Skip to main content

AR-AR-ADV-2021-012.pdf

Page 1

Algemene Raad 17 december 2020 AR-AR-ADV-2021-012

Advies over de conceptnota ‘Onderwijsinternaten, een plaats binnen de samenleving’

Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be


Advies op vraag van Ben Weyts, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand op 13 november 2020 Uitgebracht door de Algemene Raad op 17 december 2020 met eenparigheid van stemmen Voorbereiding: werkgroep Onderwijsinternaten op 26 november 2020, 4 december 2020 en 9 december 2020 onder voorzitterschap van Hilde Timmermans Dossierbeheerder: Simon Grymonprez

Vlaamse Onderwijsraad – Koning Albert II-laan 37 – BE-1030 Brussel – info@vlor.be – www.vlor.be


1 Situering Met de conceptnota ‘Onderwijsinternaten, een plaats binnen de samenleving’ bereidt onderwijsminister Ben Weyts, een nieuw regelgevend kader voor de onderwijsinternaten en hun internen voor. De conceptnota beoogt een hedendaagse en coherente regelgeving om de uitdagingen van de internaten tegemoet te treden.

2 Algemene opmerkingen bij de conceptnota De Vlor apprecieert de inspanning van de minister om de onderwijsinternaten uit de marge te halen. Daarbij schenkt de minister terecht aandacht aan de grote diversiteit tussen de internaten. Anderzijds is het nog niet duidelijk wat de precieze gevolgen van de conceptnota voor de internaten zijn.

2.1 Internaten tussen Onderwijs en Welzijn De conceptnota behandelt de onderwijsinternaten en hun internen (de ‘onderwijszoekenden’). Daarbovenop werkt de minister samen met het beleidsdomein Welzijn aan een tweede conceptnota voor internaten en internen op het snijvlak van Onderwijs en Welzijn. De Vlor waarschuwt dat er geen spreidstand mag ontstaan tussen de twee. Beide processen moeten in het belang van de internen op elkaar afgestemd zijn. De Vlor vraagt aandacht voor die complexiteit binnen het internatenlandschap en vraagt dat elke jongere steeds beroep kan doen op een passende setting. ¬ Er zijn diverse redenen waarom jongeren in internaten verblijven. Soms bevinden ze zich in een grijze zone: in de MPIGO’s zitten bijvoorbeeld jongeren die uit huis geplaatst zijn omwille van de thuiscontext, niet omdat er een kindgerelateerd probleem zou zijn. ¬ ‘Gewone’ onderwijsinternaten kunnen zonder therapeutisch te worden ook een meerwaarde betekenen voor jongeren met bepaalde zorgnoden. Structuur bieden kan soms voldoende zijn. ¬ Er kan ook geen kunstmatige opsplitsing bestaan tussen ‘gewone’ internen en jongeren die ondersteuning nodig hebben vanuit de jeugdhulp. Er is nood aan een duidelijke rolomschrijving, maar ook aan afstemming, uitwisseling en samenwerking vanuit een gedeelde zorg voor de jongeren.

2.2 Overeenstemming met het Referentiekader voor internaatskwaliteit (RiK) en het decreet betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp De Vlor juicht toe dat de conceptnota vertrekt vanuit het Referentiekader voor Internaatskwaliteit (RiK). Dat werd in het schooljaar 2018-2019 ontwikkeld door de overheid in samenwerking met de sector en ‘beschrijft de maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van internaten waarover zowel belanghebbenden als betrokkenen het eens zijn’. Het RiK werd expliciet opgesteld als leidraad voor het nemen van overheidsengagementen die internaten in staat moeten stellen om de maatschappelijke verwachtingen uit het referentiekader te realiseren.

1


Hoewel de conceptnota wel naar het RiK verwijst als vertrekpunt voor de beleidsontwikkeling zijn een aantal elementen uit het kader er niet in terug te vinden:

¬ ¬ ¬ ¬

Kwaliteitsverwachting 2: Het internaat streeft bij alle internen en medewerkers naar welbevinden, betrokkenheid en tevredenheid, naar tevredenheid en betrokkenheid van ouders, en tevredenheid van andere relevante partners; Kwaliteitsverwachting 7: Het internaatsteam en de internen creëren samen een positief en stimulerend internaats- en groepsklimaat, waar diversiteit gewaardeerd wordt; Kwaliteitsverwachting 14: Het internaatsteam overlegt met de internen, de ouders, de school en andere relevante partners en stuurt het begeleidingsproces bij op basis van feedback; Kwaliteitsverwachting 16: Het internaat stuurt de internaatswerking aan op vlak van cultuur, structuur, participatie en responsiviteit.

Het ontbreken van die kwaliteitsverwachtingen is verwarrend. De Vlor vraagt dat hiermee rekening wordt gehouden bij de uitwerking van het ontwerpdecreet en vraagt om de volle breedte van het RiK te gebruiken. Behalve het RiK kan volgens de Vlor ook het decreet betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp (DRM) een inspiratiebron zijn voor de uitwerking van het decretale kader voor onderwijsinternaten.

2.3 Overgangsbepalingen De minister wil snel werk maken van een nieuw decreet, dat vanaf schooljaar 2021-2022 moet geïmplementeerd worden. Dat vooropgestelde tijdspad is erg krap. De Vlor vraagt dat de overheid in samenspraak met de sector de nodige overgangsbepalingen naar een nieuw regelgevend kader voorziet, onder meer met betrekking tot omkadering en infrastructuur. Alle actoren moeten tijdig en afdoende geïnformeerd worden. Daarbovenop moet het werkveld de tijd krijgen om het decreet naar behoren te kunnen implementeren.

3 De zes uitgangspunten van een nieuw onderwijsinternatendecreet De Vlor kan zich vinden in de geformuleerde uitgangspunten. De Vlor benadrukt het belang van de autonomie van de internaten. Het zijn zelfstandige organisaties met een eigen pedagogisch project. Daarvoor verdienen ze voldoende middelen en omkadering. Tegelijk zijn internaten geen eilanden. Het moet mogelijk worden om deel te zijn of te blijven van een groter geheel als een scholengroep of scholengemeenschap of om samen te werken met scholen, CLB’s, ondersteuningsnetwerken of externe welzijnspartners.

4 De deelthema’s van de conceptnota 4.1 Erkenningsvoorwaarden De Vlor kan zich vinden in de geformuleerde erkenningsvoorwaarden, maar vestigt de aandacht op het feit dat veel onderwijsinternaten vandaag binnen een verouderde infrastructuur

2


functioneren. In sommige internaten bevinden zich bijvoorbeeld nog slaapzalen, terwijl gestreefd wordt naar één kamer per interne. Dat is een pijnpunt dat niet van vandaag op morgen is weggewerkt. Als de overheid aangepaste infrastructuur wil – met daarbij aandacht voor universeel ontwerp en preventie van grensoverschrijdend gedrag – dan is een serieuze inhaalbeweging nodig. De financiering en subsidiëring van internaatinfrastructuur moet, in het belang van de interne, herbekeken worden. Elke interne, waar die zich ook bevindt, verdient degelijke infrastructuur.

4.2 Rechten van ouders en kinderen 4.2.1

De inschrijvingscode

De overheid geeft duidelijk aan dat internaten als door de overheid gefinancierde/gesubsidieerde dienstverleners een verantwoordelijkheid dragen voor de gehele doelgroep van die gefinancierde/gesubsidieerde dienstverlening. Internaten vallen, net als scholen, onder het VNVerdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Er geldt dus ook een recht op redelijke aanpassingen. De Vlor erkent dit kader. De Vlor is evenwel geen vragende partij voor een absoluut inschrijvingsrecht. De raad apprecieert het feit dat de overheid samen met de sector wil bepalen in welke mate, en onder welke condities, het bestuur de doelgroep van het eigen onderwijsinternaat kan afgrenzen. Voor een gezond evenwicht formuleert de Vlor volgende uitgangspunten: ¬ Internaten hebben aandacht voor een kwaliteitsvol inschrijvingsbeleid waarin rekening wordt gehouden met het feit dat elke interne een kwaliteitsvolle begeleiding verdient; ¬ Rekening houdend met een gezond evenwicht en zonder het totaalplaatje uit het oog te verliezen, moeten internaten tot zekere hoogte via hun pedagogisch project zelf kunnen bepalen welk doelgroep van internen ze beogen. Ze kunnen bijvoorbeeld kiezen om zich te richten tot leerlingen uit een bepaald onderwijsniveau (kleuter, lager of secundair onderwijs) of tot de leerlingen van een specifieke school; ¬ Als internaten een inschrijving weigeren, moeten ze dit op een ernstige manier kunnen motiveren naar de ouders en de interne toe; ¬ Veel jongeren hebben een zorgnood. Dat opvangen met de huidige middelen is niet altijd mogelijk. Een extra budgettaire impuls die bepaalde categorieën een hogere omkadering geeft, is broodnodig. Op die manier kunnen internaten beter aan de groeiende zorgnoden tegemoet komen. Daarmee kunnen ze dan ook rekening houden bij inschrijving; ¬ Kinderen uit de jeugdhulp kunnen zeker een plaats hebben binnen de onderwijsinternaten. Stigmatisering van die doelgroep moet vermeden worden. 4.2.2

Onderwijsinternaatreglement

De geformuleerde minimale inhoud van het internaatreglement vormt een goede basis, maar de Vlor vindt dat een aantal zaken ontbreken: ¬ De plaats voor inspraak en participatie van internen en ouders; ¬ Een regeling rond onbetaalde facturen; ¬ Een regeling rond schorsing en uitsluiting; ¬ Een klachtenprocedure die helder naar ouders en leerlingen wordt gecommuniceerd.

3


In de conceptnota ontbreekt bovendien een wederzijds engagement tussen internaten en ouders. Daarbij horen rechten, maar ook plichten: ¬ Ouders moeten instemmen met het pedagogisch project van het internaat; ¬ In het kader van leerlingenbegeleiding moeten er duidelijke afspraken worden gemaakt tussen internen, ouders, internaten en derde partners (zoals een school of CLB) rond informatie-uitwisseling. Ouders en internen moeten daarbij voldoende eigenaarschap behouden. Daarbij is ook de GDPR-wetgeving een aandachtspunt. De Vlor vraagt aan de overheid om daarvoor een duidelijk kader te voorzien; ¬ De Vlor stelt voor om te werken met een engagementsverklaring, zoals die in scholen onderdeel is van het schoolreglement. De engagementsverklaring faciliteert wederzijdse communicatie en goede afspraken tussen ouders en internen over studie, welbevinden en sociaal contact. Onder het punt financiële regeling stelt de conceptnota het volgende: ‘De regeling wanneer er geen gebruik gemaakt wordt van het internaat (door ziekte van de interne, overmacht …)’. Het is belangrijk dat er ook een financiële regeling is wanneer geen gebruik kan gemaakt worden van het internaat zoals bij tuchtmaatregelen.

4.3 De financierings- en subsidiëringsvoorwaarde De minister stelt voor om de programmatie- en rationalisatienormen te baseren op het volume omkadering dat het onderwijsinternaat genereert. De Vlor kan zich daarin vinden, maar stelt vast dat de ‘kritische massa’ voor een zinvolle- en kwaliteitsvolle werking niet wordt gedefinieerd. Bijgevolg is het onmogelijk om de precieze weerslag op de internaten in te schatten. De overheid wil ‘al te kleine irrationale entiteiten’ vermijden, maar stelt nog geen exacte programmatie- en rationalisatienorm op. De Vlor is dan ook erg bezorgd dat ‘kleine’ internaten zouden verdwijnen. ‘Kleine’ internaten betekenen voor veel jongeren immers een grote meerwaarde: ze kunnen door hun kleinschaligheid voor veel internen juist een thuis betekenen. Zeker voor kwetsbare gezinnen is die nabijheid erg belangrijk. ‘Kleine’ internaten omvormen tot vestigingsplaatsen van een groter geheel is zeker niet overal een goede oplossing.

4.4 Omkadering, toekenning en aanwending De Vlor kan zich globaal vinden in de nieuwe manier waarop de omkadering wordt toegekend. Hij merkt wel op dat de grootorde van een omkaderingseenheid (ORE) allesbepalend zal zijn. Daarom is het onmogelijk om op dit moment de impact op de internaten in te schatten. Het gewicht dat aan een ORE wordt gegeven stuurt immers de keuze om veel of weinig te differentiëren. De Vlor merkt nog op dat: ¬ er beter enige reserve wordt ingebouwd om onverwachte omstandigheden op te vangen of om elders extra zorg of begeleiding te geven indien nodig; ¬ de categorie ‘kleuters’ beter wordt verruimd naar ‘leerlingen basisonderwijs’.

4.5 Personeelsmaterie De Vlor vindt het een goede zaak dat de overheid de internaten als zelfstandige organisaties met een eigen leidinggevende wil zien.

4


4.6 Werkingsmiddelen De Vlor kan zich vinden in het geformuleerde voorstel, uitgezonderd het voorstel om te differentiëren naar beperking, redelijke aanpassingen, sociale correctie en leeftijd. In het werkingsbudget is dat niet noodzakelijk, in het personeelsbestand wel. De Vlor wil de aandacht vestigen op de volgende aspecten: ¬ Een van de gevaren van werkingsmiddelen is dat ze verdwijnen in de grotere entiteit waar een internaat deel van is. Werkingsmiddelen die aan een internaat toegekend worden, moeten ook effectief door het internaat aangewend worden; ¬ Er is vaak te weinig onderhoudspersoneel ten dienste van de internaten. Er moeten voldoende werkingsmiddelen zijn om MVD-personeel tewerk te stellen. Dat personeel speelt vaak ook een belangrijke rol in de emotionele ondersteuning van jongeren, omdat ze fungeren als laagdrempelige en informele vertrouwenspersonen; ¬ De Vlor vraagt voldoende middelen om in onderhoud van gebouwen te voorzien, renovaties uit te voeren en leningen te verkrijgen. Met betrekking tot het kostgeld vraagt de Vlor om de autonomie van de internaten te respecteren. Internaten moeten helder en transparant over de kostprijs communiceren, waarbij ze in het internaatreglement het onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte kosten duidelijk maken voor ouders en internen.

4.7 Kwaliteit en toezicht De Vlor kan zich vinden in het kwaliteitskader en de rol van de Onderwijsinspectie. Daarom vraagt de raad om naast controle ook in begeleiding te investeren. Om deze rol waar te maken moeten voor zowel de Onderwijsinspectie als de begeleiding extra middelen voorzien worden. De Vlor vraagt ook de garantie dat er na de eerste drie schooljaren na de inwerkingtreding van het decreet blijvende middelen voor professionalisering blijven bestaan.

5


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
AR-AR-ADV-2021-012.pdf by Vlaanderen-be - Issuu