Skip to main content

M&L_23_2.pdf

Page 1

Kalk voor de restauratie, renovatie en decoratie van ons patrimonium! UNILIT

CORIDECOR • CORICAL: een minerale verf op basis van vette luchthardende kalk, marmerpoeder en natuurlijke kleurstoffen

• Bindmiddelen op basis van natuurlijke hydraulische kalk om te metselen, voegen en pleisteren

• Marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL, DECORLUX, VENESTUK

• Kant en klare mortels op basis van natuurlijke hydraulische kalk

• Hecht-, grond- en afwerkmortels • Saneringsmortels tegen optrekkend vocht & vochtige muren • Thermische & akoestische isolatiemortels

HD SYSTEM

• Injectiemortels voor stabilisatie en statische verankering

GRUPPO TASSULLO spa

ÏAinim /t Chris VOET Pel.: 052 46 02 43

San

Arte

Fax : 052 46 35 77 GSM : 0475 26 72 89 E-mail : chns.voct(«;compaqnet.be

Maud BONNEV1E Tel./Fax:081 58 35 99 GSM : 0475 26 73 25 K-mail ; bertbn'WHiscalinel.bc

Arte Constructo bvba Molcnberglci 18 B-2627 Schelle Tel.; 00 32 3 880 73 73 Fax : 00 32 3 880 73 70 E-mail info@arteconstructo.be Web : www.artcconstructo.be


Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdclitijj MoniiHuincii en Landschappen

IVI U l\l U M

ISSN 077023 jaargang Nr. 2 maart-april 2004

L A l N l U b L H A r r h N

Redactie Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 12 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel Celis Redactiesecretaris: Veerle De Houwer E-mail: veerle.dehouwer@lin.vlaanderen.be Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns Cover: Ontwerptekening voor de glasramen van de kerk van Zonnebeke, Huib Hoste (K.U.Leuven Universiteitsarchief)

Abonnementsvoorwaarden 2004

Internet

Druk

Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be

Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68

Redactiecomité

België: 32 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 49,50 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten ft Landschappen, Phoenix-gebouw, Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "MftL-jaarabonnement 2004". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Ere-voorzitter: E. Goedleven Voorzitter: L Tack Kernredactie: M. Buyle, M. Celis, V. De Houwer, Herman Van den Bossche Redactie: A. Bergmans, J. Braeken, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gijselinck, E. Hofkens, C. Metdepenninghen, M. Michiels, G. Plomteux, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo, L Wylleman

Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: casier.]an@tiscali.be www.jancasier.be

Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Joris Scheers Afdeling Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3)

1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 12

De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Inhoud 4 Van Sint-Jozefseminarie tot Borgerstein vzw Het voormalige instituut voor priesteropleiding, nu welzijnsvoorziening Herwig De Lannoy

3 5 De ruis tussen een kromme en een rechte lijn. Huib Hoste en de kerk in Zonnebeke Veerle De Houwer, Rajesh Heynickx, Patrick Jaspers, Hugo VandenBorre

64

Summary


"CEPRO", DE NIEUWE NAAM VOOR EEN HISTORISCHE TRADITIE. Gebruiksklare pleistermortels op basis van zuivere, natuurlijk hydraulische kalk.

Loofde Heen,. De vloerverrijzenis

bestaat.

Een oude natuursteen- of terracottavloer en een versleten parket zijn niet verloren. Solar nv renoveert vloeren en parket zonder breken. Het resultaat is vaak beter dan nieuw en toch blijven de kosten be-

Kasteel te W a n n e g e m - Lede

Traditionele kaleimortel "Cepromill" op basis van zuivere, natuurlijk hydraulische kalk.

perkt tot een fractie hiervan. Solar nv beschikt over het gespecialiseerde vakmanschap en hoogstaande technologie om uw vloer opnieuw in haar oorspronkelijke staat te brengen of te reanimeren met behoud

Verrebeekmolen te Brakel

Kalkverf"Fresco"op basis van geselecteerde vette luchtkalk en inerte pigmenten.

van het historisch aspect.

Natuursteen-,

terracotta-

BEL nu 03-766.11.66

Voeg- en metselmorteis, basispleisters, afwerkpleisters, zoutbestendige, vochtreguierende en isolerende pleistersystemen. Traditionele afwerkingen: Marmohno, Arriccio, Silieato, Silicaatverf....

P.E.C. INTERNATIONALr

Tel.: 03/776.84.39

parketvloeren...

mat geworden, beschadigd, loopsporen,... Wij brengen het verleden met glans terug !!

Bijgebouwen, Klein Seminarie te Sint-Niklaas

Voor informatie over onze Cepro producten of projectadvies, neem vrijblijvend contact op:

en

Kleine Breedstraat 3 3 - B-9100 Sint-Niklaas

slijpen - schuren - herpolijsten - kristalliseren - restaureren van natuursteen-, terracotta- en parketvloeren - wanden - trappen

E 3 - L a a n 49 - 9800 Deinze - Tel 09/386 07 63 www.pnijs.be - p.nijs.nv@pandora.be

Specialiteit: Beschermde monumenten

m

Dakwerken G. BOSCH

Algemene Dak- & Restauratiewerken Aartrijkestraat 109 - 8820 Torhout Tel. 050-21 10 85 - Fax 050-22 06 17 GSM: 0485-02 00 50 E-mail: geert@bvbabosch.be Site: www.bvbabosch.be

Erkende aannemers onder nr. 24040 Reg. nr. 051511

Erkenning: Klasse 2 Ondercategorieën: D8 - Dl 2 - Dl 6 - D22 - D24


Generiek Bouwen op zand? Van priesteropleiding naar

welzijnsvoorziening

Al beantwoordde volgens kardinaal Van Roey het in 1934 gebouwde Sint-Jozefseminarie van SintKathelijne-Waver aan een "gans nieuwe opvatting der priesterlijke opleiding", toch bleek de oorspronkelijke bestemming geen lang leven beschoren. Het prestigieuze bouwwerk van architect Simon van Craen was, kort na het Tweede Vaticaans Concilie, bijna tot leegstand gedoemd. De redding kwam vanuit de zorgsector. Ondanks de herbestemming sinds bijna dertig jaar bleef de originele structuur, het uitzicht en de inrichting van het seminarie tot nu toe bewaard. En ook in de toekomst na een nieuwe reeks verbouwingswerken, zal het basisconcept van het gebouw behouden blijven. Zo verzekert ons de algemeen directeur van de v.z.w. Borgerstein, de huidige eigenaar van het gebouwencomplex.

De missie van een gedreven architect: Huib Hoste en zijn kerk van Zonnebeke „Wie niet origineel werk levert geeft aan God niet het beste dat hij bezit. Met deze uitspraak benadrukt de katholieke Hoste dat de schoonheid van een kerk enkel kan worden verkregen door het toepassen van de verwezenlijkingen van de moderne architectuur. Bij de wederopbouw van het West-Vlaamse Zonnebeke na W0I viel een dergelijke stellingname niet bij iedereen in de smaak. Bij het vooronderzoek van de restauratie van het interieur komt men vanzelf terecht bij de problematische ontstaansgeschiedenis van de O.LVrouwkerk van deze gemeente.

RECHTZETTING In M&L 23/1 werd bij het artikel "De architecten Brunfaut, een sociaal bewogen oeuvre" de naam van auteur Sarah Moutury vergeten. De redactie biedt mevrouw Moutury langs deze weg haar oprechte verontschuldigingen aan.


Herwig De

Lannoy

VAN S1NT-J0ZEFSEM1NAR1E TOT B0RGERSTE11M vzw. HET VOORMALIGE INSTITUUT VOOR PRIESTEROPLEIDING, NU WELZIJNSVOORZIENING Precit ter gelegenheid van de inzegening ïan het SintJozefseminane op 30 april I936. Deze werd in de vorm van een postkaart in het kader van een groots opgezette campagne van geldinzameling voor het project verkocht (prent AAHechelen)

in-m

4***-

H~*-t***~~ T/f£C&.

•.lAé^^to

*t*M!tU4 .

Het vroegere Sint-lozefseminarie

in

Sint-Katelijne-

Waver, aan de grens met Mechelen en straalt

de autoriteit

opdracht

uit die bij zijn

paste. Als diocesaan

priesteropleiding 1936 symbool

voor in

voor het succes van de K a t h o l i e k e van priesters

195S hoogtij.

van de maatschappij priesteropleiding

oorspronkelijke

instituut

stond het bij zijn inwijding

A c t i e . De rekrutering ongeveer

Bonheiden,

De snelle

vierde

ontkerstening

en de reorganisatie

leidden vanaf

tot

van de

7 965 t o t leeg-

stand. In 1974 werd het gebouw,

dat snel in

verval kwam, door B o r g e r s t e i n v z w Deze voorziening

voor opvang

een verstandelijke

handicap

inmiddels

van personen

van het

Bij dit herbestemmingsproject

de authenticiteit

van de monumentale

tuur behouden,

maar werd het gebouw

gepast aan de behoeften wooncomfort

en voorschriften

en veiligheid,

met

en van bejaarden

tot één van de grootste

uitgegroeid.

gekocht.

die voor de

is

land bleef

infrastructoch

aan-

inzake opvang


van de nieuwe doelgroepen in de jaren 1970 en 1980 golden. De infrastructuur dient evenwel andermaal aangepast te worden aan de Inmid-

seminaristen vier jaar theologie aan het Groot Seminarie in het oude Standonckcollege aan de Frederik de Merodestraat, eveneens in het Mechelse stadscentrum, en thans Pastoraal Centrum.

dels geëvolueerde normen, waarbij meer dan vroeger de nadruk op zorg op maat van de hulpvrager ligt. Het complex is niet beschermd.

FFRSTF PLANNFN (191R-19.T3) De opleiding van seminaristen in het aartsbisdom Mechelen, dat omstreeks 1918 bijna drie miljoen zielen telde, duurde net als nu zes jaar. De kandidaat-priesters startten na het middelbaar onderwijs hun opleiding aan het Klein Seminarie, met twee jaar studie van de filosofie. Dit seminarie was gevestigd in het 16de-eeuwse Hof van Hoogstraten en het 18de-eeuwse classicistische Hof van Coloma, aan de Bleekstraat te Mechelen. Daarna volgden de

De drie gebouwen - het Hof van Hoogstraten, het Hof van Coloma en het Standonckcollege - waren door de aanhoudende stijging van het aantal roepingen overbevolkt en voldeden conceptueel niet meer aan de noden van de tijd. Na heel wat zoekwerk viel de keuze voor de bouw van een nieuw seminarie op braakliggende terreinen aan het IJzerenveld in Sint-Katelijne-Waver, aan Pasbrug, net over de grens met Mechelen. Enkele dagen voor zijn overlijden op 25 januari 1926, tekende de doodzieke kardinaal Mercier (1851-1926) een aanbeveling aan de minister van Justitie om de vereiste bestemmingswijziging van de terreinen tot gronden van openbaar nut te verkrijgen, wat op 4 mei 1926 een gunstig gevolg kteeg. De zandgronden waren weinig vruchtbaar en in deze groentestreek dus re-

Bouwvakkers op de werf

bouwen de

grondvesten. 5 september 1933 (foto AAMechelen)

Kardinaal Van Roey bezoekt met onder andere rijn privé-secretaris Francis Dessain de bouwwerf. 5 september 1933 (foto AAMechelen)


SIMON VAN CRAEN Simon Van Craen werd geboren te Mechelen op 22 april 1900. Na studies aan de Sint-Lucasschool te Brussel had hij zich in 1922 in zijn geboortestad als architect gevestigd. Reeds vanaf 1925 werd hij met de restauratie na de oorlogsschade uit 1914 en de verbouwingen van de Sint-Romboutskathedraal en -toren belast, en vanaf 1929 was hij hoofdarchitect van de kathedraal. Hij was ook ontwerper van de Sint-Gummaruskerk met school te Mechelen, een art deco-getint complex uit 1925. Hoofdarchitect van dit project was Jef Huygh, die de plannen op de eerste tentoonstelling van de Pelgrimbeweging in 1927 presenteerde. De Sint-Gummaruskerk vertoont verwantschap met de kapel van Borgerstein; Van Craen is door de samenwerking vermoedelijk dus beïnvloed. Vanaf 1928 was hij leraar Bouwkunde aan de Technische Scholen te Mechelen. Als 'architect van het bisdom' was hij lid van het Diocesaan Comité voor Monumenten. Uit zijn beginperiode dateren de ontwerpen voor de Pastoor-van-Arskerk te Wilrijk (1927), de feestzaal van het Sint-Romboutscollege te Mechelen (ca. 1927), de kapel en feestzaal van het monumentale complex van Onze-Lieve-Vrouw-van-Sion, thans het rusthuis Vinck-Heymans te Antwerpen (1928), de Sint-Lodewijkkerk te Mortsel (1929); tevens werkte hij mee aan de uitbreiding van het Sint-Gummaruscollege te Lier (1924 en 1930-1932). In 1930 onderscheidde hij zich met de verbouwing in neogotische stijl van de noordoostelijke zijbeukkapel tot praalgrafkapel van kardinaal Mercier in de Sint-Romboutskathedraal. Hij bouwde de Sint-

Architect Van Craen (rechts naast de kardinaal) assisteert Van Roey bij het leggen van de eerste steen van het seminarie, I I oktober 1933 (foto AAMechelen)

Lidwinakapel te Bonheiden (1935) en de Heilige Familiekerk te Sint-Lambrechts-Woluwe (1937). Hij ontwierp tevens industriële gebouwen, zoals deze van Hertsens en de brouwerij Lamot (diverse bouwfasen, 1922-1924 en 1930-1940) te Mechelen en de Usines de Renaux te Duffel. In 1941 richtte hij de Mechelse afdeling van de Koninklijke Maatschappij der Bouwmeesters van Antwerpen op, waarvan hij tot 1957 voorzitter en daarna tot zijn dood erevoorzitter was. Na de Tweede Wereldoorlog was hij architect van de restauratiewerken door oorlogsschade aan de Sint-Romboutskathedraal (1945-1950) en aan het Klein Seminarie (ca. 1949) te Mechelen, aan de pastorie van Walem (1949), en van de herstellingswerken aan de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-vanHanswijk die vanaf 1949 tot 1964 aansleepten. Hij was ook bouwmeester van de verbouwingen van de neogotische Sint-Jozef-Colomaschool uit 19051907 te Mechelen, en ontwierp villa's te Mechelen, Walem, Hingene en Tisselt. Hij was tot zijn dood lid van de Raad van de Orde van Architecten van de Provincie Antwerpen. In 1967 overleed hij bij een auto-ongeval.


latief goedkoop. Toen kardinaal Van Roey, opvolger van Mercier, bij de start van de bouwwerken in 1934 met zijn secretaris kanunnik Francis Dessain (1875-1951) poolshoogte kwam nemen, bleek hij allerminst onder de indruk. "C'est du mauvais terrain !", stelde de kerkvorst vast. Waarop Dessain repliceerde: "Pour y planter des choux, vous avez raison, maispour des séminaristes, c'est l'idéal" {\).

Kardinaal Van Roey

Ook kardinaal Ernest-Joseph Van Roey (18741961) was van de noodzaak om een nieuw seminarie te bouwen, overtuigd. O m praktische redenen week hij af van het klassieke schema, met de eerste twee jaar filosofie in het Klein Seminarie, en daarna de vier jaar theologie in het Groot Seminarie. Hij besliste dat de twee studiejaren filosofie voor een 250 kandidaat-priesters én het eerste jaar theologie voor een 100-tal studenten door het nieuwe seminarie zouden verzorgd worden. Het complex diende bijgevolg te voorzien in studielokalen en individuele slaapkamers voor de 350 seminaristen, voor hun professoren en voor het ondersteunend personeel. Na drie jaar studie aan het nieuwe seminarie gingen de kandidaat-priesters voor de drie hogere jaren theologie naar het Groot Seminarie aan de Frederik de Merodestraat. Aan de Bleekstraat is een internaat voor humaniorastudenten onder de naam 'Klein Seminarie' als afdeling van het Berthoutinstituut tot op heden blijven bestaan.

architect Van Craen

legt de eerste steen

(rechts, kijkt in de

van de kapel,

lens),

onder het waak-

19 maart 1934

zame oog van

(foto AAMechelen)

Zicht op de bouwwerken tussen het

Architect Van Craen, kardinaal Van Roey en de pauselijke nuncius Mgr. Micara (v.l.n.r.) bij de eerstesteenlegging van het seminarie, I I oktober 1933 (foto AAMechelen)

In september 1932 gaf Van Roey opdracht aan architect Simon Van Craen uit Mechelen om een voorontwerp uit te werken en uitvoerders voor de bouw te zoeken. De tweeënderdgjarige Van Craen had zich toen reeds als dé architect van het aarts-

noordelijke tussengebouw en de achterbouw; toen was het paard nog een belangrijke werkkracht, februari 1934 (foto AAMechelen)


Zicht op de bouwwerf genen vanuit het zuidwesten, met centraal de grondvesten van de kapel; achter de achterbouw steekt het metalen gestel voor het noordelijke tussengebouw uit.

illiiiiiiill1 nmiiiliiii

te tfis • • i i i 11 I I M » 4

I I I I I I I

"•••P I I I

I i

22 maart 1934 (foto AAMechelen)

bisdom geprofileerd (2). Naar stijl werd hij door de toonaangevende Antwerpse art deco-architect Jef Huygh (1885-1946) sterk beïnvloed (3). Er werd heel wat gelobbyd om, in deze jaren van economische crisis, de belangrijke contracten in de wacht te slepen (4). O p 10 juli 1933 werd uit 13 kandidaten de firma Van Pottelbergh als aannemer aangewezen. Het bedrijf Albert Van Pottelbergh en Zoon uit Erembodegem had het klooster van de Broeders van Liefde te Korbeek-Lo en het pensionaat van de Zusters van Barmhartigheid te Ronse gebouwd, en kreeg van daaruit positieve referenties.

Albert Van Pottelbergh was ook de aannemer voor de bouw van de modernistische Sint-Laurentiuskerk te Antwerpen, waarvan architect Jef Huygh in 1929 de plannen tekende. Bovendien was Van Pottelbergh als aannemer werkzaam geweest bij de bouw van de kerk van het Instituut van de Ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver in 19091912 en bij de wederopbouw ervan in 1919-1923, na de verwoestingen tijdens de Eerste Wereldoorlog. In 1910-1912 had hij er de parochiekerk, het raadhuis en de pastorie verbouwd, en die laatste na de schade door de oorlog heropgebouwd (5).

Zicht vanop de zuiZicht op bouwwerken aan het zuidelijke tussengebouw

en de achterbouw,

de tussengebouwen

delijke kant van het en op de voorbouw,

draagstructuur van het noordelijke

22 maart 1934

dak van de achter-

22 maart 1934.

tussengebouw

(foto AAMechelen)

bouw, met zicht op

Let op de metalen

(foto AAMechelen)

, J ! • • •«1111, 1 I 1 1 1 1 r 11111 m! " I I I l I i r 11 i n


•4 Luchtfoto vanuit het zuidoosten, ca. 1947 uit postkaartenreeks E. Thill, Brussel)

Vanaf mei 1933 werd het terrein aan het IJzerenveld bouwrijp gemaakt en werden waterputten geboord. O p 11 augustus 1933 werd met de eigenlijke bouwwerken gestart en op 11 oktober 1933 werd plechtig de eerste steen gelegd. Van Roey doopte het complex 'Sint-Jozefseminarie', naar de patroon van België, van de Katholieke Kerk, en van de kardinaal, naamgenoot van de heilige. O p 19 maart 1934, feestdag van Sint-Jozef, legde hij de eerste steen van de kapel. O p 300 dagen stond de ruwbouw er; eind augustus 1935, precies twee jaar na de start, was, dankzij een uitstekende coördinatie van de werken, het gebouw instap klaar (6).

TYPISCHE STIJL VAN DE JAREN 19^0 Twee evenementen uit het Interbellum waren voor het concept en de bouwstijl van het nieuwe seminarie bepalend: de Katholieke Actie als religieuze beweging en De Pelgrim als kunstenaarsvereniging. De Katholieke Actie werd door Pius XI (Ambrogio Ratti (1857-1939), paus van 1922 tot 1939) in het leven geroepen en kende vooral in Italië en België veel aanhang. Onder het motto "laanderen hernieuwen in Christus"yoerdtn de Belgische bisschoppen een sensibiliseringscampagne, die tijdens het Interbellum de jeugd en daarna de volwassenenwe-

Sierli|ke buitengevel van de 'Bisschopszaal', de voornaamste spreekkamer van de professoren in de voorbouw, en nog steeds in haar oorspronkelijke staat een vergaderzaal (foto Oswald Pauwels. 2004)


DE FINANCIERING Het nieuwe bouwwerk werd op 15 miljoen oude Belgische frank begroot, waarvan 8 miljoen alleen al voor de salarissen van de gemiddeld 282 arbeiders die er dagelijks werkzaam waren. O m d a t er geen overheidssubsidies konden bekomen worden, deed de kardinaal uitdrukkelijk een beroep op de vrijgevigheid van de gelovigen. Uiteindelijk liep het prijskaartje voor het gehele complex tot bijna 19 miljoen frank op, waarvan volgens de katholieke pers ruim 17 miljoen frank door vrijwillige bijdragen zou ingezameld zijn. Een flinke zet kwam er vanwege paus Pius XI, met zijn toekenning met Pasen 1934 van de opbrengsten van de SintPieterspenning. De geestelijken van het aartsbisdom brachten de 1,5 miljoen frank bijeen die nodig was voor de bouw van de kapel.

FNKFI E TECHNISCHE GEGFVFNS Het complex bevindt zich op een domein van oorspronkelijk 8,5 ha; Borgerstein KZW heeft als nieuwe eigenaar enkele aangrenzende bouwgronden aangekocht, zodat de totale oppervlakte thans ca. 10 ha bedraagt. Aan de straatkant meet het domein 315 m, en het strekt zich in de diepte licht hellend tot 400 m uit. Twee smeedijzeren hekken geven via een oprit op de 40 m diep liggende oorspronkelijk hoofdingang uit. Een volume van 134.486 m was op een oppervlakte van 8.200 m 2 rond 11.200 m 2 aan wandelplaatsen en binnentuinen opgetrokken. De eetruimte in het noordelijke tussengebouw meet 33 op 18 m, met een plafondhoogte van 7 m, eveneens zonder steunpilaren binnenin. In de constructie werd hout als dragend element gemeden; enkel de dakstoel van de twee hoofdgebouwen bestaat uit houten spanten waarop een leien dak gelegd is. De verticale draagstructuur bestaat uit massief metselwerk dat de gevel en gangwanden vormt; de horizontale draagstructuur is uit betonbalken opgetrokken, waarboven een betonplaat gestort is. De noordelijke en zuidelijke tussengebouwen en de kapel werden rond een dragende metalen structuur geconstrueerd, goed voor een totaal gewicht van 350 ton. Dit was een voor die tijd uitzonderlijke werkwijze.

Er werden 11,8 miljoen bakstenen uit de steenbakkerijen van Terhagen bij Rumst verwerkt. De buitengevels werden met heldere, okerkleurige baksteen bekleed, met tussen de baksteen en de gevelsteen een spouw. Dit maakte de muren waterdicht, kwam de isolatie ten goede en dempte het geluid tussen de lokalen dermate, dat pas na veel zoekwerk een geschikt weksysteem gevonden werd. Er werd 65.000 m aan muren en plafonds bepleisterd en er werden keramische tegels over een oppervlakte van 6.000 m gelegd. De muren van de gemeenschappelijke lokalen, de keuken, de gangen, de sanitaire installaties, de douchezalen en de traphallen werden met faiencetegels bekleed. De meeste trappen zijn van beton, met granito bekleed, en van smeedijzeren trapleuningen voorzien. De appartementen van de professoren, enkele spreekkamers en de kapel zijn over 1.950 m met eiken parketvloeren bekleed. De gangen aan de auditoria en van het hoofdgebouw, enkele spreekkamers en de grote zalen zijn met keramische tegels bevloerd. In de kelders stonden voor die tijd moderne badinrichtingen, met veertig douchecellen. Voor de daken en dakkapellen werden 7.000 m 2 leien gebruikt; de dakgoten zijn met koper bekleed. Er werd 4,2 miljoen m 3 gewapend beton en 3.000 m 2 glas verwerkt. Alle buitenschrijnwerkerij bestond uit eik, evenals de binnenschrijnwerkerij van het hoofdgebouw en de kapel. Enkel het binnenwerk van de gemeenschappelijke lokalen voor de studenten en de diensten bestond uit goedkoper rood grenenhout.

Zowel de voor- als de achterbouw zijn volledig onderkelderd. In de kelders stonden vijf grote industriële verwarmingsketels op steenkool, met automatische lading van de kolen, waarvan 700 ton in de kelders kon opgeslagen worden. Met deze centrale installatie werd de verwarming van het hele gebouw verzekerd, en ook het warm water en de stoom voor de keuken en het warm water voor de stortbaden in de kelder. De installatie werd reeds in de winter van 1934 in dienst genomen, zodat de stukadoors volgens plan hun werkzaamheden konden uitvoeren. Het gebouw was voorzien van een vooruitstrevende kunstverlichting, met 1.200 lichtpunten, en van een circuit voor luchtverversing. In de kranten pakte vooral de firma EtemitVt Kapelle-


op-den-Bos uit met haar netwerk van buizen voor luchtverversing en voor afvoer van de verbrande gassen en dampen van de keuken en de wasserij. Grondwater werd uit putten van 72 m diepte aan een dagelijks debiet van 50.000 liter per dag opgepompt, met pieken van 600 liter per minuut. De installatie bevond zich onder één van de binnentuinen. De verdeling van het water via koperen leidingen gebeurde vanuit een bezinkbassin van 150 m 2 met een centrifugaalpomp, en bediende 400 lavabo's en gootstenen, de stortbaden, de keuken, een honderdtal toiletten, en de installaties voor schoonmaak, voor verwarming en voor brandbeveiliging. De elektriciteitsvoorziening werd vanuit een hoogspanningscabine op 10.000 volt verzorgd, en op 220 volt via 60 km interne bedrading getransformeerd en verdeeld. Een noodcircuit startte automatisch bij stroompanne op. Een interne telefooncentrale met 22 posten was van bij het begin in gebruik.

reld veroverde. De Katholieke Actie had de herkerstening van de samenleving op het oog. Zij baadde in een offensieve mentaliteit en een veroveringsgeest om de secularisering van het openbare leven tegen te houden en ongedaan te maken. In Vlaanderen was zij tegelijk een poging om de katholieke Vlaamse studentenbeweging van het invloedrijke radicale anti-Belgische Vlaams-nationalistische Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond los te weken (7). De begeestering vanuit de Katholieke Actie had spoedig een positieve invloed op het aantal religieuze roepingen. Zo ging het aantal intredes in de Belgische grootseminaries vanaf 1923 fors de hoogte in, namelijk van 185 naar 216, en steeg het naar een hoogtepunt van 310 intredes in 1933, waarna het tot de Tweede Wereldoorlog op een hoog peil bleef. Niet alleen was er praktische nood aan een nieuw seminarie in het aartsbisdom Mechelen, het gebouw moest ook de zelfverzekerdheid van de Katholieke Actie misuzXen (8).

Daarnaast was voor de bouwstijl van het seminarie de invloed van de kunstenaarsvereniging De Pelgrim bepalend. Deze ontstond als groepering van Vlaamse katholieke beeldende kunstenaars, architecten en schrijvers, die met hun kunstwerken de christelijke gedachte trachtten uit te dragen en de In totaal waren 54 verschillende Belgische firma's katholieke Vlaamse kunst op een hoger plan wilden rechtstreeks bij de bouw betrokken. brengen. Inspiratie vonden de Pelgrims in de liturgische beweging - een stroming die het belang van het eucharistisch gebeuren centraal stelde - maar zij sloten niet formeel bij de Katholieke Actie aan. De Vlaams-katholieke kunstenaarsvereniging ontstond te Lier in 1924 op initiatief van de schrijver, tekenaar en kunstschilder Felix Timmermans, de schrijver Ernest van der Hallen en de architectkunstschilder Flor van Reeth. In 1926 verscheen het manifest van de beweging, mee ondertekend door onder andere de kunstschilder en medestichter van het Vlaams Economisch Verbond en van Caritas Catholica Herman Deckers, de priester en historicus Emiel Valvekens, de toneelregisseur en -schrijver Anton van de Velde, de dichter, essayist, toneelschrijver en kunstschilder Dirk Vansina, de componist Renaat Veremans, de schrijver Gerard Uitgebreide info in: DE CUYPER A., Le séminaire Saint-Joseph, grande oeuvre de foi, pp. 329-343 en 11 fraaie foto's, in: L 'Epoque. Walschap en de kunstschilder en glasraamontwerper Eugeen Yoors. Andere bekende Pelgrims waren Architecture - Art - Technique. Organe de l'Union Professionnelle des de schrijver Marnix Gijsen en de Latemse tekenaar Architectessortisdes EcolesSaint-Lucen Belgique U.P.A.S.LB., 3e serie, en kunstschilder Albert Servaes. De vereniging nr. 8, [september] 1936. In advertenties zette elkefirmahaar eigen bracht van 1929 tot 1931 een eigen tijdschrift uit. werkzaamheden in her gebouw exrra in de verf. Na twee opmerkelijke tentoonstellingen in 1927 en 1930 viel de groep eind 1930 uiteen. Timmermans,


HET GFROUWFNCOMPLEX Wat het meest opvalt, is de monumentaliteit van het gebouw. Twee grote blokken, het ene 160 m, het andere 220 m lang, zijn als hoofdgebouwen met elkaar verbonden door drie tussengebouwen. In het verlengde van het middelste tussengebouw ligt de kapel, met de klokkentoren. In functie van de oriëntatie naar het daglicht loopt het gebouw niet parallel met de straat, maar volgt het de noordzuid-as.

De voorbouw De stookplaats voor de centrale verwarming in de kelder, v a n d e r H a l l e n , v a n d e Velde en V a n s i n a v e r e n i g d e n o- IM' zich in 1935 evenwel rond het tijdschrift Volk, dat (postkaartenreeks t o t J^J v e r s c h e e n ; e n b l e v e n ge deeltelijk dezelfde richting volgen (9).

T

De keuken in het noordelijke tussengebouw, ca. 1947 (postkaartenreeks

Voor het nieuwe Sint-Jozefseminarie opteerde Van Craen voor een merkwaardige combinatie in een monumentaal bouwwerk: de neoromaanse stijl van het gebouw stond in contrast met elementen uit de art deco. Hiervan zijn kenmerken te vinden in de versiering van de buitengevel, maar vooral in de afwerking van de kapel, waar ook de invloed van de Pelgrims het duidelijkst is. Louis Crespin, de ontwerper van de glasramen, sloot aan bij deze beweging en nam deel aan de tentoonstelling ervan in 1930. De glazenier Florent Colpaert werkte samen b e ï n v l o e d d o o r Pelgrims als C r e s p i n

met^ e n w e r d en Albert

Servaes.

De voorbouw aan de straat telt drie bouwlagen. Boven de hoofdingang in het midden staat een 3,5 m hoog witstenen beeld van Sint-Jozef met Kind Jezus. Het beeld werd slank opgevat omdat het 'in 't verkort' gezien moest worden op een hoogte van 12 m (10). Het werd gemaakt door Jan Poels, een steenkapper-ornamentalist uit Berchem die zijn opleiding aan de kunstacademie te Antwerpen genoot, en er primus in 'Boetsering en Versierde Samenstellingen' werd. Hij werkte samen met architect Van Craen aan de binneninrichting van een zijkapel tot grafkapel van Mercier in de Sint-Romboutskathedraal te Mechelen. Belangrijke ornamentatie van zijn hand is ook in het SintLievenscollege te Antwerpen en bij de Witte Paters te Boechout te vinden. Hij leidde een familiebedrijf, met zijn zonen de beeldhouwers Jules en Albert Poels. Met deze laatste nam hij samen met de architecten Jef Huygh en Eduard Van Steenbergen deel aan de wereldtentoonstelling te Antwerpen in 1930 (11).

Spreekkamer van de professoren in de voorbouw, ca. 1947 (postkaartenreeks E. Thill)

1VI&L


O p de gelijkvloerse verdieping bevonden zich het salon en de eetkamer van de professoren, het bureau van de econoom en drie spreekkamers. In de grootste 'parloir'- de zogenaamde Bisschopszaal hangt een portret van kardinaal Van Roey ten voeten uit. Het is een statig portret, met de kardinaal in vol ornaat, tegen de achtergrond van 'zijn' seminarie. Het schilderij is door Frans Van Giel gesigneerd. Na zijn opleiding aan de kunstacademie te Antwerpen debuteerde deze decorateur en kunstschilder van genrestukken, figuren en portretten in impressionistische stijl, maar evolueerde later naar een strengere meer realistische vormgeving. Vanaf 1920 vond hij inspiratie in de Kalmthoutse Heide en de duinen. De eigen streek en haard trachtte hij in een ingetogen lyrische stijl aan de toeschouwer voor te stellen. Hij schilderde naast landschappen ook boereninterieurs, figuren en portretten. Hij was vriend-aan-huis bij de beeldhouwersfamiliePoels, en exposeerde in 1930 samen met Albert Poels. Uiteindelijk evolueerde hij tot een quasi-grafische kunst (12).

Zicht vanop het dak van de zuidelijke vleugel van de achterbouw op het zuidelijke tussengebouw, in afwerking, najaar 1934 (foto AAMechelenj

Grote bibliotheek op de gelijkvloerse verdieping van het zuidelijke tussengebouw, ca. 1947, thans als cafetaria ingericht (postkaartenreeks E. Thillj

O p de eerste verdieping in de voorbouw bevonden zich de appartementen voor bezoekers, acht appartementen voor de professoren, een ziekenboeg, een wachtzaal en een consultatielokaal. O p de kleinere tweede verdieping van de voorbouw waren twee professorenappartementen en de appartementen voor het huispersoneel ondergebracht. In het torengebouw boven de oorspronkelijke hoofdingang bevond zich het ruime appartement van de superior (later 'president'), dat via een aparte smalle trap in het midden van de gang op de eerste verdieping toegankelijk was. Vier professoren hadden de functie van 'directeur' en verbleven in appartementen in de achterbouw om nauwkeurig over de tucht te waken. Aan de noordkant van de voorbouw bevond zich het 'convent' van de Zusters. Twaalf Norbertienen van het Convent van Nazareth te Mechelen stonden voor het 'huishoudelijk dienstbetoon' in het seminarie in. Het 'convent' aan het Sint-Jozefseminarie omvatte de slaapvertrekken voor de Zusters, een slaapzaal voor een veertiental dienstmeiden, twee eetzalen, een gemeenschapszaal, een spreekkamer en een eigen huiskapel (13).

De verbindingsgebouwen De voor- en achterbouw werden verbonden door drie gebouwen. Twee binnentuinen van 40 op 40 m brachten rust; de zuidelijke voor de studenten

theologie, de noordelijke voor de studenten filosofie. Het zuidelijke verbindingsgebouw omvatte op de gelijkvloerse verdieping de bibliotheek, goed voor 120.000 volumes, met een kleine leeszaal; thans is de ruimte als cafetaria ingericht. De vloer van de bibliotheek was belegd met tegels die uit het Paviljoen van het Katholiek Leven van de wereldtentoonstelling te Brussel in 1935 gerecupereerd waren. De vloer raakte naar verluid door de zware ijzeren boekenrekken beschadigd en werd later met linoleum bekleed. O p de eerste verdieping bevonden zich een tentoonstellingsruimte en leslokalen; het grootste bood plaats aan de ca. 100 studenten


A dit tussengebouw

Zicht op de galen;

toe centraal in de

Eetruimte op de

gebouw, ca. 1947;

steeds dezelfde

tussen de hoofd-

achtertouw, ca. 1947. tot dagcentrum

gelijkvloerse verdie-

behoudens de

bestemming

ingang centraal in

De fresco's zijn bij

verloren gegaan

ping van het noor-

inrichting bewaard

(postkaartenreeks

de voorbouw en de

de verbouwing door

(postkaartenreeks

delijke tussen-

gebleven met nog

E. Thill)

trap naar de kapel

Borgersteln vzw van

E. Thill)

in de theologie. Thans zijn er de ateliers voor ergotherapie gevestigd.

•

Gemeenschappelijke

ca. 1947;

(postkaartenreeks

studieruimte /

door Borgerstein

E. Thill)

bibliotheek In de

vzw verbouwd tot

achterbouw,

leefruimte

Het centrale gebouw dat voor- en achterbouw verbindt, was aanvankelijk een open galerij, die op de monumentale marmeren trap naar de kapel op de eerste verdieping in het midden van de achterbouw uitgaf. Het middengebouw werd ingrijpend tot het dagcentrum van de gehandicaptenzorg verbouwd. Daarbij zijn enkele muurschilderingen verloren gegaan.

Groot auditorium op de eerste verdieping van het noordelijke tussengebouw, ca. 1947; bewaard gebleven (postkaartenreeks

O p de gelijkvloerse verdieping van het noordelijke verbindingsgebouw lag de studentenrefter, die aan 500 personen plaats biedt. Dit lokaal van 33 op 18 m, zonder steunpilaren binnenin, doet nog

E. Thill)

rd

j&

steeds als eetruimte dienst, net als de keuken, die aan het 'convent' grensde. O p de eerste verdieping werden twee auditoria gebouwd, het ene van 202 m , met 140 plaatsen op zitbanken, het andere van 290 m , met 269 zitjes zoals in een amfitheater geplaatst. Deze auditoria, die intact bewaard zijn, werden voor lezingen voor een groot publiek, voor de lessen fysica en voor projecties gebruikt. Boven de keuken bevonden zich een laboratorium voor fysica, een tekenklas, een muziekzaal en een boekbinderij. Thans is er de medische dienst ondergebracht.

De achterbouw De achterbouw is parallel 40 m achter de voorbouw gelegen en telt vijf bouwlagen. Hij was volgens een voor die tijd nieuwe formule opgevat, met in plaats van slaapzalen, voor elke seminarist een individuele

M&L


Ontspanningslokaal

vm ingrijpend ver-

voor de filosofen,

bouwd tot sportzaal

onder de kapel,

(postkaartenreeks

door Sorgerslein

E. Thill, ca. 1947)

kamer. Dit betekent dat de gelijkvloerse verdieping en de drie verdiepingen 350 individuele slaapvertrekken van elk 3 op 4,5 m, met stromend water, voor de studenten omvatten. De zuidelijke vleugel was voor de theologiestudenten, de noordelijke voor de filosofiestudenten bestemd. Zuidelijk aan de achterbouw lag een speelzaal voor de theologiestudenten. In het midden van de achterbouw, onder de kapel, bevond zich de recreatieruimte-sportzaal voor de filosofen, die momenteel ingrijpend tot zaal voor psycho-motorische therapie van het gehandicaptenhome verbouwd is.

De kapel Het pronkstuk van het gebouwencomplex is ongetwijfeld de kapel. Zij biedt aan 400 personen plaats en bevindt zich centraal op de eerste verdieping, aansluitend op de achterbouw. De eenbeukige kapel in neoromaanse stijl, met een schip, een koor, vier straalkapellen en een sacristie, meet 41,5 op 18,5 m, met een plafondhoogte van 26 m. Zij is hooggewelfd met brede gordelbogen, en is gebouwd rond een ijzeren gestel. Anders dan bij vele bouwwerken in art deco is de dragende metalen structuur volledig met steen bekleed. Aan de evangeliezijde staat de vierkante campanile-toren van 40 meter met kruis, die aan het complex een zuiders cachet geeft. Bovenaan, opzij van de toren, steekt het gebeeldhouwde hoofd van de ontwerper naar buiten, een speels element dat in de Belgische architectuur nog voorkomt. In de toren hangr één klok. De kapel kreeg in 1992-1993 een grondige opknapbeurt.

Eucharistieviering in

de kapel,

de druilerige regen

19 maart 1934

bi| de eerstesteen-

(foto AAMechelen)

legging van

Boven het portaal van de kapel valt onder het houten pauselijke wapenschild het oog op grote goudkleurige kapitalen: "TABERNACULUM DEI C U M H O M I N I B U S " (14). O p de orgeltribune bevindt zich aan elke zijde één glasraam. In het schip van 27 op 17 m zijn aan elke zijde vier vensters geplaatst, met telkens drie figuren in glasramen. Onder elke venster is in een ondiepe nis in de muur een statie van de kruisweg uigewerkt. Het koor van 9 op 8 m is van het schip gescheiden met

• De kapel

metalen structuur

in opbouw,

(foto AAMechelen)

rond een dragende

M&L


geltribune staat in grote goudkleurige kapitalen de liturgische tekst: "NOSTRAS VOCES A D M I T T I JUBEAS D E P R E C A M U R " (15).

De kapel in opbouw (foto AAMechelen)

een rondboog. Aan elke zijde van het koor zijn twee straalkapellen naast elkaar gebouwd, zodat ook hier het rechthoekig patroon voortgezet wordt. Elke straalkapel heeft een glasraam met één centrale figuur, geflankeerd door twee engelen. Onder de orgeltribune aan de evangeliezijde is de groene gedenksteen van de inwijding van de kapel op 19 maart 1934 ingemetseld. Aan weerzijden is een biechtstoel ingebouwd. O p de rand van de or-

• De kapel anno 2004 (foto 0. Pauwels)

Aangezien de fondsen voor de bouw van het seminarie opgebruikt waren, werd het in 1947 geplaatste orgel van de firma Stevens uit Duffel uit gerecupereerde onderdelen samengesteld, waardoor het visueel een originele, wat bizarre indruk maakt. Het is een pneumatisch kegelladen-orgel met 18 stemmen. Een mixtuurregister ontbreekt, waardoor het voor barokmuziek ongeschikt is. Voor liturgisch gebruik en voor de uitvoering van eenvoudige romantische muziek is het wel geschikt. De muzikale kwaliteit is eerder beperkt; het orgel is niet gerestaureerd (16). Boven elk van de tien vensters in de kapel, deze op de orgeltribune meegerekend, is een symbolisch halfverheven beeldhouwwerk, met bijbelverzen en profetieën over het Heilig Misoffer aangebracht. In de vensters zijn glasramen geplaatst, die een processie van heiligen en één zaligverklaarde met hun attributen weergeven. De figuren zijn alle in voor-


aanzicht afgebeeld, strak als in een militaire linie, en enigszins gedrongen uitgewerkt. De kleurschakering is rijk, met overheersend donkere tinten. Onderaan elke figuur staat in het glasraam de naam van de afgebeelde persoon vermeld. Daaronder in het gasraam staat in het Latijn de groep vermeld waartoe de figuren behoren: aan de evangeliekant de apostelen en evangelisten, de godgeleerden, de martelaren en de gelovigen, aan de epistelkant de profeten, de pausen, de priesters en de maagden. O p de twee glasramen van de orgeltribune staan engelen afgebeeld: aan de evangeliezijde engelen die muziekinstrumenten bespelen, aan de epistelzijde zingend, met partituren in de hand. De kartons voor de glasramen werden door Louis Charles Crespin in 1939 voltooid. Deze kunstschilder en ontwerper van glasramen bouwde in de periode 1930-1953 een indrukwekkend glasramenpatrimonium op (17). Met het vervaardigen van de glasramen werd Florent Prosper Colpaert belast. Deze was één van de belangrijkste glasbewerkers uit het Interbellum, en hij bracht een groot aantal glasramen voor en met de voornaamste kunstenaars uit

zijn tijd tot stand (1 8). De productie van de glasramen liep ernstige vertraging op, vooral door de slepende ziekte van Florent Colpaert, die zich hiervoor bij de bouwheer verontschuldigde. Colpaert overleed op 26 januari 1940, nog voor het eerste glasraam geplaatst was. Zijn weduwe nam de leiding van het familieatelier over tot zoon Jacques Colpaert oud genoeg was om de zaken te beredderen (19). Na heel wat discussie omwille van de oorlogsdreiging werden de eerste zes afgewerkte glasramen in april 1940 toch maar geplaatst. De overige werden pas in juni 1945 gezet, nadat alle gevaar geweken was, en aan grondig herziene prijscondities (20). De glasramen van het seminarie zijn een voorbeeld van de samenwerking tussen kartontekenaar Crespin en het glazeniersatelier-Colpaert. Onder de vensters nodigt de niet-traditionele, abstracte kruisweg tot bezinning uit. Deze unieke kruisweg is naar een ontwerp van architect Van Craen door beeldhouwer en edelsmid Camille Colruyt uitgevoerd (21). De kruisweg is in de muur in grote vierkanten nissen ingewerkt. O p purper geglazuurde keramische tegels zijn abstracte voor-

Binnenzicht in de kapel naar de orgeltribune toe (foto 0. Pauwels,

2004)

.s

\

t •

t

mF*

iwiiiPW!IIW|»!r


DE KUNSTENAARS m m s CRESPiN (Sint-Joost-ten-Node, 1892 - Brussel, 1953) Louis Crespin kreeg reeds vanaf zijn veertiende van zijn vader, de bekende kunstschilder-decorateur en leraar Adolphe Crespin (1859-1944), teken- en schilderlessen. Hij ontwikkelde zich als kunstschilder, aquarellist van portretten en vooral ontwerper van (kerk)glasramen. Hij ontwierp nog tijdens zijn opleiding aan de kunstacademie te Brussel glasramen voor de wereldtentoonstelling te Gent in 1913, en ontwierp er daarna voor de Salons te Gent in 1925 en 1929. Vanaf 1927 sloot hij bij de Pelgrimbeweging aan, en in 1930 nam hij aan een toonaangevende tentoonstelling van deze strekking deel. Hij exposeerde op de wereldtentoonstelling te Brussel in 1935, en op internationale tentoonstellingen zoals deze in de Royal Academy in Londen en die van Belgische kunst in Parijs. Van 1938 tot 1941 was hij lid van de Koninklijke Commissie voor Kunst en Oudheidkunde van de Provincie Brabant. Vanaf 1945 was hij lid van de Nationale Commissie van Kunstambachten en Kunstnijverheden, afdeling Het Gebrandschilderde Glasraam, en van de Diocesane Commissie van het aartsbisdom Mechelen. Werk van hem is ook in het Museum Charlier te Brussel te zien. De stijl van Crespin beïnvloedde sterk de tijdgenoten die religieuze kunst beoefenden. Hij bracht geen echte vernieuwing, wel bevestiging van de toenmalige heersende opvattingen.

wereldtentoonstelling te Parijs in 1925, waar hij de Grand Prix voor decoratieve kunst behaalde. Hij zocht samenwerking met befaamde kunstenaars uit of aanleunend bij de Pelgrimbeweging, zoals Crespin, Eugeen Yoors, onder andere voor het Heilig-Hartinstituut te Heverlee (1932), en Albert Servaes, onder andere voor de Heilige-Familiekerk te Sint-LambrechtsWoluwe (1937). In 1930 werd hij voorzitter van de Vereniging van Glazeniers van België. Hij nam deel aan de wereldtentoonstelling in Brussel in 1935, en aan internationale tentoonstellingen in Parijs in 1937 en twee jaar later in New York. In 1935 vervaardigde hij glasramen voor de kathedraal van Elisabethstad in het voormalige Belgisch Congo en voor de Koninklijke Kapel in het Zwitsetse Küssnacht, ter herinnering aan koningin Astrid die er kort voordien verongelukt was. Hij trad meermaals als jurylid in binnen- en buitenland op. Na zijn overlijden in 1940 werd het atelier door zijn echtgenote geleid en werd zijn zoon Jacques Colpaert op amper 16-jarige leeftijd reeds volop bij de werking betrokken. Deze had bij kunstglasschilder Egide Timmermans lessen gevolgd, studeerde aan de kunstacademie te Brussel, en verwierf er de Eerste Prijs in sier- en monumentale kunst. Na zijn studies nam hij de leiding van het familieatelier van zijn moeder over. Hij stelde in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel in 1950 tentoon, vervaardigde glasramen voor de Sint-Romboutskathedraal te Mechelen in 1952, en nam deel aan de wereldtentoonstelling te Brussel in 1958.

ATFUER FLQRENT CQLPAERT

SAMENWERKING CRESPIN EN CQLPAERT

Florent Colpaert (Oudenaarde, 1886 - Brussel, 1940) studeerde aan de Sint-Lucasschool te Gent. In 1900 trok hij naar Parijs, waar hij in befaamde kunstglasateliers werkte. In 1913 keerde hij naar Brussel terug en bouwde er een familieatelier uit. Hij vernieuwde de brandschildertechniek door verschillende kleuren glas boven elkaar te plaatsen en te etsen met zuren. Hij kreeg een eervolle vermelding voor het vervaardigen van de nieuwe en herstelde glasramen van het gemeentehuis van Schaarbeek kort na de Eerste Wereldoorlog. Hij werd sterk beïnvloed door de toonaangevende Belgische art deco-kunstenaar Anto Carte (1886-1954), met wie hij samenwerkte voor het Polytechnisch Instituut in Bergen (1921-'22) en op de

Glasramen van Louis Crespin en Florent Colpaert zijn onder andere te vinden in de Sint-Theresiakerk te Schaarbeek (1931), de Onze-Lieve-Vrouw-ten-Zavelkerk te Brussel (1933), de Onze-Lieve-Vrouw-Boodschapkerk (1934), de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Kamerenkerk (1934), de Heilige-Drievuldigheidskerk (1936), alle te Eisene, de Sint-Pietersbuitenkerk en de SintColetakerk te Gent (1937), de Sint-Martinuskerk te Chimay (1938) en de Onze-Lieve-Vrouwkerk te Marchienne-au-Pont (1939). Louis Crespin werkte samen met Jacques Colpaert in de Heilig-Kruiskerk te Eisene (1942), de Sint-Gummaruskerk te Lier (1946), het Sint-Paulusseminarie te Drongen bij Gent (1950), de Onze-Lieve-Vrouwkerk te Verviers (1950), de Sint-


Albertuskerk te Schaarbeek (1952) en de SintMartinuskerk te Overijse (1952).

CAMILLE CQLRUYT (Lembeek, 1908 - Halle, 1973) Terwijl hij in 1924 leerjongen in het atelier voor beeldhouw- en edelsmeedkunst van Henri Holemans te Brussel was, volgde Camille Colruyt gelijktijdig avondleergangen aan de Sint-Lucasschool in SintGillis (1924-1927). Hij oefende zich daarna in het boetseren en tekenen aan de kunstacademie in Brussel (1929-1931), en werd er met een gouden medaille bekroond. In zijn beginperiode vervaardigde hij vooral kerkelijk edelsmeedwerk, en hieruit ontwikkelde hij een meer sculpturale koperdrijfkunst (zoals de monumentale paaskandelaar in de abdijkerk te Orval uit 1948), die intens, vitaal en expressief was (zoals de beelden in de Sint-Pauluskerk te Sint-LambrechtsWoluwe uit 1946). Met zijn broer schilder, glazenier en beeldhouwer Jozef Colruyt (1900-1988), die directeur en leraar aan de kunstacademie in Halle was, specialiseerde hij zich in kruiswegen. In 1932 startte hij een eigen atelier voor edelsmeedkunst in Lembeek. Zijn grote verdienste is het slagen van koper- en zilverplaten en vooral het combineren van goudsmeedwerk en beeldhouwkunst. Zo creëerde hij als eerste in België monumentale standbeelden in geslagen koper. In zijn latere werk versoberde en verstilde de vorm, zoals bij de volledige vernieuwing van het interieur van de Sint-Trudokerk in Meerhout, zijn levenswerk, dat hij startte in 1949 en dat twintig jaar in beslag nam. In 1957 maakte hij een kelk die door Monseigneur Cardijn aan de paus overhandigd werd. In 1967 realiseerde hij een 9 m hoog baldakijn in smeedwerk boven de Annunciatiegrot en een tabernakel in zilver en goud voor de Blijde Boodschap-basiliek in Nazareth, Israël. Naast zijn bedrijvigheid als beeldend kunstenaar bereikte hij een groot vakmanschap in de artisanale metaalverwerking, geïnspireerd door het Franse 13de-eeuwse zilverwerk, waarvan hij de techniek overnam. Dit vakmanschap toonde hij vanaf 1969 bij de restauratie van het SintGertrudisschrijn van de Collegiale kerk in Nijvel, dat tijdens de oorlog beschadigd was. De discussie over het wel of niet restaureren sleepte aan tot na zijn overlijden in 1973, toen hij aan het vierde beeldje begonnen was. Zijn zoon Staf Colruyt (c 1948) zette de familietraditie als beeldhouwer verder.

stellingen uitgewerkt. Doorheen de kruisweg worden in veertien van de zestien tegelpanelen symbolisch geladen motieven meermaals herhaald: een zilverkleurige cirkel voor de Verlosser, want het Begin en Einde van alles, groene plantenmotieven, symbool van de doornenkroon, en goudkleurige Latijnse kruisen, schuin, liggend of rechtopstaand afgebeeld. Telkens is een klein zwart houten kruisje bovenaan in het midden op de tegelpanelen geplaatst. O p twee panelen zijn liturgische teksten zonder symbolen weergegeven. Deze kruisweg is vooral door zijn abstracte symboliek voor die tijd uitzonderlijk en vooruitstrevend, en liturgisch niet evident, zeker in het kader van een streng-orthodox priesteropleiding. Wellicht daarom werd het kunstwerk de eerste jaren gecontesteerd (22).


• Glasramen aan de epistelzijde (v.l.n.r. de pausen, de priesters, de maagden), met daaronder staties van de kruisweg en licht op een deel van de orgeltribune (foto 0. Pauwels, 2004)

Glasramen aan de evangeliezijde (v.l.n.r. de martelaren, de godgeleerden, en de apostelen en evangelisten (foto 0. Pauwels, 2004)

Boven de rondbogige triomfboog, die het kerkschip van het koor afsluit, staat in het midden in bas-reliëf het Paaslam afgebeeld. Dat had het centrale element moeten vormen van een mozaïek met de voorstelling van de Aanbidding van het Lam en het Hemelse Jeruzalem, naar de teksten van de Apocalyps, maar dit ging, waarschijnlijk om budgettaire redenen, niet door. O p de rondboog staat in grote goudkleurige kapitalen de bijbeltekst: "PASCHA N O S T R U M I M M O L A T U S EST C H R I S T U S " (23). Naast de boog staan twee beeldhouwwerken in zandsteen; aan de evangeliezijde Sint-Jozef, patroonheilige van het seminarie, en aan de epistelzijde Maria met Kind. Het beeld


Schip en koor van de kapel (foto 0. Pauwels,

van Sint-Jozef is op de sokkel gesigneerd door K. Cammaert, een weinig bekend beeldhouwer.

2004) • Staties van de kruisweg in de

De apsis van de kapel wordt beheerst door een glasraam in art deco-stijl met de Heilige Drievuldigheid; ditmaal zijn zowel de tekening als de uitvoering van de hand van Florent Colpaert. Qua stijl valt het kubisme in de weergave van de figuren en de achtergrondmotieven op, wat voor die tijd vernieuwend was. Door de contrasterende kleuren en het spel met het daglicht komt de witte duif— symbool van de Heilige Geest — als centraal object ten volle naar voren; alle andere figuren zijn door hun donkere tinten naar de achtergrond gedrongen. Het glasraam is met de afsluitende lofprijzing uit het eucharistisch gebed afgeboord: "PER IPSUM ET C U M IPSO ET IN IPSO EST TIBI D E O PATRI IN UNITATE SPIRITUS SANCTI O M NIS H O N O R ET GLORIA" (24). Dit glasraam is in 1935 geplaatst; mogelijk werd kartontekenaar

kapel (foto 0. Pauwels, 2004)

M&L


A^ t)

\i

^ r * JWv ^ 1 ^

\

V

-


Crespin later voor de andere glasramen omwille van de gezondheidsproblemen van Colpaert ingeschakeld.

de Blijde Boodschap een groter belang (27). Het •* concept van de kapel in het seminarie blijft evenwel Het altaa^, "" beeld en glasraam aan de klassieke opstelling trouw. met de Heilige

Het oorspronkelijke altaar staat aan de westkant, net het omgekeerde van de 'normaal' oostelijke oriëntatie, maar dit was binnen de totale structuur van het gebouwencomplex onvermijdelijk. Het witmarmeren altaarblad steunt op massief blauwen witmarmeren blokken (25). Het altaar werd door de firma Dejaiffe frères Mazy vervaardigd. Daarboven prijkt een verguld tabernakel, waarin deuren staan die in de typische gestileerde trend van de jaren 1930 met engelen versierd zijn. De kandelaars, die thans verdwenen zijn, en het bovenstuk van het ciborium, waren van koper. Het mahoniehouten kruis achter het altaar is met een uit de plaat geslagen Christusfiguur versierd, waarschijnlijk een kunstwerk van Joseph Devroye uit Brussel (26).

Ook in elk van de vier straalkapellen is een glasraam geplaatst, met aan de evangeliezijde een raam aan Onze-Lieve-Vrouw en één aan de heilige Petrus gewijd, en aan de epistelzijde ramen voor de heiligen Paulus en Rumoldus, deze laatste als patroonheilige van de buurtstad Mechelen. De centrale figuur is telkens door twee engelen geflankeerd, die attributen van de heilige aandragen. Deze glasramen zijn veel kleiner van formaat, helderder van kleur en in een luchtiger en minder gedrongen stijl dan de glasramen in het schip. Over de ontwerpers en de datering zijn ons geen gegevens bekend; zij lijken ons alleszins recenter dan de andere glasramen in de kapel.

Drievuldigheid in het koor van de kapel (foto 0. Pauwels, 2004)

De aankleding van het gebouw Opmerkelijk is de voor die tijd traditionele opstelling van het altaar, diep in de apsis, ver van de gelovigen verwijderd. Bij heel wat kerkelijke bouwwerken van die periode was het streven naar een grotere betrokkenheid van de gelovigen bij het gebeuren van de eucharistie reeds duidelijker aanwezig. Van het altaar moest de Zending tot de Katholieke Actie uitgaan. Daarom werd het altaar veelal dichter bij de gelovigen en voor hen duidelijk zichtbaar geplaatst. Tegelijk werd steeds meer de prediking van 'Het Woord' geaccentueerd en kregen de ambo's als podia voor de verkondiging van

Eens de bouw voltooid, werd naar een passende aankleding uitgekeken, want "ily manque encore la vie qu'apporte l'art" (28). Aangezien de voorziene financiën aan de bouw opgegaan waren, bleven slechts schaarse middelen over. Daarom werd naar kunstwerken uit de reserves van nationale musea gezocht. O p 18 april 1939 werd de technocraat Jules Duesberg minister van Onderwijs, en meteen werd hem gevraagd schilderijen uit de reserve van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel 'en depot permanent' te verkrijgen. O p

•4 Staties van de

kruisweg in de kapel (foto 0. Pauwels, 2004)

M&L


A De Bisschopszaal

omringd door zijn

van Meiozzo da

(1896) van een

in Borgerstein met

neven, ontvangt de

Forli en rechts:

fresco van Andrea

twee schilderijen

hulde van zijn blbll-

Slnt-jacob, op weg

Mantegna

van Godfried

othecans Platina,

naar de foltering.

(foto Oswald

Guffens.

kopie In olieverf

geneest een blinde,

Pauwels, 2004)

Links: Paus Sixtus IV, van een schilderij

kopie in olieverf

aanraden van hoofdconservator Jean Capart stelde de minister een ruil voor. Hij vroeg in depot het historisch belangrijk glasraam Le Serment de l'Arc (Guide van den Hantboge), uit de eerste helft van de 15de eeuw, waarschijnlijk van de befaamde Mechelse glasschildersfamilie Vanden Houte. Capart wenste het in de permanente collectie van de Koninklijk Musea tentoon te stellen (29). Veel haast bleek er niet bij, noch vanwege de kardinaal en evenmin vanwege de minister. Reeds in juli 1939 nodigde Capart de kardinaal uit om uit de stock zijn keuze te komen maken. Eind november 1939 drong hij daar andermaal op aan en stelde aan Van Roey voor om met de minister rechtstreeks een definitieve regeling te treffen. De kunstwerken die hij voor de ruil aanbood, waren reeds maanden tevoren uit de reserves gehaald, en stonden voor transport klaar. In deze tijd van oorlogsdreiging had de conservator overigens wel andere zorgen: "Nous les avons sortis de nos caves en vue de les soumettre h votre appreciation il y a plusieurs mois déja et entretemps leur presence nous est plutót nuisible.

IVI&L

précisément h l'endroit oü nousprocédons a ['emballage de nos collections" (30). Uiteindelijk werd de ruil pas vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog gerealiseerd (31). De kunstwerken behoren niet tot de topklasse. De meeste zijn reproducties door Belgische kunstenaars uit de 19de en het begin van de 20ste eeuw van bekende kunstwerken uit de Italiaanse School van de 14de en 15de eeuw. De werken ontstonden uit de grote bewondering voor de meesterwerken uit de Renaissance, waren een oefening in schildertechnieken voor de kunstenaars zelf, en werden in het thuisland als didactisch materiaal gebruikt. Drie werken zijn van de hand van Godfried Guffens (1823-1901). Deze was professor aan de kunstacademie te Antwerpen, lid van het directiecomité van de Koninklijke Musea en van de Koninklijke Academie van België, en liet een omvangrijk oeuvre van portretten en monumentale reproducties van fresco's en schilderijen uit de Italiaanse Renaissance na. Twee van zijn werken hangen in de Bisschops-


zaal. Eén stelt paus Sixtus IV voor, omringd door zijn neven, die de hulde ontvangt van historicus Platina, zopas als zijn bibliothecaris aangesteld. Het betreft een kopie in olieverf naar een fresco van Melozzo da Forli (1438-1494), in de oude bibliotheek van het Vaticaan uitgevoerd en overgebracht naar de Pinacotheek aldaar. Het ander werk SintJacob, op weg naar de foltering, geneest een blinde is een kopie in olieverf van Guffens uit 1896, naar een fresco van Andrea Mantegna (1431-1506), die zich in de Eremitani-kapel te Padua bevindt, uit een reeks rond de marteldood van de heilige. Een derde werk van Guffens bevindt zich in het voormalige zustersklooster, in het huidige administratieve blok. Het stelt de Heilige Maagd met Kind, vereerd door een priester voor, een kopie in olieverf, naar een fresco toegeschreven aan Leonardo da Vinci (14521519), en dat zich in het klooster San Onofrio te Rome bevindt (32).

HET KORTSTONDIGE SUCCES ALS SEMINARIE (1 93.S-1 9fifS) Twee jaar en één maand na de start van de bouwwerken konden de seminaristen op 15 september 1935 hun nieuwe studiejaar in het SintJozefseminarie aanvatten. De inzegening van het seminarie door kardinaal Van Roey, met de plechtige wijding van de kapel, vond pas op 30 april 1936 plaats. In zijn redevoering benadrukte Van Roey de maatschappelijke waarde van het bouwproject:

In de Bisschopszaal hangt tevens een werk in olieverfvan Félix Gogen (1839-1907), etser, graveur en kunstschilder van portretten, zedenschetsen en historische onderwerpen, aan de kunstacademie te Gent gevormd en in Brussel, Gent, Sint-MartensLatem en Brussel werkzaam. Het is een kopie naar het fresco Sint-Petrus ontvangt de Sleutels van de Hemel vdcn Pietro Perugino (1450-1523) uit de Sixtijnse kapel (33). A

Te vermelden is nog een werk van Theo Van Rysselberghe (1862-1926). Deze kunstschilder en illustrator was medestichter van de kunstenaarsbeweging Les XXtn volgeling van de avant-gardekringen L'Essort, L'Art Libre en La Libre Esthétique, en werkte als decorateur met de architect Henry van de Velde. De Dood van Sint-Franciscus is een kopie in olieverf naar een fresco van Giotto (1276-1336) in Assisi (34).

Zicht vanop

straat liep een

IJierenveld op de

tramverbinding

voorbouw en het

tussen Mechclen en

Zicht van achter de

zuidelijke lussen-

Heist-op-den-Berg

vijver naar de noor-

werd de vijver

gebouw. Langs de

(foto AAHechelen)

delgke zijde van de

in 1946 door de

achterbouw toe,

seminaristen

tegen te gaan.

ca. 1947.

gegraven

Om overstromingen

(uit postkaarten-

van het gebouw

reeks E. Thill)

Onder enkele anonieme werken uit het einde van de 19de en begin 20ste eeuw bevindt zich het imposante schilderij La Nativité in de toegangshal tussen het huidige rusthuis en de Bisschopszaal. Deze Geboorte van Christus is vooral van documentaire waarde. Het is een kopie in olieverf naar een gotische muurschildering in de kapel uit 1448 van het Groot Vleeshuis te Gent. Centraal staan links de Bourgondische hertog Filips de Goede en rechts zijn derde echtgenote Isabella van Portugal in intens gebed afgebeeld. Zij worden door hun beider zonen, in dezelfde houding, geflankeerd: de latere hertog Karel de Stoute links en Jan I, hertog van Kleef rechts (35).

IVI&L


"Gedurende twee en een halfjaar hebben wij honderden arbeiders aan 't werk gesteld, talrijke bedrijven en stielen bezigheid bezorgd, en aldus het staatsbudget van de werklozensteun met ontzaglijke sommen verlicht. Talrijke weldoeners hebben in deze crisistijd de offers gebracht voor de oprichting van dit seminarie. Ik bedank ze allen" (36). In dezelfde redevoering stelde de kardinaal dat het Sint-Jozefseminarie aan een "gans nieuwe opvatting der priesterlijke opleiding"heanTwooTdde. Al was de inrichting van een aparte opleiding voor seminaristen van bij de start, weg van de humaniora-studenten, een belangrijke vooruitgang, toch werd de pedagogische 'vernieuwing' sterker voorgesteld dan zij in feite was. De twee groepen van studenten - filosofen en theologen - werden netjes naast elkaar in de achterbouw geplaatst, onderling gescheiden door de galerij en traphal naar de kapel. Zelfs de tuinen werden opgedeeld, en gemeenschappelijke ruimtes werden ofwel opgedeeld, ofwel aan één van beide groepen toegewezen. Maar vooral het strenge regime, de afstandelijkheid van de almachtige professoren tegenover de seminaristen en het ernstig gebrek aan privacy voor de seminarist, ondanks de beschikking over een eigen kamertje, zorgden reeds voor de Tweede Wereldoorlog voor veel ingehouden frustraties (37). De weken na de inzegening kreeg het seminarie als bouwwerk heel wat aandacht in de pers. Het prestigieuze vakblad L'Epoque van de Sint-Lucasschool te Brussel haastte zich om een themanummer uit te brengen, volledig aan het pronkstuk van haat oudstudent Van Craen gewijd, met fraaie foto's van het gebouw (38). Ook de architect zelf schreef artikelen voor de kranten (39). Tijdens de Tweede Wereldoorlog deden de kelders van het seminarie dienst als toevluchtsoord voor een 250 buurtbewoners, die bescherming zochten voor de luchtaanvallen, terwijl ook kunstwerken uit de buurt er in veiligheid gebracht werden. In 1943 werden 95 van de 117 eerstejaarsstudenten door de bezetter gedurende vijf maanden in het arsenaal van Mechelen verplicht tewerkgesteld (40).

DE SEMINARISTENOPLEIDING Het leerprogramma van de kandidaat-priesters omvatte niet alleen wijsgerige vakken, maar tevens cursussen positieve wetenschappen, met praktische oefeningen in de laboratoria. De lessen werden in het Nederlands, enkele in het Frans en heel wat in het Latijn gegeven. Aan het begin van hun derde studiejaar, het eerste jaar theologie, werden de seminaristen officieel door hun bisschop in de rangen van de geestelijkheid opgenomen, en van dan af droegen zij het priesterkleed en kregen zij de tonsuur. De priesterwijding vond op het einde van de opleiding, ten vroegste dus op 24- of 25-jarige leeftijd, plaats. De seminaristen stonden tijdens de weekdagen en ook op zaterdag om 6.00 uur op. Na zich gewassen en gekleed te hebben, volgden zij om 7.15 uur de

• Eén van de 3S0

ca. 1947

seminaristenkamers

(uit postkaanen-

in de achterbouw,

reeks E. Thill)


(gezongen) eucharistieviering, en ontbeten om 8.15 uur, gevolgd door een kort ontspanningsmoment. Vanaf 9.15 uur kregen zij les, van 10.15 tot 10.45 uur en van 11.35 tot 11.45 uur door recreatie onderbroken. Vanaf 12.30 uur was er meestal gezamenlijke zangles in de kapel. Om 13 uur volgde, na het middaggebed, het middagmaal. Daarna werd hen een korte recreatie toegestaan, terwijl ploegen in beurtrol de tuin onderhielden. Om 14.30 uur startten opnieuw de lessen of was er studie in de gemeenschappelijke studiezalen of in de auditoria, door recreatie van 16.00 tot 16.25 uur onderbroken. Om 18.30 uur was er het avondmaal. Daarna volgde een uurtje ontspanning, meestal in de recreatiezaal: voor de studenten filosofie in de ruimte onder de kapel, voor de studenten theologie in de zaal aan de zuidkant van het gebouw. Om 20.15 uur volgde het avondgebed, en van dan af moest tot na het ontbijt 's anderendaags volledige stilte gehouden worden. Om 21.30 uur werden de seminaristen verondersteld in bed te zijn.

wel meer liturgie en meditatie: om 10 uur de Hoogmis, daarna een uurtje studie, en in de namiddag een stevige wandeling of een andere vorm van, liefst fysieke, ontspanning. Na het middagmaal mochten de seminaristen bezoek ontvangen, ten laatste tot 16.25 uur, waarna zij zich terug op studie, meditatie en gebed moesten concentreren. Vakanties waren schaars: van tweede Kerstdag tot tweede nieuwjaarsdag, veertien dagen vanaf Paasmaandag, en de zomervakantie van half juli tot half september. Van het lezen van een krant was geen sprake; zelfs het luisteren naar de radio was verboden. De briefwisseling van de studenten filosofie werd geopend en indien dat wenselijk werd geacht, gecensureerd. De seminaristen stonden zelf voor het onderhoud van hun kamer in. Voor de schoonmaak van de gemeenschappelijke lokalen en de gangen zorgden arbeiders van de onderhoudsploeg, maar meermaals staken de studenten een handje toe.

Op zondag konden de seminaristen een halfuurtje langer slapen en waren er geen lessen. Er was dan

Info: Archief Aartsbisdom Mcchelen, Papieren Sint-lozefseminarie en papieren 1. Creten

•4 Eucharistieviering in de kapel, ca. 1947 (uit postkaartenreeks E. Thill)

M&L


, ^ «f t V ^ ® ^ ^^§ t * f ^ v ^ ^ f f f M ^ * ^ %& ^ tof %M f l f t ' i* t f f t f t '*$ *$ $ $$ f m*

**

' * ' • * > ' *

Groepsfoto met de

(v.l.n.r.):

man, L Boone,

bisschop),

seminaristen

E.-J. De Smedt,

J. Creten (superior).

M. de furstenberg.

Iste jaar theologie,

H. De Hesmaecker,

P. Gillet, J. Brussel-

H. Lemeraer

1937, met op de

L. De Witte,

mans, J. De Keule-

(econoom)

eerste rij het

E. Cammert,

naer, L. Suenens

(foto AAMechelen)

professorenkorps

J. Halsm, J. Vyver-

(de latere aarts-

O p 6 augustus 1961 overleed kardinaal Van Roey op een moment dat het voortbestaan van het door hem gekoesterde Sint-Jozefseminarie reeds enige jaren in vraag gesteld werd. Sinds 1955 daalde het aantal priesterroepingen immers dramatisch. Leo Suenens (1904-1996), de nieuwe aartsbisschop vanaf 1961, hoopte op een kentering. Hij voerde nog het eerste jaar van zijn ambtsperiode een grondige reorganisatie van de kerkelijke structuren door, waarbij Antwerpen een onafhankelijk bisdom werd, naast het aartsbisdom, dat voortaan Mechelen-Brussel heette. Uiteraard kreeg het nieuwe bisdom Antwerpen ook een eigen seminarie, wat voor het Sint-Jozefseminarie een aanzienlijk verlies van studenten betekende. Bovendien bleek het concept van de strenge seminaristenopleiding verouderd. Suenens nam de kritiek ernstig. Hij herstructureerde de priesteropleiding, en om de kandidaat-priesters aan te zetten cursussen aan de Katholieke Universiteit te volgen.

1VI&L

werden in september 1964 alle studenten uit de wijsgerige cyclus van het Sint-Jozefseminarie naar het nieuw gebouwde Johannes XXIII-seminarie te Leuven gestuurd. In juli 1965 hield het SintJozefseminarie op als onafhankelijk bisschoppelijk college te bestaan, en kwam het onder het bestuur van het Groot Seminarie van Mechelen,waar overigens de resterende theologiestudenten naar doorverwezen werden (41). Terwijl de inzegening van het Sint-Jozefseminarie dertig jaar eerder met luide trom bejubeld werd, was de ontruiming in alle stilte gebeurd (42). Na de opheffing als Sint-Jozefseminarie in 1965 deed het gebouw als opleidingscentrum dienst. Daarnaast werden het privé-secretariaat van de aartsbisschop en de afdeling ter ondersteuning van het apostolaat er ondergebracht. De enkele medewerkers vervulden tegelijk in feite de functie van 'huisbewaarders', maar desondanks raakte het gebouw snel in verval. Aangezien het aartsbisdom


niet in het herstel of de vervanging van de defect geraakte centrale verwarming wenste te investeren, stond het gebouw nog voor de winter van 1970 vrijwel volledig leeg. O p 4 december 1970 stelde het aartsbisdom het complex te koop (43). Meteen werd aan een herbestemming van het complex tot onderwijsinstituut gedacht, en dit in het kader van een nog op te richten overkoepelende katholieke scholengemeenschap. Voor zulke fusie van diverse Mechelse katholieke scholen was de tijd toen blijkbaar nog niet rijp (44). In opdracht van minister van Openbare Werken Jos De Saeger (1911-1998) - die in Mechelen woonde en zich van de leegstand bewust was — wees een expert in 1971 reeds in de richting van een sociale instelling voor opvang van personen met een handicap en van bejaarden (45). De Saeger onderhield overigens uitstekende contacten met Caritas Catholica, de invloedrijke koepel van katholieke welzijnsorganisaties in België. Niet toevallig vestigde zich in maart 1974 een kleine afdeling van Caritas Catholica in delen van het gebouw, namelijk de samenwerkende vennootschap De Brug, die de gezamenlijke aankoop voor verzorgingsinstellingen organiseerde (46).

HERBFSTEMMING TOT WELZIJNSVOORZIENING ( 1 9 7 4 - heden) Verbouwingen volgens de vereisten van de nieuwe functie Onder impuls van enkele beleidsverantwoordelijken uit Caritas Catholica en uit christen-democratische middens werd op 28 december 1973 Borgerstein vzw gesticht. Als vereniging zonder winstoogmerk legde zij zich toe op de zorg en opvang van volwassen personen met een handicap en van bejaarden. O p 24 september 1974 kocht Borgerstein vzw het gebouwencomplex mét park van het aartsbisdom. Onder leiding van Lea Pauwels (1933-2001), medestichtster en voorzitster van 1975 tot 2001, groeide de voorziening uit tot één van de grootste van het land (47). Bij Koninklijk Besluit van 12 maart 1974 werden de veiligheidsnormen waaraan rusthuizen moesten voldoen, vastgelegd, terwijl de minister van Volksgezondheid comfortnormen voor de inrichting van de kamers en de gemeenschappelijke ruimtes oplegde. Aanvankelijk verwachtten de ini-

De oorspronkelijke

tiatiefnemers van Borgerstein vzw dat de eisen inzake brandveiligheid voor het gehandicaptenhome minder hoog dan deze voor het rusthuis zouden gesteld worden. Maar begin 1976 moesten bijkomende werken voorzien worden omdat de strenge veiligheidsnormen voor het gehele complex opgelegd werden. Bij de overheid werden subsidiedossiers voor de noodzakelijke aanpassings- en verbouwingswerken ingediend.

hoofdingang en noordelijke vleugel ïan de voorbouw, 2004, thans rusthuis en administratief blok (foto 0. Pauwels, 2004)

Kort na de aankoop was de centrale verwarming volledig vernieuwd. Daarnaast werd getracht zo spoedig mogelijk aan alle brandweer- en comfortnormen te voldoen: de compartimentering van het gebouw, het plaatsen van brandwerende deuren, het voorzien van een nieuw ventilatiesysteem voor verluchting van de sanitaire ruimtes, het verbreden van de toegangen van publieke ruimtes en kamers voor rolstoelen, de plaatsing van (bijkomende) leuningen en handgrepen aan trappen, in de gangen en in de sanitaire ruimtes, de uitbouw van de sig-

M&L


• Traphal in de achterbouw, met toegang naar de

nalisatie, de installatie van een oproepsysteem, de vernieuwing van de telefonie, de bekabeling voor televisie en telefoon, enz.

kapel op de eerste verdieping en naar de sportzaal op niveau - I (foto 0. Pauwels. 2004)

O p 1 juni 1976 startte architect Francis Van den Heuvel (1928-1993) uit Leuven met een eerste reeks verbouwingswerken om het gebouw beter af te stemmen op haar nieuwe bestemming. Alleen al in de achterbouw werden 47 muren tussen kamers afgebroken. O p de meeste plaatsen werden de hoge plafonds verlaagd. Ter verbetering van de verticale circulatie werden vier personenliften geplaatst, drie in de achterbouw en één in de voorbouw; ook de goederenlift naar het magazijn in de kelders werd vernieuwd. De keuken werd reeds tweemaal verbouwd, een eerste keer in 1977, en opnieuw in 2001. Er werd een nieuwe installatie voor warmwaterbereiding geplaatst, gekoppeld aan de centrale verwarming op aardgas; een stookolieketel bleef als noodketel behouden. Zowel de elektrische installatie als de leidingen werden grondig vernieuwd. Doorheen de jaren werden aangepaste baden, douches en lavabo's geplaatst in lokalen die tot badkamers of sanitaire ruimtes verbouwd werden (48). Bij de verbouwing van de voorbouw tot rusthuis werden de vensters verlaagd. Dit moest overeenkomstig de normen de resident toelaten zittend een ongehinderd zicht op de buitenwereld te hebben. In elke kamer werd een sanitaire cel met lavabo en toilet gebouwd. In 1989 werd het nieuwe rusthuis ingehuldigd. Het middelste tussengebouw werd in 1994-1995 tot een dagcentrum voor vijftig personen met een handicap verbouwd. Bij de uitbreiding van de beschutte werkplaats werd op bouwgronden naast het bestaande complex in 1987 en in 1995 telkens een atelier bijgebouwd. Bij de verbouwingen van het voormalige seminarie bleven de buitengevels intact, uitgezonderd bij het middelste tussengebouw; het effect van de verlaging van de vensters in de voorbouw is visueel zeer beperkt. Ook aan de binnenzijde bleef de oorspronkelijke structuur grotendeels bewaard, ondanks het uitbreken van veel tussenmuren, de inrichting van sanitaire ruimtes en de verlaging van de plafonds. Er werden geen gebouwen afgebroken. Daardoor bleef de authenticiteit van het complex in hoge mate gerespecteerd.

Toekomstplannen Borgerstein vzw omvat nog steeds, zoals bij de start, de afdelingen gehandicaptenzorg, ouderenzorg en beschutte tewerkstelling. De gehandicaptenzorg omvat thans een tehuis voor residentiële opvang van 260 volwassen personen met een verstandelijke handicap, van wie 120 zwaar zorgbehoevenden, een dagcentrum voor 50 bezoekers en beschermd wonen voor 15 volwassen personen met een handicap. Het rusthuis De Beiaard telt 60 woongelegenheden, waarvan er momenteel twintig voor opvang van zwaar zorgbehoevenden erkend zijn. De beschutte werkplaats biedt aan een honderdtwintigtal werknemers met een verstandelijke handicap aangepaste tewerkstelling (49). De nieuwe tendensen in de zorgsector maken het noodzakelijk de infrastructuur na dertig jaar werking opnieuw fundamenteel te herzien. De circulatie van bewoners, bezoekers en personeelsleden doorheen het gebouw verstoort grondig de huiselijke sfeer. Daarnaast strookt de oorspronkelijke indeling niet langer met de huidige visie op zorg voor bejaarden en personen met een handicap. Terwijl de seminaristen zich tijdelijk uit de maatschappij terugtrokken, wordt thans getracht de bewoners juist maximaal te integreren in de samenleving. In de gehandicaptenzorg is er - in functie van zorg op maat en volwaardig burgerschap - nood aan kleinere leefgroepen van telkens een tiental personen; thans omvatten de leefgroepen gemiddeld zestien personen. Daarnaast zijn meer afzonderlijke en degelijk ingerichte leef- en atelierruimtes nodig. Door het heroriënteren en herlokaliseren van bepaalde functies en het verleggen van de circulatielijnen zal getracht worden een optimaler gebruik voor de huidige bestemming te bekomen. De realisatie van de plannen is onder andere afhankelijk van de subsidiëring door de Vlaamse overheid van de projecten (50). Ondanks de herbestemming en de noodzakelijke verbouwingen bleef de oorspronkelijke structuur, het uitzicht en de originele inrichting van het seminarie bewaard. Ook na de thans geplande verbouwingswerken zal het basisconcept van het gebouw behouden blijven.

Herwig De Lannoy is licentiaat in de geschiedenis en algemeen directeur van Borgerstein vzw.


Oft

_

i%

•mt 2 ' ' Jj •


GEBRUIKTE AFKORTINGEN

(6) Zie diverse reportages, meermaals met tal van foto's, in:

Gazet

van Mechelen,

12 oktober

1933;

De

AAM: Archief Aartsbisdom Mechelen

Standaard, Gazet van Mechelen, Het Handelsblad, Het

ABO: Archief Borgerstein vzw

Nieuws van den Dag, Het Volk, La Libre Belgique, Le Vingtième Siècle, La Métropole, 20 maart 1934; Le Soir, 21 maart 1934; De Zondagsvriend, 25 maart 1934;

VOETNOTEN

Katholieke Illustratie, nr. 3, 30 maart 1934, p. 86; La Métropole, 9 juli 1935 en 29 augustus 1935. Zie in het

(1) ESKENS G. en DE RYCKE Ch., Te gast hij Mgr.

bijzonder ook: Mgr. SCHRYRGENS J., Art. Au

Billiauw, in: De Torenblazer - BIM-meldingen, jg. 12,

Séminaire Saint-]oseph de Malines, in: Le Vingtième

juli 2000, p. 5.

Siècle, 16 maart 1934.

Francis Dessain was de broer van de toenmalige

Voor uitgebreide fotoreportages, o.a. van de eerste-

Mechelse burgemeester Charles Dessain en werd

steenlegging, zie: AAM, Papieren Sint-Jozefseminarie.

legendarisch als voetballer (Internationaal), als voor-

(7) VOS L., Bloei en ondergang van het AKVS. Geschiedenis

zitter van voetbalclub FC Maiinois, het latere KV-

van de katholieke Vlaamse studentenbeweging

Mechelen,

1935, dl. 2, Leuven, 1982, p. 145-146.

en

als

voorzitter

van

de

Belgische

Voetbalbond. (2)

1914-

(8) ART J., De evolutie van het aantal mannelijke roepingen in België tussen 1830 en 1975, in: Belgisch Tijdschrift

Gazet van Mechelen, 18 september 1967, p. 5 en 6. O p het Provinciaal Architectuurarchief van Antwerpen

voor Nieuwste Geschiedenis, jg. 10, 1979, dl. 3, p. 354-

is een beperkte verzameling papieren van Simon Van

355.

Craen bewaard: enkele tekeningen en verschillende foto's

van

zijn

projecten,

o.a.

van

het

Sint-

(9) HEYNICKX R., De ijking van een religieuze modernisering. Ethiek en esthetiek in de

Vlaams-Katholieke

Jozefseminarie. Er zijn geen originele plannen van dit

Kunstenaarsvereniging De Pelgrim (1924-1931),

seminarie in de collectie bewaard.

Trajecta, jg. X, dl. 1, 2001, pp. 38-61.

Met dank aan Jonas en Wiebe Verhoeven, 2e jaar

in:

(10) Het beeld kostte 18.000 Belgische frank.

Monumenten- en Landschapszorg, Antwerpen, en

ABO, Papieren Sint-Jozefseminarie, Dossier Bouw

Dirk Laureys, Provinciaal Architectuurarchief, voor de

- financiering - uirrusting. Jan Poels aan Van Roey, 19

biografische info.

april 1934.

(3) CUYPERS J., Jef Huygh. Antwerps architect

(1885-

(11) Jan Poels overleed op 7 juli 1943. Zie PAS W. en C ,

1946), eindverhandeling Architectuur 1976-1977, 87

Biografisch lexicon plastische kunst in België. Schilders,

p.; Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cul-

beeldhouwers, grafici, 1830-2000, deel 1, Antwerpen,

tuurbezit in België. Architectuur, Provincie Antwerpen,

2000, p. 234; J O C H E M S T., LAENENS J. en MER-

arrondissement Mechelen, kanton Mechelen, dl. 13N2, p. 70-71.

TENS F., Albert Poels, Kasterlee, 1978, p. 4-8. (12) Over Frans Van Giel (Oostmalle, 1892 - Geel, 1975),

(4) Het lobbyen gebeurde niet altijd even hoffelijk. Zo beschuldigde de 'Meesters-Lichtbewerkerskring van Mechelen en Omstreken' een concurrent ervan de kos-

zie: Le dictionnaire des peintres Belges du XLVe siècle a nos jours, Brussel, 1995, dl. 2, p. 1071. (13) Deze Norberrienen mogen niet verward worden mer

ten in de offertes doelbewust te onderschatten, en

de grote orde van de Norbertinessen. De kleine con-

— wat volgens hen veel erger was — bovendien een

gregatie van de Norberrienen, die omsteeks 1935 vijf-

"vooraanstaand kopstuk der liberalen en (...) vrijmetse-

envijftig Zusters telde, was specifiek opgericht om in

laar" te zijn.

opleidingsinstituten voor priesters huishoudelijke hulp

Zie voor prijsoffertes, beoordelingen en diverse brief-

te bieden. Zij maakten niet alleen in het Sint-Jozef-

wisseling: ABO, Papieren Sint-Jozefseminarie, Dossier

seminarie en het Klein Seminarie te Mechelen, maar

Bouw - financiering - uitrusting.

ook in de seminaries te Neer-Waver, Mol en Doornik

(5) Albert Van Pottelbergh (Erembodegem, 29 november

de dienst uit.

1868 - aldaar, 16 januari 1937) had de opdrachten in

Klein Seminarie Mechelen. Terugblik op 150 jaar school

Onze-Lieve-Vrouw-Waver uitgevoerd in samenwer-

en internaat te Mechelen. Catalogus van de tentoonstel-

king

met

provinciaal

architect

BAECK M., De wintertuin

Eduard

Careels.

ling, Mechelen, 1980, p. 87.

van het instituut

der

(14) "Dit is de tent van God bij de mensen " (Apokalyps 21,3).

Religieuzen Ursulinen te Onze-Lieve-Vrouw-Waver,

in:

(15) "Onzestemmen vragen om Genade". Dit was de slotfor-

Mededelingen van het Jozef van

Rompay-Davidsfonds-

Genootschap, nr. 5, Onze-Lieve-Vrouw-Waver, 1993,

mule van meerdere prefaries in de eucharistieviering. (16) Het orgel werd op 19 maart 1947 plechtig ingewijd

64 p. + ill. Met dank aan Maria Baeck voor deze en heel

(Gazet van Mechelen, 20 maart 1947). Bij een onder-

wat andere info bij mijn onderzoek.

zoek naar de eventuele restauratie in 1998 bleek het


Nr. 126 Bijlage bij MEtL 23/2 maart-april 2004


B l l S I N E N K R A N T

Literatuur

Gottfried Semper 1803-1879 Architektur und Wissenschaft Winfried Nerdinger en Werner Oechslin (red.) Jo

DF K F [ I 7 F V A N

Braeken

MBI

The Romanesque Revival Religion, Politics, and transitional exchange Katheen Curran University Park Pennsylvania, The Pennsylvania State University Press, 2003, 364 p., ISBN 0-271-02215-9 Beklijvende studie over de neoromaanse Rundbogenstil, waarvoor Heinrich Hübsch in de vroege 19d<: eeuw de theoretische basis legde, die onder impuls van Ludwig I van Beieren en Friedrich Wilhelm lil en IV van Pruissen in het werk van Klenze, Gartner, Persius en Stüler uitgroeide tot een nationale Duitse bouwstijl om vervolgens mede onder invloed van protestants missioneringswerk ook vast voet te krijgen in de Verenigde Staten. Ontstaan en verspreiding worden gesitueerd in politiek-diplomatieke en religieus-ideologische context.

Architects and the "Building World" from Chambers to Ruskin Constructing Authority Brian Hanson Cambridge, Cambridge University Press, 2003, 382 p., ISBN 0-521-81186-4 Studie die achter de sluier van de architectuurstijlen een blik werpt op de onderliggende sociale microkosmos van het 'bouwbedrijf in het 18de- en 19dc-eeuwse Engeland, om te onderzoeken hoe de fragiele 'autoriteit' van de architect in deze tot stand kwam en waarop zij stoelde. De vaak uiteenlopende visies op de rol van de architect in het maatschappelijk bestel van onder meer Chambers, Soane, Barry, Pugin, Scott en Street passeren hierbij de revue, met een hernieuwde kijk op Ruskin in een sleutelrol.

M&L

1

München, Prestel Verlag, 2003, 520 p., ISBN 3-7913-2885-9 Indrukwekkende monografie over Gottfried Semper (1803-1879), één van de belangrijkste Duitse architecten, de 'Michelangelo van de 19^ eeuw', geniaal ontwerper van stedelijke monumenten als theaters en musea, en invloedrijk denker die een op natuurwetenschappelijke leest geschoeide theoretische grondslag voor de architectuur nastreefde, onder meer geconcretiseerd in het 'Bekleidungsprinzip', het loskoppelen van structuur en bekleding. Chronologisch opgebouwde, uitvoerig geïllustreerde oeuvrecatalogus, gelardeerd met een 15-tal essays.

Charles Garnier Jean-Michel Leniaud Parijs, Monum, Editions du patrimoine, 2003, 176 p., ISBN 2-85822-705-5 Eerste volwaardige monografie over de Franse architect Charles Garnier (1825-1898), die met de Parijse Opera een onbetwist monument voor het Second-Empire schiep, maar wiens persoon en overige werk tot op heden nauwelijks aandacht kreeg. Biografie en overvloedig geïllustreerde oeuvrecatalogus met hoogtepunten als de casino's van Monte Carlo en Vittel, villa's in Menton en Bordighera, gesitueerd in de 19de-eeuwse burgermaatschappij, zijn financiers, ondernemers en kunstenaars.

Fritz Hoger (1877-1949) Moderne Monumente Claudia Turtenwald (red.) München/Hamburg, Dölling und Galitz Verlag, 2003, 216 p., ISBN 3-935549-56-3 Monografie over de Duitse 'Klinkerarchitect' Fritz Hoger (1877-1949), één van de belangrijkste propagandisten van het Noordduitse baksteen-

•11 ..

expressionisme uit de jaren 1920, auteur van het Chilehausin Hamburg en de Hannoversche Anzeige, waarmee hij een monumentaal grootstedelijk maar ook volksverbonden modernisme voorstond. De op basis van nieuw bestudeerd bronnenmateriaal sterk uitgebreide oeuvrecatalogus wordt ingeleid door een vijftal essays die het al te eenzijdige beeld van de anti-moderne regionalist Hoger nuanceren en aanvullen.

Charlotte Perriand An Art of Living Mary McLeod (red.) New York, Harry N. Abrams Inc., 2003, 304 p., ISBN 0-8109-4503-7 Monografie over Charlotte Perriand (1903-1999), één van de meest innovatieve meubel- en interieurontwerpers van de 205tc eeuw, wiens lange loopbaan onder het motto "l'artde

CHARLOTTE

PERRIAND ^^^^\

\m. Ifc^p^ ^

An Art of Living

.^ii^ > W^ ^^V.'ta

BY MARY


B 1 N N E N K R A N T

wwe" zowat de gehele geschiedenis van het Franse moderne design overspant. Bundel met negen uitvoerig gedocumenteerde essays, die diverse aspecten van haar oeuvre belichten: de overgang van art deco naar modernisme, de samenwerking met Le Corbusier en later met Jean Prouvé, de sociale betrokkenheid van het Front Populaire, de relatie met Japan, de fascinatie voor het object van alledag, de wintersportcentra, gevolgd door een beeldessay, persoonlijke herinneringen en eigen teksten.

L'école de plein air Une experience pédagogique et architecturale dans l'Europe du XXe siècle Anne-Marie Chatelet, Dominique Lerch en Jean-Noël Luc (red.) S.I., Editions Recherches, 2003, 432 p., ISBN 2-86222-044-2 Bundel congresbijdragen gewijd aan het ontstaan en de evolutie van de openluchtschool in een 10-tal landen van Europa, een vroeg 20ste-eeuws fenomeen dat multidisciplinair wordt geëvoceerd als pedagogisch laboratorium, mijlpaal in de ontwikkeling van de preventieve geneeskunde, instrument in de gemeentelijke politiek, en oord van architecturale vernieuwing, met bekende voorbeelden als de openluchtscholen van Duiker in Amsterdam, van Beaudouin en Lods in Suresnes, naast één van de allervroegste pioniers, de Schoolvilla Diesterweg in Heide-Kalmthout uit 1904.

Modernism and the Spirit of the City lain Boyd Whyte (red.) Londen, Routledge, 2003, 260 p., ISBN 0-415-25841-3 Bundel met een tiental essays waarin de al te eenzijdige, rationalistische en functionalistische beeldvorming van het modernisme in vraag wordt gesteld, door onderzoek van de complementaire, veel complexere culturele, sociale en spirituele onderstroom. Een zoektocht naar het 'Paradijs op Aarde', en dit aan de hand van voorbeelden uit het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland, van de jaren 1890 tot 1950, rond thema's als schoonheid, spiritualiteit, nationale identiteit en commercie.

Fallingwater Rising Frank Lloyd Wright, E.J. Kaufmann, and America's Most Extraordinary House Franklin Toker New York, Alfred A. Knopf, 2003, 482 p., ISBN 1-4000-4026-4 'Biografie' van één van de beroemdste huizen van de 20ste eeuw, Fallingwater \n Bear Run Pennsylvania, een meesterwerk waarmee een 70-jarige Frank Lloyd Wright in 1937 opnieuw zijn internationale status vestigde, in opdracht van de flamboyante 'department-store mogul' en filantroop Edgar J. Kaufmann. Indringend portret van maker en opdrachtgever, diens familie en entourage in Pittsburgh, de voorgeschiedenis, bouw en inrichting van het huis, tot en met de mythevorming die van begin af zorgvuldig werd opgebouwd.

Hinder en ontklontering Architectuur en maatschappij in het werk van Frank van Klingeren Marina van den Bergen en Piet Vollaard Rotterdam, Uitgeverij 010, 256 p., ISBN 90-6450-472-5 Opmerkelijke monografie over de Nederlandse architect Frank van Klingeren (1919-1999), die met 'gemeenschapshuizen' als het ook internationaal gewaardeerde De

Meerpaal in Dronten en het Karregat in Eindhoven, als geen ander de veranderende tijdsgeest van de jaren '60 en'70 tastbaar maakte. De 'imperfectie' van een heldere en informele architectuur met een open integratie van functies - cultuur, sport, spel moest bijdragen tot de 'ontklontering' van de maatschappij, de georchestreerde hinder tot spontaan menselijk contact en sociale acceptatie, wat in dit boek in woord en beeld tot uiting komt.

Alison and Peter Smlthson Erom the House of the Future to a house of today Dirk van den Heuvel en Max Risselada (red.) Rotterdam, Uitgeverij 010, 240 p., ISBN 90-6450-528-4 Bijzonder fraai en boeiend overzicht van een 20-tal woningprojecten door het even invloedrijke als controversiële Engelse 'Team 10' architectenechtpaar Alison (1928-1993) en Peter Smlthson (1923-2003). Deze woningen, waarvan slechts een handvol werd gebouwd, van het optimistische prototype House of the Future, over

Alison and Peter Smithson - from the House of the Future to a house of today lUilcti hy Dirk van dtn I k u v d and Max Rissoladi-nio Hublishcrs


B 1 N N E M K R A N T

het elementaire Solar Pavilion tot het feeërieke Hexenhaus, illustreren in opperste individualiteit een uitgesproken visie op de kunst van het alledaagse, de hoogdravende idealen van het modernisme op maat van mens en plek.

Last Landscapes The Architecture of the Cemetery in the West Ken Worpole Londen, Reaktion Books, 2003, 224 p., ISBN 1-86189-161-X Cultuurhistorische verkenning van de cultus en de rituelen van de dood, de geschiedenis en het ontwerp van begraafplaatsen en dodenmonumenten in het Westen, met de nadruk op hun rol en betekenis in de maatschappij, en hun impact op stad en landschap, de culturele verschillen die de wijze van lijkbezorging van Noord tot Zuid bepalen, en de vraag hoe in tijden van massale crematie en het verdwijnen van steeds meer relicten uit het verleden toch betekenisvolle oorden van herinnering kunnen worden geschapen.

Gropius. Meisterhaus Muche/Schlemmer Die Geschichte einer Instandsetzung August GebeBler (red.) Stuttgart, Karl Kramer Verlag, 2003, 216 p., ISBN 3-7828-1513-0 Bundel bijdragen gewijd aan het Meisterhaus Muche/Schlemmer, één van de vier 'Meisterhauser' die in 1925-26 door Walter Gropius samen met het Bauhaus in Dessau werden opgetrokken, waarvan de restauratie door de Wüstenrot Stiftung in 2002 werd voltooid. Historiek van het gebouw dat onder het Nazi-regime werd verminkt, en vooral een minutieus verslag van het bouwhistorisch onderzoek, de problematiek en de besluitvoering over behoud en reconstructie, en de bouwtechnische aspecten van de restauratie.

M&L

Het kasteel van Wissekerke te Bazel Livia Snauwaert en Peter De Wilde Gent, Provinciebestuur OostVlaanderen, 2003, 72 p. Beknopte monografie in de reeks Kleine Cultuurgidsen gewijd aan het kasteel Wissekerke in Bazel (Kruibeke), waarvan de oudste zichtbare restanten dateren uit de 15de en 16dc eeuw. Sinds het einde van de 18de eeuw in handen van de familie Vilain Xllll, werd het begin 19de eeuw door Francois Verly gemoderniseerd in een vroege mengeling van neogotiek en Egyptomanie. Ook de ijzeren hangbrug van Jean-Baptiste Vifquain in het park behoort tot de oudste van het Europees vasteland.

Modernism in Serbia The elusive margins of Belgrade architecture 1919-1941 Ljiljana Blagojevic Cambridge, The MIT Press, 2003, 286 p., ISBN 0-262-02537-X Studie over de modernistische architectuur in Belgrado, de voormalige hoofdstad van het onbeduidende koninkrijk Servië, dat bij de vorming van het nieuwe Joegoslavië na de Eerste Wereldoorlog de allure kreeg aangemeten van een grootstad. Een regionaal modernisme in de periferie van Europa, gedomineerd door voor ons onbekenden als Milan Zlokovic, Dragisa Brasovan en Nikola Dobrovic, dat laveerde tussen het Italiaanse rationalisme en het Tsjechische constructivisme, waarvan het erfgoed vandaag zienderogen verdwijnt.

Alle boeken, een greep uit de recente aanwinsten, liggen ter inzage in de Bibliotheek Monumenten en Landschappen Phoenixbouw Koning Albert ll-laan 19 - bus 3 1210 Brussel (tijdens de kantooruren) Tel. 02/553.16.93 - fax. 02/553.16.05 E mail: Jozef.Braeken@lin.vlaanderen.be

Paul Van den Bremt

ROTANISrHF BIOniVFRSITEIT FN DF RFIfilSCHF FXPERTISE De achteruitgang van fauna en flora, zowel in eigen land als op wereldvlak is onrustwekkend. Even onrustwekkend is de snelheid waarmee dit gebeurt. Een groot deel van ons levend erfgoed is bedreigd. Tal van internationale verdragen werden de laatste tientallen jaren afgesloten om de achteruitgang proberen te stoppen, zo ook bijv. het 'Verdrag inzake Biologische Diversiteit'. Ook ons land ratificeerde dit verdrag en nam meteen een aantal initiatieven. Een van de oudste initiatieven, gelanceerd door de werkgroep biodiversiteit van BELNET (het federale wetenschappelijke netwerk) is het project BIODIV (Biodiversity Resources in Belgium). BIODIV moet de kennis en de expertise die in België aanwezig is op het vlak van de biodiversiteit, inventariseren en op een overzichtelijke manier toegankelijk maken via een website: www.b r. fqov.be/BIODIV.

Op 19 en 20 oktober 2001 werd door BIODIV en de Nationale Plantentuin van België een tweedaags symposium georganiseerd met een voor de Vlaamse ambtenarij enigszins misleidende naam: BBB 2001. BBB staat hier niet voor Beter Bestuurlijk Beleid maar wel voor Botanische Biodiversiteit België. Een symposium organiseren en later de teksten ervan drukklaar maken, vraagt veel werk. Personeelsverloop en financiële perikelen hebben de uitgave bovendien ten zeerste vertraagd. Pas eind 2003 verschenen de resultaten van het symposium in boekvorm. Het boek omvat de verslagen van het symposium. Men vindt er 15 artikels en een 70-tal samenvattingen in van de lezingen en bovendien van de posters die aangeboden werden gedurende de twee dagen. Sommige auteurs dienden een volledige tekst in. Anderen presenteerden de resultaten van werk dat al elders werd gepubli-


B I N N E N K R A T v J T

ceerd. Zowel professioneel onderzoek van universiteiten en onderzoeksinstellingen als werk van toegewijde natuurliefhebbers en hun verenigingen komen aan bod. Zoals de eindredacteurs stellen krijgt men een bloemlezing van het Belgisch botanisch onderzoek op het vlak van de biodiversiteit: een onderzoek dat zij bloemrijk bestempelen als "springlevend en (bio)divers". Zij onderscheiden vijf subthema's: • floristiek en systematiek van de flora van België (en Europa) De artikelen gaan achtereenvolgens over: een stand van zaken; biodiversiteitsonderzoek van maïsakkers; taxonomisch onderzoek van de Brede wespenorchis (var. neerlandica); soortendiversiteit van orchideeën in de Belgische en Europese flora's; botanische biodiversiteit van België: hoeveel soorten? Samenvattingen van de andere bijdragen. • ecologie, monitoring en behoud In dit subthema komen aan bod: soortenrijkdom van mossen, zwammen en vaatplanten op ruw houtafval van beuk in een reservaat binnen het Zoniënwoud; methodologie voor intensieve monitoring van bosdynamiek in strikte bosreservaten in Vlaanderen; bescherming van het erfgoed van autochtone houtachtige planten in Vlaanderen. Samenvattingen van andere bijdragen. • instellingen en verenigingen Volgend onderzoek passeert de revue: het toegepast botanisch onderzoek van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer (IBW); de botanische expertise van het A.E.F. (Amicale Européenne de Floristique) in het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; het Vlaamse Atlasproject van FLO.WER (Floristische Werkgroepen); het onderzoek van de Belgische Dendrologische Vereniging. Samenvattingen van onderzoeksprojecten van andere verenigingen. • biodiversiteit en ethnobotanie in de tropen Ook Belgisch onderzoek in de tropen en de subtropen wordt vermeld:

terrestrische vegetatiepatronen eb plantengemeenschappen van Pacifische koraaleilanden; ethnobotanisch onderzoek voor een betere kennis van de biodiversiteit aan het Laboratorium van Tropische en Subtropische Landbouw en Ethnobotanie (UGent). Samenvattingen van andere bijdragen. • miscellanea Enkel aan de databank BIODIV wordt een volledig artikel gewijd. Van de andere bijdragen werd een samenvatting opgenomen. Aan het eind van het boekvolume wordt ook nog een overzicht gegeven van de Belgische botanische tijdschriften en reeksen. Het geheel is verzorgd uitgegeven met als voertalen Engels, Nederlands en Frans in de reeks Scripta Botanica Belgica van de Nationale Plantentuin van België. In totaal werkten 174 auteurs aan de inhoud mee.

Rappé, G., Busschots, K. Et E.. Robbrecht (eds.) BBB 2001 Botanical Biodiversity and the Belgian Expertise Proceedings of a symposium held in October 2001 at the National Botanic Garden of Belgium Scripta Botanica Belgica 24 Meise, 2003, Nationale Plantentuin van België, 22 € (bestellen bij de Nationale Plantentuin van België, Domein van Bouchout, B-1860 Meise. Tel. 02 260.09.42; fax 02 260.09.45; sale@br.fgov.be)

André

Cresens

B

STATIONSARCHITFCTUIIR IN BFIGIE In het eerste deel maakten we kennis met de Belgische stationsarchitectuur uit de periode voor de eerste wereldoorlog, met uitzondering van de stations uit de Oostkantons. Het tweede deel vormt de afronding van de inventarisatie van de Belgische stations. Voor de periode tot ongeveer 1930 werden hoofdzakelijk prentbriefkaarten als illustratiemateriaal gebruikt, de latere ontwikkelingen werden vooral geïllustreerd met foto's uit het NMBS-archief. Zoals in de inleiding van het boek benadrukt wordt, is er bewust meer ruimte gelaten in deel 2 ten opzichte van deel 1. Dit valt meteen op bij het doorbladeren van het boek, waardoor meteen de indruk ontstaat dat het beschikbare beeldmateriaal ongelijk verdeeld is tussen de twee volumes. In sommige gevallen worden illustraties als achtergrond herhaald. Trouwens in deel 1 was al een selectie doorgevoerd omwille van het grote aantal illustraties. De keuze van de taal waarin de stationsnaam weergegeven wordt, is duidelijk omschreven. Voor de bespreking van de naoorlogse stations verleende architect Bernard Lambert zijn medewerking. Toch missen we een bredere situering inzake de tendenzen in de architectuurgeschiedenis. Inhoudelijk begint deel 2 met de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog en de aanhechting van de Oostkantons waardoor een reeks Pruisische stations tot het Belgische spoorwegnet gingen behoren. Bij de bespreking van het Interbellum valt meteen op dat talrijke pagina's enkel verspreide illustraties bevatten, de tekstgedeelten staan verspreid waardoor de samenhang enigszins dreigt verloren te gaan. De commentaar is in verhouding tot de vorige perioden zeer beperkt. Enkele architecten komen uitvoeriger aan bod, waaronder Paul Nouille en August

1VI&L


B 1 N N E N K R A N T

van de beschermde stations in Vlaanderen, Brussel en Wallonië met een duidelijk overwicht in Vlaanderen. Moet er in Wallonië minder beschermd worden omdat daar minder patrimonium bedreigd wordt? Een moeilijke opdracht was het samenstellen van een inventaris van de heden nog bestaande stations met hun huidige bestemming: deze gegevens wijzigen zeer snel bv. een station wordt woning, café, dancing, restaurant, jeugdlokaal enz. Tenslotte is er een tekstindex voor deel 2 en een foto-index die toelaat illustraties in deel 1 en deel 2 gemakkelijk terug te vinden.

Desmet. Soms is er verwarring rond de spelling van de namen; bv. Josse en Maurice Van Kriekelinge (Brugge) of Van Kriekinge (Dendermonde) zonder dat hierbij enige commentaar gegeven wordt. Bij de bespreking van de stations gebouwd na Wereldoorlog II worden lijsten opgenomen met de namen van de betrokken architecten. Speciale aandacht gaat naar de Brusselse Noordzuid-verbinding en de weerslag van Expo 58. Vanaf de jaren 1960 is er sprake van eerder functionele en geïndustrialiseerde bouwkunde. De jaren 1970 en '80 worden gesitueerd in een context van besparingen, de petroleumcrisis en de nasleep van mei '68. Opvallend in die periode is het verdwijnen van de woonfunctie in de stations en het overbrengen van de technische functies van de seinhuizen naar de stationsgebouwen. Huidig Vlaams bouwmeester Bob Van Reeth krijgt aandacht met zijn toenmalige duiventilarchitectuur. De architectuur uit die periode wordt als onaangenaam, deprimerend omschreven en was voor de reiziger nog minder aantrekkelijk geworden. Uiteraard gaat het hier om aspecten die door de architect of de kunsthistoricus vanuit een ander standpunt bekeken worden dan door de modale reiziger! Enerzijds is er sprake van ingenieursarchitectuur met beklemtoning van dragende

1VI&L

elementen, anderzijds zijn er de talrijke onopvallende stationsgebouwtjes die volgens de auteur eerder als schooltjes of lokalen van een kaartersclub kunnen beschouwd worden. Het station werd niet meer als een centrale ontmoetingsplaats ervaren, maar daar kwam wel kentering in. Het station was niet meer dat gebouw dat een zeker aanzien afdwingt. In de jaren 1990 worden dan postmoderne experimenten gesitueerd met een overgang naar wat de auteur noemt constructieve exuberantie en strakke geometrie. De architectuur ontstaat niet meer op de tekentafel maar wel in de computer met de CAD (computer-aided design). Buitenlandse architecten doen hun intrede. Hier ontbreekt wel een bespreking van de visie die rond de grote projecten (Brussel-Zuid, Leuven, Luik) ontwikkeld werd en de nieuwe stedenbouwkundige inzichten over de integratie van het openbaar vervoer in het stadsweefsel. Immers de tijd is al lang voorbij dat men stations bouwde midden in het open veld waar kilometers in het rond geen woning te vinden was. De laatste bundel pagina's bevat enkel illustraties, is het de bedoeling dat de lezer er zelf eigen commentaar bij bedenkt? Achteraan vinden we addenda en errata, een tekstje over de zoektocht naar de oudste stations, een overzicht

Situeringskaartjes zouden hier en daar wel nuttig geweest zijn, want enkel ingewijden in het spoorweggebeuren kennen de diverse spoorlijnen en de ligging van de stations. Door het eerder aangehaalde gebrek aan evenwicht tussen de 2 delen, oogt deel 2 minder aantrekkelijk, hetgeen wel eens een gevolg voor de verkoopcijfers zou kunnen hebben. Uiteraard vormen beide volumes tesamen een zeer nuttig werkinstrument en zullen ze een belangrijke basis vormen voor verder onderzoek.

DE BOT, Hugo, Stationsarchitectuur in België. Deel II, 1914-2003 208 p., Brepols Turnhout, 2003; ISBN 90-5622-052-7


B 1 M N E N K R A N T

Wetgeving Veerle De Houwer

R F S I U I T V A N DE VLAAMSF RFfiFRING VAN 5 MAART ?nn4 HOlinFNDF W I I 7 l f i l N G VAN HFT INSTITUUT VOOR HFT ARCHEOLOGISCH PATRIMONIUM TOT HFT V I A A M S INSTITUUT VOOR HFT ONROEREND ERFGOED Algemeen Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (afgekort tot VIOE) is de naam voor een nieuw samenwerkingsverband tussen het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium en de Afdeling Monumenten en Landschappen. Het Instituut is een wetenschappelijke instelling waar geïntegreerd onderzoek wordt verricht naar het archeologisch, monumentaal en landschappelijk erfgoed in Vlaanderen in dienst van het beleid i.v.m. de zorg voor het onroerend erfgoed. Het beheer en de bescherming van het monumentaal, landschappelijk en archeologisch erfgoed berust nog steeds bij de afdeling Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Meer informatie over VIOE vindt u op de webpagina van de afdeling Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be > VIOE Tekst van het besluit van de Vlaamse regering Gelet op het decreet van 3 maart 1976 houdende bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten, gewijzigd bij de decreten van 18 december 1992, 22 februari 1995, 22 december 1995, 8 december 1998, 18 mei 1999, 7 december 2001 en 21 november 2003; Gelet op het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, gewijzigd

bij decreet van 18 mei 1999 en 28 februari 2003; Gelet op het decreet van 16 april 1996 houdende bescherming van landschappen, gewijzigd bij de decreten van 21 oktober 1997, 18 mei 1999, 8 december 2000, 21 december 2001 en 19 juli 2002; Gelet op het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 1991 houdende instelling en organisatie van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 21 oktober 2002; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 23 februari 2004, met verzoek om spoedbehandeling zoals bepaald in artikel 84, §1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (advies mede te delen binnen een termijn van vijf werkdagen); Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat: • sinds 1 januari 2004 de opdracht van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium drastisch gewijzigd is tengevolge het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2003 houdende wijziging van de uitvoeringsbesluiten van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium; • bovendien in functie van het beheer van het erfgoed vanuit de afdeling monumenten en landschappen in feite vanaf die datum de opdracht van het instituut had moeten aangepast zijn om de taken van de afdeling te kunnen ondersteunen; • onder meer de continuïteit van de Centrale Archeologische Inventaris door het uitblijven van de reorganisatie van het instituut bedreigd is, waardoor de integrale en interactieve benadering van het archeologisch,

architecturaal en landschappelijk erfgoed in het gedrang komt en waardoor de invulling van dit onroerend erfgoed in de lopende ruimtelijke uitvoeringsplannen niet kan gerealiseerd worden binnen de gestelde termijnen; zonder Centrale Archeologische Inventaris kan geen uitvoering gegeven worden aan het beschermingsbeleid inzake archeologische monumenten en zones dat het kader uitzet voor een effectief en efficiënt archeologisch beheer door de afdeling monumenten en landschappen; • hiertoe dringend de integratie van het kenniscentrum in het instituut dient gerealiseerd en bijgevolg de personeelsstructuur van het instituut in globo moet gereorganiseerd worden waarvoor voorafgaandelijk dringend een directieraad conform de feitelijke taakstelling moet samengesteld worden zodat het management van het instituut minstens tijdelijk kan ingevuld worden; Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken; Na beraadslaging, Artikel 1. § 1. Het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, ingesteld bij het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 1991, wordt omgevormd tot het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, hierna het Instituut genoemd. Het Instituut is een Vlaamse wetenschappelijke instelling zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 28 januari 1997 houdende statuut en organisatie van de Vlaamse wetenschappelijke instellingen en de regeling van de rechtspositie van het personeel. Het Instituut wordt omgevormd voor het beleidsgericht onderzoek en de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed. § 2. Onder onroerend erfgoed wordt begrepen: 1° de monumenten, stads- en dorpsgezichten en kleinere onroerende

1VI&L


B 1 N 1 M E N K R A N T

erfgoedelementen, zoals bepaald in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stadsen dorpsgezichten, hierna het monumentendecreet genoemd; 2° de landschappen en kleine landschapselementen, zoals bepaald in het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, hierna het landschapsdecreet genoemd; 3° het archeologisch patrimonium, zoals bepaald in het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, hierna het archeologiedecreet genoemd;

•

§ 2. Het onderzoek van elke afdeling omvat inzonderheid: 1° Voor de afdeling onderzoek erfgoedwaarden: a) Voor archeologische erfgoedwaarden: inventarisatie; opgravingen; cultureel archeologisch onderzoek; natuurwetenschappelijk archeologisch onderzoek; vondstenbehandeling en conservering; beheer archeologische sites. b) Voor de andere erfgoedwaarden: architectuur- en bouwhistorisch onderzoek; landschapsonderzoek; esthetiek van het erfgoed; thematisch onderzoek; modelrestauraties en restauratietechnieken; conservering; landschapsbeheer. 2° Voor de afdeling documentatie en ontsluiting: a) documentatiecentrum met inbegrip van een archeologisch depot; b) informatie en externe communicatie; c) studie van de ontsluiting van het onroerend erfgoed.

4° het varend erfgoed, zoals bepaald in het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed, hierna het varend erfgoeddecreet genoemd. § 3. Het Instituut blijft administratief ingedeeld bij de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur. Art. 2. Het Instituut heeft als missie om vanuit de opdracht van de overheid inzake de zorg voor het onroerend erfgoed, in te staan voor het onderzoek van, kennisbeheer en kennisverspreiding over, en ontsluiting van het onroerend erfgoed. Art. 3. Voor de uitvoering van het monumenten-, landschaps-, archeologie- en varend erfgoeddecreet, heeft het Instituut tot taak: 1° de inventarisatie en prospectie van het onroerend erfgoed; 2° het uitvoeren van veldwerk; 3° het bewaren en conserveren van onderdelen van het onroerend erfgoed; 4° het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek van en naar het onroerend erfgoed (inclusief het ontwikkelen van technische standaarden en richtlijnen die betrekking hebben op alle facetten van het erfgoedbeheer); 5° kennis- en documentatiebeheer; 6° de communicatie, ontsluiting en studie van de ontsluiting van het onroerend erfgoed.

M&L

•

Art. 4. § 1. Het Instituut is ingedeeld in twee afdelingen: 1° afdeling onderzoek erfgoedwaarden; 2° afdeling documentatie en ontsluiting.

Art. 5. Dit besluit treedt in werking op 1 maart 2004.

l

C

iiir^t

1 O O 1

VeerU De Houwer

j

P I A N T F N - FN R07FNFFSTIVAI HFX Het kasteel van Hex werd gebouwd in de 18de eeuw en wordt omringd door diverse stijl- en landschapstuinen uit dezelfde periode. fuinarchitectuur en beplanting zijn door de eeuwe heen bewaard gebleven en met zorg onderhouden. Het kasteel \ian Hex was vorig jaar laureaat van de Vlaamse Monumentenprijs. Dit jaar van 11 tot 13 juni wordt er j/oor de 10de maal het planten- en rozenfestival georganiseerd, met een tentoonstelling, lezingen en presentaties. Voor de kinderen is er aandacht met de kinderwandelingen 'kruiden' en 'het sprookje van Hex'. L \/oor meer informatie: Kasteel Hex, B-3870 Heers fel. 012 74 73 41 Fax 012 74 49 87 iwww.hex.be

1

Art. 6. Het besluit van de Vlaamse m n £* n ri /~t i i r t v *

•

Tentoonstellinaen

L"* /"^ i i y~4 ü r-ï *~J *-»

regering van bjuni laai nouuenae instelling en organisatie van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium wordt op de datum van inwerkingtreding van dit besluit opgeheven. Art. 7. De Vlaamse minister bevoegd voor de monumenten en de landschappen is belast met de uitvoering van dit besluit.

T1 T1 r< I WA" • '"•Si , Kr

JRË

KC

'•'K?-'

• ^ H f^^F' - . ••

I«*»;-'-.

• •• • —.,

' 13june2(K)4 ^ v 1^-17-,

G a r d e n Festival

I

m

Int m

"-- ! ; " ' '••~^-^'—•

•


B 1 N 1 M E N K R A N T

>

|

ARCHITECTURE

LES

•

BRUNFAUT

•Plü jil 1-5. r-^:. I-M 1

DE B R U N F A U T S

/SSv

BPjH

^^^B

>

1 Veerle De Houwer

BEWOGEN

i

Mare

DF RRIJNFAUTS SOCIAAL BEWOGEN ARrHITFCTUUR

VERKENNEND KUIEREN IN DE KEMPISCHE KOLONIES

Start gegidste wandeling: 10.30 u. (duur: ongeveer 2 u.) Deelnameprijs wandeling: 2 € per persoon (kinderen gratis) Alle info: Karel Govaerts, tel. 014/63 36 24 of karel.govaerts(g)skynet.be W V Merksplas, tel. 014/63 94 77

...is de titel van de tentoonstelling die is opgebouwd in de kelderruimte van de voormalige gevangeniskapel op het domein van de strafinrichting te

De befaamde architectenfamilie Brunfaut (Fernand 1886-1972, Gaston 1894-1974, Maxime 19092003) heeft ongetwijfeld haar stempel gedrukt op de eerste zestig jaar van de 20ste eeuwse architectuurgeschiedenis. Op de tentoonstelling worden naast hun achtergronden en invloeden, hun creaties thematisch belicht: urbanisme, openbare gebouwen. sociale woningen en privé-woningen. Georganiseerd door de vzw. Historisch

Merksplas. De tentoonstelling vertelt de geschiedenis van MerksplasKolonie en Wortel-Kolonie en schetst hun evolutie van landloperskolonie tot gevangenis en gesloten centrum voor illegalen. De wisseling van de bevolking doorheen de tijd, de landbouwen industriële activiteit en het ontstaan van een uniek landschap...

Erfgoed van Brussel, Stadhuis Brussel, Grote Markt- 1000 Brussel.

het komt allemaal aan bod. De expositie geeft woord en beeld, gekruid met diverse museumobjecten en een videomontage die heldere, aanvullende uitleg verstrekt.

Van 20 april tot 10 juni 2004 van 10 tot 17 uur, dinsdag gesloten Prijs: € 2,50 Info: 02/279 64 05

l

Sprangers

PRAKTISCH De tentoonstelling en gegidste wandelingen gaan door op 11 april, 9 mei, 13 juni, 11 juli, 15 augustus, 12 september en 10 oktober (telkens op de tweede zondag van de maand). Openingsuren van de tentoonstelling: 10-18 u. (tevens cafetaria). Inkomprljs tentoonstelling (inclusief 1 drankbon): 2 € per persoon (kinderen gratis).

i

Het bezoek aan de tentoonstelling kan worden gecombineerd met een gegidste wandeling langs het Vagebondjespad: de gids vertelt over de geschiedenis, de sociale toestand van de vroegere landlopers, over de cipiers en de directie, de huidige regimes. Ondertussen kan men genieten van de prachtige dreven en idyllische vijvers met als contrast de steeds dreigende aanwezigheid van gebouwen waarin zo'n 1.000 mensen van hun vrijheid zijn beroofd. Eens de wandeling en het bezoek aan de tentoonstelling zijn volbracht. wacht er in het prachtige interieur van de kapel nog een verfrissend of verwarmend drankje in de cafetaria.

WFFKFNDIF FRFnOFD De hierboven beschreven combinatie past perfect in één van de 8 pilootprojecten van Toerisme Vlaanderen in samenwerking met Vlaanderen Vakantieland. Tijdens het toeristische seizoen 2004 wordt een "Weekendje Erfgoed" aangeboden met op zaterdag een bezoek aan de kerk en het begijnhof van Hoogstraten en op zondag de gegidste wandeling langs het Vagebondjespad. Inschrijven kan via Toerisme Provincie Antwerpen (tel. 03/240 63 98 of incoming@tpa.be).

1VI&L


I

B 1 N N E 1 M K R A N T

Buitenkrant

VeerU De Houwer

WANDELEN DOOR CULTUUR FN R F i m i F VAN DE I AfiF l A N D F N IN TIEN VI AAMSF. NEDFRIANDSE EN FRANSE STFDEN Tien zaterdagen of zondagen van april tot oktober 2004 laat Stadsgezichten u telkens in een andere Franse, Nederlandse of Vlaamse stad de kernmomenten in de religieuze geschiedenis van de Lage Landen ontdekken. Niet de katholieke, protestantse en joodse instellingen zijn daarbij het uitgangspunt, maar wel uitzonderlijke gebeurtenissen, individuen en hun belevenissen. Telkens wordt ook een duidelijke link gelegd met de actualiteit. In de voormiddag (10u30 - 12u30) is er altijd een gevarieerd 'plenair' gedeelte waarin u kennismaakt met de gaststad en haar geschiedenis via lezingen, debatten, films en muziek, 's Namiddags (13u00 - 17u00) kunt u a la carte uw programma samenstellen door te kiezen uit concerten, tentoonstellingen, rondleidingen, museumbezoeken, stadswandelingen met gidsen...

Vrijheid, blijheid? De universiteitssteden Leiden en Leuven bijten de spits af. Ze laten de spanning zien tussen de academische, wetenschappelijke vrijheid enerzijds en de politieke, economische en godsdienstige invloeden anderzijds, zowel vroeger als nu.

Stadsgezichten, zoals het project heet, is een initiatief van de Vlaamse cultuurvereniging Davidsfonds, in samenwerking met onder andere de radiozender Klara, de Nederlandse omroep KRO, hetThijmgenootschap en de

In Leiden (zaterdag 17 april) openen de rector van de universiteit en de burgemeester het programma in de prachtige Hooglandse kerk. Professor Willem Otterspeer heeft het

tA M&L

CUEF (Coordination Universitaire pour l'Etude de la langue et de la culture flamandes en France). Naar aanleiding van Stadsgezichten verschijnt ook een gloednieuw boek over de scharnier momenten in de geschiedenis van her christendom, dat gratis is voor wie deelneemt aan minstens zes evenementendagen.

over de betekenis van de academische vrijheid in het licht van de geschiedenis van de universiteit en de stad. Onder de titel Gescheiden wegen, verbonden lot legt professor Geert Vanpaemel de link met 'zusterstad' Leuven. In de namiddag voert een stadswandeling u onder andere langs de Leidsche Burcht, de lakenhal, het Boerhaavemuseum, het Academiegebouw, het stadhuis en de sterrenwacht. De dag eindigt met een debatwedstrijd tussen studenten en een drankje aangeboden door de universiteit en de stad. Ook in Leuven (zondag 2 mei) staan wetenschappelijke vrijheid en religieuze, politieke en economische beïnvloeding centraal. In de Grote Aula van het Maria-Theresiacollege maakt professor Jan Roegiers u wegwijs in de geschiedenis van de universiteit en de stad. Filmbeelden brengen de legendarische toespraak in herinnering van oud-rector Pieter de Somer over de religieuze inmenging in wetenschappelijk onderzoek. In een panelgesprek tusen de huidige rector André Oosterlinck en ondernemers worden de grenzen afgetast van samenwerking tussen universiteiten en bedrijven, 's Namiddags verkent u Leuven dankzij stadswandelingen langs de belangrijkste bezienswaardigheden, exclusieve rondleidingen in de universiteitsbibliotheek...


B 1 N N E N K R A N T

Toen waren ze nog met acht... Om een goede, gezamelijke, inhoudelijk verantwoorde uitbouw te garanderen, die de internationale banden extra in de verf zet, werden ook de acht andere steden per twee aan elkaar gekoppeld rond belangrijke domeinen van de samenleving. In de handelscentra en havensteden Antwerpen (zaterdag 15 mei) en Amsterdam (zaterdag 29 mei) draait alles rond het verband tussen religieuze tolerantie en economische welvaart. De omgang met een vernietigd verleden staat centraal in leper (zaterdag 12 juni) en Rotterdam (zaterdag 19 juni). Beide steden werden bijna van de kaart geveegd tijdens de Wereldoorlogen. Deventer (zaterdag 28 augustus) en - de culturele hoofdstad van Europa in 2004: Rijsel (zondag 12 september) gingen elk op hun eigen manier om met religieuze hervormingen (respectievelijk de Moderne Devotie binnen de katholieke Kerk en de Beeldenstorm waaruit de Reformatie ontstond buiten de katholieke Kerk). Kunst en religie vormen ten slotte het thema voor twee steden die onlosmakelijk verbonden zijn met onder andere Bosch en Van Eyck, maar ook met hedendaags kunst: 's Hertogenbosch (zondag 3 oktober) en Gent (zondag 17 oktober).

[

Veerle De Houwer - Els

Hofkens

NIFUWF RROPHURF: BESCHFRMDF LANDSCHAPPEN IN VIAANDFREN Het landschap waarin wij leven heeft zonder meer invloed op onze levenskwaliteit. Het is van het grootste belang dat er doordacht en omzichtig wordt omgesprongen met dit erfgoed. Daarom beschermt de Vlaamse overheid de belangrijkste landschappelijk waardevolle gebieden. Het landschap is geen statisch gegeven, het is voortdurend in beweging door veranderingen binnen het landschap te sturen waakt de Vlaamse overheid over de kwaliteit van onze leefomgeving. Ze streeft daarbij een geïntegreerde aanpak na, waarbij er onder meer interactie bestaat met het beleid inzake ruimtelijke ordening, natuur, landbouw, landinrichting en milieu. Het wettelijk instrumentarium ten dienste van de landschapszorg werd uitgebreid met uitvoeringsbesluiten bij het Landschapsdecreet van 1996.

Deze uitvoeringsbesluiten regelen het beheer in de beschermde landschappen - onderhoud, instandhouding, herstel en verbetering, dit alles met het oog op een verdere gunstige ontwikkeling van het beschermde landschap. De uitvoeringsbesluiten geven aan wat de rol van een beheersplan en een beheerscommissie is en geven toelichting bij het premiestelsel voor beheer.

•

De nieuwe brochure 'Beschermde landschappen in Vlaanderen' Informeert over die nieuwe ontwikkelingen inzake de landschapszorg en geeft een duidelijk antwoord op tal van vragen.

U kan de brochure aanvragen bij: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Monumenten en Landschappen Mevr. Diane Torbeyns Koning Albert II Laan 19 bus 3 1210 Brussel Binnenkort kan u de integrale tekst vinden op: www.monument.vlaanderen.be

Vers van de pers Samen met de evenementendagen verschijnt het nieuwe boek van Geloven in de Lage Landen. Scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom. Eminente historici uit Vlaanderen en Nederland werken onder redactie van professor Peter Nissen mee aan deze uitgave met vele kleurenillustraties. Wie inschrijft voor minstens zes van de tien evenementendagen (15 euro per persoon en per dag, 12 euro voor Davidsfonds leden) krijgt het boek met een handelswaarde van 34.5 euro gratis.

Info en inschrijvingen: www. stadsgezichten.org of 016 310.600

M&L


M&L

citaat

"Het verleden koesteren om de toekomstige stad te verrijken Paul Meurs


sop de kool niet waard (ABO, Papieren J. De Wit,

den over de stijl van de kruisweg? Uiteindelijk kwam et

Dossier Restauratie orgel, nr. 783, orgelbouwer G. Pels

geen vervanging of aanpassing.

aan onderdirecteur Financiën Borgerstein vzw J. De

AAM, Papieren Seminarie: Creten - Tessens, Colruyt

Wit, 17 maart 1998).

aan Van Roey, 21 maart 1942.

(17) Voor het ontwerpen van de dertig figuren in deze tien glasramen werd in totaal 30.000 Belgische frank betaald.

(23) "Want ook ons Paaslam is geslacht: Christus" (\ Korintiërs 5,7). (24) "Door Hem, met Hem en in Hem zij aan U, God

Over Louis Crespin, zie: BAKELANTS L, De glasschil-

Almachtige Vader, in de eenheid met de Heilige Geest,

derkunst in België in de negentiende en twintigste eeuw,

alle eer en glorie".

deelC, Deurne, 1992, p. 137-138. (18) BAKELANTS L, o.c, deel C, p. 116-117; ENGEN L.,

Het glasraam is gesigneerd 'F.P. Colpaert invenit et fecit'tn

is gedateerd '1935'.

e.a.. Het glas in België van de oorsprong tot heden, [z.p.],

(25) Het altaarblad meet 3 op 1,25 m en is 0,25 m dik.

Mercatorfonds, 1989, p. 332-337.

(26) We schrijven het toe aan Joseph Georges Devroye

(19) Zie ABO, Papieren Sint-Jozefseminarie, Dossier Bouw

(Brussel, 1892 - Landenne, 1975). Deze edelsmid,

- financiering - uitrusting, Colpaert aan abt Declef, de

archirecr en kerkensemblier associeerde zich met zijn

secretaris van de kardinaal, 30 juni 1939; AAM,

broer Charles Devroye in het Huis Devroyefreres, waar-

Papieren Seminarie: Creten - Tessens, Colpaert aan

bij Charles de commerciële leiding op zich nam, en

Leclef, 13 oktober en 3 november 1939; Crespin aan

Joseph instond voor de artistieke inbreng: het ontwer-

Creten, 15 maart, 6 en 20 april 1940; Weduwe

pen en uitvoeren van de stukken. De firma werd in

Colpaert aan Leclef, 29 april 1940; Factuur Colpaert,

1949 ontbonden, waarna beide broers hun eigen weg

12 juni 1941.

gingen. Het aartsbisdom gaf in de periode 1923-1953

Over Jacques Colpaert (1923-1998), zie BAKELANTS

aan Devroye meerdere opdrachten, onder andere in de

\.,o.Q.,deelC,f.

door Simon Van Craen ontworpen grafkapel van

117-118.

(20) De productie van de glasramen kostte oorspronkelijk

Mercier in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen.

12.600 Belgische frank per stuk. Weduwe Colpaert be-

STEEL R. en NYS W, Art-Deco zilver, Antwerpen,

klaagde er zich over dat de prijs van de mastiek geste-

1996, p. 154; zie ook de catalogus van het Koninklijk

gen was van 1,20 Belgische frank per kilo in 1939 tot

Instituut

7,25 frank in 1945, en dan nog voor een veel poverder

http://www.kikirpa.be.

voor

het

Kunstpatrimonium

op

kwaliteit. Net als vele andete leveranciers ergerde zij

(27) Met name het kunsttijdschrift L 'Artisan Liturgiquevet-

zich ook aan de laattijdige betaling van facturen door

tolkte vanaf 1927 tot 1940 met gezag de nieuwe

het aartsbisdom.

ideeën.

AAM, Papieren Seminarie: Creten - Tessens, Weduwe

(28) ABO, Papieren Sint-Jozefseminarie, Dossier Bouw

Colpaert aan Creten, 2 juni 1945; Creten aan weduwe

- financiering - uitrusting, Ontwerpbrief van Van

Colpaert, 11 juni 1945.

Roey aan minister Duesberg, 4 juli 1939.

(21) Camille Colruyt kwam uit een ondernemende familie;

(29) Oorspronkelijk was het geplaatst in de handboogkapel,

één van zijn broers stichtte de warenhuisketen NV

in de noordelijke kooromgang van de Sint-Rombouts-

Colruyt.

kathedraal in Mechelen. In 1875 werd het uitgenomen ENGELEN-MARX,

en verdween in de reserve. De afgebeelde personages

Beeldhouwkunst in België vanaf 1830, dl. 1, Brussel,

zouden de twee patroons van de schermersgilde zijn:

2002, p. 272-275.

Sint-Adriaan, herkenbaar aan de leeuw, het aambeeld

De kruisweg begint aan het koor aan de epistelzijde in

en het zwaard, naast Sint-Gummarus ofwel Sint-

wijzerszin, wat afwijkt van de normale liturgische rege-

Libertus, met hellebaard. Zie HELBIG ]., Une ancien-

Over

Camille

Colruyt,

zie:

ling (namelijk het begin naast de ingang vooraan in het

ne verrière de gilde militaire Malinoise, in Bulletin des

schip aan de evangeliezij de).

Musées Royauxd'Art en d'Histoire, nr. 3, mei-juni 1940,

(22) Blijkbaar is er discussie geweest over de kruisweg. De huidige keramische tegels waren geplaatst voor de in-

p. 50-59 versus VERRIEST B., De glasramen in de Sint-Romboutskathedraal, Mechelen, 2000, p. 6.

zegening in 1936. Maar op 21 maart 1942 onderhan-

(30) Zie de intense (franstalige) correspondentie in: ABO,

delde Colruyt met het bisdom over de productie van

Papieren Sint-Jozefseminarie, Dossier Bouw - finan-

een kruisweg met figuren in geslagen koper "heelemaal

ciering - uitrusting, Capart aan Van Roey, 26 juni,

met den hamer gedreven (...) als origineel en eenig kunst-

17 en 19 juli, 18 augustus en 27 november 1939

ttw£"aan 3.200 Belgische frank per statie. Was de ge-

(citaat), 26 januari 1940; Van Roey aan Capart, 21 au-

plaatste kruisweg een voorlopige of onvoltooide versie,

gustus en 25 november 1939; Van Roey aan Duesberg,

waarvan de houten kruisjes door koperen figuren ver-

4 juli 1939; directeur-generaal E. Glesener van het

vangen moesten worden? Was het bisdom niet tevre-

Ministerie van Openbaar Onderwijs, 18 juli 1939;


directeur van het Ministerie van Openbaar Onderwijs

(42) Dat Suenens in zijn gedenkschriften hierover met geen

F. Van Hecke aan Van Roey, 14 november 1939; Van

woord rept, is tekenend voor de oorverdovende stilte

Roey aan Van Hecke, 25 november 1939.

rond de sluiting (SUENENS L.J., o.c, 319 p).

(31) De keuzelijst bleef bewaard, maar de lijst met de effec-

In 1970 sloot het Groot Seminarie in het Diocesaan

tief in bruikleen gegeven werken is ook bij de Konink-

Pastoraal Centrum aan de Frederik de Merodestraat in

lijke Musea onvindbaar. Voor een volledige lijst van de

Mechelen op zijn beurt het theologicum, en verwees de

aanwezige kunstwerken, zie ABO, Papieren directie,

resterende theologiestudenten door naar de Katholieke

Dossier Kunstwerken, Lijst van kunstwerken, met kleu-

Universiteit of het Centrum voor Kerkelijke Studies in

renfoto's, 2001.

Leuven.

(32)BUYCK

].,

e.a.,

Godfried

Guffens

(1823-1901),

Hasselt, 1981, p. 77-83.

(43) Gazet van Mechelen, 4 december 1970. (44) ESKENS G. en DE RYCKE Ch., o.c, p. 6.

(33) De kopie meet 12 op 5,12 m.

(45) Zie het interessante rapport in: ABO, Papieren L.

Félix Cogen was de oudere broer van landschapsschil-

Clarijs, Dossier MPI, Ingenieur F. Demulle aan J. De

der Alfons Cogen, en maakte vooral naam met sociaal

Saeger, 8 juni 1971, 10 p.

brooduitdeling{Groenm^e-

(46) ABO, Papieren De Brug, geeft slechts beperkte infor-

museum, Brugge), 'La part du pauvre' (Musée d'Art

bewogen taferelen, zoals De

matie, maar het initiatief had een bedenkelijke reputa-

Moderne et dArt Contemporaine, Luik) en La pêcheuse

tie inzake management en financieel beheer.

(Museum Melbourne, Australië). Hij behaalde de

(47) Lea Pauwels was licentiaat in de Handels-, Consulaire

medaille derde klas in het Salon de Paris in 1875 {Le

en Financiële Wetenschappen, lerares hoger middel-

dictionnairedespeintres

baar onderwijs aan her Technisch Instituut Ursulinen

Belges, d\. l , p . 197-198).

(34) Het doek is ongesigneerd, is geschild in april 1890 en

te Mechelen (1955-1975), docente aan de Handels-

bevindt zich in de reserve van Borgerstein vzw. Zie:

hogeschool te Antwerpen (1968-1996), gemeente- en

FELDKAMPR., Theo Van Rysselberghe. Catalogue rais-

provincieraadslid

(CVP,

1971-1994)

en

schepen

onné, Brussel, 2003, p. 287, met kleine zwart-wit foto.

(1989-1994) te Mechelen. Zij was kabinetsadviseur op

(35) De muurschildering werd in 1885 teruggevonden (Dui-

volksgezondheid bij de CVP-ministers Jos De Saeger

Tentoonstellingscatalogus,

(1973-1977) en Luc Dhoore (1978-1980). Zij was

Gent, 1975, deel III, p. 63-70; met dank aan Dr. P. De

voorzitter van de Inrichrende Macht van het Technisch

Win voor de info).

Instituut Ursulinen te Mechelen, en zat ook de scho-

zend jaar kunst en cultuur.

lengemeenschap voor die daaruit groeide (Wie is wie in

(36) Het Nieuws van den Dag, 1 mei 1936. (37) Professor Suenens nam de kritiek ernstig, en kwam daardoor zelf in de problemen. SUENENS

L.J.,

Terugblik & Verwachting. Herinneringen van een kardi-

naal,rie\t, 1992, p. 32-33.

(48) ABO, Bouwdossiers, 3 dozen. (49) Zie Borgerstein. Een terugblik... Een blik vooruit, [SintKatelijne-Waver], [1999], 48 p., een fotoboek ter gele-

(38) DE CUYPER A., Art. Le séminaire Saint-Joseph, grande oeuvre defoi, p. 329-343, in: L'Epoque. Architecture — Art— Technique. Organede l'Union Professionnelle des Architectes sortis des Ecoles Saint-Luc

Vlaanderen (1985-'89), p. 875, en eigen info).

en Belgique

U.P.A.S.L.B., 3e serie, nr. 8, [september] 1936.

genheid

van

25

jaar

Borgerstein

vzw,

en

http://www.borgerstein.be. (50) Borgerstein vzw bereidt een zorgsttategisch plan voor, waarin zij haar rol in de regio binnen de zorgsector omschrijft en naar de toekomst toe bepaalt. Dit voorziet

Saint-

in een sterkere spreiding van de bejaarden en van de

Joseph a Malines. Une construction moderne qui fait hon-

personen met een handicap, zowel binnen als buiten

neur a nos entreprises nationales, in: Le Vingti'eme Siècle,

de campus Borgerstein. Zie ook: Borgerstein vzw.

(39) VAN CRAEN S., Art. Le nouveau Séminaire

Optimalisatie van de infrastructuur. Samenvattend rap-

13 mei 1936, p. 5-6. (40) Over de oorlogsjaren, zie DE LANNOY H., Priesterarbeider tegen wil en dank. De verplichte tewerkstelling van de Mechelse seminaristen (1943-1944),

in: Wijsheid

in bescheidenheid. Miscellanea Mechliniensia in honorem Aloysii Jans. Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde,

Letteren en Kunst van Mechelen, dl.

106, 2002, p. 57-72. (41) Vrijwel alle meubilair en de bibliotheek werden verdeeld tussen het Groot Seminarie van Mechelen, het nieuwe seminarie van Antwerpen en de universiteit te Leuven; daarnaast werden heel wat boeken vernietigd.

port mei 2002, Groep Planning, p. 4 en 28-30.


Veerle De Houwer, Rajesh Heynickx, Patrik Jaspers, Hugo VandenBorre

DE RUIS TUSSEN EEN KROMME EN EEN RECHTE LIJN. HU1B HOSTE EN DE KERK IN ZONNEBEKE Presentatietekening voor de kerk van Zonnebeke (K.U.Leuven Univeniteitsarchiel)

Naar aanleiding restauratie

van de op handen

van het interieur

van Zonnebeke

van de

werd een onderzoek

naar de oorspronkelijke

zijnde

een schets van haar problematische

O.L.V.-kerk

geschiedenis

en haar betekenis voor de moderne

uitgevoerd

architectuur

in ons land. Het interieur

kerk, een samenwerking

interieurafwerking.

jeugdvriend In dit artikel onderzoek plaats

kan u de resultaten

van dit voor-

lezen, na een uitgebreide

van de O.L.V.-kerk

doende

situering

van

in het oeuvre van Hoste,

van de

tussen Hoste en zijn

Jules Fonteyne, krijgt

uiteraard

vol-

aandacht.

De kerk van Zonnebeke ment.

ontstaans-

is een beschermd

monu-


DF WFDERQPBOÜW VAN 70NNFBEKE m De kerk van Zonnebeke dient bekeken te worden binnen het ruimere kader van de wederopbouwvan het tijdens W O I volledig vernielde dorp. Huib Hoste werd namelijk in 1919 door het Hoog Commissariaat voor de Wederopbouw aangesteld als architect-urbanist om de wederopbouw van Zonnebeke in goede banen te leiden. Hoste was ervan overtuigd dat dit in een eigentijdse stijl moest gebeuren, een opvatting die hij in Zonnebeke op doorgedreven wijze in de praktijk trachtte te brengen. Bij de aanvang van de werken diende een nieuw rooilijnplan te worden opgemaakt. Dit bestond voornamelijk uit het rechttrekken van straten en het vastleggen van een bouwlijn voor op te richten gebouwen. Hier stelden zich reeds de eerste problemen. Omdat het plan van Hoste te veel onteigeningen vergde en daardoor te duur uitviel, werd achter zijn rug om landmeter Coppens aangezocht om het plan aan te passen. Deze versie werd in 1921 goedgekeurd. N u kon worden begonnen met het oprichten van een aantal openbare gebouwen. Volgens het Hoog Commissariaat waren de bouw van school en pastoVooraanzicht van de kerk

.fi

(foto Oswald Pauwels)

.-,

"-"T^.

Presentatietekening voor de pastorie van Zonnebeke

M&L

a f

I

(K.U.Leuven

K

Universiteitsarchief)

I

i


rie prioritair. Later kon men overgaan tot de bouw van een kerk. Hoste maakte voor al deze gebouwen opmerkelijk moderne ontwerpen. Hij slaagde er echter niet in om zijn volledige programma te realiseren, omdat het niet bij iedereen in de smaak viel. Hoste was ook niet de enige architect die er werkzaam was. Zelfwas hij alleen verantwoordelijk voor de ontwerpen voor de gebouwen die eigendom waren van de gemeente: de kerk, de pastorie, de gemeenteschool en het gemeentehuis. Al in mei 1920, wanneer Hoste nog zat te wachten op de goedkeuring van het rooilijnplan, gaf pastoor Lammens opdracht voor de bouw van een patronaatsgebouw, dat eveneens dienst zou doen als voorlopige kerk en waarvan de architectuur haaks stond op de visie van Hoste. In 1921-1922 werd de neogotische Sint-Lucasschool gebouwd aan het marktplein; in 1922-1925 werden ook het klooster, het rusthuis en de vrije meisjesschool in traditionele stijl heropgebouwd. Dat Hoste er in de periode 1920-1922 toch in slaagde een resoluut modernistische pastorie te bouwen, heeft wellicht te maken met een aantal gemeenteraadsleden die geloofden die geloofden in de kracht van de eigentijdse architectuur. Zo kreeg Hoste eveneens de opdracht voor de bouw van vijf woningen, achter één bakstenen gevel met een kubistische vormgeving en decoratief metselwerk (Roeselarestraat 9-19), eigendom van notaris Parret. Na de bouw van de gemeenteschool in 1922-1924, verandert de houding tegenover de nieuwe architectuurtaai. Het uiterst moderne ontwerp voor het gemeentehuis (1922) werd niet meer goedgekeurd. Werd de kubistische vormentaal van Hoste verworpen, ten gevolge van de kritiek van de inwoners op de reeds voltooide pastorie? Men verkoos een bouwtrant die in de lijn zou liggen van het oude gemeentehuis of van de neogotische Sint-Lucasschool. Omdat het voor Hoste onmogelijk was in een dergelijke stijl te bouwen zou uiteindelijk de Brugse architect Antoine Dugardijn in 1926 een nieuw gemeentehuis in traditionele stijl bouwen. De modernistische gebouwen die opgericht werden schonken daarenboven geen voldoening. O p de pastorie werd reeds in 1929 een schilddak aangebracht omdat de platte daken lekten. Over het schooldak zijn er reeds vanaf 1926 en ook de kerk was bouwfysisch allerminst geslaagd.

Vooraanzicht van de pastorie

DE nN7F-l IFVE-VROUWKERK VAN 70NNEBEKF

(foto Oswald Pauwels)

De plannen van Hoste voor de Onze-Lieve-Vrouwkerk ontstonden in de loop van de 1921. O p 28 oktober 1921 vond de plechtige eerstesteenlegging plaats. Het verlangen een nieuwe en eigentijdse kerk te bouwen in dienst van de heropleving van het katholieke geloof komt tot uiting in het opschrift van deze steen: Ik dien tot eersten steen voor Jezus nieuwe woning — geen huis geen hart niet een waar hij niet heersche als koning. De kerk van Zonnebeke is een basiliek met een transept en een vlak afgesloten apsis. Het schip van de kerk meet 31 bij 25 meter en is overspannen door een zichtbare kap in gewapend beton. De kerk heeft een opvallend brede middenbeuk, waarbij de zijbeuken gereduceerd zijn tot gangen voor de circulatie. Het hoofdaltaar, voorafgegaan door een ruim priesterkoor, ligt tien trappen hoger dan de kerk. In het transept bevinden zich twee zijaltaren. De 52 meter hoge westtoren staat als een Italiaanse campanile naast de gevel van de kerk en herbergt op het gelijkvloers de doopkapel. De orgeltribune bevindt zich boven het westportaal. Door allerlei problemen met de aannemers nam de ruwbouw twee jaar in beslag en kon men pas eind 1923 overgaan tot het gieten van de dakspanten in gewapend beton. Bij het wegnemen van de bekisting scheurde de grote boog boven het koor. Was

M&L


•

t>AaOCI-IIALti k ^ C K

ycuAMi

IAIOO

• De tijdens WO-I beschadigde kerk van Zonnebeke (K.U.Leuven Umversiteitsarchief)

T Grondplan van de O.LV.-kerk (K.U.Leuven Universiteitsarchiel)

dit het gevolg van een ontwerpfout of lag het aan een slechte uitvoering? O m de stabiliteit van het gebouw te verzekeren werden daarom ijzeren trekstangen ter versteviging van alle betonspanten geplaatst. O p 15 juni 1924 werd de kerk in gebruik genomen hoewel de binnenaankleding nog niet volledig was voltooid. Een meningsverschil tussen Hoste en pastoor Lammens, leidde ertoe dat de kerk al snel volgens andere esthetische opvattingen werd ingericht.

HQSTES OPVATTINGEN OVER MODERNE KERKBOUW De kerkbouw neemt een belangrijke plaats in binnen de architectuurtheorie van Hoste. In het universiteitsarchief te Leuven bewaart men een ongepubliceerde tekst van zijn hand die volledig gewijd is aan de problematiek van de moderne kerkbouw. (2) Deze tekst willen we als uitgangspunt nemen voor de verdere bespreking van de kerk van Zonnebeke. Een eerste belangrijk gegeven is dat functionaliteit voor Hoste voor schoonheid komt: Het lijkt ons voor de hand liggend dat de kerk waar eenieder de liturgie kan volgen en de preek aanhoren veel beter aan haar bestemming beantwoordt, dan de kerk waar dit in mindere mate mogelijk is, doch die daarentegen een zekere uiterlijke praal en rijkdom vertoont, waar-


door de mensen zullen gewagen van een 'schone' kerk! (3) Het verbaast ons daarom niet dat Hoste zijn tekst begint met een doorgedreven analyse van de verschillende functies van het kerkgebouw. De kerk is volgens hem in eerste instantie het huis van God en daardoor plaats van offer en aanbidding. In lijn met de denkbeelden van de liturgische heropleving formuleert Hoste de eis dat de gelovigen moeten kunnen zien wat aan het altaar gebeurt opdat ze zich geestelijk kunnen verenigen met het offer van de priester. De kerk is daarnaast de plaats waar de sacramenten (doopsel, biecht, communie) toegediend worden en waar godsdienstoefeningen (kruisweg, processie, preek) plaatsvinden.

IkEi^J^ m

izOr+HE-feE^ .'•W VrtVMV.-WWA VWI^BA'.W/WiMW.W.

n

h

Langsdoorsnede

O p basis van deze functionele analyse verwerpt Hoste de traditionele kerkplannen. De meerbeukige basilikale kerk heeft als nadeel dat het hoofdaltaar niet zichtbaar is vanuit de zijbeuken. Bij de centraalbouw is de zichtbaarheid beter maar stelt zich het probleem dat het architecturaal moment en het godsdienstig moment van het kerkgebouw niet samen vallen: de blikken worden namelijk naar de koepel getrokken in plaats van naar het altaar dat in de apsis staat. Daarom pleit Hoste voor een nieuw kerktype met een breed schip waarbij vanop alle zitplaatsen het altaar zichtbaar is. Dit altaar dient bovendien benadrukt te worden door het te laten samenvallen met het architecturaal moment van het gebouw. Voor het toedienen van de sacramenten van biecht en doop dienen specifieke ruimten voorzien te worden. De veelvuldige en dagelijkse communie, zoals die gepromoot werd door de liturgische beweging, stelt problemen op het vlak van het verkeersvraagstuk. De gangen voor de circulatie dienen daarom breed genoeg te zijn en kunnen eveneens een functie vervullen voor het houden van een processie of voor het bidden van de kruisweg. Het belang dat gehecht wordt aan de verkondiging van het geloof doorheen de preek zal zich uiten in het nastreven van een goede akoestiek en een doordachte plaatsing van de preekstoel. Volgens Hoste is de beste plaats hiervoor op de grens tussen het schip en het priesterkoor, daar de kerken toch minder lang geworden zijn. O p die manier dienen mensen zich niet meer om te draaien om naar de predikant te luisteren.

(K.U.Leuven Unlverslteitsarchief)

kennen is alleen het beste goed genoeg voor hem. Wie zegt ons dat wij het huis van God nooit zullen kunnen te schoon, te oorspronkelijk maken. ledere nieuwe oplossing is als een nieuw soort hulde voor God. Wie niet origineel werk levert geeft aan God niet het beste dat hij bezit. (4) Volgens Hoste kan enkel het gebruik van een eigentijdse architectuurtaai echte schoonheid voortbrengen. O m deze eis voor een originele of moderne architectuurtaai kracht bij te zetten doet Hoste een beroep op de geschiedenis en stelt hij dat de kerkbouw steeds de architecturale opvattingen van iedere tijd volgde. Men ziet dat er in zake kerkenbouw wel degelik (sic) een traditie te vinden is, • Dwarsdoorsnede (K.U.Leuven Universiteilsarchlefl

Door de rede komt Hoste tot een functioneel kerkplan. Daarnaast stelt hij, uitgaande van zijn persoonlijke gemoed en van de eisen van de Godsdienst, dat een kerkgebouw schoonheid moet bezitten. Omdat God het allerhoogste is wat we

M&L


:, I

'

f 'IJlllllllllUI


Bi

deze traditie bestaat echter hierin dat men nimmer en nooit oudere gebouwen nagebootst heeft, doch steeds de up to date-stijl gebruikte. De werkelike traditie ligt zoals wij zien, in het verwezenliken van de wens der modernisten! (5) Hieruit besluit Hoste dat in zijn tijd de schoonheid van een kerk enkel kan worden verkregen door het toepassen van de verwezenlijkingen van de moderne architectuur. Zo komt men tot ... schoonheid zonder daarvoor ook maar iets te moeten aanbrengen bovenop de konstruktieve bestanddelen. (6) Nauw hiermee verbonden is het pleidooi voor het gebruik van moderne materialen en technieken die op een eerlijke en constructieve manier getoond worden. Het verwijt dat hij zich hierdoor zou bezondigen aan materialisme weerlegt Hoste door weerom een beroep te doen op de geschiedenis. Doorheen de eeuwen hebben kerkenbouwers gebruik gemaakt van de in hun tijd toonaangevende materialen en technieken. Waren nu de kristenen der y eeuw materialisten omdat zij bij het bouwen van hun basilieken rekening hielden met de eisen van het gebruikte materiaal" (7) En met betrekking tot de middeleeuwse bouwmeesters lezen we: " Waren de mensen van die tijd materialisten omdat zij de mid-

delen van de techniek gebruikten om die gebouwen tot A stand te brengen welke wij nog immer als grote kunst- Achteraanzicht van de kerk werken beschouwen? (8) (foto Oswald Pauwels)

Tenslotte komt de stemming van een gebouw aan bod, een gegeven waar Hoste veel belang aan hecht. Wanneer men zich helemaal kan koncentreren in hetgeen men aldaar moet verrichten, heeft het vertrek de gewenste stemming, f9) Hoste kan niet precies onder woorden brengen wat nu net de stemming van een kerk bepaalt omdat dit een subjectief gegeven is. Toch kent hij aan de stemming van de kerk een symbolische betekenis toe: Onze godsdienst is helder en duidelijk bij uitnemendheid; wij weten precies wat we moeten doen, en wat wij niet mogen. Is het roekeloos te verlangen dat onze kerken even helder zijn als onze godsdienst .^ (10)

ZONNFBFKF AIS MODERNE KERK Hoste bracht in de kerk van Zonnebeke bovenstaande tekst uit 1935 in praktijk. Het grondplan vertoont een breed en kort schip met gereduceerde zijbeuken, zodat het hoofdaltaar

-4 Kerk en pastorie (foto Oswald Pauwels)

1VI&L


• vanop alle zitplaatsen duidelijk zichtbaar is. Ontwerptekening Daarenboven vallen het godsdienstige en het archivoor de glasramen

.

i

i

i

i

i--v

• '

Jj.. tecturale moment van het kerkgebouw samen. De Universitcitsarchief) architecturale lijnen richten de aandacht van de gelovige naar het hoger geplaatst altaar doordat de ruimte naar het altaar toe verengt. Het circulatieplan garandeert een optimale bereikbaarheid van de communiebank terwijl middengang en zijgangen dienst kunnen doen bij processies en kruiswegoefeningen. Ook voor de toediening van de overige sacramenten werden de nodige schikkingen getroffen. De doopkapel, die zich onder de toren bevindt, is in overeenstemming met de richtlijnen van de liturgische beweging rechtstreeks langs buiten toegankelijk (11), en de uitzonderlijk ruim opgevatte biechtstoelen zijn ingebouwd zodat ze de circulatie niet hinderen. Het ontwerp van Hoste is eigentijds en verwijst niet naar historische voorbeelden. Wel is Hostes beïnvloeding door de functionele en rationalistische Nederlandse baksteenarchitectuur uit het begin van de 20 s " : eeuw duidelijk merkbaar. (12) Vergelijken we de kerk van Zonnebeke met de Beurs van Berlage in Amsterdam, dan zien we een aantal overeenkomsten. (13) Beide gebouwen worden gekenmerkt door een monumentale volumewerking, die ernaar streeft de inwendige functionaliteit naar buiten te bevestigen. De bouwvolumes zijn opgebouwd met sobere muurvlakken in baksteenmetselwerk, die geritmeerd worden door ramen en deuren. De muurvlakken worden verlevendigd met decoratief metselwerk. Ook Hoste benadrukt daarenboven de constructief belangrijke elementen, zoals de aanzet

• Ontwerptekening

van bogen, door het gebruik van natuursteen op deze plaatsen zodat er een interessante constructieve polychromie ontstaat. Een ander element van overeenkomst is het doordachte gebruik van in de architectuur geïntegteerde sculptuur. Zowel Berlage als Hoste combineren een ttaditioneel opgevatte bakstenen opstand met een technisch vooruitstrevende overspanning van de ruimte. Berlage maakt in het begin van de 20 stc eeuw gebruik van zichtbare ijzeren dakspanten terwijl Hoste in de jaren 1920 opteert voor de nieuwe techniek van het gewapend beton. Net als bij de beurs is de sfeer van de kerk van Zonnebeke daarenboven zeer licht en helder, wat in relatie gebracht kan worden met het rationele godsbeeld van Hoste. (14)

(Uieuven Unlvcrsiteitsarchlef)

j /

- --- M

. ém

L * H m

-

Irks F wJ W

—

Hoste ontwierp ook een aantal elementen van het meubilair. (15) Het hoofdaltaar, de credenstafel, de biechtstoelen, de wijwatetvaten aan de basis van het oksaal, de glasramen, de sokkels van de apostelbeelden, het plafond van het portaal en de decoratieve patronen op de vloer werden effectief uitgevoerd naar zijn ontwerp. Dit meubilair is in eerste instantie functioneel en rationeel. De biechtstoelen en de wijwatetvaten worden op een doordachte wijze geïntegreerd in de architectuur zodat ze de circulatie niet hindeten. De ctedenstafel is zodanig opgevat dat de verschillende functies op een hiëtarchische manier tot uiting komen. Het hoger ge-


plaatste middendeel dient om de kelk met pateen (gewijde vaten) te plaatsen terwijl op de lager geplaatste delen enerzijds het water en de wijn en anderzijds de schaal en het kannetje met water voor de handwassing van de priester een plaats vinden. Het meubilair van Hoste voor deze kerk is sober in materiaal en vorm. Altaar, credens en biechtstoelen zijn gebouwd met al dan niet geglazuurde baksteen en kalksteen. Voor Hoste was schoonheid geen synoniem voor rijkdom. Ook de afwezigheid van figuratieve glas-in-loodtamen in het schip is niet te wijten aan een tekort aan financiële middelen maar resulteert ook uit een bewuste keuze van de architect. Een overvloed aan figuratieve ramen zou de gelovigen slechts afleiden en zodoende verhinderen dat alle aandacht zich in eerste instantie op het altaar richtte. Niettegenstaande Hoste voor de architectuur van de kerk tetuggrijpt naar de rationalistische baksteenarchitectuur van het begin van de 20 SK eeuw vertonen een aantal interieurelementen zoals de glasramen, de deurtjes van de biechtstoelen en het plafond van het portaal, een opvallende overeenkomst met de vormentaal die door De Stijl in Nederland werd ontwikkeld. (16) De nieuwe beelding wilde komen tot een universele vormentaal voor architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst doorheen het doorgedreven gebruik van rechte lijnen, regelmatige vlakken en primaire kleuren hetgeen resulteerde in een abstracte kunst. Hoste voerde in Zonnebeke de nieuwe beeldingniet consequent door maar gebruikte ze enkel op een decoratieve manier. Omdat een katholieke kerk in de jaren 1920 niet denkbaar was zonder heiligenbeelden, voorzag Hoste een calvarie boven het hoofdaltaar en twaalf apostelbeelden op de verschillende pijlers van het schip. Hiervoor deed hij een beroep op zijn vriend, Jules Fonteyne, die de figuten uitwerkte in een expressionistische stijl. (17) De Maria en Johannes van de Calvarie herinneren aan het treurende ouderpaar van Kate Kollwitz op de Duitse militaire begraafplaats van Vladslo. Ook de zes heiligenfiguren voor de glasramen van het transept werden door Fonteyne in expressionistische stijl ontworpen. (18) Een vergelijking tussen de ontwerptekeningen en de glasramen toont dat de figuten bij de uitvoering echter veel aan expressiviteit en kwaliteit hebben moeten inboeten.

Vanaf 1924 zette pastoor Lammens de inrichting van de kerk verder volgens zijn eigen opvattingen. De stijl van de preekstoel, zijaltaren, communiebank, koorgestoelte, orgel en doopvont die hij liet

• Ontwerptekening

in Brugge

voor de kapel van

(K.U.Leuven

de Sint-Jozefklinick

Universiteitsarchief)

plaatsen is niet bijzonder conservatief of ouderwets maar past allerminst bij het gebouw en het meubilair van Hoste. Hetzelfde geldt voor acht schilderijen op doek uit 1925 van mevrouw Lyon die verschillende taferelen uit het leven van Jezus en Maria voorstellen. (19) Volkomen in tegenspraak met het concept van de kerk is het hekwerk als scheiding tussen de middenbeuk en de zijbeuken, wat het logisch uitgekiende circulatieplan van Hoste negeert. De functie van het hekwerk is allerminst duidelijk. (20)

DF BFTFKENIS VAN DE KERK VAN 7QNNEBEKE Vandaag stelt men dat de kerk van Zonnebeke een pioniersrol vervult binnen de modetne kerkbouw. Recent onderzoek toont aan dat in WestVlaanderen een honderdtal kerken onder de noemer wederopbouw vallen. (21) Hierbij vallen verschillende benaderingen te onderscheiden. Er is in eerste instantie de getrouwe archeologische wederopbouw. Die zien we vooral bij de oude kerken die als monument beschouwd werden, zoals de Sint-Maartenskathedraal van leper (Jules Coomans, 1922-1930). Bij minder belangrijke oude gebouwen, die in de loop der tijden talrijke verbouwingen en uitbrei-


Ontwerpen voor de glasramen van de kapel van de SintJozefsklimek (K.U.Leuven Universiteitsarchief)

Detail van het interieur van de kapel van de SinlJozefkimiek (foto Oswald Pauwels)

dingen kenden, zien we eveneens een poging tot reconstructie van de vooroorlogse toestand waarbij echter een gotische stijleenheid nagestreefd wordt. Deze kerken, zoals de Onze-Lieve-Vrouwkerk van Nieuwpoort (L. Vierin, 1920) en de SintMartinuskerk van Beselare (1922-1925) worden daardoor mooier en beter wederopgebouwd. Bij nieuwbouw zijn er verschillende mogelijkheden. Men kan opteren voor de bouw van een neogotische kerk volgens het in de tweede helft 19 c eeuw dominerende model van de kruisbasiliek overwelfd door een kruisribgewelf. Dit zien we bij de parochiekerk van O n ze-Li eve-Vrouw Geboorte te Hollebeke (M. Dujardin, 1923-1924) en bij de Sint-Bartholomeuskerk te Zandvoorde-Zonnebeke (1924). Veelal wordt gekozen voor het type van de driebeukige hallenkerk dat vanaf het begin van de 20 t eeuw aan populariteit won in het kader van de herwaardering van de eigen landelijke architectuurvormen. Hierbij is een specifieke esthetiek te onderkennen waarbij de dragende structuur wordt uitgevoerd in zichtbaar metselwerk of natuursteen en dit in con-

M&L

trast met de wit bepleisterde muurvlakken of muren in zichtbaar metselwerk. De overspanning gebeurt door middel van een houten spitstongewelf. Voorbeelden van dit type zijn de SintBavokerk van Westrozebeke (Jozef Viérin, 1923) en de Sint-Leonarduskerk van Zuidschote (Jules Coomans, 1923). In Middelkerke werden zelfs vier van de vijf parochiekerken volgens dit type wederopgebouwd. Hoewel voor de wederopbouw van het merendeel van de kerken de neogotische stijl werd aangewend zijn er ook een aantal gebouwen die resulteren uit het streven naar een eigentijdse en moderne architectuur. De kerk van Zonnebeke is hiervan zeker een mooi voorbeeld maar ook andere architecten zijn erin geslaagd, uitgaande van een rationele planopbouw en met nieuwe materialen, moderne kerken te bouwen. (22) Tot deze categorie kunnen onder meer de Sint-Niklaaskerk van leper (G. Veraart en R. Richir, 1926), de Onze-Lieve-Vrouwkerk van Voormezele (Jules Coomans, 1923), de OnzeLieve-Vrouwkerk van Brielen (Jozef Viérin, 1924) en de Sint-Margaretakerk van van Geluveld (Jules


Coomans, 1930) gerekend worden. Maar ook buiten West-Vlaanderen worden na de oorlog verwoeste kerken wederopgebouwd in een eigentijdse stijl. Voorbeelden hiervan zijn de Sint-Aubertkerk van Bléharies-Brunehaut (Henri Lacoste, 1926), de Sint-Niklaaskerk van Kapelle-op-den-bos (J. Diongre, 1925-1926) of de Sint-Petrus en Pauluskerk te Warneten (J.R.Van Hoenacker, J. Van Beurden, J. Smolderen, T. Raison, 19241926). Hoewei de moderne kerkbouw veel aandacht krijgt in de geschriften van Hoste kon hij buiten Zonnebeke geen enkele andere kerk bouwen. Wel bouwde hij rwee kapellen: een kloosterkapel in Geluwe (1920-1922, afgebroken) en een kapel voor de Sint-Jozefskliniek te Brugge (bouwaanvraag in 1924). Tijdens de wederopbouw maakte hij daarenboven een niet gerealiseerd ontwerp voor de SintMargaretakerk voor de gemeente Geluveld. Vooral het eerste ontwerp uit januari 1921 vertoont een aantal opvallende overeenkomsten met de kerk van Zonnebeke. Het betreft hier eveneens een brede

basiliek kerk met een schip van 23 meter breed en 33 meter lang waarbij de zijbeuken gereduceerd zijn tot processiegangen. Het koor wordt benadrukt door het verlagen van het plafond. De monumentale westtoren met een totale hoogte van 56 meter is ook hier naast de kerk geplaatst en herbergt op het gelijkvloers de doopkapel. De voornaamste verschillen zijn gelegen in het gebruik van de spitsboog voor de overwelving van het schip en voor de ramen omdat de pastoor een gotische kerk wenste. Daarenboven zien we de plaatsing van het orgel met oksaal ter hoogte van het transept en de inrichting van twee zogenaamde kinderkapellen aan weerskanten van het priesterkoor die het voor de kinderen mogelijk moest maken van zeer nabij het misoffer te volgen. (23) Dit project, dat op 6 maart 1921 werd goedgekeurd door de kerkfabriek, was niet te verwezenlijken door middel van de verkregen herstelbetaling. Na verloop van tijd rezen daarenboven talrijke bezwaren met betrekking tot de moderne stijl van de kerk, hetgeen blijkt uit de briefwisseling tussen Pastoor Delrue van Geluveld en Huib Hoste. (24) De verhoudingen verslechterden in die mate dat

M&L


het aangepaste ontwerp van Hoste niet aanvaard kon worden door de opdrachtgevers. Uiteindelijk werd de kerk van Geluveld wederopgebouwd naar ontwerp van de leperse stadsarchitect Jules Coomans. Met betrekking tot de kerk van Zonnebeke (en dus ook het ontwerp voor Geluveld) wordt wel eens gesteld dat Hoste te zeer bleef vastzitten in traditionele schema's en een op de traditie geïnspireerde vormentaal. (25) Wanneer men de kerk gaat vergelijken met de woningen die hij gelijktijdig bouwde in de wijken Klein Rusland in Zelzate (1922) en Kapelleveld in Sint-Lambrechts-Woluwe (1923), maar ook met de pastorie van Zonnebeke, kan men niet anders dan vaststellen dat hieraan een andere opvatting ten grondslag ligt. De theorievorming van Hoste met betrekking tot de kerkbouw geeft hiervoor echter een verklaring: Geestelijk moet het (kerkgebouw) zich onderscheiden van een gebouw met wereldse bestemming, omdat de doelstelling gedeeltelijk 'onwerelds' is. Men moet op alle gebied de waardigheid, de degelikheid, welke het huis van God vergt, zien te benaderen. (26) De kerk van Zonnebeke wekte heel wat beroering op lokaal en op Vlaams vlak. Maar de reële invloed ervan op de kerkbouw in het interbellum is niet echt duidelijk. Hoewel ze getoond werd op de eerste Pelgrimtentoonstelling in Antwerpen in 1927 lijkt de uitstraling ervan beperkt geweest te zijn. (27) L'artisan Liturgique, het internationaal georiënteerde Belgische tijdschrift voor kerkelijke kunst, besprak de kerk niet, terwijl andere weder-

WOQC

1

I

opbouwkerken wel aan bod kwamen. J.G. Wattjes, die voor België de kapel van Luythaegen (A. De Smet, 1929) en de Chritus-Koningkerk van Antwerpen (J. Smolderen, 1930) opnam, kende Zonnebeke evenmin. (28) Andere auteurs die in de jaren 1930 schreven over kerkbouw, besteedden geen aandacht aan de kerk van Zonnebeke. (29) Maar ook Hoste zelf heeft de kerk van Zonnebeke nooit naar voor geschoven als een geslaagd voorbeeld van moderne kerkbouw. Dit is misschien te wijten aan de problematische bouwgeschiedenis terwijl de evolutie van zijn eigen stijl tot gevolg had dat hij reeds in 1930 een heel andere modernistische vormentaal gebruikte en gewonnen was voor het eenvoudige doch resoluut moderne kerkgebouw dat Stan Leurs realiseerde in Seraing. Hoewel de kerk van Zonnebeke op het moment van de bouw door Hoste zeker als een moderne kerk gezien werd, was de vormentaal ervan blijkbaar snel achterhaald door de razendsnel evoluerende modernistische stijl. Tijdens de wederopbouw hebben meerdere architecten een poging gedaan om te komen tot een verantwoorde eigentijdse kerkenbouw. De kerk van Zonnebeke is dus allerminst een alleenstaand geval of een witte raaf. Weinig architecten zijn in het begin van de jaren 1920 echter zo ver gegaan als Hoste, hetgeen aan de kerk van Zonnebeke toch een extra verdienste toekent. Want hoewel de kerk van Zonnebeke bouwtechnisch niet volmaakt is en de binneninrichting niet werd uitgevoerd volgens de oorspronkelijke plannen beseffen we hoe vreemd, nieuw en anders deze kerk in 1925 geoogd moet hebben. De betekenis van dit gebouw wordt misschien wel het best uitgedrukt door een citaat van Hoste: Vooruitgang impliceert falen. Hebben de middeleeuwse bouwmeesters die zochten en opnieuw zochten naar de zo verlangde bouwwijze, het mensdom niet een veel grotere dienst bewezen dan hun kollega's die maar doorgingen met het bouwen in Romaanse stijl? Absoluut gesproken was het werk van die laatsten misschien mooier, zuiverder dan dit van de zoekers. Maar dezen hebben de ontwikkeling en de bloei der bouwkunst mogelijk gemaakt, en dit is van veel groter belang voor het mensdom dan het bestaan van enkele gebouwen die kunnen mooi zijn doch geen vooruitgang betekenen. (30)


RUIME KUNSTHISTORISCHE SITUERING VAN HUIB HOSTE EN WAARDERING VAN ZIJN KERK IN ZONNEBEKE Rajesh

Heynickx

In het juninummer uit 1929 van zijn lijfblad Opbouwen, kon de katholieke Vlaamse architect en publicist Huib Hoste (1881-1957) het niet nalaten in een breed uitgesponnen cultuurkritische reflectie een persoonlijke anekdote te verweven. Hij vertelde dat hij, toen hij begin jaren twintig een katholieke Nederlandse essayist na diens lezing te Brugge op een stadsrondleiding vergastte, met deze man eerder onverwacht in een hevige discussie verwikkeld was geraakt. De aanleiding leek nochtans onbeduidend. Bij een bezoekje aan de werf van de Vlamingbrug had de Nederlander het handmatig heien van palen als een "zalige atmosfeer" getypeerd. Want de machine, zo wist Hostes gast te vertellen, was niets meer of minder dan de "geest des duivels". Hoste had daarop boos gereageerd met de vraag of hij met die uitspraak niet hopeloos inconsequent was. Want: had hij zelf die ochtend niet de telefoon gebruikt om hun afspraak aan het station vast te leggen? Waren de knopen aan zijn jas en zijn schoenen niet machinaal vervaardigd? En bovenal: hij was toch met een trein en niet met trekschuit of koets naar Vlaanderen gereisd. (1)

De diepe verontwaardiging die zich van Hoste meester maakte tijdens de wandeling, was allerminst gefingeerd. Een moderne wereld mocht, ondanks zijn groeiende complexiteit en verwarring, niet worden verketterd. Het Vlaams- katholieke cultuurproject kon niets anders dan rekening houden met fundamentele naoorlogse veranderingen zoals een voortschrijdende technologisering of een stijgende massificatie. Een veelzijdige herpositionering in de richting van het moderne was voor het katholicisme immers meer dan een plicht: het was bittere noodzaak wilde het katholiek geloof niet tot een onbeduidende levensbeschouwing verschrompelen. Net zo min een chirurg omwille van zijn katholieke overtuiging een behandeling met ultraviolet licht kon afwijzen, net zo min konden kerken opnieuw met olielampen en vetkaarsen worden verlicht, zo stelde Hoste met klem. (2)

Presentatietekening voor de toren van de kerk van Zonnebeke (K.U.Leuven Universiteitsarchief)

EEN DRANG NAAR HET EIGENTIJDSE Dat Hoste in zijn drang naar het 'eigentijds zijn' een expliciete allusie naar de modernisering van de kerkenbouw opnam, was geen toeval. Hoste verdedigde en realiseerde als één van de eersten de stelselmatige modernisering van de kerkenbouw in het naoorlogse Vlaanderen. Want hij mag dan al vooral met zijn woonwijk Klein Rusland in Zelzate (1921) of met één van zijn functionalistische woningen uit de jaren dertig (bijvoorbeeld een villa in Zele (1931) of Sint-PietersWoluwe (1935)) een plaats in de Vlaamse architectuurgeschiedenis hebben veroverd, de kerk van Zonnebeke (1920-1922) was in zijn eigen tijd niet minder vernieuwend. Voor de eerste maal werd er gewapend beton in een kerkgebouw aangewend en een cultusgebouw met een kubistische toonzetting was al helemaal nooit vertoond in Vlaanderen. Anderzijds was de kerk van Zonnebeke nog onmiskenbaar in een traditie vervat. (3)

Hoste zelf leefde zijn leven lang met het gevoel zich voortdurend op breukvlakken te bewegen waardoor hij verplicht was om nieuwe mogelijkheden eerst af te tasten, dan geduldig te taxeren om ze vervolgens - al dan niet resoluut - te incorporeren in zijn eigen architecturale praktijk. Hostes geloof dat de aanwending van de transparante structuren van de Nieuwe Zakelijkheid en een uit wetenschappelijke kennis voortvloeiende objectieve schoonheidsleer de ijkmaten moesten zijn om een samenleving waar alles was opgeschud te herordenen, be-

1VI&L


schikte met Opbouwen over een krachtige spreekbuis. Maar het modernistische canon was echter niet de enige motivatie waaruit Hostes bijwijlen proselitisch zendingsbewustzijn voortsproot. Zijn lidmaatschap van de Vlaams-katholieke kunstenaarsbeweging De Pelgrim, die via een gelijknamig tijdschrift en twee ophefmakende tentoonstellingen over moderne religieuze kunst in 1927 en 1930 een groot deel van de katholieke kunstenaars en intelligentsia wist te mobiliseren, woog ook door. In het pelgrimdiscours weerklonk de idee, en de kerk van Zonnebeke kreeg daarbij een expliciete voorbeeldfunctie toegedicht (er werden plannen en foto's op de eerste tentoonstelling uitgestald), dat het gedaan moest zijn met het zielloos fahriekwerk en de plaasteren koekebakkeheiligen waarmee de nePresentatietekenmg ogotiek Vlaanderen decennialang had overspoeld. voor de kerk van Er moest een eigentijdse en authentieke religieuze Zonnebeke kunst worden gerealiseerd en geen inhoudsloze pasi

. . k n tiche of kitsch meer worden afgeleverd.

Umversiteitsarcniel

ö

VERLEDEN IN HEDEN Het zou van een naïef simplisme getuigen om te beweren dat Hoste in de jaren twintig niet meer in verbinding wou staan met 'de oude wereld' omdat hij deze met zijn nieuwe vormentaal zo hardnekkig van zich trachtte af te schudden. Integendeel. Hoste bewoog zich niet in een tijdloos vacuüm en wou zeker geen permanente revolte tegen de traditie opwerpen maar juist inspanningen leveren om deze te actualiseren. Uitlatingen over het verleden waren daarom nooit ver zoek in zijn discours. Door bijvoorbeeld juist te wijzen op de historische noodzakelijkheid die de moderne architectuur uitademde verschafte hij zijn moderne opvattingen een legitimatie. Elk tijdperk, zo luidde het bij Hoste, had nood gehad aan eigentijdse, want specifieke middelen om prangende problemen op te lossen. Vlaanderen moest nu een nieuw stadium binnen-

M&L

treden, want het werd al eeuwen door een zin voor verandering gekenmerkt. Nieuwe ontwikkelingen zouden na verloop van tijd bovendien een vertrouwd élan bezitten en gingen aldus tot de traditie behoren. Elk tijdperk had immers iets te zeggen dat historisch was in zijn (materiele) eenmaligheid, maar in zijn normativiteit tijdloos kon zijn. Het idee van de Nieuwe Middeleeuwen kon Hoste daarom ten zeerste charmeren. Het ideaal van een diepe spiritualiteit zoals die in de middeleeuwen zou hebben bestaan, moest ook in de eigen tijd nog kunnen worden gerealiseerd - weliswaar met eigentijdse, dus moderne, middelen. (4) Hostes keuze voor het eigentijdse werd dus met een metahistorische logica onderbouwd en liet daardoor het verleden voor het heden spreken. Zo vroeg hij zich in een pleidooi voor moderne betonkerken af: heeft men vroeger niet even innig gebeden in een barokkerk als in een kapel van de katakomben? (5) Eigentijdse middelen en mogelijkheden als beton of snelbekisting konden juist worden ingezet om een eeuwenoude (geloofs) boodschap snel en correct uit te dragen. Het katholicisme mocht immers niet het risico lopen in een tijdperk van diepe transformaties met een anachronistische uitstraling te worden besmet, maar moest doortrokken zijn van het besef dat een eigentijdse probleem als de voortschrijdende secularisering enkel en alleen met eigentijds middelen kon worden bestreden en geremedieerd. Denkend vanuit een fascinatie voor het eigentijdse, raakte Hoste er van overtuigd dat er op het vlak van de kerkenbouw voor hem niets minder dan een missie was weggelegd. Kerkenbouw was in zijn ogen hét kernprobleem voor de katholieken. Dat blijkt duidelijk uit zijn drang om er over te signaleren en te publiceren in Opbouwen of er lezingen over te verzorgen. Maar niet iedereen deelde Hostes moderniseringsdroom. De kerk van Zonnebeke werd in de lokale pers gecatalogeerd als koude rechtlijnige architectuur die waarlijk niet tot bidden stemt en werd daarom niet gezien als een realisatie waarmee Vlaanderen haar plaats in den eerang der vooruitstrevende volkeren kon innemen. (6) Zonnebeke zou zelfs een heel eigen reputatie verwerven bij andere pastoors in de verwoeste regio. Toen Hoste in 1922 via correspondentie een aantal ontwerpen voor een nieuwe kerk te Geluveld doornam met pastoor Delrue, waarschuwde Delrue


Hoste ervoor dat hij geen tweede Zonnebeke wou voor zijn parochie. Hij verlangde een gothische kerk en haalde tegelijkertijd scherp uit naar het cubismus en holandismus dat Hostes voorlopige ontwerpen van de kapitelen kenmerkte. Een verwijt dat Hoste op zijn typerende wijze weerlegde door te wijzen dat de pastoor waarschijnlijk gewoon doelde op het ineenlopen van de bogen en de kolommen. En dat was niets nieuws: al in de Brugse kathedraal was dat principe toegepast. (7) Kerkenbouw nodigde, zo argumenteerde hij op het Pelgrimcongres van 1930, waar hij nog kort naar dit incident verwees, juist uit om tot een nieuwe oorspronkelijkheid door te stoten. Meer dan elders, diende hier zich juist de noodzaak op een lange traditie aan de geest van de tijdzzn te passen. (8) Hoste mocht dan al vanuit het innoveren van een traditie denken en handelen, toch was hij verplicht om in Zonnebeke voortdurend toegevingen te doen. De romaanse boog die hij in de kerk integreerde was bijvoorbeeld een duidelijke toegeving aan de pastoor die daarmee de revolutionaire uitstraling van het gebouw wenste af te zwakken. Ondanks de inpassing van nieuwe materialen of het subtiele en daarmee voorzichtige vormenspel dat in de heiligenbeelden opduikt, kon het verleden zich op die manier toch nog doordrukken. De moderniteit ruiste daardoor wel door Zonnebeke, maar wist zich niet helemaal te verzelfstandigen. De tot een cliché verworden gedachte dat de twintigste-eeuwse architectuur van een kromme naar een rechte lijn evolueerde, gaat dus niet zonder meer op voor Hostes modellering van de West-Vlaamse gemeente waarvoor (?) die twintigste eeuw zo definitief begon na de Eerste Wereldoorlog. De weerstand van oude denkpatronen van zowel de WestVlaamse goegemeente als ook Hostes eigen met het katholicisme beladen redeneringen, bleek daarvoor te groot. Het maken van een sprong naar de vaststelling dat Hoste wel een (lichtjes) afgeremd of zelfs afgeblokt modernisme moest realiseren, zou daarom niet getuigen van overdrijving, maar vergt niettemin een concrete toetsing. Het punt waar Hostes denken en aanvoelen, geestdrift en aarzeling elkaar ontmoetten lag en ligt nog steeds in zijn materiële realisaties. Zowel een macroaanpak waarbij de kerk van Zonnebeke wordt gesitueerd binnen de globale wederopbouw van de gemeente als een micro-

benadering die de eigenzinnig karakter van een specifiek facet als de muurschilderingen van Jules Fonteyne blootlegt, zijn bij het afwegen van de bewering dat Hostes oeuvre een specifiek kader verdient, wellicht de beste stapstenen.

Rajesh Heynickx is doctorandus aan de K.U.Leuven.

VOETNOTEN (1) HOSTE, H., Onze Tijd, in: Opbouwen, (juni 1929), p. 388. (2) HOSTE, H., op.cit., (juni 1929), p. 386. (3) Geert Bekaert categoriseerde de kerk van Zonnebeke als één van de zeldzame pogingen uit het Vlaamse interbelllum om door het toepassen van een nieuwe stijl het kerkgebouw BEKAERT, G., Landschap van kerken. 10 eeuwen bouwen in Vlaanderen. Leuven, 1987, p. 267. (4) Zie hierover: HEYNICKX, R., Doornen op het pad van de moderne kunst. Huib Hoste (1881-1957), een katholiek modernistisch architect worstelend met de moderniteit, in: Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 9 (nov. 2001), p. 153-190. (5) HOSTE, H., op.cit, (juni 1929), p. 386. (6) ANONIEM, Verwoeste gewesten, in: Gazet van Antwerpen, 20.06.1924. (7) Brief van pastoor Delrue aan Huib Hoste van 12 december 1922, K.U.Leuven Universiteitsarchief, P64, doos 97.; Brief van Huib Hoste aan pastoor Delrue van 6 januari 1923. (8) HOSTE, H., Toespraak op het Pelgrimcongres van 1930, in: Jong Dietschland, 28 februari 1930, p. 142-143.


Hoe hij in contact kwam met Hoste is niet duidelijk. Kenden ze elkaar via de Brugse Academie, waar ook Hoste even les volgde of via hun wederzijdse vriend Joe English ? Joe was immers een jeugdvriend van Jules en studeerde ook in Antwerpen. H u n vaders waren bevriend en de families, die bovendien vlak in eikaars buurt woonden, trokken er herhaaldelijk samen op uit. (34)

• Meiaar - Johannes de Evangelist, een ontwerp van Jules Fonteync (pnvé-veramellng)

SAMENWERKING MET KUNSTENAAR JULES FQNTEYNE Voor de interieurinrichting van de O.L.V.-kerk in Zonnebeke werkte Huib Hoste samen met zijn jeugdvriend Jules Fonteyne (1878-1964). Die kwam uit een artistiek nest. Zijn vader, Hippolyte en zijn oom, Renon Fonteyne, leidden samen een atelier voor neogotische beeldhouwkunst en meubelmakerij, gevestigd in de Bouveriestraat te Brugge. (31) Kort voor de Eerste Wereldoorlog brachtt het atelier Fonteyne, an sculptors een catalogus uit met voorbeelden van hun werk, gaande van in serie geproduceerde heiligenbeeldjes, over neogotische kasten tot unieke stukken ontworpen voor kerkinterieurs van Brugge tot Ciney. (32) Met zo'n achtergrond is het niet verwonderlijk dat Jules Fonteyne les ging volgen aan de Brugse Academie, waar hij in 1897 als primus werd gehuldigd. Hij studeerde verder in Brussel en behaalde eveneens de prijs voor graveerkunst aan het Hoger Instituut te Antwerpen. (33)

* •

Oude prentkaart met het Interieur van de kerk van Zonnebeke (prlïè-verzameling)

Jules Fonteyne, Huib Hoste, Joe English en de beeldhouwer Karel Lateur (broer van Stijn Streuvels) vormden voor de Eerste Wereldoorlog een hecht vriendengroepje. '(•••) bij pijp en pint kwamen allen zo goed overeen en praatten over alles en nog wat, vooral over kunst. En we durfden toen uiten wat ons 't nauwst aan't hart lag en wat we wel aan niemand anders hadden durven vertellen, zou Jules Fonteyne later over deze periode zeggen. (35) Tijdens W O I ging ieder zijn weg. Hoste bracht de oorlogsjaren door in Nederland, waar hij kennismaakte met Berlage, de Amsterdamse School en De Stijl. Fonteyne ging naar Engeland en kwam er, tijdens zijn verblijf in Londen en Bridgewater, onder de indruk van de Prerafaelieten, wat zich later in sommige van zijn werken zou uiten. (36) Joe English werd onder de wapens geroepen en kwam om het leven in 1918. (37) Bij de Joe English-hulde op 4 september 1920, in feite de eerste IJzerbedevaart, kwamen de vrienden van toen nog eens samen om een laatste eer te bewijzen aan hun gesneuvelde kameraad. (38) De vriendschap bleef zeker bestaan tot in 1924, toen Jules aan Huib vroeg om peter te zijn van één van zijn tweelingdochtertjes. (39)

VAN ALLE MARKTEN THUIS Jules Fonteyne werd het meest bekend door zijn grafisch werk, als tekenaar en etser van het leven in Brugge en als illustrator van de boeken van onder meer Stijn Streuvels. Als etser wordt zijn werk vaak vergeleken met dat van Jules De Bruycker uit Gent, maar die vergelijking gaat eerder qua thematiek op. Hij schilderde ook gevoelige portretten van vrienden en bekenden. (40) Toch had hij van thuis uit de kunstambachten in de vingers. Zijn bekwaamheid en veelzijdigheid blijken uit zijn benoeming tot leraar Toegepaste Kunsten aan de Brugse Academie in 1921. (41) Hoste gaf er kunstgeschiedenis en schoonheidsleer. (42) Toen Fonteyne in 1927 directeur van de


Huib Hoste, presentatietekening voor het interieur van de kapel van de Sint-Jozefklmiek Misschien werkten Hoste en Fonteyne ook hier samen (K.U.Leiiven Universiteitsarchief)

academie werd, behield hij eveneens de leiding van wat intussen tot de afdeling Toegepaste Kunsten was uitgegroeid. (43) De familie Fonteyne bewaart verschillende niet gedateerde schetsen van zijn hand, ontwerpen voor zilver- of koperwerk en juwelen, die niet zelden een Jugendstil-invloed vertonen. (44) Fonteyne voerde

niet al zijn ontwerpen zelf uit. Na het stopzetten van het atelier van zijn vader, deed hij voor de vervaardiging van meubels en beeldhouwwerk bijvoorbeeld vaak een beroep op de Kunstwerkhuizen Claeys uit Brugge. In het archief van deze firma zijn nog een twintigtal van zijn kleine en grote ontwerpen terug te vinden. (45)

M&L


Een ontwerp van Jules Fonteyne (pnvé-ïcrzameling)

I

altaar van hem bekend in de Sint-Hiloniuskerk van Izegem, daterend uit 1921. (47) Dit facet uit het werk van Fonteyne wacht nog op verder onderzoek. Beter bekend zijn twee werken die van na de wederopbouwperiode dateren: meubilair, edelsmeedwerk en glasramen voor het Dominicanenkerkje van het Zoute (1924) in samenwerking met Jos Viérin (48) en daarnaast de muurschilderingen en het meubilair voor de Christus-Koningkerk te Brugge (architect L. Durgardyn, 1930), wel volledig naar eigen ontwerp. Voor de muurschilderingen daar maakte Fonteyne een rij bijbelse Koningen, in een strakke, statige, monumentale stijl. De schilderingen werden ontworpen in 1947 maar pas vanaf 1950 uitgevoerd (49). Slechts één element herinnert aan zijn kleinschalig grafisch werk, namelijk de figuur van een bedelares, die ook de typische rafelige lijnvoering van zijn etsen laat zien.

WERKEN VQQR KERKEN Fonteyne kreeg in het kader van de wederopbouw verschillende opdrachten voor kerkmeubilair en andere interieurelementen. Zo zou hij onder meer gewerkt hebben in Hooglede, De Panne, Moorslede, Wijnendale, Oostende en dus ook Zonnebeke. (46) Daarnaast is er nog een O.L.V.-

De Christus-Koningkerk in Brugge (foto Oswald Pauwels)

ZONNEBEKE Hoewel er sterke vermoedens in die richting bestaan, door het voorkomen van zeer gelijkaardig meubilair, onder meer voor de kapel van de SintJozefskliniek in Brugge, is het niet geweten of Hoste en Fonteyne ook op andere plaatsen hebben samengewerkt. O p het ogenblik dat de muurschilderingen in Zonnebeke werden aangebracht, was Hoste reeds enige tijd Brugge ontvlucht na het werfongeval met dodelijke afloop. Vermoedelijk verwaterden zijn contacten met zijn Brugse vriendenkring. (50)

In de kerk van Zonnebeke worden een heel aantal interieurelementen aan Jules Fonteyne toegeschreven: de bronzen calvarie op het hoofdaltaar en de figuratieve glasramen (51) in het transept, de twaalf apostelbeelden (in twee etappes geplaatst, rond 1924 de vier in het koor, pas rond 1939 de acht in het schip). Wel moet gezegd worden dat het kerkarchief voor deze periode moedwillig werd verbrand en dat ook andere relevante bronnen ontbreken. Dit is ook het geval voor het archief de kunstenaar, die op het einde van zijn leven zelf een heel aantal tekeningen en andere documenten vernietigde. (52) Toch kunnen we in de glasramen bijvoorbeeld elementen in zijn stijl ontdekken — aan de voeten van Sint-Maarten zit een bedelaarsfiguurtje dat bijna identiek is aan dit in de Christus Koningkerk. Bij de uitvoering van de glasramen ging, zoals reeds hoger werd aangehaald, veel van


de verfijning en de kwaliteit van de oorspronkelijke ontwerptekeningen verloren, zodat ze niet echt exemplarisch zijn voor het werk van Fonteyne. Ook voor de muurschilderingen werden er geen gegevens teruggevonden die hen met zekerheid aan Fonteyne toeschrijven. Uit fotografische documenten kan worden afgeleid dat ze rond 1939 werden aangebracht ; tijdens een tweede campagne in de

WID

REX

interieurafwerking van de kerk, toen ook de apostelbeelden in het schip werden geplaatst. Omdat de apostelbeelden aan Fonteyne worden toegewezen, wordt verondersteld dat hij tegelijkertijd ook werd belast met het aanbrengen van de muurschilderingen op de zwikken in het pseudotransept, op de drie opeenvolgende bogen naar het hoofdaltaar toe en ook op de wand achter het hoofdaltaar.

MELCHIOR B A L T

Jmmr mmm

> ^ öÖPe

\L

H H H H

M

•

^ȏifi

•4 Muurschilderingen van Jules Fonteyne in de ChristusKoningkerk (foto Oswald

mm

Pauwelsl


CLmWVS - L' i^msif

C A R O L

c o

s

s kA

TM

fn rc

An

iN

T

f-

v

Muurschilderingen van Jules Fonteyne in het koor van de Christus-Koningkerk

DE MUURSCHILDERINGEN

(foto Oswald Pauwels)

M&L

De muurschilderingen in de kerk van Zonnebeke werden in 1967 overschilderd en zijn momenteel enkel gekend van postkaarten en andere fotografisch materiaal van over het algemeen twijfelachtige kwaliteit. Hierdoor is het momenteel erg moeilijk ze op stilistische gronden toe te wijzen. In het pseudotransept werden de figuren van de 4 evangelisten geschilderd. O p de bogen naar het koor toe achtereenvolgens de H. Drievuldigheid temidden aanbiddende engelen, een reeks van 7 rondo's met eucharistische symbolen en het Lam Gods geflankeerd door Johannes de Doper en Johannes de Evangelist. In het hoogveld van de apsis was een indrukwekkend panorama van Jerusalem te zien, met de zon en de maan aan weerszijden van het kruis, verwijzend naar de zonsverduistering op het moment dat Jezus stierf. De stijl is meer overladen dan in de latere ChristusKoningkerk, hoewel de strakheid van de figuren

een zekere verwantschap vertoont. Tussen beide werken ligt hoe dan ook een tijdsverschil van 8 jaar. Het is niet duidelijk of in Christus Koning wel het volledige programma van de muurschilderingen werd gerealiseerd - wat een vergelijking van de twee nog bemoeilijkt. Het is erg moeilijk een waardeoordeel uit te spreken over de schilderingen in Zonnebeke. De studie van muurschilderingen uit het Interbellum loopt bij ons nog, zodat goed vergelijkingsmateriaal ontbreekt. O p het ogenblik dat de muurschilderingen in Zonnebeke werden gerealiseerd, had Hoste met deze kerk eigenlijk niets meer te maken. De slechte contacten met de mensen in het dorp en met de pastoor in het bijzonder, zullen hier ongetwijfeld toe hebben bijgedragen. Het oordeel van Hoste over de muurschilderingen in Zonnebeke is niet gekend. Wel is geweten hoe hij zelf de beschildering van een kerkinterieur zag, hoewel hiervan slechts


r

Interieur van de O.LV.-kerk van

wt

Zonnebeke (foto Oswald Pauwels)

a*^-* ö i

i

•

«#«• . j a 'es

sMÊk

li

één voorbeeld gekend is, namelijk de tot hier toe slecht bestudeerde en reeds lang verdwenen kapel bij het Klooster in Geluwe. (53) Oude foto's tonen muurschilderingen, die ditmaal naar ontwerp van Hoste zelf werden uitgevoerd. (54) Het gaat om geometrische kleurvlakken, abstracte lijnen en motieven verwant aan de Nieuwe Beelding, die, in tegenstelling tot de schilderingen in Zonnebeke, architectuurondersteunend werken. O p sommige plaatsen wordt in Zonnebeke de architectuur zelfs enigszins in de verdrukking gebracht. In 1967 werden onder leiding van architect F. Vaneeckhout uit Roeselare, schilderwerken uitgevoerd in de kerk van Zonnebeke. (55) O p een gegeven moment werden ook grote delen van het kerkinterieur ontpleisterd. Het statige panorama van Jerusalem verdween onder een laag bladgoud op rode grond. De overige toen nog resterende schilderingen werden afgewassen en afgepuimd en verdwenen vervolgens onder twee lagen hlanc-fixe.

.1 ^

O p dit ogenblik resten onder de overschildering enkel nog de vier Evangelisten in het transept, het Lam Gods geflankeerd door beide Johannes en het panorama van Jerusalem.

0NDER70FK NAAR DF OORSPRONKELIJKE NTERIEURAFWERKING In 2002 werd in de O.L.V.-kerk van Zonnebeke een onderzoek verricht naar de afwerkingslagen op de muren, met het oog op een eventuele restauratie.

Constructie en pleisterafwerking De casco van het gebouw bestaat uit betonnen spanten op een onderbouw van baksteen. Tussen de spanten zijn kepers zichtbaar, met daarop dunne


Het pleister heeft een onderlaag bestaande uit een traditionele mengeling van luchtkalk en fijn zand met toevoeging van koehaar en waarschijnlijk een niet geringe hoeveelheid gips. De toplaag van de bepleistering bestaat uitsluitend uit pleistergips. Ze is ongeveer 2 m m dik. De gipslaag is arm aan bindmiddel waardoor ze zich als een sterk zuigende ondergrond voor de decoratieve afwerkingslaag gedraagd. De bepleistering is doorgaans ruw en weinig verzorgd uitgevoerd, een euvel waaraan de gehele constructie van de kerk lijdt. Bij een voorgaande restauratie werd het interieur deels ontpleisterd deels herpleisterd met gips. De oorspronkelijke bepleistering liep van ter hoogte van de vensters tot aan het gewelf. In die bovenste zone bestaat de bepleistering nog uit kalkmortel, de gepleisterde vlakken eronder zijn vaak in gips. De ontpleisterde zones zijn duidelijk te localiseren gezien zich op die plaatsen een onregelmatig metselverband laat aflezen. Het gaat om twee muurvlakken boven de rondbogen in het koor, de westwand en de muurpartij in beide transeptarmen boven de boog die toegang geeft tot de zijbeuk.

Pauwels)

betonnen platen. De bakstenen bogen in schip en koor hebben een aanzet in kunststeen. Ook de beelden en bijbehorende sokkels in de middenbeuk en de bas-reliëf tegen de westwand zijn uit kunststeen vervaardigd. Het baksteenparement bestaat deels uit decoratief metselwerk, deels uit een een ruw gemetst verband, duidelijk voorzien voor een latere bepleistering. De steen behoort tot het type veldovenbaksteen (21x8.5x4.5) en is eerder gelig van kleur. Het voegwerk verschilt per muurvlak. Er vallen vlakken met licht grijze en met donker grijze voegen te onderscheiden. Deze laatste wijzen op een latere hervoeging, vermoedelijk naar aanleiding van het ontpleisteren van bepaalde zones. De oorspronkelijke lichte voegen zijn uit kalkmortel, de hervoeging gebeurde vermoedelijk met donkere portlandcement. De hervoegde muurvlakken bevinden zich in hoofdzaak in het bovenste gedeelte van de muren van de kerk. Alle muren en de onderste zone van de zware bakstenen pijlers in de middenbeuk hebben natuurstenen plinten, bestaande uit de zogenaamde 'grand lise'steen, afkomstig uit een steengroeve die nu niet meer bestaat. Bij de restauratie rond 1990 werd de steen herbruikt.

1VI&L

Bewaringstoestand van het parement en het pleister Het gebouw kampt met zware zoutaantastingen. De zoutuitbloeiingen - voornamelijk op het naakte baksteenparement — werken optisch storend. De gipsen invullingen gedragen zich duidelijk als de meest problematische zones. De resultaten van de zoutanalyses verklaren waarom gips zoutuitbloei bevorderd. Uit de analyses blijkt dat de aantasting in de kerk voornamelijk het werk is van sulfaten. Sommige stalen geven een hoeveelheid tussen 1200 en 1600 mg/l aan terwijl het normale gehalte aan sulfaten onder de 300 mg/l moet liggen. In gips en cement is sulfaatzout sterk aanwezig. Sulfaten lossen makkelijk op in water. Bij vochtige muren zullen de opgeloste sulfaten zich verplaatsen met het water dat zich een uitweg zoekt om te verdampen. Bij verdamping blijven de sulfaten aan het oppervlak van de muur waar ze uitkristaliseren. Het uitkristaliseren veroorzaakt een zekere druk en kan in sommige gevallen ook voor een toename van volume zorgen. Dit brengt zichtbare schade toe. Het verpoederen en afschilferen van de bakstenen wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door het uitkrista-


Oude foto met zicht op de apsis met panorama van Jerusalem (privé-verzameilng) Zicht op het schip (foto Oswald Pauwels)

liseren van de vele sulfaten aanwezig in de gecementeerde voegen. Omwille van de hardheid van de voegen zoeken de zouten zich een weg via de baksteen om te migreren. Dit is de reden waarom vooral het parement is aangetast, terwijl de voegen nog in vrij goede staat zijn. In de apsis en aan de noordelijke transeptboog is de uitbloeiing doorgedrongen tot op het niveau van het pleistergips. Het pleister vertoont barsten. Het biedt geen hechting meer aan zijn afwerkingslagen. Vooral de noordelijke transeptarm blijkt grotendeels te zijn ontpleisterd. Enkel in de eerste en tweede travee in het schip is naast de ramen nog origineel plamuurwerk (enkel onderlaag) aanwezig. Het originele plamuurwerk dat nog rest is in bijzonder slechte staat en de toplaag werd hernomen met gips. De zuidelijke zijbeuk heeft meer origineel pleister maar die is eigenlijk aan vervanging toe. Hetzelfde kan overigens gezegd worden van de bepleistering in de doopkapel (huidige weekkapel).

ONDERZOEK VAN DE MUURSCHILDERINGEN Beschrijving van de bestaande toestand Bij het ontpleisteren van het interieur tijdens een voorgaande restauratiefase bleven gelukkig een aantal gepleisterde vlakken — al dan niet met figuratieve muurschilderingen - bewaard. De restanten bevinden zich in de doopkapel, rond de vensters in het koor, het transept en de benedenkerk, boven de noordelijke en zuidelijke transeptbogen en in de apsis. Oud fotomateriaal geeft ons een beeld van de figuratieve muurschilderingen in het koor. De foto's tonen een monochroom dakgebinte. De kleurstelling van het gebinte dient bij de eigenlijke restauratie — wanneer geschikt materiaal voor handen is — nog onderzocht te worden.

1V1&L


STEEKPROEVENANALYSE De analyse omvat een reeks trapsgewijze steekproeven, uitgevoerd op alle nog bepleisterde muurvlakken in de kerk. De stratigrafieën zijn zeer eenvoudig. Bijna alle steekproeven tellen slechts een tweetal lagen. De oudste afwerking was vrij kleurrijk en moet lang gefunctioneerd hebben om pas bij de laatste restauratiefase tijdens de jaren '60 van de 20ste eeuw (1967) met de huidige monochrome verflaag overschilderd te worden. Bij de originele decoratie kunnen figuratieve en monochrome muurschilderingen onderscheiden worden. De figuratieve decoratie komt voor in de zones boven de noordelijke en zuidelijke transeptbogen, in het hoogveld van de apsis en op het muurvlak boven de rondboog aan de apsis. O p deze vlakken werden meerdere steekproeven genomen waarvan de resultaten bevestigd en vervolledigd werden door oud fotomateriaal. Volgende voorstellingen werden teruggevonden: PLAATS

VOORSTELLING

muurvlak boven noordelijke en zuidelijke transeptbogen

de vier evangelisten

boogveld in de apsis

de stad Jeruzalem

muurvlak boven rondboog aan apsis

Het Lam Gods geflankeerd door Maria en Johannes de Doper

O m de zuigkracht van de pleistergips te neutraliseren werd een licht gepigmenteerde ondertoon als buffer aangebracht tussen het pleister en de figuratieve schildering. Doordat de uitvoering van de decoratieve schildering op zich liet wachten heeft de ondettoon ook als een soort wachtlaag gediend. De toplaag is olieverf. Het bindmiddel werd mager toegepast, waarschijnlijk met de bedoeling de schildering zo mat mogelijk te houden. De monochrome muurvlakken situeren zich op de zijmuren en de gewelfvlakken van de apsis, het koor, het voorkoor, de muurpartijen rond de ramen in de transeptarmen en rond de ramen van de benedenkerk en tenslotte aan de balustrade van het doksaal. Het is duidelijk dat de eerste kleurstelling op de verschillende muurvlakken niet homogeen was. Elk muurvlak kreeg een andere kleur. De kleur werd per muurvlak wel egaal, zonder enige decoratie, aangebracht. De bepleistering is hier doorgaans opgebouwd uit een kalkmortellaag met fijn gewreven stro en een bovenlaag uit witte kalkpleister met licht gekleurd koehaar. Herstellingen aan de monochrome muurvlakken zijn vaak in cement uitgevoerd. Niet alleen is dergelijk materiaal hier niet aangewezen, bovendien is de verwerkingswijze zeer onzorgvuldig gebeurd.

• Ondenoek

rechtsboven,

naar de over-

op de boog voor de Pauwels)

schilderde muur-

apsis tekent zich

schilderingen:

een figuur af

PLAATS binnenwelfveld apsis gewelfveld koor muurvlakken naast ramen koor muurvlakken naast ramen voorkoor muurvlakken naast ramen transeptarmen muurvlakken naast ramen benedenkerk muurvlak aan doksaal

(foto Oswald

KLEURSTELLING licht warm grijs rozig bruin rozig bruin lichtgeel lichtgeel lichtgeel geel-beige

De monochrome kleurstelling is zeer sober. Hoofdtoon is lichtgeel, op het koor na waar rozig bruin voor een accentuering van deze zone in het interieur zorgt. O p de pijlers in de benedenkerk zijn wijdingskruisen aanwezig. De meeste kruisen zijn op het beton van de pijlers geschilderd. Twee zijn op baksteen en voegwerk aangebracht, namelijk deze op de pijlers van de scheibogen tussen transeptarmen en zijbeuken. De kruisen zijn nooit overschilderd geweest.


Bewaringstoestand De afwerkingslagen vertonen lacunes. Een zeer grote lacune bevindt zich in de rechterhelft van het hoogveld van de apsis. Grote delen van de bepleistering komen er los. Door de degradatie van het pleister en de druk van de zouten wordt de bepleistering rond de randen van de lacune weggeduwd. Langs de randen van de lacune zijn er enorme zoutophopingen. Over het gehele oppervlak schilfert de verf plaatselijk sterk af. De bepleistering bevat oneffen vlakken. Er loopt een brede barst langs de linkerrand van de muur. Oude gipsen herstellingen uitgevoerd tijdens een voorgaande restauratiebeurt op diverse plaatsen in de kerk en vertonen eveneens zoutproblemen. De wijdingskruisen op beton zijn in goede staat. De beschildering op de noordelijke bakstenen pijler heeft zwaar geleden.

Msmii Het onderzoek naar afwerkingslagen in de kerk van Zonnebeke werd gevoerd met het oog op een mogelijke restauratie van de muurschilderingen. De fragmentarische bewaringstoestand van deze schilderingen is een vraagstuk voor de monumentenzorg. Ruw geschat is immers 2/3 van de oorspronkelijke taferelen door ontpleistering bij de herstellingswerken in 1967 verloren gegaan. Wat weg is terugbrengen is, ondanks het beschikbare iconofragische bronnenmateriaal niet aan de orde. Wat nog resteert kan, door een combinatie van chemische vrijlegging (oplossen van de huidige bovenlaag) en arbeidsintensieve manuele vrijlegging, eventueel terug zichtbaar gemaakt worden. De mening van Huib Hoste over de uiteindelijke afwerking van zijn kerk, is niet bekend. De overdadige figuratieve decoratie lijkt in te gaan tegen wat momenteel bekend is over de eigen opvattingen van Hoste over interieurafwerking. Mag deze bevinding de uiteindelijke restauratieoptie bepalen?

Patrik Jaspers doet als kunsthistoricus aan de KULeuven onderzoek over de Belgische religieuze architectuur en kunst van de eerste helft van de 20ste eeuw. Hij bereidt een doctoraat voor met als titel "De Limburgse mijnkathedralen: een kunsthistorisch en cultuurhistorisch onderzoek". Veerle De Houwer is erfgoedconsulent bij de Afdeling Monumenten en Landschappen. Zij schreef het stuk over Jules Fonteyne. Enkele steekproeven zijn zichtbaar in het grijsgroene vlak (foto Oswald

Hugo VandenBorre is zelfstandig restaurateur en verzorgde de bijdrage over het onderzoek naar de afwerkingslagen.

Pauwels)

1V1&L


• Zicht op kerk en pastorie (foto Oswald Pauwels)

M&L


EINDNOTEN (1)

De feitelijke gegevens met betrekking tot de wederopbouw van Zonnebeke en de bouwgeschiedenis van de kerk ontleenden we aan volgende publicaties: -DESEYNE, ALEKS EN ANDRE, Zonnebeke 1914-1918. Dood en heropstanding van een dorp, Zonnebeke, 1976. - DESEYNE, ALEKS, Huih Hoste (1881-1957) en de wederopbouw te Zonnebeke, Zonnebeke, 1981. Volgende archieven werden geraadpleegd maar leverden geen bijkomende informatie: - Brugge, Bisdom. - Brugge, Monumenten en Landschappen West-Vlaanderen, W/00598. - Brussel, Rijksarchief, Fonds verwoeste gewesten. - Zonnebeke, Gemeentearchief.

(2)

K.U.Leuven, Universiteitsarchicf, P.64, Huib Hoste, nr. 261. Het betreft hier een manuscript van 36 pagina's dat Hoste schreef in februari en maart 1935 op vraag van de Antwerpse dominicaan Félix Morlion. De tekst, die had moeten verschijnen in de reeks "Offensief brochuren" werd ten gevolge van problemen met de uitgever nooit gepubliceerd.

(3)

ld., p.29.

(4)

Id.,p.8.

(5)

ld.,p. 13.

(6)

ld., p. 28-29.

(7)

ld.,p. 17.

(8)

ld., p. 19.

(9)

ld.,p.35.

(10) ld., p. 36. (11) Deze eis gaat terug op het oude gebruik dat de ongedoopte de kerk niet mag betreden. Ook het antieke gebruik om naast de kerk afzonderlijke baptisteria op te richten lag aan de basis van deze eis. (12) Deze opvatting werd ook naar voor gebracht door Jos Vandenbreeden in de inleiding van: DESEYNE, ALEKS, op. cit., 1981, p. 6-7. (13) Hoste had een grote bewondering voor het werk van Berlage en het kwam zelfs tot een ontmoeting tussen beide architecten. SMETS, M., Huib Hoste, voorvechter van een vernieuwde architectuur, Antwerpen, 1972, p. 14. (14) Sommige auteurs definiëren de kerk van Zonnebeke als zijnde van het Kropholler-type, en dit op basis van de waarderende woorden van Hoste over het werk van deze Nederlandse architect. SMETS, M., op.cit., 1972, p. 45. Dit is ons inziens niet helemaal correct. Hoste vertrekt van het rationele kerkplan zoals dat ook door Kropholler gebruikt werd, maar dit betekent niet noodzakelijk dat hij dit plan aan Kropholler ontleende. Reeds vanaf het begin van de 20e eeuw werd het type van de éénbeukige transeptloze kerk met naast geplaatste toren gepromoot vanuit liturgisch en economisch standpunt. SPECTATOR, "Eglises modernes", in Bulletin des métiers d'art, mei 1908, p. 331-342. Op dit grondplan richtte Hoste een kerk op die stilistisch sterk verwant is met de architectuurtaai van Berlage en veel minder


(19) Volgende onderwerpen werden voorgesteld: geboorte van Jezus,

• :

Leeuw evangelist Marcus, een ontwerp van Jules Fonteyne (prlvé-verzamellng)

;

1

—•""X.

lv

i

z^P^sr-!!^---

T V>

vaart van Maria (zijaltaar noord), aanbidding van het Lam Gods. (20) Een soortgelijke analyse van het kerkinterieur te Zonnebeke vinden we bij: LEONARD, E., Moderne godsdienstige kunst, in

^

Vlaamsche Arbeid, deel 22, 1927, p. 174-180.

^

(21) Dit onderzoek naar de kerbouw in Vlaanderen in de periode 1800-1914 wordt uitgevoerd aan het Kadoc door dr. Thomas

^

^

^

%

(iAs-_.v^v-

.lm '~^U*>

ii

doopsel van Jezus (zijaltaar zuid), communie van de apostelen, verijzenis, verschijning van Jezus na de verijzenis, pinksteren, hemel-

Coomans in opdracht van de Vlaamse gemeenschap - afdeling

\\\

monumenten en landschappen. Het doel is te komen tot een optimale bewaring en valorisatie van dit aspect van het architecturaal patrimonium. (22) Deze stelling is in tegenspraak met de opvatting van Herman Stynen die Zonnebeke beschouwde als de enige moderne kerk

^ /*r^ r rff* -—' r yiëf*

die gebouwd werd in de wederopbouw terwijl twee andere

•Hl.

moderne ontwerpen namelijk de kerken van Geluveld (Huib Hoste) en Waarmaarde (Richard Acke) niet werden uitgevoerd.

verwijst naar de door Hoste herhaaldelijk veroordeelde

STYNEN, H., Profiel: Archtteet Richard Acke (1873-1934) en de

schermerachtige architectuur van Kropholler. HOSTE H ,

woningbouw in defiontstreek, in M&L, september-oktober 1983,

Kerkenbouw, in Ophouwen-Kumt, november 1930, p. 39-40.

p. 42-53.

(15) Op een grondplan van de kerk werden volgende onderdelen

(23) Het concept van de kinderkapellen bracht Hoste waarschijnlijk

door Hoste door middel van een nummer aangegeven hetgeen

mee uit Nederland. HOSTE H., Een kinderkapel, in De Nieuwe

doet veronderstellen dat hij hiervoor de ontwerpen zou maken:

Amsterdammer, 29 juni 1918. We kennen in België slechts een

het hoofdaltaar, de credenstafel, het koorgestoelte, de commu-

kerk, de Sint-Barbarakerk van Eisden-Mijn (Limburg) waar der-

niebank, de zijaltaren, de biechtstoelen, de doopvont en de toegang tot de doopkapel. (16) Dit hoeft niet te verbazen gezien Hoste tijdens zijn verblijf in Nederland contacten onderhield met deze groep. (17) Ook na het vertrek van Hoste uit Zonnebeke bleef Jules Fonteyne er actief daar de laatste apostelbeelden in het schip pas

gelijke kinderkapellen werden voorzien. (24) K.U.Leuven, Universiteitsarchief, P.64, Huib Hoste, nr. 76. (25) SMETS, M., op.cit., 1972, p. 52 en p. 94. (26) K.U.Leuven, Universiteitsarchief, P.64, Huib Hoste, nr. 261, p.8. (27) DECKERS H , De Pelgrimtentoonstelling, Katholieke Vlaamsche

in 1939 geplaatst werden. Daarenboven worden de muurschil-

hoogeschooluitbreiding. Verhandelingen 257, Antwerpen, 1927,

deringen die in de loop van de jaren 1930 op de muurvlakken

p. 36 en p. 52.

boven het hoofdaltaar werden aangebracht, aan hem toegeschre-

Bepaalde auteurs melden dat de kerk van Zonnebeke eveneens

ven. Hoewel Fonteyne een goede vriend van Hoste was, durven

getoond werd op de Exposition des Arts Décoratifs in Parijs in

we stellen dat de muurschilderingen niet in overeenstemming

1925. BEKAERT, G., Landschap van kerken. 10 eeuwen bouwen

zijn met de opvattingen van Hoste. Een eerste argument hier-

in Vlaanderen, Leuven, 1987, p. 267. Bouwen door de eeuwen

voor is dat ze, in plaatst van de aandacht van de gelovige op het

heen: inventaris van het cultuurbezit in België: architectuur. 1 ln3:

altaar te richten, de blikken net omhoog leiden naar de monu-

Provincie West- Vlaanderen, arrondissement leper, kantons Mesen,

mentale voorstelling van de drievuldigheid op het bovenste

Wen/ik, Zonnebeke, Turnhout, 1991, p. 216. In de officiële pu-

muurvlak. De sierlijke en lineaire stijl is daarenboven volledig in

blicaties met betrekking tot deze tentoonstelling wordt echter

tegenspraak met de rationalistische en kubistische vormgeving

geen melding gemaakt van de kerk van Zonnebeke. Exposition

van de architectuur en het meubilair van de kerk. Kleurrijke

international des arts décoratifs et industriels modernes Paris 1925,

muurschilderingen werden echter allerminst afgewezen door

Parijs, 1925. Of de kerk van Zonnebeke deel uitmaakte van de

Hoste. In aansluiting bij de architectuur, het meubilair en de

inzending van de Société Beige des Urbanistes et Architectes mo-

glasramen van de kloosterkapel in Geluwe ontwierp hij bijvoor-

dernistes waar Hoste lid van was hebben we niet kunnen achter-

beeld een beschildering voor de muren die ons bekend is via een

halen. Hun inzending werd wel bekroond met een grandprix in

ontwerptekening (Leuven, Universiteitsarchief) en oude foto's

de afdeling architectuur. Expositions - Palmares, in La cité, V,

(Brussel, Sint-Lucasarcief). Hierbij valt op dat de schilderingen

nr. 12, p. 230-232.

de structuur van de architectuur ondersteunen en benadrukken in een vormentaal verwant aan de "nieuwe beelding". (18) Volgende heiligen werden afgebeeld in de glasramen:

(28) WATTJES, J.G., Moderne kerken in Europa en Amerika, Amsterdam, 1931. (29) Batir. Revue mensuelle illustrée d'architecture, d'art et de decora-

noordkant: Godelieve van Gistel, Onze-lieve-Vrouw, Barbara

tion, 1936, nr. 40 (themanummer kerkbouw). SCHMITZ M.,

zuidkant: Johannes de doper, Augustinus, Martinus.

L 'architecture moderne en Belgique, Brussel, 1937.


O.LV.-kerk van Zonnebeke, detail van het parement met

(30) K.U.Leuven, Universiteitsarchief, P.64, Huib Hoste, nr. 261, p. 12.

(47) www.kikirpa.be Uit het archief van de Kunstwerkhuizen Claeys blijkt bovendien

(31) MICHIELS, Guillaume, Retrospectieve tentoonstelling Jules

dat Fonteyne ook ontwerpen maakte voor de Sint-Baafskerk te

Fonteyne, Stad Brugge, Brugge, (1973), p. 7,8. (32) Catalogus: Furniture, either for religious or household purposes,

p. 98) en de inrichting van de apotheek van Karel De Wolf,

deren, 14 (1965), p. 223.

Smedenstraat te Brugge (informatie van de heer Paul Claeys).

(34) DE BAERE, P.C., Joe English biografisck'm: Vlaanderen,

(48) NOE, Robert, L'église Saint-Dominique au Zoute (Belgique), in: L'Artisan Liturgique, nr. 23, (1931), p. 474-476.

(35) DE BAERE, P.C., Joe English, monografie over een Vlaams

(49) Stad Brugge, Gemeenteblad, 1950 (91s,c boekdeel), p. 195 en

Gent, z.d., p.37. (36) MICHIELS, Guillaume, op cit., p. 11.

p. 303. (50) Zo kan mevr. Rijckaert, petekind van Hoste, zich geen bezoeken van haar peetvader aan de ouderlijke woonst herinneren, hoewel

(37) Joe English, leven en werken, Komiteit der Bedevaart naar de gra-

Hoste daar toch 23 jaar de gelegenheid toe had.

ven van den Ijzer, Temse, (1932. (38) Joe English, leven en werken, p. 115.

(51) DESEYN, Aleks A.M., Huib Hoste en de wederopbouw te Zonnebeke, Zonnebeke, 1981, p. 29-35.

(39) Informatie van de heer Mare Rijckaert, kleinzoon van Jules Fonteyne.

Sint-Andries, Brugge. Voor de volledigheid vermelden we nog in de collegekapel van bet Sint-Lodewijkscollege in Brugge (boek

(33) GELLYCK, H., Jules Fonteyne, 1878-1964, in: West-Vlaan-

kunstenaar, onuitgegeven doctoraatsverhandeling. Universiteit

(52) Werden verder onderzocht: archief Huib Hoste, Sint-

(40) MICHIELS, Guillaume, op. cit., p. 9-17.

Lukasarchief Brussel (evenwel niet volledig toegankelijk wegens

(41) MICHIELS, Guillaume, op. cit., p. 12.

inventarisatie)-archief Huib Hoste, Universiteitsarchief K.U. Leuven-Bisschoppelijk Archief Brugge-Archief van de Dienst

(42) SCHOUTEET, Albert, DE PREST, B., 1717-1967: 250 jaar Academie voor schone kunsten te Brugge, Stadsbestuur Brugge (1970), p. 64. (43) MICHIELS, Guillaume, op. cit., p. 13. (44) Stukken uit het bezit van de heer Mare Rijckaert. (45) Archief van de Kunstwerkhuizen Claeys - privébezit van de heer Paul Claeys. (46) GELLYCK, H., op. cit, p. 223.

Pauwels)

de reeds verdwenen muurschilderingen die hij in 1946 aanbracht

H. & R. Fonteyne - Provinciale bibliotheek, Brugge, 87 Dl3.

nr. 217, 1985, p. 15.

gedenksteen (foto Oswald

Verwoeste Gewesten, Algemeen Rijksarchief Brussel.

(53) Met dank aan Jos Vandenbreeden, Sint-Lukasarchief Brussel, die ons op het bestaan van afbeeldingen van dit interieur attent maakte. (54) Vergelijking materiaal Geluwe Sint-Lukasarchief Brussel en K.U.Leuven Universiteitsarchief. (55) Bestek voor deze werken, Gemeentearchief Zonnebeke.

M&L


SUMMARY

The former Saint Joseph seminary, now the Borgerstein association. From training institute for priesthood to welfare service

The distance between a curve and a straight line. Huib Hoste and the Zonnebeke church T h e church of O u r lady in Zonnebeke, built by Huib

T h e former Saint Joseph seminary in Sint-KatelijneWaver, near Mechelen and Bonheiden, has preserved its authoritative look fitting its original function. The inauguration in 1936 as a diocesan seminary was symbolic for the success of the Catholic Action. T h e recruitment of priests flourished until 1955. T h e rapid dechristianization

Hoste, is tegarded as a fine example of modernist architecture in Flanders. T h e article sketches it's history and analyses it's importance for the modernist movement. The interior of the church, following designs of Hoste's friend Jules Fonteyne, is discussed as experts have to decide wether or not to bring back monumental wall paintings.

and the reorganization of the training for priesthood led to its vacancy in 1965. In 1974 the building, by then rapidly declining, was acquired

by the

Borgerstein

association. This care centre for the elderly and mentally handicapped has developed into one of the country's largest in its kind. T h e authenticity of this monumental infrastructure has been preserved with this project for re-destination, the building has nevertheless been adapted to the needs and regulations regarding safety and modern comfort valid for the care of these new target groups during the seventies and eighties. These standards have since then evolved and therefore the infrastructur.

/!i\

M&L


B R A B A N T S E

B O U W M E E S T E R S

ncerten rondleidingen

^" — ^

middeleeuwse markt V

themabrochures wandel- en fietstochten

in Vlaams-Brabant en Brussel PROVINCIE VLAAMS- BRABANT

Brabantse Bouwmeesters: een cultuurtoeristisch project over gotiek van mei tot oktober 2004. U kunt de brochure met het volledige programma vragen bij: Toerisme Vlaams-Brabant, Provincieplein 1 3010 Leuven, telefoon 016-26 76 20, toerisme@vl-brabant.be, www.vlaamsbrabant.be/gotiek

Restauratie en Monumentenzorg

de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's 5 voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie. £


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_23_2.pdf by Vlaanderen-be - Issuu