 (in duizend euro)
61 65 67
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
01 / INLEIDING
De Vlaamse Regering staat in de komende legislatuur voor een bijzondere uitdaging: de 6de staatshervorming en het ruimer kader van het verstrengde Europees begrotingstoezicht zorgen ervoor dat er niet alleen op beleids- en beheersmatig vlak, maar zeker ook op begrotingsvlak werk op de plank ligt. In voorliggend deel van de bijdrage aan het regeerakkoord zoomen we dan ook in op de begrotingsuitdagingen waarvoor de volgende Vlaamse Regering staat. In de naar aanleiding van de 6de staatshervorming herziene Bijzondere Financieringswet wordt een bijdrage verrekend van gewesten en gemeenschappen in de sanering van de globale staatsfinanciën. Hierdoor wordt de volgende Vlaamse Regering geconfronteerd met bevoegdheden waarvoor geen volledige financiering voorzien is. Zo wordt er in 2015 voor 750 miljoen euro en in 2016 voor 1,5 miljard euro aan middelen ingehouden. Naast dit effect worden tevens publieke eenheden in handen van de Vlaamse overheid en ook PPScontracten meer diepgaand tegen het licht gehouden omwille van aanbevelingen van Eurostat met betrekking tot het verbeteren van de statistieken betreffende de overheidsrekeningen en de procedure bij buitensporige tekorten (EDP). Voor de PPS-contracten inzake scholenbouw heeft deze verstrengde controle tot op heden tot gevolg dat de uitgaven die momenteel door Scholen van Morgen worden gedaan, ook als overheidsuitgaven worden beschouwd. Indien de Vlaamse overheid er niet in slaagt om de contracten op zo’n wijze te heronderhandelen, dat Eurostat kan bevestigen dat er een afdoende risico-overdracht is van de overheids- naar de private sector, zullen de kosten die tijdens de bouwfase van deze scholen worden gemaakt het vorderingensaldo van de Vlaamse overheid negatief beïnvloeden. Gelet op de grootte van het investeringsprogramma, zal er de eerstkomende jaren dan ook een significante negatieve impact op het vorderingensaldo zijn van 323 miljoen euro in 2014, 572 miljoen euro in 2015 en 180 miljoen euro in 2016. Voornamelijk omwille van de 6de staatshervorming en het feit dat er momenteel nog geen oplossing is voor de problematiek van de uitgaven van Scholen van Morgen loopt het begrotingstekort bij constant beleid in de begrotingsjaren 2015 en 2016 op tot resp. 1 en 1,3 miljard euro. Door een conservatieve inschatting van de groei van de uitgaven, gerelateerd aan een middelenevolutie die geniet van een normale economische groei, wordt dit tekort bij constant beleid in de daaropvolgende jaren weggewerkt en zou er volgens voorliggende raming tegen het eind van komende legislatuur een beleidsruimte beschikbaar zijn van 354 miljoen euro.
01 / INLEIDING
ESRHERZ 2014 effect
MJR 2015
MJR 2016
MJR 2017
MJR 2018
MJR 2019
ESR gecorrigeerde ontvangsten
+
27.500.107
38.564.676
39.315.558
40.854.033
41.716.338
43.506.033
ESR gecorrigeerde primaire uitgaven
-
27.783.020
39.428.920
40.932.059
41.906.842
42.790.980
43.819.639
ESR-gecorrigeerd primair saldo
=
-282.913
-864.245
-1.616.502
-1.052.809
-1.074.642
-313.606
Onderbenutting
+
593.405
610.190
641.836
661.677
679.978
701.664
Gecorrigeerd primair saldo
=
310.492
-254.055
-974.666
-391.133
-394.664
388.058
Rente-uitgaven
-
117.446
136.425
129.987
93.575
75.003
72.002
Gecorrigeerd vorderingensaldo
=
193.046
-390.480
-1.104.653
-484.708
-469.668
316.056
Voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen
-
322.665
571.652
180.301
21.141
-
-
Correctie deel kapitaalsaflossing binnen beschikbaarheidsvergoeding aan DBFM Scholen van Morgen
+
-
-
-
-
37.688
37.688
Gecorrigeerd vorderingensaldo incl. ESR-correctie voor DBFM Scholen van Morgen
=
-129.619
-962.132
-1.284.954
-505.849
-431.980
353.744
Bovenstaande vaststelling houdt evenwel niet in dat de volgende Vlaamse Regering op haar lauweren kan rusten. Vooreerst is er het gegeven dat er een zeer conservatieve inschatting van de groei van de uitgaven wordt aangehouden. Zo wordt in het vervolg van deze nota duidelijk dat er heel wat aandachtspunten kunnen geformuleerd worden bij de diverse aannames inzake het constant beleid. Belangrijkste punten hierbij zijn het gegeven dat er nog geen middelen voor nieuwe cao’s met de diverse sectoren zijn voorzien en dat er voor vele alternatief te financieren projecten die in de pijplijn zitten, nog een budgettaire oplossing dient te worden gezocht voor de financiering van de beschikbaarheidsvergoedingen. Daarnaast wordt ook op het vlak van begrotingsnormering de concrete impact van het verstrengde Europees begrotingstoezicht meer en meer duidelijk: Zo krijgt de Hoge Raad voor Financiën (HRF) ingevolge
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
het samenwerkingsakkoord van 13 december 2013 betreffende de uitvoering van het verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie de functie van onafhankelijke instelling die ermee belast wordt na te gaan of België voldoet aan de regels inzake de landspecifieke middellange-termijndoelstelling (MTO). Het samenwerkingsakkoord verschaft niet alleen een wettelijke basis aan de aanbevelings- en evaluatiefunctie die de HRF voordien reeds had, maar breidt ze ook uit. Zo komt er extra toezicht op de lokale overheden, ingedeeld per gewest, waarbij de HRF de door de federale overheid genomen maatregelen met weerslag op de lokale besturen moet afzonderen. De vaststelling van de algemene begrotingsdoelstelling en van de verdeling ervan over de verschillende overheden wordt door de HRF opgesteld, maar voor overleg (voor wat de algemene begrotingsdoelstelling betreft) en voor akkoord (voor wat de verdeling betreft) voorgelegd aan het Overlegcomité. De HRF zal ook bilaterale besprekingen voeren met entiteiten waarvan zij meent dat er een belangrijke afwijking voorkomt t.o.v. de overeengekomen begrotingsdoelstellingen. Deze afwijkingen moeten in principe gecorrigeerd worden binnen een periode van 18 maanden. In voorliggende nota wordt uitgegaan van het advies van maart 2014 van de HRF dat tevens de basis vormde voor het stabiliteitsprogramma dat België recent indiende bij de Europese Commissie. Dit advies stelt voor dat de gewesten en gemeenschappen een nominaal evenwicht aanhouden voor de komende jaren. Weliswaar is deze verdeling van de begrotingsinspanning niet formeel goedgekeurd in het Overlegcomité. Het is dus nog steeds mogelijk dat de Vlaamse Regering in de komende legislatuur eerder opteert om jaarlijks een structureel evenwicht te bereiken i.p.v. een nominaal evenwicht. De HRF berekent voor de Vlaamse Overheid voor 2014 een structurele positieve correctie van 0,11 % van het BBP, zijnde ca. 400 miljoen euro. In deze nota wordt hierop evenwel niet dieper ingegaan, omdat:
•• •• •• ••
De Vlaamse Overheid zich de voorbije jaren heeft gehouden aan een nominaal evenwicht; Het behoud van een nominaal evenwicht in de komende legislatuur de beste garantie biedt om verder toe te werken naar een schuldenvrije positie in overeenstemming met de desbetreffende doelstelling uit het Pact 2020; Bij het toepassen van een structureel begrotingsevenwicht vanaf het begrotingsjaar 2014, het jaarlijks afnemen van de negatieve output gap in de periode 2015 t.e.m. 2019 de benodigde begrotingsinspanning net zal doen toenemen t.o.v. de inspanning die bij het behoud van een nominaal begrotingsevenwicht vereist is; Het begrip “structureel evenwicht” zelf niet echt structureel stabiel is (cfr. de discussie daaromtrent tussen het Belgisch Planbureau en de EU-Commissie).
Om effectief tegemoet te kunnen komen aan een voornemen om een nominaal begrotingsevenwicht te behouden, zullen er hoe dan ook fundamentele keuzes moeten gemaakt worden op het vlak van de huidige en nieuwe bevoegdheden. Het zwaartepunt van deze maatregelen ligt hierbij in de periode 20152016. Hoe structureler de keuzes die gemaakt worden, hoe meer beleidsruimte er naar het einde van de legislatuur toe kan vrijgemaakt worden teneinde het nieuwe vooropgestelde beleid zoals beschreven in de bijdrage aan het regeerakkoord te kunnen uitvoeren. Onverminderd het gegeven dat voorliggende nota uitgaat van het behoud van een nominaal begrotingsevenwicht over de komende regeerperiode, wordt toch nog de aandacht gevestigd op het feit dat de herziene Bijzondere Financieringswet (BFW) ook potentiële technische bijstellingen bevat met
01 / INLEIDING
mogelijks een repercussie op de discussies omtrent de begrotingsnormering. Zo bevat de nieuwe BFW bvb. een autonomiefactor, die de basis vormt voor het deel personenbelasting waarover de gewesten in de toekomst een autonoom opcentiemenbeleid kunnen voeren. Voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017 is deze autonomiefactor gelijkgesteld aan 25,990%. De BFW bevat tegelijk de berekeningsregels voor de autonomiefactor voor het aanslagjaar 2018 en volgende, waarbij een gebeurlijke te hoge (of te lage) inschatting van de autonomiefactor voor de jaren 2015-2017 eenmalig wordt bijgesteld in 2018. Een gelijkaardig mechanisme bestaat voor de fiscale uitgaven. Deze technische bijstellingen kunnen een budgettair effect genereren van verscheidene honderden miljoenen euro, zoals ook in voorliggende nota verder voorzien (zie punt 2.2.2.). Teneinde te vermijden dat deze technische bijstellingen het te voorziene begrotingstraject voor komende legislatuur teveel zouden beïnvloeden, wordt voorgesteld dat de Vlaamse Regering, op basis van recentere data en in overleg met de andere deelentiteiten en de federale overheid, nagaat of de (tijdelijk vastgestelde) autonomiefactor niet dient geactualiseerd te worden. Indien dit het geval zou zijn, dan zou het logisch zijn om bij de bepaling van dit nominaal evenwicht abstractie te maken van de tijdelijke meer- (of min-) inkomsten die de gewesten zouden verwerven. Een dergelijk akkoord is immers neutraal op globaal niveau: wat de gewesten tijdelijk meer (of minder) ontvangen en in 2018 in min (of meer) verrekend krijgen, wordt immers gecompenseerd door een precies omgekeerde beweging bij de federale overheid. Voorliggende nota is opgebouwd uit 4 hoofdstukken. Vooreerst wordt ingegaan op de middelen- resp. uitgavenraming voor de komende legislatuur. Daarna wordt het begrotingsresultaat weergegeven en geplaatst binnen een te voorziene normering. Tot slot wordt ook het effect op de schuld van de Vlaamse overheid nader bekeken. Gelet op het feit dat de 1ste parlementair goedgekeurde begrotingsaanpassing in 2014 (1BA 2014) t.a.v. de begrotingsopmaak 2014 inhoudelijk beperkt was tot het verhogen van het budget waarover de VMSW en het VWF beschikken voor het toekennen van sociale leningen met 500 miljoen euro, werd er door het departement Financiën en Begroting ook een technische herziening van de benodigde kredieten voor 2014 doorgevoerd. Deze technisch bijgestelde kredieten worden in volgend document als begrotingsherziening 2014 voorgesteld (HERZ 2014). Naast de verdere detailleringen van de hoofdstukken in diverse bijlagen waarin wordt ingegaan op de wijzigingen in de financieringswet, het detail van de evolutie van de beleidskredieten, de problematiek van de nog niet afdoend voorziene kredieten voor beschikbaarheidsvergoedingen voor projecten die via alternatieve financiering worden gefinancierd en de impact van de aanbevelingen van Eurostat met betrekking tot het verbeteren van de statistieken, wordt in de laatste bijlage van deze nota ook een voorstel gelanceerd om een uitgavennormering per beleidsdomein op te zetten. Deze uitgavennorm zou ook een belangrijke fundamentele breuklijn kunnen betekenen in de verantwoordelijkheden die elke minister dient op te nemen. Naast het opnemen van de verantwoordelijkheid voor het gevoerde beleid, dient er namelijk ook verantwoordelijkheid te worden opgenomen voor de evolutie van de kredieten en aanwending van de globale beleidsruimte door zijn of haar bevoegdheidsdomeinen. Het daadwerkelijk opnemen door de vakministers en -administraties van de verantwoordelijkheid voor de budgettaire gevolgen van het gevoerde beleid, kan ook een bijdrage leveren in de evolutie naar een meer outputgericht denken, en dus naar een prestatiebegroting.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
2.1 Inleidend overzicht
Tabel 2-1 geeft in grote rubrieken een overzicht van de ESR gecorrigeerde middelen voor de beleidsperiode 2014-2019. Voor het begrotingsjaar 2014 worden zowel de ramingen van de begrotingsopmaak (1BA) getoond, als de ramingen van de herziening (HERZ). De ramingen voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2019 bevatten de budgettaire effecten van de herziene Bijzondere Financieringswet. De raming van de opcentiemen is gebaseerd op de raming van de Belasting Staat die door de federale wetgever werd gehanteerd ten tijde van de parlementaire behandeling van de herziene Bijzondere Financieringswet. De elasticiteit van de Belasting Staat (en bijgevolg van de gewestelijke opcentiemen) ten opzichte van het reëel BBP is een belangrijke determinant voor de evolutie van de Belasting Staat en de gewestelijke opcentiemen. De in deze meerjarenraming gehanteerde cijfers voor de Belasting Staat impliceren een elasticiteit gelijk aan 1,6. In tabel 2-5 wordt de impact op de ontvangsten geduid van een gewijzigde elasticiteit.
-
w.o. bijdrage sanering entiteit I
w.o. bijdrage vergrijzingskost
w.o. responsabiliseringsbijdrage
Totaal bijdragen
27.093.118
1.363.895
-171.007
-
-
-151.167
-19.840
27.474.330
1.449.321
34.915
169.789
418.939 35.297
152.470
5.421.385
909.777
13.078.874
6.257.799
1BA 2014
135.774
5.279.670
893.627
w.o. bijdrage pendeldotatie
TOTAAL
Instellingen consolidatiekring
Lotto gelden
Eigen niet-fiscale, toegewezen ontvangsten Eigen niet-fiscale, niet toegewezen ontvangsten
Gewestelijke belastingen
Specifieke dotaties
12.741.368
Gedeelde belastingen
-
6.224.548
REA 2013
Samengevoegde belastingen
Opcentiemen
-
-171.007
-
-
-151.167
-19.840
27.500.107
1.473.552
33.754
125.086
152.470
5.498.859
905.455
13.060.530
6.250.401
HERZ 2014
-870.104
-84.463
-
-755.881
-29.760
38.564.676
1.438.183
33.754
406.588
135.997
5.623.679
83.468
20.349.454
2.964.795
7.528.758
MJR 2015
Tabel 2.1: Grote rubrieken van de ESR gecorrigeerde middelen 2014-2019 (in duizend euro)
-1.649.749
-93.781
-
-1.525.588
-30.380
39.315.558
1.511.211
33.754
252.356
136.315
5.823.866
84.838
21.119.765
2.525.772
7.827.681
MJR 2016
-1.732.402
-103.099
-37.533
-1.564.490
-27.280
40.854.033
1.583.169
33.754
407.745
136.634
6.039.795
86.315
21.808.301
2.602.223
8.156.097
MJR 2017
-1.784.444
-112.417
-41.237
-1.603.510
-27.280
41.716.338
1.602.880
33.754
395.767
136.954
6.279.742
87.815
22.528.311
2.277.009
8.374.106
MJR 2018
-1.829.278
-121.735
-36.936
-1.643.327
-27.280
43.506.033
1.623.269
33.754
369.599
137.275
6.518.042
89.413
23.245.089
2.752.197
8.737.395
MJR 2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
De ramingen van de middelen voor 2014 en volgende begrotingsjaren zijn conform de door het departement Financiën en Begroting gehanteerde modellen gebeurd. Voor het begrotingsjaar 2014 worden de ESR gecorrigeerde ontvangsten bij de herziening op 27,5 miljard euro begroot. Voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2019 worden de cijfers in rekening gebracht zoals ze in meerjarig perspectief in constant beleid worden voorzien, maar waarbij de impact van de 6de staatshervorming expliciet in acht wordt genomen. Zo worden o.m. de geraamde opbrengst van de Vlaamse opcentiemen en de bijdrage van de Vlaamse overheid in de sanering van ’s lands overheidsfinanciën en in de vergrijzingskosten in kaart gebracht. De cijfers in tabel 2-4 aangaande de middelen uit de herziene Bijzondere Financieringswet betreffen nietafgeronde bedragen. Ten opzichte van tabel 2-1 kunnen er afrondingsverschillen voorkomen. Tabel 2-2 toont de impact op de middelen van de maatregelen die in 2009 ten gunste van de financiële sector werden genomen. De ESR gecorrigeerde ontvangsten zijn eveneens in de totalen van tabel 2-1 opgenomen.
Tabel 2.2: Impact maatregelen financiële sector (in duizend euro) Dividenden financiële instellingen Terugbetaling financiële instellingen (ESR 8) Totaal
REA 2013
HERZ 2014
1BA 2014
MJR 2015
MJR 2016
MJR 2017
MJR 2018
MJR 2019
297.797
0
0
170.000
0
139.244
110.854
82.464
1.753.614
500.000
500.000
500.000
500.000
500.000
500.000
500.000
2.051.410
500.000
500.000
670.000
500.000
639.244
610.854
582.464
Tabel 2-2 gaat ervan uit dat er in de periode 2015-2019 per 30 november een gedeeltelijke terugbetaling (principal repayment) plaatsvindt door KBC ten belope van 0,334 miljard euro. De boetepremie (penalty payment) voor die jaren bedraagt 0,166 miljard euro. De 8,5% coupon rente wordt berekend op het gemiddelde bedrag aan uitstaande schuld gedurende het vorige begrotingsjaar. Dat terugbetalingsscenario heeft prioriteit gegeven aan de terugbetaling ten gunste van de federale overheid waarbij de totale terugbetaling nog steeds in overeenstemming is met de terugbetalingskalender bij het herstructureringsplan dat door de Europese Commissie aanvaard werd. Medio februari 2014 werd door KBC aangekondigd dat er over de boekjaren 2013 en 2015 geen coupon rente zal betaald worden. De voorliggende meerjarenraming houdt bijgevolg rekening met de ontstentenis van een coupon rente in de begrotingsjaren 2014 en 2016. Het effect van de financiële stromen op de rentelasten van de Vlaamse overheid werd eveneens in rekening gebracht.
02 / DE MIDDELENBEGROTING
2.2 Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen 2.2.1 Parameters
De middelen uit de Bijzondere Financieringswet (samengevoegde en gedeelde belastingen, andere federale dotaties) worden bij de herziening 2014 geraamd op basis van de parameters van de Economische Begroting van 12 februari 2014. In tabel 2-3 staan de bedoelde parameters onder de kolom ‘HERZ 2014’. De kolommen ‘MJR 2015-2019’ vervolledigen het overzicht van de gehanteerde parameters. Voor de economische groei en inflatie werden de projecties uit de Economische Vooruitzichten van het Federaal Planbureau weerhouden (maart 2014). De parameter inflatie (CPI) gehanteerd voor de begrotingsherziening 2014 en meerjarenraming 2015 komt in voorliggende meerjarenraming tevens overeen met de inflatievooruitzichten van het Federaal Planbureau van 6 mei 2014. Behalve de klassieke parameters van economische groei en inflatie spelen ook de fiscale capaciteit van de gewesten en gemeenschappen, en het aantal leerlingen en –18-jarigen van de gemeenschap een belangrijke rol voor de berekening van de middelen die toegewezen worden vanuit de Bijzondere Financieringswet. Met ingang van het begrotingsjaar 2015 worden door de inwerkingtreding van de herziene Bijzondere Financieringswet aan deze lijst twee nieuwe parameters toegevoegd: het aantal 0 tot en met 18 jarigen en het aantal 80-plussers. Bovendien wordt de fiscale capaciteit met ingang van het aanslagjaar 2015 ook geïnterpreteerd als de regionale opdeling van de opbrengst van de federaal gebleven personenbelasting. Dit verklaart de wijziging in de fiscale capaciteit vanaf begrotingsjaar 2016 (aanslagjaar 2015). De raming voor het aanslagjaar 2015 is gebaseerd op de raming die door de federale wetgever werd gehanteerd ten tijde van de parlementaire behandeling van de herziene Bijzondere Financieringswet. De evolutie vanaf aanslagjaar 2016 gaat uit van een elasticiteit ten opzichte van het reëel BBP gelijk aan 1,6. Vermits voor de drie gewesten dezelfde elasticiteitscoëfficiënt wordt toegepast, wijzigt de fiscale capaciteit van de gewesten in de daaropvolgende aanslagjaren niet. In meerjarig perspectief worden de bevolkingsgerelateerde parameters gealigneerd op de bevolkingsvooruitzichten 2013-2061 van het NIS. De toename van de denataliteitscoëfficiënt is gebaseerd op de bedoelde bevolkingsvooruitzichten en weerspiegelt tevens de toename van het aantal leerlingen die de komende jaren verwacht wordt in het basis- en secundair onderwijs. De voorliggende meerjarenraming gaat er wel van uit dat de leerlingenverhouding constant blijft. De overige parameters in tabel 2-3 worden constant gehouden.
0,20%
Economische groei (BBP)
1,11%
2013
HERZ 2014
Inflatie (CPI)
10.515.981 3.164.538 159.745
Waals Gewest (excl. Duitstaligen)
Brussels H. Gewest
Duitstaligen
28,07% 8,45% 0,43%
Waals Gewest (excl. Duitstaligen)
Brussels H. Gewest
Duitstaligen
15/01/2013
15/01/2013 56,50% 43,50%
Toestand
Vlaamse Gemeenschap
Franse Gemeenschap
43,50%
56,50%
0,43%
8,45%
28,07%
63,06%
159.745
3.164.538
10.515.981
Verdeelsleutel onderwijs (LLN)
63,06%
Vlaams Gewest
23.622.156
Vlaams Gewest
Fiscale capaciteit (FC)
2013 = 2012
2012
Aanslagjaar 23.622.156
1,40%
0,80%
2014
Personenbelasting (federaal gedeelte)
Parameters
Begrotingsjaar
Tabel 2.3: Volledig parameteroverzicht
43,50%
56,50%
15/01/2013
0,43%
8,45%
28,07%
63,06%
166.990
3.308.059
10.992.913
24.693.493
2014
1,80%
1,30%
2015
43,50%
56,50%
15/01/2013
0,43%
8,39%
28,43%
62,76%
143.255
2.817.774
9.550.953
21.083.334
2015
1,70%
1,50%
2016
43,50%
56,50%
15/01/2013
0,43%
8,39%
28,43%
62,76%
149.359
2.937.834
9.957.900
21.981.653
2016
1,70%
1,60%
2017
MJR 2015-2019
43,50%
56,50%
15/01/2013
0,43%
8,39%
28,43%
62,76%
155.876
3.066.027
10.392.415
22.940.827
2017
1,60%
1,60%
2018
43,50%
56,50%
15/01/2013
0,43%
8,39%
28,43%
62,76%
162.425
3.194.829
10.828.996
23.904.562
2018
1,40%
1,70%
2019
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
6.350.765 3.470.201 1.138.854 76.128
Vlaanderen
Wallonië (excl. Duitst.)
Brussel
Duitstaligen
01/02/2014 1.239.500 738.265 257.678 104,8005%
Teldatum
Nederlandstalig
Franstalig
Brussel
Denataliteitscoëfficient
79,87013% 20,12987%
Vlaamse Gemeenschap
Franse Gemeenschap
20,12987%
79,87013%
01/01/2014
01/01/2014
Toestand
106,5221%
269.226
748.200
1.259.163
raming
30/06/2014
77.164
1.174.980
3.511.423
6.433.747
raming
01/01/2014
2015
105,3325%
262.412
740.402
1.243.976
01/02/2014
30/06/2013
76.128
1.138.854
3.470.201
6.350.765
01/01/2012
01/01/2013
2014
Verdeelsleutel Plantentuin
30/06/2012
Referentietijdstip
01/01/2012
Teldatum
01/01/2012
2013
HERZ 2014
Referentietijdstip
Min 18 jarigen (excl. Duitst.) (DENAT)
Inwoners
Begrotingsjaar
20,12987%
79,87013%
01/01/2014
107,2494%
274.478
752.098
1.267.985
raming
30/06/2015
77.689
1.192.675
3.532.420
6.474.280
raming
01/01/2015
2016
20,12987%
79,87013%
01/01/2014
107,9727%
279.423
756.197
1.277.328
raming
30/06/2016
78.186
1.208.762
3.552.875
6.512.806
raming
01/01/2016
2017
MJR 2015-2019
20,12987%
79,87013%
01/01/2014
108,6714%
283.962
760.348
1.287.670
raming
30/06/2017
78.656
1.223.250
3.572.814
6.549.297
raming
01/01/2017
2018
20,12987%
79,87013%
01/01/2014
109,2763%
287.957
763.888
1.298.031
raming
30/06/2018
79.089
1.236.144
3.592.262
6.583.888
raming
01/01/2018
2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
+80-jarigen
raming 1.334.871 792.782 284.619 16.312
Teldatum
Vlaamse Gemeenschap
Franse Gemeenschap
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie
Duitstalige Gemeenschap
01/01/2016
01/01/2015 raming 373.160 185.294 50.392 3.967
Referentietijdstip
Teldatum
Vlaamse Gemeenschap
Franse Gemeenschap
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie
Duitstalige Gemeenschap
4.109
50.095
185.639
381.385
raming
16.387
289.908
796.686
1.343.984
raming
01/01/2016
01/01/2015
Referentietijdstip
38,0%
62,0%
2016
38,0%
62,0%
2015
38,0%
Waals Gewest
62,0%
2014
Vlaams Gewest
2013
HERZ 2014
0 t.e.m. 18-jarigen
Pendelaars naar BHG
Begrotingsjaar
4.225
49.786
186.123
388.956
raming
01/01/2017
16.438
294.719
800.875
1.352.738
raming
01/01/2017
38,0%
62,0%
2017
MJR 2015-2019
4.321
49.431
186.647
397.081
raming
01/01/2018
16.525
299.328
805.086
1.362.741
raming
01/01/2018
38,0%
62,0%
2018
4.439
49.318
187.939
406.016
raming
01/01/2018
16.636
303.276
809.299
1.373.299
raming
01/01/2018
38,0%
62,0%
2019
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
2.2.2 Resultaten Tabel 2-4 toont de middelen die op basis van de beschreven parameters de komende jaren mogen verwacht worden. De voorliggende meerjarenraming houdt expliciet rekening met de budgettaire impact van de 6de staatshervorming.
Tabel 2.4: Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen (in duizend euro) HERZ 2014 Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen Gewest - PB zonder Lambermont
MJR 2015
MJR 2016
MJR 2017
MJR 2018
MJR 2019
9.257.697
-
-
-
-
-
Gewest - PB NST
0
0
0
0
0
0
Gewest - bijkomende middelen oude BFW
-
441.742
459.982
473.037
486.470
500.820
Gewest - PB negatieve term
-2.963.645
-
-
-
-
-
Gewest - Invulling fiscale autonomie
-
7.528.758
7.827.681
8.156.097
8.374.106
8.737.395
Gewest - herrekening opcentiemen (art 54, §1, lid 9)
-399.124
Gewest - PB extra middelen voor landbouw en zeevisserij
31.427
-
-
-
-
-
Gewest - PB extra middelen voor wetenschappelijk onderzoek
31.096
-
-
-
-
-
Gewest - PB extra middelen voor buitenlandse handel
13.612
-
-
-
-
-
Gewest - PB extra middelen voor lokale overheden
5.151
-
-
-
-
-
Gewest - PB extra middelen voor werk
-
1.668.063
1.184.817
1.215.030
1.245.333
1.276.256
Gewest - PB extra middelen voor fiscale uitgaven
-
1.153.146
1.179.748
1.209.831
1.240.006
1.270.796
GEW - Overgangsmechanisme
-
-268.396
-268.396
-268.396
-268.396
-268.396
-19.840
-29.760
-30.380
-27.280
-27.280
-27.280
Gewest - inhouding voor pendeldotatie BHG Totaal Gewest: Opcentiemen en Samengevoegde belastingen
6.355.499 10.493.553 10.353.453 10.758.320 10.651.115 11.489.592
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
HERZ 2014
MJR 2015
MJR 2016
MJR 2017
MJR 2018
MJR 2019
Gemeenschap - PB, incl Lambermont
4.257.215
5.233.345
5.123.190
5.253.829
5.384.864
Gemeenschap - BTW (art 40quinquies)
7.386.091
8.687.942
9.015.817
9.364.508
9.715.340 10.062.075
Gemeenschap - extra BTW Lambermont (naar PB en BTW)
1.460.413
0
0
0
0
0
Gemeenschap - gezinsbijslag
-
3.653.297
3.742.960
3.837.803
3.937.904
4.044.378
Gemeenschap - ouderenzorg
-
2.196.496
2.297.816
2.397.399
2.502.873
2.616.952
Gemeenschap - gezondheidszorg
-
472.034
485.472
498.350
511.276
524.412
Gemeenschap ziekenhuisinfrastructuur
-
-
355.452
364.894
374.371
383.998
Gemeenschap - justitiehuizen
-
51.738
53.407
55.184
56.964
58.743
Gemeenschap - interuniversitaire attractiepolen
-
-
-
-
17.704
18.257
GEM - Overgangsmechanisme
-
139.066
139.433
139.433
139.433
139.433
Totaal Gemeenschap: Gedeelde belastingen Vermoedelijke afrekening jaar N-1 (éénmalig) Algemeen totaal Gewest en Gemeenschap Saneringsbijdrage 2014 & respo-bijdrage 2015-2019 Algemeen totaal Gewest en Gemeenschap na respo-bijdrage
5.518.575
13.103.719 20.433.917 21.213.546 21.911.400 22.640.728 23.366.824 2.880
19.462.098 30.927.470 31.566.999 32.669.719 33.291.843 34.856.416 -151.167
-84.463
-93.781
-103.099
-112.417
-121.735
19.310.931 30.843.007 31.473.218 32.566.620 33.179.426 34.734.680
Zoals in paragraaf 2.1. gesteld, is de raming van de gewestelijke opcentiemen gebaseerd op de inschatting van de Belasting Staat die door de federale wetgever werd opgesteld. De gereduceerde Belasting Staat wordt bekomen door de Belasting Staat te verminderen met de autonomiefactor (25,990%). Het bedrag van de opcentiemen wordt vervolgens bekomen door op de gereduceerde Belasting Staat het tarief van de opcentiemen toe te passen. Voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017 wordt er uitgegaan van 35,117% opcentiemen. De voorliggende meerjarenraming houdt eveneens rekening met een herziening van de autonomiefactor en het hiermee gerelateerde opcentiementarief. Vanaf aanslagjaar 2018 worden de autonomiefactor en het opcentiementarief op respectievelijk 25,545% en 34,309% geraamd. De herrekening of bijstelling van
02 / DE MIDDELENBEGROTING
de opbrengst aan opcentiemen voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017 die hiervan het gevolg is, en die bedoeld wordt in artikel 54, §1, leden 7 tot 9 van de herziene Bijzondere Financieringswet, is eveneens in de voorliggende meerjarenraming opgenomen. De bedoelde bijstelling bedraagt 399,1 miljoen euro en wordt verondersteld zich volledig in het begrotingsjaar 2018 te manifesteren. De voorliggende meerjarenraming houdt echter geen rekening met de bijstelling van het referentiebedrag voor de bevoegdheid ‘fiscale uitgaven’. De bedoelde bijstelling wordt aangekondigd in artikel 35decies van de herziene Bijzondere Financieringswet en is gebaseerd op een verslag dat het Rekenhof uiterlijk 31 december 2016 zal opstellen met betrekking tot de fiscale uitgaven voor het aanslagjaar 2015 (artikel 81ter). Omdat de bedoelde bijstelling betrekking heeft op de gerealiseerde fiscale uitgaven van de drie gewesten, wordt er voorlopig abstractie van gemaakt. De fiscale uitgaven die naar aanleiding van de 6de staatshervorming geregionaliseerd worden, zijn in de voorliggende meerjarenraming niet als een minderontvangst verwerkt, maar als een uitgave. Ze komen aan bod in hoofdstuk 3: De uitgavenbegroting. Tot slot zijn in de voorliggende meerjarenraming de mogelijke budgettaire gevolgen buiten beschouwing gelaten van het responsabiliseringsmechanisme inzake klimaat. De kosten voor de gezinsbijslag (artikel 68quinquies) en de jeugdinstelling Tongeren (artikel 81quinquies, §2) zijn langs de uitgavenzijde van deze meerjarenraming verwerkt.
2.2.3 Sensitiviteit Gezien de volatiliteit van de in tabel 2-3 vermelde parameters wordt in tabel 2-5 een overzicht geboden van de sensitiviteit van deze parameters op de middelen uit de herziene Bijzondere Financieringswet voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2019. In deze paragraaf wordt nagegaan in welke mate de opcentiemen, samengevoegde en gedeelde belastingen, en de specifieke dotaties (zie paragraaf 2.3.) reageren op een wijziging van de relevante parameters in het begrotingsjaar 2015. Tabel 2-5 geeft een schematisch overzicht van het verrichte onderzoek. Elke onderzochte wijziging had een grootte van 0,1 procentpunt (10 basispunten) of 0,1 eenheden voor de elasticiteit. De grootte van de impact varieert over de jaren o.m. door de werking van het overgangsmechanisme (OM).
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Tabel 2.5: Sensitiviteit (in duizend euro) Parameter 2015
2015
2016
2017
2018
2019
BBP
29.681
31.089
32.228
14.386
29.343
CPI
29.428
30.793
31.885
29.040
33.080
BELASTING STAAT (aanslagjaar 2015)
311 (inclusief -11.740 OM)
-11.740 (inclusief -11.740 OM)
-11.740 (inclusief -11.740 OM)
-12.702 (inclusief -11.740 OM)
-11.740 (inclusief -11.740 OM)
FEDERAAL GEBLEVEN PB (aanslagjaar 2015)
-
11.302
-
-
-
LLN
13.393 (inclusief -1.985 OM)
-1.985 (inclusief -1.985 OM)
-1.985 (inclusief -1.985 OM)
-1.985 (inclusief -1.985 OM)
-1.985 (inclusief -1.985 OM)
DENAT
8.665 (inclusief 79 OM)
511 (inclusief 79 OM)
515 (inclusief 79 OM)
519 (inclusief 79 OM)
524 (inclusief 79 OM)
TAALROL
8
-
-
-
-
PENDEL
-48
-
-
-
-
0-18 JARIGEN
-214 (inclusief -6.602 OM)
-55 (inclusief -6.602 OM)
112 (inclusief -6.602 OM)
290 (inclusief -6.602 OM)
478 (inclusief -6.602 OM)
80+ JARIGEN
0 (inclusief -3.584 OM)
165 (inclusief -3.584 OM)
328 (inclusief -3.584 OM)
500 (inclusief -3.584 OM)
686 (inclusief -3.584 OM)
ELASTICITEIT (aanslagjaar 2015)
13.348
13.917
14.524
-41.328
38
2.2.4 Toelichting Omdat in de voorliggende meerjarenraming zowel de oude, als de herziene Bijzondere Financieringswet aan bod komen, bevat deze meerjarenraming eveneens een beknopte technische toelichting bij de herziening van de Bijzondere Financieringswet. Bedoelde toelichting is opgenomen in Bijlage I.
02 / DE MIDDELENBEGROTING
2.3 Specifieke dotaties vanwege de federale overheid
Tabel 2-6 toont de middelen die inzake de specifieke dotaties de komende jaren mogen verwacht worden.
Tabel 2.6: Specifieke dotaties vanwege de federale overheid (in duizend euro) Tewerkstellingsprogramma’s
HERZ 2014 MJR 2015
MJR 2016
MJR 2017
MJR 2018
MJR 2019
261.560
-
-
-
-
-
Buitenlandse studenten
36.866
37.345
37.905
38.512
39.128
39.793
Buitenlandse studenten (afrekening)
40
Dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld Dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld (afrekening)
584.983
-
-
-
631 14.991
15.216
-
Overname verkeersbelastingen
14.799
15.459
Overname verkeersbelastingen (afrekening)
16
Dotatie Nationale Plantentuin
6.560
Dotatie Nationale Plantentuin (afrekening)
Overname registratie- en successierechten
24.367
24.733
25.128
25.531
Overname registratie- en successierechten (afrekening)
Algemeen totaal dotaties vanwege federale overheid
905.455
83.469
84.838
86.316
87.814
6.765
6.984
15.707
7.216
7.449
-
15.974
7.681
25.965
89.413
De dotatie voor de wedertewerkstelling van werklozen, bedoeld in artikel 35 van de oude Bijzondere Financieringswet, wordt vanaf begrotingsjaar 2015 ten belope van 90% opgenomen in de globale tewerkstellingsdotatie. De resterende 10% wordt toegevoegd aan het overgangsmechanisme. Om die reden is deze dotatie vanaf begrotingsjaar 2015 niet meer opgenomen in tabel 2-6. Krachtens artikel 62 van de Bijzondere Financieringswet wordt aan de gemeenschappen – ook na het begrotingsjaar 2014 - een dotatie toegekend ter financiering van het universitair onderwijs dat aan buitenlandse studenten wordt verstrekt. De basisbedragen die in het bedoelde artikel zijn voorzien, worden jaarlijks aan de inflatie aangepast.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Krachtens het Lambermontakkoord werd het kijk- en luistergeld omgevormd van een gemeenschapsbelasting naar een gewestbelasting. De gemeenschappen verkregen wel een dotatie ter compensatie voor het wegvallen van het kijk- en luistergeld. De berekening van de dotatie was gebaseerd op de gemiddelde nettoontvangsten van het kijk- en luistergeld in 1999, 2000 en 2001, en dit in de betrokken gemeenschappen. Deze netto-ontvangsten werden evenwel uitgedrukt in prijzen van 2002. Vanaf 2003 werd het basisbedrag 2002 van de dotatie aangepast aan de inflatie. Vanaf de inwerkingtreding van de herziene Bijzondere Financieringswet (2015) zal de bedoelde dotatie van beide gemeenschappen in de BTW-basisdotatie geïntegreerd worden en bijgevolg de evolutie en verdeling van de BTW-basisdotatie volgen.
Naar aanleiding van de overname vanaf 2011 van de dienst van de verkeersgerelateerde gewestbelastingen (verkeersbelasting, belasting op de inverkeersstelling en eurovignet) ontvangt het Vlaams Gewest van de federale overheid jaarlijks - ook na het begrotingsjaar 2014 - een extra dotatie om de kosten van het overgenomen federaal personeel te compenseren. De berekening van de dotatie is gebaseerd op de gemiddelde kostprijs van de dienst van de betrokken gewestbelastingen voor de jaren 1999, 2000 en 2001, uitgedrukt in prijzen van 2002. Vanaf 2003 wordt dit bedrag (per gewestbelasting) aangepast aan de evolutie van de consumptieprijsindex. De basisbedragen staan vermeld in de wet van 8 maart 2009 tot vaststelling van de totale kostprijs van de dienst van de gewestelijke belastingen, in uitvoering van artikel 68ter van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en gewesten (BS 20 maart 2009). Een gelijkaardige dotatie wordt vanaf 2015 aan het Vlaams Gewest toegekend voor de overname van de dienst van de registratie- en successierechten. Tot slot wordt krachtens artikel 62ter van de Bijzondere Financieringswet aan de gemeenschappen ook na het begrotingsjaar 2014 - een dotatie toegekend vanaf het begrotingsjaar waarin de Nationale Plantentuin van België wordt overgedragen. Het in artikel 62ter vermelde basisbedrag wordt jaarlijks aan de inflatie en aan de economische groei aangepast. De verdeling van het aangepaste bedrag over beide gemeenschappen geschiedt volgens een sleutel die in overeenstemming is met de taalrol van het effectief personeelsbestand van de Nationale Plantentuin op de dag van de overdracht. De bedoelde overdracht vond plaats op 1 januari 2014. De in de meerjarenraming 2014-2019 gehanteerde verdeelsleutel weerspiegelt de taalrol op 1 januari 2014. Voor het begrotingsjaar 2014 wordt de dotatie van de Vlaamse Gemeenschap op 6.560 duizend euro geraamd. In het jaar van overdracht is er geen afrekening.
2.4 Gewestelijke belastingen
De ramingen van de gewestelijke belastingen voor de begrotingsjaren 2015 en volgende zijn enerzijds gebaseerd op de ramingen van de FOD Financiën voor het jaar 2014, en anderzijds op de economische vooruitzichten die door het Federaal Planbureau in maart 2014 werden gepubliceerd. Vooral de registratierechten, de successierechten en de schenkingsrechten worden door conjuncturele elementen beïnvloed.
1.937.992 150.102
1.880.342 143.569
Registratierechten
Hypotheekrechten
Belasting op de inverkeersstelling (inning IVA VLABEL)
Belasting op de inverkeersstelling (inning FOD Financiën)
Verkeersbelasting op de autovoertuigen (inning IVA VLABEL)
201.780
0
985.840
0
0
64
Openingsbelasting
Verkeersbelasting op de autovoertuigen (inning FOD Financiën)
30.303
33.432
Belasting op de automatische ontspanningstoestellen
198.758
0
990.260
0
26.845
28.386
Belasting op de spelen en weddenschappen
102.039
1BA 2014
103.751
REA 2013
Onroerende voorheffing
Tabel 2.7: Gewestelijke belastingen (in duizend euro)
200.816
0
979.128
0
147.489
1.951.680
0
33.981
30.076
103.202
HERZ 2014
201.996
0
986.472
0
151.946
2.046.003
0
34.200
30.846
105.955
MJR 2015
203.691
0
997.283
0
156.847
2.147.901
0
34.420
31.636
109.299
MJR 2016
205.475
0
1.008.929
0
161.906
2.257.095
0
34.642
32.446
112.965
MJR 2017
207.408
0
1.021.687
0
166.800
2.367.178
0
34.865
33.277
116.870
MJR 2018
Tabel 2-7 toont een overzicht van de begrotingsposten en de weerhouden bedragen. De getoonde bedragen betreffen ESR gecorrigeerde ontvangsten.
209.422
0
1.035.104
0
172.010
2.475.300
0
35.089
34.130
120.917
MJR 2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
Totaal
Kijk- en luistergeld
5.421.385
0
0 5.279.670
1.604.215
304.175
284.103
Schenkingsrechten
1.543.625
53.079
52.333
Eurovignet (inning IVA VLABEL)
Successierechten en recht van overgang bij overlijden
23.617
1BA 2014
22.446
REA 2013
Eurovignet (inning FOD Financiën)
5.498.859
0
1.663.893
312.487
52.734
23.373
HERZ 2014
5.623.679
0
1.660.597
328.047
53.378
24.239
MJR 2015
5.823.866
0
1.719.238
344.385
54.029
25.137
MJR 2016
6.039.795
0
1.783.687
361.893
54.688
26.069
MJR 2017
6.279.742
0
1.869.723
379.543
55.356
27.035
MJR 2018
6.518.042
0
1.955.124
396.879
56.031
28.036
MJR 2019
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
De raming van de gewestbelastingen is gebeurd vanuit een constant beleid hypothese. Eenmalige ontvangsten in 2014 werden in meerjarig perspectief gecorrigeerd. De raming van de onroerende voorheffing gaat o.m. uit van een jaarlijks hoeveelheidseffect van 2%. Naast de jaarlijkse indexering wordt ook een correctie voor onwaarden en wanbetalers toegepast. Met betrekking tot de belasting op de inverkeersstelling wordt er verondersteld dat het technologie-effect en het vergroeningseffect elkaar compenseren. De toename van de geraamde ontvangst wordt bijgevolg verklaard door de evolutie van de inflatie, aangevuld met een correctie voor onwaarden en wanbetalers. De raming van de verkeersbelasting gaat uit van een jaarlijks hoeveelheidseffect van 0,85%. De wijziging in de samenstelling van het wagenpark als gevolg van een toename van het aantal milieuvriendelijke wagens heeft een negatieve impact op de geraamde ontvangst (lagere fiscale PK’s) en wordt op -1,10% per jaar geschat. Naast de jaarlijkse indexering wordt ook een correctie voor onwaarden en wanbetalers toegepast. Voor de raming van het eurovignet wordt de beperkte stijging in 2013 (1,22%) doorgetrokken naar de toekomst. Op het deel dat door de federale overheid geïnd wordt, wordt een historisch jaarlijks groeipercentage toegepast (3,71%). De jaarlijkse opbrengst van de kilometerheffing voor vrachtwagens kan vanaf 2016 grosso modo op 455 miljoen euro geraamd worden (exclusief de vermindering van het eurovignet). Omdat de Vlaamse Regering nog geen beslissing genomen heeft inzake het tarief van de bedoelde heffingen wordt de geraamde opbrengst niet opgenomen in de voorliggende meerjarenraming, maar enkel als budgettair aandachtspunt opgelijst. De raming van de registratierechten, hypotheekrechten en schenkingsrechten vertrekt van de federale raming voor 2014 en houdt rekening met de inflatie en de economische groei over de periode 2015-2019. Aangaande de successierechten en het recht van overgang bij overlijden wordt er van uitgegaan dat de effecten van de fiscale regularisatie en de inspanningen van de federale overheid inzake de strijd tegen de fraudemechanismen ook de komende jaren gevolgen blijven ressorteren. De raming van de successierechten en het recht van overgang bij overlijden bestaat uit twee delen. Vooreerst wordt de opbrengst in 2014 van de fiscale regularisatie (derde ronde) kasmatig op 88,8 miljoen euro geraamd. In 2015 en 2016 bedraagt de bedoelde ontvangst respectievelijk 44,4 en 22,2 miljoen euro. Vanaf 2017 wordt er geen opbrengst meer verwacht van de fiscale regularisatie. De betaaltermijn voor de dossiers ‘fiscale regularisatie’ bedraagt twee weken. Hieruit volgt dat de ESR correctie voor dossiers ‘fiscale regularisatie’ eveneens twee weken bedraagt. Het tweede gedeelte bestaat uit de raming van de courante nalatenschappen. Laatstbedoelde raming over de periode 2015-2019 is gebaseerd op de federale raming voor 2014 en houdt rekening met de inflatie en de economische groei over de periode 2015-2019. De raming veronderstelt bovendien dat zich in de periode 2015-2019 eenzelfde volume aan grote nalatenschappen zullen voordoen als in 2014. De betaaltermijn voor de courante nalatenschappen bedraagt twee maanden waardoor de ESR correctie eveneens twee maanden bedraagt.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
2.5 Toegewezen ontvangsten
Aan een begrotingsfonds toegewezen of geaffecteerde ontvangsten - die niet als opbrengsten uit kredietverleningen of deelnemingen kunnen bestempeld worden - zijn ontvangsten die voorbehouden worden voor het dekken van bepaalde duidelijk omschreven uitgaven. De raming van de toegewezen ontvangsten schommelt in de meerjarenraming rond de 136 miljoen euro. De daling van de toegewezen ontvangsten vanaf 2015 wordt hoofdzakelijk verklaard door het wegvallen van de ontvangst van het vaccinatiefonds (17,9 miljoen euro) die vanaf 2015 in de dotatie voor gezondheidszorg begrepen is. De belangrijkste toegewezen ontvangsten in de middelenbegroting zijn:
•• •• •• ••
de inschrijvingsgelden van het deeltijds kunstonderwijs; de terugbetaling van salarissen en salaristoelagen in de onderwijssector; de inkomsten in het kader van het medisch-sociaal beleid; de inkomsten van het Vernieuwingsfonds.
2.6 Andere ontvangsten
De andere ontvangsten betreffen niet-fiscale, niet-toegewezen ontvangsten die niet kunnen bestempeld worden als (1) opbrengsten uit kredietverleningen of deelnemingen, of (2) dotaties komende van instellingen behorende tot de consolidatiekring. Tot deze categorie behoren onder meer de dividenden van de openbare investeringsmaatschappijen en de dividenden van financiële instellingen die door de Vlaamse Regering in 2009 gesteund werden. De variatie over de periode 2014-2019 in de categorie andere ontvangsten wordt hoofdzakelijk verklaard door de evolutie van de dividenden van de financiële instellingen (zie tabel 2-2) en van de openbare investeringsmaatschappijen, en door het wegvallen van de ontvangst in het kader van de meerwaardeneconomie (9,2 miljoen euro) die vanaf 2015 in de dotatie voor tewerkstelling begrepen is. Bovendien is de opbrengst van het digitaal dividend (4G licenties; 42,0 miljoen euro) een eenmalige opbrengst die ESR matig in 2013 aanrekenbaar is. Om deze reden valt de opbrengst van het digitaal dividend weg bij de begrotingsherziening 2014. Tot slot bevat deze categorie eveneens de ontvangsten die naar aanleiding van de 6de staatshervorming in het kader van de verkeersveiligheid geregionaliseerd worden (BIVV, retributies, verkeersboeten), zijnde 130,8 miljoen euro in 2015, nadien oplopend tot 184,6 miljoen euro in 2019. De raming van de verkeersboeten gaat uit van een bedrag van 122,2 miljoen euro onmiddellijke inningen in 2015. De evolutie tijdens de daaropvolgende jaren wordt verondersteld gelijk te lopen met de inflatie. Het bedrag van de transactionele stortingen en de veroordelingen wordt in 2015 op 43,8 miljoen euro geraamd. De evolutie tijdens de daaropvolgende jaren wordt ook hier verondersteld gelijk te lopen met de inflatie, maar in tegenstelling tot de onmiddellijke inningen wordt er bijkomend verondersteld dat de inningen inzake de transactionele stortingen en de veroordelingen zich gelijkmatig over de drie daaropvolgende begrotingsjaren spreiden.
02 / DE MIDDELENBEGROTING
2.7 Lotto-middelen
Volgens artikel 62bis van de Bijzondere Financieringswet krijgt elke gemeenschap een bepaald percentage van de te verdelen winst van de Nationale Loterij toegewezen. De federale ministerraad dient hiertoe de uitkeerbare winst te bepalen. De raming van de Lotto-middelen wordt in de meerjarenraming constant gehouden op 33,8 miljoen euro. Die raming is gebaseerd op het voorlopig winstverdelingsplan voor het dienstjaar 2014.
2.8 Te consolideren instellingen
Tabel 2-8 geeft een overzicht van de ESR gecorrigeerde ontvangsten van de Vlaamse instellingen die tot de consolidatieperimeter behoren. Hierbij worden de instellingen met belangrijke bedragen aan eigen ontvangsten apart vermeld.
75.918
68.864
4.094
106.800
Loodswezen
Andere instellingen met DAB-vorm
VMM
VDAB
20.317
176.078
VAPH
VVM - De Lijn
Totaal
Andere instellingen met andere dan DAB-vorm
1.363.895
394.673
-
149.106
Kind & Gezin
VEB
188.839
VRT
41.371
19.641
VIF
NV Waterwegen en Zeekanaal
118.193
MINA
REA 2013
1.449.321
1.473.552
332.085
1.461
1.461 331.935
231.095
20.211
156.283
190.971
62.581
104.170
30.786
55.766
76.591
94.785
116.767
HERZ 2014
231.095
20.211
156.283
190.971
62.581
104.170
30.786
23.806
76.591
94.785
124.646
1BA 2014
Tabel 2.8: Te consolideren instellingen (in duizend euro)
1.438.183
329.951
27.299
234.330
20.494
158.471
193.645
63.457
93.396
3.562
65.573
77.663
56.013
114.326
2015
1.511.211
333.840
77.639
237.845
20.801
160.848
196.550
64.409
94.797
3.616
72.149
78.828
56.854
113.035
2016
1.583.169
337.927
127.061
241.651
21.134
163.422
199.695
65.440
96.314
3.673
76.864
80.089
57.763
112.135
2017
1.602.880
341.937
124.982
245.517
21.472
166.036
202.890
66.487
97.855
3.732
80.428
81.371
58.687
111.485
2018
1.623.269
346.600
122.486
249.691
21.837
168.859
206.339
67.617
99.519
3.796
83.291
82.754
59.685
110.795
2019
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
De ESR gecorrigeerde ontvangsten van het Minafonds evolueren van 116,8 miljoen euro in 2014 naar 110,8 miljoen euro in 2019. De ontvangsten zijn in hoofdzaak afkomstig van de milieuheffingen. De milieuheffingen worden geïnd door de Vlaamse openbare milieu-instellingen. Meer bepaald int OVAM de afvalstoffenheffing, VMM de waterheffingen en VLM de administratieve geldboetes in het kader van MAP III. Over de periode 2014-2019 wordt ervan uitgegaan dat de ontvangsten uit afvalstoffenheffingen met 2,8 miljoen euro afnemen. Dit is te wijten aan de sturende werking van de heffing en inzonderheid het verbieden of ontraden van storten en het recupereren van energie uit afvalstoffenstromen. Enerzijds is er bij de begrotingsaanpassing 2014 een verlaging van de ontvangst uit de waterheffingen van 7,9 miljoen euro, namelijk van 54,6 miljoen naar 46,7 miljoen euro, omwille van het feit dat de drinkwatermaatschappijen vanaf 2014 een bovengemeentelijke vergoeding aanrekenen aan bedrijven op het water gewonnen via eigen waterwinning. Teneinde een dubbele heffing te voorkomen, wordt deze bovengemeentelijke vergoeding in mindering gebracht van de waterheffing. Anderzijds zullen de ontvangsten uit de waterheffingen over de periode 2014-2019 nog afnemen met 2,7 miljoen euro, van 46,7 miljoen euro in 2014 naar 44 miljoen euro in 2019, rekening houdend met een indexatie van 1,5%, een vuilvrachtdaling van 2,5% voor de gezinnen (kleinverbruikers) en een vuilvrachtdaling van 2% voor bedrijven (grootverbruikers). Ook de ontvangsten in het kader van MAP III zullen dalen over de periode 2014-2019 van 2,3 miljoen euro naar 1,5 miljoen euro, ten gevolge van de sturende werking van de heffing. Ingevolge het wegvallen van de opbrengsten uit de verkoop van activa aan Aquafin NV vallen de ESR gecorrigeerde ontvangsten van de VMM in 2015 terug naar 3,6 miljoen euro. De evolutie tijdens de daaropvolgende jaren wordt verondersteld gelijk te lopen met de inflatie. De ESR gecorrigeerde ontvangsten van het Loodswezen, de NV Waterwegen en Zeekanaal en De Lijn worden geïndexeerd volgens de in de nota budgettaire ruimte gehanteerde inflatieparameters. Hierbij worden, ondanks het eerder hoge niveau in 2014, de uitzonderlijke opbrengsten bij De Lijn, de komende jaren constant gehouden. De ESR gecorrigeerde ontvangsten van het VIF kennen in 2015 een sterke daling wegens het terug in mindering brengen van de eenmalige opbrengsten uit de verkoop van gronden en een gebouw in 2014. Zo vervalt de opbrengst uit de verkoop van gronden Oostende Oosteroever, ten belope van 28,5 miljoen, en van gronden (6 miljoen euro) en een gebouw (5 miljoen euro) binnen het Agentschap Wegen en Verkeer. De in 2014 geboekte verhoging van eigen ontvangsten, ten belope van 4 miljoen euro, binnen het Agentschap Wegen en Verkeer (hoofdzakelijk opbrengsten van de nevenbedrijven) wordt wel als recurrent beschouwd. De recurrente ESR gecorrigeerde ontvangsten worden geïndexeerd conform de in de nota budgettaire ruimte gehanteerde inflatieparameters. De daling in 2015 van de ESR gecorrigeerde ontvangsten van de VDAB wordt verklaard door het wegvallen van de federale ontvangst voor de controle disponibiliteit (12 miljoen euro). De bedoelde ontvangst wordt naar aanleiding van de 6de staatshervorming vanaf 2015 geïntegreerd in de dotatie voor tewerkstelling. De overige ontvangsten van de VDAB worden verondersteld gelijk te lopen met de inflatie. De ESR gecorrigeerde ontvangsten van Kind en Gezin stijgen ten gevolge van de inflatie van 156,3 miljoen euro in 2014 tot 168,9 miljoen euro in 2019. Ook de ESR gecorrigeerde ontvangsten van het VAPH worden verondersteld gelijk te lopen met de inflatie.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
De raming van de ESR gecorrigeerde ontvangsten van het VEB is gebaseerd op het businessplan. Tot slot valt binnen de andere instellingen met DAB-vorm de stijging bij de begrotingsherziening 2014 op. Deze stijging is volledig toe te schrijven aan het opnemen van een raming van de ontvangsten binnen de DAB Emissierechten in het kader van het klimaatbeleid. De ontvangsten van de DAB Emissierechten evolueren van 32 miljoen euro in 2014 naar 57,6 miljoen euro in 2019 in overeenstemming met de opgenomen uitgaven binnen het Klimaatfonds.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
03 / DE UITGAVENBEGROTING
3.1 Inleiding 3.1.1
Werkwijze voor huidige bevoegdheden
Voor wat de berekening van de kost van het constant beleid inzake de huidige bevoegdheden in de periode 2014-2019 betreft, worden de uitgangshypothesen inzake de in afgelopen legislatuur gehanteerde kostendrijvers en budgettaire engagementen bij ongewijzigd beleid rigoureus doorgetrokken. De bij de begrotingsopmaak 2014 doorgevoerde besparingen worden recurrent doorgetrokken. Eenmalige investeringskredieten resp. - inkomsten worden logischerwijs niet doorgetrokken. Wat betreft de meeruitgaven aan beschikbaarheidsvergoedingen voor alternatief gefinancierde projecten, worden er voor sommige initiatieven zoals PPS in de sport, VIPA-II, VAC’s nog bijkomende kredieten t.o.v. de begrotingsopmaak 2014 voorzien. Voor andere initiatieven zoals VIA-invest, PPS in de scholenbouw, … zullen de reeds in het verleden toegekende kredieten vooreerst dienen te worden ingezet en wordt er verder in voorliggende raming verondersteld dat er nog een verdere compensatie binnen de voor klassieke financiering ter beschikking gestelde middelen kan gevonden worden. De volgende Vlaamse Regering zal verder dienen te bekijken welke beschikbaarheidsvergoedingen met de in voorliggende meerjarenraming voorziene kredieten kunnen opgevangen worden en waar er desgevallend bijkomende middelen moeten worden ingezet. Voor meer detail inzake de verwachte evolutie van beschikbaarheidsvergoedingen in meerjarig perspectief, wordt verwezen naar de bijlage III: Budgettaire boordtabel houdende alternatieve financiering. In de technische begrotingsherziening 2014 en de meerjarenraming 2015-2019 wordt ook nog weergegeven hoe de Vlaamse Regering invulling wenst te geven aan het competitiviteitspact en het SALK. Voor wat betreft het competitiviteitspact worden de kredieten die bij de begrotingsopmaak 2014 voorzien werden onder het beleidsdomein Financiën en Begroting verdeeld over de resp. beleidsdomeinen conform de afspraken die hieromtrent in de schoot van de Vlaamse Regering werden gemaakt. Voor wat betreft het SALK wordt vooreerst het effect zichtbaar gemaakt van de herverdelingen die in 2014 zijn doorgevoerd vanuit het restant van de provisie van 24 miljoen euro voor het SALK die in 2013 werd ter beschikking gesteld. Daarnaast wordt ook aangegeven welke beslissingen van de Vlaamse Regering - tot op datum van 9 mei 2014 - een verhoging van de beleidskredieten bij andere beleidsdomeinen dan Economie, Wetenschappen en Innovatie (EWI) tot gevolg hebben en dit door de recuperatie van de vastlegging van 58 miljoen euro die binnen het Hermesfonds van EWI eveneens ter beschikking werd gesteld voor het SALK. De exacte repercussie van de aannames met betrekking tot de in deze meerjarenraming gehanteerde indexatieparameters resp. externe kostendrijvers en budgettaire engagementen is terug te vinden onder punt 3.2.: Indexatie bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden, resp. onder punt 3.3.: Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
3.1.2
Werkwijze voor nieuwe bevoegdheden
Voor de raming van de extra uitgaven waarvoor Vlaanderen bevoegd wordt, maakt voorliggende meerjarenraming gebruik van de in het kader van de 6de staatshervorming door de federale overheid ter beschikking gestelde budgettaire boordtabel. Deze tabel lag tevens aan de basis voor het bepalen van de dotaties die met toepassing van de nieuwe bijzondere Financieringswet ter beschikking worden gesteld voor de nieuwe bevoegdheden. Deze boordtabel wordt dan ook gebruikt als zijnde het eerste uitgangspunt voor het ramen van de toename van de uitgaven binnen de Vlaamse begroting in het begrotingsjaar 2015 en volgende jaren. Voor enkele bevoegdheden met een (gedeeltelijk of tijdelijk) extern kostendrijverkarakter en tegelijk ook een significant budgettair gewicht werd door het departement financiën en begroting een eigen raming opgesteld op basis van de tot op heden beschikbare informatie. Het betreft hier meer concreet gezinsbijslag, residentiële ouderenzorg, ziekenhuisinfrastructuur, tegemoetkoming hulp aan bejaarden, doelgroepenbeleid bij de RVA, (fiscale uitgaven voor) dienstencheques en de fiscale uitgaven inzake woonbonus en bouwsparen. Voor alle uitgaven die in het kader van de 6de staatshervorming aan de kredieten worden toegevoegd op basis van de budgettaire boordtabel of op basis van een eigen raming wordt ook in indexatie volgens de onder punt 3.2. vermelde parameters voorzien. Enkel voor ziekenhuisinfrastructuur is deze indexatie niet benodigd. Praktisch gezien wordt in voorliggend document - net zoals in de budgettaire boordtabel voor de 6de staatshervorming - de budgettaire impact van alle bevoegdheden als extra uitgave verrekend. De fiscale uitgaven en inhoudingen op dotaties die tijdens de transitieperiode in de Bijzondere Financieringswet voorzien zijn, zijn met andere woorden nog niet verrekend aan ontvangstenzijde. Tot slot is het ook nog van belang om te vermelden dat het budget dat voor enkele bevoegdheden in de budgettaire boordtabel werd opgenomen, geen aanleiding geeft tot een verhoging van de beleidskredieten van de Vlaamse begroting. Het betreft bevoegdheden waarbij de middelen in voorbije legislatuur reeds aan de Vlaamse overheid toekwamen: meer specifiek gaat het om de middelen inzake vaccinatie, beschikbaarheidscontrole bij VDAB, meerwaardeneconomie en trekkingsrechten inzake tewerkstellingsprogramma’s. Ook de middelen voorzien voor het participatiefonds (106 miljoen euro aan niet-recurrente ESR-8-middelen) en de extra ontvangsten in het kader van het mobiliteitsbeleid worden logischerwijs niet mee verrekend in de extra evolutie van de beleidskredieten. De beschrijving van de specifieke kredietevolutie van de nieuwe bevoegdheden is per beleidsdomein terug te vinden onder punt 3.3. - Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden.
3.1.3 Aandachtspunten bij de aannames bij huidige en nieuwe bevoegdheden Met het oog de totstandkoming van dit document werden er bilaterale overlegmomenten georganiseerd tussen het departement Financiën en Begroting en de diverse beleidsdomeinen. Deze besprekingen hebben enkele aandachtspunten aan het licht gebracht met betrekking tot de aannames bij constant beleid van de huidige bevoegdheden enerzijds en met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden anderzijds.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Voor wat betreft de huidige bevoegdheden werd onder punt 3.1.1. reeds vermeld dat de volgende Vlaamse Regering verder zal dienen te bekijken welke beschikbaarheidsvergoedingen met de in voorliggende meerjarenraming voorziene kredieten kunnen opgevangen worden en waar er desgevallend bijkomende middelen moeten worden ingezet. Daarnaast is het ook zo dat in voorliggende meerjarenraming tevens geen middelen voor nieuwe cao’s met de diverse sectoren zijn voorzien. Ook hiervoor zal de volgende Vlaamse Regering dienen te bekijken hoe ze eventuele meerkosten hieromtrent budgettair zal inpassen. In navolging van het raamakkoord van 23 november 2012 omtrent de besparingen op personeels(gerelateerde) kredieten, waarin werd bepaald dat bij de opmaak van de begroting 2015 de sociaal-economische en budgettaire situatie opnieuw zal moeten geëvalueerd worden, wordt de besparing van 100 miljoen euro in voorliggende recurrent doorgetrokken. Het is aan de Vlaamse Regering om uit te maken of zij de besparing al dan niet verder zal zetten. Voor wat betreft de nieuwe bevoegdheden zijn er tevens enkele overkoepelende aandachtspunten te formuleren:
••
••
Een eerste aandachtspunt betreft de bijkomende kost voor de loonmatigingsbijdrage. Zo is het momenteel zo dat er voor zowel statutaire- als contractuele personeelsleden die voor het operationaliseren van de nieuwe bevoegdheden worden aangeworven er een loonmatigingsbijdrage van resp. 5,89% en 6,6% dient te worden betaald. Deze meerkost werd niet verrekend in de budgettaire boordtabel bij 6de staatshervorming. Eventueel kan een deel van de meerkost opgevangen worden door minder personeelsleden over te nemen of aan te werven dan origineel in de budgettaire boordtabel voorzien. De budgettaire boordtabel die door de federale overheid ter beschikking werd gesteld, bevat geen raming van de toenemende taakbelasting die ontstaat bij de horizontale beleidsdomeinen. Daarnaast wijst de budgettaire boordtabel tevens alle kosten inzake huisvesting, schoonmaak, catering… toe aan de inhoudelijke materie waarvoor de kosten worden gemaakt. Binnen de Vlaamse overheid worden daarentegen voor vele entiteiten deze kosten opgenomen door het Agentschap voor Facilitair Management (AFM). In de mate dat AFM moet instaan voor het beheer van de gebouwen, zal AFM dan ook een deel van de over te hevelen werkingsbudgetten claimen.
Een beschrijving van de specifieke aandachtpunten per beleidsdomeinen is terug te vinden onder punt 3.3. - Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden.
3.2 Indexatie bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden
Tabel 3-1 toont de diverse indexparameters die in voorliggende meerjarenraming worden gehanteerd. Voor de begrotingsherziening 2014 en de raming 2015 baseren we ons op de inflatievooruitzichten van het planbureau van 6 mei 2014. Voor de periode 2016-2019 werden de projecties uit de Economische Vooruitzichten van het Federaal Planbureau weerhouden (maart 2014).
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Tabel 3.1: Indexparameters
Verwachte evolutie gezondheidsindex
BO 2014
HERZ 2014
MJR 2015
MJR 2016
MJR 2017
MJR 2018
MJR 2019
1,4%
0,9%
1,4%
1,5%
1,6%
1,6%
1,6%
Overschrijding spilindex
Jun. ‘14
Nov.’14
-
Feb. ‘16
Mei. ‘17
Okt. ‘18
-
Maand aanpassing loon
Aug. ‘14
-
Jan.’15
Apr. ‘16
Juli. ‘17
Dec. ‘18
-
Index loon buiten provisie
1,4%
0,9%
1,4%
1,5%
1,6%
1,6%
1,6%
Index niet loon
1,4%
0,9%
1,4%
1,5%
1,6%
1,6%
1,6%
In tabel 3-2 wordt de cumulatieve toename van de beleidskredieten voor de huidige bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 als gevolg van indexatie weergegeven. Het volledig budgettair effect van de verwachte overschrijding van de spilindex in november 2014 wordt vanaf begrotingsjaar 2015 toegewezen aan de resp. ontvangende begrotingsartikelen. De kost van de overschrijdingen van de spilindex in de jaren 2016, 2017 en 2018 wordt eveneens voorzien op de resp. begrotingsartikelen. De cumulatieve toename van de beleidskredieten omwille van indexatie inzake de huidige bevoegdheden bedraagt in 2019 1,7 miljard euro.
-2.186 -2.438
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
Werk en Sociale Economie
TOTAAL (excl. FFEU)
-30.774
-878
-6.675
Mobiliteit en Openbare Werken
Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed
-2.150
Leefmilieu, Natuur en Energie
-556
-1.608
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Landbouw en Visserij
-7.141
Onderwijs en Vorming
-348
Internationaal Vlaanderen -5.504
-118
Financiën en Begroting
Economie, Wetenschappen en Innovatie
-870
Bestuurszaken
-17 -284
HERZ 2014
Diensten Algemeen Regeringsbeleid
Hogere Entiteiten
Beleidsdomein 637
342.487
2.984
30.733
6.645
2.037
18.833
12.565
65.819
182.577
11.569
1.649
1.370
3.746
1.321
MJR 2015
671.547
6.820
69.003
15.386
4.515
37.685
25.544
120.952
344.021
29.201
3.632
2.647
8.162
2.820
1.160
MJR 2016
Tabel 3.2: Cumulatief effect indexatie kredieten huidige bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 (in duizend euro)
1.019.169
10.891
108.920
24.703
7.144
57.319
39.136
177.725
516.467
48.258
5.724
3.968
12.816
4.403
1.694
MJR 2017
1.318.098
14.732
144.953
33.600
9.610
74.289
51.230
222.604
661.824
67.501
7.639
5.072
17.091
5.840
2.113
MJR 2018
1.713.505
19.215
190.297
43.874
12.516
96.123
66.372
287.175
860.381
88.510
9.954
6.547
22.236
7.589
2.715
MJR 2019
03 / DE UITGAVENBEGROTING
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Diensten Algemeen Regeringsbeleid
Bestuurszaken
Financiën en Begroting
Internationaal Vlaanderen
Economie, Wetenschappen en Innovatie
Onderwijs en Vorming
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
Werk en Sociale Economie
Landbouw en Visserij
Leefmilieu, Natuur en Energie
Mobiliteit en Openbare Werken
Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed
TOTAAL (excl. FFEU)
HERZ 2014
Hogere Entiteiten
Beleidsdomein
MJR 2015
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
51
0
159
462
0
0
138.576
374
56
443
180
38.831
0
98.019
MJR 2016
Tabel 3.3: Cumulatief effect indexatie kredieten nieuwe bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 (in duizend euro)
0
107
0
332
963
0
0
284.903
779
116
922
375
80.262
0
201.049
MJR 2017
0
0
415.517
1.190
177
1.408
574
118.011
0
292.016
0
164
0
507
1.471
MJR 2018
0
0
581.786
1.634
244
1.934
788
164.819
0
409.127
0
525
0
696
2.020
MJR 2019
In tabel 3-3 wordt de cumulatieve toename van de beleidskredieten voor de nieuwe bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 als gevolg van indexatie weergegeven. De cumulatieve toename van de beleidskredieten omwille van indexatie inzake de nieuwe bevoegdheden bedraagt in 2019 0,6 miljard euro.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
03 / DE UITGAVENBEGROTING
3.3 Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden: Toelichting per beleidsdomein
Hierna volgt een toelichting per beleidsdomein van de belangrijkste evoluties bij constant beleid excl. indexatie van de huidige en nieuwe bevoegdheden. Het cijfermatig detail van de evolutie van de beleidskredieten bij constant beleid wordt weergegeven in bijlage II. Daarnaast worden ook specifiek aan het beleidsdomein gerelateerde aandachtspunten weergegeven inzake huidige en nieuwe bevoegdheden.
3.3.1 Diensten Algemeen Regeringsbeleid
a.
Huidige bevoegdheden
Ten opzichte van de kredieten BO2014 werd in het voorjaar 2014 d.m.v. herverdeling 1,8 miljoen euro vanuit beleidsdomein Bestuurszaken aan de kredieten van beleidsdomein DAR toegevoegd in het kader van de financiering van het nieuwe Agentschap ‘Audit Vlaanderen’. Deze verschuiving van kredieten zal de komende jaren recurrent behouden worden en eventueel uitgebreid worden door andere compensaties.
b.
Aandachtspunten
Ook voor DAR, als horizontaal beleidsdomein, dient rekening gehouden te worden met horizontale taken die een uitbreiding van het huidige takenpakket betekenen, maar waarvoor an sich geen bijkomende middelen worden voorzien in de budgettaire boordtabel van de 6de staatshervorming. Deze horizontale taken zijn:
•• ••
Enerzijds verbonden aan de neveneffecten van de bijkomende bevoegdheden voor Vlaanderen in het kader van de 6de staatshervorming (vb. verhoogde vragenlast Vlaamse infolijn) Anderzijds verbonden aan uitbreidende Europese verplichtingen.
Naast deze kosten is er een kost verbonden aan de oprichting van een interfederaal instituut van de statistiek ten belope van 38 duizend euro.
3.3.2 Bestuurszaken
a.
Huidige bevoegdheden
In uitvoering van het decretaal voorziene groeipad van 3,5% voor het gemeente-, het provincie- en het stedenfonds nemen de kredieten tegen het begrotingsjaar 2019 cumulatief toe met respectievelijk 421,7 miljoen euro, 7,0 miljoen euro en 27,7 miljoen euro t.o.v. het begrotingsjaar 2014. Voor de lokale en provinciale verkiezingen van 2018 wordt in 2016 en 2017 samen 11,2 miljoen euro voorzien terwijl er voor de verkiezingen voor het Vlaams Parlement in 2019 1,6 miljoen euro ingeschreven wordt.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
In 2015 neemt de meerkost, gedragen uit de algemene middelen, voor het VAC Brugge en het VAC Gent verder toe met 4,3 miljoen euro. Door de ingebruikname van het VAC Gent valt vanaf 2015 een bedrag van 1 miljoen euro aan huur weg.
b.
Nieuwe bevoegdheden
Door de 6de staatshervorming nemen de uitgaven van het beleidsdomein Bestuurszaken toe met 30,8 miljoen euro in 2015. Het betreft hoofdzakelijk uitgaven voor het rampenfonds en grootstedenbeleid. Voor wat betreft het grootstedenbeleid komen de middelen, op termijn 15,3 miljoen euro, maar in getrapt stijgende orde over in de komende begrotingsjaren. Dit heeft te maken met het feit dat de huidig openstaande engagementen nog dienen te worden vereffend door de federale overheid zelf en dus niet mee overkomen richting Vlaanderen. In voorliggende oefening wordt wel uitgegaan van de mogelijkheid tot het direct voeren van beleid ten belope van 15,3 miljoen euro. Dit omwille van het feit dat ook voor nieuwe engagementen met een betaalkalender kan gewerkt worden en zo toch budgetneutraliteit kan worden bereikt.
c.
Aandachtspunten
Ingevolge de inkanteling van de gewestelijke ontvangers bij ABB dient er voortaan ook responsabiliseringsbijdrage betaald te worden voor de gewestelijke ontvangers. Het gaat om een bedrag van 1,3 miljoen euro dat niet voorzien is in de cijfers van voorliggende meerjarenraming. De 6de staatshervorming heeft een impact op de personeelsbehoeften van Bestuurszaken gegeven haar rol als horizontaal beleidsdomein. Uit een eerste inschatting blijkt dat Bestuurszaken een behoefte heeft van 58 VTE (dit is exclusief eventueel eigen beheer (schoonmaak en catering) van de gebouwen en dus louter voor horizontale taken). Er heerst wel nog grote onduidelijkheid over het beheer van de gebouwen die overkomen met de 6de staatshervorming. Wie staat momenteel in voor het beheer van de federale gebouwen? Wie zal in de toekomst instaan voor het beheer? In de mate dat AFM moet instaan voor het beheer van de gebouwen, zal AFM een deel van de over te hevelen werkingsbudgetten claimen. Tot slot dient ook nog te worden vermeld dat het bij ongewijzigd beleid ook niet duidelijk is of er inzake het rampenfonds in een afdoende financiering voorzien is. Sowieso is hierbij het aantal en de zwaarte van rampen moeilijk te ramen.
3.3.3 Financiën en Begroting
a.
Huidige bevoegdheden
In 2014 zal er 17,5 miljoen euro benodigd zijn voor het ondervangen van het effect van de overschrijding van de spilindex van november 2014 op het vakantiegeld 2015, dat conform de vigerende aanrekeningsregels aangerekend wordt in 2014. Dit betekent een daling van de te voorziene kredieten in het technisch herzien budget met 121,5 miljoen euro ten aanzien van de begrotingsopmaak 2014.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
De budgettaire effecten van de voorziene overschrijdingen van de spilindex in de periode 2015-2019, alsook het op kruissnelheid brengen van het effect van de overschrijding van de spilindex van november 2014 worden vanaf 2015 voorzien op de functionele begrotingsartikelen. De indexprovisie wordt dus vanaf 2015 op 0 gezet wat een verdere daling betekent van 17,5 miljoen euro ten opzichte van het herziene budget 2014. Door de daling van de Lotto-ontvangsten wordt het variabel Lotto-deel à rato van 860 duizend euro geschrapt met ingang van het jaar 2014. Voor de verwachte meerkosten voor de bijdrage aan de pool der parastatalen (verwachte groei van de bijdragevoet met 1% per jaar vanaf 2016) wordt tegen 2019 een meerkost verwacht van 11,2 miljoen euro. In afwachting van een concrete invulling van de versnelling van het efficiëntietraject wat moet resulteren in een verlaging van het aantal koppen in de Vlaamse administratie tegen het einde van de afgelopen legislatuur met 6,5% (i.p.v. 6%) wordt de voorziene extra besparing in loonkredieten a rato van 5,1 miljoen euro doorgetrokken binnen het beleidsdomein FB. Tot slot wordt er in een jaarlijks cumulatieve kredietverhoging van 6,3 miljoen euro voorzien voor het ondervangen van de budgettaire effecten van de vergrijzing van het ambtenarenkorps, de zgn. weddedrift. Met ingang van het jaar 2015 zal de bijzondere wet van 5 mei 2003 worden opgeheven. De bedragen van de responsabiliseringsbijdrage voor de periode 2015-2020 worden nominaal in art 65 quinquies van de BFW vermeld en evolueren van 84,5 miljoen in 2015 naar 121,7 miljoen in 2019. Deze bedragen zullen echter afgehouden worden op de overdrachten in het kader van de nieuwe bijzondere financieringswet waardoor binnen de uitgavenbegroting m.b.t. het beleidsdomein Financiën en Begroting niets meer voorzien moet worden. De compensaties aan gemeenten en provincies voor de gederfde inkomsten ingevolge de volledige vrijstelling van de onroerende voorheffing (O.V.) voor het kadastraal inkomen (K.I.) ingevolge de vermindering van de O.V. voor energiezuinige woningen en gebouwen nemen jaarlijks toe met 1 miljoen euro, om vanaf 2018 recurrent 10 miljoen euro te bedragen. De verwachte toerekenbare rente daalt van 110,8 miljoen euro in 2014 tot 64,1 miljoen euro in 2019. In 2014 wordt de EMTN-lening die op eindvervaldag gekomen is in maart ten bedrage van 1,25 miljard euro volledig opgevangen op de korte termijn dankzij de terugbetalingen van KBC vorig jaar (1,75 miljard euro) en begin dit jaar (500 miljoen euro). Volgens de huidige inschatting en met een goede mix van lange en korte termijnrentevoeten wordt er in 2015 en 2016 respectievelijk 1 miljard euro en 400 miljoen euro opgehaald aan nieuwe EMTN-uitgiftes. De verwachte toerekenbare rente voor EMTN-leningen neemt hierdoor toe in 2015 met 19,2 miljoen euro tot 113,8 miljoen euro. Vanaf 2016 daalt de verwachte rente voor EMTN-leningen van 107,1 miljoen euro tot 54,5 miljoen euro in 2019. De verwachte rente op de andere LT-leningen daalt van 10,9 miljoen euro in 2014 tot 3,7 miljoen euro in 2019. Voor de herfinanciering van de lening van Diestsepoort op 5 januari 2014 wordt de kredietbehoefte op 1,8 miljoen euro geraamd in 2014. Het Vlaams Gewest zal immers deze financiering op zich nemen om dit dan aan markconforme voorwaarden toe te kennen aan NV Diestsepoort. In 2019 wordt de verwachte kredietbehoefte hiervoor geraamd op 1,6 miljoen euro. Voor de korte termijnbehoefte wordt er vanuit gegaan dat alles wordt opgevangen via de kredietlijn. Afhankelijk van de rentestand zal gekeken worden of er nieuwe BCP-uitgiftes zullen gebeuren. De KT rentebehoefte wordt geraamd op 3,0 miljoen euro in 2015 tot 4,3 miljoen euro in 2019.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Vanaf 1 januari 2015 neemt het IVA Vlabel de administratieve dienst van de inning en invordering van de successie- en de registratierechten over van de FOD Financiën. De uitgaven nemen hiervoor toe met de in de bijzondere financieringswet voorziene toelage van 24,4 miljoen euro.
b.
Nieuwe bevoegdheden
In het kader van de bij de 6de staatshervorming voorziene overdracht van de federale aankoopcomités naar de gemeenschappen en gewesten werd een personeelsoverdracht van 109 VTE tezamen met bijhorende kredieten ten belope van 10,6 miljoen euro voorzien.
c.
Aandachtspunten
Op basis van het voorlopig winstverdelingsplan 2014 wordt de netto opbrengst van de winst van de Nationale Loterij geraamd op 33.754 duizend euro. Net als in de begroting 2013 wordt het vast deel (= 34.055 duizend euro) van de winst van de Nationale Loterij integraal ingeschreven op de diverse functionele begrotingsartikelen in meerjarig perspectief. Het tekort aan Lotto-middelen ten opzichte van het vast deel kan derhalve becijferd worden op 301 duizend. Op 20/9/13 besliste de Vlaamse Regering een maatregel met het oog op de versnelde afbouw van belastbaar Kadastraal Inkomen op materieel en outillage ingevolge nieuwe bedrijfsinvesteringen waarvan de kostprijs 15 miljoen euro extra op jaarbasis bedraagt gedurende 3 jaar dus 45 miljoen euro op kruissnelheid in 2017/2018. Deze meerkost kan echter binnen de bestaande kredieten opgevangen worden. Voor het project kilometerheffing moet vanaf 2015 een jaarlijkse dotatie voorzien worden aan VIAPASS ten belope van 1,3 miljoen euro. Vanaf 2016 moet een jaarlijks te indexeren beschikbaarheidsvergoeding van 73,5 miljoen euro voorzien worden. Daarnaast moet er in 2016 een eenmalige mijlpaalvergoeding betaald worden van (maximaal) 73,5 miljoen euro. Tegenover deze uitgaven staan ook extra inkomsten uit de kilometerheffing die op 455 miljoen euro geraamd worden (exclusief de vermindering van het eurovignet). Vanaf 1 januari 2015 neemt het IVA Vlabel de administratieve dienst van de inning en invordering van de successie- en de registratierechten over van de FOD Financiën. De overname van de dienst van de successierechten en de registratierechten heeft tot gevolg dat de behoefte aan apparaatskredieten (loon en werking) van het IVA Vlabel een opstoot zal vertonen. De benodigde budgetten werden door Vlabel geraamd op 28,1 miljoen euro. Hiertegenover staat dat de bijzondere financieringswet voor de bedoelde overname eveneens een bijkomende toelage voorziet. Deze toelage kan voor begrotingsjaar 2015 op 24,4 miljoen euro geraamd worden, waardoor er in 2015 een tekort is van 3,7 miljoen euro. De nieuwe regelgeving inzake het verstrengde Europees begrotingstoezicht op de lidstaten heeft een belangrijke impact op het begrotingsbeleid, de begrotingsagenda en de rapportering van de Vlaamse overheid en de lokale overheden en vereist derhalve de inzet van bijkomend personeel. Deze behoefte wordt geraamd op 1 niveau A en 1 niveau B voor het departement Financiën en Begroting. In navolging van de door de Vlaamse Regering besliste verdere uitrol van Orafin zal er in 1 extra VTE technische support en een jaarlijkse verhoging van het personeelsbestand van de afdeling systeemexploitatie voorzien moeten worden. De gemiddelde loonkost voor een niveau B wordt geraamd op 38 duizend euro. Ook verwachten we een toename van de licentiekost met 64 duizend euro.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
In het kader van de bij de 6de staatshervorming voorziene overdracht van de federale aankoopcomités naar de gemeenschappen en gewesten werd een personeelsoverdracht van 109 VTE tezamen met bijhorende personeelskredieten ten belope van 8,6 miljoen euro voorzien. Er werd echter geen rekening gehouden met de taken die de federale dienst Opmetingen en Waarderingen uitoefenen in opdracht van de federale aankoopcomités. Daar deze dienst niet overkomt dienen voor de uitvoering van deze taken 2 personen per aankoopcomité ter beschikking gesteld wat voor de Vlaamse aankoopcomités 16 medewerkers impliceert of een weddelast van ongeveer 1 miljoen euro. Ook op het vlak van horizontale ondersteuning zoals ICT en managementondersteuning (personeel, boekhouding, logistiek) valt er in de opstartfase een (deels) eenmalige meerkost te verwachten. Ten opzichte van de middelen die overkomen in het kader van de nieuwe BFW wordt de totale meerkost voor de Vlaamse aankoopcomités geraamd op 2 miljoen euro in 2015, 1 miljoen euro in 2016 om dan af te nemen naar recurrent 0,5 miljoen euro vanaf 2018. Ook het budget van het VFLD zal proportioneel moeten stijgen met de “lasten uit het verleden” die mee overkomen met de beleidsmateries in het kader van de 6de staatshervorming. Voor de berekening van de stijging van de uitgaven van het VFLD werd als basis enerzijds het geraamde totaalbudget voor alle bevoegdheden die vanaf 2015 door de 6de staatshervorming aan de Vlaamse overheid zullen worden overgedragen, anderzijds de begroting 2014 van het VFLD in verhouding tot het huidige totaalbudget van de Vlaamse overheid. De berekening leidt op die manier tot een verhoging van de jaarlijkse lasten van het VFLD met 11,5 miljoen euro. Voor de pooling van de verzekeringen wordt gelet op de verwachte stijging van de aangesloten entiteiten een stijging van het makelaarsloon met 100 duizend euro verwacht. Voor de bijkomende begrotingsopvolging inzake de nieuwe bevoegdheden in het kader van de 6de staatshervorming wordt ingeschat dat er 1 extra VTE niveau A ingezet zal moeten worden voor het departement Financiën en Begroting. De 6de staatshervorming zorgt tevens voor een uitbreiding van de Vlaamse fiscale autonomie via de invoering van het model van uitgebreide opcentiemen en via de overdracht van fiscale uitgaven. Voor het departement resulteert dit in bijkomende opdrachten inzake beleidsondersteuning en regelgeving waarvoor 1 extra VTE niveau A ingezet zal moeten worden voor het departement Financiën en Begroting. Ingevolge de uitrol van Vlimpers en Orafin en de 6de staatshervorming dient de huidige personeelsbezetting van de dienst derdengeschillen binnen het departement Financiën en Begroting uitgebreid te worden met 2 bijkomende niveau’s C - 1 in 2015 en 1 in 2018- waarbij we uitgaan van een gemiddelde loonkost voor een niveau C van 33 duizend euro.
3.3.4 Internationaal Vlaanderen
a.
Huidige bevoegdheden
In het kader van het SALK werd er in 2014 een beleidskrediet van 13 miljoen euro voorzien voor vrijetijdseconomie.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
In de periode 2010-2011 werd er door middel van een vooruitschuifoperatie extra machtiging toegekend voor de “inhaalbeweging jeugdverblijfinfrastructuur” voor een totaal bedrag van 18 miljoen euro. In de begrotingsjaren 2012, 2013 en 2014 werd de recurrente machtiging van Toerisme Vlaanderen gradueel verlaagd om deze vooruitschuifoperatie te financieren. Vanaf het begrotingsjaar 2015 zal de vooruitschuifoperatie afgelopen zijn en zal de machtiging terug toenemen met 7,8 miljoen euro. Gelet op de dalende ontvangsten uit de verkoop van overtollige gebouwen, nemen ook de hieraan gekoppelde beleidskredieten in de periode 2015-2017 met 2,1 miljoen euro af.
b.
Aandachtspunten
Onder doelstelling 2.5.1 van Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering het engagement genomen om tussen 2008 en 2020 de bijdrage van Vlaanderen aan ontwikkelingssamenwerking (ODA) te verdubbelen van 48,3 miljoen euro naar 86,8 miljoen euro. Daar de Vlaamse ODA in 2013 56,1 miljoen euro bereikte, rest er nog een te realiseren inspanning van 30,7 miljoen euro in de periode 2014-2020, of gemiddeld 4,38 miljoen euro per jaar (5,12 miljoen per jaar indien er in 2014 geen bijkomend budget meer voorzien wordt). Een deel van deze ODA inspanning zal wellicht gelinkt kunnen worden aan de budgettaire inspanning die van Vlaanderen verwacht wordt teneinde aan de internationale klimaatverplichtingen te voldoen (via ondersteuning van klimaatgerelateerde projecten of programma’s in landen in ontwikkeling). Ingevolge een historische achterstand inzake stortingen in het 2de pijler pensioenfonds van een aantal personeelsleden (uitvloeisel van de 3de staatshervorming) wordt het FIT geconfronteerd met een budgettaire meeruitgave van 300 à 400 duizend euro (de overige helft zal – ingeval van goedkeuring van het dossierbijgepast worden door het VFLD). Ingevolge de overkomende bevoegdheden in het kader van de 6de staatshervorming zal het departement Internationaal Vlaanderen moeten instaan voor bijkomende horizontale opvolging en coördinatie van internationale dossiers. In de budgettaire boordtabellen inzake de 6de staatshervorming worden hier momenteel geen middelen voor voorzien.
3.3.5 Economie, Wetenschap en Innovatie
a.
Huidige bevoegdheden
In het kader van het competitiviteitspact wordt er in 2014 45 miljoen euro, waarvan 25 miljoen euro recurrent, uitgetrokken voor bijkomende investering in onderzoek en ontwikkeling. Binnen ditzelfde competitiviteitspact wordt ook 26 miljoen euro eenmalig voorzien voor uitgaven inzake carbon leakage binnen het Hermesfonds. In 2014 werd eenmalig 4,4 miljoen euro aan bijkomende beleidskredieten voorzien voor innovatie, waarbij het budget komt uit de provisie van 24 miljoen euro zoals in 2013 aangelegd voor het SALK. Voor de implementatie van het decreet integratie binnen het hoger onderwijs wordt er – naast de voorziene middelen vanuit het beleidsdomein Onderwijs en Vorming – vanuit de EWI-begroting een bijkomende bijdrage voorzien van gecumuleerd 13,8 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 t.o.v. begrotingsjaar 2014.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Ten gevolge de verdere ontplooiing van het Vlaams Energiebedrijf, conform het door de Vlaamse Regering goedgekeurde businessplan, groeien de beleidskredieten aan tot 118,8 miljoen euro in 2019. Hiertegenover staan ook ontvangsten ten belope van 122,5 miljoen euro waardoor de impact op het vorderingensaldo positief is.
b.
Nieuwe bevoegdheden
Voor het vergunningsbeleid met betrekking tot handelsvestigingen, de prijzencontrole en de toegang tot het beroep, wordt er in 2015 een budget van 700 duizend euro voorzien. In het kader van de uitgaven voor de inkomenscompensatievergoeding inzake de hinder bij openbare werken wordt er een krediet van 653 duizend euro ingeschreven. Voor het Startersfonds wordt een jaarlijkse toelage van 1,8 miljoen euro uitgetrokken. Deze dient enerzijds voor startersbegeleiding en anderzijds kan deze toelage ook deels aangewend worden ter financiering van het beheer van het Participatiefonds Vlaanderen en eventuele verliezen op verstrekte leningen. Voor de kapitalisatie van het Participatiefonds Vlaanderen zelf wordt voorzien in een totaal budget van 106 miljoen euro (ESR-8), dat in 8 jaarlijkse schijven ter beschikking zal worden gesteld. De activiteiten van het Kefik worden stopgezet en niet geregionaliseerd. Het overgedragen budget van 254 duizend euro wordt evenwel beschikbaar gesteld voor het regionaliseren van de activiteit. Vanaf 2018 wordt er jaarlijks 17,7 miljoen voor interuniversitaire attractiepolen ter beschikking gesteld.
c.
Aandachtspunten
Het Agentschap Ondernemen verwacht een budgettaire meerkost van circa 600 duizend euro wat betreft de uitgaven voor de inkomenscompensatievergoeding inzake hinder bij openbare werken dan zoals voorzien in de budgettaire boordtabel aangaande de 6de staatshervorming. Wat het Participatiefonds Vlaanderen betreft is er begin 2015 een extra kapitaalsverhoging van 10 miljoen euro nodig om alle financiering te kunnen verderzetten. Idem voor 2016. Daarnaast is ook een beheersvergoeding nodig van ongeveer 2 miljoen euro per jaar, indien de continuïteit van de dienstverlening aan dezelfde modaliteiten dient te worden gegarandeerd. Eind 2022 zullen de activa en passiva van het federaal Participatiefonds – dat vanaf juli 2014 als lichte structuur de uitstaande leningen zal afhandelen – verdeeld worden over de gewesten.
3.3.6 Onderwijs en Vorming
a.
Huidige bevoegdheden
De uitgaven voor de lonen in het leerplicht- en volwassenenonderwijs in 2014 worden opnieuw geraamd op basis van het werkelijke aantal leerkrachten in 2013. Dit leidt tot een negatieve bijstelling van de lonen met ongeveer 24 miljoen euro in het technisch herzien budget 2014 en de daaropvolgende jaren. De uitgaven voor de lonen in het leerplichtonderwijs kennen een globale stijging van 268 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van de cijfers begrotingsopmaak 2014. Deze toename valt uiteen in meerdere verklarende elementen:
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
••
•• ••
•• •• ••
Vooreerst geeft de evolutie van de verwachte leerlingenaantallen in het basis- en secundair onderwijs aanleiding tot een toename van de kredieten met 200 miljoen euro. Deze evolutiecijfers van de verwachte leerlingenaantallen zijn aangepast met nieuw bijgestelde elasticiteitscoëfficiënten. Niet alleen is er een blijvende stijging van de leerlingenaantallen in het basisonderwijs te verwachten, maar ook in het secundair onderwijs wordt een kentering in de evolutie van de leerlingenaantallen verwacht. Zo zal vanaf het begrotingsjaar 2017 de verwachte leerlingenevolutie van negatief naar positief tenderen. Dit is ook logisch gegeven de verhoogde doorstroom van leerlingen vanuit het basisonderwijs. In de huidige meerjarenraming wordt een vergrijzingscoëfficiënt van 0,2% gehanteerd waarbij het bijkomend budgettair effect in begrotingsjaar 2019 t.o.v. begrotingsjaar 2014 op 90 miljoen euro wordt geraamd, hetzij een jaarlijkse toename met 18 miljoen euro. De afschaffing van de TBS-maatregel in samenhang met de federale pensioenhervorming laat een daling van de benodigde loonkredieten toe en leidt tot een besparing van 61 miljoen euro in 2019 ten opzichte van 2014. Door de effecten van de federale pensioenhervorming op de vergrijzing, wordt het besparend effect van de afschaffing van de TBS-maatregel in beperkte mate teniet gedaan. Dit vergrijzingseffect neemt doorheen de tijd toe en zit mee verrekend in de verhoogde vergrijzingscoëfficiënt. De afbouw van de overgangsmaatregel voor het decreet basisonderwijs geeft aanleiding tot een daling van de loonkredieten met 1,6 miljoen euro vanaf begrotingsjaar 2016. Ingevolge de 6de staatshervorming en het overkomen van de bevoegdheid inzake gezinsbijslag, zal vanaf nu een werkgeversbijdrage van 1,4% voor statutair- en 7% voor het contractueel onderwijzend personeel aangerekend worden met betrekking tot de gezinsbijslag. Dit heeft een recurrente kost van 6,5 miljoen euro tot gevolg vanaf 2015. Tot slot zal de geldelijke anciënniteit van de zij-instromers in het onderwijs vanaf 1 september 2014 gehonoreerd worden. Hierdoor stijgen de kosten elk jaar met minstens 6 miljoen euro.
De werkingsmiddelen voor het basis- en secundair onderwijs nemen toe met een bedrag van 10 miljoen euro door de leerlingenevolutie in begrotingsjaar 2019 t.o.v. begrotingsjaar 2014. Aangezien er geen elasticiteitscoëfficiënten worden toegepast en er een vertraagd effect is van de leerlingenevolutie op de werkingsmiddelen, is er verhoudingsgewijs een minder uitgesproken effect op evolutie van de kredieten dan bij de loonkredieten Voor de loonkredieten van het personeel van de basiseducatie en het volwassenenonderwijs wordt een jaarlijkse stijging van het lestijdenpakket met respectievelijk 2,59% en 0,8% in rekening gebracht. Dit komt neer op een jaarlijkse cumulatieve toename van de loonkredieten voor de basiseducatie en het volwassenenonderwijs met een bijkomende 5 miljoen euro. De centra voor de basiseducatie zullen bovendien als gevolg van de toename van het lestijdenpakket met 2,59% per schooljaar telkenmaal ongeveer 0,2 miljoen euro aan bijkomende werkingsmiddelen ontvangen. Daarnaast wordt er ook nog binnen het volwassenenonderwijs voor 8 miljoen euro aan bijkomende kredieten voorzien vanaf begrotingsjaar 2015 in het kader van het inburgeringsbeleid via de cursussen Nederlands tweede taal. Met deze 8 miljoen euro komt de in het begrotingsjaar 2014 voorziene opstart van deze versterking op kruissnelheid. Bepaalde projecten lopen ten einde of zijn niet jaarlijks wederkerend op het vlak van benodigde vastlegging. De kredieten voor de overheidsopdracht Klasse worden 2-jaarlijks voorzien waardoor er een verhoging is ten belope van 3,6 miljoen in de even begrotingsjaren. Daarnaast worden de benodigde
03 / DE UITGAVENBEGROTING
vastleggingskredieten voor de 4-jaarlijkse financiële controle voor een bedrag van 1 miljoen euro éénmalig voorzien in 2016. De bij de begrotingsopmaak 2014 eenmalig toegekende investeringskredieten voor de klassieke wachtlijsten infrastructuur (30 miljoen euro) en deze voor capaciteit (50 miljoen euro) worden terug in mindering gebracht van de kredieten vanaf 2015. Dit heeft een daling van de beschikbare beleidskredieten met 80 miljoen euro tot gevolg. Rekening houdende met de actueel gekende evoluties zullen in 2015 het aantal financieringspunten bij de universiteiten, de professionele bachelors en het hoger kunstonderwijs met ten minste 2% zijn gestegen ten opzichte van de huidige referentiepunten. Hierdoor zullen de middelen voor het variabel onderwijsdeel van de professionele bachelors, de universiteiten en het hoger kunstonderwijs met 2% toenemen, wat neerkomt op een stijging met respectievelijk 8,7 miljoen euro, 7,4 miljoen euro en 1,3 miljoen euro. Deze positieve klik zal zich voor het variabel onderwijsdeel van de professionele bachelors en het hoger kunstonderwijs herhalen tot en met 2017, terwijl voor het variabel onderwijsdeel van de universiteiten gedurende de periode 2015-2019 jaarlijks een klik met 2% verwacht wordt. Voor het bepalen van het aantal klikken is geen rekening gehouden met toekomstige evoluties van het aantal financieringspunten. Het mogelijke effect hiervan wordt evenwel als beperkt of niet bestaand beschouwd. Tegelijk met de verhoging van het variabele onderwijsdeel wordt ook voor het variabel onderzoeksdeel van de universiteiten een jaarlijkse stijging van de toelagen met 6,2 miljoen euro verrekend teneinde een verhouding van 45/55 tussen onderzoeksmiddelen en onderwijsmiddelen te behouden. Voor de werkingsmiddelen van de Hogere Zeevaartschool wordt ook jaarlijks een klik verwacht. Hierdoor zullen de kredieten van de Hogere Zeevaartschool jaarlijks met 0,9 miljoen euro toenemen. Naar aanleiding van de TBS-hervorming wordt er gecumuleerd in 2019 nog een besparing van 7 miljoen euro in het hoger onderwijs verwacht. Globaal gezien zullen de werkingsuitkeringen van de universiteiten en de hogescholen tegen begrotingsjaar 2019, als gevolg van deze evoluties, met 98 miljoen euro toenemen ten opzichte van begrotingsjaar 2014. Tenslotte wordt wat de werkingstoelage van de universiteiten en hogescholen betreft de éénmalige vermindering van 12 miljoen euro naar aanleiding van de begrotingsmatige inkanteling van de hogescholen in de universiteiten teruggedraaid. Naast de evolutie in het aantal financieringspunten nemen de kredieten voor het hoger onderwijs ook toe in het licht van het decreet integratie van het hoger onderwijs. De jaarlijkse toename voor de onderwijsbegroting bedraagt jaarlijks tussen de 14,8 en 17,8 miljoen euro, zodat in begrotingsjaar 2019 de voorziene kredieten naar aanleiding van dit decreet 78,3 miljoen euro hoger liggen dan in begrotingsjaar 2014. De middelen voor de aflossingen van het nieuwe centrum voor locomotorische en neurologische revalidatie en uitbreiding van UZ Gent zullen vanaf 2015 binnen onderwijs gecompenseerd moeten worden. Gelet op de verwachte leerlingenevoluties in het basis-, secundair en hoger onderwijs zullen de kredieten voor de studie- en schooltoelagen met 3,3 miljoen euro, exclusief index, toenemen tegen begrotingsjaar 2019 t.o.v. begrotingsjaar 2014.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
b.
Aandachtspunten
Ingevolge de goedkeuring van het finale decreet ODXXIV zijn er onder meer extra middelen noodzakelijk voor de K-diensten ten belope van 664.000 euro. Het betreft het wegwerken van de onderfinanciering van onderwijs op maat voor kinderen in een psychiatrische instelling. Daarnaast dient er ook voor 800 duizend euro extra middelen ter beschikking gesteld te worden voor de vzw Bednet die toelaat aan langdurig zieke kinderen om onderwijs te volgen. Tenslotte zal de aanpassing van de bepalingen omtrent de inschrijvingsgelden en de betalingen van het Deeltijds Kunstonderwijs aanleiding geven tot een minderontvangst van 3 miljoen euro in 2015 die door een stijging van de inkomsten de jaren daarna echter intertemporeel neutraal zal zijn. De budgettaire inpassing van bovenstaande maatregelen dient nog uitgeklaard te worden. Het vanaf 2015 schrappen van de éénmalige kredieten voor de klassieke wachtlijsten infrastructuur (30 miljoen euro) en deze voor capaciteit (50 miljoen euro) die bij de begrotingsopmaak 2014 zijn toegevoegd, wordt als aandachtspunt opgenomen. Ook wordt in voorliggende meerjarenraming uitgegaan van substitutie tussen middelen die momenteel voor het wegwerken van de klassieke wachtlijsten worden ingezet (waarin momenteel 75 miljoen euro is inbegrepen die in het verleden door de Vlaamse Regering is voorzien voor het opvangen van toenemende beschikbaarheidsvergoedingen) door recurrente beschikbaarheidsvergoedingen die betaald dienen te worden in het kader van de het DBFM-project Scholen van Morgen ten belope van een nog te indexeren bedrag op kruissnelheid van 102 miljoen euro. De investeringsruimte van Agion en GO! wordt hierdoor immers sterk beknot. Daarnaast is er ook nog een kost inzake eenmalige beschikbaarheidsvergoedingen waar nog dient uitgemaakt of deze kost ook via substitutie of via extra middelen zal gefinancierd worden. Wat betreft de busbegeleiding voor het leerlingenvervoer zal er een jaarlijkse opstap zijn van om en bij de 0,7 miljoen euro omwille van ritduurverminderingen en leerlingengroei. Het structureel tekort bedraagt 2 miljoen euro en wordt tot op heden weggewerkt via de begrotingsuitvoering. Voor de fietsvergoedingen dient er jaarlijks een opstap van 0,6 miljoen euro voorzien te worden. Het structureel tekort bedraagt ongeveer 5 miljoen euro. Verder dient ook rekening gehouden te worden met een rechterlijke beslissing die stelt dat ook vanaf 2016 het universitair personeel mag genieten van deze voordelen. Het betreft een benodigde stijging van de middelen met ongeveer 3,2 miljoen euro. De middelen voor de aflossingen van het nieuwe centrum voor locomotorische en neurologische revalidatie en uitbreiding van UZ Gent zullen vanaf 2015 binnen onderwijs gecompenseerd moeten worden. Daarnaast blijft er nog één openstaande schijf van 2011 over die nog in de begroting moet voorzien worden.
3.3.7 Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
a.
Huidige bevoegdheden
In begrotingsjaar 2015 wordt een laatste opstap van 0,9 miljoen euro voorzien ter uitvoering van de sectorale maatregelen van het vierde Vlaams Intersectoraal Akkoord voor de social-/ non-profitsectoren (VIA IV). Deze middelen komen in overeenstemming met het akkoord terecht bij de thuiszorg. Binnen de werking van het VIPA wordt ter uitvoering van de bij begrotingsopmaak 2014 toegestane engagementen voor de alternatieve procedure in resp. 7 miljoen euro aan bijkomende beleidskredieten in begrotingsjaar 2015, en een extra 3 miljoen euro in begrotingsjaar 2016, voorzien t.o.v. de reeds bij begrotingsopmaak 2014 voorziene 189,5 miljoen euro.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Wat betreft de klassieke procedure wordt de eenmalige opstap aan beleidskredieten ter waarde van 13 miljoen die toegekend werd bij begrotingsopmaak 2014 terug uit het machtigingskrediet verwijderd vanaf 2015. Vanuit de competitiviteitsprovisie werd in 2014 eenmalig 5 miljoen euro aan de beleidskredieten binnen de klassieke financiering toegekend. Deze 5 miljoen euro wordt vanaf 2015 niet langer toegekend. Voor het Fonds Jongerenwelzijn worden jaarlijks 0,8 miljoen euro extra beleidskredieten voorzien ter ondersteuning van pleegplaatsingen, internaten en preventieve sociale actie. Deze stijgingen leiden dus tot een totale cumulatieve verhoging van de kredieten met 4 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van begrotingsjaar 2014. De extra uitgaven ter ondervanging van het VIA-I akkoord voor het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap worden geraamd op 5,6 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van begrotingsjaar 2014. De toelage aan het Zorgfonds wordt jaarlijks verhoogd. Hierbij wordt – gelet op de stijging in de voorbije jaren - een jaarlijkse stijging van het aantal dossiers in de mantel- en thuiszorg verondersteld met 3,5%. Daarnaast wordt er vanaf 2015 een jaarlijkse verhoging van het aantal bedden in de residentiële zorg met 1.500 verwacht. Voor het begrotingsjaar 2014 wordt eenmalig een stijging met 4.000 bedden verwacht, gelet op de reeds beschikbare cijfers 2014 en gelet op het invoeren van de erkenningskalender en het overdragen van de bevoegdheid vanaf 2015. Deze stijgingen leiden tot een totale cumulatieve verhoging van de toelage met 61 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van het voorlopig voorziene krediet voor het begrotingsjaar 2014. Binnen het Agentschap Zorg en Gezondheid wordt er ruimte voorzien om het urencontingent gezinszorg jaarlijks met 2,5% te laten uitbreiden. Dit betekent een totale cumulatieve verhoging van de kredieten met 70,6 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van begrotingsjaar 2014 ofwel een jaarlijkse opstap van gemiddeld 14,1 miljoen euro. Daarnaast stijgen de kredieten voor het thuis- en ouderenzorgbeleid jaarlijks met 1 miljoen euro omwille van het groeipad animatiewerking in de erkende woonzorgcentra. Tenslotte worden de beleidskredieten voor de bouw van serviceflats afgebouwd aangezien de vastleggingen van de geplande investeringen aflopen. Tussen begrotingsjaar 2014 en begrotingsjaar 2016 dalen de beleidskredieten voor de bouw van serviceflats met 2,3 miljoen euro, waardoor ze in feite volledig vervallen. Ter compensatie van de weddedrift in de verschillende sectoren wordt geraamd dat in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van begrotingsjaar 2014 57,9 miljoen euro meer kredieten zullen benodigd zijn bij het VAPH, Jongerenwelzijn, Kind en Gezin en de Centra Algemeen Welzijnswerk. Voor 2014 werd 2,6 miljoen euro beleidskrediet voorzien vanuit het SALK ter bestrijding van de kinderarmoede en 465 duizend euro voor gezonde voeding. Ook de toelage aan Kind en Gezin wordt in 2014 en 2015 vanuit het SALK met 0,9 miljoen euro verhoogd ter financiering van het project Kind en Taal. Tegelijk werd vanuit de competitiviteitsprovisie recurrent 4 miljoen euro voorzien ter ondersteuning van de zelfstandige kinderopvang.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
b.
Nieuwe bevoegdheden
Door de 6de staatshervorming wordt een stijging van de uitgaven van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin geraamd met 6,4 miljard euro in 2015 en 7 miljard euro in 2016. Daarbovenop wordt in 2017, 2018 en 2019 een stijging bovenop deze uitgaven geraamd van respectievelijk 93 miljoen euro, 91,5 miljoen euro en 102,8 miljoen euro. In de tabel in bijlage II wordt een opdeling gemaakt van de geraamde uitgaven per bevoegdheid. Hieronder worden kort de grootste budgetten besproken. De grootste overgedragen bevoegdheid betreft de gezinsbijslag. De kost hiervan wordt voor 2015 geraamd op 3,6 miljard euro. Deze raming werd aangeleverd door de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers. Bij ongewijzigd beleid wordt in 2019 een kost geraamd van 3,73 miljard euro, wat een jaarlijkse gemiddelde stijging van 27,5 miljoen euro inhoudt. Ter berekening van deze stijging werd de evolutie van het aantal 0 tot 18-jarigen als proxy gehanteerd. De overgedragen bevoegdheid betreffende de residentiële ouderenzorg veroorzaakt een stijging van de geraamde beleidsuitgaven met 1,81 miljard euro in 2015. Deze raming is gebaseerd op een PxQ analyse waarbij de prijs per gefactureerde dag ‘ROB’ voor 2015 geraamd werd op 40,5 euro voor 34.128 plaatsen en de prijs van een gefactureerde dag ‘RVT’ op 60,75 euro voor 43.471 plaatsen. Rekening houdende met een bezettingsgraad van resp. 99% en 93% komen we aldus aan een raming van 1,43 miljard euro. Daarnaast zijn er ook nog diverse andere kosten, waarvan de belangrijkste bestaan uit de uitvoering sociaal akkoord ten belope van 336 miljoen euro en de subsidiëring van de dagverzorgingscentra voor 30 miljoen euro. Jaarlijks wordt een stijging met een 30-tal miljoen euro geraamd voor deze uitgaven, waardoor in 2019 een kost van 1.935 miljoen euro geraamd wordt. Deze stijgende kost wordt in de eerste plaats gestuurd door de groei van het aantal erkende en gesubsidieerde bedden in de Rustoorden voor Bejaarden (ROB). Vanaf 2015 wordt een jaarlijkse groei van 1.500 bedden geraamd (cfr. Zorgfonds). Wat betreft de financiering van de ziekenhuisinfrastructuur komt de budgettaire bevoegdheid pas in 2016 bij de deelstaten te liggen. In 2016 wordt de uitgave hiervoor op 554 miljoen euro geraamd, oplopend tot 663 miljoen euro in 2019. De belangrijkste reden voor de toename van deze kosten bestaat uit de momenteel nog federale tegemoetkoming in de projecten waarvoor het VIPA nu reeds een principieel akkoord verleende, maar waarvan de federale tegemoetkoming nog niet in werking is getreden. Daarnaast is er ook een effect van subsidiëring van projecten die momenteel louter door de federale overheid worden gesubsidieerd. Het gaat hier dan specifiek om investeringen in onroerende goederen, herconditioneringswerken, duurzame ontwikkeling en groot onderhoud die in gebruik genomen worden in de loop van komende legislatuur. Een andere grote uitgavenpost betreft de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden. De kost van deze overgedragen bevoegdheid wordt geraamd op 378 miljoen euro in 2015. Voorlopig wordt een stijgingspercentage van 0,4% meegenomen wat een totale geraamde kost creëert van 384 miljoen euro in 2019.
c.
Aandachtspunten
Wat het vastleggingskrediet van de klassieke financiering betreft, wenst het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden aangelegenheden (VIPA) de 13 miljoen euro die in 2015 werd verminderd in de voorziene kredieten te behouden, gezien de stijgende behoeften in de verschillende sectoren van de klassieke financiering. Het huidig vastleggingskrediet inclusief deze 13 miljoen euro is momenteel reeds ontoereikend om de ingediende dossiers te kunnen honoreren. Tegelijk merkt het VIPA op dat er geen middelen worden voorzien in de alternatieve financiering om nieuwe principieel akkoorden te verlenen.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Het Agentschap Zorg en Gezondheid signaleert dat wat de beleidskredieten voor het Zorgfonds voor 2015 en 2016 betreft, de stijging met 1.500 bedden in de residentiële ouderenzorg een onderraming is. Men verwacht een hogere stijging van het aantal bedden gelet op de te verwachten overgangsperiode bij het invoeren van de erkenningskalender vanaf 2015. Het Agentschap Zorg en Gezondheid merkt op dat in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers wordt vermeld dat jaarlijks het extra aantal te subsidiëren uren gezinszorg minstens 4% bedraagt van het totaal aantal subsidiabele uren van het voorafgaande jaar. In de huidige meerjarenraming wordt slechts een jaarlijkse groei van 2,5% afgesproken. Kind en Gezin merkt op dat in de kinderopvang een financieringskloof ontstaat doordat de ouderbijdragen minder stijgen dan de tussenkomst in de kost via subsidie-uitgaven. De ouderbijdragen stegen de laatste vijf jaren jaarlijks 1,84% minder dan de subsidie-uitgaven. Dit creëert jaarlijks een kloof van 1.638 duizend euro. Daarnaast merkt Kind en Gezin op dat de meerkost die ontstaat door de leeftijdsstijgingen van het personeel in de kinderopvang (trap twee-subsidiëring) in de huidige meerjarenraming niet opgenomen is. Voorlopig vormt dit een beperkte meeruitgave van jaarlijks 96 duizend euro. Het Agentschap Zorg en Gezondheid geeft aan dat - net zoals wat de beleidskredieten voor het Zorgfonds betreft - de stijging van het aantal bedden in de residentiële ouderenzorg in de hierboven besproken raming te laag ingeschat is. Men verwacht een hogere stijging van het aantal bedden gelet op de te verwachten overgangsperiode bij het invoeren van de erkenningskalender vanaf 2015. Gedurende deze overgangsperiode in de jaren 2015 en 2016 zou het volgens het Agentschap politiek niet haalbaar zijn om de erkenning van reeds gebouwde capaciteit uit te stellen of te vragen reeds afgesloten contracten met aannemers aan te passen. Men verwacht tevens dat de woonzorgcentra tegen eind 2014 nog meer plaatsen zullen realiseren dan in voorliggende oefening meegenomen om de erkenningskalender met ingang van 1 januari 2015 te vermijden. Het agentschap Zorg en Gezondheid merkt op dat de raming van de prijs per gefactureerde dag ‘ROB’ en ‘RVT’ zoals in voorliggende raming gehanteerd, mogelijks onderraamd is, gelet op het feit dat deze afgeleid is op basis van een totale kostprijs in het jaar 2012 enerzijds en het aantal beschikbare plaatsen in 2014 anderzijds. De toename van het aantal plaatsen diende volgens het Agentschap Zorg en Gezondheid nog gecorrigeerd te worden in de berekening van de prijs per gefactureerde dag. Een onderraming van de gemiddelde prijs voor ‘ROB’ en ‘RVT’ samen met 1 euro, betekent alvast een budgettair effect van 27 miljoen euro, wat de sensitiviteit van deze raming benadrukt. De kosten voor de bevoegdheid ziekenhuisinfrastructuur zijn volgens VIPA te laag ingeschat. VIPA wijst hiervoor op het gemiddeld stijgingspercentage van de laatste 10 jaar ten belope van 9,5%. In de voorliggende meerjarenraming wordt slechts rekening gehouden met een gemiddeld stijgingspercentage van 8%. VIPA wijst er verder op dat het stijgingspercentage bij constant beleid de volgende jaren nog hoger zal zijn dan in het verleden het geval was, aangezien er veel grote bouwkalenderprojecten, cfr. reeds door het VIPA toegekende principiële akkoorden, in gebruik zullen worden genomen. Daarnaast merkt VIPA op dat nog een aantal andere veronderstellingen die aan de basis van deze raming liggen, voor een onderraming van de totale kost zorgen. VIPA verwijst naar de verwachtingen betreffende aflopende afschrijvingen en de nog onbekende werkelijke kosten van de investeringen gerealiseerd tussen 2006 en 2013. Tegelijk is in deze
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
raming ook uitgegaan van het bevriezen van de principiële akkoorden in de alternatieve VIPA-financiering. Tenslotte zijn de huidige cijfers wat betreft de investeringen 2014 waarop de raming is gebaseerd een onderschatting, aangezien men zich baseert op een bevraging georganiseerd in de sector waarop slechts ongeveer 85% van de ziekenhuizen heeft gereageerd. Wat betreft de bevoegdheid Justitiehuizen is een personeelstoename waarschijnlijk onvermijdelijk gezien de evolutie van het aantal dossiers en anderzijds de nieuwe wetgeving die in de loop van 2014 wordt geïmplementeerd. Het departement WVG geeft aan dat voor deze bevoegdheid minstens 45 VTE (niveau B) meer moeten worden ingezet dan dat er in de huidige raming voorzien is.
3.3.8 Cultuur, Jeugd, Sport en Media
a.
Huidige bevoegdheden
De kredieten van het FoCI werden in mei 2014 eenmalig verhoogd met ruim 6,1 miljoen euro via een herverdelingsbesluit. Deze verhoging komt bovenop de bij begrotingsopmaak 2014 reeds doorgevoerde eenmalige verhoging van 31,3 miljoen euro voor het vastleggen van de 2de fase van de renovatie van het KMSKA. Het eenmalig krediet van 37,4 miljoen euro wordt vanaf 2015 weer in mindering gebracht van de kredieten. Ter compensatie van de bijkomende eenmalige verhoging van 6,1 miljoen euro, wordt ditzelfde bedrag over twee jaar gespreid in de periode 2015 en 2016 afgehouden van de investeringsmachtiging van het FoCI. Verder loopt in begrotingsjaar 2015 ook de 5-jarige periode af waarin jaarlijks 4 miljoen euro compensatie vanuit de FOCI-machtiging wordt geboden voor de volledige vastlegging van het project Waalse Krook in 2010, waardoor de beleidskredieten vanaf 2015 met 4 miljoen euro toenemen. Voor de subsidies binnen het sportinfrastructuurplan voor projecten gefinancierd via PPS wordt in voorliggende meerjarenraming uitgegaan van een toename van deze subsidies tot jaarlijks 8,5 miljoen euro in begrotingsjaar 2019. In begrotingsjaar 2016 wordt 0,4 miljoen euro ingeschreven voor de deelname van de Vlaamse topsporters aan de Olympische Spelen in Rio de Janeiro. Met betrekking tot de VRT-begroting heeft de knipperlichtprocedure voor de boekjaren 2012 en 2013 tot gevolg dat de beleidskredieten in 2014 naar beneden bijgesteld worden ten bedrage van 2,3 miljoen euro. Vanaf 2015 wordt blijvend abstractie gemaakt van de toelage voor de knipperlichtprocedure. Daarnaast wordt er vanaf 2015 een geleidelijke afbouw van de intering op het saldo meegenomen, wat tegen 2019 neerkomt op een verlaging van de voorziene beleidskredieten met 5,0 miljoen euro. De voorziene intering op het saldo weerspiegelt de evolutie van de herstructureringskosten. Vervolgens wordt de vergrijzingskost 2014 van de statutaire VRT personeelsleden gecumuleerd doorgetrokken over de periode 2015-2019. De bedoelde kost is een jaarlijkse minderkost door het effect van de uitstroom aan personeelsleden. De impact hiervan op de beleidskredieten is negatief en bedraagt 1,3 miljoen euro in 2019.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
De veronderstelde evolutie van de eigen ontvangsten heeft een toenemend positief effect op de beleidskredieten. In 2019 wordt het bedoelde effect op 15,5 miljoen euro geraamd. De raming van de pensioenuitgaven van het pensioenfinancieringsorganisme van de VRT (vanaf 2015 gedragen door het departement CJSM) is gebeurd op basis van het actuarieel rapport van oktober 2013 dat een prognose bevat van de bedoelde pensioenuitgaven vertrekkende van de tot 2013 opgebouwde pensioenrechten. T.o.v. de begroting 2014 stijgen de pensioenuitgaven in 2019 met 14,4 miljoen euro naar 71,5 miljoen euro.
b.
Aandachtspunten
Aandacht dient geschonken te worden aan de benodigde middelen voor het honoreren van de decreten waarbij de bevolkingsgroei / stijgend inwonersaantal bij lokale besturen een aangroei aan middelen vereist. Hoewel binnen deze decreten steeds bepaald wordt dat ze ‘uitvoerbaar zijn binnen de beschikbare kredieten van de goedgekeurde begroting’ komt de geloofwaardigheid van dergelijke decreten immers in het gedrang wanneer wel bepaalde decretale eisen gesteld worden, maar deze niet worden omgezet in het volledig honoreren van de opgenomen budgettaire engagementen. De verwachte meerkost omtrent het decreet lokaal sportbeleid beperkt zicht tot zo’n 250 duizend euro per jaar ten gevolge van het stijgend inwonersaantal als kostendrijver. De budgettaire impact omtrent het decreet lokaalcultuurbeleid is groter. Hierbij dient opgemerkt dat het inwonersaantal niet langer als subsidieparameter geldt, wel dient het (stijgend) aantal deelnemende gemeenten in rekening gebracht. Naast een historisch tekort (tussen 2009 en 2013 sloten heel wat gemeenten zich aan, maar werden hiervoor geen middelen toegekend) van 3 miljoen euro, is voor de nieuwe aanvragen van 2014 bijkomend een bedrag van 2,5 miljoen euro nodig. Daarna zouden pas in 2019 nieuwe gemeenten kunnen aansluiten, hetgeen bij 100% deelname van de gemeenten nogmaals tot een bijkomende meerkost van 2,5 miljoen euro zou leiden. In totaal zou voor de komende legislatuur dus een bijkomend bedrag van 3, resp. 2,5 ofwel 5,5 miljoen euro samen kunnen volstaan om een volledige uitvoering van het decreet te garanderen. Betreffende de convenants zoals afgesloten tussen de gemeenten en het agentschap Kunsten en Erfgoed naar aanleiding van het cultureel erfgoeddecreet bedraagt het tekort in 2014 ongeveer 380 duizend euro. Met betrekking tot de VRT-begroting wordt er abstractie gemaakt van de toelage ter compensatie van de vergrijzingskost voor contractuele personeelsleden, gelet op het feit dat het betrokken personeel niet onderworpen is aan de besparing op koppen zoals doorgevoerd bij de Vlaamse administratie. Bedoelde vergrijzingskost wordt voor het begrotingsjaar 2014 op 1,6 miljoen euro geraamd. Ook na 2014 manifesteert er zich een jaarlijkse meerkost voor de vergrijzing van de contractuele personeelsleden. Er mag van uitgegaan worden dat de bedoelde meerkost afneemt naar 2019 toe. Eind 2019 plant de VRT de aangekondigde nieuwbouw in gebruik te nemen. De kosten van de nieuwbouw zullen – minstens gedeeltelijk – gefinancierd worden met de opbrengst van de verkoop van onroerende goederen. De ESR impact van de verkoop van de onroerende goederen en de nieuwbouw werden in de voorliggende meerjarenraming niet in rekening gebracht.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
De raming van de pensioenuitgaven van de statutaire VRT personeelsleden is gebaseerd op het actuarieel rapport van oktober 2013. Het bedoelde rapport bevat een prognose van de pensioenuitgaven vertrekkende van de tot 2013 opgebouwde pensioenrechten. De pensioenrechten die na 2013 nog opgebouwd zullen worden, zijn niet in de prognose verwerkt.
3.3.9 Werk en Sociale Economie
a.
Huidige bevoegdheden
In het kader van het competitiviteitspact en de nieuwe bevoegdheden die vanaf 1 juli 2014 overkomen heeft de Vlaamse Regering zich geëngageerd om met ingang van het laatste kwartaal van 2014 recurrent op jaarbasis 125 miljoen euro in te zetten voor een lastenverlaging. De Vlaamse Regering zal met de sociale partners overleggen over de meest geschikte manier waarop deze bijkomende lastenverlaging ingezet kan worden inzonderheid voor de jongere werknemers (- 30 jaar) als de oudere werknemers (+55 jaar). Voor het verder ontwikkelen van werkinlevingscontracten wordt er 5 miljoen euro vanaf 2015 uitgetrokken. Daar de nieuwe generatie sectorconvenants opnieuw een looptijd kennen van 2 jaar wordt enkel in de oneven jaren een vastleggingskrediet van 12,8 miljoen euro ingeschreven. De kredieten voor de landingsbanen blijven constant. Hierachter gaan echter 2 tegengestelde bewegingen schuil die elkaar opheffen. Enerzijds zijn er jaarlijks minder instappers als gevolg van de verhoging van de instapleeftijd naar 55 jaar en anderzijds zijn er ook jaarlijks minder uitstappers door de graduele verhoging van de pensioenleeftijd.
b.
Nieuwe bevoegdheden
In uitvoering van de 6de staatshervorming worden er bevoegdheden inzake werk, die hoofdzakelijk onder het actief arbeidsmarktbeleid vallen, overgedragen ten belope van 2,5 miljard euro in 2015. De grootste budgettaire uitdaging voor wat betreft deze overgedragen bevoegdheden ‘Werk’ in het kader van de 6de staatshervorming situeert zich bij het dienstenchequesysteem. Het succes van het systeem laat zich optekenen in de evolutie van het aantal gebruikers. In 2012 telde het dienstencheque-systeem 895.265 actieve gebruikers of een stijging met 8% t.o.v. 2011. In 2013 waren er reeds 951.525 actieve gebruikers of opnieuw een stijging met 7%, dit niettegenstaande de verhoging van de aankoopprijs voor de gebruiker van 7,5 euro naar 8,5 euro per cheque. De meest recente cijfers over de evolutie van het aantal gebruikers tonen dat de trend nog steeds opwaarts is en dat de markt meer dan 8 jaar na de invoering van het systeem nog niet verzadigd is. Voornoemde prijsverhoging voor de gebruiker in 2013 kwam in mindering van de RVA-tussenkomst per cheque die dus in 2013 daalde van 14,54 euro naar 13,54 euro per cheque, of een daling van de financiële tegemoetkoming van 6,88% per cheque. De totale financiële tegemoetkoming van de RVA voor het dienstenchequesysteem bedroeg in 2012 1.607 miljoen euro en wordt voor 2013 geraamd op 1.630 miljoen euro. Niettegenstaande de subsidiedaling in 2013 was er dus nog altijd een nominale stijging van de totale kostprijs met 1,4%. De subsidiedaling in 2013 heeft dus hoogstens de stijging van het aantal gebruikers kunnen compenseren. Ook voor het jaar 2014 verwacht de RVA een stijging van het benodigd budget naar 1.662 miljoen euro (waarvan 1,018 miljoen euro voor het Vlaams Gewest) of een stijging met 1,97% ten opzichte van 2013.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Ook hier zal de daling van de RVA-tussenkomst per cheque van 13,54 euro naar 13,04 euro, of een daling van de financiële tegemoetkoming van 3,69% naar aanleiding van de prijsverhoging voor de gebruikers van 8,5 euro naar 9 euro, de geraamde stijging van het aantal gebruikers met 7% en de geraamde daling van het aantal aangekochte cheques per gebruiker met 1% niet kunnen compenseren. Voor de ramingen in meerjarig perspectief gaan we ervan uit dat de groei van het aantal gebruikers jaarlijks met 1% - punt afneemt tot 2% in 2019. We gaan er tevens van uit dat ook het aantal aangekochte cheques per gebruiker verder daalt met 1% per jaar en dat de overheidstussenkomst per cheque constant blijft. Dit resulteert in een stijging van de kredietbehoefte van 5% in 2015 die jaarlijks afneemt met 1% -punt tot 1% stijging in 2019. Voor de kostprijs van de fiscale uitgaven van de dienstencheques vertrekken we vanuit de federale prognose voor 2015, nl. 216,6 miljoen euro, en passen vanaf 2016 hierop voornoemde voorspelling inzake groei van het aantal aangekochte cheques per gebruiker toe. Dit resulteert in een kredietbehoefte van 239 miljoen euro in 2019 (uitgedrukt in prijzen 2015). De bedragen worden jaarlijks aangepast uitgaande van een indexatie van de fiscale grensbedragen. Voor de RVA-tegemoetkoming in het kader van het doelgroepenbeleid werden de cijfers uit de door federaal beschikbaar gestelde boordtabel opwaarts bijgesteld in functie van de meest recente parameters (inzonderheid de evolutie van het aantal oudere werklozen ) die in de aangepaste begroting 2014 van de RVA zijn verwerkt.
c.
Aandachtspunten
Over de volledige looptijd van het nieuw Operationeel Programma (dus tot 2020) zou er ondanks het lager Europees co-financieringspercentage slechts circa 16 miljoen méér Vlaamse cofinanciering ingezet moeten worden. Dit is het gevolg van het feit dat er tevens minder Europese ESF-middelen beschikbaar zijn gesteld. De globale meerkost voor het Operationeel Programma blijft wellicht beperkt tijdens komende legislatuur. Onder voorbehoud van wat nog in het Vlaams afsprakenkader dient uitgelijnd en in de veronderstelling dat de VDAB haar ESF actievoering zowel in actor als regierol op peil houdt dient evenwel vanaf 2016 jaarlijks 15 miljoen meer toelage aan de VDAB voorzien te worden, omwille van een dalend volume aan beschikbaar gestelde Europese middelen en een lager Europees co-financieringspercentage hierbij (van 45 naar 40%).
3.3.10 Landbouw en Visserij
a.
Huidige bevoegdheden
Voor landbouw wordt er in 2014 een eenmalig bedrag van 4 miljoen euro voorzien uit de SALK-provisie.
b.
Nieuwe bevoegdheden
De beleidskredieten stijgen met 12 miljoen euro ten gevolge van de overdracht van de bevoegdheden van het landbouwrampenfonds, het BIRB en dierenwelzijn.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
c.
Aandachtspunten
Voor het VLIF zijn er inzake PDPO-uitgaven nog enkele jaren kredieten nodig voor steun die toegekend werd de afgelopen jaren volgens het open end-systeem en dossiers die nog beslist moeten worden en ingediend tot einde van dit jaar. De EU-middelen 2007-2013 (PDPO II-periode), via een cofinanciering van 30%, waren onvoldoende voor alle uitbetalingen zodat er reeds in 2013 moest worden overgeschakeld op 100% Vlaamse staatssteunbetalingen. Aangezien PDPO III-middelen maar kunnen aangewend worden tot en met 2015 voor dossiers en lasten uit het verleden (aflopende PDPO II-periode), kan voorzichtigheidshalve gesteld worden dat vanaf 2016 minimaal 51,5 miljoen euro nodig zal zijn voor vastleggingen ten gevolge van het open end-systeem tegen het einde van de programmaperiode (2020). Ten gevolge van de nieuwe GLB-verplichtingen dient in 2015 een bedrag van 2,9 miljoen euro extra voorzien te worden voor bijkomende ICT-ondersteuning. Op lange termijn (in casu vanaf 2016) dient een oplossing gevonden te worden voor het structurele tekort van 650 duizend euro op jaarbasis aan recurrent beschikbaar krediet. Het structurele tekort is voornamelijk een gevolg van de niet-indexering van de GBCSkredieten de laatste jaren en heeft dus tot gevolg dat er geen financiering is voor de provisie van 1.000 mensdagen die voorzien wordt voor het onderhoud van en bijwerkingen aan de GBCS-toepassingen, ontwikkeld in kader van het nieuwe GLB. Bij niet-indexering in 2015 en 2016 loopt dit op tot 750 duizend euro en meer. Vanaf eind 2016 zullen er bovendien ook vernieuwde contracten voor de externe informatici in werking treden en zullen er bijgevolg nieuwe, geïndexeerde dagtarieven gelden. Ten gevolge van de 6de staatshervorming, komen de bevoegdheden van het BIRB over naar de gewesten. Door deze overgang zouden er 87,5 VTE overkomen naar het Vlaamse Gewest, vooral van het niveau C en D. Hier zou, gelet op de actueel beperkte werklast bij het BIRB, eventueel een afbouwscenario voor uitgewerkt kunnen worden. Er dient wel rekening gehouden te worden met het feit dat er sowieso nog personeel nodig is voor douanecertificaten, eventuele opslagdossiers en bijvoorbeeld landbouwrampen. Ook de bevoegdheid dierenwelzijn komt ten gevolge van de 6de staatshervorming over naar de gewesten. Hierbij kan er nog een significant budgettair effect inzake geschillen ontstaan.
3.3.11 Leefmilieu, Natuur en Energie
a.
Huidige bevoegdheden
Ingevolge het competitiviteitspact wordt er in 2014 eenmalig voor 17,5 miljoen euro aan extra kredieten voorzien voor investeringen in riolering via subsidies aan de gemeenten enerzijds en om een aantal hangende dossiers inzake de bodemsanering van brownfields te realiseren anderzijds. Naast het wegvallen van de eenmalige extra middelen uit het competitiviteitspact, dalen de subsidies voor de uitbouw van het gemeentelijk rioleringsnetwerk in 2015 nog eens met een extra 10 miljoen euro ten opzichte van 2014 ten gevolge van het wegvallen van de bij begrotingsopmaak 2014 eenmalig voorziene investeringskredieten. De eenmalige verlaging van de toelage aan de drinkwatermaatschappijen door het optimaliseren van het subsidiëringsritme wordt in begrotingsjaar 2015 teruggedraaid, wat aanleiding geeft tot een verhoging van de subsidie aan de drinkwatermaatschappijen ten belope van 82 miljoen euro.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Ten opzichte van de begrotingsopmaak 2014 dalen de uitgaven inzake de subsidiëring van de drinkwatermaatschappijen naar aanleiding van de Aquafinfactuur met 20 miljoen euro bij de begrotingsherziening 2014. Dit is te wijten aan het feit dat er een omschakeling is van een heffing door VMM naar een facturatie aan bedrijven door de drinkwatermaatschappijen in het kader van de eigen waterwinning door bedrijven, waardoor de drinkwatermaatschappijen een extra ontvangst van 14 miljoen euro hebben. Daarbovenop wordt hierdoor ook een 100%-BTW-recuperatie door de drinkwatermaatschappijen op de Aquafinfactuur mogelijk gemaakt, waardoor de niet-recupereerbare BTW verlaagt van 12 miljoen euro naar 0 euro. De factuur van Aquafin ten aanzien van de drinkwatermaatschappijen verhoogt evenwel met 7 miljoen euro omwille van het wegvallen van de inkomsten van Aquafin uit de facturatie richting industrie. Vanaf 2015 daalt de onderliggende subsidiëring van de drinkwatermaatschappijen in het kader van de Aquafinfactuur t.o.v. de begrotingsopmaak 2014 met 5,7 miljoen euro in begrotingsjaar 2015. Vanaf 2016 is er een stijging van de subsidiëring t.o.v. de begrotingsopmaak 2014 die oploopt tot 33,6 miljoen euro in het begrotingsjaar 2019. De facturatie vanuit Aquafin aan de drinkwatermaatschappijen houdt rekening met een constant opleveringsvolume qua investeringen van 160 miljoen euro per jaar, indexatie volgens de in voorliggende nota voorziene parameters, een jaarlijkse endogene groei van 1,62%, een jaarlijkse efficiëntiewinst van 1,5% en een jaarlijkse stijging van 2% van het aantal patrimoniumeenheden en de eenheden vuilvracht. De bovengemeentelijke bijdragen die door de drinkwatermaatschappijen worden geïnd en in mindering gebracht van de subsidiëring worden vanaf 2014 bijgesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met een indexatie van 1,5%, een verbruiksdaling van 1% voor de gezinnen (kleinverbruikers) en een vuilvrachtdaling van 2% voor bedrijven (grootverbruikers) In begrotingsjaar 2016 worden de 5-jaarlijkse beheersovereenkomsten met landbouwers hernieuwd wat tot een stijging van de beleidskredieten met 31,7 miljoen euro leidt. Wat het Grindfonds betreft, zal het saldo conform de politieke afspraken afgebouwd worden, wat resulteert in een daling van de beleidskredieten tot 1,9 miljoen euro in 2019 ten opzichte van de begrotingsopmaak in 2014. De uitgaven van het Klimaatfonds evolueren van 32 miljoen euro in 2014 naar 57,6 miljoen euro in 2019 in overeenstemming met de opgenomen ontvangsten. Met deze inkomsten zullen voornamelijk maatregelen rond intern klimaatbeleid en steun voor bedrijven voor het vermijden van indirecte carbon leakage gefinancierd worden. Het beschikbare saldo binnen de grondenbanken zal eind 2014 ongeveer 27 miljoen euro bedragen. De intering op het over te dragen saldo wordt in voorliggende raming stelselmatig afgebouwd met telkenmale een extra 500 duizend euro per jaar. Door deze werkwijze wordt het saldo van de grondenbanken verder afgebouwd tot een niveau waarbij het bedrag van de verkoop van de Mérodebossen ten belope van 21,7 miljoen euro niet wordt aangewend. De stelselmatige afbouw van de intering uit zich in een jaarlijkse daling van de beleidskredieten met 500 duizend euro.
b.
Nieuwe bevoegdheden
De uitgaven stijgen met 29,5 miljoen euro ten gevolge van de 6de staatshervorming, die de overdracht van de bevoegdheden van het FRGE, de doorvoer van afvalstoffen en fiscale uitgaven inzake energiebesparende maatregelen en passiefhuizen met zich meebrengt.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
c.
Aandachtspunten
Aangezien Aquafin NV nu al bijna 25 jaar de waterzuiveringsinfrastructuur in Vlaanderen exploiteert, wordt deze infrastructuur ouder en dient er gerenoveerd te worden. Anderzijds is er nog steeds nood aan verdere uitbouw van de infrastructuur in het kader van de Kaderrichtlijn Water, terwijl de beschikbare middelen beperkt zijn. Deze nood situeert zich momenteel evenwel meer bij de gemeentelijke- dan bij de bij de bovengemeentelijke infrastructuur. Dit betekent dat er een keuze zal dienen gemaakt te worden tussen twee opties. De eerste optie gaat uit van het verhogen van de jaarlijkse portefeuille aan projecten die door Aquafin dient opgeleverd te worden. De nv Aquafin stelde een eerste raming op waaruit een stijging van het jaarlijkse opleveringsvolume van 150 tot 195 miljoen euro (exclusief de gerelateerde kosten en vrij van indexatie) blijkt. Deze investeringen – samen met de financierings– en werkingskosten - geven aanleiding tot een factuur aan de drinkwatermaatschappijen die stijgt van 430 miljoen euro in 2014 tot 580 miljoen euro in 2025. Andere optie is om een deel van het huidig budget voor de uitbouw van de infrastructuur om te zetten in renovatiebudget, waardoor er blijvend binnen de in voorliggende meerjarenraming voorziene budgetten kan gewerkt worden. Ten gevolge van PDPO III wordt het pakket ‘beheerovereenkomst water’ grondig gewijzigd. Hierdoor stelt men voor om de klassieke 5-jaarlijkse piek aan vastleggingen te vervangen door een benodigd jaarlijks budget van ongeveer 10 miljoen euro voorzien in plaats van de huidig beschikbaar gestelde 6,9 miljoen euro, zoals opgenomen in voorliggende meerjarenraming. VLM stelt voor om deze verhoging van het jaarlijkse budget met ongeveer 3,7 miljoen euro budgettair te compenseren door het uitsmeren van de beschikbare piek in vastleggingskredieten. De Vlaamse Regering nam tijdens de bijzondere vergadering van 23 april 2014 een beslissing inzake de instandhoudingsdoelstellingen, of kortweg ‘IHD’ en Programmatische Aanpak Stikstof, kortweg ‘PAS’. Het opstellen van een meerjarenbegroting voor de periode 2014-2020 voor beide beleidsaspecten is echter een zeer moeilijke oefening, gelet op het grote aantal onbekende factoren in het BVR, het grote aantal betrokken partijen en de zeer geringe tijd die gegeven werd om deze raming te finaliseren (tegen 15 mei 2014). De meerkosten van beide projecten (IHD en PAS) zijn bovendien sterk verweven, zodat binnen het opgegeven tijdsbestek het uitsplitsen van deze meerkosten over beide deelprojecten, en over de VPASperiode (voorlopige komende opstartperiode) en DPAS-periode (definitieve periode op kruissnelheid) niet mogelijk was. De globale budgetraming die voor de combinatie van IHD en PAS opgesteld werd voor de regeerperiode 2014-2019 becijferde de meerkosten gerelateerd aan de regeringsbeslissing van 23 april 2014 op 214 miljoen euro, of een gemiddeld bijkomend budget van circa 43 miljoen euro per jaar. Een belangrijke opmerking hierbij is dat hierbij de kosten voor inrichting leefgebieden en de kosten voor herstel milieucondities nog niet becijferd konden worden, en dat de kosten niet zomaar lineair uit te smeren zijn over deze jaren. Betreffende het Klimaatfonds wordt het bedrag dat jaarlijks aan Internal Carbon Leakage zal gespendeerd worden, geraamd op 45 miljoen euro. Gelet op het begrotingsakkoord dat ESR neutraliteit vereist inzake het klimaatfonds zullen in de praktijk de uitgaven voor Internal Carbon Leakage door het Hermesfonds ge(pre)financierd moeten worden. Immers, de ESR-inkomsten gebaseerd op de aan België toegewezen veilinginkomsten zullen de ESR-uitgaven binnen het klimaatfonds die gepaard gaan met het financieren van Internal Carbon Leakage naar alle waarschijnlijkheid in de eerstvolgende jaren niet dekken.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Gelet op de extra aanvragen inzake de Vlabotex-regelgeving, zou vanaf 2015 het bedrag van 803 duizend euro in de begroting van OVAM met ongeveer 600 duizend euro dienen te verhogen, teneinde de voorziene subsidies effectief volledig te kunnen betalen. Ten gevolge van de 6de staatshervorming krijgt het VREG een bevoegdheid bij, namelijk nazicht van het distributietarief, waarbij de kost 1,2 miljoen euro is en er geen budget overkomt.
3.3.12 Mobiliteit en Openbare Werken
a.
Huidige bevoegdheden
De kredieten, ten belope van 10 miljoen euro, voor de jaarlijkse co- en prefinanciering van de NMBS in het kader van de werken aan de stationsomgeving Mechelen worden, na het niet benodigd zijn hiervan in 2014, 2015 en 2016 omwille van de afdoende bevoorschotting tot op heden (onder andere 30 miljoen euro eind 2013), terug toegevoegd in 2017. De extra kredieten die bij begrotingsopmaak 2014 budgettair werden gecompenseerd door de verkoop van de gronden Oostende Oosteroever, ten belope van 28,5 miljoen euro, worden in 2015 weer in mindering gebracht, gelet op het wegvallen van de financieringsbasis. Het betreft in totaal 15 miljoen euro voor de investeringen en kosten verbonden aan de nieuwe LOM/LEMstructuur van de regionale luchthavens. Indien de activiteiten hieromtrent wensen voortgezet te worden dient een nieuwe financieringsbasis aangeboden te worden. Ook de provisie van 5 miljoen euro, binnen het VIF, voor de aankoop van gronden betreffende de regionale luchthaven van Kortrijk wordt weer in mindering gebracht. Daarnaast valt het in 2014 aan W&Z eenmalig toegekende krediet voor het project aan de Scheldekaaien in het kader van het Sigmaplan eveneens weg in 2015, wat leidt tot een afname van het beleidskrediet met 8,5 miljoen euro. Nog binnen het Vlaams Infrastructuurfonds worden de kredieten voor de aankoop van gronden A11 ten belope van 11 miljoen euro terug in mindering gebracht, gelet op het wegvallen van de financieringsbasis. Tot slot wordt de kredietevolutie, met uitdovend effect, omtrent de overdracht van personeelsleden tussen het departement MOW en de Luchthaven exploitatiemaatschappijen (LEM’s) in rekening gebracht. Het effect van het toepassen van de klassieke prijsherzieningsformules van de VVM – De Lijn als gevolg van indexatie, werd in voorliggende oefening verwerkt onder de noemer indexatie. Zie hiervoor punt 3.2. De verdere aflossing van de nog openstaande leningen bij De Lijn, geeft aanleiding tot een dalende rentekost ten belope van 2,7 miljoen euro. In het kader van de financiering van het toekomstige shuttle-decreet wordt 2 miljoen euro vanuit de competitiviteitsprovisie aan de kredieten van MOW toegevoegd.
b.
Nieuwe bevoegdheden
Voor het uitvoeren van de extra bevoegdheden op het vlak van mobiliteit wordt een krediet van 3,7 miljoen euro ter beschikking gesteld.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Dit krediet voor mobiliteit staat los van de inkomsten die overkomen inzake het verkeersveiligheidsfonds. Deze inkomsten dienen namelijk conform de uitgangspunten van de financieringswet te worden aangewend ter financiering van andere bevoegdheden. Technisch gezien zijn deze geraamde inkomsten verrekend bij de totstandkoming van de tewerkstellingsdotatie (Zie hoofdstuk 2: Middelenbegroting).
c.
Aandachtspunten
Voor de initiatieven binnen het beleidsdomein MOW, die op alternatieve wijze zullen gefinancierd worden (vb. VIA-Invest, Lijninvest, Vlaamse havens …), zullen de reeds in het verleden toegekende kredieten worden ingezet. Duidelijk is echter dat met deze toegekende kredieten de werkelijke uitgaven niet kunnen opgevangen worden. Een overzicht van de dreigende discrepanties tussen de huidig toegekende kredieten en de werkelijke (geraamde) uitgaven wordt gegeven in de budgettaire boordtabel houdende alternatieve financiering die als bijlage III gaat. Aan de NV Vlaamse Havens werd de opdracht gegeven in te staan voor de realisatie van drie zeesluizen (Deurganckdoksluis, SHIP Zeebrugge en Kanaalzone Gent-Terneuzen). Naast de vanaf 2016 gedurende 20 jaar te betalen tussenkomst van ongeveer 18 miljoen euro voor de Deurganckdoksluis (zie bijlage III: Budgettaire boordtabel houdende alternatieve financiering) brengt de ingebruikname van de Deurganckdoksluis voor het Vlaams gewest ook een jaarlijkse onderhoudskost van 2 miljoen euro met zich mee. Voor de twee andere zeesluizen is nog geen definitieve beslissing genomen of er hier gewerkt zal worden met reguliere dan wel met alternatieve financiering. Voorlopig wordt voor de Kanaalzone Gent-Terneuzen, voor wat het door het Vlaams gewest gedragen gedeelte betreft, uitgegaan van een investeringsbedrag van 670 miljoen euro (excl. BTW) en een jaarlijkse onderhoudskost van 2,5 miljoen euro (excl. BTW). Voor SHIP Zeebrugge wordt uitgegaan van een investeringsbedrag van 638 miljoen euro (excl. BTW). Aandacht dient daarnaast geschonken aan het dreigend tekort aan kredieten voor het vernieuwen van grote baggercontracten. Een eerste schatting wijst op een noodzakelijke recurrente verhoging van 45 miljoen euro. Bovendien vraagt men vanuit MOW ook hier aandacht voor de stijgende exploitatiekosten indien bijkomende projecten worden opgeleverd, zoals hierboven vermeld. Betreffende de Oosterweelverbinding (BAM) worden geen budgettaire implicaties in deze oefening opgenomen, daar nog steeds uitgegaan wordt van een zelfbedruipende financiële constructie, waarbij aan de hand van tolgelden de noodzakelijke uitgaven kunnen opgevangen worden. Opgemerkt dient te worden dat voor alle werken in de rand van de Oosterweelverbinding (Masterplan 2020), maar buiten de concessieconstructie, verwacht wordt dat deze op te vangen zijn binnen de reguliere kredieten van MOW. Daarnaast wordt vanuit het departement MOW aangegeven dat momenteel nog geen oplossing is gevonden voor het wegvallen van eenmalige middelen ten belope van 15 miljoen euro die in 2014 zullen worden aangewend voor de investeringen aan de regionale luchthavens en de kosten verbonden aan de nieuwe beheersstructuur. Betreffende De Lijn dient gewezen te worden op de opname van 3,8 miljoen euro uitzonderlijke opbrengsten in de begroting 2014 die tevens dient ter financiering van de uitgaven. Deze uitzonderlijke opbrengsten worden de komende jaren constant gehouden. Er is echter onzekerheid of dit niveau in de toekomst kan worden aangehouden. De kostendekkingsgraad van De Lijn beantwoordde in 2013 niet aan het in de beheersovereenkomst gestelde streefdoel. Dit gegeven kan echter volledig worden toegeschreven aan twee oorzaken: de lager
03 / DE UITGAVENBEGROTING
dan begrote neutralisatie van kosten met betrekking tot het leerlingenvervoer en het mee opnemen van een aantal achterstallige afschrijvingen m.b.t. de investeringen via kapitaalsubsidies. In de prognose op basis van de begrotingsopmaak 2014 betekent dit dat de evoluties, toegepast op het resultaat van 2013, een kostendekkingsgraad geven van 22,49% t.o.v. de doelstelling van 22,41%. Met deze aannames wordt de doelstelling van de beheersovereenkomst bijgevolg gerealiseerd. Voor 2014 bedraagt de globale vergrijzingskost bij De Lijn 4,3 miljoen euro. Hiervan wordt geraamd dat maar ruim 1 miljoen euro zal opgevangen wordt door de provisie voor endogene groei. Dit is het gevolg van het feit dat de compensatie bij geen enkele entiteit volledig is en enkel van toepassing is op het personeel dat onderworpen is aan de 6,5% besparing op koppen. De niet-gefinancierde meerkost bedraagt dan nog 3,2 miljoen euro en is voornamelijk te linken aan de kosten voor de chauffeurs zelf. De stijgende exploitatiekosten, verbonden aan de nieuwe mobiliteitsgerichte PPS-projecten, zorgen voor een meerkost van 47 miljoen euro in 2019. Deze meerkost loopt gestaag op met het zwaartepunt in 2018 en 2019. Tot op heden werd steeds gesteld dat deze bijkomende exploitatiekosten dienen opgevangen te worden binnen de reguliere kredieten van De Lijn. Tot slot wordt vanuit De Lijn opgemerkt dat de huidige investeringskredieten niet zullen volstaan om de vervanging van het rollend materieel te financieren. Op basis van een voorlopige raming wordt voor de ICT-uitgaven in het kader van de overgedragen bevoegdheden uitgegaan van een gemiddeld jaarlijks bedrag van ongeveer 2 miljoen euro. Aangezien op korte termijn een aantal applicaties moeten vervangen of opnieuw ontwikkeld worden (o.a. voor homologatie en rijexamens) zal deze kostprijs in de periode 2015-2017 hoger liggen dan in de daaropvolgende jaren. Deze gemiddelde jaarlijkse kostprijs van ongeveer 2 miljoen euro ligt opmerkelijk hoger dan de werkingskredieten ten belope van 0,8 miljoen euro die in het zog van deze bevoegdheden overkomen van de FOD Mobiliteit en Vervoer. Een oorzaak hiervan ligt onder andere in het feit dat een aantal applicaties in-house ontwikkeld zijn waardoor deze uitgaven vervat zaten in het globale ICT-budget van de federale overheid. Het beleidsdomein MOW werpt daarnaast op dat minstens een deel van de ontvangsten die gerealiseerd zullen worden in het kader van de overdracht van het verkeersveiligheidsfonds aangewend dienen te worden voor uitgaven met betrekking tot verkeersveiligheid.
3.3.13 Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed
a.
Huidige bevoegdheden
In het kader van het decreet grond- en pandenbeleid wordt er tegen begrotingsjaar 2019 8,2 miljoen euro extra krediet voorzien voor infrastructuursubsidies. Bij de berekening van de kapitaalsubsidies voor de huursector wordt uitgegaan van het nieuwe financieringsbesluit voor de sociale huisvestingssector en het fundingbesluit. Voor de bepaling van de rente wordt vertrokken van de gewogen gemiddelde olo + marge, zoals voorzien in het ontwerp van protocol dat werd opgesteld door de administraties van Wonen en Financiën en Begroting. De indexering van de investeringsvolumes en het incalculeren van een mogelijke rentestijging resulteren tegen begrotingsjaar 2019 in een gecumuleerde toename van het beleidskrediet met 35,9 miljoen euro voor de kapitaalsubsidies huur.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Het investeringsvolume van de huursector dat gefinancierd wordt met rentesubsidies volgt het groeipad dat werd voorzien in het decreet grond- en pandenbeleid. Deze volumes, aangevuld met 100 miljoen euro aan extra renovatiebudget over de periode 2013 – 2017, en de mogelijke rentestijging resulteren in een gecumuleerde toename van de rentesubsidies met 52,1 miljoen euro tegen begrotingsjaar 2019. De kredieten voor kapitaalsubsidies voor de koopsector nemen tegen begrotingsjaar 2019 toe met 21,0 miljoen euro. Dit ingevolge de indexatie van de volumes en het in rekening brengen van een mogelijke rentestijging. Het investeringsvolume van de koopsector dat gefinancierd wordt met rentesubsidies volgt het groeipad dat werd voorzien in het decreet grond- en pandenbeleid. De verhoging van de leningsmachtiging van de VMSW met 48 miljoen euro tijdens de begrotingsopmaak 2014 en met 240 miljoen euro naar aanleiding van de 1ste begrotingsaanpassing wordt in 2015 in mindering gebracht. Deze volumes en de mogelijke rentestijging resulteren in een gecumuleerde toename van de beleidskredieten met 14,9 miljoen euro tegen begrotingsjaar 2019. De eenmalige leningsmachtiging aan de VMSW ten belope van 50 miljoen euro voor het rollend grondfonds resulteert tegen begrotingsjaar 2019 in een toename van de rentesubsidie met 1 miljoen euro. De verhoging van de leningsmachtiging van het VWF met 52 miljoen euro tijdens de begrotingsopmaak 2014 en met 260 miljoen euro naar aanleiding van de 1ste begrotingsaanpassing 2014 wordt in 2015 opnieuw in mindering gebracht. De leningsmachtiging van het VWF wordt geïndexeerd volgens de in de meerjarenbegroting voorziene inflatieparameters. De tussenkomst door het Vlaamse Gewest in de intrestlast van deze leningen vragen een verhoging van de beleidskredieten met 22,4 miljoen euro tegen begrotingsjaar 2019. In de jaren ’90 werd het urgentieprogramma Domus Flandria voor de bouw van sociale woningen opgestart. De financiering van dit programma gebeurde via leningen waarop een tussenkomst in de rentelast werd toegekend en een tussenkomst in functie van huurinkomsten. Deze financiering liep over 20 jaar. Bijgevolg beginnen de tussenkomsten van het Vlaamse Gewest vanaf begrotingsjaar 2015 te dalen. Gecumuleerd nemen de beleidskredieten voor dit programma met 30,2 miljoen euro af tegen begrotingsjaar 2019. Het bij de begrotingsopmaak 2014 eenmalig voorziene krediet van 10 miljoen euro voor premies monumentenzorg wordt in mindering gebracht in 2015. Ook vanuit de competitiviteitsprovisie wordt in 2014 eenmalig krediet toegekend voor monumentenzorg. Dit voor een bedrag van 14,1 miljoen euro.
b.
Nieuwe bevoegdheden
Door de 6de staatshervorming stijgen de uitgaven van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Wonen en Onroerend Erfgoed met bijna 2 miljard euro tegen 2019. Het betreft hoofdzakelijk de fiscale uitgaven voor bouwsparen en woonbonus, die om het effect van de 6de staatshervorming te visualiseren als een uitgave werden opgenomen en niet als een minderontvangst. Voor het uitvoeren van de raming van de fiscale uitgaven voor woonbonus en bouwsparen wordt uitgegaan van een constant blijvend aantal aangiftes met een fiscaal voordeel woonbonus/bouwsparen vanaf het inkomstenjaar 2014. Hierbij wordt verondersteld dat het aantal aangiftes met fiscaal voordeel “bouwsparen” geleidelijk aan uitdooft tegen 2025 en dat een even groot aantal aangiftes toegevoegd wordt bij het fiscaal voordeel “woonbonus”. Daarnaast wordt uitgegaan van een gelijkblijvend aandeel van fiscaal alleenstaanden en fiscale koppels. Gezien de verwachte dalende trend van de bevolkingsgroep
03 / DE UITGAVENBEGROTING
die nieuwe leningen aangaat en de vastgestelde afname van hypothecaire leningen in 2012 en 2013, mag gesteld worden dat deze aannames een voorzichtige raming impliceren. De vertrekbasis voor de raming van de fiscale uitgave is raming van de FOD Financiën voor het inkomstenjaar 2014 (aanslagjaar 2015). De projecties voor de volgende jaren zijn gebaseerd op het aantal aangiftes in de vorige paragraaf. Ook werd rekening gehouden met een indexering van het fiscaal voordeel volgens de in de meerjarenraming gehanteerde gezondheidsindex. Op basis van deze aannames bekomen we onderstaande fiscale uitgaven. De fiscale uitgaven nemen toe met circa 60 miljoen per jaar, hoofdzakelijk het gevolg van de substitutie van het minder gunstige regime van bouwsparen door het meer gunstige regime van woonbonus.
Inkomstenjaar
Fiscale uitgaven (miljoen euro)
2015
1.725,6
2016
1.781,5
2017
1.840,5
2018
1.900,9
2019
1.964,7
c.
Aandachtspunten
Het krediet voor sociale leningen werd naar aanleiding van de begrotingsopmaak 2014 en de 1ste begrotingsaanpassing 2014 eenmalig verhoogd met resp. 100 en 500 miljoen euro. Deze laatste verhoging ging gepaard met een verstrenging van de voorwaarden voor het toekennen van sociale leningen, waardoor het aantal aanvragen zal afnemen. Het is evenwel onzeker of het vanaf 2015 beschikbare budget voldoende zal zijn om alle aanvragen te kunnen honoreren. Het Grondwettelijk Hof vernietigde twee delen van het decreet grond- en pandenbeleid, namelijk de sociale last en wonen in eigen streek. De vernietiging van de maatregel sociale last heeft potentieel een aanzienlijke budgettaire weerslag. De volledige budgettaire weerslag is evenwel moeilijk in kaart te brengen. Het budget voor onroerend erfgoed premies is ontoereikend om aan alle aanvragen te kunnen voldoen. Door het nieuwe decreet zullen de wachtlijsten nog verder toenemen (bijv. door onderhoudssubsidies opnieuw mogelijk te maken voor lokale besturen te maken). Meerjarige subsidieovereenkomsten voor de restauratie van beschermde monumenten moeten niet vastgelegd worden in het jaar waarin de overeenkomst wordt gesloten; ze worden gefaseerd vastgelegd volgens de uitvoering van de projecten. De ruimte voor een volgende minister om nieuw beleid te voeren is beperkt.
3.3.14 Hogere entiteiten De toelage aan het Vlaams Parlement verhoogt met 2,7 miljoen euro vanaf begrotingsjaar 2015. Hier liggen twee redenen aan de basis: enerzijds wordt de besparing die voor 2014 werd overeengekomen
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
als eenmalig beschouwd en anderzijds is er een meerkost van 1,7 miljoen euro voor de vergoeding van 10 gemeenschapssenatoren die vanaf 1 juni 2014 ten laste van het Vlaams Parlement vallen waar die voorheen door de Senaat werden vergoed. In begrotingsjaar 2014 en 2019 is telkens 3,3 miljoen euro voorzien voor de kosten die eventuele kabinetswissels met zich meebrengen.
3.4 De globale evolutie van de beleids- en betaalkredieten bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden
Figuur 3-1 geeft enerzijds de evolutie van de beleids- en betaalkredieten bij constant beleid inzake de huidige bevoegdheden weer. Anderzijds worden deze kredieten aangevuld met de beleids- en betaalkredieten die in het kader van de nieuwe bevoegdheden worden toegevoegd. Wat betreft het verschil tussen de beleids- en betaalkredieten toont deze figuur aan dat in voorliggende begroting het beperkte verschil tussen de beleids- en betaalkredieten zoals voorzien in de 1ste begrotingsaanpassing 2014 en de begrotingsherziening 2014 in de eerste jaren van de komende legislatuur negatief wordt omwille van het wegvallen van eenmalig voorziene investeringskredieten enerzijds en het blijvend voorzien in de benodigde betaalkredieten om deze specifieke eenmalige investeringskredieten, reeds genomen - en nog te nemen engagementen te kunnen vereffenen anderzijds. In het laatste jaar van komende legislatuur is het verschil tussen beleids- en betaalkredieten terug positief, omwille van het feit dat tegen dat moment er terug een genormaliseerde verhouding tussen beleids- en betaalkredieten mogelijk is, waarbij de beleidskredieten per definitie een stuk boven de betaalkredieten staan, gelet op de werking van betaalkalender enerzijds en de technische onmogelijkheid om elke genomen vastlegging voor 100% uit te voeren anderzijds. Figuur 3.1: Beleids- en betaalkredieten bij constant beleid (in duizend euro)
1.290.579 1.517.158 198.984 847.196
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
Werk en Sociale Economie
Landbouw en Visserij
Leefmilieu, Natuur en Energie 3.023.880
3.869.908
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Mobiliteit en Openbare Werken
10.600.797
Onderwijs en Vorming
1.278.592
110.060
Internationaal Vlaanderen
Economie, Wetenschappen en Innovatie
339.587
Financiën en Begroting
2.847.054
128.687
Diensten Algemeen Regeringsbeleid
Bestuurszaken
123.505
REA 2013
Hogere Entiteiten
Beleidsdomein
3.124.168
876.462
190.044
1.586.147
1.340.507
4.074.551
10.924.804
1.270.834
171.480
646.722
2.870.581
133.703
129.559
1BA 2014
3.119.493
903.689
193.528
1.616.109
1.341.981
4.088.216
10.895.477
1.340.719
184.132
351.449
2.867.905
135.223
129.542
HERZ 2014
3.130.417
1.018.781
204.249
4.251.493
1.328.803
10.551.806
11.137.840
1.315.165
179.662
415.735
2.991.584
136.907
129.570
MJR 2015
3.174.645
1.075.085
207.029
4.350.018
1.347.398
11.363.613
11.388.513
1.333.500
181.491
469.369
3.084.648
139.926
130.093
MJR 2016
3.231.172
1.067.942
209.986
4.466.375
1.370.376
11.659.607
11.648.424
1.355.189
183.196
491.482
3.191.472
141.363
130.627
MJR 2017
Tabel 3.4: Beleidskredieten per beleidsdomein bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 2013-2019 (in duizend euro)
3.274.207
1.086.587
212.783
4.537.474
1.389.612
11.931.356
11.878.338
1.398.032
185.204
481.663
3.279.946
143.338
131.046
MJR 2018
3.327.573
1.112.557
216.048
4.635.354
1.411.122
12.261.841
12.189.720
1.425.212
187.621
486.959
3.384.999
144.961
134.974
MJR 2019
3.5 De beleids- en betaalkredieten verdeeld over de 13 beleidsdomeinen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden
03 / DE UITGAVENBEGROTING
27.038.314
-856
27.039.170
110.038
26.929.133
753.145
REA 2013
28.230.733
-842
28.231.575
122.564
28.109.011
769.449
1BA 2014
28.067.554
-5.167
28.072.721
122.564
27.950.157
782.695
HERZ 2014
39.461.923
-5.166
39.467.089
125.000
39.342.089
2.550.076
MJR 2015
40.998.737
-5.164
41.003.901
125.000
40.878.901
2.633.575
MJR 2016
41.974.269
-5.162
41.979.431
125.000
41.854.431
2.707.220
MJR 2017
42.846.228
-5.160
42.851.388
125.000
42.726.388
2.796.803
MJR 2018
43.941.638
-5.157
43.946.794
125.000
43.821.794
2.902.854
MJR 2019
In het subtotaal ESR-correcties voor uitgaven worden in de periode 2014-2019 correcties doorgevoerd voor het Rollend Fonds binnen PMV (Extra uitgave van 375 duizend euro in 2014), correctie voor het luik kapitaalsaflossing voor AMORAS (minderuitgaven van 4,7 miljoen euro in 2014) en een correctie voor het luik kapitaalsaflossing voor LAK-invest (minderuitgave van 842 duizend euro in 2014). De in het vorderingensaldo voorziene correcties bij een verdere consolidatie van de DBFM Scholen van Morgen worden in voorliggende tabel niet verrekend.
Beleidskredieten
SUBTOTAAL ESR-correcties uitgaven
TOTAAL Beleidskredieten (incl. FFEU)
FFEU
TOTAAL Beleidskredieten (excl. FFEU)
Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed
Beleidsdomein
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
3.910.997 1.277.215 1.499.752 206.208 831.082 2.948.914
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
Werk en Sociale Economie
Landbouw en Visserij
Leefmilieu, Natuur en Energie
Mobiliteit en Openbare Werken
Beleidskredieten
SUBTOTAAL ESR-correcties uitgaven
TOTAAL Beleidskredieten (incl. FFEU)
FFEU
TOTAAL Beleidskredieten (excl. FFEU)
26.906.118
-856
26.906.974
92.418
26.814.556
685.346
10.612.358
Onderwijs en Vorming
Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed
1.263.223
146.368
Internationaal Vlaanderen
Economie, Wetenschappen en Innovatie
337.852
Financiën en Begroting
2.838.033
133.420
Diensten Algemeen Regeringsbeleid
Bestuurszaken
123.788
REA 2013
Hogere Entiteiten
Beleidsdomein
28.065.119
-842
28.065.961
98.322
27.967.639
743.838
3.174.284
868.323
169.564
1.590.404
1.315.904
4.079.598
10.896.967
1.234.901
190.634
566.578
2.872.481
134.604
129.559
1BA 2014
27.900.466
-5.167
27.905.633
98.322
27.807.311
742.983
3.169.269
878.205
169.967
1.620.722
1.311.478
4.085.939
10.866.005
1.282.462
190.473
354.305
2.869.805
136.157
129.542
HERZ 2014
39.565.345
-5.166
39.570.511
104.000
39.466.511
2.554.594
3.152.672
1.012.061
206.470
4.254.870
1.344.726
10.575.107
11.191.666
1.312.136
194.486
412.028
2.985.853
140.271
129.570
MJR 2015
41.062.046
-5.164
41.067.210
109.000
40.958.210
2.640.908
3.144.220
1.034.455
216.126
4.359.155
1.368.990
11.385.467
11.467.287
1.343.321
186.987
465.108
3.076.647
139.448
130.093
MJR 2016
42.000.417
-5.162
42.005.579
114.000
41.891.579
2.715.396
3.171.253
1.061.144
220.217
4.462.951
1.390.498
11.675.350
11.713.005
1.363.934
183.877
486.935
3.175.222
141.170
130.627
MJR 2017
Tabel 3.5: Betaalkredieten per beleidsdomein bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 2013-2019 (in duizend euro)
42.865.984
-5.160
42.871.143
119.000
42.752.143
2.809.353
3.208.035
1.084.476
218.462
4.540.945
1.401.084
11.937.663
11.921.635
1.412.337
184.033
477.116
3.283.306
142.650
131.046
MJR 2018
43.891.641
-5.157
43.896.798
124.000
43.772.798
2.904.890
3.262.038
1.112.979
217.101
4.629.026
1.413.511
12.266.259
12.207.765
1.431.924
184.610
482.412
3.380.728
144.581
134.974
MJR 2019
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
3.6 Impliciete schuld
In figuur 3-2 wordt de stand van de impliciete schuld t.e.m. eind 2013 weergegeven. Deze stand van de impliciete schuld wordt afgezet t.o.v. de laatst beschikbare ontvangstenraming van de ministeries excl. DAB’s en excl. ontvangsten uit de terugbetaling van de participatie in KBC. Uit voorgaande grafiek kan duidelijk worden afgeleid dat in 2013 de stand van de impliciete schuld zowel in absolute cijfers als relatief gezien t.o.v. de totale ontvangsten van de ministeries lichtjes gedaald is ten opzichte van de stand eind 2011, wat als gunstig kan beschouwd worden. Momenteel kan dan ook geconcludeerd worden dat de impliciete schuld eind 2013 onder controle was.
Figuur 3.2: Stand van de impliciete schuld 2004-2013 (incl. impliciete schuld m.b.t. ESR-8) t.o.v. geraamde ontvangsten ministeries (excl. DAB’s) (in duizend euro)
04 / HET FINANCIEEL BEHEER
04 / HET FINANCIEEL BEHEER 4.1 Schuldevolutie
De evolutie van de schuld is vooreerst afhankelijk van het begrotingssaldo. Het effect op de schuld hiervan kan best worden ingeschat via het verwachte saldo in ESR-termen op de geconsolideerde begroting. Vervolgens zijn er ook de ontvangsten en uitgaven voor kredietverleningen en participaties die mee de evolutie van de schuld bepalen. Deze twee soorten verrichtingen zijn niet inbegrepen in het vorderingensaldo maar wel in het te financieren saldo van de Vlaamse overheid.
4.1.1 Het begrotingssaldo in ESR-termen Bij de inschatting van de schuldevolutie wordt uitgegaan van een begroting in evenwicht in de periode 2014-2019. Deze aanname gaat ervan uit dat de volgende Vlaamse Regering conform het bij de Europese commissie ingediende stabiliteitsprogramma het begrotingsevenwicht ook na 2014 wenst te handhaven.
4.1.2
Kredietverleningen en participaties
Ook het saldo van de deelnemingen bepaalt mee de evolutie van de schuld. Wat betreft de kapitaalsparticipaties worden de vereffeningskredieten geraamd aan de hand van de betaalkalenders in de beslissingen van de Vlaamse Regering, aangepast aan de reeds uitgevoerde betalingen en nieuwe inzichten. Het belangrijkste budget in de begroting voor deelnemingen is de verwachte ontvangst ingevolge een gedeeltelijke terugbetaling van de staatssteun door KBC. In juli vorig jaar heeft KBC het eerste gedeelte van de aan hen verleende steun terugbetaald namelijk 1.167 miljoen euro vermeerderd met een terugbetalingspremie van 50%. In januari van dit jaar heeft KBC 333 miljoen euro kapitaal terugbetaald, vermeerderd met 166,5 miljoen euro terugbetalingspremie. Er wordt vanuit gegaan dat KBC in de volgende jaren de staatssteun verder terugbetaalt overeenkomstig de afspraken die gemaakt zijn met de Europese Commissie. Hiermee rekening houdend wordt geraamd dat vanaf 2015 KBC jaarlijks eenzelfde kapitaal en premie terugbetaalt als in 2014 namelijk 333 miljoen euro kapitaal en 166,5 miljoen euro terugbetalingspremie. Aan uitgavenzijde is op basis van het beschikbare globale budget voor participaties van de aflopende regeerperiode een inschatting gemaakt van hun invloed op de kaspositie van de Vlaamse overheid. De nog niet ingevulde budgetten zijn niet meegenomen in de onderstaande raming van de kasbehoefte voor deze uitgaven. De meegenomen behoeftes zijn voornamelijk voor de financiering van initiatieven die zijn genomen in de schoot van de Participatie Maatschappij Vlaanderen (PMV). Voor de volgende jaren is 95 miljoen euro in 2014, 130 miljoen euro in 2015 en 70 miljoen euro in 2016 ingeschreven aan kasuitgaven voor participaties. Naar aanleiding van elke begrotingsronde zal de impact van de participaties op de evolutie van de schuld meer in detail worden geanalyseerd. Zo onder meer, welke andere ESR-8 kredieten zijn ingeschreven naast het algemene krediet op het programma van het departement Financiën en Begroting.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
4.1.3 Globale evolutie In onderstaande tabel 4-1 wordt een overzicht gegeven van de geraamde schuldevolutie in de periode 2014-2019.
Tabel 4.1: Globale evolutie van de schuld (in duizend euro) 2014
2015
2016
2017
2018
2019
Beginpositie
4.390.637
3.986.137
3.616.637
3.187.137
2.687.637
2.188.137
Geconsolideerd ESRresultaat
0
0
0
0
0
0
KBC kapitaal
-
333.000
333.000
333.000
333.000
333.000
333.000
KBC terugbetalingspremie
-
166.500
166.500
166.500
166.500
166.500
166.500
Participaties
+
95.000
130.000
70.000
0
0
0
3.986.137
3.616.637
3.187.137
2.687.637
2.188.137
1.688.637
Eindpositie
Onderstaande grafiek geeft de verwachte evolutie van de directe en de indirecte schuld weer voor de periode 2014-2019.
Figuur 4.1: Evolutie van de directe en indirecte schuld 2014 – 2019 (in duizend euro)
Dankzij de verwachte terugbetaling door KBC daalt de directe schuld van 4 miljard euro eind 2014 tot 1,7 miljard euro eind 2019. Met uitzondering van 2014 waar de EMTN-lening op eindvervaldag volledig
04 / HET FINANCIEEL BEHEER
opgevangen kan worden op korte termijn (vlottende rente) wordt gestreefd naar een verhouding 80% vast en 20% aan vlottende intrest. Dit zal omwille van de impact van de KBC-terugbetalingen niet altijd lukken. In eerste instantie is het namelijk het doel om deze ontvangsten zo snel als mogelijk te kunnen aanwenden voor schuldafbouw. Ook de indirecte schuld die enkel nog een lening van De Lijn omvat, daalt van 2 miljoen euro in 2014 tot 1 miljoen euro in 2019. De directe en de indirecte schuld zitten vervat in de geconsolideerde bruto schuld. Deze omvat daarnaast ook nog de financiële schulden van alle geconsolideerde instellingen en het negatief saldo van de zichtrekening van de ministeries en de agentschappen binnen het centraal financieringsorgaan. De geconsolideerde instellingen worden bepaald op basis van de lijst van het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR). Naar aanleiding van de notificatie van april 2014 heeft het INR haar laatste lijst van de te consolideren instellingen gepubliceerd. O.a. LRM (de Limburgse Reconversiemaatschappij) en een aantal PMV-dochters werden geherclasseerd. Hoewel het INR de afgelopen jaren steeds meer instellingen geherclasseerd heeft, vertoont ook de geconsolideerde schuld een dalende trend de afgelopen jaren. Dit omdat de nieuwe geconsolideerde instellingen niet veel schulden hebben en door de daling van de directe en de indirecte schuld. Eind 2013 bedroeg de geconsolideerde bruto schuld 5,7 miljard euro.
4.2 Herfinancieringsbehoeften
Voor wat betreft de ontvangsten en aflossingen van leningen heeft de Vlaamse overheid in 2009 lange termijnleningen opgenomen via haar EMTN-programma. In maart 2014 is een EMTN-uitgifte ten bedrage van 1.250 miljoen euro op eindvervaldag gekomen. Deze vervaldag zal in 2014 volledig opgevangen kunnen worden op korte termijn. In de periode 2015-2019 komen er nog enkele EMTN-uitgiftes op eindvervaldag: in 2015 vervalt er 200 miljoen euro, in 2016 1,25 miljard euro en in 2018 750 miljoen euro. Daarnaast vervallen er in 2015 nog 2 private leningen van samen 115 miljoen euro. Naast deze grote eindvervaldagen heeft de Vlaamse overheid ook enkele kleinere vervaldagen. Van de overgenomen leningen van de vismijn Oostende is het aflossingsschema gekend. In 2014 vervalt 183 duizend euro, in 2019 232 duizend euro. De laatste vervaldag van deze leningen is pas in 2028. Daarnaast zijn er de aflossingslasten ingevolge de overgenomen leningen van de Gemeentelijke Holding. In 2014 bedraagt dit 2,4 miljoen euro, in 2015 67,6 miljoen euro, in 2016 52,4 miljoen euro, in 2017 en 2018 opnieuw 2,4 miljoen euro en in 2019 8,2 miljoen euro. De laatste lening komt pas op eindvervaldag in 2026.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Onderstaande tabel 4-2 geeft een overzicht van de herfinancieringsbehoeften in de periode 2014-2019.
Tabel 4.2: Herfinancieringsbehoeften 2014-2019 (in duizend euro) 2014
2015
2016
2017
2018
2019
EMTN
1.250.000
200.000
1.250.000
0
750.000
0
Gem Holding
2.432
67.579
52.432
2.432
2.432
8.182
Private leningen
0
115.000
0
0
0
0
Vismijn Oostende
183
192
201
211
221
232
Totaal aflossingen
1.252.615
382.771
1.302.633
2.643
752.653
8.414
Rekening houdende met deze vervaldagen zal de Vlaamse overheid naar alle waarschijnlijkheid via nieuwe EMTN-uitgiftes de nodige financiering moeten aantrekken. Volgens de huidige inschatting en een goede mix van lange en korte termijnrentevoeten wordt er in 2015 en 2016 respectievelijk 1 miljard euro en 400 miljoen euro opgehaald. De resterende nood aan externe financiering zal worden opgevangen via korte termijninstrumenten en indien opportuun het inzetten van reserves bij te consolideren entiteiten.
05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING
05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING
5.1 Vorderingensaldo bij constant beleid
Uit tabel 5-1 blijkt dat de volgende Vlaamse Regering na toepassing van de herziening van de bijzondere financieringswet en bij het voeren van een constant beleid voor de huidige en nieuwe bevoegdheden over een negatieve beleidsruimte zal beschikken in de periode 2014-2018. Voornamelijk omwille van de 6de staatshervorming en het feit dat er momenteel nog geen oplossing is voor de problematiek van de uitgaven van Scholen van Morgen loopt het begrotingstekort bij constant beleid in de begrotingsjaren 2015 en 2016 op tot resp. 1 en 1,3 miljard euro. Door een conservatieve inschatting van de groei van de uitgaven, gerelateerd aan een middelenevolutie die geniet van een normale economische groei, wordt dit tekort bij constant beleid in de daaropvolgende jaren weggewerkt en zou er volgens voorliggende raming tegen het eind van komende legislatuur een beleidsruimte beschikbaar zijn van 354 miljoen euro. Het effect van de uitgaven die komende jaren door Scholen van Morgen worden gedaan, wordt voorlopig wel nog afgezonderd in onderstaande tabel, omdat er nog steeds een mogelijkheid bestaat dat – na aanpassing van de huidige contracten - Eurostat kan bevestigen dat er wel een afdoende risico-overdracht is van de overheids- naar de private sector, waardoor enkel de te betalen beschikbaarheidsvergoedingen in rekening dienen te worden gebracht van de overheidsuitgaven. In de begrotingsherziening 2014 is er een tekort van 130 miljoen euro. Dit tekort is eenduidig te wijten aan de voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen ten belope van 322 miljoen euro. Zonder Scholen van Morgen zou er een overschot zijn van bijna 200 miljoen euro. Dit overschot is grotendeels het gevolg van de geraamde vertraging van het moment van overschrijding van de spilindex van juni 2014 naar november 2014 en een toename in de raming van de ontvangsten uit successierechten. In 2015 evolueren we naar een tekort van 0,96 miljard euro omwille van een vermindering in de overdracht van middelen als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciën met een extra 604 miljoen euro zoals voorzien in de herziene financieringswet enerzijds en voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen ten belope van 572 miljoen euro anderzijds. In 2016 loopt dit tekort op naar 1,28 miljard euro door een bijkomende vermindering in de overdracht van middelen als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciën met een extra 770 miljoen euro zoals voorzien in de herziene financieringswet enerzijds en voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen ten belope van 180 miljoen euro anderzijds.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
In 2017 verkleint dit tekort tot 0,5 miljard euro door een beperktere evolutie bij constant beleid van de voorziene uitgaven ten aanzien van de groei van de ontvangsten. In 2018 blijf dit tekort ongeveer stabiel omwille van de herziening van de autonomiefactor en de hieruit resulterende eenmalige negatieve bijstelling van 399,1 miljoen euro. Zie 2.2.2. In 2019 wordt het tekort omgebogen in een overschot van 353 miljoen euro omwille van de lagere groei van de uitgaven bij constant beleid in vergelijking met de ontvangsten.
=
ESR gecorrigeerde primaire uitgaven algemene begroting
ESR- gecorrigeerd primair saldo Vlaamse ministeries (1)
= = +
ESR- gecorrigeerd primair saldo (1) + (2)
Onderbenutting
-
ESR gecorrigeerde primaire uitgaven incl FFEU
ESR- gecorrigeerd primair saldo te consolideren instellingen (2)
+
ESR gecorrigeerde ontvangsten
Begrotingen te consolideren instellingen
+
ESR gecorrigeerde ontvangsten algemene begroting
Algemene begroting Vlaamse ministeries (excl. Titel III)
ESReffect
1BA 2014
8.901.869
1.449.321
6.983.158
19.041.851
361.479
593.405
-469.390
-7.222.248 -7.452.548
8.586.142
1.363.895
7.583.726
18.145.497
25.729.223 26.025.009
REA 2013
HERZ 2014
9.192.042
1.438.183
6.889.615
30.236.878
37.126.493
MJR 2015
593.405
-282.913
610.190
-864.245
-7.451.067 -7.753.860
8.924.619
1.473.552
7.168.154
18.858.401
26.026.555
Tabel 5.1: Vorderingensaldo van de Vlaamse begroting bij constant beleid (in duizend euro)
641.836
9.657.219
1.602.880
6.979.697
33.133.761
40.113.458
MJR 2018
661.677
679.978
-1.074.642
-7.977.776 -8.054.339
9.560.945
1.583.169
6.924.967
32.345.897
39.270.864
MJR 2017
-1.616.502 -1.052.809
-7.880.176
9.391.387
1.511.211
6.263.674
31.540.673
37.804.347
MJR 2016
701.664
-313.606
-8.172.772
9.796.041
1.623.269
7.859.166
34.023.598
41.882.764
MJR 2019
05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING
= -
+
=
Rente-uitgaven
Gecorrigeerd vorderingensaldo
Voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen
Correctie deel kapitaalsaflossing binnen beschikbaarheidsvergoeding aan DBFM Scholen van Morgen
Gecorrigeerd vorderingensaldo incl. ESRcorrectie voor DBFM Scholen van Morgen
187.000
174.479
361.479 2.616
121.399
124.015
-129.619
322.665
193.046
117.446
310.492
-962.132
571.652
-390.480
136.425
-254.055
-1.284.954
180.301
-1.104.653
129.987
-974.666
-505.849
21.141
-484.708
93.575
-391.133
-431.980
37.688
-469.668
75.003
-394.664
353.744
37.688
316.056
72.002
388.058
Wat betreft de onderbenuttingsraming, houden we, niettegenstaande een gerealiseerde onderbenutting in 2013 van 2,5% ten opzichte van de ingeschreven betaalkredieten, voorzichtigheidshalve het voor 2013 voorspelde onderbenuttingspercentage van 2,1% doorheen heel de periode 2015-2019 aan. We passen dit percentage trouwens enkel toe op de betaalkredieten voor de huidige bevoegdheden en niet op de nieuwe bevoegdheden in het kader van de 6de staatshervorming.
=
Gecorrigeerd primair saldo
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING
5.2 Begrotingsnormering in komende legislatuur
In toepassing van artikel 2, §4 van het Samenwerkingsakkoord van 13 december 2013 betreffende de uitvoering van artikel 3, §1 van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire heeft de globale begrotingsdoelstelling voor de gezamenlijke overheid het voorwerp uitgemaakt van een overleg op basis van het advies van maart 2014 van de Afdeling Financieringsbehoeften van de Overheid van de Hoge Raad van Financiën. In haar advies van maart 2014 over het begrotingstraject ter voorbereiding van het Stabiliteitsprogramma 2014 - 2017 beveelt de Afdeling “Financieringsbehoeften van de Overheid” van de hoge Raad van Financiën een globaal traject voor de gezamenlijke overheid en een verdeling van dit traject onder de geledingen van de gezamenlijke overheid aan. Het globaal traject is gebaseerd op het bereiken van een structureel evenwicht in 2016 en de realisatie van de middellangetermijndoelstelling (MTO) in 2017 (structureel overschot van 0,75% van het BBP). De convergentie naar het evenwicht en de MTO zal tegen een stabiel tempo (jaarlijkse structurele verbetering van 0,7% van het BBP in 2015, 2016 en 2017) verwezenlijkt worden. Voor het jaar 2014 beveelt de HRF een verbetering van het structureel saldo met 0,5% aan. Voor wat betreft de verdeling van het globale traject houdt de Afdeling rekening met de in de herziene bijzondere financieringswet verwerkte overdracht van begrotingslasten in het kader van de Zesde Staatshervorming. De Afdeling neemt derhalve het principe in aanmerking van een nominaal begrotingsevenwicht van Entiteit II en voor alle deelentiteiten binnen entiteit II met uitzondering van de lokale overheden die gelet op de investeringscyclus een tijdelijk overschot van 0,1% BBP dienen te realiseren in de jaren 2014 en 2015. Indien de volgende Vlaamse Regering, conform het bij de Europese commissie ingediende stabiliteitsprogramma, het nominale begrotingsevenwicht ook na 2014 wenst te handhaven, zal zij dan ook maatregelen dienen te treffen om hieraan tegemoet te kunnen komen. Rekening houdende met een mogelijke doelstelling om het begrotingsevenwicht aan te houden, wordt hierbij de aandacht gevestigd op het feit dat de herziene Bijzondere Financieringswet (BFW) ook potentiële technische bijstellingen bevat met mogelijks een repercussie op de discussies omtrent de begrotingsnormering. Zo bevat de nieuwe BFW bvb. een autonomiefactor, die de basis vormt voor het deel personenbelasting waarover de gewesten in de toekomst een autonoom opcentiemenbeleid kunnen voeren. Voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017 is deze autonomiefactor gelijkgesteld aan 25,990%. De BFW bevat tegelijk de berekeningsregels voor de autonomiefactor voor het aanslagjaar 2018 en volgende, waarbij een gebeurlijke te hoge (of te lage) inschatting van de autonomiefactor voor de jaren 2015-2017 eenmalig wordt bijgesteld in 2018. Een gelijkaardig mechanisme bestaat voor de fiscale uitgaven. Deze technische bijstellingen kunnen een budgettair effect genereren van verscheidene honderden miljoenen euro, zoals ook in voorliggende nota voorzien (zie punt 2.2.2.). Teneinde te vermijden dat deze technische bijstellingen het te voorziene begrotingstraject voor komende legislatuur teveel zouden beïnvloeden, wordt voorgesteld dat de Vlaamse Regering, op basis van recentere data, en in overleg met de andere deelentiteiten en de federale overheid nagaat of de (tijdelijk vastgestelde)
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
autonomiefactor niet dient geactualiseerd te worden. Indien dit het geval zou zijn, dan zou het logisch zijn om bij de bepaling van dit nominaal evenwicht abstractie te maken van de tijdelijke meer- (of min-) inkomsten die de gewesten zouden verwerven. Een dergelijk akkoord is immers neutraal op globaal niveau: wat de gewesten tijdelijk meer (of minder) ontvangen en in 2018 in min (of meer) verrekend krijgen, wordt immers gecompenseerd door een precies omgekeerde beweging bij de federale overheid.
BIJLAGEI:BEKNOPTETOELICHTINGBIJDEHERZIENINGVANDEBIJZONDEREFINANCIERINGSWET
BIJLAGE I: BEKNOPTE TOELICHTING BIJ DE HERZIENING VAN DE BIJZONDERE FINANCIERINGSWET
Naar aanleiding van de 6de staatshervorming wordt de financiering van de Gewesten en Gemeenschappen grondig hertekend. Niet alleen de huidige, bestaande financieringsmechanismen zullen aangepast worden, ook een aantal nieuwe bevoegdheden zullen aan de Gewesten en Gemeenschappen overgedragen worden, vergezeld van de geassocieerde middelen. Een overgangsmechanisme moet de overgang budgettair neutraal maken in het aanvangsjaar 2015. De Gewesten en Gemeenschappen worden bijkomend geresponsabiliseerd op het vlak van pensioenen en klimaat. De Brusselse instellingen worden bijkomend gefinancierd. Gewesten, huidige bevoegdheden
•• ••
••
••
De globale PB-dotatie en de negatieve term worden voor alle gewesten opgeheven. De gewesten zullen voortaan zelf instaan voor het genereren van middelen via de invoering van een model van uitgebreide opcentiemen. Daartoe wordt de federale personenbelasting verminderd met een factor gelijk aan de som van de PB-dotatie, de gecorrigeerde negatieve term en 40% van de overgedragen middelen voor de bevoegdheid inzake fiscale uitgaven. De mate van fiscale autonomie wordt uitgedrukt door de autonomiefactor, zijnde de verhouding tussen de supra bedoelde factor en de Belasting Staat. De dotaties die betrekking hebben op de bijkomende gewestelijke bevoegdheden n.a.v. het Lambermontakkoord gaan vanaf 2015 op in een nieuwe dotatie die voortaan verdeeld wordt op basis van een vaste verdeelsleutel (50,33% voor het Vlaams Gewest). Het verschil in het aanvangsjaar als gevolg van andere horizontale verdeelsleutel wordt aan het overgangsmechanisme toegewezen. De nieuwe dotatie wordt aangevuld met specifieke bijkomende middelen: 5,0 miljoen (overdracht gebouwen, niet in het overgangsmechanisme opgenomen) en 626,0 miljoen (voor nieuwe bevoegdheden: participatiefonds, grootstedenbeleid, landbouwrampen, overdracht personeel (aankoopcomités), FREG, BIRB). De nieuwe dotatie wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gewesten in de financiering van de vergrijzingskost. Tot slot wordt de dotatie per gewest tot en met 2019 verminderd met een nominaal in de herziene Bijzondere Financieringswet opgenomen bedrag ter dekking van het encours voor de bevoegdheid ‘grootstedenbeleid’ dat de federale overheid verder zal vereffenen. De nationale solidariteitstussenkomst wordt anders geconcipieerd. Een nieuw samengesteld basisbedrag, bestaande uit het geheel van de met de fiscale autonomie verbonden middelen en de aan de gewesten volgens een fiscale sleutel verdeelde dotaties alsook uit 50% van de nieuw samengestelde PB-dotatie van de gemeenschappen, jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan de economische groei (BBP), wordt vermenigvuldigd met 80% van het verschil tussen het inwonersaandeel van het gewest en het aandeel van het rechthebbende gewest in de federaal gebleven PB.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Gewesten, nieuwe bevoegdheden
••
••
Aan de gewesten wordt de bevoegdheid voor het tewerkstellingsbeleid overgedragen. De overdracht gaat gepaard met een overdracht van middelen ten belope van 90%. De resterende 10% wordt toegevoegd aan het overgangsmechanisme (zie infra). De dotatie wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gewesten in de financiering van de vergrijzingskost. De overdracht van middelen wordt in 2015 gereduceerd met 831,3 miljoen euro. In 2016 gebeurt een tweede vermindering met 831,3 miljoen euro. Beide verminderingen hebben een recurrent karakter en gelden als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciën. De saneringsinspanning wordt buiten het overgangsmechanisme gehouden. 90% van de federale dotatie voor de wedertewerkstelling van werklozen (zie paragraaf 2.3) wordt toegevoegd aan de dotatie voor het tewerkstellingsbeleid. De resterende 10% wordt toegevoegd aan het overgangsmechanisme (zie infra). De netto-opbrengst van de verkeersinbreuken wordt daarentegen afgetrokken van de dotatie. De verdeling van de dotatie over de gewesten gebeurt op basis van de federaal gebleven PB. De gewesten worden ook verantwoordelijk voor specifieke fiscale uitgaven (woonbonus, bouwsparen, energiebesparende maatregelen, beveiliging, renovatie, grootstedenbeleid, dienstencheques). 60% van de overgedragen bevoegdheid wordt gefinancierd via een dotatie vanwege de federale overheid. De resterende 40% financieren de gewesten via de opcentiemen. De dotatie wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gewesten in de financiering van de vergrijzingskost. De verdeling van de dotatie over de gewesten gebeurt op basis van de federaal gebleven PB.
Gewesten, overgangsmechanisme Het doel van het overgangsmechanisme is de inwerkingtreding van de herziene Bijzondere Financieringswet budgettair neutraal te laten verlopen in het aanvangsjaar. De budgettaire verschillen in het aanvangsjaar zullen bijgevolg worden uitgevlakt via een egalisatiebedrag per gewest. Dit egalisatiebedrag wordt 10 jaar nominaal constant gehouden (2015 – 2024). Vanaf het elfde jaar wordt het egalisatiebedrag lineair over 10 jaar afgebouwd (2025 – 2034). Door het verdwijnen van het overgangsmechanisme na 20 jaar realiseert de federale overheid een besparing van 10% op de overgedragen middelen voor het tewerkstellingsbeleid. Die besparing wordt lineair opgebouwd vanaf het elfde jaar. Gewesten, responsabilisering voor pensioenen en klimaat
•• ••
De bijzondere wet van 5 mei 2003 tot instelling van een nieuwe berekeningswijze van de responsabiliseringsbijdrage ten laste van sommige werkgevers van de openbare sector wordt opgeheven. De Gewesten & Gemeenschappen moeten een stijgende responsabiliseringsbijdrage voor de pensioenen van hun ambtenaren betalen. Voor de periode 2015-2020 zijn de bedragen gespecifieerd in de herziene Bijzondere Financieringswet. Vanaf het begrotingsjaar 2021 wordt de responsabiliseringsbijdrage per entiteit bepaald door een bijdragepercentage toe te passen op de weddemassa die door de betrokken entiteit in het voorgaande kalenderjaar werd betaald. Voor het begrotingsjaar 2021 is dat bijdragepercentage gelijk aan 30% van de RSZ-werkgeversbijdrage voor pensioenen. De huidige RSZ-werkgeversbijdrage is 8,86%. Dit resulteert in een bijdragepercentage van 2,658%. Vanaf 2022 wordt het bijdragepercentage lineair opgetrokken totdat het vanaf 2028
BIJLAGEI:BEKNOPTETOELICHTINGBIJDEHERZIENINGVANDEBIJZONDEREFINANCIERINGSWET
••
gelijk is aan 100% van de RSZ-werkgeversbijdrage voor pensioenen. De responsabiliseringsbijdragen worden jaarlijks ingehouden van de aan de betrokken entiteiten door de federale overheid te betalen dotaties. Via de herziene Bijzondere Financieringswet wordt voor ieder gewest een meerjarig traject voorzien, gekoppeld aan een bonus malus systeem, inzake de uitstoot van broeikasgassen in de sector van de gebouwen.
Gewesten, correcte financiering Brusselse instellingen Op grond van de specifieke situatie van de Brusselse regio (pendelaars, aanwezigheid van internationale instellingen en ambtenaren, hoofdstedelijke functies) worden de Brusselse instellingen tegen 2015 geherfinancierd ad 454 miljoen euro. De herfinanciering die gerelateerd is aan de pendelbewegingen zal door het Vlaamse en Waalse Gewest worden gedragen. Gemeenschappen, huidige bevoegdheden
••
•• ••
••
••
••
Van de BTW-Lambermontmiddelen in het aanvangsjaar wordt het effect afgezonderd van de koppeling van de basis BTW-dotatie aan de economische groei in de periode 2010-2015. Dit afgezonderde deel wordt aan de globale BTW-dotatie toegevoegd en ondergaat bijgevolg de evolutie en de verdeling van de globale BTW-dotatie. Het restant van de BTW-Lambermontmiddelen wordt aan de globale PB-dotatie toegevoegd. Vanaf het aanvangsjaar zal de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld geïncorporeerd worden in de globale BTW-dotatie en bijgevolg de evolutie en de verdeling van de globale BTWdotatie ondergaan. De globale BTW-dotatie bestaat bijgevolg uit de som van de basis BTW-dotatie bedoeld in de oude Bijzondere Financieringswet, de afgezonderde Lambermontmiddelen en de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld. De bedoelde som wordt in het aanvangsjaar verhoogd met bijkomende middelen omwille van de overheveling van aangelegenheden inzake het FCUD, jeugdbescherming, het FIM, de startbanen, het EIF en de loopbaanonderbreking. Vanaf het jaar volgend op het aanvangsjaar zal de globale BTW-dotatie naast de bestaande jaarlijkse aanpassing aan de inflatie (CPI) en de evolutie van het aantal min 18-jarigen (DENAT), ook aangepast worden aan 91% van de economische groei (BBP). De globale BTW-dotatie wordt jaarlijks onder de Vlaamse en Franse Gemeenschap verdeeld in functie van de leerlingen. De switch in verdelingsmechanisme van de afgezonderde Lambermontmiddelen en de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld is nadelig voor de Vlaamse Gemeenschap. De globale PB-dotatie bestaat uit de basis PB-dotatie bedoeld in de oude Bijzondere Financieringswet en het restant van de BTW-Lambermontmiddelen. De overdracht van middelen wordt in het aanvangsjaar gereduceerd met 356,3 miljoen euro. In 2016 gebeurt een tweede vermindering met 356,3 miljoen euro. Beide verminderingen hebben een recurrent karakter en gelden als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciën. De saneringsinspanning wordt buiten het overgangsmechanisme gehouden. Vanaf het jaar volgend op het aanvangsjaar zal de globale PB-dotatie aangepast worden aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). De globale PB-dotatie wordt jaarlijks onder de Vlaamse en Franse Gemeenschap verdeeld in functie van de federaal gebleven PB. Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gemeenschappen in de financiering van de vergrijzingskost.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Gemeenschappen, nieuwe bevoegdheden
•• ••
De herziene Bijzondere Financieringswet bepaalt dat aan de gemeenschappen middelen zullen worden overgedragen voor bijkomende bevoegdheden op het vlak van gezinsbijslag, ouderenzorg, gezondheidszorg, ziekenhuisinfrastructuur, justitiehuizen en interuniversitaire attractiepolen. De over te dragen middelen zullen de vorm van dotaties aannemen. Onderstaande tabel toont de karakteristieken van bedoelde dotaties. De dotaties voor ouderenzorg, gezondheidszorg en ziekenhuisinfrastructuur worden o.m. aangepast aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gemeenschappen in de financiering van de vergrijzingskost.
Gemeenschappen, overgangsmechanisme Het doel en de werking van het overgangsmechanisme voor de gemeenschappen is analoog aan dat van de gewesten. Zie supra. Gemeenschappen, responsabilisering voor pensioenen Naar analogie met de gewesten zal ook voor de gemeenschappen een responsabiliseringsmechanisme voor pensioenen van kracht worden. Zie supra.
••
* CPI * evolutie 0 t.e.m. 18 jarigen per GEM * 25% evolutie BBP per inwoner Rijk; in aanvangsjaar negatieve correctie voor 0 t.e.m. 18 jarigen van Duitst. GEM
•• dotatie per GEM * •• dotatie per GEM
•• dotatie per GEM
Evolutie na aanvangsjaar
2015
2015
••
CPI * evolutie +80 jarigen per GEM * percentage van evolutie BBP per inwoner Rijk; in aanvangsjaar negatieve correctie voor 0 t.e.m. 18 jarigen van Duitst. GEM
* CPI * evolutie inwoners per GEM * percentage van BBP
2015
0,858 miljard in 2015; nominaal opgedeeld in aanvangsjaar over VG, FG en GGC
Aanvangsjaar
3,339 miljard in 2013
6,404 miljard in 2013
Gezondheidszorg en Hulp aan personen
Totale dotatie
Ouderenzorg
Gezinsbijslag
Bevoegdheid
••
CPI * percentage van BBP; opdeling dotatie in twee delen: 84,40% en 15,60%; deel 84,40% wordt verminderd met relatief aantal inwoners Duitst GEM
•• totale dotatie *
2016
0,566 miljard in 2013
Ziekenhuisinfrastructuur en Medisch-technische diensten
CPI * BBP
CPI * BBP
2018
0,032 miljard in 2018; nominaal opgedeeld in aanvangsjaar over VG en FG
Interuniversitaire attractiepolen
•• dotatie per GEM * •• dotatie per GEM *
2015
0,086 miljard in 2015; nominaal opgedeeld in aanvangsjaar over VG en FG
Justitiehuizen
BIJLAGEI:BEKNOPTETOELICHTINGBIJDEHERZIENINGVANDEBIJZONDEREFINANCIERINGSWET
Ratio
Verdeling
Bevoegdheid
evolutie i.f.v. behoeften
•• verdeling en
aanvangsjaar o.b.v. 0 t.e.m. 18 jarigen per GEM (VG, FG en GGC)
•• enkel in
Gezinsbijslag
••
evolutie i.f.v. behoeften percentage van evolutie BBP per inwoner Rijk = deelname van gemeenschappen in vergrijzingskosten
•• verdeling en
aanvangsjaar o.b.v. +80 jarigen per GEM (VG, FG en GGC)
•• enkel in
Ouderenzorg
••
behoeften percentage van BBP = deelname van gemeenschappen in vergrijzingskosten
•• evolutie i.f.v.
aanvangsjaar
•• enkel in
Gezondheidszorg en Hulp aan personen
••
evolutie i.f.v. behoeften percentage van BBP = deelname van gemeenschappen in vergrijzingskosten
•• verdeling en
••
84,40% jaarlijks volgens inwoners in VG, FG en GGC; deel 15,60% jaarlijks volgens inwoners in VG en FG
behoeften
•• evolutie i.f.v.
aanvangsjaar o.b.v. inwoners per GEM (VG en FG)
Justitiehuizen
•• gereduceerd deel •• enkel in
Ziekenhuisinfrastructuur en Medisch-technische diensten
behoeften
•• evolutie i.f.v.
aanvangsjaar
•• enkel in
Interuniversitaire attractiepolen
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
1.806 0 0 0 0 0
2-jaarlijkse survey Studiedienst Vlaamse regering
SERV: Extra ontvangst vanuit WVG (indexatie)
AGIV: Toename eigen ontvangsten
AGIV: Afbouw betoelaging richting VITO
Vlaams Brusselfonds: Toename eigen ontvangsten
1.806
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
Compensatie vanuit BZ: Audit Vlaanderen
0
1.806
∆ Beleid excl Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
-286
Index
HERZ 14 vs 14 1.520
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
DAR
HERZ 14 vs 14 Totaal
Omschrijving
BD
1
255
158
0
-340
1.806
1.881
0
1.880
1.324
3.204
15 vs 14
15 vs 14
3
1.255
330
0
0
1.806
3.394
0
3.393
2.830
6.223
16 vs 14
16 vs 14
5
1.255
517
0
-340
1.806
3.242
0
3.241
4.419
7.660
17 vs 14
17 vs 14
6
1.255
706
0
0
1.806
3.773
0
3.772
5.863
9.635
18 vs 14
18 vs 14
8
1.255
910
0
-340
1.806
3.639
0
3.638
7.619
11.258
19 vs 14
19 vs 14
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
BZ
-1.806
∆ Beleid excl Index
0 0
Grootstedenbeleid Gewoon rampenfonds
0 0 -1.806
Eigen ontvangsten instellingen
DAB ICT: Recuperatie eigen ontvangsten jaar x-1
Compensatie naar DAR: Audit Vlaanderen
-1.806
750
106
247
-1.806
749
222
247
65
0
65
VAC Gent - Schoonmaak (12/12den)
-1.000
0
153
-1.000
4.336
VAC Gent (regeneratiekeuken (SA Ambtenaren))
0
Ingebruikname VAC Gent: wegvallen huur oude gebouwen
4.336
-1.107
153
0
Huur VAC Brugge en Gent
-1.500
10.495
0
0
Organisatie Lokake Verkiezingen
5.157
2.652
VAC Gent (12/12de catering)
0
Stedenfonds
1.303
160.021
174.632
12.178
15.400
361
2.872
30.811
205.443
8.624
214.067
16 vs 14
-395
0
Provinciefonds
78.634
86.445
12.178
15.400
361
2.872
30.811
117.257
3.746
121.003
15 vs 14
VAC: uitdoofscenario facilitaire dienstverlening
0
Gemeentefonds
-1.806
0
Europees integratiefonds
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Federaal impulsfonds
0
-870
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
-2.676
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
-1.806
748
347
247
65
153
-395
-1.000
4.336
9.282
16.019
4.049
244.256
276.301
12.178
15.400
361
2.872
30.811
307.112
13.779
320.891
17 vs 14
-1.806
748
474
247
65
153
-395
-1.000
4.336
-1.500
21.737
5.494
331.439
359.992
12.178
15.400
361
2.872
30.811
390.803
18.562
409.365
18 vs 14
-1.806
748
611
247
65
153
-395
-1.000
4.336
74
27.655
6.990
421.674
459.352
12.178
15.400
361
2.872
30.811
490.162
24.256
514.418
19 vs 14
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
F&B
-295.155
∆ Beleid excl Index
13.129
-166.000
-50 -166.000
-6.706
Rente-uitgaven
1.000
Competitiviteit: verdeling provisie
0
1-op-1 compensatie energiezuinige woningen
-7.474
0
0
Egalisatiefonds voor responsabiliseringsbijdrage. Verdere ESRimpact vanaf 2015 verwerkt via ontvangsten
0
NV Diestsepoort: Meer gewicht qua aflossing in de constante annuïteit
0
Provisie responsabiliseringsbijdrage (ESR-impact 2014 =0). Verdere ESR-impact vanaf 2015 verwerkt via ontvangsten
6.426
0
0
Compensatie weddedrift
-103
0
0
Indexatie op de CAG-besparing opstap naar 6.5%
0
NV Diestsepoort: Extra ontvangsten
0
Pool der parastatalen
-860
24.367
-860
Effect geraamde daling lotto-ontvangsten op variabel deel provisie
-139.132
-268.697
10.616
10.616
-258.081
1.370
-256.711
15 vs 14
Overname inning successie- en registratierechten door IVA Vlabel
-121.589
-295.155
0
Indexprovisie
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
Aankoopcomités
0
-118
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
-295.273
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
-166.000
-119
0
24.367
7.465
2.000
-7.474
0
12.924
-184
2.691
-860
-139.132
-264.322
10.616
10.616
-253.707
2.806
-250.902
16 vs 14
-166.000
-193
0
24.367
-28.255
3.000
-7.474
0
19.524
-267
5.465
-860
-139.132
-289.825
10.616
10.616
-279.209
4.299
-274.909
17 vs 14
-166.000
-270
0
24.367
-46.408
4.000
-7.474
0
26.127
-330
8.294
-860
-139.132
-297.686
10.616
10.616
-287.070
5.579
-281.492
18 vs 14
-166.000
-352
0
24.367
-49.409
4.000
-7.474
0
33.599
-528
11.459
-860
-139.132
-290.330
10.616
10.616
-279.715
7.243
-272.472
19 vs 14
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
IV
13.000 0 0 0 0 0 0 0
SALK: Vrijetijdseconomie
TV: Wegvallen compensatie vooruitschuif inhaalbeweging jeugdinfrastructuur
TV: Evolutie intering eigen ontvangsten
TV: Evolutie eigen ontvangsten
Wegvallen opstartkosten inzake nemen participaties Waarborgfonds
VLEVA: Wegvallen saldo-opbouw
VLEVA: Evolutie eigen ontvangsten
FIT: Evolutie eigen ontvangsten
13.000
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
13.000
∆ Beleid excl Index
0
-348
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
12.652
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
57
1
21
-18
20
-1.340
7.792
0
6.533
0
6.534
1.649
8.182
15 vs 14
120
3
21
-18
41
-1.580
7.792
0
6.379
0
6.378
3.632
10.011
16 vs 14
187
5
21
-18
64
-2.059
7.792
0
5.992
0
5.992
5.724
11.716
17 vs 14
256
7
21
-18
88
-2.059
7.792
0
6.086
0
6.085
7.639
13.724
18 vs 14
330
9
21
-18
113
-2.059
7.792
0
6.187
0
6.187
9.954
16.141
19 vs 14
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
EWI
75.400
∆ Beleid excl Index
0 0 0
Dotatie startersfonds Kefik
Interuniversitaire attractiepolen (vanaf 2018) 45.000 26.000 4.400 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Competitiviteit: O&O
Competitiviteit: Carbon Leakage SALK: Innovatie
Decreet integratie hoger onderwijs
VITO: Evolutie eigen ontvangsten
VITO: Afbouw betoelaging vanuit AGIV
VITO: Wegvallen onderliggende saldo-opbouw
VIB: Intering op bestaand reservefonds - gekend effect consolidatie vanaf 2015
IWT: Verhoging eigen ontvangsten
IWT: Verhoging dotatie richting VRT
IWT: Verlaging betoelaging De Lijn
IWT: Wegvallen KVD-ontvangsten
PMV: Toename eigen ontvangsten
75.400
0
Uitkeringen zelfstandigen bij werken
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Domeinen Economie
0
-5.515
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
69.885
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
268
0
10
-52
25
2.500
767
-255
677
1.000
0
0
25.000
55.043
0
254
1.781
653
737
3.425
58.468
11.587
70.055
15 vs 14
559
0
61
-105
52
2.500
767
-1.255
1.413
1.900
0
0
25.000
103.487
0
254
1.781
653
737
3.425
106.912
29.302
136.214
16 vs 14
873
-200
61
-159
82
2.500
767
-1.255
2.209
3.900
0
0
25.000
152.151
0
254
1.781
653
737
3.425
155.576
48.448
204.024
17 vs 14
1.193
-200
61
-214
111
2.500
767
-1.255
3.018
8.900
0
0
25.000
154.719
17.704
254
1.781
653
737
21.129
175.848
67.782
243.630
18 vs 14
1.539
-200
61
-270
144
2.500
767
-1.255
3.892
13.800
0
0
25.000
156.769
17.704
254
1.781
653
737
21.129
177.898
89.189
267.087
19 vs 14
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
OV
0 0 0 0
VEB: Rendabiliteit op de ontplooiing dienstenactiviteiten
Plantentuin Meise: Wegvallen overflow
Plantentuin Meise: Recuperatie verhoogde toelage voor eigen gefinancierde werknemers
Plantentuin Meise: Extra eigen ontvangsten
1.354
0
Lonen leerplichtonderwijs: TO Fonds Wedderecuperatie
-820
7.744
0
Lonen leerplichtplichtonderwijs: Afbouw overgangsmaatregel decreet basisonderwijs
-9.227
1.549
0
Lonen leerplichtonderwijs: TBS
17.468
Lonen leerplichtplichtonderwijs: Zij-instroom
0
Lonen leerplichtonderwijs: Vergrijzing
43.709
6.487
0
Lonen leerplichtonderwijs: Leerlingenaantallen
-22.641
30.596
0
30.459
182.577
213.036
15 vs 14
18
-60
-311
-483
25.838
101
Lonen leerplichtonderwijs: RKW verhoging
-21.647
Lonen leerplichtonderwijs: Herijken loonmodel leerplicht nav uitvoering 2013
-22.247
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
-22.185
∆ Beleid excl Index
0
-7.141
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
-29.327
Totaal
HERZ 14 vs 14
0
VEB: Toename eigen ontvangsten: Ontplooiing dienstenactiviteiten
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
0
PMV: Terug naar marktconforme ROE
1.591
13.939
6.487
-1.638
-23.671
35.086
73.596
-22.470
120.017
0
119.688
344.021
463.709
16 vs 14
37
-120
-311
-2.489
76.178
-699
1.828
20.134
6.487
-1.638
-42.476
52.904
107.515
-23.303
207.652
0
207.153
516.467
723.620
17 vs 14
58
-170
-311
-5.105
125.600
-1.699
2.065
26.329
6.487
-1.638
-55.241
71.015
148.980
-24.000
292.366
0
291.710
661.824
953.534
18 vs 14
79
-170
-311
-5.583
123.521
-2.699
2.302
32.524
6.487
-1.638
-61.326
89.525
199.953
-24.479
405.374
0
404.535
860.381
1.264.916
19 vs 14
102
-170
-311
-6.155
121.025
-3.699
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
0 -2.149 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Werkingsmiddelen leerplichtonderwijs: Leerlingenevolutie Herijken loonmodel VWO
Lonen VWO (0,8%) en CBE (2,59%) Groeinorm CBE werking
Opstap integratie- en inburgeringsdecreet TO Fonds DKO
Wegvallen eenmalige investeringskredieten klassieke financiering infrastructuur (30 miljoen euro) en capaciteit (50 miljoen euro)
GO!: Recuperatie verkoop gronden
Klasse 2-jaarlijkse overheidsopdracht
4-jaarlijkse financiële controle
Hoger Onderwijs (klik + 45/55 onderzoek + TBS besparing)
Op kruissnelheid brengen subsidiëringsritme van in universiteiten ingekantelde hogeschoolrichtingen
Decreet integratie hoger onderwijs
Wegvallen compensatie vanuit Wonen voor lening UZ Gent Cao UZ Gent
Studiefinanciering - aangroei door lln evolutie
Stijging eigen ontvangsten instellingen
57
1.104
100
-4.700
15.800
12.040
21.308
0
3.684
1.436
-80.000
81
8.000
163
6.814
-2.149
2.784
119
1.356
200
-4.700
33.600
12.040
44.823
1.056
0
6.260
-80.000
162
8.000
330
11.916
-2.149
4.083
186
1.880
300
-4.700
48.500
12.040
69.100
0
3.684
6.515
-80.000
243
8.000
502
16.482
-2.149
5.618
254
2.527
400
-4.700
63.300
12.040
82.081
0
0
6.774
-80.000
324
8.000
678
21.283
-2.149
7.556
328
3.342
500
-4.700
78.300
12.040
97.934
0
3.684
7.054
-80.000
406
8.000
859
26.457
-2.149
9.972
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
WVG
15.270
∆ Beleid excl Index
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Geïsoleerde G- of SP-diensten
Ziekenhuisinfrastructuur (vanaf 2016) Revalidatiecentra MAF
Tegemoetkoming hulp aan bejaarden (THAB)
Mobiliteitshulpmiddelenbeleid
Psychiatrische verzorgingstehuizen Initiatieven beschut wonen
Overlegplatform geestelijke gezondheidszorg Preventie en eerstelijnshulp
Werkingskosten FOD en RIZIV
Justitiehuizen en eerstelijnshulp Elektronische enkelband Jeugdbescherming
0 0 0
VIA-IV - Sectoraal - Thuis- en gezinszorg
Toename alternatieve financiering VIPA
Wegvallen klassieke machtiging VIPA
15.270
0
Residentiële ouderenzorg
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Gezinsbijslag en FCUD
0
-1.605
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
13.665
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
-13.000
7.000
933
43.954
8.870
431
41.992
1.741
46.754
6.951
42.296
89.705
56.823
378.300
6.308
153.156
0
105.724
1.810.395
3.623.041
6.372.487
6.411.441
65.814
6.477.255
15 vs 14
-13.000
10.000
933
86.354
8.870
431
41.992
1.741
46.754
6.951
42.296
89.705
56.823
379.813
6.308
153.156
553.597
105.724
1.846.132
3.648.457
6.988.750
7.070.104
218.958
7.289.062
16 vs 14
-13.000
10.286
933
129.587
8.870
431
41.992
1.741
46.754
6.951
42.296
89.705
56.823
381.332
6.308
153.156
590.690
105.724
1.875.477
3.673.467
7.081.717
7.206.304
378.752
7.585.056
17 vs 14
-13.000
10.286
933
173.992
8.870
431
41.992
1.741
46.754
6.951
42.296
89.705
56.823
382.858
6.308
153.156
622.176
105.724
1.905.241
3.702.196
7.173.222
7.342.216
514.589
7.856.805
18 vs 14
-13.000
10.286
933
219.997
8.870
431
41.992
1.741
46.754
6.951
42.296
89.705
56.823
384.389
6.308
153.156
662.610
105.724
1.935.431
3.732.848
7.276.029
7.491.027
696.262
8.187.290
19 vs 14
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
5.000 0 0 0 0 2.366 0 0 0 0 0 0 0 2.600 465 839 4.000 0 0
Competitiviteit: Klassieke machtiging VIPA
FJW: pleegplaatsingen, internaten en preventieve sociale actie FJW: eigen ontvangsten VAPH: Effect VIA-I VAPH: eigen ontvangsten Zorgfonds Urencontingent thuiszorg Animatiewerking Serviceflats Weddedrift: VAPH Weddedrift: FJW Weddedrift: K&G Weddedrift: CAW's SALK: kinderarmoede
SALK: RMO - gezonde voeding
SALK: Kind en Taal - Kind en Gezin
Competitiviteit: Zelfstandige kinderopvang K&G: Eigen ontvangsten Evolutie VAK Cicov
2
2.188
4.000
932
0
0
495
367
1.808
8.333
-965
1.042
12.889
15.578
283
1.066
203
800
0
5
4.565
4.000
93
0
0
994
734
3.629
16.901
-2.258
2.105
26.365
26.512
590
2.161
424
1.600
0
8
7.139
4.000
0
0
0
1.506
1.101
5.500
25.711
-2.258
3.189
40.454
37.743
923
3.288
664
2.400
0
12
9.753
4.000
0
0
0
2.031
1.468
7.422
34.770
-2.258
4.295
55.184
49.281
1.261
4.447
907
3.200
0
16
12.576
4.000
0
0
0
2.570
1.835
9.397
44.085
-2.258
5.401
70.584
61.138
1.626
5.638
1.169
4.000
0
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
CJSM
6.158 0 0 0 0 0 0 -2.295 0 -219 16 0 0 0 0
FOCI: Renovatie KMSKA
FOCI: Aflopen 5-jaarlijkse compensatie Waalse Krook
Eigen ontvangsten te consolideren instellingen Cultuur VFL: Minder intering PPS Sport
BLOSO: Extra toelage Olympische spelen
BLOSO: Toename Eigen ontvangsten
VRT: Correctie voor teveel aan commerciële inkomsten knipperlichtprocedure
VRT: Wegvallen intering voor herstructurering
VRT: Vergrijzing statutair personeel
VRT: Bijstellen budget voor koopkracht contractuelen
VRT en VRM: Eigen ontvangsten
VRT: Verhoging toelage vanuit EWI
VRT pensioenfonds: Extra pensioenuitkeringen
VRM: Wegvallen saldo-opbouw boetes
3.660
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
3.660
∆ Beleid excl Index
0
-2.186
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
1.474
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
14
3.233
52
2.690
16
-438
-1.095
0
160
0
1.298
-76
213
4.000
-34.339
-24.273
0
-24.270
12.565
-11.704
15 vs 14
14
6.269
105
5.612
16
-657
-4.295
0
333
400
3.514
-76
444
4.000
-34.339
-18.660
0
-18.653
25.544
6.891
16 vs 14
14
9.542
159
8.775
16
-876
-4.695
0
521
0
3.908
-76
695
4.000
-31.260
-9.277
0
-9.267
39.136
29.869
17 vs 14
14
12.541
214
11.989
16
-1.095
-4.895
0
712
0
4.752
-76
949
4.000
-31.260
-2.139
0
-2.125
51.230
49.105
18 vs 14
14
14.373
270
15.458
16
-1.314
-4.995
0
918
0
5.597
-76
1.224
4.000
-31.260
4.225
0
4.243
66.372
70.615
19 vs 14
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
WSE
32.400
∆ Beleid excl Index
0 0 0 0 0
Restbevoegdheden (excl. dienstenchèques) Dienstenchèques
Werkmaterie voor gemeenschappen
Fiscale uitgaven: Dienstenchèques
Fiscale uitgaven: PWA-chèques 31.000 1.400 0 0 0
Competitiviteit: Loonlastvermindering
Competitiviteit: Werkinlevingscontracten
2-jaarlijkse vastleggingscyclus sectorconvenanten VDAB: eigen ontvangsten
Syntra: Toename eigen ontvangsten
32.400
0
Doelgroepenbeleid (RVA)
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Doelgroepenbeleid (RSZ)
0
-2.438
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
29.962
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
41
1.289
12.615
5.000
125.000
143.945
1.966
216.607
46.211
1.091.320
284.616
149.929
711.918
2.502.567
2.646.512
18.833
2.665.346
15 vs 14
85
2.690
-304
5.000
125.000
132.471
1.966
225.271
46.211
1.134.973
284.616
149.929
711.918
2.554.884
2.687.355
76.516
2.763.871
16 vs 14
133
4.207
12.615
5.000
125.000
146.955
1.966
232.029
46.211
1.169.022
284.616
149.929
711.918
2.595.691
2.742.647
137.581
2.880.228
17 vs 14
181
5.748
-616
5.000
125.000
135.313
1.966
236.670
46.211
1.192.403
284.616
149.929
711.918
2.623.713
2.759.026
192.301
2.951.327
18 vs 14
234
7.412
12.615
5.000
125.000
150.260
1.966
239.037
46.211
1.204.327
284.616
149.929
711.918
2.638.004
2.788.264
260.942
3.049.207
19 vs 14
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
LNE
L&V
4.000
∆ Beleid excl Index
0
Dierenwelzijn
29.407
∆ Beleid excl Index
0
Doorvoer van afvalstoffen 8.500 0
Competitiviteit: Rioleringen
Eenmalige RIO-investeringskredieten
29.407
0
FRGE
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Fiscale uitgaven: Energiebesparende maatregelen en passiefhuizen
0
-2.180
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
27.227
Totaal
HERZ 14 vs 14
0
EV ILVO: Verhoging eigen ontvangsten
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
4.000
SALK: Landbouw
4.000
0
BIRB
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Landbouwrampenfonds
0
-516
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
3.484
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
-10.000
0
106.123
338
6.175
22.988
29.501
135.621
6.699
142.319
15 vs 14
223
0
223
1.959
8.320
1.737
12.016
12.239
1.966
14.205
15 vs 14
-10.000
0
153.150
338
6.175
22.988
29.501
182.648
15.974
198.623
16 vs 14
465
0
465
1.959
8.320
1.737
12.016
12.481
4.504
16.985
16 vs 14
-10.000
0
136.113
338
6.175
22.988
29.501
165.611
25.869
191.480
17 vs 14
728
0
728
1.959
8.320
1.737
12.016
12.744
7.198
19.942
17 vs 14
-10.000
0
145.273
338
6.175
22.988
29.501
174.772
35.353
210.125
18 vs 14
994
0
994
1.959
8.320
1.737
12.016
13.010
9.729
22.739
18 vs 14
-10.000
0
160.335
338
6.175
22.988
29.501
189.834
46.261
236.095
19 vs 14
1.282
0
1.282
1.959
8.320
1.737
12.016
13.298
12.706
26.004
19 vs 14
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
MOW
-20.007 0 0 0 -46 0 31.960
MINA: Aquafinfactuur (excl. eenmalige effecten)
MINA: 5-jaarlijkse milieubeheersovereenkomsten landbouw Grindfonds: Herstelplan
Eigen ontvangsten OVAM, VMM, VLM
VMM uitstroom Aquafin-personeel
Minder ontvangsten vanuit W&Z bij VLM Klimaatfonds
0 0 0 0 0
Eigen ontvangsten W&Z, DS, Loodswezen, Vloot, BAM
Minder interrelatie vanuit W&Z naar VLM
Op kruissnelheid komen van overdracht personeel richting LEM's. Daarna geleide afbouw overgedragen cohorte.
Wegvallen eenmalige financieringsbron: LOM/LEM
2.000
0
Co-financiering spoor
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
Mobiliteit
2.000
∆ Beleid excl Index
0
-6.675
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
-4.675
Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
HERZ 14 vs 14
0
MINA: Aquafinfactuur (wegvallen eenmalige effecten)
Minder intering Grondenbanken
9.000
Competitiviteit: Bodemsanering brownfields
-15.000
1.459
2.150
3.048
0
-28.265
3.715
3.715
-24.484
30.733
6.249
15 vs 14
-500
41.392
-2.150
-101
683
500
0
-5.701
82.000
0
-15.000
1.309
2.150
6.360
0
-22.362
3.715
3.715
-18.581
69.059
50.477
16 vs 14
-1.000
47.628
-2.150
-156
1.421
-606
31.685
4.328
82.000
0
-15.000
1.159
2.150
9.946
10.000
-5.813
3.715
3.715
-2.032
109.036
107.004
17 vs 14
-1.500
51.976
-2.150
-211
2.221
-1.581
0
15.358
82.000
0
-15.000
1.009
2.150
13.589
10.000
1.127
3.715
3.715
4.908
145.131
150.039
18 vs 14
-2.000
55.166
-2.150
-266
3.033
-1.898
0
21.388
82.000
0
-15.000
859
2.150
17.522
10.000
9.084
3.715
3.715
12.865
190.541
203.405
19 vs 14
-2.500
57.626
-2.150
-321
3.910
-1.854
0
33.624
82.000
0
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
RWO
0 0 0 2.000 0
Wegvallen eenmalige financieringsbron: AWV Grondenaankoop
De Lijn: Evolutie eigen ontvangsten
De Lijn: Daling toelage n.a.v. dalende intrestkosten
Competitiviteit: Shuttledecreet
Indexatie BBV'n nog niet meegeteld in VAK bij BO 2014
14.123
∆ Beleid excl Index
0 0 0
Fiscale uitgaven: Beveiliging, huurder
Fiscale uitgaven: Sociale verhuur, effec
Fiscale uitgaven: Monumenten 0 0
Infrastructuur G&P
FS3 - Huur - Kapitaalsubsidie
14.100
0
Fiscale uitgaven: Beveiliging, eigenaar
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Fiscale uitgaven: bouwsparen & woonbonus
0
-878
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
13.246
Totaal
HERZ 14 vs 14
0
Wegvallen eenmalige financieringsbron: W&Z - Sigmaplan
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
0
Wegvallen eenmalige financieringsbron: provisie Openbare Werken
17.847
1.524
27.139
985
25
735
23.177
1.725.580
1.750.502
1.777.643
2.984
1.780.627
15 vs 14
244
2.000
-857
3.235
-11.045
-8.500
-5.000
26.260
3.107
50.466
985
25
735
23.177
1.781.525
1.806.447
1.856.932
7.194
1.864.126
16 vs 14
244
2.000
-1.631
6.750
-11.045
-8.500
-5.000
21.460
4.750
60.608
985
25
735
23.177
1.840.534
1.865.456
1.926.102
11.670
1.937.771
17 vs 14
244
2.000
-2.323
10.556
-11.045
-8.500
-5.000
28.236
6.458
85.514
985
25
735
23.177
1.900.939
1.925.861
2.011.432
15.922
2.027.354
18 vs 14
244
2.000
-2.742
14.422
-11.045
-8.500
-5.000
35.907
8.231
122.858
985
25
735
23.177
1.964.700
1.989.622
2.112.556
20.849
2.133.405
19 vs 14
244
2.000
-2.742
18.596
-11.045
-8.500
-5.000
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
HE
0 0 0 0 0 0 0 0 0 14.100 0
Koop - Rentesubsidie VWF - Rentesubsidie Rollend Grondfonds Domus Flandria Mijnwerkerslening
Wegvallen compensatie vanuit Wonen voor lening UZ Gent
Fonds uithuiszetting - Op kruissnelheid komen
Grondfonds: Wegvallen saldo-opbouw in het kader van de planbatenheffing
Herstelfonds: VAK afstemmen op eigen ontvangsten
Competitiviteit: Onroerend Erfgoed - bedrijven & scholen
Onroerend Erfgoed: eenmalig investeringskrediet 2014
1.700 -3.326
10 bijkomende volksvertegenwoordigers te vergoeden nav 6de SHV
Installatiekost nieuwe kabinetten (ontslagvergoedingen + ICT-kost)
-626
0
-626
1.000
0
11 637
15 vs 14
-10.000
0
-483
999
720
4.700
-100
-3.766
356
5.110
2.602
3.719
3.911
Terugdraai eenmalige besparing Vlaams Parlement
0
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
∆ Beleid excl Index
0
-17
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
-17
Totaal
HERZ 14 vs 14
0
Koop - Kapitaalsubsidie
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
0
FS3 - Huur - Rentesubsidie
-3.326
1.700
1.000
-626
0
-626
1.160
534
16 vs 14
-10.000
0
-483
1.499
1.480
4.700
-200
-12.181
756
7.988
7.030
9.751
10.760
-3.326
1.700
1.000
-626
0
-626
1.694
1.068
17 vs 14
-10.000
0
-483
1.999
1.480
4.700
-263
-20.507
847
11.854
9.595
14.572
20.604
-3.326
1.700
1.000
-626
0
-626
2.113
1.487
18 vs 14
-10.000
0
-483
1.999
1.480
4.700
-263
-28.384
929
16.944
12.141
17.858
33.900
0
1.700
1.000
2.700
0
2.700
2.715
5.415
19 vs 14
-10.000
0
-483
1.999
1.480
4.700
-263
-30.155
996
22.391
14.913
21.036
52.106
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING
In de budgettaire boordtabel houdende alternatieve financiering wordt een vergelijking gemaakt tussen de geraamde beschikbaarheidsvergoedingen voor de periode 2014-2019 en de bedragen die zijn meegenomen in de voorliggende meerjarenraming. De bedragen met de geraamde beschikbaarheidsvergoedingen zijn afkomstig uit het antwoord van de Minister-President op schriftelijke vraag 363 van de heer Lode Vereeck, met uitzondering van de bedragen voor missing links en tramverlengingen Masterplan. Voor het project A11 werd vanuit het departement Mobiliteit en Openbare Werken en De Lijn een geactualiseerd cijfer aangeleverd. Voor de cijfers van tramverlengingen Masterplan, die niet waren opgenomen in het antwoord op de schriftelijke vraag, werd gesteund op de documenten bij de beslissing van de Vlaamse Regering van 27 september 2013. Uit de tabel blijken een aantal discrepanties tussen de ramingen van de beschikbaarheidsvergoedingen en de in de meerjarenraming opgenomen bedragen. In de meerjarenraming worden immers maar de kredieten voorzien die de Vlaamse Regering expliciet heeft toegezegd: Voor sommige initiatieven zoals PPS in de sport, VIPA-II, VAC’s worden nog bijkomende kredieten t.o.v. de begrotingsopmaak 2014 voorzien en is er dan ook geen tekort aan beschikbaar gestelde kredieten. Voor andere initiatieven zoals VIA-invest, PPS in de scholenbouw, … zullen de reeds in het verleden toegekende kredieten vooreerst dienen te worden ingezet en wordt er verder in voorliggende raming verondersteld dat er nog een verdere compensatie binnen de voor klassieke financiering ter beschikking gestelde middelen kan gevonden worden. De volgende Vlaamse Regering zal verder dienen te bekijken welke werkelijke uitgaven met de in voorliggende meerjarenraming voorziene kredieten kunnen opgevangen worden en waar er desgevallend bijkomende middelen moeten worden ingezet. Meer specifiek voor wat betreft het beleidsdomein Onderwijs en Vorming betreft, is er in het verleden 75 miljoen euro ter beschikking gesteld voor het opvangen van de toename van de kredieten voor beschikbaarheidsvergoedingen inzake PPS in de scholenbouw. Nu de recurrente beschikbaarheidsvergoedingen op 102 miljoen euro worden geraamd, dient er volgens voorliggende meerjarenraming 27 miljoen euro aan compensatie binnen de voor klassieke financiering beschikbaar gestelde kredieten gevonden te worden. Ook in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken volstaan de in de meerjarenraming voorziene bedragen niet om alle beschikbaarheidsvergoedingen te betalen. In de meerjarenraming is voor de realisatie van de missing links via de NV Via Invest 66 miljoen euro op jaarbasis ingeschreven. Op dit ogenblik zijn er vier van de zes missing links geclosed (Zaventem, NoordZuid Kempen, R4 en A11) voor een op kruissnelheid totale jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding van 88,7 miljoen euro (in 2017). Voor de realisatie van alle zes de missing links wordt de kostprijs op kruissnelheid zelfs geraamd op 161,7 miljoen euro. Daarnaast heeft de Vlaamse Regering aan de nv Via Invest de opdracht gegeven om, in samenwerking en overleg met het agentschap Wegen en Verkeer, de NV Waterwegen en
BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING
Zeekanaal en de NV De Scheepvaart, zes bijkomende projecten met een totale maximale investeringswaarde van 750 miljoen euro voor te bereiden voor realisatie. In onderstaande tabel wordt met deze bijkomende projecten nog geen rekening gehouden, doch kunnen tegen het einde van de komende legislatuur reeds beschikbaarheidsvergoedingen in het kader van deze projecten verwacht worden. Hierbij kan vermeld worden dat een piste, waarbij opbrengsten uit de kilometerheffing kunnen ingezet worden om tegemoet te komen aan de problematiek van de oplopende beschikbaarheidsvergoedingen, verder onderzocht zal worden. Omtrent de beschikbaarheidsvergoedingen binnen De Lijn kan gesteld worden dat betreffende de stelplaatsen de reeds toegekende enveloppe ongeveer 8,6 miljoen euro te laag is om de geraamde beschikbaarheidsvergoedingen op kruissnelheid van ruim 20 miljoen euro af te dekken. Voor de tramverlengingen De Lijn loopt dit tekort op tot 5,7 miljoen euro. Hierbij dient nog opgemerkt dat voor deze laatste nog geen rekening werd gehouden met Spartacus lijn 2 (en 3). Voor de tramverlengingen Masterplan loopt het tekort op tot 8,4 miljoen euro.
Sociale huisvesting
Wonen
Serviceflats
Rust- en verzorgtehuizen
Welzijn
187.346 12.467
geclosed
niet geclosed
2016
12.054
187.346
1.271
Geen nieuwe projecten meer voorzien.
1.220 0
Delta
1.220
MJR 2014-2019
niet geclosed
1.279
geclosed
1.220
0
Delta
1.279
2.000
MJR 2014-2019
0
1.207
1.207
1.207
0
2.072
2.072
2.072
geclosed
2.000
2.072
2.000
2.072
Totaal
2018
2019
12.054
187.346
12.054
187.346
12.054
187.346
0
1.193
1.193
1.193
45
2.073
2.028
2.028
406
0
1.179
1.179
1.179
0
1.893
1.893
1.893
0
1.165
1.165
1.165
0
1.853
1.853
1.853
196.520 199.520 199.806 199.806 199.806
7.054
187.346
Totaal
niet geclosed
2017
194.400 199.400 199.400 199.400 199.400
2015
120
Uitvoeringsfase programma 2007. Geen nieuwe projecten meer voorzien.
Max. bedrag van 199.813.391,43 euro aan totale jaarlijkse gebruikstoelagen.
Groeipad
2.120 1.833
189.400
Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding
Delta
MJR 2014-2019
199.813
Totaal
Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid
Boordtabel PPS (in duizend euro)
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Sportinfrastructuur
Sport
Schoolinfrastructuur
Onderwijs
Externe kostendrijver met max 8,5 miljoen euro.
811
0
Delta
5.574
niet geclosed
2.279
3.090
2.926
geclosed
2.279
MJR 2014-2019
8.500
Totaal
0
18.595
18.595
2015
Delta
1.792
75.000
Groeipad
18.595
101.809
Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding
MJR 2014-2019
niet geclosed
geclosed
Totaal
Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid
1.572
5.306
891
2.843
3.734
-4.770
75.000
79.770
79.770
2016
2018
2019
75.000
75.000
101.809
1.773
5.700
1.064
2.863
3.927
2.588
6.544
1.073
2.883
3.956
3.404
7.389
1.081
2.904
3.985
-22.227 -26.008 -26.809
75.000
97.227 101.008
97.227 101.008 101.809
2017
Boordtabel PPS (in duizend euro)
BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING
Vlaamse havens
Missing links
Openbare Werken
Jeugdverblijfinfrastructuur
Toerisme
553
geclosed
18.050
geclosed
0
0 0
MJR 2014-2019
Delta
niet geclosed
18.050
Totaal
0
0
Delta
72.038
niet geclosed
32.754 32.754
89.637
geclosed
32.754
MJR 2014-2019
161.675
Totaal
0
553
553
2015
Delta
Binnen eigen middelen. Investering slaat enkel op Deurganckdoksluis. Gent-Terneuzen en Zeebrugge nog niet voorzien.
Volledig op te vangen binnen huidige machtiging Toerisme Vlaanderen.
Groeipad
553
66.000
0
Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding
MJR 2014-2019
niet geclosed
553
Totaal
Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid
-18.050
0
18.050
18.050
0
32.911
0
32.911
32.911
0
553
553
553
2016
-18.050
0
18.050
18.050
0
47.718
0
47.718
47.718
0
553
553
553
2017
66.000
22.100
89.180
111.280
0
553
553
553
2019
-18.050
0
18.050
18.050
-18.050
0
18.050
18.050
-22.733 -45.280
66.000
0
88.733
88.733
0
553
553
553
2018
Boordtabel PPS (in duizend euro)
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Kilometerheffing
Mobiliteit
ACC
Amoras
0 0
MJR 2014-2019
Delta
Delta
MJR 2014-2019
niet geclosed
geclosed
Totaal
0
niet geclosed
Te financieren met meeropbrengsten kilometerheffing.
0
Totaal
geclosed
0
29.000
29.000
2015
Delta Nog geen beslissing.
Op kruissnelheid. In exploitatie.
Groeipad
29.000
0
Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding
MJR 2014-2019
60000 - 80000
29.000
geclosed
niet geclosed
29.000
Totaal
Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid
0
70.000
0
0
0
0
0
29.000
29.000
29.000
2017
0
70.000
1.592
0
1.592
1.592
0
29.000
29.000
29.000
2018
0
70.000
806
0
806
806
0
29.000
29.000
29.000
2019
-70.000 -70.000 -70.000 -70.000
0
70.000
0
0
0
0
0
29.000
29.000
29.000
2016
Boordtabel PPS (in duizend euro)
BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING
Tramverlengingen
Stelplaatsen 3.752 16.569
geclosed
niet geclosed
0
0
4.502
4.502
0
4.444
978
3.466
4.444
2015
Delta
15.193
niet geclosed
Binnen toegekende enveloppe. Het geclosede project slaat op Livan, het niet geclosede op Spartacus. Spartacus kan niet meer opgevangen worden met de huidige enveloppe.
Binnen toegekende enveloppe. Projecten reeds geclosed: stelplaatsen Tongeren, Brugge, Overijse, Zomergem. Voor de stelplaatsprojecten, is er een tekort vanaf het moment dat het project Wissenhage in gebruik zou genomen worden, zijnde eind 2017. Het project zal niet aanbesteed of gegund worden zolang de financiële engagementen niet afgedekt zijn.
Groeipad
4.502
5.785
geclosed
15.274
11.747
Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding
MJR 2014-2019
20.978
Totaal
Delta
MJR 2014-2019
20.320
Totaal
Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid
0
5.560
0
5.560
5.560
0
8.139
4.604
3.535
8.139
2016
0
8.190
2.518
5.671
8.190
0
10.218
6.612
3.606
10.218
2017
-5.704
15.274
15.193
5.785
20.978
-3.521
11.747
11.590
3.678
15.268
2018
-5.819
15.274
15.193
5.900
21.093
-8.573
11.747
16.569
3.752
20.320
2019
Boordtabel PPS (in duizend euro)
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
VAC
Bestuurszaken
Tramverlengingen masterplan
0
Delta
15.334
15.334
15.334
17.200
MJR 2014-2019
niet geclosed
geclosed
Totaal
0
15.550
14.450
14.450
2015
Delta
23.903
niet geclosed
14.450
"Brabo I geclosed. Op het moment dat Brabo II in gebruik wordt genomen is er een overschrijding van de enveloppe met 8,4 miljoen euro. 38.353
Groeipad
14.450
14.450
geclosed
30.000
Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding
MJR 2014-2019
38.353
Totaal
Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid
0
15.334
15.334
15.334
0
14.450
14.450
14.450
2016
0
15.334
15.334
15.334
0
14.450
14.450
14.450
2017
0
15.334
15.334
15.334
-8.353
30.000
23.903
14.450
38.353
2018
0
15.334
15.334
15.334
-8.353
30.000
23.903
14.450
38.353
2019
Boordtabel PPS (in duizend euro)
BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
BIJLAGE IV: IMPACT AANBEVELINGEN VAN EUROSTAT
Eurostat heeft verschillende structurele aanbevelingen geformuleerd in het kader van de Upstream dialogue visit van 5-7 maart 2012 die erop gericht zijn het beheer van de statistieken betreffende de overheidsrekeningen en de procedure bij buitensporige tekorten (EDP) aanzienlijk te verbeteren. Deze aanbevelingen werden bevestigd naar aanleiding van de ad hoc visit van 13 en 14 februari 2014. Eén aanbeveling heeft betrekking op de samenstelling en de bijwerking van het register van de diverse entiteiten die tot de publieke en overheidssector behoren. De noodzaak van gedetailleerde, gedocumenteerde kennis van de perimeter van publieke entiteiten is essentieel omdat deze de basisinformatie bevat van de entiteiten waarvoor moet worden geverifieerd of deze bij de overheidssector dienen te worden geconsolideerd (als het niet-marktproducenten zijn) of deze entiteiten buiten de overheidssector vallen. Hiertoe werd een werkgroep perimeter opgericht met als opdracht in een procedure te voorzien die waarborgt dat de perimeter van de publieke entiteiten exhaustief kan worden bepaald en dat er tevens voldoende gegevens beschikbaar komen over publieke entiteiten die niet tot de overheidssector behoren. Deze gegevens dienen het Instituut voor Nationale Rekeningen (INR) toe te laten om te beoordelen of deze entiteiten correct geherclassificeerd zijn en de rapportering aan Eurostat over dergelijke entiteiten te verzorgen Teneinde de overheidsperimeter correct te bepalen dient als eerste stap in het proces het register van de publieke entiteiten opgemaakt en bijgewerkt te worden. Het register van publieke eenheden dient alle entiteiten te omvatten die direct of indirect onder controle van de overheidssector staan. Deze publieke entiteiten kunnen binnen de overheidssector vallen (als het niet-marktproducenten zijn) of buiten de overheidssector (als het marktproducenten zijn). “Onder controle staan van” of “zeggenschap hebben over” wordt gedefinieerd als de mogelijkheid om het algemeen beleid of agenda van de institutionele eenheid te bepalen door het aanwijzen van bestuurders. Volgende criteria worden in aanmerking genomen om het aspect controle door de overheid te beoordelen: •• meer dan de helft van de aandelen van de entiteit bezitten; •• bij instellingen zonder winstoogmerk (IZW), zoals vzw’s of stichtingen worden meer operationele criteria van controle, zoals het aantal publieke mandaten, gebruikt. Voor de opmaak en de bijwerking van het register van publieke vennootschappen dienen alle publieke entiteiten het detail van alle financiële participaties op een gestandaardiseerde wijze over te maken aan het INR: •• Per publieke eenheid wordt voor elke participatie minimaal het ondernemingsnummer van de entiteit waarin de participatie wordt aangehouden, het aantal van de rechtstreeks aangehouden maatschappelijke rechten in de participaties, het percentage van de aangehouden maatschappelijke rechten in het totaal van de participatie en de boekhoudwaarde van de aangehouden participaties gevraagd. Ook de belangen of participaties in rechtspersonen die het statuut hebben van een instelling van openbaar nut of equivalent dienen te worden gerapporteerd.
BIJLAGE IV: IMPACT AANBEVELINGEN VAN EUROSTAT
••
Om in de toekomst een register van publieke ’vzw’s op te maken is het noodzakelijk dat de publieke entiteiten jaarlijks via hun single point of contact een overzicht van hun publieke mandaten overmaken.
In een volgende stap van het proces moet er voor publieke entiteiten die buiten de overheidsperimeter vallen een gestandaardiseerde rapportering komen van de (financiële) informatie die het INR toelaat de sectorclassificatie van dergelijke entiteiten systematisch te onderzoeken. Eurostat vraagt immers aan alle lidstaten om eenmaal per jaar voor de publieke entiteiten die niet tot de overheidssector behoren gedetailleerde informatie door te sturen die aangeeft of deze entiteiten voldoen aan het 50%-criterium dat in de Manual on Government Deficit and Debt wordt gedefinieerd. Dit criterium laat voor een belangrijk deel van de publieke entiteiten toe om quasi-automatisch te bepalen of deze al dan niet marktproducenten zijn (kosten worden voor meer dan 50% gedekt door marktconforme inkomsten). De bevraging door het INR in functie van het hierboven beschreven proces is in het najaar 2013 een eerste maal gelanceerd. Gelet op de korte tijdsspanne werd het detail van de publieke mandaten in instellingen zonder winstoogmerk niet bevraagd. Dit zal in de volgende oefening wel mee genomen worden. Naar aanleiding van de EDP-notificatie van april 2014 werden een eerste reeks van - hoofdzakelijk financiële – entiteiten door het INR als te consolideren beschouwd. Het betreft volgende entiteiten: VLAAMSE PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJ LIMBURGSE RECONVERSIE MAATSCHAPPIJ (LRM) MIJNEN ALGEMENE DIENSTEN VENNOOTSCHAP LRM BEHEER KMOFIN KMOFIN II ARKIMEDES MANAGEMENT ARKIMEDESFONDS II UP 36 NAUTINVEST VLAANDEREN WANDELAAR INVEST NOVOVIL NOVAGORA PMV-TINA SCHOOL INVEST TEXTIEL VLAANDEREN VIA-INVEST VLAAMS INNOVATIEFONDS (VINNOF) VLAAMSE MILIEUHOLDING GIMVINDUS BIOTECH FONDS VLAANDEREN Up 36 Invest Vlaamse Erfgoedkluis Voor de volgende EDP-deadline van 30 september 2014 zal de sectorclassificatie van alle publieke entiteiten in het licht van het ESR 2010 verder bekeken worden met bijzondere aandacht voor enkele belangrijke entiteiten.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Daarnaast werden naar aanleiding van de EDP-notificatie van april een aantal PPS-constructies door het INR geherclassificeerd zoals het ‘AMORAS-project’ en de ‘DBFM Scholen voor Morgen’. Deze herclassificatie impliceert dat de bouwkost in rekening dient genomen te worden op het moment van oplevering van de infrastructuur. Uiteraard wordt de aflossing van de kapitaalcomponent in mindering gebracht van de jaarlijks te betalen beschikbaarheidsvergoeding. Tot slot werd in het kader van het onderzoek naar de gedelegeerde opdrachten het rollend Fonds van PMV eveneens geconsolideerd in de Vlaamse rekeningen. Aandachtspunt hierbij is de toewijzing van deze geherclassificeerde entiteiten en verrichtingen aan een beleidsdomein. In het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof – het zgn. Rekendecreet beschikken we door de bepaling in art. 4,§2 over een voldoende rechtsbasis voor het opvangen van deze perimeteruitbreidingen. Vele van voornoemde entiteiten zijn binnen het kader van het economisch instrumentarium opgericht door PMV, en kunnen dus aan het beleidsdomein EWI worden toegewezen. Hoewel de geherclassificeerde PPS-constructies geen rechtsbasis hebben in het Rekendecreet, hebben ze uiteraard impact op de begroting en zullen ze op een gelijkaardige wijze moeten toegewezen worden als de entiteiten die binnen de perimeter Vlaamse overheid vallen.
BIJLAGEV:BESPARINGSMODELOPBASISVANGENORMEERDEUITGAVENGROEIPERBELEIDSDOMEIN
BIJLAGE V: BESPARINGSMODEL OP BASIS VAN GENORMEERDE UITGAVENGROEI PER BELEIDSDOMEIN
a.
Inleiding
In voorbije legislatuur werd gewerkt aan enkele modellen om te komen tot een meer structureel georiënteerd begrotingsbeleid. Een van de methodes om tot dergelijk structureel begrotingsbeleid te komen is het toepassen van een genormeerde uitgavengroei. Voorliggend besparingsmodel vertrekt vanuit dezelfde methodiek van het normeren van de uitgavengroei, maar past deze methodiek toe om te komen tot een besparingsmodel waarbij op basis van de in voorliggende meerjarenraming meegenomen ontvangsten en uitgaven bij constant beleid enerzijds en het toepassen van een verlaging van de uitgavengroei anderzijds een beoogd begrotingsresultaat in een welbepaald begrotingsjaar kan gerealiseerd worden via een doelzoekfunctie. In navolging van het resultaat van voorliggende meerjarenraming, waarbij het zwaartepunt van de budgettaire uitdaging zich in het begrotingsjaar 2016 situeert, wordt in voorliggende bijlage een besparingsscenario naar voor geschoven, waarbij het bij constant beleid voorziene tekort voor de helft wordt weggewerkt via het toepassen van een verlaagde uitgavengroei. Dit scenario, waarbij de beperkte uitgavengroei ook voor de gehele komende legislatuur wordt toegepast, biedt tegelijk ook de mogelijkheid om 1,6 miljard euro aan vrije beleidsruimte te creëren. Gelet op het feit dat de uitgavengroei bij constant beleid per beleidsdomein verschillend is, maakt voorliggend model het niet alleen mogelijk om de uitgaven te normeren op niveau van de Vlaamse overheid, maar ook via een differentiatie van de uitgavengroei per beleidsdomein. Het differentiëren van de uitgavengroei per beleidsdomein, en eventueel ook later via specifieke (clusters van) bevoegdheden, maakt het ook mogelijk om de vooropgestelde besparingsdoelstelling per beleidsdomein conform politieke afwegingen af te bakenen, maar met behoud van de opvolging van het effect op het globale begrotingsresultaat. Het principe van het vooropstellen van een beoogde uitgavengroei per specifieke (clusters van) bevoegdheden biedt ook de mogelijkheid om toekomstige ministers een duidelijk kader te bieden waarin ze hun beleid kunnen ontwikkelen. Deze uitgavennorm zou ook een belangrijke fundamentele breuklijn kunnen betekenen in de verantwoordelijkheden die elke minister dient op te nemen. Naast het opnemen van de verantwoordelijkheid voor het gevoerde beleid, dient er namelijk ook verantwoordelijkheid te worden opgenomen voor de evolutie van de kredieten en aanwending van de beleidsruimte binnen zijn of haar bevoegdheidsdomeinen. Deze verplaatsing van de verantwoordelijkheid van zowel beleid als begroting onder de bevoegdheid van één minister kan een belangrijke stap betekenen in het wegstappen van een loutere inputbegroting naar een meer prestatiegerichte begroting. Logischerwijs kan er ook gewezen worden op onvolkomenheden bij het werken met voorliggend model: Zo worden de genormeerde uitgaven momenteel nog niet afgezet t.o.v. structurele ontvangstengroei. Ook voor
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
eenmalige ontvangsten en uitgaven of een eventueel effect van wijzigende inflatie wordt niet automatisch een correctie gemaakt. Dit betekent dan ook dat dit model voorlopig eerder als besparingsmodel dan als dynamisch structureel begrotingsmodel dient beschouwd te worden. Gelet op het gegeven dat de HRF in haar laatste advies voor de gemeenschappen en gewesten binnen Entiteit II een nominaal begrotingsevenwicht voorop stelt, vormt dit gegeven momenteel niet direct een probleem en focust het model in eerste instantie op de doelstelling om een begrotingsevenwicht te helpen bereiken. Indien gewenst, kunnen er logischerwijs nog correcties aan het model worden aangebracht om meer structurele begrotingsbenadering op te zetten.
b.
Uitgangspunten van het model
Het model werkt verder op de betaalkredieten die bij constant beleid ter beschikking worden gesteld aan de diverse beleidsdomeinen. Zie hoofdstuk 3.5. Teneinde de groei van de betaalkredieten niet afhankelijk te maken van de groei van de ESR-ontvangsten van de geconsolideerde entiteiten die normaliter aanleiding geven tot extra betaalkredieten, worden de ESR-ontvangsten van de diverse entiteiten in mindering gebracht van de betaalkredieten bij constant beleid. In feite werkt het model dus niet met de geraamde groei van de betaalkredieten an sich, maar wordt er gewerkt met de groei van de netto-aanwending van de beleidsruimte per beleidsdomein. Deze aanname is van belang om te vermijden dat entiteiten die eigen ontvangsten genereren, zouden gepenaliseerd worden voor deze stijgende ontvangsten. Deze berekening van de groei van de netto-aanwending van de beleidsruimte wordt nog gecorrigeerd op basis van volgende uitgangspunten: •• Voor de bevoegdheden die budgettair gezien in 2015 (en ook in beperkte mate in de jaren erna) overkomen wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de voorziene uitgaven bij constant beleid correct zijn ingeschat in het jaar van budgettaire overdracht van de bevoegdheid. In de jaren na de overkomst van de bevoegdheid wordt de groei van de uitgave logischerwijs meegenomen in de groei van de uitgaven binnen het beleidsdomein. •• De vermindering van de uitgaven in 2014 omwille van de eenmalige vooruitschuif van uitgaven 2014 naar 2013, wordt voor het correct bepalen van de groei van de uitgaven in de cijfers doorgetrokken in de periode 2015-2019.
c.
Resultaat van één van de mogelijke simulaties
In onderstaande tabel V.1 wordt het effect weergegeven van een simulatie waarbij 50% van de benodigde besparing voor het bereiken van een begrotingsevenwicht in 2016 wordt bereikt via een verlaagde groei van de uitgaven. De groei van de uitgaven dient voor de Vlaamse overheid in 2015 en 2016 in zijn geheel globaal beperkt te worden tot 1,7%, terwijl de groei bij constant beleid geraamd wordt op 3,28% in 2015 en 2,28% in 2016. Concreet betekent de beperking van de groei in 2015 tot 1,7% een besparing van 416 miljoen euro in 2015 en een bijkomende 227 miljoen euro in 2016.
BIJLAGEV:BESPARINGSMODELOPBASISVANGENORMEERDEUITGAVENGROEIPERBELEIDSDOMEIN
In voorliggende oefening wordt er nog geen differentiatie van de inspanningen tussen de diverse beleidsdomeinen doorgevoerd. Hierdoor zullen beleidsdomeinen waar de groei bij constant beleid hoog is in verhouding tot hun budgettaire grootte veel dienen te besparen ten opzichte van beleidsdomeinen waar de groei van de betaalkredieten laag is. Bedoeling van voorliggend model bestaat er dan ook in om politiek gezien de discussie te voeren hoe de kredieten voor elk beleidsdomein mogen groeien in de periode 2015-2016, en eventueel ook daarna, rekening houdende met de specifieke groei bij constant beleid voor elk beleidsdomein en zonder de doelstelling van het beperken van de gehele groei tot 1,7% uit het oog te verliezen in de periode 2015-2016. Via toepassing van volgende simulatie wordt er bij het 5 jaar volhouden van een beperking van de groei van de uitgaven met 1,7% een beleidsruimte van 1,7 miljard euro gecreëerd. Deze beleidsruimte wordt logischerwijs nog verder uitgebreid met het structureel effect van eventuele punctuele maatregelen die benodigd zijn om de nog resterende nominale begrotingstekorten weg te werken
1,70% -1.840 1.306
2.176 3.895 1,70% 2.176 3.895
-415.719 -642.477
-415.719 -642.477
Groeifactor laten variëren besparingen 2015 besparingen 2015+2016
-129.619
ESR-ontvangsten Netto-aanwending beleidsruimte ESR-ontvangsten instellingenomgezet in uitgaven 6de Staatshervorming + overnamereg en succ. Eenmalige correcties (vooruitschuif) Onderbenutting FFEU ESR-correcties Correctie DBFM
Vorderingensaldo
2
1,19% 3,18% -0,78% 1,21% 1,00% 1,33%
HERZ 2014 27.500.107 26.333.759 1.473.552 -593.405 98.322 -5.167 -322.665
Scenario
-1.840 1.306
0,83% 0,02% 0,40% 0,41% 0,32% 3,00%
2,45% 3,28% 2,28% 2,19% 2,05% 2,44%
0
0
10.730.754
BZ
1,70% -18.081 -64.917
-18.081 -64.917
EWI
OV
WVG
-546.413
CJSM
WSE
0
1,70% -721 10.068
-721 10.068 1,70% 20.715 61.615
20.715 61.615
0,04% -0,04% -1,69% -2,55% 2,76% 1,74%
3.425 2,59% 2,93% 2,45% 2,56% 2,26% 2,77%
1,70% 1,70% -140.824 -47.770 -228.444 -125.828
-140.824 -47.770 -228.444 -125.828
1,70%
2,36% 3,00% 2,46% 2,14% 1,78% 2,40%
0 6.372.487
-642.477
339.441
566.655
1.671.141
3,59% 9,40% 2,47% 2,40% 1,75% 1,95%
MOW
RWO
3,54% 6,46% 2,31% 3,03% 2,62% 3,30%
29.501
1,70% 1,70% -3.652 -31.076 -10.204 -36.030
4,27% 8,29% 3,38% 2,82% 3,47% 3,41%
1,70% 1,70% 32.502 -48.504 94.123 -92.207
32.502 -48.504 94.123 -92.207
0,66% 0,46% -0,61% 0,71% 1,07% 1,68%
3.715 1.750.502
653.174 2.625.647 736.692
LNE
-3.652 -31.076 -10.204 -36.030
1,94% 4,08% 5,48% 2,11% -1,09% -0,90%
12.016
153.524
LV
reset
50%
Hoe bereiken van nominaal evenwicht in 2016? Duid aan hoeveel van de inspanning via verlaagde groei dient te gebeuren (in %)
1,70% 1,70% -16.405 -116.558 -18.777 -150.619
-16.405 -116.558 -18.777 -150.619
1,61% 3,23% 1,89% 1,59% 0,62% 0,73%
0 2.502.567
184.866 1.191.132 10.846.451 3.892.624 1.076.259 1.513.649
IV
4,87% -0,68% 6,96% 2,09% 13,26% -4,02% 4,87% -1,77% -1,95% 0,03% 1,21% 0,26%
34.983
343.737
FB
1 = constant beleid; 2= groeifactor evenwicht 2016; 3=differentiatie per beleidsdomein 2015 2016 2017 2018 2019 38.564.676 39.315.558 40.854.033 41.716.338 43.506.033 26.781.856 38.150.926 39.363.120 40.032.925 40.732.132 1.438.183 1.511.211 1.583.169 1.602.880 1.623.269 10.730.754 553.597 17.704 100.000 100.000 100.000 100.000 100.000 -610.190 -641.836 -661.677 -679.978 -701.664 104.000 109.000 114.000 119.000 124.000 -5.166 -5.164 -5.162 -5.160 -5.157 -571.652 -180.301 -21.141 37.688 37.688
1,70% -45.681 -86.459
-45.681 -86.459
3,19% 3,30% 3,04% 3,21% 3,41% 2,97%
21.558
124.246 2.862.217
129.542
DAR
26.333.759
HE
Netto-aanwending beleidsruimte bij HERZ 2014 Toename uitgaven door 6e staatshervorming in 2015 Groeifactor bij constant beleid 2014 -2019 2014 - 2015 2015 - 2016 2016 - 2017 2017- 2018 2018 - 2019 Groeifactor voor bereiken van een evenwicht in 2016 via 50%-besparing via verlaagde uitgavengroei. besparingen 2015 besparingen 2015+2016
TOTAAL
Tabel V.1: Simulatie begrotingsmodel – Bereiken van 50% van benodigde besparing in 2016 via beperken uitgavengroei