Skip to main content

Vislijn_2008.pdf

Page 1

VISLIJN

Infoblad voor de Openbare Visserij in Vlaanderen Agentschap voor Natuur en Bos - Jaargang 2008

Bijlage Reglement Openbare Visserij 2008 in Vlaanderen


Beste hengelaar en natuurliefhebber, Voor u ligt opnieuw het infoblad “VISLIJN” gevuld met boeiende en gevarieerde thema’s. Dit infoblad is voor de visser op openbaar water het middel bij uitstek om de vinger aan de pols te houden over wat reilt en zeilt in de openbare visserij. Met een rondgang langsheen verschillende interessante hengelwateren in Vlaanderen, nodigen wij u uit om enkele van deze wateren te ontdekken. Als onderdeel van het integrale waterbeheer behandelen we het fascinerende thema van de rondtrekkende rivier- en beekvissen en belichten we de soortherstelprogramma’s op Vlaamse waterlopen. Tenslotte laten we u graag kennis maken met enkele projecten op het terrein. Een duurzame openbare visserij komt steeds meer en meer op het voorplan. Daarbij is het de bedoeling om tijdens het vissen een minimale verstoring van flora en fauna na te streven en zo voor de volgende generatie het visgenot en de toekomstige hengelmogelijkheden in de openbare wateren veilig te stellen. Nagaan en overleggen hoe dit het best kan gebeuren is de opdracht. De studiedag “Duurzaam Roofvisbeheer”, en de nieuwe Europese verordening rond paling, onderzoeken daarbij hoe de visstand evenwichtig kan worden bevist en welke beheermaatregelen hiervoor noodzakelijk zijn. Duurzaam vissen is niet iets dat enkel en alleen door Europa of door beleidsmakers wordt uitgedacht.

We realiseren dit met z’n allen en elk binnen zijn mogelijkheden, via kleine inspanningen zoals het onmiddellijk terugzetten van vissen of het beperken van het lokvoer. Hierbij is het strikt vissen volgens de wetgeving noodzakelijk. Deze wet voorziet dat een evenwichtige bevissing kan plaatsvinden zonder de natuurlijke vispopulaties te bedreigen. U hierover informeren is onze kerntaak. Zoals ieder jaar vindt u, binnenin in het infoblad “VISLIJN”, de vernieuwde folder “Vissen volgens de wet”. Het is een beknopte versie van het reglement rond de openbare visserij. De uitgebreide wetgeving kan u nalezen op de website van het Agentschap voor Natuur en Bos. Indien er toch nog vragen rijzen over de rechten en plichten bij het vissen, verwijs ik u naar de achterflap van “VISLIJN” waar u de contacten bij de “Infoloketten voor de Openbare Visserij” of bij het Agentschap voor Natuur en Bos vindt. In vorige editie werd u al geïnformeerd over de oprichting van het nieuwe Agentschap voor Natuur en Bos. Dit is het resultaat van de fusie tussen de afdeling Bos & Groen en de afdeling Natuur, in het kader van het project ‘Beter Bestuurlijk Beleid’. Een nieuwe wind brengt ook een nieuwe huisstijl mee, waarvan u het resultaat nu in uw handen houdt. Ik wens u veel leesgenot en een jaar vol hengelplezier! Koen De Smet Voorzitter Visserijfonds

In dit nummer:

2

De Schelde-Rijnverbinding 3 Mijmerend aan het Schulensmeer 4 Oude meanders van de Boven-Schelde 5 Het Meer van Rotselaar 6 De Leie en haar meanders 7 De prikken 8-9 Trekvissen in het stroomgebied van de Schelde 10-13 Studiedag Duurzaam Roofvisbeheer 14-15 Europa keurt Palingverordening goed 15 De kweek van de kopvoorn uit het Maasland 16-17 Viswaterprojecten voor vissen en vissers 18-22 Om verder te vertellen langs de waterkant 23-26 Melding van zeldzame vissoorten 27-29 Code voor wedstrijdvissers 30-31 Nuttige adressen 32

Cover © Vlaamse RoofvisFederatie (VRF)


De ScheldeRijnverbinding De Schelde-Rijnverbinding is één van de bekendste hengelwaters in de provincie Antwerpen en ver daarbuiten. Deze verbinding wordt ook wel het ScheldeRijnkanaal genoemd. De benaming “kanaal” is niet overdreven, want het is geschikt voor duwvaartcombinaties tot maar liefst 9000 ton. De Schelde-Rijnverbinding werd aangelegd tussen 1967 en 1976 en is een onderdeel van de transportas Antwerpen-RotterdamDuitsland. Zoals de naam al aangeeft vormt deze ook de scheepvaartverbinding tussen de Schelde en de Rijn. De Schelde-Rijnverbinding vertrekt in het noorden van het Antwerpse havengebied en steekt na 5 kilometer de BelgischNederlandse grens over. Vervolgens loopt het kanaal via Zuid-Beveland en de Kreekraksluizen door de Oosterschelde om tenslotte langs het eiland Tholen in het Volkerakmeer uit te monden. De totale lengte bedraagt ongeveer 38 kilometer. Wie voor het eerst het Schelde-Rijnkanaal ziet, vraagt zich allicht af wat zo’n drukke “scheepvaart-snelweg” aan de hengelaar te bieden heeft. De betonnen oevers en het troebele, vaak ruwe water ogen niet bepaald visvriendelijk.

En toch, de goede vangsten lokken al decennia lang vissers vanuit alle uithoeken van België en Nederland naar het kanaal. Momenteel bestaat de visfauna hoofdzakelijk uit zoetwatervis. Snoekbaars en paling zijn zonder twijfel de meest beviste soorten. Een verre worp tot in de vaargeul brengt moddervette paling en dikke snoekbaars op de kant. Schrik dus niet waneer je de meeste vissers met zeehengelmateriaal aan de slag ziet gaan. Wie het liever wat verfijnder houdt, komt echter ook ruimschoots aan z’n trekken. In de rustigere kom ten noorden van de Noordlandbrug kan prima gevist worden op grote “goudbruine” brasem, blankvoorn, winde en zelfs karper. Dit lukt met de vaste hengel, maar de feeder- en matchhengel zijn hier veruit favoriet.

Rudi Yseboodt Agentschap voor Natuur en Bos Antwerpen A12

SCHELDE-RIJNKA NAAL

NL

11 ZANDVLIET

SCHELDE-RIJNKANAAL

Foto’s: © R. Yseboodt

Antwerpen

Tot slot mag de visserij met kunstaas op snoekbaars en baars niet vergeten worden. Vooral in het voor- en najaar is er “in het kantje” leuke sport te beleven. Wie veel geduld heeft kan het ook eens proberen op harder, vooral dan nabij de grens, waar de oevers uit stortsteen bestaan. Ver werpen is dus niet altijd noodzakelijk, integendeel. Tot het einde van de jaren ’80 bestond de visfauna van het Schelde-Rijnkanaal meer uit brakwater- en zelfs zeevissen. Het kanaal stond toen via de Kreekraksluizen in open verbinding met de Oosterschelde. Na de voltooiing van de Oesterdam in 1986 werd het water zoeter en verdwenen de echte zoutwatersoorten zoals tong en schar. Naast paling was toen bot één van de meest beviste soorten. Ook harder was talrijk aanwezig. Brakwatersoorten worden nu nog eerder sporadisch gevangen.

B

ZANDVLIET

12 BERENDRECHT

BERENDRECHT

SCHELDE ANTWERPSE DOKKEN

STABROEK

ANTWERPEN-HAVEN 13 STABROEK

A12 DOEL

R2

Het Schelde-Rijnkanaal is vlot bereikbaar via de A12 Antwerpen-Bergen op Zoom. Via afrit nr.11 te Zandvliet kom je al na enkele minuten bij de beste stekken. Deze zijn gelegen in de kom ten noorden van de Noordlandbrug en aan de zuidelijke kanaaloever bereikbaar door de Scheldelaan te volgen. Om hier te hengelen volstaat het visverlof van het Vlaamse gewest. Voorzichtigheid is geboden op de vaak gladde oevers. Ze zien er uitnodigend uit, maar laat je niet verrassen door de hoge golfslag van voorbijvarende schepen !

3


Limburg

Mijmerend aan het Schulensmeer

Foto’s: © B.Denayer

Eén van de betere hengelplassen in Vlaanderen is het Schulensmeer. Het is een gegraven waterplas van bijna 100 hectare, die dienst doet als wachtbekken bij hoge waterafvoer op de Demer. Het omliggende broekgebied fungeert als een gecontroleerd overstromingsgebied, waarmee de telkens weerkerende wateroverlast nabij de samenvloeiing van Demer, Herk en Gete wordt opgevangen. Via een vernuftig samenspel van stuwen en kleppen, kan hier tien miljoen kubieke meter water worden geborgen. Dit behoedt de nabij gelegen gemeenten Herk-de-Stad, Lummen, Halen en Diest voor overstromingen.

4

Het Schulensmeer is een prachtig viswater, gelegen in het in het uitzonderlijke natuurkader van het Schulensbroek. Het gebied heeft een speciale beschermingstatus voor habitat en vissen. Bovendien is het een broedgebied voor talrijke vogelsoorten (vogelrichtlijngebied).

Terwijl je er tussen de rietkragen vist heb je wellicht de kleine karekiet of de blauwborst als buur. Voor wie de rust van een natuurlijke omgeving op prijs stelt, is het zeker een aanrader. De visfauna van het Schulensmeer is gevarieerd. Blankvoorn en baars worden het meest gevangen. Er leven eveneens vissoorten van helder plantenrijk water zoals rietvoorn, snoek en zeelt. Ook vissoorten van meer troebel water zoals snoekbaars en brasem worden er aangetroffen. Vorig jaar werden er 1200 zesweekse snoekjes uitgezet om de snoekpopulatie een duwtje in de rug te geven. De laatste jaren heeft de Provinciale Visserijcommissie van Limburg eveneens 30.000 jonge glasaaltjes uitgezet om de palingpopulatie te ondersteunen. Deze glasaal wordt ’s nachts in Groot-Brittanië gevangen. Via luchttransport wordt hij nog dezelfde dag op openbare wateren in Vlaanderen uitgezet. Bijzonder voor het Schulensmeer is dat op dergelijke grote plas zeer grote vissen kunnen gevangen worden. Karpervissers en andere kanjerjagers vinden er dan ook hun gading. Ook de Europese meerval komt er voor. Het is een vissoort die kan uitgroeien tot twee meter. In het Schulensmeer blijven de meervallen doorgaans iets kleiner. Vanuit de boot kan er ook gevist worden op snoek, baars en snoekbaars.

In de noordelijke zone van het Schulensmeer, nabij het natuureducatief centrum “’t Vloot”, heeft de Provinciale Visserijcommissie geïnvesteerd in de aanleg van een vijver voor de jeugd. De vijver is ondiep en dus veilig voor jeugdige hengelaars. De bevisbare oevers zijn goed bereikbaar, ook met de fiets via het fietspad over de Demerdijk. In de vijver werden paaizones voor vissen en rietkragen ingericht. Bij de jeugdactiviteiten kan het gebouw van het natuureducatief centrum als uitvalsbasis ingeschakeld worden. Er zijn ondermeer sanitair, lesruimte en mogelijkheden voor een alternatief programma bij regenweer. Om te hengelen op het Schulensmeer volstaat een visverlof geldig voor het Vlaamse Gewest, verkrijgbaar in elk postkantoor in Vlaanderen. Je mag er hengelen doorheen het ganse jaar, behalve in de paaitijd en tijdens de nacht. Op de infoborden aan de toegangen naar het wachtbekken vind je een kaart met de bevisbare oevers. Daarenboven is er een prima uitgebouwde infrastructuur voor bootvisserij en zijn er ligplaatsen voor vissersboten in de twee vissershavens. De registratie van de boot (zonder benzinemotor) is verplicht en gebeurt bij de Provinciale Visserijcommissie van Limburg. Bootvisserij vereist wel een groot visverlof omdat je dan “anders dan vanaf de oever” vist. Bart Denayer Agentschap voor Natuur en Bos Limburg LUMME N

26 LUMMEN-CENTRUM

E314

P

25 HALEN

HALEN

P

LUMMEN

EEK GELB MAN

E313 DEMER

MEER LENS SCHU

E313

28 HASSELT-

HERK

HERK -DE-STAD

HASSE

▼

Het Schulensmeer is bereikbaar via de A2 Lummen-Leuven, afrit Halen of Lummen.


Oost-Vlaanderen

Foto: © VLM

Naast brasem, blankvoorn en pos worden nog een zevental andere vissoorten in kleinere aantallen aangetroffen: kolblei, zeelt, karper, giebel, baars, snoekbaars en paling. De centraal gelegen meander “Eine de Ster” heeft een goede visstand. Er zijn al 17 verschillende visssoorten waargenomen, die voornamelijk worden bepaald door 3 voornsoorten zoals bittervoorn, blankvoorn en rietvoorn, 2 baarsachtigen waaronder baars en pos en de roofvissen snoek en paling. Begeleidende soorten zijn brasem en kolblei, alsook zeelt, giebel en karper. Vermeldenswaardig is de talrijke aanwezigheid van bittervoorn en vetje, die beide kenmerkende soorten zijn voor plantenrijke wateren en een zekere vorm van broedzorg vertonen. De bittervoorn legt zijn eitjes af in de zwanenmossels en de mannetjes van het vetje blijven hun nest bewaken. Luc Samsoen Provinciaal Centrum voor Milieuonderzoek S DE PINPOORLIJN TE - RO NSE

E 8 DE PINT

GAVERE

E-17

SCHELDE

ZINGEM

N60 HEURNELE HEUV DE STERRE

MEILEGEM UT MESUREP AAI SPETTERK ER BLAREWAT

OHIO PUT

NED ERE NAM E

De belangrijkste partners in dit project zijn de provincie Oost-Vlaanderen, de Provinciale Visserijcommissie, de stad Oudenaarde en Natuurpunt. Intens overleg tussen alle betrokken partners (natuur, landbouw, recreanten, …) heeft geleid tot de inpassing van de hengelrecreatie in een gebied waar natuurontwikkeling centraal werd gesteld. In het inrichtingsplan Heurne wordt er onder andere een herinrichting van de binnenoevers ten behoeve van de hengelaars voorzien. De meest zuidelijk gelegen en sterk verwaarloosde meander “Ohioput” wordt voor de hengelrecreanten volledig heringericht. In het najaar 2007 werd het water uitgebaggerd, de binnenoever zal speciaal voor het hengelen worden ingericht en aan de overzijde van ondiepe, plantenrijke paaizones worden voorzien. Het uitbaggeren van de Ohioput creeërt opnieuw meer open water waardoor het teveel aan voedingstoffen wordt verwijderd. Hierdoor zal het water helder worden en kunnen waterplanten opnieuw groeien. Helder plantenrijk water is geschikt voor de ontwikkeling van een visstand met rietvoorn,blankvoorn en baars als kenmerkende soorten. De meander “Den Heuvel” heeft een goede maar éénzijdige visstand. Kleine wateren worden sterk beïnvloed door hun omgeving. Voedselaanrijking via ondermeer bladval en mestuitspoeling leidt dikwijls tot de overheersing van enkele vissoorten, met dichte visstanden van overwegend kleine en middelgrote brasem als gevolg.

DE PISPOORL NTE - IJN RONS E

Door de rechttrekking van de BovenSchelde zijn tal van oude Scheldemeanders ontstaan, waar rust en natuurlijkheid nog voorkomen. Op niet minder dan 16 van de 40 oude meanders kan men hengelen. Het centraal gelegen valleigebied, de Heurnemeersen, is in volle ontwikkeling met een delicaat evenwicht tussen natuur- , landschapsontwikkeling, landbouw en recreatief medegebruik. In Heurne is het historische karakter van de Scheldevallei goed bewaard. Het landschapbeeld veranderde door menselijke ingrepen zoals de aanleg van de spoorlijn Pinte-Ronse, de toenemende bebouwing aan de rand van de vallei en de rechttrekking van de Boven-Schelde. De Heurnemeersen omvatten vier restanten van de vroeger sterk kronkelende Boven-Schelde. Op twee van deze oude meanders: “Den Heuvel” en “Eine-de-Ster” wordt het visserijbeheer opgevolgd door de Provinciale Visserijcommissie en het Agentschap voor Natuur en Bos. Het visserijbeheer wordt daarbij onderbouwd door visserijonderzoek, uitgevoerd door het Provinciaal Centrum voor Milieuonderzoek. Om de landschappelijke en ecologische waarden van dit valleigebied te versterken, in harmonie met de gangbare landbouwactiviteiten, werd door de Vlaamse landmaatschappij (VLM) het “Landinrichtingsproject Leie en Schelde” uitgewerkt. Het inrichtingsplan Heurne bestrijkt een valleigebied van ongeveer 74 ha langs de Schelde op het grond-gebied van de stad Oudenaarde.

Foto: © Natuurpunt

Oude meanders van de Boven-Schelde

SCHELDE

RDE OUDENAA

Om te hengelen op de Scheldemeanders vanaf de oever volstaat een visverlof dat geldig is voor gans het Vlaamse Gewest en dat verkrijgbaar is in elk postkantoor in Vlaanderen.

5


Foto: © INBO

Vlaams-Brabant

Daarenboven is er een zeer goede palingstand aanwezig (4%). De bepotingen met glasaal zijn duidelijk succesvol geweest. Een aantal soorten (gegroepeerd als ‘overige vissoorten’ in de grafiek) komen slechts sporadisch voor : snoek en zonnebaars (elk goed voor 0,5 %) en kolblei, kopvoorn, snoekbaars, zeelt en karper (elk < 0,5 %). Niettegenstaande er in de laatste vangstcampagne weinig karpers werden gevangen, kan er uit hengelvangst-registraties afgeleid worden dat er toch een grote karperpopulatie aanwezig is, waaronder enkele stevige kanjers. De aanwezigheid van plantenminnende vissoorten zoals snoek (0.5%), zeelt (<0.5%) en rietvoorn (2%) is echter beperkt en de populatiestructuur van deze soorten is veelal verre van optimaal voor Samenstelling van de visstand in het dit watertype. De hoogste densiteit van meer van Rotselaar (% aantal) deze vissoorten wordt teruggevonden in Brasem 4% de plantenrijke paaigracht en in de Pos 1% natuurzone. Het Agentschap Rietvoorn 2% Natuur en Bos zal daarom bij Winde 1% Blankvoorn een heraanleg van de oevers 16% ter hoogte van de viszone ook de nodige aandacht besteden aan het verkrijgen van meer waterplanten.

Het Meer van Rotselaar

In 1983 werd “de plas” overgedragen aan het Vlaamse Gewest en onder beheer van de toenmalige Dienst Waters en Bossen, het huidige Agentschap voor Natuur en Bos, geplaatst.

6

Om betere vismogelijkheden te bieden werden in het verleden de oevers deels aangepast en werden geregeld visuitzettingen uitgevoerd. In samenwerking met de Provinciale Visserijcommissie van Vlaams-Brabant bouwde het Agentschap voor Natuur en Bos een gebouw met toiletfaciliteiten. De plas en zijn omgeving zijn ondertussen uitgegroeid tot een belangrijke trekpleister, die veel recreanten waaronder wandelaars, fietsers, vogelliefhebbers en hengelaars lokt.

Baars 70%

Paling 4%

De waterkwaliteit van het meer is zeer goed. Metingen van de Vlaamse Milieumaatschappij duiden al sinds 1998 op een niet-verontreinigde situatie. Het meer is één van de zeldzame wateren in Vlaanderen, die nog als oligotroof of voedselarm gekenmerkt worden. Dit betekent dat het water weinig voedingsstoffen bevat zoals fosfaten en nitraten, waardoor het zeer helder is. Bij een uitgebreide visstandbemonstering in 2001 werden 18 soorten aangetroffen. Een recente, maar kleinschaligere vangstcampagne in 2007 door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, leverde 15 soorten op. Hengelvangstregistraties toonden ook de aanwezigheid van de graskarper aan. In vergelijking met 2001 werden geen bruine Amerikaanse dwergmeerval, bittervoorn, giebel en driedoornige stekelbaars meer waargenomen. Kopvoorn en graskarper zijn twee soorten die in 2007 wel werden aangetroffen. Net zoals in 2001 wordt de vispopulatie nu gedomineerd door (vooral kleine) baars (70%), gevolgd door blankvoorn (16%).

Overige soorten 2%

Chris Van liefferinge, Agentschap voor Natuur en Bos Vlaams-Brabant, Hugo Verreycken & Gerlinde Van Thuyne Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek DEMER

WERCHTER

HEIKANT

DIJLE

DOMEIN TER HEIDE

ROTSELAAR DIJLE

WEZEMAAL

GELRODE

22 AARSCHOT

E-314

21 HOLSBEEK

PUTKAPEL

LEUVEN ▼

Het meer of de plas van Rotselaar is gelegen in het natuur- en recreatiedomein Ter Heide in de provincie Vlaams-Brabant. Dit domein van ongeveer 30 ha werd in 1975 als zandwinningsput gebruikt voor de aanleg en ophoging van de E314-autoweg in Wilsele. Het kunstmatig meer, dat hierdoor ontstond, heeft een totale oppervlakte van ongeveer 12 ha, waarvan de visserszone iets meer dan 2 ha uitmaakt. Naast windsurfers en zwemmers kunnen hengelaars er hun gading vinden en er een lijntje uitwerpen. Ook andere natuurliefhebbers komen hier aan hun trekken, daar een groot gedeelte van het domein ingericht is als natuurgebied. Verschillende soorten watervogels vinden aan dit water een geschikte rustplaats tijdens hun trek naar het zuiden. Rond het meer werd een fiets- en wandelpad aangelegd om optimaal van dit gebied te kunnen genieten. Voor elk van deze activiteiten zijn er afgebakende zones.

Om te hengelen in het meer van Rotselaar vanaf de oever volstaat een visverlof dat geldig is voor gans het Vlaamse Gewest en dat verkrijgbaar is in elk postkantoor in Vlaanderen. De plas is te bereiken vanaf de E314 via afrit 21 Holsbeek/Rotselaar richting Rotselaar. In Rotselaar volg je best de bewegwijzering ‘Domein ter Heide visserszone’. Deze brengt je tot aan een parking vlakbij het meer.


WestVlaanderen

De Leie en haar meanders naar het herstellen van de natuurwaarden. Daarbij zullen een aantal beekvalleien in ere hersteld worden en kunnen enkele oude Leiemeanders na aantakking een belangrijkere rol spelen voor de vissen van de Leie. In West-Vlaanderen werden er vele inrichtingswerken aan de Leiemeanders uitgevoerd.

Foto: © S. Vrielynck

De Leie is van oudsher een zeer druk bevaren rivier. Ze is zonder twijfel de economische ader van Zuid-WestVlaanderen. Hiervoor heeft ze een grote tol moeten betalen. “The Golden River” is vervuild, stinkt van tijd tot tijd en haar bodem ligt vol met zwaar vervuild slib. Doch er is hoop. Sinds enkele jaren wordt er terug gevist op de Leie! Tot zelfs in het centrum van Kortrijk.

Aantalverhouding van gevangen visoorten op de Leie

Recente afvissingen in 2000, 2001 en 2007 geven aan dat de visstand zich plaatselijk herstelt dankzij de inspanningen die zowel Vlaanderen, Wallonië en Frankrijk leveren op het vlak van de waterzuivering. De visbestandopnames van 2007 leverden overal vis op, met een totaal van 14 vissoorten. Plaatselijk werd zelfs héél veel vis aangetroffen. Deze positieve trend zet zich sinds 1996 duidelijk verder. Voor de verbinding van de Seine met de Schelde moet de Leie plaatselijk verbreed en verdiept worden. Stuw- en sluiscomplexen zullen vernieuwd worden waarbij het aanleggen van vispassages eveneens een aandachtspunt is. Dit kadert in het project “rivierherstel Leie”, waarbij naast de economische functie ook aandacht gaat

Riviergrondel Keine modder- 0,37% kruiper 0,09% Zeelt 2,23% Snoekbaars 2,51% Snoek 0,09%

Baars 4,74%

Blankvoorn 15% Blauwbandgrondel 0,18% Brasem 1,49% Giebel 8,44%

Rietvoorn 29,52% Paling 5,85%

Karper 3,25%

Koblei 26,18%

De oude arm te Bavikhove werd uitgebreid met een vroegere privaat beheerde arm. Oevers werden vis- en natuurvriendelijk ingericht, hengelplaatsen werden toegankelijker gemaakt en voor de wandelaars werd er 6 ha bos aangeplant. Te Wevelgem werden naast natuurvriendelijke oevers ook visplatforms gebouwd. Nu nog op zoek naar betere parkeermogelijkheden en we hebben hier een eersteklas viswater! De Schoendalebocht werd ingericht met een parking en visplaatsen. De twee afgesneden armen werden ook hier terug met elkaar verbonden. Een volledige inrichting van het binnengebied, met de aanleg van natuurvriendelijke oevers en een paaiplaats wordt in 2008 gerealiseerd. Natuurlijk staat ook hier de visserij en natuurbeleving centraal. St-Baafs-Vijve kreeg een wandel- en fietsersbrug, waardoor de andere oever ook voor de vissers beter bereikbaar zal

zijn. Visstekken werden gebouwd zodat ook de minder mobiele visser hier kan vertoeven. Mathieu Foré Agentschap voor Natuur en Bos

BOS KA SUIT NAA -KOR L TRIJ K

LARE 6 ROESEEK RUMB E

ST.-BAAFS-IJVE OOIEGEM

OOIEGEM

ROESELARE

LENDELEDE

▼

De eerste moedige vissers aldaar werden voor gek verklaard, maar algauw bleek dat er véél vis te vangen is. Het beeld van vissers langs de Leie is hét symbool dat de waterkwaliteit in onze rivieren verbetert. Ook futen en af en toe een ijsvogel worden gezien op de Leie. Ter hoogte van Wervik en Menen komt de onderwatervegetatie tot volle ontwikkeling. Dit is verheugend nieuws, want meer dan honderd jaar was de Leie zo goed als dood. Rond de eeuwwisseling 19e-20e eeuw zwommen er nog 22 vissoorten op de Leie, maar de steeds intensievere roting van vlas en de opkomst van de textielindustrie eiste algauw haar tol.

A17

BAVIKHOVE

N50

BAVIKHOVE

N36

HEULEBEEK BERGELEN PUT

MOORSELE

5 WEVELGEM

CHT SCHOENDALEBO

LEIE

KUURNE

LEIE

HARELBEKE S VER GA DE

KORTRIJK

WEVELGEM OUDE LEIE TE WEVELGEM OUDE LEIE TE MENEN

MENEN

LEIE

Om te mogen hengelen in de Leiemeanders volstaat een visverlof geldig voor het Vlaamse Gewest en verkrijgbaar in elk postkantoor.

7


Foto’s : © Vildaphoto

Beschrijving

De prikken De meesten denken bij het woord prik misschien aan een blikje frisdrank, maar wist u dat er ook in onze wateren, zowel in zee, rivieren als beken, prik zit? Zo’n driehonderd miljoen jaar zwemmen ze al rond. Hoog tijd dus om ze eens van dichterbij te bekijken! Verspreiding Over heel de wereld zijn er 42 priksoorten bekend, maar in België komen enkel de zeeprik (Petromyzon marinus), de rivierprik (Lampetra fluviatilis) en de beekprik (Lampetra planeri) voor. Volwassen zee- en rivierprikken leven allebei in zee, de rivierprik waagt zich wel minder diep in zee en blijft vooral langs de kusten in de riviermondingen. Om zich voort te planten trekken ze beiden de rivier op, het zijn dus anadrome vissen. Er bestaan echter ook enkele populaties die ooit in binnenwateren ingesloten raakten en dus niet meer naar zee trekken. De volwassen zee- en rivierprikken zijn parasieten.

8

Ze gebruiken hun bek en tandjes om zich vast te zuigen op hun gastheren, de vissen om zich dan te voeden met de lichaamssappen en het weefsel van hun prooi. De slachtoffers van de rivierprikken overleven de aanval meestal wel. Ze houden er enkel een litteken aan over. Grotere zeeprikken kunnen echter in grote aantallen de visstand wel grote schade berokkenen. Vooral in de Grote Meren in Noord-Amerika zijn ze een echte plaag. Beekprikken blijven ver weg van de zee en houden zich enkel op in beken en bovenlopen van rivieren, voor zover die zuiver genoeg zijn.

De drie Belgische priksoorten lijken sterk op elkaar. Ze hebben een palingvormig, schubloos lichaam en gepaarde vinnen. Het meest opvallende is hun zuigbek waarop, vooral bij de parasitaire soorten, hoorntandjes staan. Achter de goed ontwikkelde ogen liggen zeven paar ronde kieuwopeningen. Zo komen ze waarschijnlijk ook aan hun naam. Het lijkt namelijk of ze door iets ‘geprikt’ zijn. Bovenop de kop ligt de neusspleet. Onmisbaar voor de prikken, want deze laat hen toe te ademen wanneer ze zich vastgezogen hebben op hun prooi. Door de ogen, de neusspleet en de kieuwopeningen lijkt het net alsof ze aan beide zijden van hun lichaam negen ogen hebben. Daarom worden ze in de volksmond ook dikwijls “negenoog” genoemd. De larven hebben zeven paar kieuwspleten, weinig ontwikkelde onderhuidse ogen en een hoefijzervormige mondlip. Ze lijken helemaal niet op de volwassen exemplaren. Het heeft dan ook tot in de tweede helft van de negentiende eeuw geduurd vooraleer men ze herkende als priklarven. Tot dan dacht men dat het om andere primitieve diertjes ging, namelijk de Ammocoetes branchialis.

Verschillen Het is mogelijk om de volwassen prikken aan de hand van de lengte, de betanding, de rugvin en de lichaamskleur te herkennen. De beekprik is de kleinste, gemiddeld meet hij 14 centimeter. Zijn zuigbek heeft slechts enkele stompe en moeilijk zichtbare tandjes. Bij zijn rugvin zijn de twee delen volledig aan elkaar gegroeid. De rivierprik wordt gemiddeld 32 centimeter groot en in zijn zuigbek staan een klein aantal onregelmatig verdeelde tandjes. In tegenstelling tot de beekprik is de rugvin bij de rivierprik duidelijk tweedelig. Meestal zijn de flanken van de rivierprik zilvergrijs. De zeeprik tenslotte is met een gemiddelde van 78 centimeter de grootste Belgische priksoort. Zijn betanding is het sterkst ontwikkeld van de drie. De zuigbek is bezet met vele kleine tandjes, die in cirkelvormige rijen rond de mondopening zijn ingeplant.


Zuigmond rivierprik

Verder is hij van de rivierprik te onderscheiden door een gemarmerd patroon op zijn lichaam. De larven van deze drie priksoorten daarentegen zijn op het zicht nauwelijks van elkaar te onderscheiden.

Levenscyclus Prikken leiden een apart leven, uniek in de viswereld. Het grootste deel van hun leven brengen ze namelijk door als larve, ingegraven in de rivierbodem. Pas na enkele jaren maken ze hun gedaanteverandering (metamorfose) door tot volwassen prik. Rivierprikken planten zich in groep voort, tussen maart en mei.

Ze gaan daarvoor op zoek naar ondiepe zand- en grindbanken in de midden- en bovenlopen van een rivier. Eens ze een geschikte plaats gevonden hebben, maken ze een nestkuil omringd door stenen. De mannetjes gebruiken hun zuigbek om stenen aan te slepen en het nest zelf steenvrij te maken. Het vrouwtje kan tot 40.000 eitjes in de nestkuil afzetten, die dan onmiddellijk bevrucht worden. Dit is ook het einde van het leven van de rivierprik, want na de paai zijn ze uitgeput en heel vatbaar voor ziektes, die hen uiteindelijk fataal zullen worden. Ongeveer 15 dagen na de bevruchting sluipen de larven uit de eitjes en laten ze zich meedrijven met de stroming tot ze een voedselrijke plaats met een zachte bodem gevonden hebben. Daar graven ze zich in en filteren micro-organismen uit het water. Die periode duurt vierenhalf jaar. Na hun ingrijpende gedaanteverandering trekken de volwassen rivierprikken in het voorjaar naar de zee. Het duurt dan nog drie jaar vooraleer ze geslachtsrijp zijn, een periode waarin ze op parasitaire wijze verder leven. Eens geslachtsrijp eten ze niets meer tot hun dood, doordat het darmkanaal afgesloten wordt.

darmkanaal al tijdens de metamorfose degenereert. Na zesenhalf jaar in de bodem ingegraven te zijn ondergaan ze de gedaanteverandering naar volwassen prik en zijn ze vrijwel onmiddellijk geslachtsrijp.

Prikken in gevaar De rivier- en de beekprikken worden in heel Europa als kwetsbaar beschouwd. Ook in BelgiĂŤ zijn de populaties er sterk op achteruitgegaan. Prikken zijn erg gevoelig voor watervervuiling, maar de verslechtering van de waterkwaliteit is maar ĂŠĂŠn van de redenen. Voor de trekkende soorten, de rivier- en de zeeprik, zijn de vele migratieknelpunten ook een belangrijke oorzaak van de achteruitgang. Daarnaast is het verdwijnen van hun natuurlijke paaien opgroeigebied nefast voor de drie priksoorten. Door ruimingen en rechttrekkingen kunnen de priklarven zich niet meer ingraven en dus ook niet overleven. Zelfs als ze erin slagen om zich in te graven, is er nog geen garantie op overleving. De vervuiling van de waterbodem brengt hun groei en ontwikkeling nog verder in gevaar.

De levenscyclus van de zeeprik is vergelijkbaar met die van de rivierprik. Het grootste verschil is dat het bij een zeeprik wel acht jaar kan duren vooraleer ze de metamorfose van larve tot volwassen dier doormaken.

Het zal u dan ook niet verbazen dat zowel de beekprik, de rivierprik als de zeeprik volledig beschermd zijn in Vlaanderen. Hopelijk komen ze er terug bovenop, want zeg nu zelf, wat is water zonder prik?

De levensloop van de beekprik verschilt wel aanzienlijk. Vooral omdat ze als volwassen prik nooit eten, daar het

Inne Vught Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Twee stroomopwaarts trekkende rivierprikken

9


Trekvissen in het stroomgebied van de Schelde Wist je dat vroeger in Vlaanderen vissoorten zoals houting, grote marene, elft, zeeprik en fint zich voortplantten? Velen zullen nog nauwelijks iets over deze vissoorten gehoord hebben. Dit is niet verwonderlijk daar ze samen met de beter bekende vissoorten zoals zalm, zeeforel en Atlantische steur in Vlaanderen als uitgestorven worden beschouwd. Al deze soorten worden gekenmerkt door hun bijzonder migratiegedrag. Ze voeren enorme verplaatsingen uit tussen leefgebieden in zee en zoetwater. Het zijn de lange-afstandszwemmers onder de vissen en worden daarom ook grote migratoren of trekvissen genoemd. De Zeeschelde is voor deze vissen de ‘snelweg’ langs waar ze de zij- en bovenlopen kunnen bereiken.

Foto: © T.Vandenneucker

Maar … In het verleden stonden deze trekvissen op deze ‘vissnelweg’ al te vaak of voortdurend voor het ‘rood licht’. Tot de jaren 80 waren grote delen van de Zeeschelde en de Bovenschelde vrijwel zuurstofloos als gevolg van huishoudelijke en industriële afvalwaterlozingen. Daardoor bleven de voortplanting- en opgroeiplaatsen voor de verschillende trekvissoorten onbereikbaar.

Trekvissen krijgen stilaan ‘groen licht’

10

Door een doeltreffender behandeling van het huishoudelijke en industriële afvalwater in waterzuiveringstations is de kwaliteit van veel van onze rivieren en kanalen ondertussen geëvolueerd van

slecht tot matig of soms zelfs goed of zeer goed. Ook de vele migratieknelpunten worden aangepakt, want zoals watervervuiling zijn ook sluizen, stuwen, watermolens en pompgemalen in onze rivieren hindernissen voor de trekvissen. Het herstel van vismigratie staat dan ook centraal in de internationale en Vlaamse wetgeving. In het Vlaams Decreet Integraal Waterbeleid werd vooropgesteld dat vrije migratie voor alle vissoorten vóór 1 januari 2010 in alle Vlaamse stroomgebieden mogelijk moet zijn. Dit betekent dat nieuwe migratieknelpunten moeten voorkomen worden en natuurlijke watersystemen behouden en hersteld moeten worden. Al deze maatregelen komen in de eerste plaats ten goede van de trekvissoorten die niet uitgestorven zijn, voornamelijk paling, rivierprik, spiering, bot, dunlipharder en de trekvorm van de drie doornige stekelbaars. Maar ook de bij ons verdwenen vissoorten krijgen nu na vele decennia vanuit de Noordzee de kans om de Schelde opnieuw op te trekken. In 2002 werd aan het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) een eerste onderzoek naar trekvissoorten in de Schelde uitgevoerd. Er werd nagegaan hoever landinwaarts vissen de Schelde optrokken en wat de invloed was van de verschillende sluis-stuwcomplexen in de Bovenschelde.

Daarbij werd vooral de aandacht gevestigd op het sluisstuwcomplex van Gent (Merelbeke). Dit sluisstuwcomplex is het eerste knelpunt dat vissen bij hun landinwaartse migratie vanuit zee tegenkomen. Er werd maandelijks gevist met dubbele schietfuiken op verschillende plaatsen in de Zeeschelde (tussen Zandvliet en Gent) en onder de stuwen in de Bovenschelde (tussen Gent en Oudenaarde. In Zandvliet, in het brakke deel van de Zeeschelde, 58 kilometer verwijderd van de Noordzee, werden in totaal 9 trekvissoorten aangetroffen, waaronder 1 zalm, 1 zeeforel, 1 Siberische steur, maar ook een aantal finten.


Foto’s: © INBO

Juveniele bot

Vergane gloriën De zalm en zeeforel die gevangen werden, kunnen enkel maar als dwaalgasten beschouwd worden terwijl de Siberische steur in feite niet in de Schelde thuishoort. Dat er vroeger zalm de Schelde optrok tot in de bovenlopen in Frankrijk blijkt uit historische bronnen: “Le département du Nord était autrefois très riche du point de vue piscicole, … au 16ème siècle par le Seigneur d’Oisy (vallée de l’Escaut) … il était interdit de servir du Saumon plus de trois fois par semaine aux gens de maison”.

Dit betekent dat er in de 16de eeuw zoveel zalm voorhanden was, dat voorkomen moest worden dat het werkvolk door hun werkgever dagelijks zalm zouden voorgeschoteld krijgen. Ook voor de gloriedagen van de fint moeten we een flink stuk terugkeren in de tijd. In de 16de en 17de eeuw werd de fint intensief bevist in de Zeeschelde waar hij paaide tot Dendermonde. Vanaf het begin van de 20ste eeuw liepen de waarnemingen van fint in de Schelde achteruit. De resultaten van recente onderzoeken zijn echter hoopgevend. Er worden weer jaarlijks een tiental finten gevangen, maar zolang er geen voortplantingsgronden aanwezig of bereikbaar zijn, is het wel uitgesloten dat er zich in de nabije toekomst opnieuw een zichzelf in stand houdende Scheldepopulatie kan ontwikkelen.

Kilometervreters De vijf andere trekvissoorten die in Zandvliet werden aangetroffen, voornamelijk bot, driedoornige stekelbaars, paling, rivierprik en spiering, zwommen verder stroomopwaarts en trachtten zo, zij het met wisselend succes, het Bovenscheldebekken te bereiken. Daarvoor moesten ze echter eerst het sluisstuwcomplex van Gent zien te passeren, wat na 160 kilometer het 1ste migratieknelpunt in de Schelde is. Rivierprikken brengen een groot deel van hun leven door in zee om uiteindelijk een voortplantingsmigratie naar de rivieren te ondernemen. In totaal werden in 2002 maar liefst 324 rivierprikken gevangen.

Daarvan slaagden 189 rivierprikken erin het sluisstuwcomplex van Gent te passeren en wisten deze de Bovenschelde tot aan het sluisstuwcomplex van Asper te bereiken, wat het 2de migratieknelpunt in de Schelde is. Naast een aantal rivierprikken slaagden ook een deel van de driedoornige stekelbaarspopulatie en minstens 3 spieringen hierin. Al deze vissen maakten gebruik van de uitzonderlijke situatie waarbij de stuw in Gent in januari, februari en maart 2002 tijdens hoge waterafvoer meermaals enkele uren of zelfs enkele dagen werd geopend. Deze maanden overlappen met de voortplantingsmigratie van rivierprik, driedoornige stekelbaars en spiering. Deze vissen kwamen na hun 170 kilometer lange trektocht vanuit de Noordzee wel vast te zitten in de Bovenschelde onder de stuw van Asper. Slechts een heel beperkt aantal rivierprikken en driedoornige stekelbaarsjes werden stroomopwaarts van Asper onder de volgende stuw te Oudenaarde gevangen, wat het 3de migratieknelpunt in de Schelde is. Deze vissen waren er waarschijnlijk in geslaagd om de stuw van Asper via de scheepvaartsluis te passeren. Bot is een platvissoort waarvan jonge individuen in principe tot ver in het binnenland terug te vinden kunnen zijn. Het 1ste migratieknelpunt in Gent is er echter verantwoordelijk voor dat geen enkel exemplaar in de Bovenschelde werd aangetroffen. Nochtans werden afwaarts het knelpunt in totaal bijna 3000 botjes gevangen. Zij ondernamen, in vergelijking met rivierprik, spiering en driedoornige stekelbaars, evenwel veel later (juni tot en met september) hun stroomopwaartse migratie naar geschikte opgroeigebieden en stuitten in deze periode steeds op een gesloten stuw. De vijfde en laatste trekvissoort die de Bovenschelde tracht te bereiken is de paling. De paling is bij vissers ongetwijfeld de meest populaire trekvissoort. Als glasaaltjes van een zestal centimeter trekken ze de rivieren op en migreren verder tot in de kleinste beekjes. In heel Europa is er evenwel een enorme terugval van het aantal glasaaltjes dat de rivieren optrekt.

1ste vismigratieknelpunt in de Schelde, het sluisstuwcomplex in Gent (Merelbeke)

11


12

In 2007 werd het INBO-onderzoek uitgebreid en werd nagegaan of er ook trekvissoorten de zijrivieren van de Schelde optrekken. Daarvoor werd vanaf januari 2007 een uitgebreide maandelijkse staalnamecampagne georganiseerd in de Schelde, de Rupel, de Kleine en de Grote Nete, de Dijle, de Demer, de Dender en de Leie. Bovendien werd vanaf maart tot en met juni op een aantal locaties gericht naar glasaal gevist met daarvoor speciaal aangepast materiaal.

Fotoâ&#x20AC;&#x2122;s: Š INBO

Overexploitatie, habitatverlies, het onbereikbaar worden van geschikte leefomgevingen (habitats) door migratieknelpunten, klimaatsveranderingen en veranderingen in oceaanstromingen, ziekte en vervuiling worden voorgesteld als mogelijke oorzaken. Ondanks, dat de gebruikte de vangstmethode niet geschikt was, konden de onderzoekers toch vaststellen dat er in 2002 intrek was van glasaal tot in Gent. Hoe omvangrijk deze intrek was kon echter niet bepaald worden.

Ophalen fuik op Schelde bij stuw Oudenaarde

De eerste resultaten van het nieuwe onderzoek uit 2007 tonen een nog grotere aanwezigheid van jonge bot aan op alle staalnameplaatsen in de Zeeschelde (van Lillo tot Gent). De migratie van de jonge botjes in de Zeeschelde bleek opnieuw gestopt te worden aan het sluisstuwcomplex in Gent. Dat deze jonge vissen zeker zo ver landinwaarts willen trekken, bewijzen de waarnemingen van een aantal botjes, dat via de Rupel tot in de Dijle in luchtfoto sluisstuwcomplex in Gent

Mechelen en zelfs verder tot Rotselaar migreerden. Ook in de Grote en Kleine Nete trekt bot tot aan de eerste migratieknelpunten, respectievelijk de stuw in Geel en de watermolen in Grobbendonk. In 2007 trok net als bot ook rivierprik welbepaalde zijrivieren op. Zo werden er tijdens dit onderzoek een paar rivierprikken gevangen die via de Rupel tot in de Kleine Nete in Grobbendonk waren gezwommen. spiering


10000 Driedoorn (trekvorm)

Rivierprik

Bot

Maandelijkse vangst van trekvissen aan het sluisstuwcomplex te Merelbeke

Spiering

aantal

1000

100

10

1 Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sept

Okt

Nov

Dec

2002

Dunlipharder is een trekvissoort die in 2002 nog niet werd gevangen. Tijdens staalnames in 2007 werd de soort op meerdere plaatsen in de Zeeschelde aangetroffen zoals in Lillo, Temse, Hamme en zelfs tot helemaal stroomopwaarts in Heusden nabij Gent. Ook een paar spieringen slaagden er in 2007 opnieuw in om de volledige Zeeschelde tot in Gent te doorkruisen. Maar net als van dunlipharder werden er geen spieringen gevangen in de zijrivieren. Het migratiegedrag van glasaal in zoetwatergetijdengebied is niet zo goed gedocumenteerd, aangezien er door de bouw van stuwen wereldwijd maar een beperkt aantal rivieren zijn met een uitgebreid zoetwatergetijdengebied. Het stroomgebied van de Schelde vormt op dit vlak wel een grote uitzondering. Door de specifieke omgevingsomstandigheden komt in alle takken van het stroomgebied een zoetwatergetijdenstroom van vele tientallen kilometer lang voor. Het is ook in dit gebied dat zich de meeste van de eerste landinwaartse migratieknelpunten (zogenaamde getijdenstuwen) bevinden. Daar waar de glasaaltjes zich in het zoute water nog passief laten meevoeren met de het opkomende getijde, trekken ze in het zoete water meer actief stroomopwaarts. palingen in fuik

Tijdens dit onderzoek werden heel wat glasaaltjes en gepigmenteerde glasaaltjes gevangen in de Antwerpse haven (Verrebroekdok), in de Zeeschelde ter hoogte van Wichelen, onder de getijdestuw in Gent en in de Kleine Nete onder de stuw van Grobbendonk.

Wat brengt de toekomst? Uit beide INBO-onderzoeken blijkt dat de Schelde als ‘vissnelweg voor grote migratoren’ opnieuw meer en meer in trek is. De ‘afritten’ naar de zijrivieren worden vooralsnog nog maar met mondjesmaat genomen. In de Bovenschelde en in alle zijrivieren, zoals de Kleine Nete en de Dijle, worden trekvissen ook nog steeds geconfronteerd met talrijke migratiebarrières. Verder werken aan een verbetering van de water- en structuurkwaliteit van onze rivieren en het wegwerken van vismigratieknelpunten is de boodschap. Een boodschap die door de Vlaams waterbeheerders ter harte wordt genomen.

Zo zal de geplande bouw van visdoorgangen in de Bovenschelde, onder andere aan het sluisstuwcomplex Asper (door de NV Waterwegen en Zeekanaal-afdeling Bovenschelde), in de Kleine Nete aan de watermolen in Grobbendonk en in de Dijle aan de watermolen van Rotselaar (door de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), afdeling Water) zonder twijfel voor de zich herstellende trekvisgemeenschap zijn vruchten afwerpen.

David Buysse & Johan Coeck Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

gepigmenteerde glasaaltjes

13


Studiedag Duurzaam roofvisbeheer

Foto: © LNE, P.Vanhopplinus

ruimte was voor het naar voor brengen van visies, ideeën, ervaringen en meningen, opinies over het duurzaam beheren en bevissen van roofvissen in Vlaanderen. Dit leidde tot zinvolle en boeiende gesprekken tussen deskundigen, wetenschappers, handhavers, beheerders, beleidsverantwoordelijken en gedreven hengelaars.

Op donderdag 23 november 2006 werd er voor de eerste maal een studiedag “Duurzaam Roofvisbeheer” georganiseerd. Deze dag kwam er na verontrustende signalen vanuit de visserswereld dat de roofvispopulaties in Vlaanderen worden overbevist en dat deze niet altijd duurzaam worden beheerd. Tijd dus voor bezinning en om even in dialoog te gaan met alle betrokkenen bij het visserijbeheer. Het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), de Provinciale visserijcommissies en de betrokken Vlaamse Roofvis Federatie (VRF) hebben samen hun schouders onder het welslagen van deze studiedag gezet. Een duurzame openbare visserij heeft namelijk oog voor de toekomst. Er was een onverwacht grote opkomst en geanimeerde deelname in de debatten door alle vertegenwoordigde groepen.

14

Een breed forum van deskundigen, alle betrokkenen, wetenschappers, beleidsmakers, beheerders en gebruikers, werden uitgenodigd om hun verantwoordelijkheid te nemen en een draagvlak te geven aan een duurzaam beheer en bevissing van de visbestanden en hebben zich de hele dag gebogen over roofvis in Vlaanderen, in de breedste zin van het woord. Het was inhoudelijk een goed gestoffeerde dag, waar naast het uitwisselen van kennis en informatie ook

In de voormiddag hebben wetenschappers en visserijbeheerders de toehoorders mee op tocht genomen in de wereld van de roofvissen. De wetenschappers van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek en van de Universiteit Leuven hebben de status van de roofvispopulaties, de genetische aspecten van het roofvisbeheer en de teelttechnieken en herstelprogramma’s voor bepaalde roofvissoorten toegelicht. Via de noorderburen werd een bijdrage geleverd over de leefomgeving van snoek. De Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) en het Provinciaal Centrum voor Milieuonderzoek van Oost-Vlaanderen presenteerden enkele beheermaatregelen ten voordele van roofvissen uit de praktijk. De voormiddag werd afgerond met een uiteenzetting over de wetgeving en het beleid ten aanzien van roofvissen. In de namiddag kregen drie eminente roofvisvissers zelf het woord. Zij gaven hun mening over hoe de vissers zelf het duurzaam bevissen van roofvissen in Vlaanderen ervaren. Hun deelname en boeiende inbreng in deze studiedag was zeer verrijkend. Daarbij richtte de Vlaamse Roofvisfederatie en de Snoekstudiegroep Nederland-België de aandacht op vistechnische aspecten en op de houding van hengelaars, daar deze onlosmakende met elkaar verbonden zijn. Meer gesofisticeerde vistechnische mogelijkheden vergroten het belang van een correcte houding of attitude. Het beperken van de hengelschade,

catch en release met respect voor natuur en het leefmilieu waren de kernboodschap. Sensibilisering en opleiding zijn daarbij belangrijk. Er werd ook duidelijk gemaakt dat belangrijke roofvispopulaties in Vlaanderen een onderdeel zijn van een internationale populatie met nadruk op het probleem van hoge hengeldruk, van regelgeving en handhaving in een internationale context. Daarenboven werd aangehaald dat ook hengelaars waardevolle informatie en kennis bezitten en dat het verzamelen, noteren en verwerken van deze gegevens een belangrijke bron van informatie is. De informatie kan echter ook aanleiding geven tot verhoogde hengelonttrekking. Sociale controle, sensibiliseren van hengelaars onderling moeten daarom tot een mentaliteitsverandering leiden en het no-kill principe in roofvisvisserij, in het bijzonder voor de snoek, tot een algemeen gedachtegoed bij hengelaars maken. Ten slotte werd de studiedag afgerond na een goed gemodereerde en interactief debat tussen toehoorders en panel en werden er een aantal besluiten geformuleerd, die moeten toelaten om de roofvissen duurzaam en evenwichtig te beheren: - Een doelmatig beheer kan alleen maar gebaseerd worden op gedegen wetenschappelijk onderzoek. - De kennis en ervaringen van hengelaars, die worden verwerkt, vormen een zeer belangrijke bijdrage aan deze wetenschappelijk kennis. - Ondanks voorafgaandelijk studiewerk, blijft het monitoren van nieuwe maatregelen in water of visserijbeheer zeer belangrijk om de zin en onzin, de effectiviteit en ook duurzaamheid van bepaalde maatregelen of ingrepen duidelijk te maken.


Het is de bedoeling dat in de toekomst deze aandachtspunten een aanzet kunnen zijn voor een aantal wetswijzigingen. De Vlaamse Roofvisfederatie heeft met haar participatie aan deze studiedag aangetoond dat het mogelijk is om verschillende partners met elkaar in overleg te brengen. Dit bewijst ook dat het participatief overleg voor het beleid geen ijdel voornemen is. Aangezien dergelijke initiatieven tegelijk ook aanknopingspunten voor het beleid zijn, is het interessant om van een studiedag een regelmatig weerkerend initiatief te maken, waarbij alle disciplines en aspecten uit de visserijwereld aan bod kunnen komen. Samen praten over de problemen en uitdagingen in het visserijof hengelsportbeleid is iets wat we in de toekomst moeten blijven doen. Rudi Yseboodt Agentschap voor Natuur en Bos Antwerpen Karina Abeels Inverde vzw

Foto: Š VRF

Foto: Š Vildaphoto

- Het beheer moet vanuit een bredere ecosysteemvisie worden gevoerd. - De hengelaars geven zelf aan dat de integriteit van de roofvisvisser en van de hengelaar in het algemeen, een belangrijke vereiste is om tot een duurzame bevissing te kunnen komen. - Codes van goede hengelpraktijk en sensibilisatie van hengelaars zijn belangrijke hefbomen en moeten vanuit het beleid ondersteund en aangemoedigd worden. - Een op alle wateren gelijklopende, kortere gesloten tijd voor roofvissen, een verhoogde minimummaat voor snoekbaars, een verlenging van het meeneemverbod op snoek en een meeneembeperking voor snoekbaars zijn algemeen gedragen beschermingsmaatregelen bij alle partijen uit het publiek.

Europa keurt Palingverordening goed Op 11 juni 2007 keurde de Europese ministerraad een Verordening goed voor het herstel van het Europese palingbestand. Wetenschappers wijzen er namelijk al jaren op dat paling zich niet binnen biologisch veilige grenzen bevindt. Paling is niet alleen een gegeerde sportvis, maar heeft ook een fascinerende levenscyclus. Volwassen paling, zilverpaling genoemd, trekt vanuit de binnenwateren naar de Atlantische oceaan om in de Sargassozee te paaien, een tocht van wel 6.000 kilometer. De larven migreren vervolgens via de Golfstroom naar de Europese kusten waar ze veranderen in glasaal. Dan trekken ze de binnenwateren op om verder op te groeien. Doel van de Europese Verordening is dat 40% van de zilverpaling (ten opzichte van een referentiesituatie), ondanks tussenkomst van menselijke activiteit (visvangst, migratieknelpunten stroperij enz) kan ontsnappen en werkelijk de zee kan bereiken om te gaan paaien. Om dit doel te bereiken moeten alle lidstaten tegen eind 2008 per stroomgebied palingbeheerplannen opstellen. Daar op het ogenblik de situatie dramatisch is geworden, legt de Verordening aan de beroepsvisserij ook beperkingen op zoals een gedeeltelijk visverbod. Zo moet op termijn 60% van alle gevangen glasaal weer uitgezet

worden in de binnenwateren. Ook moeten de vangsten op zee geleidelijk aan met de helft verminderd te worden. Verder neemt elk van de lidstaten zelf, in hun beheerplannen, de noodzakelijke maatregelen op om het ontsnappingspercentage te bereiken. Enkele jaren geleden heeft Vlaanderen al een verbod ingevoerd op het gebruik van intensieve vangstmethodes zoals palingfuiken en kruisnetinstallaties. Bijkomende belangrijke maatregelen voor Vlaanderen zijn het oplossen van vismigratieknelpunten, het verminderen van het sterftepercentage bij doorgang door pompgemalen, het uitzetten van glasaal en het bestrijden van de stroperij. Ook wordt verder gewerkt aan de verbetering van de waterkwaliteit en de structuur van onze waterlopen. Het Agentschap voor Natuur en Bos startte intussen het overleg met de waterbeheerders om de opmaak van de palingbeheerplannen voor te bereiden. Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek levert hiervoor de wetenschappelijke informatie en bewijzen.

Kristof Vlietinck Agentschap voor Natuur en Bos

15


Foto: © B.Denayer

Een belangrijke stap voor het soortherstel

De kopvoorn (Leuciscus cephalus) is een typische vis van stromend water, die in bijna heel Europa in beken en rivieren voorkomt. De kopvoorn behoort tot de familie van de karperachtigen (cyprinidae). De paaitijd loopt van april tot juni, wanneer de watertemperatuur tussen de 15 en 18 °C ligt. De mannetjes zijn na twee tot drie jaar geslachtsrijp en de vrouwtjes na vier jaar. De kopvoorn paait meestal éénmaal per jaar. Uitzonderlijk en onder gunstige omstandigheden kan een tweede paai plaatsvinden. In de Rode Lijst van de Vlaamse beeken riviervissen is de kopvoorn ondergebracht in de categorie “zeldzaam”. Vroeger lag het leefgebied van kopvoorn verspreid over gans Vlaanderen. Vandaag komen natuurlijke populaties enkel nog voor in de Grensmaas en in beperkte mate in enkele zijbeken ervan. Ook in het Netebekken komt de kopvoorn nog in behoorlijke aantallen voor. Kopvoorn leeft bij voorkeur in

16

helder, stromend water in grotere beken en rivieren. Snelstromende ondiepe stukken moeten afgewisseld worden met diepere traag stromende stroomkommen.

Waterplanten maken de leefomgeving (biotoop) voor de kopvoorn nog aantrekkelijker. Daar deze beekvissoort een beetje ondersteuning kan gebruiken heeft het Agentschap voor Natuur en Bos een soortherstelprogramma uitgewerkt. De bedoeling is om kopvoorns opnieuw op geschikte wateren in Vlaanderen uit te zetten. Noodzakelijke elemeneten om dit programma te laten slagen zijn de kennis van de voortplantings- en opkweektechnieken. Want, kopvoorns zijn discrete minnaars en ze geven niet gemakkelijk de geheimen van hun “sex-leven” prijs. Optimale teelt technieken moeten nog ontwikkeld worden en geschikte kweekdieren moeten nog steeds in de vrije natuur gevangen worden. Het ontsluieren van de kunstmatige voortplanting van kopvoorn blijft dus een uitdaging voor de vissserijbiologen. Om de kweekprogramma’s te kunnen opstarten werden in het voorjaar, met steun van de Universiteit van Hasselt en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, seksueel volwassen broeddieren in de Limburgse Grensmaas gevangen. De ondieptes en snelstromende trajecten tussen de grindbanken in de zuidelijke Grensmaas zijn bij uitstek het paaigebied van de kopvoorn. De gevangen paairijpe kopvoorns werden daarna naar het Centrum voor Visteelt te Linkebeek overgebracht. Foto: © J.Auwerx

De kweek van kopvoorn uit het Maasland


Foto’s: © INBO

De vissen worden in het visteeltcentrum, beschut in een broedhal, in beluchte tanks opgekweekt. De teelttanks worden bevoorraad met gerecirculeerd bronwater dat gezuiverd wordt over een biologische filter. De broeddieren worden gesorteerd en gescheiden volgens geslacht. Dit laat toe zowel de mannetjes als de vrouwtjes van heel nabij in hun sexuele rijping te volgen. Onder verdoving krijgt elke vis een chip ingeplant waardoor hij (of zij) later geïdentificeerd kan worden. Vervolgens worden ze elk afzonderlijk gewogen.

Ze zijn ongeveer 6 tot 8 millimeter groot en worden in ondiepe broedbakken met vers water geplaatst. De eerstvolgende dagen leven deze mini-vislarven op de energiereserves in hun dooierzak.

Regelmatig komen ze naar het water oppervlak om er lucht te happen. Met deze lucht vullen ze hun zwemblaas. Stilaan ontwikkelen ze naar volwaardige kleine visjes. In dit prille stadium worden de vislarven volledig kunstmatig gevoederd met levende wieren en micro-organismen. Via gecontroleerde voedseltechnieken slaagt men er in om de grootte van de voedseldieren te laten toenemen naarmate ook de vislarven groeien. Na een viertal weken zijn de jonge kopvoorns voldoende groot en aangesterkt. Ze worden dan overgebracht naar de opkweekvijvers. Hier groeien ze nog zes maanden tot een jaar door waarna ze worden vrij gelaten in geschikte Vlaamse beken en rivieren. Alireza Shiri Harzevili, Agentschap voor Natuur en Bos. Bart Denayer, Agentschap voor Natuur en Bos Limburg

Foto: © A.Shiri Harzevili

De vrouwtjes krijgen een stimulerende behandeling om de eitjes optimaal en snel te laten ontwikkelen. Eén tot twee dagen na deze stimulatie zijn de eitjes gerijpt en worden de vrouwtjes onder verdoving voorzichtig afgestreken.

Het afstrijken gebeurt door middel van een lichte druk op de buikwand de eitjes naar buiten te duwen. Per kilogram wijfje komen er tussen de 40.000 en de 80.000 eitjes vrij. Onmiddellijk na vrijzetting worden de eitjes bevrucht met verse opgevangen hom (sperma) van een aantal mannelijke kopvoorns. Na 15 minuten heeft de bevruchting van de eitjes plaatsgevonden. Deze eitjes worden gewassen in zuiver bronwater en in kleine incubatieflessen overgebracht. Na een viertal dagen ontluiken de kleine kopvoornlarven uit de eitjes.

17


18

De Paalse Plas ingericht als veelzijdig hengelwater De Paalse Plas is een 40 hectare grote hengelplas, die door de karpervissers uit de verre omstreken zeer gekend is en gewaardeerd wordt. Op deze plas, eigendom van de stad Beringen, werd in overleg met de Visserijcommissie Limburg en het Agentschap voor Natuur en Bos een openbare visserij ingesteld. Bij de ontwikkeling van de plas kreeg de hengelsport een vooraanstaande plaats. Speciaal voor de vissers werden een toegangsweg, parkeergelegenheid en hengelzones ingericht. In een tweede fase hebben de Provinciale Visserijcommissie, samen met de provincie en de stad Beringen, de toegankelijkheid van de oevers verbeterd. Ter hoogte van de parkeerplaatsen werden verscheidene grachtovergangen aangebracht. Hoofdzakelijk voor de vaste stokvissers werden vijf ruime hengelsteigers aangelegd. Zij zitten nu kort op het water en kunnen aldus verder uit de oever vissen. De hengelsteigers zijn via een zachte toegangshelling ook voor minder mobiele hengelaars goed bereikbaar. In de hengelzones werden, daar waar nodig voor de veiligheid van de visser, uitgespoelde oeverstroken aangevuld en gelijk gemaakt. Op dit openbare water wordt ook aan een duurzaam visbestand de nodige aandacht

voorzien van een houten hengelsteiger, die via een toegangshelling ook voor de minder mobiele vissers bruikbaar was. De tand des tijd heeft deze constructie echter niet gespaard. Om veiligheidsreden realiseerde de Visserijcommissie Limburg er een volledig vernieuwde en veilige hengelsteiger.

Raymond Dupont, Provinciale Visserijcommissie Limburg

Betere hengelfaciliteiten langs de oude Limburgse kanalen. Langsheen de Zuid-Willemsvaart in Limburg liggen her en der enkele afgesneden oude kanaalarmen verspreid. Hiervan mogen er verscheidene worden bevist. Door hun oorspronkelijke functie van bevaarbaar kanaal hebben deze oude armen vrij steile oevers, die voor hengelaars moeilijk toegankelijk zijn. Om de oevers beter bevisbaar te maken bieden hengelplatformen een uitkomst, waarop vissers zich comfortabel en veilig kunnen installeren. Dit werd toegepast aan het Oud Kanaal te Bocholt, wat al lang een trekpleister is bij de lokale vissers. Het gemeentebestuur van Bocholt en de Visserijcommissie Limburg staken de koppen bij elkaar en realiseerden de herinrichting met een aantal goed ingepaste stabiele hengelplateaus voor de hengelaar.

Foto: © R. Dupont

Foto: © B. Denayer

Foto: © R. Dupont

besteed, door de natuurlijke voortplanting van de vissen maximale kansen te geven. Om de paaizones voor de vissen aantrekkelijker te maken werden verscheidene witte waterlelies aangeplant. Deze drijfbladplanten zullen voor de vissen en hun broed de nodige voortplantings- en schuil mogelijkheden bieden.

Ook het Oud Kanaal te Lanklaar, een deelgemeente van Dilsen-Stokkem, werd onder handen genomen. Al zowat twintig jaar geleden werd dit water

De Dilkensplas te Aldeneik, een nieuw openbaar viswater In de loop der tijden zijn in de Maasvallei door grindwinning uitgestrekte plassen ontstaan. Met middelen uit het Grindfonds krijgen deze plassen na stopzetting van de grindexploitatie een gepaste bestemming. Het grindherstructureringscomité (GHC) overlegt met de Vlaamse overheid, de Maasgemeenten en het provinciebestuur over de nieuwe bestemming. Bij deze projecten wordt gestreefd naar een versterking van het groene karakter van de Maasvallei met aandacht voor de zachte recreatie. Verder worden via het project “Levende Grensmaas” ook de mogelijkheden voor een kwaliteitsvol sportvisserijgebruik in de Grensmaasregio meegenomen.

Foto’s: © B. Denayer

Viswaterprojecten voor vissen en vissers


De Dilkensplas is een nieuwe goed bereikbare visplas op wandelafstand van het centrum van Aldeneik (Heerenlaak/Maaseik). Op voorstel van het Agentschap voor Natuur en Bos en de Provinciale Visserijcommissie wisselen hengelzones en vegetatierijke paaiplaatsen elkaar af. Tegelijkertijd met het inrichten van de plas kreeg de uitmonding van de Bosbeek een vistrap naar de Maas. Via deze uitstroomvoorziening kunnen vissen nu vanuit de Grensmaas de beek optrekken om er naar geschikte paai gelegenheid te zoeken. Bart Denayer Agentschap voor Natuur en Bos Limburg

Hermeandering van de Kleine Aa of Weerijs in het Groot Schietveld Het Groot Schietveld te Wuustwezel, Brecht en Brasschaat is dankzij de afbakening als militair oefenterrein één van de laatste restanten van het historische landschap dat ooit een groot deel van de Kempen bedekte. In het noordoosten van het gebied ligt de vallei van de Kleine Aa-Weerijs. Kort na de tweede wereldoorlog werd de beek rechtgetrokken en uitgediept. De bochten (meanders) werden afgesneden, maar waren nog goed herkenbaar in het landschap aanwezig. Door deze ingreep daalde het drainagepeil. Hoewel in het Groot Schietveld nog grote natuurwaarden aanwezig zijn, vertoont het gebied ten gevolge van een verstoord watersysteem sporen van verdroging. Met het herstel van de oorspronkelijke loop wordt getracht de verdroging tegen te gaan. In 2002 werden, bij wijze van proefproject, twee oude meanders uitgebaggerd en met elkaar verbonden tot één meander van ongeveer 350 meter. Vervolgens werd deze terug aangetakt aan de beek. Om de nieuwe meander watervoerend te maken, werd het waterpeil in de Weerijs ongeveer één meter opgestuwd. De meander mondt stroomafwaarts van de stuw uit, zodat deze ook dienst kan doen als by-pass voor migrerende vissen. In 2005-2006 werd nagegaan of de herinschakeling van de meander daadwerkelijk een ecologische meerwaarde biedt ten opzichte van het parallel lopende rechte stuk.

Het aantakken van de bocht (meander) leidde niet alleen tot een uitbreiding van het beschikbare leefgebied (habitat), maar zorgde ook voor een meer gevarieerd leefgebied, namelijk door een grotere variatie in diepte en stroomsnelheid in de meander. De terugkerende slechte waterkwaliteit is echter een belangrijk knelpunt. Toch werd vastgesteld dat zelfs in een licht vervuilde waterloop, een relatief eenvoudige ingreep op structureel vlak een belangrijke meerwaarde kan bieden. De herinschakeling had een positieve invloed op de visstand, zelfs wanneer er, zoals hier, slechts twee vissoorten werden aangetroffen: de tiendoornige stekelbaars en het bermpje. De hogere habitatdiversiteit in de meander zorgde voor een veel hogere concentratie aan stekelbaarzen en aan jonge vissen ten opzichte van de rechte loop. Er werden geen bermpjes aangetroffen in het rechte stuk, terwijl ze in de meander wel voorkomen, zij het in zeer lage aantallen. Momenteel wordt door de Dienst Waterbeleid van het Antwerpse provinciebestuur en het Agentschap voor Natuur en Bos - een verdere hermeandering van de Weerijs over meer dan één kilometer in het militaire domein voorbereid. Chris Van Liefferinge & Guy Heutz: Universiteit Antwerpen onderzoeksgroep Ecosysteembeheer/ Agentschap voor Natuur en Bos

Habitatopmetingen in de rechtgetrokken loop van de Kleine Aa – Weerijs

19


Voor de uitbreiding van een zandwinning van SCR – Sibelco werd in het voorjaar 2006 in Dessel in de Turnhoutse Kempen een traject van de Witte Nete van ongeveer twee kilometer omgelegd In het beektraject dat verdween, kwamen maar liefst 21 vissoorten voor, waarvan ondermeer de kleine modderkruiper en de rivierdonderpad zeldzaam zijn in Vlaanderen. Beide soorten genieten bovendien Europese bescherming als habitatrichtlijnsoort. Daarenboven is de populatie kleine modderkruiper in het bekken van de Kleine Nete en in de Witte Nete de grootste in Vlaanderen. De omlegging van deze waterloop werd in de milieu-effectrapportage als noodzakelijke maatregel voorgesteld en door de vergunningverlener opgelegd. Met het monitoringonderzoek, dat zowel door het bedrijf Sibelco als door de Vlaamse overheid (Departement Leefmilieu, Natuur en Energie) wordt ondersteund, wordt de doeltreffendheid van deze omlegging en hermeandering onderzocht.

Omlegging als noodzaak, beekherstel als doel Het omleggen van een waterloop is een drastische ingreep, maar biedt ook mogelijkheden naar herstel toe. Vele waterlopen in zandige gebieden zijn in het verleden al rechtgetrokken en uitgediept. Ook dit deel van de Witte Nete is hier niet aan ontkomen. Het nieuwe tracé herstelt de landschappelijke meandering van de Witte Nete zoals die in het einde van de 19e eeuw aanwezig was. Bij de aanleg werd getracht om de noodzakelijke leefomgeving voor beekvissen en meer specifiek de doelsoorten kleine modderkruiper en rivierdonderpad te optimaliseren. De eerste jaren is een nieuw aangelegde waterloop echter nog onstabiel en sterk onderhevig aan oevererosie omdat de oevervegetatie nog ontbreekt. Een snel

20

herstel van de vegetatie is dus gewenst. Pas na rijping en het stabiliseren van het ecosysteem zal duidelijk worden of de heraanleg ook de aanwezige vispopulatie ten goede komt.

Geboorte van een nieuwe beek

werden vanuit de oude bedding in de nieuwe beek overgebracht. Het herstel van de plantengroei was na het eerste jaar al indrukwekkend.

Opvolging van het nieuwe waterleven Met het rechttrekken van beken treedt een groot verlies aan belangrijke beekstructuren op zoals diepe uitspoelingen, onderspoelde oevers, ondiepe zand- en slibplaten. Deze verarming gaat gepaard met een sterke achteruitgang van de typische beekflora en –fauna. Vele van onze typische beekvissen zijn momenteel zeer zeldzaam geworden. Beekprik, rivierdonderpad, bermpje, serpeling en kopvoorn komen nog slechts in een beperkt aantal waterlopen voor. Maar ook de meer algemene vissoorten zoals blankvoorn, riviergrondel en paling zijn veel minder talrijk aanwezig in beken met weinig structuur. Om tot een herstel van deze vispopulaties te kunnen komen moet niet alleen de waterkwaliteit goed zijn, maar is ook een goede natuurlijke beekstructuur noodzakelijk. Met het verleggen van de Witte Nete werd getracht om de meanderende loop van de beek te herstellen. Oude kaarten waren daarbij een belangrijk hulpmiddel. Met grote middelen zoals graafmachines, grote kiepkarren (dumpers) en bulldozers werd aan de nieuwe beek en haar vallei vorm gegeven. Het nieuwe beekdeel kronkelt nu weer door het landschap. Slib en wortelstokken van riet

Het monitoringproject dat de ontwikkeling van deze waterloop volgt, begon met het vangen, merken en overbrengen van de vispopulatie van de oude naar de nieuw gegraven loop van de Witte Nete. Naast de ontwikkeling van de water- en oeverplanten wordt ook de evolutie van de ongewervelde dieren en de vissen opgevolgd. Een groot aantal vissen werd van een fluorescerend kleurmerk voorzien. Deze merkers worden aangebracht in de huid van de onderkaak of op het kieuwdeksel en zijn uitwendig zichtbaar. De merkers laten toe om na te gaan of de vissen zich stroomop- of stroomafwaarts verplaatsen. Ook vissen die zich stoomopwaarts en stroomafwaarts van het onderzoeksgebied bevinden werden gemerkt.

Een paling, die na verdoving, in de onderkaak van een merkteken werd voorzien en terug in de Witte Nete werd vrijgelaten.

Foto: © A. De vocht

Foto: © SCR-Sibelco

Omlegging en hermeandering van de Witte Nete te Dessel


Gemiddelde aantal vissen in de oorspronkelijke loop in 2005 en in verlegde Witte Nete

Hengelsteiger voor sportvissers met beperkte mobiliteit langs de ‘Oude Leie’ te Grammene

2500 2000

Oorspr. Loop Verlegde Witte Nete

2500 1500 2000 1000

Oorspr. Loop Verlegde Witte Nete

1500 500 10000

aantal/100 m 500

Gemiddelde aantallen van baars, bermpje, blankvoorn en kleine modderkruiper per 100 m beeklengte in de oorspronkelijke loop in 2005 aantal/100 m Oorspr. Loop 50 en in verlegde Witte Nete 600

Verlegde Witte Nete

40 60

Oorspr. Loop Verlegde Witte Nete

30 50 20 40 10 30

Baars

Bermpje

0

Blankvoorn

Kleine modderkruiper

aantal/100 m

10

Baars

Bermpje

Blankvoorn

Kleine modderkruiper

aantal/100 m

Dit laat toe om na te gaan of deze vissen bijvoorbeeld de oude watermolen kunnen passeren, die stroomafwaarts het nieuw gegraven beektraject ligt. De eerste gegevens bevestigen de resultaten van een vorige studie in een kleinere waterloop. Het ecosysteem herstelt zich snel en de vroeger aanwezige vissoorten komen al na enkele maanden in de nieuwe meanderende loop voor. Ook de ongewervelde dieren zijn terug aanwezig. De meeste soorten en hoogste aantallen komen na zes maanden voor in de zones waarin het slib en de wortelstokken van riet werden aangebracht. De plantengroei in deze zones is ook beter ontwikkeld. Het bodemprofiel van de nieuwe meanderende beek ondergaat sterke wijzigingen en in de uitgespoelde bochten komen al dieptes voor tot 1,4 m. Het totaal aantal vissen in de verlegde loop is vervijfvoudigd ten opzichte van de vroegere rechtgetrokken beek. Riviergrondel en brasem zijn in aantal sterk gestegen. Baars en blankvoorn zijn in aantal verminderd, maar nog relatief overvloedig aanwezig en typische soorten voor de Witte Nete, zoals kleine modderkruiper, rivierdonderpad en bermpje zijn in aantal toegenomen in de omgelegde en hermeanderde beekloop.

Alain Dillen & Marcel Van Oost Agentschap voor Natuur en Bos Oost-Vlaanderen

Deze voorlopige resultaten geven aan dat de omlegging van de Witte Nete een doeltreffende maatregel is en dat de hermeandering een biologische meerwaarde geeft. Alain De Vocht Centrum voor Milieukunde

Foto: © A. Dillen

0 20

De Leiemeander “Oude Leie” te Grammene is gelegen in een mooie en natuurlijke omgeving en heeft een gevarieerde visstand, waarbij onder andere snoek, snoekbaars, rietvoorn en zeelt regelmatig worden aangetroffen. Het is een interessant hengelwater voor de hengelaar, die zijn hobby in een rustige en natuurlijke omgeving wil beoefenen. Om hengelaars de kans te geven aan deze meander te vissen, werden door het Agentschap voor Natuur en Bos en met de steun van de Provinciale Visserijcommissie van Oost-Vlaanderen, nieuwe hengelvoorzieningen aangebracht. Daarbij werd ook een hengelplaats aangelegd, die het ook voor mensen met beperkte mobiliteit mogelijk maakt om op een veilige en aangename manier te kunnen hengelen. Voor de keuze van deze visplaats werd snel duidelijk dat een vissteiger de beste optie was. Er werd een vlot bereikbare hengelplaats met veiligheidsvoorzieningen aangelegd, met voldoende ruimte om een rolstoel te plaatsen. De locatie werd zo gekozen dat deze enigszins beschut ligt tegen weer en wind. Een bijkomende voorwaarde was dat er voldoende waterdiepte moet zijn om vlot te kunnen hengelen. Dit alles werd gevonden aan het begin van de Koffiebeekstraat te Grammene. Door gebruik te maken van ecologisch verantwoorde producten zoals FSCgelabeld hout en doordat een steiger de oevervegetatie intact laat, is dit ook een milieuvriendelijke oplossing die recreatie en natuur in elkaar verweeft.

21


Aansluitend op de heraangelegde hengelzone werd ter hoogte van de afwatering in de Schelde een paaiplaats aangelegd. De paaiplaats werd gerealiseerd door de wiepenconstructie als een vooroeververdediging te laten functioneren.

De Zonneput in Zwijnaarde opnieuw goed bevisbaar De oude Scheldearm ‘De Zonneput’ is een afgesneden meander van de Bovenschelde, die zich bevindt op het grondgebied van Zwijnaarde (Gent). Dit openbaar water is altijd een sterk geliefd viswater geweest, omdat de meander in een zeer natuurlijke en rustgevende omgeving gelegen is én dit in de directe omgeving van de stad Gent. Het hengelwater kwam echter in verval door het afkalven van de oevers. Het in het verleden zo sterk begeerde water was daardoor voor de hengelaar bijna niet meer toegankelijk, voor de Visserijcommissie het signaal om in te grijpen! In het voorjaar van 2007 werd de hengelzone op de binnenoever hersteld in samenwerking met het Agentschap voor Natuur en Bos-buitendienst OostVlaanderen, die de coördinatie van de werken op zich nam. De hengelzone werd op een natuurtechnische manier hersteld door het plaatsen van kastanjehouten palen waartussen wiepen (bundels van dode wilgentakken) werden aangebracht. Achter deze verdediging werd de oever opnieuw aangevuld met grond en ingezaaid met gras.

22

Alain Moerman Provinciale Visserijcommissie Oost-Vlaanderen

Foto: © B. Vandekerckhove

Foto: © E. Beeckman

Nu de hengelzone is hersteld zal de Visserijcommissie instaan voor het verder onderhoud van deze zone. Zo wordt de hengelzone jaarlijks tweemaal gemaaid, wordt spontane houtopslag verwijderd en is er voorzien in een hakhoutbeheer.


Foto’s: © A. Dillen

Vissen weten zich tijdig te redden uit gedempt Doeldok

De afdeling Maritieme Toegang onderzocht de visstand in het noordelijke deel van het Doeldok, met de steun van het Agentschap voor Natuur en Bos en de Provinciale Visserijcommissie van Oost-Vlaanderen. In de loop van 2007 werd dit gedeelte van het Doeldok opgevuld met zand, afkomstig van de afgraving van het Deurganckdok. De bedoeling van dit onderzoek was om na te gaan hoeveel vissen er nog in het dok aanwezig waren en op andere wateren moesten overgezet worden, voor het dok volledig gedempt zou worden. Voor het eerst in Vlaanderen werd daarbij gebruik gemaakt van een nieuwe onderzoeksmethode. Een hele nacht speurde een bootje, uitgerust met een speciale sonar met daarop aangesloten computers, naar vissen in het Doeldok. Dit sonaronderzoek heeft het voordeel dat de totale biomassa aan vissen met een grote nauwkeurigheid kan geschat worden en op korte tijd de ganse oppervlakte van het dok (60 ha) onderzocht kon worden. Met andere vangmethodes zouden meerdere dagen nodig zijn. De computers berekenden meteen de aantallen en de lengtes van de aanwezige vissen.

Deze gegevens werden verder aangevuld met beperkte vangsten met fuiken en kieuwnetten, die om het uur werden leeg gehaald. Nu bleek dat de meeste vissen ondertussen al op eigen houtje andere en veilige oorden hadden opgezocht. Vermoedelijk konden ze ontsnappen via een tijdelijke opening in de dam tussen het noordelijke en zuidelijke gedeelte van het dok. Een grootscheepse actie om de visstand in het Doeldok te redden, was dan ook niet nodig. De gevangen vissen, voornamelijk paling en snoekbaars, werden in het zuidelijk deel van het Doeldok vrijgelaten. Alain Dillen Agentschap voor Natuur en Bos Oost-Vlaanderen & Joris Dockx Afdeling Maritieme Toegang

Onderzoek en overplaatsing van de visstand van het Burchtse Weel Door de geplande aanleg van de Oosterweelverbinding, één van de grote infrastructuurwerken in het kader van het Masterplan Mobiliteit Antwerpen, zal er plaatselijk langsheen de Schelde natuur verdwijnen. Als compensatie hiervoor is de ontwikkeling van nieuwe natuur langs de Schelde voorzien. Eén van de gebieden waar dit zal gebeuren is het Burchtse Weel op linker Scheldeoever. Tussen het Weel en de Schelde zal een open verbinding worden gemaakt, waardoor onder invloed van de getijdenwerking slikken en schorren tot ontwikkeling kunnen komen. Zowel de vorm als de afmetingen van het Burchtse Weel zullen hierdoor ingrijpend veranderen. De leefomgeving van de vissen zal dus op vrij korte tijd sterk wijzigen. Om tijdens de werken de kans op vissterfte zoveel mogelijk te beperken, liet de Provinciale Visserijcommissie van Antwerpen in april 2007 het Burchtse Weel afvissen. Hiervoor werd beroep gedaan op een gespecialiseerde firma uit Nederland, die met sleepnetten van 500 meter lang in totaal ruim 8500 kg vis

wist te vangen. Deze vangst werd met professioneel transportmateriaal en met de gewaardeerde hulp van een aantal vrijwilligers/hengelaars overgebracht naar naburige openbare viswaters. Daarbij werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om de visstand in kaart te brengen, zodat later de ontwikkeling van het nieuwe water hiermee kan vergeleken worden. De visfauna bestond hoofdzakelijk uit brasem, karper en snoekbaars. Verder kwamen ook blankvoorn, winde, giebel, paling en bot voor. Bijzonder was de vangst van een grootkopkarper en een Europese meerval van maar liefst 32 kg. Het Burchtse Weel bleek een uitzonderlijk productief water. De bezetting werd geschat op 1089 kg per hectare, wat neerkomt op een totale visbezetting van ruim 16 ton. Verder bleek alle vis in prima conditie. De verplaatste vis gedijt intussen goed. Ondanks het abnormaal warme voorjaarsweer was er nauwelijks vissterfte. Uit hengelvangsten van ondermeer het Galgenweel blijkt dat de vis zich goed heeft aangepast. Door de talrijke obstakels in het water kon echter niet alle vis uit het Burchtse Weel weggevangen worden. Geschat wordt dat ruim 50% verwijderd is. De Provinciale Visserijcommissie zal daarom de werken van nabij blijven volgen. Rudi Yseboodt Agentschap voor Natuur en Bos Antwerpen

Foto’s: © R.Yseboodt

Om verder te vertellen langs de waterkant

23


Hengelverbodsbord beschadigd of verdwenen? Het zal je maar overkomen! Je zit te vissen en je wordt op de schouder geklopt door een collega-visser of door een controleur die je er op wijst dat je in een verboden zone vist. Nu blijkt dat het hengelverbodsbord verdwenen of beschadigd is. Leuk is toch wel anders. Wil je deze vervelende situatie voorkomen voor vissers die nà jou komen? Meld dit dan via mail, telefoon of fax bij het “Infoloket Openbare Visserij” zodat het verdwenen bord zo snel mogelijk kan vervangen worden. Recent zijn er ook in de provincie Antwerpen enkele hengelverbods borden verdwenen. Dit heeft één van de wachters van het Agentschap voor Natuur en Bos, geïnspireerd door de Ronde van Frankrijk, er toe aangezet om een bijkomende signalisatie aan te brengen op het jaagpad.

Nieuwe hengelkaarten Naast de bestaande gewaardeerde provinciale en regio-hengelkaarten (Polder van Blankenberge, Veurne, Rivierenland, Waasland, West-Limburg, Boven-Dijle) zijn er nu twee nieuwkomers: de regiohengelkaart van de Meetjeslandse Kreken en deze van de Middenkustpolders. Deze kaarten bevatten gedetailleerde informatie waarmee elke hengelaar moeiteloos zijn weg naar de beste hengelzones vindt. Bijkomende gegevens over de visstand, vispaaiplaatsen, vistrappen, parkeergelegenheid vervolledigen het geheel. Alle kaarten zijn op aanvraag gratis te verkrijgen bij de secretariaten van de provinciale visserijcommissies of bij de Centrale Diensten van het Agentschap voor Natuur en Bos (zie Colofon pagina 32)

24

Elke visser zit graag in een fijne en propere omgeving. Een respectvolle visser moet daarvan niet overtuigd worden. Zijn hengelstek zal hij op het einde van de visdag netjes achtergelaten. Afval wordt terug mee naar huis genomen om het daar in de vuilnisbak te deponeren. Maar wat met afval van gedode vissen? De visserijwetgeving verbiedt het meenemen van levende vissen. Wanneer men op het einde van de visbeurt toch enkele “maatse” vissen wil meenemen dan mogen de kop en de staart niet verwijderd worden. Men moet namelijk altijd kunnen aantonen dat men “maatse” vissen bij zich heeft. Het zuiver maken van vissen langs de waterkant en het achterlaten van het afval op het einde van de visbeurt valt onder de afvalwetgeving (Vlarem), meer bepaald “het sluikstorten van slachtafval”. Het achterlaten van slachtafval aan de waterkant is daarom uit den boze. Het is niet hygiënisch, trekt ongedierte aan en kan voor geurhinder zorgen. Visresten van geoogste vissen worden dus thuis via het restafval afgevoerd (www.ovam.be). Word je geconfronteerd met illegaal achtergelaten slachtafval of grote aantallen dode vissen (vb. vissterfte), dan moet je dit bij de gemeente melden. Zij zijn bevoegd om gepaste maatregelen te nemen en zullen het dierlijk afval laten afvoeren via een erkende ophaler (vb. RENDAC). Beter nog, zet vissen steeds onmiddellijk terug zodat ze beschikbaar blijven voor de volgende visbeurt. Geen afvalproblemen meer!!

Foto’s: © A. Van Mol

Foto’s: © R. Yseboodt

Afval langs de waterkant Neen bedankt!!!

Ook vrouwen vangen… …vis wel te verstaan.

Op 16 juli 2006 had op het kanaal van Leuven naar de Dijle, beter bekend als de Leuvense Vaart, te Tildonk, een viswedstrijd plaats. De wedstrijd werd druk bijgewoond door tientallen vissers. Er werd heel wat vis boven gehaald. Dat het goed vissen is op de Leuvense Vaart en dat dit openbare viswater een ware trekpleister is voor talrijke vissers uit binnen- en buitenland, is al langer geweten. Maar wist u dat vissen niet louter een “mannen”-aangelegenheid is en dat de vrouwen ook op deze wedstrijd menige vis konden verschalken?


Zwerfvuilactie langs het Kanaal Roeselare-Ooigem Op zaterdag 24 maart 2007 organiseerde Hengelbelangen IJzervallei Vzw (HBI) haar jaarlijkse grote zwerfvuilactie. Met de steun van de provinciale visserijcommissie West-Vlaanderen werd een traject van 20 km openbare wateroevers aangepakt langs het kanaal Roeselare-Leie op het grondgebied van de gemeenten Izegem en Ingelmunster. Izegem werd als zwaartepunt gekozen daar de gemeente de nodige logistieke steun gaf. Speciaal voor deze jaarlijkse klus en andere taken ten gunste van de openbare visserij heeft HBI vzw een tweedehandsboot aangeschaft. Met drie boten werd het drijvende vuil op het water verzameld, op de oevers gevolgd door en een groep van 25 vrijwilligers. Vriendelijke weergoden, scherpe prikkers, van tijd tot tijd een deugddoend drankje en oevers en water vol zwerfvuil; ingrediënten voor wat een superactie werd! Een volle container met meer dan 2000 kg zwerfvuil was het resultaat. De vangst bestond hoofdzakelijk uit blikjes, papier en lege flessen maar ook een televisie, een bromfiets, een kadaver van een schaap en andere rotzooi werden opgehaald. Verheugend nieuws is dat bij zulke acties sportvissers uit verscheidene hengeldisciplines solidair zijn en samen de handen uit de mouwen steken om de waterkant proper te houden. Zelfs hengelaars die op betreffende water nooit komen vissen, namen deel. Hengelbelangen IJzervallei vzw heeft ondertussen een achterban van een 450-tal leden uit alle hengeldisciplines en heeft goede relaties opgebouwd met verschillende diensten zoals de Vlaamse Milieumaatschappij, waar ze altijd op kunnen rekenen bij signalementen van watervervuiling.

Een bijkomende zwerfvuilactie heeft op zaterdag 20 oktober 2007 plaats gehad. Deze actie werd opnieuw door HBI vzw georganiseerd met de steun van de provinciale visserijcommissie. Ditmaal was de IJzer ter hoogte van Diksmuide, tussen de Knokkebrug en de Tervaete brug, aan de beurt. Hier werden vier boten ingeschakeld daar er heel veel zwerfvuil op het water dreef. De Technische dienst van Diksmuide stelde een container ter beschikking. Er werd ongeveer 1200 kg zwerfvuil opgehaald. Peter Lepouttre Provinciale Visserijcommissie West-Vlaanderen Hengelbelangen IJzervallei vzw

Zwerfvuilactie langs het Passendalekanaal en het Spaarbekken van Nieuwpoort

De hengelaars van de regio Westkust organiseren jaarlijks met de steun van de provinciale visserijcommissie WestVlaanderen een zwerfvuilopruimactie. Daarmee willen ze iets doen aan het negatieve imago dat hengelaars soms meekrijgen als het over vuil achterlaten gaat. Op zaterdag 10 november 2007 waren de vissers en vrijwilligers van de regio Westkust actief langs de Plassendalevaart en het Spaarbekken te Nieuwpoort tussen de Uniebrug en het jaagpad. Ongeveer een 50-tal huisvuilzakken werden gevuld met plastiek zakken, flessen, blikjes, papier en karton. Ook grotere objecten werden opgeruimd zoals autobanden, tuinstoelen gasflessen enz. Het ging opmerkelijk vaak om huishoudelijk afval en afval achtergelaten door toeristen.

Goede werking paaiplaats Tervatebrug In editie 2007 van VISlijn werd er melding gemaakt van de aanleg van een buitendijkse paaiplaats op de IJzer ter hoogte van het gehucht “Tervaete”. Daarbij werden onregelmatige bodemprofielen aangebracht, die een breed gamma aan dieptes opleverden. De taluds werden zwak hellend gemaakt en tot aan de oorspronkelijke dijkhoogte van de IJzer opgetrokken. De paaiplaats staat in open verbinding met de IJzer. Er werd een drempel ingebouwd, zodat de paaiplaats niet leegloopt als de sluizen in Nieuwpoort worden geopend. Dat deze paaiplaats wel degelijk de vissen aanspreekt, bewijst volgende leuk beeld van speelse karpers…

Foto’s: © P. Vercamer

Hengelaars actief tegen verloedering langs het water

Ronny Dejonghe Provinciale Visserijcommissie West-Vlaanderen Regio Westkust

25


Natuurrapport 2007 Het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek (INBO) brengt om de twee jaar verslag uit over de toestand van de natuur en het natuurbeleid in Vlaanderen.

De rapportering gebeurt in belangrijke mate aan de hand van indicatoren. De website www.natuurindicatoren.be bevat voor elke indicator een handige fiche met cijfermateriaal en beknopte achter-grondinformatie. Het rapport toont aan dat ondanks het gevoerde beleid en de vastgestelde verbeteringen de natuur in Vlaanderen verarmt en de Vlaamse biodiversiteit blijft afnemen. Soms is de schade zelfs onomkeerbaar. Van de 40.000 soorten wilde planten en dieren die gedurende de 20ste eeuw in Vlaanderen voorkwamen, is 7 % verdwenen. Nog eens 28 % is op weg om op termijn te verdwijnen wanneer

er niet spoedig de nodige maatregelen worden genomen. Intussen breiden enkele algemenere soorten zich uit. Zowel in Vlaanderen als op wereldschaal is het verlies van biodiversiteit het verst gevorderd in de aan zoet water gebonden natuur. Juist daar is evenwel herstel zichtbaar. Een aantal soorten reageren positief op de evolutie van zeer slechte naar slechte tot matige waterkwaliteit (bv. libellen, watervogels, vissen). De leefgebieden met een zeer goede waterkwaliteit zijn echter moeilijk te beschermen want de geringste vervuiling kan hier immers een nadelig effect hebben op gevoelige vissoorten zoals de beekprik en de rivierdonderpad. Europese richtlijnen sturen in belangrijke mate het Vlaamse natuurbeleid. Zo moet tegen 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit in de Europese Unie stoppen (2010-doelstelling) en tegen 2015 wil Europa een goede kwaliteit in alle oppervlaktewater (Kaderrichtlijn Water).

Meer info? Surf dan naar www.inbo.be of download er het Natuurrapport 2007, natuurindicatoren of brochure â&#x20AC;&#x153;Natuur@Vlaanderenâ&#x20AC;?. Deze brochure kan je ook bestellen op diezelfde website of per email: nara@inbo.be, telefonisch op 02/558 18 34.

26

Foto: Š L. Deboeck

Dit rapport geeft een nauwkeurig overzicht van de biodiversiteit in Vlaanderen en schetst met uitgebreide feiten en cijfers hoe het anno 2007 met de natuur in Vlaanderen is gesteld. Daarbij worden ook de oorzaken van de veranderingen en de inspanningen en resultaten van het beleid aangehaald. Het rapport is beschikbaar op www.nara.be.


zeldzame vissoorten

Rivierdonderpad in de Grote Nete Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) onderzoekt de visstand in de Vlaamse wateren via het Meetnet Zoetwatervis. Op regelmatige tijdstippen en op vaste plaatsen worden vissen van de Vlaamse waters met fuiken of met elektrische afvisapparaten gevangen. Daarbij noteren de onderzoekers de vissoorten, de aantallen per soort, de lengte en gewicht van de vissen, die daarna weer vrij worden gelaten. Op basis van de resultaten krijgt men een beeld van de evolutie van de visstanden in Vlaanderen. Verheugend nieuws is dat bij de vangsten steeds meer zeldzame, bijzondere of interessante vissoorten worden waargenomen. In 2006 werd de Grote Nete van Hechtel-Eksel tot Lier op 8 locaties bemonsterd. Groot was de verbazing bij de onderzoekers toen zij op de vier meest stroomafwaarts gelegen locaties, van Hulshout tot Lier rivierdonderpad aantroffen. De rivierdonderpad, is een zeldzame en beschermde vis. Uit metingen, die teruggaan tot de jaren ’70, blijkt dat deze vis nog nooit eerder in de Grote Nete, noch in zijn zijbeken is gevangen. Maar liefst 64 exemplaren werden aangetroffen, waarvan de meeste ter hoogte van Itegem en Heist-Op-Den-Berg. De vangst geeft aan dat de waterkwaliteit van de Grote Nete voldoende verbeterd is zodat deze vissen waarschijnlijk vanuit het bekken van de

Kleine Nete naar de Grote Nete zijn gekomen. Het bovenstrooms deel van de Grote Nete is altijd een zuivere rivier geweest met waardevolle vispopulaties. Maar stroomafwaarts kwam er in de jaren ‘80 bijna geen vis meer voor in de rivier. Begin jaren ’90 werden lozingen verboden en begon de zuivering van het afvalwater waardoor de waterkwaliteit verbeterde en de vis terug in het stroomafwaarts deel van de rivier kwam. Eerst kwamen de meer gebruikelijk vissoorten zoals giebel, kolblei en blankvoorn, die weinig eisen stellen aan hun omgeving. Later verschenen ook de typische soorten van de Kempense laaglandbeken, zoals riviergrondel en bermpje. In 2004 werd de zeldzame kleine modderkruiper al in dit deel van de Grote Nete gesignaleerd. Vanaf 2006 komt daar dan de rivierdonderpad bij, die gevoelig is voor verontreiniging.

De Zenne herleeft Na vele decennia is de Zenne niet langer een dode rivier want er zwemt weer vis. Eind juli 2007 controleerden INBOonderzoekers de visstand op vijf plaatsen in de Zenne.

Dit gebeurde in het kader van het Meetnet Zoetwatervis en een Europees project voor natuurherstel in het Noordzee-estuaria (Harbasins). Voor het eerst werd er vis aangetroffen. Bij een vorige staalname in 2003 werd er geen enkele vis gevangen.

Foto’s: © INBO

Foto: © Vldaphoto

Melding van

De rivier was jarenlang een open riool. In 2006 en 2007 werden waterzuiveringsinstallaties vernieuwd en nieuwe installaties in gebruik genomen. Op het eerste meetpunt, in Lembeek bij Halle, werd driedoornige stekelbaars gevangen. Dichter bij Brussel, in Drogenbos, werden honderden driedoornige stekelbaarzen, tiendoornige stekelbaars, blankvoorn, blauwbandgrondel en riviergrondel aangetroffen. De opname gebeurde aan de Zennebeemden, waar de Zenne vrij natuurlijk meandert en de waterkwaliteit zichtbaar beter is dan op andere locaties. In Anderlecht en in Vilvoorde is nog geen vis gevonden. Verder buiten Brussel, in Leest bij Mechelen, werd er zelfs een paling gevangen. Het aantal vissen is nog beperkt en het zijn vooral vissoorten die goed tegen vervuiling kunnen, zoals stekelbaars en blauwbandgrondel. Toch is het op korte termijn voor de historisch zwaar vervuilde Zenne al een mooie verbetering. Gerlinde Van Thuyne en Jan Breine Instituut voor Natuuren Bosonderzoek

27


Kwabaal en spiering in de grindplassen langs de Maas Tijdens visbestandopnames in mei 2007 in enkele grindplassen langs de Maas vingen INBO-onderzoekers (project ‘ECOPOT-Meren’) met een elektrovisserij-apparaat in de Heerenlaak een kwabaal van 32 cm. Deze kwabaal is hoogstwaarschijnlijk afkomstig van de nabijgelegen Bosbeek. In voorgaande jaren werd de kwabaal in de Bosbeek geherintroduceerd. Deze beek mondt uit in de Maas vlakbij de toegangsgeul naar de grindplas Heerenlaak. Genetisch onderzoek zal de afkomst van de gevangen kwabaal moeten aantonen.

In augustus 2007 werd op de grindplas van Kessenich ook een spiering van ongeveer 8 cm aangetroffen. De spiering is een vis die leeft in zout en brak water en die ooit massaal onze rivieren optrok om er te paaien. Dit exemplaar gaf alvast het goede voorbeeld. Hugo Verreycken Gerald Louette Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Vreemde katvis in de Schelde te Antwerpen

28

Foto: © M.Stevens

In juli 2006 werd in Antwerpen, op Linkeroever ter hoogte van het Sint-Annabos, een Kanaalmeerval gevangen in een fuik. Het merkwaardige beestje luistert ook naar de namen Channel catfish of Ictalurus punctatus en komt algemeen voor in Noord-Amerika. Dit is echter de eerste melding van deze vissoort in Vlaanderen!

In februari 2002 werden in de Bovenschelde onder de opeenvolgende sluis-stuwcomplexen in Merelbeke, Asper en Oudenaarde in totaal 79 rivierprikken gevangen. Vanaf 2004 wordt er jaarlijks, tijdens de paaimigratieperiode van rivierprik in de Bovenschelde, een “24-uren-prikactie” uitgevoerd. In 2004 werd een recordvangst van maar liefst 504 rivierprikken gedaan: 82 in Merelbeke, 384 in Asper en 38 in Oudenaarde. In 2005 werden in totaal 47 rivierprikken gevangen. In 2005 werd de prikactie uitgebreid tot in Kerkhove, waar onder de stuw één exemplaar werd aangetroffen. Kerkhove is nochtans voor vissen uit de Zeeschelde heel moeilijk bereikbaar. De sluis-stuwcomplexen van Merelbeke, Asper en Oudenaarde zijn namelijk moeilijk passeerbare hindernissen. In 2006 waren de aantallen laag: 9 in Merelbeke, 3 in Asper, 1 in Oudenaarde en 0 in Kerkhove. Ook in 2007 waren de aantallen, met amper 2 prikken in Merelbeke en 1 in Asper, erg beperkt. In de Zwalm, die uitmondt in de Bovenschelde stroomopwaarts van Asper, werden ter hoogte van de Ter Biestmolen, Ijzerkotmolen en Bostmolen, door de Vlaamse Milieu Maatschappij (VMM, afdeling Water) visdoorgangen aangelegd. Vanaf april tot en met juni 2007 werd onderzocht welke vissoorten stroomopwaarts doorheen de visnevengeul zwommen ter hoogte van de Ter Biestmolen in Nederzwalm. In april trokken 3 rivierprikken door de visnevengeul. Tijdens dit onderzoek werd ook één rivierprik gevangen onder de stuw van de molen. David Buysse & Johan Coeck Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Foto’s: © B.Vandekerckhove

Foto: © A. Dillen

Rivierprik in de Bovenschelde en de Zwalm


Steeds meer vissoorten in de Zeeschelde en zijrivieren Zeeschelde

Foto: © T. Vandenneucker & INBO

Deze soort was vroeger zeldzaam in de Schelde, daar deze vissen meer in open zee voorkomen dan in de riviermondingen (estuaria). De waterkwaliteit van de Zeeschelde in Antwerpen is lichtjes verbeterd door een toename van de zuurstofconcentratie. Dit was voldoende om tijdens de paaitrek finten, spiering en dunlipharders door te laten.

Fint of meivis trekt in de maand mei de Scheldemonding binnen op zoek naar paaiplaatsen. In de Westerschelde werd deze soort regelmatig gesignaleerd. Recent treffen we ze echter opnieuw aan in de fuikennetten geplaatst in de Beneden-Zeeschelde en ook aan de kerncentrale van Doel. Aan de Liefkenshoektunnel zijn dat jaarlijks een 20-tal exemplaren. Ter hoogte van Antwerpen wordt fint maar sporadisch aangetroffen. Stroomopwaarts Antwerpen werd er nog nooit een fint gevangen. Dunlipharders werden op verschillende plaatsten gevangen zoals in de Schorkreken nabij Kastel en Grembergen. Deze vissoort paait in zee nabij de kust en dikwijls trekken ze dan de riviermondingen binnen. Volwassen individuen trekken soms ver stroomopwaarts. De spiering is een anadrome soort, die vanuit de Noordzee en de Westerschelde in scholen de rivieren optrekt tot in het zoete water om er te paaien. Het is voor deze vissoort belangrijk dat sluizen, stuwen en vooral ook de zuurstofconcentratie geen migratiebelemmering vormen. Spiering kan je herkennen aan zijn zilverkleurige lengtestreep en kleine vetvin, maar vooral aan zijn zeer typische komkommerachtige geur.

Rupel en Durme Recent werden er in de Rupel maar liefst 14 vissoorten gevangen: blankvoorn, bittervoorn, driedoornige stekelbaars, baars, Europese meerval, karper, giebel, paling, pos, rietvoorn, winde, zonnebaars, brakwatergrondel en blauwbandgrondel. Dat resultaat is opmerkelijk beter dan bij vorige campagnes. De aanwezigheid van bittervoorn, een beschermde en verstoringgevoelige soort, is zeker een goed teken. De Europese meerval wordt ook in de Schelde gevangen en is waarschijnlijk afkomstig van de Nete. Het feit dat er regelmatig jonge exemplaren bij zijn, doet vermoeden dat de Europese meerval zich weer voortplant in onze rivieren.

Fotos’s: © L.Samsoen & R. Yseboodt

In 2007 vingen INBO-onderzoekers regelmatig zeldzame soorten in het koelwater van de kerncentrale te Doel. Deze afvissingen gebeuren in samenwerking met het laboratorium Aquatische Ecologie van de Katholieke Universiteit Leuven. De vangst van een exemplaar van een zeer zeldzame marine soort zoals het zeepaardje is altijd een belevenis. Opmerkelijk is dat regelmatig ook adderzeenaalden wordt gevangen.

Ook in de Durme werden er 14 vissoorten aangetroffen: alver, kopvoorn, baars, bittervoorn, blankvoorn, blauwbandgrondel, brasem, karper, kolblei, paling, pos, brakwatergrondel, driedoornige stekelbaars en winde. Jan Breine Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

29


Foto’s: © R.Yseboodt

Code voor Wedstrijdvissers Vissen gedijen alleen goed in

beleving is het de

een natuurlijke en

bedoeling om de natuur,

gezonde leefomgeving.

flora en fauna zo weinig

Het visserijbeleid maakt deel

mogelijk te verstoren. Van

uit van het milieu-

de hengelaar, die ook gebruik

en natuurbeleid en zet de

maakt van de open ruimte,

ecologische inpasbaarheid

wordt daarom verwacht dat

van de visserij centraal.

hij zorg draagt voor de

Bij elke vorm van natuur-

natuur, het water en de vis.

30

De hengelaars op openbaar water maakten in het verleden samen met de overheid al afspraken om de vissen en hun omgeving te beschermen en te ijveren voor een goede kwaliteit van natuur, water en visstand. In 2003 kwam op deze manier de eerste algemene “Code van Goede Hengelpraktijk” tot stand waarin zowel thema’s als respect voor de natuurlijke omgeving, de wetgeving, als een verstandige behandeling van de vangst aan bod komen. Aansluitend op deze algemene code werkten in 2006 de Belgische Vereniging voor Karpervissers (VBK) en de Vlaamse Roofvisfederatie (VRF) met medewerking


van de overheid een eigen specifieke disciplinecode uit. Dit resulteerde in de “Codes voor Karpervissers en Roofvishengelaars”. Recent zijn het wedstrijdhengelaars die via het Confederaal Comité voor Competitie Visserij (CCCV), in overleg met de overheid, een “Code voor Wedstrijdvissers” opmaakten. De wedstrijdvissers waren in het verleden bij de eersten om te reageren op zwerfvuil langs de waterkant en om te betogen tegen vissterfte. Daarnaast kennen veel vissers de natuur onder water goed en zijn vogels en dieren aan de waterkant hun dagelijkse bekenden. Deze nieuwe code kan bijgevolg gezien worden als een bevestiging van een ethiek die al langer in de wedstrijdvisserij van toepassing is en waarbij er naar een goede kwaliteit van water en visstand gestreefd wordt. Deze Code schetst een algemeen beeld van het hedendaagse competitie-

hengelend Vlaanderen en belicht het wedstrijdhengelen met haar verschillende disciplines en structuren. Verder komen de gedragsregels aan bod, die aangeven op welke respectvolle manier competitiehengelaars met hun vangst, de natuur en de andere waterrecreanten wensen om te gaan. Net zoals bij de voorgaande disciplinecodes werd de tekst van de Code voor Wedstrijdvissers door specialisten uit de hengelwereld zelf opgemaakt en met de steun van het Visserijfonds in brochurevorm gegoten. Daarbij werd ook nagegaan of deze specifieke code in de zelfde lijn ligt als de algemene “Code van Goede Hengelpraktijk”. Vooral de diverse aspecten van het hengelen in wedstrijdverband werden uitvoerig met de overheid besproken, om zo tot een gezamenlijk gedragen tekst te komen. Hierdoor krijgt hengelen meer bekendheid als een milieubewuste vorm van zachte natuurrecreatie. Dit is noodzakelijk om het hengelplezier voor de volgende generaties veilig te stellen.

Het Confederaal Comité Competitie Visserij (CCCV), de Vereniging van Belgische Karpervissers (VBK) en de Vlaamse Roofvis Federatie (VRF) zijn het eerste aanspreekpunt voor hun specifieke Code. Zij staan in voor de sensibilisatie bij hun achterban en bij iedereen die zich tot deze hengeldisciplines aangetrokken voelt. Bijkomende informatie of een gratis exemplaar van één van deze specifieke Codes is te verkrijgen bij bovenstaande organisaties.

31


Nuttige adressen Foto: © A. Vanmol

Infoloket Openbare Visserij-Provinciale Visserijcommissies U heeft een vraag over de openbare visserij? Wenst u meer informatie over visserijregelgeving, viswateren, visrechten, vissoorten en visstandbeheer? Neem dan contact op met de visserijcommissie in uw provincie. West-Vlaanderen - Burg 2b, 8000 Brugge Tel: 050-40 57 04 - patrick.van_hooimissen@west-vlaanderen.be Oost-Vlaanderen - Gouvernementstraat 1, 9000 Gent Tel. 09-267 84 48 - pvc@oost-vlaanderen.be Antwerpen - Jan Van Rijswijcklaan 28, 2018 Antwerpen Tel: 03-240 64 39 - info@visserijcommissie.provant.be Vlaams-Brabant - Waaistraat 1, 3000 Leuven Tel: 016-21 12 21 - visserij.vbr.anb@@vlaanderen.be Limburg - Universiteitslaan 1, 3500 Hasselt Tel: 011-23 83 55 - raymond.dupont@bz.vlaanderen.be

Beheer van de visstand en de visserij Agentschap voor Natuur en Bos Het agentschap voor Natuur en Bos staat in voor het beheer van de visstand, het behoud van de visserij en de naleving van de visserijwetgeving. Vissterfte op openbaar water kan bij het Agentschap gemeld worden, evenals visstroperij of andere ernstige inbreuken op de visserijwetgeving. West-Vlaanderen - Zandstraat 255 bus 3 8200 St.-Andries-Brugge Tel: 050-45 41 56, Fax: 050-31 94 58 E-mail: visserij.wvl.anb@vlaanderen.be Oost-Vlaanderen - Gebr. Van Eyckstraat 4-6 - 9000 Gent Tel: 09-265 45 82, Fax: 09-265 45 81 E-mail: visserij.ovl.anb@vlaanderen.be Antwerpen - Gebouw Anna Bijns Lange Kievitstraat 111-113 bus 13 - 2018 Antwerpen Tel: 03-224 62 62, Fax: 03-224 60 90 E-mail: visserij.ant.anb@vlaanderen.be Vlaams-Brabant - Waaistraat 1 - 3000 Leuven Tel: 016-21 12 20, Fax: 016-21 12 30 E-mail: visserij.vbr.anb@vlaanderen.be

Colofon Verantwoordelijke uitgever: Koen de Smet, voorzitter Visserijfonds

Redactie en samenstelling: Karina Abeels Inverde vzw Rudi Yseboodt Agentschap voor Natuur en Bos

Redactieadres: Vlaamse overheid Agentschap voor Natuur en Bos Graaf de Ferrarisgebouw Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel

Voor meer informatie in verband met “VISlijn” 02/553 82 22

Lay-out en realisatie:

Limburg - Koningin Astridlaan 50 bus 5 - 3500 Hasselt Tel: 011-74 25 00, Fax: 011-74 25 39 E-mail: visserij.lim.anb@vlaanderen.be

Drukkerij Boone-Roosens nv - Lot in samenwerking met Inverdeopleidingen bos- , groen- en natuurbeheer vzw

Agentschap voor Natuur en Bos Centrale Diensten-Visserijfonds Graaf de Ferrarisgebouw - Koning Albert-II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel: 02-553 82 22, Fax: 02-553 81 05 E-mail: visserij.anb@vlaanderen.be - Webstek: www.natuurenbos.be

DEPOT nr. D/2007/3241/221


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vislijn_2008.pdf by Vlaanderen-be - Issuu