Skip to main content

h02_Biotopen_0.pdf

Page 1

L E F A T S D U O H N I

2. Biotopen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . WOUTER VAN LANDUYT, DIRK MAES, DESIRÉ PAELINCKX, GEERT DE KNIJF, ANIK SCHNEIDERS & JEAN-PIERRE MAELFAIT - Oppervlakte en verspreiding van biotopen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Heiden en vennen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Moerassen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Kruidige moerasvegetaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Moerasbos en moerasstruweel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Overige waterrijke gebieden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Voedselrijke waters . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Biotopen van zoute en brakke milieus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Historisch permanente graslanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Halfnatuurlijke graslanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Soortenrijk permanent grasland . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Graslanden met verspreide biologische waarden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Struwelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Mesofiele bossen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Waterlopen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Natuurlijke verscheidenheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Ecologische kwaliteit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

5

5 16 23 23 26 26 26 26 29 29 33 33 34 34 37 37 41


2. Biotopen

2. Biotopen WOUTER VAN LANDUYT, DIRK MAES, DESIRÉ PAELINCKX, GEERT DE KNIJF, ANIK SCHNEIDERS & JEAN-PIERRE MAELFAIT

Oppervlakte en verspreiding van biotopen De actuele oppervlakte ingenomen door de onderscheiden biotopen in Vlaanderen wordt gegeven in Tabel 2.1. Doordat een groot aantal percelen op de BWK worden gekarakteriseerd door complexen (dit zijn combinaties van karteringseenheden), is het onmogelijk de exacte oppervlakte te berekenen die door een gegeven karteringseenheid wordt ingenomen (DE BLUST et al. 1994). Dit probleem werd opgelost door het hanteren van een verdeelsleutel voor die complexen. Hierbij werden verschillende verdeelsleutels toegepast afhankelijk van de vraag of de karteringseenheid zelf of de andere elementen in het complex kleine landschapselementen zijn. Bovendien werden een boven- en onderlimiet gehanteerd, zodat men komt tot schattingen van de minimum en maximumoppervlakte voor de verschillende karteringseenheden. Op basis van de actuele oppervlakte kunnen de bioto-

pen in zeldzaamheidscategorieën worden ingedeeld (Tabel 2.2). De gehanteerde categorieën en oppervlaktegrenzen zijn weliswaar arbitrair. Toch stroken ze enerzijds met de betrokken opvattingen terzake en anderzijds is het maximale procentuele oppervlakte-aandeel vergelijkbaar met de hokfrequenties die worden gehanteerd bij het indelen van soorten in zeldzaamheidscategorieën. Figuur 2.1 (zie kaartenbijlage) geeft een beeld van de spreiding van de biotopen over de verschillende zeldzaamheidsklassen. Een zeldzaamheidscriterium voor verschillende biotopen kan niet worden los gezien van het belang van dergelijke biotopen op internationale schaal. Biotopen die op internationale schaal zijn bedreigd, werden opgenomen in de habitatrichtlijn. De habitattypologie van de habitatrichtlijn komt grotendeels overeen met BWK-karteringseenheden (Tabel 2.2 en 2.3). Enkele van deze habitats genieten al langer van een internationale bescherming via de Ramsarconventie en de Europese richtlijn inzake het behoud van de vogelstand. Deze bescherming geldt echter alleen binnen de afgebakende gebieden.Tabel 2.4 geeft de BWK-karteringseenheden weer die overeenkomen met de "Wetlands" in het kader van de Ramsar-conventie. Figuur 2.2 (zie kaartenbijlage) geeft een beeld van de spreiding van de biotopen waarvoor Vlaanderen een internationale verantwoordelijkheid draagt.

Figuur 1.1: De ecoregio’s van Vlaanderen.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

5


2. Biotopen Tabel 2.1: Oppervlakte van verschillende biotopen in Vlaanderen (naamgeving en ordening volgens BVR 23.7.98 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het Decreet van 21.10.97 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu).

Oppervlakte BWK-eenheden en vegetaties volgens BVR 23.7.98

omschrijving % t.o.v. Vlaanderen

in ha

(zie DE BLUST et al. 1985 en PAELINCKX et al. 1998) min.

max.

min.

max.

690

1070

0,05

0,08

3730

6700

0,27

0,49

680

1400

0,05

0,10

19

105

0,001

0,008

Heiden en vennen Ao

Oligotroof tot mesotroof water

Cg

Droge struikheidevegetatie

Ce

Vochtige of natte dopheidevegetatie

Ces

Vochtige of natte dopheidevegetatie met elementen uit de hoogveenflora

Cm

Gedegradeerde heide met dominantie van Pijpestrootje

1820

3650

0,13

0,27

Cd

Gedegradeerde heide met dominantie van Bochtige smele

1070

1660

0,08

0,12

Cp

Gedegradeerde heide met dominantie van Adelaarsvaren

180

440

0,01

0,03

Cv

Droge heide met bosbes

1

2

0,00004

0,0002

Ct - Ctm

Venige heide met bosbes (Ctm: dominantie van Pijpestrootje)

-

-

-

-

T + Tm

Hoogveen + Gedegradeerd hoogveen met Pijpestrootje)

34

90

0,002

0,007

Ha

Struisgrasvegetatie op zure bodem ("heischraal grasland)

1530

3650

0,11

0,27

Hn

Zure borstelgrasvegetatie

47

130

0,003

0,009

9800

18900

0,72

1,4

Totaal

Instituut voor Natuurbehoud 6

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen

Moerassen 2160

7140

0,16

0,53

Zeebiesvegetatie

42

190

0,003

0,01

Mm

Galigaanvegetatie

1

3

0,00004

0,0002

Mc

Grote zeggenvegetatie

250

540

0,02

0,04

Md

Drijfzoom en/of drijftil

4

9

0,0003

0,0007

Ms

Zuur laagveen

72

260

0,005

0,02

Mk

Alkalisch laagveen

5

10

0,0003

0,00075

Mp

Alkalisch laagveen in duinpannen

36

160

0,003

0,01

Hf

Natte ruigte met Moerasspirea

1490

3490

0,11

0,26

Mr

Rietland

Mz

Moerasbos en moerasstruweel Sm

Gagelstruweel

120

300

0,009

0,02

So

Vochtig wilgenstruweel op venige, voedselarme, zure bodem

122

270

0,009

0,02

Vm

Mesotroof elzenbos met zeggen

960

2040

0,07

0,15

Vo

Oligotroof elzenbos met veenmossen

150

310

0,01

0,02

Vt

Venig berkenbos

270

420

0,02

0,03

Vc

Elzen-essenbos van bronnen en bronbeken

110

260

0,008

0,02

5800

15400

0,42

1,1

Totaal Uitbreiding vanuit ecologisch oogpunt (2): Sf

Vochtig wilgenstruweel op voedselrijke bodem

1520

2910

0,11

0,21

Va

Alluviaal essen-olmenbos

1450

3000

0,11

0,22

Vn

Nitrofiel alluviaal elzenbos

1790

3610

0,13

0,27

Vf

Vochtig of vrij vochtig elzen-eikenbos met eventueel haagbeuk

100

220

0,007

0,016

10560

24920

0,78

1,8

Totaal met uitbreiding

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

7


2. Biotopen

Oppervlakte BWK-eenheden en vegetaties volgens BVR 23.7.98

omschrijving % t.o.v. Vlaanderen

in ha

(zie DE BLUST et al. 1985 en PAELINCKX et al. 1998) min.

max.

min.

max.

300 3240 890 260 570

470 5130 1270 390 720

0,02 0,24 0,07 0,02 0,04

0,03 0,38 0,09 0,03 0,05

5260

7970

0,39

0,58

85 3560 20

110 3880 25

0,006 0,26 0,0015

0,008 0,29 0,0018

8925

11985

0,65

0,88

240 760 380 60

290 1520 980 150

0,02 0,06 0,03 0,005

0,02 0,11 0,07 0,01

1440

2940

0,11

0,22

Waterrijke gebieden Ah Ae, Aer, Aev Am Da Ds

Min of meer brakke plas Eutrofe plas Kweekvijvers Schorre Slikke

Totaal Uitbreiding vanuit ecologisch oogpunt: Ad Ap, Apo, App Ka

Bezinkingsbekken Diep of zeer diep water Eendekooi

Totaal met uitbreiding Duinvegetaties Dd Dm Sd Qd Totaal

Zeereepduin Vegetatieloos stuifduin Duindoornstruweel Zuur duinbos

Instituut voor Natuurbehoud 8

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen

Historisch permanent grasland (3 groepen) Halfnatuurlijke graslanden (1) Hc Hm, Hmo, Hme Hk Hd Hv Hu Hj

Vochtig, licht bemest grasland ("dotterbloemhooiland") Onbemest, vochtig pijpestrootjesgrasland (zgn. "blauwgrasland") Kalkgrasland Kalkrijk duingrasland Zinkgrasland Mesofiel hooiland ("glanshavergraslanden") Vochtig, licht bemest grasland gedomineerd door russen

Totaal

1190

2560

0,09

0,19

140

320

0,01

0,02

36 580 1880 810

66 1420 2950 1550

0,003 0,04 0,14 0,06

0,005 0,10 0,22 0,11

4640

8870

0,34

0,65

(5570)

(7110)

(0,41)

(0,52)

(1580)

(2220)

(0,12)

(0,16)

(480)

(480)

(0,035)

(0,035)

1640

1640

0,12

0,12

Soortenrijk permanent grasland

Hp* (4) Hpr* (2)(4) (excl. Hpr* + Da) Hpr* + Da (2)(4) Hpr + Da (2)

Soortenrijk permanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden Soortenrijk permanent poldergrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden Zilte graslanden met relicten van halfnatuurlijke graslanden Zilte graslanden

(9270)

(11450) (0,68)

Weilandcomplex met veel sloten en/of microreliĂŤf Soortenarm permanent cultuurgrasland met elementen van rietland en/of met elementen van dotterbloemhooilanden (eventueel met veedrinkpoelen) Hp met overdruk fauna Soortenarm permanent cultuurgrasland met (onvolledig, enkel voor belang voor (avi-)fauna (excl. alle bovenstaande graslandcomplexen) (4) Veedrinkpoelen Kn

11720

18000

0,9

1,3

2640

2640

0,19

0,19

?

?

?

?

780

1670

0,06

0,12

Totaal historisch permanent grasland

(29050)

(42630) (2,1)

(3,1)

Totaal

(0,84)

Graslanden met verspreide biologische waarde (1) Hpr (excl. Hpr + Da) Hp + Mr (KMr) Hp + Hc (Kn)

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

9


2. Biotopen

Oppervlakte BWK-eenheden en vegetaties volgens BVR 23.7.98

omschrijving % t.o.v. Vlaanderen

in ha

(zie DE BLUST et al. 1985 en PAELINCKX et al. 1998) min.

max.

min.

max.

Uitbreiding vanuit ecologisch oogpunt Graslanden met verspreide biologisch waarde (1) Hp + KLE

(4)

Soortenarm permanent cultuurgrasland met andere waardevolle kleine landschapselementen in de grasland-, moeras- of waterrijke sfeer bv. K(Ae), K(Hf), K(Ha), Kn

(20100)

(1,48)

Hp met lichtgroene arcering

Hp-graslanden op lemige en kleiïge, relatief vochtige bodems in valleien met een hoge ecologische prioriteit (Hpriv) graslandcomplexen (excl. alle bovenstaande) rijk aan bomenrijen of houtkanten met dominantie van:

?

?

Hp + Kbnat (4)

wilgen-, essen-, en/of elzen of zeer rijk aan populieren (b.v. Kbs, Kbs*, Khs, Khs*, … Kbp*) eik, berk, … (b.v. Kb(Qb), Kh(Qs), Kbq, Kbq*, Kbb*, Kh(Sp), Sp, Kt(Sp)

(2640)

(2,7)

(940)

(1)

Hp + Kbdroog (4)

Instituut voor Natuurbehoud 10

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen

Ruigten (2) Geruderaliseerd, verlaten mesofiel grasland Ruigten op voormalig akkerland, opgehoogde terreinen, …

Hr Ku

2780 970

4580 2030

0,20 0,07

0,34 0,15

3750

6610

0,27

0,49

140 440

300 680

0,01 0,03

0,02 0,05

5

5

0,0003

0,0004

585

985

0,04

0,07

2730

5450

0,19

0,39

5710

11200

0,42

0,82

Zeer arm, zuur eikenbos ("eiken-berkenbos") Zuur eiken- en beukenbos Eiken- en beukenbos met witte veldbies Ravijnbos op zure bodem

9970 8460 240 0

16880 14300 280 0

0,73 0,62 0,02 0,0

1,2 1,05 0,02 0,00001

Eiken-haagbeukenbos zonder Wilde hyacint Eiken-haagbeukenbos met Wilde hyacint Beukenbos met Parelgras en Lievevrouwebedstro Ruderaal olmenbos

2260 1440 0

4920 1970 0

0,17 0,11 0,0

0,36 0,14 0,0

160

270

0,01

0,02

22

55

0,002

0,004

1

2

0,00005

0,0001

22550

56410

1,7

2,8

Totaal Struwelen (2)(3) Brem- en Gaspeldoornstruweel Doornstruweel met meidoorn, Sleedoorn, Hondsroos, … Struweel op kalkhoudende bodem

Sg Sp Sk Totaal Totaal vermelde struwelen (+3) Totaal alle struwelen (+3 + Sz) Mesofiele bossen (2) Zure bossen Qb Qs, Fs Ql, Fl Es Neutrocliene bossen Qa, Fa Qe, Fe Fm Ru, Rud Basicliene bossen Qk, Fk Ek

Eiken-haagbeukenbos en beukenbos op kalkhoudende bodem Ravijnbos in kalkrijke gebieden

Totaal

(1) terminologie volgens BVR houdende aanvullende bepalingen betreffende de toepassing van het artikel 15, § 4, 1°, 2° en 3° en § 5 van het decreet van 23.01.91 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (2) toegevoegd t.o.v. de BVR van 23.7.98 en t.o.v. dit vermeld onder punt (1) (in de Tabel cursief); Hpr*, Hpr*+Da en Hpr+Da vallen in BVR 23.7.98 onder Hpr en maken dus deel uit van "historisch permanent grasland"; in de Tabel wordt het cijfermateriaal uitgesplitst. (3) zie ook onder moerassen en/of duinvegetaties (4) enkel gehanteerd in BWK vanaf 1997 (nog niet beschikbaar voor heel Vlaanderen).

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

11


2. Biotopen Tabel 2.2: Zeldzaamheid van biotopen in Vlaanderen

Zeldzaamheid

nagenoeg niet voorkomend (3)

Klasse

Oppervlakte (1)

1

200 – 399 ha

0,015 – 0,03 %

Karteringseenheden BWK Habitats met een internationaal belang (habitatrichtlijn) staan vet gedrukt; habitats waarvoor Vlaanderen een internationale verantwoordelijkheid draagt via de Ramsarconventie staan cursief (zie Tabel 2.3 en 2.4). Heiden en vennen Ces, Cp, Cv, Ct, Ctm, T, Tm, Hn Moerassen (bijna alle) Mz, Mm, Mc, Md, Ms, Mk, Mp, Sm, So, Vo, Vt, Vc Overige moerasbossen en struwelen (2) Vf Waterrijke gebieden Ah, Da Uitbreiding waterrijke gebieden (2) Ad, Ka Duinvegetaties Dd, Qd Historisch permanent grasland (Halfnatuurlijke graslanden) Hm, Hmo, Hmm, Hme, Hk, Hv Struwelen (2) Sg, Sk Mesofiele bossen (2) Es, Ek, Ql, Fl,, Fm, Qk, Fk, Ru, Rud

uiterst zeldzaam (3)

2

400 – 2800 ha

Heiden en vennen Ao, Ce, Cd, (minimum van Cm, Ha)

0,03 – 0,2 % Moerassen Vm, (minimum van Hf) Overige moerasbossen en struwelen (2) Sf, Va, (minimum van Vn) Waterrijke gebieden Ae*, Aev, Am, Ds Duinvegetaties Dm, Sd Historisch permanent grasland Halfnatuurlijke graslanden Hc, Hj, Hd, (minimum van Hu) Halfnatuurlijke graslanden met teruggedrongen ecologische kwaliteit (#) en graslanden met verspreide natuurwaarden; (Hpr*+Da, Hpr+Da, Hpr*), Hp+Mr, Hp+Hc (Kn) Ruigten (2)

Ku

Struwelen (2) Sp Mesofiele bossen (2) Qe, Fe

Instituut voor Natuurbehoud 12

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen

Zeldzaamheid

zeer zeldzaam (3)

Klasse

Oppervlakte (1)

Karteringseenheden BWK Habitats met een internationaal belang (habitatrichtlijn) staan vet gedrukt; habitats waarvoor Vlaanderen een internationale verantwoordelijkheid draagt via de Ramsarconventie staan cursief (zie Tabel 2.3 en 2.4).

3

2800 – 5600 ha

Heiden en vennen Cg, (maximum van Cm, Ha)

0,2 – 0,4 %

Moerassen (maximum van Hf), (minimum van Mr) Overige moerasbossen en struwelen (2) (maximum van Vn) Waterrijke gebieden Ae, Aer Uitbreiding waterrijke gebieden (2) Ap, App, Apo Historisch permanent grasland Halfnatuurlijke graslanden (maximum van Hu) Ruigten (2) Hr Mesofiele bossen (2) Qa, Fa

zeldzaam

4

5600 – 14.000 ha

Moerassen (#) (maximum van Mr)

0,4 – 0,9 % Historisch permanent grasland (#) Hp* Mesofiele bossen (#) (2) Qs, Fs vrij zeldzaam

5

minder algemeen

6

14.000 – 20.000 ha Historisch permanent grasland (#) Hpr 1 –1,5 % Mesofiele bossen (#) (2) Qb > 20.000 ha

Hp + kleine landschapselementen b.v. Hp + K(Ae), Hp + Hf, Hp + Kn

> 1,5 %

(1) Zie Tabel 2.1 % t.o.v. geheel Vlaanderen; (2) Groep en karteringseenheden niet opgenomen in bijlagen van BVR 23.7.98; (3) Deze 3 categorieën kunnen ook samengevoegd worden tot een klasse "zeer zeldzaam tot nagenoeg niet voorkomend"; (#): een aantal karteringseenheden uit de categorie.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

13


2. Biotopen Tabel 2.3: Habitats van internationaal belang volgens de Habitatrichtlijn die voorkomen in Vlaanderen (vet aangestipte habitats: prioritaire habitats, verplichte opname in het Natura 2000 netwerk).

Habitattype volgens Bijlage I

BWK-code (beperkt tot Vlaamse context)

Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken Estuaria Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten Eenjarige pioniersvegetaties van slik-en zandgebieden met Salicornia soorten en andere zoutminnende planten Schorren met slijkgrasvegetaties (Spartinion) Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia) Embryonale wandelende duinen Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (witte duinen) Vastgelegde duinen met kruidvegetaties (grijze duinen) Eu-atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Galluno-Ulicetea) Duinen met Hippophae rhamnoides Duinen met Salix arenaria Beboste duinen van het Atlantische kustgebied Vochtige duinvalleien Psammofiele heide met Calluna- en Genista-soorten Open grasland met Corynephorus- en Agrostis-soorten op landduinen Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten met amfibische vegetatie: Lobelia, Littorellia en Isoëtes Oligotrofe wateren van het Middeneuropese en peri-alpiene gebied met Littorellaof Isoëtes-vegetatie of met eenjarige vegetatie op drooggevallen oevers (Nanocyperetalia) Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Characeeënvegetatie Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamium of Hydrocharition De drijvende Ranunculus-vegetatie van submontane en planitaire rivieren Noordatlantische vochtige heide met Erica tetralix Droge heide (alle subtypen) Juniperus communis-formaties in heidevelden of kalkgrasland Gebieden waar zeldzame orchideeën groeien (Festuco-Brometalia) Grasland met Molinia op kalkhoudende bodem en kleibodem (Eu-Molinion) Voedselrijke ruigten Laaggelegen, schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) Actief hoogveen Aangetast hoogveen Overgangs- en trilveen Slenken in veengronden (Rhynchosporion) Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en Carex davalliana Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion) Alkalisch laagveen Niet voor het publiek opengestelde grotten Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum Beukenbossen van het type met Ilex- en Taxus-soorten, rijk aan epifyten (Ilici-Fagetum) Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum Eikenbossen van het type Stellario-Carpinetum Oude zuurminnende bossen met Quercus robur op zandvlakten Veenbossen Overblijvende of relictbossen op alluviale grond (Alnion-glutinoso-incanae) Ravijnbossen met Tilio-Acerion Gemengde eiken-iepen-essenbossen langs oevers van grote rivieren

/ / Ds delen van Ds delen van Ds Da, (Hpr + Da) / Dd Hd / Sd Mp, Hd, (Sd) Qd Mp Cg delen van Ha delen van Ao delen van Ao

/ delen van Ae / Ce Cg, Hn, Cv (Cg) Hk Hm (delen van Sp, Sk en Ku*) Delen van Hu, Hpu T, Ces, Ct Tm, Ctm Md, Ms Ce Mm / Mk / Fl Qs en delen van Fs (niet Fs°) Fm, Qe, Fe Qa, Fa delen van Qb Vo,Vt,Vm Va,Vc,Vn,Vf Ek Ru

Instituut voor Natuurbehoud 14

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen Tabel 2.4: Vlaamse oppervlakte waterrijke gebieden ("Wetlands") zoals omschreven in de Ramsar-conventie.

Oppervlakte

BWK-karterings-eenheden (zie Tabel 2.1 voor de verklaring van de symbolen) alle varianten van:

Ramsar-conventie

% t.o.v. Vlaanderen

in ha min.

max.

min.

max.

Stilstaande waters

Ao, Ah, Ae, Ap, Am, Ad, Ka, Kn

9460

11820

0,7

0,9

Atlantische vochtige heide (incl. gedegradeerde)

Ce, Ces, Cm, Ct, Ctm

2519

5155

0,18

0,4

Slikken en schorren

Da, Ds

830

1110

0,06

0,08

Moerassen en struwelen en bossen van alluviale gronden, venen en hoogvenen

Mr, Mz, Mm, Mc, Md, Ms, Mk, Mp, Hf Sm, So, Vm,Vo,Vt,Vc Sf,Va,Vn,Vf

10660

25140

0,8

1,8

Halfnatuurlijke natte tot mesofiele graslanden

Hc, Hm, Hu, Hj

4020

7380

0,3

0,5

Soortenrijke mesofiele graslanden

Hpr, Hpr*, Hp*, Hpr*+Da, Hpr+Da, Hp+Mr, Hp+Hc(Kn)

23630

32100

1,7

2,3

51100

82700

3,7

6,1

Totaal

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

15


2. Biotopen

Heiden en vennen Onder heiden en vennen wordt verstaan oligotroof tot mesotroof water (Ao), droge struikheidevegetaties (Cg), vochtige of natte dopheidevegetatie, eventueel met hoogveenelementen (Ce, Ces), droge heide met Bosbes (Cv), venige heide met Bosbes (Ct, Ctm), diverse types gedegradeerde heiden (Cm, Cd, Cp), vegetatieloos stuifduin (Dm), hoogveen (T, Tm), zure borstelgrasvegetaties (Hn) en struisgrasvegetatie op zure bodem (Ha). Deze biotopen beslaan gezamenlijk amper 0.7 tot 1.4 % (9.800 18.400 ha) van de totale oppervlakte van Vlaanderen (Tabel 2.1). Vooral de types 'droge heide met Bosbes', 'venige heide met Bosbes', 'zure borstelgrasvegetaties', 'natte heide met hoogveenelementen' en 'hoogveen' komen nauwelijks voor. Zelfs de zogenaamde "gedegradeerde" heiden zijn uiterst zeldzaam. Droge heide is de minst zeldzame variant van deze biotopen maar is toch zeer zeldzaam . De meeste types heiden zijn van internationaal belang (Tabel 2.2, 2.3 en 2.4). Heide en vennen vindt men vooral in de Kempen (Figuur 2.3 in kaartenbijlage). Het globale areaal is evenwel bijzonder versnipperd. Kleine relicten van deze biotopen zijn ook aanwezig in de Vlaamse Zand- en Zandleemstreek, en occasionaal in de Leemstreek en de Duinen. Struisgrasvegetatie op zure bodem (Ha) bedekt 0,1 tot 0,3 % van de oppervlakte van Vlaanderen (Tabel 2.3). Struisgrasvegetatie op zure bodem komt vooral voor in de Kempen en in de nabijheid van de Demervallei. Daarbuiten vindt men geïsoleerde plekken met dit biotooptype in de Zand- en Zandleemstreek, de Duinen en op enkele zandige plaatsen in de Leemstreek (Figuur 2.3 in kaartenbijlage). Binnen een beperkt gebied, werden de oppervlakte ingenomen door heiden, vennen en heischrale graslanden op de beide versies van de BWK (Tabel 2.5) vergeleken. De oppervlakte waarbinnen de analyse mogelijk was omvat slechts 2,5 tot 5 % van de oppervlakte heiden en vennen in Vlaanderen. Hieruit kunnen enkele tendensen worden afgeleid:

• vermoedelijk heeft minder dan de helft van de heide en vennen binnen de steekproef in het voorbije decennium als dusdanig stand kunnen houden; • de hoofdoorzaak lijkt een natuurlijke evolutie naar bos (verbossing) en/of aanplant van bos te zijn; merk evenwel dat de betreffende heidegebieden binnen de steekproef al in de BWK, versie 1 praktisch allemaal aan verbossing onderhevig waren; • binnen de steekproef is ongeveer 6 % van de heiden en vennen omgezet in agrarisch grondgebruik. Hieruit kan afgeleid worden dat de hoofdoorzaak van het verdwijnen van heiden binnen dit beperkt areaal én tijdens het voorbije decennium voornamelijk te wijten is aan het achterwege blijven van beheer of door bosaanplant. Dit geldt niet voor de grote aaneengesloten heideterreinen die meestal wel worden beheerd. Deze grote heidegebieden vielen niet binnen deze steekproef. De kenmerkende planten van heiden en venen werden onderverdeeld in drie groepen: soorten van natte heiden en hoogvenen, soorten van droge struikheidevegetatie en soorten van zure borstelgrasvegetaties (Figuur 2.4). Planten van natte heiden en hoogvenen vormen een groep met een hoog aandeel bedreigde soorten: 8 % van de soorten is uitgestorven in Vlaanderen, 50 % is bedreigd. De soortengroep is in zijn verspreiding binnen Vlaanderen nagenoeg volledig beperkt tot de Kempen. Droge heiden zijn vaak zeer arm aan soorten hogere planten. De Rode-Lijstsoorten uit deze groep vormen vaak slechts een erg gering aandeel in de vegetatie. Ook deze soorten worden voornamelijk aangetroffen in de Kempen, maar voornamelijk in het deel van de Kempen dat binnen de provincie Limburg valt. De Rode-Lijstsoorten die kenmerkend zijn voor zure borstelgrasvegetaties hebben een bijzonder beperkte verspreiding in Vlaanderen. Ze werden slechts aangetroffen op onderling geïsoleerde vindplaatsen in de Kempen en in enkele relicten in de Vlaamse Zand- en Zandleemstreek.

Tabel 2.5: Vergelijking van de oppervlakte ingenomen door heiden, vennen en heischraal grasland voor een beperkt gebied (oppervlakte = 21300 ha) volgens de BWK. BWK veldopname 1978-1996

BWK veldopname 1997 Heide

C..(1) Ha

Bos of aanplant

Intensief agrarisch

Extensief agrarisch "overgangsgraslanden"

410 ha

164 ha

41 %

207 ha

52 %

24 ha

6%

5 ha

1%

67 ha

45 ha

67 %

8 ha

12 %

14 ha

21 %

-

-

(1) waarvan 97 % heide met boomopslag (22 ha Cdb, 18 ha Ceb, 223 ha Cgb, 139 ha Cmb, de toevoeging ..b aan de karteringseenheid wijst op "boomopslag").

Instituut voor Natuurbehoud 16

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen

Figuur 2.4: Aantal Rode-Lijstsoorten planten van heiden, vennen en hoogveen per IFBL-uurhok na 1972.

Figuur 2.5: Aantal Rode-Lijstsoorten planten van oligotrofe waters per IFBL-uurhok na 1972.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

17


2. Biotopen Kenmerkende plantensoorten van oligotrofe waters zijn zeer sterk bedreigd. Van deze soorten is 10 % uitgestorven in Vlaanderen, terwijl 59 % bedreigd is. Bijna alle belangrijke lokaties van bedreigde soorten van deze groep zijn te vinden in de Kempen. De meest opvallende concentraties van vindplaatsen vindt men in het vijvergebied van Midden-Limburg en het Turnhouts Vennengebied (Figuur 2.5). Eén plantensoort uit Annex II van de Habitatrichtlijn komt voor in deze habitat, namelijk Drijvende waterwegebree (Luronium natans) en komt nog voor in het vijvergebied van Midden-Limburg, het Turnhouts Vennengebied en de vallei van de Kleine Nete. Bij de spinnen die opgenomen zijn in de Rode Lijst, zijn er 9 % kenmerkend voor droge struikheidevegetaties (hiervan behoort 1 % tot de categorie uitgestorven). 8 % van de Rode-Lijstsoorten is kenmerkend voor natte heide. Gebieden waar grote aantallen van deze soorten samen zijn aangetroffen, vindt men vrijwel uitsluitend in de Kempen (Figuur 2.6 en 2.7). 29 % van de dagvlinders uit de Rode-Lijst is kenmerkend voor heide en vennen. Hiervan zijn inmiddels drie soorten (8 %) uitgestorven in Vlaanderen. Figuur 2.8 toont het aantal kenmerkende soorten waargenomen per atlasblok, en dit zowel vóór als na 1991.Voor 1991 werden de grootste aantallen van deze soorten gevonden in de heideterreinen in en nabij de grote boscomplexen in de Leemstreek (Zoniënwoud, Hallerbos en Meerdaalwoud) en in de Kempen. Daarnaast werd een geringer aantal soorten aangetroffen in enkele duingebieden en op enkele zandige heideterreintjes in de Vlaamse Zand- en Zandleemstreek.

Na 1991 was het aantal kenmerkende soorten duidelijk afgenomen en zijn de grootste aantallen nagenoeg volledig beperkt tot de grotere heidegebieden in de Kempen. Daarnaast vindt men nog kleinere aantallen in geïsoleerde heideterreinen in de Vlaamse Zand- en Zandleemstreek. Kleine heiderelicten die vroeger in de grotere boscomplexen voorkwamen, zijn volledig dichtgegroeid of beplant waardoor de soorten verdwenen zijn. 25 % van de Rode-Lijstsoorten libellen is kenmerkend voor oligotrofe waters, vennen en hoogvenen; hiervan is één soort uitgestorven. Figuur 2.9 geeft het aantal kenmerkende soorten waargenomen per uurhok vóór en vanaf 1990. Soorten van oligotrofe plassen en hoogveen kwamen vroeger ruim verspreid voor in de Kempen. Ze werden ook aangetroffen in de omgeving van Brussel en in enkele veengebieden in de Scheldevallei. Momenteel zijn de gebieden met meer dan twee soorten beperkt tot de Kalmthoutse en Brechtse Heide, het Turnhouts vennengebied, Ravels, het Buitengoor te Mol, de vallei van de Zwarte Beek en de Hoge Kempen. Sommige van deze gebieden liggen verspreid over meerdere uurhokken.

Instituut voor Natuurbehoud 18

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen

Figuur 2.6: Aantal Rode-Lijstsoorten spinnen kenmerkend voor droge heide per atlasblok.

Figuur 2.7: Aantal Rode-Lijstsoorten spinnen kenmerkend voor natte heide per atlasblok.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

19


2. Biotopen

Figuur 2.8: Aantal kenmerkende soorten vlinders van heiden en hoogveen per atlasblok vóór (boven) en na 1991 (onder). De grijze kruisjes zijn atlasblokken die niet of slecht onderzocht zijn.

Instituut voor Natuurbehoud 20

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen

Figuur 2.9: Aantal kenmerkende soorten libellen van voedselarme waters, vennen en hoogvenen per atlasblok vóór (boven) en vanaf 1990 (onder).

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

21


2. Biotopen

Moerassen 10 5 1 4c grote zeggevegetaties en drijftillen 7a zuur laagveen 7b alkalisch moeras

Figuur 2.11: Aantal moerasplanten op de Rode-Lijst per IFBL-uurhok na 1972.

Figuur 2.12: Aantal Rode-Lijstsoorten spinnen kenmerkend voor moerassen per atlasblok.

Instituut voor Natuurbehoud 22

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen

Moerassen

Kruidige moerasvegetaties Moerassen zijn zowel kruidige vegetaties als moerasbossen.Tot de kruidige moerasvegetaties behoren rietland (Mr), zeebiesvegetaties (Mz), galigaanvegetaties (Mm), grote zeggenvegetaties (Mc), drijfzomen of drijftillen (Md), zuur laagveen (Ms), alkalisch laagveen (Mk), alkalisch laagveen in duinpannen (Mp), en natte ruigte met Moerasspirea (Hf). Moerasbossen en moerasstruwelen worden verder in de tekst besproken. Moerassen nemen slechts 0,5 tot 1,1 % in van de totale oppervlakte van Vlaanderen (Tabel 2.2). Het overgrote deel ervan bestaat uit Rietland, natte ruigte met Moerasspirea en mesotroof elzenbos met zeggen. De overige moeras-biotopen nemen elk slechts een erg geringe oppervlakte in (max. 3 - 600 ha). De meeste moerastypen zijn 'nagenoeg verdwenen', natte ruigten met moerasspirea zijn 'zeer tot uiterst zeldzaam' en rietland is 'zeldzaam tot zeer zeldzaam' (Tabel 2.2). De meeste moerassen zijn ook van internationaal belang (Tabel 2.2 en 2.3).

De kenmerkende hogere plantensoorten van moerassen werden onderverdeeld in drie groepen: soorten van grote zeggevegetaties en drijftillen en/of drijfzomen, soorten van zuur laagveen en soorten van alkalisch laagveen (Figuur 2.11). Andere types moerassen zoals Moerasspirearuigten en voedselrijke verlandingssituaties (niet veenvormend) worden hier niet besproken vanwege hun gering aantal Rode-Lijstsoorten. Grote aantallen Rode-Lijstsoorten zijn er vooral in de groep van de grote zeggevegetaties en drijftillen, de groep van zuur laagveen en in de groep van alkalisch laagveen. De kenmerkende soorten van zuur laagveen vindt men vrijwel uitsluitend in de Kempen. De ecologische groep van alkalisch laagveen bevat een zeer groot aantal bedreigde soorten die slechts op een zeer beperkt aantal plaatsen voorkomen en nooit algemeen zijn geweest. Belangrijke lokaties zijn de duinen van de Westkust, het Torfbroek in Berg, het Sluismeer en het Buitengoor in Mol, het Goorken bij Arendonk en ten zuiden van het Hallerbos, evenals op enkele recent ontstane biotopen zoals de Vaarttaluds in Moen en de kalkrijke opgespoten terreinen in de haven van Antwerpen.

Moerassen vindt men verspreid over geheel Vlaanderen (Figuur 2.10 in kaartenbijlage). Hun ligging is veelal gebonden aan valleien van rivieren en beken. Het areaal van deze biotopen is in bijzondere mate versnipperd. Veenvormende, voedselrijke verlandingsvegetaties zijn grotendeels beperkt tot de Kempen en de Leemstreek. Zuur laagveen is beperkt tot de Kempen.

Concentraties aan bedreigde soorten spinnen die gebonden zijn aan moerassen (Figuur 2.12) komen voor in de Kempen (voornamelijk soorten van zuur laagveen) en in de Blankaart en het Oost-Vlaams krekengebied (soorten van eventueel verruigde rietmoerassen). Ook opvallend is de nagenoeg continue band van vindplaatsen in de vallei van de Zeeschelde en de Durme.

Binnen een beperkt studiegebied, werden de oppervlakte ingenomen door "Natte ruigten met Moerasspirea" vergeleken op beide versies van de BWK (Tabel 2.6). Deze steekproef omvat slechts 3 tot 6 % van de Moerasspirearuigten in Vlaanderen.

48 % van de libellen van de Rode-Lijst is kenmerkend voor matig voedselrijke plassen en moerassen. Het gaat om 14 soorten waarvan al 5 uitgestorven zijn in Vlaanderen. Een groot aantal van deze soorten werd vroeger vooral gevonden langs de laagveengebieden van de Beneden-Schelde en Zennevallei, en in de venige Kempense beekdalen (Figuur 2.13). Momenteel zijn de gebieden met de hoogste soortenrijkdom de omgeving van Ravels, Lozerheide, het Stamprooierbroek en de Bosbeek te Opglabbeek. Gebieden waar nog meer dan één kenmerkende soort voorkomt, vindt men in de Leievallei te Harelbeke, het Leen te Eeklo, de Scheldevallei, in de omgeving van Mechelen, in het oosten van de Antwerpse Kempen en in Midden Limburg en de Hoge Kempen.

Gezien de erg geringe oppervlakte van de Moerasspirearuigten, moeten de resultaten van deze vergelijking met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Slechts ongeveer de helft van de oorspronkelijke oppervlakte heeft zich tijdens het afgelopen decennium vermoedelijk kunnen handhaven. Verbossing, beplanting en de omzetting naar graasweide lijken de belangrijkste oorzaken van de achteruitgang.

Tabel 2.6: Vergelijking van de oppervlakte ingenomen door moerassen voor een beperkt gebied (oppervlakte = 21.300 ha of 1,6% van de oppervlakte van Vlaanderen; 3 tot 6% van de Moerasspirearuigten binnen Vlaanderen) volgens de BWK. BWK veldopname 1978-1996 Moerasspirearuigten (Hf)

93 ha

BWK veldopname 1997 Verschillende eenheid Vermoedelijk geen reële wijziging 44 ha

47%

Verbost (successie)

9 ha (1)

Beplant

10%

18 ha

Graasweide (Hp*)

19%

21 ha

23%

(1) reeds Hfb op BWK, veldopname 1978-1996. Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

23


2. Biotopen

Figuur 2.13: Aantal kenmerkende soorten libellen van matig voedselrijke plassen en moerassen per atlasblok vóór (boven) en vanaf 1990 (onder).

Figuur 2.15: Aantal Rode-Lijstsoorten planten van moerasbos per IFBL-uurhok na 1972.

Instituut voor Natuurbehoud 24

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen

Figuur 2.16: Aantal Rode-Lijstsoorten spinnen kenmerkend voor moerasbos per atlasblok.

Figuur 2.18: Aantal Rode-Lijstsoorten planten van matig voedselrijke waters per IFBL-uurhok na 1972.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

25


2. Biotopen

Moerasbos en moerasstruweel Moerasbossen en -struwelen op relatief voedselarme bodems en bronbossen (mesotroof elzenbos met zeggen (Vm), oligotroof elzenbos met veenmossen (Vo), venig berkenbos (Vt), gagelstruweel (Sm), vochtig wilgenbos op venige, voedselarme, zure bodem (So), elzen-essenbos van bronnen en bronbeken Vc)) zijn 'nagenoeg verdwenen' of 'uiterst zeldzaam' en beslaan gezamenlijk slechts 0.1 tot 0.3 % van de Vlaamse oppervlakte of 1730 - 3600 ha (Tabel 2.1 en 2.2). Hun verspreiding is bijzonder gefragmenteerd en hoofdzakelijk gebonden aan de valleien van beken en rivieren in de Kempen. Bronbossen worden vrijwel uitsluitend aangetroffen in het westelijke deel van de Leemstreek (Figuur 2.14 in kaartenbijlage). Volgens het Besluit van de Vlaamse Raad van 23-7-98 behoren deze bos- en struweeltypes tot de "moerassen". Bossen en struwelen gebonden aan vochtige, voedselrijke (alluviale) bodems (alluviaal essen-olmenbos (Va), nitrofiel alluviaal elzenbos (Vn), vochtig elzen-eikenbos (Vf) en vochtige wilgenstruwelen op voedselrijke bodems (Sf) werden niet opgenomen in het Besluit van de Vlaamse Raad van 23-7-98. Ze bedekken gezamenlijk 0,35 tot 0,7 % van de oppervlakte van Vlaanderen of 4.860 - 9.740 ha (Tabel 2.1). Ze worden verspreid over nagenoeg geheel Vlaanderen aangetroffen. Opvallende concentraties bevinden zich in de valleien van rivieren en beken en de Vlaamse Ardennen en het Pajottenland (Figuur 2.14 in kaartenbijlage). Voor alle moerasbossen en -struwelen heeft Vlaanderen een internationale verantwoordelijkheid (Tabel 2.2, 2.3 en 2.4). Hogere plantensoorten opgenomen in de Rode Lijst en kenmerkend voor Elzen-essenbos van bronnen en bronbeken en alluviale bossen (alluviaal essen-olmenbos en nitrofiel alluviaal elzenbos) worden voornamelijk aangetroffen in de Leemstreek, in het bijzonder in de grotere boscomplexen van Vlaams-Brabant (ZoniĂŤnwoud, Meerdaalwoud) en in de Vlaamse Ardennen (Figuur 2.15). De soorten kenmerkend voor diverse types moerasbossen herbergen echter relatief weinig bedreigde plantensoorten. Bij de spinnen worden zes Rode-Lijstsoorten als kenmerkend voor moerasbossen beschouwd. Ze werden vooral gevonden in de Kempen (Figuur 2.16). In moerasbossen zijn ondergroei en vegetatiebulten belangrijke habitatkenmerken waarmee Rode-Lijstsoorten geassocieerd zijn (MAELFAIT et al. 1998).

Overige waterrijke gebieden Deze biotopen bedekken gezamenlijk slechts 0,4 tot 0,6 % (5260 - 7970 ha) van de oppervlakte van Vlaanderen

(Tabel 2.1).

Voedselrijke waters Voedselrijke (=eutrofe) waters vormen het grootste aandeel binnen deze groep. Met een oppervlakte van 3240 - 5130 ha (0,24 tot 0,38 % van Vlaanderen) blijven evenwel zeer tot uiterst zeldzame biotopen (Tabel 2.2, 2.3 en 2.4). Ze worden verspreid over heel Vlaanderen aangetroffen (Figuur 2.17 in kaartenbijlage), met toch enkele opvallende concentraties in en nabij de valleien van de Schelde, Durme, Demer, Dijle, Zenne en Nete en het vijvergebied Midden-Limburg. De kenmerkende planten van (matig) voedselrijke waters opgenomen in de Rode Lijst komen vooral voor in de Kempen, in enkele gebieden in de Vlaamse Zandstreek en de Scheldevallei (Figuur 2.18). 4 % van de soorten van deze groep is uitgestorven, 27 % is bedreigd.

Biotopen van zoute en brakke milieus Biotopen van zoute en brakke milieus (slikken, schorren, graslanden met zilte elementen en brakke plassen) worden uitsluitend aangetroffen langs de kust, de BovenSchelde, in het Oost-Vlaamse Krekengebied en in de Polders (Figuur 2.19 in kaartenbijlage). De oppervlakte slikken, schorren en brakke plassen bedraagt 1130 - 1580 ha. Het areaal graslanden met zilte elementen kan worden geschat op 2100 ha (0,15 % van Vlaanderen). Alle biotopen van zoute en brakke milieus zijn uiterst zeldzaam of nagenoeg verdwenen. Ze zijn van internationaal belang (Tabel 2.2, 2.3 en 2.4). Slikken, schorren, zoute tot brakke waters en graslanden met zilte elementen bevatten veel bedreigde soorten hogere planten. 24 % van de typische soorten is uitgestorven, 39 % is bedreigd. Soorten van zoute schorren en slikken zijn slechts goed vertegenwoordigd op een beperkt aantal plaatsen: de IJzermonding (Nieuwpoort), het Zwin (Knokke) en op de schorren langsheen de Schelde stroomafwaarts van Antwerpen (Figuur 2.20). Soorten van contactsituaties tussen zout en zoet (hoge schorren en graslanden met zilte elementen) komen vaak op dezelfde plaatsen voor, maar er zijn ook belangrijke lokaties in de kustpolders, in het Krekengebied en ter hoogte van Antwerpen. Men moet echter rekening houden met het feit dat van grote delen van de kustpolders geen plantenverspreidingsgegevens in de flora-databank aanwezig zijn. Spinnen opgenomen in de Rode Lijst en kenmerkend voor slikken en schorren werden aangetroffen in het Zwin, de schorre van de IJzermonding en de schorren in het Antwerps havengebied (Figuur 2.21).

Instituut voor Natuurbehoud 26

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen

Figuur 2.20: Aantal Rode-Lijstsoorten planten van zoute en brakke milieus per IFBL-uurhok na 1972.

Figuur 2.21: Aantal Rode-Lijstsoorten spinnen kenmerkend voor zoute en brakke milieus per atlasblok.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

27


2. Biotopen

Figuur 2.24: Aantal Rode-Lijstsoorten planten van kalkgraslanden en kalkrijke duingraslanden per IFBL-uurhok na 1972.

Figuur 2.25: Aantal Rode-Lijstsoorten spinnen kenmerkend voor droge, schrale graslanden per atlasblok.

Tabel 2.7: Evolutie van het areaal kalkrijk duingrasland aan de Westkust tussen 1950 en 1988 (PROVOOST & VAN LANDUYT, in voorbereiding).

mobiel duin

helm

pioniers-vegetatie

Duingrasland

struweel

bos

urbaan

1988

duingrasland

1950

.ha

728

22

2

70

168

211

89

153

%

100

14

0,3

10

23

29

12

21

Instituut voor Natuurbehoud 28

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen

Historisch permanente graslanden Zowel op basis van ecologische als juridische overwegingen (zie Tabel 2.1) kunnen de historische permanente graslanden voort worden onderverdeeld in (zie Figuur 2.22 in kaartenbijlage): - halfnatuurlijke graslanden; - soortenrijk permanent grasland; - graslanden met verspreide natuurwaarden.

Halfnatuurlijke graslanden Biotopen die worden gerangschikt als "halfnatuurlijke graslanden" beslaan samen amper 0,3 tot 0,6 % van de oppervlakte van Vlaanderen of 4.640 tot 8.870 ha (Tabel 2.1). Ze omvatten de kalkgraslanden (Hk), het kalkrijk duingrasland (Hd), de vochtige, licht bemeste graslanden (Hc, dotterbloemhooiland), de onbemeste, vochtige pijpestrootjesgraslanden (Hm, blauwgraslanden), het mesofiel hooiland (Hu, glanshavergraslanden) en de vochtige licht bemeste graslanden gedomineerd door russen (Hj). Het zijn allemaal biotopen die nagenoeg verdwenen zijn of zeer tot uiterst zeldzaam zijn. Velen zijn ook van internationaal belang (Tabel 2.2, 2.3 en 2.4). Kalkgraslanden zijn nagenoeg verdwenen en beperkt tot enkele kleine percelen in de Voerstreek en het zuiden van de provincie Limburg (Figuur 2.23 in kaartenbijlage). De oppervlakte kalkgraslanden is in Europa in de loop van de twintigste eeuw sterk achteruitgegaan (SCHAMINEE & WILLEMS 1996).Achteruitgang van kalkgraslanden is zowel te wijten aan intensivering (bemesting) van het landbouwkundig gebruik als aan extensivering (stoppen van graas- of maaibeheer). In het eerste geval worden de typische planten verdrongen door meer concurentiekrachtige soorten zoals Kropaar en Engels raaigras, in het tweede geval treedt struweelvorming op. De best ontwikkelde kalkrijke duingraslanden komen voor aan de westkust en op de golfterreinen van De Haan en Knokke (Figuur 2.23 in kaartenbijlage). De duingraslanden in de Zwinbosjes en de Kleine Vlakte zijn in ruime mate gedegradeerd: deze aan de binnenduinrand zijn achteruitgegaan door bemesting, de andere door overbetreding en verstruweling. Tabel 2.7 geeft de evolutie aan van het areaal kalkrijk duingrasland aan de Westkust in de periode 1950-1988 (PROVOOST & VAN LANDUYT, in voorbereiding). Van het oorspronkelijk areaal kalkrijk duingrasland is slechts 23 % bewaard gebleven. Het meeste is door gebrek aan beheer (wegvallen begrazing) verstruweeld (29 %) of beplant met bos (12 %), een ander groot deel is verdwenen door urbanisatie (21 %). In de groep hogere planten die kenmerkend zijn voor kalkgraslanden is er een hoog percentage bedreigde soor-

ten: 15 % is uitgestorven en 47 % is bedreigd. Soorten uit deze ecologische groep komen voor in enkele percelen in Kanne (en aansluitende percelen op de Sint Pietersberg), in duingraslanden en langsheen de Maas (Figuur 2.24). Soorten van kalkrijke duingraslanden hebben een lager aandeel bedreigde planten dan kalkgraslanden (Figuur 2.24). 8 % van deze soortengroep is uitgestorven, 16 % is bedreigd. Struisgrasvegetaties op zure bodem (Ha) werden al besproken in het deel 'Heiden en vennen'. Sommige groepen invertebraten maken echter weinig onderscheid tussen zure en kalkrijke droge schrale graslanden. Ze worden hier onder de gemeenschappelijke noemer 'droge, schrale graslanden' besproken. Bij de spinnen is 37 % van de Rode-Lijstsoorten kenmerkend voor droge, schrale graslanden. Dit grote aantal soorten illustreert het grote belang van droge, schrale graslanden voor het natuurbehoud in Vlaanderen. Ook hier vindt men de kenmerkende soorten zowel op struisgrasvegetaties op zure bodems als op kalkrijke duingraslanden en kalkgraslanden. De droge, schrale graslanden die het hoogste aantal kenmerkende Rode-Lijstsoorten herbergen, vindt men in de Kempen en de Duinen (Figuur 2.25). Vegetatiestructuren die belangrijk zijn voor de RodeLijstsoorten van dit biotooptype zijn vlekken onbegroeide bodem, gecombineerd met vegetatiepollen, verruigde stukken en dwergstruiken (MAELFAIT et al., in voorbereiding). 32 % van de Rode-Lijstsoorten dagvlinders zijn kenmerkend voor droge, schrale graslanden. Het gaat om 12 soorten waarvan er inmiddels vier zijn uitgestorven. Deze soorten vindt men zowel op struisgrasvegetaties op zure bodems als op kalkrijke duingraslanden en kalkgraslanden. Figuur 2.26 toont het aantal kenmerkende soorten van droge, schrale graslanden per atlasblok vóór en na 1991. Vroeger vond men de soorten van droge, schrale graslanden vooral in de duinen, in de omgeving van Gent en Brussel en verspreid over de Kempen. Momenteel komen meerdere van deze soorten alleen nog samen voor in de Westkust en op de kalkgraslanden van Kanne en de nabijgelegen Sint Pietersberg. Kleinere aantallen vindt men nog in de rest van de duinen, in het Drongengoedbos, op de opgespoten terreinen van de Antwerpse haven en in het oostelijk deel van de Kempen. Biotopen die werden gekarteerd als onbemest, vochtig pijpestrootjesgrasland (Hm, blauwgrasland) bedekken amper 0,01 tot 0,02 % van de Vlaamse oppervlakte (Tabel 2.1). Hun verspreiding is beperkt tot enkele kleine, onderling geïsoleerde percelen in de Kempen, het noorden van de Leemstreek en de Vlaamse zand- en zandleemstreek (Figuur 2.28 in kaartenbijlage). Blauwgraslanden komen voor op plaatsen waar de grondwatertafel dicht bij het oppervlak zit maar die nooit onder water komen te staan, ze werden

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

29


2. Biotopen nooit bemest en worden jaarlijks gemaaid. De voornaamste bedreigingen zijn verdroging en eutrofiëring (vermesting). Bij het stopzetten van het maaibeheer verruigen ze snel en er ontwikkelen zich dan over enkele jaren Moerasspirearuigten en struwelen (ZUIDHOFF et al. 1996). De Rode-Lijstplantensoorten die kenmerkend zijn voor onbemest, vochtig pijpestrootjesgrasland vormen een bijzonder sterk bedreigde groep. Van deze soorten is 15 % uitgestorven, 58 % is bedreigd. Goed ontwikkelde types van dit grasland zijn bijzonder soortenrijk, maar op dit ogenblik ook bijzonder zeldzaam. Bepaalde types van onbemest, vochtig pijpestrootjesgrasland zijn socio-ecologisch nauw verwant met zowel zure borstelgrasvegetaties als alkalisch laagveen.

Soorten typisch voor onbemest, vochtig pijpestrootjesgrasland komen vaak ook voor in zure borstelgrasvegetaties of alkalische moerassen. Enkele belangrijke lokaties voor soorten van deze zijn de Gulke putten (Wingene), het Vrieselhof (Viersel), de Zegge (Geel), nabij Lommel, het Torfbroek (Berg), enkele geïsoleeerde percelen ten zuidwesten van Aarschot (Vorsdonkbos-Turfputten, Heikant te Houwaart, vallei van de Kleine beek te St. Pieters Rode), het Goor (Westmeerbeek) en de Pomperik (Diepenbeek) (Figuur 2.27). Dit type biotoop vertoont geen echte affiniteit voor één van de ecodistricten. Vorige eeuw kwamen deze biotopen vrij verspreid voor maar nu zijn deze onbemeste graslanden beperkt tot enkele relicten.

Droge schrale graslanden aantal karakteristieke soorten 7-9 soorten 4-6 soorten 3 soorten 2 soorten

(12) (54) (24) (39)

Droge schrale graslanden aantal karakteristiek soorten 3 soorten (4) 2 soorten (26)

Figuur 2.26: Aantal kenmerkende soorten vlinders van droge, schrale graslanden per atlasblok vóór (boven) en na 1991 (onder). De grijze kruisjes zijn atlasblokken die niet of slecht onderzocht zijn.

Instituut voor Natuurbehoud 30

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen

Figuur 2.27: Aantal Rode-Lijstsoorten planten van onbemest, vochtig pijpestrootjesgrasland per IFBL-uurhok na 1972.

Figuur 2.29. Aantal kenmerkende soorten vlinders van vochtige, schrale graslanden (en moerassen) per atlasblok vóór (boven) en na 1991 (onder). De grijze kruisjes zijn atlasblokken die niet of slecht onderzocht zijn.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

31


2. Biotopen

Figuur 2.30: Aantal Rode-Lijstsoorten planten van mesofiele hooilanden en vochtige licht bemeste graslanden per IFBL-uurhok na 1972.

Instituut voor Natuurbehoud 32

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen 13 % van de Rode-Lijstsoorten dagvlinders zijn kenmerkend voor moerassen en vochtige, schrale graslanden. Het gaat om vijf soorten waarvan inmiddels al drie zijn uitgestorven. De soorten komen zowel voor op onbemest, vochtig pijpestrootjesgrasland als allerlei overgangen naar zuur laagveen en zure borstelgraslanden. Ze worden echter hier onder de term vochtige schrale graslanden besproken. Figuur 2.29 toont het aantal kenmerkende soorten van vochtige schrale graslanden per atlasblok vóór en na 1991.Vroeger vond men deze soorten vooral in de omgeving van Brussel en Antwerpen en in de Kempen. De drie overblijvende kenmerkende soorten komen nergens meer samen voor. Op enkele zandige of venige terreintjes in West- en Oost-Vlaanderen en op één plaats in de Kempen vindt men nog Aardbeivlinder; de Zilveren maan was tot voor kort eveneens nog aanwezig op één enkele vindplaats in de Kempen, maar lijkt ondertussen ook daar uitgestorven (MAES & VAN DYCK 1997). Mesofiele hooilanden (Hu, glanshavergraslanden) en vochtige, licht bemeste graslanden (Hc, dotterbloemhooilanden) bedekken samen 0,2 tot 0,4 % van de oppervlakte van Vlaanderen of 3.070 tot 5.510 ha (Tabel 2.1). Hun verspreiding (Figuur 2.31 in de kaartenbijlage) is zeer sterk gefragmenteerd.Veelal zijn er nog slechts relicten te vinden in perceelsranden en in wegbermen. Percelen gekarteerd als mesofiele hooilanden of dotterbloemhooilanden zijn opvallend geconcentreerd in de valleien van rivieren en beken (Figuur 2.31 in de kaartenbijlage). Beide graslandtypes kwamen vroeger vrij talrijk voor in alle ecoregio's en vormden een zeer belangrijk deel van de halfnatuurlijke graslanden. Achteruitgang van mesofiele hooilanden is te wijten aan bemesting en in belangrijke mate ook aan het scheuren en opnieuw inzaaien van de graslanden, wat leidt tot zeer soortenarme vegetaties. De oorzaken van de achteruitgang van de dotterbloemhooilanden zijn vooral te wijten aan toenemende bemesting en aan verdroging, waardoor stikstof en fosfaat ook beter beschikbaar worden (ZUIDHOFF et al. 1996). Door het droogtrekken van deze natte graslanden werd het ook veel gemakkelijker om ze te scheuren en opnieuw in te zaaien. Een deel van de dotterbloemhooilanden is, door het achterwege blijven van natuurtechnisch beheer, geëvolueerd naar Moerasspirearuigten. De kenmerkende hogere plantensoorten van mesofiele hooilanden en dotterbloemhooilanden zijn nog relatief algemeen. Soorten van deze hooilandtypes komen vaak nog voor in restpopulaties in perceelsranden en wegbermen. Van de soorten van glanshavergraslanden is 5 % uitgestorven en 11 % bedreigd, van de soorten van dotterbloemhooiland is 7 % uitgestorven en 23 % bedreigd. De soorten die werden opgenomen op de Rode Lijst hebben evenwel een eerder beperkte verspreiding (Figuur 2.30). Dat wijst er op dat goed ontwikkelde vormen van deze

biotooptypes nog zeldzamer zijn dan uit de BWK blijkt en dus slechts een kleine fractie vertegenwoordigen van de percelen die tot deze types werden gerekend (vergelijk Figuur 2.30 en Figuur 2.31 in kaartenbijlage).

Soortenrijk permanent grasland Het gaat om soortenrijke cultuurgraslanden met relicten van halfnatuurlijke graslanden (Hp*, Hpr*) en zilte graslanden (Hpr*+Da, Hpr+Da). Hun oppervlakte voor Vlaanderen kan nog niet juist worden ingeschat aangezien de betreffende karteringseenheden bij de oudere BWKkarteringen nog niet werden gehanteerd. Uit Tabel 2.1 en 2.2 kan worden afgeleid dat het vermoedelijk om uiterst zeldzame (soortenrijke en zilte poldergraslanden) tot zeldzame biotopen (Hp*) gaat. Figuur 2.19 en 2.22 (zie kaartenbijlage) geven de spreiding van deze biotopen weer. De plantensoorten typisch voor zilte graslanden werden besproken bij de brakke en zoute milieus (zie overige waterrijke milieus). Het gaat immers bijna allemaal om dezelfde soorten als de (hoge) schorren.

Graslanden met verspreide biologische waarden Het betreft minder soortenrijke weilandcomplexen met veel sloten en/of microreliëf (Hpr) en graslanden met verspreide elementen van rietland en/of van dotterbloemhooilanden (Hp+Mr, Hp+Hc(Kn)). De laatste groep behoort eveneens tot de uiterst zeldzame biotopen (0,2 % van de oppervlakte van Vlaanderen). De weilandcomplexen met veel sloten en/of microreliëf moeten met een oppervlakte van 0,9 tot 1,3 % van Vlaanderen als vrij zeldzaam worden beschouwd (Tabel 2.1 en 2.2). Figuur 2.22 in de kaartenbijlage geeft de spreiding van bovenvermelde graslandtypen. Ook graslanden met overdruk fauna (Hp met zwarte arcering op de BWK) behoren tot deze groep, maar hun oppervlakte kan momenteel niet worden ingeschat. Vanuit ecologisch oogpunt moet deze groep worden uitgebreid met: • graslandcomplexen met andere waardevolle kleine landschapselementen dan deze in de grasland-, moeras- of waterrijke sfeer; er is immers geen enkele ecologische grondslag om de aanwezigheid van heiden en vennen, waterrijke gebieden, duinvegetaties en andere moerassen en halfnatuurlijke graslanden minder belangrijk te vinden dan deze van rietlanden of dotterbloemhooilanden;

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

33


2. Biotopen • graslandcomplexen met bomenrijen en/of houtkanten, zowel van drogere als nattere milieu's; ook hier komen immers de soorten van bovenvermelde biotopen voor, hoewel dit niet afzonderlijk werd gekarteerd op de BWK omdat het als vanzelfsprekend onderdeel van de bomenrijen en houtkanten wordt beschouwd; • graslanden op lemige of kleine, relatief vochtige bodems, in valleien met een hoge ecologische kwaliteit (Hp met lichtgroen gearceerde overdruk op de BWK); de interactie tussen ecologisch goed ontwikkelde beek en vochtig grasland is immers van even hoog ecologisch belang voor de aanwezige soorten als het voorkomen van soorten uit bovenvermelde biotopen in de perceelsranden. Hun oppervlakte kan momenteel niet juist worden ingeschat deels omdat bij de BWK (terreinopname vóór 1997), onvoldoende rekening werd gehouden met niet opgaande kleine landschapselementen, deels door het te veel voorkomen van Hp in complex met akkers en soortenarme graslanden (Hx). De uit de BWK afgeleide oppervlakten wijzen op een tendens naar meer algemene biotopen (Tabel 2.1 en 2.2). Het belang van deze biotopen t.o.v. het voorkomen van Rode-Lijstsoorten moet voort worden onderzocht.

Struwelen De drie meest interessante types (Sg: Brem-en Gaspeldoornstruweel ; Sp: doornstruweel ; Sk: struweel op kalkhoudende bodem) zijn nagenoeg verdwenen of uiterst zeldzaam en bedekken amper 0,04 tot 0,07 % van de oppervlakte van Vlaanderen of 590 tot 990 ha (Tabel 2.1). Doornstruweel en struweel op kalkhoudende bodem zijn voor het natuurbehoud van internationaal belang (Tabel 2.3). Bij de kenmerkende hogere planten van deze biotopen zijn vooral de soorten gebonden aan struwelen op kalkhoudende bodem bedreigd: 7 % van de soorten is uitgestorven, 63 % is bedreigd. Rode-Lijstsoorten uit deze groep komen vooral voor in Zuid-Limburg, de Voerstreek en in de duinen van de Westkust (Figuur 2.32). Andere types struwelen bevatten een veel geringer aantal bedreigde soorten. De Rode-Lijstsoorten uit deze groepen komen vaak samen voor met de soorten van zomen op kalkhoudende droge bodem (Figuur 2.32).

Mesofiele bossen Tot de mesofiele bossen rekent men alle loofbostypes die op relatief droge grond voorkomen: met name het eiken-berkenbos (Qb), het zuur eiken- en beukenbos (Qs, Fs), het eiken- en beukenbos met Witte veldbies (Ql, Fl), het ravijnbos op zure grond (Es), het eiken-haagbeukenbos met en zonder Wilde hyacinth (Qa, Fa, Qe, Fe), het beukenbos

met Parelgras en Lievevrouwebedstro (Fm), het ruderaal olmenbos (Ru, Rud), het eiken-haagbeukenbos en beukenbos op kalkhoudende bodem (Ek) en ravijnbos in kalkrijke gebieden (Ek). Deze bossen van drogere gronden bedekken 1,7 tot 2,8 % van de Vlaamse oppervlakte (Tabel 2.1). Het gaat praktisch allemaal om biotopen die zeer tot uiterst zeldzaam zijn of nagenoeg verdwenen zijn (Tabel 2.2). Alleen het 'zuur eiken- en beukenbos' en het 'eiken-berkenbos' zijn algemener (zeldzaam, respectievelijk vrij zeldzaam). Ze worden echter eveneens als internationaal belangrijk erkend, net als vele andere types mesofiel bos (Tabel 2.3). Deze biotopen vindt men over geheel Vlaanderen, met uitzondering van de ecoregio's Duinen en Polders (Figuur 2.34 in kaartenbijlage). Er is wel een duidelijke differentiatie in de verspreiding van de onderscheiden types over de ecoregio's. Eikenberkenbos wordt vooral in de Kempen aangetroffen, eiken-haagbeukenbos in de Leemstreek, zuur eiken- en beukenbos in de Leemstreek en in de Vlaamse zand- en zandleemstreek en eiken- en beukenbos met witte veldbies in de Voerstreek. Bedreigde soorten hogere planten, kenmerkend voor de mesofiele bossen, vindt men voornamelijk in de leemstreek (Figuur 2.33). De voornaamste lokaties zijn de Vlaamse Ardennen, het Zoniënbos, het Meerdaalwoud, het Walenbos en omgeving en de Voerstreek. De meeste ecologische groepen van deze bossen bevatten relatief weinig bedreigde soorten. Alleen de soortengroep van eiken-haagbeukenbos en beukenbos op kalkhoudende bodem (Qk, Fk) (75 % van de typische soorten bedreigd, 0 % uitgestorven) en ravijnbossen op kalkrijke bodem (Ek) (44 % van de soorten bedreigd, 0 % uitgestorven) bevat meer bedreigde soorten dan de andere ecologische groepen. Soorten van deze bostypes komen in Vlaanderen nauwelijks voor omdat er ook geen geschikte standpaatsen voorkomen of omdat deze bostypes zich hier aan de rand van hun areaal bevinden (continentale types). De meeste Rode-Lijstsoorten planten, kenmerken voor mesofiele bossen, komen voor in de grotere boscomplexen in de leemstreek zoals Zoniënwoud en Meerdaalwoud en in de Voerstreek. 10 % van de spinnen van de Rode Lijst zijn kenmerkend voor mesofiele bossen. Deze soorten vindt men verspreid over gans Vlaanderen (Figuur 2.35). Bijzondere concentraties van Rode-Lijstsoorten van dit biotooptype zijn behalve in de Kempen, voornamelijk te vinden in bosfragmenten in de Leemstreek. Zeer belangrijk voor deze soorten is de aanwezigheid van zomen, dood hout en ondergroei (MAELFAIT et al., in voorbereiding). Bij de dagvlinders is 46 % van de Rode-Lijstsoorten kenmerkend voor mesofiele bossen en struwelen in Vlaanderen. Het gaat om 17 soorten waarvan er inmiddels al 8 zijn uitgestorven. De soorten van bossen en struwelen

Instituut voor Natuurbehoud 34

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen

Figuur 2.32: Aantal Rode-Lijstsoorten planten van struwelen per IFBL-uurhok na 1972.

Figuur 2.33: Aantal Rode-Lijstsoorten planten van mesofiele bossen per IFBL-uurhok na 1972.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

35


2. Biotopen

Figuur 2.35: Aantal Rode-Lijstsoorten spinnen kenmerkend voor mesofiele bossen per atlasblok.

Figuur 2.36: Aantal kenmerkende soorten vlinders van mesofiele bossen en struwelen per atlasblok vóór (boven) en na 1991 (onder). De grijze kruisjes zijn atlasblokken die niet of slecht werden onderzocht.

Instituut voor Natuurbehoud 36

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen worden hier samen besproken omdat de meeste soorten vlinders juist afhankelijk zijn van de combinatie bos - struweel - open plekken in het bos. De Rouwmantel en de Grote vos zijn eveneens kenmerkende bossoorten, maar kunnen omwille van hun zwerfgedrag bijna overal, zij het occasioneel, worden waargenomen; in de analyse worden deze soorten dan ook buiten beschouwing gelaten. Figuur 2.36 toont het aantal kenmerkende soorten van bossen en struwelen per atlasblok vóór en na 1991.Vroeger kon men grote aantallen van deze soorten vinden in de bossen rond Brussel (Hallerbos, Zoniënbos, Meerdaalbos, Torfbroek, ...), Antwerpen (Kalmthoutse heide, Westmalle-Zoersel) en in het Walenbos. Momenteel vindt men het grootste aantal bos- en struweelsoorten voornamelijk in grotere bosgebieden in de Kempen (de Vallei van de Zwarte Beek, het Kolisbos (Neerpelt), het Mechels Bos (Maasmechelen), het Bergerven en de Bosbeekvallei (Neeroeteren en Opoeteren), St-Martensheide en Stamprooierbroek (Bree) en het Jagersborg (Maaseik)), maar ook in het Drongengoedbos (Knesselare). Kleinere aantallen vindt men tegenwoordig voornamelijk in de Kempen, maar ook in het noorden van West- en Oost-Vlaanderen, in de omgeving van Brussel, in de Dijlevallei en in het Walenbos.

Waterlopen

Natuurlijke verscheidenheid Waterlopen en hun valleigebied zijn de laagst gelegen lijnvormige elementen in het landschap. Ze herbergen niet enkel een typische fauna en flora, ze vormen bovendien belangrijke migratieroutes voor heel wat soorten. De 'natuurlijke' variatie aan levensgemeenschappen in beken en rivieren in Vlaanderen hangt enerzijds samen met de fysisch-geografische situering en anderzijds met de dimensies van de waterloop. Een derde belangrijke factor is de mens. Naast beken en rivieren zijn er in Vlaanderen heel wat kunstmatig aangelegde waterloopnetwerken aanwezig.Vooral in de bekkens van Polders en Gentse Kanalen bepalen zij het landschap. Ze zijn van 'oorsprong' gekenmerkt door een veel rechtlijniger patroon en door een geringe stroomsnelheid. Het peil en zelfs de stroomrichting worden vaak kunstmatig geregeld. Binnen Vlaanderen kunnen 13 waterlooptypen onderscheiden worden. Tabel 2.8 geeft een overzicht van de waterlooptypen en hun procentuele verdeling binnen Vlaanderen.

Tabel 2.8: Verdeling van de waterlooptypen in Vlaanderen. TYPE BEKEN • Zandstreek – Kempen • Kleine beken • Grote beken • Zandleem- en Leemstreek • Kleine beken • Bronbeken • Grote beken RIVIEREN • Rivieren (< 20 m breed) • Grote rivieren (> 20 m breed) • Maas GETIJRIVIEREN • Zoet • Brak KUNSTMATIGE WATERLOPEN • Kanalen • Polderlopen • Gentse kanalen TOTAAL

Lengte (km)

Lengte (%)

4104 286

25.2 1.8

6665 155 713

40.9 1 4.4

174 276 51

1.1 1.7 0.3

185 39

1.4 0.4

699 1665 1200 16212

4.3 10.2 7.4

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

37


2. Biotopen Figuur 2.37 (in kaartenbijlage) geeft de verspreiding van de waterlooptypen in Vlaanderen weer. De grenzen van de waterlooptypen vallen niet volledig samen met de afbakening van fysisch-geografische systemen die gehanteerd wordt voor de beschrijving van terrestrische systemen. Zo zijn de kunstmatige netwerken niet beperkt tot de polders. Ook het stroomgebied van de Gentse kanalen vertoont vrijwel uitsluitend gegraven systemen waarvan de levensgemeenschappen grote gelijkenissen vertonen met deze in de Polders. Anderzijds komen de verschillen tussen zandleem- en leemstreek niet duidelijk tot uiting in verschillende levensgemeenschappen voor beken. Er worden dan ook geen aparte type voor zandleem onderscheiden. De fysisch-geografische situering bepaalt enerzijds de natuurlijke verschillen in waterkwaliteit. Deze verschillen komen vooral tot uiting in de beken.Typische laaglandbeken in de Kempen worden hoofdzakelijk gevoed door regenwater en oppervlakkige kwel met grote debietschommelingen voor gevolg. De geringe verblijftijd van het regenwater in de minerale bodem zorgt voor lage ionenconcentraties in het oppervlaktewater. Het water is kalkarm en zuur. Enkel ijzer komt plaatselijk in hoge concentraties voor en geeft de beken een typische oranje kleur. In de zandleem- en de leemstreek zijn meer bronnen aanwezig. Het water is er kalkrijker. Hogere ionenconcentraties zorgen voor een hogere productiviteit. De 'natuurlijke' verschillen in watertypen worden gedeeltelijk genivelleerd door het netwerk van kanalen dat de Kempen doorkruist. Het regenwater in de zure bovenlopen vermengt zich met kanaalwater waardoor een meer gebufferd en kalkrijker watersysteem ontstaat. De verschillen in voeding en waterkwaliteit hangen ook samen met verschillen in sediment, verval en stroomsnelheid. De kleine beken in de Kempense zandstreek, die meestal minder dan 5 meter breed zijn, worden vooral gekenmerkt door een zeer laag verval, een zandige bodem en een diffuus kwelgebied. Lokale kwelgebieden met kalkrijker water zijn vaak te herkennen door de aanwezigheid van Kleine watereppe. Het voedingsgebied van de bovenlopen is vaak vergraven tot een uitgebreid netwerk van grachtjes en er treden grote debietschommelingen. In de zure bovenlopen komen een aantal typische waterplanten voor zoals Naaldwaterbies, Haaksterrekroos en Drijvende waterweegbree. Bij sterke verzuring kan ook Knolrus worden aangetroffen. De ééndagsvlieg Leptophlebia en de steenvlieg Leuctra zijn typische zuurtolerante invertebraten. Indien, door diepe kwel of door menselijke beïnvloeding het water minder zuur wordt verdwijnen deze soorten snel en worden Waterranonkelsoorten en Sterrekroossoorten aangetroffen, samen met moerasplanten zoals Watermunt, Witte waterkers of waterviolier. Door het lage calciumgehalte zijn de beken van nature weinig productief. Beken die frequent droogvallen zijn gekenmerkt door een lagere diversiteit. Ze kunnen snel gekoloniseerd worden door een aantal kevers

en wantsen. De permanente niet verzuurde beken herbergen vissoorten zoals Drie- en Tiendoornige stekelbaars, Kleine modderkruiper, Rivierdonderpad, Beekprik, Bermpje en Grondel. De grotere Kempense beken vertonen van nature nog steeds een lage productiviteit. De visfauna zal diverser zijn en er treedt een verschuiving op naar grotere soorten zoals Baars, Brasem, Blankvoorn, Rietvoorn, Karper en Zeelt. De vegetatie verschuift naar een dominantie van Drijvend fonteinkruid, Kleine egelskop en Pijlkruid. Beide beektypen worden aangetroffen in het noorden noord-oostelijk deel van Vlaanderen in de stroomgebieden van Nete, Maas, Schijn en Demer (zie Figuur 2.37 in kaartenbijlage). De hoogste actuele waarde is terug te vinden in de bekkens van de Abeek, de Bosbeek, de bovenloop van de Zwarte beek en de bovenloopstelsels van de Kleine en de Grote Nete. De kleine beken uit de zand-, zandleem- en leemstreek hebben meestal een breedte kleiner dan 3 meter en worden gevoed door een combinatie van bronnen en grachten. Het zijn van nature zeer productieve systemen. Ze vertonen een typische vegetatie van helder, voedselrijk stromend water met moerasplanten zoals Kleine watereppe, Beekpunge, Witte waterkers en Moerasvergeet-mij-nietje en echte waterplanten zoals Gekroesd fonteinkruid en een aantal sterrekroossoorten. In de meest kalkrijke en snelstromende beken, vooral gekoppeld aan de Krijtstreek en de Voerstreek, wordt van nature Vlottende waterranonkel aangetroffen, nu sterk teruggedrongen door verontreiniging. In de macro-invertebratenfauna zal het Zoetwatervlokreeftje sterk domineren. De dominerende vissoorten zijn Rivierdonderpad, Bermpje, Kleine modderkruiper en Drie- en Tiendoornige stekelbaars. In de meest snelstromende beken kan naast Beekforel ook een visfauna uit de Barbeelzone voorkomen met voor Vlaanderen zeer zeldzame soorten als Barbeel, Kopvoorn, Serpeling, Gestippelde alver en Sneep. De waardevolle beektrajecten behoren vooral tot het subtype van de bronbeken. Bronbeken vormen een aparte groep binnen de kleine beken. Ze komen vooral voor in de zandleem- en de leemstreek.Vooral in het zuiden van Vlaanderen is een grote concentratie aan bronbeken aanwezig, vaak gesitueerd in een bosrijke omgeving met een rijke voorjaarsflora met vochtminnende soorten en kwelindicatoren zoals Goudveil, Bittere veldkers en Dotterbloem. Bronbeken vertonen een groot verval en worden gekenmerkt door een specifieke levensgemeenschap met stroomminnende soorten zoals de eendagsvlieg Ecdyonurus en de kokerjuffer Philopotamus montanus. Indien de beek voldoende diep is kunnen rondbeksoorten als Beekprik en vissoorten zoals Rivierdonderpad en Beekforel voorkomen. Op de kaart en

Instituut voor Natuurbehoud 38

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen in Tabel 2.8 werden enkel die bronbeken aangeduid waarvoor gegevens beschikbaar waren van verval en breedte. De lijst is bijgevolg niet volledig. De belangrijkste vertegenwoordigers van dit type zijn terug te vinden in het zuidelijk deel van Vlaanderen, op de grens met Wallonië, nl. in de Voerstreek, in het Hallerbos en bronbeken in het Zwalmbekken, het bekken van de Bovenschelde, het Dender- en IJzerbekken. De grote beken uit de zandleem- en leemstreek hebben een breedte van 3 tot 10 meter. Van nature komt er een grote verscheidenheid aan fonteinkruiden voor gaande van Gekroesd, Glanzig en Haarfijn fonteinkruid in stromende trajecten en Drijvend, Puntig, Tenger en Klein fonteinkruid in de traagstromende delen. De fauna is vergelijkbaar met de kleinere beken. De typische soorten voor snelstromend water zijn grotendeels verdwenen. Het aantal waardevolle beektrajecten is zeer beperkt. De deelbekkens waaronder de IJsse in het Dijlebekken, de Motte, de Velp en de Winge in het Demerbekken, de Molenbeken en de Mark in het Denderbekken, en de Heidebeek in het IJzerbekken zijn potentieel nog waardevol en natuurontwikkelingsprojecten zouden ervoor kunnen zorgen dat dit type opnieuw vertegenwoordigd is in Vlaanderen. Sommige libellen kunnen als indicatorsoort gebruikt worden voor de ecologische kwaliteit van beken. 31 % of 9 soorten zijn duidelijk gekoppeld aan stromend water; hiervan zijn inmiddels drie soorten (14 %) uitgestorven in Vlaanderen. Figuur 2.38 toont het aantal kenmerkende soorten waargenomen per atlasblok en dit zowel vóór als vanaf 1990.Vóór 1990 kwamen die soorten vooral voor in grote delen van de Kempen, in de omgeving van Brussel en in het gebied dat de overgang vormt tussen de Kempen, Vochtig Haspengouw en de Limburgse Maasvallei. Momenteel komen meerdere van deze soorten alleen nog samen voor in de bovenlopen van de Kleine en Grote Nete, hun bijhorende bevloeiingskanaaltjes en taplopen, het vloeiweidensysteem van Lommel en de Dommel in het naburige Hageven te Neerpelt, het Stamprooierbroek te Kinrooi, de Zijpbeek te Rekem en in mindere mate enkele beken in Midden-Limburg. Dit zijn allemaal beken die behoren tot de groep van de Kempense kleine beken. Ook in het noorden van de Grensmaas komen nog twee soorten voor.Van bijzonder belang zijn enkele bronbeken in de Vlaamse Ardennen en in de regio ten zuiden van Leuven waar slechts één maar zeer gespecialiseerde soort, namelijk de Gewone bronlibel voortkomt. De rivieren in Vlaanderen worden op basis van hun afmetingen opgesplitst in 2 subtypes (breedte kleiner of groter dan 20 meter).Tot de kleine rivieren behoren de benedenlopen van Berwinne, Dijle, Demer, Gete, en Zenne, terwijl Boven-Schelde, Leie, Dender en IJzer tot de grote rivieren worden gerekend (zie Figuur 2.37 in kaartenbijlage). De

rivieren zijn van nature zeer productieve systemen met een aantal typische soorten zoals het Rivierfonteinkruid en een aantal molluscen zoals Theodoxus fluviatilis en Unio crassus, Pseudoanodonta complanata en Dreissena polymorpha. Op dit ogenblik worden er ten gevolge van verontreiniging geen soortenrijke levensgemeenschappen aangetroffen. De Berwinne en de Dijle stroomopwaarts Leuven worden tot de meest waardevolle riviertrajecten gerekend. Ook de benedenlopen van IJzer en Leie hebben heel wat potenties voor het natuurbehoud en zouden via natuurontwikkelingsprojecten mede een belangrijke vertegenwoordiger van dit type kunnen worden. De Maas is de enige rivier met een grintbedding en is verder gekenmerkt door een groot verval en een combinatie van grote breedte en geringe diepte. Het is een waterloop uit de barbeelzone met naast Barbeel, soorten als Kopvoorn en Sneep, maar ook Blankvoorn, Snoek, Baars en Paling worden veelvuldig aangetroffen. Vroeger kwamen er heel wat anadrome soorten voor zoals Zeeprik, Rivierprik, Atlantische steur, Elft, Fint, Zalm, Zeeforel en Houting. Het is een zeer specifiek type en ook hier zouden natuurontwikkelingsprojecten de soortenrijkdom verder moeten herstellen. De fysisch-chemische waterkwaliteit vertoont naast een variatie aan kalkrijkdom ook natuurlijke verschillen in zouten chlorideconcentraties die aan de basis liggen van verschillen in levensgemeenschappen. In het estuarium van de Schelde is er op grondgebied Vlaanderen een natuurlijke gradiënt van zoet naar brak water aanwezig, die ook duidelijk waarneembaar is in de soortengradient van rivierbegeleidende slikken- en schorrenvegetaties.Verschillen in zoutconcentraties komen ook voor in de Polders en de IJzer. Oude kreekstelsels vertonen vaak sterke schommelingen in zoutconcentraties. Ook de kunstmatig aangelegde grachtenstelsels hebben op verschillende plaatsen seizoensgebonden verschillen in chlorideconcentraties die samenhangen met de regeling van het waterpeil. De getijrivieren worden op basis van de chlorideconcentraties opgesplitst in 2 subtypen. De zoetwatergetijrivieren omvatten de getijzones van Beneden-Nete, Grote en Kleine Nete, Dijle, Zenne, Rupel, Durme en Zeeschelde tussen Gent en Burcht. Tot de brakwatergetijrivieren behoren enkel de Zeeschelde stroomafwaarts Burcht en de IJzermonding. De grens tussen brak en zoet wordt op 0,3 g Cl-/l gelegd. De concentraties variëren op één plaats echter sterk ten gevolge van de getijwerking en de opsplitsing tussen zoet en brak met Burcht als grens is dan ook vrij kunstmatig. Getijrivieren zijn van nature gekenmerkt door uitgestrekte schorren en slikken. De schorren vertonen een zeer typische vegetatie. De zoetwaterschorren zijn meestal soortenrijker dan brakwaterschorren. Naast riet komt er een typische voorjaarsflora voor met Dotterbloem en Bittere

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

39


2. Biotopen

Figuur 2.38: Aantal kenmerkende soorten libellen van stromend water per atlasblok vóór (boven) en vanaf 1990 (onder).

Instituut voor Natuurbehoud 40

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen veldkers. Een typische variant is de Spindotterbloem. De soortensamenstelling wordt mede bepaald door de overstromingsfrequentie. Zo kennen pioniersvegetaties zonder Riet met soorten als Rietgras, Liesgras, Grote lisdodde, Ridderzuring en Waterpeper een hoge overstromingsfrequentie. Wieren als Nopjeswier en Darmwier behoren eveneens tot de pioniersvegetatie onder de gemiddelde hoogwaterlijn.Wilgenstruwelen vormen de normale climaxvegetatie. De fysiologische stressfactor veroorzaakt door zout zorgt voor een zeer specifieke soortensamenstelling van de brakwaterschorren en -slikken. Nopjeswier, Zeekraal, Engels slijkgras en Klein zeegras zijn slikkoloniserende pioniersvegetaties. Op de overgang naar schor groeien Zeebies en Ruwe bies met soorten als Zilte schijnspurie, Echt lepelblad, Zeepostelein, Lamsoor en Melkkruid. Hoger gelegen schorrenvegetaties bevatten Strandkweek, Spiesbladmelde en Zeeaster. Omwille van de hoge milieudynamiek is het aantal soorten invertebraten gering. Ze kunnen echter in zeer grote densiteiten voorkomen. De visfauna bevat van nature eveneens brakwatersoorten als Zeeprik, Haring, Sprot, Spiering, Zeedonderpad en Tarbot. Heel de getijzone wordt, zelfs op internationale schaal, als een belangrijke vertegenwoordiger van dit habitattype beschouwd. De kunstmatige waterlopen worden aangetroffen in streken waarin door de geringe reliëfverschillen, de gravitaire afwatering wordt bemoeilijkt. Hiertoe behoren de polderwaterlopen, de kunstmatige watergangen van het Bekken van de Gentse Kanalen en de alluviale grachtenstelsels van de rivieren. De kanalen die grotendeels gegraven zijn ten behoeve van de scheepvaart doorkruisen heel Vlaanderen en zijn dan ook niet gekoppeld aan een fysisch-geografische streek. De levensgemeenschappen van kunstmatige waterlopen bevatten vaak soorten van stilstaande wateren en de verscheidenheid hangt ook hier samen met een gradiënt in chlorideconcentraties. Stilstaande (of periodiek stromende) wateren zijn van nature gekenmerkt door een zeer grote verscheidenheid aan groeivormen. Er komen zowel wortelende, zwevende als drijvende waterplanten voor zoals kranswieren, Krans- en Aarvederkruid, Kikkerbeet, Krabbescheer, Gele plomp, Witte waterlelie en talrijke kroossoorten. Het verhogen van de trofiegraad bevoordeelt op zeer veel plaatsen de kroosvegetaties waardoor de rijke onderwatervegetatie verdwijnt. Een typische soort langs de kleiige oevers is Zwanebloem. In de Scheldepolders op rechteroever zijn soorten als Veenwortel en Dichtbladig fonteinkruid eerder gebonden aan de specifieke situatie van voedselarmer water dat over een rijker kleisediment stroomt. De invertebratenfauna in kunstmatige waterlopen vertonen eveneens soorten typisch voor zwakstromend tot stilstaand water met een groot aandeel aan molluscen, kevers en wantsen.

Slechts weinig soorten zijn aangepast aan een stijgende zoutconcentratie. Voorbeelden uit de watervegetatie zijn Grote kroosvaren, Schedefonteinkruid, Aarvederkruid, Gedoornd en Ongedoornd hoornblad. Deze soorten zijn meestal ook tolerant voor eutrofiering.Typisch halofiele soorten zijn Zannichellia en Zilte waterranonkel. Tot de invertebratengemeenschap behoren typische brakwatersoorten zoals de crustaceeën Gammarus zaddachi, Neomysis integer en Palaemonetes varians en muggenlarven Chironomus salinarius en Chironomus halophilus. Tot waardevolle vertegenwoordigers van het type kunstmatige waterlopen behoren onder andere de Boezingegracht in het IJzerbekken, het slotenstelsel langsheen het overstromingsgebied van de IJzer, de Oude Kale die op de overgang ligt van beekstelsel naar kunstmatige watergangen in het bekken van de Gentse Kanalen, de DurmeMoervaart in de vlakte van de Vlaamse Vallei, de Damse Vaart en de krekengebieden van de Scheldepolders.

Ecologische kwaliteit Waterlopen zijn verzamelplaatsen van water. Door hun ligging en hun lijnvormig karakter worden ze sterk beïnvloed door het omringende landgebruik. Bovendien vervullen ze talrijke functies gaande van scheepvaart over drinkwatervoorziening, recreatief, industrieel en agrarisch gebruik, tot het opvangen en transporteren van afvalstoffen. "Natuur" is meestal slechts één van de nevenfuncties. De mens heeft de watersystemen steeds proberen aan te passen om optimaal in eigen behoeften te voorzien.Waterlopen werden rechtgetrokken, dijken aangelegd, oevers verstevigd. Het hydrologisch netwerk is ten gevolge van deze menselijke ingrepen sterk versnipperd en waardevolle habitats zijn gereduceerd tot korte trajecten, vaak geïsoleerd van stroomop- en stroomafwaarts gelegen gebieden. Ook de natuurlijke relaties tussen de beek en haar vallei zijn op veel plaatsen verbroken. In het kader van de studie naar typologie en ecologische kwaliteit van waterlopen in Vlaanderen (SCHNEIDERS et al. 1995), werden beken, rivieren en kunstmatige waterloopnetwerken beoordeeld op waterkwaliteit en struktuurkenmerken. De waterkwaliteitsbeoordeling steunt op een combinatie van een biologische beoordelingsmethode (Belgische Biotische Index) en een fysisch-chemische beoordeling. Er werden 5 kwaliteitsklassen onderscheiden en Tabel 2.9 geeft een overzicht van de procentuele verdeling over de 5 klassen per waterlooptype. De waterkwaliteit is globaal genomen slecht tot zeer slecht. De laatste jaren hebben grote saneringsinspanningen er wel toe geleid dat in heel wat waterlopen de kwaliteit verschoven is van zeer slecht naar slecht en van slecht naar matig. Het aandeel aan goede en zeer goede kwaliteit blijft

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

41


2. Biotopen in natuurgebied zoals bij de Zwarte Beek, de Abeek en de Bosbeek die nog een natuurlijk verloop kennen. Ook waardevolle riviertrajecten situeren zich vaak in natuurgebied, zoals bij de Dijle stroomopwaarts Leuven. Bij getijrivieren is het traject met brede schorren en slikken (> 25 meter) teruggedrongen tot 13 %. Op de meeste plaatsen is de breedte kleiner dan 5 meter (klasse 4 en 5). De kunstmatige waterlopen vertonen grotendeels een zeer uniform patroon maar zonder oeverversteviging (klasse 2), wat heel wat mogelijkheden biedt voor natuurontwikkelingsprojecten.

echter zeer beperkt.Vooral bij de bronbeken en de bovenlopen in de Kempen zijn er relatief gezien nog een hoger percentage aan waardevolle beektrajecten aanwezig. Dit komt duidelijk overeen met de verspreiding van soortenrijke visgemeenschappen in Vlaanderen (zie Figuur 7.4 en 7.5). De morfologische beoordeling voor de beken steunt op 3 beoordelingscriteria: het kronkelende verloop - meandering genoemd, de aanwezigheid van diepe en ondiepe plaatsen - het pool-riffle patroon genoemd en de aanwezigheid van uitgeschuurde holtes of schuilplaatsen in de oevers. De beoordeling van getijrivieren steunt op de breedte van slikken en schorren, al dan niet gescheiden door een oeverversteviging.Tenslotte werd er voor de kunstmatige waterlopen, die meestal van oorsprong rechtlijnig zijn, een beoordelingssysteem uitgewerkt dat steunt op het type van oeverversteviging. De struktuurkenmerken werden eveneens in 5 klassen onderverdeeld en procentueel weergegeven per waterlooptype (Tabel 2.10).

Een combinatie van waterkwaliteit en struktuurkenmerken geeft een beeld van de ecologische kwaliteit van de waterlopen in Vlaanderen.Tabel 2.11 geeft een overzicht per waterlooptype. Enkel die beken die geïnventariseerd zijn voor waterkwaliteit en struktuurkenmerken konden opgenomen worden in de berekening. Hierdoor kunnen verschuivingen optreden in vergelijking met de bovenstaande tabellen. Het percentage waterlooptypen met een goede waterkwaliteit in combinatie met waardevolle struktuurkenmerken is voor alle typen zeer klein. In de zandleem- en leemstreek zijn de waardevolle beektrajecten meestal beperkt tot de geïnventariseerde bronbeken. Ze vertegenwoordigen samen echter slechts 1 % van de waterlopen in

De goede waterkwaliteit van de geïnventariseerde bronbeken weerspiegelt zich ook in een natuurlijk kronkelend verloop. Bij de Kempense laaglandbeken daarentegen is een veel groter percentage rechtgetrokken en kunstmatig verbreed. De link tussen goede waterkwaliteit en een natuurlijk verloop gaat hier niet op. Het zijn vooral trajecten

Tabel 2.9: Procentuele verdeling van de waterkwaliteitsklassen per waterlooptype (klasse 1: zeer waardevol, klasse 2: waardevol, klasse 3: matig, klasse 4: slecht, klasse 5: zeer slecht). WATERKWALITEITSKLASSE

1

2

3

4

5

Zandstreek Kempen • Kleine beken

8,5

16,1

19,7

19,8

35,9

• Grote beken

0,7

17,4

38,0

16,3

27,6

0,4

5,4

23,6

18,5

52,1

21,2

22,5

30,7

11,4

14,3

0,0

0,4

19,2

20,3

60,1

rivier (< 20m)

0,0

2,8

13,4

21,9

61,9

grote rivier (> 20m)

0,0

3,9

19,2

24,1

52,8

Maas

0,0

0,0

100,0

0,0

0,0

Getijrivieren (zoet)

0,0

0,0

7,0

11,6

81,4

Getijrivieren (brak)

0,0

0,0

3,9

44,9

51,2

Kanalen

0,0

4,8

27,3

14,6

53,3

Polderlopen

0,0

9,7

54,1

20,7

15,5

Gentse Kanalen

0,0

10,7

40,7

21,3

27,3

Vlaanderen

2,4

8,1

25,6

19,1

44,9

Zandleem- en leemstreek • Kleine beken • Bronbeken • Grote beken

Instituut voor Natuurbehoud 42

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


2. Biotopen Vlaanderen (zie Tabel 2.11), waarvan 20 % als ecologisch zeer waardevol kan beschouwd worden. De meeste van deze waardevolle beken ontspringen in een bronbosgebied wat een hogere garantie geeft voor bescherming. Buiten het bronbosgebied daalt de kwaliteit meestal zeer snel. De kleine beken in de Kempen scoren gemiddeld iets beter dan deze in de zandleem- en de leemstreek. Bij de kunstmatige waterlopen en nog sterker bij de getijrivieren wordt de ecologische kwaliteit vooral naar beneden getrokken door de slechte waterkwaliteit.

Tabel 2.10: Procentuele verdeling van de klassen voor struktuurkenmerken per waterlooptype (klasse 1: zeer waardevol, klasse 2: waardevol, klasse 3: matig, klasse 4: slecht, klasse 5: zeer slecht). BEKEN

1

2

3

4

• Kleine beken

2,9

• Grote beken

5

5,0

22,9

66,0

3,2

7,0

4,5

25,0

45,7

17,7

2,2

5,6

20,4

64,7

7,0

10,1

12,6

26,6

39,7

11,1

7,6

17,0

34,2

34,6

6,6

Rivieren (< 20m)

9,6

16,7

25,6

40,0

8,2

Grote rivieren (> 20m)

0,0

16,7

15,3

11,2

56,8

Maas

0,0

100,0

0,0

0,0

0,0

Vlaanderen

3,0

6,8

21,7

60,8

7,7

1

2

3

4

5

Getijrivieren (zoet)

11,6

18,1

18,9

35,9

15,5

Getijrivieren (brak)

18,9

9,7

21,5

33,7

16,2

Vlaanderen

13,5

15,9

19,5

35,4

15,7

1

2

3

4

5

Zandstreek Kempen

Zandleem- en leemstreek • Kleine beken • Bronbeken • Grote beken

GETIJRIVIEREN

KUNSTMATIGE WATERLOPEN Kanalen

0,9

35,2

6,1

23,3

34,6

Polderlopen

3,8

75,9

3,6

9,3

7,5

Gentse Kanalen

0,7

77,6

1,7

6,5

13,5

Vlaanderen

2,3

73,7

3,1

9,4

11,6

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

43


2. Biotopen Tabel 2.11: Procentuele verdeling van de ecologische kwaliteit per waterlooptype. (klasse 1: zeer waardevol, klasse 2: waardevol, klasse 3: matig, klasse 4: slecht, klasse 5: zeer slecht). BEKEN Waterkwaliteitsklasse

1 of 2

Klasse struktuurwaardering

3

4 of 5

1 of 2

3, 4 of 5

1 of 2

3, 4 of 5

1 of 2

3, 4 of 5

• Kleine beken

8,1

16,5

3,5

16,0

5,6

50,2

• Grote beken

0,2

18,1

7,9

29,3

3,4

41,1

1,2

4,3

4,5

18,4

11,9

59,7

20,4

23,0

2,7

28,3

2,9

22,7

• Grote beken

0,1

0,3

6,1

13,2

18,5

61,8

Rivieren (< 20m)

1,7

1,1

9,1

3,4

15,3

69,4

Grote rivieren (> 20m)

1,1

3,5

4,7

6,3

11,5

72,9

Maas

0,0

0,0

100,0

0,0

0,0

0,0

Vlaanderen

3,2

7,9

5,4

16,8

10,2

56,5

Zandstreek Kempen

Zandleem- en leemstreek • Kleine beken • Bronbeken

GETIJRIVIEREN Waterkwaliteitsklasse

1 of 2

Klasse struktuurwaardering

1 of 2

3, 4 of 5

3 1 of 2

4 of 5 3, 4 of 5

1 of 2

3, 4 of 5

Getijrivieren (zoet)

29,7

70,3

Getijrivieren (brak)

28,6

71,4

Vlaanderen

29,2

70,8

KUNSTMATIGE WATERLOPEN Waterkwaliteitsklasse

1 of 2

Klasse struktuurwaardering

3

4 of 5

1 of 2

3, 4 of 5

1 of 2

3, 4 of 5

1 of 2

3, 4 of 5

Kanalen

5,0

0,0

22,4

3,8

11,0

57,8

Polderlopen

8,5

1,4

41,9

13,5

20,5

14,2

Gentse Kanalen

5,8

5,6

25,9

19,0

27,5

16,1

Vlaanderen

6,4

2,4

35,3

12,3

21,8

21,8

Instituut voor Natuurbehoud 44

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
h02_Biotopen_0.pdf by Vlaanderen-be - Issuu