VOORWOORD................................................................................................................... 2 DEEL I
ORGANISATIE EN BELEID ............................................................................... 3
I. II.
HISTORIEK ........................................................................................................................... 4 ORGANISATIE VAN DE RAAD.................................................................................................... 5 1. Bevoegdheid ................................................................................................................ 5 2. Bevoegdheidsomschrijving .......................................................................................... 8 3. Interne organisatie – huishoudelijk reglement ............................................................ 8 4. Samenstelling van de Raad .......................................................................................... 9 5. Secretariaat ............................................................................................................... 10 6. Taalgebruik in de procedure ...................................................................................... 10 III. WIJZIGINGEN IN DE REGELGEVING .......................................................................................... 11 IV. EXTERNE RELATIES .............................................................................................................. 12 V. ONTSLUITING VAN DE RECHTSPRAAK ....................................................................................... 13 DEEL II
CIJFERGEGEVENS ........................................................................................... 14
I. AANTAL GEREGISTREERDE VERZOEKSCHRIFTEN .......................................................................... 15 II. AANTAL ZITTINGSDAGEN, ZITTINGEN EN BEHANDELDE DOSSIERS ................................................... 17 III. DOORLOOPTIJD .................................................................................................................. 19 IV. BEROEPEN TEGEN STUDIEVOORTGANGSBESLISSINGEN ................................................................ 21 1. Verzoekende partijen ................................................................................................. 21 1.1 Gender ................................................................................................................ 21 1.2 Geografische spreiding ....................................................................................... 22 1.3 Spreiding naar aard verwerende partij .............................................................. 23 1.4 Soort opleiding ................................................................................................... 24 1.5 Spreiding over studiegebied............................................................................... 24 2. Voorwerp van het verzoekschrift ............................................................................... 25 2.1 Aard studievoortgangsbeslissing ........................................................................ 25 2.2 Soort opleidingsonderdeel bij examenbeslissingen ........................................... 26 3. Uitspraken van de Raad ............................................................................................. 27 4. Bijstand door een advocaat ....................................................................................... 28 4.1 Verzoekende partij ............................................................................................. 28 4.2 Instelling ............................................................................................................. 30 V. LEERKREDIETDOSSIERS ......................................................................................................... 32 1. Verzoekende partijen ................................................................................................. 32 2. Uitspraken van de Raad ............................................................................................. 34 VI. BESLISSINGEN INZAKE GELIJKWAARDIGHEID BUITENLANDSE DIPLOMA’S .......................................... 36 1. Verzoekende partijen ................................................................................................. 36 2. Uitspraken van de Raad ............................................................................................. 36
1 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Voorwoord Beste lezer, Voor u ligt het jaarverslag van 2019, het 15de werkingsjaar van de Raad voor Betwistingen inzake Studievoorgangsbeslissingen. Op het einde van zijn derde lustrum heeft de Raad ruim 5.500 arresten gewezen. Na een stabilisatie in 2018, is het aantal beroepen bij de Raad in 2019 opnieuw merkelijk toegenomen. Er werden 817 verzoekschriften ingediend (+17,2%), gespreid over 202 studievoortgangsbeslissingen (+10,4%), 601 leerkredietdossiers (+18,8%) en 14 beroepen waarbij de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma met een Vlaams diploma of met een Vlaamse graad werd beoogd. Zoals in het jaarverslag 2018 reeds aangekondigd, heeft de Raad het aantal zittingen aanzienlijk verhoogd (+23%) om binnen zo kort mogelijke termijn uitspraak te kunnen doen. Er waren in 2019 geen decretale wijzigingen aan de procedure. Wel leidde een hertekening van het hogeronderwijslandschap – met name de omvorming van de meeste HBO5-opleidingen naar graduaatsopleidingen – tot een uitbreiding van het aantal opleidingen waarvoor de Raad bevoegd is. Dit wordt in Deel I, Hoofdstuk III nader toegelicht. De Raad blijft, met aandrang, vragende partij voor een betere ontsluiting van zijn rechtspraak middels een website met een performante zoekfunctie. In het jaarverslag wordt er verder nog op teruggekomen. Deze vraag wordt sinds verschillende jaren gesteld, en de beperkte ontsluiting van de rechtspraak hindert de Raad in zijn werking. Een spoedige aanpak van dit probleem dringt zich op. De arresten van de Raad zijn thans raadpleegbaar op de volgende website: http://onderwijs.vlaanderen.be/nl/raad. Naast alle materiële omkadering is en blijft rechtspraak uiteraard in de eerste plaats mensenwerk. Mijn bijzondere dank gaat dan ook uit naar de kamervoorzitters en alle bestuursrechters van de Raad voor hun onvoorwaardelijke inzet, en in het bijzonder naar de twee secretarissen van de Raad, die er niet alleen in slagen om de administratie en het griffiewerk van de Raad meester te blijven, maar ook een belangrijke hand hebben gehad in de totstandkoming van dit jaarverslag. Wat dit laatste betreft, mag ook de gewaardeerde ondersteuning niet onvermeld blijven van mevrouw Marita Verzelen en de heer Mark Van der Jeught van het agentschap AHOVOKS.
Jim Deridder Voorzitter 22 juni 2020
2 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Deel I Organisatie en beleid
3 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
I.
Historiek
De Raad werd – oorspronkelijk als Raad voor Examenbetwistingen – bij decreet van 19 maart 2004 opgericht als onafhankelijk administratief rechtscollege binnen de Vlaamse Gemeenschap.1 De decreetgever motiveerde de oprichting van de Raad vanuit de behoefte om op korte termijn een jurisdictioneel oordeel te hebben over examengeschillen, met een beoordeling ten gronde die effectief rechtsherstel kan bieden.2 De decreetgever overwoog daarbij het volgende: “De Raad van State biedt objectief rechtsherstel door de annulatie van een administratieve rechtshandeling. De geannuleerde beslissing is aldus aangetast door een civielrechtelijke fout, die aanleiding kan geven tot schadevergoeding, te vorderen voor de gewone rechter. Zoals gesteld, meent de decreetgever dat procedures waarin schadevergoedingen gevorderd worden op grond van het verlies van één of meerdere jaren niet op zijn plaats zijn in het onderwijs. In onderwijsaangelegenheden dient het recht op onderwijs te worden gevrijwaard, niet het recht op financiële genoegdoening. Een loutere annulatie waarborgt evenwel geen effectief rechtsherstel in deze. De Raad dient daarom bijkomende bevoegdheden te hebben. De behandeling van een verzoekschrift door de Raad leidt overeenkomstig het decreet tot de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid en/of ongegrondheid ervan, of tot de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen examenbeslissing, in welk geval de Raad inderdaad de nodige, welomschreven, voorlopige en herstelmaatregelen kan bevelen. De decreetgever stelt dat de Raad kan bepalen dat opnieuw in de zaak wordt beslist, desgevallend op grond van een nieuw afgenomen examen of enig onderdeel daarvan. De Raad kan daarbij de legitieme/illegitieme gronden aangeven dewelke bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing moeten/niet mogen betrokken worden.” Met het oog op het waarborgen van het effectief rechtsherstel kreeg de Raad ook de bevoegdheid om voorlopige maatregelen en herstelmaatregelen te bevelen. Volgens de parlementaire voorbereiding oordeelt de Raad niet binnen het ‘objectief contentieux’, maar over politieke rechten zoals bedoeld in artikel 145 van de Grondwet.3
Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, BS 10 juni 2004 (Aanvullingsdecreet). 2 Parl. St. Vl. Parl. 2003-2004, nr. 1960/1, 17. 3 Parl. St. Vl. Parl. 2003-2004, nr. 1960/1, 18. 1
4 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
II.
Organisatie van de Raad
1. Bevoegdheid
Bij zijn oprichting werd de Raad bevoegd gemaakt examen(tucht)beslissingen binnen het hoger onderwijs: -
-
voor
de
volgende
‘Examenbeslissing’: elke beslissing die een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel; ‘Examentuchtbeslissing’: een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten.
Doorheen de daaropvolgende jaren werd de bevoegdheid van de Raad stelselmatig uitgebreid, hetzij door tussenkomst van de decreetgever, hetzij door een nadere omschrijving van de decretale bevoegdheid door de Raad van State als cassatierechter. Krachtens artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet kan de Raad vanaf het academiejaar 2008-2009 uitspraak doen over beslissingen in verband met het leerkrediet die door het instellingsbestuur of door de stuurgroep Databank Hoger Onderwijs genomen zijn op grond van de procedure, zoals vastgelegd in artikel 13quater van het Structuurdecreet. Een volgende uitbreiding van de bevoegdheden van de Raad werd ingevoerd met Onderwijsdecreet XIX, met name ten aanzien van het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven.4 Bovendien werd de bevoegdheid van de Raad ruim(er) gedefinieerd door de rechtspraak van de Raad van State. In de werkjaren 2008 en 2009 was de Raad van oordeel dat hij niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen op grond van artikel 51 van het Flexibiliseringsdecreet (rechtstreekse diplomering). Enkel wanneer het kon begrepen worden als een toekenning van vrijstellingen, behandelde de Raad het dossier. In het arrest nr. 200.012 oordeelde de Raad van State evenwel dat de Raad hiervoor wel bevoegd is.5 Het Onderwijsdecreet XXI heeft vervolgens de bevoegdheid van de Raad uitgebreid wat de beslissingen inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma betreft.6 Deze zijn aanvechtbaar bij de Raad met ingang van 1 september 2011. Met ingang van 1 september 2011 is de Raad ook bevoegd om beroepen te behandelen van studenten die hun leerkrediet omwille van ‘overmacht’ hebben verloren. Deze bevoegdheid is er gekomen ter vervanging van het georganiseerd administratief beroep dat in 2010 kon worden ingesteld bij de Vlaamse Regering. Decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX, BS 28 augustus 2009. RvS 26 januari 2010, nr. 200.012. 6 Decreet van 1 juli 2011 betreffende het onderwijs XIX, BS 30 augustus 2011. 4 5
5 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Het Onderwijsdecreet XXIII heeft de afzonderlijke bevoegdheid “een beslissing van een instellingsbestuur over de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma genomen in toepassing van artikel 69, §3 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen” geschrapt om te vermijden dat de instellingen voor deze toelatingsbeslissingen, die geen formele gelijkwaardigheidsbeslissing sensu stricto inhouden (dat is een bevoegdheid van NARIC), een interne beroepsprocedure dienen te organiseren.7 Het Vereenvoudigingsdecreet heeft de bevoegdheid geschrapt omtrent “een beslissing waarbij er in geval van overmacht geen aangepaste examenregeling mogelijk is om organisatorische redenen”, in die zin dat de leerkredietdossiers niet langer onder de term ‘studievoortgangsbeslissing’ vallen en de instellingen hiervoor bijgevolg geen intern beroep meer moeten organiseren.8 De Raad is en blijft wel bevoegd voor de leerkredietdossiers. Daarnaast heeft het Vereenvoudigingsdecreet nog een bijzondere soort van aanvechtbare beslissing tot stand gebracht, met name het beroep tegen de beslissing van de instelling om een stage of ander praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig te beëindigen. Het Onderwijsdecreet XXVII heeft aan de Raad de bevoegdheid toegekend voor “individuele beslissingen houdende de weigering tot inschrijving op basis van ontoereikend leerkrediet of een leerkrediet lager dan of gelijk aan 0, indien niet het gevolg van een algemene reglementaire bepaling”.9 De Raad is bijgevolg enkel bevoegd voor beslissingen die werden genomen nadat de student een interne afwijkingsprocedure heeft doorlopen. De instellingen hebben echter nog steeds de mogelijkheid om geen interne afwijkingsprocedure open te stellen en enkel een algemene beleidsregel van weigering in te schrijven ingeval van negatief leerkrediet (minder of gelijk aan nul). Studenten die geweigerd worden op basis van zo een algemene beleidsregel kunnen niet bij de Raad terecht.10 Verder werd in artikel I.3, 69°, g) van de Codex Hoger Onderwijs het woord ‘diplomacontract’ vervangen door het woord ‘contract’.11 Dit gebeurde naar aanleiding van een arrest van het Grondwettelijk Hof, waarin een antwoord werd geformuleerd op een prejudiciële vraag die de Raad in één van zijn dossiers had gesteld.12
Decreet van 19 juli 2013 betreffende het Onderwijs XXIII, BS 27 augustus 2013. Decreet van 21 maart 2014 tot aanpassing van enkele hogeronderwijsbepalingen die de organisatie en controle van het onderwijs faciliteren en de plan- en implementatielasten verminderen, BS 15 mei 2014. 9 Decreet van 16 juni 2017 betreffende het Onderwijs XXVII, BS 18 augustus 2017. 10 Zie ook RvS 18 januari 2016, nr. 233.491, Vrije Universiteit Brussel. 11 Decreet houdende wijziging van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs en de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, wat betreft het hoger onderwijs, BS 8 december 2018. 12 GwH 16 februari 2017, nr. 26/2017. 7 8
6 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Ten slotte zijn de voormalige HBO5-opleidingen (behoudens de HBO5-opleiding Verpleegkunde) vanaf 1 september 2019 omgevormd naar graduaatsopleidingen.13 Deze behoren eveneens tot het hoger onderwijs, zodat de Raad hiervoor bevoegd is.14 De volgende studievoortgangsbeslissingen konden op grond van artikel I.3, 69° van de Codex Hoger Onderwijs tijdens het werkjaar 2019 het voorwerp uitmaken van een beroep bij de Raad: a) een examenbeslissing, zijnde elke beslissing die, al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel; b) een examentuchtbeslissing, zijnde een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten; c) de toekenning van een bewijs van bekwaamheid, dat aangeeft dat een student op grond van eerder verworven competenties of eerder verworven kwalificaties bepaalde competenties heeft verworven; d) de toekenning van een vrijstelling, zijnde de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; e) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld; f) het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.24615; g) het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het contract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven; h) een beslissing inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma van hoger onderwijs met een Vlaams diploma van hoger onderwijs genomen krachtens artikel II.256; i) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van ontoereikend leerkrediet of een leerkrediet lager dan of gelijk aan 0, indien niet het gevolg van een algemene reglementaire bepaling. Daarnaast is de Raad overeenkomstig artikel II.285, lid 2 Codex Hoger Onderwijs ook bevoegd om kennis te nemen van verzoeken die studenten rechtstreeks bij de Raad indienen om hun leerkrediet aan te passen, omdat ze zich in een overmachtssituatie Decreet betreffende de uitbouw van de graduaatsopleidingen binnen de hogescholen en de versterking van de lerarenopleidingen binnen de hogescholen en universiteiten, BS 4 mei 2018. 14 Artikel II.57 van de Codex Hoger Onderwijs: “Het hoger onderwijs omvat opleidingen die leiden tot de graad van gegradueerde, de graad van bachelor en de graad van master. Het hoger onderwijs omvat ook de opleidingen die kunnen afgesloten worden met een postgraduaatgetuigschrift. Bovendien wordt in het hoger onderwijs ook de graad van doctor verleend.(…)”. 15 Met inbegrip van de beslissing om een stage of praktisch opleidingsonderdeel voortijdig te beëindigen (ingevoerd artikel 25 Vereenvoudigingsdecreet). 13
7 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
bevonden en de instelling voor hen geen aangepaste examenregeling heeft geboden. Ten slotte is de Raad bevoegd inzake materiële vergissingen en onjuistheden zoals bedoeld in artikel IV.93 van de Codex Hoger Onderwijs.16 2. Bevoegdheidsomschrijving
De initiële bevoegdheid van de Raad is doorheen de jaren stelselmatig uitgebreid. Daardoor is deze bevoegdheid geëvolueerd van een beperkte toegewezen bevoegdheid die eenduidig was in de toepassing (examenbeslissingen en examentuchtbeslissingen), tot een bevoegdheid die weliswaar nog steeds toegewezen van aard is en niet residuair, maar die niettemin een breed veld bestrijkt, met soms onduidelijke grenzen. De Raad herneemt in dat verband zijn adviezen uit de voorgaande jaarverslagen. De Raad acht het wenselijk dat de decreetgever de mogelijkheden omtrent een meer homogene bevoegdheidsomschrijving onderzoekt. Dit kan misschien ook beter dan de huidige uitgebreide opsomming de doelstellingen van de decreetgever met betrekking tot de beoogde rechtsbescherming waarborgen. De Raad merkt overheen de jaren een toename in de geschillen die de bevoegdheid van de Raad betreffen, en deze geven ook regelmatig aanleiding tot cassatievoorzieningen voor de Raad van State.17 Cassatievoorzieningen en prejudiciële vragen die geen betrekking hebben op de grond van de zaak, werken enkel vertragend voor de beoordeling ten gronde. Zij zijn, zeker in een contentieux waar een spoedige beoordeling essentieel is, zoveel mogelijk te vermijden. 3. Interne organisatie – huishoudelijk reglement
Met het oog op een betere organisatie van de werking heeft de algemene vergadering van de Raad op 6 juni 2015 een nieuw huishoudelijk reglement aangenomen, dat werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 15 juli 2015. Het huishoudelijk reglement regelt vooreerst de werking van de algemene vergadering en de bevoegdheden van de voorzitter, alsook de evaluatie van de secretarissen.
Deze bepaling is licht gewijzigd: In de zin “De beslissingen genomen door het instellingsbestuur en door de stuurgroep Databank Hoger Onderwijs op grond van de procedure bedoeld in artikel IV.93, kunnen worden aangevochten voor de Raad” is het vetgedrukte vervangen door ‘door de Vlaamse overheid en de instellingen in het gestructureerd overleg’. 17 Illustratief kan worden verwezen naar de beslissing om een student om administratieve redenen niet toe te laten voor een tweede examenkans in te schrijven. Een dergelijke beslissing valt buiten de toegekende bevoegdheid van de Raad (R.Stvb. 17 februari 2015, nr. 2015/010, vernietigd door RvS 19 september 2016, nr. 235.791, KU Leuven en R.Stvb. 18 december 2014, nr. 201/415, vernietigd door RvS 19 september 2016, nr. 235.790, KU Leuven) en valt, al naargelang de aard van de instelling, onder de bevoegdheid van de Raad van State en/of de burgerlijke rechter. In de motivering bij de oprichting van de Raad heeft de decreetgever aangegeven dat deze rechtscolleges in het raam van de studievoortgang van studenten geen voldoende snel rechtsherstel ten gronde kunnen bieden. 16
8 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Daarnaast is de Raad voortaan ingedeeld in drie kamers (Ie, IIe en IIIe Kamer), waardoor zaken vlotter kunnen worden toebedeeld, rekening houdend met de beschikbaarheid van de leden en de onverenigbaarheden. De indeling in kamers was noodzakelijk geworden om de Raad toe te laten kamers simultaan te laten zetelen, teneinde de inkomende beroepen binnen een redelijke termijn verwerkt te krijgen. De voorzitter van de Raad zit de Ie Kamer voor, de plaatsvervangende voorzitters worden als kamervoorzitter aan de andere kamers toegewezen. Vanaf juli 2015 veranderden de uitspraken van de Raad ook van vorm. Er werd een nieuw sjabloon aangenomen en de uitspraken worden voortaan, zoals bij de andere Vlaamse administratieve rechtscolleges, ‘arresten’ genoemd – deze term zal doorheen dit verslag dan ook worden gebruikt.18 De arresten worden ondertekend door de kamervoorzitter en door de secretaris die op de zitting als griffier is opgetreden. 4. Samenstelling van de Raad
Krachtens artikel II.287, §1, 2° van de Codex Hoger Onderwijs bestaat de Raad, naast de voorzitters, uit twee werkende en vier plaatsvervangende bijzitters (bestuursrechters). Omwille van de werklast worden alle bestuursrechters op gelijke wijze opgeroepen om te zetelen, zodat de Raad geen onderscheid maakt tussen de effectieve en de plaatsvervangende bestuursrechters. Tijdens het werkjaar 2019 kende de Raad volgende samenstelling:19 Voorzitter Kamervoorzitter Bestuursrechters
de heer Jim Deridder de heer Bertel De Groote mevrouw Karla Van Lint de heer Jean Goossens de heer Henri Verhaaren de heer Jan Geens de heer Piet Versweyvelt mevrouw Marleen Verreth mevrouw Sigrid Pauwels
Tijdens elke zitting van de Raad zetelt er een kamervoorzitter samen met twee bestuursrechters. De zetel van de Raad voor een zitting wordt samengesteld in functie van de beschikbaarheid van de leden van de Raad. Wanneer een lid verbonden is aan een bepaalde instelling, zetelt dit lid niet wanneer deze instelling één van de betrokken partijen is.
De arresten hebben voortaan een uniek nummer, zodat niet meer naar het rolnummer moet worden verwezen. 19 Artikel 1 Huishoudelijk Reglement Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, BS 15 juli 2015. 18
9 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
5. Secretariaat
De leden van de Raad worden ondersteund door de medewerkers van het secretariaat, die instaan voor het in staat stellen van de dossiers. Op de zitting nemen de secretarissen de functie van griffier waar. Melissa Thijs en Freya Gheysen waren in 2019 aangesteld als secretaris van de Raad. In tegenstelling tot andere administratieve rechtscolleges, beschikt de Raad niet over inhoudelijk ondersteunend personeel zoals referendarissen. 6. Taalgebruik in de procedure
Noch de Codex Hoger Onderwijs, noch een op de Raad van toepassing zijnde besluit van de Vlaamse regering bevat enige bepaling inzake de taal van de procedure. Het huishoudelijk reglement van de Raad (artikel 21) schrijft voor dat de procedure in het Nederlands verloopt. Regelmatig wenden buitenlandse studenten zich tot de Raad; meestal – doch niet altijd – zijn zij ingeschreven in een Engelstalige opleiding aan een Vlaamse instelling van hoger onderwijs. Deze verzoekende partijen dienen soms een Engelstalig verzoekschrift in. In het verleden heeft de Raad anderstalige verzoekschriften niet om die reden onontvankelijk verklaard. In 2015 werd evenwel een exceptie van onontvankelijkheid opgeworpen door een verwerende partij.20 Aansluitend heeft de Raad zich beraden over de toepassing van de taalwetten. In afwachting van een eventuele decretale regeling houdt de Raad voorlopig de volgende werkwijze aan, die ook op de website is vermeld. De rechtspleging verloopt in het Nederlands. Teneinde de verzoekende partij niet onverwacht met een (ambtshalve) exceptie van onontvankelijkheid te confronteren, verleent de Raad de verzoekende partij die een anderstalig verzoekschrift heeft ingediend, een redelijke termijn om dat verzoekschrift (en in voorkomend geval de wederantwoordnota) in het Nederlands te (laten) vertalen.21 Indien de verzoekende partij vervolgens nalaat om minstens van het verzoekschrift een Nederlandstalige versie neer te leggen, verklaart de Raad het beroep onontvankelijk.22
R.Stvb. 4 september 2015, nr. 2.311. Bv. R.Stvb. 29 oktober 2015, nr. 2.537; R.Stvb. 1 december 2015, nr. 2.659; R.Stvb. 17 december 2015, nr. 2.735; R.Stvb. 16 juni 2017, nr. 3.656; R.Stvb. 26 oktober 2017, nr. 3.928; R.Stvb. 17 september 2018, nr. 4.407; R.Stvb. 1 oktober 2018, nr. 4.428. 22 R.Stvb. 8 december 2015, nr. 2.697; R.Stvb. 8 december 2015, nr. 2.698. 20 21
10 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
III.
Wijzigingen in de regelgeving
In 2019 zijn er geen aanpassingen gebeurd aan de procedure bij de Raad, maar er is wel een wijziging in de regelgeving doorgevoerd die in de toekomst ongetwijfeld een impact kan hebben op de werklast van de Raad (zie supra II.1). De voormalige HBO5-opleidingen zijn immers, behoudens de HBO5-opleiding Verpleegkunde, vanaf 1 september 2019 omgevormd naar graduaatsopleidingen. Aangezien deze opleidingen middels artikel II. 57 van de Codex Hoger Onderwijs tot het hoger onderwijs behoren, is de Raad hiervoor eveneens bevoegd.23 Daarbij moet wel de kanttekening worden gemaakt dat de studenten in deze graduaatsopleidingen geen leerkrediet inzetten. Een verlies van leerkrediet door een overmachtssituatie en de eventuele teruggave daarvan door de Raad, is aldus niet aan de orde. De Raad kan zich wel buigen over de studievoortgangsbeslissingen, zoals opgesomd in artikel. I.3, 69° van de Codex Hoger Onderwijs, die binnen de graduaatsopleidingen worden genomen.
23 Artikel II.57 van de Codex Hoger Onderwijs:
“Het hoger onderwijs omvat opleidingen die leiden tot de graad van gegradueerde, de graad van bachelor en de graad van master. Het hoger onderwijs omvat ook de opleidingen die kunnen afgesloten worden met een postgraduaatgetuigschrift. Bovendien wordt in het hoger onderwijs ook de graad van doctor verleend.(…)”.
11 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
IV.
Externe relaties
Op 18 september 2019 namen verschillende leden van de Raad deel aan de studiedag “Tucht in onderwijsaangelegenheden” te Gent. Op 13 november 2019 ontving de voorzitter een aantal studenten van de KU Leuven in het raam van een werkcollege administratief recht. In het raam van ‘De Warmste Week’ hebben de bestuursrechters en secretarissen van de Raad een gezamenlijke gift van 1.000 euro gedaan aan de vzw Bednet en aan de vzw Depressiehulp.
12 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
V.
Ontsluiting van de rechtspraak
De Raad dringt er sinds enkele jaren op aan dat de ontsluiting van zijn rechtspraak dient te worden verbeterd, en betreurt dat aan deze vraag nog geen gevolg werd gegeven. De opzoekmogelijkheden op de huidige website zijn erg beperkt en het doorzoeken van arresten met een vrije zoekfunctie is niet mogelijk. Externe actoren hebben reeds aangegeven dat dit als een beperking wordt ervaren om de stand van de rechtspraak bij te houden of om juridische argumentatie in een procedure voor de Raad te onderbouwen. Ook de Raad zelf zou baat hebben bij een betere ontsluiting van de rechtspraak. Dienstige verwijzingen naar voorgaande rechtspraak opnemen in een arrest vergt thans regelmatig tijdrovend opzoekwerk. Aangezien andere rechtscolleges zoals de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, en binnen de Vlaamse overheid ook de Raad voor Vergunningsbetwistingen, het Handhavingscollege en de Raad voor Verkiezingsbetwistingen over een website met dergelijke zoekmotor beschikken, neemt de Raad aan dat dit eenvoudig en snel kan worden geïmplementeerd. De Raad vraagt dan ook, na herhaald verzoek, met aandrang dat dit project spoedig wordt gerealiseerd.
13 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Deel II Cijfergegevens
14 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
I.
Aantal geregistreerde verzoekschriften
In het werkjaar 2019 heeft de Raad 817 verzoekschriften ontvangen en geregistreerd.24 Dit betekent dat er opnieuw sprake is van een aanzienlijke stijging, na enkele jaren waarin het aantal verzoekschriften eerder stabiel was gebleven. In de werkjaren 2016, 2017 en 2018 ging het immers respectievelijk om 699, 673 en 697 verzoekschriften, terwijl er in het werkjaar 2019 toch een honderdtal extra verzoekschriften werden ingediend. In onderstaande grafiek wordt het aantal verzoekschriften van de laatste negen werkjaren vergeleken.
Overzicht van het aantal verzoekschriften 2011-2019 900 800 700 600 500 400 300 200 100 0 aantal
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
242
345
413
548
694
699
673
697
817
Voor de stijgende trend op middellange termijn kunnen verschillende verklaringen worden gegeven. De Raad heeft doorheen de jaren wellicht meer bekendheid gekregen bij de studenten. De verplichte vermelding van de beroepsmogelijkheden bij de Raad op de te bestrijden beslissing wijst de studenten ook uitdrukkelijk de weg25; deze vermelding geldt evenwel voor alle beslissingen of administratieve handelingen met individuele strekking die rechtsgevolgen beogen. Ten slotte werd de bevoegdheid van de Raad ook meermaals uitgebreid, en is er in de media elk jaar aandacht voor de statistieken en het functioneren van de Raad. In de 817 beroepen die in 2019 werden ingesteld, merken we dit werkjaar opnieuw een lichte stijging wat de gebruikelijke studievoortgangsbetwistingen (examenbetwistingen, weigering van een inschrijving,…) betreft ten opzichte van het vorige werkjaar. Zo werden er in 2017 193 en in 2018 183 dergelijke beroepen ingediend, terwijl dit er in 2019 202 waren. Dit is wel nog steeds iets minder dan tijdens het werkjaar 2016, toen er 219 dergelijke beroepen werden ingediend.
Daarin worden ook de ambtshalve registratie en behandeling van verzoekschriften na vernietiging door de Raad van State meegerekend. 25 Artikel II.21 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, BS 19 december 2018. 24
15 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Vanaf 1 september 2011 behandelt de Raad ook dossiers in verband met ‘overmacht en leerkrediet’. Deze beroepen kunnen niet worden beschouwd als klachten tegen een onderwijsinstelling. Het gaat immers om studenten die wegens overmacht (doorgaans ziekte of bijzondere familiale omstandigheden) hun examenkansen niet volledig hebben kunnen benutten en bijgevolg een deel van hun leerkrediet verloren. Zij vragen de verloren studiepunten terug op grond van een aangetoonde overmachtssituatie. Wat deze dossiers betreft, is er opnieuw een stijging merkbaar ten opzichte van de vorige werkjaren. In 2017 en 2018 waren er immers respectievelijk 471 en 506 dossiers betreffende leerkrediet en overmacht, terwijl er in 2019 601 dossiers werden ingeleid. Zoals onderstaand uit hoofdstuk V blijkt, is ook het totaal aantal punten leerkrediet dat werd teruggegeven aanzienlijk gestegen. De overige 14 dossiers die in 2019 werden geregistreerd, betroffen beroepen tegen negatieve beslissingen inzake de gelijkwaardigheid van het buitenlands diploma met een Vlaams diploma of met een Vlaamse graad. De beroepen bij de Raad worden doorheen heel het jaar ingediend, met vooral pieken in juli, september en oktober. Het aantal beroepen dat naar aanleiding van de laatste examenzittijd wordt ingediend, doet vermoeden dat studenten nog steeds een ongunstige beslissing in de eerste examenkans niet aanvechten en er de voorkeur aan geven eerst de tweede examenkans te benutten. Dit kan ook verklaren waarom er in verhouding veel geschillen inzake stages zijn na de eerste examenkans: deze opleidingsonderdelen zijn immers vaak van een herkansing uitgesloten. In september werden vooral verzoeken met het oog op de terugvordering van leerkrediet wegens overmacht ingediend. Ook beroepen inzake studievoortgangsbewaking worden meestal na het einde van de tweede zittijd ingesteld. De meeste dossiers waarin studievoortgangsbeslissingen worden aangevochten, werden ingediend in maart, juli en oktober, na de verschillende examenperiodes. Wat de werklast betreft, deint de impact van deze pieken steeds verder uit, gelet op de termijn die de Raad, na het doorlopen van de interne beroepsprocedure, nodig heeft om tot een eindbeoordeling te kunnen komen.
Aantal ingediende verzoekschriften per maand in 2019 200 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0
Overmacht
Studievoortgangsbeslissingen
Gelijkwaardigheid buitenlands diploma
16 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
II.
Aantal zittingsdagen, zittingen en behandelde dossiers
In het werkjaar 2019 waren er 40 dagen waarop de Raad zitting hield, in vergelijking met 34 zittingsdagen in het werkjaar 2018. Er is dan ook sprake van een lichte stijging (+ 18%) van het aantal zittingsdagen tegenover het vorige werkjaar. Hierbij moet worden opgemerkt dat op één dag de drie kamers allemaal hebben gezeteld, dat op vijf dagen simultaan met twee kamers werd gezeteld en dat op twee dagen dezelfde kamer in twee verschillende samenstellingen heeft gezeteld, zodat er in 2019 in werkelijkheid 49 zittingen hebben plaatsgevonden, wat een stijging is met 23% ten opzichte van het werkjaar 2018 (40 zittingen).
Overzicht aantal zittingen en zittingsdagen 2011-2019 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 2011
2012
2013
2014
2015
zittingsdagen
2016
2017
2018
2019
zittingen
Op de datum van de behandeling worden de partijen in elkaars aanwezigheid gehoord in openbare zitting.26 Ook als een partij niet ter zitting verschijnt, zal de zaak worden behandeld. De Raad heeft in 2019 900 beroepen behandeld. Het gaat hierbij telkens om dossiers waarin een definitieve uitspraak door de Raad werd gedaan. In 2019 werden er 212 dossiers betreffende de gebruikelijke studievoortgangsbetwistingen behandeld. Daarnaast werd er in 671 dossiers uitspraak gedaan over de aanvraag van een student om leerkrediet terug te krijgen omwille van overmacht. Dit is heel wat meer dan in 2018, toen er 347 dergelijke dossiers werden behandeld. De 17 overige behandelde dossiers waren beroepen tegen negatieve beslissingen inzake de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma met een Vlaams diploma of met een Vlaamse graad. Eén en ander vertegenwoordigt in 2019 een globale gemiddelde werklast per kamer van 300 arresten (inclusief leerkrediet), waaronder 71 arresten inzake studievoortgangsgeschillen.
26
De procedure inzake overmacht verloopt in principe wel schriftelijk.
17 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Behandelde dossiers in 2019
Gelijkwaardigheid buitenlands diploma 2%
Studievoortgangsbeslissing 24%
Overmacht 74%
De Raad hecht veel belang aan het bewaken van de eenheid van de rechtspraak. Het is de taak van de voorzitter om hierop toe te zien op het niveau van de Raad. Elke kamervoorzitter bewaakt daarnaast de eenheid van rechtspraak binnen de eigen kamer. Gelet op het huidige statuut van de bestuursrechters, is de kleinschaligheid van het kader een belangrijk voordeel om deze eenheid van rechtspraak te waarborgen. Onder meer om die reden is een uitbreiding van het kader niet de optimale oplossing om de werklast beheersbaar te houden.
18 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
III.
Doorlooptijd
Artikel II.308 van de Codex Hoger Onderwijs schrijft voor dat de Raad uitspraak doet binnen een ordetermijn van twintig kalenderdagen na de registratie van het beroep. Voor beroepen inzake de gelijkwaardigverklaring van een buitenlands diploma bedraagt deze ordetermijn dertig kalenderdagen. De Raad spant zich in om de ordetermijn van twintig dagen te respecteren. Een aantal aspecten die eigen zijn aan de werking van de Raad, zijn daarbij relevant. Zo is het niet mogelijk om elk inkomend dossier onmiddellijk aan een zitting toe te wijzen, omdat de samenstelling van de zetel door de decretale onverenigbaarheden afhankelijk is van de betrokken partijen (voornamelijk de betrokken instelling). Het secretariaat dient daardoor te wachten tot een voldoende groot volume aan verzoekschriften is toegekomen om na te gaan aan welke kamer en in welke samenstelling elk dossier kan worden toegewezen. Dit veroorzaakt onvermijdelijk enige vertraging in de doorlooptijd. Daarnaast is het zo dat de Raad, zoals hierboven reeds werd aangegeven, niet beschikt over ondersteunend personeel om de ingediende beroepen aan een juridisch onderzoek te onderwerpen alvorens zij aan de leden van de kamer worden overgemaakt. Daarom wordt vervolgens een termijn van een week in acht genomen om de kamervoorzitter toe te laten het dossier voor te bereiden met het oog op de zitting. Uiteraard speelt ook de globale werklast hierbij een rol. Teneinde de doorlooptijd van een zaak niettemin zo kort mogelijk te houden, wordt onmiddellijk na de behandeling van het dossier – het huishoudelijk reglement voorziet in principe in een pleitduur van vijftien minuten per partij; de complexiteit van het dossier noopt regelmatig tot een ruimer debat – beraadslaagd achter gesloten deuren. Aldus bedraagt de doorlooptijd van een dossier normaliter ongeveer een maand. Dit kan nog steeds worden beschouwd als een zeer snelle rechtsbedeling voor de partijen. Uiteraard kan de duur van de behandeling van een zaak variëren in functie van de moeilijkheidsgraad, de duidelijkheid en volledigheid van het schriftelijk dossier en de pleidooien van de partijen. Het arrest wordt vervolgens met een aangetekende zending aan de partijen bezorgd.27 Daarnaast moet worden aangestipt dat de gemiddelde omvang van de procedurestukken (in de eerste plaats het verzoekschrift en de wederantwoordnota aan de zijde van de verzoekende partij) de laatste jaren is toegenomen; verzoekschriften van 20 pagina’s of (merkelijk) meer zijn geen uitzondering meer. Ook dit draagt bij tot de complexiteit van de dossiers, en verhoogt de druk op de doorlooptijd ervan. De Raad stelt alles in het werk om de doorlooptijd onder controle te houden. Monitoringsystemen worden ter zake niet ontwikkeld, aangezien daarvoor de tijd ontbreekt. De uitwerking en uitrol van tools die de Raad moeten bijstaan in de totstandkoming van de arresten, zoals de hiervoor reeds vermelde database met zoekfunctie, krijgen voorrang. Alleszins moet worden aangestipt dat cijfers inzake de doorlooptijd bovendien slechts representatief zijn wanneer verschillende variabelen in 27
Zie art. II.307, vierde lid Codex Hoger Onderwijs.
19 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
rekening worden genomen. Gelet op het vanuit statistisch oogpunt beperkt aantal beroepen – en dus de relatief grote impact van de doorlooptijd per dossier – moet naast het bovenvermelde ook rekening kunnen worden gehouden met factoren die de doorlooptijd verlengen, maar niet aan de werking van de Raad als dusdanig toe te schrijven zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan tussenarresten die de debatten heropenen, prejudiciële procedures, vragen om uitstel door de partijen, uitstel dat wordt verleend om een Nederlandse vertaling van een anderstalig verzoekschrift in te dienen, enzovoort.
20 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
IV.
Beroepen tegen studievoortgangsbeslissingen
Met onderstaande cijfers wordt dieper ingegaan op de 212 dossiers die de Raad in het werkjaar 2019 heeft behandeld waarbij de student een studievoortgangsbeslissing wenste te betwisten. Analyses van de verzoekende partijen, het voorwerp van het verzoekschrift, de uitspraken van de Raad en de bijstand van de partijen door een raadsman komen achtereenvolgens aan bod. 1. Verzoekende partijen
Bij de verzoekende partijen worden niet enkel de genderverdeling en de geografische spreiding onder de loep genomen, maar wordt ook ingegaan op de instelling waaraan zij studeren, welke soort opleiding zij volgen en onder welk studiegebied deze opleiding valt. 1.1 Gender
Van de 212 dossiers inzake studievoortgangsgeschillen die in 2019 door de Raad werden behandeld, werden er 98 verzoekschriften ingediend door vrouwen en 114 door mannen. Er is aldus sprake van een (quasi) gelijke verdeling tussen mannen en vrouwen. Deze genderverdeling stemt evenwel niet overeen met de genderverdeling die bestaat in de inschrijvingen in het hoger onderwijs in het algemeen, met name 55% inschrijvingen van vrouwen en 45% van mannen.28
Genderverdeling
Vrouw 46%
Man 54%
De cijfers betreffen het academiejaar 2018-2019: 108.006 mannen en 132.326 vrouwen (bron: https://www.vlaanderen.be/publicaties/hoger-onderwijs-in-cijfers). 28
21 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
1.2 Geografische spreiding
Wat de geografische spreiding betreft, stellen we vast dat de meeste dossiers die door de Raad werden behandeld – op basis van woonplaatscriterium – net zoals vorig werkjaar werden ingesteld door verzoekende partijen die uit de provincie Antwerpen komen, gevolgd door Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant.29 Ter informatie: de spreiding van de bevolking in het Vlaamse Gewest in 2019 over de provincies is als volgt: Antwerpen 28,2%, Limburg 13,3%, Oost-Vlaanderen 23%, Vlaams Brabant 17,4% en West-Vlaanderen 18,1%. Met uitzondering van Limburg en WestVlaanderen is er een sterke correlatie tussen het aantal verzoekende partijen en de bevolking.30
Spreiding op basis van woonplaats verzoekende partij 70
30,0%
60
25,0%
50
20,0%
40
15,0%
30
10,0%
20
5,0%
10 0
Percentage Aantal
Brussels WestHoofdsted Vlaandere elijk n Gewest
Antwerpen
Limburg
OostVlaandere n
29,2%
6,1%
22,2%
16,0%
13,2%
62
13
47
34
28
VlaamsBrabant
0,0% WaalsBrabant
buitenland
5,7%
0,5%
7,1%
12
1
15
Verder stellen we vast dat het merendeel van de behandelde dossiers gericht was tegen instellingen uit de provincie Antwerpen, Oost-Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.31 De minste dossiers werden gericht tegen instellingen uit Limburg en WestVlaanderen.
Vgl. cijfers relatieve cijfers van studenten met een actieve inschrijving met een diplomacontract op basis van de woonplaats van de student: Antwerpen (71.652; 25,27%), Brussels Hoofdstedelijk Gewest (10.471; 3,69%), buitenland (14.170; 5,00%), Henegouwen (995; 0,35%), Limburg (29.928; 10,55%), Luik (449; 0,16%), Luxemburg (106; 0,04%), Namen (165; 0,06%), Oost-Vlaanderen (65.551; 23,11%), VlaamsBrabant (47.791; 16,85%), Waals-Brabant (957, 0,34%) en West-Vlaanderen (41.365; 14,59%). 30 Bron: Statbel.fgov. Gehele bevolking, zonder beperking in leeftijd. 31 Vgl. cijfers relatieve spreiding van hoger onderwijsinstellingen op basis van zetel, rekening houdend met fusies: Antwerpen (6; 27%), Limburg (4; 18%), Vlaams-Brabant (2; 9%), Brussels Hoofdstedelijk Gewest (4; 18%), Oost-Vlaanderen (3; 14%), West-Vlaanderen (3; 14%). 29
22 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Spreiding op basis van zetel verwerende partij 80
35,0%
70
30,0%
60
25,0%
50
20,0%
40
15,0%
30 20
10,0%
10
5,0%
0
Percentage Aantal
VlaamsBrabant
WestVlaanderen
Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Antwerpen
Limburg
OostVlaanderen
31,6%
1,9%
23,1%
16,0%
7,1%
20,3%
67
4
49
34
15
43
0,0%
1.3 Spreiding naar aard verwerende partij
Net zoals in de vorige werkjaren blijkt dat er in 2019 in het merendeel van de behandelde dossiers een universiteit als verwerende partij werd aangeduid (87 hogescholen - 120 universiteiten). Relatief gezien was in 57% van de behandelde dossiers een universiteit verwerende partij, tegenover in 41% een hogeschool.32 In één dossier volgde de verzoekende partij de HBO5-opleiding Verpleegkunde, in een ander dossier was de verzoekende partij ingeschreven in een centrum voor volwassenenonderwijs, in nog een dossier had de verzoekende partij een examen afgelegd bij een provinciaal instituut en in
Verhouding universiteit - hogeschool - andere Andere 2%
Hogeschool 41%
Universiteit 57%
Volgens “Hoger Onderwijs in Cijfers”: 120.032 studenten ingeschreven in een hogeschool en 120.300 studenten ingeschreven in een universiteit. Gegevens raadpleegbaar op: https://www.vlaanderen.be/publicaties/hoger-onderwijs-in-cijfers. 32
23 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
de twee overige dossiers ging het telkens om een leerling van het secundair onderwijs (voor deze instellingen was de Raad in het werkjaar 2019 niet bevoegd). 1.4 Soort opleiding
De meeste studenten waarvan de Raad in het werkjaar 2019 een dossier heeft behandeld, volgden een bacheloropleiding. Het gaat om 137 van de 212 dossiers. In 49 dossiers volgde de student een masteropleiding. In 21 dossiers was de student ingeschreven in het hoger onderwijs, maar niet in een initiële bachelor- of masteropleiding. Deze studenten waren meer bepaald ingeschreven in een graduaatsopleiding, in een schakel- of voorbereidingsprogramma, in een bachelor-na-bacheloropleiding, in een master-namasteropleiding, in een specifieke lerarenopleiding, in een postgraduaatsopleiding, in een doctoraatsopleiding of slechts voor enkele opleidingsonderdelen met een creditcontract. De 5 overige verzoekende partijen waren niet ingeschreven in een opleiding van het hoger onderwijs.
Soort opleiding Andere (hoger onderwijs) 10%
Andere (geen hoger onderwijs) 2%
Master 23% Bachelor 65%
1.5 Spreiding over studiegebied
De behandelde beroepen blijken over verschillende studiegebieden gespreid te zijn. Bij de hogescholen blijken de studiegebieden ‘Onderwijs’ (31 beroepen), ‘Gezondheidszorg’ (18 beroepen), ‘Sociaal-agogisch werk’ (11 beroepen) en ‘Handelswetenschappen en bedrijfskunde’ (11 beroepen) sterk te zijn vertegenwoordigd. Deze cijfers zijn evenwel niet gerelateerd aan het globale aantal studenten dat in de betrokken studierichting is ingeschreven. In de door de Raad in 2019 behandelde dossiers die universitaire opleidingen betreffen, blijkt net zoals de vorige werkjaren het studiegebied ‘Rechten, notariaat en 24 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
criminologische wetenschappen’ (25 beroepen) het sterkst vertegenwoordigd te zijn. Voor het overige is er een grote variatie wat de studiegebieden betreft. 2. Voorwerp van het verzoekschrift
Voor onderstaande analyse van het voorwerp van het verzoekschrift wordt vooreerst nagegaan welke studievoortgangsbeslissingen betwist werden. Vervolgens wordt dieper ingegaan op de examenbeslissingen en wordt bekeken op welke soort opleidingsonderdelen een beroep betrekking heeft. 2.1 Aard studievoortgangsbeslissing
De examenbeslissingen gaven in werkjaar 2019 aanleiding tot de meeste beroepen. Er waren meer bepaald 109 dergelijke dossiers. Beslissingen inzake maatregelen van studievoortgangsbewaking vormen de tweede grootste cluster (66 dossiers). Daarbij gaat het in hoofdzaak om studenten van wie de inschrijving wordt geweigerd op basis van artikel II.246 Codex Hoger Onderwijs. Dat waren met name 61 dossiers. Slechts in 5 gevallen stelde de student een beroep in om de bindende voorwaarden, die hij in het kader van studievoortgangsbewaking kreeg opgelegd, te betwisten. Betwistingen over de andere studievoortgangsbeslissingen bleven ook in werkjaar 2019 eerder beperkt. Er worden relatief weinig examentuchtbeslissingen en vrijstellingsbeslissingen voorgelegd aan de Raad.33
Onder de rubriek ‘andere’ zijn onder meer de dossiers begrepen waarbij de verzoekende partij een examen had afgelegd bij een provinciaal instituut, waarbij de verzoekende partij de HBO5-opleiding Verpleegkunde volgde en waarbij de verzoekende partij was ingeschreven in een centrum voor volwassenenonderwijs of in een instelling van het secundair onderwijs. 33
25 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Aard studievoortgangsbeslissingen 3%
2%
4% 4% 7%
51%
29%
Examenbeslissing Maatregel studievoortgangsbewaking: weigering inschrijving Toekenning vrijstelling Examentuchtbeslissing Samenstelling studieprogramma Andere Maatregel studievoortgangsbewaking: bindende voorwaarden
2.2 Soort opleidingsonderdeel bij examenbeslissingen
Binnen de dossiers waarbij de student een examenbeslissing betwist, kan nog een onderscheid worden gemaakt naargelang het soort opleidingsonderdeel waarop het beroep betrekking heeft. In de meeste gevallen wil de verzoekende partij het resultaat van een theoretisch opleidingsonderdeel betwisten (44 dossiers), maar ook stages maken vaak het voorwerp uit van een beroep bij de Raad (21 dossiers).
Soort opleidingsonderdeel bij examenbeslissingen Diploma 1%
Meerdere 5% Praktijk 17%
Theorie 40%
Proefschrift 18%
Stage 19%
26 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
3. Uitspraken van de Raad
Van de dossiers met een studievoortgangsbeslissing als voorwerp, werden er 138 van de 212 dossiers ontvankelijk verklaard (65,1%) en bijgevolg ten gronde behandeld. Van deze dossiers werden er 34 gegrond verklaard, wat overeenkomt met 24,6% van de ontvankelijke dossiers en 16% van de totaliteit. 29,2% van de dossiers werd onontvankelijk verklaard en in 5,7% van de dossiers deed de verzoekende partij in de loop van de procedure afstand van het beroep.
Arresten werkjaar 2019 120 100 80 60 40 20 0
Aantal
ontvankelijk - gegrond
34
ontvankelijk - niet gegrond
104
niet ontvankelijk
62
afstand
12
Alle ontvankelijke zaken en hun gegrondheid 2019 ontvankelijk - gegrond 25%
ontvankelijk - niet gegrond 75%
27 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Er zijn verschillende redenen waarom de Raad een dossier onontvankelijk heeft verklaard. Vaak was het verzoekschrift niet ondertekend (16 dossiers) of had de verzoekende partij voorafgaand geen intern beroep ingesteld (12 dossiers), maar het gebeurde ook dat het beroep zonder voorwerp was (10 dossiers).34
Redenen onontvankelijkheid Andere 6% Zonder voorwerp 16%
Geen intern beroep 19%
Intern beroep terecht onontvankelijk verklaard 13%
Raad niet bevoegd 13%
Laattijdig 7% Niet ondertekend 26%
4. Bijstand door een advocaat
Zowel de studenten als de instellingen kunnen zich voor de procedure bij de Raad laten bijstaan door een advocaat. Hieronder wordt daarop dieper ingegaan. 4.1 Verzoekende partij
In 2019 hebben 53 studenten zich bij de Raad laten bijstaan door een advocaat. Dit kan in elke stand van de procedure gebeuren. In de loop van de procedure kan een partij in principe echter geen nieuwe middelen meer aanbrengen. Dit betekent dat een advocaat die op een later moment in de procedure betrokken wordt, binnen de krijtlijnen van het initieel ingediende verzoekschrift zal moeten blijven. Net zoals de vorige werkjaren heeft het overgrote deel van de studenten (159) tijdens het werkjaar 2019 het dossier zelf verdedigd, zonder specifieke juridische bijstand van een advocaat in te roepen.
Onder de rubriek ‘andere’ zijn onder meer de dossiers begrepen waarbij het de verzoekende partij ontbrak aan belang, alsook de dossiers waarbij de verzoekende partij geen grieven in het verzoekschrift had opgenomen. 34
28 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Bijstand student advocaat 25%
geen advocaat 75%
De onderstaande tabel schetst een mogelijk verband tussen het inschakelen van een advocaat en het resultaat van de procedure. De percentages zijn berekend in verhouding tot het aantal zaken dat binnen een bepaalde groep behandeld is, om zodoende een correcte succesratio te berekenen. In de 159 dossiers waar de student zelf zijn zaak verdedigd heeft, werden er 18 beroepen gegrond verklaard en werden er 53 dossiers niet ontvankelijk verklaard. In de 53 dossiers waar een advocaat optrad, werden er 16 beroepen gegrond verklaard en werden er 9 dossiers niet ontvankelijk verklaard. Deze cijfers moeten echter steeds duidelijk worden genuanceerd, daar de inhoud van de dossiers zelf buiten beschouwing werd gelaten. bijstand student advocaat
ontvankelijkheid en gegrondheid ontvankelijk en gegrond
16
30,19%
ontvankelijk en niet gegrond
25
47,17%
niet ontvankelijk
9
16,98%
afstand
3
5,66%
53
100,00%
ontvankelijk en gegrond
18
11,32%
ontvankelijk en niet gegrond
79
49,69%
niet ontvankelijk
53
33,33%
9
5,66%
159
100,00%
Totaal geen advocaat
afstand Totaal
2019
212
29 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
4.2 Instelling
De instellingen doen vaker beroep op een advocaat dan de studenten. In 88 van de 212 dossiers (41,5%) werd immers een advocaat ingeschakeld om de belangen van de instelling te verdedigen.
Bijstand instelling
advocaat 42%
geen advocaat 58%
In dossiers waar de instelling zelf haar belangen verdedigde, werden 16 beroepen gegrond verklaard en werden 34 dossiers onontvankelijk verklaard. In dossiers waar een advocaat is tussengekomen, werden 18 beroepen gegrond verklaard en werden 28 dossiers onontvankelijk verklaard. Deze cijfers moeten ook hier worden genuanceerd, want de inhoud van het dossier werd buiten beschouwing gelaten. Ten slotte moet opgemerkt worden dat bij de instellingen die geen externe raadsman hebben, er vaak wel een intern juridisch adviseur is die het dossier behartigt. bijstand instelling advocaat
ontvankelijkheid en gegrondheid ontvankelijk en gegrond
18
20,45%
ontvankelijk en niet gegrond
37
42,05%
niet ontvankelijk
28
31,82%
5
5,68%
88
100,00%
ontvankelijk en gegrond
16
12,90%
ontvankelijk en niet gegrond
67
54,03%
niet ontvankelijk
34
27,42%
7
5,65%
124
100,00%
afstand Totaal geen advocaat
afstand Totaal
2019
212
30 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
De Raad waardeert de aanwezigheid van de partijen op de zitting. Gelet op de korte termijnen waarbinnen de Raad uitspraak moet doen, biedt dit immers in voorkomend geval de mogelijkheid de partijen te bevragen omtrent feitelijke aspecten die in de schriftelijke stukken niet of minder uitgebreid aan bod zijn gekomen. In dat opzicht moedigt de Raad aan dat wanneer, in specifieke gevallen, de aard van de betwisting daartoe aanleiding geeft, ook de betrokken docent, stagebegeleider e.d. op de zitting aanwezig zou zijn. De ervaring in voorgaande dossiers leert immers dat wanneer bijvoorbeeld middelen worden opgeworpen die concreet betrekking hebben op het feitelijk verloop van een opleidingsonderdeel of een stage, het kunnen bevragen van de titularis bijzonder verhelderend kan zijn.
31 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
V.
Leerkredietdossiers
Met onderstaande cijfers wordt dieper ingegaan op de 671 leerkredietdossiers die de Raad in het werkjaar 2019 heeft behandeld. Hierbij wordt eerst ingegaan op de verzoekende partijen die een verzoek tot terugvordering van leerkrediet wegens overmacht bij de Raad hebben ingediend, waarna een analyse van de uitspraken volgt. 1. Verzoekende partijen In werkjaar 2019 werden 671 dossiers behandeld waarbij de student een terugvordering van het leerkrediet beoogde. Van deze dossiers werden er 325 ingediend door mannen en 346 door vrouwen, zodat er aldus sprake is van een (quasi) gelijke verdeling tussen mannen en vrouwen.
Genderverdeling
Vrouw 52%
Man 48%
In de meeste dossiers waarin de student een terugvordering van het leerkrediet beoogde, werd een universiteit als ‘verwerende partij’ aangeduid (232 hogescholen - 439 universiteiten). Relatief gezien was in 65% van de behandelde dossiers een universiteit ‘verwerende partij’, tegenover in 35% een hogeschool.
32 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Verhouding universiteit - hogeschool
Hogeschool 35%
Universiteit 65%
Net zoals de vorige werkjaren werden er dus opvallend meer verzoekschriften ingediend door studenten aan universiteiten. De Raad ziet geen eenduidige verklaring voor deze cijfers. In het academiejaar 2018-2019 zijn er immers ongeveer evenveel inschrijvingen geregistreerd bij de hogescholen als bij de universiteiten.35 Een meer gelijke verdeling lijkt dan in de lijn van de verwachtingen te liggen. Een eerste mogelijke verklaring kan zijn dat de professionele bacheloropleidingen korter zijn dan universitaire opleidingen, die immers bestaan uit een bachelor en een master. Het is niet uitgesloten dat aldus de studenten aan de hogeschool met een gelijkaardig studieparcours minder snel nood hebben aan teruggave van leerkrediet om hun studies te kunnen afronden. Anderzijds is het ook niet uitgesloten dat het systeem van de terugvordering van leerkrediet onder de universiteitsstudenten beter gekend is. In voorkomend geval kan de informatieverstrekking in de hogescholen mogelijk worden geoptimaliseerd. Ter zake zou bijvoorbeeld kunnen worden overwogen dat op het puntenblad waarop een code verschijnt die duidt op afwezigheid van de student op een examen (bv. ‘A’), automatisch ook een tekst verschijnt die de student wijst op de mogelijkheid tot terugvordering van leerkrediet in geval van overmacht. Dit hoeft geen vermelding van de volledige procedure te zijn; een verwijzing naar de vindplaats van de relevante informatie volstaat. Die tussenstap kan ook vermijden dat studenten nutteloos (bv. voorbarig) leerkrediet terugvorderen. Alleszins is de Raad van oordeel dat het van belang is dat studenten tijdig en afdoende worden geïnformeerd, zodat zij ook tijdig een procedure tot terugvordering van leerkrediet wegens overmacht kunnen instellen.36
35 Volgens “Hoger Onderwijs in Cijfers”: 120.032 inschrijvingen in een hogeschool en 120.300 inschrijvingen
in een universiteit. Gegevens raadpleegbaar op: https://www.vlaanderen.be/publicaties/hoger-onderwijsin-cijfers. 36 Wanneer terugvorderingen van leerkrediet betrekking hebben op een verder verleden, wordt de student vaker geconfronteerd met problemen rond het verzamelen van de vereiste (medische) bewijsstukken omtrent de ingeroepen overmacht.
33 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
2. Uitspraken van de Raad
Van de dossiers inzake leerkrediet werden er 654 van de 671 ontvankelijk verklaard (97,5%) en bijgevolg ten gronde behandeld. Van deze dossiers werden er 470 (al dan niet gedeeltelijk) gegrond verklaard, wat overeenkomt met 71,9% van de ontvankelijke dossiers en 70% van de totaliteit. Dit is ongeveer hetzelfde als in werkjaar 2018, toen 69% van de behandelde leerkredietdossiers ontvankelijk en gegrond werd verklaard. In 16 dossiers (2,4%) besloot de Raad tot de niet-ontvankelijkheid ervan. Dit gebeurde telkens omdat het verzoekschrift niet ondertekend was. Dit verhindert evenwel niet dat de student een nieuw, ondertekend verzoekschrift indient. Daarnaast was er één verzoekende partij die afstand heeft gedaan van het beroep. Tijdens het werkjaar 2019 werd er door de Raad een teruggave van het leerkrediet bevolen voor een totaal van 15.927 studiepunten. Dit is bijna een verdubbeling in vergelijking met vorig werkjaar, toen een teruggave van 8.071 studiepunten werd bevolen. Het is bovendien ook opvallend meer dan de twee werkjaren daarvoor, de werkjaren 2016 en 2017, toen respectievelijk de teruggave van 10.952 en 10.989 studiepunten werd bevolen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de Raad in werkjaar 2019 bijzonder veel dossiers inzake leerkrediet heeft behandeld (671 dossiers, in vergelijking met bv. 347 dossiers in werkjaar 2018).
Arresten werkjaar 2019 - leerkredietdossiers 500 450 400 350 300 250 200 150 100 50 0
Aantal
ontvankelijk - gegrond
470
ontvankelijk - niet gegrond
184
niet ontvankelijk
16
afstand
1
34 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
Alle ontvankelijke zaken en hun gegrondheid 2019 leerkredietdossiers ontvankelijk - niet gegrond 28%
ontvankelijk - gegrond 72%
35 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019
VI.
Beslissingen inzake gelijkwaardigheid buitenlandse diploma’s
De derde en laatste categorie van dossiers die de Raad behandelt, zijn de beroepen tegen negatieve beslissingen inzake de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma met een Vlaams diploma of met een Vlaamse graad. Ook hier wordt eerst ingegaan op de verzoekende partijen. Nadien komen de uitspraken aan bod. 1. Verzoekende partijen
In werkjaar 2019 werden 17 beroepen behandeld waarin een student een gelijkwaardigheid van het buitenlands diploma wilde bekomen. Zeven verzoekschriften werden ingediend door mannen, in tien dossiers was de verzoekende partij een vrouw. De meesten (9) beoogden een gelijkwaardigheid van het buitenlands diploma met een Vlaamse mastergraad, maar er waren ook zeven verzoekende partijen die de gelijkwaardigheid met de Vlaamse bachelorgraad wensten. Daarnaast was er nog één verzoekende partij die de gelijkwaardigheid met de Vlaamse graad van “Gegradueerde verpleegkunde HBO-5” beoogde. De 17 verzoekende partijen kwamen uit 11 verschillende landen. Er waren meerdere verzoekende partijen uit de Filipijnen (3), Egypte (3), het Verenigd Koninkrijk (2) en Spanje (2). 2. Uitspraken van de Raad
Van de beroepen tegen negatieve beslissingen inzake de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma’s werden 5 van de 17 dossiers ontvankelijk verklaard (29,4%) en bijgevolg ten gronde behandeld. In twee van deze dossiers werd het beroep gegrond verklaard. De drie andere beroepen waren niet gegrond. In 10 dossiers (58,8%) besloot de Raad tot de niet-ontvankelijkheid ervan. Dit gebeurde omdat het beroep zonder voorwerp was (7 dossiers), omdat het verzoekschrift geen middelen bevatte (2 dossiers) of omdat de Raad niet bevoegd was (1 dossier). In de overige 2 dossiers (11,8%) hebben de verzoekende partijen besloten om afstand te doen van hun beroep.
36 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2019