Skip to main content

Vlaanderen_gepeild_2001_5_impressie_over_sociale_relaties.pdf

Page 1

Sociale relaties

133

Impressies over sociale relaties, waarden en tradities Vijf jaar vragen naar de verhouding tussen individu en gemeenschap

Hans Waege en Filip Agneessens Universiteit Gent 1. Inleiding Wanneer we zouden nagaan op welke manier andere mensen in ons leven een rol spelen, dan is de uitkomst van dat denkwerk voorzeker verwonderlijk. Van de overtuiging dat wijzelf als individu het belangrijkst zijn, zou er niet veel over blijven. We zijn door en door verweven met de anderen: zowel met de mensen in onze onmiddellijke omgeving als met “dé mensen” in het algemeen. Individualisme en de gespannen verhouding tussen de gerichtheid op “zichzelf” en gericht zijn op de “anderen” wordt geregeld als dé kwaal van de huidige maatschappij aangeduid. Individualisme is echter een ruim begrip dat niet zo eenvoudig te typeren valt. In de publicatie “Vlaanderen gepeild” (Waege, Billiet, 1998) zijn we uitvoerig ingegaan op de complexe definitie en het gelaagde karakter van het begrip “individualisme”. In deze bijdrage bekijken we het begrip “individualisme” vooral aan de hand van een reeks waarnemingen die tijdens de voorbije vijf jaar in de APS-surveys uitgevoerd werden. De APS-survey is een algemeen sociaal-cultureel omgevingsurvey en peilt op geregelde tijdstippen onder meer naar het belang van de andere mensen in ons dagdagelijks leven. In deze bijdrage zullen we aandacht besteden aan vier cruciale dimensies van sociale integratie. Een eerste, zeer tastbare zijde van sociale integratie gaat over het belang van onze sociale relaties met andere mensen uit onze omgeving. Het gaat dan in de eerste plaats over de mensen met wie we dagdagelijks omgaan zoals het gezin en de familie maar ook goede vrienden of buren. Daarnaast hebben velen een netwerk van kennissen, kameraden of collega’s met wie we een bijzondere band hebben. Soms ontmoeten we deze mensen op een georganiseerde manier in het verenigingsleven of hebben we rechtsreeks contact met andere mensen in het kader van vrijwilligerswerk. Maar het belang van andere mensen – dikwijls de gemeenschap genoemd – speelt ook op een andere manier een cruciale rol. We worden geboren in een specifieke cultuur met gewoonten, gebruiken, waarden en regels die ons leven structureren, in een zekere richting sturen en die dikwijls ook zin geven aan ons leven. Deze cultuur is alvast gedeeltelijk gebaseerd op historisch opgebouwde kennis over wat goed en wat slecht is; dat noemen we de


134

Hans Waege & Filip Agneesens

moraal. Maar er is meer, cultuur heeft ook te maken met vrijheid, creativiteit, vernieuwing en grensverlegging. Deze twee aspecten van cultuur leven soms op gespannen voet. Cultuur heeft dus ook te maken met spanning en conflict; met de intense verhouding tussen individuele vrijheid – die ook een gemeenschappelijke norm is – enerzijds en het zich houden aan door de gemeenschap overgeleverde en opgelegde waarden en normen anderzijds. Onze West-Europese samenleving wordt tevens gekenmerkt door een vrij hoge mate van georganiseerde solidariteit met de anderen. De overheid herverdeelt een ruim deel van de middelen via een relatief uitgebreid systeem van sociale bescherming. Er wordt wel eens gewag gemaakt van de afnemende solidariteit tussen de mensen en van een toenemend utilitair individualisme. Dit zou meteen een bedreiging beteken van de traditionele herverdelingsmechanismen. Ook deze onrechtstreeks vorm van solidariteit kreeg ruime aandacht in de APS-surveys van de voorbije vijf jaar. Een vierde peiler van sociale integratie is systeemintegratie. Dit is een zeer omvangrijk begrip dat ruimschoots buiten het bereik van deze bijdrage valt. Toch gaan we er niet zomaar aan voorbij. Omwille van de verregaande functionele differentiatie en specialisatie en omwille van de snelheid waarmee de omgeving waarin we leven verandert, is er voor een deel van de bevolking sprake van een te snel wijzigende en te complexe leefomgeving. Deze subjectieve ervaring van complexiteit vormt een vierde aandachtspunt van deze bijdrage. In de vijf opeenvolgende APS-surveys is elk van deze aspecten van sociale integratie minstens zijdelings aan bod gekomen. In deze bijdrage proberen we een stand van zaken op te maken van diverse aspecten van sociale integratie in Vlaanderen, hoofdzakelijk aan de hand van de surveys. De Vlaamse bevolking wordt aan de hand van talrijke variabelen beschreven en voor elk van de dimensies van sociale integratie wordt minstens één deelaspect van naderbij bekeken naar sociale achtergrondkenmerken. Op die manier gaan we na of integratie gelijk gespreid is onder de Vlaamse bevolking.

2. Sociale relaties in Vlaanderen Wanneer we spreken over sociale integratie dan heeft dat in de eerste plaats te maken met contact met medemensen. We leren van mensen hoe we moeten spreken, hoe we moeten staan of zitten. Ze vertellen ons wat kan en wat er niet kan en dikwijls zonder het zelf te weten betrappen we ons op het feit dat we anderen ook vertellen wat ze wel en wat ze niet mogen doen. Zo wordt er ons ook aangeleerd dat we zorg moeten dragen voor elkaar, dat er in een beschaafde samenleving zoiets bestaat als zorg voor zij die het minder goed hebben, zelfs voor zij die ver wonen en het minder goed hebben. Dat is de kern van sociale integratie en ze gebeurt vrijwel permanent en overal zij het dan wel niet in dezelfde mate. Deze sociale relaties zijn niet alleen belangrijk als medium waarlangs het collectief geheugen van een samenleving aan ons verteld en soms ook opgelegd wordt. Deze sociale relaties zijn eveneens belangrijk om ons over onze individuele, specifieke problemen heen te helpen. Solidariteit begint in het gezin, maar vrienden of familie spelen hier eveneens een belangrijke rol. Omdat sociale relaties belangrijk zijn, worden in het APS-survey geregeld vragen gesteld over de mate waarin mensen geïntegreerd zijn in netwerken van personen of organisaties.


Sociale relaties

135

2.1 Informele sociale relaties Bij de studie van sociale relaties onderscheiden sociologen zwakke verbanden (weak ties) en sterke verbanden (strong ties). Een tweede belangrijk onderscheid is dat tussen het aantal sterke verbanden die men heeft buiten het kerngezin en de roldiversiteit van het sterke netwerk. Met roldiversiteit van het netwerk bedoelen we het feit dat mensen zich al dan niet tot diverse levenssferen kunnen wenden wanneer ze sociale relaties nodig hebben als ondersteunende relaties. In wat volgt gaan we eerst in op de bevraging van sociale relaties in de APS-surveys. Omdat deze surveys tot nog toe geen informatie geven over het aantal goede vrienden die mensen hebben en omdat ze eveneens niet ingaan op sociale steun kijken we ook naar de bevindingen hieromtrent uit een ander onderzoek dat in dezelfde periode in Vlaanderen georganiseerd werd (Survey sociale integratie; Waege, 1997). Op basis van de APS-survey stellen we vast de meer dan één Vlaming op tien nooit of bijna nooit met zijn buren praat. Hetzelfde geldt voor het ontmoeten van vrienden, kennissen en familieleden die niet bij de respondent inwonen. Eén op drie Vlamingen ontmoet maximaal één tot twee keer per maand vrienden of kennissen. Hetzelfde geldt voor het ontmoeten van familie en één op vier Vlamingen praat maximaal één tot twee keer per maand met zijn buren. Anderzijds is het ook zo dat ruim 70% van de Vlamingen minstens één keer per week met één of meerdere van zijn buren praat, dat ongeveer 65% van de Vlamingen minstens één keer per week een vriend of kennis ontmoet en dat meer dan 65% van de Vlamingen minstens één keer per week een familielid ontmoet dat niet bij hen inwoont. Tabel 1: Informele sociale contacten (Surveys 2000 en 1998) Praten met buren

Nooit Minder dan 1 keer per maand Één of twee keer per maand Één of twee keer per week Dagelijks of bijna dagelijks

Vrienden of kennissen ontmoeten

Familieleden die niet bij u inwonen

2000

1998

2000

1998

2000

3,6 7,5 15,2 37,4 36,4

4,8 7,9 15,7 38,1 33,4

1,4 8,8 24,8 41,7 23,3

2 8,7 22,8 41,4 25,1

0.8 10 21,3 46,6 21,3

In de survey omtrent sociale integratie (Waege, 1997) werd aan de respondenten gevraagd hoeveel echt goede vrienden of vriendinnen ze hebben. Opvallend is dat ongeveer 7% van de Vlaamse bevolking tussens 23 en 75 jaar oud zegt dat ze geen enkele goede vriend of vriendin hebben. Bijna tien percent heeft slechts één goede vriend of vriendin.


136

Hans Waege & Filip Agneesens

Figuur 1: Aantal echt goede vrienden. Grootteschatting. Survey sociale integratie (Waege, 1997)

We stellen op basis van de APS-surveys vast dat veruit de meeste Vlamingen tevreden zijn met hun sociale relaties. Toch is 5 tot 8 % van de Vlamingen (helemaal) niet tevreden met hun sociale relaties. Deze subjectieve ervaring van gebrek aan sociale relaties wordt ondersteund door de observatie dat een substantiĂŤle groep van de bevolking eigenlijk relatief weinig contact heeft met vrienden en kennissen en zelfs met familieleden. Deze cijfers zijn absoluut gezien wel laag, maar anderzijds kunnen we ons ook afvragen of 5 Ă 8 % sociale armoede, een cijfer dat vergelijkbaar is met de economische armoede, wel aanvaardbaar is in een welvarende samenleving als de onze. Temeer omdat we kunnen vermoeden dat het cijfer dat we via een survey verkregen een onderschatting van de werkelijke sociale armoede is. Non-respons in surveys is niet toevallig over de bevolking verdeeld en de kans dat eenzame of teruggetrokken mensen ene vreemde interviewer binnenlaten is waarschijnlijk kleiner dan deze kans bij mensen met meer open en diverse sociale contacten. Tabel 2: Tevredenheid met de sociale contacten. Percentage data (helemaal) tevreden is (Survey 1999 en 2000)

Tevredenheid met de sociale contacten met de huisgenoten Tevredenheid met de sociale contacten met de familieleden, vrienden en kennissen

1999

2000

96

96,2

92,2

94,7

De survey over de sociale integratie van de Vlamingen (Waege, 1997) bevat meer informatie over de integratie in ondersteunende sociale netwerken. Sociale steun verwijst naar bepaalde kwalitatieve aspecten van sociale relaties (House et al., 1988; Antonucci et al., 1997). Doorgaans wordt een onderscheid gemaakt tussen emotionele steun (troost, affectie, etc.), instrumentele steun (hulp bij het uitvoeren van zware taken, geld, etc.), informatie


Sociale relaties

137

(kennisoverdracht) en gezelschap (cf. House, 1981, van der Poel, 1993: 55). Om het geheel van sociale steun te omvatten werd in de survey over de sociale integratie van de Vlamingen geopteerd voor 5 specifieke vormen van sociale steun: a) steun om eens te praten over persoonlijke zaken, b) hulp wanneer ziek, c) personen die bereid zijn om de respondent mee te nemen voor een dagje uit, d) personen waar de respondent terecht kan voor troost, e) steun bij financiële problemen. Voor elk van de items dient de respondent aan te geven door welk soort sociale relaties (partner, gezin, familie, vrienden, collega’s, ...) hij/zij die sociale steun kan krijgen. Van alle geteste modellen blijken er slechts een beperkt aantal vanuit statistisch oogpunt aanvaardbaar (Agneessens & Waege, 2000; Agneessens, Waege & Lievens, 2000). Uit ons onderzoek komt naar voor dat (enkel) op basis van het item ‘om persoonlijke zaken te bespreken’ de bevolking probleemloos op een statistisch aanvaardbare manier kon worden opgedeeld. Omwille van deze conclusie beperken we ons tot dit item. Twee bijkomende redenen onderbouwen deze keuze. Ten eerste is ‘het bespreken van persoonlijke zaken’ een item dat internationaal veelvuldig wordt gebruikt (cf. Burt, 1984). En ten tweede vormt dit item een goede indicator van sociale steun in het algemeen, doordat het zowel betrekking heeft op de dimensie gezelschap, emotionele steun als op instrumentele steun. Om onze typologie1 op te bouwen werd een onderscheid gemaakt tussen de vijf volgende relatietypes: a) gezinsleden en andere familieleden, b) vrienden, c) collega’s, d) kennissen / kameraden, en e) professionele hulp. Op basis van deze gegevens komen we tot een classificatie met 4 categorieën. De latente klassen kunnen als volgt omschreven worden (Vgl. Agneessens, Waege & Lievens, 2000: 16)2: - KLASSE S1: personen zonder steunrelaties of enkel gezin en familie (n=225; 34,7%) - KLASSE S2: personen die steunen op gezin, familie en collega’s (n=34; 5,2%) - KLASSE S3: personen met zowel vrienden, gezin, familie als collega’s (n=106; 16,33%) - KLASSE S4: personen met gezin, familie, vrienden (n=284; 43,76%) Gezins- en familieleden zijn cruciaal voor sociale steun. Ze komen in de vier klassen uitdrukkelijk voor. De eerste categorie bevat echter ook een groep die geen gezinsrelaties of geen relaties met de familie heeft. Dit is meteen een volgende opvallende vaststelling. Ruim 1 op 3 Vlamingen heeft ofwel geen ofwel uitsluitend gezinsrelaties en familiale steunrelaties. Nochtans wordt diversiteit van steunrelaties beschouwd als een belangrijk aspect van de kwaliteit van het sociale netwerk. Eén op zes Vlamingen heeft een zeer divers netwerk dat zowel bestaat uit gezins- en familiebanden, vrienden en collega’s. De grootste groep (43,8%) heeft geen collega’s in het ondersteunende netwerk maar wel vrienden samen met gezin en familiale relaties. Een deel van deze groep heeft ook professionele relaties in het ondersteunende sociale netwerk.

1. We maken gebruik van Latente Klasse Analyse (Vgl. Vermunt, 1999) 2. Modelparameters χ2: 3.909; L2: 5.148; Df+Bd: 8+3 ;sign (Df+Bd): 0.953


138

Hans Waege & Filip Agneesens

In wat volgt onderzoeken we de samenhang tussen de typologie en sociale achtergrondkenmerken. Een eerste belangrijke variabele is geslacht. Onderzoek in de VS heeft aangetoond dat vrouwen en mannen ongeveer evenveel anderen vernoemen ‘met wie ze belangrijke persoonlijke zaken bespreken’. (Marsden, 1987: 129; Moore, 1990: 729). Mannen zouden volgens deze studies minder familie vernoemen, maar meer collega’s, vrienden en anderen, terwijl vrouwen meer diverse leden van de familie aangeven (Marsden, 1987, 129; Moore, 1990: 729-730; Tijhuis et al., 1992: 15). Uit onderzoek voor Antwerpen blijkt dat vrouwen vaker dan mannen op andere contacten kunnen steunen (zowel van kinderen, andere familieleden en vrienden) om persoonlijke problemen te bespreken (Busschots & Lauwers, 1994: 48-51). Mannen beperken zich hoofdzakelijk tot hun partner en professionele hulp voor deze emotionele steun (Busschots & Lauwers, 1994: 48-51). Ook volgens Wellman en Wortley (1990: 577) beschikken vrouwen over een groter netwerk voor emotionele steun. Het verschil wordt hoofdzakelijk gemaakt door meer (vrouwelijke) vrienden en buren. Na controle voor leeftijd, onderwijs, beroepssituatie en burgerlijke stand kennen vrouwen wel meer personen om op te steunen, terwijl het belang van de familie groot blijft voor vrouwen (Moore, 1990: 731). De andere verschillen verdwijnen na controle. Leeftijd is een tweede belangrijke achtergrondvariabele. Marsden (1987: 128) heeft aangetoond dat jongeren en personen van middelbare leeftijd van een groter aantal personen sociale steun kunnen verwachten. Voor de VS neemt het gemiddeld aantal personen om een persoonlijk gesprek mee te voeren af van 4 personen bij jongeren naar 2 bij personen rond 70 jaar (Burt, 1991:11; 19). Het soort relaties in het netwerk is het meest verspreid bij jongeren. Het aantal vernoemde familieleden daalt in rechte lijn van jong naar oud (Marsden, 1987: 128). Het belang van vrienden is het grootst bij jongeren (Burt, 1991) of jonge volwassenen (in de dertig; Moore, 1990: 731) en neemt vervolgens gestadig af. In de periode vanaf 30 jaar tot 60 jaar worden vrienden in de eerste plaats vervangen door collega’s (Burt, 1991: 11; 19). Onderwijs is bij diverse aspecten van sociale integratie steeds weer een belangrijke, zoniet de belangrijkste achtergrondvariabele (Vgl. Elchardus, Dobbelaere, Kerkhofs, Voyé, 2000: 263 e.v.). Uit onderzoek (Marsden, 1987: 129) blijkt dat hogere opgeleiden een veel uitgebreider netwerk hebben om op te steunen. Voor Nederland vond Tijhuis (et al. 1992: 16) dat het aantal personen om mee te praten hoger is bij hoger opgeleiden. Het relatief belang van familie is dan ook kleiner naarmate het onderwijsniveau van de respondent hoger is (Huang & Tausig, 1990: 207; Tijhuis et al., 1992: 16). Een tweede vaststelling uit de literatuur is dat hoger opgeleide personen meer vrienden en collega’s vernoemen dan laag opgeleide personen (Moore, 1990: 731-733; Marsden 1987: 129). Voor de analyse werd leeftijd opgedeeld in twee categorieën: jonger dan 45 jaar en 45 jaar of ouder. De variabele onderwijsniveau werd opgesplitst in 3 klassen: 1) geen getuigschrift of een getuigschrift van lager secundair onderwijs, 2) een diploma hoger secundair onderwijs en 3) een diploma van hoger of universitair onderwijs. Deze variabelen zijn de onafhankelijke variabelen van het log lineair model met als verklarende variabele het behoren tot een specifieke latente klasse. 3. Professionele hulp is slechts voor een kleine groep die zich ook in deze klasse bevindt.


Sociale relaties

139

In Figuur 2 staat de oververtegenwoordiging, respectievelijk ondervertegenwoordiging van een bepaalde latente klasse binnen een specifieke categorie van geslacht, leeftijd of onderwijsniveau, telkens onder controle voor de onafhankelijke variabelen in het model. In tegenstelling tot wat uit de literatuur blijkt, heeft geslacht geen noemenswaardige invloed op het soort relaties dat sociale steun levert. Deze variabele werd daarom weggelaten uit figuur 2. Onderwijsniveau en leeftijd bleken wel relevante factoren. Figuur 2: Relatieve onder- of overtegenwoordiging van een latente klasse binnen een specifieke categorie van geslacht, leeftijd of onderwijsniveau

lager secundair onderwijs

hoger secundair onderwijs

hoger onderwijs

jong

oud

Hoger opgeleiden zijn disproportioneel aanwezig bij de groep ‘familie, vrienden en collega’s’ (S3) en bij de groep ‘familie en collega’s’ (S2). Dit bevestigt de vaststelling van Moore (1990: 731-733) en Marsden (1987: 129) over het belang van collega’s. De verwachting wordt bevestigd dat vooral lager opgeleiden over een weinig divers netwerk beschikken. De laag geschoolden zijn oververtegenwoordigd in de eerste klasse (S1). Dit onderwijsniveau is eveneens oververtegenwoordigd onder de groep die naast familie en vrienden professionele hulp inroepen (S4). Dit steunt de these dat ze relatief minder over een eigen opgebouwd steunnetwerk beschikken waardoor de professionele hulp een relatief meer prominente positie bekleedt ten nadele van collega’s. Vrienden maken ook deel uit van latente klasse 4 waar lager opgeleiden oververtegenwoordigd zijn. Deze bevinding waarschuwt om al te absoluut met interpretaties van verbanden tussen variabelen om te springen. Het is niet omdat lager opgeleiden relatief minder gediversifieerde sociale netwerken hebben, dat er geen groepen zijn van lager opgeleiden die wel over een gediversifieerd netwerk beschikken.


Hans Waege & Filip Agneesens

140

Voor de variabele leeftijd vormen de klasse S1 en S3 de twee tegenpolen. Bij de ouderen heeft een proportioneel hoger aantal een zeer beperkt ondersteunend netwerk (S1). Jongeren zijn daarentegen oververtegenwoordigd bij de groep die zowel ‘familie, vrienden en collega’s (S3) hebben. Het effect van leeftijd op S1 en S3 is bijgevolg in overeenstemming met de verwachtingen die we op basis van de recente literatuur (Marsden, 1987: 128; Burt, 1991: 11; 19) hebben geformuleerd, namelijk dat oudere personen minder en minder diverse sociale relaties hebben dan jongere personen.

2.2 Deelname aan het verenigingsleven Een tweede belangrijke aspect van sociale integratie door middel van feitelijke sociale contacten is de integratie in het verenigingsleven. Het verenigingsleven vormt dikwijls een tussenschakel tussen het individu en de grotere instituties in de samenleving. Men leert er ook nieuwe ervaringen opdoen, mensen ontmoeten, zich engageren voor een ander. Verenigingen zijn zeker niet alleen de drager van alles wat onverdeeld positief is in een samenleving. Maar algemeen beschouwd, wordt integratie in het maatschappelijk middenveld beschouwd als een positief aspect van sociale integratie, zowel naar het aanleren van persoonlijke vaardigheden als naar het aanleren van sociale vaardigheden (zie onder meer Waege, Billiet, 1998; Elchardus en Smits in deze bundel). Tabel 3: Aantal verenigingen waarvan men actief lid is (Survey 1999) Aantal verenigingen

0

1

2

3

4 of meer

Percentage respondenten

51,3%

29,8%

11,7%

4,8%

2,6%

Globaal stellen we vast dat één op twee Vlamingen actief betrokken is bij een vereniging (Tabel 3). In Tabel 4 is het percentage actief lidmaatschap per type vereniging weergegeven. We gebruiken in dit geval de cijfers van het survey uit 1999 omdat toen de meest omvangrijke bevraging van lidmaatschap van verenigingen uitgevoerd werd. Sportverenigingen en clubs zijn veruit de belangrijkste verenigingen. Bijna één op vier Vlamingen is actief lid van een sportvereniging of club. Daarna volgen een hele reeks verenigingen die min of meer aan elkaar gewaagd zijn. Ongeveer 5% van de Vlamingen is actief lid van een sociaal-culturele vereniging, 4 % van een culturele vereniging waar hoofdzakelijk actief aan kunstparticipatie gedaan wordt. Wat opvallend is, en dikwijls bij bevragingen van verenigingsleven vergeten wordt, is dat plaatselijke café’s ook een belangrijke rol spelen in het verenigingsleven. 4,5% van de Vlamingen is lid van een vereniging die verbonden is aan een plaatselijk café. Alles samengenomen zijn sport, cultuur en cafébezoek belangrijke bronnen van georganiseerd sociaal contact


Sociale relaties

141

Tabel 4: Percentage actief lidmaatschap of bestuurslid per organisatietype (Survey 1999) Sportverenigingen en/of clubs Een sociaal-culturele vereniging4 Een groepering die verbonden is aan een plaatselijk café Een vakbond, een middenstandsorganisatie, een beroepsvereniging of een organisatie voor werkgevers of zelfstandigen Een culturele vereniging zoals toneel, muziek, literatuur, dans, kunst Een vereniging of bond voor gepensioneerden of senioren Een gemeentelijke adviesraad of schoolraad Een jeugdbeweging, jeugdvereniging of jeugdclub Een wijk- of buurtcomité Een religieuze of kerkelijke vereniging Een vereniging die zieken, gehandicapten, bejaarden, kansarmen helpt Milieu of natuurvereniging Rode Kruis, Vlaamse Kruis, vrijwillige brandweer, … Een gezinsvereniging Een politieke vereniging of partij Minstens 1 andere vereniging

23,6 5,2 4,6 4,5 4,1 3,6 3,3 3,3 3 2,9 2,3 2,1 2,1 2 1,6 17,4

In het kader van deze bijdrage gaan we na in welke mate aspecten van sociale integratie kunnen geduid worden vanuit achtergrondkenmerken. We willen weten in welke mate al dan niet in de samenleving geïntegreerd zijn, samenhangt met socio-demografische kenmerken. Daarom bekijken we de band van aspecten van sociale integratie met leeftijd, geslacht en opleidingsniveau. Opleidingsniveau wordt gemeten aan de hand van het hoogste diploma dat men op het moment van het onderzoek reeds behaald heeft. Voor de analyse werd het kenmerk opgedeeld in drie categorieën. De lager opgeleiden hebben hoogstens een opleiding van lager secundair onderwijs gevolgd, de middencategorie bestaat uit alle diploma’s hoger secundair onderwijs en het hoogste opleidingsniveau wordt gevormd door de respondenten die een hogere opleiding gevolgd hebben. Voor de analyse wordt leeftijd opgedeeld in twee categorieën nl. de groep beneden de 45 jaar en de groep boven 45 jaar. Betrokkenheid op het verenigingsleven is niet gelijk gespreid over de bevolking. Mannen zijn meer lid van een verenigingen dan vrouwen. Dat lidmaatschap in ruime mate bepaald wordt door sportverenigingen is hieraan zeker niet vreemd. Mannen zijn veel meer dan vrouwen actief lid van een sportvereniging. De bevindingen omtrent de diversiteit van sociale steun kunnen doorgetrokken worden naar actieve betrokkenheid op het verenigingsleven. Lager opgeleiden zijn beduidend minder actief betrokken op het georganiseerde verenigingsleven. Er is geen significant verband met leeftijd, ook niet als we de data analyseren via een lineaire regressieanalyse met de leeftijd uitgedrukt in jaren. Op basis van deze resultaten kan alvast niet gesteld worden dat de jongere leeftijdgroepen een lagere participatiegraad zouden hebben. 4. KWB, KAV, KVLV, SVV, LV of iets dergelijks; met inbegrip van Davidsfonds, Vermeylenfonds, Willlemsfonds


Hans Waege & Filip Agneesens

142

Tabel 5: Lidmaatschap van verenigingen, logistische regressie S.E.

ß2

P-waarde

Opleidingsniveau Laag Hoog (ref. midden)

0.127 0.129

0.675 1.235

0.002 0.103

Leeftijd (Hoog)

0.109

0.895

0.312

Geslacht (Vrouw)

0.104

0.661

0.000

2.3 Vrijwilligerswerk Verenigingsleven is nauw verbonden met vrijwilligerswerk. In de APS-surveys wordt aan de respondenten gevraagd of ze al dan niet regelmatig vrijwilligerswerk doen. Algemeen genomen kunnen we stellen dat regelmatig vrijwilligerswerk vrij ruim verspreid is. In 1996 is bijna 16% van de Vlaamse bevolking regelmatig bezig met vrijwilligerswerk. In 1998 is dat 18,5% en in 2000 19,2%. De cijfers geven de indruk dat er sprake is van een stijging van de vrijwillige inzet van de Vlamingen, vooral tussen 1996 en 1998. Hoewel in 1998 en 2000 de vraagstelling in de vragenlijst eigenlijk strenger wordt door het toevoegen van het woord “onbetaald”, stijgt het gerapporteerde vrijwilligerswerk van bijna 16% in 1996 tot 18,5% in 1998 en 19,2 in 2000. Tegelijkertijd zien we een afname van de gemiddelde duur per week van het vrijwilligers werk. Van het aandeel van de bevolking dat zich regelmatig inzet voor vrijwilligerswerk, besteedt ruim 50% van de bevolking minstens 4 uur per week aan dit engagement. In 1998 en 2000 is de mediaan gedaald tot 3 uur. De aanwas van de groep regelmatige vrijwilligers moet dan ook enigszins genuanceerd worden. De toename van het aantal personen dat zegt regelmatig vrijwilligerswerk te doen, valt vrijwel geheel voor rekening van de groep die daar niet zoveel tijd per week aan besteedt. Tabel 6. Percentage van de respondenten dat zegt regelmatig (onbetaald) vrijwilligerswerk te doen (Surveys 1996, 1998 en 2000) 1996

1998

2000

% dat regelmatig vrijwilligerswerk doet

15,6

18,5

19,2

Mediane categorie aantal uren per week

4 uur

3 uur

3 uur

In de surveys wordt aan de respondenten gevraagd waarom ze vrijwilligerswerk doen. De drie veruit meest belangrijke motivaties worden in Tabel 7 weergegeven. De eerste reden is de inzet en solidariteit voor de medemensen. Maar ook argumenten die eerder verwijzen naar zelfverwezenlijking spelen een belangrijke rol. Het feit dat het aangenaam is om te doen en het feit dat men daardoor mensen ontmoet en vrienden kan maken zijn een belangrijke motivatie om zich vrijwillig te engageren.


Sociale relaties

143

Tabel 7: De 3 veruit meest belangrijke redenen om vrijwilligerswerk te doen (Survey 2000). Aantal respondenten die dit vernoemt: Daardoor kan ik mij inzetten voor de anderen Is aangenaam om te doen Daardoor ontmoet ik mensen en kan ik vrienden maken

152 111 97

Voor de vrijwillige inzet gaan we opnieuw na in welke mate deze samenhangt met de drie klassieke achtergrondkenmerken. Er is enkel een duidelijk effect van opleidingsniveau. Relatief gezien stijgt de deelname aan het vrijwilligerswerk samen met het opleidingsniveau. In vergelijking met de laagst opgeleiden is het relatieve aandeel van de hoger opgeleiden in de groep die vrijwilligerswerk doet dubbel zo groot. Op basis van deze meting zijn de verbanden met geslacht en leeftijd niet significant. Het is dus niet zo dat de jongere generaties minder betrokken zouden zijn op het vrijwilligerswerk. Tabel 8: Het niet doen van vrijwilligerswerk. Logistische regressie. (Survey 2000) S.E.

ß2

P-waarde

Opleidingsniveau Laag Hoog (ref. midden)

0.195 0.177

1.722 0.689

0.005 0.035

Leeftijd (laag)

0.157

1.090

0.584

Geslacht (Vrouw)

0.153

1.305

0.081

3. Normatieve integratie in Vlaanderen Ons individuele handelen is afgestemd op dat van de medemensen. Dit gebeurt door een reeks van overeenkomsten en regels die in onze cultuur ingebed zitten. Cultuur kan daarbij niet opgevat worden als een statisch gegeven van beperkende tradities. Onze cultuur bevat ook waarden zoals creativiteit, exploratie en vernieuwing, de traditie houdt de verandering in. Om het met de woorden van Le Corbusier te zeggen: “de traditie bestaat erin zijn eigen tijdperk te creëren”. Integratie in een alledaagse leefcultuur gaat dikwijls over normen, waarden en overtuigingen die het resultaat zijn van een permanent leerproces van de gemeenschap. Deze waarden en normen hebben betrekking op de verschillende rollen en functies die we vervullen in ons leven. In deze bijdrage hebben we het over twee vormen van normatieve integratie. De eerste heeft betrekking op normen in het dagelijkse leven. In het volgende onderdeel gaan we in op normen die betrekking hebben op onze rol als burger en onze relatie met de staat.


Hans Waege & Filip Agneesens

144

3.1 Normatieve integratie: het persoonlijke leven In Tabel 9 staan een reeks normen die betrekking hebben op onze dagelijkse handelingen zoals de manier waarop we ons kleden en de manier waarop we informeel en in het algemene omgaan met onze medemensen. Veel van deze normen hebben betrekking op lijfelijke zelfbeschikking en de wijze waarop we gestalte geven aan onze intieme relaties. Drie op vier Vlamingen vindt de wettelijke erkenning van andere samenlevingsvormen dan het huwelijk (helemaal) aanvaardbaar, ruim de helft van de Vlamingen vindt het aanvaardbaar dat men naar een prostituee gaat indien men geen vaste relatie heeft, tevens vindt ongeveer de helft van de Vlamingen dat het aanvaardbaar is om zeer opvallende en uitdagende kledij te dragen. Op basis van de APS-survey zijn we nog niet in staat om een tijdreeks op te bouwen. We kunnen dus niet vaststellen of deze cijfers nu wijzen op een relatief hoge graad van zelfbeschikking in het persoonlijke leven aangezien we geen vergelijking kunnen maken met het verleden. In de toekomst moet dat wel kunnen. Op basis van het Europees waardenonderzoek (Elchardus, Chaumont, Lauwers, 2000: 153 e.v.) kunnen we dit wel. Daaruit blijkt dat de autonomie in het persoonlijke leven aanzienlijk toegenomen is, vooral wat de samenlevingsvorm behelst die men kiest. Vooral homoseksualiteit en echtscheiding kunnen rekenen op een relatief hogere aanvaardingsgraad. Dit stemt overeen met de bevinding dat 75% de wettelijke erkenning van andere samenlevingsvormen (helemaal) aanvaardbaar vindt. Dit wil echter niet zeggen dat in relatievorming alles kan. “Slechts” één op vier Vlamingen vindt het aanvaardbaar dat men meerdere partners heeft als alle partners daarvan op de hoogte zijn. Ook andere aspecten van het dagelijks leven kunnen niet op evenveel enthousiasme rekenen. Slechts één op drie Vlamingen vindt het aanvaardbaar dat men ringen door de neus of de lippen steekt, en slechts één op zes Vlamingen vind het gebruik van softdrugs aanvaardbaar. Wanneer autonome zelfrepresentatie een agressieve vorm aanneemt, is de aanvaardbaarheid relatief het laagst. Eén op tien Vlamingen vindt het aanvaardbaar dat men de mensen heel bewust choqueert. Tabel 9: Percentage van de respondenten dat een bepaalde handeling (helemaal) aanvaardbaar vindt (Survey 1998) Persoonlijk leven en lijfelijke zelfbeschikking Wettelijk erkennen van andere samenlevingsvormen dan het huwelijk Naar prostituee gaan terwijl men geen vaste relatie heeft Zeer opvallende, uitdagende kledij dragen Ringen door de neus of de lippen steken Meerdere partners hebben terwijl alle partners daarvan op de hoogte zijn Gebruik van softdrugs Mensen heel bewust choqueren

73,6 52,1 47,4 36,8 25,3 16 11,1

Deze vrij concrete vormen van alledaagse moraal beschikken over een meer fundamentele onderbouw. Uit eerder onderzoek (Waege, 1997) blijkt dat deze concrete normen sterk correleren met een meer abstracte attitude die we aanduiden met traditionalisme of communi-


Sociale relaties

145

tarisme. Dat laatste begrip benadrukt het collectieve karakter van de normering en het feit dat men zich aan traditionele, gedeelde normen en waarden wil houden. Ongeveer 50% van de Vlamingen vindt dat de traditionele gebruiken meer zouden moeten gerespecteerd worden. De extreme uitspraak “Men zou de mensen met veel hardere middelen moeten verplichten om zich te houden aan de traditionele waarden en omgangsvormen” wordt door 25% van de Vlamingen beaamd. De uitspraak “Zowel binnenshuis als buitenhuis trek ik mij niets aan van de gebruiken en gewoontes in de samenleving” verwijst naar een individualistische ingesteldheid ten aanzien van normen en waarden. Deze uitspraak kan slechts op een zeer beperkte bijval rekenen van 9% van de Vlamingen. Het is tevens belangrijk om te wijzen op het feit dat voor sommigen het zich niet houden aan de aan gewoonten en gebruiken ingegeven is vanuit een appreciatie dat de heersende moraal te weinig traditioneel is. De expressief individualistisch groep – in de zin van “steeds nieuwe doelen en steeds nieuwe, grensverleggende ervaringen nastreven – is dus kleiner dan de vastgestelde 9% op het item (Vgl. Waege, 1997: 344). Daarmee worden de onderzoeksresultaten uit 1997 bevestigd. Er is in Vlaanderen in de eerste plaats sprake van een eerder behoudsgezinde ingesteldheid, die zelfs voor een kwart van de Vlaamse bevolking een vrij agressiefdominante vorm aanneemt. Deze bevinding is in overeenstemming met de resultaten van andere onderzoeken (Vgl. Waege, 1997; Waege, Heinderickx, 2000). Tabel 10: Percentage van de respondenten dat het (helemaal) eens is met de uitspraken. Survey 2000. Traditionalisme of communitarisme Ik vind dat men de traditionele gebruiken veel meer zou moeten navolgen

49,8

Gewoonten en gebruiken moeten zoveel mogelijk onveranderd blijven

35,6

Men zou de mensen met veel hardere middelen moeten verplichten om zich te houden aan de houden aan de traditionele waarden en omgangsvormen

25,3

Expressief individualisme Niets of niemand mag mij beperken in de nieuwe ervaringen die ik wil opdoen

32

Zowel binnenshuis als buitenhuis trek ik mij niets aan van de gebruiken en gewoontes in de samenleving

8,9

Ik doe mijn eigen zin en daarmee uit

9,7

De items die verwijzen naar traditionalisme hangen onderling sterk samen en vormen de samengestelde latente variabele “traditionalisme”. Hetzelfde is waar voor de uitspraken die verwijzen naar een expressieve oriëntatie. In Tabel 11 bekijken we de band tussen communitarisme/traditionalisme en de drie achtergrondvariabelen. We gebruiken opnieuw dezelfde variabelen als bij de vorige analyse. Er


Hans Waege & Filip Agneesens

146

is een duidelijk effect van leeftijd. Hoe hoger de leeftijd, hoe meer traditionalistisch men ingesteld is. Er is geen verband met geslacht. Er is wel een duidelijk verband met opleidingsniveau. Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe minder men houdt aan een strikte naleving van tradities, gewoontes en gebruiken in de samenleving. Deze cijfers bevestigen de resultaten van talrijke andere onderzoeken waaruit blijkt dat lager opgeleiden en lagere sociale klassen in het algemeen een veel minder culturele flexibiliteit aan de dag leggen. Dit is mede een verklaring voor het feit waarom deze groep, veel sneller dan andere groepen een culturele bedreiging ervaart van vreemde invloeden. Tabel 11: Verklaring van traditionalisme/communitarisme. Lineaire regressie (Survey 2000) S.E.

Ă&#x;

P-waarde

Opleidingsniveau Laag Hoog (ref. midden)

-0.19 0.245

-0.116 0.137

> 0.0001 > 0.0001

Leeftijd (laag)

0.288

0.184

> 0.0001

0

-0.04

0.109

Geslacht (Vrouw)

3.2 Burgerzin De tweede reeks normen hebben betrekking op onze rol als burger en de wijze waarop we omgaan met de staat. Deze relatie heeft ook veel te maken met persoonlijk gewin. Het overtreden van fiscale regels, milieunormen of bouwregels resulteert niet zelden in een aanzienlijke persoonlijk geldgewin ten koste van de staat. Uit eerder onderzoek (Waege, 1997: 289 e.v.) weten we dat goed fatsoen in het dagelijkse leven dikwijls samengaat met een beperkte burgerzin. Een conservatieve opvatting over het dagelijkse leven gaat voor een grote groep samen met een utilitaristische levensopvatting waarbij men zich in de eerste plaats moet richten op de individuele welvaart. Dit wordt bevestigd in het Europees waarden onderzoek (Waege, Heinderickx, 2000). Voor een andere groep is er sprake van een consequent individualisme dat een afwijzen van collectieve normering in het alledaagse combineert met utilitaire ingesteldheid. Het is belangrijk om in de eerste plaats te begrijpen dat op individuele zelfbeschikking of op gemeenschappelijke normering gericht zijn sterk afhankelijk is van het domein. Het is dus alles behalve een unidimensionaal concept van waaruit allerlei handelingen in diverse domeinen kunnen begrepen worden.


Sociale relaties

147

Tabel 12: Mate waarin men de gedragingen (helemaal) aanvaardbaar vindt (Survey 1998) Publieke leven - burgerzin Kuispersoneel in het zwart tewerkstellen Illegaal ingevoerde sigaretten of alcohol kopen Iets kopen waarvan je weet dat het een illegale kopie is Belastingontduiking Zonder betaling met het openbaar vervoer meerijden (Ver)bouwen zonder bouwvergunning Werken terwijl men werklozensteun ontvangt Via een lange arm financiële steun krijgen waarop je eigenlijk geen recht hebt Sluikstorten

41,2 32 28,5 16,7 16,2 10,1 8,7 6,4 1,3

De diverse aspecten van burgerzin laten een vrij disparaat beeld zien. Ook voor dit onderwerp geldt dat de mate van aanvaardbaarheid voor een aantal normovertredingen volgens de APS-survey in 1998 beduidend hoger ligt dan aspecten van burgerzin uit de sociale integratie survey uit 1997 (Waege, 1997: 262-265). Op basis van de APS-gegevens kunnen we geen vergelijking maken met het verleden. Elchardus (et al, 2000: 162 e.v.) besluit op basis van het Europees waardenonderzoek dat er kan aangenomen worden dat de burgerzin tussen 1981 en 1999 duidelijk toegenomen is. De bevindingen uit de APS-survey van 1998 laten alleen toe om te besluiten dat de burgerzin sterk afhankelijk is van het specifieke thema. Bijna één op twee Vlamingen vindt het aanvaardbaar om kuispersoneel in het zwart tewerk te stellen, bijna één op drie vindt het aanvaardbaar om illegaal ingevoerde sigaretten of alcohol te kopen en ruim één op vier vindt het aanvaardbaar om een illegale kopie aan te schaffen. Eén op zes Vlamingen vindt belastingontduiking of zwartrijden met het openbaar vervoer aanvaardbaar. Ten aanzien van ongeoorloofde financiële steun via de spreekwoordelijke, doorgaans politieke lange arm, is men veel strenger. Slechts een kleine minderheid van zes procent vindt dit aanvaardbaar. Absolute hekkensluiter is de sluikstorten, eigenlijk vindt zo goed als niemand dit aanvaardbaar. Algemeen gezien kunnen we dan ook stellen dat de burger behoorlijk tolerant is ten aanzien van de kleine, dikwijls financiële zonden die een anonieme instelling als de staat treffen. Vlak voor en tijdens de bevragingsperiode werd in Vlaanderen een strikt beleid gevoerd tegen misbruik van werkloosheidsvergoedingen en tegen bouwmisdrijven. Precies deze twee vormen van burgerzin kunnen op opvallend veel bijval rekenen, samen met het afwijzen van de spreekwoordelijke politieke arm.

4. Normatieve integratie: solidariteit met de zwakkeren en utilitair individualisme Vlaanderen behoort tot de economisch zeer welvarende gebieden waar een liberale economie gecombineerd wordt met een grote reeks van sociale voorzieningen die alvast voor een deel gestoeld zijn op solidariteit met zij die het minder goed hebben. Deze solidariteit neemt diverse vormen aan. Algemeen kan er een onderscheid gemaakt worden tussen de solidariteit die door de staat georganiseerd wordt via het circuit van de sociale zekerheid en de bijstand en de vormen van solidariteit die afhankelijk zijn van de individuele beslissing van


Hans Waege & Filip Agneesens

148

elke persoon. In de APS-survey worden vragen opgenomen die een ruw idee geven over beide aspecten.

4.1 Financiële solidariteit Wat reeds in meerdere surveys vastgesteld werd, wordt ook in de APS-surveys bevestigd. Slechts een kleine minderheid van 5 tot 7% van de ondervraagden gaat akkoord met de extreme stelling dat niemand sociale uitkeringen verdient en dat iedereen in de eerste plaats voor zichzelf moet zorgen. De organisatie van deze solidariteit wordt door een kleine groep van 11 à 15% als problematisch ervaren. Zij vinden dat de uitkeringen eigenlijk niet bij de juiste personen terecht komen. Tabel 13: Uitspraken over sociale uitkeringen. Percentage van de respondenten dat het (helemaal) eens is met de uitspraken (Survey 1996, 1999) 1999

1996

Niemand verdient een sociale uitkering, iedereen moet voor zichzelf zorgen

4,8

7,1

De sociale uitkering komt vooral ten goede aan mensen die het helemaal niet nodig hebben

11,3

15,6

De overheid zou de inkomens moeten herverdelen ten voordele van de zwakkeren in de maatschappij

58,7

In de APS-survey wordt ook gepeild naar vrijwillige solidariteit. Het gaat om het geven van bijdragen aan een organisatie die zich inzet voor een specifiek probleem of een specifieke doelgroep zoals langdurig zieken of armoede hier of in de derde wereld. Ongeveer de helft van de Vlaamse bevolking geeft een bijdrage aan één of meerdere van de genoemde organisaties (Tabel 14). Bijna één op vier Vlamingen steunt zelfs twee of meer van deze organisaties. Tabel 14: Aantal types van organisaties waaraan men giften stort. Percentages (Survey 2000) 0

1

2

3

4 of meer

52,2

23,8

16,3

5,2

2,6

In Tabel 15 staat een overzicht van de organisaties waaraan Vlamingen een bijdrage geven. Op die manier krijgen we een zicht op de vrijwillige solidariteit van de Vlamingen. Vorig jaar heeft ongeveer 1 op 2 Vlamingen een gift gegeven aan een organisatie die zich inzet voor anderen of voor het algemeen belang. Ongeveer de helft van deze groep schenkers, geeft een gift aan meer dan één organisatie. De gezondheidsorganisaties en de derdewereldorganisaties zijn hier de absolute koploper. Ongeveer één op drie van de ondervraagden


Sociale relaties

149

heeft een bijdrage bezorgd aan een gezondheidsorganisatie. De sterk gemediatiseerde campagnes zoals “Kom op tegen Kanker” of “Levenslijn” zijn hieraan zeker niet vreemd. Ongeveer één op vier Vlamingen heeft een bijdrage gegeven aan een organisatie die zich inzet voor de derde wereld. Tabel 15: Giften voor organisaties tijdens het voorbije jaar (Survey 2000) Een consumentenvereniging Een hulp of gezondheidsorganisatie (ook Levenslijn en Kom op tegen kanker) Een mensenrechtenorganisatie Solidariteit met de derde wereld Milieu- of natuurorganisatie Organisatie voor morele problemen Een politieke organisatie Andere

4,2 32,4 4,2 25,8 7,1 0,9 2,1 6,6

Ook voor dit kenmerk gaan we na in welke mate het gelijk gespreid is over de Vlaamse bevolking. In Tabel 16 staan de resultaten van de logistische regressie-analyse. We gebruiken opnieuw dezelfde achtergrondvariabelen als in de voorgaande analyse. Hoger opgeleiden geven veel meer bijdragen aan deze organisaties dan lager opgeleiden. Er is eveneens een significant verband met leeftijd. Het aandeel van de ouderen in de groep die minstens aan 1 vereniging een bijdrage levert is groter dan het aandeel van de jongeren in deze groep en dit gemiddeld over de onderscheiden categorieën van opleidingsniveau. Uit de analyse blijkt dat er geen significant verband met geslacht is. Beiden zijn even vrijgevig. Tabel 16: Sociaal-structurele achtergronden van het al dan niet geven van bijdragen aan organisaties. Logistische regressie (Survey 2000) S.E.

ß2

P-waarde

Opleidingsniveau Laag Hoog (ref. midden)

0.144 0.156

0.599 2.406

> 0.0001 > 0.0001

Leeftijd (laag)

0.128

0.626

> 0.0001

Geslacht (Vrouw)

0.121

1.161

0.216

4.2 Utilitair individualisme Volgens sommige auteurs wordt onze samenleving niet alleen gekenmerkt door een toename van zelfbeschikking met betrekking tot het domein van waarden overtuigingen die betrekking hebben op de lijfelijke zelfbeschikking en de relatievorming. Er zou ook sprake zijn van een hoge mate van utilitair individualisme. Mensen zouden veel minder begaan zijn


Hans Waege & Filip Agneesens

150

met het lot van anderen. Eigenbelang en investeren in de persoonlijke carrière zouden veel meer dan vroeger centraal staan in het waardenpatroon van onze hedendaagse samenleving. Om de mate van utilitair individualisme te meten wordt gebruik gemaakt van een samengestelde variabele die reeds vier keer over een periode van vijf jaar opgenomen in het APSsurvey opgenomen wordt. Over deze vijf jaar zijn de verschillen eerder toe te schrijven aan toevallige fluctuaties. Het utilitair individualisme blijft vrij constant over deze periode van vijf jaar. Maar deze periode is eigenlijk te kort om de hypothese van een gestage toename van het utilitair individualisme te onderzoeken. Gemiddeld genomen (Tabel 17) is de Vlaamse bevolking eerder niet dan wel utilitair individualistisch ingesteld. Afhankelijk van de sterkte van de items varieert het aandeel van de duidelijk utilitair ingestelde respondenten tussen de tien en twintig procent van de bevolking (Vgl. Waege, Billiet, 1998: 21). Tabel 17: Gemiddelde op de schaal utilitair individualisme (Survey 1996, 1998, 1999 en 2000)

Gemiddelde Std

1996

1998

1999

2000

3.57 0.75

3,37 0.83

3,65 0.80

3,54 0.89

5=helemaal niet utilitair; 1 is sterk utilitair Het verband tussen utilitair individualisme en sociale achtergrondkenmerken werd eerder reeds uitvoeriger onderzocht (Waege, Billiet, 1998). Op basis van deze analyses werd vastgesteld dat er doorgaans een verband is tussen utilitair individualisme en opleidingsniveau, geslacht en leeftijd. Utilitair individualisme gaat in de eerste plaats samen met een lagere opleiding en een hogere leeftijd. Mannen zouden ook meer utilitair individualistisch ingesteld zijn dan vrouwen. Deze verwachtingen worden bevestigd op basis van de resultaten van het APS-onderzoek in 2000. Er moet wel opgemerkt worden dat de effecten van leeftijd en geslacht eigenlijk bijzonder klein zijn en dat uiteindelijk enkel het effect van opleidingsniveau substantieel is. Tabel 18: Sociale achtergrond van utilitair individualisme. Resultaten van de regressie-analyse (Survey 2000) S.E.

Ă&#x;

P-waarde

Opleidingsniveau Laag Hoog (ref. midden)

-0.296 0.332

-0.175 0.180

> 0.0001 > 0.0001

Leeftijd (Hoog)

0.129

0.08

0.005

0

0.06

0.029

Geslacht (Vrouw)


Sociale relaties

151

5. Complexiteit Een laatste component van sociale integratie die we hier bestuderen, gaat over een subjectieve ervaring van complexiteit. In een samenleving die in het teken staat van snelle technologische vooruitgang, het voortdurend ontdekken en ervaren van nieuwe risico’s en onzekerheden, bestaat de kans dat een substantieel deel van de bevolking ervaart dat ze onvoldoende controle heeft op de omgeving. In de APS-surveys wordt aan de mensen gevraagd in welke mate ze kunnen omgaan met de snelheid van de nieuwe ontwikkelingen en de grote hoeveelheden nieuwe informatie die op hen afkomt. Tussen een derde en een kwart van de bevolking heeft hiermee problemen. Men is het eens met de stelling dat alles zo snel en jachtig is dat men niet meer meekan en men ervaart een gebrek aan competentie om deze nieuwe evoluties te volgen. De items zijn vrij voorzichtig geformuleerd in termen van “soms” en “af en toe” het gevoel hebben dat men niet meer meekan. We moeten dan ook opletten met al te extreme conclusies. Het verdient dan ook aanbeveling om deze lijst met items in de toekomst aan te vullen met meer extreme uitspraken om de groep voor wie het echt problematisch is, beter te kunnen inschatten. Niettemin wijzen deze resultaten op een potentieel probleem dat ruime aandacht verdient. Tabel 19: Complexiteit en snelheid. Percentage dat het (helemaal) eens is met de uitspraken. (Survey 1999) Alles is tegenwoordig zo ingewikkeld geworden dat ik soms niet meer weet wat ik moet doen.

24,6

Er komt tegenwoordig zoveel informatie op ons af dat we op den duur niets meer begrijpen.

30,3

Alles is de laatste tijd zo snel en jachtig geworden dat ik soms het gevoel krijg niet meer mee te kunnen.

32,2

Deze drie items (Tabel 19) hangen onderling sterk samen en vormen de samengestelde variabele “ervaring van complexiteit. Het verwondert niet dat opleidingsniveau ook hier weer de centrale verklarende variabele is, samen met leeftijd. Oudere mensen en lager opgeleiden hebben een veel grotere ervaring van onzekerheid in de hedendaagse samenleving. Het effect van geslacht is statistisch significant maar zeer klein.


Hans Waege & Filip Agneesens

152

Tabel 20: Sociale achtergrond van complexiteitservaring. Resultaten van de regressie-analyse (Survey 1999) S.E.

Ă&#x;

P-waarde

Opleidingsniveau Laag Hoog (ref. midden)

-0.421 0.381

-0.211 0.179

> 0.0001 > 0.0001

Leeftijd (Hoog)

-0.350

-0.186

> 0.0001

Geslacht (Vrouw)

-0.101

0.05

0.021

6. Besluit In deze bijdrage hebben we op basis van de verschillende APS-surveys, hier en daar aangevuld met andere onderzoeken, geprobeerd om een beeld te schetsen van de sociale integratie van de Vlamingen. Algemeen gezien stellen we vast dat de Vlamingen zeer tevreden zijn met hun sociale relaties. Toch beschikt een ruime groep slechts over een beperkt relationeel netwerk en een beduidende groep kan ofwel op niemand ofwel enkel op familieleden terugvallen. Vooral op momenten waarop het minder goed gaat in het persoonlijke leven kan dit aanleiding geven tot een precaire situatie. Een tweede belangrijke groep van kenmerken werd samengevat onder het begrip normatieve integratie. In het relatieleven is de zelfbeschikking voor een groot deel van de bevolking een aanvaard gegeven. Andere samenlevingsvormen dan het huwelijk kunnen uitdrukkelijk op de goedkeuring van de Vlamingen rekenen. Ook het bezoeken van prostituees door mensen zonder vaste relatie is voor een meerderheid aanvaardbaar. Andere aspecten van zelfbeschikking zoals piercing en zeker softdruggebruik die verwijzen naar lijfelijke zelfbeschikking kunnen op minder goedkeuring rekenen. Een extreme, agressieve uitdaging van de alledaagse moraal wordt niet aanvaard. De zachte aanvaarding blijft een motto, zelfs in een periode waarin we spreken van de versnelde ommekeer. In Figuur 3 kijken we naar de relatieve positie van vier belangrijke dimensies van het maatschappelijk vertoog over de verhouding tussen individu en gemeenschap Solidariteit met zwakkeren kan op een zeer grote bijval rekenen, gevolgd door een traditionalistische visie op de samenleving. Utilitair individualisme is gemiddeld genomen niet populair als vertoog en het expliciet niet volgen van wat algemeen aanvaar wordt (expressivisme) is een vertoog dat op nog minder bijval kan rekenen. Daarmee wordt opnieuw aangetoond (Vgl. Waege, 1997) dat Vlamingen gemiddeld genomen in de eerste plaats solidair zijn en tevens meer op behoud dan wel op verandering en vernieuwing gericht zijn.


Sociale relaties

153

Figuur 3: Box-plot voor de variabelen utilitair individualsme, traditionalisme, expressivisme en solidariteit (Survey 2000)

Wanneer gezocht wordt naar een elementaire duiding van deze aspecten van sociale integratie, komt het opleidingsniveau steeds weer als de belangrijkste variabele naar voren. Deze vaststelling wordt ook gemaakt bij het verklaren van diverse aspecten van sociale integratie (Vgl. Elchardus, Dobbelaere, Kerkhofs, VoyĂŠ, 2000). Hoger opgeleiden beschikken over een meer divers en uitgebreid sociaal netwerk, ze zijn minder traditionalistisch en meer cultureel flexibel. Ze zijn minder utilitair ingesteld, participeren meer aan het verenigingsleven en ze zijn ook vrijgeviger wanneer het op vrijwillige financiĂŤle solidariteit aankomt. Ze engageren zich beduidend meer in vrijwilligerswerk. Zoals verwacht hebben jongeren beduidend minder last van de toegenomen complexiteit van de alledaagse leefomgeving. Net zoals in het Europees waardenonderzoek stellen we vast dat naast opleidingsniveau, de leeftijd (en generatie) de tweede belangrijke verklarende factor is. Omdat we werken via multivariabelen analyse wordt het effect van opleidingsniveau grotendeels uitgeschakeld bij het bekijken van het effect van leeftijd. Jongeren vertonen opvallend veel kenmerken van de hoger opgeleidde generaties en dit onder controle van dat effect van opleidingsniveau. Ze hebben een meer gediversifieerd sociaal netwerk, ze zijn minder utilitair individualistisch en minder traditionalistisch. Ze besteden wel minder aan vrijwillige solidariteit door middel van bijdragen aan allerlei organisaties die zich inzetten voor het goede doel. Tegen sommi-


154

Hans Waege & Filip Agneesens

ge verwachtingen in participeren ze echter evenveel als de oudere generatie aan het verenigingsleven en zijn ze globaal gezien evenveel betrokken bij het vrijwilligerswerk. Opvallend is dat er nauwelijks of geen verschillen naar geslacht vastgesteld worden. Wanneer er al sprake zou zijn van genderrollen, dan blijken deze rollen alvast nauwelijks of niet relevant wanneer het om sociale integratie in het alledaagse leven gaat. Het enige duidelijke verschil betreft lidmaatschap van verenigingen. Vrouwen zijn minder dan mannen lid van verenigingen. Men kan zich uiteraard afvragen waarom beleid geïnteresseerd zou zijn in aspecten van sociale integratie in het dagelijks leven. We hebben voor deze bijdrage geopteerd om in de eerste plaats een algemene foto te schetsen van de staat van de sociale integratie in Vlaanderen. Het belang van deze diverse aspecten van sociale integratie bij de verklaring van belangrijke maatschappelijke problemen zoals politiek wantrouwen, racisme en xenofobie is echter reeds uitvoerig aangetoond. Op diverse momenten hebben we vastgesteld dat het ter beschikking hebben van langere tijdreeksen een belangrijk element is bij het beantwoorden van onderzoeksvragen. Waarnemen is dikwijls pas interessant wanneer we kunnen vergelijken, hetzij tussen groepen hetzij doorheen de tijd. De vraag over de evolutie van de sociale integratie van de Vlamingen kan enkel beantwoord worden op basis van een volgehouden en systematische monitoring. De reeks APS-surveys situeren zich in de periode waarbij de versnelde ommekeer al gerealiseerd is. De surveys van de administratie Planning en Statistiek zullen op termijn echter een onontbeerlijke bron van informatie vormen. De bevragingsfrequentie van tal van aspecten is beduidend hoger dan deze in andere onderzoeken zoals het Europees waardenonderzoek. Dit laat toe om met trendanalyses te werken die minder afhankelijk zijn van toevallige fluctuaties in de metingen (zie bijvoorbeeld de meting van utilitair individualisme). Onderzoeken die slechts één meting doen, bijvoorbeeld om de tien jaar hebben namelijk als groot nadeel dat toevalsfouten soms leiden tot verregaande besluiten alsof er iets wezenlijk zou gewijzigd zijn terwijl dit gewoon te wijten is aan toeval (Vgl. Eisinga, 1998). Door diverse aspecten op een regelmatige wijze te bevragen investeert APS in een beter datakwaliteit en deze is onontbeerlijk voor een degelijk, informatiegebaseerde beleidsvoering.


Sociale relaties

155

Bibliografie Agneessens, F., Waege, H. 2000. Bevraging van sociale integratie: verkenning van verschillende mogelijkheden om te komen tot een bevraging van sociale steun in algemene surveys. Technisch rapport. Working paper in methodology. Universiteit Gent: Gent. Agneessens, F., Waege, H., Lievens, J. 2000. Social support typologies: Different approaches for reducing social support-data. Working Paper in methodology B2000-03. Universiteit Gent. Presented at the International Conference on Methodology and Statistics, 24-27 September, Preddvor, Slovenia. Antonucci, T.C., Fuhrer, R., Dartigues, J.-F. 1997. Social relations and depressive symptomatology in a sample of community-dwelling French older Adults. Psychology and Aging 12: 189-195. Burt, R.S. 1984. Network items and the General Social Survey. Social Networks 6: 293-339. Burt, R.S. 1991. Measuring age as a structural concept. Social Networks 13: 1-34. Busschots, M., Lauwers, J. 1994. Familiale en sociaal-culturele netwerken. Leuven, Acco. Eisinga, R. (1998) Data per Datum. Tandem Felix uitgevers. Elchardus, Chaumont, Lauwers (2000) Morele onzekerheid en nieuwe deugdelijkheid. In Dobbelaere et al. Verloren zekerheid. De Belgen en hun waarden, overtuigingen en houdingen. Lannoo: Tielt. Elchardus, M. Dobbelaere, K. Kerkhofs, J. VoyĂŠ, L. (2000) Gaat de zekerheid verloren? In Dobbelaere et al. Verloren zekerheid. De Belgen en hun waarden, overtuigingen en houdingen. Lannoo: Tielt. Fischer, C.S. 1982. To Dwell Among Friends: Personal Networks in Town and City. Chicago, University of Chicago Press. House, J.S. 1981. Work Stress and Social Support. Reading, Massachussets, AddisonWesley. House, J.S., Umberson, D., Landis, K.R. 1988. Structures and processes of social support. Annual Review of Sociology 14: 293-318. Huang, G., Tausig, M. 1990. Network range in personal networks. Social Networks 12: 201208. Marsden, P.V. 1987. Core discussion networks of Americans. American Sociological Review 52: 122-131.


156

Hans Waege & Filip Agneesens

Moore, G. 1990. Structural determinants of men’s and women’s personal networks. American Sociological Review 55: 726-735. Tijhuis, M.A.R., Flap, H.D., Foets, M., Groenewegen, P.P. 1992. Netwerken in Nederland. Een onderzoek naar persoonlijke netwerken van Nederlanders. Mens en Maatschappij 67: 5-22. van der Poel, M.G.M. 1993. Delineating personal support networks. Social Networks 15: 4970. Vermunt, J.K. 1993. lEM: log-linear and event history analysis with missing data using the EM algorithm. WORC PAPER 93.09.015/7, Tilburg, Tilburg University Press. Waege, H. 1997. Vertogen over de relatie tussen individu en gemeenschap: ontwikkeling en validering van meetinstrumenten in het kader van survey-onderzoek. Leuven, Acco. Waege, H. Billiet, J. (1998) Individualisme: een kwestie bij de eeuwwende. In Vlaanderen gepeild. De Vlaamse overheid en het waardeonderzoek. Brussel: APS. Waege, H. Heinderickx F. (2000) Individueel onderscheid of collectieve overeenkomst. Segmentatie van het waardenspectrum bij de Belgen. In Dobbelaere et al. Verloren zekerheid. De Belgen en hun waarden, overtuigingen en houdingen. Lannoo: Tielt. Wellman, B., Wortley, S. 1990. Different strokes from different folks: community ties and social support. American Journal of Sociology 96: 558-588.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vlaanderen_gepeild_2001_5_impressie_over_sociale_relaties.pdf by Vlaanderen-be - Issuu