Skip to main content

Briefadvies_Beheerregeling_Muskusrat.pdf

Page 1

Minaraad Herman Teirlinckgebouw Havenlaan 88 – bus 15 1000 Brussel T 02 558 01 30 E info@minaraad.be www.minaraad.be

Mevrouw Zuhal Demir Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Martelaarsplein 7 1000 BRUSSEL

uw bericht van 8 mei 2020

uw kenmerk //

ons kenmerk 01/K2/2020/0123

Datum 28 mei 2020

Vragen naar Jan Verheeke Koen Carels

E-mail Jan.verheeke@minaraad.be kcarels@serv.be

bijlagen /

Betreft: Adviesvraag Ministerieel Besluit beheerregeling muskusrat

Mevrouw de minister, Op 8 mei 2020 ontvingen Minaraad en SALV de adviesvraag inzake het ministerieel besluit tot vaststelling van een beheerregeling voor de muskusrat (Ondatra Zibeticus). Voor deze adviesvraag werd een adviestermijn van 30 dagen vooropgesteld. Belang van deze regeling. Muskusrat is een invasieve, uitheemse soort die (met Uitvoeringsverordening (EU) 2017|1263 van de Commissie van 12 juli 2017 tot actualisering van de vastgestelde lijst van de voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten) onder de toepassing werd geplaatst van Verordening (EU) Nr. 1143|2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. Het graafwerk van muskusrat tast dijken aan en kan als gevolg daarvan ook leiden tot verzakkingen van landbouwmachines en verwondingen van vee. Vraat door muskusratten beschadigt landbouwgewassen en kan leiden tot lokaal uitsterven van plantengemeenschappen, de vernietiging van rietvelden en vissenpaaiplaatsen. Verder kan deze soort ook sterk prederen op zoetwatermosselpopulaties en zoetwaterkreeftachtigen. Daarnaast is de muskusrat een reservoir voor wildedierenziekten zoals de vossenlintworm. Natuurlijke vijanden van de muskusrat zijn roofdieren zoals de vos, bunzing, hermelijn, havik en bosuil. Die natuurlijke predatie is echter ontoereikend om de soort volledig te bestrijden. Een doorgedreven menselijke bestrijding is daartoe noodzakelijk. Voor de inwerkingtreding van deze wetgeving was bestrijding van muskusrat al verplicht onder het KB van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen. Eveneens van toepassing op de muskusrat is de regelgeving van internationale oorsprong die normen stelt voor humane vangst van soorten met behulp van vallen. Alle actoren in Minaraad en SALV zijn het eens over de noodzaak van bestrijding van de muskusrat en wensen dat dit op een zo effectieve en efficiĂŤnte wijze verloopt, gelet op de


hierboven vermelde problemen die muskusratten kunnen veroorzaken. Ze erkennen hierbij eveneens de in wetgeving opgenomen randvoorwaarden inzake dierenwelzijn en het zoveel mogelijk vermijden van bijvangsten. Vanuit deze uitgangspunten formuleren de Raden onderstaande bedenkingen bij dit ontwerp van ministerieel besluit. Instrumentenkeuze. Op grond van artikel 31/8 van het Soortenbesluit kan voor deze soort ofwel (1) een beheerregeling conform de bepalingen van hoofdstuk 4, worden opgemaakt dan wel (2) gekozen worden voor bestrijding conform bijlage 3/1. Met hetgeen voor advies wordt voorgelegd, wordt voor muskusrat gekozen voor optie 1, i.e. de opmaak van een beheerregeling. Minaraad en SALV stellen vast dat met deze keuze een harmonisatie van de bestrijding over heel Vlaanderen wordt beoogd, doordat vangsten en bijvangsten op een gebiedsdekkende en eenduidige manier zullen worden gemeld en aldus ook kunnen worden opgevolgd en doordat, op basis van deze resultaten, de vangstmethoden eventueel kunnen worden bijgesteld. Bovendien worden hiermee ook de (internationaal of Europees geldende) wettelijke verplichtingen ingevuld. Onduidelijkheid van de instrumentenkeuze in relatie tot de betrokken actoren. Algemeen wensen de Raden dat verder gebouwd wordt op de sterktes van de bestrijding van muskusrat zoals deze op dit moment gebeurt. De Raden stellen vast dat de openbare besturen polders en wateringen niet opgenomen zijn als overheid onder artikel III.1°. van de beheerregeling, hoewel zij vanuit hun taakstelling een zekere verantwoordelijkheid hebben inzake de staat van bepaalde dijken, taluds en oeverzones. Eveneens wordt de Vlaamse Vereniging van Polders en Wateringen niet nominatief vermeld onder artikel X inzake de overleggroep. Tot slot kan uit de bewoording van punt 1° niet worden opgemaakt of vwz Rato wordt beschouwd als een met de overheid geassocieerde instantie. De Raden vragen om in dit verband de nodige bijstellingen te doen, zodanig dat de nodige duidelijkheid wordt geschapen. Bovendien wijzen de Raden op de bewoording van artikel 31/8 uit het Soortenbesluit: het is niet duidelijk of een ingestelde beheerregeling voor een bepaalde invasieve uitheemse soort de mogelijkheden inzake bestrijding van dezelfde soort, geboden door bijlage 3/1 van het Soortenbesluit, bij voorbaat uitsluit. Voor wat bestrijding van de muskusrat aangaat, is met de invoering van een soortenbeheerregeling ook niet duidelijk wat, met inachtneming van nieuw art. 51 van het Natuurdecreet, de impact is voor de private eigenaar, huurder, exploitant en grondgebruiker voor de bestrijdingsactiviteiten die beoefend worden op terreinen in private eigendom resp. waarop een jachtrecht rust – en hoe deze activiteiten desgevallend inpast zullen worden in het systeem van registratie enz. Keuze voor beheerregeling als basis voor registratie en opvolging vangsten. De Raden ondersteunen alleszins het gegeven dat met deze beheerregeling de verplichting ontstaat tot het aanhouden van een uniform en digitaal registratiesysteem (artikel VIII van de beheerregeling). Aangezien op dit moment diverse instellingen (VMM, lokale overheden, provincies,…) de muskusrat bestrijden en aldus de inspanningen en vangsten niet op gelijke wijze worden geregistreerd en aan het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) worden overgemaakt, ontbreekt een algemeen inzicht in de effectiviteit van de inspanningen, de selectiviteit van de vangsten en de eventuele impact op populaties van andere soorten. Een gelijke registratie van vangsten en een openbare databank kunnen bijdragen aan een verbeterde monitoring van de populaties en de bestrijding ervan. Daarnaast zorgt een verbeterde monitoring ook voor een betere kennis van de impact op de biodiversiteit en het vermijden van bijvangsten. De Raden vragen evenwel dat dit systeem eenvoudig zou worden gehouden zodat de administratieve last ervan zo beperkt mogelijk blijft, zonder evenwel aan relevantie in te boeten.


Het vermijden van bijvangsten. Artikel 30, §1, van het Soortenbesluit bepaalt dat de beheerregeling vergezeld moet gaan van een motiveringsnota “waarin aangetoond wordt dat de maatregelen

van een beheerregeling niet disproportioneel zijn en geen significant ongunstige impact hebben op de biodiversiteit of op de staat van instandhouding van inheemse soorten”.

De Raden willen vragen voldoende aandacht te besteden de impact van (uitvoering van) deze regeling op de staat van instandhouding van inheemse soorten en de biodiversiteit. Daarbij merken ze op dat ter voorbereiding van deze beheerregeling het INBO in 2016 een voorstel van Code van Goede Praktijk voor het vangen van muskusratten opgemaakt heeft.1 In deze INBO-Code vormt het bereiken van een hoge graad van selectiviteit (i.e. het maximaal voorkomen van alle nevenvangsten, uitgezonderd die van bruine rat) een van de centrale aandachtspunten. De Raden merken op dat hierover omzeggens niets werd opgenomen in de (zeer beknopte) motiveringsnota, terwijl dit soort overwegingen op grond van artikel 30, §1, van het Soortenbesluit wel vereist is. Navraag leert dat door middel van verschillende projecten (vb. LIFE MICA2) ingezet wordt op het blijvend verminderen van het aantal bijvangsten. De Raden vragen daarom om een en ander ook op te nemen in de motiveringsnota zodat op afdoende wijze wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de vereisten van het Soortenbesluit. De Raden vragen eveneens om, indien dit nog niet het geval zou zijn, in de toekomst de aantallen bijvangsten per soort ook te linken aan de methode die wordt gebruikt. Op die basis kunnen dan toekomstige bijstellingen aan deze beheerregeling op een adequate manier onderbouwd worden. Daarenboven zou kunnen worden nagegaan of er op lokaal vlak plaatsen zijn waar procentueel meer bijvangsten gebeuren en ook op basis daarvan bijstellingen te voorzien. De Raden vragen ook om duidelijk te maken dat de registratie van “alle vangstgegevens” , zoals vermeld in punt 6 van de algemene richtlijnen ook geldt voor bijvangsten (zoals vermeld in artikel VIII van de beheerregeling): Alle vangsten, zowel van muskusratten als van bijvangsten, worden geregistreerd en administratief opgevolgd zoals weergegeven in deze beheerregeling.” De Raden vragen om diezelfde bewoording te gebruiken in punt 6 van de algemene richtlijnen. Toegestane vangsttuigen in relatie tot plotse uitbraken. De Raden stellen vast dat deze beheerregeling een duidelijke lijst doorvoert van toegestane vangsttuigen, in lijn met de internationale wetgeving. Niettemin kan het nodig zijn dat er extra types vangsttuigen ingezet worden, met het oog op bestrijding van plotse aanwas van lokale populaties muskusrat. Wat dat betreft, bepaalt artikel IV, 9° dat “indien door uitzonderlijke omstandigheden de in deze

beheerregeling opgenomen bestrijdingsmiddelen niet volstaan om de muskusrattenpopulatie op een specifieke plaats onder controle te krijgen” er “een gemotiveerde uitzondering aangevraagd [kan] worden aan het ANB. Deze vraag moet duidelijk beschrijven welke vangtuigen met welke frequentie van nazicht voor welke periode opgesteld zouden worden. Het ANB zal vervolgens beoordelen of de maatregelen in verhouding staan met het probleem.” De Raden onderschrijven deze regeling, vanwege het belang van het vermijden van bijvangsten en het organiseren van humane vangstmethoden. Niettemin moet men er “in het veld” op kunnen vertrouwen dat er in geval van nood afdoende middelen zullen kunnen ingezet worden. In deze specifieke gevallen is

1 Stuyck (2016), Code voor goede praktijk voor het vangen van de muskusrat, Ondatra zibethicus, in Vlaanderen. Implementatie van Europese Overeenkomst inzake internationale normen voor de humane vangst van dieren met behulp van vallen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2016 (INBO.R.2016.12096518). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 2 https://lifemica.nl/


het van belang dat wachtmateriaal toegelaten kan worden waar muskusratten aanwezig zijn teneinde een lokale toename van de populatie onmiddellijk te kunnen stoppen. Dit impliceert dat er in deze omstandigheden tijdelijk geen gebruiksbeperking in afstand van 1 km tot aan de gewestgrenzen is. De Raden vragen om hier een passend evenwicht in te vinden. Een andere kwestie betreft de te bestrijden wilde-dieren-ziekten. De Raden wensen bij dit voorstel van ministerieel besluit voor een beheerregeling voor muskusrat ook aandacht te vragen voor het feit dat muskusratten een reservoir zijn voor onder meer vossenlintworm3. De volgehouden bestrijding van muskusrat is dus ook op dit vlak van belang. De Raden verwijzen hierbij naar de trendmatige stijging in het aantal vangsten sinds 20134. Ze vragen om na te gaan waaraan deze stijging te wijten is en hier op gepaste wijze op te reageren zodanig dat de huidige lage prevalentie van vossenlintworm in muskusratten in het Vlaamse Gewest ook in de toekomst behouden blijft. Het bergen van kadavers. In de beheerregeling staat dat men zich dient te ontdoen van kadavers overeenkomstig aanbevelingen van ANB en OVAM en dat voor muskusrat begraven aanbevolen wordt, daarbij moet men ervoor zorgen dat worden dat de muskusrat niet in het water, in weides of akkergronden terecht komt. De Raden is het eens met deze regeling: vanuit sanitair standpunt is het niet wenselijk om kadavers ter plekke achter te laten op akkerland en/of grasland in landbouwgebruik. Het is dan ook nodig toe te zien op deze bepalingen uit de beheerregeling. Competentiebeheer. De Raden nemen nota van volgende passage in de beheerregeling: “Het Eigen Vermogen van het Agentschap voor Natuur en Bos voorziet jaarlijks de mogelijkheid tot het volgen van een vorming over de beheerregeling. Deze vorming leidt deelnemers op over de humane, veilige en doeltreffende toepassing van vangmethoden, met inbegrip van nieuwe methoden naarmate die worden ontwikkeld. Elke medewerker die na de inwerkingtreding van deze beheerregeling in dienst treedt en beroepshalve muskusratten vangt, neemt bij de eerstvolgende mogelijkheid na de indiensttreding deel aan de in 6° bedoelde vorming. De in 2° bedoelde verklaring wordt bij afloop door de lesgever ondertekend, in aanvulling op de ondertekening door de medewerker en de werkgever.”. Voor de Raden vormt het behoud, het

goede management en de ontwikkeling van bekwaamheid op het terrein inderdaad een essentieel onderdeel van de bestrijdingsactiviteiten. De juiste methode kiezen en correct uitvoeren op basis van de omgevingsfactoren en met het oog op effectiviteit, selectiviteit ten overstaan van andere soorten en veiligheid voor mensen vereist dan ook de nodige opleiding en begeleiding. De adviesraden vragen om het procesmatige karakter van de competentie-ontwikkeling goed te bewaken en te vertalen in bepalingen die een laagdrempelig leertraject in de praktijk waarmaken, waarbij de bestrijders – ook degenen die nu reeds professioneel in de vangstactiviteiten betrokken zijn – op begeleiding kunnen rekenen om tot de meest effectieve, selectieve en diervriendelijke vangststrategieën te komen. Samenwerking. De Raden wensen op te merken dat er, wat de bestrijding van muskusrat aangaat, tal van samenwerkingsverbanden bestaan, zowel inzake detecteren van uitbraken, verfijning van de vangstmethoden (o.a. interreg- als LIFE-projecten) als in effectieve bestrijding op het terrein. Ook voor bepaalde grensregio’s is er een goede samenwerking. De Raden verwijzen hierbij 3 Cartuyvels E., Baert K., Van Den Berge K., Berlengee F., Stuyck J. (2020). Het voorkomen van de Vossenlintworm (Echinococcus multilocularis) in de Muskusrat (Ondatra zibethicus) in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (21). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 4 https://www.vmm.be/water/beheer-waterlopen/rattenbestrijding


evenwel naar de toename van muskusrat in bepaalde regio’s, zoals blijkt uit de gerapporteerde cijfers5. Gelet op het belang van een goede aanpak van de bestrijding in grensregio’s in kader van het doel “Vlaanderen te kunnen beheren als muskusratvrij gebied”, zoals vermeld in de inleiding van deze beheerregeling, en om te voorkomen dat deze trend in toename zich doorzet, blijft onder meer een focus op deze grensregio’s van belang, temeer indien blijkt dat de bestrijding in bepaalde buurregio’s niet op afdoende wijze gebeurt. Aansluitend hierbij merken de Raden op dat in West-Vlaanderen beheergemeenschappen op intergemeentelijk niveau bestaan (muskusratcomités). De Raden wijzen op de mogelijke meerwaarde van de ontwikkeling van dergelijke beheergemeenschappen op lokaal niveau om een effectieve en efficiënte uitvoering van de beheerregeling te faciliteren. Bestrijders, natuurbeheerders, landbouwers, inwoners, enz. kunnen er de krachten bundelen, met het oog op de vroegtijdige detectie van nieuwe populaties en een inschatting van de lokaal toegepaste bestrijdingsstrategieën. Tegelijk kunnen ze bijdragen tot het vermijden van schade, omdat de verzamelde stakeholders er correct en tijdig geïnformeerd en gewaarschuwd kunnen worden De Raden vragen om de werking van deze beheergemeenschappen te evalueren. Indien deze evaluatie positief blijkt te zijn, vragen de Raden om de ontwikkeling van een actieve beheergemeenschap in te schrijven als een mogelijke uitwerking van de sensibilisering- en communicatiestrategie van de instellingen en overheden die voor de bestrijding instaan, conform art. 29, 8° van het Soortenbesluit. Inzake handhaving. De beheerregeling Artikel II (Algemene richtlijnen), 7° bepaalt dat de handhaving zal gebeuren door politie en het ANB. Er wordt gesteld dat wandaden zullen bestraft worden. In het milieubeheerrecht spreekt men steeds over milieumisdrijven. Het is aangewezen de juiste terminologie uit een hogere wetgeving te gebruiken. Tevens wijzen de Raden er op dat de beheerregeling beperkingen oplegt t.o.v. de voorziene toezichthoudende ambtenaren onder art 51 van het Natuurdecreet. Immers, ook Bijzondere Veldwachters hebben politionele bevoegdheden en zouden hier in hun bevoegdheden beperkt worden. Besluit. De doelstelling om van Vlaanderen een muskusratvrij gebied te maken, noodzaakt de consequente inzet van voldoende personeel en middelen door de betrokken besturen en instellingen. Hoewel de populatie op lange termijn sterk is afgenomen, blijft een volgehouden inspanning onontbeerlijk om tot een effectieve bestrijding van de muskusrat in Vlaanderen komen, waarbij impact op biodiversiteit en inheemse soorten maximaal vermeden dient te worden. De Raden besluiten dat de voorliggende beheerregeling hiertoe een goede aanzet vormt.

Walter Roggeman, Voorzitter Minaraad 2020

5

Hendrik Vandamme Voorzitter SALV

Zie hiervoor het antwoord op Schriftelijke Vraag nr. 474 van 10 maart 2020 inzake de diervriendelijke aanpak voor de uitroeiing van de muskusrat


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook