RAPPORT STATISTIEK VLAANDEREN, 2022/4
DE VLAAMSE HOOGTECHNOLOGISCHE SECTOR IN KAART GEBRACHT THIERRY VERGEYNST
INHOUD SAMENVATTING
3
INLEIDING
5
1
AFBAKENING VAN DE HT-SECTOR
7
2
TRADITIONELE BESCHRIJVING VAN DE HT-SECTOR
11
2.1 Bruto toegevoegde waarde
11
2.2 Werkgelegenheid
14
2.3 Arbeidsproductiviteit
16
2.4 Loonkost per eenheid product
17
2.5 Kostenstructuur
18
2.6 Internationale vergelijking
21
3
27
INPUT-OUTPUTANALYSE
3.1 Algemene bruto toegevoegde waarde- en werkgelegenheidseffecten
29
3.1.1 Bruto toegevoegde waarde
30
3.1.2 Werkgelegenheid
32
3.2 Opwaartse en afwaartse stromen
34
3.3 Bruto toegevoegde waarde- en werkgelegenheidseffecten per component van de finale vraag
37
BESLUIT
40
LITERATUURLIJST
42
BIJLAGEN
43
DE VLAAMSE HOOGTECHNOLOGISCHE SECTOR IN KAART GEBRACHT THIERRY VERGEYNST
SAMENVATTING Dit rapport brengt de Vlaamse hoogtechnologische sector in kaart. Dat gebeurt vooreerst op basis van de traditionele statistieken gebaseerd op de regionale rekeningen. Daaruit blijkt dat het aandeel van de Vlaamse hoogtechnologische sector (HTsector) in de totale economie vrijwel constant is gebleven tussen 2010 en 2019. Maar dat verhult een tanend belang van de medium-hoogtechnologische industrie ten voordele van de hoogtechnologische industrie en diensten. Europees gezien scoort het Vlaamse Gewest op hetzelfde niveau als de middenmoot van de EU-landen (voor bruto toegevoegde waarde) of
net onder het EU-gemiddelde (voor werkgelegenheid), vooral door een zwakkere industriële component. In een tweede deel van het rapport wordt door middel van een inputoutputanalyse op basis van de interregionale input-outputtabel (RIOT) 2015 een meer omvattend beeld geschetst van de positie van de HT-sector in de totale economie. De RIOT laat toe om de onderlinge relaties tussen de HT-sector en de rest van de economie in kaart te brengen, wat een vollediger beeld van het belang van de HT-sector mogelijk maakt. Uit de analyse blijkt dat door de verwevenheid van de HT-sector in de Vlaamse economie de sector belangrijker is dan uit de regionale rekeningen blijkt. De HTsector is bij uitstek exportgericht.
INLEIDING Vlaanderen heeft een welvarende economie. Dat blijkt onder meer uit het bbp per inwoner dat in 2021 24% boven het EU27-gemiddelde lag. De toevoeging van arbeid en kapitaal of het zoeken naar efficiëntiewinsten vormden in het verleden de belangrijkste groeimotor. Nu kan de Vlaamse economie zich vooral verder ontwikkelen door innovatiegedreven groei en zo de concurrentie met andere ontwikkelde economieën aangaan (Devoldere, 2014). In dat verband geniet de hoogtechnologische sector (HT-sector) bijzondere aandacht. Het gaat om bedrijfstakken in de industrie met relatief veel onderzoek en ontwikkeling of bedrijfstakken in de diensten met een hoog aandeel tertiair opgeleiden. De HT-sector is niet alleen belangrijk in termen van bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid, maar ook voor zijn rol ten aanzien van andere bedrijven: toeleveranciers moeten kunnen voldoen aan specifieke vereisten (Peeters, 1998). Dat creëert een zekere specialisatie in de bredere economie en daardoor mogelijk een concurrentievoordeel. Dit rapport brengt de HT-sector in het Vlaamse Gewest in kaart. Daarbij wordt telkens de vergelijking gemaakt met de andere 2 gewesten in België en België in zijn geheel. Vooreerst komt een beschrijving van de HT-sector aan bod aan de hand van de traditionele statistieken gebaseerd op de regionale rekeningen. Hoeveel bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid schept de HT-sector rechtstreeks en wat is het aandeel van de sector in de totale economie? Hoe arbeidsproductief is de sector? Ook de loonkost per eenheid product als competitieve indicator komt aan bod. Aan de hand van de interregionale input-outputtabel voor het jaar 2015 (RIOT 2015) wordt vervolgens
de kostenstructuur van de HTsector belicht: hoe belangrijk zijn de loonkosten, belastingen, leveringen uit binnen- en buitenland? Sluitstuk van het eerste deel is een internationale vergelijking: hoe situeert de HTsector in de Belgische gewesten zich in vergelijking met de landen van de Europese Unie? In een volgende deel wordt door middel van een input-outputanalyse op basis van de RIOT 2015 een meer omvattend beeld geschetst van de positie van de HT-sector in de totale economie. Door het in rekening brengen van de toelevering van en naar de HTsector wordt duidelijk hoeveel bruto toegevoegde waarde voor en door deze sector geproduceerd wordt en hoeveel werkgelegenheid er voor en door de sector wordt ingezet om te voldoen aan de finale vraag. Een vergelijking met de bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid in de regionale rekeningen laat het reële belang zien dat de HT-sector inneemt in de hele economie. Ook gaat de analyse dieper in op welke bedrijfstakken vooral zorgen voor de bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid van de HT-sector en – omgekeerd – voor welke bedrijfstakken de HT-sector vooral aan de slag is. Ten slotte komt aan bod welk aandeel de verschillende componenten van de finale vraag (consumptie, investeringen, uitvoer) hebben in de bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid voor de HT-sector. Het gebruik van de RIOT is een nieuwe aanvulling op de bestaande traditionele analyses uit de regionale rekeningen. De RIOT laat toe om de onderlinge relaties tussen de HT-sector en de rest van de economie in kaart te brengen, wat een meer omvattend beeld van het belang van de HT-sector mogelijk maakt. Nadeel is wel dat de RIOT niet jaarlijks beschikbaar is, maar beperkt is tot een éénmalige momentopname in de tijd (2015).
5
1.
AFBAKENING VAN DE HT-SECTOR 1
Het Europese statistiekbureau Eurostat maakt gebruik van een typologie van bedrijfstakken die toelaat de HT-sector in kaart te brengen. Dat maakt vergelijkingen tussen regio’s en landen mogelijk. De typologie heeft echter ook een aantal nadelen. Zo wordt enkel één maatstaf per sector gebruikt (O&O voor de industrie en scholingsniveau voor de diensten) en gaat het om een gemiddelde classificatie voor de Europese Unie, terwijl het HT-karakter van een bepaalde bedrijfstak van land tot land kan verschillen. Een werkgroep van het Interfederaal Instituut voor de Statistiek (IIS) kwam echter tot de conclusie dat de nadelen niet opwegen tegen de voordelen om van deze Eurostat-indeling af te wijken. Zo werd het spoor van de Community Innovation Survey (CIS) onderzocht, maar omdat de vragenlijsten niet stabiel zijn over de tijd, niet jaarlijks ter beschikking komen, er problemen zijn met de vertrouwelijkheid van gegevens en ook moeilijkheden met de internationale vergelijkbaarheid, werd deze alternatieve piste niet weerhouden. De Eurostat-indeling blijft een waardevolle en veelgebruikte invalshoek om de HT-sector te typeren. Eurostat hanteert een classificatie van de industrie volgens technologie-intensiteit gebaseerd op de O&O-uitgaven in verhouding tot de bruto toegevoegde waarde. De fijnste indeling is op NACE 3-digitniveau en omvat volgende 4 klassen: -
de de de de
hoogtechnologische industrie medium-hoogtechnologische industrie medium-laagtechnologische industrie laagtechnologische industrie.
Verder heeft Eurostat ook een indeling van de dienstensector met kennisintensief karakter. Het gaat om bedrijfstakken waar het aandeel personen met tertiair scholingsniveau meer dan een derde bedraagt van de totale tewerkstelling. De indeling gebeurt op NACE 2-digitniveau: -
de de de de
high-tech kennisintensieve diensten kennisintensieve marktdiensten kennisintensieve financiële diensten andere kennisintensieve diensten.
In dit rapport wordt de hoogtechnologische sector (HT-sector) gedefinieerd als de 2 industrietakken met het hoogste technologische
7
karakter (hoogtechnologisch en medium-hoogtechnologisch) en de hightech kennisintensieve diensten. Het gaat om de som van de volgende NACE-categorieën: -
-
-
De hoogtechnologische industrie (HT-industrie): o NACE 21 Farmacie o NACE 26 Informaticaproducten, elektronische en optische producten o NACE 30.3 Lucht-, en ruimtevaarttuigen en toestellen in verband daarmee. De medium-hoogtechnologische industrie (MHT-industrie): o NACE 20 Chemie o NACE 25.4 Wapens en munitie o NACE 27 Elektrische apparatuur o NACE 28 Machines, apparaten en werktuigen o NACE 29 Motorvoertuigen, aanhangwagens en opleggers o NACE 30 Andere transportmiddelen exclusief NACE 30.1 Scheepsbouw en NACE 30.3 Lucht-, en ruimtevaarttuigen en toestellen in verband daarmee o NACE 32.5 Medische en tandheelkundige instrumenten. De high-tech kennisintensieve diensten (HT-diensten): o NACE 59 Films, video- en televisieprogramma’s, geluids- en muziekopnamen o NACE 60 Programmeren en uitzenden van radio- en televisieprogramma’s o NACE 61 Telecommunicatie o NACE 62 Computerprogramma’s, -consultancy en aanverwante activiteiten o NACE 63 Dienstverlenende activiteiten op het vlak van informatie o NACE 72 Speur- en ontwikkelingswerk.
Probleem is echter dat in de in dit rapport gebruikte bronnen niet alle variabelen (bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid) beschikbaar zijn op NACE 3-digitniveau. In de regionale rekeningen is NACE 2-digit het laagst beschikbare niveau. In de RIOT 2015 gaat het om SUT-bedrijfstakken1, die zich situeren tussen het NACE 2- en 3-digitniveau. Voor die paar bedrijfstakken waar het NACE 3-digitniveau ontbreekt, kan een raming gemaakt worden aan de hand van gegevens van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) over lonen en werknemers. Die gegevens zijn op NACE 3-digitniveau beschikbaar. De raming gebeurt als volgt: de bruto toegevoegde waarde op NACE 2-digitniveau wordt verdeeld over de NACE 3-digits in verhouding tot het aandeel van de desbetreffende NACE 3-digit
1
Dat is een niveau dat gehanteerd wordt in de aanbod- en gebruikstabellen (supply and use tables of SUT), een tussenstap om tot een input-outputtabel te komen.
in de NACE 2-digit van de RSZ-loonmassa. Voor de werkgelegenheid op NACE 2-digitniveau is de raming analoog, maar dan volgens het aantal loontrekkenden bij de RSZ beschikbaar op NACE 3-digitniveau. Voor de internationale vergelijking gebeurt de omschrijving van de HT-sector wel op NACE 2-digitniveau. Dat moet wel, gezien de beschikbaarheid van gegevens internationaal. Op dat niveau is de omschrijving van de betrokken industriële categorieën als volgt: -
-
De hoogtechnologische industrie (HT-industrie): o NACE 21 Farmacie o NACE 26 Informaticaproducten, elektronische en optische producten. De medium-hoogtechnologische industrie (MHT-industrie): o NACE 20 Chemie o NACE 27 Elektrische apparatuur o NACE 28 Machines, apparaten en werktuigen o NACE 29 Motorvoertuigen, aanhangwagens en opleggers o NACE 30 Andere transportmiddelen.
Het recentst beschikbare jaar in de regionale rekeningen is 2019 voor de bruto toegevoegde waarde en 2020 voor de werkgelegenheid. Er zal vergeleken worden met de periode vanaf 2010. De data op basis van de interregionale input-outputtabel is enkel beschikbaar voor 1 jaar, met name 2015.
9
2.
TRADITIONELE BESCHRIJVING VAN DE HT-SECTOR 2
2.1 BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE De traditionele statistieken uit de regionale rekeningen laten toe om de HT-sector economisch te situeren. Dit datamateriaal is al jaren voorhanden en krijgt jaarlijks een update. Er wordt hier eerst ingegaan op de bruto toegevoegde waarde. De bruto toegevoegde waarde van de HT-sector in het Vlaamse Gewest was in 2019 goed voor 29,5 miljard euro. Dat komt overeen met 11,9% van de totale Vlaamse economie (tabel 1 en bijlage 1). Tabel 1. Bruto toegevoegde waarde van de HT-sector Belgische gewesten en België, 2010 en 2019, in % van de totale bruto toegevoegde waarde VLAAMS GEWEST 2010 2019
WAALS GEWEST 2010 2019
BRUSSELS GEWEST 2010 2019
BELGIË 2010 2019
HT-industrie Farmacie Informatica- en elektronische producten Lucht- en ruimtevaarteproducten Totaal
1,1 0,5
2,1 0,5
4,4 0,3
5,4 0,4
0,5 0,0
0,3 0,0
1,8 0,3
2,5 0,4
0,0 1,6
0,0 2,6
0,4 5,1
0,7 6,5
0,1 0,7
0,1 0,4
0,1 2,3
0,2 3,1
MHT-industrie Chemie Wapens en munitie Elektrische apparatuur Machines en apparaten Motorvoertuigen Andere transportmiddelen Medische apparatuur Totaal
3,1 0,0 0,7 1,2 1,2 0,1 0,1 6,4
2,8 0,0 0,3 1,2 0,7 0,0 0,1 5,2
1,9 0,1 0,7 1,0 0,2 0,0 0,1 3,9
1,4 0,2 0,4 0,4 0,1 0,0 0,1 2,6
0,5 0,0 0,0 0,2 0,5 0,0 0,0 1,2
0,2 0,0 0,0 0,0 0,5 0,0 0,0 0,8
2,3 0,0 0,5 1,0 0,8 0,0 0,1 4,8
2,0 0,0 0,3 0,8 0,6 0,0 0,1 3,8
0,3
0,3
0,2
0,2
1,3
1,1
0,5
0,4
1,1 1,8 0,3 3,5
0,9 2,7 0,2 4,1
1,5 1,0 0,3 3,0
0,6 1,5 0,6 3,0
4,3 2,2 0,2 7,9
3,4 2,7 0,2 7,4
1,8 1,7 0,2 4,2
1,3 2,4 0,3 4,4
11,5
11,9
12,0
12,1
9,8
8,6
11,3
11,3
HT-diensten Films en Radio- en TV programma’s Telecommunicatie Computer- en informatiediensten Wetenschappelijk onderzoek Totaal Totaal HT-sector Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
11
Naar deelcategorie was de HT-industrie in 2019 goed voor 2,6% van de Vlaamse bruto toegevoegde waarde, de MHT-industrie voor 5,2% en de HT-diensten voor 4,1%. Op het niveau van de bedrijfstakken zijn er 3 sterkhouders van de Vlaamse HT-sector: de chemie (2,8%), de computer- en informatiediensten (2,1%) en de farmacie (2,1%). In 2010 stond de Vlaamse HT-sector in voor 11,5% van de bruto toegevoegde waarde in het Vlaamse Gewest. Dat aandeel ligt slechts beperkt lager dan in 2019. Op het niveau van de HT-categorieën zijn er wel opvallende wijzigingen: de aandelen van de HT-industrie en de HT-diensten zijn toegenomen tussen 2010 en 2019 (1,9% en 3,5% in 2010), voornamelijk omwille van de farmacie en de computer- en informatiediensten. Het aandeel van de MHT-industrie is afgenomen (6,5% in 2010), voornamelijk door de afname van het belang van de bedrijfstakken van de motorvoertuigen, chemie en elektrische apparatuur. Figuur 1 toont de evolutie van de bruto toegevoegde waarde in lopende prijzen: voor de categorieën van de HT-industrie en de HT-diensten is er een duidelijke toename tussen 2010 en 2019. Die toename is veel lager bij de MHT-industrie. Figuur 1. Bruto toegevoegde waarde in de HT-sector naar deelcategorie Vlaams Gewest, 2010-2019, in miljoen euro (lopende prijzen) HT-industrie
MHT-industrie
HT-diensten
14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0 2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
De HT-sector is in het Waalse Gewest iets sterker vertegenwoordigd in de bruto toegevoegde waarde (12,1% in 2019) dan in het Vlaamse Gewest. Er zijn vooral verschillen met het Vlaamse Gewest voor de onderscheiden deelcategorieën. De HT-industrie is er belangrijker met 6,5% van de totale Waalse bruto toegevoegde waarde in 2019. In absolute cijfers is de HTindustrie in het Waalse Gewest zelfs iets groter dan in het Vlaamse Gewest (6,5 miljard euro tegenover 6,4 miljard euro). Vooral de farmacie is in het Waalse Gewest relatief sterk vertegenwoordigd (6,5%). De MHT-industrie en de HT-diensten maken in het Waalse Gewest een minder groot deel uit van
de bruto toegevoegde waarde (2,6% en 3,0%) dan in het Vlaamse Gewest. Tussen 2010 en 2019 bleef het aandeel van de Waalse HT-sector in de bruto toegevoegde waarde ongeveer gelijk (12,0% in 2010). In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest had de HT-sector in 2019 een aandeel van 8,6% in de bruto toegevoegde waarde. Dat is vooral een zaak van de HT-diensten (7,4%). De HT- en de MHT-industrie zijn er veel minder belangrijk (0,4% en 0,8%). De telecommunicatie (3,4%) en de computer- en informatiediensten (2,7%) zijn de sterkhouders van de Brusselse HT-sector. In mindere mate geldt dat ook voor de films, radio- en TV-programma’s (1,1%). Het aandeel van de Brusselse HT-sector in de totale bruto toegevoegde waarde was hoger in 2010 (9,8%) dan in 2019. Figuur 2 geeft de spreiding weer van de HT-sector naar deelcategorie in de Belgische gewesten volgens de bruto toegevoegde waarde. Figuur 2. Spreiding van de bruto toegevoegde waarde naar deelcategorie van de HT-sector Belgische gewesten, 2019, in % HT-industrie
MHT-industrie
HT-diensten
100
80
21,7
60
40
24,6
34,6
86,2 43,7 53,8
20 21,7 0
Vlaams Gewest
9,4 4,4 Brussels Gewest
Waals Gewest
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
13
2.2 WERKGELEGENHEID De werkgelegenheid in de Vlaamse HT-sector kwam in totaal op 197.200 personen in 2020 (6,8% van de totale werkgelegenheid in de Vlaamse economie, tabel 2). Voor meer detail: zie bijlage 2. De Vlaamse HT-sector heeft een opmerkelijk lager belang in de totale Vlaamse werkgelegenheid (6,8%) dan in de totale Vlaamse bruto toegevoegde waarde (11,9%). Voor de HT-industrie is dat 0,7%, voor de MHT-industrie 3,4% en de HT-diensten 2,7%. De belangrijkste bedrijfstakken zijn hier de computer- en informatiediensten (2,0%), gevolgd door de chemie (1,2%) en in mindere mate de motorvoertuigen (0,9%) en machines en apparaten (0,8%). Tabel 2. Werkgelegenheid in de HT-sector Belgische gewesten en België, 2010 en 2020, in % van de totale werkgelegenheid VLAAMS GEWEST 2010 2020
WAALS GEWEST 2010 2020
BRUSSELS GEWEST 2010 2020
BELGIË 2010 2020
HT-industrie Farmacie Informatica- en elektronische producten Lucht- en ruimtevaarteproducten Totaal
0,3 0,3
0,4 0,3
0,9 0,2
1,1 0,3
0,2 0,0
0,2 0,0
0,5 0,2
0,6 0,2
0,0 0,7
0,0 0,7
0,3 1,4
0,3 1,7
0,1 0,4
0,1 0,3
0,1 0,8
0,1 0,9
MHT-industrie Chemie Wapens en munitie Elektrische apparatuur Machines en apparaten Motorvoertuigen Andere transportmiddelen Medische apparatuur Totaal
1,3 0,0 0,5 0,9 1,2 0,0 0,1 4,1
1,2 0,0 0,3 0,8 0,9 0,0 0,1 3,4
0,8 0,1 0,5 0,8 0,2 0,0 0,1 2,6
0,7 0,1 0,4 0,4 0,1 0,0 0,1 1,8
0,2 0,0 0,1 0,2 0,4 0,0 0,0 0,9
0,1 0,0 0,0 0,0 0,5 0,0 0,0 0,7
1,0 0,0 0,4 0,8 0,8 0,0 0,1 3,2
0,9 0,0 0,3 0,6 0,6 0,0 0,1 2,6
HT-diensten Films en Radio- en TV programma’s Telecommunicatie Computer- en informatiediensten Wetenschappelijk onderzoek Totaal
0,2
0,2
0,2
0,2
1,0
0,9
0,3
0,3
0,4 1,3 0,2 2,1
0,3 2,0 0,3 2,7
0,6 0,7 0,2 1,6
0,3 1,0 0,3 1,7
1,6 1,9 0,2 4,7
1,2 2,2 0,2 4,5
0,6 1,2 0,2 2,3
0,4 1,8 0,3 2,7
Totaal HT-sector
6,8
6,8
5,7
5,2
6,0
5,4
6,4
6,2
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
In 2010 was de Vlaamse HT-sector even belangrijk in de Vlaamse economie als in 2020 en ook hier evolueerde het aandeel niet veel tussen 2010 en 2020. Er zijn verschillen voor de onderscheiden categorieën: het aandeel van de HT-industrie bleef constant, dat van de MHT-industrie zakte (4,1% in 2010), vooral door de motorvoertuigen, en het aandeel van de HT-diensten nam toe (2,1% in 2010), vooral door de computer- en informatiediensten. In absolute cijfers bleef de werkgelegenheid in de HT-industrie ongeveer constant tussen 2010 en 2020. Er was een toename in de HT-diensten en een lichte afname in de MHT-industrie (figuur 3). Figuur 3. Werkgelegenheid in de HT-sector naar deelcategorie Vlaams Gewest, 2010-2020, in personen HT-industrie
MHT-industrie
HT-diensten
120.000 100.000 80.000 60.000 40.000 20.000 0 2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
De HT-sector stond voor 5,2% van de Waalse werkgelegenheid in 2020. Dat is een minder groot aandeel dan in het Vlaamse Gewest. De HT-industrie was goed voor 1,7%, een hoger aandeel dan in het Vlaamse Gewest. In absolute aantallen ging het om 21.700 personen werkend in de HT-industrie in het Waalse Gewest tegenover 21.300 in het Vlaamse Gewest. Dat komt opnieuw door de relatief sterke aanwezigheid van de farmacie in het Waalse Gewest. De MHT-industrie was er goed voor 1,8% en de HT-diensten voor 1,7%, telkens lagere aandelen dan in het Vlaamse Gewest. Tussen 2010 en 2020 daalde het werkgelegenheidsaandeel van de Waalse HT-sector enigszins (5,7% in 2010). De HT-sector was in 2020 goed voor 5,4% van de werkgelegenheid in het Brusselse Gewest, opnieuw grotendeels in de HT-diensten (4,5%). De HT- en MHT-industrie vertegenwoordigen 0,3% en 0,7%. In 2010 lag het aandeel in de totale werkgelegenheid in het gewest op 6,0%. Figuur 4 laat de aandelen zien van de 3 deelcategorieën van de HT-sector in de Belgische gewesten volgens de werkgelegenheid.
15
Figuur 4. Spreiding van de werkgelegenheid naar deelcategorie van de HT-sector Belgische gewesten, 2020, in % HT-industrie
MHT-industrie
HT-diensten
100
80
33,3
40,0
60
82,9 34,7
40
49,2
20 12,1 10,8 0
Vlaams Gewest
32,0
5,0 Brussels Gewest
Waals Gewest
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.3 ARBEIDSPRODUCTIVITEIT Na de bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid is het de beurt aan de arbeidsproductiviteit. Die brengt beide variabelen met elkaar in verband en is een eerste competitiviteitsmaatstaf. De HT-sector is een productieve sector. De gemiddelde arbeidsproductiviteit, uitgedrukt in bruto toegevoegde waarde per werkende lag in 2019 op 150.400 euro (bijlage 3). Dat is een stuk hoger dan gemiddeld in de hele Vlaamse economie (86.500 euro). De arbeidsproductiviteit lag het hoogst in de HTindustrie (310.300 euro). In de MHT-industrie en de HT-diensten is dat met 130.900 euro en 132.500 euro lager, maar toch nog beduidend hoger dan het gemiddelde in de hele Vlaamse economie. In het Waalse en Brusselse Gewest lag de arbeidsproductiviteit in de HTsector hoger (177.100 euro en 174.100 euro). Dat komt door het grotere belang van de farmacie in het Waalse Gewest en de telecommunicatie in het Brusselse Gewest, 2 bedrijfstakken die bij de toppers horen qua omvang van de arbeidsproductiviteit.
Op 10 jaar tijd nam de arbeidsproductiviteit in de Vlaamse HT-sector sterker toe dan in de hele economie (figuur 5). Dat komt vooral door de HTindustrie, en in mindere mate door de MHT-industrie. In de HT-diensten bleef de productiviteitsgroei achter op deze van de hele economie. Figuur 5. Arbeidsproductiviteit in de HT-sector naar deelcategorie en in de totale economie Vlaams Gewest, 2009-2019, indices (2009 = 100) HT-industrie
MHT-industrie
HT-diensten
HT-sector
Totale economie
180
160
140
120
100 2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.4 LOONKOST PER EENHEID PRODUCT De loonkost per eenheid product (LEP) is de verhouding tussen de gemiddelde verloning van werknemers en zelfstandigen tot de arbeidsproductiviteit. Het is een tweede competitiviteitsindicator. De LEP is – korter – ook gelijk aan het aandeel van de verloning van werknemers en zelfstandigen in de bruto toegevoegde waarde. Hoe lager de LEP, hoe beter voor de concurrentiepositie. Er bestaan geen exacte cijfers over het inkomen van zelfstandigen. Dat wordt per bedrijfstak en gewest geschat door het gemiddeld loon van een werknemer te vermenigvuldigen met het aantal zelfstandigen. De LEP in de Vlaamse HT-sector kwam in 2019 op 0,55 (figuur 6). Voor de hele Vlaamse economie was dat met 0,66 hoger en dus minder gunstig. De LEP was in 2019 het laagst in de HT-industrie (0,32). Dat komt door de lage waarde in de farmacie (0,26). In de MHT-industrie en de HT-diensten lag de LEP op een hoger niveau (0,59 en 0,66).
17
Figuur 6. Loonkost per eenheid product in de HT-sector naar deelcategorie en in de totale economie Vlaams Gewest, 2019, verhouding verloning / arbeidsproductiviteit 0,66 0 ,6 6 0,59 ,5 9 0
0,60
0,40
0,66 0 ,6 6 0,55 ,55 0
0,32 0,32
0,20
0,00
HT-industrie
MHT-industrie
HT-diensten
HT-sector
Totale economie
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
De LEP was hoger in 2010, zowel in de Vlaamse HT-sector als in de hele Vlaamse economie. Nadien volgde een lichte daling tot in 2016-2017. Daarna was er in beide gevallen opnieuw een heel lichte toename (bijlage 4). Ook in de beide andere gewesten is er een lagere LEP in de HT-sector dan in de totale economie (bijlage 4). De Waalse LEP in de HT-sector bedroeg 0,46. Dat is minder dan in het Vlaamse en Brusselse Gewest (beide 0,55) omwille van het grote gewicht van de farmacie in het Waalse Gewest (met een LEP van 0,28).
2.5 KOSTENSTRUCTUUR De interregionale input-outputtabel voor het jaar 2015 (RIOT 2015) wordt in wat volgt gebruikt als basis voor de berekening van de economische relaties tussen de HT-sector en de andere sectoren. Het Federaal Planbureau (FPB) maakte de RIOT op, met cofinanciering door en in overleg met de gewesten (Avonds e.a., 2021). Een RIOT geeft een overzicht van de monetaire stromen in de economieën van de gewesten (figuur 7). Daarbij worden de intermediaire stromen (levering van goederen en diensten in het productieproces), de stromen naar de finale vraag (consumptie, investeringen en export of C, I en X) en de stromen van de primaire inputs (elementen van de bruto toegevoegde waarde, zoals lonen en belastingen) weergegeven per bedrijfstak en per gewest. Er worden 137 bedrijfstakken onderscheiden.
Figuur 7. Schematisch overzicht van een interregionale input-outputtabel Intermediair verbruik BHG
VLG
WG
Finaal verbruik (C, I, X) BHG
VLG
WG
Output
Brussels Gewest
Vlaams Gewest
Waals Gewest
Buitenland Primaire inputs (elementen bruto toegevoegde waarde) Werkgelegenheid Noot: C=consumptie, I=investeringen en X=uitvoer. BHG=Brussels Hoofdstedelijk Gewest, VLG=Vlaams Gewest, WG=Waals Gewest. Bron: Statistiek Vlaanderen
Bedrijfstakken zijn onderling verweven door toelevering aan elkaar. Bedrijven uit bepaalde bedrijfstakken leveren intermediaire goederen en diensten aan elkaar en ook aan andere bedrijfstakken, die deze goederen en diensten dan verder gebruiken in hun productieproces. Omgekeerd zijn bedrijven ook afnemer van producten uit de eigen of uit een andere bedrijfstak. Dat betekent dat niet louter voor de eigen bedrijfstak bruto toegevoegde waarde gerealiseerd wordt of dat een werknemer niet louter voor de eigen bedrijfstak werkt, maar dus ook voor andere bedrijfstakken. Daarbij komt dat er ook handel is tussen bedrijven in de 3 gewesten onderling. De RIOT brengt die stromen allemaal mee in rekening bij de bepaling van het economisch belang van een sector. Een RIOT geeft ook een inzicht in de inputstructuur van de productie. Om goederen en diensten te produceren hebben bedrijven immers nood aan toelevering van grondstoffen of hulpfabricaten (intermediaire leveringen) uit het eigen gewest, maar ook uit de andere gewesten en het buitenland. Om ze uiteindelijk samen te stellen tot een product of dienst zijn arbeid, kapitaal en overheidsdiensten nodig. De vergoedingen daarvoor vormen de bestanddelen van de bruto toegevoegde waarde (tabel 3).
19
Tabel 3. Inputstructuur van de HT-sector naar deelcategorie en de totale economie Vlaams Gewest, 2015, in % HTINDUSTRIE
MHTINDUSTRIE
HTDIENSTEN
HTSECTOR
TOTALE ECONOMIE
Vlaams Gewest
21,2
19,5
28,2
21,6
28,7
Import uit de andere gewesten Import uit het buitenland Intermediair verbruik Productgebonden belastingen subsidies Lonen Winsten, inkomen van zelfstandigen en inkomen uit woningen Afschrijvingen vaste activa Niet-productgebonden belastingen min subsidies Bruto toegevoegde waarde Totale input
2,4 38,8 62,4 0,2
6,1 46,8 72,4 0,4
9,0 15,1 52,3 0,3
6,2 38,9 66,6 0,4
6,7 21,5 56,9 1,3
13,6 4,9
14,4 7,3
27,0 9,7
17,0 7,4
22,7 10,6
20,2 -1,2
6,1 -0,5
12,2 -1,5
9,5 -0,8
9,0 -0,5
37,4 100,0
27,2 100,0
47,4 100,0
33,0 100,0
41,8 100,0
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
Het intermediair verbruik (uit het eigen gewest, uit de andere gewesten en uit het buitenland) maakt 66,6% uit van de totale input van de HT-sector. Dat is meer dan in de hele economie (56,9%). In de HT-industrie en MHT-industrie (62,4% en 72,4%) is dat hoger dan in de HT-diensten (52,3%). Dat komt doordat importen uit het buitenland belangrijker zijn in de HT- en MHTindustrie (in de industrie in het algemeen trouwens). De toelevering uit de andere gewesten is in de HT-sector veel minder belangrijk dan uit het eigen gewest. Dat is ook zo voor de hele economie. De bruto toegevoegde waarde (of beter: de vergoeding voor de componenten ervan) komt gemiddeld op 33,0% van de inputstructuur in de HT-sector. Dat aandeel is hoger in de HT-diensten dan in de HT- en MHT-industrie. De lonen vormen de voornaamste post van de bruto toegevoegde waarde in de totale HT-sector. Dat is enkel zo in de MHT-industrie en HT-diensten. In de HT-industrie komen de afschrijvingen van vaste activa op de eerste plaats. In de hele Vlaamse economie is het aandeel van de bruto toegevoegde waarde hoger (41,8%). Dat komt omdat de lonen en de winsten en inkomens van zelfstandigen er naar verhouding belangrijker zijn. De inputstructuur is in grote lijnen dezelfde in de beide andere gewesten (bijlage 5). Enigszins opvallend is het minder grote belang van het eigen gewest als toeleverancier en het sterkere belang van de andere gewesten in het Waalse Gewest en meer nog in het Brusselse Gewest.
2.6 INTERNATIONALE VERGELIJKING Een internationale vergelijking kan niet volgens de gedetailleerde NACEindeling. Het basismateriaal is enkel op NACE 2-digit beschikbaar. Dat wil dus zeggen dat de omschrijving van de totale HT-sector en industriële deelcategorieën in wat volgt licht anders is dan in voorgaande delen (zie punt 1). Volgens de internationale definitie had het Vlaamse Gewest in 2019 een aandeel van de HT-sector in de totale bruto toegevoegde waarde van 11,7% (figuur 8). Daarmee scoort het Vlaamse Gewest op hetzelfde niveau als de middenmoot van de EU-landen waarvoor gegevens beschikbaar zijn. De toplanden zijn Tsjechië en Duitsland met een aandeel van om en bij 19%. Dat komt vooral door een hoger aandeel van de MHT-industrie in deze landen (en dan vooral de automobielindustrie). Andere hoog scorende landen zijn Hongarije, Slovenië, Slovakije, Denemarken en Finland. Cyprus en Griekenland hebben het laagste aandeel van de HT-sector in de bruto toegevoegde waarde (om en bij 6%). Dat komt vooral door de lage aandelen van de industriële HT-component.
21
Figuur 8. Aandeel van de HT-sector in de bruto toegevoegde waarde naar deelcategorie Belgische gewesten en EU-landen, 2019, in % HT-industrie
MHT-industrie
Vlaams Gewest
2,5
Brussels Gewest
HT-diensten
5,1
4,1
7,4
Waals Gewest
5,8
Tsjechië
1,7
Duitsland
2,3
Hongarije
3,2
Slovenië
3,7
Slovakije
3,0
3,0
11,0
6,3
11,1
5,2
7,7
5,8
6,9
4,9
9,3
Denemarken
5,5
Finland
2,6
Roemenië
5,1 4,4 5,5
5,7
5,5
Oostenrijk
6,5
1,9
Bulgarije
6,6
4,0
3,6
België
2,9
Italië
1,2
5,3
Frankrijk
1,2
3,4
7,8 3,8
Estland
2,5
Nederland
4,4
Polen
4,4 4,6 6,4
7,4 5,0
4,5
Kroatië
4,5
1,1 2,2
Letland
1,5
Spanje
3,5
Litouwen
3,1
Portugal
5,0
5,2 6,1 4,0 3,9
2,5
Cyprus
4,0 5,2
Griekenland
1,4 0
3,4 5
10
Noot: ontbrekende waarden voor EU27, Ierland, Luxemburg, Malta en Zweden. Bron: Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen Noot: ontbrekende waarden voor EU27, Ierland, Luxemburg, Malta en Zweden. Bron: Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen
15
Nog volgens de internationale definitie noteerde het Vlaamse Gewest een aandeel van de HT-sector in de totale werkgelegenheid van 6,7% in 2019 (figuur 9). Dat is onder het EU27-gemiddelde van 8,2%. Topland is Tsjechië (14,2%), gevolgd door Hongarije, Duitsland, Slovenië en Slovakije (alle ongeveer 11%). Ook hier komt dat vooral door hun grote aandeel van de MHT-industrie. Cyprus en Griekenland zijn ook volgens deze maatstaf hekkensluiter.
23
Figuur 9. Aandeel van de HT-sector in de werkgelegenheid naar deelcategorie Belgische gewesten en EU-landen, 2019, in % HT-industrie
MHT-industrie
Vlaams Gewest
HT-diensten
3,3
Brussels Gewest
2,7
4,5
Waals Gewest
1,3
Tsjechië
1,1
Hongarije
2,0
Duitsland
1,2
Slovenië
1,5
Slovakije
1,9
1,7
9,9
3,2 5,8
3,6
6,9
3,2
6,1
3,5
7,3
Finland
1,0
Estland
1,2
Polen
3,0
3,6
4,2
3,1
4,4
5,0
Oostenrijk
1,0
4,5
EU27
4,2
Roemenië
5,2
Denemarken
2,6
1,4
2,9 3,2 2,0
2,8
3,4
Italië
4,1
Bulgarije
3,2
3,2
Kroatië
3,0
3,3
Ierland
1,7
2,8
1,3
3,8
Frankrijk
1,9
4,4
Letland
1,8
3,7
België
2,6
Nederland
2,1
Spanje
2,4
Litouwen
2,0
Portugal
2,2
Cyprus
2,7 3,5 2,7 2,7 2,3
2,9
Griekenland
2,2 0
5
Noot: ontbrekende waarden voor EU27, Ierland, Luxemburg, Malta en Zweden. Noot: ontbrekende waarden voor Luxemburg, Malta en Zweden. Bron: Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen Bron: Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen
10
15
25
3.
INPUT-OUTPUTANALYSE
3
In punt 2.5 werd de informatie uit de RIOT gebruikt om de kostenstructuur van de HT-sector weer te geven. Dit vergde geen bijzondere bewerkingen. Een RIOT maakt het echter ook mogelijk na te gaan hoeveel bruto toegevoegde waarde ontstaat of hoeveel werkgelegenheid aan de slag is voor een gewest om aan de finale vraag te voldoen. Dat kan berekend worden voor de HTsector zelf, voor de verschillende bedrijfstakken en ook voor de componenten van de finale vraag (consumptie, investeringen en uitvoer). De techniek hiervoor is de Leontief analyse of input-outputanalyse (matrixrekening). Dit levert inzichten op die niet zomaar blijken uit het courante aanbod van statistieken uit de regionale rekeningen. De gebruikte formules zijn als volgt: De basis is een lineair model (Leontief) van een productiefunctie en een gegeven vector van de finale vraag. Stelsel van vergelijkingen: x +x +x +x =x 11
12
13
1d
1
x +x +x +x =x 21
22
23
2d
2
x +x +x +x =x 31
32
33
3d
3
Met: x : intermediaire levering van bedrijfstak i aan j ij
x : finale vraag naar goederen/diensten uit bedrijfstak i id
x : de output van bedrijfstak j j
Daaruit kunnen de technische coëfficiënten worden afgeleid: a =x /x ij
ij
j
Deze kunnen beschouwd worden als de aandelen van de kosten van benodigde goederen, diensten en primaire inputs (=elementen bruto toegevoegde waarde) in de totale input. Het model baseert zich op de volgende veronderstellingen: •
Alle inputs (intermediaire goederen, primaire input van arbeid, kapitaal) staan in een vaste verhouding tot de output: er zijn geen schaaleffecten bij uitbreiding/inkrimping van de productie.
27
•
Geen substitutie tussen de productiefactoren arbeid en kapitaal.
•
Vaste technische coëfficiënten.
Substitutie geeft: a x+ a x + a x + x = x 11
1
12
2
13
3
1d
1
a x+ a x + a x + x = x 21
1
22
2
23
3
2d
2
a x+ a x + a x + x = x 31
1
32
2
33
3
3d
3
In matrixnotatie is dit: Ax + y = x x-Ax = y (I-A)x = y -1
x = (I-A) y (het Leontief model) Met: A = matrix met de technische coëfficiënten I = eenheidsmatrix -1
(I-A) = Leontief matrix, (I-A) = Leontief inverse y = vector van de finale vraag x = outputvector De Leontief inverse kan geschreven worden als een machtreeks: -1
2
3
(I-A) = I + A + A + A + … + A
n
Dit is een reeks met cumulatieve inputcoëfficiënten met de directe & indirecte intermediaire vereisten voor de finale vraag. Nu kan het Leontief model gebruikt worden om een vector met inputcoëfficiënten voor een specifieke variabele in het model te betrekken. In dit rapport gaat het om de bruto toegevoegde waarde- en werkgelegenheidscoëfficiënten. -1
Z = B(I-A) y
Met: B = vector met inputcoëfficiënten voor een specifieke variabele (bruto toegevoegde waarde of werkgelegenheid) Z = vector met de resultaten van directe/indirecte vereisten (bruto toegevoegde waarde of werkgelegenheid) -1
(I-A) = Leontief inverse, y = finale vraag, uitsplitsbaar naar component Hierna komt aan bod hoeveel bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid gepaard gaat met de activiteiten van de HT-sector en om welke bedrijfstakken het gaat. Daarop volgen berekeningen over hoeveel bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid gegenereerd worden voor de elementen van de finale vraag: de consumptie, investeringen en export.
3.1 ALGEMENE BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE- EN WERKGELEGENHEIDSEFFECTEN Een RIOT maakt het mogelijk om te becijferen hoeveel bruto toegevoegde waarde of werkgelegenheid voor een gewest gerealiseerd wordt voor een bepaalde bedrijfstak om aan de finale vraag te voldoen. Dat gebeurt niet enkel in die bedrijfstak zelf of in dat gewest zelf. Een RIOT brengt immers de toeleveringsstructuren in kaart tussen de verschillende bedrijfstakken onderling en de finale vraag (consumptie, investeringen en uitvoer), en dit over de gewesten heen. Dat betekent dat een bepaalde bedrijfstak een deel bruto toegevoegde waarde of werkgelegenheid ‘verliest’ aan andere bedrijfstakken en/of andere gewesten, als het daaraan toelevert. Omgekeerd ‘wint’ die bedrijfstak ook van andere bedrijfstakken in het eigen of ander gewest doordat elders geproduceerd wordt om aan die bedrijfstak toe te leveren. Meer informatie kan men vinden in Eurostat (2008, 477-534). De regionale rekeningen van het INR geven weer hoeveel bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid ‘in’ een gewest geproduceerd wordt/aan de slag is. De RIOT maakt duidelijk hoeveel bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid geproduceerd wordt/aan de slag is ‘voor’ dat gewest om te voldoen aan de finale vraag. Hierna volgt een bespreking van de bruto toegevoegde waarde en van de werkgelegenheid voor de HT-sector gebaseerd op de RIOT-analyses.
29
3.1.1 BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE Tabel 4 geeft de bruto toegevoegde waarde voor de HT-sector weer geproduceerd in een gewest en voor de finale vraag van een gewest. Onder de tabel komt de bruto toegevoegde waarde zowel ‘in’ als ‘voor’ de HT-sector aan bod, evenals een vergelijking met de regionale rekeningen. Tabel 4. Bruto toegevoegde waarde in de HT-sector Naar plaats en naar regio van de finale vraag, 2015, absolute cijfers en % ABSOLUTE CIJFERS (IN MILJOEN EURO) VOOR FINALE VOOR FINALE VOOR FINALE VRAAG VAN VRAAG VAN VRAAG VAN VLAAMS GEWEST BRUSSELS GEWEST WAALS GEWEST
In Vlaams Gewest In Brussels Gewest In Waals Gewest In België
24.993 2.236 1.520 28.748
1.047 3.458 479 4.983
1.953 1.358 7.333 10.644
VOOR EEN GEWEST (IN % TOTAAL) VOOR FINALE VOOR FINALE VOOR FINALE VRAAG VAN VRAAG VAN VRAAG VAN VLAAMS GEWEST BRUSSELS GEWEST WAALS GEWEST
In Vlaams Gewest In Brussels Gewest In Waals Gewest In België
86,9 7,8 5,3 100,0
21,0 69,4 9,6 100,0
18,3 12,8 68,9 100,0
IN EEN GEWEST (IN % TOTAAL) VOOR FINALE VOOR FINALE VOOR FINALE VRAAG VAN VRAAG VAN VRAAG VAN VLAAMS GEWEST BRUSSELS GEWEST WAALS GEWEST
In Vlaams Gewest In Brussels Gewest In Waals Gewest In België
89,3 31,7 16,3 64,8
3,7 49,0 5,1 11,2
7,0 19,3 78,6 24,0
VOOR BELGISCHE FINALE VRAAG
27.992 7.051 9.331 44.375
VOOR BELGISCHE FINALE VRAAG
63,1 15,9 21,0 100,0
VOOR BELGISCHE FINALE VRAAG
100,0 100,0 100,0 100,0
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
In 2015 werd in België 28,7 miljard euro bruto toegevoegde waarde gerealiseerd voor de HT-sector om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag. Dat gebeurde voor 86,9% in het Vlaamse Gewest, voor 7,8% in het Brusselse Gewest en voor 5,3% in het Waalse Gewest. Verder werd 5,0 miljard euro voor de Brusselse finale vraag en 10,6 miljard euro voor de Waalse finale vraag gerealiseerd. Opvallend is dat in deze 2 gewesten het eigen gewest een minder groot aandeel heeft hierin (iets minder dan 70%) dan in het Vlaamse Gewest. Het Vlaamse Gewest levert vooral een belangrijke bijdrage (21,0%) voor de Brusselse finale vraag.
Omgekeerd werd in het Vlaamse Gewest voor 28,0 miljard euro bruto toegevoegde waarde gerealiseerd voor de Belgische finale vraag. Dat was in hoofdzaak voor de Vlaamse finale vraag (89,3%). De Vlaamse inspanningen richtten zich veel minder op de Brusselse (3,7%) en Waalse finale vraag (7,0%). In het Brusselse Gewest kwam 7,1 miljard euro bruto toegevoegde waarde voor de Belgische finale vraag tot stand. Dat was voor net niet de helft voor de Brusselse finale vraag zelf (49,0%). Een belangrijk deel van de Brusselse bruto toegevoegde waarde voor de HT-sector was dus voor de Vlaamse en Waalse Gewest bestemd. In het Waalse Gewest ten slotte werd voor 9,3 miljard euro bruto toegevoegde waarde neergezet voor de HT-sector om te voldoen aan de Belgische finale vraag, grotendeels voor de eigen finale vraag (78,6%). Nu kan ook de bruto toegevoegde waarde gerealiseerd ‘voor een gewest’ versus ‘in een gewest’ voor de HT-sector vergeleken worden. Volgens de RIOT werd in 2015 in België 28,7 miljard euro bruto toegevoegde waarde gerealiseerd voor de HT-sector om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag. Dat is iets meer dan wat in het Vlaamse Gewest geproduceerd werd voor de HT-sector om te voldoen aan de Belgische finale vraag (28,0 miljard euro). Ook in het Waalse Gewest was het bedrag ‘voor’ het gewest groter dan ‘in’ het gewest (10,6 miljard euro en 9,3 miljard euro). In het Brusselse Gewest is dat anders: tegenover een bruto toegevoegde waarde van 5,0 miljard euro voor de Brusselse finale vraag stond er 7,1 miljard euro in het Brusselse Gewest. Het Brusselse Gewest heeft een belangrijke toeleveranciersfunctie naar de andere gewesten. In absolute cijfers is er meer bruto toegevoegde waarde van het Brusselse Gewest voor de beide andere gewesten dan omgekeerd: in het Brusselse Gewest produceren bedrijven en instellingen 2,2 miljard euro bruto toegevoegde waarde voor de HT-sector om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag. Omgekeerd bedraagt de bruto toegevoegde waarde in het Vlaamse Gewest voor de HT-sector om te voldoen aan de Brusselse finale vraag 1,0 miljard euro. De cijfers voor de relatie Brussels-Waals Gewest zijn gelijklopend (1,4 miljard euro en 0,5 miljard euro). Tot slot nog een vergelijking met de regionale rekeningen (figuur 10). De bruto toegevoegde waarde in de Vlaamse HT-sector kon volgens de regionale rekeningen in 2015 berekend worden op 25,5 miljard euro. Dat is dus enkel de realisatie in deze sector zelf, zonder rekening te houden met de toeleveringsstructuren tussen bedrijfstakken onderling en/of gewesten onderling. De RIOT-analyse, die daar wel rekening mee houdt, becijferde dat er dat jaar 28,7 miljard euro bruto toegevoegde waarde voor de HT-sector gerealiseerd werd om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag. Daarmee is de Vlaamse HT-sector in termen van bruto toegevoegde waarde 1,13 keer belangrijker in het economische weefsel dan uit de regionale rekeningen blijkt. Voor het Waalse Gewest ligt die factor op 1,25, maar voor het Brusselse Gewest op 0,79. Dat komt omdat dit gewest veel meer dienstverlenend werkt ten aanzien van het Vlaamse en Waalse Gewest, ook in de HT-sector.
31
Figuur 10. Bruto toegevoegde waarde in de HT-sector voor de finale vraag (RIOT) versus geregistreerd (regionale rekeningen) Gewesten en België, 2015, in miljoen euro Voor finale vraag van gewest
Geregistreerd in gewest 44.375 40.298
40.000 30.000
28.748
25.452
20.000 10.644 10.000 0
4.983 Vlaams Gewest
6.309
Brussels Gewest
8.536
Waals Gewest
België
Bron: RIOT 2015, INR (regionale rekeningen), bewerking Statistiek Vlaanderen
Van alle bruto toegevoegde waarde die voor de Vlaamse finale vraag geproduceerd werd was 12,7% bestemd voor de HT-sector. Dat staat tegenover een aandeel van de HT-sector van 11,7% in het totaal van alle bedrijfstakken volgens de regionale rekeningen.
3.1.2 WERKGELEGENHEID In 2015 lag de Belgische werkgelegenheid voor de HT-sector om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag op 247.600 personen (tabel 5). Ook hier gebeurde dat grotendeels in het Vlaamse Gewest zelf (85,4%). In de andere gewesten ligt dat aandeel ook hier lager, net zoals bij de bruto toegevoegde waarde. Het Vlaamse Gewest heeft een vrij belangrijke bijdrage in de werkgelegenheid voor de HT-sector voor de Brusselse finale vraag (27,4%). De werkgelegenheid in de HT-sector voor de Brusselse en Waalse finale vraag lag op 40.000 en 92.200 personen.
Tabel 5. Werkgelegenheid in de HT-sector Naar plaats en naar regio van de finale vraag, 2015, absolute cijfers en % ABSOLUTE CIJFERS (IN PERSONEN) VOOR FINALE VOOR FINALE VOOR FINALE VRAAG VAN VRAAG VAN VRAAG VAN VLAAMS GEWEST BRUSSELS GEWEST WAALS GEWEST
In Vlaams Gewest In Brussels Gewest In Waals Gewest In België
211.469 16.711 19.370 247.550
10.974 23.023 6.005 40.002
20.198 10.165 61.802 92.166
VOOR EEN GEWEST (IN % TOTAAL) VOOR FINALE VOOR FINALE VOOR FINALE VRAAG VAN VRAAG VAN VRAAG VAN VLAAMS GEWEST BRUSSELS GEWEST WAALS GEWEST
In Vlaams Gewest In Brussels Gewest In Waals Gewest In België
85,4 6,8 7,8 100,0
27,4 57,6 15,0 100,0
21,9 11,0 67,1 100,0
IN EEN GEWEST (IN % TOTAAL) VOOR FINALE VOOR FINALE VOOR FINALE VRAAG VAN VRAAG VAN VRAAG VAN VLAAMS GEWEST BRUSSELS GEWEST WAALS GEWEST
In Vlaams Gewest In Brussels Gewest In Waals Gewest In België
87,2 33,5 22,2 65,2
4,5 46,1 6,9 10,5
8,3 20,4 70,9 24,3
VOOR BELGISCHE FINALE VRAAG
242.641 49.899 87.177 379.717
VOOR BELGISCHE FINALE VRAAG
63,9 13,1 23,0 100,0
VOOR BELGISCHE FINALE VRAAG
100,0 100,0 100,0 100,0
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
Omgekeerd waren er in het Vlaamse Gewest 242.600 personen aan de slag voor de HT-sector om te voldoen aan de Belgische finale vraag. Deze Vlaamse werkgelegenheid voor de HT-sector was in hoofdzaak bestemd voor de Vlaamse finale vraag (87,2%), net zoals bij de bruto toegevoegde waarde. In het Waalse en vooral in het Brusselse Gewest is het aandeel werkgelegenheid in het eigen gewest voor de HT-sector voor de eigen finale vraag geringer. Bij een vergelijking ‘voor’ het gewest versus ‘in’ het gewest blijkt dat zowel het Vlaamse als het Waalse Gewest meer werkgelegenheid hebben voor de HT-sector (247.600 en 92.200 personen) om aan hun finale vraag te voldoen dan in hun gewest om aan de Belgische finale vraag te voldoen (242.600 en 87.200 personen). Dat is anders in het Brusselse Gewest (40.000 ‘voor’ en 49.900 ‘in’). Dat was ook zo bij de bruto toegevoegde waarde. En ook hier is er meer werkgelegenheid in het Brusselse Gewest voor de HT-sector voor de finale vraag in de beide andere gewesten dan voor de eigen finale vraag.
33
De werkgelegenheid voor de HT-sector om aan de eigen finale vraag te voldoen is in ieder gewest hoger dan de geregistreerde werkgelegenheid in de regionale rekeningen, en meer uitgesproken dan bij de bruto toegevoegde waarde (figuur 11). In het geval van het Vlaamse Gewest zijn 247.600 personen aan de slag voor de HT-sector om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag terwijl de regionale rekeningen een werkgelegenheid van 177.500 personen registreren in de Vlaamse HT-sector. Figuur 11. Werkgelegenheid in de HT-sector voor de finale vraag (RIOT) versus geregistreerd (regionale rekeningen) Gewesten en België, 2015, in personen Voor finale vraag van gewest
Geregistreerd in gewest 379.717
400.000 300.000 200.000
281.035 247.550 177.468 92.166
100.000 0
40.002 38.150 Vlaams Gewest
Brussels Gewest
65.418
Waals Gewest
België
Bron: RIOT 2015, INR (regionale rekeningen), bewerking Statistiek Vlaanderen
Van de totale werkgelegenheid voor de Vlaamse finale vraag nam de HTsector 8,9% voor zijn rekening. En in de regionale rekeningen bedroeg het werkgelegenheidsaandeel van de HT-sector in de totale economie 6,6%.
3.2 OPWAARTSE EN AFWAARTSE STROMEN De RIOT kan in kaart brengen welke bedrijfstakken toegevoegde waarde produceren of werk leveren voor de HT-sector om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag. Dat zijn de zogenaamde opwaartse stromen. Omgekeerd is het ook mogelijk om na te gaan voor welke bedrijfstakken de HT-sector toegevoegde waarde produceert of werkgelegenheid inzet om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag. Dat zijn dan de afwaartse stromen. Tabel 6 toont dat een beperkt aantal bedrijfstakken het gros van de toegevoegde waarde en werkgelegenheid leveren voor de HT-sector om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag.
Tabel 6. Top 10 van belangrijkste bedrijfstakken actief voor de HT-sector voor de Vlaamse finale vraag Belangrijkste bedrijfstakken, 2015, cumulatieve spreiding in % vertrekkend van de belangrijkste bedrijfstak BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE
NACE 20 21 62 28 29 61 46 70 78 26
Bedrijfstak Chemie Farmacie Computer programmeren Machines en apparaten Motorvoertuigen Telecommunicatie Groothandel Activiteiten hoofdzetels Uitzendkantoren Elektronische producten
WERKGELEGENHEID
Cumulatief % vertrekkend van de belangrijkste 21,7 31,8 41,6 50,2 56,3 61,7 65,1 68,2 71,4 74,4
NACE 20 78 62 29 28 70 27 21 46 61
Bedrijfstak Chemie Uitzendkantoren Computer programmeren Motorvoertuigen Machines en apparaten Activiteiten hoofdzetels Elektrische apparatuur Farmacie Groothandel Telecommunicatie
Cumulatief % vertrekkend van de belangrijkste 11,4 22,3 32,5 42,1 50,3 54,8 59,0 62,7 66,2 69,1
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
De belangrijkste bedrijfstakken die bruto toegevoegde waarde produceren voor de HT-sector voor de Vlaamse finale vraag zijn de chemie, farmacie, computer programmatie, machines en apparaten en motorvoertuigen. Deze 5 bedrijfstakken zijn samen verantwoordelijk voor 56,3% van de bruto toegevoegde waarde. Het zijn allemaal bedrijfstakken die behoren tot de HT-sector zelf. De belangrijkste bedrijfstakken die niet tot de HT-sector behoren zijn de groothandel, de activiteiten van hoofdkantoren en de uitzendkantoren. Deze zijn elk goed voor ruim 3%. Voor de werkgelegenheid omvat de top 5 de chemie, uitzendkantoren, computer programmatie, motorvoertuigen en machines en apparaten. Het gaat om 50,3% van de werkgelegenheid voor de HT-sector. De bijdrage van de uitzendkantoren valt op: 10,9% van de werkgelegenheid voor de HT-sector komt op naam van de uitzendsector. Onder de belangrijkste bedrijfstakken die niet tot de HT-sector behoren noteren we de activiteiten van hoofdkantoren (4,5%), de groothandel (3,5%) en het onderzoek (2,1%). Anderzijds produceert de HT-sector op zijn beurt ook vooral bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid voor een beperkt aantal bedrijfstakken (tabel 7).
35
Tabel 7. Top 10 van belangrijkste bedrijfstakken waarvoor de HT-sector actief is voor de Vlaamse finale vraag Belangrijkste bedrijfstakken, 2015, cumulatieve spreiding in % vertrekkend van de belangrijkste bedrijfstak BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE
NACE 20 21 62 28 29 61 26 27 72 86
Bedrijfstak Chemie Farmacie Computer programmeren Machines en apparaten Motorvoertuigen Telecommunicatie Elektronische producten Elektronische apparatuur Onderzoek Gezondheidszorg
WERKGELEGENHEID
Cumulatief % vertrekkend van de belangrijkste 24,5 35,8 46,5 56,2 63,3 69,2 72,6 75,7 78,1 80,4
NACE 20 29 62 28 27 21 61 26 72 86
Bedrijfstak Chemie Motorvoertuigen Computer programmeren Machines en apparaten Elektrische apparatuur Farmacie Telecommunicatie Elektronische producten Onderzoek Gezondheidszorg
Cumulatief % vertrekkend van de belangrijkste 16,2 29,9 43,5 55,0 60,6 65,9 70,1 74,0 77,1 79,0,
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
In het geval van de bruto toegevoegde waarde gaat het voornamelijk om de chemie, farmacie, computer programmatie, machines en apparaten en motorvoertuigen. Dit zijn net dezelfde bedrijfstakken die produceren voor de HT-sector (zie hierboven). Die bedrijfstakken zijn goed voor 63,3% van de bruto toegevoegde waarde die de HT-sector produceert om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag. De voornaamste bedrijfstak die niet onder de HTsector valt is de menselijke gezondheidszorg (goed 2%). In het geval van de werkgelegenheid staan aan de top: de chemie, motorvoertuigen, computer programmatie, machines en apparaten en elektrische apparatuur. Deze bedrijfstakken vormen samen 60,6% van de werkgelegenheid waarvoor de HT-sector actief is voor de Vlaamse finale vraag. De menselijke gezondheidszorg is de belangrijkste niet-HT bedrijfstak (1,9%). Het zijn vooral bedrijven in de HT-sector zelf die de belangrijkste bijdrage leveren aan de bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid voor die sector, meer dan bedrijven uit andere sectoren. Dat verwondert niet, want dat is algemeen zo voor de meeste bedrijfstakken in de RIOT.
3.3 BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDEEN WERKGELEGENHEIDSEFFECTEN PER COMPONENT VAN DE FINALE VRAAG Ten slotte komt aan bod voor welke component van de finale vraag de HTsector bruto toegevoegde waarde realiseert of werkgelegenheid inzet. De totale bruto toegevoegde waarde voor de HT-sector om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag kwam in 2015 op 28,7 miljard euro. Het grootste deel (71,5%) daarvan kwam tot stand voor de uitvoer van goederen en diensten, vooral van goederen (56,8%) (figuur 12). De investeringen namen 16,8% voor hun rekening en de consumptie van huishoudens 9,5%. De overige componenten van de finale vraag hebben een marginaal belang bij de realisatie van bruto toegevoegde waarde voor de HT-sector voor de Vlaamse finale vraag. Figuur 12. Bruto toegevoegde waarde naar component van de finale vraag van het Vlaamse Gewest Voor de HT-sector en voor de totale economie, 2015, in % HT-sector
Totale economie
Consumptie huishoudens
9,5
30,2
Individuele consumptie overheid
0,2
13,3
Collectieve consumptie overheid
1,8
6,9
Consumptie IZW's
0,0
0,9
Investeringen
16,8
12,2
Voorraadwijzigingen
0,2
0,3
Uitvoer goederen
56,8
20,0
Uitvoer diensten
14,7
16,2
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
Er zijn merkbare verschillen met de bruto toegevoegde waarde voor de totale Vlaamse economie. De uitvoer is daar ook een belangrijke component, maar veel minder dan voor de HT-sector (36,2% tegenover 71,5%). De consumptie van huishoudens is belangrijker voor de totale Vlaamse economie (30,2%). Ook de overheidsconsumptie maakt een belangrijke post uit (20,2%) van de bruto toegevoegde waarde voor de hele Vlaamse economie. Figuur 13 laat zien dat de structuur van de bruto toegevoegde waarde voor de Brusselse en Waalse HT-sectoren naar component van de finale vraag grotendeels analoog is: de uitvoer van goederen en diensten is de dominante post, gevolgd door de investeringen en de consumptie van huishoudens.
37
Figuur 13. Bruto toegevoegde waarde naar component van de finale vraag Voor de 3 gewesten, 2015, in % Voor finale vraag van Vlaams Gewest Consumptie huishoudens
9,5
Voor finale vraag van Brussels Gewest
Voor finale vraag van Waals Gewest
7,9
Individuele consumptie overheid
0,2
0,1
Collectieve consumptie overheid
1,8
1,2
13,1 0,1 2,9
Consumptie IZW's
0,0
0,1
0,1
Investeringen
16,8
23,3
17,5
Voorraadwijzigingen
0,2
0,3
0,3
Uitvoer goederen
56,8
16,3
48,5
50,7
17,6
Uitvoer diensten
14,7
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
Deze bevindingen gelden ook grotendeels voor de werkgelegenheid (figuur 14). Het belangrijkste deel van de 247.550 personen werkend voor de HTsector voor de Vlaamse finale vraag deed dat voor de uitvoer (70,3%). En ook hier zijn de andere belangrijke posten de investeringen (18,8%) en de consumptie van huishoudens (8,4%). De werkgelegenheid voor de hele Vlaamse economie is ook in belangrijke mate op de uitvoer van goederen en diensten gericht (32,1%), maar minder dan voor de HT-sector. De consumptie van huishoudens (27,5%) en de overheidsconsumptie (25,8%) zijn ook hier belangrijke posten, net zoals bij de bruto toegevoegde waarde. Figuur 14. Werkgelegenheid naar component van de finale vraag van het Vlaamse Gewest Voor de HT-sector en voor de totale economie, 2015, in % HT-sector
Totale economie
Consumptie huishoudens
8,4
27,5
Individuele consumptie overheid
0,2
18,1
Collectieve consumptie overheid
2,0
7,7
Consumptie IZW's
0,0
2,0
Investeringen
18,8
12,2
Voorraadwijzigingen
0,3
0,3
Uitvoer goederen
55,5
16,8
Uitvoer diensten
14,8
15,3
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
De structuur van de werkgelegenheid voor de HT-sector naar component van de finale vraag komt in de andere gewesten min of meer overeen met die in het Vlaamse Gewest (figuur 15). Figuur 15. Werkgelegenheid naar component van de finale vraag Voor de 3 gewesten, 2015, in % Voor finale vraag van Vlaams Gewest Consumptie huishoudens Individuele consumptie overheid Collectieve consumptie overheid
8,4 0,2
Voor finale vraag van Brussels Gewest 7,0 0,1
2,0
Voor finale vraag van Waals Gewest
1,6
11,6 0,1 3,1
Consumptie IZW's
0,0
0,1
0,1
Investeringen
18,8
27,7
19,3
Voorraadwijzigingen
0,3
0,4
0,3
Uitvoer goederen
55,5
18,4
47,3
44,8
18,2
Uitvoer diensten
14,8
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
39
4
BESLUIT
De hoogtechnologische sector (HT-sector) krijgt bijzondere aandacht in een welvarende economie die steunt op innovatiegedreven groei zoals dat het geval is in het Vlaamse Gewest. Dit rapport gaat dan ook in op het in kaart brengen van de Vlaamse HT-sector. Dat gebeurde vooreerst op basis van de traditionele statistieken van de regionale rekeningen, waarbij de omschrijving van de HT-sector gebaseerd is op de gangbare Eurostat-definities. Volgens de regionale rekeningen was de HT-sector in 2020 in het Vlaamse Gewest goed voor 11,9% van de totale Vlaamse bruto toegevoegde waarde en 6,8% van de totale Vlaamse werkgelegenheid. Deze aandelen veranderden niet veel sinds 2010. Maar dat wil niet zeggen dat er binnen de HT-sector geen verschuivingen plaatsvonden: de MHT-sector verloor aan belang ten voordele van de HT-industrie en de HT-diensten. Niettemin blijft de MHTindustrie de belangrijkste component van de Vlaamse HT-sector. In het Brusselse Gewest zijn dat de HT-diensten, in het Waalse Gewest de HTindustrie. De HT-sector is productiever dan het gemiddelde van de Vlaamse economie, vooral dankzij de HT-industrie. Ook de loonkost per eenheid product ligt er lager dan gemiddeld in de Vlaamse economie, opnieuw vooral dankzij de HTindustrie. De vergoeding van de bruto toegevoegde waarde maakt een derde uit van de kostenstructuur in de HT-sector. Dat is minder dan gemiddeld in de hele Vlaamse economie, vooral te wijten aan de HT- en MHT-industrie waar de import uit het buitenland belangrijk is. In vergelijking met de EU-landen situeert het Vlaamse Gewest zich in de middenmoot qua aandeel van de HT-sector in de bruto toegevoegde waarde in de economie. Voor de werkgelegenheid ligt het Vlaamse aandeel zelfs onder het EU27-gemiddelde. Toplanden zijn Tsjechië, Duitsland en Hongarije, vooral omwille van hun hoge aandelen voor de MHT-industrie. De HT-sector is zwak vertegenwoordigd in Cyprus en Griekenland. In een tweede deel van het rapport werd door middel van een inputoutputanalyse op basis van de RIOT 2015 een meer omvattend beeld geschetst van de positie van de HT-sector in de totale economie. De inputoutputanalyse geeft een zicht op de bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid die de HT-sector met zich meebrengt, rekening houdend met de relaties tussen de bedrijfstakken onderling. Sommige bedrijfstakken leveren onderling toe aan de HT-sector, voor andere geldt het omgekeerde. Dat geldt ook voor de gewesten. In 2015 werd in België 28,7 miljard euro bruto toegevoegde waarde voor de HT-sector gerealiseerd om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag, grotendeels in het Vlaamse Gewest zelf. Omgekeerd werd in het Vlaamse Gewest 28,0 miljard euro bruto toegevoegde waarde voortgebracht voor de Belgische finale vraag.
De bruto toegevoegde waarde in België geproduceerd voor de HT-sector voor zowel de Vlaamse als de Waalse finale vraag is in beide gevallen groter dan de bruto toegevoegde waarde in het Vlaamse en Waalse Gewest voor de Belgische finale vraag. Voor het Brusselse Gewest is dat omgekeerd. Het illustreert de dienstverlenende rol van het Brusselse Gewest ten aanzien van beide andere gewesten. De bruto toegevoegde waarde voor de HT-sector voor het Vlaamse Gewest is 1,13 keer belangrijker in het economische weefsel dan wat uit de regionale rekeningen blijkt. Voor het Waalse Gewest ligt die factor op 1,25, maar voor het Brusselse Gewest op 0,79. De bevindingen voor de werkgelegenheid zijn analoog. De creatie van bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid voor de HTsector is vooral een zaak van bedrijven in de HT-sector, net zoals algemeen ook het geval is in andere sectoren. De HT-sector is vooral actief voor de Vlaamse uitvoer (71,5% in het geval van de bruto toegevoegde waarde en 70,3% in het geval van de werkgelegenheid), veel meer nog dan gemiddeld in de Vlaamse economie. De investeringen en de consumptie van huishoudens zijn de andere belangrijkste posten.
41
LITERATUURLIJST
5
Avonds, L., Hertveldt, B. & Van den Cruyce, B. (2021). Opmaak van de interregionale input-outputtabel voor het jaar 2015: databronnen en methodologie. In: Federaal Planbureau. Working Paper 7-21. Brussel. Devoldere, B., Buelens, M., De Stobbeleir, K., Debruyne, M., Meuleman, M. & Sleuwaegen, L. (2014). De inspiratie-economie. Een toekomstvisie voor de regionale ontwikkeling van Vlaanderen. In: Onderzoeksrapport Flanders DC. Leuven, 132 p. Eurostat (2008). Manual of supply, use and input-output tables. Luxemburg, 590 p. Peeters, L. (1998). Diffusie van belichaamde technologie in Vlaanderen: een empirisch onderzoek op basis van input/output-gegevens. In: VTO Observatorium, 7. Brussel.
6
BIJLAGEN
Bijlage 1. Bruto toegevoegde waarde in de HT-sector naar deelcategorie Belgische gewesten en België, 2010-2019, in miljoen euro (lopende prijzen) VLAAMS GEWEST
HT-industrie MHT-industrie HT-diensten Totaal HT-sector Totale economie
2010 3.057 11.851 6.462 21.369 185.907
2011 3.606 12.639 6.853 23.098 193.606
2012 3.938 12.436 7.189 23.563 199.643
HT-industrie MHT-industrie HT-diensten Totaal HT-sector Totale economie
2010 407 765 4.896 6.068 61.706
2011 359 748 5.071 6.177 63.662
2012 371 762 5.188 6.321 65.377
HT-industrie MHT-industrie HT-diensten Totaal HT-sector Totale economie
2010 3.874 3.022 2.261 9.157 76.516
2011 2.762 3.089 2.308 8.159 78.615
2012 3.149 2.773 2.512 8.433 79.810
HT-industrie MHT-industrie HT-diensten Totaal HT-sector Totale economie
2010 7.338 15.638 13.619 36.595 324.347
2013 2014 4.377 4.402 12.479 13.008 7.303 7.506 24.159 24.916 203.515 208.684
2015 4.244 13.390 7.819 25.453 216.911
2016 5.067 12.680 8.318 26.065 224.481
2017 2018 2019 5.084 5.513 6.402 13.619 13.691 12.896 9.039 9.124 10.201 27.743 28.328 29.499 232.525 239.708 248.906
2015 258 885 5.166 6.309 70.704
2016 261 652 5.153 6.066 71.531
2017 237 631 5.459 6.326 73.384
2018 232 630 5.707 6.569 75.103
2019 298 629 5.788 6.715 78.188
2015 3.430 2.853 2.248 8.531 85.455
2016 3.327 2.624 2.434 8.385 87.859
2017 3.950 2.615 2.562 9.126 90.955
2018 4.714 2.609 3.228 10.551 95.140
2019 6.489 2.616 2.966 12.071 99.559
2015 2016 7.933 8.655 17.127 15.956 15.233 15.905 40.293 40.516 373.302 384.033
2017 9.270 16.865 17.059 43.195 397.034
BRUSSELS GEWEST
2013 432 745 5.021 6.197 66.103
2014 312 772 4.815 5.899 68.057
WAALS GEWEST
2013 3.398 2.714 2.187 8.300 81.108
2014 3.374 2.913 2.121 8.408 83.600
BELGIË
2011 2012 2013 2014 6.726 7.459 8.206 8.089 16.475 15.971 15.938 16.693 14.232 14.888 14.511 14.442 37.434 38.317 38.655 39.223 336.110 345.069 350.969 360.582
2018 2019 10.459 13.189 16.930 16.141 18.060 18.955 45.448 48.286 410.173 426.900
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
43
Bijlage 2. Werkgelegenheid in de HT-sector naar deelcategorie Belgische gewesten en België, 2010-2020, in personen VLAAMS GEWEST
2010 HT-industrie 17.405 MHT-industrie 106.675 HT-diensten 53.914 Totaal HT-sector 177.994 Totale economie 2.603.313
2011 2012 2013 2014 2015 2016 17.628 17.792 17.753 18.036 18.186 20.708 108.079 106.949 105.413 103.027 98.259 94.447 55.566 56.446 57.033 60.229 60.998 62.541 181.273 181.187 180.198 181.293 177.443 177.696 2.635.349 2.650.016 2.643.884 2.657.308 2.689.338 2.729.803
2017 2018 2019 2020 21.162 20.658 20.630 21.297 95.270 98.293 98.501 97.031 67.338 71.388 76.983 78.910 183.769 190.339 196.114 197.238 2.777.175 2.825.529 2.878.877 2.884.446
BRUSSELS GEWEST
HT-industrie MHT-industrie HT-diensten Totaal HT-sector Totale economie
2010 2.497 6.032 31.866 40.395 678.263
2011 2.504 6.203 32.489 41.196 689.770
2012 2.373 6.397 31.901 40.671 690.828
2013 2.371 6.258 31.773 40.402 690.680
2014 2.152 6.282 30.889 39.323 694.716
2015 1.985 5.252 30.916 38.154 692.134
2016 1.913 4.299 31.205 37.417 695.191
2017 1.836 4.329 31.697 37.862 700.310
2018 1.804 4.434 31.750 37.988 705.249
2019 1.881 4.416 32.274 38.571 713.533
2020 1.923 4.644 31.945 38.512 710.501
2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 18.912 18.873 19.712 20.019 20.643 21.237 21.575 30.085 28.204 26.558 25.272 24.375 24.724 24.192 19.727 18.991 19.134 19.939 20.580 21.185 22.390 68.724 66.068 65.404 65.230 65.597 67.146 68.157 1.221.864 1.222.507 1.233.294 1.248.239 1.268.986 1.285.046 1.300.349
2020 21.735 23.577 22.598 67.910 1.296.911
WAALS GEWEST
2010 HT-industrie 16.903 MHT-industrie 31.599 HT-diensten 19.784 Totaal HT-sector 68.286 Totale economie 1.208.582
2011 2012 17.887 18.383 31.506 31.173 19.904 20.126 69.297 69.681 1.225.215 1.228.815
BELGIË
2010 HT-industrie 36.805 MHT-industrie 144.306 HT-diensten 105.564 Totaal HT-sector 286.675 Totale economie 4.492.992
2011 2012 2013 2014 2015 38.019 38.547 39.036 39.062 39.883 145.788 144.519 141.755 137.513 130.069 107.959 108.473 108.533 110.109 111.048 291.766 291.539 289.324 286.684 281.000 4.553.069 4.572.404 4.559.052 4.577.190 4.617.344
2016 2017 42.640 43.640 124.019 123.974 113.685 119.615 280.344 287.229 4.675.214 4.748.498
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
2018 2019 2020 43.699 44.086 44.955 127.451 127.109 125.252 124.323 131.647 133.453 295.473 302.842 303.660 4.818.179 4.895.228 4.894.422
Bijlage 3. Arbeidsproductiviteit in de HT-sector naar deelcategorie Belgische gewesten en België, 2010-2019, in euro (lopende prijzen) VLAAMS GEWEST
HT-industrie MHT-industrie HT-diensten Totaal HT-sector Totale economie
2010 2011 175.635 204.549 111.093 116.941 119.852 123.334 120.057 127.420 71.412 73.465
2012 221.363 116.276 127.352 130.046 75.337
2013 2014 246.524 244.062 118.382 126.260 128.050 124.621 134.066 137.435 76.976 78.532
HT-industrie MHT-industrie HT-diensten Totaal HT-sector Totale economie
2010 162.956 126.760 153.656 150.215 90.976
2011 143.171 120.516 156.090 149.948 92.295
2012 156.469 119.182 162.616 155.426 94.636
HT-industrie MHT-industrie HT-diensten Totaal HT-sector Totale economie
2010 229.173 95.643 114.294 134.100 63.310
2011 154.413 98.040 115.942 117.733 64.164
2012 171.294 88.944 124.799 121.024 64.948
2013 179.676 90.227 110.873 120.768 66.381
HT-industrie MHT-industrie HT-diensten Totaal HT-sector Totale economie
2010 199.363 108.364 129.015 127.652 72.190
2011 176.919 113.008 131.829 128.300 73.821
2012 193.491 110.509 137.249 131.430 75.468
2013 210.218 112.434 133.704 133.606 76.983
2015 233.392 136.270 128.181 143.443 80.656
2016 2017 244.677 240.250 134.250 142.956 133.007 134.236 146.681 150.965 82.233 83.727
2018 266.876 139.283 127.810 148.828 84.836
2019 310.308 130.926 132.512 150.418 86.459
2015 129.985 168.514 167.101 165.364 102.153
2016 136.469 151.665 165.118 162.107 102.894
2017 128.873 145.738 172.212 167.083 104.788
2018 128.463 142.079 179.757 172.923 106.492
2019 158.689 142.427 179.339 174.106 109.579
2015 174.024 107.412 117.477 130.432 69.290
2016 166.205 103.837 122.062 128.549 70.386
2017 191.338 107.267 124.466 139.119 71.675
2018 2019 221.987 300.770 105.527 108.140 152.377 132.456 157.142 177.106 74.036 76.563
2015 2016 198.902 202.980 131.680 128.656 137.172 139.901 143.391 144.521 80.848 82.142
2017 212.428 136.036 142.618 150.384 83.613
2018 239.346 132.832 145.263 153.815 85.130
BRUSSELS GEWEST
2013 181.991 119.011 158.027 153.391 95.707
2014 145.167 122.911 155.874 150.022 97.964
WAALS GEWEST
2014 178.780 103.271 111.684 127.260 68.384
BELGIË
2014 207.072 121.392 131.157 136.817 78.778
2019 299.172 126.989 143.983 159.442 87.207
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
45
Bijlage 4. Loonkost per eenheid product in de HT-sector naar deelcategorie Belgische gewesten en België, 2010-2019, verhouding tussen verloning en bruto toegevoegde waarde VLAAMS GEWEST
HT-industrie MHT-industrie HT-diensten Totaal HT-sector Totale economie
2010 0,44 0,58 0,64 0,58 0,67
2011 0,38 0,57 0,64 0,56 0,67
2012 0,38 0,58 0,63 0,56 0,68
2013 0,35 0,60 0,64 0,56 0,68
2014 0,35 0,59 0,67 0,57 0,67
2015 0,37 0,53 0,65 0,54 0,66
2016 0,37 0,55 0,62 0,53 0,65
2017 0,39 0,53 0,62 0,53 0,65
2018 0,36 0,54 0,67 0,55 0,66
2019 0,32 0,59 0,66 0,55 0,66
2015 0,73 0,65 0,52 0,54 0,64
2016 0,62 0,57 0,53 0,54 0,64
2017 0,65 0,60 0,53 0,54 0,63
2018 0,64 0,68 0,53 0,54 0,63
2019 0,54 0,67 0,53 0,55 0,63
2014 0,48 0,69 0,65 0,60 0,72
2015 0,50 0,65 0,62 0,59 0,71
2016 0,55 0,66 0,59 0,60 0,71
2017 0,48 0,76 0,60 0,60 0,71
2018 0,43 0,68 0,50 0,51 0,70
2019 0,33 0,66 0,58 0,46 0,69
2014 0,41 0,62 0,63 0,58 0,69
2015 0,44 0,56 0,60 0,55 0,67
2016 0,44 0,57 0,59 0,55 0,66
2017 0,44 0,57 0,59 0,55 0,66
2018 0,39 0,57 0,59 0,54 0,66
2019 0,33 0,60 0,61 0,53 0,66
BRUSSELS GEWEST
HT-industrie MHT-industrie HT-diensten Totaal HT-sector Totale economie
2010 0,49 0,69 0,51 0,53 0,66
2011 0,61 0,80 0,51 0,55 0,67
2012 0,58 0,93 0,51 0,57 0,67
2013 0,49 0,88 0,55 0,58 0,68
2014 0,59 0,83 0,55 0,59 0,67
WAALS GEWEST
HT-industrie MHT-industrie HT-diensten Totaal HT-sector Totale economie
2010 0,34 0,64 0,64 0,51 0,71
2011 0,54 0,63 0,62 0,60 0,72
2012 0,49 0,71 0,60 0,60 0,74
2013 0,49 0,72 0,70 0,62 0,74
HT-industrie MHT-industrie HT-diensten Totaal HT-sector Totale economie
2010 0,39 0,60 0,59 0,55 0,68
2011 0,46 0,59 0,59 0,57 0,69
2012 0,44 0,62 0,58 0,57 0,69
2013 0,42 0,63 0,62 0,58 0,69
BELGIË
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
Bijlage 5. Inputstructuur van de HT-sector Belgische gewesten en België, 2015, in % VLAAMS GEWEST
Vlaams Gewest Import uit andere gewesten Import uit het buitenland Intermediair verbruik Productgebonden belastingen min subsidies Lonen Inkomen zelfstandigen, winsten, inkomen uit woningen Afschrijvingen vaste activa Niet-productgebonden belastingen min subsidies Bruto toegevoegde waarde Totale input
BRUSSELS GEWEST
WAALS GEWEST
BELGIË
21,6
12,0
17,2
19,4
6,2 38,9 66,6 0,4 17,0 7,4 9,5 -0,8 33,0 100,0
13,0 37,2 62,2 0,3 19,3 7,3 11,5 -0,5 37,5 100,0
13,8 30,9 61,9 0,1 20,6 5,4 13,3 -1,2 38,0 100,0
8,6 37,1 65,1 0,3 18,0 7,0 10,5 -0,9 34,7 100,0
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
47
COLOFON Verantwoordelijke uitgever Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100, 1000 Brussel Auteur Thierry Vergeynst thierry.vergeynst@vlaanderen.be Concept & grafische vormgeving The Oval Office Statistiek Vlaanderen Depotnummer D/2022/3241/241
Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100 1000 Brussel www.vlaanderen.be/statistiek-vlaanderen