Bijdrage Vlaamse administratie aan het regeerprogramma
van de aantredende Vlaamse regering
Deel 8
Economie, Werkgelegenheid en Toerisme
Inhoudstafel Voorwoord .............................................................................................................. 4 1
Omgevingsanalyse ...................................................................................................... 5 1.1
Demografische evoluties ...................................................................................... 5
1.1.1 Vergrijzing en ontgroening: een lust en een last................................................. 5 1.1.2 Migratie: bedreiging of uitdaging? ...................................................................... 6 1.2
Economisch gerelateerde evoluties....................................................................... 8
1.2.1 Welvarend Vlaanderen is geen evidentie in de toekomst ..................................... 8 1.2.2 Internationalisering bepalend voor Vlaanderen .................................................. 9 1.2.3 Sectorale structuur in verandering ...................................................................... 9 1.2.4 Conjunctuurgevoelige economie, met aantal structurele kenmerken ................. 10 1.2.5 Ondernemerschap: maatschappelijke verantwoording gevraagd achillespees .... 12 1.2.6 Financieel kapitaal: bij wie aankloppen?............................................................ 14 1.3
Technologische innovatie - kennismaatschappij................................................. 16
1.3.1 Innovaties: een probleem van afstemming ........................................................ 16 1.3.2 Menselijk kapitaal: gevarieerd beeld ................................................................. 18 1.4
Sociaal-culturele ontwikkelingen........................................................................ 21
1.4.1 De samenleving vandaag: multicultureel, duaal ................................................ 21 1.4.2 Preferenties...................................................................................................... 22 1.4.3 Zingeving en kwaliteit van leven en arbeid........................................................ 23 1.5
Ontwikkelingen tussen mens en omgeving ......................................................... 25
1.5.1 Infrastructuur als vestigingsfactor voor bedrijven ............................................. 25 1.5.2 Infrastructuur als motor voor economische ontwikkeling .................................. 26 1.5.3 People-planet-profit: de weg naar de toekomst? .............................................. 26 1.5.4 Natuurlijke rijkdommen.................................................................................... 27 1.6
Evoluties in besluitvorming – de rol van de overheid........................................... 28
1.6.1 Vele overheden hebben een vinger in de pap.................................................... 28 1.6.2 Nieuwe overheidstendensen ............................................................................. 30 1.6.3 De inhoudelijke kennis van de Vlaamse overheid .............................................. 31 1.7
2
Sterkten, zwakten, opportuniteiten en bedreigingen van het Vlaams sociaal-
economisch weefsel ........................................................................................... 33
Uitdagingen ..................................................................................................... 37 2.1
Vlaanderen laten uitgroeien tot een ondernemende regio ................................... 37 1
2.2
Behouden en ontwikkelen van een competitief, duurzaam en vernieuwend economisch weefsel,
dat zorgt voor de creatie van toegevoegde waarde en
tewerkstelling .................................................................................................... 39 2.3
Verhogen van de arbeidsdeelname, met bijzondere aandacht voor de
kansengroepen .................................................................................................. 41
2.4
Vlaanderen laten uitgroeien tot een lerende regio .............................................. 43
2.5
Vlaanderen laten uitgroeien tot een innoverende regio ....................................... 45
2.6
Het potentieel van Vlaanderen met inbegrip van Brussel als toeristische bestemming ten volle benutten .......................................................................... 47
2.7
Het afstemmen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, via het wegwerken en
voorkomen van structurele knelpunten .............................................................. 49
2.8
Voeren van een doordacht en geïntegreerd migratie- en integratiebeleid ........... 51
2.9
De kwaliteit van werken en leven verbeteren ...................................................... 53
2.10 Naar een economisch onderbouwd bedrijfshuisvestings- en infrastructurenbeleid55 2.11 Duurzaam omspringen met energie en natuurlijke rijkdommen.......................... 58 2.12 Bevorderen van een gezonde marktwerking op de geliberaliseerde energiemarkt en regulering van het natuurlijke monopolie van de distributienetten, en het
vrijwaren van duurzame en sociale doelstellingen .............................................. 60 2.13 Investeren in een kwaliteitsvolle en slagkrachtige overheidsorganisatie ............. 62
3
Bijlagen ...................................................................................................................... 66 3.1
Ideeënfiches....................................................................................................... 66
3.2
Kernindicatoren ............................................................................................... 124
3.2.1 Economie ....................................................................................................... 124 3.2.2 Werkgelegenheid............................................................................................ 127 2.2.3 Toerisme........................................................................................................ 130 3.3
Ambtelijke organisatie ..................................................................................... 135
3.3.1 Huidige structuur ........................................................................................... 135 3.3.1.1
Beleidsdomein Economie .................................................................... 135
3.3.1.2
Beleidsdomein Werkgelegenheid ........................................................ 135
3.3.1.3.
Beleidsdomein Toerisme .................................................................... 135
3.3.2 Structuur na hervorming BBB .......................................................................... 136 3.4
Budgettaire massa ........................................................................................... 137
3.4.1 Economie ....................................................................................................... 137 3.4.2 Werkgelegenheid............................................................................................ 137 3.4.3 Toerisme........................................................................................................ 139 2
Bibliografie.......................................................................................................... 140 Lijst van afkortingen............................................................................................ 142
3
Voorwoord Deze bijdrage aan het regeerakkoord vanwege het ministerie is de eerste waarin de beleidsvelden Economie, in elkaars verlengde, maar geregeld zijn ze conflicterend en ligt een andere dynamiek aan deze beleidsvelden ten grondslag. In de voorliggende bijdrage hebben wij ons niet gewaagd aan een doeloriëntatie van het beleidsdomein EWT. Dit is niet onze taak. Het is evenmin een makkelijke opgave. Het is een balanceren tussen de verschillende krachten en belangen die op wereldschaal en in Vlaanderen aanwezig zijn. Het is het zoeken naar het juiste evenwicht tussen bijvoorbeeld Werkgelegenheid en Toerisme geïntegreerd worden benaderd. Deze beleidsvelden zijn onvermijdelijk met elkaar verbonden. Enerzijds ondervinden zij een impact van de huidige maatschappelijke evoluties. Anderzijds beïnvloeden deze drie domeinen elkaar. Een geïntegreerde aanpak kan daarom beslist leiden tot een meer krachtdadig overheidsoptreden. Wanneer alle aspecten in hun onderlinge samenhang benaderd worden, komt de doeloriëntatie van het beleidsdomein EWT in een ander daglicht te staan. Vaak liggen de doelstellingen van economie, werkgelegenheid en toerisme economische belangen, duurzaamheid, werkgelegenheid, ruimte voor recreatie en individueel en maatschappelijk welzijn. De cruciale vraag voor de toekomst is volgens ons hoe constructief met de verschillende belangen kan worden omgegaan met het oog op welzijn én welvaart in de samenleving. In de tekst werden waar mogelijk linken gelegd. De opbouw van deze tekst is als volgt. In een eerste deel worden zes globale tendensen binnen het beleidsdomein EWT geschetst, met hun specifieke gevolgen. Dit vormt de basis voor een SWOT-analyse, die dit deel sluit. De SWOT-analyse vormt het uitgangspunt voor deel twee, dat bestaat uit de grote uitdagingen en daaraan verbonden denkpistes. Vele denkpistes ondersteunen meerdere uitdagingen. De denkpistes kaderen vooral binnen de huidige bevoegdheden van de Vlaamse overheid, maar geven waar nodig aan op welke vlakken samenwerking met de federale overheid nodig is, of waar een wijziging in de bevoegdheidsverdeling is aangewezen. De bijlagen bevatten nuttige achtergrondinformatie voor de drie beleidsvelden. In bijlage 1 vindt u concrete ideeënfiches. Daarna vindt u achtereenvolgens: kerncijfers (bijlage 2), de ambtelijke organisatie (bijlage 3) en de budgettaire massa (bijlage 4). Indien u als lezer snel door de tekst wil gaan, bekijkt u best de SWOT-analyse aan het eind van deel 1 van de tekst (p. 32-35) en de grote uitdagingen in deel 2 van deze tekst (p. 36-63).
4
1
OMGEVINGSANALYSE 1.1
Demografische evoluties
1.1.1 Vergrijzing en ontgroening: een lust en een last? Vlaanderen
wordt
net
als
de
andere
westerse
geïndustrialiseerde
landen
geconfronteerd met een toenemende vergrijzing. Door het lage geboortecijfer en de
toenemende levensduur zien we twee bewegingen: enerzijds neemt het aandeel zestig-plussers toe (vergrijzing) en anderzijds krimpt het aandeel van de bevolkings-
groep jonger dan twintig jaar. Dit heeft, bij ongewijzigd beleid, diverse gevolgen.
De sociale zekerheid onder druk
De afhankelijkheidsgraad, of de verhouding tussen de niet-actieve en potentieel actieve bevolking, is in Vlaanderen minder gunstig in vergelijking met het Europese gemiddelde (1,26 in Vlaanderen tegenover 1,12 in EU-15 en 1,09 in EU-3 in 2002) en daalde zeer geleidelijk tussen 1997 en 2002. De oorzaak hiervan is de geringe arbeidsdeelname van de jongeren, en vooral van de ouderen. De werkzaamheidsgraad van 50-plussers in Vlaanderen behoort tot de laagste in Europa (40,6% in Vlaanderen tegen 51,7% in EU-15 in 2002). Tot 2005 zou de afhankelijkheidsgraad op hetzelfde peil blijven; daarna zou ze stijgen. In de toekomst zullen steeds minder actieven (werkenden) via hun sociale zekerheidsbijdragen instaan voor de inkomensondersteuning (o.m. pensioenen) van steeds meer niet-actieven. In de pensioenen wordt dit vanaf 2010 duidelijk voelbaar, wanneer de naoorlogse babyboomgeneratie de leeftijd van 65 jaar zal hebben bereikt. In de ziekteverzekering is dit nu reeds het geval, door de toenemende levensduur, de snelle ontwikkeling van de medische technologie en de stijgende ziektekosten voor hoogbejaarden. Dit alles legt een hypotheek op de levensvatbaarheid van ons sociale zekerheidssysteem. Ouderen: spanningsveld tussen productiviteit en lonen
De potentieel beroepsactieve bevolking zal eveneens sterk veranderen. Thans zijn er nagenoeg evenveel 20 tot 39-jarigen als 40- tot 65-jarigen. Dit evolueert snel naar een situatie met een dominant overwicht van de oudere leeftijdsgroep. Volgens een onderzoek bij Nederlandse ondernemingen (2001) scoren ondernemingen met een hoog aandeel oudere werknemers relatief minder goed op het vlak van productiviteit en innovatie. De productiviteit van een werknemer zou toenemen en een hoogtepunt bereiken op de leeftijd van iets boven de vijftig jaar. Daarna volgt een sterke daling. De verhouding tussen productiviteit en loonkosten is daarom ongunstig voor werknemers vanaf 55 jaar. Een vergelijkbare studie 10 jaar terug toonde aan dat het omslagpunt in productiviteitsontwikkeling toen tussen 40 en 45 jaar lag. De verschuiving kan een gevolg zijn van de toegenomen aandacht voor ouderen in het personeelsbeleid. Uit analyses blijkt dat interne cursussen en scholing die leiden tot niveauverhoging en prestatiebeloning ‘iets’ doen. Tot slot moet worden aangehaald dat niet alleen het aandeel 55-plussers toeneemt maar ook het aandeel van de leeftijdscategorie daaronder, die juist wel een hoge productiviteit heeft. De vergrijzing heeft echter een mogelijk opwaarts effect op het gemiddelde loonniveau, waardoor de verhouding tussen de loonkosten en de productiviteit ongunstiger wordt.
5
Vergrijzing leidt tot nieuwe noden en tewerkstelling
De vergrijzing zal in de komende jaren leiden tot een stijgende vraag naar zorgfuncties en diverse diensten. Dit heeft een gunstige tewerkstellingsevolutie in de zorgsector tot gevolg, met een groot potentieel aan jobs voor zowel hoger als lager gekwalificeerden. Onder maximalistische hypothesen neemt de vraag naar beroepskrachten de komende 20 jaar met 40% toe (40.000 VTE of 60.000 personen). De noodzakelijke instroom ter vervanging van diegenen die op pensioen gaan, bedraagt nog eens 56.000 personen. De potentiële instroom aan arbeidskrachten ligt tussen 94.000 en 160.000. Om tekorten te vermijden moet de instroom van arbeidskrachten in zorgberoepen op een hoog niveau aangehouden worden, onder meer door een ruime instroom vanuit alle bestaande opleidingen (met een opwaardering van het technisch en beroepsonderwijs) en de creatie van nieuwe opleidingen. Daarnaast merken we vandaag dat de ouderen meer dan vroeger deelnemen aan het vakantiegebeuren, mede doordat de senioren gezonder zijn en over een hoger besteedbaar inkomen beschikken. Dit segment vraagt een kwalitatief hoogstaand toeristisch product met aangepaste activiteiten die gemakkelijk bereikbaar zijn. Veiligheid en ‘convenience’ zijn belangrijke elementen in dit nieuwe aanbod. Ook dit nieuwe marktsegment zal leiden tot meer werkgelegenheid. 1.1.2 Migratie: bedreiging of uitdaging?
Het aandeel vreemdelingen in het Vlaamse Gewest is reeds geruime tijd betrekkelijk stabiel, met waarden net onder de 5%, wat neerkomt op het EU-gemiddelde. De laatste jaren daalt het aandeel vreemdelingen in de Belgische bevolking lichtjes, als gevolg van de versoepelde naturalisatiewetgeving. Onder de buitenlanders zijn er in het Vlaamse Gewest naar verhouding meer personen afkomstig uit landen van buiten de Europese Unie. Niet-Belgen hebben in Vlaanderen veel minder vaak een job dan Belgen
De werkloosheidsgraad van EU-inwoners (niet-Belgen) en niet EU-inwoners in Vlaanderen ligt veel hoger dan die van de personen met een Belgische nationaliteit (respectievelijk 8,4% en 25,3% tegenover 4,5% voor de Vlamingen in 2002). In de buurlanden en gemiddeld voor de EU is deze kloof veel kleiner. De werkzaamheidsgraad van de niet EU-bevolking in België bedraagt in 2002 37,5%. Dit is veel lager dan het gemiddelde voor de totale beroepsbevolking in Vlaanderen (63,5%). De werkende niet EUbevolking is veelal tewerkgesteld in een precair statuut als seizoenarbeider, uitzendkracht of in een deeltijdse job. Deze personen werken vaker in KMO’s en zijn vooral terug te vinden in volgende sectoren: advies en bijstand aan ondernemingen en personen, selectie en terbeschikkingstelling van personeel en industriële reiniging, horeca. Dit zijn tegelijkertijd ook sectoren waar de verloning zwak is. Goed betaalde tertiaire sectoren lijken nog niet toe aan een gemengd personeelsbestand. Dit geldt ook voor de publieke sector, maar recente wetgevende initiatieven zullen hierin verandering brengen. Ook Belgen van niet-Europese afkomst hebben het moeilijk op de arbeidsmarkt
De stabiliteit van het aantal vreemdelingen verhult dat het aantal Belgen van buitenlandse afkomst toeneemt. Ook Belgen van allochtone afkomst hebben het blijvend moeilijk op de Vlaamse arbeidsmarkt. Het aandeel niet-werkende werkzoekenden met een niet-Europese etniciteit neemt tussen 2002 en 2003 met bijna 21% toe, tegenover een gemiddelde toename voor Vlaanderen van 14,7%. Zoals voor de niet-Belgen is dit een gevolg van het feit dat deze personen vaak laaggeschoold zijn en van directe en indirecte discriminaties op de arbeidsmarkt.
6
Impact migratie uit nieuwe EU-landen naar verwachting beperkt
In mei 2004 traden 10 nieuwe lidstaten toe tot de EU. Voor deze nieuwe lidstaten, met uitzondering van Malta en Cyprus, zou er in de meeste van de huidige lidstaten (behalve Duitsland en Oostenrijk, die een vrijwaringsclausule konden inbouwen) wel vrij verkeer van goederen en diensten zijn, maar kan er voor het vrij verkeer van werknemers een overgangsperiode in acht worden genomen. België zou een overgangperiode van 2 jaar inroepen (tot mei 2006). Na een evaluatie zou de overgangsperiode met 3 jaar verlengd kunnen worden (tot mei 2009). Bij een ernstige verstoring van de arbeidsmarkt kan deze periode nogmaals met 2 jaar verlengd worden (tot mei 2011). Onderzoekers verwachten een beperkte migratie vanuit de nieuwe EU-lidstaten naar Vlaanderen. Niettemin kunnen tijdens de fase van convergentie van de economische stelsels wel gevolgen verwacht worden voor bepaalde segmenten van de arbeidsmarkt, zoals voor de lager geschoolden in de industrie of dienstverlening, door arbeiders die aangetrokken worden door de grote loonverschillen of door re-lokalisatie van ondernemingen naar deze landen. Op middellange termijn (5 à 15 jaar) wordt verwacht dat ook hoger geschoolden uit de toetredende landen zich bij ons zullen aanbieden. Daarnaast zullen ook nieuwe EU-ambtenaren, lobbypersoneel en familieleden zich in Vlaanderen vestigen. Voor het Vlaamse Gewest wordt deze instroom geschat op 10.000 nieuwe residenten. De studies die tot heden gerealiseerd werden hebben meestal betrekking op het vrij verkeer van werknemers. Het is echter zo dat veel werknemers uit de bedoelde landen gedurende de jaren '90 reeds gebruik maakten van de associatie-akkoorden (de zogenaamde PECO-akkoorden) en op zelfstandige basis naar België kwamen. Een overgangsmaatregel met betrekking tot het vrij verkeer van werknemers zal daarenboven deels uitgehold worden door integrale toepassing van het vrij verkeer van goederen en diensten. Arresten van het Europees Hof stellen immers dat het vrij verkeer van goederen en diensten prevaleert op de werknemers die de dienst komen uitvoeren. Een Poolse dienstverlener kan dus met zijn werknemers een dienst in België uitvoeren, zonder dat enige bijkomende belemmering kan opgelegd worden. De loons- en arbeidsvoorwaarden dienen wel gerespecteerd te worden, doch dit blijkt moeilijk controleerbaar. Deze mogelijkheid kan voor misbruiken en mistoestanden zorgen. Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat niet het vrij verkeer van werknemers, maar wel het vrij verkeer van goederen en diensten, inclusief de werknemers die betrokken zijn bij de uitvoering ervan, voor arbeidsverstorende effecten kunnen/zullen zorgen. M.b.t. de residenten van de nieuwe lidstaten die vandaag in het zwarte of grijze circuit in Vlaanderen werken, zijn geen gegevens beschikbaar. De vraag is of ook deze personen, die hier vandaag veelal met een toeristenvisum verblijven, zich permanent in Vlaanderen zullen vestigen.
7
1.2
Economisch gerelateerde evoluties
1.2.1 Welvarend Vlaanderen is geen evidentie in de toekomst
Vlaanderen is een welvarende regio: het realiseerde in 2001 een BBP/inwoner van 24.357 euro en presteert hiermee beter dan de EU-15 (23.210 euro). Hiermee bevindt Vlaanderen zich bij de best presterende Europese lidstaten. Het BBP/inwoner kan opgesplitst worden in drie factoren: het bevolkingsprofiel, de werkzaamheidsgraad en de arbeidsproductiviteit. In vergelijking met andere Europese landen/regio’s kent Vlaanderen een ongunstig bevolkingsprofiel. Slechts 65,5% van de Vlaamse bevolking bevindt zich op arbeidsleeftijd (15-64 jaar), tegenover 67% in de EU-3 in 2000. De welvaart in Vlaanderen wordt eveneens negatief beïnvloed door de lage werkzaamheidsgraad (62,9% in 2003, tegenover 64,2% voor EU-15). De welvaartscreatie is vooral het gevolg van de hoge arbeidsproductiviteit in individuele sectoren, en niet door een economische structuur die sterk gericht is op hoogproductieve sectoren. In vergelijking met enkele Europese groeiregio’s blijkt het productiviteitsvoordeel de laatste jaren echter af te nemen en zelfs om te buigen in een nadeel. 1.2.2 Internationalisering bepalend voor Vlaanderen Een open, en dus conjunctuurgevoelige economie
De Vlaamse economie is enorm open en sterk afhankelijk van de internationale omgeving. De Vlaamse overheid kan de richting van de economische beweging dus moeilijk alleen wijzigen. De openheid van de Vlaamse economie uit zich in de exportcijfers. De totale waarde van de Vlaamse export was 10% hoger dan het BBP van Vlaanderen. Dit is een gevolg van het feit dat Vlaanderen, samen met Zuid-Nederland, de logistieke draaischijf is van Europa. De transport- en logistieke sector levert een belangrijke bijdrage tot groei en werkgelegenheidscreatie in Vlaanderen. Vooral de EDC’s binnen de transport- en distributiesector creëren de meeste toevoegde waarde. De ontwikkeling van innovatieve ICT-toepassingen is van essentieel belang voor de concurrentiekracht van deze sector. Omwille van de centrale positie van Vlaanderen met als hoofdstad Brussel, tevens de Europese hoofdstad, moet Vlaanderen zijn sterke positie kunnen handhaven. Meer dan driekwart van de Vlaamse export gaat naar de EU, zodat de hele Europese markt relevant is voor de Vlaamse ondernemingen. De handel met de kandidaat-lidstaten is de jongste jaren zeer sterk toegenomen, maar nog beperkt in de totale Vlaamse handel. De vele handelsopportuniteiten door de economische integratie tussen de EU en de landen van Centraal- en Oost-Europa werden benut en de Vlaamse ondernemingen zijn aanwezig op de Centraal- en Oost-Europese markten. Het globale effect op de werkgelegenheid is positief, maar beperkt, en de effecten zijn niet dezelfde in alle sectoren: in bepaalde sectoren is er een netto jobcreatie, terwijl de werkgelegenheid in andere (arbeidsintensieve) sectoren negatief wordt beïnvloed door de groeiende concurrentie vanuit de nieuwe lidstaten. In geval van export naar niet-Europese landen speelt de sterkte van de Euro een rol. De sterke Euro tijdens de laatste maanden van 2003 en begin 2004 is een onzekere factor in het prille economische herstel. De andere zijde van de economische openheid uit zich in de grote invoerstromen die Vlaanderen kent. Vlaanderen is voornamelijk ‘klant’ van de EU, zij het minder uitgesproken dan aan de uitvoerzijde.
8
Buitenlandse investeringen belangrijk, maar tanend
Een derde aspect van de openheid van de Vlaamse economie is het grote aantal buitenlandse investeringen dat Vlaanderen aantrekt. De stock van inkomende buitenlandse investeringen ligt voor België veel hoger dan voor de overige EU-lidstaten (in 2000 174% van het BBP, voor andere landen ligt dit ver beneden 100%). De aanwezigheid van buitenlandse ondernemingen in Vlaanderen is enorm belangrijk voor de economie. De activiteiten van buitenlandse ondernemingen zijn, meer dan in andere landen, verantwoordelijk voor een groot deel van de werkgelegenheid en toegevoegde waarde. Sinds enkele jaren wordt echter vastgesteld dat buitenlandse ondernemingen hun initiatieven in Vlaanderen terugschroeven of zelfs volledig stopzetten zonder dat hier voldoende nieuwe buitenlandse investeringen tegenover staan. Daarnaast wordt een tendens naar kleinere projecten vastgesteld. Impact op toerisme: verticale integratie, niches
De touroperator had vroeger vooral de rol van groothandelaar die producten zoals vliegtuigzetels en hotelkamers in bulk verkocht aan reisbureaus. De laatste jaren gaan ook touroperators, vliegtuigmaatschappijen en hotelketens rechtstreeks aan de klant verkopen, net zoals de reisbureaus. Bovendien evolueert de reismarkt van een markt met hoofdzakelijk binnenlandse ondernemingen naar een markt met een handvol grote dominante groepen, die actief zijn in alle belangrijke Europese markten en verticaal geïntegreerd zijn. Er blijven nog wel een zeer groot aantal kleine bedrijven actief, vooral in bepaalde nichesegmenten. Deze trend zal zich waarschijnlijk verderzetten. Conjunctuur beïnvloedt (toeristische) bestedingen
De toeristische sector is zeer gevoelig voor conjunctuurschommelingen en de koopkracht van de Vlaamse gezinnen. De schommelingen in de toeristische bestedingen zijn zelfs veel groter dan de schommelingen in de economische indicatoren. Er bestaat een gelijklopend patroon tussen de groei in de reisbestedingen en de evolutie van het consumentenvertrouwen. 1.2.3 Sectorale structuur in verandering Tertiairisering
In Vlaanderen neemt het belang van de industrie in termen van werkgelegenheid af ten voordele van de dienstensector. De toegevoegde waarde in constante prijzen van de industriële sectoren blijft wel op peil. Deze desindustrialisering was echter minder verregaand dan in de overige Belgische gewesten. Er bestaat wel een sterke verwevenheid tussen de industrie en dienstensector. Steeds meer bedrijven richten zich op hun basisactiviteit en besteden minder fundamentele processen uit. De verminderde participatie van ouderen is een van de gevolgen van dit tertiairiseringsproces, aangezien het o.m. leidde tot een vervroegde uitstoting uit de arbeidsmarkt. De sterke productiviteitsgroei in de industrie als reactie op de hoge en stijgende loonkosten ligt mede aan de basis hiervan. Ook hebben buitenlandse ondernemingen in toenemende mate de minst productieve activiteiten gedelokaliseerd uit België. Specialisatie in meer traditionele industriële sectoren
Uit een analyse van de Vlaamse industrie komt de sterke positie en specialisatie in de chemische sector, de automobielsector, de textielsector en de voedingssector naar voor. Deze sectoren kennen op wereldvlak echter geen sterke marktgroei en tussen 2001 en 2002 kampten ze bijna allemaal met een dalende tewerkstelling. De sectoren die op wereldschaal het snelst groeien (de ‘audio-, video- en telecomapparaten’ en ‘kantoormachines en computers’) worden gekenmerkt door een kennisintensiviteit, maar zijn in Vlaanderen slechts goed voor 2,6% van de totale tewerkstelling in de secundaire sector.
9
De specialisatie van Vlaanderen in de meer traditionele sectoren betekent niet dat kennis niet van belang is in deze sectoren. Het is dankzij het succesvol doorvoeren van innovatie dat ze nog actief zijn in Vlaanderen. De kennis in deze sectoren blijkt echter in hogere mate imiteerbaar te zijn. Verwacht wordt dat een aantal van deze sectoren zich dankzij de innovaties en de sterke niches (textiel, voeding, chemie) kunnen handhaven. Een aantal sectoren zullen moeten omgaan met strengere milieunormen, terwijl andere duidelijk onder sterke concurrentiedruk staan van Centraal-Europese en Aziatische landen waar de lonen lager zijn (auto-assemblage). Achterop hinkende dynamiek in dienstensectoren met productiviteits- en outputgroei
De Vlaamse dynamiek van de dienstensectoren die op wereldvlak de sterkste productiviteits- en outputgroei kennen nl. de transportsector, de post- en telecommunicatiesector en de financiële dienstverlening hinkt achterop. Factoren zoals het gebruik van ICT en liberalisering blijken positief gecorreleerd te zijn met de prestaties van dienstensectoren. In vergelijking met andere landen zijn in Vlaanderen de dienstensectoren communicatie en gezondheidszorg weinig vrijgemaakt. Tussen 1997 en 2002 nam de tewerkstelling in de toeristische sectoren met bijna 20% toe. De groeisegmenten zijn de sectoren van overnachtingen, de dienstverlening die verband houdt met evenementen en kunst, en deze m.b.t. sport. Opmars van de quartaire sector
De quartaire sector blijft in expansie en bleek tot nog toe immuun voor de economische achteruitgang. Tussen 2001 en 2002 zijn er zelfs meer dan 13.000 jobs bijgekomen (+2,1%). De social profit (+6.500 banen in de maatschappelijke dienstverlening, ziekenhuizen en overige gezondheidszorg, cfr. sociale maribel) en het onderwijs waren de koplopers m.b.t. jobcreatie, gevolgd door het openbaar bestuur. 1.2.4 Een conjunctuurgevoelige arbeidsmarkt, met een aantal structurele kenmerken Neergaande conjunctuur als hakmes op de arbeidsmarkt
Als gevolg van de piek in de economische conjunctuur bereikte de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen in 2000 reeds haar huidige peil van 63,5%. T.o.v. 1997 is dit een toename met 2,1 procentpunt, of ruim 100.000 werkenden. Recente gegevens tonen dat een economische groei van minstens 1,5% nodig is om een stijging van de tewerkstelling teweeg te brengen. Rekening houdend met de daling van de bevolking op beroepsactieve leeftijd rond 2010 lijkt het Europese streefdoel van 70% tegen 2010 veraf. Ondanks de tekenen van een zacht economisch herstel, zijn bijkomende inspanningen tot activering nodig. De minder goede economische groei leidde tot een sterke stijging van het aantal werkzoekenden (208.700 in 2002). De huidige situatie is evenwel niet uitzonderlijk: in 1996 telde Vlaanderen 258.600 nietwerkende werkzoekenden. De werkloosheidsgraad bedroeg 7% in 2002 wat overeenkomt met het cijfer in 1999 (7,2%), het startjaar van de vorige Vlaamse regering. De recente stijging van de werkloosheid trof de mannen meer dan de vrouwen, omdat zij in meer conjunctuurgevoelige sectoren (industrie) werken. Na een initiële toename van de kortdurige werkloosheid, merken we vandaag een toename van personen die tussen één en twee jaar werkzoekend zijn. Van de groep die in 2001 en 2002 zijn job verloor, is dus een belangrijk aandeel nog steeds werkloos. Tot slot valt op dat het aandeel van werkzoekenden met enkel een diploma van lager onderwijs krimpt. De democratisering van het onderwijs, gekoppeld aan een uitstroom van oudere werkzoekenden ligt aan de basis hiervan.
10
Subregionale verschillen – belang van Brussel
10% van de Vlaamse actieve bevolking werkt in Brussel. Omgekeerd werkt ook 10% van de (veel kleinere) Brusselse actieve bevolking in Vlaanderen. Vele Brusselse werkzoekenden vinden evenwel hun weg niet naar Vlaanderen. Daarnaast blijven in Vlaanderen grote subregionale verschillen bestaan. De werkzaamheids- en werkloosheidsgraden variëren per subregio. De situatie verschilt ook tussen stad, rand en platteland. Dit hangt deels samen met de economische structuur van de subregio’s. In een aantal provincies blijven de dienstensectoren onderontwikkeld. Knelpuntvacatures vaak structureel
De arbeidsmarkt wordt gekenmerkt door een structureel onevenwicht. Zowel in periodes van hoog- als laagconjunctuur is er sprake van werkloosheid (in verschillende mate weliswaar!). De oorzaak hiervan is een gebrek aan de juiste scholing of het bezit van de juiste competenties. Het structureel karakter van knelpuntvacatures is een teken aan de wand: sommige beroepenclusters figureren sinds het begin van de VDAB-metingen in 1990 bijna onafgebroken op de lijst. Daarbij valt op dat de meeste van deze beroepen ‘traditioneel mannelijk’ zijn en een technische connotatie hebben. Weinig vrouwelijke studenten voelen zich aangesproken tot een ingenieurs- of graduaatsopleiding. Ook het gewone technisch onderwijs, met uitzondering van de richtingen die voorbereiden op een baan in de dienstverlenende of zachte sector, telt weinig meisjesleerlingen. Kenniseconomie nog niet echt dichtbij
Ongeveer de helft van de werkende Vlamingen heeft een job die noch geschoold, noch complex is. Kenniswerkers, gedoodverfde normwerknemers van deze nieuwe eeuw, lijken relatief dun gezaaid: twintig procent van de Vlamingen mag zich verheugen over een complexe job. Lagergeschoolden hoeven nog niet meteen te wanhopen: er zijn nog heel wat jobs die passen bij hun profiel. Zowel de organisaties met een meerderheid aan laaggekwalificeerde jobs (13,4%) als de organisaties met een meerderheid aan complexe jobs (13,8%) zijn in de minderheid. Het eerste type organisaties vinden we vooral terug in landbouw, voeding, handel, distributie en horeca. Deze organisaties kennen niet alleen het grootste aandeel laaggeschoolde werknemers (57,5%), maar ook de kleinste opleidingsinspanningen. Minder scholingsbagage gaat dus ook gepaard met minder vormingskansen. Verder valt op dat de tewerkstelling van allochtonen sterk geconcentreerd is in deze organisaties. Flexibilisering en 24-uurseconomie: genuanceerd beeld
Hoewel de trend naar flexibilisering algemeen als een feit aanvaard wordt, zijn er verbazend weinig harde gegevens die deze evolutie gedetailleerd in kaart brengen. De gegevens zijn ook niet eenduidig. Gegevens van de Nationale Bank van België wijzen erop dat het weekend- en nachtwerk in de industrie tijdens het jongste decennium verdrievoudigde. Uit de enquêtegegevens van TOR88 en TOR99 blijkt dat twee derde van alle werkende Vlamingen uitsluitend overdag werkten, slechts af en toe of nooit ’s avonds of ’s nachts. Dit aandeel nam zelfs lichtjes toe tussen 1988 en 1999. Ook het weekendwerk nam tijdens deze periode af. Daarnaast blijkt ploegenwerk of werk met onregelmatige uurroosters volgens dezelfde bron erg uitzonderlijk. Volgens PASO-data kent nochtans 19,2% van de Vlaamse organisaties één of ander systeem van ploegenarbeid. Twee derde van deze groep zijn privé-bedrijven. Er zijn echter grote verschillen tussen sectoren. Personen met een sterkere arbeidsgerichtheid (mannen en zelfstandigen), minder eisende gezinsbanden en/of verantwoordelijkheden, en met een iets zwakkere arbeidsmarktpositie (jongeren, tijdelijken) werken vaker op afwijkende tijden. De aard van de tewerkstelling is veruit de belangrijkste factor (sociale beroepen en dienstpersoneel).
11
De APS survey van 2003 geeft inzicht in de voorkeuren van de Vlamingen. Op de vraag of men bereid was te werken op wisselende uren gaf 53,9% een positief antwoord, evengoed bij loontrekkenden (54%) als bij zelfstandige beroepen (50%). De voorkeur van de Vlamingen gaat uit naar werken in de vroege uurtjes (74,2% loontrekkenden wil vroeger beginnen en eindigen) eerder dan later beginnen werken en eindigen (27,3% loontrekkenden). Voor zaterdagwerk is nog matig interesse (18,7%), de zondag moet een rustdag blijven ! (6,7% loontrekkende is bereid zondag te werken). Hoge loonkost
De loonkosten per voltijds equivalent en de loonkosten per uur en eenheid product stegen in de periode 1997-2001 voor België sneller dan voor onze 3 buurlanden, die tevens onze belangrijkste handelspartners zijn. De loonkosten per uur namen tijdens de periode 2001-2002 met 7,4% toe. Dit is 1% meer dan de ‘manoeuvreerruimte’ van 6,4% die werd berekend door de Centrale Raad van het Bedrijfsleven (CRB) en die werd opgenomen in het Interprofessioneel akkoord (IPA) 20012002. De cijfers voor 2003 tonen een matiging van deze toename. De hoge loonkost blijft een handicap voor de Vlaamse arbeidsmarkt. 1.2.5 Ondernemerschap: maatschappelijke verantwoording gevraagd - achillespees
Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en duurzaam ondernemen in de lift
Het laatste decennium toont de private sector in toenemende mate een sociale en maatschappelijke bekommernis. Recente schandalen bij internationale (vb. Enron, WorldCom, Xerox, Tyco) en Vlaamse ondernemingen (vb. Lernaut en Hauspie) ondersteunen en versterken het debat over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen. M.b.t. bepaalde facetten van MVO is er evenwel druk van de overheid (vb. dwingende milieunormen) en van internationale niet-gouvernementele organisaties (vb. verbod op kinderarbeid). De Belgische referentie voor screening op het vlak van MVO is Ethibel met haar ‘Ethibel Sustainable Index’. Daarnaast zijn er op internationaal vlak voorbeelden zoals ‘FTSE4Good’ en de ‘Dow Jones Sustainable Index’. Ondernemingen die hun sociale rol willen opnemen veruiterlijken dit o.m. door het halen van bepaalde certificaten en labels (Belgisch sociaal label, SA8000, Investors in People). Volgens de PASO-bevraging van 2002 maakt 7,9% van de Vlaamse ondernemingen (met meer dan 10 werknemers) gebruik van het sociale audit-instrument. Uit onderzoek blijkt dat niet minder dan 44 initiatieven en organisaties begaan zijn met MVO. Meer dan 30 academici werden in dit verband vernoemd als betrokken bij het MVO. Binnen vele familiale KMO’s in Vlaanderen heerst van oudsher een MVOcultuur. Ook het Vlaamse beleid nam deze bekommernis op. De vorige Vlaamse regering lanceerde in 2002 ‘Trivisi’ met als doel het ‘anders ondernemen’ te stimuleren. Meer dan 200 organisaties uit het bedrijfsleven, de academische wereld, de sociale partners, niet-gouvernementele organisaties en de overheid werkten samen in werkgroepen, leverden heel wat concrete producten op (tools, checklists, pilootprojecten e.d., vbn. ‘family en business audit’, pilootproject ‘investors in people’). De overheid ontvangt dagelijks aanvragen om deze producten te bekomen. Het feit dat bijna 900 ondernemingen en organisaties een diversiteitplan opstartten of zullen opstarten in 2004 is eveneens illustratief voor de groeiende maatschappelijke bekommernis.
12
Sociale economie belangrijk
Naast het ‘reguliere economische circuit’ is er ook het ‘circuit van de sociale economie’. Dit is een sector die de realisatie van bepaalde maatschappelijke meerwaarden voorop stelt, met respect voor de volgende basisprincipes: voorrang van arbeid op kapitaal, democratische besluitvorming, maatschappelijke inbedding, transparantie, kwaliteit en duurzaamheid. Dit circuit telde in België tijdens de tweede helft van de jaren ’90 ongeveer 250.000 tot 300.000 banen en was jaarlijks goed voor 10% van BNP (Develtere, 1997). Binnen het Vlaams werkgelegenheidsbeleid wordt de sociale economie ondersteund door de sociale werkplaatsen, invoegbedrijven en invoegafdelingen. Hun bijdrage in de totale tewerkstelling in deze sector is niet groot (ongeveer 3.000 erkende voltijdse arbeidsplaatsen) maar inhoudelijk zijn ze wel belangrijk omwille van hun unieke combinatie van sociale en economische doelstellingen en de belangrijke voorbeeldfunctie. Ze biedt o.m. arbeidsplaatsen voor personen die initieel niet terecht kunnen op de reguliere arbeidsmarkt. Het regulier economisch en het sociaal economisch circuit staan echter niet los van elkaar. Onder andere via het Meerwaardenbesluit van 8 november 2000 wordt een wederzijdse kruisbestuiving en een professionalisering van de sectoren gestimuleerd. Aantal starters daalt, maar Vlaanderen kent reeds vrij veel ondernemers
Het aantal startende ondernemingen daalt. De oprichtingsquote (het aantal oprichtingen als percentage van het aantal bestaande ondernemingen) bedroeg in 2001 6,2% tegenover 6,4% in 2000. Vlaanderen scoort hier slechter dan zijn handelspartners (13,3%, 12,2% en 9,9% in respectievelijk het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Nederland). De graad van ondernemerschap wordt eveneens weergegeven door de Total Entrepreneurial Activity-index (TEA) of het percentage van de beroepsbevolking dat recent actief betrokken was bij het opstarten van een onderneming of eigenaar/manager was van een onderneming die minder dan 42 maanden oud was. In 2002 Vlaanderen bedroeg deze index 2,6%, wat laag is in vergelijking met andere landen (USA: 10,5%). De slechte internationale positionering van Vlaanderen is gedeeltelijk te wijten aan het feit dat Vlaanderen reeds vrij veel ondernemers telt. In België blijkt 11,9% van de beroepsbevolking ondernemer te zijn (10,4% in Nederland en 8,5% in Duitsland). Daarnaast wordt de opvolging in familiebedrijven, die in Vlaanderen relatief veel voorkomt, niet meegerekend voor de TEA-index. Dit strookt met de vaststelling dat de Vlaamse economie vooral gebaseerd is op kleine (tot 50 werknemers) en middelgrote (tot 200 werknemers) bedrijven. Slechts één procent van de bedrijven telt meer dan 200 werknemers, maar deze zijn wel goed voor een derde van de werkgelegenheid in Vlaanderen. Vele KMO’s in Vlaanderen zijn familiale ondernemingen. De Vlaamse ondernemer is vooral een man tussen 35 en 45 jaar, en beschikt over een diploma van technisch of beroeps secundair onderwijs. Bij jongeren, 45-plussers en vrouwen bestaat dus nog een groot potentieel voor ondernemerschap. Ook hoger opgeleiden hinken achterop, in tegenstelling tot andere landen. Uit de internationale gegevens blijkt dat vooral hoger opgeleiden betrokken zijn bij de oprichting van high-potential ondernemingen, die een groter potentieel hebben inzake tewerkstellingscreatie, export en exploitatie van nieuwe markten. Er wordt ook een positief verband vastgesteld tussen “sociaal kapitaal” en ondernemerschap. Het netwerk met andere ondernemers/zelfstandigen is belangrijk voor het stimuleren van ondernemerschap. Intrapreneurship OK
Ondernemerszin manifesteert zich ook binnen bestaande ondernemingen via het zogenaamde “intrapreneurship”. Vlaanderen presteert op dit vlak beter dan Nederland en Wallonië. De Entrepreneurial Intensity, gemeten aan de hand van innovatie, pro-activiteit, risicobereidheid, autonomie en de mate waarin bedrijven reageren op acties van concurrenten, bedraagt 4,07 in Vlaanderen (3,89 in Wallonië en 3,93 in Nederland). Vlaanderen scoort vooral beter op het vlak van innovatie en proactiviteit. Vlamingen blijken bijgevolg hun ondernemerschap het liefst binnen een bestaand groot bedrijf te manifesteren.
13
Aantal gazellen kan beter
Snelgroeiende ondernemingen dragen sterk bij aan de bedrijvendynamiek in de economie, zijn veelal dragers van innovatie, creëren veel werkgelegenheid en hebben een voorbeeldfunctie voor andere (startende) ondernemingen. In Vlaanderen bedroeg het aandeel gazellen (dit zijn middelgrote ondernemingen met een omzetgroei van 100% over vier opeenvolgende perioden) in 2001 13,2% van het totaal aantal middelgrote ondernemingen. Omwille van verschillen in definities is een internationale vergelijking moeilijk maar vooral het VK en de US blijken een veel hoger aandeel gazellen te hebben. Faillissementen: stigma
Voor een onderneming is het belangrijk om de moeilijke eerste levensjaren te overleven. Ongeveer 50% van de starters houdt het binnen de 5 jaar voor bekeken. Een matige conjunctuur weegt op de overlevingskansen van bedrijven. Tijdens de eerste negen maanden van 2003 bijvoorbeeld waren er 5,7% meer faillissementen dan een jaar eerder. Iemand die faalt wordt in Vlaanderen sterk gestigmatiseerd, wat de bereidheid tot het nemen van risico’s afremt. In de VS wordt faling echter gezien als een leerproces en wordt een falende ondernemer geprezen om zijn ervaring. Vermeldenswaardig is dat het vertrouwen van de bevolking in de ondernemer hoger is dan in de overheid. Hooggeschoolden vinden ondernemen zelfs aantrekkelijk. 1.2.6 Financieel kapitaal: bij wie aankloppen? Privé-investeringen op hoog peil
De accumulatie van kapitaal is één van de belangrijkste bronnen van economische groei, aangezien het de toekomstige productie van een land of regio garandeert. Vlaanderen had in 2001 een bruto vaste kapitaalvorming van 21,5%. Hiermee situeert het zich boven het EU-gemiddelde, maar onder Nederland en Ierland. Wat de privé-investeringen betreft, bedraagt de bruto vaste kapitaalvorming 21,1% van het BBP. Dit is hoger dan in de meeste andere Europese landen en regio’s. Enkel de Franse regio Rhône-Alpes scoort beter. Toegankelijkheid tot kapitaal moeilijker voor jonge ondernemingen
Het formele risicokapitaal (venture capital) is een belangrijke financieringsvorm voor snelgroeiende ondernemingen. In België is relatief veel ‘venture capital’ voorhanden. Uit onderzoek van de Vlerick school blijkt evenwel een financieringskloof te bestaan inzake zaaigeld bij transitionele bedrijven. Dit zijn bedrijven die een nieuw product op de markt brengen waarvan de eerste inkomsten uit de commercialisatie nog een tijd op zich laten wachten. Venture capital richt zich hoofdzakelijk op grotere investeringen, waardoor de beschikbaarheid van kapitaal voor kleinschalige projecten sterk afneemt, terwijl deze voor startende ondernemingen echter van cruciaal belang zijn. De aanwezigheid van informeel risicokapitaal (familie, vrienden, BAN’s) speelt hier een belangrijke rol, maar (startende) ondernemers ervaren er wel een sterk tekort aan. Bij schuldfinanciering vragen banken vooral sterke waarborgen en stellen ze hogere eisen op het vlak van solvabiliteit en eigen inbreng van de ondernemer. De waarborgen vormen vooral voor jonge bedrijven een probleem.
14
Sociale economie op zoek naar kapitaal
In de sociale economie wordt het gebrek aan risicokapitaal in diverse studies aangehaald als één van de belangrijkste hinderpalen voor de ontwikkeling van bedrijven. De klassieke markt voor risicokapitaal is vooralsnog weinig toegankelijk omwille van het lagere financiële rendement (op korte termijn), het grotere risicogehalte en de specificiteit en kleinschaligheid van de dossiers. De vraag stelt zich evenwel in welke termen dit rendement wordt berekend (quid maatschappelijk rendement). Zowel de Vlaamse als de federale overheid kwamen hieraan tegemoet via de oprichting van fondsen (Kringloopfonds, Trividend). Toch beweegt ook de private markt: ethische beleggingsfondsen en financiële instellingen (vb. Triodos bank) tonen dat ook private beleggers vragende partij zijn voor sociale economie-initiatieven. Deze tendens zal zich versterken in de toekomst.
15
1.3
Technologische innovatie - kennismaatschappij
De concurrentiekracht van westerse economieën hangt af van de mate waarin zij in een hoog tempo vernieuwingen kunnen introduceren. Een hoge kwalificatie/scholing van de productiefactor arbeid is cruciaal. Kennis is dé nieuwe en vierde productiefactor die een competitief voordeel oplevert. 1.3.1 Innovaties: een probleem van afstemming Bestedingen O&O in de goede richting
Vlaanderen scoort behoorlijk in termen van totale bestedingen aan O&O als percentage van het BRP (2,5% in 2001). Dit is vooral te danken aan de systematische stijging van deze
uitgaven sinds 1996. Vlaanderen zit boven het EU-gemiddelde maar moet enkele buurlanden laten voorgaan. De 3%-norm van de Top van Barcelona werd op Vlaams niveau bekrachtigd door het Innovatiepact, waarin concrete stappen worden geformuleerd door het bedrijfsleven, de onderzoekswereld en de Vlaamse regering om dit doel te bereiken. Bovendien dient het bedrijfsleven volgens de Europese doelstellingen twee derde van de O&O uitgaven voor haar rekening te nemen en de overheid de overige 1%. In Vlaanderen wordt momenteel 72% van onderzoek en ontwikkeling gefinancierd door het bedrijfsleven. Het zwaartepunt van de O&O bestedingen ligt vooral bij grote bedrijven uit de sectoren chemie, pharma en ICT. Dit cijfer ligt ver boven het EU-gemiddelde. Vooral de overheid zal inspanningen moeten leveren om de norm te halen. Ongunstige positie betreffende hoogtechnologische octrooien
Ook wat het aantal aangevraagde en toegekende octrooien betreft, scoort Vlaanderen goed in Europees perspectief. Indien we kijken naar het aandeel van hoogtechnologische octrooien ten opzichte van het totaal aantal neergelegde octrooien, dan bevindt Vlaanderen zich aan de lage kant van de middengroep in Europa. Landen als Finland, Ierland en Nederland scoren hier aanzienlijk beter. Bedrijven hebben een dominante positie in de aanvragen van octrooien: meer dan 80% van de aangevraagde en 90% van de toegekende octrooien komt van bedrijven. De rol van universiteiten en publieke onderzoeksinstellingen is beperkt door de hoge kosten verbonden aan het octrooieren. IMEC, het VIB en de KULeuven zijn voortrekkers inzake niet-privaat octrooieergedrag in Vlaanderen. Positief is de goede positie van Vlaanderen inzake de verspreiding van breedbandtechnologie en het zeer hoge percentage van bedrijven met een internetaansluiting. Kloof met VS op het vlak van onderzoek onoverbrugbaar?
In 1999 was 0,41% van de beroepsbevolking in Vlaanderen een ‘in een privaat bedrijf tewerkgestelde onderzoeker’. Europees gezien is dit een goed aandeel en enkel in de traditionele ‘innovatielanden’ (Zweden en Finland) ligt dit hoger. Voor een succesvol innovatieproces is de deelname van alle werknemers aan dit proces echter noodzakelijk, wat in Vlaamse bedrijven nog te weinig het geval is. Op het vlak van onderzoek slaagt Europa er niet in om de kloof met de VS te dichten. Zo is er een uittocht van jong wetenschappelijk en technologisch personeel van de EU naar de VS. 50% van de buitenlandse studenten met tijdelijke visa is na 5 jaar nog steeds werkzaam in de VS. Minder jongeren vinden een onderzoeksloopbaan aantrekkelijk. Daarnaast haalt de EU veel immigrantonderzoekers binnen. Dit gebeurt echter tegen andere arbeids- en loonvoorwaarden, en vormt een knelpunt. Qua investeringen in O&O blijft de kloof tussen de EU en de VS groeien in het voordeel van deze laatste. Europa’s koppositie inzake het aantal wetenschappelijke publicaties raakt uitge-
16
hold. Cijfers voor België en Vlaanderen ontbreken maar Vlaanderen zal hierop geen uitzondering vormen. Omzetting naar commerciële producten en diensten blijft zwak
De O&O-inspanningen worden nog te weinig omgezet in innovatieve commerciële producten en diensten. Daardoor kan de Vlaamse economie onvoldoende profiteren van de innovaties. Daarnaast bestaat de indruk dat de link of overdracht van kennis tussen grote gerenommeerde centra (zoals IMEC, VIB en universiteiten in het algemeen) en het Vlaamse bedrijfsleven sterker kan zijn. De internationale gerichtheid van deze centra is wel een pluspunt. Innovatie-inspanningen vooral gericht op procesinnovatie
De innovatie-inspanningen in Vlaamse ondernemingen zijn, o.a. door de hoge loonkosten, vooral gericht op procesinnovatie. Daarbij wordt gestreefd naar kostenbeheersing via efficiënter georganiseerde productieprocessen. Kostencompetitiviteit is echter hoe langer hoe moeilijker te realiseren in een globaliserende economie. Productinnovatie heeft tot doel nieuwe en kwalitatief betere producten op de markt te brengen en draagt ook bij tot het concurrentievermogen van Vlaanderen, maar krijgt minder aandacht. Hierin speelt ook het aspect design een rol. Naar een nieuwe arbeidsorganisatie
Procesinnovaties hebben ook betrekking op de arbeidsorganisatie en het HRM. In de diensten- en kenniseconomie komt flexibiliteit centraler te staan. Dit betekent dat een deel van de taken op tijdelijke basis of op projectbasis wordt uitgevoerd. De stijgende cijfers m.b.t. tijdelijke arbeid en uitzendarbeid illustreren dit. Dit leidt tot een organisatiestructuur met een relatief kleine kern van vast werkenden met een variabele periferie van tijdelijke werkers. De hiërarchie wordt platter en men kiest meer voor een projectstructuur. Het gebruik van nieuwe technologie blijkt het meest verspreid in bedrijven die hun arbeidsorganisatie ingrijpend hebben aangepast in de richting van decentralisering en de organisatie in semi-autonome, taakgeoriënteerde teams. Werknemers krijgen meer autonomie en verantwoordelijkheid en worden beschouwd als een onderdeel van het kapitaal. Telewerk is ook een nieuwe vorm van arbeidsorganisatie en sloeg in België in 2002 op 10,6% van de beroepsbevolking. Koplopers op dit vlak zijn Nederland (26,4%), de Scandinavische landen, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Het aantal telewerkers is op korte tijd enorm gestegen (in Europa een verdubbeling op drie jaar tijd). Meer dan zes werknemers op tien zijn geïnteresseerd in telewerk. Arbeidsorganisatorische innovatie is ook belangrijk vanuit het standpunt van de medewerkers die behoefte hebben aan organisatieconcepten op maat. Bedrijfscontexten dienen voor werknemers, die steeds meer werk-ondernemers worden, een ruimte te zijn waarin ze levenslang- en levensbreed kunnen leren én waarin er sprake is van aandacht voor de persoon van de werknemer. Een andere tendens is dat niet zelden wordt gespeeld met het idee van de integratie van werk en vrije tijd. Zo wordt de verbondenheid met het bedrijf groter en de tijd die anders verloren gaat aan het pendelen tussen verschillende levenssferen, kan aan het werk worden besteed. Uit de PASObevraging van 2002 blijkt dat 6% van de ondernemingen sportinfrastructuur aanbiedt. Het aanbod in de onderneming van huishoudelijke en winkeldiensten is nog zeldzaam. Het is echter onduidelijk of deze tendens zich zal verderzetten. De grotere autonomie lijkt bij te dragen tot een verbetering van de arbeidsomstandigheden. Toch legt de noodzaak om employable te blijven een grote druk op werkenden. Door de autonomie is het individu immers meer verantwoordelijk voor de keuzes die moeten worden gemaakt in de arbeidsorganisatie. Daarbij is er een constante druk vanuit de werkgever en de ‘samenleving’ om meer te presteren op het gebied van arbeid, en desnoods op andere terreinen in te leveren. De prijs voor vrijheid dreigt een toegenomen ‘levensdruk’ te zijn: werkdruk, zorgdruk, recreatiedruk, consumeerdruk nemen allen toe.
17
Tot slot : hoewel de meeste Vlamingen (9 op 10) tevreden zijn met de arbeidsomstandigheden, met de beschikbare vrije uren zowel als met de arbeidsuren op zich, zien we dat er nuanceringen zijn naargelang de voorspelbaarheid van het einde van de dagtaak. Wanneer deze varieert met meer dan 1 uur daalt de tevredenheid significant. Dit zegt toch iets over de houding van de Vlamingen t.o.v. flexibiliteit, ze weten het graag vooraf waaraan ze toe zijn ! Technologische innovaties beïnvloeden de toeristische sector
Dankzij de ontwikkelingen op het vlak van ICT (internet) beschikken kleine ondernemingen over snelle en goedkope distributiekanalen en nieuwe instrumenten voor informatie over en boekingen van toerismeproducten. De rol van het internet, inclusief de nieuwe mogelijkheden van visuele presentatie, zal van uitzonderlijk groot belang zijn voor het toerisme. Meer informatie over bestemmingen en producten leent zich tot onderlinge vergelijking en beïnvloedt de competitie sterk. Meer ervaren toeristen stellen hun eigen product ook zelf samen. Dit heeft niet geleid tot het verdwijnen van de intermediair, maar tot de creatie van nieuwe tussenpersonen (ereisagent). De imperfectie van de online arrangementen hebben de consument vaak overtuigd van de vaardigheden van de reisagenten, vooral voor de complexe arrangementen. 1.3.2 Menselijk kapitaal: gevarieerd beeld Hoge scholingsgraad, maar nog steeds een probleem m.b.t. elementaire startkwalificaties
Het diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs wordt beschouwd als een minimumvereiste om mee te kunnen in de samenleving en op de arbeidsmarkt. De ongekwalificeerde uitstroom in Vlaanderen bedroeg 12,5% in 2003, wat lager is dan het Europees gemiddelde (16,7%). Vlaanderen kent een hoge scholingsgraad: in 2000 had 27% van de Vlaamse bevolking (25-64 jaar) een diploma hoger onderwijs wat relatief veel is (OESO-gemiddelde: 23%). Dit is een gevolg van de hoge participatiegraad van 18-jarigen aan het hoger onderwijs. In het academiejaar 2001-2002 startte 56,2% van de potentiële doelgroep met een opleiding in het hoger onderwijs. Wat het aandeel van de bevolking met een postsecundair of universitair diploma betreft, behoort Vlaanderen tot de koplopers in de EU. De deelname aan de studierichtingen met innovatie- en onderzoekscapaciteit nl. wetenschappen en ingenieur is wel minder goed dan het Europese gemiddelde. Meisjes hebben een hoger scholingsniveau dan jongens en kiezen voor studies die toegang geven tot beroepen in minder conjunctuurgevoelige sectoren (quartaire sector). Niettemin heeft een nog vrij hoog aandeel (39% in 2000) van de Vlaamse bevolking (25-64 jaar) ten hoogste een diploma lager secundair onderwijs (OESO-gemiddelde: 34%). Vlaanderen scoort inzake functionele basisvaardigheden bij de volwassen bevolking wel hoger dan men zou verwachten op basis van scholingsgraadstatistieken. Toch kent Vlaanderen een hardnekking probleem van laaggeletterdheid (in ruime betekenis). Niet minder dan 15 à 18% van de Vlaamse volwassenen bezit veel te lage competenties inzake taal en rekenen om mee te kunnen in de moderne samenleving. Deeltijds leren onderbenut
Het stelsel van deeltijds leren in DBSO presteert relatief zwak. In het schooljaar 2002-2003 waren er in totaal 6.277 deeltijds lerenden in Vlaanderen (0,6% meer dan in het vorige schooljaar). Slechts 53,4% van de deeltijds lerenden had een werkervaringsplaats in het schooljaar 2002-2003 (daling met 3 ppt. t.o.v. het schooljaar daarvoor). Precies het vinden van een arbeids- of werkervaringsplaats is de cruciale factor in dit stelsel. Zonder deze praktijkervaring blijft enkel een beperkte theoretische opleiding over. In de middenstandsopleiding daarentegen (de leertijd in het VIZO-SYNTRA netwerk) is een tewerkstelling bij een ondernemershoofd-opleider gedurende vier dagen verplicht. Hier is een werk-
18
ervaringsplaats gegarandeerd. Bovendien kent dit systeem van ‘deeltijds leren - deeltijds werken’ een hoge tevredenheid en effectiviteit. De leertijd kampt echter met andere problemen zoals een onderwaardering van het getuigschrift t.o.v. dit van het deeltijds en voltijds onderwijs, een hoog aantal te begeleiden leerlingen en ondernemingen per begeleider (leersecretaris), een ander statuut dan in het DBSO (dat vaak nadeliger is voor leerling en ondernemer), en een daling van het aantal leerlingen. Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt
Volgens SONAR-gegevens zou 37% van de afgestudeerde 23-jarigen de vroeger gekozen studierichting niet meer kiezen. De hooggeschoolden zijn meer tevreden over hun vroegere keuze dan de laaggeschoolden. Ondanks hun hoge werkzaamheidsgraad, zou bijna de helft van de respondenten met een diploma hoger beroeps- en technisch secundair onderwijs een andere richting kiezen. Dit toont de nood aan de herwaardering van deze technische richtingen aan. Uit een VDAB-analyse (2003) blijkt dat hooggeschoolden over het algemeen betere kansen hebben op de arbeidsmarkt, maar dat ook de studiekeuze hier een rol speelt. Afgestudeerden van hoger onderwijs van 1 cyclus komen in 80% van de gevallen terecht in een job waar dit ook gevraagd werd. Bij afgestudeerden van het hoger onderwijs van 2 cycli en het universitair onderwijs bedragen deze aandelen respectievelijk 50% en 55%. Het studiegebied wetenschappen geeft veruit de meeste garanties voor een job die overeenstemt met het niveau van de opleiding. Middenmoters op het vlak van levenslang leren
Door de snelle economische evoluties is er een grote nood aan bijscholing en opleiding gedurende de volledige arbeidsloopbaan. Daarnaast biedt het levenslang leren groepen met lagere startkwalificaties de kans op een opwaardering en het verwerven van een sterkere positie op de arbeidsmarkt. De Europese werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 2003 stellen dat in 2010 het gemiddelde participatieniveau aan levenslang leren in de EU tenminste 12,5% van de volwassen beroepsbevolking (2564 jaar) moet bedragen. Voor Vlaanderen lag dit aandeel in 2003 op 7,6%. De lichte terugval in 2002 (6,7%) was te wijten aan de neerwaartse conjunctuur: bedrijven zijn minder geneigd nieuw personeel aan te trekken en een groot aandeel van vorming, training en opleiding in bedrijven wordt voor het opleiden van nieuw personeel ingezet. De regio’s met een hoge participatie aan levenslang leren bevinden zich in de Scandinavische landen, het Verenigd Koninkrijk en Nederland. Hoe aanzetten tot leren?
Volgens de APS-survey (2001) erkent 75% van de Vlamingen het belang van levenslang leren. Het gaat hier echter vooral om de hoger opgeleiden, die bereid zijn buiten de werkuren een opleiding te gaan volgen en daadwerkelijk deel te nemen aan bijkomende opleidingen. Lager opgeleiden stappen minder of niet op deze scholingstrein. Daarnaast volgen vooral personen van 25-34 jaar het meest bijkomende opleidingen. Onderzoek toont aan dat er dan juist het meest van job veranderd wordt. Belangrijk is de vraag hoe men personen kan aanzetten tot leren tijdens de hele loopbaan, en hoe men nieuwe en elders verworven competenties kan ‘visualiseren’. Het beleid zette baanbrekende stappen tijdens de laatste regeerperiode met initiatieven als ‘titel van beroepsbekwaamheid’, projecten rond elders verworven competenties en de uitbouw van een recht op loopbaanbegeleiding.
19
Vooral grote ondernemingen zijn vormingsbedrijven
Het succes van ondernemingen hangt in toenemende mate af van de competenties van hun medewerkers en het ontwikkelen van deze competenties. De kans op investeringen in vorming neemt sterk toe met de bedrijfsgrootte. Bij de grotere ondernemingen (meer dan 50 werknemers) heeft in 2002 meer dan 97% geïnvesteerd in opleiding van zijn medewerkers, tegenover 81% bij de organisaties met 10 tot 50 personeelsleden en 45% bij de organisaties met minder dan 10 personeelsleden (PASO, 2002). Uitgedrukt in percent van de loonkost daalden de vormingsinvesteringen van de Belgische ondernemingen (geen cijfers voor Vlaanderen) in 2001 licht ten opzichte van 2000 (van 1,34% tot 1,26%) na een continue stijging tijdens de periode 1996-2000. Er bestaat nog steeds een Mattheuseffect in het aanreiken van opleiding en uitdagende jobs ten nadele van laaggeschoolden, oudere werknemers, ... Kunnen we alle vormen van leren meten?
Leren vindt steeds meer plaats in diffuse leeromgevingen. Informeel leren en allerlei vormen van werkplekleren (interne stages, mentorschap, jobrotatie) winnen aan belang want het maakt leren leuker en de transfer makkelijker. Deze leervormen zijn minder te vatten in cijfers: de daadwerkelijke deelname aan activiteiten van levenslang leren ligt dus hoger dan boven aangegeven. Het is wel van belang een goed zicht te krijgen op deze leervormen om het beter en meer gelijk te verspreiden. Binnen DIVA loopt een project om een krachtig monitoringinstrument voor levenslang en levensbreed leren te ontwikkelen.
20
1.4
Sociaal-culturele ontwikkelingen
1.4.1 De samenleving vandaag: multicultureel, duaal Diversiteit in de maatschappij vertaalt zich met mondjesmaat naar de arbeidsmarkt
Net zoals de allochtonen, participeren ook andere bevolkingsgroepen zoals jongeren, gehandicapten, ouderen en laaggeschoolden minder aan het arbeidsgebeuren. Het scholingsniveau blijkt hier de meest discriminerende factor te zijn, naast onbewuste en zelfs bewuste discriminatie. De kleine deelname van jongeren en ouderen maakt dat Vlaanderen bij uitstek wordt gekenmerkt door de zogenaamde samengebalde loopbaan. De beroepsactiviteit vindt vooral plaats binnen de leeftijdsgroep van 25 tot 45 jaar, tevens de leeftijd waarbinnen de gezinsvorming en de gezinstaken een hoogtepunt bereiken. Vrouwen in opmars op de arbeidsmarkt
De toename van de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen is vooral het gevolg van de stijgende arbeidsdeelname van vrouwen. De kloof tussen de werkzaamheidsgraad van mannen (71,6% in 2002) en vrouwen (55,2% in 2002) verkleint daardoor, maar blijft nog steeds groot. De werkloosheid bij de vrouwen daalt trendmatig omdat de instromende generaties hogergeschoold zijn dan de uitstromende oudere generaties. Vrouwen werken vaker in minder conjunctuurgevoelige sectoren. Ook inzake deelname aan opleiding verkleinen vrouwen de kloof met mannen: in 2002 bedroeg hun deelnamegraad respectievelijk 6,6% en 6,9%. De verwachting is dat deze trend zich zal verderzetten. Arbeidsdeelname en scholing belangrijke scheidingslijn in dualiteit
Tussen werkenden en niet-werkenden (werkzoekenden en inactieven) bestaat op verschillende vlakken een dualiteit, die nog lijkt toe te nemen. Het risico tot sociale uitsluiting en armoede is groter voor niet-werkenden omwille van hun positie en het feit dat ze van een aantal vormen van netwerking (op het werk) worden uitgesloten. De dualiteit is het grootst bij de groep van 25 tot 49 jaar. In deze ‘drukke’ leeftijd hebben werkenden naast hun carrière immers ook typisch een actief sociaal leven. De dualiteit tussen werkenden en niet-werkenden blijkt ook uit de indicatoren m.b.t. permanente vorming. Het aandeel werkenden in opleiding bedraagt in 2002 7,8% tegenover 6,7% voor de gehele bevolking op beroepsactieve leeftijd. Werkzoekenden nemen echter meer dan werkenden deel aan opleidingen (8,7%). Vooral inactieven participeren dus weinig aan permanente vorming. Ook tussen werkenden bestaat een dualiteit en dit volgens de breuklijn van het initiële scholingsniveau. Werkenden met een lagere scholingsgraad hebben minder kans op deelname aan vorming en een grotere kans om te werken in minder goede arbeidsomstandigheden. Er bestaat ook een tweedeling tussen een groep van hardlopers (langer werken) en een groep die het rustiger aan doet. De toerist is een jongere of een oudere
Vlaanderen bezit een vrij hoge participatiegraad inzake vakanties : drievierde gaat jaarlijks met vakantie, de vakantieganger neemt daarenboven gemiddeld 2,3 vakanties per jaar. Relatief veel vakantiegangers bevinden zich in de leeftijdscategorieën van 6 tot 17 jaar en van 45 tot 64 jaar. Gezinnen zonder kinderen (leeftijd 45-64 jaar) en gezinnen waarvan het jongste kind tussen de 6 en 17 jaar is, nemen relatief het meest vakantie. Dit betekent niet noodzakelijk dat de ouders met hun kinderen op vakantie gaan. Bedienden vormen de grootste groep onder de vakantiegangers, maar de ondernemers, vrije beroepen en kaderpersoneel gaan relatief het meest op vakantie.
21
1.4.2 Preferenties Werk staat nog steeds centraal
Uit onderzoek (1990, 1999) blijkt dat voor de Vlaming het werk het belangrijkste aspect in zijn leven is na het gezin. De verwachting uit de jaren ’60 dat vrije tijd belangrijker zou worden dan arbeid, wordt dus niet bevestigd. De centraliteit van werk in het leven van de Vlaming veranderde weinig of niet tijdens het jongste decennia. Er zijn wel aanwijzingen dat meer 55- tot 64-jarigen het werk als (helemaal) niet belangrijk beschouwen. Ouderen verlaten de arbeidsmarkt op ‘vroege leeftijd’
De werkzaamheidsgraad van ouderen ligt in Vlaanderen bijzonder laag. De gemiddelde effectieve uittredeleeftijd uit de arbeidsmarkt bedraagt in 2001 in België 57 jaar (EU: 59 jaar). Een eerste verklaring is dat vele 60-plussers voldoen aan de wettelijke voorwaarden (loopbaan van 42 jaar voor vrouwen en 45 jaar voor mannen) om op rustpensioen te gaan. Daarnaast zien we nog de gevolgen van het kostwinnersmodel bij de 50-plussers met (huis)vrouwen die zich nooit of slechts zeer beperkt op de arbeidsmarkt hebben begeven. Tot slot verlaten vele personen de arbeidsmarkt vroegtijdig o.m. via stelsels van brugpensioen of vervroegd pensioen. De aspiraties van de meeste werknemers tussen 45 en 65 jaar situeren zich niet meer binnen arbeid of het verwerven van financiële welstand. Hun grote verzuchting is tijd, en de actieve invulling ervan met sporten, reizen, culturele activiteiten, hobby’s e.d. Met de aankomende cohorten hooggeschoolde mannen en vrouwen, die een zeer hoge werkzaamheidgraad hebben, kan wel verwacht worden dat de werkzaamheidgraad bij de vijftigplussers de komende jaren geleidelijk zal toenemen. De toekomstige vijftigers zullen later in de kinderen en ook later uit de kinderen zijn waardoor ze wellicht ook later zullen stoppen met werken omwille van financiële overwegingen. Zo ligt momenteel de werkzaamheidgraad van Vlaamse mannen (45-54 jaar) in koppels zonder kinderen heel wat lager dan die van mannen in koppels met kinderen. Arbeidsmarktparticipatie en gezinsverantwoordelijkheden: vooral een ‘vrouwenstrijd’
Volgens VIONA-onderzoek (2003) balanceren vooral vrouwen voortdurend tussen de arbeidsmarkt en het gezin om de arbeidslast onder controle te houden. Dit gebeurt vooral via het deeltijds werk. Tussen 1988 en 1999 nam de arbeidstijd van voltijds werkende vrouwen toe, terwijl deze van deeltijds werkende vrouwen gevoelig daalde. Voltijds werk bij vrouwen neemt echter proportioneel af. Bovendien neemt de wekelijkse arbeidstijd bij vrouwen duidelijk toe met het opleidingsniveau. Bij vrouwen lijkt het verschil tussen de ‘hardlopers’ en ‘joggers’ op de arbeidsmarkt nog duidelijker aanwezig dan bij mannen. De genderkloof is dus nog niet op elk vlak verdwenen. Van de overheidsmaatregelen m.b.t. deeltijds werken en loopbaanonderbreking maken bijna uitsluitend vrouwen gebruik. Zo onderbreken vrouwen hun loopbaan vooral tussen 25 en 40 jaar, vermoedelijk om zorgtaken op te nemen. Mannen onderbreken eerder op latere leeftijd, als een vorm van vervroegde uittrede. In 2002 werkte niet minder dan 41% van de loontrekkende vrouwen deeltijds, tegenover slechts 5% bij de mannen. De Vlaamse bevolking ondersteunt algemeen de stelling dat vrouwen best een stap terugzetten uit de arbeidsmarkt wanneer de zorg voor kleine kinderen zich aandient (APS-survey 2002). Bij vrouwen krijgt het deeltijds aan de slag blijven van vrouwen tijdens deze gezinsfase iets meer ondersteuning. Mannen zijn iets meer gewonnen voor het thuisblijven wanneer een van de kinderen de leerplichtige leeftijd nog niet bereikt heeft en deeltijds werken nadat het jongste kind naar school gaat. De verwachting is dat het deeltijds werken bij vrouwen niet zal verminderen om zo (opnieuw) een deel van bufferfunctie t.a.v. het gezin op te nemen.
22
Tijd en geld bepalend voor toerisme
De drang naar ontspanning en een ideale invulling van onze vrije tijd is groot. Er is een ambiguïteit tussen enerzijds de drang naar recreatietijd en de kostprijs ervan en anderzijds de arbeidstijd waarin de fondsen worden gegenereerd om onze vrije tijd te kunnen invullen. Er blijken twee hoofdredenen te zijn die de Vlaming weerhoudt om op reis te gaan. Bij een kwart van hen is dit omwille van persoonlijke en familiale motieven en 12% omwille van financiële redenen. Verder heeft een belangrijk deel van de Vlamingen absoluut geen behoefte aan vakantie of te weinig vrije tijd. 1.4.3 Zingeving en kwaliteit van leven en arbeid
In de huidige samenleving is er toenemende aandacht voor thema’s van zingeving en levenskwaliteit. Dit uit zich op het werk en in de vrije tijd. Ook het gezondheidsbewustzijn wordt sterker. Werken en sociale uitsluiting
Sociale uitsluiting kan betrekking hebben op uiteenlopende situaties. Algemeen wordt aangenomen dat er een link is met de werkloosheidsgraad, migratie en de opkomst van de zogenaamde netwerksamenleving (impact van ICT). Het hebben van een job en een goede scholing zijn daarom voor een individu van essentieel belang voor zijn integratie in de maatschappij en de kwaliteit van het leven. Een job is vooral een lust en minder een last
Meer dan 80% van de werkende Vlamingen is tevreden tot zeer tevreden over de inhoud van de job, de collega’s, de uurregeling, de mate waarin men kennis of vaardigheden kan gebruiken en de werkzekerheid (APS-survey 2002). Meer dan een op vijf Vlamingen is eerder ontevreden met de promotiekansen, de werkdruk en de mogelijkheden tot bijleren. De wens tot betrokkenheid, aandacht voor de mens binnen de werkomgeving, treedt meer en meer op de voorgrond. Werken en tijdsdruk
De werktijden per individu zijn vandaag niet onmenselijk lang. Wetenschappelijke gegevens wijzen op een drastische werktijdverkorting in de loop van de tweede helft van de vorige eeuw. De toenemende klachten over stress en tijdsdruk lijken dan ook paradoxaal. Op gezinsniveau is het tijdsvolume loonarbeid echter niet spectaculair afgenomen de laatste veertig jaar (cf. toenemende participatie van de vrouwen). De bufferfunctie van vrouwen in het gezin ging grotendeels verloren. Wie veel uren werkt, ervaart niet noodzakelijk een grote tijdsdruk. Wie grote inspraak heeft over zijn werkuren en werkinhoud ervaart wel (grote) tijdsdruk. Door de flexibiliteit wordt de eigen verantwoordelijkheid groter. Naast het presteren van een aantal uren werk moet je het zelf ook organiseren en plannen wat resulteert in extra tijdsdruk. Het aantal keren dat men van één levenssfeer overstapt naar een andere bepaalt ook de ervaren tijdsdruk en verklaart waarom deeltijds werken niet altijd leidt tot een vermindering van de tijdsdruk. Werken en goede gezondheid: een aandachtspunt
Hoge werkdruk, moeilijke relaties op de werkvloer e.d. resulteren vaak in ziekteverzuim, ‘presenteisme’ (komen werken maar ondermaats presteren), een groot personeelsverloop of langdurige arbeidsongeschiktheid. Klachten gerelateerd aan het werken of de werkvloer worden zichtbaar gemaakt via allerlei metingen. Een greep hieruit volgt. 35% van de werknemers hebben werkgerelateerde pijnklachten (zoals rugpijn ten gevolge van overbelasting). In de EU is stress, na rugklachten, de belangrijkste oorzaak van arbeidsgebonden gezondheidsproble-
23
men met werkverzuim tot gevolg. De werkstress blijft toenemen en zou de bedrijven en de overheid in Vlaanderen ongeveer 2 miljard euro per jaar (ruwe schattingen) kosten. De belangrijkste oorzaken van stress zijn gebonden aan werkomstandigheden, jobinhoud en structuur van de organisatie. Slechte relaties met de chef en collega’s wegen zwaarder door dan een drukke agenda hebben, overwerk presteren of deadlines halen. Geweld en pesterijen zijn ook steeds meer voorkomende klachten. Daarnaast zijn depressies een belangrijk probleem. Het is de eerste oorzaak (28%) van blijvende arbeidsongeschiktheid bij loontrekkenden. Invloed op het beslissingsproces inzake toeristische bestemmingen
De toenemende aandacht voor zelfbewustzijn en zelfzorg beïnvloedt het beslissingsproces inzake bestemmingen en activiteiten in sterke mate. Zo winnen actieve vakanties en ‘welness’-vakanties aan belang en minder gezonde bestemmingen worden sneller vermeden. De huidige toerist heeft een zeer brede belangstelling waarbij het accent ligt op natuur en cultuur, maar ook op sport en avontuur. Toeristen gaan een gedifferentieerd vakantiegedrag vertonen, met een afwisseling tussen eenvoudige en luxueuze, verre en nabije vakanties, … Meer en meer eisen de toeristen authenticiteit, emotionele voldoening en personalisatie. Bestemmingen met een gevarieerd en goed uitgebalanceerd concept zullen aan belang winnen.
24
1.5
Ontwikkelingen tussen mens en omgeving
1.5.1 Infrastructuur als vestigingsfactor voor bedrijven
De Vlaamse economie zit gespreid over het Vlaamse grondgebied, gaande van een westelijk economisch kerngebied, met Rijsel als centrum, over de Vlaamse Ruit tot een oostelijk economisch kerngebied dat zich vanuit Limburg uitstrekt over Luik, de regio Aken en de Noord-Brabantse stedenrij. De facto ondersteunt de Vlaamse overheid de economische ontwikkelingsmogelijkheden in elk van de drie economische kerngebieden. Nood aan bouwrijpe bedrijventerreinen
Een groot deel van de Vlaamse economie is niet gesitueerd op bedrijventerreinen of andere professionele locaties. Bijna 80% van alle bedrijfsvestigingen is in het woongebied gevestigd. Deze vestigingen vertegenwoordigen 45% van de toegevoegde waarde en 61% van de werkgelegenheid. Nochtans leert een enquête dat 80% van bedrijven met verhuisplannen de voorkeur geven aan een professionele locatie (bedrijventerrein of kantorenzone). De voorbije jaren was er effectief een uitbreiding van terreinen voor economische activiteiten: de groei was het grootst inzake opslagruimten en kantoorgebouwen, doch ook ambachts- en industriegebouwen namen 31% meer oppervlakte in 2002 tov 1985. De toename van terreinen voor economische activiteiten is opmerkelijk in het buitengebied terwijl het de bedoeling van het structuurplan Vlaanderen was de uitbreiding vooral te laten plaatsvinden in de economische knooppunten. De nood aan een continu en voldoende (gespreid) aanbod aan kwaliteitsvolle professionele locaties en de beleidsintenties en beleidspraktijk terzake liggen echter ver uit elkaar. Zo voorziet het ruimtelijkeordeningsbeleid tegen 2007 in ongeveer 7.000 ha, maar er mag echter worden verwacht dat dit niet zal worden gehaald. Verscheidene subregio's kampen nu al met tekorten aan bouwrijpe bedrijventerreinen. Daardoor worden investeringen uitgesteld, haken buitenlandse investeerders af en functioneren bedrijven verder op minder geschikte locaties. Nog steeds zonevreemde bedrijven met rechtsonzekerheid
Er zijn ook heel wat “zonevreemde bedrijven” (in ruime zin) die in rechtsonzekerheid verkeren. Via het decreet zonevreemde bedrijven werd de rechtszekerheid voor zonevreemde bedrijven én de mogelijkheden om de zonevreemde bestemming om te zetten in een zone-eigen bestemming verruimd. Het initiatief ligt hier ofwel bij de bedrijven zelf (planologisch attest), ofwel bij de overheid, vooral dan het lokale bestuursniveau. De zonevreemde economie heeft een belangrijk aandeel in de economie van het platteland. Het platteland bevat vandaag heel wat economische activiteiten die door geen enkele oplossing gevat worden. Het is daarom noodzakelijk om structurele en werkbare oplossingen te creëren die vertrekken van een economisch perspectief voor het platteland. Bereikbaarheid als vestigingsfactor
Een bevraging van bedrijven naar hun locatievoorkeuren leert dat bedrijven zeer veel belang (beweren te) hechten aan de bereikbaarheid (over de weg). Nochtans blijkt de bereikbaarheid geen discriminerende factor te zijn voor een locatiebeslissing in/binnen Vlaanderen. Evenwel blijkt het mobiliteitsvraagstuk achteraf in toenemende mate een zorg te zijn voor de bedrijven.
25
1.5.2 Infrastructuur als motor voor economische ontwikkeling
Havens, luchthavens, overslagmogelijkheden, mogelijkheden voor multimodaal transport enz. zijn zeer belangrijke vestigingsfactoren en leggen de basis van economische concentratiezones en activiteiten die motor zijn van economische ontwikkeling. Zo is de sector transport, distributie en logistiek niet enkel een dienstensector die de industrie 'volgt', maar ook een verzameling 'stuwende' economische activiteiten met een eigen dynamiek. Europese distributiecentra en value added logistics zijn vaak een voorloper van andere activiteiten uit de waardeketen van ondernemingen. Het op peil houden van een performante infrastructuur vraagt echter ruimte en middelen. Wat betreft de inname van ruimte (voor grootschalige infrastructuren en activiteiten) streeft het beleid tot dusver naar een maatschappelijk afgewogen concentratie in de poorten (vb. zee- en luchthavens). Wat betreft de middelen dient gesteld dat de overheidsinvesteringen in België opmerkelijk laag zijn (1,5% van het BBP, tegenover respectievelijk 6 %, 3,4 % en 1,7% in Ierland, Nederland en Duitsland). In de periode 1995-2001 daalden de overheidsinvesteringen in België in reële termen met 0,9 %. Van onze belangrijkste handelspartners scoort alleen Duitland slechter (daling van 3,8 %). 1.5.3 People-planet-profit: de weg naar de toekomst?
België scoort momenteel goed op het vlak van duurzame ontwikkeling, zoals blijkt uit de zesde plaats die ons land inneemt in de Human Development Index. De Scandinavische landen bekleden de kopposities. Veel initiatieven uit verschillende beleidsniveaus (VN, OESO, EU, België, Vlaanderen) op het vlak van duurzame ontwikkeling beïnvloeden het Vlaams economisch beleid en de ondernemingen. De beleidsplannen, na te leven technische normen en nieuwe economische instrumenten (bvb. heffingen, emissierechten) die meer en meer opgelegd worden vanuit supranationale instanties kunnen win-win effecten en innovatieve meerwaarden creëren voor Vlaamse bedrijven als er voldoende rekening gehouden wordt met het aanpassingsvermogen van de bedrijven en de economie. De energievraag in Vlaanderen is tussen 1990 en 2002 met 35% toegenomen. Het energieverbruik in de industrie (exclusief het gebruik van energie als grondstof) steeg met 24%; het verbruik in de residentiële en aanverwante sectoren (tertiair, land- en tuinbouw) nam toe met 19%. Energiegebruik is nadelig voor het milieu: de fossiele energiebronnen raken uitgeput en het verstoken van fossiele brandstoffen zorgt voor ongewenste emissies, zoals CO2. CO2 is goed voor 82% van de totale uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen, die verantwoordelijk worden geacht voor de opwarming van de aarde. Het Klimaatverdrag van Kyoto van december 1997 legt internationaal bindende reductiedoelstellingen voor broeikasgasemissies vast. Voor België betekent dit een te realiseren reductie van broeikasgasemissies van 7,5% in 2008-2012 ten opzichte van 1990. Vlaanderen heeft zich geëngageerd tot een reductie van 5,2%. Tussen 1990 en 2002 steeg de uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen echter reeds met 3,6% en de CO2-uitstoot met 12%. Ten aanzien van het stijgend industrieel energiegebruik besliste de Vlaamse overheid om geen lineaire doelstelling op te leggen, maar is gekozen voor een benchmarkingovereenkomst met de bedrijven. Daarin engageren deze laatste zich om tegen 2012 de wereldtop inzake energie-efficiëntie te behalen. De overeenkomst zal de basis vormen voor het toekennen van broeikasgasemissierechten aan de industriële bedrijven. De Europese handel in emissierechten, die van start zal gaan op 1 januari 2005, betekent een nieuwe uitdaging voor de bedrijven.
26
1.5.4 Natuurlijke rijkdommen Sector oppervlaktedelfstoffen van belang
Oppervlaktedelfstoffen zijn de enige natuurlijke rijkdommen die in Vlaanderen ontgonnen en gecommercialiseerd worden. Ze zijn onontbeerlijk voor de economisch en maatschappelijk belangrijke sectoren van de woningbouw en infrastructuurwerken. Ook steenbakkerijen, de glasnijverheid en de kunststoffensector hangen van delfstoffen af. Globaal zijn in Vlaanderen ongeveer 94.000 werknemers tewerkgesteld in sectoren die aangewezen zijn op een continue bevoorrading van oppervlaktedelfstoffen. De directe tewerkstelling in de ontginningssector telt ongeveer 3.500 werknemers. Het beleid heeft een duurzame ontwikkeling als basisdoelstelling. Het oppervlaktedelfstoffendecreet van 4 april 2003 schrijft een grondstoffenvoorziening voor volgens het principe “zuinig maar voldoende”. Er zal zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van de plaatselijke grondstoffen en alternatieven. Het is immers geen correcte invulling van het concept van duurzame ontwikkeling, indien een land een bepaalde delfstof in hoofdzaak importeert terwijl het zelf over voldoende voorraden beschikt. Het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan analyseert het geheel van de bevoorradingsbronnen en bevat een actieplan met alternatieven. Daarnaast worden per delfstoftype bijzondere delfstoffenplannen opgesteld met o.a. het afbakeningsproces van de ontginningsgebieden. Het ontginningsbeleid vertoont talrijke raakvlakken met het beleid inzake ruimtelijke ordening (bv. afbakeningsproces ontginningsgebieden en bouwvergunningplicht reliëfwijzigingen) en het milieubeleid (bv. milieuvergunningplicht, beleid inzake bodem en grondwater, groene nabestemmingen, plan-MER aspecten, het gebruik van alternatieven zoals uitgegraven bodem en secundaire grondstoffen afkomstig van afvalstoffen). Potentieel van de diepere ondergrond
Naast het grondstoffenvoorraadbeheer moet een betere kennis van de diepere ondergrond het mogelijk maken een overzicht te bekomen van de valorisatiemogelijkheden. Dit deel van de aardkorst bezit immers een breed potentieel aan toepassingen o.a. in de sector van de energievoorziening. Vermeldenswaardig zijn: prospectie naar metaalvoerende mineralen, winning van aardwarmte, ondergrondse opslag van restwarmte in watervoerende lagen (recupereerbaar in de winter), ondergrondse structuren voor de opslag van aardgas en broeikasgassen, winning van methaangas als energiebron uit de Limburgse steenkoolvoorraden. De toegankelijkheid van geologische gegevens blijft voor verschillende beleidsdomeinen van groot strategisch belang.
27
1.6
Evoluties in besluitvorming – de rol van de overheid
1.6.1 Vele overheden hebben een vinger in de pap Internationale normen bepalend
De Vlaamse overheid staat niet op zichzelf. Op internationaal niveau is Vlaanderen gebonden door een aantal onderschreven normen, zoals de Kyoto-normen op milieugebied. Ook de onderhandelingen in het kader van GATTS hebben hun invloed, bijvoorbeeld op de bemiddelingsactiviteiten in Vlaanderen. Deels samenhangend met deze evolutie merken we een toenemende juridisering van onze samenleving. Europa subsidieert en bepaalt mee het sociaal-economisch beleid
Europa is een grote internationaal bepalende factor en stuurt op vele domeinen aan op een zekere convergentie tussen de lidstaten. Op macro-economisch vlak is er de Maastrichtnorm m.b.t. de begroting die de Vlaamse begroting beïnvloedt. Voor het economisch beleid is het proces van Lissabon richtinggevend. Aangaande werkgelegenheid onderschrijft het Vlaamse beleid de Europese werkgelegenheidsrichtsnoeren. Ook m.b.t. armoede zijn er gemeenschappelijke objectieven. Daarnaast vaardigt Europa ook verordeningen en richtlijnen uit die de nationale en regionale regelgevingen dienen te volgen. Op het vlak van staatssteun zijn de voorschriften stringent. De Europese structuurfondsen (ESF, EFRO, EOGFL) leidden tot een positief effect op het BBP per inwoner en de werkgelegenheid, tot een aanzienlijk multiplicatoreffect en hadden een positieve invloed op de structurering van het regionaal ontwikkelingsbeleid. Ook vandaag worden in een aantal erkende regio’s projecten met EFRO-middelen ondersteund die gericht zijn op het verbeteren van de economische omgevingsfactoren, het versterken van KMO’s, het stimuleren van toerisme en recreatie, … De ESF-middelen worden in heel Vlaanderen aangewend voor werkgelegenheidsdoeleinden en versterken de inzet van Vlaamse middelen, vooral m.b.t. innovatief beleid maar ook m.b.t. het reguliere beleid. De hervorming van de EU-structuurfondsen en de uitbreiding naar de EU-25 stelt de vraag naar de toekomstige financiering van het (cohesie)beleid en de Vlaamse aanpak op dit vlak. Vlaanderen bereidde hierover in 2003 een standpunt voor. De nood aan een hechter partnerschap tussen de EU en de lidstaten maakt daar deel van uit. Bevoegdheidsverdeling nog niet optimaal
Tijdens de voorbije Vlaamse legislatuur was er een evolutie merkbaar naar een zogenaamd ‘coöperatief federalisme’: de federale en regionale overheden werken samen om een aantal doelstellingen te bereiken. De federale werkgelegenheidsconferentie (september 2003) vormt hiervan een illustratie (november 2003). M.b.t. werkgelegenheid zijn er nog steeds een aantal knelpunten in de bevoegdheidsverdeling. We verwijzen hier naar een document dat de administratie Werkgelegenheid samenstelde (mei 2004). Een algemeen knelpunt is het feit dat vele maatregelen te maken hebben met aspecten van sociale zekerheid, fiscaliteit of arbeidsrecht, waardoor het federale niveau bepaalde bevoegdheden (te pas en te onpas) opeist en bepaalde federale en gewestelijke maatregelen naast elkaar staan of elkaar overlappen. Op bepaalde vlakken kan men spreken van een sluipende herfederalisering (diensteneconomie, sociale economie). De Vlaamse bevoegdheden op het vlak van het stimuleren van het ondernemerschap via (para)fiscaliteit zijn te beperkt.
28
Sinds de Lambermontakkoorden bezit Vlaanderen een grotere fiscale autonomie, maar maakt daarvan alsnog geen gebruik. Hier situeren zich (bestudeerde) mogelijkheden voor zowel het economisch als werkgelegenheidsbeleid. De impact van de lagere overheidsniveaus vergroot
De voorbije Vlaamse legislatuur werden belangrijke institutionele processen in gang gezet via het kerntakendebat (rol van de verschillende Vlaamse overheidsniveaus) en ‘Beter Bestuurlijk Beleid’ (sectorale invulling). De belangrijkste implicaties zijn het samenvoegen van de beleidsvelden economie, werkgelegenheid en toerisme, een scheiding van beleidsvoorbereiding en uitvoering (via agentschappen) en de hervorming van het sociaal-economisch streekontwikkelingsbeleid dat voortaan een kerntaak van de provincies en de lokale besturen wordt. Door de hervorming van het Gemeentefonds hebben de lokale besturen een veel grotere autonomie over de aanwending van de middelen waarover ze beschikken. Bij deze decentralisatie is het niet duidelijk hoe het subregionale en lokale beleid zich moet inschakelen in het Vlaamse beleid. De hervorming van de GOM’s naar het Vlaams Agentschap Ondernemen en POM’s kan ook een belangrijke impact hebben op het economisch leven. Essentieel hierbij is dat de dienstverlening aan de bedrijven overal in Vlaanderen uniform zal worden. Typische initiatieven in het kader van streekontwikkeling (brown fields, planning en realisatie van bedrijventerreinen enz.) kunnen nog wel in elke provincie anders worden aangepakt, eventueel via andere actoren (POM’s, intercommunales e.d.). De verdeling van de middelen van het Gemeentefonds over de steden en gemeenten verloopt op basis van vooraf bepaalde criteria, met daarbij ook sociaal-economische en ruimtelijk-economische (centrumfunctie) criteria. Er werd nog niet geanalyseerd hoe bijvoorbeeld buitengebiedgemeenten met weinig mogelijkheden om inkomsten te verwerven uit bedrijventerreinen via het Gemeentefonds kunnen worden aangezet om een ander lokaal economisch beleid te voeren, of hoe het Gemeentefonds gebruikt kan worden om gemeenten tot een meer bedrijfsvriendelijke fiscaliteit aan te zetten. Werking van de federale en Vlaamse overheid
Een overheid die vertrouwen inboezemt, die snel en correct is in de contacten met het bedrijfsleven en beschikt over een goede dienstverlening, is volgens onderzoek in staat het verschil te maken inzake de economische prestaties van een land of regio. In België is dit vertrouwen in de overheid relatief beperkt. Enkel Italië en Griekenland scoren slechter terwijl de Scandinavische landen het best presteren. Bedrijven worden geconfronteerd met een hoge administratieve lastendruk. Volgens het Planbureau kost deze lastendruk voor ondernemingen in ons land 3,4% van het BBP. Vooral opstartende bedrijven hebben het moeilijk: in België duurt het volgens de Wereldbank gemiddeld 56 dagen om een onderneming op te starten (slechts 2 à 4 dagen in Australië, Canada, de VS en Denemarken). De recente inspanningen van de Vlaamse en federale overheid (Beter Bestuurlijk Beleid en Copernicus) hebben tot dusver nog niet tot een verbetering van de dienstverlening aan de bedrijven geleid. Het sociale overlegmodel op federaal en Vlaams niveau heeft naast zijn merites ook een keerzijde. Het sluiten van compromissen tussen de verschillende partners heeft er meermaals voor gezorgd dat oorspronkelijk eenvoudig geconcipieerde maatregelen leidden tot ingewikkelde regelgevingen. De performantie van de Vlaamse overheid behoort tot de internationale subtop van overheidsinstellingen. De voorbije legislatuur werden opnieuw heel wat initiatieven genomen die de dienstverlening ten goede komen zoals de Kenniscel Wetsmatiging, de vele projecten die opstartten in het kader van de vereenvoudiging van de regelgeving, de procesinnovaties binnen de domeinen werkgelegenheid, economie en toerisme, de e-governmentprojecten e.d. De vraag blijft waarom dit niet leidt tot meer vertrouwen bij de bevolking.
29
Toekomstdenken staat reeds prominent op de agenda
Met het project Kleurrijk Vlaanderen maakte de vorige Vlaamse regering ruimte voor het toekomstdenken, met als resultaat de ondertekening van het Pact van Vilvoorde op 22 november 2001. De Vlaamse regering, de sociale partners en de milieu- en natuurverenigingen verklaarden zich daarin akkoord met 21 doelstellingen voor de 21ste eeuw, te verwezenlijken tegen 2010. Het aantreden van de nieuwe federale regering in 2003 was opnieuw een impuls voor het sociaaleconomisch beleid. In september 2003 startte de federale tewerkstellingsconferentie, in samenwerking met de regio’s. Voor Vlaanderen was het Pact van Vilvoorde het uitgangspunt. De conferentie leidde in oktober 2003 tot een aantal afspraken voor het lanceren van nieuwe beleidsinitiatieven. In het kielzog daarvan ging de Vlaamse ondernemingsconferentie van start in november 2003. Deze mondde uit in een bundel van maatregelen, die inspelen op de uitdagingen gesteld in deze tekst. 1.6.2 Nieuwe overheidstendensen Nood aan nieuwe partnerschappen
De provinciale en lokale overheden hebben een steeds grotere beleidsimpact. De hervorming van het sociaaleconomisch streekontwikkelingsbeleid (ERSV – RESOCs, SRRs, POM’s) en de lokale werkgelegenheidsfora zijn voorbeelden hiervan. Daarnaast komt er ook een grotere scheiding tussen beleidsvoorbereiding en uitvoering (cfr. operatie Beter Bestuurlijk Beleid). Ervaringen uit het buitenland (Nederland) leren alvast dat het werken met agentschappen en een meer gedecentraliseerd beleid leiden tot een verhoogde opvolgingsinspanning (monitoring) van de centrale overheid. Daarom is er nood aan een nieuw partnerschapsmodel, tussen de regionale en lagere overheden en tussen de departementen en de agentschappen. Tendens tot uitbesteding
De overheid doet voor de uitvoering van haar beleid ook meer en meer een beroep op semi-publieke, nietcommerciële en private organisaties. Op economisch vlak spelen private instanties zoals de Kamers voor Handel en Nijverheid, ondernemersorganisaties, sociale secretariaten (cf. private ondernemingsloketten) een rol. Voor werkgelegenheid zijn de zogenaamde derden (niet-commerciële organisaties) en de private arbeidsmarktintermediairen en private opleidingsinstanties belangrijke spelers. De scheiding op overheidsniveau (VDAB) tussen regisseur (overheidsrol van spelverdeler) en actor (uitvoerder), die een objectieve toewijzing van taken aan actoren moest mogelijk maken, kwam er tijdens de vorige legislatuur niet. Een eenduidig uitbestedingskader, waarbij doelmatigheids- en efficiëntieoverwegingen een rol moeten spelen, wordt vandaag voorbereid bij de VDAB (cfr. ‘tendering’). Samenwerking met sectoren
Sinds 2002 werkt de regering via sectorconvenants samen met de sectorfondsen voor de implementatie van haar beleid. De sectoren nemen een aantal engagementen op zich rond diversiteit, aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt, levenslang leren en mobiliteit. In ruil krijgen de sectoren consulenten ter beschikking voor de uitvoering van deze engagementen. Europa stelt sectoren open voor vrije concurrentie
Europa heeft verschillende richtlijnen opgesteld om een aantal traditioneel monopolistische sectoren open te stellen voor vrije concurrentie. De meest betrokken sectoren zijn de zogenaamde netwerkindustrieën (telecommunicatie, transport, post, gas en elektriciteit). De Europese Commissie begrijpt dat het economisch onhaalbaar en contraproductief is voor potentiële concurrenten in deze sectoren om een apart netwerk uit te bouwen en aanvaardt dat het eigendomsrecht exclusief kan blijven. De monopolist moet echter aan derde, geïnteresseerde partijen toegang geven tot zijn netwerk, zodat deze
30
concurrerende diensten kan aanbieden aan de consument. Er bestaat dus een opsplitsing tussen de infrastructuur en de diensten verleend door middel van deze infrastructuur. Liberalisering van de energiemarkten
In uitvoering van de richtlijnen voor de verwezenlijking van een Europese eenheidsmarkt voor elektriciteit en aardgas heeft het Vlaamse Gewest op 17 juli 2000 het Elektriciteitsdecreet en op 6 juli 2001 het Aardgasdecreet goedgekeurd. Talrijke uitvoeringsbesluiten werden intussen genomen. Het regelgevend kader voor de vrijmaking van de energiemarkten is ver gevorderd. De praktische uitvoering begint echter nog maar pas. Op een concurrentiële markt baseren de energieactoren hun investerings- en verkoopsbeslissingen in hoofdzaak op minimalisatie van de kosten. Duurdere maar milieuvriendelijkere investeringen in energieproductie-installaties, REG en sociale overwegingen krijgen een lage prioriteit. Daarom heeft de Vlaamse overheid een aantal verplichtingen opgelegd zoals doelstellingen voor groene stroom en warmtekrachtkoppeling, REG-openbaredienstverplichtingen en de verplichting om budgetmeters te installeren bij kansarmen. Door verrekening van de kosten die hiermee gepaard gaan, dreigt er een belangrijke opwaartse druk op de energieprijzen. Hiermee kan de oorspronkelijke doelstelling van de liberalisering, met name een daling van de energieprijzen, in het gedrang komen. 1.6.3 De inhoudelijke kennis van de Vlaamse overheid Onderbouwing via wetenschappelijke programma’s en steunpunten volgens een verschillend model
De Vlaamse overheid onderbouwt haar beleid op een wetenschappelijke manier. Voor werkgelegenheid gebeurt dit via het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma dat in 2003-2004 zijn 10-jarig bestaan viert. Kernelementen zijn de jaarlijkse objectieve uitbesteding van arbeidsmarktonderzoek op basis van een meerjarenprogramma en de succesvolle werking van het Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming voor gegevensverzameling en verspreiding. Het recentere instrumentarium voor de economische onderbouwing is volgens een ander model georganiseerd. Sinds 2001 staat het Steunpunt Ondernemerschap, Onderzoek en Innovatie in voor de uitvoering van een meerjarenonderzoeksprogramma. Hier ligt het onderzoeksprogramma en het uitvoerend (academisch) consortium van organisaties dus vast voor vijf jaar. Voor het toerismebeleid bestaat sinds begin 2002 het Steunpunt Toerisme en Recreatie. Het Steunpunt wil een centrum voor wetenschappelijk en beleidsgericht onderzoek zijn. Via longitudinale metingen wil men een beter en systematisch inzicht krijgen in relevante maatschappelijke ontwikkelingen. Vlaanderen volgt de sociaal-economische evoluties op de voet
De methode van open coördinatie in het kader van de Europese Werkgelegenheidsstrategie (‘Het Lissabonproces’) legt een duidelijk stramien vast waarbinnen de Europese lidstaten moeten rapporteren over de voortgang van de arbeidsmarkt. Vlaanderen heeft daar met haar Strategisch Plan en het Pact van Vilvoorde een eigen invulling aan gegeven via een hoogstaande monitoring van de arbeidsmarkt. Voorbeelden zijn de opvolging van het Strategisch Plan Werkgelegenheid Vlaanderen, het Vlaams actieplan in het kader van de Europese Werkgelegenheidsrichtsnoeren (administratie werkgelegenheid), het Jaarboek over de Arbeidsmarkt in Vlaanderen (uitgave VIONA - Steunpunt WAV) en ‘Kernindicatoren over de Vlaamse Arbeidsmarkt (Steunpunt WAV), de opvolging van de werkloosheid, schoolverlaters, vacatures en kenlpuntvacatures door de VDAB, de longitudinale meting van de werkbaarheidsgraad door de SERV-STV, de surveys PASO-Flanders (VIONA en Steunpunt OOI) en START (Steunpunt OOI), en het longitudinaal SONAR onderzoek (SONAR en Steunpunt LOA).
31
Het tijdens de voorbije legislatuur gevoerde driesporenbeleid - betere ontginning van bestaande administratieve bronnen, longitudinale primaire data-inzameling via surveys en wetenschappelijk verantwoorde commentariëring van trends en structurele kenmerken via doorgedreven samenwerking van de administraties met universiteiten (Steunpunten) - heeft duidelijk zijn impact gehad op de uitbreiding van onze kennis over de economie, de arbeidsmarkt en het toerisme. Belangrijke data voor een meer optimale opvolging van alle Lissabondoelstellingen ontbreken nog
Voor informatie over werkgelegenheid en werkzaamheid blijft Vlaanderen in belangrijke mate afhankelijk van de federaal georganiseerde statistiekadministraties (NIS, EAK voor Europees vergelijkend materiaal over de aanbodzijde, RSZ, RSVZ, RSZPPO voor de werkgelegenheidsevoluties), maar heeft hierop weinig impact. Er zijn belangrijke stappen gezet naar een betere, meer tijdige (via DIMONA en de DMFA) en geïntegreerde ontsluiting van de federale statistieken door de uitbouw van het Datawarehouse Arbeidsmarkt bij de KSZ, wat de longitudinale opvolging van een individuele arbeidsloopbaan mogelijk maakt. Bij de EAK van het NIS stelt zich een probleem van toegang, kostprijs, omvang steekproef, niet tijdige beschikbaarheid van gegevens. Europa en Vlaanderen wensen een kenniseconomie uit te bouwen via het levenslang leren. Vlaanderen ontbeert echter een register van competenties op individueel niveau om deze evolutie te kunnen monitoren. (Meer) evenredigheid in arbeidsdeelname dient via een monitoring van de segregatie (naar geslacht, nationaliteit, ..) op niveau van sectoren en beroepen te worden gerealiseerd, doch ook een daartoe noodzakelijk (geïndividualiseerd) beroepenregister ontbreekt. Tot voor kort leverde de 10 jaarlijkse Volkstelling daarvoor de nodigde data. De succesvolle uitbouw van het Datawarehouse Arbeidsmarkt bewijst dat (geanonimiseerde) databankkoppeling de weg is die moet worden gevolgd om te komen tot een meer (moderne) beleidsgerichte statistische ondersteuning. Ontbrekende data voor een optimale opvolging toerisme
Een ruim deel van de verzameling van toeristische indicatoren gebeurt op federaal niveau. Vlaanderen heeft slechts een beperkte invloed op de tijdige aanlevering en hoge betrouwbaarheid van de gegevens. Om een duidelijk beeld te hebben van de economische impact van toerisme is er momenteel een haalbaarheidsstudie en een pilootstudie voor de implementatie van Toerisme Satellietrekeningen (TSA). Voor de implementatie van TSA is de medewerking vereist van spelers op het federale niveau.
32
1.7
Sterkten, zwakten, opportuniteiten en bedreigingen van het Vlaams sociaal-economisch weefsel
STERKTEN / OPPORTUNITEITEN
ZWAKTEN / BEDREIGINGEN
Demografische evoluties
·
Nieuwe noden (toerisme, tewerkstelling)
·
Migratie uit nieuwe EU-landen?
Economisch gerelateerde evoluties
Demografische evoluties
·
Veroudering beroepsbevolking (spanning lonen – productiviteit)
·
Verslechterende verhouding actieven/nietactieven, lage werkzaamheid ouderen
·
Arbeidsdeelname allochtonen
·
Migratie uit nieuwe EU-landen? Economisch gerelateerde evoluties
Welvaart
Welvaart
·
Welvarende regio
·
·
Hoge arbeidsproductiviteit
Lage werkzaamheidsgraad, samengebalde loopbaan
·
Flexibilisering beperkt
·
Mismatch arbeidsmarkt, permanent karakter knelpuntvacatures
·
Hoge loonkosten, hoge fiscale druk
Internationalisering
·
Open economie (hoge export, import)
·
Logistieke draaischijf
·
EU-uitbreiding
Internationalisering
·
Slinkende buitenlandse investeringen, kleinere omvang
·
Grote beslissingsmacht buitenlandse investeringen met sterke mobiliteit
Evolutie sectoren
Evolutie sectoren
·
Tertiairisering, quartairisering
·
Tertiairisering
·
Opgelegde vrije concurrentie voor een aantal sectoren (diensten, elektriciteit, en aardgas …)
·
Minder gunstig sectorprofiel:
·
Liberalisering overheidstaken
33
.
Lage specialisatie in ‘high en medium tech’ sectoren
.
Achterop hinkende dynamiek in dienstensectoren met productiviteit en outputgroei
.
Sociale en ecologische doelstellingen van de overheid dreigen gunstig prijseffect van liberalisering teniet te doen
STERKTEN / OPPORTUNITEITEN
ZWAKTEN / BEDREIGINGEN
Ondernemerschap
Ondernemerschap
·
Hoog aandeel ondernemers in beroepsbevolking
·
Weinig startende ondernemers, lage oprichtingsquote
·
Veel familiale ondernemingen
·
·
Intrapreneurship
Lage Total Entrepreneurial Activity-index, relatief laag aandeel jongeren
·
MVO en sociale economie in de lift
·
Weinig 45-plussers, vrouwen en hoger opgeleiden die ondernemingen opstarten
·
Weinig doorgroeiers
·
Mentaliteit en attitude t.o.v. ondernemerschap
Financieel kapitaal
Financieel kapitaal
·
Hoge bruto vaste kapitaalvorming
·
Beschikbaarheid informeel risicokapitaal
·
Privé-investeringen
·
Beschikbaarheid zaaikapitaal
·
Beschikbaarheid formeel risicokapitaal
·
Waarborg bij bankfinanciering
Technologische innovatie –
Technologische innovatie –
Kennismaatschappij -
Kennismaatschappij
O&O en innovatie
O&O en innovatie
·
Uitgaven als % van BBP
·
O&O-investeringen overheid
·
O&O-investeringen bedrijven
·
Aantal neergelegde high tech-octrooien
·
Aangevraagde en toegekende octrooien
·
Productinnovatie
·
Procesinnovatie
·
Innovatie arbeidsorganisatie
·
Nieuwe technologieën – toerisme
·
Commercialisering O&O-inspanningen
·
Toename telewerk
·
Wisselwerking bedrijven en wetenschappelijk onderzoek
Menselijk potentieel
Menselijk potentieel
·
Hoge scholingsgraad
·
·
Aantal vormingsbedrijven
Laag aantal nieuwe gediplomeerden technische en wetenschappelijke richtingen
·
Onderzoekspotentieel in bedrijven
·
Hardnekkige laaggeletterdheid
·
Stelsel deeltijds leren onderbenut
·
Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt niet optimaal
·
Lage deelname levenslang leren (lager geschoolden)
·
Lage participatie van alle werknemers aan het innovatieproces
·
Relatief minder vormingsbedrijven bij KMO’s
34
STERKTEN / OPPORTUNITEITEN
ZWAKTEN / BEDREIGINGEN
Sociaal-culturele ontwikkelingen
Sociaal-culturele ontwikkelingen
·
Stijgende deelname vrouwen arbeidsmarkt
·
·
Werk staat centraal
Diversiteit maatschappij niet weerspiegeld op arbeidsmarkt
·
Tevredenheid met werk relatief goed
·
·
Zingeving en kwaliteit winnen aan belang (toerisme)
Scholing en arbeidsdeelname bepalend voor dualiteit
·
Ouderen stappen vroeg uit
·
Gezinsverantwoordelijkheid voor vrouwen
·
Werkdruk op gezin
·
Klachten verbonden aan werk worden zichtbaar
Ontwikkelingen tussen mens en omgeving
Ontwikkelingen tussen mens en omgeving
Infrastructuur
Infrastructuur
·
Aanwezigheid havens, luchthavens: mogelijkhe- · den voor multimodaaltransport
·
Groei maatschappelijk verantwoord ondernemen
Aanbod nieuwe en bouwrijpe bedrijventerreinen
·
Rechtsonzekerheid zonevreemde bedrijven
·
Congestieproblematiek
·
Lange processen voor de realisatie van projecten
·
Tekort aan alternatieve arbeidsvormen
Duurzame ontwikkeling
Duurzame ontwikkeling
·
6de plaats voor België in de Human Development Index
·
·
Kans tot kostenbesparing, innovatie en creatie van werkgelegenheid
Natuurlijke rijkdommen
·
Ongunstige evolutie energiegebruik en CO2uitstoot in relatie tot Kyotodoelstelling
Natuurlijke rijkdommen
Voldoende voorraden aan oppervlaktedelfstof- · fen in Vlaanderen, mits zuinig beheer
35
Stijgende weerstand tegen ontginningen
STERKTEN / OPPORTUNITEITEN
ZWAKTEN / BEDREIGINGEN
Evoluties besluitvorming – rol overheid
Evoluties besluitvorming – rol overheid
·
Internationale normen bepalend
·
Hervorming Europese structuurfondsen
·
Goede monitoring op sociaal-economisch vlak
·
Weinig vertrouwen in de overheid
·
Grotere impact lagere overheidsniveaus
·
Hoge administratieve lasten
·
Aanvang m.b.t. lange termijndenken
·
Beperkte (para)fiscale autonomie
·
Geen optimaal gebruik fiscale bevoegdheden
·
Geen homogene bevoegdheidspakketten m.b.t. werkgelegenheid en economie
·
Geen eenduidig kader uitbesteding overheidstaken
·
Verschillend model wetenschappelijke onderbouwing economisch en werkgelegenheidsbeleid en toerisme
·
Monitoring gemeente- en provinciefonds
·
Afstemming Vlaamse overheid - lagere overheden
·
Afhankelijkheid van federale overheid op vlak van statistiek
36
2
UITDAGINGEN 2.1
Vlaanderen laten uitgroeien tot een ondernemende regio
Uitdaging
De graad van ondernemerschap van een regio of land beïnvloedt in belangrijke mate de economische welvaart ervan. Nieuwe en groeiende bedrijven verhogen de innovatieve capaciteit van een economie, bevorderen het flexibeler inspelen op marktvragen, sporen bestaande bedrijven aan om efficiënter te functioneren en creëren nieuwe businessactiviteiten en dus nieuwe banen. Vlaanderen moet de cultus van de initiatiefnemer verder ontwikkelen en kansen creëren voor ondernemend gedrag. Er moet zowel gewerkt worden op het niveau van het individu, van de onderneming en van de maatschappij. Om individuen te motiveren om ondernemer te worden, moeten deze bewust zijn van de optie om te ondernemen én moet deze optie voldoende aantrekkelijk zijn. Om tot voldoende gezonde ondernemingen te komen, zijn ondersteunende kadervoorwaarden van essentieel belang. Ondernemingsactiviteiten zijn afhankelijk van de positieve beoordeling van ondernemers in de maatschappij. Belangrijk hier is de waardering voor ondernemerschap enerzijds en de verlichting van het stigma van een mislukking anderzijds. Denkpistes
1. De overheid kan bijdragen aan de verbetering van de beeldvorming, het stimuleren van een positieve attitudevorming op het gebied van ondernemerschap en de bevordering van de ondernemingszin door onder andere sensibilisering en informatieverstrekking (media-acties etc…). De attitude van een persoon ten opzichte van ondernemen blijkt sterk afhankelijk te zijn van iemands persoonlijk netwerk. Wie veel contacten heeft met ondernemers, heeft een positievere houding t.o.v. ondernemen en ziet zichzelf ook sneller de stap zetten naar een ondernemende loopbaan. Het beleid kan hiertoe het contact met ondernemers stimuleren via het uitbouwen van lokale netwerken tussen opleidingsinstellingen en de bedrijfswereld. Daarnaast moet hieraan ook de nodige aandacht besteed worden bij de begeleiding en opleiding van werkzoekenden. 2. Het aanscherpen van ondernemerschapattitudes vanaf jonge leeftijd is een onontbeerlijke component om te komen tot een creatieve economie die internationaal maximale overlevingskansen biedt. Het is noodzakelijk om ondernemingszin binnen alle onderwijsniveaus aan te moedigen. Hierbij dienen alle deelnemers (onderwijzend personeel en opleidingsinstellingen, leerlingen en studenten en de bedrijfswereld) betrokken te worden. ·
Het bouwen van bruggen tussen het onderwijs, de opleiding en vorming en bedrijfswereld moet gestimuleerd worden. Daarnaast is het inbouwen van methodieken met aandacht voor zelfsturing en creativiteit van lerenden in opleidingen en onderwijs van cruciaal belang. Maatregelen om de aansluiting van het onderwijsveld op het bedrijfsleven te bevorderen voorkomen bovendien een ongekwalificeerde uitstroom.
·
Ondernemerschapattitudes kunnen ook aangescherpt worden binnen ondernemingen. Intrapreneurship moet bevorderd worden om de economie nieuwe zuurstof te geven. Maatregelen kunnen worden ontwikkeld waarbij zowel jongeren als ouderen binnen de onderneming in een win-win situatie voor de onderneming samenwerken.
37
3. Remmingen voor het opstarten van een eigen zaak moeten worden verminderd en tevens dient het aantal sluitingen te dalen. ·
Het vinden van de nodige financieringsmiddelen voor de opstart en uitbouw van een bedrijf blijkt één van de moeilijkheden te zijn waarmee (startende) ondernemers te kampen hebben. Een flankerend economisch beleid zorgt voor drempelverlagende maatregelen teneinde de instroom van nieuwe economische actoren te bevorderen.
·
Daarnaast kan een marktplaats voor overname van (familie)bedrijven opgezet worden. Enerzijds zijn er mensen die een bedrijf willen starten of een idee hebben maar over onvoldoende middelen beschikken en anderzijds zijn er bedrijven die ophouden te bestaan ondanks het feit dat ze economisch rendabel zijn. De financiële en andere activa (klantenbestand, menselijk kapitaal, leveranciers,…) waarover het bedrijf beschikt dreigen verloren te gaan. Indien beide groepen met elkaar in contact gebracht worden zullen minder bedrijven stopgezet worden en dienen startende ondernemers minder zware (financiële) inspanningen te leveren.
·
Daarnaast moet het ondernemerschap gepromoot worden in enkele specifieke sectoren zoals bijvoorbeeld de sector van de sociale economie en de welzijnssector. Deze sectoren bieden mogelijkheden voor publiek-private samenwerkingsverbanden. Het toelaten van enig ondernemerschap in deze sectoren, zoals nieuwe ideeën ruimte geven om in de praktijk te worden omgezet en eigen inkomsten mogelijk maken, kan een dynamiek teweeg brengen.
4. Het bevorderen van de ondernemingsgeest dient voldoende ruim te zijn en bovendien toegankelijk voor de ganse samenleving. Ondernemerschap moet worden aangemoedigd bij die groepen die momenteel ondervertegenwoordigd zijn in de starterspopulatie. Bij vrouwen, jongeren, enz..., is nog veel starterspotentieel aanwezig. Om hieraan tegemoet te komen kan het aanbod van kwalitatieve opleiding en begeleiding naar starters toe versterkt worden door het te richten naar nieuwe groeisectoren, sociale economie en nieuwe doelgroepen - waaronder jongeren (< 25 jaar), ouderen (> 55 jaar), allochtonen en vrouwen. Voor deze doelgroepen kunnen eveneens oriënterende vooropleidingen aan de ondernemersopleidingen georganiseerd worden.
Ideeënfiches
· Optimalisatie en uitdieping van de brugprojecten economie-onderwijs (p.66). · Acties ter bevordering van intrapreneurship en intergenerationele ervaringsoverdracht (p.68).
38
2.2
Behouden en ontwikkelen van een competitief, duurzaam en vernieuwend economisch weefsel, dat zorgt voor de creatie van toegevoegde waarde en tewerkstelling
Uitdaging
De Vlaamse economie is vooral gebaseerd op kleine (tot 50 werknemers) en middelgrote (tot 200 werknemers) bedrijven. Meer dan negentig procent van de Vlaamse bedrijven heeft minder dan vijftig werknemers in dienst; slechts één procent heeft meer dan 200 werknemers in dienst, maar zij zijn wel goed voor een derde van de totale werkgelegenheid in Vlaanderen. Vlaanderen wordt terecht een KMO-regio genoemd. Bovendien beschouwt meer dan 90 procent van de Vlaamse bedrijven zichzelf als familiebedrijf; deze worden herkend aan de generatiewissels. Grote bedrijven blijven echter uiterst belangrijk voor de economische groei en welvaart. Zij genieten uitgebreide schaalvoordelen en beschikken over een ruime waaier aan financiële middelen. Daartegenover staat de kleinschaligheid van nieuwe ondernemingen, wat een troef is op het gebied van flexibiliteit en innovatie. We kunnen dus stellen dat grote en kleine bedrijven een complementaire rol vervullen in onze economie. Het is dan ook aangewezen om een context te creëren waarin kleine en grote bedrijven naast elkaar kunnen bestaan. Denkpistes
1. Om een gezonde economische basis te hebben moet worden gezorgd voor een gediversifieerd ondernemingslandschap (industrie versus diensteneconomie, KMO’s versus grote ondernemingen). In de moderne netwerkeconomie is er een toenemende vervlechting tussen de industrie en diensten. ·
Meer en meer ondernemingen concentreren zich op hun kernactiviteiten en besteden verschillende processen uit. Als gevolg hiervan is onder andere de toeleveringssector een belangrijke sector met opportuniteiten voor de Vlaamse economie. Deze sector dient dan ook verder in kaart te worden gebracht en gepromoot, zodat netwerken efficiënt tot stand komen. Aandachtspunt bij deze sector is dat de toeleverancier niet te sterk afhankelijk mag zijn van één klant. Een mono-keten-industrie kan immers zwaar te lijden hebben indien één schakel in de ketting in de problemen komt. Diversificatie binnen de onderneming naar producten, klanten, … is nodig.
·
Voor ondernemingen blijft cash, mede als gevolg van de Basel-II-akkoorden, een voortdurend aandachtspunt, ook na de startfase. Door middel van nieuwe instrumenten moet de toegang tot de kapitaalmarkt worden bevorderd opdat het vermogensdraagvlak van investerende ondernemingen kan worden versterkt.
·
In het economisch ondersteuningsbeleid werd in het verleden vooral ingespeeld op de materiële investeringen. Mede als gevolg van de EU-uitbreiding, meer bepaald de mogelijke repercussies op de regionale steunzones in 2007, moeten aangepaste maatregelen ontwikkeld worden ter versterking van het Vlaams economisch weefsel. Hierbij dient gefocust te worden op immateriële bedrijfscomponenten.
39
2. Het segment van snelgroeiende ondernemingen, de zogenaamde gazellen, draagt sterk bij tot de bedrijfsdynamiek in de economie, onder meer door hun invloed op andere bedrijven, met gevolg voor toe- en uittredingen. Gazellen zijn bovendien veelal dragers van innovatie en vernieuwing. Zij realiseren grote omzetvolumes en creëren veel werkgelegenheid. Ze versterken het competitief vermogen van de economie. De beschikbaarheid van risicokapitaal is essentieel voor snelgroeiende ondernemingen, zeker in de hightech-kennissector. De overheid kan instrumenten aanreiken die drempelverlagend werken voor het aanbod van risicokapitaal voor deze ondernemingen. 3. De laatste jaren is er een toenemende belangstelling voor duurzaam of maatschappelijk verantwoord ondernemen. Hierbij wordt gestreefd naar een evenwicht tussen economische, sociale en ecologische doelstellingen. De overheid dient dit mee te stimuleren. ·
Met de optie voor de start en de uitbouw van een digitaal kenniscentrum (bekrachtigd op de ondernemersconferentie december 2003 en goedgekeurd door de Vlaamse regering) is de basis gelegd om in Vlaanderen alle kennis in verband met MVO te bundelen en permanent beschikbaar te stellen. Dit is een essentiële voorwaarde om dit gedachtegoed consistent en coherent ter ondersteuning van alle actoren (ondernemenden) in Vlaanderen te versterken.
·
Vanuit verschillende overheidsniveaus worden milieudoelstellingen geformuleerd en wordt regulerend opgetreden om deze doelstellingen te realiseren. Bij het uittekenen van een dergelijk beleid moet voldoende rekening gehouden worden met de aanpassingsnelheid van ondernemingen en het economisch weefsel in het algemeen. Er moet een flexibel referentiekader aangeboden worden waardoor innovatie voldoende ruimte krijgt. Zo wordt een win-win relatie gerealiseerd voor bedrijf en milieu.
·
Binnen dit kader kan ook de sociale economie/meerwaardeneconomie verder worden ontwikkeld. Waar deze vorm van bedrijfsvoeren in het verleden vooral werd geassocieerd met kansengroepen, bestaat de uitdaging erin de sociale en ‘reguliere’ economie naar elkaar te laten toegroeien. Er bestaan vandaag reeds vele aanzetten daartoe (invoegbedrijven en invoegafdelingen, incubatiecentra, activiteitencoöperaties, enz). Een piste kan erin bestaan om de verschillende subsidiemechanismen voor ondernemingen (vanuit economische en werkgelegenheidshoek) op elkaar af te stemmen of zelfs te integreren.
·
Tot slot bieden een aantal sectoren van de maatschappelijke dienstverlening, waar de overheid traditioneel optreedt/optrad, mogelijkheden tot het uitbouwen van nieuwe of bijkomende activiteiten, eventueel via een PPS-structuur. De overheid behoudt hier wel de taak van kwaliteitscontrole. Dit biedt eveneens de mogelijkheid tot het verenigen van economische en sociale doelstellingen.
Ideeënfiches
· Nieuwe financiële instrumenten ter verbetering van het vermogensdraagvlak van startende en groeiende ondernemingen (p.69). · Sensibiliseren en begeleiden van KMO’s bij het invoeren van een duurzaam ondernemingsbeleid (p.71). · Uitbouwen van een Vlaams beleid voor flexibele mechanismen om emissierechten onder het Protocol van Kyoto te verwerven (p.74).
40
2.3
Verhogen van de arbeidsdeelname, met bijzondere aandacht voor de kansengroepen
Uitdaging
Het verhogen van de werkzaamheid in het algemeen, en van kansengroepen in het bijzonder, is ingegeven vanuit twee vaststellingen. Enerzijds zullen in de toekomst, met 2010 als scharnierpunt, steeds minder actieven (werkenden) via hun sociale zekerheidsbijdragen instaan voor de inkomensondersteuning (o.m. pensioenen) van steeds meer niet-actieven. Onze sociale welvaartsstaat komt hierdoor onder druk te staan. Anderzijds is arbeid bij uitstek het middel tot integratie in de maatschappij en de beste garantie om niet in de armoede terecht te komen. Een verhoging van de werkzaamheidgraad is daarom aangewezen. Een analyse van de werkzaamheidsgraad van verschillende bevolkingscategorieën in Vlaanderen toont waar zich een potentieel bevindt om de werkzaamheid te verhogen. Dit situeert zich bij de ouderen, voor wie de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen tot de laagste in Europa behoort, en bij de overige kansengroepen (laaggeschoolden, allochtonen, arbeidsgehandicapten, …). De oorzaken zijn velerlei: lage scholing in het algemeen, het bestaan van werkloosheids- en inactiviteitsvallen, bewuste en/of onbewuste discriminatie. Denkpistes
1. Het bevorderen van de werkzaamheid van ouderen (45-plussers) en het verlengen van hun loopbaan. Dit kan door het uitwerken van een eindeloopbaanbeleid en een leeftijdsbewust HR-beleid, in combinatie met het geheel of gedeeltelijk terugdringen van het vroegtijdig uittreden (federale materie). Volgende instrumenten komen hiervoor in aanmerking: ·
‘Activering van vergoeding voor het brugpensioen’ (analoog aan de activering van de werkloosheidsvergoeding), via brugbanen, vb. in de nieuwe diensteneconomie (mogelijke financiering via dienstencheques), ‘peterschapsbanen’; enz.
·
Het instellen van een gefaseerd tijdskrediet dat ouderen toelaat hun loopbaan geleidelijk af te bouwen, eventueel gevarieerd naargelang de sector (link met Vlaamse sectorconvenants, Vlaamse CAO’s).
·
Het toestaan van een aftrek in de personenbelasting voor werkenden van 50 jaar en ouder (cfr. verruimde Vlaamse bevoegdheden op dit vlak). Een analoge redenering is mogelijk voor de laaggeschoolden.
·
Het stimuleren van een leeftijdsbewust HR-beleid in ondernemingen en organisaties.
2. Het bevorderen van een evenredige arbeidsdeelname. De Vlaamse overheid voert vandaag reeds een stimuleringsbeleid rond evenredige arbeidsdeelname en diversiteit. Dit beleid dient verder te worden gezet en kan worden verbreed, aangepast en beter ondersteund op volgende wijze: ·
De maatregel ‘diversiteitsplannen’ kan fasegewijs op een grotere schaal worden ingevoerd.
·
Beleidsacties kunnen zich richten op het begeleiden van organisaties naar hogere niveaus in hun diversiteitsdenken. Dit impliceert een stimulering of begeleiding van organisaties over een langere termijn.
·
Vlaanderen beschikt reeds over heel wat informatie m.b.t. evenredige arbeidsdeelname en diversiteit. Een op te richten deskundigheidscentrum of steunpunt ‘evenredige arbeidsdeelname en diversiteit’ kan de beschikbare deskundigheid en kennis op dit vlak verzamelen, en ondernemingen en organisaties ondersteunen in hun diversiteitsbeleid.
41
3. Kansengroepen worden op vlak van tewerkstelling geconfronteerd met een aantal gemeenschappelijke maar ook met een aantal zeer specifieke problemen, die nopen tot gediversifieerde beleidsacties. Integratie in de reguliere arbeidsmarkt is daarbij een steeds na te streven doel. Volgende denkpistes zijn aan de orde: ·
Voor een aantal kansengroepen bestaat reeds een inventaris van knelpunten (o.m. de inactiviteits-, ziekte- en werkloosheidsvallen). Deze zijn een goed aanknopingspunt voor verdere beleidsacties.
·
Beschermde tewerkstelling is vandaag veelal een eindpunt voor kansengroepen. Algemene aandacht dient te gaan naar de doorstroming vanuit alle vormen van beschermde tewerkstelling (sociale en beschutte werkplaatsen, invoegbedrijven, …) naar de reguliere arbeidsmarkt. Dit geldt in het bijzonder voor arbeidsgehandicapten.
·
Wat de individuele trajectbegeleiding op maat betreft, is er ruimte voor een versterking en intensifiëring. Daarbij dient aandacht te gaan naar ‘leerwerktrajecten’.
·
Een optimale toeleiding moet de eigenlijke begeleiding voorafgaan. De rol van de lokale werkwinkels en de lokale werkgelegenheidsfora is in dit opzicht cruciaal. Een decretale verankering is aangewezen.
·
Het bevorderen van ondernemerschap bij kansengroepen.
·
Tegenover de begeleiding van een individu staat ook zijn/haar plicht om actief te zoeken naar werk. De Vlaamse overheid dient voor de operationalisering hiervan de nodige afspraken te maken.
4. Tot slot is er een potentieel aan jobs, ook voor de kansengroepen, in de (lokale) diensteneconomie, bij voorkeur in de reguliere economie. Een uitbreiding van het systeem van dienstencheques kan een verdere uitbouw ervan ondersteunen. De lokale besturen kunnen een rol spelen bij de uitbouw van de lokale diensteneconomie indien zij daartoe de nodige middelen krijgen aangereikt. Ideeënfiches
· Activering van het zoekgedrag van werkzoekenden (p.76). · Fiscale ondersteuning van een langere beroepsloopbaan, via de ouderenkorting in de personenbelasting – eventuele veralgemening tot laaggeschoolden (p.77). · Oprichting van een Fonds voor Werktijdsparen, om langer werken aan te moedigen (p.79). · Uitbreiding en stroomlijning van het beleid m.b.t. diversiteit en evenredige arbeidsdeelname (p.80). · Uitbreiding van de ondernemerstrajecten voor allochtone ondernemers (p.82).
42
2.4
Vlaanderen laten uitgroeien tot een lerende regio
Uitdaging
Een goede kennis/scholing, het bijblijven met de nieuwste ontwikkelingen en het beschikken over de juiste ‘competenties’, zijn onmisbare troeven in een kennis- en informatiemaatschappij. Deze troeven dienen aanwezig te zijn bij elk individu, elke organisatie en de regio als geheel. Omgaan met veranderingen moet een ‘tweede natuur’ worden voor de inwoners van Vlaanderen. Vlaanderen beschikt reeds over een sterke uitgangspositie, maar er blijft ruimte voor verbetering. Wat betreft het leren van individuen, stellen we het volgende vast: · Ondanks de hoge scholingsgraad, blijven volgende knelpunten: het hardnekkig probleem van laaggeletterdheid, de ongekwalificeerde uitstroom (12,5% in 2003), een kleinere deelname aan studierichtingen met innovatie- en onderzoekscapaciteit. Daarnaast vindt bijna de helft van de deeltijds lerenden geen werkervaringsplaats. · Wat betreft de participatie van de volwassen beroepsbevolking aan levenslang leren, situeert Vlaanderen zich met 7,6% in 2003 nog ver onder de Europees vastgelegde doelstelling van 12,5% in 2010. Daarbij valt op dat hogergeschoolden zich meer dan anderen blijven bijscholen. In ondernemingen neemt de kans op investeringen toe met de grootte van de onderneming. Binnen de ondernemingen krijgen hooggeschoolden meer opleidingskansen dan laaggeschoolden, ouderen enz. Tot slot dient te worden gesteld dat leren plaatsvindt in diffuse leeromgevingen en dat niet alles meetbaar is. De daadwerkelijke deelname aan activiteiten van levenslang leren ligt daarom waarschijnlijk hoger dan aangegeven. Denkpistes
1. De overheid dient werk te maken van een strategisch beleid voor ondernemingen en individuen. Een meerjarenplanning, zoals vandaag bestaat, is een ideaal instrument. Dit dient zich te richten op individuen, organisaties/ondernemingen en sectoren. In deze planning dient aandacht te gaan naar: ·
Het bevorderen van het leerklimaat.
·
Een vereenvoudiging en afstemming van de huidige maatregelen voor de ondernemingen (één opleidingsfonds?) en de individuen (een opleidingskrediet?). Een efficiënte inzet van middelen is hierbij een aandachtspunt (vermijden van ‘dead weight’ effecten).
·
De opleiding van individuen kan ook via fiscale weg aangemoedigd worden (cf. nieuwe bevoegdheden).
·
Het stimuleren en combineren van leervormen (werkplekleren, afstandsleren, blended learning, action learning, enz).
·
Het bestrijden van zeer specifieke knelpunten zoals laaggeletterdheid. Een strategisch plan m.b.t. laaggeletterdheid is momenteel in voorbereiding.
·
Het oprichten van een kenniscentrum over deze problematiek, met specifieke aandacht voor de informatieverstrekking en hulp aan organisaties en individuen.
2. De overheid moet vooral het verwerven en erkennen van competenties van individuen stimuleren. De arbeidsloopbaan moet als het ware ook een lerende loopbaan worden. ·
De huidige maatschappij noopt tot permanente bijscholing, binnen een bepaalde functie of in het licht van een functieverandering. Een begeleiding van dit proces tijdens de loopbaan vormt voor velen een grote hulp. De overheid dient daarom mee het huidige beleid m.b.t.
43
loopbaanbegeleiding verder uit te bouwen. Loopbaanbegeleiding dient een recht te worden voor iedereen. ·
Individuen leren in de meest diffuse leeromgevingen. Naast formele leeromgevingen, winnen het informele leren en allerlei vormen van werkplekleren aan belang. Ook tijdens de vrije tijd (vb. vrijwilligerswerk, hobby) vergaart het individu heel wat kennis. Alleen schoolse kennis wordt vandaag op één of andere manier ‘gecertificeerd’. Het is van even groot belang dat het individu ook de kans krijgt om de andere verworven competenties te laten certificeren. Daarom is het noodzakelijk het gestarte beleid m.b.t. het erkennen van verworven competenties verder uit te bouwen (cf. goedgekeurde decreet titel van beroepsbekwaamheid, pilootprojecten EVC binnen DIVA).
3. De afstemming tussen onderwijs (leerplichtonderwijs)/vorming (tijdens de loopbaan) en arbeidsmarkt blijft een permanent aandachtspunt. Mogelijke actiepunten zijn : ·
Het bestrijden van de ongekwalificeerde uitstroom.
·
Het verderzetten van de inspanningen inzake modularisering van het onderwijs, de vorming en opleiding, evenals het afstemmen van de onderwijsinhoud, de certificering (diploma’s), e.d. tussen het leerplichtonderwijs en het volwassenenonderwijs. Een individu moet op volwassen leeftijd in staat zijn een onafgewerkte opleiding te vervolmaken en daarvoor een certificaat kunnen behalen. De ‘beschotten’ zullen in de toekomst immers verkleinen.
·
Het werkplekleren dient, als leervorm met bewezen resultaten, gestimuleerd te worden. Een eenvoudig systeem van alternerend leren en werken moet de huidige systemen vervangen.
Ideeënfiches
· De creatie van één opleidingsfonds (p.84). · Recht op een leerkrediet voor iedereen vanaf 18 jaar (p.85). · Vlaamse aftrek in de personenbelasting voor opleidingskosten (p.87).
44
2.5
Vlaanderen laten uitgroeien tot een innoverende regio
Uitdaging
De versterking van het innovatievermogen vormt een hoeksteen van de strategie om tegemoet te komen aan de in maart 2000 op de Europese Raad in Lissabon overeengekomen doelstelling om van de Europese Unie tegen 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken. Een innoverende houding is niet alleen belangrijk op individueel en organisatieniveau, een beleidsmatige aanpak kan zich ook richten naar het meso-niveau (bedrijfstakken, desgevallend op speerpuntactiviteiten of speerpuntsectoren) en/of op (sub)regionaal niveau. Denkpistes
1. De overheid dient netwerking en partnerschappen te bevorderen. ·
Inzake stimulering van netwerken en clusters dient de overheid analyse- en procesexpertise op te bouwen, ten einde een effectief en efficiënt beleid te kunnen voeren. Het huidige wetenschappelijk-economisch instrumentarium is vooral gericht op het bedrijf als losstaande eenheid. Clusteranalyse moet de overheid in staat stellen grotere gehelen van de economische realiteit met elkaar in verband te brengen, dynamische relaties te ontdekken en gericht steun te verlenen, met name aan de zwakkere schakels in de toegevoegde waarde keten. De nodige aandacht dient ook te worden besteed aan het kennismanagement binnen ondernemingen.
·
Vlaanderen beschikt over verschillende kenniscentra (universiteiten, hogescholen, excellentiepolen, steunpunten…). Het uitbouwen van een netwerk tussen de kenniscentra met enerzijds de bedrijven (vooral de KMO’s) en anderzijds de overheid creëert een meerwaarde voor de commercialisering van de kennis en voor de integratie van de kennis in het overheidsbeleid. Ook binnen de overheid dient op het vlak van innovatiebeleid een netwerk te worden uitgebouwd. Zo is een gestructureerde samenwerking tussen de beleidsdomeinen EWT, IWT en AWI aangewezen.
2. Innovatie dient blijvend bevorderd te worden. Hoewel duidelijk is dat het belang van onderzoek voor innovatie groot is (cf. het streven naar de 3%-norm), wordt er tevens op gewezen dat er vele andere vormen van innovatie bestaan. Innovatie kan geleidelijk of ineens tot stand komen, kan voortvloeien uit technologieoverdracht of uit de ontwikkeling van nieuwe zakelijke concepten en zij kan betrekking hebben op technologie, organisatie en presentatie. ·
De overheid moet de volledige reikwijdte van het innovatieverschijnsel onderkennen. Om te achterhalen of en hoe met overheidsbeleid de zwakke punten in het Vlaamse innovatiesysteem kunnen worden aangepakt, moet er een beter inzicht zijn in de innovatiemechanismen in de Europese, Belgische en Vlaamse context.
·
Het huidig innovatiebeleid is vooral geconcentreerd op de strikte technologische component van innovatie. Kennisontwikkeling t.b.v. innovatie vereist de combinatie en integratie van andere kennisdomeinen dan alle technologie, ook ergonomische en arbeidsorganisatorische aspecten verbonden met de introductie van nieuwe producten en diensten behoren hiertoe.
·
Design, productinnovatie en industriële vormgeving zijn cruciaal binnen de creatieve economie en het innovatieve ondernemerschap. Het zijn instrumenten die producten en diensten een belangrijke meerwaarde kunnen geven (vb. betere kwaliteit, imago, gebruiksvriendelijkheid, ergonomie) en/of die in het productieproces kosten kunnen helpen reduceren
45
(logistiek, milieukosten, productiekosten). Vormgeving als generator van toegevoegde waarde moet gepromoot worden. ·
Om de innovatiecultuur in de ondernemingen te realiseren moeten de behoeften aan het verwerven van kennis omtrent alle fasen van het groeiproces vervuld worden. Hiertoe dient een versnelde innovatie in het opleidingsaanbod te worden doorgevoerd. Een deel van het opleidingsaanbod moet zoveel mogelijk vraaggericht worden. Daarnaast dient een vernieuwde methodiek het mogelijk te maken zo flexibel mogelijk in te spelen op de vragen van de ruime doelgroep: maatwerk, ICT-ondersteunend afstandsleren en modularisering werken dit in de hand.
3. Een belangrijke facet van het innoverend karakter van een regio is de mate waarin het sociaaleconomisch weefsel ingebed wordt in de technologische (r)evolutie. ·
Gezien het grote aantal kleine ondernemingen en het belang van de kleine en middelgrote onderneming op vlak van werkgelegenheid, omzet en toegevoegde waarde is het noodzakelijk dat het innovatief vermogen van deze ondernemingen wordt verhoogd.
·
Een maximale inschakeling van e-componenten in het economisch weefsel kan ertoe bijdragen dat Vlaanderen uitgroeit tot een kennisregio. Initiatieven ter ondersteuning van dergelijke acties (e-commerce, e-business, e-werk,..) moeten daarom vanuit de Vlaamse overheid maximaal gesteund worden.
Ideeënfiches
· Versterking van de innovatiekracht van KMO’s (p.89).
46
2.6
Het potentieel van Vlaanderen met inbegrip van Brussel als toeristische bestemming ten volle benutten
Uitdaging
Toerisme en de vrijetijdsbesteding zijn geëvolueerd tot primaire behoeften die binnen onze postindustriële samenleving een belangrijke bijdrage leveren tot het algemeen welzijn. De vrijetijdscultuur is een feit, mensen zoeken steeds meer naar zelfontplooiing buiten hun arbeidstijd. Door toerisme komt de mens in contact met andere gewoonten en denkwijzen, waardoor stereotype negatieve ideeën over andere culturen of taalgroepen minder kans krijgen. Het toerisme biedt de mens de mogelijkheid om zijn sociale ervaring en relativiteitszin te ontwikkelen. Het toerismebeleid moet ten goede komen aan de gehele bevolking als schepper van welvaart en welzijn. Toerisme als economische sector vormt een belangrijke bron van inkomsten en tewerkstelling. Het gevoerde beleid moet als doel hebben deze positieve aspecten te versterken evenals de rendabiliteit van de toeristische ondernemingen te verhogen. In de strijd met concurrerende bestemmingen vormt de kwaliteit van het aanbod een belangrijk wapen. Toerisme Vlaanderen zal daarom op dit vlak een stimulerende rol spelen. Het zal een steeds betere kwaliteit van toeristische infrastructuur en dienstverlening bevorderen, en met het oog op de consument deze kwaliteit ook continu controleren. Kwaliteitstoerisme voor iedereen veronderstelt dat het aanbod ook toegankelijk is en blijft voor alle bevolkingsgroepen. Zo bijvoorbeeld zullen de toeristische infrastructuur, de informatie en de productontwikkeling derhalve ook op deze specifieke vrijetijdsbehoeften moeten afgestemd worden. De bevordering van het toerisme moet gebeuren in goede verstandhouding met andere maatschappelijke noden zoals de kwaliteit van wonen, werken en recreatie, de mobiliteit, de zorg om natuur en milieu, de multiculturaliteit, het behoud en de ontwikkeling van het cultureel erfgoed. De kwaliteit van het leven moet met andere woorden mee in het blikveld gehouden worden. De uitdaging voor de nieuwe regering is drievoudig: · Marketing en promotie van de toeristische bestemming Vlaanderen; · Nastreven van kwaliteitsverbetering van het toeristisch aanbod; · Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van het toerisme. Daarnaast kan er een link worden gelegd tussen het toerismebeleid en het beleid m.b.t. het aantrekken van buitenlandse investeringen. Denkpistes
1. De overheid dient mee te zorgen voor de marketing en promotie van Vlaanderen rond de macroproducten ‘Kunststeden’, ‘Kust’ en ‘Vlaamse regio’s’ en deze in te vullen met thematische en motivationele elementen. De drie macroproducten structureren enerzijds het zeer uiteenlopende toeristisch aanbod en anderzijds verschaffen zij het cliënteel een beeld van wat Vlaanderen als toeristische bestemming te bieden heeft. ·
De diverse thema’s (activiteiten) en evenementen moeten beter geïntegreerd worden in de macroproducten. Ook de regio’s en steden, elk met hun uniek aanbod, leveren waardevol bouwmateriaal om de macroproducten tot volwaardige toeristische producten uit te bouwen.
·
De thematische/motivationele invulling van de macroproducten kan variëren naargelang de markt en de doelgroep waarop de promotie zich richt. Het uiteindelijke criterium blijft immers de verkoopbaarheid, het aanbieden van producten conform aan de marktvraag.
47
2. De overheid dient aan te zetten tot vernieuwing, verrijking en diversificatie van het aan-
bod. ·
De marketing en promotie van Vlaanderen als toeristische bestemming kan niet slagen zonder die ene essentiële bouwsteen: het moet kunnen werken met een marktconform, verkoopbaar product.
·
De toeristische markt is veranderlijk en steeds vatbaar voor nieuwe tendensen. Daarom zal het aanbod gestimuleerd moeten worden tot vernieuwing, verrijking en diversificatie. Hiertoe moet het beleid zich onder meer richten op het wegnemen van administratieve beslommeringen en een zo gunstig mogelijk omgevingsklimaat creëren.
·
In de strijd met de concurrentie zal het Vlaams toeristisch product zich vooral moeten wapenen met kwaliteit. Integrale kwaliteitszorg en -verbetering van het toeristisch aanbod is de inzet. Kwaliteit moet zich manifesteren zowel in de infrastructuur als in de gastvrijheid en dienstverlening.
3. Het is aangewezen om synergie te bewerkstelligen tussen de overheidsactiviteiten m.b.t. het bevorderen van toerisme naar Vlaanderen en deze die het aantrekken van buitenlandse investeringen tot doel hebben, en dit vooral in het kader van het Vlaamse optreden in het
buitenland.
Ideeënfiches
· Opzetten van een website voor de toeristische sector (p.91).
48
2.7
Het afstemmen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, via het wegwerken en voorkomen van structurele knelpunten
Uitdaging
De afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt is een blijvende uitdaging voor het werkgelegenheidsbeleid. De arbeidsmarkt wordt gekenmerkt door een structureel onevenwicht. Tijdens perioden van hoogconjunctuur wordt Vlaanderen geconfronteerd met een paradoxale arbeidsmarktsituatie: nietinvulbare vacatures gaan gepaard met werkloosheid. Het structurele karakter van knelpuntvacatures is een teken aan de wand. Perioden van laagconjunctuur leiden na verloop van tijd tot langdurige werkloosheid, vooral bij kansengroepen. Tijdens de periode 2002-2003 viel de sterke stijging van de werkloosheid bij de mannen en jongeren op, omdat zij vooral werken in conjunctuurgevoelige sectoren. Het tempo van herstructureringen en sluitingen van ondernemingen zal in de toekomst wellicht blijven toenemen. Daarnaast presteert het stelsel van deeltijds leren relatief zwak: slechts 53,4% van de deeltijds lerenden had een werkervaringsplaats in het schooljaar 2002-2003. Zonder deze praktijkervaring blijft enkel een beperkte theoretische opleiding over. De vergrijzing en ontgroening leiden tot nieuwe noden en behoeften in de zorg- en andere sectoren. Een kwalitatieve invulling daarvan veronderstelt een arbeidspotentieel dat beschikt over de juiste kwalificaties. Denkpistes
1. Het wegwerken en voorkomen van knelpuntberoepen is een permanente uitdaging voor het arbeidsmarktbeleid. Volgende voorstellen bieden een antwoord: ·
Zorgen voor een voldoende aanbod (kwantitatief en kwalitatief) aan geschoolde en/of ervaren arbeidskrachten, teneinde de invulling te garanderen van nieuwe behoeften/diensten, die ontstaan ten gevolge van de vergrijzing en de toenemende activiteitsgraad van vrouwen. Een voorspellend knelpuntendetectiesysteem (KT, MLT, LT) moet de overheid helpen de behoeften juist in te schatten. Daarnaast dient de overheid mee te zorgen voor een gepast opleidingsbeleid en aangepaste tewerkstellingsprogramma’s.
·
Een zware en creatieve inspanning teneinde te komen tot een herwaardering van het technisch en beroepsonderwijs is noodzakelijk. Dit punt staat reeds jaren op de beleidsagenda.
·
Zorgen voor een goede aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt, via werkplekleren, een vermindering van de ongekwalificeerde uitstroom enz.
2. Het stimuleren van leren op de werkplek, zowel tijdens als na de schoolloopbaan, komt in diverse wetenschappelijke studies naar voor als een succesvolle manier om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Volgende beleidspistes zijn aan de orde: ·
De diverse systemen van alternerend leren en leren op de werkplek dienen op elkaar te worden afgestemd (tussen de verschillende actoren, naar statuut, leerinhoud en modules, afgeleverde getuigschriften). Een eenvoudig en algemeen toepasbaar systeem dient in de plaats te komen. Een duidelijke link met knelpuntvacatures is aangewezen.
·
De aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt kan verbeteren via bedrijfsstages. Een performante stagedatabank is een noodzakelijk ondersteuningsinstrument. De convenants tussen de Vlaamse regering en de sectoren kunnen hierin een stimulerende rol spelen.
49
3. Werknemers zullen tijdens hun loopbaan meer en meer van job moeten veranderen. Hun mobiliteit, zowel geografisch als functioneel, dient daarom gestimuleerd te worden. Het overheidsbeleid op dit vlak staat reeds in de sporen. Een versterking is aan de orde: ·
De samenwerking tussen de verschillende gewesten kan worden versterkt en uitgebreid. Nieuwe instrumenten kunnen de mobiliteit verder stimuleren (cf. mobiliteitscheques).
·
Fiscale stimulansen kunnen de geografische mobiliteit ook bevorderen. Mogelijkheden zijn: een verder doorgedreven verlaging van de transactiekosten inzake vastgoed alsook het vereenvoudigen van de bestaande administratieve procedures terzake (universeel karakter); selectieve systemen zoals een verhuispremie (of verrekening via personenbelasting), huursubsidie (of verrekening via personenbelasting), tijdelijke vermindering van onroerende voorheffing e.d.
·
Instrumenten als loopbaanbegeleiding, erkenning van verworven competenties (EVC) verdienen een brede implementatie.
·
Een attitudeverandering van de werkzoekende naar een grotere mobiliteit toe dient in de hand te worden gewerkt.
·
Het opleidingsaanbod moet flexibel kunnen inspelen op de noden, via een regelmatige aanpassing van de inhoud en een modularisering ervan.
Ideeënfiches
· Uitbouw en volwaardig maken van werkplekleren tijdens en na de schoolloopbaan (p.92). · Vlaams Uitwisselingsprogramma voor Internationale Mobiliteit in de Beroepsopleiding (VUIM) (p.95).
50
2.8
Voeren van een doordacht en geïntegreerd migratie- en integratiebeleid
Uitdaging
Het voeren van een gediversifieerd migratie- en integratiebeleid is een grote uitdaging voor Vlaanderen. De uitdaging bevat verschillende aspecten, die een goede ‘regelgevende’ balans vragen. Vooreerst is de arbeidsmarktpositie van niet-Belgen en Belgen van vreemde afkomst (vooral niet-EU) ronduit slecht: hun werkzaamheidsgraad is veel lager dan deze van de Vlaamse beroepsbevolking. De kloof is groter dan in de andere EU-landen. Mede met het oog op een goede sociale cohesie, het valoriseren van ieders competenties en om de positieve aspecten van een gediversifieerde beroepsbevolking aan bod te laten komen, is een ruim ‘integratiebeleid’ (maatschappelijk en m.b.t. de arbeidsmarkt) noodzakelijk. Door de verruiming van de Europese Unie bestaat er binnen het kader van het vrij verkeer van diensten een gevaar op oneerlijke concurrentie tussen Belgische bedrijven en bedrijven uit de nieuwe lidstaten die dienstverleningscontracten afsluiten in België. Naast mogelijke verschillen in sociale zekerheid en patronale bijdragen is er ook een controleprobleem: in principe moeten de Belgische loon- en arbeidsvoorwaarden gerespecteerd worden, doch dit is in de praktijk moeilijk controleerbaar. Vlaanderen heeft tot slot een economisch belang bij een goede en juist geschoolde beroepsbevolking. Hier ontstaat soms een paradoxale situatie. Vlaanderen wordt enerzijds geconfronteerd met braindrain en verliest zo een potentieel aan toponderzoekers. Een reden ligt in de betere financiële en materiële voorwaarden die toponderzoekers in het buitenland krijgen. Tegelijkertijd hebben ondernemingen de mogelijkheid om migrerende wetenschappers e.d. aan te werven via fiscale en sociale zekerheidsstimuli, en betalen bijgevolg lagere lonen dan aan de eigen wetenschappers. Daarnaast heeft Vlaanderen een relatief hoge scholingsgraad, maar ligt de deelname aan de studierichtingen met innovatie- en onderzoekscapaciteit onder het Europees gemiddelde. Dit leidt in bepaalde sectoren tot structurele tekorten. Wil Vlaanderen qua ondernemen en innovatie aan de top blijven dan moet de overheid ingrijpen. Dit kan o.m. via een regionaal gediversifieerde migratiepolitiek. Denkpistes
1. De gewesten moeten in functie van hun arbeidsmarktbehoeften een eigen migratiebeleid kunnen voeren of minstens eigen accenten kunnen leggen. Dit veronderstelt een uitbreiding van de gewestelijke bevoegdheden op dit vlak. Deze uitbreiding van de bevoegdheden moet een (versnelde) migratie toelaten bij vastgestelde arbeidsmarkttekorten. Het beleid dient daarbij steeds aandacht te schenken aan het maatschappelijke aspect (duur van de migratie, sociale integratie). 2. Om een ongelijke concurrentie te vermijden tussen Belgische en buitenlandse werknemers, binnen bepaalde beroepscategorieën zoals wetenschappers, navorsers, hooggeschoolde werknemers, is een gelijkschakeling noodzakelijk tussen de loon- en arbeidsvoorwaarden van beide. Dit dient zo te gebeuren dat braindrain wordt tegengegaan, m.a.w. bepaalde gegeerde categorieën van werknemers dienen zonder meer te kunnen werken onder goede voorwaarden. Deze denkpiste kadert eveneens binnen de uitdaging om Vlaanderen te laten uitgroeien tot een innoverende regio.
51
3. De eventuele oneerlijke concurrentie op het vlak van loon- en arbeidsvoorwaarden die ontstaat door het vrij verkeer van diensten (cf. verruimde Europese Unie, nieuwe lidstaten die dienstverleningscontracten afsluiten in België), dient vermeden te worden. De enige remedie lijkt een efficiënte en effectieve controle bij aannemings- of onderaannemingscontracten binnen de context van het vrij verkeer van diensten. Dit beperkt zich niet tot materiële zaken (vb. bouw van een magazijn), maar is evenzeer van toepassing op intellectuele arbeid (informaticatoepassingen). 4. Tot slot dient de overheid vorm te geven aan het inwerkingsbeleid (maatschappelijk en arbeidsmarktgericht) voor nieuw- en oudkomers. Volgende denkpistes spelen hierop in: ·
Het uitbreiden van een flexibel en maatgericht aanbod Nederlands Tweede Taal.
·
Specifieke aandacht voor deze personen bij de algemene arbeidsmarktbegeleiding en opleiding.
·
De erkenning en waardering van buitenlandse diploma’s.
52
2.9
De kwaliteit van werken en leven verbeteren
Uitdaging
De uitdaging tot het verhogen van de kwaliteit van leven en werken stoelt op verschillende vaststellingen en behelst meerdere aspecten. De rode draad doorheen deze aspecten is de zoektocht naar zingeving, welbevinden en tijd. De Vlaamse beroepsbevolking veroudert geleidelijk. De aspiraties van oudere werknemers situeren zich veelal niet meer binnen het verwerven van financiële welstand; zij willen vooral beschikken over tijd én een zinvolle en actieve invulling daarvan. In het licht van een verhoging van de werkzaamheidsgraad is hun deelname aan de arbeidsmarkt evenwel een noodzaak. Dit vereist een gepast eindeloopbaanbeleid en een leeftijdsbewust HR-beleid binnen ondernemingen en organisaties. Omwille van de toenemende participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, verviel de bufferfunctie die de vrouw traditioneel in het gezin vervulde. Vandaag komt de moeilijke taak van het combineren van gezin en arbeid veelal op hun schouders terecht: 40% onder hen werkt deeltijds om zorgtaken op te nemen. De weinige mannen die deeltijds werken (5%) hebben andere dan zorgmotieven. Naast het opnemen van zorgtaken zal de werknemer in de toekomst tijd moeten besteden om zijn/haar inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vrijwaren. Het verzoenen van een hoge activiteits- en werkzaamheidsgraad, met het ‘bijblijven’ en het opnemen van zorgtaken, is dan ook een grote uitdaging voor de overheid. Tot slot zijn er tekenen die wijzen op een verminderd gevoelen van welbevinden van de werkenden. Hoge werkdruk, stress, depressies, pesten enz, komen steeds meer onder de aandacht, en hangen veelal samen met ons brede arbeidsbestel. Een goed welbevinden ligt mee aan de basis van een sterk draaiende economie en arbeidsmarkt. Het vormt een terecht aandachtspunt voor de overheid. Denkpistes
1. De overheid kan bijdragen tot een meer ontspannen en langere loopbaan voor iedereen, met mogelijkheid tot het nemen van leer-, zorg- en rustmomenten. Volgende instrumenten komen in aanmerking: ·
Een echt ‘loopbaanbeleid’, via een verbreding van het huidige beleid m.b.t. ‘tijdskredieten’, met gelijke rechten voor iedereen (ongeacht het werknemersstatuut, en gekoppeld aan sociale zekerheidsrechten, enz.) moet een langere en meer ontspannen loopbaan garanderen voor allen.
·
Essentieel hierbij is het verzoenen van werkgevers- en werknemerswensen. Daarom kan een benadering per sector, of een stimuleringsbeleid naar ondernemingen toe (zelf kiezen uit een menu, ter beschikking stellen van stimulansen en hulpmiddelen) aangewezen zijn. Omdat arbeidstijden een federale materie zijn, is overleg met de federale overheid noodzakelijk.
·
Een eindeloopbaanbeleid en het stimuleren van een leeftijdsbewust HR-beleid binnen organisaties zijn essentieel om de oudere beroepsbevolking gemotiveerd en op een kwaliteitsvolle manier aan het werk te houden. De Vlaamse diversiteitsplannen spelen hier reeds op in. Daarnaast zijn er individuele projecten binnen ondernemingen die een overheidsfinanciering krijgen. Een bundeling en verspreiding van leerpunten is daartoe een goede start.
53
2. Het stimuleren van de uitbouw van diensten aan gezinnen en buurtdiensten, kan de gezinslast verlichten en zorgt tegelijkertijd voor bijkomende jobs. ·
Het huidige beleid met dienstencheques biedt een goed uitgangspunt. Het afwegen van kosten en baten dient hierbij echter een aandachtspunt te zijn (welke diensten kunnen collectief, welke individueel).
·
Kinderopvang kan via fiscale weg gestimuleerd worden.
·
Specifiek is er nood aan een uitbreiding van de buitenschoolse kinderopvang.
3. M.b.t. het welbevinden van de werknemer kan de overheid een stimuleringsbeleid voeren naar sectoren en ondernemingen toe. Dit kan zowel preventief als curatief zijn en zich situeren op allerlei vlakken (arbeidsvoorwaarden, arbeidsorganisatie, enz.). Het huidige instrument van sectorconvenants biedt een uitstekend aanknopingspunt. De eerste nulmeting m.b.t. de werkbaarheidsgraad is daarom van kapitaal belang. De schriftelijke enquête daartoe werd begin 2004 door STV-Innovatie & Arbeid bij 20.000 werkende Vlamingen gehouden. 4. Tot slot biedt de wens van het individu naar een actieve en zinvolle invulling van de vrije tijd heel wat mogelijkheden voor de uitbouw van de belevingseconomie en de toeristische
sector.
Ideeënfiches
· Bijsturing aanmoedigingspremies voor een kwaliteitsvolle levensloopbaan (p.97). · Verhoogde aftrek in de personenbelasting voor kinderopvangkosten (p.99).
54
2.10 Naar een economisch onderbouwd bedrijfshuisvestings- en infrastructurenbeleid Uitdaging
Diverse fora (streekplatformen, Ondernemingsconferentie enz.), ondersteund door heel wat cijfermateriaal op Vlaams en op subregionaal niveau, geven aan dat het gebrek aan vestigingsmogelijkheden voor bedrijven en de rechtsonzekerheid voor veel historisch gegroeide bedrijven om te kunnen blijven voortbestaan en desgevallend uit te breiden op hun huidige locatie, belangrijke belemmeringen zijn voor de economische ontwikkeling in Vlaanderen. Daarnaast dreigen congestieverschijnselen, de grote maatschappelijke weerstand tegen bijkomende infrastructuren en/of de eventuele nadelige effecten ervan (cf. nachtvluchten) en in bepaalde gevallen, de EUregelgeving, een rem te plaatsen op de goede bereikbaarheid van Vlaanderen en op de sterke specialisatie van de Vlaamse economie in de sector/activiteiten transport, distributie en logistiek (in ruime betekenis, dus m.i.v. VAL e.a.), afgekort TDL. De maatschappelijke weerstand tegen bedrijven(terreinen) en infrastructuren, de beleidsmatige context (vrijwaren van het 'buitengebied', het streven naar een doordacht aanbodbeleid enz.) en de noden van het bedrijfsleven op het vlak van bedrijfshuisvesting nopen de "sector Economie" tot een grotere verantwoordelijkheid op het vlak van "zorgvuldig ruimtegebruik", inpassing in het landschap, veiligheid, de economische onderbouwing van locatiekeuzes en investeringsbeslissingen in infrastructuren. Dit vergt een operationalisering van het ruimtelijk economisch beleid. Denkpistes
1. Het huidige beleid met betrekking tot bedrijventerreinen (professionele locaties) vertoont een aantal tekortkomingen/beperkingen: ·
Het huidige BVR voor de subsidiëring van een aantal infrastructuurwerken loopt af eind 2006 en heeft bovendien een veeleer beperkte impact omdat de draagwijdte ervan beperkt is tot de subsidie-aanvragers.
·
Een aantal bestaande instrumenten (onteigeningsregeling, recht van wederinkoop) missen een degelijke decretale onderbouwing en/of kennen een te beperkt toepassingsgebied.
·
Voor de verruimde beleidsdoelstellingen zoals een onderbouwd locatiebeleid, een monitoring van de ontwikkeling na bestemming, beheer op alle terreinen en een veralgemeende aandacht voor de herinrichting en revitalisering van brown fields en verouderde bedrijventerreinen, bestaan er momenteel geen doelmatige beleidsinstrumenten.
Er wordt bijgevolg voorgesteld om op basis van een intern consistent en gecoördineerd instrumentarium, gebaseerd op een decreet ruimtelijke economie, de volgende operationele beleidsdoelstellingen te bewerkstelligen. ·
Een onderbouwd locatiebeleid op basis van voorstellen voor bestemmingswijzigingen voor terreinen voor hoog- en laagwaardige activiteiten, geconcerteerd met de voornaamste stakeholders (bijvoorbeeld via subregionale overlegorganen als de RESOC's) en op basis van een Vlaams beleid inzake strategische terreinen (zoals bijvoorbeeld wetenschapsparken enz.).
·
Een tijdige en adequate ontwikkeling van bestemde terreinen.
·
De verbetering van de kwaliteit van terreinen (m.i.v. digitale ontsluiting), onder meer door de subsidiëring van investeringen gericht op verduurzaming en door een veralgemeend beheer en uitgiftebeleid en bij uitbreiding, de verduurzaming door het bevorderen van de samenwerking tussen bedrijven op bedrijventerreinen.
55
Daarnaast is een instrument gericht op de herinrichting/revitalisering van brown fields of verouderde terreinen noodzakelijk. Deze operationele doelstelling kan hetzij via het decreet ruimtelijke economie worden nagestreefd, hetzij via een versterking van afzonderlijke stimuleringsmaatregelen. Indien het uitwerken van een decreet ruimtelijke economie politiek niet wenselijk wordt geacht, is een versterking van de bestaande afzonderlijke instrumenten onontbeerlijk. 2. Gegeven de beleidscontext die aanstuurt op een grotere verantwoordelijkheid vanuit de sector Economie voor diverse ruimtelijk-economische problematieken, en gegeven de eerste reeks aanbevelingen in het kader van het Strategisch Plan Ruimtelijke Economie, is het duidelijk dat een ruimtelijk-economisch beleid meer moet zijn dan een beleid gericht op de planning
en kwaliteitsvolle realisatie van bedrijventerreinen.
Omdat de focus en de in te zetten instrumenten divers van aard zijn, wordt hierna gesproken over een flankerend ruimtelijk-economisch beleid. Dit beleid is als doelbewust beleid nieuw, hoewel ad hoc (bijvoorbeeld via het streekplatformenbeleid, beleidsdomein stedelijk beleid) reeds enkele initiatieven financieel werden ondersteund. Het is bovendien nog niet altijd duidelijk welk beleidsniveau het meest doorslaggevend zal/kan wegen op de onderstaande doelstellingen/krachtlijnen. De krachtlijnen van dit ruimtelijk-economisch beleid zullen uiteraard inspelen op de noden van het bedrijfsleven op een bepaald ogenblik en tegelijk dienen afgewogen te worden in samenspraak met andere beleidssectoren. Op dit ogenblik gelden als belangrijke krachtlijnen voor het voeren van een flankerend ruimtelijk-economisch beleid: ·
Vlaanderen bereikbaar houden en tegelijk de opportuniteiten van Vlaanderen op vlak van transport-, distributie- en logistieke activiteiten verzilveren. Hoewel het infrastructurenbeleid in hoofdzaak gevoerd wordt door de AWV en de AWZ, dient de economische onderbouwing van het investeringsbeleid en de regelgeving terzake absoluut gewaarborgd te worden. Voor het Vlaamse havenbeleid wordt de economische onderbouwing expliciet nagestreefd via de uitwerking van een langetermijnvisie op het zeehavenbeleid (met inbreng vanuit de sector Economie). Aan de aantredende Vlaamse regering wordt voorgesteld om de beleidsstrategie op basis van deze langetermijnvisie te vertalen in een beleidsdomeinoverstijgend actieplan. Voor de individuele zeehavens worden gebiedsgerichte, geïntegreerde strategische plannen opgemaakt die verder dienen te worden afgewerkt en juridisch verankerd. Ook met betrekking tot de luchthavens dient een duidelijke langetermijnvisie te worden uitgewerkt. Ook is het belangrijk de Europese regelgeving terzake op te volgen en ook hier, indien mogelijk, gebruik te maken van de mogelijkheden van Europese fondsen. M.b.t. de meerjaren-investeringsprogramma's voor wegeninfrastructuur is de advisering vanuit EWT opportuun, o.m. in functie van de ontsluiting van bedrijventerreinen. Desgevallend kunnen in dit verband PPS-mogelijkheden worden onderzocht.
Daarnaast kan vanuit het beleidsdomein EWT zelf een beleid worden gevoerd in functie van duurzame mobiliteit en bereikbaarheid. Concreet kan daarbij gedacht worden aan een beleid gericht op: ·
Het vrijwaren van de ruimtelijk-economische mogelijkheden van goed bereikbare locaties van andere ruimteclaims en in bepaalde gevallen, het streven naar multi-modale ontsluitingen.
·
Het faciliteren van de modal shift door een aangepast locatie- en uitgiftebeleid van bedrijventerreinen.
·
Het (projectmatig?) stimuleren van alternatieven voor wegtransport of een efficiëntere aanwending ervan.
·
Het stimuleren van de economische activiteiten in landelijk gebied, in het bijzonder op de zogenaamde niet-professionele/verweven locaties, maar rekening houdend met de attractiviteit van de ruimtelijke omgeving.
56
·
Tot dat doel zou onder meer een actiever beleid gevoerd dienen te worden voor het economische hergebruik van rurale gebouwen. Tevens dient ook de ruimtelijke inpassing van economische activiteiten in het landschap te worden bevorderd.
·
Een bedrijfshervestigingsbeleid.
· Een aantal historisch gegroeide bedrijven overschrijden duidelijk de ruimtelijke draagkracht van de omgeving. Dergelijke bedrijven zouden begeleid dienen te worden om op een economisch verantwoord tijdstip en manier te herlokaliseren. Financiële steun zou in dit verband overwogen moeten kunnen worden. Een belangrijk aandachtspunt met betrekking tot deze problematiek is het landschapsherstel na de herlokalisatie. · Een geïntegreerd stedelijk beleid met aandacht voor de stedelijke economische vestigingsmilieus. · Vanuit het ruimtelijk-economisch beleid wordt momenteel geen afzonderlijk stedelijk beleid gevoerd, maar een beleid geënt op een gebiedsgerichte geïntegreerde aanpak. Deze aanpak dient te worden verdergezet. Evenwel dient tevens specifiek aandacht geschonken te worden aan de inplanting en de vitaliteit van de kleinhandelsconcentraties en de eventuele grote handelsvestigingen. · Een verbreding van de dienstverlening van bedrijvencentra. · De ondersteuning van initiatieven gericht op telewerkcentra en satellietkantoren. 3. Gelet op het groot aandeel van de bedrijven die zich op een verweven (of erger, zonevreemde) locatie bevinden, is het gebrek aan rechtszekerheid om op de bestaande locatie te kunnen blijven of te kunnen uitbreiden een belangrijke belemmering voor economische groei enerzijds, maar anderzijds ook de aanleiding voor heel wat onnodige herlokalisaties en bijhorende inname van ruimte op bedrijventerreinen. Een belangrijk knelpunt hierbij is het gebrek aan consistentie tussen de VLAREM-wetgeving en het Decreet Ruimtelijke Ordening. In de vorige legislatuur werden initiatieven genomen om de rechtszekerheid van (zonevreemde) bedrijven te verhogen en de administratieve lasten te verminderen. Het strekt echter tot aanbeveling een aantal van deze initiatieven grondig te evalueren, in het bijzonder de regelgeving met betrekking tot toelaatbare functiewijziging van gebouwen buiten de geëigende bestemmingszone, en de integratie van bouw-en milieuvergunningen. Er kan ook worden aanbevolen om een aantal vrijstellingen van bouw- en milieuvergunningen te onderzoeken voor bedrijven die zich op specifieke bedrijventerreinen bevinden (loodsen op zeehaventerreinen bijvoorbeeld) of op bedrijventerreinen die aan bepaalde voorwaarden voldoen (bijvoorbeeld inzake buffering, afvalstromenbeheer e.d.).
Ideeënfiches
· Monitoring en dienstverlening m.b.t. (individuele) bedrijfslocaties (p.101). · Doelmatiger vergunningenbeleid (p.102). · Decreet ‘ruimtelijke economie’ (p.104).
57
2.11 Duurzaam omspringen met energie en natuurlijke rijkdommen Energie
Het energiegebruik in Vlaanderen is tussen 1990 en 2002 met 35% gestegen, niettegenstaande beide jaren ongeveer even warm waren. Energiegebruik is nadelig voor het milieu: de fossiele energiebronnen geraken uitgeput en het verstoken van fossiele brandstoffen gaat gepaard met ongewenste emissies. Vlaanderen heeft zich geëngageerd om de uitstoot van broeikasgassen, verantwoordelijk voor de opwarming van de aarde, met 5,2% te reduceren t.o.v. 1990. De uitstoot van broeikasgassen is tussen 1990 en 2002 echter reeds met 3,6% gestegen. Duurzaam omspringen met energie is ook belangrijk vanuit economisch oogpunt. Aangezien Vlaanderen voor zijn energiebevoorrading bijna volledig afhankelijk is van het buitenland, zal de toekomstige schaarste hoge energieprijzen met zich meebrengen. Energie-efficiëntieverbetering is ook een belangrijke kans voor technologische innovatie in de Vlaamse bedrijven. Ten slotte creëert de markt van energiezuinige technologieën heel wat nieuwe arbeidsplaatsen: meer dan 7.000 extra banen worden verwacht, voor een groot gedeelte in de bouwsector, een sector die het momenteel moeilijk heeft. Natuurlijke rijkdommen
Sinds de sluiting van de steenkoolmijnen zijn oppervlaktedelfstoffen de enige natuurlijke rijkdommen die in Vlaanderen ontgonnen en gecommercialiseerd worden. Oppervlaktedelfstoffen zijn onontbeerlijke grondstoffen voor de economisch en maatschappelijk belangrijke sectoren van de woningbouw en infrastructuurwerken. Het oppervlaktedelfstoffendecreet van 4 april 2003 schrijft een grondstoffenvoorziening voor volgens het principe “zuinig maar voldoende” met afstemming op de Vlaamse behoeften. Denkpistes
1. De modale Vlaming ligt niet echt wakker van de gevolgen van zijn energiegebruik. Het energiebesef en de kennis van energiebesparende toepassingen nemen dan wel toe, maar worden nog onvoldoende omgezet in energiezuinig gedrag. Het stimuleren van rationeler omgaan met energie door het inzetten van kostenefficiënte instrumenten is de eerste pijler van een duurzaam energiebeleid. ·
Er moet rekening gehouden worden met de grote diversiteit en eigenheid van de energiegebruikers. Doelgroepenoverleg en betrokkenheid van andere bevoegdheidsdomeinen zijn essentieel opdat de maatregelen aanvaard en nageleefd zouden worden. Diverse maatregelen op maat van de doelgroepen (convenanten met de energie-intensieve industrie, samenwerkingsovereenkomst met gemeenten en provincies, REG-openbaredienstverplichtingen voor de netbeheerders, …) zijn reeds in uitvoering. Het beleid moet vooral opvolgen en bijsturen. Voor een aantal sectoren moet het beleid verder worden uitgetekend. De bestaande maatregelen m.b.t. gebouwensector en de KMO’s zijn de belangrijkste voorbeelden.
·
Een grote succesfactor voor het energiesparingsbeleid is een groeiend en kwalitatief aanbod van energiediensten en energiedeskundigen. Een kader moet worden gecreëerd voor de versnelde uitbouw van de energiedienstenmarkt in Vlaanderen.
·
Op 10 december 2003 heeft de Europese Commissie een voorstel van richtlijn betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten ingediend. Hiermee moet rekening gehouden worden bij de verdere concretisering van het REG-beleid in Vlaanderen.
58
2. De tweede pijler van een duurzaam energiebeleid is het bevorderen van de milieuvriendelijke opwekking van elektriciteit en warmte: warmtekrachtkoppeling (WKK), groenestroomopwekking, groenewarmtebenutting. De indienstname van nieuwe WKK-installaties is onder andere als gevolg van de liberalisering van de energiemarkten vertraagd. ·
Met behulp van een warmtekrachtcertificatensysteem zal de markt weer op gang worden getrokken.
·
Ook de implementatie van hernieuwbare energietechnologieën blijft achter op de groeiverwachtingen. Er moet gewerkt worden aan het verbreden van het maatschappelijk draagvlak voor hernieuwbare energie en sectorbegeleiding.
·
Voor groenestroom is sinds 2002 een groenestroomcertificatensysteem in werking. De uitdaging voor de volgende legislatuur is het vastleggen van doelstellingen en het uitwerken van een beleidsinstrumentarium voor groenewarmtebenutting.
3. Het beleid moet op een duurzame manier invulling geven aan een onderbouwde behoefte aan minerale grondstoffen via: ·
Het afbakenen van voldoende ontginningsgebieden op Vlaamse bodem teneinde de buitenlandse afhankelijkheid in te perken.
·
Het afdwingen van een optimale ontginning en een efficiënt en doelmatig gebruik.
·
Het maximaal inzetten van alternatieven zoals uitgegraven bodem en secundaire grondstoffen.
Ideeënfiches
· Het uitwerken en operationaliseren van een Actieplan Groene Warmte (p.105). · De opmaak van oppervlaktedelfstoffenplannen (p.106). · Implementatie van energieprestatie-eisen en -certificaten in gebouwen (p.107). · Ondersteunen van de uitbouw van de energiedienstenmarkt (p.109).
59
2.12 Bevorderen van een gezonde marktwerking op de geliberaliseerde energiemarkt en regulering van het natuurlijke monopolie van de distributienetten, en het vrijwaren van duurzame en sociale doelstellingen Uitdaging
Een betere marktwerking moet leiden tot concurrentiele prijzen en betere dienstverlening door de energieleveranciers. Echter, de liberalisering van de energiemarkt ontneemt de overheid een aantal aangrijpingspunten en hefbomen. Zo worden de prijzen aan eindafnemers volledig bepaald door de markt (de federale overheid keurt wel de tarieven van de netbeheerders goed) en ontsnapt het prijspeil dus finaal aan de controle van de Vlaamse overheid. De overheid kan hoogstens bijdragen tot concurrentiele prijzen door een passende omgeving voor concurrentie te creëren, door de prijs niet op te drijven door heffingen en openbare dienstverplichtingen, door transparantie in de markt te brengen,… Daarentegen is de rol van de overheid/overheden duidelijker geworden m.b.t. het vervoer van energie. Dit gebeurt door netbeheerders, die een natuurlijk monopolie hebben. Het is aan de overheid om nauwlettend toe te zien op de kwaliteit en kostenefficiëntie van hun werking. De Vlaamse energiemarkt is geen eiland maar functioneert in een Europese energiemarkt waardoor het belangrijk is om het Vlaamse beleid af te stemmen op het Europese. Daarnaast moet ook de uitvoering van internationale en Europese engagementen m.b.t. energie worden opgenomen. De vrijmaking van de energiemarkt stelt nog steeds veel afnemers (huishoudens, lokale overheden en bedrijven) voor vragen. Er is blijvende nood aan informatie en sensibilisering. Tenslotte moet invulling gegeven worden aan die doelstellingen die door marktfalen niet spontaan nagestreefd worden (ecologie, sociale bekommernissen) en moet aandacht geschonken worden aan het verder verbeteren van de kwaliteit en de doelgerichtheid van het optreden van de Vlaamse overheid t.a.v. de geliberaliseerde energiemarkt. De uitdaging bestaat dan ook in het bevorderen van het evenwicht tussen een gezonde marktwerking op de geliberaliseerde energiemarkt en regulering van het natuurlijke monopolie van de distributienetten enerzijds, en het vrijwaren van duurzame en sociale doelstellingen in het maatschappelijk belang anderzijds. Dit impliceert: · Het verbeteren van de marktwerking en het bevorderen van gezonde concurrentie, om zo te streven naar de beste voorwaarden voor alle Vlaamse eindafnemers. · Het bevorderen van meer transparantie en zekerheid voor de afnemers. · Toezicht op de werking van de distributienetmonopolies. · Benchmarken van de Vlaamse energiemarkt t.o.v. buitenlandse referenties.
60
Denkpistes
1. De overheid kan een rol spelen in een verbeterde marktwerking. Volgende pistes kunnen daarin worden gevolgd: ·
Betere dienstverlening door de leveranciers stimuleren, door niet alleen prijs, maar ook andere vormen van concurrentie te bevorderen.
·
Sturen van de marktwerking naar meer transparantie, zekerheid voor de afnemer,…
·
Toezicht op de distributienetten: kwaliteit, bedrijfszekerheid, klantvriendelijkheid, neutraliteit,…
·
Bemiddelen/aanreiken van oplossingen in conflicten tussen eindafnemers en marktactoren.
2. Daarnaast moet aandacht gaan naar het bewaken van de kostenefficiënte en de kwaliteitsvolle manier van optreden van de Vlaamse overheid . ·
Integratie van Vlaamse regelgeving in één energiedecreet.
·
Het beleid onderbouwen met snelle en accurate informatie m.b.t. de energiemarkt.
·
Samenwerking en coördinatie tussen regulatoren en overheden binnen de federale structuur om efficiëntie en administratieve vereenvoudiging te bevorderen.
3. Tot slot dient het beleid inzake openbare dienstverplichtingen te worden verder gezet en
uitgediept: ·
Bevorderen van lagere energiefactuur voor de afnemers.
·
Het verder zetten van de huidige informatie-inspanningen via de media en door netwerking met de organisaties uit het maatschappelijke middenveld. Specifiek moet nog meer aandacht gaan naar het inschakelen van de lokale besturen (provincies, steden en gemeenten) in het informeren en sensibiliseren van de bevolking m.b.t. de liberalisering van de energiemarkt.
·
De kostefficiëntie en effectiviteit van de openbare dienstverplichtingen toetsen.
Ideeënfiches
· Vereenvoudiging rapporteringvereisten marktpartijen en coördinatie tussen regulatoren (p.111). · Dynamiseren van de markten voor groenestroomcertificaten (GSC) en warmtekrachtkoppelingscertificaten (WKK-C) en onderzoek van verbanden tussen beide markten (p.112). · Opzetten van een geïntegreerde communicatiestrategie m.b.t. de energiemarkt op lange termijn (p.113).
61
2.13 Investeren in een kwaliteitsvolle en slagkrachtige overheidsorganisatie Uitdaging
De overheidswerking is vatbaar voor verbetering, zo blijkt uit diverse wetenschappelijke peilingen. Het vergroten van de kwaliteit van haar werking en de slagkracht ervan blijft dan ook een ambitieuze uitdaging. De overheid dient daarbij rekening te houden met vele tendensen, zoals het zich inschakelen in internationale en Europese richtlijnen, de toenemende impact van lagere overheidsniveaus, de liberalisering (in vraag stellen overheidstaken), het e-tijdperk, een meer kritische en mondige burger. · De uitdagingen zijn divers: · Beschikken over de juiste informatie en gegevens als basis voor de beleidsontwikkeling. · Werken met een eenvoudige regelgeving. · Werken met een eigentijds overheidsinstrumentarium (cf. ook e-tijdperk), dat een snelle en kwaliteitsvolle dienstverlening aan de burger garandeert. · Beschikken over de juiste bevoegdheden, teneinde een krachtdadig beleid te voeren dat inspeelt op de noden van het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap. · Het verdedigen van de Vlaamse belangen op internationale fora. Denkpistes
1. Vlaanderen dient de ingezette weg van kennisonderbouwing verder te zetten. Volgende voorstellen spelen hierop in: ·
Op het vlak van statistiek situeren zich een aantal knelpunten (tijdigheid cijfers, afhankelijkheid van het federale niveau, enz.) en hiaten. Zeer concrete beleidspistes zijn: de creatie van een interfederaal wetenschappelijk statistisch agentschap, een Vlaamse cofinanciering van de federale (en Europese) arbeidskrachtentelling, de creatie van een competentie- en beroepenregister (wegens het wegvallen van de volkstelling), en een structurele verankering van de vraagzijdebevraging PASO.
·
Binnen het beleidsdomein EWT zijn 3 steunpunten opgericht: het Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming: het Steunpunt Ondernemerschap en het Steunpunt Toerisme. Zij werken volgens verschillende organisatiemodellen. Er is nood aan een betere afstemming van hun werking, met het oog op een grotere beleidsrelevantie en een goede kennisdoorstroming en valorisatie van de resultaten.
2. De praktijk leert dat nieuwe regelgeving niet steeds gepaard gaat met het afschaffen van bestaande regelgeving. Daarnaast brengt regelgeving veelal heel wat administratieve lasten met zich mee. De overheid dient hieraan te verhelpen. Een serieus reguleringsmanagement kan deze evolutie tot staan brengen en omdraaien. Volgende acties kunnen hiertoe bijdragen: ·
Toetsen van alle geplande regelgeving naar bedrijfs- en milieu-impact en impact op de burger.
·
De internationale ontwerpregelgeving toetsen worden aan de effecten ervan op het Vlaamse Gewest. Vlaanderen dient daartoe te beschikken over voldoende ‘internationale antennes’.
·
Versnelde inschakeling van overheidsoptreden in e-omgeving. Voorbeelden hiervan zijn een koppeling met federale administratieve databanken, het introduceren van de elektroni-
62
sche handtekening, enz. Een aantal zaken staan evenwel reeds op sporen (geïntegreerd electronisch overheidsloket, vernieuwd ondernemersloket, ed.).
63
·
Prioritair te vereenvoudigen regelgeving: overheidslabeling m.b.t. opleiding en vorming, loopbaanbegeleiding, toeleiding (vandaag labelen drie verschillende geledingen van de overheid soms dezelfde actoren); klaarheid brengen in de aansturing van de vele consulenten die Vlaanderen bedienen (bijblijfconsulenten, diversiteitsconsulenten, mobiliteitsconsulenten, …).
·
Het ontwikkelen en implementeren van een volwaardig sociaal handhavingsbeleid voor het geheel van de sociaal-economische bevoegdheden.
3. De Belgische gewesten en gemeenschappen hebben elk hun eigen kenmerken, ook op sociaaleconomisch vlak. Vanuit het oogpunt van een spaarzame en doeltreffende inzet van overheidsmiddelen is dan ook een regiospecifiek beleid aangewezen. Vlaanderen beschikt vandaag niet over alle hefbomen om zo’n beleid te voeren. Een verdere homogenisering van de bevoegdheden is nodig. ·
Binnen het beleidsdomein werkgelegenheid zijn volgende grote punten aan de orde. 1) De belangrijkste instrumenten voor het voeren van een werkgelegenheidsbeleid (sociale zekerheid, fiscaliteit, arbeidsrecht) zijn nog steeds in federale handen. Bepaalde Vlaamse maatregelen werden in het verleden via deze motivatie door het federale niveau ‘gerecupereerd’. Andere maatregelen bestaan naast elkaar op het federale en Vlaamse niveau (sociale economie, diversiteitsbeleid). Grotere bevoegdheden voor Vlaanderen en/of goede afspraken (samenwerkingsakkoorden) zijn wenselijk. 2) Op een aantal vlakken wordt de wettelijke bevoegdheidsverdeling niet gerespecteerd. Zo zijn opleiding en vorming gemeenschapsbevoegdheden terwijl er nog steeds federale maatregelen op dit vlak van kracht zijn. Deze moeten overgeheveld worden naar de gemeenschappen. 3) Op een aantal vlakken heerst een gedeelde bevoegdheid (CAO’s, migratie, controlebevoegdheden hiermee samenhangend). Dit leidt tot een inefficiënte manier van werken. Vlaanderen is voorstander van een uitbreiding van de bevoegdheden op dit vlak of goede samenwerkingsverbanden.
·
Wat betreft het beleidsdomein economie tonen studies aan dat voor lineaire steunmaatregelen de fiscale aftrek een voorkeur verdient op subsidiëring. Vlaanderen is daarom vragende partij voor meer bevoegdheden op het vlak van de vennootschapsbelasting. Inspiratie kan gezocht worden in de modellen van Zwitserland en de Verenigde Staten. Daarnaast is er een afstemming mogelijk tussen het federale en regionale niveau op het vlak van maatregelen m.b.t. krediet –en garantieverlening. Tot slot dient het Sociaal-economisch Comité voor de Distributie overgeheveld te worden.
4. Zorgen voor een optimale overheidswerking op de verschillende niveaus in Vlaanderen. Beleidspistes: ·
Het op elkaar afstemmen van en samenwerking tussen belendende beleidsdomeinen op Vlaams niveau (transdepartementaal overleg).
·
Het aangaan van partnerschappen en samenwerking tussen het Vlaamse overheidsniveau en de lagere Vlaamse overheden, zodat complementair werken mogelijk wordt en elkeen op zijn eigen expertiseniveau wordt ingeschakeld.
·
De uitbouw van een coördinatieplatform en beleidsorgaan voor het hervormde sociaaleconomisch streekbeleid (cf. RESOC-decreet). De coördinatie met de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappijen en de lokale werkwinkels vormt hierbij een aandachtspunt.
·
Stroomlijning van de financiering van de lokale besturen.
·
Een optimalere gemeentelijke fiscaliteit t.a.v. bedrijven.
5. De Vlaamse overheid dient zich voor te bereiden op de volgende Europese programmeringsperiode 2007-2013. Deze middelen vormen immers een belangrijke financiële hefboom voor de huidige beleidsacties, waarvan een aantal evolueren naar regulier beleid.
64
Daarnaast, en in het licht van sociaal-economische opportuniteiten na de EU-uitbreiding, kunnen internationale partnerschappen aangewezen zijn. 6. Tegelijkertijd met het streven naar homogene bevoegdheidspakketten dient Vlaanderen ook ten volle gebruik te maken van het beschikbare instrumentarium. Op bepaalde terreinen kunnen zij het verschil uitmaken: ·
De uitgebreidere fiscale bevoegdheden en instrumenten na de Lambermontakkoorden werden tot vandaag weinig of niet benut. Er situeert zich een potentieel op het vlak van werkgelegenheidsmaatregelen (vb. naar ouderen toe, vorming, kinderopvang) en ook op economisch vlak.
·
Tot vandaag sloot Vlaanderen geen Vlaamse sociale akkoorden. Deze zouden wellicht versterkend kunnen werken op het vlak van diversiteit, vorming, e.d. en aansluiten bij de huidige sectorconvenants.
·
In bepaalde dossiers kunnen andere private partners voor een wezenlijke meerwaarde zorgen omwille van hun expertise en gelijklopende belangen met de overheid. De PPSconstructie dient daarom waar nodig in overweging te worden genomen bij de uitvoering van het beleid.
Ideeënfiches
· Voorbereiding (2004-2006) en implementatie van de nieuwe programmeringsperiode (20072013) in het kader van de EU-Structuurfondsen (p. 114). · Systematische kennisverwerving en kennisdeling vanuit de overheid (p.117). · Versterken van dialoog tussen Vlaamse overheid, lokale besturen en provinciebesturen (p.119). · Versterken van de sectorale aanpak in het Vlaams werkgelegenheids-, economisch en opleidingsbeleid (p.120).
65
3
Bijlagen 3.1
Ideeënfiches
· Optimalisatie en uitdieping van de brugprojecten economie-onderwijs.
68
· Acties ter bevordering van intrapreneurship en intergenerationele ervaringsoverdracht.
70
· Nieuwe financiële instrumenten ter verbetering van het vermogensdraagvlak van startende en groeiende ondernemingen.
71
· Sensibiliseren en begeleiden van KMO’s bij het invoeren van een duurzaam ondernemingsbeleid.
73
· Uitbouwen van een Vlaams beleid voor flexibele mechanismen om emissierechten onder het Protocol van Kyoto te verwerven.
76
· Activering van het zoekgedrag van werkzoekenden.
78
· Fiscale ondersteuning van een langere beroepsloopbaan, via de ouderenkorting in de personenbelasting.
79
· Oprichting van een Fonds voor Werktijdsparen, om langer werken aan te moedigen.
81
· Uitbreiding en stroomlijning van het beleid m.b.t. diversiteit en evenredige arbeidsdeelname.
82
· Uitbreiding van de ondernemerstrajecten voor allochtone ondernemers.
84
· De creatie van één opleidingsfonds.
86
· Recht op een leerkrediet voor iedereen vanaf 18 jaar.
87
· Aftrek in de personenbelasting voor opleidingskosten.
89
· Versterking van de innovatiekracht van KMO’s.
91
· Opzetten van een website voor de toeristische sector.
93
· Uitbouw en volwaardig maken van werkplekleren tijdens en na de schoolloopbaan.
94
· Vlaams Uitwisselingsprogramma voor Internationale Mobiliteit in de Beroepsopleiding (VUIM). 97 · Bijsturing aanmoedigingspremies voor een kwaliteitsvolle levensloopbaan.
99
· Verhoogde aftrek in de personenbelasting voor kinderopvangkosten voor bepaalde · doelgroepen.
101
· Monitoring en dienstverlening m.b.t. (individuele) bedrijfslocaties.
103
· Doelmatiger vergunningenbeleid.
104
· Decreet ‘ruimtelijke economie’.
106
· Het uitwerken en operationaliseren van een Actieplan Groene Warmte.
108
· De opmaak van oppervlaktedelfstoffenplannen.
109
· Implementatie van energieprestatie-eisen en -certificaten in gebouwen.
109
· Ondersteunen van de uitbouw van de energiedienstenmarkt.
111
· Vereenvoudiging rapporteringvereisten marktpartijen en coördinatie tussen regulatoren. 113 · Dynamiseren van de markten voor groenestroomcertificaten (GSC) en warmtekrachtkoppelingscertificaten (WKK-C) en onderzoek van verbanden tussen beide markten. 114 · Opzetten van een geïntegreerde communicatiestrategie m.b.t. de energiemarkt op lange termijn.
66
115
· Voorbereiding (2004-2006) en implementatie van de nieuwe programmeringsperiode (2007-2013) in het kader van de EU-Structuurfondsen.
116
· Systematische kennisverwerving en kennisdeling vanuit de overheid.
119
· Versterken van dialoog tussen Vlaamse overheid, lokale besturen en provinciebesturen. 121 · Versterken van de sectorale aanpak in het Vlaams werkgelegenheids-, economisch en opleidingsbeleid.
67
122
Optimalisatie en uitdieping van de brugprojecten economie-onderwijs
Kadert onder: Uitdaging 1: Vlaanderen laten uitgroeien tot een ondernemende regio.
Krachtlijnen: Brugprojecten economie-onderwijs optimaliseren en uitdiepen op de volgende manier: · De introductie van thematische brugprojecten. · De introductie van brugprojecten gericht op doelgroepen. · Het invoeren en de integratie van een ’trading places’ project. · Het invoeren van een ’train the trainer’ project (uitwisselingsprogramma). Met de eerste twee vormen van projecten wil men komen tot het steunen van projecten die als doel hebben de implementatie van kennisontwikkeling alsook het stimuleren van ‘het ondernemerschap’ bij bepaalde doelgroepen en dan voornamelijk de schoolgaande jeugd. Met de laatste twee vormen wordt de interactie tussen de onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven nog versterkt en wil men komen tot een cultuur- en mentaliteitsverandering bij de leerkrachten en de docenten door hen rechtstreeks ervaring te laten opdoen met de toepassing van hun (academische) kennis op de bedrijfswereld. Leerkrachten en docenten krijgen op basis van een uitwisselingsprogramma de kans om gedurende een bepaalde tijd van baan te wisselen met iemand uit het bedrijfsleven. Tegelijkertijd krijgen ondernemers de kans hun ervaring te delen met de leerkrachten en studenten.
Motivatie: Opleiding is essentieel voor het opzetten van een bedrijf en de levensvatbaarheid ervan. Het aanscherpen van ondernemerschaps-attitudes vanaf jonge leeftijd is een onontbeerlijke component om te komen tot een creatieve economie die internationaal maximale overlevingskansen biedt. Maatregelen om de aansluiting van het onderwijsveld op het bedrijfsleven te bevorderen voorkomen bovendien een ongekwalificeerde uitstroom. Echter, opdat het bewustzijn bij de leerlingen en studenten aangewakkerd wordt, moeten de leerkrachten en docenten zelf weten waarover ze het hebben. Indien de theorie kan worden gestaafd door concrete praktijkervaring, zal de theorie een veel grotere impact hebben.
Beoogde resultaten: · Scholieren en studenten al op jonge leeftijd inspireren tot het ondernemerschap. · Meer aandacht voor ondernemerschap in het onderwijs. · Leerkrachten en docenten meer voeling geven met het ondernemersgebeuren. · Aanleren van ondernemerschapsvaardigheden. · Het stimuleren van potentiële starters en meer mensen motiveren om te investeren in het ondernemerschap. · Verminderen van de werkloosheid en verhogen van de werkzaamheid. · Ombuigen van de dalende trend van startende ondernemingen naar een netto-aangroei.
68
Randvoorwaarden: Uitwerken van een nieuwe procedure binnen een wettelijk kader onder andere op basis van verdere uitwerking van bestaande projecten en onderzoek naar hoe het elders georganiseerd wordt.
Relatie tot huidig beleid: Versterking van het huidig beleid ‘stimuleren van ondernemerschap’ (Actieplan Ondernemerschap): bevorderen van het ondernemerschap met daarin aandacht voor vorming en begeleiding, alsook voor de begeleiding van ondernemers.
Nodige middelen: Te bepalen. Hermes (rubriek brugprojecten economie-onderwijs).
69
Acties ter bevordering van intrapreneurship en intergenerationele ervaringsoverdracht
Kadert onder: Uitdaging 1: Vlaanderen laten uitgroeien tot een ondernemende regio.
Krachtlijnen: Vlaanderen scoort laag inzake intrapreneurship of de mate waarin volwassenen nieuwe ondernemingen opstarten betrokken zijn bij het opstarten van een nieuwe onderneming binnen hun huidige werksituatie. Voorgesteld wordt een faciliterend kader aan te reiken om de bedrijfswereld aan te moedigen te participeren aan intrapreneurship. Professioneel mentorschap door het bedrijfsleven voor prestarters en startende ondernemingen kan een uiterst effectieve en praktische methode zijn om de toegang voor KMO's tot onderzoek en innovatie te verbeteren. · Vooreerst kan de bedrijfswereld ervaren oudere werknemers als bedrijfscoaches ter beschikking stellen (intra muros) van jongeren en (extra muros) van startende ondernemingen om die op een professionele manier praktische en nuttige vaardigheden mee te geven. Voor de vrijstelling van ervaren medewerkers dient de bedrijfswereld vergoed te worden. · Daarnaast zouden startende ondernemingen (extra muros) ondersteund worden via geïndividualiseerde trajectbegeleiding door gekwalificeerde bedrijfscoaches. Voor de financiering van de systemen kan inspiratie geput worden uit de bestaande chequesystemen. Naar aanleiding van deze maatregel kan een one-stop-internet-shop ontwikkeld worden waar de bedrijven die in dit systeem willen meestappen te recht kunnen.
Motivatie: Ondernemerschapattitudes kunnen ook aangescherpt worden binnen ondernemingen. Intrapreneurship moet bevorderd om de economie nieuwe zuurstof te geven.
Beoogde resultaten: · Meer mensen motiveren om te investeren in ondernemerschap. · De dalende trend van startende ondernemingen ombuigen naar een netto-aangroei. · Betere coaching en trajectbegeleiding van startende ondernemingen.
Randvoorwaarden: · Wettelijk kader. · Medewerking van de bedrijfswereld.
Relatie tot huidig beleid: Nieuw beleid.
70
Nieuwe financiële instrumenten ter verbetering van het vermogensdraagvlak van startende en groeiende ondernemingen
Kadert onder: Uitdaging 2: Behouden en ontwikkelen van een competitief, duurzaam en vernieuwend economisch weefsel, dat zorgt voor de creatie van toegevoegde waarde en tewerkstelling.
Krachtlijnen: Het gebrek aan kapitaal is een ernstige hinderpaal voor ondernemingen om hun volle (groei)potentieel te bereiken. Leningen en/of waarborgen van de overheid aan ondernemingen kunnen de kapitaalpositie zodanig beïnvloeden dat tevens de deur geopend wordt naar andere vormen van krediet (bancair, risicokapitaal,…). In het bijzonder wordt gedacht aan: · Introductie van (achtergestelde) leningen voor KMO’s met aandacht voor de microondernemingen (microleningen-startkapitaal), eventueel met indekking via waarborg. · Leningen en achtergestelde leningen, zowel bij de reguliere KMO als ter afdekking van crisissituaties (overbruggingskredieten). · Reactivering waarborgregeling zowel naar(grote) ondernemingen toe als naar intermediairs (b.v. factoring-bedrijven). · Indekken van BAN-financiering via gewestwaarborg en contragarantie EIF. · Inschakeling contragarantie door EIF in gewestelijke instrumenten.
Motivatie: · Het aantal startende ondernemingen in Vlaanderen stagneert/loopt terug. Een van de belangrijke oorzaken is het gebrek aan (start)kapitaal. In 2006 zal het Bazel II akkoord van kracht zijn, waarbij aan de banken verplichtingen worden opgelegd inzake eigen vermogen ten opzichte van openstaande kredieten en hieraan verbonden risico's. Voor startende en jonge ondernemers die geen trackrecord kunnen voorleggen zal het nog moeilijker worden om financieringsmiddelen te vinden. · Voor gazellen met een verhoogd kredietrisicoprofiel die geen trackrecord kunnen voorleggen is de financieringsproblematiek nog nijpender: de creditcrunch bedreigt ondernemingen die actief zijn in sectoren die als meer risicovol worden gepercipieerd. Een garantieregeling zal business angels stimuleren om in meer dossiers te investeren. Ondanks het feit dat business angels meestal investeren in ondernemingen die actief zijn in sectoren die ze kennen en als “winners” beschouwen, blijkt uit onderzoek in het Verenigd Koninkrijk dat 33% van de investeringen worden afgeschreven als een totaal verlies en 13% in een gedeeltelijk verlies of een break even in nominale waarde (Mason & Harrison, 2002). · Ingevolge de beslissing van de Europese Commissie van 20 juni 2001 met betrekking tot de intrekking van de horizontale maatregelen in de economische expansiewet van 30 december 1970 werd de toekenning van de gewestwaarborg buiten toepassing gesteld en dit zowel in het kader van de wet van 30 december 1970 als in het kader van het expansiedecreet van 15 december 1993. · Indien mocht blijken dat vanaf 1 januari 2007 de regionale steunzones in Vlaanderen sneuvelen dan wel irrelevant worden, wordt voorgesteld een relevante ondersteuningsmaatregel voor grote(re) onderneming te ontwikkelen. Het lijkt dus aangewezen te onderzoeken in welke mate de gewestwaarborg opnieuw kan geactiveerd
71
worden mits deze regeling wordt aangepast om in overeenstemming te zijn met de Europese regelgeving. Tevens dient onderzocht voor welke soorten van verrichtingen in het kader van een investerings -en expansiebeleid de gewestwaarborg kan toegekend worden.
Beoogde resultaten: · Meer mensen motiveren om te investeren in ondernemerschap. · De dalende trend van (startende) ondernemingen ombuigen naar een netto-aangroei, in het bijzonder wat betreft gazellen die zich kenmerken door hoge toegevoegde waarde en hoge tewerkstellingscreatie. · Verhoogde instroom van micro-initiatieven en verhoogde kredietwaardigheid van KMO’s. · Versterking concurrentiepositie Vlaamse bedrijven op exportmarkten met binnenhalen meer contracten. · Voor grote(re) ondernemingen: verbetering (internationale) concurrentiepositie. · Ondernemingen aanmoedigen tot investeren.
Randvoorwaarden: · Optimale afstemming en kruisbestuiving met de reeds bestaande instrumenten (waarborgregeling, ARK, BAN-financiering, IWT-leningen). · Optimale afstemming met andere beleidsniveaus zoals (Federaal Participatiefonds). · Nauwe samenwerking met kredietinstellingen. · Afstemming met door ABAFIM ontwikkeld kader voor garantieverlening.
Relatie tot huidig beleid: · (micro en achtergestelde) leningen: aanbieden van nieuw financieringsinstrument voor KMO’s. · Garantieverlening grote ondernemingen: reactivering van uitgedoofd beleid. · Inschakeling EIF: nieuw beleid.
Nodige middelen: De benodigde middelen voor de leningen zullen onder meer afhankelijk zijn van: · Het eventuele minimum-maximum bedrag van de leningen. · De voorwaarden waaronder de leningen worden verstrekt (achtergesteld of niet). · Potentieel aantal kandidaten. · Het feit of er al dan niet een generieke regelgeving wordt uitgewerkt of er eventueel geopteerd wordt voor een getrapt systeem waarbij niet alle ondernemingen op dezelfde wijze gefaciliteerd worden. · Mogelijke toekenning van speciale voorwaarden voor doelgroepen(jongeren ,ouderen ,vrouwen en allochtonen zijn de grote afwezigen in het profiel van de startende ondernemer in Vlaanderen).
72
Sensibiliseren en begeleiden van KMO’s bij het invoeren van een duurzaam ondernemingsbeleid
Kadert onder: Uitdaging 2: Behouden en ontwikkelen van een competitief, duurzaam en vernieuwend economisch weefsel, dat zorgt voor de creatie van toegevoegde waarde en tewerkstelling.
Krachtlijnen: · Informeren van KMO’s omtrent het belang en de ecologische, economische en maatschappelijke voordelen van duurzaam ondernemingsbeleid. · Initiatieven ontwikkelen ter ondersteuning van KMO’s bij de uitbouw van een duurzaam ondernemingsbeleid. · Verder uitbouwen van succesrijke initiatieven, die nu reeds invulling geven aan deelaspecten van een duurzaam ondernemingsbeleid, met name: ·
De milieucharterinitiatieven, die bedrijven een instrument aanreiken om op een gestructureerde manier milieuzorg in te voeren in het bedrijfsbeleid en die hen tevens honoreren voor de geleverde inspanningen.
·
Eco-efficiëntie-adviseurs: bestendiging van het proefproject AEP-adviseurs (thans EEadviseurs genoemd) van de GOM’s Oost- en West-Vlaanderen en uitbreiding naar gans Vlaanderen via een vertegenwoordiging in elke provinciale zetel van het VLAO onder aansturing van de OVAM.
·
REG-adviseurs: KMO’s informeren, adviseren en begeleiden (ook naar subsidies) omtrent haalbaarheid van REG-maatregelen (REG = Rationeel Energie-verbruik).
·
Verdere uitbouw van het opgestarte digitale kenniscentrum ‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen’.
· Een multiplicatie bekomen van succesrijke milieumaatregelen doorgevoerd bij bedrijven door deze maatregelen naar buiten te brengen en voor een ruime verspreiding te zorgen.
Motivatie: · Duurzaam ondernemen met zijn drie pijlers: ‘people, planet en profit’ wordt in alle beleidsdocumenten als een absolute prioriteit naar voor geschoven. KMO-bedrijven hebben nood aan informatie en begeleiding bij de invoering van een duurzaam ondernemingsbeleid. · Verlenging milieucharterinitiatieven. Sinds 1993 organiseert de GOM West-Vlaanderen in samenwerking met Charter-Zuid-West-Vlaanderen en BVQI (kwaliteitscertificaat-bureau) een jaarcyclus van het milieucharter. Dit initiatief kende navolging in alle Vlaamse provincies en wordt door het Vlaams Gewest sinds 1998 gesteund via het Presti 4-programma. Dit programma loopt met de cyclus 2004 ten einde. Een studie uitgevoerd in opdracht van OVAM naar de effectmeting van Presti 4 toont het belang ervan aan en kwam tot het besluit dat dit initiatief best verder gezet wordt. De deelnemende bedrijven zijn vragende partij om dit initiatief verder te zetten. Sinds de aanvang van het initiatief hebben reeds driehonderd bedrijven zich geëngageerd. De meeste bedrijven nemen aan meerdere jaarcyclussen deel. Bij de evaluaties kan duidelijk de milieuvooruitgang vastgesteld worden bij deelnemende bedrijven. · Eco-efficiëntie-adviseurs blijken zijn uiterst geschikt om het preventiebeleid van de OVAM te laten doorstromen naar de bedrijven en om medewerking te verlenen aan initiatieven van de OVAM of STIP (Steunpunt en Informatiecentrum voor preventie en Afval). Ook heeft OVAM via de EE-adviseurs snel en concreet een zicht op wat leeft rond afval- en emissiepreventie bij bedrijven. Dat is belangrijk voor de keuze van de initiatieven die de OVAM onder de noemer van STIP kan ontwikkelen voor bedrijfsintermediairs. 73
· De REG-adviseurs hebben ook reeds een jarenlange ervaring opgebouwd in het informeren en begeleiden van bedrijven bij het invoeren van REG-maatregelen. Zij dragen aldus ook bij tot een reductie van het energieverbruik bij ondernemingen en van de reductie van de CO2- uitstoot door de KMO’s.
Beoogde resultaten: · Op jaarbasis worden zowel door de REG-adviseurs (momenteel enkel op projectbasis in de provincies Oost- en West-Vlaanderen en op beperktere basis in de provincie Limburg) als de Eco-efficiëntie-adviseurs een 100-tal bedrijven per provincie geïnformeerd en begeleid. Soortgelijke cijfers moeten per provincie kunnen behaald worden inzake begeleiding bij de invoering van een veralgemeend duurzaam ondernemingsbeleid. · Op jaarbasis nemen minstens 125 bedrijven deel aan de milieucharterinitiatieven. · Er worden minstens per provincie een academische zitting (Milieucharter) en diverse infonamiddagen/workshops georganiseerd rond REG en EE. · De begeleide en deelnemende bedrijven getuigen jaarlijks op tientallen seminaries, workshops, over succesrijk doorgevoerde maatregelen en werken inspirerend voor andere bedrijven. · Resultaatverspreiding via publicaties, vakbeurzen, artikels in vaktijdschriften, reportages op radio en lokale TV. · Er wordt ondersteuning gegeven aan de pijlers van het Vlaams milieubeleid en bedrijven worden aangezet tot duurzaam en eco-efficiënt ondernemen. · Verbeterde relatie/communicatie tussen bedrijf en overheid, tussen bedrijf en omgeving. · Kostenbesparing bij deelnemende KMO’s door reductie grondstoffen, afval/emissies en energie.
Randvoorwaarden: Duurzaam ondernemen heeft directe raakvlakken met milieu, economie en werkgelegenheid en dit in al zijn facetten.
Relatie tot huidig beleid: · Duurzaam ondernemen wordt zowel vanuit sociale, ecologische en economische beleidsplanning als hoogste prioriteit beschouwd. · Binnen het milieubeleid geldt de doelstelling om afval en emissies zo veel mogelijk te voorkomen al jaren als prioriteit. Tegelijkertijd wordt – ook op internationaal vlak – steeds meer de relatie gelegd tussen milieuzorg en bedrijfseconomische efficiëntie. · Op de recente ondernemersconferentie werd beslist om prioriteit te verstrekken aan het begeleiden van KMO’s naar eco-efficiëntie. · Strategische en operationele doelstellingen op niveau van de Vlaamse overheid (21 doelstellingen voor de 21ste eeuw cfr. het Pact van Vilvoorde, 22 november 2001). · Reductie van de CO2-uitstoot om te voldoen aan de Kyoto-akkoorden. · Besluit Vlaams Energieagentschap, 16 april 2004.
74
Nodige middelen: · Minimaal drie VT-equivalenten per provincie + benodigde werkingsmiddelen en een budget voor verspreiding van de resultaten + infoverstrekking. · De milieucharterinitiatieven krijgen momenteel in functie van het aantal deelnemers per provincie een steun van maximaal 62.000 Euro (x 5 provincies = 310.000 Euro). Dit bedrag dient verhoogd te worden gezien nu slechts subsidie wordt verleend voor maximaal 25 deelnemers/provincie (dit aantal wordt in enkele provincies nu reeds overschreden).
75
Uitbouwen van een Vlaams beleid voor flexibele mechanismen om emissierechten onder het Protocol van Kyoto te verwerven
Kadert onder : Uitdaging 2: Behouden en ontwikkelen van een competitief, duurzaam en vernieuwend economisch weefsel, dat zorgt voor de creatie van toegevoegde waarde en tewerkstelling.
Krachtlijnen: Voor de periode 2008-2012 heeft het Vlaams gewest een reductiedoelstelling voor broeikasgassen van –5,2% t.o.v. de emissies in 1990, zoals bepaald in het Overlegcomité tussen de gewesten en de federale overheid op 8 maart 2004. Rekening houdend met het supplementariteitsprincipe dat opgenomen wordt in de toekomstige Europese ‘linking directive’, kan aanvullend op interne reducties, een deel van de reductiedoelstelling ingevuld worden door reducties in het buitenland te realiseren. In het Protocol van Kyoto zijn daarvoor drie flexibele mechanismen voorzien, dit zijn de internationale emissiehandel, het Mechanisme voor Schone Ontwikkeling (Clean Development Mechanism of CDI) en de Gemeenschappelijke Uitvoering (Joint Implementation of JI). Deze laatste twee zijn projectgebonden mechanismen die als doel hebben het realiseren van investeringsprojecten die leiden tot emissiereducties in Annex B- landen (JI, in ontwikkelde landen met een emissieplafond) en nietAnnex B-landen (CDM, in ontwikkelingslanden). Die emissiereducties creëren in JI-projecten ERU’s (emissiereductie-eenheden) en in CDM-projecten CER’s (gecertificeerde emissierechten), die kunnen omgezet worden in emissiekredieten door Annex B-landen. Daarom: · Zal de Vlaamse overheid, ondersteund door een externe partner, in een eerste fase, via een aanspreekpunt, technische en juridische informatie verstrekken aan Vlaamse bedrijven. · Zullen parallel projectvoorstellen geselecteerd worden die voldoen aan de randvoorwaarden en een voldoende lage prijs voorstellen. Met de projectontwikkelaars zullen tijdelijke optiecontracten afgesloten worden voor de aankoop van te genereren emissierechten. De opties kunnen definitief genomen worden als de Vlaamse overheid tijdig de overeenkomstige financiële middelen begroot. · Zal aansluitend onderzocht worden welke andere initiatieven opportuun zijn voor de Vlaamse overheid, zoals het nemen van participaties in bestaande of (nog op te richten) fondsen van de private sector of van multilaterale overheden zoals de EBRD (European Bank for Reconstruction and Development) en de Wereldbank.
Motivatie: Het doel van flexibele mechanismen is tweeledig. Enerzijds is het de bedoeling de impact van broeikasgassen op mondiaal niveau aan te pakken; broeikasgassen zijn nu eenmaal grensoverschrijdende fenomenen. Daarom is het nuttig internationale projecten op te zetten zodat ook in minder ontwikkelde landen emissiereducties kunnen worden gerealiseerd. Anderzijds laten deze projectgebonden mechanismen toe, dat deze reducties worden gerealiseerd tegen een lagere kostprijs. In die landen die verplichtende reductiedoelstellingen hebben, kan de marginale kost om CO2 te reduceren via binnenlandse maatregelen zodanig hoog oplopen dat de sectoren en de overheid die moeilijk kunnen dragen. Ook daarom is het wenselijk voor Vlaanderen een beroep te doen op flexibele mechanismen. Programma’s voor projectgebonden mechanismen zijn reeds o.a. opgestart in Duitsland, Finland, Denemarken, Zweden, Canada en Nederland. Hoe langer het Vlaams Gewest wacht met het opstarten van een beleid, hoe minder interessante projecten aan een lage kostprijs beschikbaar zullen zijn.
76
Beoogde resultaten: · Het verwerven van de nodige hoeveelheid emissierechten, aanvullend op de intern voorziene reductiemaatregelen zodat het Vlaams gewest in 2008-2012 kan voldoen aan de eigen reductiedoelstelling van broeikasgassen. · Het stimuleren van investeringskansen voor Vlaamse bedrijven op buitenlandse markten. · Het leveren van een bijdrage tot de realisatie van duurzame projecten met overdracht van technologieën. · Het stimuleren van de ontwikkeling van innovatieve technieken om emissiereducties te realiseren.
Randvoorwaarden: De randvoorwaarden qua toepassingsgebied, additionaliteit en duurzaamheid zijn vastgelegd in het Protocol van Kyoto en de akkoorden van Marrakech. Verdere evoluties worden bepaald in de Conference of Parties. Elke overheid kan inhoudelijk en geografisch eigen accenten leggen.
Relatie tot huidig beleid: De Vlaamse regering heeft op 2 april 2004 principieel het ontwerp allocatieplan goedgekeurd waarna de publieke consultatiefase is gestart. Op basis van de hypotheses gehanteerd in het ontwerp allocatieplan wordt ingeschat dat tussen 2008 en 2012 het jaarlijks tekort aan emissierechten voor alle maatschappelijke sectoren samen overeenkomt met 1,942 mio ton.
Nodige middelen: Het nodige budget voor de periode 2008-2012 kan geschat worden op een totaal van 68 mio Euro (7 Euro/ton) of 116,5 mio Euro (12 Euro/ton). Er wordt een prijs van 7 euro per ton CO2 gebruikt overeenkomstig de prijs gehanteerd in tenders (d.w.z. als de overheid zelf de projecten zoekt en opvolgt) en anderzijds een prijs van 12 Euro per ton CO2 overeenkomstig de huidige marktprijs voor een emissierecht. De consultatiefase van het allocatieplan en de beoordeling door de Europese Commissie kunnen nog aanleiding geven tot wijzigingen van het tekort in ton CO2.
77
Activering van het zoekgedrag van werkzoekenden
Kadert onder: Uitdaging 3: Verhogen van de arbeidsdeelname, met bijzondere aandacht voor de kansengroepen.
Krachtlijnen: De werkzaamheidsgraad moet hoger. De activering van het zoekgedrag van de werkzoekenden is hiervoor één van de sleutels. Een evenwichtig en samenhangend systeem van activering veronderstelt zowel ondersteuning als controle van het zoekgedrag: · De ondersteuning krijgt vorm via een actieve begeleiding van werkzoekenden. De Vlaamse overheid stelt dat actieve begeleiding een recht is voor alle werkzoekenden. Met de huidige capaciteit en begeleidingsconcept worden evenwel niet alle werkzoekenden bereikt. Een verdere uitbreiding van de begeleidings- en opleidingscapaciteit en de uitwerking van een nieuw begeleidingsconcept zijn dus noodzakelijk. Voor de concrete uitvoering hiervan kunnen de bestaande vormen van publiek-private samenwerking verder worden uitgebouwd. Via de gedeeltelijke uitbesteding naar commerciële en niet-commerciële private actoren kan de introductie van marktwerking in de begeleiding en opleiding van Vlaamse werkzoekenden verder gerealiseerd worden. · De controle van het zoekgedrag steunt o.a. op de gegevenstransmissie van VDAB naar RVA. De VDAB werkt in dit verband een systeem van on-line-gegevenstransmissie uit, die enerzijds toelaat om de bewijslast voor het actief zoekgedrag maximaal te verschuiven van de individuele Vlaamse werkzoekende naar de VDAB, en anderzijds de RVA toelaat om de niet-beschikbare werkzoekenden op te roepen.
Motivatie: Er zijn reeds belangrijke stappen gezet om een sluitende aanpak van werkzoekenden te realiseren. De Vlaamse overheid geeft hiermee uitvoering aan de afspraken op Europees niveau (de Europese Werkgelegenheidsrichtsnoeren). Zo daalde het niet-navolgingspercentage bij jonge werkzoekenden van 30% in 2001 tot 18% in 2002, bij de volwassenen zakte deze niet-navolging van 27% tot 13%. Om deze aanpak volledig sluitend te maken is dus extra begeleidingscapaciteit nodig. De aanhoudende werkloosheidstoename in 2002, 2003 én 2004 accentueert nog dit tekort aan begeleidingen.
Randvoorwaarden: De activering van het zoekgedrag van werkzoekenden veronderstelt een samenwerking en afstemming tussen het Vlaamse en federale beleidsniveau. Vermits de terugverdieneffecten van de activering van werkzoekenden voornamelijk ten gunste zijn van de federale overheid (o.m. minder werkloosheidsuitkeringen en verhoogde inkomsten in de sociale zekerheid) kunnen afspraken gemaakt worden met de federale overheid over een resultaatgebonden subsidiëring van succesvolle trajecten naar werk (bv. een ‘inschakelingsbonus’ per werkzoekende die dankzij deze actieve aanpak werk vindt).
Relatie tot huidig beleid: De Vlaamse overheid heeft zich tijdens de Nationale werkgelegenheidsconferentie in september 2003 geëngageerd om de begeleiding en opleiding van werkzoekenden substantieel te verhogen en een gegevenstransmissiesysteem uit te bouwen.
78
Fiscale ondersteuning van een langere beroepsloopbaan, via de ouderenkorting in de personenbelasting – eventuele veralgemening tot laaggeschoolden
Kadert onder: Uitdaging 3: Verhogen van de arbeidsdeelname, met bijzondere aandacht voor de kansengroepen.
Krachtlijnen: De participatie van ouderen op Vlaamse arbeidsmarkt is een gekend probleem. Slecht 25% van de personen binnen de leeftijdsgroep 55-65 is aan het werk. Het streven in het kader van het Pact van Vilvoorde ligt op 50% in 2010. Dankzij de ‘nieuwe bevoegdheden’ op het vlak van de fiscaliteit heeft het Vlaams Gewest de mogelijkheid om via de personenbelasting langer werken aantrekkelijk te maken. Om het voor ouderen aantrekkelijker te maken om te blijven werken, zou men kunnen overwegen een arbeidskorting in de personenbelasting in te voeren. Kenmerken: · De te overwegen ouderenkorting in de personenbelasting kan enkel toegekend worden aan inwoners van het Vlaams Gewest. · De aftrek of korting zou forfaitair of proportioneel (als % van het belastbaar inkomen of van de verschuldigde belasting) kunnen worden uitgewerkt. · De omvang van de aftrek zou kunnen fluctueren met de leeftijd: Een hogere aftrekmogelijkheid naarmate men tot een oudere leeftijdscategorie behoort. · Een extra mogelijkheid die zonder extra administratieve lasten kan worden doorgevoerd, zou er in bestaan de korting door te rekenen in de bedrijfsvoorheffing, waardoor het financieel voordeel onmiddellijk vertaald wordt naar de betrokkene (stijging netto-loon). Een perfect analoge redenering is mogelijk voor de laaggeschoolden. De omvang van de aftrek kan dan variëren naargelang het scholingsniveau.
Motivatie: · Het ontbreekt momenteel aan nuttige stimulansen voor de werknemers en de economie om de arbeidsloopbaan lang voort te zetten. Maatregelen als brugpensioen, prepensioen resulteren gegeven de conjuncturele omstandigheden steeds in een grote uitstroom van oudere werknemers op relatief jonge leeftijd. De gemiddelde leeftijd van uittreding op de arbeidsmarkt ligt in Vlaanderen rond de 57 jaar. · Op middellange termijn resulteren fenomenen als de vervoegde uittreding en de vergrijzing tot een onhoudbare druk op het pensioenstelsel en het algemeen stelsel sociale zekerheid. · Laaggeschoolden hebben het in het algemeen significant moeilijker op de arbeidsmarkt (hogere werkloosheidsgraad en lagere werkzaamheidsgraad dan gemiddeld). De kloof tussen uitkering en loon is soms nog te klein om effectief aan het werk te gaan.
Beoogde resultaten: · Langer werken financieel aantrekkelijker maken. · Werkzaamheid ouderen ondersteunen en stimuleren. · Opvangen van de druk op de pensioenen en sociale zekerheid. −
Hogere werkzaamheid van laaggeschoolden.
79
Randvoorwaarden: · Akkoord van Vlaamse sociale partners. · Afstemming met en stimulering van de andere gewesten.
Relatie tot huidig beleid: Momenteel is er sprake van een impulsbeleid ‘evenredige arbeidsdeelname en diversiteit’, gericht op het stimuleren van ondernemingen en organisaties om in hun personeelsbeleid geïntegreerde aandacht te hebben voor leeftijdsbewust personeelsbeleid. Dit wordt ondersteund via gesubsidieerde diversiteitsplannen en beste praktijken en via sensibiliserende acties op regionaal of sectorniveau. Deze maatregel richt zich tot individuen en is complementair aan het huidige beleid.
Nodige middelen: Het benodigde budget is afhankelijk van de uitwerking van het aftrekstelsel. De beleidsruimte voor deze maatregel is relatief ruim, maar moet afgestemd zijn op andere initiatieven die in het kader van de personenbelasting worden genomen. De fiscale autonomie van het Vlaams Gewest bedraagt 6,75% van de Vlaamse opbrengsten van de personenbelasting (vanaf 1 januari 2004). In 2004 zou deze 1,26 miljard Euro bedragen.
80
Oprichting van een Fonds voor Werktijdsparen, om langer werken aan te moedigen
Kadert onder: Uitdaging 3: Verhogen van de arbeidsdeelname, met bijzondere aandacht voor de kansengroepen.
Krachtlijnen:
Bedrijven en werknemers krijgen de kans om de financiële waarde van extra gepresteerde werkuren of niet opgenomen vakantiedagen in een fonds te storten. Concreet betaalt de werkgever een identieke loonkost voor de extra gepresteerde werkuren of de niet opgenomen vakantiedagen op naam van de werknemer aan een fonds dat deze middelen beheert. De werknemer bouwt hiermee kapitaliseerbare eenheden op die hij/zij vanaf 50 + kan opnemen, waardoor hij/zij in deze leeftijdsperiode kan genieten van een ander arbeidsregime zonder afbreuk te doen aan zijn inkomen. Bij vroegtijdig overlijden worden de kapitaliseerbare eenheden omgezet in een verzekerd financieel bedrag.
Motivatie: Vlaanderen dient de werkzaamheidsgraad van 50-plussers te verhogen en de eindeloopbaan te verlengen. Dit flexibel instrument laat de werknemer toe om zelf zijn/haar loopbaan actief vorm te geven en geeft middelen ter beschikking om ‘deeltijds werken’ op maat te activeren bij de eindeloopbaanperiode.
Beoogde resultaten: Niet opgenomen vakantiedagen en extra gepresteerde werkuren dienen niet in geld aan de werknemer te worden bezorgd. Hierdoor kan de werknemer ‘tijd kopen’ in functie van evenwicht gezin – werk, draagkracht, e.d. op latere leeftijd. Oudere werknemers kunnen zonder inkomensverlies een deeltijds arbeidsregime opstarten na hun 50ste, in een intensiteit die afhangt van de opgespaarde eenheden, waardoor hun activering over een langere loopbaanperiode kan worden gespreid.
Randvoorwaarden: · Akkoord van de sociale partners. · Oprichting van of inbedding in een fonds dat de middelen beheert. · Fiscale regeling rond de gestorte bijdragen en de opname van de kapitaliseerbare eenheden. · Afstemming met andere arbeidsregelingen en loopbaanpremies en met de federale bevoegdheden. Aandachtspunt: de invoering van zo’n beleidsmaatregel heeft mogelijk ook een aantal negatieve gevolgen. Immers, de werkdruk zal tijdens de actieve loopbaan nog vergroten.
Nodige middelen: · De middelen worden ingebracht via de niet uitbetaalde extra prestaties en de niet opgenomen vakantiedagen. Met het tijdelijk beheer (en beschikking) van de middelen kunnen de beheerskosten worden gedragen. · Een expertengroep dient het voorstel technisch te ontwikkelen en te verfijnen voor implementatie ervan.
81
Uitbreiding en stroomlijning van het beleid m.b.t. diversiteit en evenredige arbeidsdeelname
Kadert onder: Uitdaging 3: Verhogen van de arbeidsdeelname, met bijzondere aandacht voor de kansengroepen.
Krachtlijnen: Vlaanderen dient een diverser personeelsbestand te realiseren. Dit beantwoordt aan twee maatschappelijke behoeften, enerzijds het bevorderen van de arbeidsmarktdeelname van groepen die nu minder participeren op de arbeidsmarkt en anderzijds het bevorderen van meer en diverse toeleiding, sneller ingevulde vacatures, behoud van personeelsleden, … Kortom het realiseren van een diverser personeelsbeleid d.m.v.: · Een gefaseerde veralgemening van diversiteitsplannen in bedrijven en organisaties. Dit kan in een eerste fase, door diversiteitsplannen als voorwaarde te stellen voor het uitvoeren van overheidsopdrachten vanaf een welbepaald bedrag. In een tweede fase kan dit als verplichting opgenomen worden voor de grootste bedrijven (+ 1000 werknemers, daarna +500werknemers, …). Een diversiteitsplan-‘light’ geeft een analyse op vlak diversiteit, concrete streefcijfers en rapportering. De administratieve belasting wordt minimaal gehouden, bij voorkeur door opname van de rapportage in de sociale balans. Veralgemening van diversiteitsplannen bij lokale besturen wordt ook als prioriteit opgenomen. · Het mogelijk maken van sectorale instroomprojecten, in het kader van de sectorconvenants. Concreet: het stimuleren van afspraken tussen werkgevers, werknemers en arbeidsbemiddelingsdiensten inzake gegarandeerde toeleiding, bemiddeling en instroom van kansengroepen (cfr. MKB-projecten in Nederland). · Specifieke stimuleringsinitiatieven voor concrete kansengroepen. Deze zijn in het bijzonder nodig voor arbeidsgehandicapten, ouderen, jongeren, ex-gedetineerden, … Er dient meer aandacht te zijn voor begeleiding op de werkvloer (voor arbeidsgehandicapten met ondersteuning vanuit ATB, BW, CBO), vereenvoudiging van maatregelen door bv. afstemming CAO26 en Vlaamse Inschakelingspremie. Wat betreft de opleiding, bemiddeling van de kansengroep ex-gedetineerden dient de uitgewerkte methodiek van het ‘Aan de Bakproject’ naar alle gevangenissen te worden veralgemeend. · Voor het veralgemenen van een diversiteitsbeleid in Vlaanderen, wordt de aanwezige know-how gepoold en ter beschikking gesteld van bedrijven, organisaties en intermediairen. Een Steunpunt Diversiteit, deel uitmakend van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap wordt hiertoe uitgebouwd, in samenwerking met de sociale partners voor overleg en advies. Een link met andere initiatieven op vlak van kwaliteit van arbeid, maatschappelijk verantwoord ondernemen is belangrijk. Dit Steunpunt staat ook in voor de nodige initiatieven om de diverse consulenten op het terrein te ondersteunen in hun opdracht en hun afstemming en samenwerking te bevorderen. · Mainstreaming van diversiteitsinitiatieven in andere beleidsmaatregelen, bv. de toegankelijkheid van kansengroepen in opleidingsacties, in het loopbaanbegeleidingsbeleid, …en integratie van het doelgroepenbeleid in het diversiteitsbeleid, bv. de gelijke kansen-aanpak, zonder evenwel de specifieke aandacht voor gender uit het oog te verliezen. · Uitbreiding van een flexibel en maatgericht NT2-aanbod dat gericht is op instroom, doorstroom en behoud van allochtonen op de arbeidsmarkt. Er dient een voldoende aanbod van Nederlands op de werkvloer en opleidingsvloer gecreëerd te worden, gericht op nieuwkomers maar ook op ‘oudkomers’, evenals opfristrajecten en al dan niet ingebed in primaire inburgeringstrajecten.
82
Motivatie: Deze voorstellen gaan uit van een combinatie van maatregelen. Deze zijn zowel stimulerend, waarbij bedrijven en overheid tot een diversiteitsbeleid gestimuleerd worden (instroom-projecten, categoriale acties, steunpunt ,..), als voorzichtig verplichtend, vertrekkend van sociale clausules naar een verplichting voor grotere bedrijven. Een veralgemenende aanpak is geen vanzelfsprekendheid. Deze maatregel wordt dan ook niet lichtzinnig voorgesteld maar is gebaseerd op het gegeven dat de werkloosheidssituatie van kansengroepen van die aard is dat een verstrenging van het huidige beleid, zij het tijdelijk, nodig is, willen we resultaten realiseren. De werkloosheidssituatie voor mensen met een handicap, met een andere nationaliteit, ouder dan 55 jaar verschilt nog steeds grondig van de gemiddelde werkloosheidssituatie. Zo bedragen de verschillen in werkzaamheid: · tussen mensen met een andere nationaliteit (nationaliteitskloof) en Belgen bijna 27%; · tussen vrouwen en mannen (genderkloof) bijna 17%; · tussen mensen met of zonder arbeidshandicap bijna 18%. De werkzaamheidsgraad voor +55-jarigen bedraagt amper 25% tegenover bijna 40% in de EU. Ook voor laaggeschoolden is de werkzaamheidsgraad beduidend lager dan het EU-gemiddelde. Een krachtdadig beleid, gericht op het aanwervingsbeleid in bedrijven en gericht op de werkzoekenden is aangewezen.
Beoogde resultaten: Het is de bedoeling om de werkzaamheidsgraad bij kansengroepen, o.m. allochtonen, ouderen, arbeidsgehandicapten, … te verhogen tot de gemiddelde werkzaamheidsgraad in Vlaanderen. Doelstelling is te komen tot een verbreding van het diversiteitsbeleid. Op 5 jaar tijd hebben ongeveer 1000 bedrijven in Vlaanderen een diversiteitsbeleid opgestart. Het is de bedoeling de komende 5 jaar tot een versnelling hierin te komen.
Relatie tot het beleid : Deze acties sluiten aan bij het Pact van Vilvoorde en bij de concretisering zoals afgesproken in de platformteksten van de Ronde Tafel conferenties over allochtonen en arbeidsgehandicapten.
Randvoorwaarden: · Betrokkenheid van de sociale partners, interprofessioneel maar zeker ook sectoraal. · Betrokkenheid van de arbeidsbemiddelingsdiensten, privaat en publiek. · Behoud van een specifiek diversiteitsbeleid, ook al is het gelinkt aan/afgestemd op kwaliteit van de arbeid, MVO, e.d.
Nodige middelen: · Wetgevend kader voor veralgemeende aanpak. · Financiële middelen ter stimulering van bedrijven, voor een verhoogd aanbod van NT2, voor sectorale instroomprojecten, enz. · Bestendigen van de begeleidings- en ondersteuningscapaciteit voor bedrijven en organisaties.
83
Uitbreiding van de ondernemerstrajecten voor allochtone ondernemers
Kadert onder: Uitdaging 3: Verhogen van de arbeidsdeelname, met bijzondere aandacht voor de kansengroepen.
Krachtlijnen: Verhoogd aanbod van de cursussen ondernemersopleiding voor allochtone ondernemers, met hierbij bijzondere aandacht voor: · Het optimaliseren van bestaande vormingsinitiatieven voor (toekomstig) allochtone ondernemers waarbij bijzondere aandacht uitgaat naar de kennis m.b.t. ‘commercieel Nederlands’; · Het toegankelijker maken van het cursus- en vormingsaanbod voor de (toekomstige) allochtone ondernemer o.a. door optimalisering van de methodieken voor recrutering, doorverwijzing en toeleiding; · Het uitwerken van een traject ‘nazorg’ met aandacht voor de specifieke noden en behoeften van de allochtone ondernemers; · Het implementeren en mainstreamen van het cursusaanbod voor allochtone ondernemers. Verhoogd aanbod van bedrijfsadvies voor allochtone ondernemers, met bijzondere aandacht voor: · Het optimaliseren van de methodiek voor bedrijfsadvies met het oog op het versterken van de startpositie van de allochtone ondernemer door: ·
de verdere uitwerking van intensieve ondersteuningsprogramma’s die tegemoet komen aan de specifieke noden en behoeften van de (startende) allochtone ondernemer (o.a. taalachterstand, lage scholingsgraad, geringe kennis Belgische wet- en regelgeving …), met het oog op een geslaagde opstart van de onderneming, een evenwichtig bedrijfsbeheer en zakelijke kansen naar de toekomst toe;
·
het toegankelijker maken van bestaande bedrijfsadvies-kanalen.
· Het implementeren en mainstreamen van het bedrijfsadvies voor allochtone ondernemers.
Motivatie: Etnisch ondernemerschap is in Europa geen marginaal verschijnsel meer, maar eerder een ‘booming business’ die aandacht verdient. Niet alleen het groeiend aantal allochtone ondernemers is opmerkelijk, tevens krijgen de economische en maatschappelijke aspecten van het etnisch ondernemerschap stilaan betekenis: · Zo fungeert het zelfstandig ondernemerschap als één van de mogelijke oplossingen in het werkloosheidsvraagstuk van allochtonen. · Tevens, creëren etnische ondernemers niches in de markt, ontdekken gaten in het productaanbod en weten in te spelen op de kansen die de economie het kleinbedrijf biedt. · Etnische bedrijvigheid faciliteert het proces van economische en sociale integratie van de allochtone doelgroep. · Ondanks de meerwaarde van het etnisch ondernemerschap, heeft deze doelgroep het vaak extra moeilijk bij de opstart en uitbouw van het eigen bedrijf: · Zo beschikken etnische ondernemers meestal over een goed uitgebouwd netwerk in de eigen groep, maar hebben ze weinig kennis over hun afzetmogelijkheden en een beperkte toegang tot adviesorganen, kapitaalverstrekkers en toeleveranciers.
84
· Onbekendheid met locatiekeuze en wet- en regelgeving levert hen vaak onnodige problemen op. · Een beperkte taalvaardigheid in het Nederlands verhindert de uitbouw van het bedrijf naar de autochtone markt.
Beoogde resultaten: · Bieden van gelijke kansen aan alle ondernemers, ongeacht hun etnische afkomst. · Bijdragen tot en ondersteunen van een duurzaam en kwaliteitsvol allochtoon ondernemersschap. · Bijdragen tot een positieve beeldvorming inzake allochtoon ondernemerschap.
Randvoorwaarden: · Ondersteunend wet- en regelgevend kader om dit opleidingsaanbod allochtoon ondernemersschap verder te implementeren en te mainstreamen. · Ondersteunende financiële structuur om dit opleidingsaanbod voor allochtoon ondernemersschap verder te implementeren en te mainstreamen. · Een positief klimaat in Vlaanderen inzake de aanwezigheid van allochtonen in het algemeen en allochtoon ondernemersschap in het bijzonder.
Relatie tot huidig beleid: · Deze acties en initiatieven komen tegemoet aan de doelstellingen vastgelegd in het Pact van Vilvoorde. · Deze acties en initiatieven kunnen worden gekaderd in het actieplan ‘Evenredige Arbeidsdeelname en Diversiteit’ met focus op ondernemersschap van allochtonen.
Nodige middelen: Nog te bepalen.
85
De creatie van één opleidingsfonds
Kadert onder: Uitdaging 4: Vlaanderen laten uitgroeien tot een lerende regio.
Krachtlijnen: Levenslang leren, bijblijven en opleiding en vorming zijn cruciaal voor een toekomstgericht sociaaleconomisch beleid. Verschillende maatregelen beantwoorden vandaag aan deze nood. De diverse opleidingsinstrumenten en –middelen dienen meer dan ooit gemakkelijk begrijpbaar, beschikbaar, bereikbaar en betaalbaar te zijn voor individuen en ondernemingen. De idee is dat de bestaande maatregelen, en de overeenkomstige overheidsmiddelen (subsidies) op elkaar worden afgestemd en worden gebundeld en geïntregeerd in één fonds, dat twee pijlers bevat: · Opleiding en vorming voor individuen (zie de ideeënfiche ‘Recht op een leerkrediet voor iedereen vanaf 18 jaar’). · Opleiding en vorming voor ondernemingen.
Motivatie: Gezien het algemeen erkend groeiend belang van een strategisch opleidingsbeleid voorkomt een dergelijk fonds dat er een veelheid van instrumenten en subsidiestromen ontstaat waar de klant (het bedrijf, het individu) zich niet in terugvindt en waardoor er een gebrek aan onderlinge afstemming ontstaat.
Beoogde resultaten: · Eén-loketfunctie (frontoffice). · Afstemming van de reeds voorziene middelen (voor ondernemingen: werkgeverscheques, ESF-middelen, hefboomkredieten; voor individuen: tijdskrediet voor vorming, opleidingscheques, bijblijfrekening, …). · Grotere transparantie en visibiliteit van de inzet en de resultaten van de totaalactie.
Randvoorwaarden: · Visie over en installatie van één opleidingsfonds. · Ondersteuning van de sociale partners als draagvlak. · Afstemming van de onderscheiden regelgevingen. · Samenwerking backoffice van de onderscheiden betrokken diensten.
Relatie tot huidig beleid: Vereenvoudiging en vernieuwing van het huidige beleid: hefboomkredieten, ESF-middelen, opleidingscheque voor werkgevers, label ‘Investors in People’), opleidingscheques voor werknemers, tijdskrediet voor vorming, bijblijfrekening, …).
Nodige middelen: Zie randvoorwaarden.
86
Recht op een leerkrediet voor iedereen vanaf 18 jaar
Kadert onder: Uitdaging 4: Vlaanderen laten uitgroeien tot een lerende regio.
Krachtlijnen: De instelling van het recht van elke Vlaming op een leerkrediet: · met een financiële waarde die gelijk is aan de gemiddelde last die de overheid draagt voor een student hoger onderwijs gedurende een periode van vier jaar; · Op te nemen: ·
door een individu voor de betaling van vorming en opleiding en/of loopbaanbeleiding en/of eventuele ‘kosten’ hieraan verbonden (kinderopvang, cursusmateriaal, basisinkomen gedurende de periode dat men vorming/training volgt en niet meer aan het werk is, …);
·
eventueel als vergoeding voor een werkgever die gedurende een bepaalde periode een werknemer moet vervangen;
·
na een kort of langer loopbaantraject (als werkende of werkzoekende);
·
voor een opleiding en/of vorming die leidt tot een erkend certificaat, titel (van beroepsbekwaamheid), …
·
tijdens de actieve leeftijd, vanaf 18 jaar (na de schoolplicht).
Personen die ten minste vier jaar hoger onderwijs volgen vanaf 18 jaar gebruiken dit éénmalig krediet meteen en kunnen er dus nadien geen gebruik meer van maken.
Motivatie: Langgeschoolden hebben beduidend meer kansen op de arbeidsmarkt dan kortgeschoolden. Zij participeren tijdens hun latere arbeidsloopbaan ook beduidend meer aan vormings- en opleidingsactiviteiten en blijven op die manier op eigen kracht bij. Kort- en middengeschoolden daarentegen verlaten meestal op 18 of op 20 jaar de schoolbanken. Hun kansen op een job zijn meestal kleiner en zij nemen ook minder deel aan opleiding en vorming tijdens hun loopbaan. Het leerkrediet geeft hen de kans om tijdens de loopbaan een tandje bij te steken. Dit leerkrediet legt tevens de lat voor iedereen gelijk (is democratisch).
Beoogde resultaten: · Kort- en middengeschoolden aanzetten tot het volgen van vorming en opleiding, via een financiële stimulans. · Personen een tweede kans geven (bepaalde mensen weten slechts op latere leeftijd welke richting zij uit willen op de arbeidsmarkt). · Personen de mogelijkheid geven op een heroriëntering van de loopbaan. · Eventueel gekoppeld: het opleidingsaanbod meer vraaggestuurd maken.
87
Randvoorwaarden: Relatie tot huidig beleid: Nieuw initiatief, dat in de plaats komt van diverse instrumenten die vandaag bestaan: · Opleidingscheques voor werknemers (groot dead weight effect). · Opleidingskrediet (in kader van loopbaanonderbreking). · Vandaag hebben werkzoekenden reeds de kans om tijdens deze periode een opleiding te volgen met behoud van hun uitkering.
Nodige middelen: Nog te berekenen.
88
Aftrek in de personenbelasting voor opleidingskosten
Kadert onder: Uitdaging 4: Vlaanderen laten uitgroeien tot een lerende regio.
Krachtlijnen: Iedere inwoner van het Vlaams Gewest kan genieten van een aftrek in de personenbelasting voor opleidingskosten. Kenmerken: · Toegankelijk voor alle belastingplichtigen, dus zowel de werkenden als de niet-werkenden (werklozen, inactieven enz.). · Betreft zowel de werkgerelateerde opleidingen, maar ook deze die daar los van staan en ’s avonds of tijdens het weekend gevolgd worden ter versterking van de eigen competenties (bijv. taallessen enz.). · Enkel van toepassing op de inwoners van het Vlaams Gewest. · Omwille van kwaliteitsoverwegingen, alsook om misbruiken te voorkomen beperken tot “erkende opleidingen”. · Geen doorrekening in de bedrijfsvoorheffing, want dan enkel toegankelijk voor werkenden en verplichting om gevolgde opleiding aan te geven bij werkgever kan eventueel een hinderpaal vormen bijv. wanneer deze gevolgd werd met het oog op het vinden van ander werk. Volgende bijkomende opties zijn mogelijk: · Verhoogde aftrek voor opleidingen die toeleiden naar knelpuntberoepen. · Verhoogde aftrek bij het behalen van een diploma of certificaat. · Verhoogde aftrek voor bepaalde kansengroepen. · Aftrek beperken tot een bepaald maximum en de budgettaire impact ervan onder controle houden.
Motivatie: · De huidige maatregel van aftrekbaarheid van opleidingskosten voor de werkgever is, blijkens onderzoek, onvoldoende om de beoogde verhoging van de opleidingsparticipatie (12,5% van de 25- tot 64-jarigen tegen 2010) te bereiken. · In het licht van het toenemend belang van levenslang leren en blijvende inzetbaarheid op de arbeidsmarkt is het belangrijk dat de Vlaamse overheid elk individu een financiële prikkel geeft om zelf te investeren in zijn eigen menselijk kapitaal. Vooral de niet-werkenden blijken, volgens onderzoek, minder dan de werkenden deel te nemen aan opleidingen. · De maatregel stimuleert het individu tot het deelnemen aan opleiding en het nemen van persoonlijke verantwoordelijk voor de ontwikkeling van zijn menselijk kapitaal. · De administratieve uitvoeringskosten zijn laag.
89
Beoogde resultaten: Verhogen van de opleidingsparticipatie.
Randvoorwaarden: · Gelet op de huidige bevoegdheidsverdeling moet de maatregel worden beperkt tot de inwoners van het Vlaams Gewest. · De aftrek mag geen effect mag hebben op de belastbare grondslag en moet daarom de vorm aannemen van een aftrek op de verschuldigde personenbelasting.
Relatie tot huidig beleid: · Nieuwe maatregel. · De maatregel kan in de plaats komen van bestaande systemen (bijv. opleidingscheques) of deze een extra stimulans geven.
Nodige middelen: Het benodigde budget is afhankelijk van de uitwerking van het aftrekstelsel. De beleidsruimte voor deze maatregel is relatief ruim, maar moet afgestemd worden op andere initiatieven die in het kader van de personenbelasting worden genomen. De fiscale autonomie van het Vlaams Gewest bedraagt 6,75% van de Vlaamse opbrengsten van de personenbelasting (vanaf 1 januari 2004). In 2004 zou dit 1,26 miljard EUR bedragen.
90
Versterking van de innovatiekracht van KMO’s
Kadert onder: Uitdaging 5: Vlaanderen laten uitgroeien tot een innoverende regio.
Krachtlijnen: Binnen de doelgroep van ondernemingen nemen de KMO’s een heel bijzondere plaats in. Vanuit innovatieoptiek is het begrip KMO echter een ruim en veelomvattend begrip. Er zijn de zogenaamde NTBF’s (New Technology Based Firms), voor wie technologische innovatie een essentieel gegeven is in de bedrijfsvoering. Daarnaast zijn er ook een hele reeks van ondernemingen waarvoor de innovatieboodschap niet of weinig relevant is. Voor een grote groep van industriële KMO’s is een versterking van hun innovatiekracht relevant. Deze groep kan opgedeeld worden in: · Bedrijven die een innovatiepotentieel hebben en er ook effectief gebruik van maken. Door het KMO-programma van IWT-Vlaanderen kunnen zij nu ook steun krijgen voor hun innovatietrajecten. · Een heel scala van bedrijven die wel innovatiepotentieel hebben, doch daar te weinig expliciet gebruik van maken of waarvan het potentieel onvoldoende ontwikkeld is. Deze groep van KMO’s behoeft een bijzondere prikkel om tot innovatie over te gaan. Daartoe werd gedurende de voorbije legislatuur het landschap van innovatie-intermediairen sterk uitgebouwd. De primaire focus van deze actoren is het stimuleren van de bedrijven met innovatiepotentieel, de KMO’s in het bijzonder. Op dit moment zijn zo’n 150-tal adviseurs verbonden aan verschillende onderzoeks- en kenniscentra actief in het informeren, begeleiden en ondersteunen van de KMO’s in hun innovatieproces. Dit gedistribueerd model is relatief uniek. Het is nu nog te vroeg om na te gaan of dit ook effectief werkt. Vanaf 2006 zouden de uitgebouwde monitoringsresultaten toch al wat indicaties moeten geven. Een tweede permanente uitdaging blijft dit geheel aan innovatie-actoren om te bouwen tot een performant en samenwerkend netwerk. Naast overleg is het gericht samenwerken aan gemeenschappelijke projecten hiertoe een belangrijk instrument. Het valt dan ook te overwegen om naast de directe financiele steun aan de innovatie-actoren ook een beperkt krediet te voorzien dat deze samenwerking faciliteert. Verder moet ook aandacht besteed worden aan de professionalisering van de innovatiedienstverlening. Het gebruiken van het logo ‘lid van het Vlaams Innovatienetwerk met steun van IWT-Vlaanderen’ moet uitgroeien tot een kwaliteitskenmerk en aldus de drempel voor de KMO’s om samen te werken met onderzoeksinstellingen verlagen.
Motivatie: Innovatie is belangrijk voor de competitiviteit van de ondernemingen op langere termijn. KMO’s hebben niet steeds de nodige ressources intra muros om op een gestructureerde wijze innovatieprojecten uit te werken. Het aanbod van kennis is verspreid en de toegang tot die kennis is niet steeds eenvoudig. Intermediatie kan een nuttig middel zijn om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, voor zover de intermediatie op een efficiënte wijze wordt uitgevoerd. De vermelde intermediatie kan effectiever verlopen indien de innovatie-adviseurs zich opstellen als een meer samenwerkend netwerk.
91
Beoogde resultaten: Deze idee heeft als doel: · Meer KMO's te betrekken bij de uitbouw van de kenniseconomie, door het creëren van passende en laagdrempelige ondersteuningsmechanismen, die bij voorkeur ook interactie met Vlaamse kenniscentra impliceren. · Het stroomlijnen van de intermediaire structuren die de KMO’s in deze actie begeleiden.
Randvoorwaarden: Het netwerk van innovatie-adviseurs dat gesteund wordt vanuit IWT-Vlaanderen dient optimaal samen te werken met de netwerken van innovatie-adviseurs die gesteund worden vanuit het beleidsdomein economie en werkgelegenheid.
Relatie tot huidig beleid: Een dergelijke maatregel consolideert en versterkt het huidig beleid: · Meer aandacht voor innovatie (Europees streefdoel van 3% van het BNP tegen 2010). · Stimulering van KMO's tot deelname aan de kenniseconomie. · Continuering van het opgestart innovatiebegeleidingsbeleid binnen het VIS-programma.
Nodige middelen: · Financiering voor de continuëring van het VIS-netwerk, resp. RIS-netwerk na 2006. · Afstemming van het VIS-netwerk met andere economisch georiënteerde actoren (FIT, OVAM, ANRE, VAO enz.) en andere gelijksoortige netwerken(MATRIX, INSPIRE, enz.). Instrumenten voor laagdrempelige ondersteuning en financiering van samenwerkingsprojekten binnen het VIS-netwerk en tussen het VIS-netwerk en andere netwerken.
92
Opzetten van een website voor de toeristische sector
Kadert in: Uitdaging 6: Het potentieel van Vlaanderen met inbegrip van Brussel als toeristische bestemming ten volle benutten.
Krachtlijnen: Een website waarop de toeristische sector alle regelgeving en de nodige documenten voor vergunningsaanvragen kan terugvinden. Niet enkel de toeristische regelgeving, maar ook regelgeving van andere domeinen die een directe impact hebben op de toeristische ondernemingen. Naast de regelgeving moet op deze website ook kwaliteitsvolle informatie aanwezig zijn over de werking van Toerisme Vlaanderen als instelling. Deze website moet uitgroeien tot een kenniscentrum waar de volledige sector beroep op kan doen.
Motivatie: Toerisme is een sector die zeer trendgevoelig is. Voor een economisch rendabele onderneming is het belangrijk om creatief te zijn in het ontwikkelen van nieuwe producten. De toeristische sector wordt gekenmerkt door een groot aandeel kleine ondernemingen. De administratieve beslommeringen waaraan de toeristische ondernemingen worden onderworpen, fnuiken dan ook vaak de creativiteit van de sector om marktconforme producten te ontwikkelen. De uitbouw van een dergelijke website biedt een knooppunt voor interactie met en tussen de toeristische actoren, waarop uitwisseling van ervaring en informatie kan gebeuren en waarop samenwerkingsverbanden tot stand kunnen komen.
Beoogde resultaten: · Een administratieve vereenvoudiging voor de toeristische bedrijven, zodat zij creatief kunnen (mee)denken over nieuwe, marktconforme producten. · Een eerste stap richting de 1-loket functie, waar de toeristische ondernemer alle voor hem dienstige informatie kan terugvinden. · Voldoende en kwaliteitsvolle informatie die op een gebruiksvriendelijke manier te raadplegen is.
Randvoorwaarden: Het verspreiden van informatie en de mogelijkheid tot interactie vereist een sterke backoffice. Dit houdt in dat deze elementen moeten opgenomen worden in de werking van Toerisme Vlaanderen en dat deze voldoende geïnformatiseerd zijn.
Relatie tot huidig beleid: Dit initiatief bevordert de klantgerichte werking van Toerisme Vlaanderen en betekent een belangrijke stap voorwaarts richting de 1-loket functie.
93
Uitbouw en volwaardig maken van werkplekleren tijdens en na de schoolloopbaan
Kadert onder: Uitdaging 7: Het afstemmen van de vraag en het aanbod op de arbeidsmarkt, via het wegwerken en voorkomen van structurele knelpunten.
Krachtlijnen: De verdere uitbouw van het leren op de werkvloer is van cruciaal belang voor een vlotte afstemming tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Het herwaarderen en volwaardig maken van de diverse vormen van werkplekleren dient dan ook een rode draad te vormen voor het beleid, en dit zowel tijdens de schoolloopbaan (alternerend leren, stages) als erna (leer-werktrajecten voor werkzoekenden). Jongeren tijdens leerplicht (- 18 jaar) Herwaardering alternerend leren (deeltijdse leersystemen): · Alternerend leren als een volwaardig alternatief voor voltijds onderwijs. · Alternerend leren als pedagogische vernieuwing: de ideale manier om bepaalde vaardigheden, kennis, attitudes te verwerven. · Alternerend leren als de ideale weg om een beroep te leren. · Bevorderen van transparantie in het aanbod: streven naar afstemming tussen de verschillende systemen en actoren (onderwijs, VIZO, VDAB) m.i. van certificering. · Eenvormig statuut (gelijke rechten en plichten voor leerlingen/stagiairs en ondernemers binnen de verschillende systemen). · Uitbreiding van het aanbod naar andere beroepen en sectoren. · Voortrajecten en differentiatie voor bepaalde doelgroepen zoals allochtonen. · Kwalitatief aanbod van werkplekleren, inclusief overzicht van aanbod (databank), verplichte werkervaring, labeling ondernemers (cf. leerbedrijf). · Gelijkschakeling van diploma’s en certificaten met titel van beroepsbekwaamheid. · Versterken van de begeleiding van de leerlingen/stagiairs en de ondernemers. Voldoende en kwalitatief aanbod stageplaatsen voor leerlingen Beroeps- en Technisch Secundair Onderwijs – voltijds onderwijs (TSO/BSO): · Stimuli voor bedrijven (zoals jobcoaching-formules op de werkvloer) kunnen worden ingebouwd in de diversiteitsplannen en sectorconvenants. · Het opzetten van een Publiek Private Samenwerkingsstructuur voor bedrijfsstages, waarbij de overheid optreedt als regulator, en het bedrijfsleven (bvb. de sectorfederaties) als expert m.b.t. de vereiste kwalificaties. · Stimuleringsprogramma voor scholen (via dept. Onderwijs, met inbreng van de Regionale Technologische Centra (RTC)). · Inbreng van de ervaringen en samenwerking met opleidingsorganisaties vanuit EWT. · Bijzondere aandacht voor studierichtingen die minder mogelijkheden bieden op de arbeidsmarkt.
94
Werkzoekenden: In de trajecten voor werkzoekenden dient de nodige ruimte te worden voorzien voor een soepele combinatie tussen (klassikale) vorming, training en opleiding, werkplekleren en werkervaring. De bijzondere aandacht voor de werkplek-component van deze trajecten (alternerende stages, werkplekleren, begeleiding en nazorg op de werkvloer) vormt de sleutel voor een duurzame integratie op de arbeidsmarkt, en dit in het bijzonder voor een aantal ‘moeilijke’ doelgroepen zoals jongeren, ouderen, laaggeschoolden, allochtonen en arbeidsgehandicapten.
Motivatie: Door vanuit het onderwijs (TSO/BSO) jongeren kwaliteitsvolle stageplaatsen en alternerende trajecten naar werk aan te bieden kan zowel de ongekwalificeerde uitstroom uit het onderwijs verminderd worden, als de moeilijke invulling van deze vacatures bij werkgevers. Tal van technische beroepen vormen immers een structureel knelpunt op de Vlaamse arbeidsmarkt (o.m. een aantal beroepen uit de bouw- en metaalsector), wat de werkgelegenheidsdynamiek in deze sectoren belemmert. Dit knelpunt kan verholpen worden door een aantal bestaande instrumenten uit TSO/BSO, zoals het alternerend leren, verder uit te bouwen en complementair in te zetten met een aantal arbeidsmarktprogramma’s met een duidelijke werkplek-component (zoals IBO, leertijd en WEP+). Leren op de werkvloer is een volwaardige vorm van leren, voor jongeren én volwassenen. Voor sommige beroepen en doelgroepen is het zelfs een meerwaardig systeem. Daarom dient werk gemaakt te worden van de verdere uitbouw van diverse vormen van werkplekleren tijdens en na de schoolloopbaan, en bijgevolg ook aan een groter aandeel hiervan binnen onze opleidingssystemen. Alternerend leren moet leiden tot een startkwalificatie op de arbeidsmarkt, in uitvoering van de globale doelstelling om de ongekwalificeerde uitstroom uit het onderwijs te halveren (cf. Pact van Vilvoorde).
Beoogde resultaten: Jongeren tijdens leerplicht: Herwaardering alternerend leren en uitbouw stageplaatsen · Betere aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt. · Maatschappelijke waardering/positief imago. · Volwaardig diploma. · Eenvormig statuut. Werkzoekenden: Kwaliteitsvolle leer-werktrajecten · Verhoogde kans op werk voor werkzoekenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. · Duurzame integratie op de arbeidsmarkt.
Randvoorwaarden: · Engagement sociale partners: voldoende deeltijdse werkervarings- en stageplaatsen voor jongeren en werkzoekenden. Ter illustratie: in het schooljaar 2002-2003 had slechts 53,4% van de deeltijds lerende jongeren een werkervaringsplaatsen. · Samenwerking Vlaams en federaal niveau: aanpassen regelgeving bv. statuten leerlingen.
95
· Samenwerking tussen alle opleidingsactoren op Vlaams niveau (VIZO, VDAB, Onderwijs, Socius). · Samenwerking tussen opleidingsverstrekkers, sectorale fondsen en sociale partners.
Relatie tot huidig beleid: Het voorstel sluit zowel aan bij de herwaardering van het TSO/BSO in het onderwijs (cf. nieuw kader voor alternerend leren - deeltijds onderwijs) als bij de uitbouw van de opleiding en begeleiding op de werkvloer in het werkgelegenheidsbeleid (maatgerichte ‘leerwerktrajecten’ voor werkzoekenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt). Het voostel sluit aan bij de ontwikkelingen inzake jobcoaching (VDAB), RTC’s (onderwijs), sectorconvenanten (EWT) en DIVA. De voorstellen inzake alternerend leren sluiten ook aan bij de SERV-platformtekst “alternerend leren – volwaardig leren” die in augustus 2003 werd ondertekend door de sociale partners vertegenwoordigd in de SERV, de representatieve verenigingen van onderwijs en het gemeenschapsonderwijs, de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, de Dienst Beroepsopleiding van het departement onderwijs, het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen, de koepelorganisatie van de vrije Centra voor Leerlingenbegeleiding en de Centra voor Deeltijdse Vorming. Deze voorstellen kennen dus reeds een ruim draagvlak. De initiatiefnemers van deze platformtekst wilden alternerend leren opnieuw op de beleidsagenda zetten. De tekst moest leiden tot een actieplan voor de versterking van alternerend leren. De beoogde doelgroep waren alle jongeren die tijdens hun leerplicht instappen in deeltijdse systemen. Er dient werk gemaakt te worden van dit actieplan. Bovendien dient de doelgroep uitgebreid te worden naar niet-leerplichtigen; ook voor hen heeft een systeem van werkplekleren iets te bieden (bv. ondernemersopleiding VIZO, opleidingen/stages voor werkzoekenden bij VDAB).
Nodige middelen: Niet bekend.
96
Vlaams Uitwisselingsprogramma voor Internationale Mobiliteit in de Beroepsopleiding (VUIM)
Kadert onder Uitdaging 7 : Het afstemmen van de vraag en het aanbod op de arbeidsmarkt, via het wegwerken en voorkomen van structurele knelpunten.
Krachtlijnen: Het afstemmen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt is één van de grote uitdagingen op Vlaams en Europees niveau. Diverse Europese studies en rapporten noteren hier als één van de voornaamste maatregelen : een verhoogde mobiliteit van werknemers en van personen in beroepsopleiding. Hierbinnen kadert de internationale mobiliteit als leerproces. De idee betreft het opzetten van een Vlaams Uitwisselingsprogramma voor Internationale Mobiliteit (VUIM). Dit programma kan fungeren als centraal werkinstrument voor alle Vlaamse aanbieders van beroepsopleiding (Onderwijs, VDAB, VIZO,...). Aan deze opleidingsaanbieders zal het VUIM bijstand en expertise leveren bij de organisatie van buitenlandse stages en uitwisselingen. Het VUIM kan flankerend werken voor alle Europese programma’s i.v.m. mobiliteit in de beroepsopleiding. Op deze wijze kunnen de Vlaamse activiteiten meteen gecoördineerd en geïmplementeerd worden binnen de Europese maatregelen.
Motivatie: Dit opzet kadert volledig binnen · De Conclusies van de Europese Raad van Lissabon (uitgroeien tot de meest dynamische en competitieve regio ter wereld – dit veronderstelt voor 100% terdege opgeleide werknemers). · Het Brugge-initiatief (intensere samenwerking op vlak van beroepsopleiding – dit initiatief is overgenomen tijdens de top van Barcelona door de Europese Raad). · De afspraken in Aken (2002) op de conferentie Take your change! Mobility in vocational education and training. · Verklaring van Kopenhagen.
Beoogde resultaten: De uitbouw van dit programma speelt vooral in op het bijschaven van de attitude van Vlaamse jongeren in beroepsopleiding t.a.v. mobiliteit (zowel voor effectieve deelnemers als hun peer group). Na een tijdelijk verblijf in het buitenland (mobiliteit in kader van stage of uitwisseling) als integraal onderdeel van de beroepsopleiding, merken we enerzijds een veranderende attitude van de deelnemers en anderzijds een verwerving van nieuwe/andere kennis, inzichten en werkvormen. Dit leidt tot een snellere en een grotere deelname aan de arbeidsmarkt, en een grotere bereidheid tot mobiliteit.
Randvoorwaarden: · Beslissing in verband met een coördinatiecel voor dit VUIM. · Een grotere aandacht binnen de curricula van de beroepsopleidingen voor internationale mobiliteit.
97
· Ondersteunende financiële structuur om deze mobiliteit te faciliteren. · Formele erkenning en validering van de internationale mobiliteit binnen de curricula.
Relatie tot huidig beleid: Binnen het Vlaams vormingsbeleid is internationalisering reeds een sterk aandachtspunt. Dit VUIM kan dit beleid ondersteunen, sterker faciliteren en echt formaliseren.
Nodige middelen: Ervaring vanuit Europese mobiliteitsprogramma’s leert dat de gemiddelde kostprijs voor een buitenlandse stage circa 400 Euro bedraagt voor verblijf en voor transportkosten. Evenwel kan geopteerd worden om het beursbedrag afhankelijk te maken van het land van de stageplaats, en dus afhankelijk te maken van de levensduurte ter plaatse en van de afstand af te leggen tussen Vlaanderen en het land van de stageplaats.
98
Bijsturing aanmoedigingspremies voor een kwaliteitsvolle levensloopbaan
Kadert onder: Uitdaging 9: De kwaliteit van werken en leven verbeteren.
Krachtlijnen: Het flankerende Vlaamse beleid van aanmoedigingspremies, als aanvulling op de federale uitkeringen voor tijdskrediet en loopbaanonderbreking, kan versterkt en geheroriënteerd worden om meer Vlaamse werknemers in staat te stellen een kwaliteitsvolle levensloopbaan uit te bouwen met een betere afstemming tussen werk, zorg, vorming en vrije tijd. De volgende aanpassingen zijn mogelijk: 1. Afstemmen van de premies in de openbare sector op de klemtonen in het stelsel van de private sector, met name het zorg- en opleidingskrediet. 2. Aantrekkelijker maken van de aanmoedigingspremies bij het volgen van arbeidsmarktgerichte opleidingen (in 2003 waren slechts 2% van de aanvragen van Vlaamse aanmoedigingspremies i.f.v. het volgen van een opleiding). 3. Verbreding van het toepassingsgebied van de Vlaamse aanmoedigingspremies voor o.a. vrijwilligerswerk (‘sociaal kapitaal-krediet’). 4. Nieuwe Vlaamse aanmoedigingspremie voor werkgevers die een werkzoekende in dienst nemen ter vervanging van de werknemer(s) in loopbaanonderbreking.
Motivatie: De Vlaamse aanmoedigingspremies kunnen verder worden toegespitst op prioritaire beleidsdoelstellingen zoals de combinatie arbeid-zorg en het stimuleren van permanente vorming (voorstel 1 en 2). Een uitbreiding naar het stimuleren van vrijwilligerswerk is eveneens mogelijk (voorstel 3). Het positieve effect van deze premies voor werknemers op de kwantiteit en kwaliteit van de arbeid kan gevrijwaard worden via een nieuwe Vlaamse aanmoedigingspremie voor werkgevers die hun werknemers in loopbaanonderbreking effectief vervangen door een werkzoekende (voorstel 4).
Beoogde resultaten: · Betere combinatie arbeid-privé voor werknemers. · Stimulans voor permanente vorming van werknemers. · Stimulans voor vrijwilligerswerk. · Hogere kwaliteit van de arbeid (minder stress op het werk). · Arbeidsherverdeling (verhoging werkzaamheidsgraad).
Randvoorwaarden: · Akkoord van sociale partners. · Afstemming met het beleid van de federale overheid.
Relatie tot huidig beleid: Versterking en heroriëntering van de bestaande Vlaamse aanmoedigingspremies voor loopbaanonderbreking en tijdskrediet.
99
Nodige middelen: De budgettaire impact van de nieuwe premies voor werkgevers is afhankelijk van de concrete operationalisering ervan (toepassingsgebied, criteria, hoogte van de premies,…). De budgettaire impact van de voorgestelde heroriëntering van de bestaande aanmoedigingspremies voor werknemers (voorstel 1, 2 en 3) is eveneens afhankelijk van de concrete operationalisering ervan. In principe is deze heroriëntering mogelijk met een gelijkblijvend budget.
100
Verhoogde aftrek in de personenbelasting voor kinderopvangkosten voor bepaalde doelgroepen
Kadert onder: Uitdaging 3: Verhogen van de arbeidsdeelname, met bijzondere aandacht voor de kansengroepen.
Krachtlijnen: Verhogen van de aftrek voor kinderopvangkosten in de personenbelasting voor bepaalde doelgroepen (bijv. gezinnen met een laag inkomen, werkende alleenstaande ouders), aangevuld met een algemene korting voor opvangkosten voor kinderen van 3 tot 12 jaar. Kenmerken: · Enkel van toepassing op de inwoners van het Vlaams Gewest. Verschillende opties zijn mogelijk voor het uitwerken van de maatregel: · Aanvullende Vlaamse aftrek voor opvang van jonge kinderen voor bepaalde groepen (vb. voor laag gezinsinkomen en alleenstaande ouders). ·
Voor belastingplichtigen die geen opvangkosten inbrengen kan dit via een verhoging van bestaande forfaitaire aftrek voor kinderen jonger dan 3 jaar voor bepaalde doelgroepen.
·
Voor belastingplichtigen die wel opvangkosten inbrengen kan dit via een verhoging van het maximum aftrekbaar bedrag voor opvangkosten voor kinderen jonger dan 3 jaar voor bepaalde doelgroepen.
· Algemene Vlaamse aftrek voor opvang van oudere kinderen (van 3 tot 12 jaar) (complementair aan de aftrek voor kinderen onder de 3 jaar). Dit kan onder de vorm van een forfaitair bedrag als een aftrek van de werkelijke opvangkosten (bijv. erkende opvanginstellingen). Dit is een complementaire fiscale maatregel. · De 2 vermelde aftrekmogelijkheden kunnen verder ook: ·
Gekoppeld worden aan de hoogte van het gezinsinkomen zodat de aftrek degressief evolueert naarmate het inkomen stijgt (tot het uiteindelijk volledig uitdooft).
·
Forfaitaire aftrekken kunnen doorgerekend worden in de bedrijfsvoorheffing (zonder bijkomende administratieve lasten) zodat de financiële stimulans onmiddellijk voelbaar is voor de betrokken werknemers, met name een hoger nettoloon op het einde van elke maand. De werkgever moet bij de maandelijkse loonberekening enkel het aantal kinderen doorgeven. Deze gegevens worden in principe reeds door de werkgever verzameld omdat ze aan een kinderbijslagfonds moeten doorgegeven worden.
Motivatie: Voor alleenstaande ouders evenals voor gezinnen (of een van de echtgenoten van een echtpaar) met jonge kinderen is de toegang tot de arbeidsmarkt vaak afhankelijk van de beschikbaarheid van opvangstructuren tegen betaalbare prijzen. Zowel de kwaliteit van het opvangaanbod als de kosten ervan kunnen een invloed hebben op de tewerkstellingsgraad en het aantal gewerkte uren van de ouders. Momenteel combineert het
101
federaal beleid inzake kinderopvang in België twee instrumenten, met name subsidies en fiscale aftrekbaarheid. De aftrekbaarheid van kinderopvangkosten is echter voornamelijk een voordeel voor gezinnen met een hoger inkomen, aangezien het voordeel wordt afgetrokken van het netto-inkomen en niet van de verschuldigde belasting.
Beoogde resultaten: · Verruimen van de toegang tot de arbeidsmarkt voor alleenstaande ouders, maar ook voor gezinnen, door kinderopvang tegen betaalbare prijzen te verzekeren. · Verbeteren van de kwaliteit van het opvangaanbod (en het beperken van de kosten ervan) met het oog op het verhogen van de tewerkstellingsgraad en het aantal gewerkte uren van de ouders.
Randvoorwaarden: ·
Gelet op de huidige bevoegdheidsverdeling moet de maatregel worden beperkt tot de inwoners van het Vlaams Gewest.
·
De aftrek mag geen effect mag hebben op de belastbare grondslag en moet daarom de vorm aannemen van een aftrek op de verschuldigde personenbelasting.
Relatie tot huidig beleid: · Nieuw beleid. · Voor de werkenden is deze maatregel een aanvulling op de bestaande federale maatregel van belastingsaftrek voor opvangkosten van kinderen tot 3 jaar.
Nodige middelen: Het benodigde budget is afhankelijk van de uitwerking van het aftrekstelsel. De beleidsruimte voor deze maatregel is relatief ruim, maar moet afgestemd worden op andere initiatieven die in het kader van de personenbelasting worden genomen. De fiscale autonomie van het Vlaams Gewest bedraagt 6,75% van de Vlaamse opbrengsten van de personenbelasting (vanaf 1 januari 2004). In 2004 zou deze 1,26 miljard EUR bedragen.
102
Monitoring en dienstverlening m.b.t. (individuele) bedrijfslocaties
Kadert onder: Uitdaging 10: Naar een economisch onderbouwd bedrijfshuisvestings- en infrastructurenbeleid.
Krachtlijnen: · Bedrijfs(her)vestigingsbegeleiding voor bedrijven die gedwongen worden zich te herlokaliseren. · Opstellen van een index van rurale gebouwen die op basis van een afwegingskader en mits een goede inpassing in het landschap als economische locatie kunnen worden aangewend. · Voorzien in trajectbegeleiding van starters buiten bedrijvencentra (verbreding van de dienstverlening van bedrijvencentra).
Motivatie: De eerste krachtlijn betreft een aantal instrumenten waardoor historisch gegroeide bedrijven die de draagkracht van hun omgeving overschrijden en gedwongen worden te herlokaliseren naar een professionele locatie (bedrijventerrein), dit op een economisch aanvaardbaar tijdstip en aanvaardbare wijze kunnen doen. Gekoppeld aan deze herlokalisatie dient de nodige zorg te worden besteed aan de achtergelaten site. De tweede krachtlijn is gebaseerd op het gegeven dat ook in het landelijk gebied veel (startende) bedrijven op zoek zijn naar een bedrijfspand dat zich niet noodzakelijk op een bedijventerrein bevindt. Een actieve prospectie naar deze mogelijkheden gekoppeld aan een responsabilisering van de lokale besturen en de streekactoren en gekoppeld aan de gepaste maatregelen voor de inpassing in het landschap, kan de noodzaak voor nieuwe bedrijventerreinen in het landelijk gebied drukken. Vanuit het netwerk van bedrijvencentra zouden starters die niet gehuisvest zijn in een bedrijvencentrum toch een beroep moeten kunnen doen op een gelijkaardige vorm van begeleiding en ondersteuning als aangeboden in het bedrijvencentrum. Via multimediatechnologie zouden deze mogelijkheden uitgebreid moeten worden.
Beoogde resultaten: · Beperken van economische schade n.a.v. herlokalisaties. · Landschapsherstel van achtergelaten bedrijfssites na herlokalistie. · Kwalitatief aanbod aan verweven bedrijfsruimten. · Vrijwaren van economische locaties voor economisch (her)gebruik. · Betere begeleiding van starters en optimalisering van de dienstverlening vanuit bedrijvencentra.
Randvoorwaarden: · Afstemming met AROHM. · Duidelijkheid inzake opdrachten partners (POM's, RESOC's, bedrijvencentra…).
Relatie tot huidig beleid: Nieuwe initiatief.
Nodige middelen: Nog te bepalen.
103
Doelmatiger vergunningenbeleid Kadert onder: Uitdaging 10: Naar een economisch onderbouwd bedrijfshuisvesting- en infrastructurenbeleid.
Krachtlijnen: · Onderzoek naar de mogelijkheden en voorwaarden om de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, uit te breiden. Evaluatie van het Besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de toelaatbare functiewijziging van gebouwen buiten de geëigende bestemmingszone. · Aanpassen van de regelgeving (vrijstelling van aanvraag stedenbouwkundige vergunning bij uitvoering van een aantal kleinere werken op een bedrijventerrein). · Invoeren van kwaliteitsgaranties via beheer van het bedrijventerrein en erkenning van de rol van de beheerder als kwaliteitsbewaker van het bedrijventerrein.
Motivatie: Bedrijven gevestigd op een bedrijventerrein zijn verplicht om voor een belangrijk aantal kleinere werken afzonderlijke stedenbouwkundige vergunningen aan te vragen. Dit betekent een aanzienlijke administratieve last voor de bedrijven, terwijl de bedrijventerreinen op zich afzonderlijke zones zijn binnen het Vlaamse grondgebied. Bij de oefening tot gedeeltelijke integratie van milieu- en stedenbouwkundige vergunningen werd gesteld dat een afzonderlijke stedenbouwkundige evaluatie om deze reden minder noodzakelijk is op bedrijventerreinen. In het kader van de administratieve lastenverlaging is een evaluatie wenselijk van het Besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is. Een lezing leert dat de hoeveelheid vrijstellingen in woongebieden aanzienlijk uitgebreider is dan de hoeveelheid vrijstellingen op bedrijventerrein. Indien een beheer gevestigd wordt op de bedrijventerreinen kan de goede ruimtelijke ordening van het bedrijventerrein verzekerd worden vanuit de beheers- en contractbepalingen van het bedrijventerrein. De huidige regelgeving (medio 2003) m.b.t. toelaatbare functiewijzigingen voor zonevreemde bedrijven heeft in de praktijk een zeer beperkt toepassingsgebied zowel m.b.t. de functionele aanpassingen aan het gebouw als wat betreft de opeenvolging van de activiteiten. Een grondige evaluatie van de toepasbaarheid dringt zich op.
Beoogde resultaten: · Administratieve lastenverlaging voor bedrijven. · Meer kwaliteitswaarborgen door een globale stedenbouwkundige evaluatie m.i.v. het invoeren van beheer op een bedrijventerrein i.p.v. een stedenbouwkundige evaluatie voor elk klein werk dat uitgevoerd wordt. · Meer rechtszekerheid voor bestaande zonevreemde bedrijven en kandidaat-investeerders n.a.v. vestiging in zonevreemde gebouwen.
Randvoorwaarden: · Bereidheid tot aanpassingen regelgeving Ruimtelijke Ordening.
104
· Voor aspect vrijstellingen: ·
Juridische basis voor het inrichtingsplan opgesteld door de ontwikkelaar en beheerder van het bedrijventerrein versterken.
·
Vestigen van beheersvoorwaarden op een bedrijventerrein.
Relatie tot huidig beleid: · Te beschouwen als aanpassingen aan de regelgeving Ruimtelijke Ordening. · Voor het aspect vrijstellingen is er reeds een aanzet tot vervangende instrumenten vanuit het beleidsveld Economie voorzien via de opname van beheersmodaliteiten op bedrijventerreinen in het Besluit van de Vlaamse regering houdende subsidiëring van bedrijventerreinen, wetenschapsparken en bedrijfsgebouwen.
Nodige middelen: Geen financiële middelen vereist.
105
Decreet Ruimtelijke economie
Kadert onder: Uitdaging 10: Naar een economisch onderbouwd bedrijfshuisvestings- en infrastructurenbeleid
Krachtlijnen: Op basis van een decreet Ruimtelijke economie of een gelijkwaardige juridische onderbouwing: · Er voor zorgen dat er een onderbouwd locatiebeleid tot stand komt. · Dat economische locaties op een efficiënte manier kunnen worden verworven en ontwikkeld. · Dat er stimulansen en waarborgen zijn voor een kwaliteitsvolle inrichting en beheer van nieuwe bedrijventerreinen evenals voor de herinrichting en verduurzaming van verouderde bedrijventerreinen.
Motivatie: Het huidig instrumentarium is te beperkt qua focus, qua afdwingbaarheid, in de tijd enz. Bovendien geldt het huidige BVR slechts voor die terreinen waarvoor een subsidie wordt aangevraagd.
Beoogde resultaten: · Betere wetenschappelijke onderbouwing van een economisch locatiebeleid. · Monitoring van de ruimtebehoefte en het beschikbaar aanbod en in functie hiervan, verdere uitbouw van de GIS-inventaris bedrijventerreinen. · Concertatie van de voorstellen voor bestemmingswijzigingen en herstructureringen. · Goed gestructureerde procedures inzake bestemmingswijzigingen. · Kwaliteitsvolle aanleg en beheer van de economische locatie, ook voor de verwaarloosde of verouderde terreinen. · Geen verhoging van de administratieve lasten bij de aanleg van het terrein.
Randvoorwaarden: Medewerking van AROHM.
Relatie tot het huidige beleid: Nieuw beleid.
Benodigde middelen: Nog te bepalen, Hermesfonds.
106
Het uitwerken en operationaliseren van een Actieplan Groene Warmte
Kadert onder: Uitdaging 11: Duurzaam omspringen met energie en natuurlijke rijkdommen.
Krachtlijnen: Het actieplan beoogt de maximale invulling van het haalbare potentieel aan groene warmte in Vlaanderen (groene warmte uit biomassa, de warmtepomp, de zonneboiler,…). Uitgaande van potentieelonderzoek, kunnen doelstellingen worden vastgelegd en dienen stimuleringsmaatregelen te worden gekozen. Bij de uitwerking van de maatregelenmix moet worden bekeken welke partijen in welke mate kunnen worden betrokken (sector, netbeheerders, brandstofleveranciers,…) en welke rol de overheid zal spelen. Wat betreft groene warmte uit biomassa loopt in september 2004 een voorbereidende studie af, uitgevoerd door het VITO.
Motivatie: Het bevorderen van milieuvriendelijke energieproductie (groene stroom en groene warmte) is één van de pijlers van een duurzaam energiebeleid. Voor groene stroom werd een beleidsinstrumentarium uitgewerkt: sinds 2002 is een systeem van groenestroomcertificaten in werking. Voor groene warmte dient nog een aangepast instrumentarium te worden uitgewerkt. Door de benutting van groene warmte wordt de verbranding van fossiele brandstoffen vermeden. Fossiele brandstoffen zijn beperkt voorradig en hebben een negatieve impact op ons milieu. Het bevorderen van groene warmtebenutting zal Vlaanderen helpen om haar doelstelling in het kader van het Kyotoprotocol na te komen (5,2% reductie van de CO2-uitstoot in 2010 t.o.v 1990).
Beoogde resultaten: · Vastleggen van doelstellingen voor groene warmte, uitgaande van potentieelonderzoek. · Keuze en implementatie van stimuleringsmaatregelen, in afstemming met het reeds bestaand beleidsinstrumentarium (bijv. voor warmtekrachtkoppeling).
Randvoorwaarden: Noodzakelijke voorwaarden voor een kwaliteitsvolle groei van groenewarmtebenutting zijn een verbreding van het maatschappelijk draagvlak voor hernieuwbare energie (vooral d.m.v. communicatie) en sectorbegeleiding (kwaliteitseisen, opleidingen, haalbaarheidsstudies, demonstratieprojecten,…). Indien wordt gekozen voor uitgebreide financiële marktondersteuning door de Vlaamse overheid (toekennen van subsidies), dan stelt zich de randvoorwaarde van beschikbaarheid van middelen in het Fonds Hernieuwbare Energiebronnen.
Relatie tot huidig beleid: Het accent tijdens de vorige legislatuur lag op het bevorderen van groenestroomproductie in Vlaanderen. Deze ideeënfiche draagt bij tot een versterkt beleid t.a.v groene warmte tijdens de volgende legislatuur.
Nodige middelen: Dit zal afhankelijk zijn van de beleidsmaatregelen die worden gekozen bij het uitwerken van het actieplan.
107
De opmaak van oppervlaktedelfstoffenplannen
Kadert onder: Uitdaging 11: Duurzaam omspringen met energie en natuurlijke rijkdommen.
Krachtlijnen: Op een duurzame manier invulling geven aan een onderbouwde behoefte aan minerale grondstoffen, inclusief het voorzien van ontginningsgebieden op Vlaamse bodem om de bevoorrading te dekken die niet door substitutiematerialen of alternatieven kan ingevuld worden.
Motivatie: Minerale grondstoffen hebben een groot maatschappelijk belang omdat zij in belangrijke mate bijdragen tot onze welvaart.
Beoogde resultaten: De afbakening van voldoende ontginningsgebieden op Vlaamse bodem voor de winning van de verschillende oppervlaktedelfstoffen teneinde de buitenlandse afhankelijkheid van minerale grondstoffen in te perken.
Randvoorwaarden: De ruimtelijke draagkracht en verwevenheid met andere functies, voornamelijk in het buitengebied.
Relatie tot huidig beleid: De opmaak van delfstoffenplannen geeft uitvoering aan het oppervlaktedelfstoffendecreet van 4 april 2003.
Nodige middelen: Aanwerving van bijkomend personeel: 2 medewerkers en 2 landmeters, gelijkmatig te verdelen over beide buitendiensten.
108
Implementatie van energieprestatie-eisen en -certificaten in gebouwen
Kadert onder: Uitdaging 11: Duurzaam omspringen met energie en natuurlijke rijkdommen.
Krachtlijnen: · Invoering in 2006 van eisen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat (EPB-eisen) voor nieuwe woongebouwen en tertiaire en industriële gebouwen, en voor grote, grondig gerenoveerde gebouwen. · Vanaf 2006 moet bij nieuwe grote gebouwen de haalbaarheid van alternatieve systemen zoals warmtepomp, WKK (warmtekrachtkoppeling) en hernieuwbare energie onderzocht worden. · Invoeren vanaf 2006 van een systeem van elektronische aangiftes (energieprestatiedatabank). · Toepassing van een nieuw handhavingskader voor de EPB-eisen vanaf 2006. · Het ondersteunen van de invoering van de nieuwe wetgeving door opleidingen voor de sector, het gratis ter beschikking stellen van software voor architecten, de uitbouw van een website en een helpdesk en door communicatie naar bouwheren en professionelen. · Tussen 2006 en 2009: gefaseerde invoering van het energieprestatiecertificaat, dat een label toekent aan de energetische kwaliteiten van een gebouw, referentieverbruiken en een energieadvies bevat. Het certificaat wordt verplicht bij nieuwbouw (gekoppeld aan de EPBaangifte), verkoop en verhuur (op te stellen door een erkend deskundige op basis van een audit). Het certificaat wordt ook verplicht voor alle grote openbare gebouwen en alle grote gebouwen waarin openbare diensten worden verleend zoals scholen en ziekenhuizen (voorbeeldfunctie).
Motivatie: De huidige reglementering voor woningen in Vlaanderen is enkel gericht op het beperken van de warmteverliezen, die slechts één derde van het energieverbruik van de woning bepalen. In de nieuwe EPB-regelgeving worden ook het rendement van de verwarmingsinstallatie, de oriëntatie van de woning, de ventilatievoorzieningen, … meegenomen. Van alle nieuwe verwarmde gebouwen maken de woongebouwen slechts 40% uit. Een uitbreiding naar andere gebouwtypes (industriële gebouwen, kantoorgebouwen, schoolgebouwen …) is dus aangewezen. Door het invoeren van EPB-eisen zal het energieverbruik in de nieuwe en gerenoveerde gebouwen dalen en wordt het binnenklimaat verbeterd. Na 2 tot 5 jaar kan de bouwheer de extra kosten terugverdienen door een lagere energiefactuur. Een correcte naleving van de wetgeving is cruciaal om tot effectieve besparingen te komen. Knelpunten bij de huidige isolatiereglementering hebben geleid tot een nieuw handhavingskader. De EPB-eisen gelden voor nieuwe en grondig gerenoveerde gebouwen, die jaarlijks slechts ongeveer 2% van het totale gebouwenpark uitmaken. Van het bestaande gebouwenpark is ruim 75% ouder dan 20 jaar. Het potentieel voor energiebesparing is in deze categorie gebouwen zeer hoog. Een groot aantal van de maatregelen die de energie-efficiëntie van bestaande gebouwen verbeteren, is bovendien terug te verdienen door een lagere energiefactuur. Vandaar de invoering van het energieprestatiecertificaat voor bestaande (en nieuwe) gebouwen. Het certificaat zal ook REG-investeringen bevorderen op de tot nog toe moeilijk te bewegen huurmarkt. De invoering van EPB-eisen en het energieprestatiecertificaat kadert in de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen van 16 december 2002 (EPD, 2002/91/EG).
109
Beoogde resultaten: · Lager energieverbruik en –kosten, lagere CO2-uitstoot, en beter binnenklimaat van gebouwen. · Een goede naleving van de nieuwe wetgeving en de noodzaak en voordelen van energiezuinig bouwen algemeen bekend maken. · De energieprestaties van nieuwe, verkochte en verhuurde gebouwen zichtbaar maken. · Marktinnovatie.
Randvoorwaarden: · Het tijdig beschikbaar zijn van de software en de opleidingen voor EPB en de energieprestatiedatabank. · Controles op de bouwplaats door de overheid zijn prioritair voor een correcte naleving. · Kwaliteit van het energieprestatiecertificaat. · Overleg met eigenaars, huurders, notarissen, auditeurs,… en de andere gewesten.
Relatie tot huidig beleid: De huidige isolatieregelgeving is bedoeld om de warmteverliezen te beperken en is voornamelijk gericht op nieuwbouw en in beperkte mate op verbouwingen. De eisen worden verstrengd en uitgebreid en het toepassingsgebied wordt breder. Met het energieprestatiecertificaat zal het besparingspotentieel in de bestaande gebouwen worden aangeboord.
Nodige middelen: Budget: · Periode 2005-2008: 5.275.000 Euro. · Ontwikkelen energieprestatiedatabank : nog in te schatten. · Jaarlijks vanaf 2009: 1.125.000 Euro. · Tweejaarlijks vanaf 2009: 250.000 Euro. Samenwerking tussen de gewesten kan het budget verminderen. Personeel: · 2004-2008 : bijkomend 3 VTE. · Inzet van bijkomend personeel vanaf 2008 te evalueren.
110
Ondersteunen van de uitbouw van de energiedienstenmarkt
Kadert onder:
Uitdaging 11: Duurzaam omspringen met energie en natuurlijke rijkdommen.
Krachtlijnen: Deze fiche beoogt het creëren van een ondersteunend kader voor de versnelde ontwikkeling van een kwaliteitsvolle energiedienstenmarkt in Vlaanderen. Energiediensten is hier een verzamelnaam voor efficiënte energievoorziening bij eindgebruikers (bijv. energiezuinige verwarming incl. onderhoud), REG- en energietechnologieadvies, energieboekhouding en -audits, financiële energiedienstverlening en energiemanagementcontracten (bv. Derde Partij Financiering (DPF),… ). De eerste krachtlijn betreft het invoeren van een erkenningsregeling voor energiedeskundigen. In het REG-decreet wordt hiervoor de wettelijke basis gelegd. Het is wenselijk een externe studieopdracht uit te schrijven waarin het volgende wordt onderzocht: · de huidige markt van energieadviseurs en het huidige vormingsaanbod inzake energieadvies; · de mogelijkheid van marktontwikkeling; · de wenselijke versus haalbare erkenningsvoorwaarden voor energiedeskundigen in de diverse toepassingsgebieden; · de kwaliteitseisen van energierapporten. Een tweede krachtlijn is het inzetten van kwaliteitsvolle energiediensten in overheidsgebouwen en het wegwerken van de knelpunten voor DPF en Publiek-Private-Samenwerking (PPS) bij het realiseren van REG-investeringen bij de overheid (voorbeeldrol van de overheid). Een derde krachtlijn is de uitvoering van het voorstel van richtlijn van de Europese Commissie van 10 december 2003 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten. Volgens de huidige inhoud van dit voorstel (stand van zaken 2 april 2004) moeten de lidstaten zorgen voor de erkenning van energiedienstenleveranciers, voor DPF/energieprestatiecontracten bij overheidsgebouwen, voor modelcontracten betreffende DPF en energieprestatie t.b.v de publieke en de private sectoren, voor regelingen voor kwalitatief hoogwaardige energie-audits, voor stimulering van energiediensten aangeboden door de energieverdelers. De twee eerste krachtlijnen maken hier deel van uit.
Motivatie: · Het energiebesparingsbeleid is in een stroomversnelling terecht gekomen. Een grote succesfactor is een groeiend aanbod van energiediensten en energiedeskundigen. Bij diverse energiebeleidsmaatregelen die recent in voege zijn of gepland zijn (energie-efficiëntieconvenanten met ondernemingen, fiscale aftrek van REG-maatregelen in woningen, REG-openbare dienstverplichtingen van de netbeheerders, besluit energieplanning, energieprestatiecertificaat voor gebouwen) speelt energieadvies een belangrijke rol. Er zijn echter nog diverse knelpunten, o.a. wat betreft het aantal aanbieders op de markt en de garantie van kwaliteit. · Met circa 1.100 gebouwen is de overheid een grote afzetmarkt van energiediensten. De projecten gerealiseerd door energiemanagementbedrijven in overheidsgebouwen kunnen gebruikt worden als referentieprojecten om ook andere sectoren te overtuigen van de betrouwbaarheid ervan. Momenteel zijn er nog diverse knelpunten om projecten zoals DPF en PPS op te zetten bij de Vlaamse overheid. · (Voorbereiden van de) implementatie van het voorstel van richtlijn van de Commissie van 10 december 2003 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten.
111
Beoogde resultaten: · Betere kennis van het huidig aanbod van energiediensten en energiedeskundigen op de Vlaamse markt. · Toename van het aanbod van energiediensten en energiedeskundigen. · Erkenningsregeling voor energiedeskundigen en kwaliteitsgarantie van energieadvies. · Het opstarten van energiemanagementprojecten (bv. DPF, PPS) in de Vlaamse overheidsgebouwen. · Uitvoering van het voorstel van richtlijn van de Commissie van 10 december 2003 inzake energiediensten.
Randvoorwaarden: · Kennisopbouw binnen de administratie. · Overleg met diverse instanties die te maken hebben met energieadvies en –auditing en met adviesverlening, erkenning en vorming in het algemeen. · Wegwerken van de knelpunten bij de Vlaamse overheid voor DPF en PPS.
Relatie tot huidig beleid: · Bij diverse energiebeleidsmaatregelen die recent in voege zijn of gepland zijn, speelt energieadvies een belangrijke rol (zie ’motivatie’). · In uitvoering van de resolutie van 23 mei 2001 van het Vlaams Parlement, wordt in 350 overheidsgebouwen een energieboekhouding opgezet en op 40 sites energie-audits uitgevoerd. DPF en PPS komen nog niet van de grond.
Nodige middelen: De voorbereidende studie met betrekking tot de erkenningsregeling van energieadviseurs zal een budget van maximaal 67.000 Euro vragen. DPF en PPS in overheidsgebouwen zal personeelsinzet vragen om de projecten op te volgen (nog te bepalen). De bijkomende impact op budget en personeel van de uitvoering van het voorstel van richtlijn kan worden ingeschat naarmate het voorstel gefinaliseerd wordt.
112
Vereenvoudiging rapporteringvereisten marktpartijen en coördinatie tussen regulatoren
Kadert onder: Uitdaging 12: Bevorderen van een gezonde marktwerking op de geliberaliseerde energiemarkt en regulering van het natuurlijke monopolie van de distributienetten, en het vrijwaren van duurzame en sociale doelstellingen.
Krachtlijnen: Rond rapportering kunnen volgende zaken gebeuren: · In een eerste fase: evalueren van de interne rapporteringvereisten op overlappingen en inconsistenties. · In een tweede fase: coördineren tussen de Belgische regulatoren om informatie te delen en rapportering beter op elkaar af te stemmen.
Motivatie: De marktpartijen (leveranciers en netbeheerders) klagen over de vele rapporteringvereisten van elke regulator op zich en a fortiori over de gecumuleerde rapporteringslast van de 4 Belgische regulatoren.
Beoogde resultaten: Maximaal beperken van de hoeveelheid gegevens die door de marktpartijen moet geleverd worden aan de VREG (en op termijn aan de andere regulatoren), zonder de kwaliteit van het toezicht op de energiemarkt te hypothekeren, en liefst nog te versterken.
Randvoorwaarden: Het succes van de tweede fase hangt natuurlijk volledig af van de bereidheid van de andere regulatoren om mee te werken en aan dit project de nodige prioriteit te geven, alsook van de bereidheid bij de andere beleidsniveau’s om eventueel en indien nodig de regelgeving die door de regulatoren dient toegepast te worden, aan te passen.
Relatie tot huidig beleid: Het opstarten van de VREG (en vermoedelijk ook van de andere regulatoren) gebeurde relatief laattijdig en onder grote druk, zodat weinig aandacht geschonken werd aan het bewaken van de consistentie en de efficiëntie van de rapportering die opgelegd werd aan de marktpartijen.
Nodige middelen: Intern project als 1ste fase: projectverantwoordelijken aanduiden, overzicht van de rapporteringprocessen opstellen, overzicht van de opgevraagde informatie (incl. timing) opstellen, strategisch plan voor stroomlijning opstellen en uitvoeren. 2de fase: eenzelfde aanpak tussen de regulatoren, projectverantwoordelijke: stuurgroep met vertegenwoordigers van de verschillende regulatoren.
113
Dynamiseren van de markten voor groenestroomcertificaten (GSC) en warmtekrachtkoppelingscertificaten (WKK-C) en onderzoek van verbanden tussen beide markten
Kadert onder: Uitdaging 12: Bevorderen van een gezonde marktwerking op de geliberaliseerde energiemarkt en regulering van het natuurlijke monopolie van de distributienetten, en het vrijwaren van duurzame en sociale doelstellingen.
Krachtlijnen: Naast het reeds bestaande systeem van GSC zullen in 2005 ook WKK-C uitgereikt en verhandeld worden. Deze twee systemen en markten zullen grotendeels analoog functioneren maar blijven in de huidige stand van de wetgeving strikt gescheiden. Nochtans spruit een groot potentieel voort uit interactie/integratie van de beide markten. Dit onderzoeken kan ook suggesties opleveren voor het dynamiseren van de individuele markten.
Motivatie: De elektriciteitsafnemers (vooral de grootverbruikers) klagen over het kostprijsverhogende effect van de GSC, als instrument voor uitvoering van de ecologische openbaredienstverplichting. De invoering van het WKK-C zal dit effect nog versterken.
Nodige middelen: Projectstuurgroep met inbreng van externe kennis (financiële sector, academische wereld).
Beoogde resultaten: De kostprijs van de ecologische ODV drukken, zonder de doelstelling te verwateren of te hypothekeren, door een betere marktwerking van de markt van GSC en de toekomstige WKK-C.
Randvoorwaarden: De expertise voor het implementeren van de verschillende pistes om de certificatenmarkten te dynamiseren is niet volledig binnen de Vlaamse overheid aanwezig. Dit project zal dus in zeker mate met externe kennis moeten gevoed worden.
Relatie tot huidig beleid: De Vlaamse overheid staat in voor het beheer van de GSC-databank en zal in de toekomst eveneens instaan voor beheer van de WKK-C-databank.
114
Opzetten van een geïntegreerde communicatiestrategie m.b.t. de energiemarkt op lange termijn Kadert onder: Uitdaging 12: Bevorderen van een gezonde marktwerking op de geliberaliseerde energiemarkt en regulering van het natuurlijke monopolie van de distributienetten, en het vrijwaren van duurzame en sociale doelstellingen.
Krachtlijnen: De blijvende nood aan informatie over de werking en de mogelijkheden van de geliberaliseerde energiemarkt beantwoorden met concrete informatie, toegespitst op de specifieke vragen van de relevante doelgroepen.
Motivatie: Zoveel mogelijk afnemers motiveren om de mogelijkheden en opportuniteiten van de Vlaamse energiemarkt te verkennen. De afnemers zo goed mogelijk bijstaan om hun weg te vinden op deze markt.
Beoogde resultaten: Een blijvende aandacht van de afnemers bewerkstelligen voor wat de leveranciers te bieden hebben, zodat een dynamische markt met actieve, alerte afnemers bijdraagt tot gezonde concurrentie.
Randvoorwaarden: Het formuleren van de juiste boodschappen gericht op de specifieke relevante doelgroepen en het vinden van de meest kostefficiënte en effectieve kanalen om deze boodschappen te verspreiden, vergt inbreng van kennis en ervaring uit de communicatiesector.
Relatie tot huidig beleid: Vanaf de start nam de VREG een aantal informerende en sensibiliserende taken op zich, ondanks het feit dat dit niet expliciet als een taak geformuleerd staat in het Vlaamse energierecht. Sindsdien bevestigden zowel het Vlaams Parlement, de Vlaamse minister bevoegd voor energie, als diverse belanghebbenden, o.a. adviesraden zoals de SERV en de MiNaRaad, het belang van deze taken in de huidige ontwikkelingsfase van de Vlaamse energiemarkt.
Nodige middelen: Een kwaliteitsvolle, doelgerichte en efficiënte communicatie vergt veel tijd en aandacht, naast de nodige budgettaire middelen.
115
Voorbereiding (2004-2006) en implementatie van de nieuwe programmeringsperiode (2007-2013) in het kader van de EU-Structuurfondsen
Kadert onder: Uitdaging 13: Investeren in een kwaliteitsvolle en slagkrachtige overheidsorganisatie.
Krachtlijnen: 1. Opvolging van de inhoudelijke vormgeving van het vernieuwd cohesiebeleid. In het voorbereidende proces dienen de inspanningen gericht te worden op de integratie van belangrijke toekomstgerichte thema’s voor Vlaanderen in het Structuurfondsenbeleid voor de periode 2007-2013: · Hefbomen voor welvaartscreatie en versterking van de concurrentiepositie (innovatie en technologietransfer, business development en ondernemerschap, infrastructuurvoorzieningen, opvangen van belangrijke sociaal-economische wijzigingen in een regio). · Duurzame ontwikkeling (toenemende congestie van belangrijke economische knooppunten en assen, herontwikkeling van verlaten en vervuilde bedrijfssites). · De ontwikkeling van het menselijk potentieel (meer en betere jobs, opleiding en permanente vorming, gelijke kansen en sociale inclusie) en de kwaliteit van het werk. · Partnerschapsontwikkeling. · Stedelijke problematiek. · Grensoverschrijdende en interregionale samenwerking. · Transnationale samenwerking en uitwisseling. 2. Ontwikkelen van een blauwdruk voor de stroomlijning van de Vlaamse EFRO- en ESF-werking in het kader van de vernieuwing van de EU–structuurfondsen na 2006. Eenmaal de EUkrachtlijnen voor het nieuwe SF-systeem gekend zijn, dient een optimale organisatiestructuur uitgebouwd te worden: · Gebruik en opbouw van een programmatorisch draagvlak binnen Vlaanderen: · Behoud en verdere uitbouw van de bestaande verticale organisatie (partnerschap) binnen Vlaanderen, met alle actoren in het Structuurfondsen-beleidsveld: de verantwoordelijke administraties en kabinetten, betrokken Vlaamse pararegionale instellingen, provincies, gemeenten, RESOC’s, sociale partners, ngo’s, … · Ontwikkeling en uitvoering van een meerjarenprogramma (Vlaams Beleidsdocument en Operationeel Programma 2007-2013): bij de programmatie en implementatie van de Vlaamse SFprogramma’s dient, naast de link met de prioriteiten van de Top van Lissabon, Luxemburg en Göteborg, zo nauw mogelijk beleidsontwikkelend en –implementerend te worden aangesloten bij het Vlaams arbeidsmarkt-, werkgelegenheids-, sociaal inclusie- en regionaal beleid, op basis van het voormeld partnerschap. · De structuurfondsen vormen een belangrijk beleidsversterkend cofinancieringsmiddel voor de verschillende betrokken beleidsdomeinen (economie, werkgelegenheid, toerisme, ruimtelijke ordening, stedelijk beleid, milieu, welzijn, innovatie,…). De Vlaamse SF- programma’s worden dan ook best structureel ingepast in de beleidslijnen van de onderscheiden bevoegdheidsdomeinen (vooropgestelde thema’s sluiten nauw aan bij de Vlaamse beleidsprioriteiten inzake plattelandsontwikkeling, versterking van het stedelijk weefsel, bevorderen van het ondernemerschap, duurzame ontwikkeling, strategische doelstellingen van het Vlaams werkgelegenheidsbeleid, evenredige participatie van kansengroepen, genderbeleid, ICT –ontwikkeling, ….).
116
· Zeer belangrijk met het oog op het bereiken van een maximale efficiëntie en vlotte uitvoering van de structuurfondsen-programma’s is een duidelijk engagement op het Vlaams beleidsniveau tot het voorzien van voldoende cofinancieringsmiddelen vereist. Structureel komt dit best tot uiting in de creatie van een enig en aangepast Vlaams cofinancieringssysteem dat een vlotte afhandeling van de aanvragen tot cofinanciering toelaat. · Tevens dient aandacht te worden besteed aan de aanpassing van de processen op het vlak van inhoudelijke ondersteuning, kwaliteitsbewaking, monitoring, controle en evaluatie van de gewijzigde EU-voorschriften in het kader van de vooropgestelde vereenvoudiging van het structuurfondsen-systeem. 3. Ontwikkeling van een ‘Externe Vlaamse Economische strategie’ (deel uitmakend van of complementair aan de nieuwe EU-Structuurfondsen) via de creatie van ‘economische bruggen’, gericht op de nieuwe lidstaten: · Er is meer afstemming gewenst tussen de mogelijkheden geboden door de Structuurfondsen en de Vlaamse t.a.v. de landen in Midden- en Oost- Europa. Onderbouwd door een vergelijking van de aanpak in enkele buurlanden zou een vernieuwd Vlaams initiatief (economische bruggen) kunnen uitgetekend worden (beleidsplan, doelgroepen en -gebieden,… ) dat o.m. gericht wordt op het ondersteunen van Vlaamse ondernemingen bij het versterken van hun positie op deze groeimarkten in Midden- en Oost-Europa. · De Europese Werkgelegenheidsstrategieën beogen een versterkende groeipolitiek, waarbinnen Vlaanderen als lerende en verantwoordelijke regio haar inspanningen dient te blijven uitwisselen en delen.
Motivatie: De Europese Unie en de regio’s staan in de komende jaren voor een belangrijke uitdaging ingevolge de drastische toename van de sociale en economische ongelijkheden volgend op de uitbreiding in 2004. Er bestaat dan ook een brede consensus tussen de EU-15 over het feit dat de structurele interventies na 2006 geconcentreerd moeten blijven, maar niet enkel in de minder ontwikkelde regio’s van de nieuwe lidstaten. Het nieuwe Cohesiebeleid 2007-2013 dient aandacht te besteden aan alle minder ontwikkelde regio’s van de verruimde EU. De Europese Structuurfondsen kunnen tevens een belangrijke bijdrage leveren tot het bereiken van de prioriteiten van de Top van Lissabon, Luxemburg en Göteborg: de uitbouw van de EU als de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie, gekoppeld aan duurzame ontwikkeling, volledige werkgelegenheid en sociale cohesie. Het Vlaams beleid dient dan ook te worden gericht op de optimale benutting van deze mogelijkheden, geboden door de structuurfondsen. Zij betekenen een belangrijke medefinanciering van maatschappelijk belangrijke projecten, genereren een aanzienlijk hefboomeffect (mobilisering van lokaal en privaat kapitaal) en vormen een stimulans voor het subregionaal strategisch denken (katalysator voor regionale strategische planning). Het budget voor de periode 2007-2013 wordt geraamd op 250 miljoen Euro EFRO en 250 miljoen Euro ESF.
Beoogde resultaten: Europees niveau · Bereiken van de Luxemburg-, Lissabon- en Göteborg-prioriteiten. · Bijdragen tot de vermindering van de socio-economische dispariteiten binnen EUverband.
117
Vlaams niveau Uitbouw partnerschap (programmatorisch draagvlak). · Vlaams Beleidsdocument en Operationeel Programma (2007-2013). · Bilateraal “Vertrouwenscontract” (controle). · Bereiken van de beoogde indicatoren (verhoogde economische activiteit, tewerkstelling, opleiding, inclusie,…). · Enig en aangepast Vlaams cofinancieringssysteem.
Randvoorwaarden: · Eensgezindheid bij de planningsprocessen onder de economische en sociale actoren (één Vlaamse visie). · Voldoende structurele onderbouw (personeelskader en financiële werkingsmiddelen). · Goedkeuring van het Vlaams Beleidsdocument en het Operationeel Programma door de Europese Commissie. · Beschikbaarheid van financiële middelen.
Relatie tot huidig beleid: · Continuering van het huidig Vlaamse beleid. · Aanpassing aan het nieuwe Europese Beleid.
Nodige middelen: · Personeelskader EFRO (AEE) en ESF-agentschap. · Enig cofinancieringssysteem.
118
Systematische kennisverwerving en kennisdeling vanuit de overheid
Kadert onder: Uitdaging 13: Investeren in een kwaliteitsvolle en slagkrachtige overheidsorganisatie.
Krachtlijnen: Voor de Vlaamse overheid is kennis allerhande noodzakelijk voor de uitbouw van een krachtdadig beleid. Op een aantal terreinen stellen er zich echter nog een aantal problemen inzake kennisbeheer. De overheid heeft een rol te vervullen in het genereren en verspreiden van kennis en het verankeren van kennisbronnen. Concrete aangrijpingspunten in dit verband zijn: · Creatie van netwerk tussen Vlaamse excellentiepolen en Vlaamse overheden De excellentiepolen die door de Vlaamse regering werden opgericht bouwen kennis op met de bedoeling deze kennis te verzilveren op de markt waar ze actief zijn. Netwerking tussen deze centers of excellence en de Vlaamse overheid moet resulteren in een kruisbestuiving en een wederzijdse win-win. · PASO (Panel Survey of Organisations) als meso-economisch monitoringsysteem verankeren PASO is een longitudinale panelstudie (opgestart in 2000) en geeft accurate beleidsrelevante informatie over evoluties aan de vraagzijde van de arbeidsmarkt. · Initiatieven ter stimulering van de inschakeling van e-componenten (e-commerce, e-business, e-werk, e-…) in het sociaal-economisch weefsel meer ondersteunen. · Het kenniscentrum maatschappelijk verantwoord ondernemen verankeren Dit kenniscentrum heeft als doel de Vlaamse organisaties inzake MVO te ondersteunen, informatie toegankelijk en begrijpbaar te maken, de intermediairen die andere organisaties ondersteunen van kennis en producten voorzien, de netwerking tussen actoren bevorderen en wetenschappelijk onderzoek op het vlak van MVO te stimuleren. · Steunpunt diversiteit (zie andere ideeënfiche). · Expertisecentrum ‘arbeidsinnovatie en kwaliteit van leren’: een platform waar kennis wordt samengebracht inzake arbeidsinnovatie en kwaliteit van leren en deze (praktisch vertaald) verspreiden naar het werkveld. · Het opstarten en uitbouwen van een Vlaamse wetenschappelijke onderzoekslijn Arbeidsmarktstatistiek (naar analogie met de federale AGORA-onderzoekslijn), zodat een beter geïntegreerde en tijdige ontsluiting van de federale en Vlaamse (bestaande en te ontwikkelen) databanken m.b.t. arbeidsmarktgegevens kan worden gerealiseerd.
Motivatie: Al de genoemde aangrijpingspunten dragen ertoe bij dat beleidsrelevante kennis gegenereerd wordt en dat verlies aan knowhow voorkomen wordt. Dit is cruciaal in onze kennismaatschappij en voor een gefundeerd en krachtdadig beleid.
Beoogde resultaten: Bijdragen tot de kenniseconomie en een krachtdadig beleid kunnen voeren gebaseerd op gefundeerde kennis door: · Generatie van kennis. · Verankeren van kennisbronnen.
119
· Verspreiden van kennis bij relevante actoren. · Meer uitwisseling en netwerking tussen verschillende kenniscentra. · Voorkomen van verlies aan knowhow. · Ontwikkeling van instrumentarium voor beleidsvoorbereiding en –evaluatie.
Randvoorwaarden: · Alle actoren op het vlak van de genoemde kennisgebieden laten samenwerken. · Financiële middelen.
Relatie tot huidig beleid: Versterken van het huidige beleid en instrumentarium voor het uitzetten van het toekomstige beleid, door de oprichting/uitbouw van nieuwe/bestaande structuren.
Nodige middelen: Verschillend voor ieder aangrijpingspunt.
120
Versterken van dialoog tussen Vlaamse overheid, lokale besturen en provinciebesturen
Kadert onder: Uitdaging 13: Investeren in een kwaliteitsvolle en slagkrachtige overheidsorganisatie
Krachtlijnen: Een goed beleid wordt gevoerd in samenwerking met de diverse partners op het terrein. De laatste jaren is ook het lokale niveau herontdekt als krachtige partner voor het voeren van een beleid op vlak van werkgelegenheid, economie en opleiding. Het stimuleren van overleg tussen Vlaamse en lokale besturen voor die beleidslijnen waarvoor een lokale aanpak aangewezen is dan ook essentieel. Concreet wordt voorgesteld: · Het oprichten van een permanent overlegorgaan tussen de Vlaamse overheid en de lokale besturen voor de opvolging, informatie en afstemming op vlak van werkgelegenheids-, economisch, opleidings- en Toerismebeleid. · In het kader van dit overlegorgaan vindt ook de opvolging van de lokale werkwinkels plaats. · Dit orgaan functioneert naar analogie van VESOC of als werkgroep van VESOC. · In uitvoering van het ontwerp van RESOC-decreet is voor de opvolging en coördinatie van het streekbeleid eveneens een permanent overleg noodzakelijk, met betrokkenheid van lokale besturen, waaronder provincies en sociale partners. Ook dit overleg kan hierin ondergebracht worden. De beleidscel die deze werking ondersteunt, versterkt en coördineert, is ingebed in de werking van het ministerie.
Relatie tot bestaand beleid : Dit permanent overlegorgaan geeft een structurele vertaling van het kerntakendebat op het beleidsdomein EWT. Het beantwoordt ook aan de noodzaak aan coördinatie en overleg in het kader van het huidig voorliggende RESOC-decreet.
Beoogde resultaten: · Komen tot verbeterde afspraken tussen de lokale besturen en de Vlaamse overheid. · Bevorderen van de uitvoering en voorbereiding van Vlaamse beleidsmaatregelen. · Een vinger aan de pols houden van de concrete realiteit.
Randvoorwaarden: Consensus over de opdracht van deze fora.
Nodige middelen: Ondersteuning door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
121
Versterken van de sectorale aanpak in het Vlaams werkgelegenheids-, economisch, en opleidingsbeleid
Kadert onder: Uitdaging 13: Investeren in een kwaliteitsvolle en slagkrachtige overheidsorganisatie.
Krachtlijnen: Om haar doelstellingen te realiseren zal de Vlaamse regering verder werk maken van een doorgedreven samenwerking met de sectoren en de sectorale sociale partners: · In eerste instantie kan verder vorm worden gegeven aan een flankerend en ondersteunend beleid. · Daarnaast kunnen bepaalde afspraken die in het kader van de sectorconvenants gemaakt zijn, omgezet worden in Vlaamse CAO’s. Dit laatste vereist een regionalisering van de bevoegdheden op vlak van het sociaal overleg. Als tussenoplossing kan er een wettelijk kader (decreet) uitgewerkt worden voor de sectorconvenants. Momenteel vormt het Vlaams Sociaal Akkoord 2003-2004 de basis. Door het creëren van juridische basis kan de sectorwerking binnen het Vlaamse beleid een meer constante factor worden. Voor het flankerend beleid wordt werk gemaakt van het instrument van de huidige sectorconvenants. Doelstelling is middels de convenants een grotere impact te realiseren in de betrokken bedrijven op het vlak van diversiteit, LLL, aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt en mobiliteit. Dit kan door: · Een uitbreiding te realiseren van het aantal convenants. · Het integreren van nieuwe thema’s en maatregelen in de convenants; het opnemen van uitgebreide engagementen kan financieel beloond worden. · Het sturen op een concretisering van de engagementen opgenomen in de convenants. · Het zorgen voor een grote gedragenheid door verschillende beleidsdomeinen en velden (economie, werkgelegenheid, onderwijs en vorming, leefmilieu, …). In een tweede fase zullen die aspecten van de convenantswerking, die per sector voor veralgemening in aanmerking komen, ter goedkeuring voorgelegd worden via de geëigende procedures voor Vlaamse CAO. Dit vereist de nodige administratieve ondersteuning.
Aansluiting op huidig beleid: Een versterking van huidige aanpak inzake convenantswerking. Een versnelling van de sectorale werking door bepaalde afspraken uit de convenants structureel als CAO te ontwerpen.
Beoogde resultaten: Grotere aansluiting tussen het Vlaams beleid en de sectorale werking. De sectorale werking gebruiken als hefboom bij de invoering van het Vlaams beleid.
122
Randvoorwaarden: Voor de tussenoplossing: · Een wettelijk kader. Voor de tweede fase (Vlaamse CAO’s): · Bevoegdheidsherverdeling en ontwerpen wettelijk kader. · Inpassing en afstemming nodig m.b.t. het federale CAO-kader. · Goedkeuring en instemming van sociale partners. · Overleg met Brussel en het Waals Gewest. · Bereidheid om te investeren in de rol en taak van de Vlaamse overheid.
Nodige middelen: · Continuering van de huidige middelen voor sectorwerking. · Bijkomende personeelskosten in het ministerie (tweede fase: Vlaamse CAO’s).
123
3.2
Kernindicatoren
3.2.1 Economie
De levensstandaard in de EU-15, BBP/inwoner, 1995 en 2001, Euro pps 1995
2001
Luxemburg
30.370
44.400
Denemarken
20.810
26.660
België
19.870
25.260
Vlaanderen
19.520
24.357
Oostenrijk
19.470
25.740
Duitsland
19.420
24.000
Nederland
19.280
26.670
Zweden
18.720
23.760
Italië
18.250
23.930
Frankrijk
18.020
23.870
EU-15
17.650
23.210
Finland
17.160
24.170
Verenigd Koninkrijk
17.020
23.590
Ierland
16.460
27.360
Spanje
13.800
19.510
Portugal
12.310
16.059
Griekenland
11.440
15.020
Verenigde Staten
25.730
32.500
Bron: NewCronos database, INR (rapport over het concurrentievermogen van de Vlaamse economie)
124
Reële groei van het BBP (in % t.o.v. het voorgaande jaar) 2003
2002
2001
2000
1999
1998
Vlaams Gewest
0,8
0,9
1,0
4,1
3,2
1,9
België
0,8
0,7
0,6
3,8
3,2
2,0
Denemarken
0,8
1,0
1,6
2,8
2,6
2,5
Duitsland
-0,1
0,2
0,8
2,9
2,0
2,0
Finland
1,5
2,2
1,2
5,1
3,4
5,0
Frankrijk
0,1
1,2
2,1
3,8
3,2
3,4
Griekenland
4,1
3,8
4,0
4,4
3,4
3,4
Ierland
1,6
6,9
6,2
10,1
11,3
8,6
Italië
0,3
0,4
1,8
3,1
1,7
1,8
Luxemburg
1,2
1,3
1,2
9,1
7,8
6,9
Nederland
-0,9
0,2
1,2
3,5
4,0
4,3
Oostenrijk
0,9
1,4
0,8
3,4
2,7
3,9
Portugal
-0,8
0,4
1,6
3,7
3,8
4,6
Spanje
2,3
2,0
2,8
4,2
4,2
4,3
Ver. Koninkrijk
2,0
1,7
2,1
3,8
2,8
3,1
Zweden
1,4
1,9
0,9
4,3
4,6
3,6
EU-15
0,6
1,0
1,7
3,6
2,9
2,9
Bron: APS Aantal vestigingen in Vlaanderen naar tewerkstellingsklasse Aantal werknemers
2001
2000
1999
1998
1997
1996
<5
97.175
98.526
97.617
96.482
96.088
95.425
5-9
22.886
22.493
22.606
22.391
22.167
21.909
10-19
13.482
13.096
13.065
13.026
12.820
12.866
20-49
10.265
10.169
9.601
9.357
9.099
9.212
50-99
3.461
3.312
3.186
3.109
3.032
3.043
100-199
1.793
1.741
1.634
1.613
1.544
1.508
200-499
1.067
1.016
951
917
893
842
500-999
261
265
222
214
216
207
1.000 of meer
169
168
116
118
110
108
150.559
150.786
148.998
147.227
145.969
145.120
Totaal aantal vestigingen Bron: RSZ
125
Investeringsratio 1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
Vlaams Gewest
20,9
21,5
22,3
22,2
21,4
20,9
n.b.
België
20,4
20,6
20,9
21,2
20,8
19,6
19,1
EU-15
19,4
19,9
20,2
20,5
20,1
19,3
19,2
Bron: APS Oprichtingen Vlaams Gewest
2002
2001
2000
1999
1998
1997
27.513
27.581
28.625
27.399
32.143
32.277
Bron: APS Falingen en betrokken werknemers in Vlaanderen 1 4 .0 0 0
4 .5 0 0
f a illis s e m e n te n ( r e c h te r s c h a a l) 4 .0 0 0 1 2 .0 0 0
3 .5 0 0 1 0 .0 0 0 3 .0 0 0
b e tr o k k e n w e r k n e m e r s ( lin k e r s c h a a l) 8 .0 0 0
2 .5 0 0
2 .0 0 0
6 .0 0 0
1 .5 0 0 4 .0 0 0 1 .0 0 0
2 .0 0 0 500
0
0 1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
Bron: APS
Aandeel gazellen op het totaal aantal ondernemingen 2000
2001
Vlaams Gewest
13,3%
13,2%
Brussels Gewest
17,1%
16,4%
Waals Gewest
11,8%
12,3%
België
13,6%
13,6%
Bron: APS
126
3.2.2 Werkgelegenheid
Werkzaamheidsgraad = aandeel werkenden in de totale bevolking op actieve leeftijd (15-64 jaar) (uitgedrukt in %) 1999
2000
2001
2002
2003
Vlaanderen
62,1
63,5
63,4
63,5
62.9
België
58,8
60,1
59,9
59,9
59.6
EU-15
62,2
63,2
64,0
64,2
Vlaanderen Volgens leeftijd 15-24 jaar
32,9
33,7
34,5
34,4
32.6
25-49 jaar
82,8
84,3
84,0
84,2
83.2
50-64 jaar
38,0
39,9
40,1
40,6
42.1
25,6
24,5
25,6
55-64 jaar Volgens opleidingsniveau Laaggeschoold
45,0
45,7
44,8
45,1
44.4
Middengeschoold
68,2
69,1
69,1
68,8
68.3
Hooggeschoold
85,6
85,9
85,2
84,2
83.8
Man
71,0
72,8
72,1
71,6
70.7
Vrouw
52,9
54,0
54,5
55,2
55.0
Volgens geslacht
Arbeidsgehandicapten Allochtonen bevolking)
(niet
45,7 EU34,0
37,5
35.5
Bron: NIS EAK, Steunpunt WAV, Administratie Werkgelegenheid (Vlaams Monitoringsinstrument Werkgelegenheidsbeleid)
127
Werkloosheidsgraad = aandeel werklozen in de beroepsbevolking (bevolking actief op de arbeidsmarkt) (uitgedrukt in %) 1999
2000
2001
2002
2003
Vlaanderen
5,4
4,3
4,0
4,9
5.7
België
8,7
7,1
6,6
7,6
8.2
EU-15
9,5
8,5
7,4
7,7
8.0
Vlaanderen Volgens leeftijd 15-24 jaar
13,5
11,3
10,0
11,6
15.5
25-49 jaar
4,6
3,7
3,4
4,2
4.9
50-64 jaar
4,0
2,7
2,5
3,8
3.3
Laaggeschoold
7,6
6,0
5,1
7,2
8.7
Middengeschoold
3,7
3,1
3,3
4,9
5.7
Hooggeschoold
2,2
1,7
1,7
3,1
3.1
Man
4,4
3,2
3,6
4,3
5.2
Vrouw
6,8
5,9
4,5
5,7
6.3
Nationale inwoners
3,7
4,5
Andere EU-inwoners
6,3
8,4
Niet EU-inwoners
21,5
25,3
Volgens veau
opleidingsni-
Volgens geslacht
Volgens nationaliteit
27.3
Bron: NIS EAK, Steunpunt WAV, Administratie Werkgelegenheid (Vlaams Monitoringsinstrument Werkgelegenheidsbeleid)
128
Total Enterpreneurial Activity Index (TEA) = % van de ondervraagde volwassen bevolking dat verklaart betrokken te zijn bij de opstart van een zaak of dat een zaak runt jonger dan 42 maanden 2000
2001
2002
Vlaanderen
n.b.
4,1
2,6
België
4,5
4,6
3,0
Nederland
n.b.
6,4
4,6
Frankrijk
5,0
7,2
3,2
Duitsland
6,9
7,0
5,2
Bron: Vlerick, APS Gemiddeld aantal NWWZ (niet-werkende werkzoekenden) per jaar Aantal NWWZ % meer dan 1 jaar werkzoekend
1999
2000
2001
2002
2003
192.096
169.646
169.651
187.023
207.806
48,8%
45,7%
38,7%
35,1%
37,2%
9,7%
10,0%
10,5%
10,9%
% Turkse/Maghrebijnse herkomst Bron: VDAB, Steunpunt WAV
% van de bevolking (25-64 jaar) dat één of meerdere opleidingen heeft gevolgd in een referentieperiode van 4 weken 1999
2000
2001
2002
2003
Vlaanderen
6,6
6,9
7,4
6,7
7.6
België
6,2
6,2
6,4
6,0
7.0
EU-15
8,1
8,3
8,3
8,4
Werkenden
8,0
8,3
8,8
7,8
Werkzoekenden
8,4
9,2
8,6
8,7
niet-beroepsactieven
2,7
3,0
3,7
3,7
Vlaanderen 8.7
Bron: NIS EAK, Steunpunt WAV, Administratie Werkgelegenheid (Vlaams Monitoringsinstrument Werkgelegenheidsbeleid) % jongeren (18-24 jaar) met maximaal een diploma lager secundair onderwijs die geen onderwijs volgen en niet deelnemen aan één of meerdere opleidingen 1999
2000
2001
2002
2003
Vlaanderen
13,6
11,6
11,5
11,7
12.5
België
15,7
13,8
13,8
14,1
14.3
EU-15
20,7
19,7
19,3
18,8
Bron: NIS EAK, Steunpunt WAV, Administratie Werkgelegenheid (Vlaams Monitoringsinstrument Werkgelegenheidsbeleid)
129
2.2.3 Toerisme
Internationale aankomsten in de wereld 1990-2003 (aantal x 1.000.000)
1990
1995
2000
2001
2002
2003
Trend
GJG*
01-03
90-03
Afrika
15,0
20,0
27,4
28,3
29,1
30,5
+4,9%
+5,6%
Nrd.-, Mid.- en Zuid-Am.
93,0
108,8
128,0
120,2
114,9
112,4
-2,1%
+1,5%
Azië en Pacific
57,7
85,6
115,3
121,1
131,3
119,1
-9,3%
+5,7%
Europa
280,6
322,3
392,7
390,8
399,8
401,5
+0,4%
+2,8%
9,7
13,6
24,0
23,6
27,6
30,4
+10,3%
+9,2%
455,9
550,4
687,3
684,1
702,6
694,0
-1,2%
+3,3%
Midden-Oosten Wereld
* GJG = gemiddelde jaarlijkse groei Bron: WTO
Totale vakantieparticipatie van de Vlamingen 1998-2002 Korte + lange vakanties
1998
2000
2002
Participatie
75,3%
78,1%
74,1%
Frequentie
2,3
2,3
2,3
Aantal vakanties (mln)
10,2
11,3
10,6
Aantal zomervakanties (mln)
7,6
8,4
8,0
Aantal wintervakanties (mln)
2,6
2,7
2,6
Aantal binnenlandse vakanties (mln)
4,0
4,0
3,8
Aantal buitenlandse vakanties (mln)
6,2
7,2
6,8
Bron: WES Onderzoek & Advies
130
Vakantiebestemming van de Vlamingen 1998-2002 1998 Aantal X 1.000 Vlaamse kust
2000 %
Aantal X 1.000
20002002
2002 %
Aantal X 1.000
%
In pp
1.003
15,3%
933
13,2%
878
12,8%
-5,9%
Wallonië
498
7,6%
424
6,0%
480
7,0%
+13,2%
Vlaamse regio's
341
5,2%
318
4,5%
329
4,8%
+3,4%
Kunststeden
20
0,3%
21
0,3%
21
0,3%
-1,0%
Binnenland
1.862
28,4%
1.697
24,0%
1.708
24,9%
+0,6%
Buitenland
4.694
71,6%
5.372
76,0%
5.151
75,1%
-4,1%
Frankrijk
1.070
16,3%
1.258
17,8%
1.235
18,0%
-1,8%
Spanje
991
15,1%
1.124
15,9%
1.008
14,7%
-10,3%
Italië
328
5,0%
445
6,3%
514
7,5%
+15,5%
Oostenrijk
341
5,2%
360
5,1%
322
4,7%
-10,6%
Turkije
151
2,3%
262
3,7%
288
4,2%
+9,9%
Griekenland
203
3,1%
247
3,5%
226
3,3%
-8,5%
Nederland
216
3,3%
184
2,6%
226
3,3%
+22,8%
Duitsland
216
3,3%
269
3,8%
213
3,1%
-20,8%
Britse Eilanden
125
1,9%
99
1,4%
137
2,0%
+38,4%
Zwitserland
203
3,1%
127
1,8%
123
1,8%
-3,1%
Overig buitenland
850
13,0%
997
14,1%
857
12,5%
-14,0%
6.556
100%
7.069
100%
6.859
100%
-3,0%
Totaal
Bron: WES Onderzoek & Advies
131
Korte vakantiebestemming van de Vlamingen 1998-2002 1998
2000
2000– 2002
2002
Aantal X 1.000
%
Aantal X 1.000
Vlaamse Kust
762
21,1%
797
19,1%
Wallonië
784
21,7%
905
Vlaamse regio’s
513
14,2%
Kunststeden
72
Binnenland Buitenland
Aantal X 1.000
%
%
698
18,7%
-12,4%
21,7%
847
22,7%
-6,4%
534
12,8%
526
14,1%
-1,5%
2,0%
104
2,5%
67
1,8%
-35,8%
2.132
59,0%
2.340
56,1%
2.139
57,3%
-8,6%
1.481
41,0%
1.832
43,9%
1.594
42,7%
-13,0%
Frankrijk
521
14,4%
672
16,1%
594
15,9%
-11,6%
Nederland
249
6,9%
350
8,4%
366
9,8%
+4,6%
Duitsland
296
8,2%
367
8,8%
284
7,6%
-22,6%
Britse Eilanden
181
5,0%
134
3,2%
97
2,6%
-27,6%
G.H.-Luxemburg
97
2,7%
117
2,8%
93
2,5%
-20,5%
Overig buitenland
137
3,8%
192
4,6%
161
4,3%
-16,1%
3.613
100%
4.172
100%
3.733
100%
-10,5%
Totaal
%
Bron: WES Onderzoek & Advies Overnachtingen naar gewest 2002-2003* 2002
2003
2002-2003
België
36.313.331
36.199.067
-0,3%
Vlaams Gewest
24.265.614
24.033.599
-1,0%
Brussels Gewest
4.710.609
4.816.415
+2,2%
Waals Gewest
7.337.108
7.349.053
+0,2%
2002
2003
2002-2003
België
11.622.919
11.638.084
+0,1%
Vlaams Gewest
6.623.357
6.558.529
-1,0%
Brussels Gewest
2.472.266
2.549.446
+3,1%
Waals Gewest
2.527.296
2.530.109
+0,1%
*Alle logiesvormen incluis verhuursector Bron: Planning & Onderzoek o.b.v. NIS Aankomsten naar gewest 2002-2003*
*Alle logiesvormen incluis verhuursector Bron: Planning & Onderzoek o.b.v. NIS
132
Binnenlandse overnachtingen naar gewest 2002-2003* 2002
2003
2002-2003
België
19.201.820
19.047.185
-0,8%
Vlaams Gewest
14.514.089
14.377.570
-0,9%
Brussels Gewest
436.786
455.117
+4,2%
4.250.945
4.214.498
-0,9%
2002
2003
2002-2003
België
17.111.511
17.151.882
+0,2%
Vlaams Gewest
9.751.525
9.656.029
-1,0%
Brussels Gewest
4.273.823
4.361.298
+2,0%
Waals Gewest
3.086.163
3.134.555
+1,6%
2002
2003
2002-2003
Kust
12.673.361
12.557.902
-0,9%
Kunststeden
8.253.582
8.268.895
+0,2%
Vlaamse regio’s
8.049.280
8.023.217
-0,3%
Totaal
28.976.223
28.850.014
-0,4%
Waals Gewest
*Alle logiesvormen incluis verhuursector Bron: Planning & Onderzoek o.b.v. NIS Buitenlandse overnachtingen naar gewest 2002-2003*
*Alle logiesvormen incluis verhuursector Bron: Planning & Onderzoek o.b.v. NIS Overnachtingen naar macro-product 2202-2003*
*Alle logiesvormen incluis verhuursector Bron: Planning & Onderzoek o.b.v. NIS
133
WES, Onderzoek en Advies, Reisgedrag van de Belgen, 2002.
134
3.3
Ambtelijke organisatie
3.3.1 Huidige structuur 3.3.1.1 Beleidsdomein Economie
Administratie Economie · Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid · Afdeling Europa Economie · Afdeling Inspectie Economie · Afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie Dienst Afzonderlijk Beheer: · Dienst Investeren in Vlaanderen Vlaamse Openbare Instellingen · Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen van Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen · Gimvindus · Limburgse Reconversiemaatschappij · Participatiemaatschappij Vlaanderen · Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen · Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen · Vlaamse Participatiemaatschappij · Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt 3.3.1.2 Beleidsdomein Werkgelegenheid
Administratie Werkgelegenheid · Afdeling Werkgelegenheidsbeleid · Afdeling Tewerkstelling · Afdeling Inspectie Werkgelegenheid Agentschappen en Vlaamse Openbare Instellingen · ESF-agentschap · Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen · Vlaamse dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding 3.3.1.3 Beleidsdomein Toerisme
Toerisme Vlaanderen
135
3.3.2 Structuur na hervorming BBB
136
3.4
Budgettaire massa
3.4.1 Economie
Beschikbare kredieten (in duizend Euro) 2004
NGK
GVK
GOK
51.10
Algemeen economisch beleid
17.037
1.633
3.288
51.20
Economisch ondersteuningsbeleid
174.548
51.40
Buitenlandse handel en export
29.361
10.734
7.576
51.50
Natuurlijke rijkdommen en energie
5.052
2.089
2.883
51.70
Toerisme
53
51.90
Extern economisch beleid
4.982
VRK
MAC 242.259
3.600
Vanuit EFRO wordt bijkomend tot 2007 per jaar 36.000.000 euro ter beschikking gesteld.
3.4.2 Werkgelegenheid
Beschikbare kredieten (in duizend Euro) 1999
2000
2001
2002
2003
2004
84.891
91.141
88.108
92.596
97.086
98.633
55.048
55.943
54.714
547.798
547.757
538.899
548.006
GVK
18.611
5.518
5.468
5.186
GOK
6.009
7.369
11.815
7.946
VL.MAC
1.239
20.426
16.299
17.436
52.10
Beroepsopleiding (NGK)
52.20
Middenstandsopleiding (NGK)
52.40
Werkgelegenheid (NGK)
662.161
639.609
137
Korte situering van de programma’s: 1. Programma 52.10 ‘Beroepsopleiding’: Dit programma bevat voor 99,9 % middelen die in dotatie aan de VDAB worden doorgestort. Zij worden uitgegeven door de VDAB conform de bepalingen van de beheersovereenkomst (de recentste dekt de periode 2001 – 2004). 2. Programma 52.20 ‘Middenstandsopleiding’: Dit programma bevat uitsluitend middelen die onder de verantwoordelijkheid vallen van de minister bevoegd voor Economie en die worden doorgestort aan het VIZO voor opdrachten ten gunste van het zelfstandig ondernemen en KMO – ontwikkeling met nadruk op bedrijfsbegeleiding, vormgeving en vorming. 3. Programma 52.40 ‘Werkgelegenheid’: Dit is naar omvang het belangrijkste programma van de O.A., waar zowel de administratie Werkgelegenheid als de VDAB middelen uit putten. Het zwaartepunt van de besteding (ruim twee derde) betreft nog steeds de financiering van tewerkstellingsprogramma’s. De overige bestedingen betreffen: · De sociale economie. · De Vlaamse premies bij arbeidsduurvermindering of loopbaanonderbreking. · De VDAB als actor, regisseur en verdeler van middelen. · Het Europees Sociaal Fonds & de inzet van Vlaams werkgelegenheidsbudget. · Het Herplaatsingsfonds. · Extra middelen n.a.v. Werkgelegenheidsakkoord 2003 – 2004.
138
3.4.3 Toerisme
Beschikbare kredieten (in duizend Euro)
49.20. 41.01 49.20. 41.02 49.20. 61.01 49.20. 61.01 49.20. 61.02
Werkingsdotatie + indexprovisie
1999
2000
2001
2002
2003
2004
15.578
19.006
20.900
21.982
22.292
25.545
0
0
0
0
3.845
dotatie werkgelegenheid toer sector
0
dotatie investeringen via betoelaging
5.917
2.033
7.412
8.021
9.372
9.722
dotatie eigen investeringen*
1.479
521
0
0
2.263
0
Dotatie cofinanciering
0
73
248
2.247
3.000
2.000
*werkelijk ontvangen
139
Bibliografie · Abraham Filip, Konings Jozef, Veugelers Reinhilde, De nieuwe EU: de doodsteek voor de Vlaamse economie?, Acco Leuven, 2002 · Administratie Planning en Statistiek, Ontwerp van algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen, Brussel, oktober 2003 · Administratie Planning en Statistiek, Stativaria 28, Vijf steken diep graven naar levenskwaliteit, Brussel, september 2003 · Administratie Planning en Statistiek, VRIND 2003, Brussel, 2003-12-27 · Administratie Werkgelegenheid, administratie Planning en Statistiek, administratie Economie, Steunpunt WAV, Analyse van de werkgelegenheidstoestand en de recente socio-economische vooruitzichten op middellange termijn, tekst in voorbereiding van de werkgelegenheidsconferentie, Brussel, augustus, 2003 · Administratie Werkgelegenheid, Algemene schets van de huidige bevoegdheidsverdeling, knelpunten en oplossingen; voorstellen m.b.t. aanpassing van de huidige bevoegdheidsverdeling op werkgelegenheidsvlak, Brussel, mei 2003 · Administratie Werkgelegenheid, Strategisch plan werkgelegenheid, monitoring van de beoogde beleidseffecten, stand van zaken oktober 2003, Brussel, 2003 · Buyens Dirk, Crijns Hans, Startende ondernemers in Vlaanderen: een verkenend onderzoek, onderzoek in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma, Vlerick Leuven Gent Management School, 2003 · Clarysse Bart, Heirman A., Analyse van de durfkapitaalsector in Vlaanderen, Steunpunt Ondernemerschap, Ondernemingen en Innovatie, september 2002 · de Backer Koen, Sleuwaegen Leo, Rapport over het concurrentievermogen van de Vlaamse economie, Steunpunt Ondernemerschap, Ondernemingen en Innovatie, augustus 2003 · Delarue Anne, De Winne Sophie, Gryp Stijn, e.a., De arbeidsmarkt in Vlaanderen, organisatie in bedrijf, De resultaten van PASO in vogelvlucht, Editie 2003, onderzoek in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma, Steunpunt WAV, 2003 · Dentchev Nikolay A., Van de Peer, Stephanie, Heene Aimé, Mainstreaming, van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVP), onderzoek in het kader van het VIONAarbeidsmarktonderzoeksprogramma, RUG, Gent, 2003 · Departement Onderwijs, Vlaamse onderwijsindicatoren 2002 (gebaseerd op gegevens van het NIS en OESO), Brussel, 2001 · Devisscher Stephanie, Gevers Ann, Vanderbeken Wim, Huys Rik, Vandenbrande Tom, Verkeniing en beleidsuitdagingen Vlaamse arbeidsmarkt 2010, onderzoek in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma, Idea Consult, HIVA, november 2003 · Dobbelaere K., Elchardus M, Kerkhofs J., Voyé L., Bawin-Legros B., Verloren zekerheid, de Belgen en hun waarde, overtuigingen en houdingen. Koning Boudewijn Stichting., 2000, Lannoo Tielt · Elkington J., Cannibals With Forks: The Triple Bottom Line of 21st Century Business”, New Society Pub, 1998 · European Commission, Structure, performance and competitiveness of European tourism and its enterprises, Brussels, 2003 · European Travel Commission, Future trends in tourism, 2003
140
· Federaal Planbureau, De Belgische gewesten in Europa: innovatie, ondernemerschap en diffusie van de ICT”, september 2003 · Gelderblom A., de Koning J. En Kroes H., Leeftijdssamenstelling en bedrijfsprestaties, OSA, Rotterdam, november 2003 · Glorieux Ignace, Minnen Joeri, Van Thielen Leen, Moeder, wanneer werken wij? Arbeidsmarktconclusies uit het Vlaams Tijdsbestedingsonderzoek 1988-1999, onderzoek in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma ,VUB, Brussel, 2003 · IALS, Van Damme D., hoe geletterd, gecijferd is Vlaanderen?, 1997 · Pacolet J., Van De Putte I., Cattaert G. En Goudron V., “Plus est en vous herbekeken” Manpowerplanning in de zorgsector in de Vlaamse Gemeenschap 1995-2020, HIVA, Leuven, 2003 · Peeters Anneleen, Gevers Ann, Clémer Guy, Mogelijkheden en beperkingen voor het gebruik van fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid, onderzoek in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma, Idea Consult, Lessius Hogeschool, Brussel, november 2003 · SERV, Sociaal-economisch rapport Vlaanderen 2003, 2003 · Sleuwaegen Leo, De Backer Koen, Steurs Geert, e.a., Desindustrialisatie in Vlaanderen en de implicaties op de arbeidsmarkt, onderzoek in het kader van het VIONAarbeidsmarktonderzoeksprogramma, KUL, Idea Consult, december 2000 · Steunpunt WAV en VIONA-stuurgroep Arbeidsmarktonderzoek, De arbeidsmarkt in Vlaanderen, Jaarboek, Editie 2003, Steunpunt WAV, Leuven, 2003 · Stremersch Stefan, Tindemans Bruno, Study on Corporate Entrepreneurship: Status, Antecedents and Consequences, Flanders Business School, 2003 · VDAB, Arbeidsmarkttopic, Er rijdt een historicus met de bus, Over onder- en overkwalificatie van hooggeschoolde werkzoekenden, Brussel, december 2003 · Walrave Michel, Dens Elke, Tijd voor telewerk, HRM Surveys, Kluwer, Mechelen, 2003 · WES Onderzoek & Advies, Het reisgedrag van de Belgen in 2002, juli 2003 · World Tourism Organisation, Tourism highlights 2003, 2003
141
Afkortingen ABAFIM
Administratie Budgettering, Accounting en Financieel Management
ANRE
Afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie
ARK
Archimedes-decreet
AROHM
Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen
AWI
Administratie Wetenschap en Innovatie
AWV
Administratie Wegen en Verkeer
AWZ
Administratie Waterwegen en Zeewezen
BAN
Business Angel Networks
BBP
Bruto Binnenlands Product
BRP
Bruto Regionaal Product
BVR
Besluit van de Vlaamse regering
CRB
Centrale Raad voor het Bedrijfsleven
DBSO
Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs
DIMONA
Déclaration IMmédiate – ONmiddellijke Aangifte (van Tewerkstelling)
DIVA
Dienst Informatie Vorming en Afstemming
DMFA
Multifunctionele Aangifte (bij de diverse instellingen voor Sociale Zekerheid)
DPF
Derde Partij Financiering
EAK
Enquête naar de Arbeidskrachten
EDC
Europese Distributiecentra
EFRO
Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling
EIF
Europees Investeringsfonds
EOGFL
Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw
EPB
Energieprestaties en het binnenklimaat
ERSV
Erkend Regionaal Samenwerkingsverband
RESOC
Regionaal Sociaal-economisch Overlegcomité
ESF
Europees Sociaal Fonds
EVC
Elders Verworven Competenties
EWT
Economie, Werkgelegenheid en Toerisme
FIT
Flanders Investment and Trade
GATTS
General Agreement on Trade and Tariffs in Services
GEM
Global Enterpreuneurship Monitor
GOM
Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij
GSC
Groenestroomcertificaten
IPA
Interprofessioneel Akkoord
IWT
Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen 142
MER
Milieu-effectenrapport
MVO
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
NIS
Nationaal Instituut voor de Statistiek
NTBF
New Technology Based Firms
O&O
Onderzoek en ontwikkeling
OESO
Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
OVAM
Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest
PASO
Panel Survey of Organisations in Flanders
POM
Provinciale ontwikkelingsmaatschappij
PPS
Publiek-Private Samenwerking
REG
Rationeel energiegebruik
RSVZ
Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor Zelfstandigen
RSZ
Rijksdienst voor Sociale Zekerheid
RSZPPO
Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor Plaatselijke en Provinciale Overheden
RTC
Regionale Technologische Centra
SERV-STV
Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen-Stichting Technologie Vlaanderen
SONAR
Studiegroep ‘Van Onderwijs naar Arbeidsmarkt’
SPRE
Strategisch Plan Ruimtelijke Economie
SERR
Sociaal-Economische Raad van de Regio
STEUNPUNT LOA
Steunpunt doorheen Onderwijs naar Arbeidsmarkt
STEUNPUNT OOI
Steunpunt Ondernemerschap, Ondernemingen en Innovatie
STEUNPUNT WAV
Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming
STIP
Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie en Afval
SYNTRA
Vlaams Agentschap voor Ondernemerschapsvorming
TEA
Total Enterpreneurial Activity
TOR
Tempus Omnia Revelat (naam van een onderzoeksgroep die werkt rond tijdsbudgetenquêtes)
VAO
Vlaams Agentschap voor Ondernemen
VDAB
Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding
VIB
Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie
VIONA
Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering
VIS
Vlaamse Innovatie Samenwerkingsverbanden
VITO
Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek
VIZO
Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen
VLAREM
Vlaams Reglement voor Milieuvergunning
VREG
Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Electriciteits- en Gasmarkt
VUIM
Uitwisselingsprogramma voor Internationale Mobiliteit in de Beroepsopleiding
143
WES
West-Vlaanderen Onderzoek & Advies
WKK-C
Warmtekrachtkoppelingscertificaten
144