Skip to main content

Deel_2_Nota_budgettaire_ruimte_2014_2019.pdf

Page 1

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


Inhoudstafel

Inhoudstafel 01 / INLEIDING

5

02 / DE MIDDELENBEGROTING

9

2.1. Inleidend overzicht 2.2. Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen 2.2.1. Parameters 2.2.2. Resultaten 2.2.3. Sensitiviteit 2.2.4. Toelichting 2.3. Specifieke dotaties vanwege de federale overheid 2.4. Gewestelijke belastingen 2.5. Toegewezen ontvangsten 2.6. Andere ontvangsten 2.7. Lotto-middelen 2.8. Te consolideren instellingen

9 12 12 16 18 19 20 21 25 25 26 26

03 / DE UITGAVENBEGROTING

30

3.1. Inleiding 3.2. Indexatie bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 3.3. Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden: Toelichting per beleidsdomein 3.4. De globale evolutie van de beleids- en betaalkredieten bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 3.5. De beleids- en betaalkredieten verdeeld over de 13 beleidsdomeinen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 3.6. Impliciete schuld

30 32

04 / HET FINANCIEEL BEHEER

67

4.1. Schuldevolutie 4.1.1. Het begrotingssaldo in ESR-termen 4.1.2. Kredietverleningen en participaties 4.1.3. Globale evolutie 4.2. Herfinancieringsbehoeften

66 66 66 67 68

36 61 62 65


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING

70

5.1. Vorderingensaldo bij constant beleid 5.2. Begrotingsnormering in komende legislatuur

70 74

BIJLAGE I: BEKNOPTE TOELICHTING BIJ DE HERZIENING VAN DE BIJZONDERE FINANCIERINGSWET

76

BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN

82

BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING

97

BIJLAGE IV: IMPACT AANBEVELINGEN VAN EUROSTAT

105

BIJLAGE V: BESPARINGSMODEL OP BASIS VAN GENORMEERDE UITGAVENGROEI PER BELEIDSDOMEIN

108

Lijst met Tabellen Tabel 2.1: Grote rubrieken van de ESR gecorrigeerde middelen 2014-2019 (in duizend euro) 10 Tabel 2.2: Impact maatregelen financiële sector (in duizend euro) 11 Tabel 2.3: Volledig parameteroverzicht 13 Tabel 2.4: Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen (in duizend euro) 16 Tabel 2.5: Sensitiviteit (in duizend euro) 19 Tabel 2.6: Specifieke dotaties vanwege de federale overheid (in duizend euro) 20 Tabel 2.7: Gewestelijke belastingen (in duizend euro) 22 Tabel 2.8: Te consolideren instellingen (in duizend euro) 27 Tabel 3.1: Indexparameters 33 Tabel 3.2: Cumulatief effect indexatie kredieten huidige bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 (in duizend euro) 34 Tabel 3.3: Cumulatief effect indexatie kredieten nieuwe bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 (in duizend euro) 35 Tabel 3.4: Beleidskredieten per beleidsdomein bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 2013-2019 (in duizend euro) 62


Inhoudstafel

Tabel 3.5:

Betaalkredieten per beleidsdomein bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 2013-2019 (in duizend euro) Tabel 4.1: Globale evolutie van de schuld (in duizend euro) Tabel 4.2: Herfinancieringsbehoeften 2014-2019 (in duizend euro) Tabel 5.1: Vorderingensaldo van de Vlaamse begroting bij constant beleid (in duizend euro) Tabel V.1: Simulatie begrotingsmodel – Bereiken van 50% van benodigde besparing in 2016 via beperken uitgavengroei.

64 67 69 72 111

Lijst met Figuren Figuur 3.1: Beleids- en betaalkredieten bij constant beleid (in duizend euro) Figuur 3.2: Stand van de impliciete schuld 2004-2013 (incl. impliciete schuld m.b.t. ESR-8) t.o.v. geraamde ontvangsten ministeries (excl. DAB’s) (in duizend euro) Figuur 4.1: Evolutie van de directe en indirecte schuld 2014 – 2019 (in duizend euro)

61 65 67


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

01 / INLEIDING

De Vlaamse Regering staat in de komende legislatuur voor een bijzondere uitdaging: de 6de staatshervorming en het ruimer kader van het verstrengde Europees begrotingstoezicht zorgen ervoor dat er niet alleen op beleids- en beheersmatig vlak, maar zeker ook op begrotingsvlak werk op de plank ligt. In voorliggend deel van de bijdrage aan het regeerakkoord zoomen we dan ook in op de begrotingsuitdagingen waarvoor de volgende Vlaamse Regering staat. In de naar aanleiding van de 6de staatshervorming herziene Bijzondere Financieringswet wordt een bijdrage verrekend van gewesten en gemeenschappen in de sanering van de globale staatsfinanciën. Hierdoor wordt de volgende Vlaamse Regering geconfronteerd met bevoegdheden waarvoor geen volledige financiering voorzien is. Zo wordt er in 2015 voor 750 miljoen euro en in 2016 voor 1,5 miljard euro aan middelen ingehouden. Naast dit effect worden tevens publieke eenheden in handen van de Vlaamse overheid en ook PPScontracten meer diepgaand tegen het licht gehouden omwille van aanbevelingen van Eurostat met betrekking tot het verbeteren van de statistieken betreffende de overheidsrekeningen en de procedure bij buitensporige tekorten (EDP). Voor de PPS-contracten inzake scholenbouw heeft deze verstrengde controle tot op heden tot gevolg dat de uitgaven die momenteel door Scholen van Morgen worden gedaan, ook als overheidsuitgaven worden beschouwd. Indien de Vlaamse overheid er niet in slaagt om de contracten op zo’n wijze te heronderhandelen, dat Eurostat kan bevestigen dat er een afdoende risico-overdracht is van de overheids- naar de private sector, zullen de kosten die tijdens de bouwfase van deze scholen worden gemaakt het vorderingensaldo van de Vlaamse overheid negatief beïnvloeden. Gelet op de grootte van het investeringsprogramma, zal er de eerstkomende jaren dan ook een significante negatieve impact op het vorderingensaldo zijn van 323 miljoen euro in 2014, 572 miljoen euro in 2015 en 180 miljoen euro in 2016. Voornamelijk omwille van de 6de staatshervorming en het feit dat er momenteel nog geen oplossing is voor de problematiek van de uitgaven van Scholen van Morgen loopt het begrotingstekort bij constant beleid in de begrotingsjaren 2015 en 2016 op tot resp. 1 en 1,3 miljard euro. Door een conservatieve inschatting van de groei van de uitgaven, gerelateerd aan een middelenevolutie die geniet van een normale economische groei, wordt dit tekort bij constant beleid in de daaropvolgende jaren weggewerkt en zou er volgens voorliggende raming tegen het eind van komende legislatuur een beleidsruimte beschikbaar zijn van 354 miljoen euro.


01 / INLEIDING

ESRHERZ 2014 effect

MJR 2015

MJR 2016

MJR 2017

MJR 2018

MJR 2019

ESR gecorrigeerde ontvangsten

+

27.500.107

38.564.676

39.315.558

40.854.033

41.716.338

43.506.033

ESR gecorrigeerde primaire uitgaven

-

27.783.020

39.428.920

40.932.059

41.906.842

42.790.980

43.819.639

ESR-gecorrigeerd primair saldo

=

-282.913

-864.245

-1.616.502

-1.052.809

-1.074.642

-313.606

Onderbenutting

+

593.405

610.190

641.836

661.677

679.978

701.664

Gecorrigeerd primair saldo

=

310.492

-254.055

-974.666

-391.133

-394.664

388.058

Rente-uitgaven

-

117.446

136.425

129.987

93.575

75.003

72.002

Gecorrigeerd vorderingensaldo

=

193.046

-390.480

-1.104.653

-484.708

-469.668

316.056

Voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen

-

322.665

571.652

180.301

21.141

-

-

Correctie deel kapitaalsaflossing binnen beschikbaarheidsvergoeding aan DBFM Scholen van Morgen

+

-

-

-

-

37.688

37.688

Gecorrigeerd vorderingensaldo incl. ESR-correctie voor DBFM Scholen van Morgen

=

-129.619

-962.132

-1.284.954

-505.849

-431.980

353.744

Bovenstaande vaststelling houdt evenwel niet in dat de volgende Vlaamse Regering op haar lauweren kan rusten. Vooreerst is er het gegeven dat er een zeer conservatieve inschatting van de groei van de uitgaven wordt aangehouden. Zo wordt in het vervolg van deze nota duidelijk dat er heel wat aandachtspunten kunnen geformuleerd worden bij de diverse aannames inzake het constant beleid. Belangrijkste punten hierbij zijn het gegeven dat er nog geen middelen voor nieuwe cao’s met de diverse sectoren zijn voorzien en dat er voor vele alternatief te financieren projecten die in de pijplijn zitten, nog een budgettaire oplossing dient te worden gezocht voor de financiering van de beschikbaarheidsvergoedingen. Daarnaast wordt ook op het vlak van begrotingsnormering de concrete impact van het verstrengde Europees begrotingstoezicht meer en meer duidelijk: Zo krijgt de Hoge Raad voor Financiën (HRF) ingevolge


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

het samenwerkingsakkoord van 13 december 2013 betreffende de uitvoering van het verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie de functie van onafhankelijke instelling die ermee belast wordt na te gaan of België voldoet aan de regels inzake de landspecifieke middellange-termijndoelstelling (MTO). Het samenwerkingsakkoord verschaft niet alleen een wettelijke basis aan de aanbevelings- en evaluatiefunctie die de HRF voordien reeds had, maar breidt ze ook uit. Zo komt er extra toezicht op de lokale overheden, ingedeeld per gewest, waarbij de HRF de door de federale overheid genomen maatregelen met weerslag op de lokale besturen moet afzonderen. De vaststelling van de algemene begrotingsdoelstelling en van de verdeling ervan over de verschillende overheden wordt door de HRF opgesteld, maar voor overleg (voor wat de algemene begrotingsdoelstelling betreft) en voor akkoord (voor wat de verdeling betreft) voorgelegd aan het Overlegcomité. De HRF zal ook bilaterale besprekingen voeren met entiteiten waarvan zij meent dat er een belangrijke afwijking voorkomt t.o.v. de overeengekomen begrotingsdoelstellingen. Deze afwijkingen moeten in principe gecorrigeerd worden binnen een periode van 18 maanden. In voorliggende nota wordt uitgegaan van het advies van maart 2014 van de HRF dat tevens de basis vormde voor het stabiliteitsprogramma dat België recent indiende bij de Europese Commissie. Dit advies stelt voor dat de gewesten en gemeenschappen een nominaal evenwicht aanhouden voor de komende jaren. Weliswaar is deze verdeling van de begrotingsinspanning niet formeel goedgekeurd in het Overlegcomité. Het is dus nog steeds mogelijk dat de Vlaamse Regering in de komende legislatuur eerder opteert om jaarlijks een structureel evenwicht te bereiken i.p.v. een nominaal evenwicht. De HRF berekent voor de Vlaamse Overheid voor 2014 een structurele positieve correctie van 0,11 % van het BBP, zijnde ca. 400 miljoen euro. In deze nota wordt hierop evenwel niet dieper ingegaan, omdat:

•• •• •• ••

De Vlaamse Overheid zich de voorbije jaren heeft gehouden aan een nominaal evenwicht; Het behoud van een nominaal evenwicht in de komende legislatuur de beste garantie biedt om verder toe te werken naar een schuldenvrije positie in overeenstemming met de desbetreffende doelstelling uit het Pact 2020; Bij het toepassen van een structureel begrotingsevenwicht vanaf het begrotingsjaar 2014, het jaarlijks afnemen van de negatieve output gap in de periode 2015 t.e.m. 2019 de benodigde begrotingsinspanning net zal doen toenemen t.o.v. de inspanning die bij het behoud van een nominaal begrotingsevenwicht vereist is; Het begrip “structureel evenwicht” zelf niet echt structureel stabiel is (cfr. de discussie daaromtrent tussen het Belgisch Planbureau en de EU-Commissie).

Om effectief tegemoet te kunnen komen aan een voornemen om een nominaal begrotingsevenwicht te behouden, zullen er hoe dan ook fundamentele keuzes moeten gemaakt worden op het vlak van de huidige en nieuwe bevoegdheden. Het zwaartepunt van deze maatregelen ligt hierbij in de periode 20152016. Hoe structureler de keuzes die gemaakt worden, hoe meer beleidsruimte er naar het einde van de legislatuur toe kan vrijgemaakt worden teneinde het nieuwe vooropgestelde beleid zoals beschreven in de bijdrage aan het regeerakkoord te kunnen uitvoeren. Onverminderd het gegeven dat voorliggende nota uitgaat van het behoud van een nominaal begrotingsevenwicht over de komende regeerperiode, wordt toch nog de aandacht gevestigd op het feit dat de herziene Bijzondere Financieringswet (BFW) ook potentiële technische bijstellingen bevat met


01 / INLEIDING

mogelijks een repercussie op de discussies omtrent de begrotingsnormering. Zo bevat de nieuwe BFW bvb. een autonomiefactor, die de basis vormt voor het deel personenbelasting waarover de gewesten in de toekomst een autonoom opcentiemenbeleid kunnen voeren. Voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017 is deze autonomiefactor gelijkgesteld aan 25,990%. De BFW bevat tegelijk de berekeningsregels voor de autonomiefactor voor het aanslagjaar 2018 en volgende, waarbij een gebeurlijke te hoge (of te lage) inschatting van de autonomiefactor voor de jaren 2015-2017 eenmalig wordt bijgesteld in 2018. Een gelijkaardig mechanisme bestaat voor de fiscale uitgaven. Deze technische bijstellingen kunnen een budgettair effect genereren van verscheidene honderden miljoenen euro, zoals ook in voorliggende nota verder voorzien (zie punt 2.2.2.). Teneinde te vermijden dat deze technische bijstellingen het te voorziene begrotingstraject voor komende legislatuur teveel zouden beïnvloeden, wordt voorgesteld dat de Vlaamse Regering, op basis van recentere data en in overleg met de andere deelentiteiten en de federale overheid, nagaat of de (tijdelijk vastgestelde) autonomiefactor niet dient geactualiseerd te worden. Indien dit het geval zou zijn, dan zou het logisch zijn om bij de bepaling van dit nominaal evenwicht abstractie te maken van de tijdelijke meer- (of min-) inkomsten die de gewesten zouden verwerven. Een dergelijk akkoord is immers neutraal op globaal niveau: wat de gewesten tijdelijk meer (of minder) ontvangen en in 2018 in min (of meer) verrekend krijgen, wordt immers gecompenseerd door een precies omgekeerde beweging bij de federale overheid. Voorliggende nota is opgebouwd uit 4 hoofdstukken. Vooreerst wordt ingegaan op de middelen- resp. uitgavenraming voor de komende legislatuur. Daarna wordt het begrotingsresultaat weergegeven en geplaatst binnen een te voorziene normering. Tot slot wordt ook het effect op de schuld van de Vlaamse overheid nader bekeken. Gelet op het feit dat de 1ste parlementair goedgekeurde begrotingsaanpassing in 2014 (1BA 2014) t.a.v. de begrotingsopmaak 2014 inhoudelijk beperkt was tot het verhogen van het budget waarover de VMSW en het VWF beschikken voor het toekennen van sociale leningen met 500 miljoen euro, werd er door het departement Financiën en Begroting ook een technische herziening van de benodigde kredieten voor 2014 doorgevoerd. Deze technisch bijgestelde kredieten worden in volgend document als begrotingsherziening 2014 voorgesteld (HERZ 2014). Naast de verdere detailleringen van de hoofdstukken in diverse bijlagen waarin wordt ingegaan op de wijzigingen in de financieringswet, het detail van de evolutie van de beleidskredieten, de problematiek van de nog niet afdoend voorziene kredieten voor beschikbaarheidsvergoedingen voor projecten die via alternatieve financiering worden gefinancierd en de impact van de aanbevelingen van Eurostat met betrekking tot het verbeteren van de statistieken, wordt in de laatste bijlage van deze nota ook een voorstel gelanceerd om een uitgavennormering per beleidsdomein op te zetten. Deze uitgavennorm zou ook een belangrijke fundamentele breuklijn kunnen betekenen in de verantwoordelijkheden die elke minister dient op te nemen. Naast het opnemen van de verantwoordelijkheid voor het gevoerde beleid, dient er namelijk ook verantwoordelijkheid te worden opgenomen voor de evolutie van de kredieten en aanwending van de globale beleidsruimte door zijn of haar bevoegdheidsdomeinen. Het daadwerkelijk opnemen door de vakministers en -administraties van de verantwoordelijkheid voor de budgettaire gevolgen van het gevoerde beleid, kan ook een bijdrage leveren in de evolutie naar een meer outputgericht denken, en dus naar een prestatiebegroting.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

02 / DE MIDDELENBEGROTING

2.1 Inleidend overzicht

Tabel 2-1 geeft in grote rubrieken een overzicht van de ESR gecorrigeerde middelen voor de beleidsperiode 2014-2019. Voor het begrotingsjaar 2014 worden zowel de ramingen van de begrotingsopmaak (1BA) getoond, als de ramingen van de herziening (HERZ). De ramingen voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2019 bevatten de budgettaire effecten van de herziene Bijzondere Financieringswet. De raming van de opcentiemen is gebaseerd op de raming van de Belasting Staat die door de federale wetgever werd gehanteerd ten tijde van de parlementaire behandeling van de herziene Bijzondere Financieringswet. De elasticiteit van de Belasting Staat (en bijgevolg van de gewestelijke opcentiemen) ten opzichte van het reëel BBP is een belangrijke determinant voor de evolutie van de Belasting Staat en de gewestelijke opcentiemen. De in deze meerjarenraming gehanteerde cijfers voor de Belasting Staat impliceren een elasticiteit gelijk aan 1,6. In tabel 2-5 wordt de impact op de ontvangsten geduid van een gewijzigde elasticiteit.


-

w.o. bijdrage sanering entiteit I

w.o. bijdrage vergrijzingskost

w.o. responsabiliseringsbijdrage

Totaal bijdragen

27.093.118

1.363.895

-171.007

-

-

-151.167

-19.840

27.474.330

1.449.321

34.915

169.789

418.939 35.297

152.470

5.421.385

909.777

13.078.874

6.257.799

1BA 2014

135.774

5.279.670

893.627

w.o. bijdrage pendeldotatie

TOTAAL

Instellingen consolidatiekring

Lotto gelden

Eigen niet-fiscale, toegewezen ontvangsten Eigen niet-fiscale, niet toegewezen ontvangsten

Gewestelijke belastingen

Specifieke dotaties

12.741.368

Gedeelde belastingen

-

6.224.548

REA 2013

Samengevoegde belastingen

Opcentiemen

-

-171.007

-

-

-151.167

-19.840

27.500.107

1.473.552

33.754

125.086

152.470

5.498.859

905.455

13.060.530

6.250.401

HERZ 2014

-870.104

-84.463

-

-755.881

-29.760

38.564.676

1.438.183

33.754

406.588

135.997

5.623.679

83.468

20.349.454

2.964.795

7.528.758

MJR 2015

Tabel 2.1: Grote rubrieken van de ESR gecorrigeerde middelen 2014-2019 (in duizend euro)

-1.649.749

-93.781

-

-1.525.588

-30.380

39.315.558

1.511.211

33.754

252.356

136.315

5.823.866

84.838

21.119.765

2.525.772

7.827.681

MJR 2016

-1.732.402

-103.099

-37.533

-1.564.490

-27.280

40.854.033

1.583.169

33.754

407.745

136.634

6.039.795

86.315

21.808.301

2.602.223

8.156.097

MJR 2017

-1.784.444

-112.417

-41.237

-1.603.510

-27.280

41.716.338

1.602.880

33.754

395.767

136.954

6.279.742

87.815

22.528.311

2.277.009

8.374.106

MJR 2018

-1.829.278

-121.735

-36.936

-1.643.327

-27.280

43.506.033

1.623.269

33.754

369.599

137.275

6.518.042

89.413

23.245.089

2.752.197

8.737.395

MJR 2019

02 / DE MIDDELENBEGROTING


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

De ramingen van de middelen voor 2014 en volgende begrotingsjaren zijn conform de door het departement Financiën en Begroting gehanteerde modellen gebeurd. Voor het begrotingsjaar 2014 worden de ESR gecorrigeerde ontvangsten bij de herziening op 27,5 miljard euro begroot. Voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2019 worden de cijfers in rekening gebracht zoals ze in meerjarig perspectief in constant beleid worden voorzien, maar waarbij de impact van de 6de staatshervorming expliciet in acht wordt genomen. Zo worden o.m. de geraamde opbrengst van de Vlaamse opcentiemen en de bijdrage van de Vlaamse overheid in de sanering van ’s lands overheidsfinanciën en in de vergrijzingskosten in kaart gebracht. De cijfers in tabel 2-4 aangaande de middelen uit de herziene Bijzondere Financieringswet betreffen nietafgeronde bedragen. Ten opzichte van tabel 2-1 kunnen er afrondingsverschillen voorkomen. Tabel 2-2 toont de impact op de middelen van de maatregelen die in 2009 ten gunste van de financiële sector werden genomen. De ESR gecorrigeerde ontvangsten zijn eveneens in de totalen van tabel 2-1 opgenomen.

Tabel 2.2: Impact maatregelen financiële sector (in duizend euro) Dividenden financiële instellingen Terugbetaling financiële instellingen (ESR 8) Totaal

REA 2013

HERZ 2014

1BA 2014

MJR 2015

MJR 2016

MJR 2017

MJR 2018

MJR 2019

297.797

0

0

170.000

0

139.244

110.854

82.464

1.753.614

500.000

500.000

500.000

500.000

500.000

500.000

500.000

2.051.410

500.000

500.000

670.000

500.000

639.244

610.854

582.464

Tabel 2-2 gaat ervan uit dat er in de periode 2015-2019 per 30 november een gedeeltelijke terugbetaling (principal repayment) plaatsvindt door KBC ten belope van 0,334 miljard euro. De boetepremie (penalty payment) voor die jaren bedraagt 0,166 miljard euro. De 8,5% coupon rente wordt berekend op het gemiddelde bedrag aan uitstaande schuld gedurende het vorige begrotingsjaar. Dat terugbetalingsscenario heeft prioriteit gegeven aan de terugbetaling ten gunste van de federale overheid waarbij de totale terugbetaling nog steeds in overeenstemming is met de terugbetalingskalender bij het herstructureringsplan dat door de Europese Commissie aanvaard werd. Medio februari 2014 werd door KBC aangekondigd dat er over de boekjaren 2013 en 2015 geen coupon rente zal betaald worden. De voorliggende meerjarenraming houdt bijgevolg rekening met de ontstentenis van een coupon rente in de begrotingsjaren 2014 en 2016. Het effect van de financiële stromen op de rentelasten van de Vlaamse overheid werd eveneens in rekening gebracht.


02 / DE MIDDELENBEGROTING

2.2 Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen 2.2.1 Parameters

De middelen uit de Bijzondere Financieringswet (samengevoegde en gedeelde belastingen, andere federale dotaties) worden bij de herziening 2014 geraamd op basis van de parameters van de Economische Begroting van 12 februari 2014. In tabel 2-3 staan de bedoelde parameters onder de kolom ‘HERZ 2014’. De kolommen ‘MJR 2015-2019’ vervolledigen het overzicht van de gehanteerde parameters. Voor de economische groei en inflatie werden de projecties uit de Economische Vooruitzichten van het Federaal Planbureau weerhouden (maart 2014). De parameter inflatie (CPI) gehanteerd voor de begrotingsherziening 2014 en meerjarenraming 2015 komt in voorliggende meerjarenraming tevens overeen met de inflatievooruitzichten van het Federaal Planbureau van 6 mei 2014. Behalve de klassieke parameters van economische groei en inflatie spelen ook de fiscale capaciteit van de gewesten en gemeenschappen, en het aantal leerlingen en –18-jarigen van de gemeenschap een belangrijke rol voor de berekening van de middelen die toegewezen worden vanuit de Bijzondere Financieringswet. Met ingang van het begrotingsjaar 2015 worden door de inwerkingtreding van de herziene Bijzondere Financieringswet aan deze lijst twee nieuwe parameters toegevoegd: het aantal 0 tot en met 18 jarigen en het aantal 80-plussers. Bovendien wordt de fiscale capaciteit met ingang van het aanslagjaar 2015 ook geïnterpreteerd als de regionale opdeling van de opbrengst van de federaal gebleven personenbelasting. Dit verklaart de wijziging in de fiscale capaciteit vanaf begrotingsjaar 2016 (aanslagjaar 2015). De raming voor het aanslagjaar 2015 is gebaseerd op de raming die door de federale wetgever werd gehanteerd ten tijde van de parlementaire behandeling van de herziene Bijzondere Financieringswet. De evolutie vanaf aanslagjaar 2016 gaat uit van een elasticiteit ten opzichte van het reëel BBP gelijk aan 1,6. Vermits voor de drie gewesten dezelfde elasticiteitscoëfficiënt wordt toegepast, wijzigt de fiscale capaciteit van de gewesten in de daaropvolgende aanslagjaren niet. In meerjarig perspectief worden de bevolkingsgerelateerde parameters gealigneerd op de bevolkingsvooruitzichten 2013-2061 van het NIS. De toename van de denataliteitscoëfficiënt is gebaseerd op de bedoelde bevolkingsvooruitzichten en weerspiegelt tevens de toename van het aantal leerlingen die de komende jaren verwacht wordt in het basis- en secundair onderwijs. De voorliggende meerjarenraming gaat er wel van uit dat de leerlingenverhouding constant blijft. De overige parameters in tabel 2-3 worden constant gehouden.


0,20%

Economische groei (BBP)

1,11%

2013

HERZ 2014

Inflatie (CPI)

10.515.981 3.164.538 159.745

Waals Gewest (excl. Duitstaligen)

Brussels H. Gewest

Duitstaligen

28,07% 8,45% 0,43%

Waals Gewest (excl. Duitstaligen)

Brussels H. Gewest

Duitstaligen

15/01/2013

15/01/2013 56,50% 43,50%

Toestand

Vlaamse Gemeenschap

Franse Gemeenschap

43,50%

56,50%

0,43%

8,45%

28,07%

63,06%

159.745

3.164.538

10.515.981

Verdeelsleutel onderwijs (LLN)

63,06%

Vlaams Gewest

23.622.156

Vlaams Gewest

Fiscale capaciteit (FC)

2013 = 2012

2012

Aanslagjaar 23.622.156

1,40%

0,80%

2014

Personenbelasting (federaal gedeelte)

Parameters

Begrotingsjaar

Tabel 2.3: Volledig parameteroverzicht

43,50%

56,50%

15/01/2013

0,43%

8,45%

28,07%

63,06%

166.990

3.308.059

10.992.913

24.693.493

2014

1,80%

1,30%

2015

43,50%

56,50%

15/01/2013

0,43%

8,39%

28,43%

62,76%

143.255

2.817.774

9.550.953

21.083.334

2015

1,70%

1,50%

2016

43,50%

56,50%

15/01/2013

0,43%

8,39%

28,43%

62,76%

149.359

2.937.834

9.957.900

21.981.653

2016

1,70%

1,60%

2017

MJR 2015-2019

43,50%

56,50%

15/01/2013

0,43%

8,39%

28,43%

62,76%

155.876

3.066.027

10.392.415

22.940.827

2017

1,60%

1,60%

2018

43,50%

56,50%

15/01/2013

0,43%

8,39%

28,43%

62,76%

162.425

3.194.829

10.828.996

23.904.562

2018

1,40%

1,70%

2019

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


6.350.765 3.470.201 1.138.854 76.128

Vlaanderen

Wallonië (excl. Duitst.)

Brussel

Duitstaligen

01/02/2014 1.239.500 738.265 257.678 104,8005%

Teldatum

Nederlandstalig

Franstalig

Brussel

Denataliteitscoëfficient

79,87013% 20,12987%

Vlaamse Gemeenschap

Franse Gemeenschap

20,12987%

79,87013%

01/01/2014

01/01/2014

Toestand

106,5221%

269.226

748.200

1.259.163

raming

30/06/2014

77.164

1.174.980

3.511.423

6.433.747

raming

01/01/2014

2015

105,3325%

262.412

740.402

1.243.976

01/02/2014

30/06/2013

76.128

1.138.854

3.470.201

6.350.765

01/01/2012

01/01/2013

2014

Verdeelsleutel Plantentuin

30/06/2012

Referentietijdstip

01/01/2012

Teldatum

01/01/2012

2013

HERZ 2014

Referentietijdstip

Min 18 jarigen (excl. Duitst.) (DENAT)

Inwoners

Begrotingsjaar

20,12987%

79,87013%

01/01/2014

107,2494%

274.478

752.098

1.267.985

raming

30/06/2015

77.689

1.192.675

3.532.420

6.474.280

raming

01/01/2015

2016

20,12987%

79,87013%

01/01/2014

107,9727%

279.423

756.197

1.277.328

raming

30/06/2016

78.186

1.208.762

3.552.875

6.512.806

raming

01/01/2016

2017

MJR 2015-2019

20,12987%

79,87013%

01/01/2014

108,6714%

283.962

760.348

1.287.670

raming

30/06/2017

78.656

1.223.250

3.572.814

6.549.297

raming

01/01/2017

2018

20,12987%

79,87013%

01/01/2014

109,2763%

287.957

763.888

1.298.031

raming

30/06/2018

79.089

1.236.144

3.592.262

6.583.888

raming

01/01/2018

2019

02 / DE MIDDELENBEGROTING


+80-jarigen

raming 1.334.871 792.782 284.619 16.312

Teldatum

Vlaamse Gemeenschap

Franse Gemeenschap

Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie

Duitstalige Gemeenschap

01/01/2016

01/01/2015 raming 373.160 185.294 50.392 3.967

Referentietijdstip

Teldatum

Vlaamse Gemeenschap

Franse Gemeenschap

Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie

Duitstalige Gemeenschap

4.109

50.095

185.639

381.385

raming

16.387

289.908

796.686

1.343.984

raming

01/01/2016

01/01/2015

Referentietijdstip

38,0%

62,0%

2016

38,0%

62,0%

2015

38,0%

Waals Gewest

62,0%

2014

Vlaams Gewest

2013

HERZ 2014

0 t.e.m. 18-jarigen

Pendelaars naar BHG

Begrotingsjaar

4.225

49.786

186.123

388.956

raming

01/01/2017

16.438

294.719

800.875

1.352.738

raming

01/01/2017

38,0%

62,0%

2017

MJR 2015-2019

4.321

49.431

186.647

397.081

raming

01/01/2018

16.525

299.328

805.086

1.362.741

raming

01/01/2018

38,0%

62,0%

2018

4.439

49.318

187.939

406.016

raming

01/01/2018

16.636

303.276

809.299

1.373.299

raming

01/01/2018

38,0%

62,0%

2019

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


02 / DE MIDDELENBEGROTING

2.2.2 Resultaten Tabel 2-4 toont de middelen die op basis van de beschreven parameters de komende jaren mogen verwacht worden. De voorliggende meerjarenraming houdt expliciet rekening met de budgettaire impact van de 6de staatshervorming.

Tabel 2.4: Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen (in duizend euro) HERZ 2014 Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen Gewest - PB zonder Lambermont

MJR 2015

MJR 2016

MJR 2017

MJR 2018

MJR 2019

9.257.697

-

-

-

-

-

Gewest - PB NST

0

0

0

0

0

0

Gewest - bijkomende middelen oude BFW

-

441.742

459.982

473.037

486.470

500.820

Gewest - PB negatieve term

-2.963.645

-

-

-

-

-

Gewest - Invulling fiscale autonomie

-

7.528.758

7.827.681

8.156.097

8.374.106

8.737.395

Gewest - herrekening opcentiemen (art 54, §1, lid 9)

-399.124

Gewest - PB extra middelen voor landbouw en zeevisserij

31.427

-

-

-

-

-

Gewest - PB extra middelen voor wetenschappelijk onderzoek

31.096

-

-

-

-

-

Gewest - PB extra middelen voor buitenlandse handel

13.612

-

-

-

-

-

Gewest - PB extra middelen voor lokale overheden

5.151

-

-

-

-

-

Gewest - PB extra middelen voor werk

-

1.668.063

1.184.817

1.215.030

1.245.333

1.276.256

Gewest - PB extra middelen voor fiscale uitgaven

-

1.153.146

1.179.748

1.209.831

1.240.006

1.270.796

GEW - Overgangsmechanisme

-

-268.396

-268.396

-268.396

-268.396

-268.396

-19.840

-29.760

-30.380

-27.280

-27.280

-27.280

Gewest - inhouding voor pendeldotatie BHG Totaal Gewest: Opcentiemen en Samengevoegde belastingen

6.355.499 10.493.553 10.353.453 10.758.320 10.651.115 11.489.592


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

HERZ 2014

MJR 2015

MJR 2016

MJR 2017

MJR 2018

MJR 2019

Gemeenschap - PB, incl Lambermont

4.257.215

5.233.345

5.123.190

5.253.829

5.384.864

Gemeenschap - BTW (art 40quinquies)

7.386.091

8.687.942

9.015.817

9.364.508

9.715.340 10.062.075

Gemeenschap - extra BTW Lambermont (naar PB en BTW)

1.460.413

0

0

0

0

0

Gemeenschap - gezinsbijslag

-

3.653.297

3.742.960

3.837.803

3.937.904

4.044.378

Gemeenschap - ouderenzorg

-

2.196.496

2.297.816

2.397.399

2.502.873

2.616.952

Gemeenschap - gezondheidszorg

-

472.034

485.472

498.350

511.276

524.412

Gemeenschap ziekenhuisinfrastructuur

-

-

355.452

364.894

374.371

383.998

Gemeenschap - justitiehuizen

-

51.738

53.407

55.184

56.964

58.743

Gemeenschap - interuniversitaire attractiepolen

-

-

-

-

17.704

18.257

GEM - Overgangsmechanisme

-

139.066

139.433

139.433

139.433

139.433

Totaal Gemeenschap: Gedeelde belastingen Vermoedelijke afrekening jaar N-1 (éénmalig) Algemeen totaal Gewest en Gemeenschap Saneringsbijdrage 2014 & respo-bijdrage 2015-2019 Algemeen totaal Gewest en Gemeenschap na respo-bijdrage

5.518.575

13.103.719 20.433.917 21.213.546 21.911.400 22.640.728 23.366.824 2.880

19.462.098 30.927.470 31.566.999 32.669.719 33.291.843 34.856.416 -151.167

-84.463

-93.781

-103.099

-112.417

-121.735

19.310.931 30.843.007 31.473.218 32.566.620 33.179.426 34.734.680

Zoals in paragraaf 2.1. gesteld, is de raming van de gewestelijke opcentiemen gebaseerd op de inschatting van de Belasting Staat die door de federale wetgever werd opgesteld. De gereduceerde Belasting Staat wordt bekomen door de Belasting Staat te verminderen met de autonomiefactor (25,990%). Het bedrag van de opcentiemen wordt vervolgens bekomen door op de gereduceerde Belasting Staat het tarief van de opcentiemen toe te passen. Voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017 wordt er uitgegaan van 35,117% opcentiemen. De voorliggende meerjarenraming houdt eveneens rekening met een herziening van de autonomiefactor en het hiermee gerelateerde opcentiementarief. Vanaf aanslagjaar 2018 worden de autonomiefactor en het opcentiementarief op respectievelijk 25,545% en 34,309% geraamd. De herrekening of bijstelling van


02 / DE MIDDELENBEGROTING

de opbrengst aan opcentiemen voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017 die hiervan het gevolg is, en die bedoeld wordt in artikel 54, §1, leden 7 tot 9 van de herziene Bijzondere Financieringswet, is eveneens in de voorliggende meerjarenraming opgenomen. De bedoelde bijstelling bedraagt 399,1 miljoen euro en wordt verondersteld zich volledig in het begrotingsjaar 2018 te manifesteren. De voorliggende meerjarenraming houdt echter geen rekening met de bijstelling van het referentiebedrag voor de bevoegdheid ‘fiscale uitgaven’. De bedoelde bijstelling wordt aangekondigd in artikel 35decies van de herziene Bijzondere Financieringswet en is gebaseerd op een verslag dat het Rekenhof uiterlijk 31 december 2016 zal opstellen met betrekking tot de fiscale uitgaven voor het aanslagjaar 2015 (artikel 81ter). Omdat de bedoelde bijstelling betrekking heeft op de gerealiseerde fiscale uitgaven van de drie gewesten, wordt er voorlopig abstractie van gemaakt. De fiscale uitgaven die naar aanleiding van de 6de staatshervorming geregionaliseerd worden, zijn in de voorliggende meerjarenraming niet als een minderontvangst verwerkt, maar als een uitgave. Ze komen aan bod in hoofdstuk 3: De uitgavenbegroting. Tot slot zijn in de voorliggende meerjarenraming de mogelijke budgettaire gevolgen buiten beschouwing gelaten van het responsabiliseringsmechanisme inzake klimaat. De kosten voor de gezinsbijslag (artikel 68quinquies) en de jeugdinstelling Tongeren (artikel 81quinquies, §2) zijn langs de uitgavenzijde van deze meerjarenraming verwerkt.

2.2.3 Sensitiviteit Gezien de volatiliteit van de in tabel 2-3 vermelde parameters wordt in tabel 2-5 een overzicht geboden van de sensitiviteit van deze parameters op de middelen uit de herziene Bijzondere Financieringswet voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2019. In deze paragraaf wordt nagegaan in welke mate de opcentiemen, samengevoegde en gedeelde belastingen, en de specifieke dotaties (zie paragraaf 2.3.) reageren op een wijziging van de relevante parameters in het begrotingsjaar 2015. Tabel 2-5 geeft een schematisch overzicht van het verrichte onderzoek. Elke onderzochte wijziging had een grootte van 0,1 procentpunt (10 basispunten) of 0,1 eenheden voor de elasticiteit. De grootte van de impact varieert over de jaren o.m. door de werking van het overgangsmechanisme (OM).


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

Tabel 2.5: Sensitiviteit (in duizend euro) Parameter 2015

2015

2016

2017

2018

2019

BBP

29.681

31.089

32.228

14.386

29.343

CPI

29.428

30.793

31.885

29.040

33.080

BELASTING STAAT (aanslagjaar 2015)

311 (inclusief -11.740 OM)

-11.740 (inclusief -11.740 OM)

-11.740 (inclusief -11.740 OM)

-12.702 (inclusief -11.740 OM)

-11.740 (inclusief -11.740 OM)

FEDERAAL GEBLEVEN PB (aanslagjaar 2015)

-

11.302

-

-

-

LLN

13.393 (inclusief -1.985 OM)

-1.985 (inclusief -1.985 OM)

-1.985 (inclusief -1.985 OM)

-1.985 (inclusief -1.985 OM)

-1.985 (inclusief -1.985 OM)

DENAT

8.665 (inclusief 79 OM)

511 (inclusief 79 OM)

515 (inclusief 79 OM)

519 (inclusief 79 OM)

524 (inclusief 79 OM)

TAALROL

8

-

-

-

-

PENDEL

-48

-

-

-

-

0-18 JARIGEN

-214 (inclusief -6.602 OM)

-55 (inclusief -6.602 OM)

112 (inclusief -6.602 OM)

290 (inclusief -6.602 OM)

478 (inclusief -6.602 OM)

80+ JARIGEN

0 (inclusief -3.584 OM)

165 (inclusief -3.584 OM)

328 (inclusief -3.584 OM)

500 (inclusief -3.584 OM)

686 (inclusief -3.584 OM)

ELASTICITEIT (aanslagjaar 2015)

13.348

13.917

14.524

-41.328

38

2.2.4 Toelichting Omdat in de voorliggende meerjarenraming zowel de oude, als de herziene Bijzondere Financieringswet aan bod komen, bevat deze meerjarenraming eveneens een beknopte technische toelichting bij de herziening van de Bijzondere Financieringswet. Bedoelde toelichting is opgenomen in Bijlage I.


02 / DE MIDDELENBEGROTING

2.3 Specifieke dotaties vanwege de federale overheid

Tabel 2-6 toont de middelen die inzake de specifieke dotaties de komende jaren mogen verwacht worden.

Tabel 2.6: Specifieke dotaties vanwege de federale overheid (in duizend euro) Tewerkstellingsprogramma’s

HERZ 2014 MJR 2015

MJR 2016

MJR 2017

MJR 2018

MJR 2019

261.560

-

-

-

-

-

Buitenlandse studenten

36.866

37.345

37.905

38.512

39.128

39.793

Buitenlandse studenten (afrekening)

40

Dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld Dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld (afrekening)

584.983

-

-

-

631 14.991

15.216

-

Overname verkeersbelastingen

14.799

15.459

Overname verkeersbelastingen (afrekening)

16

Dotatie Nationale Plantentuin

6.560

Dotatie Nationale Plantentuin (afrekening)

Overname registratie- en successierechten

24.367

24.733

25.128

25.531

Overname registratie- en successierechten (afrekening)

Algemeen totaal dotaties vanwege federale overheid

905.455

83.469

84.838

86.316

87.814

6.765

6.984

15.707

7.216

7.449

-

15.974

7.681

25.965

89.413

De dotatie voor de wedertewerkstelling van werklozen, bedoeld in artikel 35 van de oude Bijzondere Financieringswet, wordt vanaf begrotingsjaar 2015 ten belope van 90% opgenomen in de globale tewerkstellingsdotatie. De resterende 10% wordt toegevoegd aan het overgangsmechanisme. Om die reden is deze dotatie vanaf begrotingsjaar 2015 niet meer opgenomen in tabel 2-6. Krachtens artikel 62 van de Bijzondere Financieringswet wordt aan de gemeenschappen – ook na het begrotingsjaar 2014 - een dotatie toegekend ter financiering van het universitair onderwijs dat aan buitenlandse studenten wordt verstrekt. De basisbedragen die in het bedoelde artikel zijn voorzien, worden jaarlijks aan de inflatie aangepast.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

Krachtens het Lambermontakkoord werd het kijk- en luistergeld omgevormd van een gemeenschapsbelasting naar een gewestbelasting. De gemeenschappen verkregen wel een dotatie ter compensatie voor het wegvallen van het kijk- en luistergeld. De berekening van de dotatie was gebaseerd op de gemiddelde nettoontvangsten van het kijk- en luistergeld in 1999, 2000 en 2001, en dit in de betrokken gemeenschappen. Deze netto-ontvangsten werden evenwel uitgedrukt in prijzen van 2002. Vanaf 2003 werd het basisbedrag 2002 van de dotatie aangepast aan de inflatie. Vanaf de inwerkingtreding van de herziene Bijzondere Financieringswet (2015) zal de bedoelde dotatie van beide gemeenschappen in de BTW-basisdotatie geïntegreerd worden en bijgevolg de evolutie en verdeling van de BTW-basisdotatie volgen.

Naar aanleiding van de overname vanaf 2011 van de dienst van de verkeersgerelateerde gewestbelastingen (verkeersbelasting, belasting op de inverkeersstelling en eurovignet) ontvangt het Vlaams Gewest van de federale overheid jaarlijks - ook na het begrotingsjaar 2014 - een extra dotatie om de kosten van het overgenomen federaal personeel te compenseren. De berekening van de dotatie is gebaseerd op de gemiddelde kostprijs van de dienst van de betrokken gewestbelastingen voor de jaren 1999, 2000 en 2001, uitgedrukt in prijzen van 2002. Vanaf 2003 wordt dit bedrag (per gewestbelasting) aangepast aan de evolutie van de consumptieprijsindex. De basisbedragen staan vermeld in de wet van 8 maart 2009 tot vaststelling van de totale kostprijs van de dienst van de gewestelijke belastingen, in uitvoering van artikel 68ter van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en gewesten (BS 20 maart 2009). Een gelijkaardige dotatie wordt vanaf 2015 aan het Vlaams Gewest toegekend voor de overname van de dienst van de registratie- en successierechten. Tot slot wordt krachtens artikel 62ter van de Bijzondere Financieringswet aan de gemeenschappen ook na het begrotingsjaar 2014 - een dotatie toegekend vanaf het begrotingsjaar waarin de Nationale Plantentuin van België wordt overgedragen. Het in artikel 62ter vermelde basisbedrag wordt jaarlijks aan de inflatie en aan de economische groei aangepast. De verdeling van het aangepaste bedrag over beide gemeenschappen geschiedt volgens een sleutel die in overeenstemming is met de taalrol van het effectief personeelsbestand van de Nationale Plantentuin op de dag van de overdracht. De bedoelde overdracht vond plaats op 1 januari 2014. De in de meerjarenraming 2014-2019 gehanteerde verdeelsleutel weerspiegelt de taalrol op 1 januari 2014. Voor het begrotingsjaar 2014 wordt de dotatie van de Vlaamse Gemeenschap op 6.560 duizend euro geraamd. In het jaar van overdracht is er geen afrekening.

2.4 Gewestelijke belastingen

De ramingen van de gewestelijke belastingen voor de begrotingsjaren 2015 en volgende zijn enerzijds gebaseerd op de ramingen van de FOD Financiën voor het jaar 2014, en anderzijds op de economische vooruitzichten die door het Federaal Planbureau in maart 2014 werden gepubliceerd. Vooral de registratierechten, de successierechten en de schenkingsrechten worden door conjuncturele elementen beïnvloed.


1.937.992 150.102

1.880.342 143.569

Registratierechten

Hypotheekrechten

Belasting op de inverkeersstelling (inning IVA VLABEL)

Belasting op de inverkeersstelling (inning FOD Financiën)

Verkeersbelasting op de autovoertuigen (inning IVA VLABEL)

201.780

0

985.840

0

0

64

Openingsbelasting

Verkeersbelasting op de autovoertuigen (inning FOD Financiën)

30.303

33.432

Belasting op de automatische ontspanningstoestellen

198.758

0

990.260

0

26.845

28.386

Belasting op de spelen en weddenschappen

102.039

1BA 2014

103.751

REA 2013

Onroerende voorheffing

Tabel 2.7: Gewestelijke belastingen (in duizend euro)

200.816

0

979.128

0

147.489

1.951.680

0

33.981

30.076

103.202

HERZ 2014

201.996

0

986.472

0

151.946

2.046.003

0

34.200

30.846

105.955

MJR 2015

203.691

0

997.283

0

156.847

2.147.901

0

34.420

31.636

109.299

MJR 2016

205.475

0

1.008.929

0

161.906

2.257.095

0

34.642

32.446

112.965

MJR 2017

207.408

0

1.021.687

0

166.800

2.367.178

0

34.865

33.277

116.870

MJR 2018

Tabel 2-7 toont een overzicht van de begrotingsposten en de weerhouden bedragen. De getoonde bedragen betreffen ESR gecorrigeerde ontvangsten.

209.422

0

1.035.104

0

172.010

2.475.300

0

35.089

34.130

120.917

MJR 2019

02 / DE MIDDELENBEGROTING


Totaal

Kijk- en luistergeld

5.421.385

0

0 5.279.670

1.604.215

304.175

284.103

Schenkingsrechten

1.543.625

53.079

52.333

Eurovignet (inning IVA VLABEL)

Successierechten en recht van overgang bij overlijden

23.617

1BA 2014

22.446

REA 2013

Eurovignet (inning FOD Financiën)

5.498.859

0

1.663.893

312.487

52.734

23.373

HERZ 2014

5.623.679

0

1.660.597

328.047

53.378

24.239

MJR 2015

5.823.866

0

1.719.238

344.385

54.029

25.137

MJR 2016

6.039.795

0

1.783.687

361.893

54.688

26.069

MJR 2017

6.279.742

0

1.869.723

379.543

55.356

27.035

MJR 2018

6.518.042

0

1.955.124

396.879

56.031

28.036

MJR 2019

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


02 / DE MIDDELENBEGROTING

De raming van de gewestbelastingen is gebeurd vanuit een constant beleid hypothese. Eenmalige ontvangsten in 2014 werden in meerjarig perspectief gecorrigeerd. De raming van de onroerende voorheffing gaat o.m. uit van een jaarlijks hoeveelheidseffect van 2%. Naast de jaarlijkse indexering wordt ook een correctie voor onwaarden en wanbetalers toegepast. Met betrekking tot de belasting op de inverkeersstelling wordt er verondersteld dat het technologie-effect en het vergroeningseffect elkaar compenseren. De toename van de geraamde ontvangst wordt bijgevolg verklaard door de evolutie van de inflatie, aangevuld met een correctie voor onwaarden en wanbetalers. De raming van de verkeersbelasting gaat uit van een jaarlijks hoeveelheidseffect van 0,85%. De wijziging in de samenstelling van het wagenpark als gevolg van een toename van het aantal milieuvriendelijke wagens heeft een negatieve impact op de geraamde ontvangst (lagere fiscale PK’s) en wordt op -1,10% per jaar geschat. Naast de jaarlijkse indexering wordt ook een correctie voor onwaarden en wanbetalers toegepast. Voor de raming van het eurovignet wordt de beperkte stijging in 2013 (1,22%) doorgetrokken naar de toekomst. Op het deel dat door de federale overheid geïnd wordt, wordt een historisch jaarlijks groeipercentage toegepast (3,71%). De jaarlijkse opbrengst van de kilometerheffing voor vrachtwagens kan vanaf 2016 grosso modo op 455 miljoen euro geraamd worden (exclusief de vermindering van het eurovignet). Omdat de Vlaamse Regering nog geen beslissing genomen heeft inzake het tarief van de bedoelde heffingen wordt de geraamde opbrengst niet opgenomen in de voorliggende meerjarenraming, maar enkel als budgettair aandachtspunt opgelijst. De raming van de registratierechten, hypotheekrechten en schenkingsrechten vertrekt van de federale raming voor 2014 en houdt rekening met de inflatie en de economische groei over de periode 2015-2019. Aangaande de successierechten en het recht van overgang bij overlijden wordt er van uitgegaan dat de effecten van de fiscale regularisatie en de inspanningen van de federale overheid inzake de strijd tegen de fraudemechanismen ook de komende jaren gevolgen blijven ressorteren. De raming van de successierechten en het recht van overgang bij overlijden bestaat uit twee delen. Vooreerst wordt de opbrengst in 2014 van de fiscale regularisatie (derde ronde) kasmatig op 88,8 miljoen euro geraamd. In 2015 en 2016 bedraagt de bedoelde ontvangst respectievelijk 44,4 en 22,2 miljoen euro. Vanaf 2017 wordt er geen opbrengst meer verwacht van de fiscale regularisatie. De betaaltermijn voor de dossiers ‘fiscale regularisatie’ bedraagt twee weken. Hieruit volgt dat de ESR correctie voor dossiers ‘fiscale regularisatie’ eveneens twee weken bedraagt. Het tweede gedeelte bestaat uit de raming van de courante nalatenschappen. Laatstbedoelde raming over de periode 2015-2019 is gebaseerd op de federale raming voor 2014 en houdt rekening met de inflatie en de economische groei over de periode 2015-2019. De raming veronderstelt bovendien dat zich in de periode 2015-2019 eenzelfde volume aan grote nalatenschappen zullen voordoen als in 2014. De betaaltermijn voor de courante nalatenschappen bedraagt twee maanden waardoor de ESR correctie eveneens twee maanden bedraagt.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

2.5 Toegewezen ontvangsten

Aan een begrotingsfonds toegewezen of geaffecteerde ontvangsten - die niet als opbrengsten uit kredietverleningen of deelnemingen kunnen bestempeld worden - zijn ontvangsten die voorbehouden worden voor het dekken van bepaalde duidelijk omschreven uitgaven. De raming van de toegewezen ontvangsten schommelt in de meerjarenraming rond de 136 miljoen euro. De daling van de toegewezen ontvangsten vanaf 2015 wordt hoofdzakelijk verklaard door het wegvallen van de ontvangst van het vaccinatiefonds (17,9 miljoen euro) die vanaf 2015 in de dotatie voor gezondheidszorg begrepen is. De belangrijkste toegewezen ontvangsten in de middelenbegroting zijn:

•• •• •• ••

de inschrijvingsgelden van het deeltijds kunstonderwijs; de terugbetaling van salarissen en salaristoelagen in de onderwijssector; de inkomsten in het kader van het medisch-sociaal beleid; de inkomsten van het Vernieuwingsfonds.

2.6 Andere ontvangsten

De andere ontvangsten betreffen niet-fiscale, niet-toegewezen ontvangsten die niet kunnen bestempeld worden als (1) opbrengsten uit kredietverleningen of deelnemingen, of (2) dotaties komende van instellingen behorende tot de consolidatiekring. Tot deze categorie behoren onder meer de dividenden van de openbare investeringsmaatschappijen en de dividenden van financiële instellingen die door de Vlaamse Regering in 2009 gesteund werden. De variatie over de periode 2014-2019 in de categorie andere ontvangsten wordt hoofdzakelijk verklaard door de evolutie van de dividenden van de financiële instellingen (zie tabel 2-2) en van de openbare investeringsmaatschappijen, en door het wegvallen van de ontvangst in het kader van de meerwaardeneconomie (9,2 miljoen euro) die vanaf 2015 in de dotatie voor tewerkstelling begrepen is. Bovendien is de opbrengst van het digitaal dividend (4G licenties; 42,0 miljoen euro) een eenmalige opbrengst die ESR matig in 2013 aanrekenbaar is. Om deze reden valt de opbrengst van het digitaal dividend weg bij de begrotingsherziening 2014. Tot slot bevat deze categorie eveneens de ontvangsten die naar aanleiding van de 6de staatshervorming in het kader van de verkeersveiligheid geregionaliseerd worden (BIVV, retributies, verkeersboeten), zijnde 130,8 miljoen euro in 2015, nadien oplopend tot 184,6 miljoen euro in 2019. De raming van de verkeersboeten gaat uit van een bedrag van 122,2 miljoen euro onmiddellijke inningen in 2015. De evolutie tijdens de daaropvolgende jaren wordt verondersteld gelijk te lopen met de inflatie. Het bedrag van de transactionele stortingen en de veroordelingen wordt in 2015 op 43,8 miljoen euro geraamd. De evolutie tijdens de daaropvolgende jaren wordt ook hier verondersteld gelijk te lopen met de inflatie, maar in tegenstelling tot de onmiddellijke inningen wordt er bijkomend verondersteld dat de inningen inzake de transactionele stortingen en de veroordelingen zich gelijkmatig over de drie daaropvolgende begrotingsjaren spreiden.


02 / DE MIDDELENBEGROTING

2.7 Lotto-middelen

Volgens artikel 62bis van de Bijzondere Financieringswet krijgt elke gemeenschap een bepaald percentage van de te verdelen winst van de Nationale Loterij toegewezen. De federale ministerraad dient hiertoe de uitkeerbare winst te bepalen. De raming van de Lotto-middelen wordt in de meerjarenraming constant gehouden op 33,8 miljoen euro. Die raming is gebaseerd op het voorlopig winstverdelingsplan voor het dienstjaar 2014.

2.8 Te consolideren instellingen

Tabel 2-8 geeft een overzicht van de ESR gecorrigeerde ontvangsten van de Vlaamse instellingen die tot de consolidatieperimeter behoren. Hierbij worden de instellingen met belangrijke bedragen aan eigen ontvangsten apart vermeld.


75.918

68.864

4.094

106.800

Loodswezen

Andere instellingen met DAB-vorm

VMM

VDAB

20.317

176.078

VAPH

VVM - De Lijn

Totaal

Andere instellingen met andere dan DAB-vorm

1.363.895

394.673

-

149.106

Kind & Gezin

VEB

188.839

VRT

41.371

19.641

VIF

NV Waterwegen en Zeekanaal

118.193

MINA

REA 2013

1.449.321

1.473.552

332.085

1.461

1.461 331.935

231.095

20.211

156.283

190.971

62.581

104.170

30.786

55.766

76.591

94.785

116.767

HERZ 2014

231.095

20.211

156.283

190.971

62.581

104.170

30.786

23.806

76.591

94.785

124.646

1BA 2014

Tabel 2.8: Te consolideren instellingen (in duizend euro)

1.438.183

329.951

27.299

234.330

20.494

158.471

193.645

63.457

93.396

3.562

65.573

77.663

56.013

114.326

2015

1.511.211

333.840

77.639

237.845

20.801

160.848

196.550

64.409

94.797

3.616

72.149

78.828

56.854

113.035

2016

1.583.169

337.927

127.061

241.651

21.134

163.422

199.695

65.440

96.314

3.673

76.864

80.089

57.763

112.135

2017

1.602.880

341.937

124.982

245.517

21.472

166.036

202.890

66.487

97.855

3.732

80.428

81.371

58.687

111.485

2018

1.623.269

346.600

122.486

249.691

21.837

168.859

206.339

67.617

99.519

3.796

83.291

82.754

59.685

110.795

2019

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


02 / DE MIDDELENBEGROTING

De ESR gecorrigeerde ontvangsten van het Minafonds evolueren van 116,8 miljoen euro in 2014 naar 110,8 miljoen euro in 2019. De ontvangsten zijn in hoofdzaak afkomstig van de milieuheffingen. De milieuheffingen worden geïnd door de Vlaamse openbare milieu-instellingen. Meer bepaald int OVAM de afvalstoffenheffing, VMM de waterheffingen en VLM de administratieve geldboetes in het kader van MAP III. Over de periode 2014-2019 wordt ervan uitgegaan dat de ontvangsten uit afvalstoffenheffingen met 2,8 miljoen euro afnemen. Dit is te wijten aan de sturende werking van de heffing en inzonderheid het verbieden of ontraden van storten en het recupereren van energie uit afvalstoffenstromen. Enerzijds is er bij de begrotingsaanpassing 2014 een verlaging van de ontvangst uit de waterheffingen van 7,9 miljoen euro, namelijk van 54,6 miljoen naar 46,7 miljoen euro, omwille van het feit dat de drinkwatermaatschappijen vanaf 2014 een bovengemeentelijke vergoeding aanrekenen aan bedrijven op het water gewonnen via eigen waterwinning. Teneinde een dubbele heffing te voorkomen, wordt deze bovengemeentelijke vergoeding in mindering gebracht van de waterheffing. Anderzijds zullen de ontvangsten uit de waterheffingen over de periode 2014-2019 nog afnemen met 2,7 miljoen euro, van 46,7 miljoen euro in 2014 naar 44 miljoen euro in 2019, rekening houdend met een indexatie van 1,5%, een vuilvrachtdaling van 2,5% voor de gezinnen (kleinverbruikers) en een vuilvrachtdaling van 2% voor bedrijven (grootverbruikers). Ook de ontvangsten in het kader van MAP III zullen dalen over de periode 2014-2019 van 2,3 miljoen euro naar 1,5 miljoen euro, ten gevolge van de sturende werking van de heffing. Ingevolge het wegvallen van de opbrengsten uit de verkoop van activa aan Aquafin NV vallen de ESR gecorrigeerde ontvangsten van de VMM in 2015 terug naar 3,6 miljoen euro. De evolutie tijdens de daaropvolgende jaren wordt verondersteld gelijk te lopen met de inflatie. De ESR gecorrigeerde ontvangsten van het Loodswezen, de NV Waterwegen en Zeekanaal en De Lijn worden geïndexeerd volgens de in de nota budgettaire ruimte gehanteerde inflatieparameters. Hierbij worden, ondanks het eerder hoge niveau in 2014, de uitzonderlijke opbrengsten bij De Lijn, de komende jaren constant gehouden. De ESR gecorrigeerde ontvangsten van het VIF kennen in 2015 een sterke daling wegens het terug in mindering brengen van de eenmalige opbrengsten uit de verkoop van gronden en een gebouw in 2014. Zo vervalt de opbrengst uit de verkoop van gronden Oostende Oosteroever, ten belope van 28,5 miljoen, en van gronden (6 miljoen euro) en een gebouw (5 miljoen euro) binnen het Agentschap Wegen en Verkeer. De in 2014 geboekte verhoging van eigen ontvangsten, ten belope van 4 miljoen euro, binnen het Agentschap Wegen en Verkeer (hoofdzakelijk opbrengsten van de nevenbedrijven) wordt wel als recurrent beschouwd. De recurrente ESR gecorrigeerde ontvangsten worden geïndexeerd conform de in de nota budgettaire ruimte gehanteerde inflatieparameters. De daling in 2015 van de ESR gecorrigeerde ontvangsten van de VDAB wordt verklaard door het wegvallen van de federale ontvangst voor de controle disponibiliteit (12 miljoen euro). De bedoelde ontvangst wordt naar aanleiding van de 6de staatshervorming vanaf 2015 geïntegreerd in de dotatie voor tewerkstelling. De overige ontvangsten van de VDAB worden verondersteld gelijk te lopen met de inflatie. De ESR gecorrigeerde ontvangsten van Kind en Gezin stijgen ten gevolge van de inflatie van 156,3 miljoen euro in 2014 tot 168,9 miljoen euro in 2019. Ook de ESR gecorrigeerde ontvangsten van het VAPH worden verondersteld gelijk te lopen met de inflatie.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

De raming van de ESR gecorrigeerde ontvangsten van het VEB is gebaseerd op het businessplan. Tot slot valt binnen de andere instellingen met DAB-vorm de stijging bij de begrotingsherziening 2014 op. Deze stijging is volledig toe te schrijven aan het opnemen van een raming van de ontvangsten binnen de DAB Emissierechten in het kader van het klimaatbeleid. De ontvangsten van de DAB Emissierechten evolueren van 32 miljoen euro in 2014 naar 57,6 miljoen euro in 2019 in overeenstemming met de opgenomen uitgaven binnen het Klimaatfonds.


03 / DE UITGAVENBEGROTING

03 / DE UITGAVENBEGROTING

3.1 Inleiding 3.1.1

Werkwijze voor huidige bevoegdheden

Voor wat de berekening van de kost van het constant beleid inzake de huidige bevoegdheden in de periode 2014-2019 betreft, worden de uitgangshypothesen inzake de in afgelopen legislatuur gehanteerde kostendrijvers en budgettaire engagementen bij ongewijzigd beleid rigoureus doorgetrokken. De bij de begrotingsopmaak 2014 doorgevoerde besparingen worden recurrent doorgetrokken. Eenmalige investeringskredieten resp. - inkomsten worden logischerwijs niet doorgetrokken. Wat betreft de meeruitgaven aan beschikbaarheidsvergoedingen voor alternatief gefinancierde projecten, worden er voor sommige initiatieven zoals PPS in de sport, VIPA-II, VAC’s nog bijkomende kredieten t.o.v. de begrotingsopmaak 2014 voorzien. Voor andere initiatieven zoals VIA-invest, PPS in de scholenbouw, … zullen de reeds in het verleden toegekende kredieten vooreerst dienen te worden ingezet en wordt er verder in voorliggende raming verondersteld dat er nog een verdere compensatie binnen de voor klassieke financiering ter beschikking gestelde middelen kan gevonden worden. De volgende Vlaamse Regering zal verder dienen te bekijken welke beschikbaarheidsvergoedingen met de in voorliggende meerjarenraming voorziene kredieten kunnen opgevangen worden en waar er desgevallend bijkomende middelen moeten worden ingezet. Voor meer detail inzake de verwachte evolutie van beschikbaarheidsvergoedingen in meerjarig perspectief, wordt verwezen naar de bijlage III: Budgettaire boordtabel houdende alternatieve financiering. In de technische begrotingsherziening 2014 en de meerjarenraming 2015-2019 wordt ook nog weergegeven hoe de Vlaamse Regering invulling wenst te geven aan het competitiviteitspact en het SALK. Voor wat betreft het competitiviteitspact worden de kredieten die bij de begrotingsopmaak 2014 voorzien werden onder het beleidsdomein Financiën en Begroting verdeeld over de resp. beleidsdomeinen conform de afspraken die hieromtrent in de schoot van de Vlaamse Regering werden gemaakt. Voor wat betreft het SALK wordt vooreerst het effect zichtbaar gemaakt van de herverdelingen die in 2014 zijn doorgevoerd vanuit het restant van de provisie van 24 miljoen euro voor het SALK die in 2013 werd ter beschikking gesteld. Daarnaast wordt ook aangegeven welke beslissingen van de Vlaamse Regering - tot op datum van 9 mei 2014 - een verhoging van de beleidskredieten bij andere beleidsdomeinen dan Economie, Wetenschappen en Innovatie (EWI) tot gevolg hebben en dit door de recuperatie van de vastlegging van 58 miljoen euro die binnen het Hermesfonds van EWI eveneens ter beschikking werd gesteld voor het SALK. De exacte repercussie van de aannames met betrekking tot de in deze meerjarenraming gehanteerde indexatieparameters resp. externe kostendrijvers en budgettaire engagementen is terug te vinden onder punt 3.2.: Indexatie bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden, resp. onder punt 3.3.: Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

3.1.2

Werkwijze voor nieuwe bevoegdheden

Voor de raming van de extra uitgaven waarvoor Vlaanderen bevoegd wordt, maakt voorliggende meerjarenraming gebruik van de in het kader van de 6de staatshervorming door de federale overheid ter beschikking gestelde budgettaire boordtabel. Deze tabel lag tevens aan de basis voor het bepalen van de dotaties die met toepassing van de nieuwe bijzondere Financieringswet ter beschikking worden gesteld voor de nieuwe bevoegdheden. Deze boordtabel wordt dan ook gebruikt als zijnde het eerste uitgangspunt voor het ramen van de toename van de uitgaven binnen de Vlaamse begroting in het begrotingsjaar 2015 en volgende jaren. Voor enkele bevoegdheden met een (gedeeltelijk of tijdelijk) extern kostendrijverkarakter en tegelijk ook een significant budgettair gewicht werd door het departement financiën en begroting een eigen raming opgesteld op basis van de tot op heden beschikbare informatie. Het betreft hier meer concreet gezinsbijslag, residentiële ouderenzorg, ziekenhuisinfrastructuur, tegemoetkoming hulp aan bejaarden, doelgroepenbeleid bij de RVA, (fiscale uitgaven voor) dienstencheques en de fiscale uitgaven inzake woonbonus en bouwsparen. Voor alle uitgaven die in het kader van de 6de staatshervorming aan de kredieten worden toegevoegd op basis van de budgettaire boordtabel of op basis van een eigen raming wordt ook in indexatie volgens de onder punt 3.2. vermelde parameters voorzien. Enkel voor ziekenhuisinfrastructuur is deze indexatie niet benodigd. Praktisch gezien wordt in voorliggend document - net zoals in de budgettaire boordtabel voor de 6de staatshervorming - de budgettaire impact van alle bevoegdheden als extra uitgave verrekend. De fiscale uitgaven en inhoudingen op dotaties die tijdens de transitieperiode in de Bijzondere Financieringswet voorzien zijn, zijn met andere woorden nog niet verrekend aan ontvangstenzijde. Tot slot is het ook nog van belang om te vermelden dat het budget dat voor enkele bevoegdheden in de budgettaire boordtabel werd opgenomen, geen aanleiding geeft tot een verhoging van de beleidskredieten van de Vlaamse begroting. Het betreft bevoegdheden waarbij de middelen in voorbije legislatuur reeds aan de Vlaamse overheid toekwamen: meer specifiek gaat het om de middelen inzake vaccinatie, beschikbaarheidscontrole bij VDAB, meerwaardeneconomie en trekkingsrechten inzake tewerkstellingsprogramma’s. Ook de middelen voorzien voor het participatiefonds (106 miljoen euro aan niet-recurrente ESR-8-middelen) en de extra ontvangsten in het kader van het mobiliteitsbeleid worden logischerwijs niet mee verrekend in de extra evolutie van de beleidskredieten. De beschrijving van de specifieke kredietevolutie van de nieuwe bevoegdheden is per beleidsdomein terug te vinden onder punt 3.3. - Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden.

3.1.3 Aandachtspunten bij de aannames bij huidige en nieuwe bevoegdheden Met het oog de totstandkoming van dit document werden er bilaterale overlegmomenten georganiseerd tussen het departement Financiën en Begroting en de diverse beleidsdomeinen. Deze besprekingen hebben enkele aandachtspunten aan het licht gebracht met betrekking tot de aannames bij constant beleid van de huidige bevoegdheden enerzijds en met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden anderzijds.


03 / DE UITGAVENBEGROTING

Voor wat betreft de huidige bevoegdheden werd onder punt 3.1.1. reeds vermeld dat de volgende Vlaamse Regering verder zal dienen te bekijken welke beschikbaarheidsvergoedingen met de in voorliggende meerjarenraming voorziene kredieten kunnen opgevangen worden en waar er desgevallend bijkomende middelen moeten worden ingezet. Daarnaast is het ook zo dat in voorliggende meerjarenraming tevens geen middelen voor nieuwe cao’s met de diverse sectoren zijn voorzien. Ook hiervoor zal de volgende Vlaamse Regering dienen te bekijken hoe ze eventuele meerkosten hieromtrent budgettair zal inpassen. In navolging van het raamakkoord van 23 november 2012 omtrent de besparingen op personeels(gerelateerde) kredieten, waarin werd bepaald dat bij de opmaak van de begroting 2015 de sociaal-economische en budgettaire situatie opnieuw zal moeten geëvalueerd worden, wordt de besparing van 100 miljoen euro in voorliggende recurrent doorgetrokken. Het is aan de Vlaamse Regering om uit te maken of zij de besparing al dan niet verder zal zetten. Voor wat betreft de nieuwe bevoegdheden zijn er tevens enkele overkoepelende aandachtspunten te formuleren:

••

••

Een eerste aandachtspunt betreft de bijkomende kost voor de loonmatigingsbijdrage. Zo is het momenteel zo dat er voor zowel statutaire- als contractuele personeelsleden die voor het operationaliseren van de nieuwe bevoegdheden worden aangeworven er een loonmatigingsbijdrage van resp. 5,89% en 6,6% dient te worden betaald. Deze meerkost werd niet verrekend in de budgettaire boordtabel bij 6de staatshervorming. Eventueel kan een deel van de meerkost opgevangen worden door minder personeelsleden over te nemen of aan te werven dan origineel in de budgettaire boordtabel voorzien. De budgettaire boordtabel die door de federale overheid ter beschikking werd gesteld, bevat geen raming van de toenemende taakbelasting die ontstaat bij de horizontale beleidsdomeinen. Daarnaast wijst de budgettaire boordtabel tevens alle kosten inzake huisvesting, schoonmaak, catering… toe aan de inhoudelijke materie waarvoor de kosten worden gemaakt. Binnen de Vlaamse overheid worden daarentegen voor vele entiteiten deze kosten opgenomen door het Agentschap voor Facilitair Management (AFM). In de mate dat AFM moet instaan voor het beheer van de gebouwen, zal AFM dan ook een deel van de over te hevelen werkingsbudgetten claimen.

Een beschrijving van de specifieke aandachtpunten per beleidsdomeinen is terug te vinden onder punt 3.3. - Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden.

3.2 Indexatie bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden

Tabel 3-1 toont de diverse indexparameters die in voorliggende meerjarenraming worden gehanteerd. Voor de begrotingsherziening 2014 en de raming 2015 baseren we ons op de inflatievooruitzichten van het planbureau van 6 mei 2014. Voor de periode 2016-2019 werden de projecties uit de Economische Vooruitzichten van het Federaal Planbureau weerhouden (maart 2014).


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

Tabel 3.1: Indexparameters

Verwachte evolutie gezondheidsindex

BO 2014

HERZ 2014

MJR 2015

MJR 2016

MJR 2017

MJR 2018

MJR 2019

1,4%

0,9%

1,4%

1,5%

1,6%

1,6%

1,6%

Overschrijding spilindex

Jun. ‘14

Nov.’14

-

Feb. ‘16

Mei. ‘17

Okt. ‘18

-

Maand aanpassing loon

Aug. ‘14

-

Jan.’15

Apr. ‘16

Juli. ‘17

Dec. ‘18

-

Index loon buiten provisie

1,4%

0,9%

1,4%

1,5%

1,6%

1,6%

1,6%

Index niet loon

1,4%

0,9%

1,4%

1,5%

1,6%

1,6%

1,6%

In tabel 3-2 wordt de cumulatieve toename van de beleidskredieten voor de huidige bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 als gevolg van indexatie weergegeven. Het volledig budgettair effect van de verwachte overschrijding van de spilindex in november 2014 wordt vanaf begrotingsjaar 2015 toegewezen aan de resp. ontvangende begrotingsartikelen. De kost van de overschrijdingen van de spilindex in de jaren 2016, 2017 en 2018 wordt eveneens voorzien op de resp. begrotingsartikelen. De cumulatieve toename van de beleidskredieten omwille van indexatie inzake de huidige bevoegdheden bedraagt in 2019 1,7 miljard euro.


-2.186 -2.438

Cultuur, Jeugd, Sport en Media

Werk en Sociale Economie

TOTAAL (excl. FFEU)

-30.774

-878

-6.675

Mobiliteit en Openbare Werken

Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed

-2.150

Leefmilieu, Natuur en Energie

-556

-1.608

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Landbouw en Visserij

-7.141

Onderwijs en Vorming

-348

Internationaal Vlaanderen -5.504

-118

Financiën en Begroting

Economie, Wetenschappen en Innovatie

-870

Bestuurszaken

-17 -284

HERZ 2014

Diensten Algemeen Regeringsbeleid

Hogere Entiteiten

Beleidsdomein 637

342.487

2.984

30.733

6.645

2.037

18.833

12.565

65.819

182.577

11.569

1.649

1.370

3.746

1.321

MJR 2015

671.547

6.820

69.003

15.386

4.515

37.685

25.544

120.952

344.021

29.201

3.632

2.647

8.162

2.820

1.160

MJR 2016

Tabel 3.2: Cumulatief effect indexatie kredieten huidige bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 (in duizend euro)

1.019.169

10.891

108.920

24.703

7.144

57.319

39.136

177.725

516.467

48.258

5.724

3.968

12.816

4.403

1.694

MJR 2017

1.318.098

14.732

144.953

33.600

9.610

74.289

51.230

222.604

661.824

67.501

7.639

5.072

17.091

5.840

2.113

MJR 2018

1.713.505

19.215

190.297

43.874

12.516

96.123

66.372

287.175

860.381

88.510

9.954

6.547

22.236

7.589

2.715

MJR 2019

03 / DE UITGAVENBEGROTING


0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

Diensten Algemeen Regeringsbeleid

Bestuurszaken

Financiën en Begroting

Internationaal Vlaanderen

Economie, Wetenschappen en Innovatie

Onderwijs en Vorming

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Cultuur, Jeugd, Sport en Media

Werk en Sociale Economie

Landbouw en Visserij

Leefmilieu, Natuur en Energie

Mobiliteit en Openbare Werken

Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed

TOTAAL (excl. FFEU)

HERZ 2014

Hogere Entiteiten

Beleidsdomein

MJR 2015

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

51

0

159

462

0

0

138.576

374

56

443

180

38.831

0

98.019

MJR 2016

Tabel 3.3: Cumulatief effect indexatie kredieten nieuwe bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 (in duizend euro)

0

107

0

332

963

0

0

284.903

779

116

922

375

80.262

0

201.049

MJR 2017

0

0

415.517

1.190

177

1.408

574

118.011

0

292.016

0

164

0

507

1.471

MJR 2018

0

0

581.786

1.634

244

1.934

788

164.819

0

409.127

0

525

0

696

2.020

MJR 2019

In tabel 3-3 wordt de cumulatieve toename van de beleidskredieten voor de nieuwe bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 als gevolg van indexatie weergegeven. De cumulatieve toename van de beleidskredieten omwille van indexatie inzake de nieuwe bevoegdheden bedraagt in 2019 0,6 miljard euro.

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


03 / DE UITGAVENBEGROTING

3.3 Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden: Toelichting per beleidsdomein

Hierna volgt een toelichting per beleidsdomein van de belangrijkste evoluties bij constant beleid excl. indexatie van de huidige en nieuwe bevoegdheden. Het cijfermatig detail van de evolutie van de beleidskredieten bij constant beleid wordt weergegeven in bijlage II. Daarnaast worden ook specifiek aan het beleidsdomein gerelateerde aandachtspunten weergegeven inzake huidige en nieuwe bevoegdheden.

3.3.1 Diensten Algemeen Regeringsbeleid

a.

Huidige bevoegdheden

Ten opzichte van de kredieten BO2014 werd in het voorjaar 2014 d.m.v. herverdeling 1,8 miljoen euro vanuit beleidsdomein Bestuurszaken aan de kredieten van beleidsdomein DAR toegevoegd in het kader van de financiering van het nieuwe Agentschap ‘Audit Vlaanderen’. Deze verschuiving van kredieten zal de komende jaren recurrent behouden worden en eventueel uitgebreid worden door andere compensaties.

b.

Aandachtspunten

Ook voor DAR, als horizontaal beleidsdomein, dient rekening gehouden te worden met horizontale taken die een uitbreiding van het huidige takenpakket betekenen, maar waarvoor an sich geen bijkomende middelen worden voorzien in de budgettaire boordtabel van de 6de staatshervorming. Deze horizontale taken zijn:

•• ••

Enerzijds verbonden aan de neveneffecten van de bijkomende bevoegdheden voor Vlaanderen in het kader van de 6de staatshervorming (vb. verhoogde vragenlast Vlaamse infolijn) Anderzijds verbonden aan uitbreidende Europese verplichtingen.

Naast deze kosten is er een kost verbonden aan de oprichting van een interfederaal instituut van de statistiek ten belope van 38 duizend euro.

3.3.2 Bestuurszaken

a.

Huidige bevoegdheden

In uitvoering van het decretaal voorziene groeipad van 3,5% voor het gemeente-, het provincie- en het stedenfonds nemen de kredieten tegen het begrotingsjaar 2019 cumulatief toe met respectievelijk 421,7 miljoen euro, 7,0 miljoen euro en 27,7 miljoen euro t.o.v. het begrotingsjaar 2014. Voor de lokale en provinciale verkiezingen van 2018 wordt in 2016 en 2017 samen 11,2 miljoen euro voorzien terwijl er voor de verkiezingen voor het Vlaams Parlement in 2019 1,6 miljoen euro ingeschreven wordt.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

In 2015 neemt de meerkost, gedragen uit de algemene middelen, voor het VAC Brugge en het VAC Gent verder toe met 4,3 miljoen euro. Door de ingebruikname van het VAC Gent valt vanaf 2015 een bedrag van 1 miljoen euro aan huur weg.

b.

Nieuwe bevoegdheden

Door de 6de staatshervorming nemen de uitgaven van het beleidsdomein Bestuurszaken toe met 30,8 miljoen euro in 2015. Het betreft hoofdzakelijk uitgaven voor het rampenfonds en grootstedenbeleid. Voor wat betreft het grootstedenbeleid komen de middelen, op termijn 15,3 miljoen euro, maar in getrapt stijgende orde over in de komende begrotingsjaren. Dit heeft te maken met het feit dat de huidig openstaande engagementen nog dienen te worden vereffend door de federale overheid zelf en dus niet mee overkomen richting Vlaanderen. In voorliggende oefening wordt wel uitgegaan van de mogelijkheid tot het direct voeren van beleid ten belope van 15,3 miljoen euro. Dit omwille van het feit dat ook voor nieuwe engagementen met een betaalkalender kan gewerkt worden en zo toch budgetneutraliteit kan worden bereikt.

c.

Aandachtspunten

Ingevolge de inkanteling van de gewestelijke ontvangers bij ABB dient er voortaan ook responsabiliseringsbijdrage betaald te worden voor de gewestelijke ontvangers. Het gaat om een bedrag van 1,3 miljoen euro dat niet voorzien is in de cijfers van voorliggende meerjarenraming. De 6de staatshervorming heeft een impact op de personeelsbehoeften van Bestuurszaken gegeven haar rol als horizontaal beleidsdomein. Uit een eerste inschatting blijkt dat Bestuurszaken een behoefte heeft van 58 VTE (dit is exclusief eventueel eigen beheer (schoonmaak en catering) van de gebouwen en dus louter voor horizontale taken). Er heerst wel nog grote onduidelijkheid over het beheer van de gebouwen die overkomen met de 6de staatshervorming. Wie staat momenteel in voor het beheer van de federale gebouwen? Wie zal in de toekomst instaan voor het beheer? In de mate dat AFM moet instaan voor het beheer van de gebouwen, zal AFM een deel van de over te hevelen werkingsbudgetten claimen. Tot slot dient ook nog te worden vermeld dat het bij ongewijzigd beleid ook niet duidelijk is of er inzake het rampenfonds in een afdoende financiering voorzien is. Sowieso is hierbij het aantal en de zwaarte van rampen moeilijk te ramen.

3.3.3 Financiën en Begroting

a.

Huidige bevoegdheden

In 2014 zal er 17,5 miljoen euro benodigd zijn voor het ondervangen van het effect van de overschrijding van de spilindex van november 2014 op het vakantiegeld 2015, dat conform de vigerende aanrekeningsregels aangerekend wordt in 2014. Dit betekent een daling van de te voorziene kredieten in het technisch herzien budget met 121,5 miljoen euro ten aanzien van de begrotingsopmaak 2014.


03 / DE UITGAVENBEGROTING

De budgettaire effecten van de voorziene overschrijdingen van de spilindex in de periode 2015-2019, alsook het op kruissnelheid brengen van het effect van de overschrijding van de spilindex van november 2014 worden vanaf 2015 voorzien op de functionele begrotingsartikelen. De indexprovisie wordt dus vanaf 2015 op 0 gezet wat een verdere daling betekent van 17,5 miljoen euro ten opzichte van het herziene budget 2014. Door de daling van de Lotto-ontvangsten wordt het variabel Lotto-deel à rato van 860 duizend euro geschrapt met ingang van het jaar 2014. Voor de verwachte meerkosten voor de bijdrage aan de pool der parastatalen (verwachte groei van de bijdragevoet met 1% per jaar vanaf 2016) wordt tegen 2019 een meerkost verwacht van 11,2 miljoen euro. In afwachting van een concrete invulling van de versnelling van het efficiëntietraject wat moet resulteren in een verlaging van het aantal koppen in de Vlaamse administratie tegen het einde van de afgelopen legislatuur met 6,5% (i.p.v. 6%) wordt de voorziene extra besparing in loonkredieten a rato van 5,1 miljoen euro doorgetrokken binnen het beleidsdomein FB. Tot slot wordt er in een jaarlijks cumulatieve kredietverhoging van 6,3 miljoen euro voorzien voor het ondervangen van de budgettaire effecten van de vergrijzing van het ambtenarenkorps, de zgn. weddedrift. Met ingang van het jaar 2015 zal de bijzondere wet van 5 mei 2003 worden opgeheven. De bedragen van de responsabiliseringsbijdrage voor de periode 2015-2020 worden nominaal in art 65 quinquies van de BFW vermeld en evolueren van 84,5 miljoen in 2015 naar 121,7 miljoen in 2019. Deze bedragen zullen echter afgehouden worden op de overdrachten in het kader van de nieuwe bijzondere financieringswet waardoor binnen de uitgavenbegroting m.b.t. het beleidsdomein Financiën en Begroting niets meer voorzien moet worden. De compensaties aan gemeenten en provincies voor de gederfde inkomsten ingevolge de volledige vrijstelling van de onroerende voorheffing (O.V.) voor het kadastraal inkomen (K.I.) ingevolge de vermindering van de O.V. voor energiezuinige woningen en gebouwen nemen jaarlijks toe met 1 miljoen euro, om vanaf 2018 recurrent 10 miljoen euro te bedragen. De verwachte toerekenbare rente daalt van 110,8 miljoen euro in 2014 tot 64,1 miljoen euro in 2019. In 2014 wordt de EMTN-lening die op eindvervaldag gekomen is in maart ten bedrage van 1,25 miljard euro volledig opgevangen op de korte termijn dankzij de terugbetalingen van KBC vorig jaar (1,75 miljard euro) en begin dit jaar (500 miljoen euro). Volgens de huidige inschatting en met een goede mix van lange en korte termijnrentevoeten wordt er in 2015 en 2016 respectievelijk 1 miljard euro en 400 miljoen euro opgehaald aan nieuwe EMTN-uitgiftes. De verwachte toerekenbare rente voor EMTN-leningen neemt hierdoor toe in 2015 met 19,2 miljoen euro tot 113,8 miljoen euro. Vanaf 2016 daalt de verwachte rente voor EMTN-leningen van 107,1 miljoen euro tot 54,5 miljoen euro in 2019. De verwachte rente op de andere LT-leningen daalt van 10,9 miljoen euro in 2014 tot 3,7 miljoen euro in 2019. Voor de herfinanciering van de lening van Diestsepoort op 5 januari 2014 wordt de kredietbehoefte op 1,8 miljoen euro geraamd in 2014. Het Vlaams Gewest zal immers deze financiering op zich nemen om dit dan aan markconforme voorwaarden toe te kennen aan NV Diestsepoort. In 2019 wordt de verwachte kredietbehoefte hiervoor geraamd op 1,6 miljoen euro. Voor de korte termijnbehoefte wordt er vanuit gegaan dat alles wordt opgevangen via de kredietlijn. Afhankelijk van de rentestand zal gekeken worden of er nieuwe BCP-uitgiftes zullen gebeuren. De KT rentebehoefte wordt geraamd op 3,0 miljoen euro in 2015 tot 4,3 miljoen euro in 2019.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

Vanaf 1 januari 2015 neemt het IVA Vlabel de administratieve dienst van de inning en invordering van de successie- en de registratierechten over van de FOD Financiën. De uitgaven nemen hiervoor toe met de in de bijzondere financieringswet voorziene toelage van 24,4 miljoen euro.

b.

Nieuwe bevoegdheden

In het kader van de bij de 6de staatshervorming voorziene overdracht van de federale aankoopcomités naar de gemeenschappen en gewesten werd een personeelsoverdracht van 109 VTE tezamen met bijhorende kredieten ten belope van 10,6 miljoen euro voorzien.

c.

Aandachtspunten

Op basis van het voorlopig winstverdelingsplan 2014 wordt de netto opbrengst van de winst van de Nationale Loterij geraamd op 33.754 duizend euro. Net als in de begroting 2013 wordt het vast deel (= 34.055 duizend euro) van de winst van de Nationale Loterij integraal ingeschreven op de diverse functionele begrotingsartikelen in meerjarig perspectief. Het tekort aan Lotto-middelen ten opzichte van het vast deel kan derhalve becijferd worden op 301 duizend. Op 20/9/13 besliste de Vlaamse Regering een maatregel met het oog op de versnelde afbouw van belastbaar Kadastraal Inkomen op materieel en outillage ingevolge nieuwe bedrijfsinvesteringen waarvan de kostprijs 15 miljoen euro extra op jaarbasis bedraagt gedurende 3 jaar dus 45 miljoen euro op kruissnelheid in 2017/2018. Deze meerkost kan echter binnen de bestaande kredieten opgevangen worden. Voor het project kilometerheffing moet vanaf 2015 een jaarlijkse dotatie voorzien worden aan VIAPASS ten belope van 1,3 miljoen euro. Vanaf 2016 moet een jaarlijks te indexeren beschikbaarheidsvergoeding van 73,5 miljoen euro voorzien worden. Daarnaast moet er in 2016 een eenmalige mijlpaalvergoeding betaald worden van (maximaal) 73,5 miljoen euro. Tegenover deze uitgaven staan ook extra inkomsten uit de kilometerheffing die op 455 miljoen euro geraamd worden (exclusief de vermindering van het eurovignet). Vanaf 1 januari 2015 neemt het IVA Vlabel de administratieve dienst van de inning en invordering van de successie- en de registratierechten over van de FOD Financiën. De overname van de dienst van de successierechten en de registratierechten heeft tot gevolg dat de behoefte aan apparaatskredieten (loon en werking) van het IVA Vlabel een opstoot zal vertonen. De benodigde budgetten werden door Vlabel geraamd op 28,1 miljoen euro. Hiertegenover staat dat de bijzondere financieringswet voor de bedoelde overname eveneens een bijkomende toelage voorziet. Deze toelage kan voor begrotingsjaar 2015 op 24,4 miljoen euro geraamd worden, waardoor er in 2015 een tekort is van 3,7 miljoen euro. De nieuwe regelgeving inzake het verstrengde Europees begrotingstoezicht op de lidstaten heeft een belangrijke impact op het begrotingsbeleid, de begrotingsagenda en de rapportering van de Vlaamse overheid en de lokale overheden en vereist derhalve de inzet van bijkomend personeel. Deze behoefte wordt geraamd op 1 niveau A en 1 niveau B voor het departement Financiën en Begroting. In navolging van de door de Vlaamse Regering besliste verdere uitrol van Orafin zal er in 1 extra VTE technische support en een jaarlijkse verhoging van het personeelsbestand van de afdeling systeemexploitatie voorzien moeten worden. De gemiddelde loonkost voor een niveau B wordt geraamd op 38 duizend euro. Ook verwachten we een toename van de licentiekost met 64 duizend euro.


03 / DE UITGAVENBEGROTING

In het kader van de bij de 6de staatshervorming voorziene overdracht van de federale aankoopcomités naar de gemeenschappen en gewesten werd een personeelsoverdracht van 109 VTE tezamen met bijhorende personeelskredieten ten belope van 8,6 miljoen euro voorzien. Er werd echter geen rekening gehouden met de taken die de federale dienst Opmetingen en Waarderingen uitoefenen in opdracht van de federale aankoopcomités. Daar deze dienst niet overkomt dienen voor de uitvoering van deze taken 2 personen per aankoopcomité ter beschikking gesteld wat voor de Vlaamse aankoopcomités 16 medewerkers impliceert of een weddelast van ongeveer 1 miljoen euro. Ook op het vlak van horizontale ondersteuning zoals ICT en managementondersteuning (personeel, boekhouding, logistiek) valt er in de opstartfase een (deels) eenmalige meerkost te verwachten. Ten opzichte van de middelen die overkomen in het kader van de nieuwe BFW wordt de totale meerkost voor de Vlaamse aankoopcomités geraamd op 2 miljoen euro in 2015, 1 miljoen euro in 2016 om dan af te nemen naar recurrent 0,5 miljoen euro vanaf 2018. Ook het budget van het VFLD zal proportioneel moeten stijgen met de “lasten uit het verleden” die mee overkomen met de beleidsmateries in het kader van de 6de staatshervorming. Voor de berekening van de stijging van de uitgaven van het VFLD werd als basis enerzijds het geraamde totaalbudget voor alle bevoegdheden die vanaf 2015 door de 6de staatshervorming aan de Vlaamse overheid zullen worden overgedragen, anderzijds de begroting 2014 van het VFLD in verhouding tot het huidige totaalbudget van de Vlaamse overheid. De berekening leidt op die manier tot een verhoging van de jaarlijkse lasten van het VFLD met 11,5 miljoen euro. Voor de pooling van de verzekeringen wordt gelet op de verwachte stijging van de aangesloten entiteiten een stijging van het makelaarsloon met 100 duizend euro verwacht. Voor de bijkomende begrotingsopvolging inzake de nieuwe bevoegdheden in het kader van de 6de staatshervorming wordt ingeschat dat er 1 extra VTE niveau A ingezet zal moeten worden voor het departement Financiën en Begroting. De 6de staatshervorming zorgt tevens voor een uitbreiding van de Vlaamse fiscale autonomie via de invoering van het model van uitgebreide opcentiemen en via de overdracht van fiscale uitgaven. Voor het departement resulteert dit in bijkomende opdrachten inzake beleidsondersteuning en regelgeving waarvoor 1 extra VTE niveau A ingezet zal moeten worden voor het departement Financiën en Begroting. Ingevolge de uitrol van Vlimpers en Orafin en de 6de staatshervorming dient de huidige personeelsbezetting van de dienst derdengeschillen binnen het departement Financiën en Begroting uitgebreid te worden met 2 bijkomende niveau’s C - 1 in 2015 en 1 in 2018- waarbij we uitgaan van een gemiddelde loonkost voor een niveau C van 33 duizend euro.

3.3.4 Internationaal Vlaanderen

a.

Huidige bevoegdheden

In het kader van het SALK werd er in 2014 een beleidskrediet van 13 miljoen euro voorzien voor vrijetijdseconomie.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

In de periode 2010-2011 werd er door middel van een vooruitschuifoperatie extra machtiging toegekend voor de “inhaalbeweging jeugdverblijfinfrastructuur” voor een totaal bedrag van 18 miljoen euro. In de begrotingsjaren 2012, 2013 en 2014 werd de recurrente machtiging van Toerisme Vlaanderen gradueel verlaagd om deze vooruitschuifoperatie te financieren. Vanaf het begrotingsjaar 2015 zal de vooruitschuifoperatie afgelopen zijn en zal de machtiging terug toenemen met 7,8 miljoen euro. Gelet op de dalende ontvangsten uit de verkoop van overtollige gebouwen, nemen ook de hieraan gekoppelde beleidskredieten in de periode 2015-2017 met 2,1 miljoen euro af.

b.

Aandachtspunten

Onder doelstelling 2.5.1 van Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering het engagement genomen om tussen 2008 en 2020 de bijdrage van Vlaanderen aan ontwikkelingssamenwerking (ODA) te verdubbelen van 48,3 miljoen euro naar 86,8 miljoen euro. Daar de Vlaamse ODA in 2013 56,1 miljoen euro bereikte, rest er nog een te realiseren inspanning van 30,7 miljoen euro in de periode 2014-2020, of gemiddeld 4,38 miljoen euro per jaar (5,12 miljoen per jaar indien er in 2014 geen bijkomend budget meer voorzien wordt). Een deel van deze ODA inspanning zal wellicht gelinkt kunnen worden aan de budgettaire inspanning die van Vlaanderen verwacht wordt teneinde aan de internationale klimaatverplichtingen te voldoen (via ondersteuning van klimaatgerelateerde projecten of programma’s in landen in ontwikkeling). Ingevolge een historische achterstand inzake stortingen in het 2de pijler pensioenfonds van een aantal personeelsleden (uitvloeisel van de 3de staatshervorming) wordt het FIT geconfronteerd met een budgettaire meeruitgave van 300 à 400 duizend euro (de overige helft zal – ingeval van goedkeuring van het dossierbijgepast worden door het VFLD). Ingevolge de overkomende bevoegdheden in het kader van de 6de staatshervorming zal het departement Internationaal Vlaanderen moeten instaan voor bijkomende horizontale opvolging en coördinatie van internationale dossiers. In de budgettaire boordtabellen inzake de 6de staatshervorming worden hier momenteel geen middelen voor voorzien.

3.3.5 Economie, Wetenschap en Innovatie

a.

Huidige bevoegdheden

In het kader van het competitiviteitspact wordt er in 2014 45 miljoen euro, waarvan 25 miljoen euro recurrent, uitgetrokken voor bijkomende investering in onderzoek en ontwikkeling. Binnen ditzelfde competitiviteitspact wordt ook 26 miljoen euro eenmalig voorzien voor uitgaven inzake carbon leakage binnen het Hermesfonds. In 2014 werd eenmalig 4,4 miljoen euro aan bijkomende beleidskredieten voorzien voor innovatie, waarbij het budget komt uit de provisie van 24 miljoen euro zoals in 2013 aangelegd voor het SALK. Voor de implementatie van het decreet integratie binnen het hoger onderwijs wordt er – naast de voorziene middelen vanuit het beleidsdomein Onderwijs en Vorming – vanuit de EWI-begroting een bijkomende bijdrage voorzien van gecumuleerd 13,8 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 t.o.v. begrotingsjaar 2014.


03 / DE UITGAVENBEGROTING

Ten gevolge de verdere ontplooiing van het Vlaams Energiebedrijf, conform het door de Vlaamse Regering goedgekeurde businessplan, groeien de beleidskredieten aan tot 118,8 miljoen euro in 2019. Hiertegenover staan ook ontvangsten ten belope van 122,5 miljoen euro waardoor de impact op het vorderingensaldo positief is.

b.

Nieuwe bevoegdheden

Voor het vergunningsbeleid met betrekking tot handelsvestigingen, de prijzencontrole en de toegang tot het beroep, wordt er in 2015 een budget van 700 duizend euro voorzien. In het kader van de uitgaven voor de inkomenscompensatievergoeding inzake de hinder bij openbare werken wordt er een krediet van 653 duizend euro ingeschreven. Voor het Startersfonds wordt een jaarlijkse toelage van 1,8 miljoen euro uitgetrokken. Deze dient enerzijds voor startersbegeleiding en anderzijds kan deze toelage ook deels aangewend worden ter financiering van het beheer van het Participatiefonds Vlaanderen en eventuele verliezen op verstrekte leningen. Voor de kapitalisatie van het Participatiefonds Vlaanderen zelf wordt voorzien in een totaal budget van 106 miljoen euro (ESR-8), dat in 8 jaarlijkse schijven ter beschikking zal worden gesteld. De activiteiten van het Kefik worden stopgezet en niet geregionaliseerd. Het overgedragen budget van 254 duizend euro wordt evenwel beschikbaar gesteld voor het regionaliseren van de activiteit. Vanaf 2018 wordt er jaarlijks 17,7 miljoen voor interuniversitaire attractiepolen ter beschikking gesteld.

c.

Aandachtspunten

Het Agentschap Ondernemen verwacht een budgettaire meerkost van circa 600 duizend euro wat betreft de uitgaven voor de inkomenscompensatievergoeding inzake hinder bij openbare werken dan zoals voorzien in de budgettaire boordtabel aangaande de 6de staatshervorming. Wat het Participatiefonds Vlaanderen betreft is er begin 2015 een extra kapitaalsverhoging van 10 miljoen euro nodig om alle financiering te kunnen verderzetten. Idem voor 2016. Daarnaast is ook een beheersvergoeding nodig van ongeveer 2 miljoen euro per jaar, indien de continuïteit van de dienstverlening aan dezelfde modaliteiten dient te worden gegarandeerd. Eind 2022 zullen de activa en passiva van het federaal Participatiefonds – dat vanaf juli 2014 als lichte structuur de uitstaande leningen zal afhandelen – verdeeld worden over de gewesten.

3.3.6 Onderwijs en Vorming

a.

Huidige bevoegdheden

De uitgaven voor de lonen in het leerplicht- en volwassenenonderwijs in 2014 worden opnieuw geraamd op basis van het werkelijke aantal leerkrachten in 2013. Dit leidt tot een negatieve bijstelling van de lonen met ongeveer 24 miljoen euro in het technisch herzien budget 2014 en de daaropvolgende jaren. De uitgaven voor de lonen in het leerplichtonderwijs kennen een globale stijging van 268 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van de cijfers begrotingsopmaak 2014. Deze toename valt uiteen in meerdere verklarende elementen:


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

••

•• ••

•• •• ••

Vooreerst geeft de evolutie van de verwachte leerlingenaantallen in het basis- en secundair onderwijs aanleiding tot een toename van de kredieten met 200 miljoen euro. Deze evolutiecijfers van de verwachte leerlingenaantallen zijn aangepast met nieuw bijgestelde elasticiteitscoëfficiënten. Niet alleen is er een blijvende stijging van de leerlingenaantallen in het basisonderwijs te verwachten, maar ook in het secundair onderwijs wordt een kentering in de evolutie van de leerlingenaantallen verwacht. Zo zal vanaf het begrotingsjaar 2017 de verwachte leerlingenevolutie van negatief naar positief tenderen. Dit is ook logisch gegeven de verhoogde doorstroom van leerlingen vanuit het basisonderwijs. In de huidige meerjarenraming wordt een vergrijzingscoëfficiënt van 0,2% gehanteerd waarbij het bijkomend budgettair effect in begrotingsjaar 2019 t.o.v. begrotingsjaar 2014 op 90 miljoen euro wordt geraamd, hetzij een jaarlijkse toename met 18 miljoen euro. De afschaffing van de TBS-maatregel in samenhang met de federale pensioenhervorming laat een daling van de benodigde loonkredieten toe en leidt tot een besparing van 61 miljoen euro in 2019 ten opzichte van 2014. Door de effecten van de federale pensioenhervorming op de vergrijzing, wordt het besparend effect van de afschaffing van de TBS-maatregel in beperkte mate teniet gedaan. Dit vergrijzingseffect neemt doorheen de tijd toe en zit mee verrekend in de verhoogde vergrijzingscoëfficiënt. De afbouw van de overgangsmaatregel voor het decreet basisonderwijs geeft aanleiding tot een daling van de loonkredieten met 1,6 miljoen euro vanaf begrotingsjaar 2016. Ingevolge de 6de staatshervorming en het overkomen van de bevoegdheid inzake gezinsbijslag, zal vanaf nu een werkgeversbijdrage van 1,4% voor statutair- en 7% voor het contractueel onderwijzend personeel aangerekend worden met betrekking tot de gezinsbijslag. Dit heeft een recurrente kost van 6,5 miljoen euro tot gevolg vanaf 2015. Tot slot zal de geldelijke anciënniteit van de zij-instromers in het onderwijs vanaf 1 september 2014 gehonoreerd worden. Hierdoor stijgen de kosten elk jaar met minstens 6 miljoen euro.

De werkingsmiddelen voor het basis- en secundair onderwijs nemen toe met een bedrag van 10 miljoen euro door de leerlingenevolutie in begrotingsjaar 2019 t.o.v. begrotingsjaar 2014. Aangezien er geen elasticiteitscoëfficiënten worden toegepast en er een vertraagd effect is van de leerlingenevolutie op de werkingsmiddelen, is er verhoudingsgewijs een minder uitgesproken effect op evolutie van de kredieten dan bij de loonkredieten Voor de loonkredieten van het personeel van de basiseducatie en het volwassenenonderwijs wordt een jaarlijkse stijging van het lestijdenpakket met respectievelijk 2,59% en 0,8% in rekening gebracht. Dit komt neer op een jaarlijkse cumulatieve toename van de loonkredieten voor de basiseducatie en het volwassenenonderwijs met een bijkomende 5 miljoen euro. De centra voor de basiseducatie zullen bovendien als gevolg van de toename van het lestijdenpakket met 2,59% per schooljaar telkenmaal ongeveer 0,2 miljoen euro aan bijkomende werkingsmiddelen ontvangen. Daarnaast wordt er ook nog binnen het volwassenenonderwijs voor 8 miljoen euro aan bijkomende kredieten voorzien vanaf begrotingsjaar 2015 in het kader van het inburgeringsbeleid via de cursussen Nederlands tweede taal. Met deze 8 miljoen euro komt de in het begrotingsjaar 2014 voorziene opstart van deze versterking op kruissnelheid. Bepaalde projecten lopen ten einde of zijn niet jaarlijks wederkerend op het vlak van benodigde vastlegging. De kredieten voor de overheidsopdracht Klasse worden 2-jaarlijks voorzien waardoor er een verhoging is ten belope van 3,6 miljoen in de even begrotingsjaren. Daarnaast worden de benodigde


03 / DE UITGAVENBEGROTING

vastleggingskredieten voor de 4-jaarlijkse financiële controle voor een bedrag van 1 miljoen euro éénmalig voorzien in 2016. De bij de begrotingsopmaak 2014 eenmalig toegekende investeringskredieten voor de klassieke wachtlijsten infrastructuur (30 miljoen euro) en deze voor capaciteit (50 miljoen euro) worden terug in mindering gebracht van de kredieten vanaf 2015. Dit heeft een daling van de beschikbare beleidskredieten met 80 miljoen euro tot gevolg. Rekening houdende met de actueel gekende evoluties zullen in 2015 het aantal financieringspunten bij de universiteiten, de professionele bachelors en het hoger kunstonderwijs met ten minste 2% zijn gestegen ten opzichte van de huidige referentiepunten. Hierdoor zullen de middelen voor het variabel onderwijsdeel van de professionele bachelors, de universiteiten en het hoger kunstonderwijs met 2% toenemen, wat neerkomt op een stijging met respectievelijk 8,7 miljoen euro, 7,4 miljoen euro en 1,3 miljoen euro. Deze positieve klik zal zich voor het variabel onderwijsdeel van de professionele bachelors en het hoger kunstonderwijs herhalen tot en met 2017, terwijl voor het variabel onderwijsdeel van de universiteiten gedurende de periode 2015-2019 jaarlijks een klik met 2% verwacht wordt. Voor het bepalen van het aantal klikken is geen rekening gehouden met toekomstige evoluties van het aantal financieringspunten. Het mogelijke effect hiervan wordt evenwel als beperkt of niet bestaand beschouwd. Tegelijk met de verhoging van het variabele onderwijsdeel wordt ook voor het variabel onderzoeksdeel van de universiteiten een jaarlijkse stijging van de toelagen met 6,2 miljoen euro verrekend teneinde een verhouding van 45/55 tussen onderzoeksmiddelen en onderwijsmiddelen te behouden. Voor de werkingsmiddelen van de Hogere Zeevaartschool wordt ook jaarlijks een klik verwacht. Hierdoor zullen de kredieten van de Hogere Zeevaartschool jaarlijks met 0,9 miljoen euro toenemen. Naar aanleiding van de TBS-hervorming wordt er gecumuleerd in 2019 nog een besparing van 7 miljoen euro in het hoger onderwijs verwacht. Globaal gezien zullen de werkingsuitkeringen van de universiteiten en de hogescholen tegen begrotingsjaar 2019, als gevolg van deze evoluties, met 98 miljoen euro toenemen ten opzichte van begrotingsjaar 2014. Tenslotte wordt wat de werkingstoelage van de universiteiten en hogescholen betreft de éénmalige vermindering van 12 miljoen euro naar aanleiding van de begrotingsmatige inkanteling van de hogescholen in de universiteiten teruggedraaid. Naast de evolutie in het aantal financieringspunten nemen de kredieten voor het hoger onderwijs ook toe in het licht van het decreet integratie van het hoger onderwijs. De jaarlijkse toename voor de onderwijsbegroting bedraagt jaarlijks tussen de 14,8 en 17,8 miljoen euro, zodat in begrotingsjaar 2019 de voorziene kredieten naar aanleiding van dit decreet 78,3 miljoen euro hoger liggen dan in begrotingsjaar 2014. De middelen voor de aflossingen van het nieuwe centrum voor locomotorische en neurologische revalidatie en uitbreiding van UZ Gent zullen vanaf 2015 binnen onderwijs gecompenseerd moeten worden. Gelet op de verwachte leerlingenevoluties in het basis-, secundair en hoger onderwijs zullen de kredieten voor de studie- en schooltoelagen met 3,3 miljoen euro, exclusief index, toenemen tegen begrotingsjaar 2019 t.o.v. begrotingsjaar 2014.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

b.

Aandachtspunten

Ingevolge de goedkeuring van het finale decreet ODXXIV zijn er onder meer extra middelen noodzakelijk voor de K-diensten ten belope van 664.000 euro. Het betreft het wegwerken van de onderfinanciering van onderwijs op maat voor kinderen in een psychiatrische instelling. Daarnaast dient er ook voor 800 duizend euro extra middelen ter beschikking gesteld te worden voor de vzw Bednet die toelaat aan langdurig zieke kinderen om onderwijs te volgen. Tenslotte zal de aanpassing van de bepalingen omtrent de inschrijvingsgelden en de betalingen van het Deeltijds Kunstonderwijs aanleiding geven tot een minderontvangst van 3 miljoen euro in 2015 die door een stijging van de inkomsten de jaren daarna echter intertemporeel neutraal zal zijn. De budgettaire inpassing van bovenstaande maatregelen dient nog uitgeklaard te worden. Het vanaf 2015 schrappen van de éénmalige kredieten voor de klassieke wachtlijsten infrastructuur (30 miljoen euro) en deze voor capaciteit (50 miljoen euro) die bij de begrotingsopmaak 2014 zijn toegevoegd, wordt als aandachtspunt opgenomen. Ook wordt in voorliggende meerjarenraming uitgegaan van substitutie tussen middelen die momenteel voor het wegwerken van de klassieke wachtlijsten worden ingezet (waarin momenteel 75 miljoen euro is inbegrepen die in het verleden door de Vlaamse Regering is voorzien voor het opvangen van toenemende beschikbaarheidsvergoedingen) door recurrente beschikbaarheidsvergoedingen die betaald dienen te worden in het kader van de het DBFM-project Scholen van Morgen ten belope van een nog te indexeren bedrag op kruissnelheid van 102 miljoen euro. De investeringsruimte van Agion en GO! wordt hierdoor immers sterk beknot. Daarnaast is er ook nog een kost inzake eenmalige beschikbaarheidsvergoedingen waar nog dient uitgemaakt of deze kost ook via substitutie of via extra middelen zal gefinancierd worden. Wat betreft de busbegeleiding voor het leerlingenvervoer zal er een jaarlijkse opstap zijn van om en bij de 0,7 miljoen euro omwille van ritduurverminderingen en leerlingengroei. Het structureel tekort bedraagt 2 miljoen euro en wordt tot op heden weggewerkt via de begrotingsuitvoering. Voor de fietsvergoedingen dient er jaarlijks een opstap van 0,6 miljoen euro voorzien te worden. Het structureel tekort bedraagt ongeveer 5 miljoen euro. Verder dient ook rekening gehouden te worden met een rechterlijke beslissing die stelt dat ook vanaf 2016 het universitair personeel mag genieten van deze voordelen. Het betreft een benodigde stijging van de middelen met ongeveer 3,2 miljoen euro. De middelen voor de aflossingen van het nieuwe centrum voor locomotorische en neurologische revalidatie en uitbreiding van UZ Gent zullen vanaf 2015 binnen onderwijs gecompenseerd moeten worden. Daarnaast blijft er nog één openstaande schijf van 2011 over die nog in de begroting moet voorzien worden.

3.3.7 Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

a.

Huidige bevoegdheden

In begrotingsjaar 2015 wordt een laatste opstap van 0,9 miljoen euro voorzien ter uitvoering van de sectorale maatregelen van het vierde Vlaams Intersectoraal Akkoord voor de social-/ non-profitsectoren (VIA IV). Deze middelen komen in overeenstemming met het akkoord terecht bij de thuiszorg. Binnen de werking van het VIPA wordt ter uitvoering van de bij begrotingsopmaak 2014 toegestane engagementen voor de alternatieve procedure in resp. 7 miljoen euro aan bijkomende beleidskredieten in begrotingsjaar 2015, en een extra 3 miljoen euro in begrotingsjaar 2016, voorzien t.o.v. de reeds bij begrotingsopmaak 2014 voorziene 189,5 miljoen euro.


03 / DE UITGAVENBEGROTING

Wat betreft de klassieke procedure wordt de eenmalige opstap aan beleidskredieten ter waarde van 13 miljoen die toegekend werd bij begrotingsopmaak 2014 terug uit het machtigingskrediet verwijderd vanaf 2015. Vanuit de competitiviteitsprovisie werd in 2014 eenmalig 5 miljoen euro aan de beleidskredieten binnen de klassieke financiering toegekend. Deze 5 miljoen euro wordt vanaf 2015 niet langer toegekend. Voor het Fonds Jongerenwelzijn worden jaarlijks 0,8 miljoen euro extra beleidskredieten voorzien ter ondersteuning van pleegplaatsingen, internaten en preventieve sociale actie. Deze stijgingen leiden dus tot een totale cumulatieve verhoging van de kredieten met 4 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van begrotingsjaar 2014. De extra uitgaven ter ondervanging van het VIA-I akkoord voor het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap worden geraamd op 5,6 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van begrotingsjaar 2014. De toelage aan het Zorgfonds wordt jaarlijks verhoogd. Hierbij wordt – gelet op de stijging in de voorbije jaren - een jaarlijkse stijging van het aantal dossiers in de mantel- en thuiszorg verondersteld met 3,5%. Daarnaast wordt er vanaf 2015 een jaarlijkse verhoging van het aantal bedden in de residentiële zorg met 1.500 verwacht. Voor het begrotingsjaar 2014 wordt eenmalig een stijging met 4.000 bedden verwacht, gelet op de reeds beschikbare cijfers 2014 en gelet op het invoeren van de erkenningskalender en het overdragen van de bevoegdheid vanaf 2015. Deze stijgingen leiden tot een totale cumulatieve verhoging van de toelage met 61 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van het voorlopig voorziene krediet voor het begrotingsjaar 2014. Binnen het Agentschap Zorg en Gezondheid wordt er ruimte voorzien om het urencontingent gezinszorg jaarlijks met 2,5% te laten uitbreiden. Dit betekent een totale cumulatieve verhoging van de kredieten met 70,6 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van begrotingsjaar 2014 ofwel een jaarlijkse opstap van gemiddeld 14,1 miljoen euro. Daarnaast stijgen de kredieten voor het thuis- en ouderenzorgbeleid jaarlijks met 1 miljoen euro omwille van het groeipad animatiewerking in de erkende woonzorgcentra. Tenslotte worden de beleidskredieten voor de bouw van serviceflats afgebouwd aangezien de vastleggingen van de geplande investeringen aflopen. Tussen begrotingsjaar 2014 en begrotingsjaar 2016 dalen de beleidskredieten voor de bouw van serviceflats met 2,3 miljoen euro, waardoor ze in feite volledig vervallen. Ter compensatie van de weddedrift in de verschillende sectoren wordt geraamd dat in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van begrotingsjaar 2014 57,9 miljoen euro meer kredieten zullen benodigd zijn bij het VAPH, Jongerenwelzijn, Kind en Gezin en de Centra Algemeen Welzijnswerk. Voor 2014 werd 2,6 miljoen euro beleidskrediet voorzien vanuit het SALK ter bestrijding van de kinderarmoede en 465 duizend euro voor gezonde voeding. Ook de toelage aan Kind en Gezin wordt in 2014 en 2015 vanuit het SALK met 0,9 miljoen euro verhoogd ter financiering van het project Kind en Taal. Tegelijk werd vanuit de competitiviteitsprovisie recurrent 4 miljoen euro voorzien ter ondersteuning van de zelfstandige kinderopvang.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

b.

Nieuwe bevoegdheden

Door de 6de staatshervorming wordt een stijging van de uitgaven van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin geraamd met 6,4 miljard euro in 2015 en 7 miljard euro in 2016. Daarbovenop wordt in 2017, 2018 en 2019 een stijging bovenop deze uitgaven geraamd van respectievelijk 93 miljoen euro, 91,5 miljoen euro en 102,8 miljoen euro. In de tabel in bijlage II wordt een opdeling gemaakt van de geraamde uitgaven per bevoegdheid. Hieronder worden kort de grootste budgetten besproken. De grootste overgedragen bevoegdheid betreft de gezinsbijslag. De kost hiervan wordt voor 2015 geraamd op 3,6 miljard euro. Deze raming werd aangeleverd door de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers. Bij ongewijzigd beleid wordt in 2019 een kost geraamd van 3,73 miljard euro, wat een jaarlijkse gemiddelde stijging van 27,5 miljoen euro inhoudt. Ter berekening van deze stijging werd de evolutie van het aantal 0 tot 18-jarigen als proxy gehanteerd. De overgedragen bevoegdheid betreffende de residentiële ouderenzorg veroorzaakt een stijging van de geraamde beleidsuitgaven met 1,81 miljard euro in 2015. Deze raming is gebaseerd op een PxQ analyse waarbij de prijs per gefactureerde dag ‘ROB’ voor 2015 geraamd werd op 40,5 euro voor 34.128 plaatsen en de prijs van een gefactureerde dag ‘RVT’ op 60,75 euro voor 43.471 plaatsen. Rekening houdende met een bezettingsgraad van resp. 99% en 93% komen we aldus aan een raming van 1,43 miljard euro. Daarnaast zijn er ook nog diverse andere kosten, waarvan de belangrijkste bestaan uit de uitvoering sociaal akkoord ten belope van 336 miljoen euro en de subsidiëring van de dagverzorgingscentra voor 30 miljoen euro. Jaarlijks wordt een stijging met een 30-tal miljoen euro geraamd voor deze uitgaven, waardoor in 2019 een kost van 1.935 miljoen euro geraamd wordt. Deze stijgende kost wordt in de eerste plaats gestuurd door de groei van het aantal erkende en gesubsidieerde bedden in de Rustoorden voor Bejaarden (ROB). Vanaf 2015 wordt een jaarlijkse groei van 1.500 bedden geraamd (cfr. Zorgfonds). Wat betreft de financiering van de ziekenhuisinfrastructuur komt de budgettaire bevoegdheid pas in 2016 bij de deelstaten te liggen. In 2016 wordt de uitgave hiervoor op 554 miljoen euro geraamd, oplopend tot 663 miljoen euro in 2019. De belangrijkste reden voor de toename van deze kosten bestaat uit de momenteel nog federale tegemoetkoming in de projecten waarvoor het VIPA nu reeds een principieel akkoord verleende, maar waarvan de federale tegemoetkoming nog niet in werking is getreden. Daarnaast is er ook een effect van subsidiëring van projecten die momenteel louter door de federale overheid worden gesubsidieerd. Het gaat hier dan specifiek om investeringen in onroerende goederen, herconditioneringswerken, duurzame ontwikkeling en groot onderhoud die in gebruik genomen worden in de loop van komende legislatuur. Een andere grote uitgavenpost betreft de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden. De kost van deze overgedragen bevoegdheid wordt geraamd op 378 miljoen euro in 2015. Voorlopig wordt een stijgingspercentage van 0,4% meegenomen wat een totale geraamde kost creëert van 384 miljoen euro in 2019.

c.

Aandachtspunten

Wat het vastleggingskrediet van de klassieke financiering betreft, wenst het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden aangelegenheden (VIPA) de 13 miljoen euro die in 2015 werd verminderd in de voorziene kredieten te behouden, gezien de stijgende behoeften in de verschillende sectoren van de klassieke financiering. Het huidig vastleggingskrediet inclusief deze 13 miljoen euro is momenteel reeds ontoereikend om de ingediende dossiers te kunnen honoreren. Tegelijk merkt het VIPA op dat er geen middelen worden voorzien in de alternatieve financiering om nieuwe principieel akkoorden te verlenen.


03 / DE UITGAVENBEGROTING

Het Agentschap Zorg en Gezondheid signaleert dat wat de beleidskredieten voor het Zorgfonds voor 2015 en 2016 betreft, de stijging met 1.500 bedden in de residentiële ouderenzorg een onderraming is. Men verwacht een hogere stijging van het aantal bedden gelet op de te verwachten overgangsperiode bij het invoeren van de erkenningskalender vanaf 2015. Het Agentschap Zorg en Gezondheid merkt op dat in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers wordt vermeld dat jaarlijks het extra aantal te subsidiëren uren gezinszorg minstens 4% bedraagt van het totaal aantal subsidiabele uren van het voorafgaande jaar. In de huidige meerjarenraming wordt slechts een jaarlijkse groei van 2,5% afgesproken. Kind en Gezin merkt op dat in de kinderopvang een financieringskloof ontstaat doordat de ouderbijdragen minder stijgen dan de tussenkomst in de kost via subsidie-uitgaven. De ouderbijdragen stegen de laatste vijf jaren jaarlijks 1,84% minder dan de subsidie-uitgaven. Dit creëert jaarlijks een kloof van 1.638 duizend euro. Daarnaast merkt Kind en Gezin op dat de meerkost die ontstaat door de leeftijdsstijgingen van het personeel in de kinderopvang (trap twee-subsidiëring) in de huidige meerjarenraming niet opgenomen is. Voorlopig vormt dit een beperkte meeruitgave van jaarlijks 96 duizend euro. Het Agentschap Zorg en Gezondheid geeft aan dat - net zoals wat de beleidskredieten voor het Zorgfonds betreft - de stijging van het aantal bedden in de residentiële ouderenzorg in de hierboven besproken raming te laag ingeschat is. Men verwacht een hogere stijging van het aantal bedden gelet op de te verwachten overgangsperiode bij het invoeren van de erkenningskalender vanaf 2015. Gedurende deze overgangsperiode in de jaren 2015 en 2016 zou het volgens het Agentschap politiek niet haalbaar zijn om de erkenning van reeds gebouwde capaciteit uit te stellen of te vragen reeds afgesloten contracten met aannemers aan te passen. Men verwacht tevens dat de woonzorgcentra tegen eind 2014 nog meer plaatsen zullen realiseren dan in voorliggende oefening meegenomen om de erkenningskalender met ingang van 1 januari 2015 te vermijden. Het agentschap Zorg en Gezondheid merkt op dat de raming van de prijs per gefactureerde dag ‘ROB’ en ‘RVT’ zoals in voorliggende raming gehanteerd, mogelijks onderraamd is, gelet op het feit dat deze afgeleid is op basis van een totale kostprijs in het jaar 2012 enerzijds en het aantal beschikbare plaatsen in 2014 anderzijds. De toename van het aantal plaatsen diende volgens het Agentschap Zorg en Gezondheid nog gecorrigeerd te worden in de berekening van de prijs per gefactureerde dag. Een onderraming van de gemiddelde prijs voor ‘ROB’ en ‘RVT’ samen met 1 euro, betekent alvast een budgettair effect van 27 miljoen euro, wat de sensitiviteit van deze raming benadrukt. De kosten voor de bevoegdheid ziekenhuisinfrastructuur zijn volgens VIPA te laag ingeschat. VIPA wijst hiervoor op het gemiddeld stijgingspercentage van de laatste 10 jaar ten belope van 9,5%. In de voorliggende meerjarenraming wordt slechts rekening gehouden met een gemiddeld stijgingspercentage van 8%. VIPA wijst er verder op dat het stijgingspercentage bij constant beleid de volgende jaren nog hoger zal zijn dan in het verleden het geval was, aangezien er veel grote bouwkalenderprojecten, cfr. reeds door het VIPA toegekende principiële akkoorden, in gebruik zullen worden genomen. Daarnaast merkt VIPA op dat nog een aantal andere veronderstellingen die aan de basis van deze raming liggen, voor een onderraming van de totale kost zorgen. VIPA verwijst naar de verwachtingen betreffende aflopende afschrijvingen en de nog onbekende werkelijke kosten van de investeringen gerealiseerd tussen 2006 en 2013. Tegelijk is in deze


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

raming ook uitgegaan van het bevriezen van de principiële akkoorden in de alternatieve VIPA-financiering. Tenslotte zijn de huidige cijfers wat betreft de investeringen 2014 waarop de raming is gebaseerd een onderschatting, aangezien men zich baseert op een bevraging georganiseerd in de sector waarop slechts ongeveer 85% van de ziekenhuizen heeft gereageerd. Wat betreft de bevoegdheid Justitiehuizen is een personeelstoename waarschijnlijk onvermijdelijk gezien de evolutie van het aantal dossiers en anderzijds de nieuwe wetgeving die in de loop van 2014 wordt geïmplementeerd. Het departement WVG geeft aan dat voor deze bevoegdheid minstens 45 VTE (niveau B) meer moeten worden ingezet dan dat er in de huidige raming voorzien is.

3.3.8 Cultuur, Jeugd, Sport en Media

a.

Huidige bevoegdheden

De kredieten van het FoCI werden in mei 2014 eenmalig verhoogd met ruim 6,1 miljoen euro via een herverdelingsbesluit. Deze verhoging komt bovenop de bij begrotingsopmaak 2014 reeds doorgevoerde eenmalige verhoging van 31,3 miljoen euro voor het vastleggen van de 2de fase van de renovatie van het KMSKA. Het eenmalig krediet van 37,4 miljoen euro wordt vanaf 2015 weer in mindering gebracht van de kredieten. Ter compensatie van de bijkomende eenmalige verhoging van 6,1 miljoen euro, wordt ditzelfde bedrag over twee jaar gespreid in de periode 2015 en 2016 afgehouden van de investeringsmachtiging van het FoCI. Verder loopt in begrotingsjaar 2015 ook de 5-jarige periode af waarin jaarlijks 4 miljoen euro compensatie vanuit de FOCI-machtiging wordt geboden voor de volledige vastlegging van het project Waalse Krook in 2010, waardoor de beleidskredieten vanaf 2015 met 4 miljoen euro toenemen. Voor de subsidies binnen het sportinfrastructuurplan voor projecten gefinancierd via PPS wordt in voorliggende meerjarenraming uitgegaan van een toename van deze subsidies tot jaarlijks 8,5 miljoen euro in begrotingsjaar 2019. In begrotingsjaar 2016 wordt 0,4 miljoen euro ingeschreven voor de deelname van de Vlaamse topsporters aan de Olympische Spelen in Rio de Janeiro. Met betrekking tot de VRT-begroting heeft de knipperlichtprocedure voor de boekjaren 2012 en 2013 tot gevolg dat de beleidskredieten in 2014 naar beneden bijgesteld worden ten bedrage van 2,3 miljoen euro. Vanaf 2015 wordt blijvend abstractie gemaakt van de toelage voor de knipperlichtprocedure. Daarnaast wordt er vanaf 2015 een geleidelijke afbouw van de intering op het saldo meegenomen, wat tegen 2019 neerkomt op een verlaging van de voorziene beleidskredieten met 5,0 miljoen euro. De voorziene intering op het saldo weerspiegelt de evolutie van de herstructureringskosten. Vervolgens wordt de vergrijzingskost 2014 van de statutaire VRT personeelsleden gecumuleerd doorgetrokken over de periode 2015-2019. De bedoelde kost is een jaarlijkse minderkost door het effect van de uitstroom aan personeelsleden. De impact hiervan op de beleidskredieten is negatief en bedraagt 1,3 miljoen euro in 2019.


03 / DE UITGAVENBEGROTING

De veronderstelde evolutie van de eigen ontvangsten heeft een toenemend positief effect op de beleidskredieten. In 2019 wordt het bedoelde effect op 15,5 miljoen euro geraamd. De raming van de pensioenuitgaven van het pensioenfinancieringsorganisme van de VRT (vanaf 2015 gedragen door het departement CJSM) is gebeurd op basis van het actuarieel rapport van oktober 2013 dat een prognose bevat van de bedoelde pensioenuitgaven vertrekkende van de tot 2013 opgebouwde pensioenrechten. T.o.v. de begroting 2014 stijgen de pensioenuitgaven in 2019 met 14,4 miljoen euro naar 71,5 miljoen euro.

b.

Aandachtspunten

Aandacht dient geschonken te worden aan de benodigde middelen voor het honoreren van de decreten waarbij de bevolkingsgroei / stijgend inwonersaantal bij lokale besturen een aangroei aan middelen vereist. Hoewel binnen deze decreten steeds bepaald wordt dat ze ‘uitvoerbaar zijn binnen de beschikbare kredieten van de goedgekeurde begroting’ komt de geloofwaardigheid van dergelijke decreten immers in het gedrang wanneer wel bepaalde decretale eisen gesteld worden, maar deze niet worden omgezet in het volledig honoreren van de opgenomen budgettaire engagementen. De verwachte meerkost omtrent het decreet lokaal sportbeleid beperkt zicht tot zo’n 250 duizend euro per jaar ten gevolge van het stijgend inwonersaantal als kostendrijver. De budgettaire impact omtrent het decreet lokaalcultuurbeleid is groter. Hierbij dient opgemerkt dat het inwonersaantal niet langer als subsidieparameter geldt, wel dient het (stijgend) aantal deelnemende gemeenten in rekening gebracht. Naast een historisch tekort (tussen 2009 en 2013 sloten heel wat gemeenten zich aan, maar werden hiervoor geen middelen toegekend) van 3 miljoen euro, is voor de nieuwe aanvragen van 2014 bijkomend een bedrag van 2,5 miljoen euro nodig. Daarna zouden pas in 2019 nieuwe gemeenten kunnen aansluiten, hetgeen bij 100% deelname van de gemeenten nogmaals tot een bijkomende meerkost van 2,5 miljoen euro zou leiden. In totaal zou voor de komende legislatuur dus een bijkomend bedrag van 3, resp. 2,5 ofwel 5,5 miljoen euro samen kunnen volstaan om een volledige uitvoering van het decreet te garanderen. Betreffende de convenants zoals afgesloten tussen de gemeenten en het agentschap Kunsten en Erfgoed naar aanleiding van het cultureel erfgoeddecreet bedraagt het tekort in 2014 ongeveer 380 duizend euro. Met betrekking tot de VRT-begroting wordt er abstractie gemaakt van de toelage ter compensatie van de vergrijzingskost voor contractuele personeelsleden, gelet op het feit dat het betrokken personeel niet onderworpen is aan de besparing op koppen zoals doorgevoerd bij de Vlaamse administratie. Bedoelde vergrijzingskost wordt voor het begrotingsjaar 2014 op 1,6 miljoen euro geraamd. Ook na 2014 manifesteert er zich een jaarlijkse meerkost voor de vergrijzing van de contractuele personeelsleden. Er mag van uitgegaan worden dat de bedoelde meerkost afneemt naar 2019 toe. Eind 2019 plant de VRT de aangekondigde nieuwbouw in gebruik te nemen. De kosten van de nieuwbouw zullen – minstens gedeeltelijk – gefinancierd worden met de opbrengst van de verkoop van onroerende goederen. De ESR impact van de verkoop van de onroerende goederen en de nieuwbouw werden in de voorliggende meerjarenraming niet in rekening gebracht.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

De raming van de pensioenuitgaven van de statutaire VRT personeelsleden is gebaseerd op het actuarieel rapport van oktober 2013. Het bedoelde rapport bevat een prognose van de pensioenuitgaven vertrekkende van de tot 2013 opgebouwde pensioenrechten. De pensioenrechten die na 2013 nog opgebouwd zullen worden, zijn niet in de prognose verwerkt.

3.3.9 Werk en Sociale Economie

a.

Huidige bevoegdheden

In het kader van het competitiviteitspact en de nieuwe bevoegdheden die vanaf 1 juli 2014 overkomen heeft de Vlaamse Regering zich geëngageerd om met ingang van het laatste kwartaal van 2014 recurrent op jaarbasis 125 miljoen euro in te zetten voor een lastenverlaging. De Vlaamse Regering zal met de sociale partners overleggen over de meest geschikte manier waarop deze bijkomende lastenverlaging ingezet kan worden inzonderheid voor de jongere werknemers (- 30 jaar) als de oudere werknemers (+55 jaar). Voor het verder ontwikkelen van werkinlevingscontracten wordt er 5 miljoen euro vanaf 2015 uitgetrokken. Daar de nieuwe generatie sectorconvenants opnieuw een looptijd kennen van 2 jaar wordt enkel in de oneven jaren een vastleggingskrediet van 12,8 miljoen euro ingeschreven. De kredieten voor de landingsbanen blijven constant. Hierachter gaan echter 2 tegengestelde bewegingen schuil die elkaar opheffen. Enerzijds zijn er jaarlijks minder instappers als gevolg van de verhoging van de instapleeftijd naar 55 jaar en anderzijds zijn er ook jaarlijks minder uitstappers door de graduele verhoging van de pensioenleeftijd.

b.

Nieuwe bevoegdheden

In uitvoering van de 6de staatshervorming worden er bevoegdheden inzake werk, die hoofdzakelijk onder het actief arbeidsmarktbeleid vallen, overgedragen ten belope van 2,5 miljard euro in 2015. De grootste budgettaire uitdaging voor wat betreft deze overgedragen bevoegdheden ‘Werk’ in het kader van de 6de staatshervorming situeert zich bij het dienstenchequesysteem. Het succes van het systeem laat zich optekenen in de evolutie van het aantal gebruikers. In 2012 telde het dienstencheque-systeem 895.265 actieve gebruikers of een stijging met 8% t.o.v. 2011. In 2013 waren er reeds 951.525 actieve gebruikers of opnieuw een stijging met 7%, dit niettegenstaande de verhoging van de aankoopprijs voor de gebruiker van 7,5 euro naar 8,5 euro per cheque. De meest recente cijfers over de evolutie van het aantal gebruikers tonen dat de trend nog steeds opwaarts is en dat de markt meer dan 8 jaar na de invoering van het systeem nog niet verzadigd is. Voornoemde prijsverhoging voor de gebruiker in 2013 kwam in mindering van de RVA-tussenkomst per cheque die dus in 2013 daalde van 14,54 euro naar 13,54 euro per cheque, of een daling van de financiële tegemoetkoming van 6,88% per cheque. De totale financiële tegemoetkoming van de RVA voor het dienstenchequesysteem bedroeg in 2012 1.607 miljoen euro en wordt voor 2013 geraamd op 1.630 miljoen euro. Niettegenstaande de subsidiedaling in 2013 was er dus nog altijd een nominale stijging van de totale kostprijs met 1,4%. De subsidiedaling in 2013 heeft dus hoogstens de stijging van het aantal gebruikers kunnen compenseren. Ook voor het jaar 2014 verwacht de RVA een stijging van het benodigd budget naar 1.662 miljoen euro (waarvan 1,018 miljoen euro voor het Vlaams Gewest) of een stijging met 1,97% ten opzichte van 2013.


03 / DE UITGAVENBEGROTING

Ook hier zal de daling van de RVA-tussenkomst per cheque van 13,54 euro naar 13,04 euro, of een daling van de financiële tegemoetkoming van 3,69% naar aanleiding van de prijsverhoging voor de gebruikers van 8,5 euro naar 9 euro, de geraamde stijging van het aantal gebruikers met 7% en de geraamde daling van het aantal aangekochte cheques per gebruiker met 1% niet kunnen compenseren. Voor de ramingen in meerjarig perspectief gaan we ervan uit dat de groei van het aantal gebruikers jaarlijks met 1% - punt afneemt tot 2% in 2019. We gaan er tevens van uit dat ook het aantal aangekochte cheques per gebruiker verder daalt met 1% per jaar en dat de overheidstussenkomst per cheque constant blijft. Dit resulteert in een stijging van de kredietbehoefte van 5% in 2015 die jaarlijks afneemt met 1% -punt tot 1% stijging in 2019. Voor de kostprijs van de fiscale uitgaven van de dienstencheques vertrekken we vanuit de federale prognose voor 2015, nl. 216,6 miljoen euro, en passen vanaf 2016 hierop voornoemde voorspelling inzake groei van het aantal aangekochte cheques per gebruiker toe. Dit resulteert in een kredietbehoefte van 239 miljoen euro in 2019 (uitgedrukt in prijzen 2015). De bedragen worden jaarlijks aangepast uitgaande van een indexatie van de fiscale grensbedragen. Voor de RVA-tegemoetkoming in het kader van het doelgroepenbeleid werden de cijfers uit de door federaal beschikbaar gestelde boordtabel opwaarts bijgesteld in functie van de meest recente parameters (inzonderheid de evolutie van het aantal oudere werklozen ) die in de aangepaste begroting 2014 van de RVA zijn verwerkt.

c.

Aandachtspunten

Over de volledige looptijd van het nieuw Operationeel Programma (dus tot 2020) zou er ondanks het lager Europees co-financieringspercentage slechts circa 16 miljoen méér Vlaamse cofinanciering ingezet moeten worden. Dit is het gevolg van het feit dat er tevens minder Europese ESF-middelen beschikbaar zijn gesteld. De globale meerkost voor het Operationeel Programma blijft wellicht beperkt tijdens komende legislatuur. Onder voorbehoud van wat nog in het Vlaams afsprakenkader dient uitgelijnd en in de veronderstelling dat de VDAB haar ESF actievoering zowel in actor als regierol op peil houdt dient evenwel vanaf 2016 jaarlijks 15 miljoen meer toelage aan de VDAB voorzien te worden, omwille van een dalend volume aan beschikbaar gestelde Europese middelen en een lager Europees co-financieringspercentage hierbij (van 45 naar 40%).

3.3.10 Landbouw en Visserij

a.

Huidige bevoegdheden

Voor landbouw wordt er in 2014 een eenmalig bedrag van 4 miljoen euro voorzien uit de SALK-provisie.

b.

Nieuwe bevoegdheden

De beleidskredieten stijgen met 12 miljoen euro ten gevolge van de overdracht van de bevoegdheden van het landbouwrampenfonds, het BIRB en dierenwelzijn.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

c.

Aandachtspunten

Voor het VLIF zijn er inzake PDPO-uitgaven nog enkele jaren kredieten nodig voor steun die toegekend werd de afgelopen jaren volgens het open end-systeem en dossiers die nog beslist moeten worden en ingediend tot einde van dit jaar. De EU-middelen 2007-2013 (PDPO II-periode), via een cofinanciering van 30%, waren onvoldoende voor alle uitbetalingen zodat er reeds in 2013 moest worden overgeschakeld op 100% Vlaamse staatssteunbetalingen. Aangezien PDPO III-middelen maar kunnen aangewend worden tot en met 2015 voor dossiers en lasten uit het verleden (aflopende PDPO II-periode), kan voorzichtigheidshalve gesteld worden dat vanaf 2016 minimaal 51,5 miljoen euro nodig zal zijn voor vastleggingen ten gevolge van het open end-systeem tegen het einde van de programmaperiode (2020). Ten gevolge van de nieuwe GLB-verplichtingen dient in 2015 een bedrag van 2,9 miljoen euro extra voorzien te worden voor bijkomende ICT-ondersteuning. Op lange termijn (in casu vanaf 2016) dient een oplossing gevonden te worden voor het structurele tekort van 650 duizend euro op jaarbasis aan recurrent beschikbaar krediet. Het structurele tekort is voornamelijk een gevolg van de niet-indexering van de GBCSkredieten de laatste jaren en heeft dus tot gevolg dat er geen financiering is voor de provisie van 1.000 mensdagen die voorzien wordt voor het onderhoud van en bijwerkingen aan de GBCS-toepassingen, ontwikkeld in kader van het nieuwe GLB. Bij niet-indexering in 2015 en 2016 loopt dit op tot 750 duizend euro en meer. Vanaf eind 2016 zullen er bovendien ook vernieuwde contracten voor de externe informatici in werking treden en zullen er bijgevolg nieuwe, geïndexeerde dagtarieven gelden. Ten gevolge van de 6de staatshervorming, komen de bevoegdheden van het BIRB over naar de gewesten. Door deze overgang zouden er 87,5 VTE overkomen naar het Vlaamse Gewest, vooral van het niveau C en D. Hier zou, gelet op de actueel beperkte werklast bij het BIRB, eventueel een afbouwscenario voor uitgewerkt kunnen worden. Er dient wel rekening gehouden te worden met het feit dat er sowieso nog personeel nodig is voor douanecertificaten, eventuele opslagdossiers en bijvoorbeeld landbouwrampen. Ook de bevoegdheid dierenwelzijn komt ten gevolge van de 6de staatshervorming over naar de gewesten. Hierbij kan er nog een significant budgettair effect inzake geschillen ontstaan.

3.3.11 Leefmilieu, Natuur en Energie

a.

Huidige bevoegdheden

Ingevolge het competitiviteitspact wordt er in 2014 eenmalig voor 17,5 miljoen euro aan extra kredieten voorzien voor investeringen in riolering via subsidies aan de gemeenten enerzijds en om een aantal hangende dossiers inzake de bodemsanering van brownfields te realiseren anderzijds. Naast het wegvallen van de eenmalige extra middelen uit het competitiviteitspact, dalen de subsidies voor de uitbouw van het gemeentelijk rioleringsnetwerk in 2015 nog eens met een extra 10 miljoen euro ten opzichte van 2014 ten gevolge van het wegvallen van de bij begrotingsopmaak 2014 eenmalig voorziene investeringskredieten. De eenmalige verlaging van de toelage aan de drinkwatermaatschappijen door het optimaliseren van het subsidiëringsritme wordt in begrotingsjaar 2015 teruggedraaid, wat aanleiding geeft tot een verhoging van de subsidie aan de drinkwatermaatschappijen ten belope van 82 miljoen euro.


03 / DE UITGAVENBEGROTING

Ten opzichte van de begrotingsopmaak 2014 dalen de uitgaven inzake de subsidiëring van de drinkwatermaatschappijen naar aanleiding van de Aquafinfactuur met 20 miljoen euro bij de begrotingsherziening 2014. Dit is te wijten aan het feit dat er een omschakeling is van een heffing door VMM naar een facturatie aan bedrijven door de drinkwatermaatschappijen in het kader van de eigen waterwinning door bedrijven, waardoor de drinkwatermaatschappijen een extra ontvangst van 14 miljoen euro hebben. Daarbovenop wordt hierdoor ook een 100%-BTW-recuperatie door de drinkwatermaatschappijen op de Aquafinfactuur mogelijk gemaakt, waardoor de niet-recupereerbare BTW verlaagt van 12 miljoen euro naar 0 euro. De factuur van Aquafin ten aanzien van de drinkwatermaatschappijen verhoogt evenwel met 7 miljoen euro omwille van het wegvallen van de inkomsten van Aquafin uit de facturatie richting industrie. Vanaf 2015 daalt de onderliggende subsidiëring van de drinkwatermaatschappijen in het kader van de Aquafinfactuur t.o.v. de begrotingsopmaak 2014 met 5,7 miljoen euro in begrotingsjaar 2015. Vanaf 2016 is er een stijging van de subsidiëring t.o.v. de begrotingsopmaak 2014 die oploopt tot 33,6 miljoen euro in het begrotingsjaar 2019. De facturatie vanuit Aquafin aan de drinkwatermaatschappijen houdt rekening met een constant opleveringsvolume qua investeringen van 160 miljoen euro per jaar, indexatie volgens de in voorliggende nota voorziene parameters, een jaarlijkse endogene groei van 1,62%, een jaarlijkse efficiëntiewinst van 1,5% en een jaarlijkse stijging van 2% van het aantal patrimoniumeenheden en de eenheden vuilvracht. De bovengemeentelijke bijdragen die door de drinkwatermaatschappijen worden geïnd en in mindering gebracht van de subsidiëring worden vanaf 2014 bijgesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met een indexatie van 1,5%, een verbruiksdaling van 1% voor de gezinnen (kleinverbruikers) en een vuilvrachtdaling van 2% voor bedrijven (grootverbruikers) In begrotingsjaar 2016 worden de 5-jaarlijkse beheersovereenkomsten met landbouwers hernieuwd wat tot een stijging van de beleidskredieten met 31,7 miljoen euro leidt. Wat het Grindfonds betreft, zal het saldo conform de politieke afspraken afgebouwd worden, wat resulteert in een daling van de beleidskredieten tot 1,9 miljoen euro in 2019 ten opzichte van de begrotingsopmaak in 2014. De uitgaven van het Klimaatfonds evolueren van 32 miljoen euro in 2014 naar 57,6 miljoen euro in 2019 in overeenstemming met de opgenomen ontvangsten. Met deze inkomsten zullen voornamelijk maatregelen rond intern klimaatbeleid en steun voor bedrijven voor het vermijden van indirecte carbon leakage gefinancierd worden. Het beschikbare saldo binnen de grondenbanken zal eind 2014 ongeveer 27 miljoen euro bedragen. De intering op het over te dragen saldo wordt in voorliggende raming stelselmatig afgebouwd met telkenmale een extra 500 duizend euro per jaar. Door deze werkwijze wordt het saldo van de grondenbanken verder afgebouwd tot een niveau waarbij het bedrag van de verkoop van de Mérodebossen ten belope van 21,7 miljoen euro niet wordt aangewend. De stelselmatige afbouw van de intering uit zich in een jaarlijkse daling van de beleidskredieten met 500 duizend euro.

b.

Nieuwe bevoegdheden

De uitgaven stijgen met 29,5 miljoen euro ten gevolge van de 6de staatshervorming, die de overdracht van de bevoegdheden van het FRGE, de doorvoer van afvalstoffen en fiscale uitgaven inzake energiebesparende maatregelen en passiefhuizen met zich meebrengt.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

c.

Aandachtspunten

Aangezien Aquafin NV nu al bijna 25 jaar de waterzuiveringsinfrastructuur in Vlaanderen exploiteert, wordt deze infrastructuur ouder en dient er gerenoveerd te worden. Anderzijds is er nog steeds nood aan verdere uitbouw van de infrastructuur in het kader van de Kaderrichtlijn Water, terwijl de beschikbare middelen beperkt zijn. Deze nood situeert zich momenteel evenwel meer bij de gemeentelijke- dan bij de bij de bovengemeentelijke infrastructuur. Dit betekent dat er een keuze zal dienen gemaakt te worden tussen twee opties. De eerste optie gaat uit van het verhogen van de jaarlijkse portefeuille aan projecten die door Aquafin dient opgeleverd te worden. De nv Aquafin stelde een eerste raming op waaruit een stijging van het jaarlijkse opleveringsvolume van 150 tot 195 miljoen euro (exclusief de gerelateerde kosten en vrij van indexatie) blijkt. Deze investeringen – samen met de financierings– en werkingskosten - geven aanleiding tot een factuur aan de drinkwatermaatschappijen die stijgt van 430 miljoen euro in 2014 tot 580 miljoen euro in 2025. Andere optie is om een deel van het huidig budget voor de uitbouw van de infrastructuur om te zetten in renovatiebudget, waardoor er blijvend binnen de in voorliggende meerjarenraming voorziene budgetten kan gewerkt worden. Ten gevolge van PDPO III wordt het pakket ‘beheerovereenkomst water’ grondig gewijzigd. Hierdoor stelt men voor om de klassieke 5-jaarlijkse piek aan vastleggingen te vervangen door een benodigd jaarlijks budget van ongeveer 10 miljoen euro voorzien in plaats van de huidig beschikbaar gestelde 6,9 miljoen euro, zoals opgenomen in voorliggende meerjarenraming. VLM stelt voor om deze verhoging van het jaarlijkse budget met ongeveer 3,7 miljoen euro budgettair te compenseren door het uitsmeren van de beschikbare piek in vastleggingskredieten. De Vlaamse Regering nam tijdens de bijzondere vergadering van 23 april 2014 een beslissing inzake de instandhoudingsdoelstellingen, of kortweg ‘IHD’ en Programmatische Aanpak Stikstof, kortweg ‘PAS’. Het opstellen van een meerjarenbegroting voor de periode 2014-2020 voor beide beleidsaspecten is echter een zeer moeilijke oefening, gelet op het grote aantal onbekende factoren in het BVR, het grote aantal betrokken partijen en de zeer geringe tijd die gegeven werd om deze raming te finaliseren (tegen 15 mei 2014). De meerkosten van beide projecten (IHD en PAS) zijn bovendien sterk verweven, zodat binnen het opgegeven tijdsbestek het uitsplitsen van deze meerkosten over beide deelprojecten, en over de VPASperiode (voorlopige komende opstartperiode) en DPAS-periode (definitieve periode op kruissnelheid) niet mogelijk was. De globale budgetraming die voor de combinatie van IHD en PAS opgesteld werd voor de regeerperiode 2014-2019 becijferde de meerkosten gerelateerd aan de regeringsbeslissing van 23 april 2014 op 214 miljoen euro, of een gemiddeld bijkomend budget van circa 43 miljoen euro per jaar. Een belangrijke opmerking hierbij is dat hierbij de kosten voor inrichting leefgebieden en de kosten voor herstel milieucondities nog niet becijferd konden worden, en dat de kosten niet zomaar lineair uit te smeren zijn over deze jaren. Betreffende het Klimaatfonds wordt het bedrag dat jaarlijks aan Internal Carbon Leakage zal gespendeerd worden, geraamd op 45 miljoen euro. Gelet op het begrotingsakkoord dat ESR neutraliteit vereist inzake het klimaatfonds zullen in de praktijk de uitgaven voor Internal Carbon Leakage door het Hermesfonds ge(pre)financierd moeten worden. Immers, de ESR-inkomsten gebaseerd op de aan België toegewezen veilinginkomsten zullen de ESR-uitgaven binnen het klimaatfonds die gepaard gaan met het financieren van Internal Carbon Leakage naar alle waarschijnlijkheid in de eerstvolgende jaren niet dekken.


03 / DE UITGAVENBEGROTING

Gelet op de extra aanvragen inzake de Vlabotex-regelgeving, zou vanaf 2015 het bedrag van 803 duizend euro in de begroting van OVAM met ongeveer 600 duizend euro dienen te verhogen, teneinde de voorziene subsidies effectief volledig te kunnen betalen. Ten gevolge van de 6de staatshervorming krijgt het VREG een bevoegdheid bij, namelijk nazicht van het distributietarief, waarbij de kost 1,2 miljoen euro is en er geen budget overkomt.

3.3.12 Mobiliteit en Openbare Werken

a.

Huidige bevoegdheden

De kredieten, ten belope van 10 miljoen euro, voor de jaarlijkse co- en prefinanciering van de NMBS in het kader van de werken aan de stationsomgeving Mechelen worden, na het niet benodigd zijn hiervan in 2014, 2015 en 2016 omwille van de afdoende bevoorschotting tot op heden (onder andere 30 miljoen euro eind 2013), terug toegevoegd in 2017. De extra kredieten die bij begrotingsopmaak 2014 budgettair werden gecompenseerd door de verkoop van de gronden Oostende Oosteroever, ten belope van 28,5 miljoen euro, worden in 2015 weer in mindering gebracht, gelet op het wegvallen van de financieringsbasis. Het betreft in totaal 15 miljoen euro voor de investeringen en kosten verbonden aan de nieuwe LOM/LEMstructuur van de regionale luchthavens. Indien de activiteiten hieromtrent wensen voortgezet te worden dient een nieuwe financieringsbasis aangeboden te worden. Ook de provisie van 5 miljoen euro, binnen het VIF, voor de aankoop van gronden betreffende de regionale luchthaven van Kortrijk wordt weer in mindering gebracht. Daarnaast valt het in 2014 aan W&Z eenmalig toegekende krediet voor het project aan de Scheldekaaien in het kader van het Sigmaplan eveneens weg in 2015, wat leidt tot een afname van het beleidskrediet met 8,5 miljoen euro. Nog binnen het Vlaams Infrastructuurfonds worden de kredieten voor de aankoop van gronden A11 ten belope van 11 miljoen euro terug in mindering gebracht, gelet op het wegvallen van de financieringsbasis. Tot slot wordt de kredietevolutie, met uitdovend effect, omtrent de overdracht van personeelsleden tussen het departement MOW en de Luchthaven exploitatiemaatschappijen (LEM’s) in rekening gebracht. Het effect van het toepassen van de klassieke prijsherzieningsformules van de VVM – De Lijn als gevolg van indexatie, werd in voorliggende oefening verwerkt onder de noemer indexatie. Zie hiervoor punt 3.2. De verdere aflossing van de nog openstaande leningen bij De Lijn, geeft aanleiding tot een dalende rentekost ten belope van 2,7 miljoen euro. In het kader van de financiering van het toekomstige shuttle-decreet wordt 2 miljoen euro vanuit de competitiviteitsprovisie aan de kredieten van MOW toegevoegd.

b.

Nieuwe bevoegdheden

Voor het uitvoeren van de extra bevoegdheden op het vlak van mobiliteit wordt een krediet van 3,7 miljoen euro ter beschikking gesteld.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

Dit krediet voor mobiliteit staat los van de inkomsten die overkomen inzake het verkeersveiligheidsfonds. Deze inkomsten dienen namelijk conform de uitgangspunten van de financieringswet te worden aangewend ter financiering van andere bevoegdheden. Technisch gezien zijn deze geraamde inkomsten verrekend bij de totstandkoming van de tewerkstellingsdotatie (Zie hoofdstuk 2: Middelenbegroting).

c.

Aandachtspunten

Voor de initiatieven binnen het beleidsdomein MOW, die op alternatieve wijze zullen gefinancierd worden (vb. VIA-Invest, Lijninvest, Vlaamse havens …), zullen de reeds in het verleden toegekende kredieten worden ingezet. Duidelijk is echter dat met deze toegekende kredieten de werkelijke uitgaven niet kunnen opgevangen worden. Een overzicht van de dreigende discrepanties tussen de huidig toegekende kredieten en de werkelijke (geraamde) uitgaven wordt gegeven in de budgettaire boordtabel houdende alternatieve financiering die als bijlage III gaat. Aan de NV Vlaamse Havens werd de opdracht gegeven in te staan voor de realisatie van drie zeesluizen (Deurganckdoksluis, SHIP Zeebrugge en Kanaalzone Gent-Terneuzen). Naast de vanaf 2016 gedurende 20 jaar te betalen tussenkomst van ongeveer 18 miljoen euro voor de Deurganckdoksluis (zie bijlage III: Budgettaire boordtabel houdende alternatieve financiering) brengt de ingebruikname van de Deurganckdoksluis voor het Vlaams gewest ook een jaarlijkse onderhoudskost van 2 miljoen euro met zich mee. Voor de twee andere zeesluizen is nog geen definitieve beslissing genomen of er hier gewerkt zal worden met reguliere dan wel met alternatieve financiering. Voorlopig wordt voor de Kanaalzone Gent-Terneuzen, voor wat het door het Vlaams gewest gedragen gedeelte betreft, uitgegaan van een investeringsbedrag van 670 miljoen euro (excl. BTW) en een jaarlijkse onderhoudskost van 2,5 miljoen euro (excl. BTW). Voor SHIP Zeebrugge wordt uitgegaan van een investeringsbedrag van 638 miljoen euro (excl. BTW). Aandacht dient daarnaast geschonken aan het dreigend tekort aan kredieten voor het vernieuwen van grote baggercontracten. Een eerste schatting wijst op een noodzakelijke recurrente verhoging van 45 miljoen euro. Bovendien vraagt men vanuit MOW ook hier aandacht voor de stijgende exploitatiekosten indien bijkomende projecten worden opgeleverd, zoals hierboven vermeld. Betreffende de Oosterweelverbinding (BAM) worden geen budgettaire implicaties in deze oefening opgenomen, daar nog steeds uitgegaan wordt van een zelfbedruipende financiële constructie, waarbij aan de hand van tolgelden de noodzakelijke uitgaven kunnen opgevangen worden. Opgemerkt dient te worden dat voor alle werken in de rand van de Oosterweelverbinding (Masterplan 2020), maar buiten de concessieconstructie, verwacht wordt dat deze op te vangen zijn binnen de reguliere kredieten van MOW. Daarnaast wordt vanuit het departement MOW aangegeven dat momenteel nog geen oplossing is gevonden voor het wegvallen van eenmalige middelen ten belope van 15 miljoen euro die in 2014 zullen worden aangewend voor de investeringen aan de regionale luchthavens en de kosten verbonden aan de nieuwe beheersstructuur. Betreffende De Lijn dient gewezen te worden op de opname van 3,8 miljoen euro uitzonderlijke opbrengsten in de begroting 2014 die tevens dient ter financiering van de uitgaven. Deze uitzonderlijke opbrengsten worden de komende jaren constant gehouden. Er is echter onzekerheid of dit niveau in de toekomst kan worden aangehouden. De kostendekkingsgraad van De Lijn beantwoordde in 2013 niet aan het in de beheersovereenkomst gestelde streefdoel. Dit gegeven kan echter volledig worden toegeschreven aan twee oorzaken: de lager


03 / DE UITGAVENBEGROTING

dan begrote neutralisatie van kosten met betrekking tot het leerlingenvervoer en het mee opnemen van een aantal achterstallige afschrijvingen m.b.t. de investeringen via kapitaalsubsidies. In de prognose op basis van de begrotingsopmaak 2014 betekent dit dat de evoluties, toegepast op het resultaat van 2013, een kostendekkingsgraad geven van 22,49% t.o.v. de doelstelling van 22,41%. Met deze aannames wordt de doelstelling van de beheersovereenkomst bijgevolg gerealiseerd. Voor 2014 bedraagt de globale vergrijzingskost bij De Lijn 4,3 miljoen euro. Hiervan wordt geraamd dat maar ruim 1 miljoen euro zal opgevangen wordt door de provisie voor endogene groei. Dit is het gevolg van het feit dat de compensatie bij geen enkele entiteit volledig is en enkel van toepassing is op het personeel dat onderworpen is aan de 6,5% besparing op koppen. De niet-gefinancierde meerkost bedraagt dan nog 3,2 miljoen euro en is voornamelijk te linken aan de kosten voor de chauffeurs zelf. De stijgende exploitatiekosten, verbonden aan de nieuwe mobiliteitsgerichte PPS-projecten, zorgen voor een meerkost van 47 miljoen euro in 2019. Deze meerkost loopt gestaag op met het zwaartepunt in 2018 en 2019. Tot op heden werd steeds gesteld dat deze bijkomende exploitatiekosten dienen opgevangen te worden binnen de reguliere kredieten van De Lijn. Tot slot wordt vanuit De Lijn opgemerkt dat de huidige investeringskredieten niet zullen volstaan om de vervanging van het rollend materieel te financieren. Op basis van een voorlopige raming wordt voor de ICT-uitgaven in het kader van de overgedragen bevoegdheden uitgegaan van een gemiddeld jaarlijks bedrag van ongeveer 2 miljoen euro. Aangezien op korte termijn een aantal applicaties moeten vervangen of opnieuw ontwikkeld worden (o.a. voor homologatie en rijexamens) zal deze kostprijs in de periode 2015-2017 hoger liggen dan in de daaropvolgende jaren. Deze gemiddelde jaarlijkse kostprijs van ongeveer 2 miljoen euro ligt opmerkelijk hoger dan de werkingskredieten ten belope van 0,8 miljoen euro die in het zog van deze bevoegdheden overkomen van de FOD Mobiliteit en Vervoer. Een oorzaak hiervan ligt onder andere in het feit dat een aantal applicaties in-house ontwikkeld zijn waardoor deze uitgaven vervat zaten in het globale ICT-budget van de federale overheid. Het beleidsdomein MOW werpt daarnaast op dat minstens een deel van de ontvangsten die gerealiseerd zullen worden in het kader van de overdracht van het verkeersveiligheidsfonds aangewend dienen te worden voor uitgaven met betrekking tot verkeersveiligheid.

3.3.13 Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed

a.

Huidige bevoegdheden

In het kader van het decreet grond- en pandenbeleid wordt er tegen begrotingsjaar 2019 8,2 miljoen euro extra krediet voorzien voor infrastructuursubsidies. Bij de berekening van de kapitaalsubsidies voor de huursector wordt uitgegaan van het nieuwe financieringsbesluit voor de sociale huisvestingssector en het fundingbesluit. Voor de bepaling van de rente wordt vertrokken van de gewogen gemiddelde olo + marge, zoals voorzien in het ontwerp van protocol dat werd opgesteld door de administraties van Wonen en Financiën en Begroting. De indexering van de investeringsvolumes en het incalculeren van een mogelijke rentestijging resulteren tegen begrotingsjaar 2019 in een gecumuleerde toename van het beleidskrediet met 35,9 miljoen euro voor de kapitaalsubsidies huur.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

Het investeringsvolume van de huursector dat gefinancierd wordt met rentesubsidies volgt het groeipad dat werd voorzien in het decreet grond- en pandenbeleid. Deze volumes, aangevuld met 100 miljoen euro aan extra renovatiebudget over de periode 2013 – 2017, en de mogelijke rentestijging resulteren in een gecumuleerde toename van de rentesubsidies met 52,1 miljoen euro tegen begrotingsjaar 2019. De kredieten voor kapitaalsubsidies voor de koopsector nemen tegen begrotingsjaar 2019 toe met 21,0 miljoen euro. Dit ingevolge de indexatie van de volumes en het in rekening brengen van een mogelijke rentestijging. Het investeringsvolume van de koopsector dat gefinancierd wordt met rentesubsidies volgt het groeipad dat werd voorzien in het decreet grond- en pandenbeleid. De verhoging van de leningsmachtiging van de VMSW met 48 miljoen euro tijdens de begrotingsopmaak 2014 en met 240 miljoen euro naar aanleiding van de 1ste begrotingsaanpassing wordt in 2015 in mindering gebracht. Deze volumes en de mogelijke rentestijging resulteren in een gecumuleerde toename van de beleidskredieten met 14,9 miljoen euro tegen begrotingsjaar 2019. De eenmalige leningsmachtiging aan de VMSW ten belope van 50 miljoen euro voor het rollend grondfonds resulteert tegen begrotingsjaar 2019 in een toename van de rentesubsidie met 1 miljoen euro. De verhoging van de leningsmachtiging van het VWF met 52 miljoen euro tijdens de begrotingsopmaak 2014 en met 260 miljoen euro naar aanleiding van de 1ste begrotingsaanpassing 2014 wordt in 2015 opnieuw in mindering gebracht. De leningsmachtiging van het VWF wordt geïndexeerd volgens de in de meerjarenbegroting voorziene inflatieparameters. De tussenkomst door het Vlaamse Gewest in de intrestlast van deze leningen vragen een verhoging van de beleidskredieten met 22,4 miljoen euro tegen begrotingsjaar 2019. In de jaren ’90 werd het urgentieprogramma Domus Flandria voor de bouw van sociale woningen opgestart. De financiering van dit programma gebeurde via leningen waarop een tussenkomst in de rentelast werd toegekend en een tussenkomst in functie van huurinkomsten. Deze financiering liep over 20 jaar. Bijgevolg beginnen de tussenkomsten van het Vlaamse Gewest vanaf begrotingsjaar 2015 te dalen. Gecumuleerd nemen de beleidskredieten voor dit programma met 30,2 miljoen euro af tegen begrotingsjaar 2019. Het bij de begrotingsopmaak 2014 eenmalig voorziene krediet van 10 miljoen euro voor premies monumentenzorg wordt in mindering gebracht in 2015. Ook vanuit de competitiviteitsprovisie wordt in 2014 eenmalig krediet toegekend voor monumentenzorg. Dit voor een bedrag van 14,1 miljoen euro.

b.

Nieuwe bevoegdheden

Door de 6de staatshervorming stijgen de uitgaven van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Wonen en Onroerend Erfgoed met bijna 2 miljard euro tegen 2019. Het betreft hoofdzakelijk de fiscale uitgaven voor bouwsparen en woonbonus, die om het effect van de 6de staatshervorming te visualiseren als een uitgave werden opgenomen en niet als een minderontvangst. Voor het uitvoeren van de raming van de fiscale uitgaven voor woonbonus en bouwsparen wordt uitgegaan van een constant blijvend aantal aangiftes met een fiscaal voordeel woonbonus/bouwsparen vanaf het inkomstenjaar 2014. Hierbij wordt verondersteld dat het aantal aangiftes met fiscaal voordeel “bouwsparen” geleidelijk aan uitdooft tegen 2025 en dat een even groot aantal aangiftes toegevoegd wordt bij het fiscaal voordeel “woonbonus”. Daarnaast wordt uitgegaan van een gelijkblijvend aandeel van fiscaal alleenstaanden en fiscale koppels. Gezien de verwachte dalende trend van de bevolkingsgroep


03 / DE UITGAVENBEGROTING

die nieuwe leningen aangaat en de vastgestelde afname van hypothecaire leningen in 2012 en 2013, mag gesteld worden dat deze aannames een voorzichtige raming impliceren. De vertrekbasis voor de raming van de fiscale uitgave is raming van de FOD Financiën voor het inkomstenjaar 2014 (aanslagjaar 2015). De projecties voor de volgende jaren zijn gebaseerd op het aantal aangiftes in de vorige paragraaf. Ook werd rekening gehouden met een indexering van het fiscaal voordeel volgens de in de meerjarenraming gehanteerde gezondheidsindex. Op basis van deze aannames bekomen we onderstaande fiscale uitgaven. De fiscale uitgaven nemen toe met circa 60 miljoen per jaar, hoofdzakelijk het gevolg van de substitutie van het minder gunstige regime van bouwsparen door het meer gunstige regime van woonbonus.

Inkomstenjaar

Fiscale uitgaven (miljoen euro)

2015

1.725,6

2016

1.781,5

2017

1.840,5

2018

1.900,9

2019

1.964,7

c.

Aandachtspunten

Het krediet voor sociale leningen werd naar aanleiding van de begrotingsopmaak 2014 en de 1ste begrotingsaanpassing 2014 eenmalig verhoogd met resp. 100 en 500 miljoen euro. Deze laatste verhoging ging gepaard met een verstrenging van de voorwaarden voor het toekennen van sociale leningen, waardoor het aantal aanvragen zal afnemen. Het is evenwel onzeker of het vanaf 2015 beschikbare budget voldoende zal zijn om alle aanvragen te kunnen honoreren. Het Grondwettelijk Hof vernietigde twee delen van het decreet grond- en pandenbeleid, namelijk de sociale last en wonen in eigen streek. De vernietiging van de maatregel sociale last heeft potentieel een aanzienlijke budgettaire weerslag. De volledige budgettaire weerslag is evenwel moeilijk in kaart te brengen. Het budget voor onroerend erfgoed premies is ontoereikend om aan alle aanvragen te kunnen voldoen. Door het nieuwe decreet zullen de wachtlijsten nog verder toenemen (bijv. door onderhoudssubsidies opnieuw mogelijk te maken voor lokale besturen te maken). Meerjarige subsidieovereenkomsten voor de restauratie van beschermde monumenten moeten niet vastgelegd worden in het jaar waarin de overeenkomst wordt gesloten; ze worden gefaseerd vastgelegd volgens de uitvoering van de projecten. De ruimte voor een volgende minister om nieuw beleid te voeren is beperkt.

3.3.14 Hogere entiteiten De toelage aan het Vlaams Parlement verhoogt met 2,7 miljoen euro vanaf begrotingsjaar 2015. Hier liggen twee redenen aan de basis: enerzijds wordt de besparing die voor 2014 werd overeengekomen


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

als eenmalig beschouwd en anderzijds is er een meerkost van 1,7 miljoen euro voor de vergoeding van 10 gemeenschapssenatoren die vanaf 1 juni 2014 ten laste van het Vlaams Parlement vallen waar die voorheen door de Senaat werden vergoed. In begrotingsjaar 2014 en 2019 is telkens 3,3 miljoen euro voorzien voor de kosten die eventuele kabinetswissels met zich meebrengen.

3.4 De globale evolutie van de beleids- en betaalkredieten bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden

Figuur 3-1 geeft enerzijds de evolutie van de beleids- en betaalkredieten bij constant beleid inzake de huidige bevoegdheden weer. Anderzijds worden deze kredieten aangevuld met de beleids- en betaalkredieten die in het kader van de nieuwe bevoegdheden worden toegevoegd. Wat betreft het verschil tussen de beleids- en betaalkredieten toont deze figuur aan dat in voorliggende begroting het beperkte verschil tussen de beleids- en betaalkredieten zoals voorzien in de 1ste begrotingsaanpassing 2014 en de begrotingsherziening 2014 in de eerste jaren van de komende legislatuur negatief wordt omwille van het wegvallen van eenmalig voorziene investeringskredieten enerzijds en het blijvend voorzien in de benodigde betaalkredieten om deze specifieke eenmalige investeringskredieten, reeds genomen - en nog te nemen engagementen te kunnen vereffenen anderzijds. In het laatste jaar van komende legislatuur is het verschil tussen beleids- en betaalkredieten terug positief, omwille van het feit dat tegen dat moment er terug een genormaliseerde verhouding tussen beleids- en betaalkredieten mogelijk is, waarbij de beleidskredieten per definitie een stuk boven de betaalkredieten staan, gelet op de werking van betaalkalender enerzijds en de technische onmogelijkheid om elke genomen vastlegging voor 100% uit te voeren anderzijds. Figuur 3.1: Beleids- en betaalkredieten bij constant beleid (in duizend euro)


1.290.579 1.517.158 198.984 847.196

Cultuur, Jeugd, Sport en Media

Werk en Sociale Economie

Landbouw en Visserij

Leefmilieu, Natuur en Energie 3.023.880

3.869.908

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Mobiliteit en Openbare Werken

10.600.797

Onderwijs en Vorming

1.278.592

110.060

Internationaal Vlaanderen

Economie, Wetenschappen en Innovatie

339.587

Financiën en Begroting

2.847.054

128.687

Diensten Algemeen Regeringsbeleid

Bestuurszaken

123.505

REA 2013

Hogere Entiteiten

Beleidsdomein

3.124.168

876.462

190.044

1.586.147

1.340.507

4.074.551

10.924.804

1.270.834

171.480

646.722

2.870.581

133.703

129.559

1BA 2014

3.119.493

903.689

193.528

1.616.109

1.341.981

4.088.216

10.895.477

1.340.719

184.132

351.449

2.867.905

135.223

129.542

HERZ 2014

3.130.417

1.018.781

204.249

4.251.493

1.328.803

10.551.806

11.137.840

1.315.165

179.662

415.735

2.991.584

136.907

129.570

MJR 2015

3.174.645

1.075.085

207.029

4.350.018

1.347.398

11.363.613

11.388.513

1.333.500

181.491

469.369

3.084.648

139.926

130.093

MJR 2016

3.231.172

1.067.942

209.986

4.466.375

1.370.376

11.659.607

11.648.424

1.355.189

183.196

491.482

3.191.472

141.363

130.627

MJR 2017

Tabel 3.4: Beleidskredieten per beleidsdomein bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 2013-2019 (in duizend euro)

3.274.207

1.086.587

212.783

4.537.474

1.389.612

11.931.356

11.878.338

1.398.032

185.204

481.663

3.279.946

143.338

131.046

MJR 2018

3.327.573

1.112.557

216.048

4.635.354

1.411.122

12.261.841

12.189.720

1.425.212

187.621

486.959

3.384.999

144.961

134.974

MJR 2019

3.5 De beleids- en betaalkredieten verdeeld over de 13 beleidsdomeinen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden

03 / DE UITGAVENBEGROTING


27.038.314

-856

27.039.170

110.038

26.929.133

753.145

REA 2013

28.230.733

-842

28.231.575

122.564

28.109.011

769.449

1BA 2014

28.067.554

-5.167

28.072.721

122.564

27.950.157

782.695

HERZ 2014

39.461.923

-5.166

39.467.089

125.000

39.342.089

2.550.076

MJR 2015

40.998.737

-5.164

41.003.901

125.000

40.878.901

2.633.575

MJR 2016

41.974.269

-5.162

41.979.431

125.000

41.854.431

2.707.220

MJR 2017

42.846.228

-5.160

42.851.388

125.000

42.726.388

2.796.803

MJR 2018

43.941.638

-5.157

43.946.794

125.000

43.821.794

2.902.854

MJR 2019

In het subtotaal ESR-correcties voor uitgaven worden in de periode 2014-2019 correcties doorgevoerd voor het Rollend Fonds binnen PMV (Extra uitgave van 375 duizend euro in 2014), correctie voor het luik kapitaalsaflossing voor AMORAS (minderuitgaven van 4,7 miljoen euro in 2014) en een correctie voor het luik kapitaalsaflossing voor LAK-invest (minderuitgave van 842 duizend euro in 2014). De in het vorderingensaldo voorziene correcties bij een verdere consolidatie van de DBFM Scholen van Morgen worden in voorliggende tabel niet verrekend.

Beleidskredieten

SUBTOTAAL ESR-correcties uitgaven

TOTAAL Beleidskredieten (incl. FFEU)

FFEU

TOTAAL Beleidskredieten (excl. FFEU)

Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed

Beleidsdomein

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


3.910.997 1.277.215 1.499.752 206.208 831.082 2.948.914

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Cultuur, Jeugd, Sport en Media

Werk en Sociale Economie

Landbouw en Visserij

Leefmilieu, Natuur en Energie

Mobiliteit en Openbare Werken

Beleidskredieten

SUBTOTAAL ESR-correcties uitgaven

TOTAAL Beleidskredieten (incl. FFEU)

FFEU

TOTAAL Beleidskredieten (excl. FFEU)

26.906.118

-856

26.906.974

92.418

26.814.556

685.346

10.612.358

Onderwijs en Vorming

Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed

1.263.223

146.368

Internationaal Vlaanderen

Economie, Wetenschappen en Innovatie

337.852

Financiën en Begroting

2.838.033

133.420

Diensten Algemeen Regeringsbeleid

Bestuurszaken

123.788

REA 2013

Hogere Entiteiten

Beleidsdomein

28.065.119

-842

28.065.961

98.322

27.967.639

743.838

3.174.284

868.323

169.564

1.590.404

1.315.904

4.079.598

10.896.967

1.234.901

190.634

566.578

2.872.481

134.604

129.559

1BA 2014

27.900.466

-5.167

27.905.633

98.322

27.807.311

742.983

3.169.269

878.205

169.967

1.620.722

1.311.478

4.085.939

10.866.005

1.282.462

190.473

354.305

2.869.805

136.157

129.542

HERZ 2014

39.565.345

-5.166

39.570.511

104.000

39.466.511

2.554.594

3.152.672

1.012.061

206.470

4.254.870

1.344.726

10.575.107

11.191.666

1.312.136

194.486

412.028

2.985.853

140.271

129.570

MJR 2015

41.062.046

-5.164

41.067.210

109.000

40.958.210

2.640.908

3.144.220

1.034.455

216.126

4.359.155

1.368.990

11.385.467

11.467.287

1.343.321

186.987

465.108

3.076.647

139.448

130.093

MJR 2016

42.000.417

-5.162

42.005.579

114.000

41.891.579

2.715.396

3.171.253

1.061.144

220.217

4.462.951

1.390.498

11.675.350

11.713.005

1.363.934

183.877

486.935

3.175.222

141.170

130.627

MJR 2017

Tabel 3.5: Betaalkredieten per beleidsdomein bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 2013-2019 (in duizend euro)

42.865.984

-5.160

42.871.143

119.000

42.752.143

2.809.353

3.208.035

1.084.476

218.462

4.540.945

1.401.084

11.937.663

11.921.635

1.412.337

184.033

477.116

3.283.306

142.650

131.046

MJR 2018

43.891.641

-5.157

43.896.798

124.000

43.772.798

2.904.890

3.262.038

1.112.979

217.101

4.629.026

1.413.511

12.266.259

12.207.765

1.431.924

184.610

482.412

3.380.728

144.581

134.974

MJR 2019

03 / DE UITGAVENBEGROTING


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

3.6 Impliciete schuld

In figuur 3-2 wordt de stand van de impliciete schuld t.e.m. eind 2013 weergegeven. Deze stand van de impliciete schuld wordt afgezet t.o.v. de laatst beschikbare ontvangstenraming van de ministeries excl. DAB’s en excl. ontvangsten uit de terugbetaling van de participatie in KBC. Uit voorgaande grafiek kan duidelijk worden afgeleid dat in 2013 de stand van de impliciete schuld zowel in absolute cijfers als relatief gezien t.o.v. de totale ontvangsten van de ministeries lichtjes gedaald is ten opzichte van de stand eind 2011, wat als gunstig kan beschouwd worden. Momenteel kan dan ook geconcludeerd worden dat de impliciete schuld eind 2013 onder controle was.

Figuur 3.2: Stand van de impliciete schuld 2004-2013 (incl. impliciete schuld m.b.t. ESR-8) t.o.v. geraamde ontvangsten ministeries (excl. DAB’s) (in duizend euro)


04 / HET FINANCIEEL BEHEER

04 / HET FINANCIEEL BEHEER 4.1 Schuldevolutie

De evolutie van de schuld is vooreerst afhankelijk van het begrotingssaldo. Het effect op de schuld hiervan kan best worden ingeschat via het verwachte saldo in ESR-termen op de geconsolideerde begroting. Vervolgens zijn er ook de ontvangsten en uitgaven voor kredietverleningen en participaties die mee de evolutie van de schuld bepalen. Deze twee soorten verrichtingen zijn niet inbegrepen in het vorderingensaldo maar wel in het te financieren saldo van de Vlaamse overheid.

4.1.1 Het begrotingssaldo in ESR-termen Bij de inschatting van de schuldevolutie wordt uitgegaan van een begroting in evenwicht in de periode 2014-2019. Deze aanname gaat ervan uit dat de volgende Vlaamse Regering conform het bij de Europese commissie ingediende stabiliteitsprogramma het begrotingsevenwicht ook na 2014 wenst te handhaven.

4.1.2

Kredietverleningen en participaties

Ook het saldo van de deelnemingen bepaalt mee de evolutie van de schuld. Wat betreft de kapitaalsparticipaties worden de vereffeningskredieten geraamd aan de hand van de betaalkalenders in de beslissingen van de Vlaamse Regering, aangepast aan de reeds uitgevoerde betalingen en nieuwe inzichten. Het belangrijkste budget in de begroting voor deelnemingen is de verwachte ontvangst ingevolge een gedeeltelijke terugbetaling van de staatssteun door KBC. In juli vorig jaar heeft KBC het eerste gedeelte van de aan hen verleende steun terugbetaald namelijk 1.167 miljoen euro vermeerderd met een terugbetalingspremie van 50%. In januari van dit jaar heeft KBC 333 miljoen euro kapitaal terugbetaald, vermeerderd met 166,5 miljoen euro terugbetalingspremie. Er wordt vanuit gegaan dat KBC in de volgende jaren de staatssteun verder terugbetaalt overeenkomstig de afspraken die gemaakt zijn met de Europese Commissie. Hiermee rekening houdend wordt geraamd dat vanaf 2015 KBC jaarlijks eenzelfde kapitaal en premie terugbetaalt als in 2014 namelijk 333 miljoen euro kapitaal en 166,5 miljoen euro terugbetalingspremie. Aan uitgavenzijde is op basis van het beschikbare globale budget voor participaties van de aflopende regeerperiode een inschatting gemaakt van hun invloed op de kaspositie van de Vlaamse overheid. De nog niet ingevulde budgetten zijn niet meegenomen in de onderstaande raming van de kasbehoefte voor deze uitgaven. De meegenomen behoeftes zijn voornamelijk voor de financiering van initiatieven die zijn genomen in de schoot van de Participatie Maatschappij Vlaanderen (PMV). Voor de volgende jaren is 95 miljoen euro in 2014, 130 miljoen euro in 2015 en 70 miljoen euro in 2016 ingeschreven aan kasuitgaven voor participaties. Naar aanleiding van elke begrotingsronde zal de impact van de participaties op de evolutie van de schuld meer in detail worden geanalyseerd. Zo onder meer, welke andere ESR-8 kredieten zijn ingeschreven naast het algemene krediet op het programma van het departement Financiën en Begroting.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

4.1.3 Globale evolutie In onderstaande tabel 4-1 wordt een overzicht gegeven van de geraamde schuldevolutie in de periode 2014-2019.

Tabel 4.1: Globale evolutie van de schuld (in duizend euro) 2014

2015

2016

2017

2018

2019

Beginpositie

4.390.637

3.986.137

3.616.637

3.187.137

2.687.637

2.188.137

Geconsolideerd ESRresultaat

0

0

0

0

0

0

KBC kapitaal

-

333.000

333.000

333.000

333.000

333.000

333.000

KBC terugbetalingspremie

-

166.500

166.500

166.500

166.500

166.500

166.500

Participaties

+

95.000

130.000

70.000

0

0

0

3.986.137

3.616.637

3.187.137

2.687.637

2.188.137

1.688.637

Eindpositie

Onderstaande grafiek geeft de verwachte evolutie van de directe en de indirecte schuld weer voor de periode 2014-2019.

Figuur 4.1: Evolutie van de directe en indirecte schuld 2014 – 2019 (in duizend euro)

Dankzij de verwachte terugbetaling door KBC daalt de directe schuld van 4 miljard euro eind 2014 tot 1,7 miljard euro eind 2019. Met uitzondering van 2014 waar de EMTN-lening op eindvervaldag volledig


04 / HET FINANCIEEL BEHEER

opgevangen kan worden op korte termijn (vlottende rente) wordt gestreefd naar een verhouding 80% vast en 20% aan vlottende intrest. Dit zal omwille van de impact van de KBC-terugbetalingen niet altijd lukken. In eerste instantie is het namelijk het doel om deze ontvangsten zo snel als mogelijk te kunnen aanwenden voor schuldafbouw. Ook de indirecte schuld die enkel nog een lening van De Lijn omvat, daalt van 2 miljoen euro in 2014 tot 1 miljoen euro in 2019. De directe en de indirecte schuld zitten vervat in de geconsolideerde bruto schuld. Deze omvat daarnaast ook nog de financiële schulden van alle geconsolideerde instellingen en het negatief saldo van de zichtrekening van de ministeries en de agentschappen binnen het centraal financieringsorgaan. De geconsolideerde instellingen worden bepaald op basis van de lijst van het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR). Naar aanleiding van de notificatie van april 2014 heeft het INR haar laatste lijst van de te consolideren instellingen gepubliceerd. O.a. LRM (de Limburgse Reconversiemaatschappij) en een aantal PMV-dochters werden geherclasseerd. Hoewel het INR de afgelopen jaren steeds meer instellingen geherclasseerd heeft, vertoont ook de geconsolideerde schuld een dalende trend de afgelopen jaren. Dit omdat de nieuwe geconsolideerde instellingen niet veel schulden hebben en door de daling van de directe en de indirecte schuld. Eind 2013 bedroeg de geconsolideerde bruto schuld 5,7 miljard euro.

4.2 Herfinancieringsbehoeften

Voor wat betreft de ontvangsten en aflossingen van leningen heeft de Vlaamse overheid in 2009 lange termijnleningen opgenomen via haar EMTN-programma. In maart 2014 is een EMTN-uitgifte ten bedrage van 1.250 miljoen euro op eindvervaldag gekomen. Deze vervaldag zal in 2014 volledig opgevangen kunnen worden op korte termijn. In de periode 2015-2019 komen er nog enkele EMTN-uitgiftes op eindvervaldag: in 2015 vervalt er 200 miljoen euro, in 2016 1,25 miljard euro en in 2018 750 miljoen euro. Daarnaast vervallen er in 2015 nog 2 private leningen van samen 115 miljoen euro. Naast deze grote eindvervaldagen heeft de Vlaamse overheid ook enkele kleinere vervaldagen. Van de overgenomen leningen van de vismijn Oostende is het aflossingsschema gekend. In 2014 vervalt 183 duizend euro, in 2019 232 duizend euro. De laatste vervaldag van deze leningen is pas in 2028. Daarnaast zijn er de aflossingslasten ingevolge de overgenomen leningen van de Gemeentelijke Holding. In 2014 bedraagt dit 2,4 miljoen euro, in 2015 67,6 miljoen euro, in 2016 52,4 miljoen euro, in 2017 en 2018 opnieuw 2,4 miljoen euro en in 2019 8,2 miljoen euro. De laatste lening komt pas op eindvervaldag in 2026.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

Onderstaande tabel 4-2 geeft een overzicht van de herfinancieringsbehoeften in de periode 2014-2019.

Tabel 4.2: Herfinancieringsbehoeften 2014-2019 (in duizend euro) 2014

2015

2016

2017

2018

2019

EMTN

1.250.000

200.000

1.250.000

0

750.000

0

Gem Holding

2.432

67.579

52.432

2.432

2.432

8.182

Private leningen

0

115.000

0

0

0

0

Vismijn Oostende

183

192

201

211

221

232

Totaal aflossingen

1.252.615

382.771

1.302.633

2.643

752.653

8.414

Rekening houdende met deze vervaldagen zal de Vlaamse overheid naar alle waarschijnlijkheid via nieuwe EMTN-uitgiftes de nodige financiering moeten aantrekken. Volgens de huidige inschatting en een goede mix van lange en korte termijnrentevoeten wordt er in 2015 en 2016 respectievelijk 1 miljard euro en 400 miljoen euro opgehaald. De resterende nood aan externe financiering zal worden opgevangen via korte termijninstrumenten en indien opportuun het inzetten van reserves bij te consolideren entiteiten.


05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING

05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING

5.1 Vorderingensaldo bij constant beleid

Uit tabel 5-1 blijkt dat de volgende Vlaamse Regering na toepassing van de herziening van de bijzondere financieringswet en bij het voeren van een constant beleid voor de huidige en nieuwe bevoegdheden over een negatieve beleidsruimte zal beschikken in de periode 2014-2018. Voornamelijk omwille van de 6de staatshervorming en het feit dat er momenteel nog geen oplossing is voor de problematiek van de uitgaven van Scholen van Morgen loopt het begrotingstekort bij constant beleid in de begrotingsjaren 2015 en 2016 op tot resp. 1 en 1,3 miljard euro. Door een conservatieve inschatting van de groei van de uitgaven, gerelateerd aan een middelenevolutie die geniet van een normale economische groei, wordt dit tekort bij constant beleid in de daaropvolgende jaren weggewerkt en zou er volgens voorliggende raming tegen het eind van komende legislatuur een beleidsruimte beschikbaar zijn van 354 miljoen euro. Het effect van de uitgaven die komende jaren door Scholen van Morgen worden gedaan, wordt voorlopig wel nog afgezonderd in onderstaande tabel, omdat er nog steeds een mogelijkheid bestaat dat – na aanpassing van de huidige contracten - Eurostat kan bevestigen dat er wel een afdoende risico-overdracht is van de overheids- naar de private sector, waardoor enkel de te betalen beschikbaarheidsvergoedingen in rekening dienen te worden gebracht van de overheidsuitgaven. In de begrotingsherziening 2014 is er een tekort van 130 miljoen euro. Dit tekort is eenduidig te wijten aan de voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen ten belope van 322 miljoen euro. Zonder Scholen van Morgen zou er een overschot zijn van bijna 200 miljoen euro. Dit overschot is grotendeels het gevolg van de geraamde vertraging van het moment van overschrijding van de spilindex van juni 2014 naar november 2014 en een toename in de raming van de ontvangsten uit successierechten. In 2015 evolueren we naar een tekort van 0,96 miljard euro omwille van een vermindering in de overdracht van middelen als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciën met een extra 604 miljoen euro zoals voorzien in de herziene financieringswet enerzijds en voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen ten belope van 572 miljoen euro anderzijds. In 2016 loopt dit tekort op naar 1,28 miljard euro door een bijkomende vermindering in de overdracht van middelen als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciën met een extra 770 miljoen euro zoals voorzien in de herziene financieringswet enerzijds en voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen ten belope van 180 miljoen euro anderzijds.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

In 2017 verkleint dit tekort tot 0,5 miljard euro door een beperktere evolutie bij constant beleid van de voorziene uitgaven ten aanzien van de groei van de ontvangsten. In 2018 blijf dit tekort ongeveer stabiel omwille van de herziening van de autonomiefactor en de hieruit resulterende eenmalige negatieve bijstelling van 399,1 miljoen euro. Zie 2.2.2. In 2019 wordt het tekort omgebogen in een overschot van 353 miljoen euro omwille van de lagere groei van de uitgaven bij constant beleid in vergelijking met de ontvangsten.


=

ESR gecorrigeerde primaire uitgaven algemene begroting

ESR- gecorrigeerd primair saldo Vlaamse ministeries (1)

= = +

ESR- gecorrigeerd primair saldo (1) + (2)

Onderbenutting

-

ESR gecorrigeerde primaire uitgaven incl FFEU

ESR- gecorrigeerd primair saldo te consolideren instellingen (2)

+

ESR gecorrigeerde ontvangsten

Begrotingen te consolideren instellingen

+

ESR gecorrigeerde ontvangsten algemene begroting

Algemene begroting Vlaamse ministeries (excl. Titel III)

ESReffect

1BA 2014

8.901.869

1.449.321

6.983.158

19.041.851

361.479

593.405

-469.390

-7.222.248 -7.452.548

8.586.142

1.363.895

7.583.726

18.145.497

25.729.223 26.025.009

REA 2013

HERZ 2014

9.192.042

1.438.183

6.889.615

30.236.878

37.126.493

MJR 2015

593.405

-282.913

610.190

-864.245

-7.451.067 -7.753.860

8.924.619

1.473.552

7.168.154

18.858.401

26.026.555

Tabel 5.1: Vorderingensaldo van de Vlaamse begroting bij constant beleid (in duizend euro)

641.836

9.657.219

1.602.880

6.979.697

33.133.761

40.113.458

MJR 2018

661.677

679.978

-1.074.642

-7.977.776 -8.054.339

9.560.945

1.583.169

6.924.967

32.345.897

39.270.864

MJR 2017

-1.616.502 -1.052.809

-7.880.176

9.391.387

1.511.211

6.263.674

31.540.673

37.804.347

MJR 2016

701.664

-313.606

-8.172.772

9.796.041

1.623.269

7.859.166

34.023.598

41.882.764

MJR 2019

05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING


= -

+

=

Rente-uitgaven

Gecorrigeerd vorderingensaldo

Voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen

Correctie deel kapitaalsaflossing binnen beschikbaarheidsvergoeding aan DBFM Scholen van Morgen

Gecorrigeerd vorderingensaldo incl. ESRcorrectie voor DBFM Scholen van Morgen

187.000

174.479

361.479 2.616

121.399

124.015

-129.619

322.665

193.046

117.446

310.492

-962.132

571.652

-390.480

136.425

-254.055

-1.284.954

180.301

-1.104.653

129.987

-974.666

-505.849

21.141

-484.708

93.575

-391.133

-431.980

37.688

-469.668

75.003

-394.664

353.744

37.688

316.056

72.002

388.058

Wat betreft de onderbenuttingsraming, houden we, niettegenstaande een gerealiseerde onderbenutting in 2013 van 2,5% ten opzichte van de ingeschreven betaalkredieten, voorzichtigheidshalve het voor 2013 voorspelde onderbenuttingspercentage van 2,1% doorheen heel de periode 2015-2019 aan. We passen dit percentage trouwens enkel toe op de betaalkredieten voor de huidige bevoegdheden en niet op de nieuwe bevoegdheden in het kader van de 6de staatshervorming.

=

Gecorrigeerd primair saldo

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING

5.2 Begrotingsnormering in komende legislatuur

In toepassing van artikel 2, §4 van het Samenwerkingsakkoord van 13 december 2013 betreffende de uitvoering van artikel 3, §1 van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire heeft de globale begrotingsdoelstelling voor de gezamenlijke overheid het voorwerp uitgemaakt van een overleg op basis van het advies van maart 2014 van de Afdeling Financieringsbehoeften van de Overheid van de Hoge Raad van Financiën. In haar advies van maart 2014 over het begrotingstraject ter voorbereiding van het Stabiliteitsprogramma 2014 - 2017 beveelt de Afdeling “Financieringsbehoeften van de Overheid” van de hoge Raad van Financiën een globaal traject voor de gezamenlijke overheid en een verdeling van dit traject onder de geledingen van de gezamenlijke overheid aan. Het globaal traject is gebaseerd op het bereiken van een structureel evenwicht in 2016 en de realisatie van de middellangetermijndoelstelling (MTO) in 2017 (structureel overschot van 0,75% van het BBP). De convergentie naar het evenwicht en de MTO zal tegen een stabiel tempo (jaarlijkse structurele verbetering van 0,7% van het BBP in 2015, 2016 en 2017) verwezenlijkt worden. Voor het jaar 2014 beveelt de HRF een verbetering van het structureel saldo met 0,5% aan. Voor wat betreft de verdeling van het globale traject houdt de Afdeling rekening met de in de herziene bijzondere financieringswet verwerkte overdracht van begrotingslasten in het kader van de Zesde Staatshervorming. De Afdeling neemt derhalve het principe in aanmerking van een nominaal begrotingsevenwicht van Entiteit II en voor alle deelentiteiten binnen entiteit II met uitzondering van de lokale overheden die gelet op de investeringscyclus een tijdelijk overschot van 0,1% BBP dienen te realiseren in de jaren 2014 en 2015. Indien de volgende Vlaamse Regering, conform het bij de Europese commissie ingediende stabiliteitsprogramma, het nominale begrotingsevenwicht ook na 2014 wenst te handhaven, zal zij dan ook maatregelen dienen te treffen om hieraan tegemoet te kunnen komen. Rekening houdende met een mogelijke doelstelling om het begrotingsevenwicht aan te houden, wordt hierbij de aandacht gevestigd op het feit dat de herziene Bijzondere Financieringswet (BFW) ook potentiële technische bijstellingen bevat met mogelijks een repercussie op de discussies omtrent de begrotingsnormering. Zo bevat de nieuwe BFW bvb. een autonomiefactor, die de basis vormt voor het deel personenbelasting waarover de gewesten in de toekomst een autonoom opcentiemenbeleid kunnen voeren. Voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017 is deze autonomiefactor gelijkgesteld aan 25,990%. De BFW bevat tegelijk de berekeningsregels voor de autonomiefactor voor het aanslagjaar 2018 en volgende, waarbij een gebeurlijke te hoge (of te lage) inschatting van de autonomiefactor voor de jaren 2015-2017 eenmalig wordt bijgesteld in 2018. Een gelijkaardig mechanisme bestaat voor de fiscale uitgaven. Deze technische bijstellingen kunnen een budgettair effect genereren van verscheidene honderden miljoenen euro, zoals ook in voorliggende nota voorzien (zie punt 2.2.2.). Teneinde te vermijden dat deze technische bijstellingen het te voorziene begrotingstraject voor komende legislatuur teveel zouden beïnvloeden, wordt voorgesteld dat de Vlaamse Regering, op basis van recentere data, en in overleg met de andere deelentiteiten en de federale overheid nagaat of de (tijdelijk vastgestelde)


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

autonomiefactor niet dient geactualiseerd te worden. Indien dit het geval zou zijn, dan zou het logisch zijn om bij de bepaling van dit nominaal evenwicht abstractie te maken van de tijdelijke meer- (of min-) inkomsten die de gewesten zouden verwerven. Een dergelijk akkoord is immers neutraal op globaal niveau: wat de gewesten tijdelijk meer (of minder) ontvangen en in 2018 in min (of meer) verrekend krijgen, wordt immers gecompenseerd door een precies omgekeerde beweging bij de federale overheid.


BIJLAGEI:BEKNOPTETOELICHTINGBIJDEHERZIENINGVANDEBIJZONDEREFINANCIERINGSWET

BIJLAGE I: BEKNOPTE TOELICHTING BIJ DE HERZIENING VAN DE BIJZONDERE FINANCIERINGSWET

Naar aanleiding van de 6de staatshervorming wordt de financiering van de Gewesten en Gemeenschappen grondig hertekend. Niet alleen de huidige, bestaande financieringsmechanismen zullen aangepast worden, ook een aantal nieuwe bevoegdheden zullen aan de Gewesten en Gemeenschappen overgedragen worden, vergezeld van de geassocieerde middelen. Een overgangsmechanisme moet de overgang budgettair neutraal maken in het aanvangsjaar 2015. De Gewesten en Gemeenschappen worden bijkomend geresponsabiliseerd op het vlak van pensioenen en klimaat. De Brusselse instellingen worden bijkomend gefinancierd. Gewesten, huidige bevoegdheden

•• ••

••

••

De globale PB-dotatie en de negatieve term worden voor alle gewesten opgeheven. De gewesten zullen voortaan zelf instaan voor het genereren van middelen via de invoering van een model van uitgebreide opcentiemen. Daartoe wordt de federale personenbelasting verminderd met een factor gelijk aan de som van de PB-dotatie, de gecorrigeerde negatieve term en 40% van de overgedragen middelen voor de bevoegdheid inzake fiscale uitgaven. De mate van fiscale autonomie wordt uitgedrukt door de autonomiefactor, zijnde de verhouding tussen de supra bedoelde factor en de Belasting Staat. De dotaties die betrekking hebben op de bijkomende gewestelijke bevoegdheden n.a.v. het Lambermontakkoord gaan vanaf 2015 op in een nieuwe dotatie die voortaan verdeeld wordt op basis van een vaste verdeelsleutel (50,33% voor het Vlaams Gewest). Het verschil in het aanvangsjaar als gevolg van andere horizontale verdeelsleutel wordt aan het overgangsmechanisme toegewezen. De nieuwe dotatie wordt aangevuld met specifieke bijkomende middelen: 5,0 miljoen (overdracht gebouwen, niet in het overgangsmechanisme opgenomen) en 626,0 miljoen (voor nieuwe bevoegdheden: participatiefonds, grootstedenbeleid, landbouwrampen, overdracht personeel (aankoopcomités), FREG, BIRB). De nieuwe dotatie wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gewesten in de financiering van de vergrijzingskost. Tot slot wordt de dotatie per gewest tot en met 2019 verminderd met een nominaal in de herziene Bijzondere Financieringswet opgenomen bedrag ter dekking van het encours voor de bevoegdheid ‘grootstedenbeleid’ dat de federale overheid verder zal vereffenen. De nationale solidariteitstussenkomst wordt anders geconcipieerd. Een nieuw samengesteld basisbedrag, bestaande uit het geheel van de met de fiscale autonomie verbonden middelen en de aan de gewesten volgens een fiscale sleutel verdeelde dotaties alsook uit 50% van de nieuw samengestelde PB-dotatie van de gemeenschappen, jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan de economische groei (BBP), wordt vermenigvuldigd met 80% van het verschil tussen het inwonersaandeel van het gewest en het aandeel van het rechthebbende gewest in de federaal gebleven PB.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

Gewesten, nieuwe bevoegdheden

••

••

Aan de gewesten wordt de bevoegdheid voor het tewerkstellingsbeleid overgedragen. De overdracht gaat gepaard met een overdracht van middelen ten belope van 90%. De resterende 10% wordt toegevoegd aan het overgangsmechanisme (zie infra). De dotatie wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gewesten in de financiering van de vergrijzingskost. De overdracht van middelen wordt in 2015 gereduceerd met 831,3 miljoen euro. In 2016 gebeurt een tweede vermindering met 831,3 miljoen euro. Beide verminderingen hebben een recurrent karakter en gelden als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciën. De saneringsinspanning wordt buiten het overgangsmechanisme gehouden. 90% van de federale dotatie voor de wedertewerkstelling van werklozen (zie paragraaf 2.3) wordt toegevoegd aan de dotatie voor het tewerkstellingsbeleid. De resterende 10% wordt toegevoegd aan het overgangsmechanisme (zie infra). De netto-opbrengst van de verkeersinbreuken wordt daarentegen afgetrokken van de dotatie. De verdeling van de dotatie over de gewesten gebeurt op basis van de federaal gebleven PB. De gewesten worden ook verantwoordelijk voor specifieke fiscale uitgaven (woonbonus, bouwsparen, energiebesparende maatregelen, beveiliging, renovatie, grootstedenbeleid, dienstencheques). 60% van de overgedragen bevoegdheid wordt gefinancierd via een dotatie vanwege de federale overheid. De resterende 40% financieren de gewesten via de opcentiemen. De dotatie wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gewesten in de financiering van de vergrijzingskost. De verdeling van de dotatie over de gewesten gebeurt op basis van de federaal gebleven PB.

Gewesten, overgangsmechanisme Het doel van het overgangsmechanisme is de inwerkingtreding van de herziene Bijzondere Financieringswet budgettair neutraal te laten verlopen in het aanvangsjaar. De budgettaire verschillen in het aanvangsjaar zullen bijgevolg worden uitgevlakt via een egalisatiebedrag per gewest. Dit egalisatiebedrag wordt 10 jaar nominaal constant gehouden (2015 – 2024). Vanaf het elfde jaar wordt het egalisatiebedrag lineair over 10 jaar afgebouwd (2025 – 2034). Door het verdwijnen van het overgangsmechanisme na 20 jaar realiseert de federale overheid een besparing van 10% op de overgedragen middelen voor het tewerkstellingsbeleid. Die besparing wordt lineair opgebouwd vanaf het elfde jaar. Gewesten, responsabilisering voor pensioenen en klimaat

•• ••

De bijzondere wet van 5 mei 2003 tot instelling van een nieuwe berekeningswijze van de responsabiliseringsbijdrage ten laste van sommige werkgevers van de openbare sector wordt opgeheven. De Gewesten & Gemeenschappen moeten een stijgende responsabiliseringsbijdrage voor de pensioenen van hun ambtenaren betalen. Voor de periode 2015-2020 zijn de bedragen gespecifieerd in de herziene Bijzondere Financieringswet. Vanaf het begrotingsjaar 2021 wordt de responsabiliseringsbijdrage per entiteit bepaald door een bijdragepercentage toe te passen op de weddemassa die door de betrokken entiteit in het voorgaande kalenderjaar werd betaald. Voor het begrotingsjaar 2021 is dat bijdragepercentage gelijk aan 30% van de RSZ-werkgeversbijdrage voor pensioenen. De huidige RSZ-werkgeversbijdrage is 8,86%. Dit resulteert in een bijdragepercentage van 2,658%. Vanaf 2022 wordt het bijdragepercentage lineair opgetrokken totdat het vanaf 2028


BIJLAGEI:BEKNOPTETOELICHTINGBIJDEHERZIENINGVANDEBIJZONDEREFINANCIERINGSWET

••

gelijk is aan 100% van de RSZ-werkgeversbijdrage voor pensioenen. De responsabiliseringsbijdragen worden jaarlijks ingehouden van de aan de betrokken entiteiten door de federale overheid te betalen dotaties. Via de herziene Bijzondere Financieringswet wordt voor ieder gewest een meerjarig traject voorzien, gekoppeld aan een bonus malus systeem, inzake de uitstoot van broeikasgassen in de sector van de gebouwen.

Gewesten, correcte financiering Brusselse instellingen Op grond van de specifieke situatie van de Brusselse regio (pendelaars, aanwezigheid van internationale instellingen en ambtenaren, hoofdstedelijke functies) worden de Brusselse instellingen tegen 2015 geherfinancierd ad 454 miljoen euro. De herfinanciering die gerelateerd is aan de pendelbewegingen zal door het Vlaamse en Waalse Gewest worden gedragen. Gemeenschappen, huidige bevoegdheden

••

•• ••

••

••

••

Van de BTW-Lambermontmiddelen in het aanvangsjaar wordt het effect afgezonderd van de koppeling van de basis BTW-dotatie aan de economische groei in de periode 2010-2015. Dit afgezonderde deel wordt aan de globale BTW-dotatie toegevoegd en ondergaat bijgevolg de evolutie en de verdeling van de globale BTW-dotatie. Het restant van de BTW-Lambermontmiddelen wordt aan de globale PB-dotatie toegevoegd. Vanaf het aanvangsjaar zal de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld geïncorporeerd worden in de globale BTW-dotatie en bijgevolg de evolutie en de verdeling van de globale BTWdotatie ondergaan. De globale BTW-dotatie bestaat bijgevolg uit de som van de basis BTW-dotatie bedoeld in de oude Bijzondere Financieringswet, de afgezonderde Lambermontmiddelen en de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld. De bedoelde som wordt in het aanvangsjaar verhoogd met bijkomende middelen omwille van de overheveling van aangelegenheden inzake het FCUD, jeugdbescherming, het FIM, de startbanen, het EIF en de loopbaanonderbreking. Vanaf het jaar volgend op het aanvangsjaar zal de globale BTW-dotatie naast de bestaande jaarlijkse aanpassing aan de inflatie (CPI) en de evolutie van het aantal min 18-jarigen (DENAT), ook aangepast worden aan 91% van de economische groei (BBP). De globale BTW-dotatie wordt jaarlijks onder de Vlaamse en Franse Gemeenschap verdeeld in functie van de leerlingen. De switch in verdelingsmechanisme van de afgezonderde Lambermontmiddelen en de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld is nadelig voor de Vlaamse Gemeenschap. De globale PB-dotatie bestaat uit de basis PB-dotatie bedoeld in de oude Bijzondere Financieringswet en het restant van de BTW-Lambermontmiddelen. De overdracht van middelen wordt in het aanvangsjaar gereduceerd met 356,3 miljoen euro. In 2016 gebeurt een tweede vermindering met 356,3 miljoen euro. Beide verminderingen hebben een recurrent karakter en gelden als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciën. De saneringsinspanning wordt buiten het overgangsmechanisme gehouden. Vanaf het jaar volgend op het aanvangsjaar zal de globale PB-dotatie aangepast worden aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). De globale PB-dotatie wordt jaarlijks onder de Vlaamse en Franse Gemeenschap verdeeld in functie van de federaal gebleven PB. Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gemeenschappen in de financiering van de vergrijzingskost.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

Gemeenschappen, nieuwe bevoegdheden

•• ••

De herziene Bijzondere Financieringswet bepaalt dat aan de gemeenschappen middelen zullen worden overgedragen voor bijkomende bevoegdheden op het vlak van gezinsbijslag, ouderenzorg, gezondheidszorg, ziekenhuisinfrastructuur, justitiehuizen en interuniversitaire attractiepolen. De over te dragen middelen zullen de vorm van dotaties aannemen. Onderstaande tabel toont de karakteristieken van bedoelde dotaties. De dotaties voor ouderenzorg, gezondheidszorg en ziekenhuisinfrastructuur worden o.m. aangepast aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gemeenschappen in de financiering van de vergrijzingskost.

Gemeenschappen, overgangsmechanisme Het doel en de werking van het overgangsmechanisme voor de gemeenschappen is analoog aan dat van de gewesten. Zie supra. Gemeenschappen, responsabilisering voor pensioenen Naar analogie met de gewesten zal ook voor de gemeenschappen een responsabiliseringsmechanisme voor pensioenen van kracht worden. Zie supra.


••

* CPI * evolutie 0 t.e.m. 18 jarigen per GEM * 25% evolutie BBP per inwoner Rijk; in aanvangsjaar negatieve correctie voor 0 t.e.m. 18 jarigen van Duitst. GEM

•• dotatie per GEM * •• dotatie per GEM

•• dotatie per GEM

Evolutie na aanvangsjaar

2015

2015

••

CPI * evolutie +80 jarigen per GEM * percentage van evolutie BBP per inwoner Rijk; in aanvangsjaar negatieve correctie voor 0 t.e.m. 18 jarigen van Duitst. GEM

* CPI * evolutie inwoners per GEM * percentage van BBP

2015

0,858 miljard in 2015; nominaal opgedeeld in aanvangsjaar over VG, FG en GGC

Aanvangsjaar

3,339 miljard in 2013

6,404 miljard in 2013

Gezondheidszorg en Hulp aan personen

Totale dotatie

Ouderenzorg

Gezinsbijslag

Bevoegdheid

••

CPI * percentage van BBP; opdeling dotatie in twee delen: 84,40% en 15,60%; deel 84,40% wordt verminderd met relatief aantal inwoners Duitst GEM

•• totale dotatie *

2016

0,566 miljard in 2013

Ziekenhuisinfrastructuur en Medisch-technische diensten

CPI * BBP

CPI * BBP

2018

0,032 miljard in 2018; nominaal opgedeeld in aanvangsjaar over VG en FG

Interuniversitaire attractiepolen

•• dotatie per GEM * •• dotatie per GEM *

2015

0,086 miljard in 2015; nominaal opgedeeld in aanvangsjaar over VG en FG

Justitiehuizen

BIJLAGEI:BEKNOPTETOELICHTINGBIJDEHERZIENINGVANDEBIJZONDEREFINANCIERINGSWET


Ratio

Verdeling

Bevoegdheid

evolutie i.f.v. behoeften

•• verdeling en

aanvangsjaar o.b.v. 0 t.e.m. 18 jarigen per GEM (VG, FG en GGC)

•• enkel in

Gezinsbijslag

••

evolutie i.f.v. behoeften percentage van evolutie BBP per inwoner Rijk = deelname van gemeenschappen in vergrijzingskosten

•• verdeling en

aanvangsjaar o.b.v. +80 jarigen per GEM (VG, FG en GGC)

•• enkel in

Ouderenzorg

••

behoeften percentage van BBP = deelname van gemeenschappen in vergrijzingskosten

•• evolutie i.f.v.

aanvangsjaar

•• enkel in

Gezondheidszorg en Hulp aan personen

••

evolutie i.f.v. behoeften percentage van BBP = deelname van gemeenschappen in vergrijzingskosten

•• verdeling en

••

84,40% jaarlijks volgens inwoners in VG, FG en GGC; deel 15,60% jaarlijks volgens inwoners in VG en FG

behoeften

•• evolutie i.f.v.

aanvangsjaar o.b.v. inwoners per GEM (VG en FG)

Justitiehuizen

•• gereduceerd deel •• enkel in

Ziekenhuisinfrastructuur en Medisch-technische diensten

behoeften

•• evolutie i.f.v.

aanvangsjaar

•• enkel in

Interuniversitaire attractiepolen

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


1.806 0 0 0 0 0

2-jaarlijkse survey Studiedienst Vlaamse regering

SERV: Extra ontvangst vanuit WVG (indexatie)

AGIV: Toename eigen ontvangsten

AGIV: Afbouw betoelaging richting VITO

Vlaams Brusselfonds: Toename eigen ontvangsten

1.806

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

Compensatie vanuit BZ: Audit Vlaanderen

0

1.806

∆ Beleid excl Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

-286

Index

HERZ 14 vs 14 1.520

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

DAR

HERZ 14 vs 14 Totaal

Omschrijving

BD

1

255

158

0

-340

1.806

1.881

0

1.880

1.324

3.204

15 vs 14

15 vs 14

3

1.255

330

0

0

1.806

3.394

0

3.393

2.830

6.223

16 vs 14

16 vs 14

5

1.255

517

0

-340

1.806

3.242

0

3.241

4.419

7.660

17 vs 14

17 vs 14

6

1.255

706

0

0

1.806

3.773

0

3.772

5.863

9.635

18 vs 14

18 vs 14

8

1.255

910

0

-340

1.806

3.639

0

3.638

7.619

11.258

19 vs 14

19 vs 14

BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN


BZ

-1.806

∆ Beleid excl Index

0 0

Grootstedenbeleid Gewoon rampenfonds

0 0 -1.806

Eigen ontvangsten instellingen

DAB ICT: Recuperatie eigen ontvangsten jaar x-1

Compensatie naar DAR: Audit Vlaanderen

-1.806

750

106

247

-1.806

749

222

247

65

0

65

VAC Gent - Schoonmaak (12/12den)

-1.000

0

153

-1.000

4.336

VAC Gent (regeneratiekeuken (SA Ambtenaren))

0

Ingebruikname VAC Gent: wegvallen huur oude gebouwen

4.336

-1.107

153

0

Huur VAC Brugge en Gent

-1.500

10.495

0

0

Organisatie Lokake Verkiezingen

5.157

2.652

VAC Gent (12/12de catering)

0

Stedenfonds

1.303

160.021

174.632

12.178

15.400

361

2.872

30.811

205.443

8.624

214.067

16 vs 14

-395

0

Provinciefonds

78.634

86.445

12.178

15.400

361

2.872

30.811

117.257

3.746

121.003

15 vs 14

VAC: uitdoofscenario facilitaire dienstverlening

0

Gemeentefonds

-1.806

0

Europees integratiefonds

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

0

Federaal impulsfonds

0

-870

Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

-2.676

HERZ 14 vs 14 Totaal

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

-1.806

748

347

247

65

153

-395

-1.000

4.336

9.282

16.019

4.049

244.256

276.301

12.178

15.400

361

2.872

30.811

307.112

13.779

320.891

17 vs 14

-1.806

748

474

247

65

153

-395

-1.000

4.336

-1.500

21.737

5.494

331.439

359.992

12.178

15.400

361

2.872

30.811

390.803

18.562

409.365

18 vs 14

-1.806

748

611

247

65

153

-395

-1.000

4.336

74

27.655

6.990

421.674

459.352

12.178

15.400

361

2.872

30.811

490.162

24.256

514.418

19 vs 14

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


F&B

-295.155

∆ Beleid excl Index

13.129

-166.000

-50 -166.000

-6.706

Rente-uitgaven

1.000

Competitiviteit: verdeling provisie

0

1-op-1 compensatie energiezuinige woningen

-7.474

0

0

Egalisatiefonds voor responsabiliseringsbijdrage. Verdere ESRimpact vanaf 2015 verwerkt via ontvangsten

0

NV Diestsepoort: Meer gewicht qua aflossing in de constante annuïteit

0

Provisie responsabiliseringsbijdrage (ESR-impact 2014 =0). Verdere ESR-impact vanaf 2015 verwerkt via ontvangsten

6.426

0

0

Compensatie weddedrift

-103

0

0

Indexatie op de CAG-besparing opstap naar 6.5%

0

NV Diestsepoort: Extra ontvangsten

0

Pool der parastatalen

-860

24.367

-860

Effect geraamde daling lotto-ontvangsten op variabel deel provisie

-139.132

-268.697

10.616

10.616

-258.081

1.370

-256.711

15 vs 14

Overname inning successie- en registratierechten door IVA Vlabel

-121.589

-295.155

0

Indexprovisie

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

Aankoopcomités

0

-118

Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

-295.273

HERZ 14 vs 14 Totaal

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

-166.000

-119

0

24.367

7.465

2.000

-7.474

0

12.924

-184

2.691

-860

-139.132

-264.322

10.616

10.616

-253.707

2.806

-250.902

16 vs 14

-166.000

-193

0

24.367

-28.255

3.000

-7.474

0

19.524

-267

5.465

-860

-139.132

-289.825

10.616

10.616

-279.209

4.299

-274.909

17 vs 14

-166.000

-270

0

24.367

-46.408

4.000

-7.474

0

26.127

-330

8.294

-860

-139.132

-297.686

10.616

10.616

-287.070

5.579

-281.492

18 vs 14

-166.000

-352

0

24.367

-49.409

4.000

-7.474

0

33.599

-528

11.459

-860

-139.132

-290.330

10.616

10.616

-279.715

7.243

-272.472

19 vs 14

BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN


IV

13.000 0 0 0 0 0 0 0

SALK: Vrijetijdseconomie

TV: Wegvallen compensatie vooruitschuif inhaalbeweging jeugdinfrastructuur

TV: Evolutie intering eigen ontvangsten

TV: Evolutie eigen ontvangsten

Wegvallen opstartkosten inzake nemen participaties Waarborgfonds

VLEVA: Wegvallen saldo-opbouw

VLEVA: Evolutie eigen ontvangsten

FIT: Evolutie eigen ontvangsten

13.000

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

13.000

∆ Beleid excl Index

0

-348

Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

12.652

HERZ 14 vs 14 Totaal

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

57

1

21

-18

20

-1.340

7.792

0

6.533

0

6.534

1.649

8.182

15 vs 14

120

3

21

-18

41

-1.580

7.792

0

6.379

0

6.378

3.632

10.011

16 vs 14

187

5

21

-18

64

-2.059

7.792

0

5.992

0

5.992

5.724

11.716

17 vs 14

256

7

21

-18

88

-2.059

7.792

0

6.086

0

6.085

7.639

13.724

18 vs 14

330

9

21

-18

113

-2.059

7.792

0

6.187

0

6.187

9.954

16.141

19 vs 14

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


EWI

75.400

∆ Beleid excl Index

0 0 0

Dotatie startersfonds Kefik

Interuniversitaire attractiepolen (vanaf 2018) 45.000 26.000 4.400 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

Competitiviteit: O&O

Competitiviteit: Carbon Leakage SALK: Innovatie

Decreet integratie hoger onderwijs

VITO: Evolutie eigen ontvangsten

VITO: Afbouw betoelaging vanuit AGIV

VITO: Wegvallen onderliggende saldo-opbouw

VIB: Intering op bestaand reservefonds - gekend effect consolidatie vanaf 2015

IWT: Verhoging eigen ontvangsten

IWT: Verhoging dotatie richting VRT

IWT: Verlaging betoelaging De Lijn

IWT: Wegvallen KVD-ontvangsten

PMV: Toename eigen ontvangsten

75.400

0

Uitkeringen zelfstandigen bij werken

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

0

Domeinen Economie

0

-5.515

Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

69.885

HERZ 14 vs 14 Totaal

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

268

0

10

-52

25

2.500

767

-255

677

1.000

0

0

25.000

55.043

0

254

1.781

653

737

3.425

58.468

11.587

70.055

15 vs 14

559

0

61

-105

52

2.500

767

-1.255

1.413

1.900

0

0

25.000

103.487

0

254

1.781

653

737

3.425

106.912

29.302

136.214

16 vs 14

873

-200

61

-159

82

2.500

767

-1.255

2.209

3.900

0

0

25.000

152.151

0

254

1.781

653

737

3.425

155.576

48.448

204.024

17 vs 14

1.193

-200

61

-214

111

2.500

767

-1.255

3.018

8.900

0

0

25.000

154.719

17.704

254

1.781

653

737

21.129

175.848

67.782

243.630

18 vs 14

1.539

-200

61

-270

144

2.500

767

-1.255

3.892

13.800

0

0

25.000

156.769

17.704

254

1.781

653

737

21.129

177.898

89.189

267.087

19 vs 14

BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN


OV

0 0 0 0

VEB: Rendabiliteit op de ontplooiing dienstenactiviteiten

Plantentuin Meise: Wegvallen overflow

Plantentuin Meise: Recuperatie verhoogde toelage voor eigen gefinancierde werknemers

Plantentuin Meise: Extra eigen ontvangsten

1.354

0

Lonen leerplichtonderwijs: TO Fonds Wedderecuperatie

-820

7.744

0

Lonen leerplichtplichtonderwijs: Afbouw overgangsmaatregel decreet basisonderwijs

-9.227

1.549

0

Lonen leerplichtonderwijs: TBS

17.468

Lonen leerplichtplichtonderwijs: Zij-instroom

0

Lonen leerplichtonderwijs: Vergrijzing

43.709

6.487

0

Lonen leerplichtonderwijs: Leerlingenaantallen

-22.641

30.596

0

30.459

182.577

213.036

15 vs 14

18

-60

-311

-483

25.838

101

Lonen leerplichtonderwijs: RKW verhoging

-21.647

Lonen leerplichtonderwijs: Herijken loonmodel leerplicht nav uitvoering 2013

-22.247

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

-22.185

∆ Beleid excl Index

0

-7.141

Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

-29.327

Totaal

HERZ 14 vs 14

0

VEB: Toename eigen ontvangsten: Ontplooiing dienstenactiviteiten

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

0

PMV: Terug naar marktconforme ROE

1.591

13.939

6.487

-1.638

-23.671

35.086

73.596

-22.470

120.017

0

119.688

344.021

463.709

16 vs 14

37

-120

-311

-2.489

76.178

-699

1.828

20.134

6.487

-1.638

-42.476

52.904

107.515

-23.303

207.652

0

207.153

516.467

723.620

17 vs 14

58

-170

-311

-5.105

125.600

-1.699

2.065

26.329

6.487

-1.638

-55.241

71.015

148.980

-24.000

292.366

0

291.710

661.824

953.534

18 vs 14

79

-170

-311

-5.583

123.521

-2.699

2.302

32.524

6.487

-1.638

-61.326

89.525

199.953

-24.479

405.374

0

404.535

860.381

1.264.916

19 vs 14

102

-170

-311

-6.155

121.025

-3.699

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


0 -2.149 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

Werkingsmiddelen leerplichtonderwijs: Leerlingenevolutie Herijken loonmodel VWO

Lonen VWO (0,8%) en CBE (2,59%) Groeinorm CBE werking

Opstap integratie- en inburgeringsdecreet TO Fonds DKO

Wegvallen eenmalige investeringskredieten klassieke financiering infrastructuur (30 miljoen euro) en capaciteit (50 miljoen euro)

GO!: Recuperatie verkoop gronden

Klasse 2-jaarlijkse overheidsopdracht

4-jaarlijkse financiële controle

Hoger Onderwijs (klik + 45/55 onderzoek + TBS besparing)

Op kruissnelheid brengen subsidiëringsritme van in universiteiten ingekantelde hogeschoolrichtingen

Decreet integratie hoger onderwijs

Wegvallen compensatie vanuit Wonen voor lening UZ Gent Cao UZ Gent

Studiefinanciering - aangroei door lln evolutie

Stijging eigen ontvangsten instellingen

57

1.104

100

-4.700

15.800

12.040

21.308

0

3.684

1.436

-80.000

81

8.000

163

6.814

-2.149

2.784

119

1.356

200

-4.700

33.600

12.040

44.823

1.056

0

6.260

-80.000

162

8.000

330

11.916

-2.149

4.083

186

1.880

300

-4.700

48.500

12.040

69.100

0

3.684

6.515

-80.000

243

8.000

502

16.482

-2.149

5.618

254

2.527

400

-4.700

63.300

12.040

82.081

0

0

6.774

-80.000

324

8.000

678

21.283

-2.149

7.556

328

3.342

500

-4.700

78.300

12.040

97.934

0

3.684

7.054

-80.000

406

8.000

859

26.457

-2.149

9.972

BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN


WVG

15.270

∆ Beleid excl Index

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

Geïsoleerde G- of SP-diensten

Ziekenhuisinfrastructuur (vanaf 2016) Revalidatiecentra MAF

Tegemoetkoming hulp aan bejaarden (THAB)

Mobiliteitshulpmiddelenbeleid

Psychiatrische verzorgingstehuizen Initiatieven beschut wonen

Overlegplatform geestelijke gezondheidszorg Preventie en eerstelijnshulp

Werkingskosten FOD en RIZIV

Justitiehuizen en eerstelijnshulp Elektronische enkelband Jeugdbescherming

0 0 0

VIA-IV - Sectoraal - Thuis- en gezinszorg

Toename alternatieve financiering VIPA

Wegvallen klassieke machtiging VIPA

15.270

0

Residentiële ouderenzorg

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

0

Gezinsbijslag en FCUD

0

-1.605

Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

13.665

HERZ 14 vs 14 Totaal

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

-13.000

7.000

933

43.954

8.870

431

41.992

1.741

46.754

6.951

42.296

89.705

56.823

378.300

6.308

153.156

0

105.724

1.810.395

3.623.041

6.372.487

6.411.441

65.814

6.477.255

15 vs 14

-13.000

10.000

933

86.354

8.870

431

41.992

1.741

46.754

6.951

42.296

89.705

56.823

379.813

6.308

153.156

553.597

105.724

1.846.132

3.648.457

6.988.750

7.070.104

218.958

7.289.062

16 vs 14

-13.000

10.286

933

129.587

8.870

431

41.992

1.741

46.754

6.951

42.296

89.705

56.823

381.332

6.308

153.156

590.690

105.724

1.875.477

3.673.467

7.081.717

7.206.304

378.752

7.585.056

17 vs 14

-13.000

10.286

933

173.992

8.870

431

41.992

1.741

46.754

6.951

42.296

89.705

56.823

382.858

6.308

153.156

622.176

105.724

1.905.241

3.702.196

7.173.222

7.342.216

514.589

7.856.805

18 vs 14

-13.000

10.286

933

219.997

8.870

431

41.992

1.741

46.754

6.951

42.296

89.705

56.823

384.389

6.308

153.156

662.610

105.724

1.935.431

3.732.848

7.276.029

7.491.027

696.262

8.187.290

19 vs 14

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


5.000 0 0 0 0 2.366 0 0 0 0 0 0 0 2.600 465 839 4.000 0 0

Competitiviteit: Klassieke machtiging VIPA

FJW: pleegplaatsingen, internaten en preventieve sociale actie FJW: eigen ontvangsten VAPH: Effect VIA-I VAPH: eigen ontvangsten Zorgfonds Urencontingent thuiszorg Animatiewerking Serviceflats Weddedrift: VAPH Weddedrift: FJW Weddedrift: K&G Weddedrift: CAW's SALK: kinderarmoede

SALK: RMO - gezonde voeding

SALK: Kind en Taal - Kind en Gezin

Competitiviteit: Zelfstandige kinderopvang K&G: Eigen ontvangsten Evolutie VAK Cicov

2

2.188

4.000

932

0

0

495

367

1.808

8.333

-965

1.042

12.889

15.578

283

1.066

203

800

0

5

4.565

4.000

93

0

0

994

734

3.629

16.901

-2.258

2.105

26.365

26.512

590

2.161

424

1.600

0

8

7.139

4.000

0

0

0

1.506

1.101

5.500

25.711

-2.258

3.189

40.454

37.743

923

3.288

664

2.400

0

12

9.753

4.000

0

0

0

2.031

1.468

7.422

34.770

-2.258

4.295

55.184

49.281

1.261

4.447

907

3.200

0

16

12.576

4.000

0

0

0

2.570

1.835

9.397

44.085

-2.258

5.401

70.584

61.138

1.626

5.638

1.169

4.000

0

BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN


CJSM

6.158 0 0 0 0 0 0 -2.295 0 -219 16 0 0 0 0

FOCI: Renovatie KMSKA

FOCI: Aflopen 5-jaarlijkse compensatie Waalse Krook

Eigen ontvangsten te consolideren instellingen Cultuur VFL: Minder intering PPS Sport

BLOSO: Extra toelage Olympische spelen

BLOSO: Toename Eigen ontvangsten

VRT: Correctie voor teveel aan commerciële inkomsten knipperlichtprocedure

VRT: Wegvallen intering voor herstructurering

VRT: Vergrijzing statutair personeel

VRT: Bijstellen budget voor koopkracht contractuelen

VRT en VRM: Eigen ontvangsten

VRT: Verhoging toelage vanuit EWI

VRT pensioenfonds: Extra pensioenuitkeringen

VRM: Wegvallen saldo-opbouw boetes

3.660

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

3.660

∆ Beleid excl Index

0

-2.186

Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

1.474

HERZ 14 vs 14 Totaal

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

14

3.233

52

2.690

16

-438

-1.095

0

160

0

1.298

-76

213

4.000

-34.339

-24.273

0

-24.270

12.565

-11.704

15 vs 14

14

6.269

105

5.612

16

-657

-4.295

0

333

400

3.514

-76

444

4.000

-34.339

-18.660

0

-18.653

25.544

6.891

16 vs 14

14

9.542

159

8.775

16

-876

-4.695

0

521

0

3.908

-76

695

4.000

-31.260

-9.277

0

-9.267

39.136

29.869

17 vs 14

14

12.541

214

11.989

16

-1.095

-4.895

0

712

0

4.752

-76

949

4.000

-31.260

-2.139

0

-2.125

51.230

49.105

18 vs 14

14

14.373

270

15.458

16

-1.314

-4.995

0

918

0

5.597

-76

1.224

4.000

-31.260

4.225

0

4.243

66.372

70.615

19 vs 14

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


WSE

32.400

∆ Beleid excl Index

0 0 0 0 0

Restbevoegdheden (excl. dienstenchèques) Dienstenchèques

Werkmaterie voor gemeenschappen

Fiscale uitgaven: Dienstenchèques

Fiscale uitgaven: PWA-chèques 31.000 1.400 0 0 0

Competitiviteit: Loonlastvermindering

Competitiviteit: Werkinlevingscontracten

2-jaarlijkse vastleggingscyclus sectorconvenanten VDAB: eigen ontvangsten

Syntra: Toename eigen ontvangsten

32.400

0

Doelgroepenbeleid (RVA)

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

0

Doelgroepenbeleid (RSZ)

0

-2.438

Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

29.962

HERZ 14 vs 14 Totaal

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

41

1.289

12.615

5.000

125.000

143.945

1.966

216.607

46.211

1.091.320

284.616

149.929

711.918

2.502.567

2.646.512

18.833

2.665.346

15 vs 14

85

2.690

-304

5.000

125.000

132.471

1.966

225.271

46.211

1.134.973

284.616

149.929

711.918

2.554.884

2.687.355

76.516

2.763.871

16 vs 14

133

4.207

12.615

5.000

125.000

146.955

1.966

232.029

46.211

1.169.022

284.616

149.929

711.918

2.595.691

2.742.647

137.581

2.880.228

17 vs 14

181

5.748

-616

5.000

125.000

135.313

1.966

236.670

46.211

1.192.403

284.616

149.929

711.918

2.623.713

2.759.026

192.301

2.951.327

18 vs 14

234

7.412

12.615

5.000

125.000

150.260

1.966

239.037

46.211

1.204.327

284.616

149.929

711.918

2.638.004

2.788.264

260.942

3.049.207

19 vs 14

BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN


LNE

L&V

4.000

∆ Beleid excl Index

0

Dierenwelzijn

29.407

∆ Beleid excl Index

0

Doorvoer van afvalstoffen 8.500 0

Competitiviteit: Rioleringen

Eenmalige RIO-investeringskredieten

29.407

0

FRGE

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

0

Fiscale uitgaven: Energiebesparende maatregelen en passiefhuizen

0

-2.180

Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

27.227

Totaal

HERZ 14 vs 14

0

EV ILVO: Verhoging eigen ontvangsten

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

4.000

SALK: Landbouw

4.000

0

BIRB

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

0

Landbouwrampenfonds

0

-516

Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

3.484

HERZ 14 vs 14 Totaal

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

-10.000

0

106.123

338

6.175

22.988

29.501

135.621

6.699

142.319

15 vs 14

223

0

223

1.959

8.320

1.737

12.016

12.239

1.966

14.205

15 vs 14

-10.000

0

153.150

338

6.175

22.988

29.501

182.648

15.974

198.623

16 vs 14

465

0

465

1.959

8.320

1.737

12.016

12.481

4.504

16.985

16 vs 14

-10.000

0

136.113

338

6.175

22.988

29.501

165.611

25.869

191.480

17 vs 14

728

0

728

1.959

8.320

1.737

12.016

12.744

7.198

19.942

17 vs 14

-10.000

0

145.273

338

6.175

22.988

29.501

174.772

35.353

210.125

18 vs 14

994

0

994

1.959

8.320

1.737

12.016

13.010

9.729

22.739

18 vs 14

-10.000

0

160.335

338

6.175

22.988

29.501

189.834

46.261

236.095

19 vs 14

1.282

0

1.282

1.959

8.320

1.737

12.016

13.298

12.706

26.004

19 vs 14

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


MOW

-20.007 0 0 0 -46 0 31.960

MINA: Aquafinfactuur (excl. eenmalige effecten)

MINA: 5-jaarlijkse milieubeheersovereenkomsten landbouw Grindfonds: Herstelplan

Eigen ontvangsten OVAM, VMM, VLM

VMM uitstroom Aquafin-personeel

Minder ontvangsten vanuit W&Z bij VLM Klimaatfonds

0 0 0 0 0

Eigen ontvangsten W&Z, DS, Loodswezen, Vloot, BAM

Minder interrelatie vanuit W&Z naar VLM

Op kruissnelheid komen van overdracht personeel richting LEM's. Daarna geleide afbouw overgedragen cohorte.

Wegvallen eenmalige financieringsbron: LOM/LEM

2.000

0

Co-financiering spoor

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

Mobiliteit

2.000

∆ Beleid excl Index

0

-6.675

Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

-4.675

Totaal

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

HERZ 14 vs 14

0

MINA: Aquafinfactuur (wegvallen eenmalige effecten)

Minder intering Grondenbanken

9.000

Competitiviteit: Bodemsanering brownfields

-15.000

1.459

2.150

3.048

0

-28.265

3.715

3.715

-24.484

30.733

6.249

15 vs 14

-500

41.392

-2.150

-101

683

500

0

-5.701

82.000

0

-15.000

1.309

2.150

6.360

0

-22.362

3.715

3.715

-18.581

69.059

50.477

16 vs 14

-1.000

47.628

-2.150

-156

1.421

-606

31.685

4.328

82.000

0

-15.000

1.159

2.150

9.946

10.000

-5.813

3.715

3.715

-2.032

109.036

107.004

17 vs 14

-1.500

51.976

-2.150

-211

2.221

-1.581

0

15.358

82.000

0

-15.000

1.009

2.150

13.589

10.000

1.127

3.715

3.715

4.908

145.131

150.039

18 vs 14

-2.000

55.166

-2.150

-266

3.033

-1.898

0

21.388

82.000

0

-15.000

859

2.150

17.522

10.000

9.084

3.715

3.715

12.865

190.541

203.405

19 vs 14

-2.500

57.626

-2.150

-321

3.910

-1.854

0

33.624

82.000

0

BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN


RWO

0 0 0 2.000 0

Wegvallen eenmalige financieringsbron: AWV Grondenaankoop

De Lijn: Evolutie eigen ontvangsten

De Lijn: Daling toelage n.a.v. dalende intrestkosten

Competitiviteit: Shuttledecreet

Indexatie BBV'n nog niet meegeteld in VAK bij BO 2014

14.123

∆ Beleid excl Index

0 0 0

Fiscale uitgaven: Beveiliging, huurder

Fiscale uitgaven: Sociale verhuur, effec

Fiscale uitgaven: Monumenten 0 0

Infrastructuur G&P

FS3 - Huur - Kapitaalsubsidie

14.100

0

Fiscale uitgaven: Beveiliging, eigenaar

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

0

Fiscale uitgaven: bouwsparen & woonbonus

0

-878

Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

13.246

Totaal

HERZ 14 vs 14

0

Wegvallen eenmalige financieringsbron: W&Z - Sigmaplan

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

0

Wegvallen eenmalige financieringsbron: provisie Openbare Werken

17.847

1.524

27.139

985

25

735

23.177

1.725.580

1.750.502

1.777.643

2.984

1.780.627

15 vs 14

244

2.000

-857

3.235

-11.045

-8.500

-5.000

26.260

3.107

50.466

985

25

735

23.177

1.781.525

1.806.447

1.856.932

7.194

1.864.126

16 vs 14

244

2.000

-1.631

6.750

-11.045

-8.500

-5.000

21.460

4.750

60.608

985

25

735

23.177

1.840.534

1.865.456

1.926.102

11.670

1.937.771

17 vs 14

244

2.000

-2.323

10.556

-11.045

-8.500

-5.000

28.236

6.458

85.514

985

25

735

23.177

1.900.939

1.925.861

2.011.432

15.922

2.027.354

18 vs 14

244

2.000

-2.742

14.422

-11.045

-8.500

-5.000

35.907

8.231

122.858

985

25

735

23.177

1.964.700

1.989.622

2.112.556

20.849

2.133.405

19 vs 14

244

2.000

-2.742

18.596

-11.045

-8.500

-5.000

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


HE

0 0 0 0 0 0 0 0 0 14.100 0

Koop - Rentesubsidie VWF - Rentesubsidie Rollend Grondfonds Domus Flandria Mijnwerkerslening

Wegvallen compensatie vanuit Wonen voor lening UZ Gent

Fonds uithuiszetting - Op kruissnelheid komen

Grondfonds: Wegvallen saldo-opbouw in het kader van de planbatenheffing

Herstelfonds: VAK afstemmen op eigen ontvangsten

Competitiviteit: Onroerend Erfgoed - bedrijven & scholen

Onroerend Erfgoed: eenmalig investeringskrediet 2014

1.700 -3.326

10 bijkomende volksvertegenwoordigers te vergoeden nav 6de SHV

Installatiekost nieuwe kabinetten (ontslagvergoedingen + ICT-kost)

-626

0

-626

1.000

0

11 637

15 vs 14

-10.000

0

-483

999

720

4.700

-100

-3.766

356

5.110

2.602

3.719

3.911

Terugdraai eenmalige besparing Vlaams Parlement

0

Constant beleid inzake huidige bevoegdheden

0

∆ Beleid excl Index

0

-17

Index

Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden

-17

Totaal

HERZ 14 vs 14

0

Koop - Kapitaalsubsidie

EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014

0

FS3 - Huur - Rentesubsidie

-3.326

1.700

1.000

-626

0

-626

1.160

534

16 vs 14

-10.000

0

-483

1.499

1.480

4.700

-200

-12.181

756

7.988

7.030

9.751

10.760

-3.326

1.700

1.000

-626

0

-626

1.694

1.068

17 vs 14

-10.000

0

-483

1.999

1.480

4.700

-263

-20.507

847

11.854

9.595

14.572

20.604

-3.326

1.700

1.000

-626

0

-626

2.113

1.487

18 vs 14

-10.000

0

-483

1.999

1.480

4.700

-263

-28.384

929

16.944

12.141

17.858

33.900

0

1.700

1.000

2.700

0

2.700

2.715

5.415

19 vs 14

-10.000

0

-483

1.999

1.480

4.700

-263

-30.155

996

22.391

14.913

21.036

52.106

BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING

In de budgettaire boordtabel houdende alternatieve financiering wordt een vergelijking gemaakt tussen de geraamde beschikbaarheidsvergoedingen voor de periode 2014-2019 en de bedragen die zijn meegenomen in de voorliggende meerjarenraming. De bedragen met de geraamde beschikbaarheidsvergoedingen zijn afkomstig uit het antwoord van de Minister-President op schriftelijke vraag 363 van de heer Lode Vereeck, met uitzondering van de bedragen voor missing links en tramverlengingen Masterplan. Voor het project A11 werd vanuit het departement Mobiliteit en Openbare Werken en De Lijn een geactualiseerd cijfer aangeleverd. Voor de cijfers van tramverlengingen Masterplan, die niet waren opgenomen in het antwoord op de schriftelijke vraag, werd gesteund op de documenten bij de beslissing van de Vlaamse Regering van 27 september 2013. Uit de tabel blijken een aantal discrepanties tussen de ramingen van de beschikbaarheidsvergoedingen en de in de meerjarenraming opgenomen bedragen. In de meerjarenraming worden immers maar de kredieten voorzien die de Vlaamse Regering expliciet heeft toegezegd: Voor sommige initiatieven zoals PPS in de sport, VIPA-II, VAC’s worden nog bijkomende kredieten t.o.v. de begrotingsopmaak 2014 voorzien en is er dan ook geen tekort aan beschikbaar gestelde kredieten. Voor andere initiatieven zoals VIA-invest, PPS in de scholenbouw, … zullen de reeds in het verleden toegekende kredieten vooreerst dienen te worden ingezet en wordt er verder in voorliggende raming verondersteld dat er nog een verdere compensatie binnen de voor klassieke financiering ter beschikking gestelde middelen kan gevonden worden. De volgende Vlaamse Regering zal verder dienen te bekijken welke werkelijke uitgaven met de in voorliggende meerjarenraming voorziene kredieten kunnen opgevangen worden en waar er desgevallend bijkomende middelen moeten worden ingezet. Meer specifiek voor wat betreft het beleidsdomein Onderwijs en Vorming betreft, is er in het verleden 75 miljoen euro ter beschikking gesteld voor het opvangen van de toename van de kredieten voor beschikbaarheidsvergoedingen inzake PPS in de scholenbouw. Nu de recurrente beschikbaarheidsvergoedingen op 102 miljoen euro worden geraamd, dient er volgens voorliggende meerjarenraming 27 miljoen euro aan compensatie binnen de voor klassieke financiering beschikbaar gestelde kredieten gevonden te worden. Ook in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken volstaan de in de meerjarenraming voorziene bedragen niet om alle beschikbaarheidsvergoedingen te betalen. In de meerjarenraming is voor de realisatie van de missing links via de NV Via Invest 66 miljoen euro op jaarbasis ingeschreven. Op dit ogenblik zijn er vier van de zes missing links geclosed (Zaventem, NoordZuid Kempen, R4 en A11) voor een op kruissnelheid totale jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding van 88,7 miljoen euro (in 2017). Voor de realisatie van alle zes de missing links wordt de kostprijs op kruissnelheid zelfs geraamd op 161,7 miljoen euro. Daarnaast heeft de Vlaamse Regering aan de nv Via Invest de opdracht gegeven om, in samenwerking en overleg met het agentschap Wegen en Verkeer, de NV Waterwegen en


BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING

Zeekanaal en de NV De Scheepvaart, zes bijkomende projecten met een totale maximale investeringswaarde van 750 miljoen euro voor te bereiden voor realisatie. In onderstaande tabel wordt met deze bijkomende projecten nog geen rekening gehouden, doch kunnen tegen het einde van de komende legislatuur reeds beschikbaarheidsvergoedingen in het kader van deze projecten verwacht worden. Hierbij kan vermeld worden dat een piste, waarbij opbrengsten uit de kilometerheffing kunnen ingezet worden om tegemoet te komen aan de problematiek van de oplopende beschikbaarheidsvergoedingen, verder onderzocht zal worden. Omtrent de beschikbaarheidsvergoedingen binnen De Lijn kan gesteld worden dat betreffende de stelplaatsen de reeds toegekende enveloppe ongeveer 8,6 miljoen euro te laag is om de geraamde beschikbaarheidsvergoedingen op kruissnelheid van ruim 20 miljoen euro af te dekken. Voor de tramverlengingen De Lijn loopt dit tekort op tot 5,7 miljoen euro. Hierbij dient nog opgemerkt dat voor deze laatste nog geen rekening werd gehouden met Spartacus lijn 2 (en 3). Voor de tramverlengingen Masterplan loopt het tekort op tot 8,4 miljoen euro.


Sociale huisvesting

Wonen

Serviceflats

Rust- en verzorgtehuizen

Welzijn

187.346 12.467

geclosed

niet geclosed

2016

12.054

187.346

1.271

Geen nieuwe projecten meer voorzien.

1.220 0

Delta

1.220

MJR 2014-2019

niet geclosed

1.279

geclosed

1.220

0

Delta

1.279

2.000

MJR 2014-2019

0

1.207

1.207

1.207

0

2.072

2.072

2.072

geclosed

2.000

2.072

2.000

2.072

Totaal

2018

2019

12.054

187.346

12.054

187.346

12.054

187.346

0

1.193

1.193

1.193

45

2.073

2.028

2.028

406

0

1.179

1.179

1.179

0

1.893

1.893

1.893

0

1.165

1.165

1.165

0

1.853

1.853

1.853

196.520 199.520 199.806 199.806 199.806

7.054

187.346

Totaal

niet geclosed

2017

194.400 199.400 199.400 199.400 199.400

2015

120

Uitvoeringsfase programma 2007. Geen nieuwe projecten meer voorzien.

Max. bedrag van 199.813.391,43 euro aan totale jaarlijkse gebruikstoelagen.

Groeipad

2.120 1.833

189.400

Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding

Delta

MJR 2014-2019

199.813

Totaal

Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid

Boordtabel PPS (in duizend euro)

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


Sportinfrastructuur

Sport

Schoolinfrastructuur

Onderwijs

Externe kostendrijver met max 8,5 miljoen euro.

811

0

Delta

5.574

niet geclosed

2.279

3.090

2.926

geclosed

2.279

MJR 2014-2019

8.500

Totaal

0

18.595

18.595

2015

Delta

1.792

75.000

Groeipad

18.595

101.809

Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding

MJR 2014-2019

niet geclosed

geclosed

Totaal

Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid

1.572

5.306

891

2.843

3.734

-4.770

75.000

79.770

79.770

2016

2018

2019

75.000

75.000

101.809

1.773

5.700

1.064

2.863

3.927

2.588

6.544

1.073

2.883

3.956

3.404

7.389

1.081

2.904

3.985

-22.227 -26.008 -26.809

75.000

97.227 101.008

97.227 101.008 101.809

2017

Boordtabel PPS (in duizend euro)

BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING


Vlaamse havens

Missing links

Openbare Werken

Jeugdverblijfinfrastructuur

Toerisme

553

geclosed

18.050

geclosed

0

0 0

MJR 2014-2019

Delta

niet geclosed

18.050

Totaal

0

0

Delta

72.038

niet geclosed

32.754 32.754

89.637

geclosed

32.754

MJR 2014-2019

161.675

Totaal

0

553

553

2015

Delta

Binnen eigen middelen. Investering slaat enkel op Deurganckdoksluis. Gent-Terneuzen en Zeebrugge nog niet voorzien.

Volledig op te vangen binnen huidige machtiging Toerisme Vlaanderen.

Groeipad

553

66.000

0

Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding

MJR 2014-2019

niet geclosed

553

Totaal

Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid

-18.050

0

18.050

18.050

0

32.911

0

32.911

32.911

0

553

553

553

2016

-18.050

0

18.050

18.050

0

47.718

0

47.718

47.718

0

553

553

553

2017

66.000

22.100

89.180

111.280

0

553

553

553

2019

-18.050

0

18.050

18.050

-18.050

0

18.050

18.050

-22.733 -45.280

66.000

0

88.733

88.733

0

553

553

553

2018

Boordtabel PPS (in duizend euro)

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


Kilometerheffing

Mobiliteit

ACC

Amoras

0 0

MJR 2014-2019

Delta

Delta

MJR 2014-2019

niet geclosed

geclosed

Totaal

0

niet geclosed

Te financieren met meeropbrengsten kilometerheffing.

0

Totaal

geclosed

0

29.000

29.000

2015

Delta Nog geen beslissing.

Op kruissnelheid. In exploitatie.

Groeipad

29.000

0

Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding

MJR 2014-2019

60000 - 80000

29.000

geclosed

niet geclosed

29.000

Totaal

Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid

0

70.000

0

0

0

0

0

29.000

29.000

29.000

2017

0

70.000

1.592

0

1.592

1.592

0

29.000

29.000

29.000

2018

0

70.000

806

0

806

806

0

29.000

29.000

29.000

2019

-70.000 -70.000 -70.000 -70.000

0

70.000

0

0

0

0

0

29.000

29.000

29.000

2016

Boordtabel PPS (in duizend euro)

BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING


Tramverlengingen

Stelplaatsen 3.752 16.569

geclosed

niet geclosed

0

0

4.502

4.502

0

4.444

978

3.466

4.444

2015

Delta

15.193

niet geclosed

Binnen toegekende enveloppe. Het geclosede project slaat op Livan, het niet geclosede op Spartacus. Spartacus kan niet meer opgevangen worden met de huidige enveloppe.

Binnen toegekende enveloppe. Projecten reeds geclosed: stelplaatsen Tongeren, Brugge, Overijse, Zomergem. Voor de stelplaatsprojecten, is er een tekort vanaf het moment dat het project Wissenhage in gebruik zou genomen worden, zijnde eind 2017. Het project zal niet aanbesteed of gegund worden zolang de financiële engagementen niet afgedekt zijn.

Groeipad

4.502

5.785

geclosed

15.274

11.747

Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding

MJR 2014-2019

20.978

Totaal

Delta

MJR 2014-2019

20.320

Totaal

Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid

0

5.560

0

5.560

5.560

0

8.139

4.604

3.535

8.139

2016

0

8.190

2.518

5.671

8.190

0

10.218

6.612

3.606

10.218

2017

-5.704

15.274

15.193

5.785

20.978

-3.521

11.747

11.590

3.678

15.268

2018

-5.819

15.274

15.193

5.900

21.093

-8.573

11.747

16.569

3.752

20.320

2019

Boordtabel PPS (in duizend euro)

Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019


VAC

Bestuurszaken

Tramverlengingen masterplan

0

Delta

15.334

15.334

15.334

17.200

MJR 2014-2019

niet geclosed

geclosed

Totaal

0

15.550

14.450

14.450

2015

Delta

23.903

niet geclosed

14.450

"Brabo I geclosed. Op het moment dat Brabo II in gebruik wordt genomen is er een overschrijding van de enveloppe met 8,4 miljoen euro. 38.353

Groeipad

14.450

14.450

geclosed

30.000

Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding

MJR 2014-2019

38.353

Totaal

Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid

0

15.334

15.334

15.334

0

14.450

14.450

14.450

2016

0

15.334

15.334

15.334

0

14.450

14.450

14.450

2017

0

15.334

15.334

15.334

-8.353

30.000

23.903

14.450

38.353

2018

0

15.334

15.334

15.334

-8.353

30.000

23.903

14.450

38.353

2019

Boordtabel PPS (in duizend euro)

BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

BIJLAGE IV: IMPACT AANBEVELINGEN VAN EUROSTAT

Eurostat heeft verschillende structurele aanbevelingen geformuleerd in het kader van de Upstream dialogue visit van 5-7 maart 2012 die erop gericht zijn het beheer van de statistieken betreffende de overheidsrekeningen en de procedure bij buitensporige tekorten (EDP) aanzienlijk te verbeteren. Deze aanbevelingen werden bevestigd naar aanleiding van de ad hoc visit van 13 en 14 februari 2014. Eén aanbeveling heeft betrekking op de samenstelling en de bijwerking van het register van de diverse entiteiten die tot de publieke en overheidssector behoren. De noodzaak van gedetailleerde, gedocumenteerde kennis van de perimeter van publieke entiteiten is essentieel omdat deze de basisinformatie bevat van de entiteiten waarvoor moet worden geverifieerd of deze bij de overheidssector dienen te worden geconsolideerd (als het niet-marktproducenten zijn) of deze entiteiten buiten de overheidssector vallen. Hiertoe werd een werkgroep perimeter opgericht met als opdracht in een procedure te voorzien die waarborgt dat de perimeter van de publieke entiteiten exhaustief kan worden bepaald en dat er tevens voldoende gegevens beschikbaar komen over publieke entiteiten die niet tot de overheidssector behoren. Deze gegevens dienen het Instituut voor Nationale Rekeningen (INR) toe te laten om te beoordelen of deze entiteiten correct geherclassificeerd zijn en de rapportering aan Eurostat over dergelijke entiteiten te verzorgen Teneinde de overheidsperimeter correct te bepalen dient als eerste stap in het proces het register van de publieke entiteiten opgemaakt en bijgewerkt te worden. Het register van publieke eenheden dient alle entiteiten te omvatten die direct of indirect onder controle van de overheidssector staan. Deze publieke entiteiten kunnen binnen de overheidssector vallen (als het niet-marktproducenten zijn) of buiten de overheidssector (als het marktproducenten zijn). “Onder controle staan van” of “zeggenschap hebben over” wordt gedefinieerd als de mogelijkheid om het algemeen beleid of agenda van de institutionele eenheid te bepalen door het aanwijzen van bestuurders. Volgende criteria worden in aanmerking genomen om het aspect controle door de overheid te beoordelen: •• meer dan de helft van de aandelen van de entiteit bezitten; •• bij instellingen zonder winstoogmerk (IZW), zoals vzw’s of stichtingen worden meer operationele criteria van controle, zoals het aantal publieke mandaten, gebruikt. Voor de opmaak en de bijwerking van het register van publieke vennootschappen dienen alle publieke entiteiten het detail van alle financiële participaties op een gestandaardiseerde wijze over te maken aan het INR: •• Per publieke eenheid wordt voor elke participatie minimaal het ondernemingsnummer van de entiteit waarin de participatie wordt aangehouden, het aantal van de rechtstreeks aangehouden maatschappelijke rechten in de participaties, het percentage van de aangehouden maatschappelijke rechten in het totaal van de participatie en de boekhoudwaarde van de aangehouden participaties gevraagd. Ook de belangen of participaties in rechtspersonen die het statuut hebben van een instelling van openbaar nut of equivalent dienen te worden gerapporteerd.


BIJLAGE IV: IMPACT AANBEVELINGEN VAN EUROSTAT

••

Om in de toekomst een register van publieke ’vzw’s op te maken is het noodzakelijk dat de publieke entiteiten jaarlijks via hun single point of contact een overzicht van hun publieke mandaten overmaken.

In een volgende stap van het proces moet er voor publieke entiteiten die buiten de overheidsperimeter vallen een gestandaardiseerde rapportering komen van de (financiële) informatie die het INR toelaat de sectorclassificatie van dergelijke entiteiten systematisch te onderzoeken. Eurostat vraagt immers aan alle lidstaten om eenmaal per jaar voor de publieke entiteiten die niet tot de overheidssector behoren gedetailleerde informatie door te sturen die aangeeft of deze entiteiten voldoen aan het 50%-criterium dat in de Manual on Government Deficit and Debt wordt gedefinieerd. Dit criterium laat voor een belangrijk deel van de publieke entiteiten toe om quasi-automatisch te bepalen of deze al dan niet marktproducenten zijn (kosten worden voor meer dan 50% gedekt door marktconforme inkomsten). De bevraging door het INR in functie van het hierboven beschreven proces is in het najaar 2013 een eerste maal gelanceerd. Gelet op de korte tijdsspanne werd het detail van de publieke mandaten in instellingen zonder winstoogmerk niet bevraagd. Dit zal in de volgende oefening wel mee genomen worden. Naar aanleiding van de EDP-notificatie van april 2014 werden een eerste reeks van - hoofdzakelijk financiële – entiteiten door het INR als te consolideren beschouwd. Het betreft volgende entiteiten: VLAAMSE PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJ LIMBURGSE RECONVERSIE MAATSCHAPPIJ (LRM) MIJNEN ALGEMENE DIENSTEN VENNOOTSCHAP LRM BEHEER KMOFIN KMOFIN II ARKIMEDES MANAGEMENT ARKIMEDESFONDS II UP 36 NAUTINVEST VLAANDEREN WANDELAAR INVEST NOVOVIL NOVAGORA PMV-TINA SCHOOL INVEST TEXTIEL VLAANDEREN VIA-INVEST VLAAMS INNOVATIEFONDS (VINNOF) VLAAMSE MILIEUHOLDING GIMVINDUS BIOTECH FONDS VLAANDEREN Up 36 Invest Vlaamse Erfgoedkluis Voor de volgende EDP-deadline van 30 september 2014 zal de sectorclassificatie van alle publieke entiteiten in het licht van het ESR 2010 verder bekeken worden met bijzondere aandacht voor enkele belangrijke entiteiten.


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

Daarnaast werden naar aanleiding van de EDP-notificatie van april een aantal PPS-constructies door het INR geherclassificeerd zoals het ‘AMORAS-project’ en de ‘DBFM Scholen voor Morgen’. Deze herclassificatie impliceert dat de bouwkost in rekening dient genomen te worden op het moment van oplevering van de infrastructuur. Uiteraard wordt de aflossing van de kapitaalcomponent in mindering gebracht van de jaarlijks te betalen beschikbaarheidsvergoeding. Tot slot werd in het kader van het onderzoek naar de gedelegeerde opdrachten het rollend Fonds van PMV eveneens geconsolideerd in de Vlaamse rekeningen. Aandachtspunt hierbij is de toewijzing van deze geherclassificeerde entiteiten en verrichtingen aan een beleidsdomein. In het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof – het zgn. Rekendecreet beschikken we door de bepaling in art. 4,§2 over een voldoende rechtsbasis voor het opvangen van deze perimeteruitbreidingen. Vele van voornoemde entiteiten zijn binnen het kader van het economisch instrumentarium opgericht door PMV, en kunnen dus aan het beleidsdomein EWI worden toegewezen. Hoewel de geherclassificeerde PPS-constructies geen rechtsbasis hebben in het Rekendecreet, hebben ze uiteraard impact op de begroting en zullen ze op een gelijkaardige wijze moeten toegewezen worden als de entiteiten die binnen de perimeter Vlaamse overheid vallen.


BIJLAGEV:BESPARINGSMODELOPBASISVANGENORMEERDEUITGAVENGROEIPERBELEIDSDOMEIN

BIJLAGE V: BESPARINGSMODEL OP BASIS VAN GENORMEERDE UITGAVENGROEI PER BELEIDSDOMEIN

a.

Inleiding

In voorbije legislatuur werd gewerkt aan enkele modellen om te komen tot een meer structureel georiënteerd begrotingsbeleid. Een van de methodes om tot dergelijk structureel begrotingsbeleid te komen is het toepassen van een genormeerde uitgavengroei. Voorliggend besparingsmodel vertrekt vanuit dezelfde methodiek van het normeren van de uitgavengroei, maar past deze methodiek toe om te komen tot een besparingsmodel waarbij op basis van de in voorliggende meerjarenraming meegenomen ontvangsten en uitgaven bij constant beleid enerzijds en het toepassen van een verlaging van de uitgavengroei anderzijds een beoogd begrotingsresultaat in een welbepaald begrotingsjaar kan gerealiseerd worden via een doelzoekfunctie. In navolging van het resultaat van voorliggende meerjarenraming, waarbij het zwaartepunt van de budgettaire uitdaging zich in het begrotingsjaar 2016 situeert, wordt in voorliggende bijlage een besparingsscenario naar voor geschoven, waarbij het bij constant beleid voorziene tekort voor de helft wordt weggewerkt via het toepassen van een verlaagde uitgavengroei. Dit scenario, waarbij de beperkte uitgavengroei ook voor de gehele komende legislatuur wordt toegepast, biedt tegelijk ook de mogelijkheid om 1,6 miljard euro aan vrije beleidsruimte te creëren. Gelet op het feit dat de uitgavengroei bij constant beleid per beleidsdomein verschillend is, maakt voorliggend model het niet alleen mogelijk om de uitgaven te normeren op niveau van de Vlaamse overheid, maar ook via een differentiatie van de uitgavengroei per beleidsdomein. Het differentiëren van de uitgavengroei per beleidsdomein, en eventueel ook later via specifieke (clusters van) bevoegdheden, maakt het ook mogelijk om de vooropgestelde besparingsdoelstelling per beleidsdomein conform politieke afwegingen af te bakenen, maar met behoud van de opvolging van het effect op het globale begrotingsresultaat. Het principe van het vooropstellen van een beoogde uitgavengroei per specifieke (clusters van) bevoegdheden biedt ook de mogelijkheid om toekomstige ministers een duidelijk kader te bieden waarin ze hun beleid kunnen ontwikkelen. Deze uitgavennorm zou ook een belangrijke fundamentele breuklijn kunnen betekenen in de verantwoordelijkheden die elke minister dient op te nemen. Naast het opnemen van de verantwoordelijkheid voor het gevoerde beleid, dient er namelijk ook verantwoordelijkheid te worden opgenomen voor de evolutie van de kredieten en aanwending van de beleidsruimte binnen zijn of haar bevoegdheidsdomeinen. Deze verplaatsing van de verantwoordelijkheid van zowel beleid als begroting onder de bevoegdheid van één minister kan een belangrijke stap betekenen in het wegstappen van een loutere inputbegroting naar een meer prestatiegerichte begroting. Logischerwijs kan er ook gewezen worden op onvolkomenheden bij het werken met voorliggend model: Zo worden de genormeerde uitgaven momenteel nog niet afgezet t.o.v. structurele ontvangstengroei. Ook voor


Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019

eenmalige ontvangsten en uitgaven of een eventueel effect van wijzigende inflatie wordt niet automatisch een correctie gemaakt. Dit betekent dan ook dat dit model voorlopig eerder als besparingsmodel dan als dynamisch structureel begrotingsmodel dient beschouwd te worden. Gelet op het gegeven dat de HRF in haar laatste advies voor de gemeenschappen en gewesten binnen Entiteit II een nominaal begrotingsevenwicht voorop stelt, vormt dit gegeven momenteel niet direct een probleem en focust het model in eerste instantie op de doelstelling om een begrotingsevenwicht te helpen bereiken. Indien gewenst, kunnen er logischerwijs nog correcties aan het model worden aangebracht om meer structurele begrotingsbenadering op te zetten.

b.

Uitgangspunten van het model

Het model werkt verder op de betaalkredieten die bij constant beleid ter beschikking worden gesteld aan de diverse beleidsdomeinen. Zie hoofdstuk 3.5. Teneinde de groei van de betaalkredieten niet afhankelijk te maken van de groei van de ESR-ontvangsten van de geconsolideerde entiteiten die normaliter aanleiding geven tot extra betaalkredieten, worden de ESR-ontvangsten van de diverse entiteiten in mindering gebracht van de betaalkredieten bij constant beleid. In feite werkt het model dus niet met de geraamde groei van de betaalkredieten an sich, maar wordt er gewerkt met de groei van de netto-aanwending van de beleidsruimte per beleidsdomein. Deze aanname is van belang om te vermijden dat entiteiten die eigen ontvangsten genereren, zouden gepenaliseerd worden voor deze stijgende ontvangsten. Deze berekening van de groei van de netto-aanwending van de beleidsruimte wordt nog gecorrigeerd op basis van volgende uitgangspunten: •• Voor de bevoegdheden die budgettair gezien in 2015 (en ook in beperkte mate in de jaren erna) overkomen wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de voorziene uitgaven bij constant beleid correct zijn ingeschat in het jaar van budgettaire overdracht van de bevoegdheid. In de jaren na de overkomst van de bevoegdheid wordt de groei van de uitgave logischerwijs meegenomen in de groei van de uitgaven binnen het beleidsdomein. •• De vermindering van de uitgaven in 2014 omwille van de eenmalige vooruitschuif van uitgaven 2014 naar 2013, wordt voor het correct bepalen van de groei van de uitgaven in de cijfers doorgetrokken in de periode 2015-2019.

c.

Resultaat van één van de mogelijke simulaties

In onderstaande tabel V.1 wordt het effect weergegeven van een simulatie waarbij 50% van de benodigde besparing voor het bereiken van een begrotingsevenwicht in 2016 wordt bereikt via een verlaagde groei van de uitgaven. De groei van de uitgaven dient voor de Vlaamse overheid in 2015 en 2016 in zijn geheel globaal beperkt te worden tot 1,7%, terwijl de groei bij constant beleid geraamd wordt op 3,28% in 2015 en 2,28% in 2016. Concreet betekent de beperking van de groei in 2015 tot 1,7% een besparing van 416 miljoen euro in 2015 en een bijkomende 227 miljoen euro in 2016.


BIJLAGEV:BESPARINGSMODELOPBASISVANGENORMEERDEUITGAVENGROEIPERBELEIDSDOMEIN

In voorliggende oefening wordt er nog geen differentiatie van de inspanningen tussen de diverse beleidsdomeinen doorgevoerd. Hierdoor zullen beleidsdomeinen waar de groei bij constant beleid hoog is in verhouding tot hun budgettaire grootte veel dienen te besparen ten opzichte van beleidsdomeinen waar de groei van de betaalkredieten laag is. Bedoeling van voorliggend model bestaat er dan ook in om politiek gezien de discussie te voeren hoe de kredieten voor elk beleidsdomein mogen groeien in de periode 2015-2016, en eventueel ook daarna, rekening houdende met de specifieke groei bij constant beleid voor elk beleidsdomein en zonder de doelstelling van het beperken van de gehele groei tot 1,7% uit het oog te verliezen in de periode 2015-2016. Via toepassing van volgende simulatie wordt er bij het 5 jaar volhouden van een beperking van de groei van de uitgaven met 1,7% een beleidsruimte van 1,7 miljard euro gecreëerd. Deze beleidsruimte wordt logischerwijs nog verder uitgebreid met het structureel effect van eventuele punctuele maatregelen die benodigd zijn om de nog resterende nominale begrotingstekorten weg te werken


1,70% -1.840 1.306

2.176 3.895 1,70% 2.176 3.895

-415.719 -642.477

-415.719 -642.477

Groeifactor laten variëren besparingen 2015 besparingen 2015+2016

-129.619

ESR-ontvangsten Netto-aanwending beleidsruimte ESR-ontvangsten instellingenomgezet in uitgaven 6de Staatshervorming + overnamereg en succ. Eenmalige correcties (vooruitschuif) Onderbenutting FFEU ESR-correcties Correctie DBFM

Vorderingensaldo

2

1,19% 3,18% -0,78% 1,21% 1,00% 1,33%

HERZ 2014 27.500.107 26.333.759 1.473.552 -593.405 98.322 -5.167 -322.665

Scenario

-1.840 1.306

0,83% 0,02% 0,40% 0,41% 0,32% 3,00%

2,45% 3,28% 2,28% 2,19% 2,05% 2,44%

0

0

10.730.754

BZ

1,70% -18.081 -64.917

-18.081 -64.917

EWI

OV

WVG

-546.413

CJSM

WSE

0

1,70% -721 10.068

-721 10.068 1,70% 20.715 61.615

20.715 61.615

0,04% -0,04% -1,69% -2,55% 2,76% 1,74%

3.425 2,59% 2,93% 2,45% 2,56% 2,26% 2,77%

1,70% 1,70% -140.824 -47.770 -228.444 -125.828

-140.824 -47.770 -228.444 -125.828

1,70%

2,36% 3,00% 2,46% 2,14% 1,78% 2,40%

0 6.372.487

-642.477

339.441

566.655

1.671.141

3,59% 9,40% 2,47% 2,40% 1,75% 1,95%

MOW

RWO

3,54% 6,46% 2,31% 3,03% 2,62% 3,30%

29.501

1,70% 1,70% -3.652 -31.076 -10.204 -36.030

4,27% 8,29% 3,38% 2,82% 3,47% 3,41%

1,70% 1,70% 32.502 -48.504 94.123 -92.207

32.502 -48.504 94.123 -92.207

0,66% 0,46% -0,61% 0,71% 1,07% 1,68%

3.715 1.750.502

653.174 2.625.647 736.692

LNE

-3.652 -31.076 -10.204 -36.030

1,94% 4,08% 5,48% 2,11% -1,09% -0,90%

12.016

153.524

LV

reset

50%

Hoe bereiken van nominaal evenwicht in 2016? Duid aan hoeveel van de inspanning via verlaagde groei dient te gebeuren (in %)

1,70% 1,70% -16.405 -116.558 -18.777 -150.619

-16.405 -116.558 -18.777 -150.619

1,61% 3,23% 1,89% 1,59% 0,62% 0,73%

0 2.502.567

184.866 1.191.132 10.846.451 3.892.624 1.076.259 1.513.649

IV

4,87% -0,68% 6,96% 2,09% 13,26% -4,02% 4,87% -1,77% -1,95% 0,03% 1,21% 0,26%

34.983

343.737

FB

1 = constant beleid; 2= groeifactor evenwicht 2016; 3=differentiatie per beleidsdomein 2015 2016 2017 2018 2019 38.564.676 39.315.558 40.854.033 41.716.338 43.506.033 26.781.856 38.150.926 39.363.120 40.032.925 40.732.132 1.438.183 1.511.211 1.583.169 1.602.880 1.623.269 10.730.754 553.597 17.704 100.000 100.000 100.000 100.000 100.000 -610.190 -641.836 -661.677 -679.978 -701.664 104.000 109.000 114.000 119.000 124.000 -5.166 -5.164 -5.162 -5.160 -5.157 -571.652 -180.301 -21.141 37.688 37.688

1,70% -45.681 -86.459

-45.681 -86.459

3,19% 3,30% 3,04% 3,21% 3,41% 2,97%

21.558

124.246 2.862.217

129.542

DAR

26.333.759

HE

Netto-aanwending beleidsruimte bij HERZ 2014 Toename uitgaven door 6e staatshervorming in 2015 Groeifactor bij constant beleid 2014 -2019 2014 - 2015 2015 - 2016 2016 - 2017 2017- 2018 2018 - 2019 Groeifactor voor bereiken van een evenwicht in 2016 via 50%-besparing via verlaagde uitgavengroei. besparingen 2015 besparingen 2015+2016

TOTAAL

Tabel V.1: Simulatie begrotingsmodel – Bereiken van 50% van benodigde besparing in 2016 via beperken uitgavengroei


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook