Natuurinrichting Dijlevallei
Projectuitvoeringsplan Fase 1
Monitoringsplan
Boyen M., 2007 VLM Vlaams-Brabant
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
Inhoud Inhoud ........................................................................................................................................ 2 1. Monitoring in kort bestek & PUP fase 1 .......................................................................... 4 2. Identificatie van natuurinrichtingsdoelen ......................................................................... 5
2.1. Ecologische doelstellingen van het beleid....................................................................... 5 2.2. Koppeling gebiedsthema’s - maatregelen ....................................................................... 5 3. Stratificatie per gebiedsthema / maatregel ....................................................................... 8
3.1. Algemeen ........................................................................................................................ 8 3.2. Stratificeren per gebiedsthema/maatregel. ...................................................................... 8 4. Kiezen van monitoringsparameters ................................................................................... 9
4.1 Processen en parameters voor monitoring ....................................................................... 9 4.2. Motivatie parameterselectie .......................................................................................... 16 4.2.1 gebiedsthema 1: verschraling .................................................................................. 16 4.2.2. gebiedsthema 2: verbetering ecologisch functioneren van oppervlaktewateren .... 16 4.2.3. gebiedsthema 3: vernatting en herstel kwelmilieu’s .............................................. 17 4.2.4. gebiedsthema 4: verbetering van de landschapsstructuur ...................................... 17 4.2.5. gebiedsthema 5: verhoging van het inheems karakter van aanwezige (opgaande) vegetaties .......................................................................................................................... 17 4.2.6. gebiedsthema 6: inrichting van soort(groep)specifieke voorzieningen.................. 17 4.2.7. bemerkingen bij parameterselectie ......................................................................... 18 5. meetnetontwerp.................................................................................................................. 19
5.1. Algemeen ...................................................................................................................... 19 5.2. Stuurparameters ............................................................................................................. 19 5.3. Doelparameters en meetnetten ...................................................................................... 21 5.4. meetnet hydrologie ........................................................................................................ 21 5.4.1. algemene biotoopkwaliteit ..................................................................................... 21 5.5. Meetnetten vegetatie...................................................................................................... 22 5.5.1. oppervlakte en ligging doelsystemen ..................................................................... 22 5.5.2. oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden ........................................................... 23 5.5.3. soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden .......................................... 24 5.6. Meetnetten fauna ........................................................................................................... 24 5.6.1. amfibieën ................................................................................................................ 24 5.6.2. dagvlinders ............................................................................................................. 25 5.6.3. libellen .................................................................................................................... 26 5.6.4. macrofauna ............................................................................................................. 27 5.6.5. zoogdieren: vleermuizen ........................................................................................ 27 5.7. Overzicht meetnetten..................................................................................................... 29 6. Opslag, aggregatie en beoordeling van meetgegevens ................................................ 30
6.1. Gegevensopslag ............................................................................................................. 30 6.2. Aggregatie en beoordeling ............................................................................................ 30 6.2.1. Meetnet hydrologie ................................................................................................ 30 6.2.1.1. algemene biotoopkwaliteit .................................................................... 30 6.2.2. Meetnetten vegetatie............................................................................................... 31 6.2.2.1. oppervlakte en ligging van doelsystemen .......................................... 31 6.2.2.2. Oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden ..................................... 31 6.2.2.3. Soortensamenstelling in natuurstreefbeelden................................... 32 6.2.3. Meetnetten fauna .................................................................................................... 33 6.2.3.1. vleermuizen ............................................................................................ 33
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
2/45
6.2.3.2. 6.2.3.3. 6.2.3.4. 6.2.3.5.
Amfibieën ................................................................................................ 34 Libellen .................................................................................................... 35 dagvlinders ............................................................................................. 35 Macrofauna ............................................................................................. 36
7. Evaluatie van de maatregelen, toetsing aan doelen ...................................................... 37
7.1. Beleid ............................................................................................................................ 37 7.2. Inrichting en beheer ....................................................................................................... 37 8. Planning, organisatie en kostenanalyse ......................................................................... 40
8.1. Planning monitoring ...................................................................................................... 40 8.2. Kostenanalyse................................................................................................................ 40 Literatuur ................................................................................................................................. 42 Bijlagen.................................................................................................................................... 43 Tabellen ................................................................................................................................... 45 Kaarten .................................................................................................................................... 45
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
3/45
1. Monitoring in kort bestek & PUP fase 1 Monitoring van natuurinrichting is te definiëren als een geheel van handelingen dat wordt uitgevoerd om te kunnen controleren of, nadat een aantal inrichtings- en beheersmaatregelen in een gebied is uitgevoerd, gewenste ontwikkelingen inderdaad plaatsvinden. Ook moet men door monitoring kunnen signaleren dat zich andere ontwikkelingen dan de gewenste voordoen. Ten derde is het van belang, dat de resultaten indien mogelijk niet alleen knelpunten aangeven, maar dat ook de oorzaak van het probleem is te achterhalen: oorzaakgevoeligheid. Daarbij moet het detailniveau zorgvuldig worden afgestemd op de te meten parameters en processen om de gewenste gevoeligheid van het meetnet in tijd en ruimte te krijgen. Hierbij is het echter altijd van belang een afweging te maken tussen de noodzakelijke intensiteit aan de ene kant en kostenefficiëntie en gebruiksvriendelijkheid aan de andere kant. Er moet worden gezocht naar een zo gering mogelijke onderzoeksinspanning waarbij voldoende aan de informatiebehoefte wordt voldaan. Dit monitoringsplan is gebaseerd op Albers et al., 2001. Het projectuitvoeringsplan fase 1 (partnerproject) omvat een aantal maatregelen van het natuurinrichtingsproject Dijlevallei die worden uitgevoerd op eigendom van onder andere de overheid, de (plaatselijke) natuurvereniging en enkele andere partners. Deze maatregelen liggen verspreid over het hele projectgebied van 883 ha. De natuurstreefbeelden voor het hele projectgebied zijn terug te vinden op kaart 8 met aanduiding van welke worden gerealiseerd in het PUP fase 1.
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
4/45
2. Identificatie van natuurinrichtingsdoelen 2.1. Ecologische doelstellingen van het beleid. Het natuurinrichtingsproject “Dijlevallei ten zuiden van Leuven” omvat voor het beleid volgende ecologische hoofddoelstellingen: 1. Verhogen van de (a)biotische diversiteit op gebiedsniveau (Thema 12 van MINA-plan 3: verlies aan biodiversiteit) Binnen het natuurinrichtingsproject gebeurt dit o.a. door verbetering van de landschapsstructuur, vergroting van het inheems karakter van aanwezige (opgaande) vegetaties en door inrichting van soort(groep)specifieke voorzieningen. 2. Versterking van het functioneren van het gebied binnen een groter complex van natuurgebieden in de omgeving (Thema 11 van MINA-plan 3: versnippering) De ligging van het natuurinrichtingsproject binnen zowel habitatrichtlijngebied nr. 11 ”Valleien van Dijle, Laan en IJse met aangrenzende bos en moerasgebieden” als vogelrichtlijngebied nr. 22 “Vallei van de Dijle” benadrukt zijn waarde binnen een groter complex van natuurwaarden. De natuurinrichtingsmaatregelen zullen de natuurlijkheid in het gebied verhogen en onrechtstreeks ook de habitats en soorten uit de natura2000-gebieden ten goede komen. Concrete maatregelen om versnippering binnen het natuurinrichtingsproject tegen te gaan worden niet voorgesteld. 3. Terugdringen van schadelijke invloeden voor natuur en het natuurlijk milieu als gevolg van menselijke activiteiten (Thema’s van MINA-plan3: Thema 5: vermesting, Thema 9: verstoring van watersystemen, Thema 9c: verdroging) De effecten van vermesting (thema 5) worden binnen het natuurinrichtingsproject aangepakt door het uitvoeren van maatregelen die verschraling in de hand gaan werken. Door het plaatsen van rasters (aanzet tot extensieve begrazing), maaibaar maken van percelen (kappen en ontstronken) (aanzet tot maaibeheer),… wordt er in het natuurinrichtingsproject een eerste aanzet gegeven voor een gepast verschralend beheer. Door o.a. het ecologisch inrichten van oevers wordt de structuurkwaliteit van het watersysteem verbeterd (plandoelstelling van thema 9c verdroging).
2.2. Koppeling gebiedsthema’s - maatregelen Hieronder volgt een overzicht van de uitvoeringsmaatregelen van het PUP fase 1 van de Dijlevallei, gekoppeld aan de gebiedsthema’s. Gebiedsthema 1: verschraling (MINA-plan3 thema 5: vermesting) Het creëren van een voedselarmere situatie dan de huidige toestand. -
Het verwijderen van bomen en struiken en het weghalen van de stronken. Het doel is een grasland of een ruigte te laten ontwikkelen waarop een maaibeheer kan toegepast worden. Het maaibaar maken van het perceel. Door verwijderen van houtopslag en/of het maaien van het perceel wordt een eerste aanzet gegeven voor een gepast maaibeheer.
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
5/45
Gebiedsthema 2: verbetering ecologisch functioneren van oppervlaktewateren (MINAplan3, plandoelstelling van thema 9c: verdroging) Creëren van een ecologisch beter functionerend oppervlaktewatersysteem. Hieronder vallen ook maatregelen waarbij morfologische wijzigingen aan waterlopen (bijvoorbeeld normalisatie, aanleg van oeverbescherming) teniet worden gedaan. -
-
-
Het herstellen van de waterinlaat. Hierdoor kunnen de vijvers opnieuw gevoed worden met water van de IJse. Door een kapotte waterinlaat ontbreekt momenteel de watertoevoer van deze vijvers en dreigen ze te verdrogen. Het herstel en behoud van open water op deze plaats wordt op deze manier veilig gesteld. Herstellen van monniken (regelbare afvoersluis) en overlopen. Door deze maatregelen kan er een gepast vijverbeheer gevoerd worden in de toekomst. Regelmatig laten droogvallen en beheer van het waterpeil wordt op deze manier vergemakkelijkt. Uiteindelijk zal dit bijdragen aan een verbetering van het ecologisch functioneren van het oppervlaktewater. Open maken van dichtgegroeide wateren (herinrichting). Het maaibaar maken van de rietvegetatie of open water creëren. Hiervoor wordt de dichtgegroeide vegetatiemat op het water verwijderd, waardoor spontaan terug een rietvegetatie kan opschieten. Deze zal regelmatig gemaaid moeten worden om een verjonging van het rietbestand te verkrijgen, zodanig dat verbossing wordt vermeden. Voor het herstel van open water wordt de volledige verlandingsvegetatie verwijderd.
Gebiedsthema 3: vernatting en herstel van kwelmilieu’s (MINA-plan3, plandoelstelling van thema 9c: verdroging) Creëren van een nattere situatie door verhoging van de grondwaterstand (absolute vernatting) of door maaiveldverlaging (relatieve vernatting). Ook het herstel van situaties waarin kwelstromen (weer) aan maaiveld kunnen komen moet tot dit gebiedsthema worden gerekend. -
Het herstellen van grachten (graven en uitbaggeren met maaikorf). Door een verbetering van de afwateringsstructuur wordt het regenwater versneld afgevoerd en wordt verzuring van de kwelrijke gebieden tegengegaan.
Gebiedsthema 4: verbetering van de landschapsstructuur (MINA-plan3 thema 12: verlies van biodiversiteit) Creëren of handhaven van een bepaalde landschappelijke diversiteit of variatie, waarbij dikwijls een bepaalde historische toestand als referentie wordt gezien. -
-
De aanleg van een hoogstamboomgaard. Het verwijderen van bomen. Het verwijderen van populieren, exoten, andere bomen en takhout in bomenrij en op percelen waardoor zowel het inheems karakter van de vegetatie verhoogt als de landschapsstructuur verbetert. Het aanplanten van bomen en/of struiken. Door het plaatsen van voorzieningen voor extensieve begrazing (verwijderen bestaande rasters en plaatsen nieuw raster, vangkralen, hekken, …) wordt een eerste aanzet gegeven voor een gepast beheer op een aantal percelen; nl. een extensieve begrazing. Het verwijderen van bomen en struiken en het weghalen van de stronken. Het doel is een grasland of een ruigte te laten ontwikkelen waarop een maaibeheer kan toegepast worden. Het maaibaar maken van het perceel. Door verwijderen van houtopslag en/of het maaien van het perceel wordt een eerste aanzet gegeven voor een gepast maaibeheer.
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
6/45
-
Verbossing: niet bos-percelen worden omgezet in bos, preferentieel via spontane evolutie.
Gebiedsthema 5: vergroting van het inheems karakter van aanwezige (opgaande) vegetaties (MINA-plan3 thema 12: verlies van biodiversiteit) Terugdringen van de aanwezigheid van uitheemse boom- en struiksoorten -
Bosomvorming: bossen worden omgevormd naar een inheems type, uitheemse bomen worden gekapt en verwijderd. De inheemse ondergroei wordt hierbij zoveel mogelijk gespaard, eventueel door terugzetten vooraleer ander hout verwijderd wordt. Hieruit kan dan spontane verbossing ontstaan.
Gebiedsthema 6: inrichting van soort(groep)specifieke voorzieningen (MINA-plan3 thema 12: verlies van biodiversiteit) Creëren van speciale voorzieningen ten behoeve van vestiging van specifieke doelsoorten(groepen) -
Bunker inrichten: er wordt een bunker ingericht voor vleermuizen. De concrete maatregelen (plaatsing van geschikte deur met invliegopening, dichtmaken van andere gaten) moeten de bunker geschikter maken voor vleermuizen als winterverblijfplaats.
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
7/45
3. Stratificatie per gebiedsthema / maatregel 3.1. Algemeen Stratificatie is het verdelen van het projectgebied in sub-eenheden aan de hand van de gebiedsthema’s en daaraan gekoppelde maatregelen. Stratificatie geschiedt dus voor elk gebiedsthema apart, naar gelang een groep van maatregelen op een bepaald deel van het gebied wel of niet van toepassing is. Er wordt aangegeven in welke delen van het projectgebied het zinvol is de combinatie van stuur-/tussen- en/of doelparameters voor een bepaald gebiedsthema te monitoren.
3.2. Stratificeren per gebiedsthema/maatregel. Voor een beschrijving van de gebiedsthema’s en de maatregelen verwijzen we naar 2.2. Gebiedsthema 1: verschraling Zie kaart 1. Gebiedsthema 2: verbetering ecologisch functioneren van oppervlaktewateren Zie kaart 2. Gebiedsthema 3: vernatting en herstel van kwelmilieu’s Zie kaart 2. Gebiedsthema 4: verbetering van de landschapsstructuur Zie kaart 3. Gebiedsthema 5: vergroting van het inheems karakter van aanwezige (opgaande) vegetaties Zie kaart 2. Gebiedsthema 6: inrichting van soort(groep)specifieke voorzieningen Zie kaart 2.
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
8/45
4. Kiezen van monitoringsparameters 4.1 Processen en parameters voor monitoring Om de gebiedsthema’s te monitoren dienen geschikte parameters gekozen te worden. De keuze van de parameters dient te gebeuren op basis van de ecologische kennis van de relaties tussen de flora en fauna en hun leefomgeving. De relatie tussen soorten en hun leefomgeving is in het algemeen als volgt samen te vatten: Oorzaak (wijziging stuurparameter) ▼ Primair effect (reactie (a)biotische tussenparameters) ▼ Secundair effect (reactie biotische parameters) Stuurparameters houden direct verband met de uit te voeren maatregel. Tussenparameters zijn die factoren die meestal direct door de stuurparameters worden beïnvloed. Tussenparameters zijn dikwijls abiotische standplaatsfactoren die in belangrijke mate bepalen welke soorten planten en dieren op een bepaalde plaats kunnen voorkomen. Tussenparameters kunnen echter ook biotische factoren zijn die een sterke indicatie geven van hoe het met de toestand van de standplaats als biotoop voor andere organismen is gesteld. Deels kan aan de hand van metingen van tussenparameters worden gecontroleerd of gewenste standplaatscondities ook worden bereikt, maar ook kan worden gesignaleerd dat de standplaatscondities zich anders ontwikkelen dan verwacht. Doelparameters zijn de uiteindelijke volgparameters in de vorm van levensgemeenschappen (natuurstreefbeelden) en individuele soorten (doelsoorten), die kunnen verschijnen, doordat de standplaatsfactoren (tussenparameters) zijn veranderd. Doelparameters worden gemeten om vast te kunnen stellen of tevoren gestelde natuurdoelen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Doelparameters vertegenwoordigen in hoge mate de controlerende functie van monitoring. De gebiedsthema’s en de bijhorende parameters worden hieronder weergegeven.
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
9/45
Tabel 4.1: overzicht van gebiedsthema’s, maatregelen en stuur-/tussen-/ en doelparameters ten behoeve van monitoring in het natuurinrichtingsproject “Dijlevallei”.
Gebiedsthema 1. verschraling
Maatregel Bomen verwijderen en ontstronken Geschikt maken van het perceel voor maaibeheer en/of uitvoeren achterstallig maaibeheer
Monitoringsplan Dijlevallei
Stuurparameter Oppervlakte te kappen bosbestand / lengte te kappen bomenrij Oppervlakte geschikt te maken/ te maaien
Doelsysteem Oppervlakte en ligging doelsystemen (ha) • Graslanden en ruigten •
Moeras
Doelparameters Natuurstreefbeeld Oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden (ha): • Dottergrasland (Hc) •
Glanshaver / kamgrasland (Hu, Hp*)
•
Riet en grote zeggen (Mr, Mc)
•
Rietland (Mr)
•
Grote zeggenvegetatie (Mc)
•
Kamgrasland (Hp*)
•
Rietland / rietruigte (Mr)
Doelsoorten Vegetatie: Soortensamenstelling/ rijkdom in natuurstreefbeelden Doelsoorten van Hc, Hu, Hp*, Mr, Mc: zie bijlage 1 Dagvlinders Soortenrijkdom
10/45
Gebiedsthema 2. verbetering ecologisch functioneren oppervlaktewateren
Maatregel Herstellen van de waterinlaat. Herstellen van monniken en overlopen. Open maken van dichtgegroeide wateren (herinrichting en maaibaar maken van rietvegetatie)
Stuurparameter
Tussenparameter Doelsysteem Oppervlakte en ligging doelsystemen (ha) • Graslanden en ruigten
Aantal inlaten. Aantal en hoogte van monniken en overlopen. Oppervlakte opengemaakt water
Algemene biotoopkwaliteit
•
Stilstaand water
Doelparameters Natuurstreefbeeld Oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden (ha): •
Moerasspirearuigte (Hf)
•
Open water (Ae)
Doelsoorten Vegetatie: Soortensamenstelling/ rijkdom in natuurstreefbeelden Doelsoorten van Hf en Ae, zie bijlage 1 Amfibieën: Soortenrijkdom Aanwezigheid van kamsalamander (habitatsoort en doelsoort Ae) in open water (Ae) Libellen: Soortenrijkdom Macrofauna Soortensamenstelling in open water (Ae) Zoogdieren: vleermuizen Doelsoort van Ae, zie bijlage 1
Monitoringsplan Dijlevallei
11/45
Gebiedsthema 3. vernatting en herstel kwelmilieu’s
Maatregel Het herstellen van grachten.
Stuurparameter Lengte van de grachten die hersteld worden of de oppervlakte waarover de grachten hersteld worden.
Doelsysteem Oppervlakte en ligging doelsystemen (ha) • Graslanden en ruigten •
Moeras
Doelparameter Natuurstreefbeeld Doelsoort Oppervlakte en ligging Vegetatie: natuurstreefbeelden (ha): Soortensamenstelling/-rijkdom in natuurstreefbeelden Doelsoorten van Hc, Hu, Hp*, Mr en Mc, zie • Dottergrasland (Hc) bijlage 1 • Glanshaver / kamgrasland (Hu, Hp*) •
Monitoringsplan Dijlevallei
Riet en grote zeggen (Mr, Mc)
12/45
Gebiedsthema 4. verbetering van de landschapsstructuur
Maatregel De aanleg van een hoogstamboomgaard.
Het verwijderen van bomen.
Bomen verwijderen en ontstronken
Het aanplanten van bomen en/of struiken. Plaatsen van voorzieningen voor extensieve begrazing. Geschikt maken van het perceel voor maaibeheer en/of uitvoeren achterstallig maaibeheer Verbossing
Monitoringsplan Dijlevallei
Stuurparameter Oppervlakte die aangeplant wordt en het aantal bomen die hiervoor worden aangeplant. Oppervlakte van het bestand of de lengte van de bomenrij die gekapt worden. Oppervlakte van het bestand of de lengte van de bomenrij die gekapt en ontstronkt worden. Lengte van de aanplantingen. Lengte van het raster en de oppervlakte die afgerasterd wordt. Oppervlakte van het bestand dat maaibaar gemaakt wordt of dat gemaaid wordt. Oppervlakte die gaat verbossen.
Doelsysteem Oppervlakte en ligging doelsystemen (ha) • Graslanden en ruigten
Doelparameter Natuurstreefbeeld Oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden (ha): •
Hoogstamboomgaard (Kj)
•
Dottergrasland (Hc)
Doelsoort Vegetatie: Soortensamenstelling/ -rijkdom in natuurstreefbeelden Doelsoorten van Hc, Hp*, Mr, Hu, Vc, Mc, Hf, Qa, Va, Vm, zie bijlage 1
•
Moeras
•
Kamgrasland (Hp*)
•
Bos
•
Rietland / rietruigte (Mr)
Dagvlinders: Soortenrijkdom. Doelsoorten van Qa, Vm, zie bijlage 1
•
Glanshaver / kamgrasland (Hu, Hp*)
Libellen: Doelsoort van Vc, zie bijlage 1
•
Riet en grote zeggen (Mr, Mc)
•
Rietland (Mr)
•
Elzen-essenbos (Vc)
•
Grote zeggenvegetatie (Mc)
•
Moerasspirearuigte (Hf)
•
Rietruigte (Mr)
•
Eiken-haagbeukenbos (Qa)
•
Essen-olmenbos (Va)
•
Mesotroof elzenbroekbos (Vm)
13/45
13/45
Gebiedsthema 5. verhoging van het inheems karakter van aanwezige (opgaande) vegetaties
Maatregel Bosomvorming via het verwijderen van bomen
Stuurparameter Oppervlakte die wordt omgevormd
Doelsysteem Oppervlakte en ligging doelsystemen (ha) • Bos •
Struweel
Doelparameter Natuurstreefbeeld Doelsoort Oppervlakte en ligging Vegetatie: natuurstreefbeelden (ha): Soortensamenstelling/-rijkdom in natuurstreefbeelden • Essen-olmenbos Dagvlinders: (Va) Soortenrijkdom. • EikenDoelsoorten van Qa, Vm, zie bijlage 1 haagbeukenbos (Qa) Libellen: • Elzen-essenbos (Vc) Doelsoort van Vc, zie bijlage 1 • Mesotroof elzenbroekbos (Vm) •
Monitoringsplan Dijlevallei
Wilgenstruweel (Sf)
14/45
14/45
Gebiedsthema 6. inrichting van soort(groep)specifieke voorzieningen
Maatregel Bunker inrichten als vleermuizenverblijfplaats.
Stuurparameter oppervlakte overwinteringsvoorzieningen voor vleermuizen (m2)
Tussenparameter temperatuur en luchtvochtigheid overwinteringsvoorziening vleermuizen
Doelsysteem Nvt
Doelparameter Natuurstreefbeeld Doelsoort Nvt Zoogdieren: Vleermuizen Soortenrijkdom en abundantie Amfibieën: Soortenrijkdom
Monitoringsplan Dijlevallei
15/45
15/45
4.2. Motivatie parameterselectie De stuurparameters van alle gebiedsthema’s worden opgevolgd tijdens de uitvoering van de werken. Het is immers belangrijk om te weten hoe de maatregelen juist zijn uitgevoerd omdat dit bepalend is voor de effectiviteit van de maatregelen.
4.2.1 gebiedsthema 1: verschraling Het verwijderen en ontstronken van bomen en het geschikt maken van het perceel voor maaibeheer en/of uitvoeren achterstallig maaibeheer heeft als doel om open vegetaties terug kansen te geven (o.a. moeras- en graslandvegetaties). Of deze doelvegetaties effectief verschijnen, wordt nagegaan door het opvolgen van de ligging en oppervlakte van doelsystemen en natuurstreefbeelden en de opvolging van de soortensamenstelling van de vegetatie. Tengevolge van de verschralingsmaatregelen zal de vegetatie sterk wijzigen. Dit zal vermoedelijk een positief effect hebben op de soortenrijkdom van vlinders.
4.2.2. gebiedsthema 2: verbetering ecologisch functioneren van oppervlaktewateren Van een aantal vijvers in de vallei zijn de watertoevoer- en afvoerconstructies onbruikbaar geworden. Momenteel worden deze enkel gevoed met regen- en deels kwelwater waardoor het waterpeil te laag is en de vijver zelfs droogvalt in de zomer. Deze vijvers zijn (o.a. hierdoor) reeds sterk verland of hebben een rietzone die al lang niet meer is beheerd. Doordat in enkele van deze vijvers het waterpeil niet kan worden geregeld zijn ze al lang niet mee afgevist zodat er heel wat karperachtigen in leven. Deze woelen de bodem om waardoor de onderwatervegetatie zich niet kan ontwikkelen. Het herstellen van de watertoevoer en afvoer zal voor een hoger waterpeil zorgen. Er kan een afvissing van de vijvers gebeuren. Samen met het open maken van de dichtgegroeide wateren zal dit hopelijk leiden tot de ontwikkeling van een goede onderwatervegetatie. Er wordt verwacht dat de waterkwaliteit hier aanzienlijk zal verbeteren. Het verwijderen van de strooisellaag van de rietvegetatie zal zorgen voor de regeneratie van een vitaal rietland. Het verbeteren van de betere habitatkwaliteit wordt opgevolgd aan de hand van enkele parameters die onder de noemer van ‘algemene biotoopkwaliteit’ worden gegroepeerd, nl. doorzicht in de waterkolom, de pH, temperatuur, conductiviteit, opgeloste zuurstof en de structuur van de watervegetatie. Of de verlande vijvers na herinrichting duurzaam behouden blijven, wordt gecontroleerd door de oppervlakte en ligging van de beoogde doelsystemen en natuurstreefbeelden op te volgen in de tijd. Via de soortensamenstelling van de vegetatie wordt nagegaan in welke mate de natuurstreefbeelden zich ontwikkelen. Ook de effecten op de soortenrijkdom van macrofauna, amfibieën, libellen en vleermuizen wordt opgevolgd. Door het bepalen van de soortensamenstelling van de macrofauna kan nagegaan worden of de maatregelen inderdaad het gewenste effect hebben. In geval van een beter ecologisch functioneren zullen zich indicatorsoorten vestigen, die het ontstaan van gunstige abiotische randvoorwaarden (hogere habitatdiversiteit, gunstige ecologische processen: betere zuurstofhuishouding, etc.) aangeven. De verbetering in het ecologisch functioneren kan een
Monitoringsplan Dijlevallei
16/45
verhoging van de soortenrijkdom veroorzaken, maar de vestiging of uitbreiding van indicatoren van gunstige factoren is van veel meer belang.
4.2.3. gebiedsthema 3: vernatting en herstel kwelmilieu’s Of de maatregelen tot herstel van kwelgebonden vegetaties het gewenste effect hebben, wordt opgevolgd via de tussenparameter oppervlakte waarop grachten hersteld worden. Het opvolgen van de oppervlakte en ligging van de doelsystemen en natuurstreefbeelden laat toe na te gaan of zich overal de gewenste vegetatieontwikkeling voordoet. Of de bijbehorende doelsoorten voorkomen, wordt opgevolgd aan de hand van de vegetatiesamenstelling in deze kwelgebonden vegetaties.
4.2.4. gebiedsthema 4: verbetering van de landschapsstructuur De bedoeling van deze maatregelen is velerlei: het gebied meer open te maken (o.a. moeras- en natte graslanden), een meer natuurlijke bosvegetatie met zoom en mantel bekomen en kleine landschapselementen toevoegen aan het gebied. Hiervoor wordt de ligging en oppervlakte van doelsystemen en natuurstreefbeelden en de soortensamenstelling van de vegetatie opgevolgd. Het effect van de maatregelen op fauna wordt eveneens opgevolgd. In de beoogde landschapsstructuur zullen meer zoom- en randvegetaties voorkomen waarvan verwacht wordt dat die een positief effect zullen hebben op het voorkomen van dagvlinders en libellen. De soortenrijkdom van dagvlinders is met name indicatief voor een goed beheer, een grote structuurvariatie en voor goed ontwikkelde bosranden. Het doel van het opvolgen van dagvlinders is daarom het beoordelen of de structuur(variatie) inderdaad positieve effecten heeft op de dagvlinderfauna. Het omvormen en openmaken van nat bos zal een positieve invloed hebben op de libellenfauna. In deze concrete gevallen gaat het niet om bronbos maar om broekbos.
4.2.5. gebiedsthema 5: verhoging van het inheems karakter van aanwezige (opgaande) vegetaties Om na te gaan of de bosomvorming is gelukt, is het nodig om de ontwikkelingstoestand van de natuurstreefbeelden in de betreffende bospercelen te bepalen. Hiervoor wordt de ligging en oppervlakte van doelsystemen en natuurstreefbeelden en de soortensamenstelling van de vegetatie opgevolgd. Het effect van de bosomvorming op fauna wordt eveneens opgevolgd, meer bepaald het positief effect op het voorkomen van dagvlinders en libellen.
4.2.6. gebiedsthema 6: inrichting van soort(groep)specifieke voorzieningen Het betreft de inrichting van een bunker als winterverblijfplaats voor vleermuizen (en amfibieën: om amfibieën toe te laten in de bunker om er te overwinteren is onderaan de deur een spleet opengelaten). Via meting van temperatuur en luchtvochtigheid en controle op aanwezigheid van vleermuizen en amfibieën ’s winters zal het nut als winterverblijfplaats opgevolgd worden.
Monitoringsplan Dijlevallei
17/45
4.2.7. bemerkingen bij parameterselectie •
mollusken: zeggekorfslak
De zeggekorfslak wordt expliciet vermeld als doelsoort in het gebied en komt er nu ook reeds voor. Deze soort wordt vermeld bij de natuurstreefbeelden grote zeggenvegetatie en riet + grote zeggen. In het monitoringsplan wordt geen apart onderzoek voorzien om de evolutie van de zeggekorfslak te volgen. Het onderzoek is praktisch moeilijk haalbaar en zou een hoge kosten-baten verhouding hebben. Er wordt geopteerd om enkel de vegetatie te volgen (zie meetnetten vegetatie). •
Vissen
De bittervoorn wordt specifiek aangehaald als doelsoort in het projectrapport. Vanwege de hoge specialisatiegraad van het onderzoek wordt het niet voorzien in de monitoring. •
Vogels
Aangezien er in deze fase 1 (PUP2) slechts fragmentarisch maatregelen worden uitgevoerd, verspreid over het projectgebied lijkt een broedvogelkartering (nog) niet nuttig. Er zal immers geen grote gebiedsdekkende verandering plaats vinden. Omdat de meeste vogels op vrij grote schaal van het landschap gebruik maken, is er vaak geen directe relatie te leggen tussen een bepaalde lokaal genomen maatregel en het voorkomen van vogels. Er wordt geen broedvogelkartering opgenomen in de monitoring van deze fase 1.
Monitoringsplan Dijlevallei
18/45
5. meetnetontwerp 5.1. Algemeen Meetnetontwerp is een geïntegreerd samenspel van het op elkaar afstemmen van de meetlocaties (hoeveel en waar), monitorings- en meetfrequentie en de meetmethode voor de monitoring gekozen parameters. Het in te richten meetnet en de gegevens die hieruit voortvloeien in de loop der tijd moeten de mogelijkheid bieden de vooraf gestelde beleids- en gebiedsdoelen te kunnen toetsen. Daarnaast moet het mogelijkheden bieden, wanneer zich ontwikkelingen voordoen die vooraf niet werden voorzien, de oorza(a)k(en) daarvan te kunnen achterhalen en in de stuurparameters te kunnen ingrijpen en zo de ontwikkelingen te kunnen ”bijsturen”. In de onderstaande paragrafen worden de verschillende te monitoren parameters behandeld. Steeds wordt daarbij een terugkoppeling gemaakt ten behoeve van welke gebiedsthema’s betreffende monitoring nodig is. Eerst komt het vastleggen van de stuurparameters (vóór en) na inrichting aan de orde. Hiermee wordt later “bijsturen” in het natuurontwikkelingsproces mogelijk gemaakt. Bij de monitoringsfrequentie wordt het jaar ten opzichte van de uitvoering van maatregelen genoemd: -
T = -1 1 jaar vóór uitvoering van maatregelen
-
T = 0 het jaar van uitvoering van maatregelen
-
T = 1 1 jaar na uitvoering van maatregelen
-
T = 2 2 jaar na uitvoering van maatregelen
-
etc.
5.2. Stuurparameters Tabel 5.1 geeft een overzicht van de te monitoren stuurparameters. Deze worden grotendeels éénmalig gemeten, net na de werken (T=0). Hiermee worden de uitgangspunten voor de te ontwikkelen natuurwaarden bepaald (uitgangssituatie). Onder uitgangssituatie wordt de toestand verstaan onmiddellijk na het treffen van de maatregelen (T = 0). Deze wordt door de VLM vastgelegd. In hoofdzaak zal dit overeen komen met de werken zoals gepland in het projectuitvoeringsplan maar mogelijke afwijkingen moeten opgenomen worden. Met deze stuurparameters wordt later ‘bijsturen’ in het natuurontwikkelingproces mogelijk gemaakt.
Monitoringsplan Dijlevallei
19/45
Tabel 5.1: overzicht van de te meten stuurparameters. Stuurparameter Oppervlakte van het bestand of de lengte van de bomenrij die gekapt en ontstronkt worden. Oppervlakte van het bestand dat maaibaar gemaakt wordt of dat gemaaid wordt. Aantal inlaten. Aantal en hoogte van monniken en overlopen. Oppervlakte van het water dat open gemaakt wordt. Lengte van de grachten die hersteld worden of de oppervlakte waarover de grachten hersteld worden. Oppervlakte overwinteringsvoorzieningen voor vleermuizen (m2) Oppervlakte die aangeplant wordt en het aantal bomen die hiervoor worden aangeplant. Lengte van de aanplantingen. - Lengte van het raster en de oppervlakte die afgerasterd wordt - aantal poorten en vangkralen Oppervlakte die gaat verbossen. Oppervlakte van het bestand of de lengte van de bomenrij die gekapt worden. Oppervlakte die wordt omgevormd
Monitoringsplan Dijlevallei
Maatregel Het verwijderen van bomen en struiken en het weghalen van de stronken. Maaibaar maken van het perceel of maaien als inhaalbeheer of als achterstallig beheer Het herstellen van de waterinlaat. Het herstellen van monniken en overlopen Open maken van dichtgegroeide wateren Grachten herstellen (lijn- of vlakvormig)
Gebiedsthema 1, 4
# meetlocaties 6 vlakvormig en 3 lijnvormig
1, 4
9
2 2
Ligging meetlocatie Zie kaarten 1 + 3
Meetfrequentie 1 (T=0)
Meetmethode/bron gegevens technische plannen en logboek leidend ambtenaar
Zie kaarten 1 + 3
1 (T=0)
technische plannen en logboek leidend ambtenaar
1
Zie kaart 2
1 (T=0)
Zie kaart 2
1 (T=0)
2
3 monniken en 3 overlopen 4
Zie kaart 2
1 (T=0)
3
1 vlakvormig
Zie kaart 2
1 (T=0)
technische plannen en logboek leidend ambtenaar technische plannen en logboek leidend ambtenaa technische plannen en logboek leidend ambtenaar technische plannen en logboek leidend ambtenaar
Bunker inrichten als vleermuizenverblijfplaats
6
1
Zie kaart 2
1 (T=0)
technische plannen en logboek leidend ambtenaar
De aanleg van een hoogstamboomgaard
4
3
Zie kaart 3
1 (T=0)
technische plannen en logboek leidend ambtenaar
Het aanplanten van bomen en/of struiken Plaatsen van voorzieningen voor extensieve begrazing, zoals de aanleg van een begrazingsraster. Verbossing
4
3
Zie kaart 3
1 (T=0)
4
- 4 rasters - 4 poorten - 2 vangkralen
Zie kaart 3
1 (T=0)
technische plannen en logboek leidend ambtenaar technische plannen en logboek leidend ambtenaar
4
8
Zie kaart 3
1 (T=0)
Het verwijderen van bomen.
4, 5
5 vlakvormig en 1 lijnvormig
Zie kaarten 2 + 3
1 (T=0)
Bosomvorming
5
10
Zie kaart 2
1 (T=0)
technische plannen en logboek leidend ambtenaar technische plannen en logboek leidend ambtenaar technische plannen en logboek leidend ambtenaar
20/45
5.3. Doelparameters en meetnetten De verschillende doelparameters (zie tabel 4.1) worden verwerkt in een aantal meetnetten (volgens Albers et al., 2001). Een gedetailleerde beschrijving van de meetnetten volgt hieronder. Tabel 5.14 geeft een overzicht van de verschillende meetnetten. De huidige toestand wordt in principe door de VLM vastgelegd.
5.4. meetnet hydrologie 5.4.1. algemene biotoopkwaliteit Meetdoelstelling: Verbeteringen in de water- en waterbodemkwaliteit (gebiedsthema 2) zullen in eerste instantie effect hebben op het abiotische milieu en op waterplanten. Pas daarna volgt de fauna. De doelstelling van deze parameter is op eenvoudige wijze de biotoopkwaliteit voor de fauna te karakteriseren. Dit zorgt voor een betere oorzaakgevoeligheid van de monitoringsparameters. Met name de oorzaken voor het eventueel achterblijven van verbeteringen in de fauna kunnen hiermee achterhaald worden. De biotoopkwaliteit zal worden gekarakteriseerd door het bepalen van het doorzicht, de pH, temperatuur, conductiviteit, opgeloste zuurstof en de watervegetatiestructuur. Deze bepalingen kosten weinig tijd en bieden veel informatie. Meetmethode: Voor het bepalen van de algemene biotoopkwaliteit in stilstaande wateren worden de volgende parameters gemeten. De waarde wordt voor het te bemonsteren traject of watersysteem als geheel bepaald: • doorzicht: Met een Snell-tube wordt het doorzicht bepaald. Indien deze zou variëren binnen het water wordt het gemiddelde genomen. De Snell-tube is een ondoorzichtige plastieken gesloten buis van 1m lang met diameter 5cm, onderaan afgesloten. Deze wordt tot boven gevuld met water enkele cm onder het wateroppervlak. De meting gebeurt d.m.v. een staaf met een kruis aan het uiteinde die in de buis wordt gestoken tot het kruis niet meer zichtbaar is. • •
pH, temperatuur, conductiviteit, opgeloste zuurstof watervegetatiestructuur: - helofytenbegroeiing: de aanwezigheid, bedekking en soorten van de natte helofytenzone
(riet, liesgras etc.) wordt bepaald in m² en %, voor de volledige vijver. - ondergedoken waterplanten: de aanwezigheid, bedekking en soorten van de volledige
vijver wordt in m² en procenten bepaald (met een nauwkeurigheid van min. ± 10%). - drijvende watervegetatie: de aanwezigheid, bedekking en soorten van de volledige vijver
wordt in m² en procenten bepaald (met een nauwkeurigheid van min. ± 10%). Tabel 5.2: meetnet algemene biotoopkwaliteit wateren. parameter:
algemene biotoopkwaliteit wateren
type parameter:
tussen
gebiedsthema:
2
stratificatie:
•
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
verlande wateren die worden opengemaakt
21/45
7 locaties:
aantal meetlocaties:
-
4 IJsevijvers (3 grote en 1 kleine)
-
Zuidelijke kliniekvijver
-
Kliniekvjivertje noord
-
Langerodevijver
ligging meetlocaties:
Zie kaart 4
monitoringsfrequentie:
doorgaans 4 x : T = -1, 2, 5, 10
meetfrequentie:
1x in zomerperiode
meetmethode:
•
doorzicht: Snell-tube
•
pH, temperatuur, conductiviteit, opgeloste zuurstof
•
watervegetatiestructuur: bedekking en soorten helofytenzone, ondergedoken waterplanten,
drijfbladeren.
5.5. Meetnetten vegetatie 5.5.1. oppervlakte en ligging doelsystemen Meetdoelstelling: Het in kaart brengen van de oppervlakte en ligging van de verschillende doelsystemen heeft voornamelijk tot doel te kunnen toetsen of uitgevoerde maatregelen de gewenste veranderingen teweeg brengen. Tabel 5.3: meetnet oppervlakte en ligging van doelsystemen. parameter:
oppervlakte en ligging van doelsystemen •
stilstaand water
•
moeras
•
grasland
•
ruigte
•
struweel
•
bos
•
kleine landschapselementen
•
andere kunstmatige elementen (hoogstamboomgaard)
type parameter:
doel
gebiedsthema
1, 2, 3, 4, 5
stratificatie:
alle doelsystemen
aantal meetlocaties:
plandekkend: 37,85 ha (percelen met maatregelen PUP fase 1)
ligging meetlocaties
zie kaart 5 (kaartenbundel)
monitoringsfrequentie:
4 keer: T = -1, 2, 5, 10 (15, 20, 25)
meetfrequentie:
1 meting per meetseizoen, bij voorkeur in het voorjaar
meetmethode:
a.h.v. luchtfoto-interpretatie in het veld in kaart brengen van doelsystemen (of m.b.v. GPS in kaart brengen van (grenzen tussen) doelsystemen)
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
22/45
5.5.2. oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden Meetdoelstelling: In het projectgebied wordt het oppervlak en de ligging van alle aanwezige natuurstreefbeelden (BWK-eenheden of vegetatietypen) gekarteerd. Dit heeft voornamelijk tot doel te kunnen toetsen of de gewenste natuurstreefbeelden, die in het projectrapport worden vermeld, zich inderdaad ontwikkelen en vestigen. Tevens kunnen hiermee ontwikkelingen in oppervlakteverhoudingen en ligging van de natuurstreefbeelden in het gebied worden gevolgd. Daarmee biedt deze parameter ook de mogelijkheid meetlocaties te kiezen waar nader wordt bekeken of de soortensamenstelling in verschillende natuurstreefbeelden zich in de gewenste richting ontwikkelt. De verlangde informatie kan verkregen worden door de in het projectgebied aanwezige BWK-eenheden te identificeren met behulp van de hieraan toegekende karakteristieke soorten. Dit gebeurt in de huidige toestand en in een aantal meetseizoenen. Tijdens een monitoringperiode kan dan gecheckt worden of de BWK-eenheden (in oppervlak en soortenaantal) constant blijven of veranderen (af- of toenemen) in de gewenste richting door de genomen maatregelen. Tabel 5.4: meetnet oppervlakte en ligging van natuurstreefbeelden: parameter:
oppervlakte en ligging van natuurstreefbeelden •
dottergrasland
•
eiken-haagbeukenbos
•
elzen-essenbos
•
essen-olmenbos
•
glanshaver / kamgrasland
•
grote zeggenvegetatie
•
hoogstamboomgaard
•
kamgrasland
•
mesotroof elzenbroekbos
•
moerasspirearuigte
•
open water
•
riet en grote zeggen
•
rietland
•
rietland / rietruigte
•
rietruigte
•
wilgenstruweel
type parameter:
doel
gebiedsthema
1, 2, 3, 4, 5
stratificatie:
alle natuurstreefbeelden
aantal meetlocaties:
plandekkend: 37,85 ha
monitoringsfrequentie:
4 keer: T = -1, 2, 5, 10 (15, 20 , 25)
ligging meetlocaties
zie kaart 5 (kaartenbundel)
meetfrequentie:
1 meting per meetseizoen, bij voorkeur in het voorjaar (evt. controle in het najaar)
meetmethode:
op basis van het voorkomen van indicatieve soorten voor BWK-typen wordt de ligging van natuurstreefbeelden (BWK-typen en combinatie typen) binnen de vlakken van doelsystemen in kaart gebracht
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
23/45
5.5.3. soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden Meetdoelstelling: Het vaststellen van de grenzen en oppervlakten van doelsystemen en natuurstreefbeelden zijn tamelijk grove bewerkingen, waarbij, afgaand op de aanwezigheid van een aantal indicatorsoorten voor BWK-eenheden globaal de aanwezigheid van natuurstreefbeelden wordt vastgesteld. Met die bewerkingen is het niet mogelijk de ontwikkelingen van de vegetatie meer in detail (op soortniveau) te volgen en te kunnen beoordelen in hoeverre de gekozen natuurstreefbeelden ook daadwerkelijk tot ontwikkeling komen en duurzaam gehandhaafd blijven. Hiertoe is een bepaling wenselijk van de soortensamenstelling (en soortenrijkdom) binnen de oppervlakken waarin met de uitvoering van verschillende maatregelen de verschillende natuurstreefbeelden worden gerealiseerd. Aan de hand van de soortensamenstelling en het verloop ervan door de jaren heen kan, mede aan de hand van het voorkomen van indicatorsoorten voor de BWK-eenheden, worden geëvalueerd of en hoe de diverse natuurstreefbeelden zich ontwikkelen. Tabel 5.5: meetnet soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden: parameter:
soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden
type parameter:
doel
gebiedsthema
1, 2, 3, 4, 5
stratificatie:
alle natuurstreefbeelden
aantal meetlocaties:
per natuurstreefbeeld wordt er 1 PQ geïnventariseerd, er worden in totaal 15 pq’s geselecteerd waarvan 1 vlakdekkende inventarisatie (open water)
ligging meetlocaties:
willekeurige selectie van PQ’s conform het kaartbeeld van de oppervlakte en ligging van natuurstreefbeelden Zie kaart 6 (kaartenbundel)
monitoringsfrequentie:
doorgaans 4 x : T = -1, 2, 5, 10
meetfrequentie
bij voorkeur 2 metingen per meetseizoen, in het voorjaar (mei-juni) en in het najaar (augustus- september)
meetmethode
Bepaling van presentie en abundantie van plantensoorten in en PQ’s, volgens Londo, per natuurstreefbeeld
Voor een opsomming van de doelsoorten verwijzen we naar bijlage 1.
5.6. Meetnetten fauna 5.6.1. amfibieën De soortenrijkdom van amfibieën kan een belangrijke indicator zijn voor het gebiedsthema “verbeteren ecologisch functioneren van oppervlaktewateren”. De kamsalamander werd tot op heden niet waargenomen in het gebied. Vanwege de vermelding als habitatrichtlijnsoort zal de aanwezigheid van kamsalamander specifiek onderzocht worden. Als meetlocaties voor de soortenrijkdom van amfibieën en de aanwezigheid van kamsalamander, worden de stilstaande wateren gekozen waar maatregelen worden uitgevoerd.
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
24/45
Tabel 5.6: meetnet soortenrijkdom amfibieën (stilstaand water): parameter:
soortenrijkdom amfibieën (stilstaand water)
type parameter:
doel
gebiedsthema:
2 - Verbeteren ecologisch functioneren van oppervlaktewateren
stratificatie:
•
aantal meetlocaties:
6 locaties:
verlande wateren die worden opengemaakt
-
4 IJsevijvers (3 grote en 1 kleine)
-
Zuidelijke kliniekvijver
-
Langerodevijver
8 fuiken : 1 fuik in elke IJsevijver, 2 fuiken in de zuidelijke kliniekvijver en in de Langerodevijver ligging meetlocaties:
zie kaart 4 (kaartenbundel)
monitoringsfrequentie:
3x: T = -1, 2, 5, 10
meetfrequentie:
3 - 4 bezoeken per meetseizoen, tussen half maart en eind juni.
meetmethode:
inventarisatie van alle soorten en aantallen volgens standaard monitoringsmethode (Groenveld, 1997) en indicaties voor voortplanting noteren
In de zes open wateren worden fuiken geplaatst om de soortenrijkdom van amfibieën te bepalen en tevens een inschatting te maken van het al dan niet voorkomen van de kamsalamander. Er kan aanvullend geschept worden met netten naar larven om zo een inschatting te maken van mogelijke voortplanting in de wateren. Naast deze monitoring van oppervlaktewateren wordt de bunker die voor vleermuizen wordt ingericht eveneens gecontroleerd op het gebruik door amfibieën als overwinteringsplaats (zie onder 5.6.5. vleermuizen). Er wordt gezocht naar hun aanwezigheid in de bunker. Tabel 5.7: meetnet soortenrijkdom en abundantie amfibieën: parameter:
soortenrijkdom en abundantie vleermuizen
type parameter:
doel
gebiedsthema:
6 – inrichting van soort(groep)specifieke voorzieningen
stratificatie:
aangelegde overwinteringsvoorziening voor vleermuizen – aanpassing bunker
monitoringsfrequentie:
3x: T = 1, 2, 5, 10
aantal meetlocaties:
1 bunker
ligging meetlocaties:
zie kaart 7
meetfrequentie:
1 bezoek in de winter
meetmethode:
alle dieren tellen en (zo mogelijk) op naam brengen
5.6.2. dagvlinders De soortenrijkdom van dagvlinders is een goede indicator voor de effecten van maatregelen ten behoeve van verschraling en verbetering van de landschapsstructuur. Deze soortenrijkdom wordt bepaald aan de hand van enkele transecten die regelmatig geïnventariseerd worden. Hierbij worden tevens de aantallen van de voorkomende vlinders geteld. De meet- en monitoringsfrequentie zijn niet intensief genoeg om van een
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
25/45
kwantitatieve opname te mogen spreken, doch het kan wel een trend aangeven, zeker in het kader van de opvolging van enkele doelsoorten. Tabel 5.8: meetnet soortenrijkdom dagvlinders: parameter:
Soortenrijkdom dagvlinders
type parameter:
doel
gebiedsthema:
1 - Verschraling 4 - Verbetering landschapsstructuur 5 - verhogen inheems karakter opgaande vegetaties
stratificatie:
monitoringsfrequentie:
•
zones waar een maaibeheer wordt ingesteld
•
zones die open gemaakt worden (ook bosranden)
kwalitatieve telling: T = -1, 2, 5 en 10
aantal meetlocaties:
2 transecten van 500m
ligging meetlocaties:
Zie kaart 7 (kaartenbundel)
meetfrequentie:
4 tellingen in de periode van mei – augustus
meetmethode:
Soortenrijkdom en aantallen: aan- en afwezigheid vaststellen van alle soorten en de aantallen van de voorkomende vlinders
Verder worden de kleine ijsvogelvlinder en de grote weerschijnvlinder nog expliciet vermeld als doelsoorten van de respectievelijke natuurstreefbeelden eiken-haagbeukenbos en mesotroof elzenbroekbos. Hooibeestje wordt in het projectrapport vermeld als doelsoort. Er worden 2 trajecten van 500 meter uitgezet, verspreid over de natuurstreefbeelden en de maatregelen.
5.6.3. libellen Tabel 5.9: meetnet soortenrijkdom en aantallen libellen: parameter:
soortenrijkdom en aantallen libellen
type parameter:
doel
gebiedsthema:
2 - Verbeteren ecologisch functioneren van oppervlaktewateren 4 - Verbetering landschapsstructuur 5 - verhogen inheems karakter opgaande vegetaties
stratificatie:
•
monitoringsfrequentie:
kwalitatieve telling:
verlande wateren die worden opengemaakt
T = -1, 2, 5 en 10 aantal meetlocaties:
4 transecten van 100 m
ligging meetlocaties:
zie kaart 7 (kaartenbundel)
meetfrequentie:
4 tellingen in de periode van mei – augustus
meetmethode:
Soortenrijkdom en aantallen : aan- en afwezigheid vaststellen van alle soorten, de aantallen van de voorkomende libellen en indicaties voor voortplanting noteren
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
26/45
De mogelijke locaties voor het monitoren van libellen worden afgebakend aan de hand van het gebiedsthema 2, 4 en 5 en aan de hand van de natuurstreefbeelden waar enkele libellensoorten als doelsoort werden vooropgesteld. Het natuurstreefbeeld met bronlibel als expliciete doelsoort is het elzen-essenbos. In het projectrapport wordt ook de weidebeekjuffer nog vermeld als doelsoort.
5.6.4. macrofauna Tabel 5.10: meetnet soortensamenstelling aquatische macrofauna: parameter:
soortensamenstelling aquatische macrofauna
type parameter:
doel
gebiedsthema
2 - Verbeteren ecologisch functioneren van oppervlaktewateren
stratificatie:
•
aantal meetlocaties:
7 locaties:
verlande wateren die worden opengemaakt
-
4 IJsevijvers (3 grote en 1 kleine)
-
Zuidelijke kliniekvijver
-
Langerodevijver
-
IJse
1 tot 2 meetlocaties per locatie oppervlaktewatersysteem ligging meetlocaties:
Zie kaart 4 (kaartenbundel) de exacte ligging wordt vaak bepaald door de vraag of alle aanwezige typen habitats (zoals kaal zand, slib, bladpakketten en dergelijke) op de meetlocatie kunnen worden bemonsterd
monitoringsfrequentie:
doorgaans 4 x : T = -1, 2, 5, 10
meetfrequentie:
1 meting per meetseizoen (bij voorkeur in het voorjaar)
meetmethode:
nemen van een macrofauna-monster conform de standaardprocedure voor macrofaunabemonstering ten behoeve van bepaling BBI, spoelen en uitzoeken van het monster en determineren van de gevonden organismen (De Pauw en Vannevel, 1991)
Het gebiedsthema 2. verbetering ecologisch functioneren oppervlaktewateren omvat de maatregelen, grachten, inlaat, monnik, open maken, overloop. Er zijn zes open stilstaande wateren en 1 waterloop waar deze relevante maatregelen genomen worden en waar dus kan gemonitord worden op macrofauna. Er word(t)(en) telkens per oppervlaktewater 1 (tot 2) locatie(s) bemonsterd.
5.6.5. zoogdieren: vleermuizen Tabel 5.11: meetnet soortenrijkdom zoogdieren - vleermuizen: parameter:
soortenrijkdom zoogdieren - vleermuizen
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
27/45
type parameter:
doel
gebiedsthema:
2 - Verbeteren ecologisch functioneren van oppervlaktewateren
stratificatie:
-
gebiedsdelen waar maatregelen voor verbeteren ecologisch functioneren van oppervlaktewateren worden genomen
monitoringsfrequentie:
T = -1, 2, 3, 5, 7 en 9
aantal meetlocaties:
1 “gebiedsdekkende” inventarisatie van een open water
ligging meetlocaties:
Zie kaart 7
meetfrequentie:
Vleermuizen: 2 avonden, mei/juni ; augustus/ september
meetmethode:
Vleermuizen: bat-detector (Helmer et al., 1988)
Enkel de vleermuizen worden weerhouden om te monitoren. Er wordt een gebiedsdekkende inventarisatie voorzien van het open water in de Doode Beemde. Hier zijn maatregelen voorzien aan het open water, hierdoor kan dit evolueren naar een geschikte foerageerplaats. De bestaande bunker wordt gedeeltelijk aangepast als verblijfsplaats voor vleermuizen. Deze bunker kan verder opgevolgd worden om te evalueren of hij gebruikt wordt als winterverblijfplaats. Enerzijds wordt hiervoor de temperatuur en luchtvochtigheid in de bunker opgevolgd en anderzijds de soortenrijkdom en de abundantie van de vleermuizen in de bunker. Zie hiervoor respectievelijk tabel 5.12 en 5.13. Tabel 5.12: meetnet temperatuur en luchtvochtigheid overwinteringsvoorziening vleermuizen: parameter:
temperatuur en luchtvochtigheid overwinteringsvoorziening vleermuizen
type parameter:
tussen
gebiedsthema:
6 – inrichting van soort(groep)specifieke voorzieningen
stratificatie:
aangelegde overwinteringsvoorziening voor vleermuizen – aanpassing bunker
monitoringsfrequentie:
3x: T = 1, 5, 10
aantal meetlocaties:
1 bunker
ligging meetlocaties:
zie kaart 7
meetfrequentie:
1 meting per meetseizoen, in de winter
meetmethode:
metingen van temperatuur en luchtvochtigheid op 3 punten: bij de ingang, halverwege en achterin de voorziening
Tabel 5.13: meetnet soortenrijkdom en abundantie vleermuizen: parameter:
soortenrijkdom en abundantie vleermuizen
type parameter:
doel
gebiedsthema:
6 – inrichting van soort(groep)specifieke voorzieningen
stratificatie:
aangelegde overwinteringsvoorziening voor vleermuizen – aanpassing bunker
monitoringsfrequentie:
3x: T = 1, 5, 10
aantal meetlocaties:
1 bunker
ligging meetlocaties:
Zie kaart 7
meetfrequentie:
1 bezoek in de winter
meetmethode:
alle dieren tellen en (zo mogelijk) op naam brengen
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
28/45
5.7. Overzicht meetnetten Tabel 5.14: overzicht van de meetnetten. Meetnet
# meetlocaties
Hydrologie algemene biotoopkwaliteit
7
Oppervlakte en ligging van doelsystemen Oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden Soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden Soortenrijkdom amfibieën (aanwezigheid kamsalamander) Soortenrijkdom en abundantie amfibieën in bunker Soortenrijkdom dagvlinders Soortenrijkdom libellen Soortensamenstelling aquatische macrofauna Soortenrijkdom zoogdieren – vleermuizen Temperatuur en luchtvochtigheid bunker vleermuizen Soortenrijkdom en abundantie vleermuizen in bunker
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
Ligging meetlocatie Zie kaart 4
Monitoringsfrequentie Meetfrequentie T= -1, 2, 5, 10 1 (najaar)
Meetmethode
Gebiedsdekkend (37,85 ha) Gebiedsdekkend (37,85 ha) 15 pq’s waarvan 1 vlak 6
Zie kaart 5
T= -1, 2, 5, 10
1 (voorjaar)
Zie kaart 5
T= -1, 2, 5, 10
1 (voorjaar)
Zie kaart 6
T= -1, 2, 5, 10
2
Zie kaart 4
T= -1, 5, 10
3-4
1 (bunker)
Zie kaart 7
T= 1, 5, 10
1 (winter)
Bepalen van doorzicht met Snell-tube, pH, temperatuur, conductiviteit, opgeloste zuurstof en de watervegetatiestructuur (bedekking en soorten helofytenzone, ondergedoken waterplanten, drijfbladeren) Het in kaart brengen van de doelsystemen op het terrein aan de hand van luchtfoto-interpretatie. De natuurstreefbeelden worden in kaart gebracht (BWK), binnen de doelsystemen, op basis van het voorkomen van indicatieve soorten Bepaling van presentie en abundantie van plantensoorten in kaartvlakken, volgens Tansley, en pq’s, volgens Londo. Inventarisatie met fuiken, eventueel aangevuld met scheppen om voortplanting na te gaan. Alle dieren tellen en op naam brengen.
2 trajecten (van elk 500 meter) 4 trajecten (van elk 100 meter) 7
Zie kaart 7
T= -1, 2, 5, 10
4
Aan- en afwezigheid vaststellen van alle soorten.
Zie kaart 7
T= -1, 2, 5, 10
4
Zie kaart 4
T= -1, 2, 5, 10
1 (voorjaar)
1 vlakdekkende inventarisatie 1 (bunker)
Zie kaart 7
T= -1, 2, 3, 5, 7 en 9
2
Zie kaart 7
T= 1, 5, 10
1 (winter)
1 (bunker)
Zie kaart 7
T= 1, 5, 10
1 (winter)
Aan- en afwezigheid vaststellen van alle soorten en indicaties voor voortplanting noteren. Macrofaunabemonstering en bepaling van BBI, volgens de methode van De Pauw en Vannevel (1991). Inventarisatie met bat-detector, 1 vlakdekkende inventarisatie van een open water. Metingen van temperatuur en luchtvochtigeheid op 3 punten: bij de ingang, halverwege en achterin de voorziening. Alle dieren tellen en op naam brengen.
29/45
6. Opslag, aggregatie en beoordeling van meetgegevens 6.1. Gegevensopslag Alle ruwe data worden bewaard in Excel-bestanden. De originele veldnota’s worden (waar mogelijk) ook bewaard. Al het kaartmateriaal wordt gedigitaliseerd (Arc-gis). Zowel het origineel als het digitaal bestand wordt bewaard en beheerd. Voor dit hoofdstuk wordt verwezen naar het Vademecum monitoring natuurinrichting (2001).
6.2. Aggregatie en beoordeling 6.2.1. Meetnet hydrologie 6.2.1.1.
algemene biotoopkwaliteit
In ieder meetseizoen ontstaat een overzicht van de volgende gegevens per meetlocatie: • doorzicht (cm) • pH, temperatuur, conductiviteit, opgeloste zuurstof • bedekkingspercentage en soorten helofytenvegetatie (m² en %) • bedekkingspercentage en soorten ondergedoken waterplanten (m² en %) • bedekkingspercentage en soorten drijvende watervegetatie (m² en %) Voldoende doorzicht vormt een basisvoorwaarde voor de fauna en ook voor de vegetatieontwikkeling. Deze dient tenminste meer dan 50 cm te bedragen en bij voorkeur tot op de bodem (of meer dan 1 m). De stroomsnelheid (in wateren die stroming zouden kunnen vertonen) dient ten minste groter dan nul te zijn. De gewenste stroomsnelheid verschilt verder per water. Indien het water stil staat kan dit de effecten van eutrofiering versterken. Het watertype in de vijvers kan veranderen door het aanleggen van de watertoevoersystemen vanuit de IJse (groot aandeel IJsewater in de vijvers, meer water, frequentere toevoer en minder schommeling in waterpeil). De pH, temperatuur, conductiviteit en opgeloste zuurstof kunnen een indicator zijn voor een verandering in samenstelling van het oppervlaktewater. Dit kan een invloed hebben op de samenstelling van de vegetatie. Vooral voor veel soorten libellen is een goed ontwikkelde oevervegetatie gunstig. Een strook helofyten van tenminste een halve meter breed voor kleine waterlopen en 1 meter voor bredere wateren biedt voldoende mogelijkheden. Wat betreft ondergedoken waterplanten is een bedekking tussen ongeveer 20 en 80% het gunstigste. Een bedekkingsgraad van minder dan 20 procent kan duiden op een slechte water- of waterbodemkwaliteit. Een gering doorzicht of een te dikke sliblaag kunnen hiervan oorzaken zijn (zie meetnet slibdikte waterbodem). Een bedekking die groter is dan 80 procent verkleint echter ook de biotoopkwaliteit, omdat door de homogene begroeiing structuurvariatie ontbreekt. Voor drijvende watervegetatie geldt ongeveer hetzelfde. Een geringe bedekking (< 30 procent) is goed voor de structuurvariatie. Indien de drijvende watervegetatie zich sluit (> 80 procent) vermindert dit echter sterk de mogelijkheden voor fauna en ondergedoken waterplanten. Volledig dichtgroeien van waterlopen, van met name drijvende vegetatie, kan duiden op een te grote voedselrijkdom (zie parameter Oppervlaktewaterkwaliteit trofie en saprobie).
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
30/45
6.2.2. Meetnetten vegetatie 6.2.2.1.
oppervlakte en ligging van doelsystemen
Elk van de 4 metingen (T = -1, 2, 5 en 10) levert in eerste instantie een met de hand getekende kaart van het gehele projectgebied met de begrenzing van doelsystemen. Deze kaarten geven de huidige toestand van het gebied, de nieuwe toestand, enige jaren na het doen van ingrepen en een tweetal situaties verder in de tijd, weer. De kaarten dienen te worden gedigitaliseerd in een GIS-applicatie (b.v. Arcinfo of Arcview). Het resultaat is een plandekkende kaart met aanduiding van de doelsystemen. Van de vlakken waaraan doelsysteemtypen zijn toegekend, wordt de oppervlakte berekend. Oppervlakten worden getotaliseerd per doelsysteemtype. Areaal-ontwikkeling specifieke doelsystemen: Afhankelijk van specifieke doelstelling van een project kan het nodig zijn de ontwikkeling van het areaal van een aantal specifieke doelsysteemtypen te volgen. Enkele vaker voorkomende voorbeelden zijn hieronder toegelicht. In gebieden waarin open water en moeras is aangelegd, of waarin op grotere schaal vernatting heeft plaatsgevonden zal tussen de metingen in T = -1 en T = 2 wordt beoordeeld of de oppervlakten van de doelsystemen open water en moeras zijn toegenomen. Naar verwachting zal sprake zijn van een aanzienlijke toename. In de jaren daarna is het mogelijk dat een deel van de oppervlakte open water weer verdwijnt als gevolg van verlandingsprocessen. Dit zou aan de hand van de opnamen in T = 5 en 10 dienen te worden geëvalueerd. Wanneer blijkt dat door verlanding open water op grotere schaal al vrij snel weer verdwijnt, dient mogelijk te worden overwogen een vorm van beheer toe te passen waardoor het proces wordt tegengewerkt (schonen van sloten, maaien van water- en helofytenvegetaties). In gebieden waarin men doelbewust een groot areaal van grasland wil handhaven dient te worden geëvalueerd hoe de oppervlakte van grasland in de loop der tijd evolueert. In principe wordt ervan uitgegaan dat een bepaald percentage van de oppervlakte van het gebied duurzaam zal zijn bedekt met grasland, maar door verruiging of door spontane ontwikkeling van bos of struweel, zou de oppervlakte van grasland op termijn een negatieve trend kunnen vertonen. Dit is mogelijk aanleiding voor een intensivering van het beheer van graslanden die onderhevig zijn aan verruiging of ontwikkeling van bos/struweel.
6.2.2.2.
Oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden
Elk van de 4 metingen (T = -1, 2, 5, 10) levert een overzicht van natuurstreefbeelden gekoppeld aan kaartvlakken met doelsysteemtypen. De kaarten dienen te worden gedigitaliseerd in een GIS-applicatie (b.v. Arcinfo of Arcview). Het resultaat is een plandekkende kaart met aanduiding van de bwk-types en de natuurstreefbeelden. Van de vlakken met natuurstreefbeelden wordt de oppervlakte berekend. Oppervlakten van alle vlakken worden per natuurstreefbeeld getotaliseerd. Deze waarden worden in een tabel verzameld. In de eerste plaats dient te worden vastgesteld of alle gewenste natuurstreefbeelden in de nieuwe situatie (T = 2) aanwezig zijn of zich in potentie verder zouden kunnen ontwikkelen. Indien niet alle natuurstreefbeelden aanwezig zijn, of indien er sprake is van een sterke
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
31/45
achteruitgang van één van de gewenste natuurtypen, dient mogelijk een herbezinning plaats te vinden op de hoogte van de stuurparameters. In de loop van het monitoringsprogramma ontstaan 4 kaartbeelden en tabellen met het overzicht van de ligging en oppervlakte van natuurstreefbeelden. Deze vormen samen een tijdreeks. Met de gegevens in de tijdreeks van kaarten en tabellen kan worden beoordeeld of en in hoeverre natuurstreefbeelden zich in de loop der tijd verplaatsen en of er zich opvallende verschuivingen voordoen in de oppervlakteverhoudingen. Naar verwachting zal het verschil tussen de opname van de huidige toestand (T = -1) en de eerste van de nieuwe toestand (T = 2) vaak het meest evident zijn. Aan deze verandering liggen immers soms grootscheepse maatregelen zoals het op grote schaal afgraven van delen van het projectgebied of het op grotere schaal inzetten van vernattingsmaatregelen ten grondslag. Op langere termijn zal de situatie zich geleidelijk stabiliseren en kunnen de verschillende natuurstreefbeelden zich qua soortensamenstelling en soortenrijkdom verder ontwikkelen. Dit wordt geverifieerd aan de hand van vegetatieopnames (zie 6.6.5 en hierna). Ook kunnen zich in de loop der tijd wijzigingen voordoen als gevolg van onderlinge concurrentie tussen verschillende vegetatietypen (verdringing). Indien hiervan sprake is (bijvoorbeeld verdwijnen van een natuurstreefbeeld uit een vlak waarin voordien meerdere streefbeelden voorkwamen), dient te worden geëvalueerd of deze ontwikkeling niet op termijn leidt tot het verdwijnen van het betreffende natuurstreefbeeld uit het gebied. Naar verwachting zullen in projecten met een verschralingsdoelstelling (gebiedsthema 1) natuurstreefbeelden van minder voedselrijke standplaatstypen, ten opzichte van de huidige toestand (T = -1) in de loop der tijd vrij sterk kunnen toenemen. In de eerste jaren na de ingrepen zullen vermoedelijk nog vaak grote delen met pioniervegetaties zijn begroeid en kan een ontwikkeling naar gewenste natuurstreefbeelden op z’n vroegst in T = 5 worden verwacht. In de jaren daarna, tussen T = 5 en T = 10, kan een verdere ontwikkeling van gewenste natuurstreefbeelden worden verwacht, zij het dat die ontwikkeling mede afhankelijk is van de vraag of de verschraalde toestand die in T = 0 wordt gecreëerd, op termijn kan worden gehandhaafd.
6.2.2.3.
Soortensamenstelling in natuurstreefbeelden
Elke individuele vegetatieopname levert voor elk natuurstreefbeeld (1 geselecteerd perceel per natuurstreefbeeld) een soortenlijst met globale indicaties van abundanties van een PQ (volgens Londo-methode) op. De opnames werden vegetatiekundig geanalyseerd met Turboveg en Associa. Associa rangschikt de resultaten van de analyse van de opname op basis van de waarde voor de combined index, een maat voor de gelijkenis van een opname met de “doorsnee” opname van een syntaxon uit de Vegetatie van Nederland (Schaminée et al.). Hoe kleiner de index, hoe groter de gelijkenis en hoe hoger in de rangschikking. Om te komen tot een uiteindelijke keuze van vegetatietype/syntaxon waarmee de opname correspondeert, wordt vooral belang gehecht aan de incompleteness en de weirdness. De incompleteness is best maximum 1, hoe kleiner hoe beter. Het aantal “weird” soorten is tevens best kleiner dan 0, hoe negatiever, hoe beter. Dit betekent dat de eerst vermelde associatie door Associa niet noodzakelijk de beste hoeft te zijn.
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
32/45
Gedurende de monitoringsperiode (jaren –1, 2, 5 en 10) worden de resultaten per PQ met elkaar vergeleken en met het natuurstreefbeeld. Op deze manier wordt bekeken wat betreft soortensamenstelling of er een gunstige evolutie is naar en in hoeverre het afwijkt van het beoogde natuurstreefbeeld. In het algemeen geldt dat hoe hoger het aantal en de abundantie van de karakteristieke soorten op een gegeven meetlocatie, hoe meer de vegetatie evolueert in de richting van het natuurstreefbeeld. Naar verwachting zal de biotoopkwaliteit (habitatdiversiteit) in het projectgebied toenemen. Dit zou te zien moeten zijn in een toename van de voor de geselecteerde natuurstreefbeelden karakteristieke en algemene soorten. In het optimale geval zou dit in jaar 5 al meetbaar moeten zijn. Aan de hand van ecologische kennis over de soorten waarbij veranderingen worden vastgesteld, kunnen de resultaten verder worden geïnterpreteerd.
6.2.3. Meetnetten fauna 6.2.3.1.
vleermuizen
Soortenrijkdom: Van elke inventarisatieronde dient een tabel en kaart opgemaakt te worden met alle waarnemingen, en met specifieke vermelding van de aandachtssoorten (rode lijstsoorten, doelsoorten). De gegevens van de 3 meetmethoden worden samengevoegd. Dit levert een soortenlijst op van het gebied als geheel van alle vleermuizen. 5 jaar na het uitvoeren van de meeste maatregelen kunnen deze gegevens worden vergeleken met de opname van de huidige toestand (T = -1) of met de resultaten van de inventarisatie van het projectrapport. Indien de biotoopkwaliteit van het gebied door de maatregelen toeneemt, kan ook de soortenrijkdom van vleermuizen toenemen. Ecologische kennis van de betreffende soorten kan worden gebruikt voor verdere interpretatie van de resultaten. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de trefkans van zoogdieren nooit 100% is, met name vanwege de grote dichtheidfluctuaties (Bergers, 1997b). Daarom dient kritisch naar de resultaten gekeken te worden en door middel van expert judgement beoordeeld of de waargenomen veranderingen reëel zijn. Speciale aandacht dient uit te gaan naar de in het projectrapport genoemde doelsoorten. Natuurlijk worden ook Rode lijstsoorten en Aandachtssoorten apart genoemd. Op basis van ‘expert judgement’ moet worden ingeschat of verbeteringen in de soortenrijkdom van vleermuizen toe te schrijven zijn aan de uitgevoerde maatregelen. In T = 10 kan worden nagegaan of de soortenrijkdom duurzaam is, dan wel aan toename of afname onderhevig. Evaluatie gebruik overwinteringsvoorzieningen vleermuizen: Van ieder meetseizoen wordt vastgesteld hoeveel vleermuizen van elke soort er overwinteren. Het eerste jaar is vooral een controle of de voorziening geschikt is voor vleermuizen. Als er dan reeds vleermuizen overwinteren is dat uitzonderlijk. De temperatuur dient niet lager dan 0 en niet hoger dan 8 oC te zijn. Een verloop in temperatuur (bij de ingang kouder en dieper in de voorziening warmer) is het beste, omdat de dieren dan hun optimale overwinteringstemperatuur kunnen opzoeken. Het mag er niet tochten. De luchtvochtigheid moet tenminste achterin de voorziening hoog zijn (>90%). Het is zeer positief als er in T = 5 tenminste 1 soort in de voorziening overwintert. Vleermuizen zijn echter erg honkvast en koloniseren niet gauw nieuwe locaties. Om van een geslaagde vleermuizenvoorziening te spreken dienen tenminste in T = 10 vleermuizen
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
33/45
aanwezig te zijn. Vestiging van vleermuizen in T = 5 en toename in aantallen en /of soortenrijkdom in T = 10 is na te streven.
6.2.3.2.
Amfibieën
Soortenrijkdom in stilstaand water: Elk bezoek levert een soortenlijst met globale aantalsindicatie per meetlocatie. Naast een weergave in tabelvorm van de soortenrijkdom, dient dit ook ruimtelijk weergegeven te worden op kaart, met specifieke vermelding van de aandachtssoorten (rode lijstsoorten, doelsoorten). De lijsten van 3 – 4 bezoeken per meetseizoen worden per meetlocatie samengevoegd. Hieruit wordt de soortenrijkdom en de globale populatiegrootte per soort per meetlocatie voor betreffend meetseizoen bepaald (Groenveld, 1997). Uit samenvoeging van overzichten van de meetlocaties per maatregel (verwijderen van strooisel en slib uit verlande vijvers, herstelling watertoevoer en –afvoer, dijkherstel, herprofilering oevers) kan worden bepaald of en hoe de verschillende watertypen verschillen in populaties van amfibieën. Tenslotte wordt de soortenrijkdom voor het gehele gebied per meetseizoen bepaald. In T = 5 is vestiging van nieuwe soorten te verwachten. De soortenrijkdom van amfibieën is echter nooit groot, in een gemiddeld gebied zijn 5 - 8 soorten te verwachten. Iedere gevestigde soort moet daarom als positief worden beschouwd. Voor een gebied als geheel is alleen toename van de totale soortenrijkdom te verwachten als er in de omgeving meer soorten voorkomen. De fluctuatie van de soortenrijkdom is van nature relatief gering voor deze weinig mobiele soortgroep. Daarom is het voor het gebied als geheel interessant om het aantal bezette wateren per soort te bepalen, als er meer dan vijf wateren worden onderzocht. Dit kan vervolgens nader gespecificeerd worden naar populatiegroottes. Een bezettingspercentage van meer dan de helft is zeer positief. Indien in T = 10 het aantal bezette wateren per soort is toegenomen kan worden geconcludeerd dat de voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën zijn verbeterd. Fluctuaties in waargenomen aantallen per soort tussen de meetseizoenen zijn van nature groot (Groenveld, 1997). Daarom worden de waargenomen aantallen in categorieën ingedeeld (zeldzaam, algemeen, zeer algemeen). Indien een soort op een meetlocatie een categorie toeneemt of afneemt is dit een signaal dat er mogelijk een verandering in biotoopkwaliteit plaatsvindt. Indien een soort op meerdere meetlocaties een aantalscategorie afneemt, zonder dat er sprake was van slechte weersomstandigheden of tijdelijke droogval van het water, kan dit een signaal zijn van het ongeschikt raken van het gebied. Wanneer de resultaten worden uitgesplitst per maatregel is wellicht te zien welke maatregel het meest kansrijk is geweest in het gegeven gebied. Wellicht vestigen soorten zich sneller in secundaire biotopen (na ruimen van sloten en poelen) dan in volledig nieuwe primaire wateren (nieuwe poelen). Op basis van de resultaten kan, met name bij zogenaamde ‘normale procedure’ projecten, mogelijk worden besloten, in het vervolgtraject van het project meer in te zetten op succesvolle maatregelen en minder op de minder succesvolle. Bij alle bovengenoemde interpretatiemethoden dient apart aandacht te worden besteed aan de trend van bijzondere soorten of doelsoorten. Deze kritische soorten zijn het meest indicatief voor de waarde van het gebied voor amfibieën.
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
34/45
6.2.3.3.
Libellen
Soortenrijkdom en aantallen: Van elke inventarisatieronde dient een tabel en kaart opgemaakt te worden met alle waarnemingen, en met specifieke vermelding van de aandachtssoorten (rode lijstsoorten, doelsoorten). Nadat in een meetseizoen alle telrondes zijn gelopen, worden de waarnemingen van alle bezoeken per transekt samengevoegd. Dit resulteert in een soortenlijst (eventueel met een overzicht van waargenomen aantallen) per maatregel en biotooptype. De gegevens van alle transekten worden samengevoegd tot een soortenlijst voor het hele gebied. Per soort wordt verder een inschatting gemaakt of deze zich in het gebied voortplant of slechts als zwerver het gebied bezoekt. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de genoteerde indicaties van voortplanting en schattingen van aantallen. De aanwezigheid van Rode lijstsoorten (De Knijf en Anselin, 1996) in het gebied is veelal indicatief voor specifieke omstandigheden. Hieraan dient extra aandacht te worden besteed bij de uitwerking. Gegevens verzameld in de jaren na het uitvoeren van de meeste maatregelen kunnen vervolgens worden vergeleken met de opname van de huidige toestand (T = -1). Indien de biotoopkwaliteit van de wateren als gevolg van de maatregelen toeneemt, kan ook de soortenrijkdom van de libellen toenemen. Deze verandering kan per maatregel of biotooptype en voor het gebied als geheel worden onderzocht.
6.2.3.4.
dagvlinders
Soortenrijkdom en aantallen: Van elke inventarisatieronde dient een tabel en kaart opgemaakt te worden met alle waarnemingen, en met specifieke vermelding van de aandachtssoorten (rode lijstsoorten, doelsoorten). Nadat alle in een meetseizoen telrondes in een meetseizoen zijn gelopen, worden de waarnemingen van alle bezoeken per transekt samengevoegd. Dit resulteert in een soortenlijst met eventuele aantallen per maatregel en biotooptype. De gegevens van alle transekten worden samengevoegd tot een soortenlijst voor het hele gebied. De aanwezigheid van Rode lijstsoorten (Maes en Van Dyck, 1999) of Aandachtssoorten (BVR 29-06-1999; Bijlage V) in het gebied is veelal indicatief voor zeer specifieke omstandigheden en een goede biotoopkwaliteit. Hieraan dient daarom extra aandacht te worden besteed bij de uitwerking. Gegevens verzameld in de jaren na het uitvoeren van de meeste maatregelen kunnen vervolgens worden vergeleken met de opname van de huidige toestand (T = -1). Indien de biotoopkwaliteit van het gebied door de maatregelen toeneemt, kan ook de soortenrijkdom van de dagvlinders toenemen. Deze verandering kan per maatregel, biotooptype en voor het gebied als geheel worden onderzocht. Ook is het mogelijk om de waargenomen aantallen van soorten die volgens de literatuur afhankelijk zijn van hetzelfde biotooptype te clusteren en te onderzoeken op trends in de tijd. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van (lineaire) regressie. Wanneer een bepaalde groep vooruit blijkt te gaan, geeft dit een indicatie voor het vooruitgaan van de omvang en/of kwaliteit van het betreffende biotooptype.
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
35/45
6.2.3.5.
Macrofauna
Van de bemonstering van de aquatische macrofauna worden in de loop van de gehele monitoringsperiode van elke meetlocatie 4 monsters verzameld. Van elk van deze monsters worden de aanwezige macrofauna-organismen gedetermineerd, minimaal tot op taxonniveau, indien mogelijk tot op soortniveau. Op basis van deze lijst van voorkomende taxa gebeurt een berekening van de Belgische Biotische Index (BBI).
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
36/45
7. Evaluatie van de maatregelen, toetsing aan doelen Om de beleidsdoelstellingen en de projectgebonden doelstellingen te realiseren worden een aantal inrichtingsmaatregelen vooropgesteld. De keuze en de selectie van deze maatregelen staan uitvoering beschreven in het projectrapport (An., 2000) en het projectuitvoeringsplan (Devolder et al., 2006). Uit de maatregelen en de doelstellingen vloeien een aantal vragen voort waarop we, d.m.v. monitoring, een antwoord proberen te zoeken. Een overzicht van deze vragen staan hieronder opgesomd, zowel voor het beleid als voor het project (inrichting en beheer - per gebiedsthema). De vragen werden geselecteerd uit het vademecum monitoring natuurinrichting (Albers et al., 2001). We kunnen de natuurinrichtingsmaatregelen als geslaagd beschouwen, indien er minimaal 50 % van de vragen positief beantwoord worden.
7.1. Beleid In hoeverre draagt de uitvoering van het project bij aan een verhoging van de (a)biotische diversiteit in het betreffende projectgebied? -
Heeft de uitvoering van het project geleid tot een toename van de variatie in vegetatiestructuren (landschappelijke variatie)? Zijn alle gewenste natuurstreefbeelden gerealiseerd? Zijn alle natuurstreefbeelden naar verwachting ook duurzaam te handhaven? Is de soortenrijkdom binnen de vegetatie als geheel toegenomen? Is de soortenrijkdom van amfibieën toegenomen? Is de soortenrijkdom van libellen toegenomen? Is de soortenrijkdom van dagvlinders toegenomen? Is de soortenrijkdom van de aquatische macrofauna toegenomen?
In hoeverre draagt uitvoering van het project bij aan het terugdringen van schadelijke invloeden voor de natuur en het natuurlijk milieu als gevolg van menselijke activiteiten? -
Hebben maatregelen in het kader van de verhoging van het inheems karakter van bos, struweel en kleine landschapselementen geleid tot een significant lager voorkomen van uitheemse soorten in het gebied?
7.2. Inrichting en beheer Zie hoofdstuk 2.2 Koppeling gebiedsthema’s – maatregelen voor concrete beschrijving van maatregelen. Gebiedsthema 1: verschraling -
-
Zijn de ten aanzien van specifieke maatregelen (bomen verwijderen en ontstronken + geschikt maken van perceel voor maaibeheer) de gewenste natuurstreefbeelden ook daadwerkelijk tot ontwikkeling gekomen? Kan van de soortensamenstelling van de ontwikkelde natuurstreefbeelden worden gesteld, dat deze in de loop van de tijd een verbeterende tendens vertoont? Heeft de ontwikkeling van gewenste natuurstreefbeelden in percelen (of
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
37/45
deelgebieden) waarin verschraling is toegepast (verwijderen van bomen, struiken en stronken) geleid tot een verhoging van de soortenrijkdom van dagvlinders?
Gebiedsthema 2: verbetering ecologisch functioneren van oppervlaktewateren -
-
-
-
-
-
-
Is ten gevolge van de maatregelen (watertoevoer herstellen + open maken verland water), of combinatie van deze maatregelen, de algemene biotoopkwaliteit in het watersysteem toegenomen? Heeft het uitvoeren van maatregelen ter verbetering van de water(bodem)kwaliteit (watertoevoer herstellen), geleid tot de ontwikkeling van gewenste natuurstreefbeelden in en op de oevers van de betreffende oppervlaktewatersystemen? Heeft zich in oppervlaktewatersystemen die voor de uitvoering van maatregelen niet aanwezig waren een goede algemene biotoopkwaliteit ontwikkeld? (het gaat om de verlande vijvers die we niet meer als oppervlaktewatersystemen beschouwen) Kan ten aanzien van maatregelen in het kader van herstel van (stilstaande) wateren worden gesteld, dat de soortenrijkdom van amfibieën is toegenomen? Kan ten aanzien van één of meer van de groepen maatregelen worden gesteld, dat de soortenrijkdom van libellen is toegenomen? Kan ten aanzien van maatregelen ter verbetering van het functioneren van stilstaande oppervlaktewatersystemen worden gesteld, dat de soortenrijkdom van de macrofauna is toegenomen? Kan ten aanzien van één of meer van de groepen maatregelen worden gesteld dat de BBI-index van de aanwezige macrofaunagemeenschap de waarde 6 duurzaam heeft bereikt of overschreden? Kan ten aanzien van maatregelen in het kader van de verbetering van het functioneren van stilstaande oppervlaktewatersystemen worden gesteld, dat de verdeling van macrofaunasoorten op basis van hun habitatvoorkeur voldoet aan de verwachtingen? Heeft het herstel van open water geleid tot een verhoging van de soortenrijkdom van vleermuizen?
Gebiedsthema 3: vernatting en herstel van kwelmilieu’s -
Kan worden gesteld, dat door het herstel van grachten (met kwelwater) in betreffende percelen/oppervlaktewateren zich specifiek van kwel afhankelijke natuurstreefbeelden (bijvoorbeeld dotterbloemhooiland) hebben gemanifesteerd?
Gebiedsthema 4: verbetering van de landschapsstructuur -
-
Hebben maatregelen (verwijderen en ontstronken van bomen, maaibaar maken, plaatsen van voorzieningen voor begrazing) die tot doel hadden (delen van) het gebied duurzaam open te houden er inderdaad toe geleid, dat de gewenste openheid duurzaam is gehandhaafd? Hebben maatregelen in bos (verwijderen van exoten, aanplant van bomen, spontane
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
38/45
-
-
ontwikkeling) die tot doel hadden de bosstructuur te verbeteren geleid tot een meer ‘natuurlijke’ leeftijdsopbouw in betreffende percelen? Kan, op basis van het voorkomen van indicatorsoorten (planten) worden gesteld, dat alle gewenste natuurstreefbeelden tot ontwikkeling zijn gebracht? Kan van het merendeel van de ontwikkelde natuurstreefbeelden (bv. ontwikkeling riet en grote zeggenvegetatie) worden gesteld, dat deze wat betreft soortenrijkdom en volledigheid van bijbehorende ecologische soortengroepen (bv. libellen), een stijgende tendens vertoont? Is er sprake van een stijging van het aantal soorten dagvlinders dat in het gebied voorkomt?
Gebiedsthema 5: vergroting van het inheems karakter van aanwezige (opgaande) vegetaties -
-
Voldoet de vegetatie in diverse percelen bos en struweel (na het selectief kappen en/of dunnen van bospercelen of de spontane ontwikkeling van percelen bos) struweel aan de wensen, wat betreft het type natuurstreefbeeld dat werd verwacht en de soortensamenstelling en -rijkdom? Vertoont de vegetatie in percelen bos en struweel, wat betreft de soortenrijkdom en volledigheid van ecologische soortengroepen (dagvlinders, libellen), behorend bij de gewenste natuurstreefbeelden, een stijgende tendens?
Gebiedsthema 6: inrichting van soort(groep)specifieke voorzieningen -
wordt het winterverblijf voor vleermuizen inderdaad door vleermuizen gebruikt om te overwinteren? Wordt de bunker door amfibieën gebruikt als overwinteringsvoorziening? Is er in de loop van de monitoringsperiode sprake van een stijging van de soortenrijkdom van vleermuizen? Als er geen sprake is van vestiging, zijn er dan aanwijzingen uit metingen aan het ‘binnenklimaat’ van de voorziening, dat deze geschikt is voor overwintering door (bepaalde) soorten vleermuizen?
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
39/45
8. Planning, organisatie en kostenanalyse 8.1. Planning monitoring Er werd gekozen om de monitoring van het natuurinrichtingsproject een tijdsbestek van 10 jaar mee te geven. In tabel 8.1 wordt schematisch weergegeven in welke fase of in welk jaar na uitvoering de verschillende elementen van het monitoringsprogramma worden uitgevoerd. De uitvoering van de werken worden gepland voor 2008, T=0 is dus in 2008.
Definitieve keuze monitoring Vastleggen stuurparameters Oppervlaktewaterkwaliteit
algemene biotoopkwaliteit
Vegetatie
doelsystemen natuurstreefbeelden soortensamenstelling
Zoogdieren
soortenrijkdom - vleermuizen temperatuur en luchtvochtigheid bunker vleermuizen Soortenrijkdom en abundantie vleermuizen (+ amfibieën) in bunker
Amfibieën Libellen Dagvlinders Macrofauna
8.2. Kostenanalyse De berekende kosten bestaan uit het veldwerk, invoering meetgegevens en verwerking ten behoeve van de gebiedsevaluatie. Materiaalkosten zijn voor sommige parameters van toepassing en werden mee ingecalculeerd. De kostenraming werd ingedeeld in meetnetten, gekoppeld aan de gebiedsthema’s. Tabel 8.2 geeft een overzicht van de kostenraming, per meetnet. Tabel 8.3 geeft een overzicht van de kostenraming per gebiedsthema. Tabel 8.3: kostenraming per gebiedsthema Gebiedsthema 1: Verschraling 2: Verbetering ecologisch functioneren van oppervlaktewateren 3: Vernatting en herstel van kwelmilieu’s 4: Verbetering van de landschapsstructuur 5: Vergroting van het inheems karakter van aanwezige (opgaande) vegetaties 6: Inrichten van soort(groep)specifieke voorzieningen TOTAAL
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
Kostenraming (€) 16434,00 23958,00 13068,00 17226,00 14652,00 4009,50 89.347,50
40/45
10 jaar na uitvoering
9 jaar na uitvoering
8 jaar na uitvoering
7 jaar na uitvoering
6 jaar na uitvoering
5 jaar na uitvoering
4 jaar na uitvoering
3 jaar na uitvoering
2 jaar na uitvoering
1 jaar na uitvoering
uitvoering maatregelen (T=0)
1 jaar voor uitvoering
Projectuitvoeringsplan
Tabel 8.1: Schematische weergave van het monitoringprogramma
Tabel 8.2: kostenraming per meetnet
aantal mandagen per jaar
kost per mandag
aantal jaren monitoring
kosten per meetnet (€)
oppervlakte en ligging doelsystemen
meetnet
7
495
4
13860,00
oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden
10
495
4
19800,00
soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden
16
495
4
31680,00
soortenrijkdom zoogdieren - vleermuizen
2
495
6
5940,00
temperatuur en luchtvochtigheid bunker vleermuizen
0,5
495
3
742,50
soortenrijkdom en abundantie vleermuizen en amfibieën in bunker
1
495
3
1485,00
soortenrijkdom libellen
2
495
4
3960,00
soortenrijkdom dagvlinders soortensamenstelling aquatische macrofauna (+ hydrologie algemene biotoopkwaliteit)
2
495
4
3960,00
1
495
4
1980,00
soortenrijkdom amfibieën (aanwezigheid kamsalamander)
4
495
4
5940,00
totaal
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
89.347,50
41/45
Literatuur Albers, K., Faasen, T., van der Hoek, W., Hanhart, K. & H. Mosterdijk. 2001. Vademecum Monitoring Natuurinrichting – Praktische handleiding voor het opstellen van monitoringsplannen voor natuurinrichting. In opdracht van Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, Administratie Milieu, Natuur, Land- en Waterbeheer (AMINAL), Afdeling Natuur. In samenwerking met de Vlaamse Landmaatschappij (VLM). Anoniem. 2000. Projectrapport natuurinrichtingsproject “Dijlevallei”. Aminal – Afdeling Natuur en Vlaamse Landmaatschappij. Devolder, D., M. Boyen, P. De Keyser, M. Sper, R. Clerx, R. Nilis & I. Beerens. 2006. projectuitvoeringsplan
natuurinrichtingsproject
“Dijlevallei”.
Vlaamse
Landmaat-
schappij.
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
42/45
Bijlagen BIJLAGE 1 : TABEL MET DOELSOORTEN PER DOELSYSTEEM / NATUURSTREEFBEELD (BRON: AANGEPASTE VERSIE TABEL UIT PROJECTRAPPORT 2005) Doelsystemen Waterlopen
Natuurstreefbeelden Doelsoorten flora bronbeek paarbladig goudveil, diverse soorten mossen kleine beek gedoornd hoornblad, vederkruid, pijlkruid
Doelsoorten vogels ijsvogel, bronlibel,
ijsvogel, gele kwik, bittervoorn, weidebeekjuffer grote beek klein fonteinkruid ijsvogel, weidebeekjuffer rivier klein fonteinkruid ijsvogel, grote gele kwik, oeverzwaluw, weidebeekjuffer Stilstaand water Ae: eutrofe plas (met gele plomp, drijvend kamsalamander, veel waterplanten) fonteinkruid, slobeend, krakeend, watergentiaan, zomertaling, kikkerbeet watervleermuis Moeras Mr: rietland riet, grote en kleine blauwborst, kleine lisdodde, gele lis karekiet, rietgors, sprinkhaanrietzanger, roerdomp, bruine kiekendief Mc: grote moeraszegge, zeggekorfslak, zeggenvegetatie scherpe zegge, blauw porseleinhoen, glidkruid waterral, watersnip Graslanden en ruigten Hc: vochtig, licht dotterbloem, echte kwartelkoning, bemest grasland koekoeksbloem, watersnip, trosdravik, zomertaling, waterkruiskruid, grote slobeend ratelaar, bosbies, veldrus Hf: natte ruigte met moerasspirea, wilde bosrietzanger, moerasspirea bertram, moesdistel, sprinkhaanrietleverkruid, wederik, zanger, wintertaling kattestaart, melkeppe Hn: zure rood zwenkgras, torenvalk, rosse borstelgrasvegetatie tandjesgras, vleermuis, laatvlieger muizenoortje, blauwe knoop Hu: mesofiel hooiland glanshaver, grote slobeend, torenvalk, vossenstaart, kleine bruine kiekendief, ratelaar, rosse vleermuis, beemdlangbloem laatvlieger, hooibeestje Hp*: soortenrijk kamgras, torenvalk, bruine permanent hazenzegge, kiekendief, rosse cultuurgrasland herfstleeuwentand, vleermuis, laatvlieger
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
43/45
Struweel
Bos
zilverschoon, waterbies Hr: geruderaliseerd, fluitenkruid, verlaten mesofiel engelwortel, grasland kruldistel, agrimonie, marjolein Sp: doornstruweel meidoorn, sleedoorn, hondsroos, gelderse roos, bramen Sf: Vochtig, meso- tot grauwe wilg, boswilg, eutroof laurierwilg wilgenstruweel
Qa: eikenhaagbeukenbos zonder wilde hyacint Va: alluviaal essenolmenbos Vf: vochtig of vrij vochtig elzeneikenbos met eventueel haagbeuk Vc: elzen-essenbos van bronnen en bronbeken Vm: mesotroof elzenbos met zeggen
Kleine landschapselementen Ruigtekruidengemeenschappen Andere kunstmatige elementen
nachtegaal, klapekster, sleedoornpage reiger, aalscholver
aardbeiganzerik, bosanemoon, kleine maagdenpalm
gekraagde roodstaart, zwarte specht, wespendief, kleine ijsvogelvlinder slanke sleutelbloem, gekraagde daslook, muskuskruid roodstaart, zwarte specht, wespendief, houtsnip kruipend zenegroen, gekraagde moesdistel, roodstaart, zwarte keverorchis specht, wespendief
verspreidbladig goudveil, hangende zegge grauwe wilg, geoorde wilg, zwarte els, elzenzegge Kb: bomenrij; Kh: sleedoorn, meidoorn, oude heg of houtkant; schietwilg Khw: houtwal; Kt: talud; Kw: holle weg Ku*: ruigtekruidenboerenwormkruid, gemeenschap met berenklauw, interessante soorten smeerwortel Kj: hoogstamboomgaard
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
torenvalk, bruine kiekendief
bronlibel reiger, aalscholver, grote weerschijnvlinder geelgors, nachtegaal, roodborsttapuit, braamsluiper torenvalk steenuil
44/45
Tabellen Tabel 4.1: overzicht van gebiedsthema’s, maatregelen en stuur-/tussen-/ en doelparameters ten behoeve van monitoring in het natuurinrichtingsproject “Dijlevallei”. Tabel 5.1: overzicht van de te meten stuurparameters. Tabel 5.2: meetnet algemene biotoopkwaliteit wateren. Tabel 5.3: meetnet oppervlakte en ligging van doelsystemen. Tabel 5.4: meetnet oppervlakte en ligging van natuurstreefbeelden: Tabel 5.5: meetnet soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden: Tabel 5.6: meetnet soortenrijkdom amfibieën (stilstaand water): Tabel 5.7: meetnet soortenrijkdom en abundantie amfibieën: Tabel 5.8: meetnet soortenrijkdom dagvlinders: Tabel 5.9: meetnet soortenrijkdom en aantallen libellen: Tabel 5.10: meetnet soortensamenstelling aquatische macrofauna: Tabel 5.11: meetnet soortenrijkdom zoogdieren - vleermuizen: Tabel 5.12: meetnet temperatuur en luchtvochtigheid overwinteringsvoorziening vleermuizen: Tabel 5.13: meetnet soortenrijkdom en abundantie vleermuizen: Tabel 5.14: overzicht van de meetnetten. Tabel 8.1: Schematische weergave van het monitoringprogramma Tabel 8.2: kostenraming per meetnet Tabel 8.3: kostenraming per gebiedsthema
Kaarten kaart 1 - gebiedsthema 1: verschraling : maatregelen en stuurparameters kaart 2 - gebiedsthema 2: verbetering ecologisch functioneren van oppervlaktewateren + gebiedsthema 3: vernatting en herstel van kwelmilieu’s + gebiedsthema 5: vergroting van het inheems karakter van aanwezige (opgaande) vegetaties + gebiedsthema 6: inrichting van soort(groep)specifieke voorzieningen : maatregelen en stuurparameters kaart 3 - gebiedsthema 4: verbetering van de landschapsstructuur : maatregelen en stuurparameters kaart 4 - meetnet hydrologie algemene biotoopkwaliteit + meetnet soortenrijkdom amfibieën + meetnet soortensamenstelling aquatische macrofauna kaart 5 - meetnet oppervlakte en ligging doelsystemen + meetnet oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden kaart 6 - meetnet soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden kaart 7 - meetnet soortenrijkdom en abundantie vleermuizen en amfibieën in bunker + meetnet soortenrijkdom dagvlinders + meetnet soortenrijkdom libellen + meetnet soortenrijkdom zoogdieren (vleermuizen) + temperatuur en luchtvochtigheid overwinteringsvoorziening vleermuizen kaart 8 - natuurstreefbeelden gehele project en selectie natuurstreefbeelden opgenomen in maatregelen PUP fase 1
Monitoringsplan Dijlevallei PUP F1
45/45
Dijlevallei - monitoringsplan kaart 1 : gebiedsthema 1 : verschraling maatregelen en op te volgen stuurparameters
Legende grens NIP Dijlevallei
MAATREGEL verwijderen bomen en struiken en ontstronken maaibaar maken van perceel
stuurparameters oppervlakte bestand oppervlakte
bron: Digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1991-2008 (GIS-Vlaanderen) 0
180
360
540 Meters
Dijlevallei - monitoringsplan
kaart 2 : - gebiedsthema 2 : verbetering ecologisch functioneren van oppervlaktewateren - gebiedsthema 3 : vernatting en herstel van kwelmilieu's - gebiedsthema 5 : vergroting inheems karakter van aanwezige (opgaande) vegetaties - gebiedsthema 6 : inrichting van soort(groep)specifieke voorzieningen maatregelen en op te volgen stuurparameters Legende grens NIP Dijlevallei
gebiedsthema 2
MAATREGEL herstellen van waterinlaat herstellen van monnik herstellen van overloop maaibaar maken van rietbegroeiing - open maken herinrichting open water - open maken
stuurparameters inlaat - aantal monnik - aantal en hoogte overloop - aantal en hoogte open maken open water (maaibaar maken) - oppervlakte open maken open water (herinrichting) - oppervlakte
gebiedsthema 3
MAATREGEL herstellen van grachten
stuurparameter grachten - oppervlakte
gebiedsthema 5
MAATREGEL bosomvorming
stuurparameter bosomvorming - oppervlakte
gebiedsthema 6
MAATREGEL bunker inrichten
stuurparameter bunker inrichten - temperatuur en luchtvochtigheid
bron: Digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1991-2008 (GIS-Vlaanderen) 0
200
400
600 Meters
Dijlevallei - monitoringsplan
kaart 3 : gebiedsthema 4 : verbetering van de landschapsstructuur maatregelen en op te volgen stuurparameters
Legende grens NIP Dijlevallei
MAATREGELEN toegangspoort (extensieve begrazing) vangkraal (extensieve begrazing) verwijderen van bomen verwijderen bomen en struiken en ontstronken aanplanten van bomen en/of struiken raster voor extensieve begrazing hoogstam planten verwijderen van bomen verwijderen bomen en struiken en ontstronken maaibaar maken van perceel verbossing
stuurparameters toegangspoort (extensieve begrazing) - aantal vangkraal (extensieve begrazing) - aantal verwijderen van bomen - lengte verwijderen bomen en ontstronken - lengte aanplanten van bomen en/of struiken - lengte plaatsen raster - lengte en oppervlakte hoogstam planten - oppervlakte en aantal bomen verwijderen van bomen - oppervlakte verwijderen bomen en struiken - oppervlakte maaibaar maken van perceel - oppervlakte verbossing - oppervlakte
bron: Digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1991-2008 (GIS-Vlaanderen) 0
200
400
600 Meters
Dijlevallei - monitoringsplan
kaart 4: - meetnet hydrologie algemene biotoopkwaliteit - meetnet soortenrijkdom amfibieën - meetnet soortensamenstelling aquatische macrofauna
Legende grens NIP Dijlevallei
hydrologie algemene biotoopkwaliteit 4 IJsevijvers Kliniekvijver uiterst zuid Kliniekvijvertje uiterst noord Langerodevijver
soortenrijkdom amfibieën IJse
4 IJsevijvers Kliniekvijver uiterst zuid Langerodevijver
soortensamenstelling aquatische macrofauna IJse 4 IJsevijvers Kliniekvijver uiterst zuid Langerodevijver
bron: Digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1991-2008 (GIS-Vlaanderen) 0
210
420
630 Meters
Dijlevallei - monitoringsplan
kaart 5 : - meetnet oppervlakte en ligging doelsystemen - meetnet oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden
Legende grens NIP Dijlevallei
oppervlakte en ligging doelsystemen (37,85 ha)
oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden (37,85 ha)
bron: Digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1991-2008 (GIS-Vlaanderen) 0
210
420
630 Meters
Dijlevallei - monitoringsplan
kaart 6 : - meetnet soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden
Legende grens NIP Dijlevallei
soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden
afmeting PQ 2x2 meter - Londo 4x5 meter - Londo 10x10 meter - Londo vlakdekkend
bron: Digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1991-2008 (GIS-Vlaanderen) 0
210
420
630 Meters
Dijlevallei - monitoringsplan
kaart 7 : - meetnet soortenrijkdom en abundantie vleermuizen en amfibieën in bunker - meetnet soortenrijkdom dagvlinders - meetnet soortenrijkdom libellen - meetnet soortenrijkdom zoogdieren - vleermuizen - temperatuur en luchtvochtigheid overwinteringsvoorziening vleermuizen
Legende
grens NIP Dijlevallei soortenrijkdom + abundantie vleermuizen/amfibieën bunker
soortenrijkdom dagvlinders traject vlinders soortenrijkdom libellen traject libellen meetnet soortenrijkdom zoogdieren - vleermuizen gebiedsdekkend temperatuur en luchtvochtigheid bunker
bron: Digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1991-2008 (GIS-Vlaanderen) 0
210
420
630 Meters
Dijlevallei - monitoringsplan kaart 8 : natuurstreefbeelden gehele project en selectie natuurstreefbeelden opgenomen in maatregelen PUP fase 1 Legende grens NIP Dijlevallei maatregelen PUP fase 1
Landschapsniveau parklandschap
Natuurstreefbeelden
Vegetatietypes eiken-haagbeukenbos alluviaal essen-olmenbos elzen-essenbos essen-olmenbos mesotroof elzenbroekbos wilgenstruweel doornstruweel kamgrasland glanshaver/kamgrasland glanshavergrasland dottergrasland glanshaverruigte moerasspirearuigte grote zeggenvegetatie riet en grote zeggen rietruigte rietland/rietruigte rietland open water hoogstamboomgaard natuurlijk park landbouw herinrichting urbane zone
bron: Digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1991-2008 (GIS-Vlaanderen) 0
210
420
630 Meters