Skip to main content

M&L_9_2.pdf

Page 1

s&.

•

'mm: * * ! : • . • • : •

M&L

-Vr. :

&

*

.

,

s*r

\- m*.

m

;

,

^fej^ S^: tmnm8Sir^§ f^^^-f ( 3~-.r:$:.:^&m .1

t^.

t,*

.'

'/ •

•' ,

Wêm

'

É '¥'• &:;:''m étoSSa *J$^-- ^ p *'

': v

1^^^^^

:

^Bw"

^^^B

'^HCaË'

ijL lé^Siflw^

««f

^ f e '

'

•h

' ' • ' - - ^ : ' ' .

'

%

•

!

*

IWI EMAANDfctöKS

^


RESTAURATIE VAN DE SINT-NIKLAASKERK TE GENT

N.V. VANDEKERCKHOVE Herstelling monumenten en openbare werken OOSTROZEBEKESTRAAT 54 INGELMUNSTER 8770 tel. (051) 30 22 41 fax. (051) 30 22 37


M&L

ISSN 0770-4948 9l' jaargang Nr. 2 maart-april 1990

MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN

Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu Bestuur voor Monumenten en Landschappen Het kasteeldomein Breivelde, Zottegem. De vijver met fontein uit 1926 (foto O. Pauwels)

Inhoud Generiek

Redactie

Het kasteeldomein Breivelde : een landschapstuin te Zottegem (Grotenberge) Geert Van der Linden

12

Een plein voor een bibliotheek. Bij de heraanleg van het Monseigneur Ladeuzeplein te Leuven Mark Derez

29

Heesters ofte huyzekens van plaisance te Brugge Anne-Marie Delepiere en Martine Huys M&L Binnenkrant

Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Markiesstraat 1, 1000 Brussel. Tel. (02) 507 42 57. Eindredactie : M.M. Celis. Productie en promotie : L. Tack. Zetwerk en secretariaat : D. Torbeyns. Vormgeving : Greta Claeys.

55 Redactiecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, P. Lagaisse, A. Malliet, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt. Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Philipstockstraat 39, 8000 Brugge Tel. (050) 33 82 20. Druk Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel. (050) 33 12 35

Abonnementsvoorwaarden

De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

België : 950 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 180 fr.). CJP'ers betalen : 840 fr. Buitenland : 1100 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Markiesstraat 1, 1000 Brussel met vermelding „M&L-jaarabonnement 1990". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

MINISTERIE VAJST D E VLAAMSE GEMEENSCHAP


GEVELRENOVATIE : • • • • • • • •

reiniging van gebouwen en monumenten betonherstelling met minerale of epoxymortels scheurinjectie in metselwerk of beton steenrestauratie behandeling tegen opstijgend vocht waterafstotend maken van gebouwen en monumenten verstevigen van verzande ondergronden beschermen met acrylsiloxaanverven

DAKRENOVATIE : • ontmossen van leiendaken en golfplaten • herstellen van goten en asfaltdaken • behandelen met een hoogwaardig acrylaatsysteem

Al deze produkten kunnen bekomen worden bij de n.v. Rewah, tel. (03) 485 55 33. Vraag gratis deskundig advies en prijzen.

ijverheids ETIENNEMAHIEU-LIDVAN: • ART RESTORERS ASS. • INTERNATIONAL INSTITUTE OF CONSERVATION

k

RTIKON Z

(014) 51 77 22 (014) 50 03 24 (014) 50 03 23 (FAX) VISPLUK 27 2290 VORSELAAR

•

RESTAURATIE EN CONSERVATIE van : - Kunstvoorwerpen in hout, steen, metaal, kunststof, marmer, terra-cotta - Stenen beelden en gevelornamentuur - Keramiek, aardewerk - Moderne kunst

•

VERVAARDIGEN VAN REPLICA in kleine en grote oplage - in kunststeen, gietbaar hout, polyester, epoxy

•

FABRIKATIEENVERKOOPVAN PRODUKTEN VOOR RESTAURATIE: • Lijmen, speciaal voor restauratie • Verfstrippers (speciaal voor restauratie): PEEL-AWAY • Minerale steenrestauratie-mortel : AMONIT (nieuwe naam voor GAY-STONE) • Steenbehandelingsprodukten : reinigers, verstevigers, enz. • Houtbehandelingsprodukten


Een oprecht lief en aangenaam verblijf Mede door de toegewijde inzet van opeenvolgende bezitters, veranderde de 19de-eeuwse Grotenbergse Warande op slechts enkele decennia tijd, van een bebost domein voor jacht en visvangst, stapsgewijze in één der fraaiste Vlaamse landschapsparken. Sinds 1970 overgenomen door de gemeente Zottegem en voor publiek opengesteld, zou Breivelde onvoorbereid geconfronteerd worden met een versnelde aftakeling, tot de bescherming als landschap in 1982. Dat een nauwgezette inventarisatie en evaluatie vooraknog kunnen leiden tot een herstel, weet Geert Van der Linden sindsdien als geen ander te verzekeren.

Paardemolens Gedragen door de omvang van de inzet, de grootsheid van het decor, maar meer nog de dimensie van de figuranten reikt Mark Derez's genesis van het Leuvense Ladeuzeplein haast aan het epos: een schoolvoorbeeld te meer van stedebouw als speelbal tussen politieke opponenten, tussen wetenschap en volksvermaak. De tragische banaliteit van het finale resultaat staat dan ook in schril contrast met de uitzonderlijke duur en het briljante pathos van de voorafgaande debatten.

Verloren paradijzen Links gelaten door de om zich heen tastende Brugse binnenstad roepen ze — slechts ten dele willekeurig — het beeld op van nu eens follies, dan weer geminiaturiseerde buitenplaatsen. Veilig geborgen, her en der in moestuinen gespreid, werd er het eesteren alvast als hoogste kunst bedreven. Wat heimweeïg naar alweer vergane geneugten voeren Anne-Marie Delepiere en Martine Huys ons mee naar wat hiervan nog standhield.


ü ETN. F BRUXELMAN & ZOON NV S

BRUXELMAN HOUDT DE GESCHIEDENIS VAST AL EEN EEUW ^\NG In het jaar 1886 vestigt de steenhouwer Frangois Bruxelman zich als aannemer. Zijn zoon Florimond volgt hem op in 1910. Vanaf 1938 geeft zijn kleinzoon Albert Bruxelman de onderneming haar volle dimensie. D. Bruxelman neemt over in 1968. De "Etn. PI. Bruxelman en Zoon" worden in juni 1983 een naamloze vennootschap. Mede door zijn oorsprong heeft het bedrijf zich altijd gespecialiseerd in het restaureren van gebouwen, zowel kerken als historische monumenten, een domein dat vertrouwd geworden is. De werkhuizen van het bedrijf zijn uitgerust zowel voor steenhouwen als voor houtbewerking. De moderne technieken worden praktisch aangewend in de oprichting van appartements- of kantoorgebouwen, privé-woningen, enz. En l'année 1886 Frangois Bruxelman, tailleur de pierre, s'établit entrepreneur. Son fils Florimond lui succède en 1910. C'est ensuite son petit-fils Albert Bruxelman qui dès 1938 donne a la firme sa pleine dimension, D. Bruxelman prend la relève en 1968. Les "Ets. Fl. Bruxelman et Fils" deviennent société anonyme en juin 1983. De par ses origines la société s'est toujours spécialisée en restauration de batiments anciens, tant églises que demeures historiques. Rien ne lui est étranger dans ce domaine. Ses ateliers assurent tant la taille de la pierre que Ie travail du bols. Les techniques modernes sont tout autant son champs d'action avec la construction d'immeubles a appartements ou bureaux, habitations privées etc... St.-Paulus-1934

KerkEine-1918

Reigerstraat 8, 9000 gent Tel.: (091) 22 22 39 - 22 20 48 Fax.: (091) 20 27 75


BOUWONDERNEMING FR . GOEDLEVEN N.V.

"

^ É .5L T

1^

ff^.

ii

mutl l l Ö T l

^ ,

^

I^Mg \

1

-

llll^Ëi!"f

ö

i § E

wm

illii

I

Algemene bouwwerken Restauratiewerken Steenkapperij Schrij nwerkerij

Werf.- Kapellen, Oude Pastorie

Erkenningen : Klasse 7D - Dl - D24 Klasse 606 Klasse 4E - G

Pauwelslei 186 - 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 33 51 Fax (03) 652 13 92


de rust en het evenwicht van mineralen

SUPPORT - SURFACE •RESTAURATIE

+

CONSERVATIE.

Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit in 5 puntjes samen:

n H H

De restauratiematenalen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteit van het monument bewaard bli|ft. Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.

•

Fysische eigenschappen van het restauratiematenaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.

H

Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.

Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en injektiemortels van hoogwaardige kwaliteit

[SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN

'^

^i*-SolarKieme Breedstraat 51.2700Si -Niklaas

voor meer informatie belt u'. Oj/yyó.yi. 61

EEN E R V A R E N

Maatsch. zetel: Kortrijkse Steenweg .182. MIO Gent (091) 23 87 03 Bedrijfszetel : Wapenstraat I2B, 2(1(10 Antwerpen (03) 248 12 97

K I J K O P DE T O E K O M S T

NATUURSTEEN

AMINCK NV

VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN TEL. (03) 325 03 83 TELEFAX (03) 325 68 66

GASSTRAAT11 A 9100 LOKEREN TELEX 32158 NAVLAM TEL. (091) 48 12 17 TELEFAX (091) 48 96 61


z

U > Z

> C

c

ra >

Voor de vochtwerende behandeling van de buitenmuren van het wereldberoemde Gravenkasteel te Gent heeft men ons produkt EXHYDRO® gebruikt.

EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tien jaar waarborg WATERBESTENDIGE STEENBESCHERMING

EXHYDRO® : goedkeuring - BUTGB - ATG/H606

DROOGMAKEN VAN MUREN TEGEN OPSTIJGEND VOCHT

EXHYDRO® INJ. : - door inj. diffusie

VERSTEVIGING VAN STENEN, BAKSTENEN, ENZ...

REMAFIX® : - K.I.K. 2L/13/87/3780 (rapport)

CHEMISCHE GEVELREINIGING, ENZ...

REMAL : - volledig gamma

RENOVATION MAINTENANCE BUREAU : 1000 Brussel - Baksteenkaai 32/B7 tel. : (02) 513 22 11 - 513 70 20 tlx. : Renoma B - 23921

PVBA


ïl

RESTAURATIE & MONUMENTENZORG ONDERZOEK

4V-

Duiven zijn Inderdaad zo vervelend dat u lk-weet-nlet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervullen en ontsieren met alleen onze historische gebouwen; zij werken aktlef mee aan het verval ervan.

•kl M

W-

Solar

Kleine Breedstraat 51, 2700 Slnt-Nlklaas. Of bel 03/776 91 62.

BEHANDELING Muurschilderingen • Stuc -Meubilair Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvonsten ( hout en leder) Schilderijen ( paneel en doek)

MAAR HET KAN Deplgeonal Is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer Informatie over Deplgeonal en gebouwenconservatie en -restauratie In het algemeen bij

Kunsthistorisch • Technisch • Bouwkundig

Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem SchudelW

091/221753

Van M o l l e M . 016/22 67 06

DEPIGEONALI

Van Der Biest L 03/7714466

DeClercqL 03/233 82 27 VanDiickL 015/2180 78 Huet P 03/233 09 57

Vandenborre H. & Lauwers M.

Smederij

091/72 63 03

i •

MOLENBAAN 18 2220 WOMMELGEM Tel.: (03) 353 97 87 • • • • • •

Restauratie alle smeedwerk Kopiëren Drijfwerk Eigen ontwerp Design Meubels

Gediplomeerd restaurateur

830»

V

Gevel- en restauratiewerken waterdichte bespuiting Oppervlaktebehandeling & sierpleisters Zand- en straalbedrijf industriële schilderwerken - Hoogtewerken

J . GENNE Bosdel industriepark GENK (011) 35 8 0 5 1 / 3 5 8 0 52 Telefax (011) 35 80 53 8 Mlzerikstraat 3610 DIEPENBEEK (011) 3 2 3 3 6 0


Laat de wegen herleven met kleur! Vrolijke straten en pleinen, dat kan best dank zij de minerale B a y f e r r o x - p i g m e n t e n van Bayer. Bayferrox-pigmenten kleuren de cement van de betonstraatstenen. Vermengd in de totale massa, verzekert het Bayferrox een onder alle omstandigheden stabiele en duurzame kleurechtheid. Bovendien is geen speciaal onderhoud nodig. Herstellingen en werkzaamheden kunnen zonder probleem in een handomdraai worden

uitgevoerd. In de zeer grote keuze aan vormen en kleuren vindt zeker ieder zijn gading. Betonstraatstenen, gekleurd met Bayferrox, zijn ideaal om voetpaden, pleinen, winkelstraten, galerijen, parkings, parken, tuinpaden enz. te bestraten. Ze zijn onmisbaar voor het verhogen van de verkeersveiligheid, voor de bescherming van fietser en voetganger. Laat u inspireren door vorm en kleur. Bayferrox, sta er op!

Bayer informeert: Om gratis dokumentatie en de lijst van de fabrikanten te bekomen, plak eenvou dig deze bon op uw visitekaartje of briefpapier en stuur hem naar: BAYER BELGIUM S.A.-N.V. Divisie pigmenten en keramiek Louizalaan 143 1050 BRUSSEL

Bayer

Bayferrox^


Z O N D E R RENOFORS-BETA ZAG U D I E MOLENS NIET MEER... Heeft LI zich al eens afgevraagd hoe liet komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren' Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Romboutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst? Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Renofors-Iïèta systeem. Voor jaaaren, Kenofors-iièta is een (kostenbesparend) alternatiefvoor dure en moeilijke vervangingswerken Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel, doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62

U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...

Solar

leBteeOsttaatSi 2700S1-Niki:

MONNIKENWERVE 57-59 8000 BRUGGE TEL. 050 / 31 55 81

Ook sterk in: gevelreimging - steenverhardmg - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtmgswerken - beton restauratie • houtbehandeling - brandremmmg.

Zo kan de geschiedenis

zich blijven

herhalen

©

De Nationale Loterij. Een kans hebben is t e ge lij k een kans

geven.


P E N YS SPECIALE TECHNIEKEN Restauratie van monumentale gebouwen en kunstwerken

Q BLAUWE STEENUTTHENEGÖUWEN® Een produkt van de NVCanières du Hainaut.Tel.067/33.4121

Herstellen, injekteren, gunniteren en versterken van betonsconstructies, funderingen en metselwerk T.V.-inspekties en renovatie van rioleringen

RECHTZETTING

In ons november-december nummer 89/6 verscheen op de buitenomslagbladzijde de publiciteit van de N.V. Carrières du Hainaut over haar Blauwe Steen uit Henegouwen.

Deze publiciteit verscheen buiten de wil van onze adverteerder om in het Frans. Wij willen er hier de aandacht op vestigen dat het helemaal niet de bedoeling was van de N.V. Carrières du Hainaut om bij onze lezers haar boodschap in het Frans te brengen en dat deze fout niet door haar, maar wel door interne omstandigheden bij het tijdschrift is veroorzaakt.

N.V. DENYS Industrieweg 124 9030 Gent-Wondelgem Tel. (091) 54 01 11 Telex 11515 Telefax (091) 26 77 71


Het kasteeldomein Br eivelde: een landschapstuin te Zottegem (Grotenberge)

Geert Van der Linden, B.M.L. (1)

De stad Zottegem herbergt twee domeinen die voor wat betreft de tuinarchitectuur in Vlaanderen uniek zijn: het beter gekende, majestueus aangelegde kasteeldomein van Leeuwergem en het sinds 1971 door de gemeente Zottegem verworven kasteeldomein te Grotenberge, ook "Breivelde" geheten (2). In De Potter en Broeckaert (1897) leest men over Breivelde het volgende: "Een oprecht lief en aangenaam verblijf is het lustgoed, gebouwd door wijlen August De Rouck, dicht bij de kerk. De huizing is alledaags, doch het park bijzonder schilderachtig. Fraaie heuvelen, prachtige boomen, schoone vijvers (twee op de verhevenste punt des heuvels), wisselen er elkander af en geven het een echt dichterlijk voorkomen" (3).

Pagina rechts: Moerascypres (Taxodium distichum (L.) Rich.) aan de vijveroever (foto O. Pauwels)


ISÉ^

:

'<jt^>

"^C> -


Van jachtdomein tot lusttuin Het dorp Grotenberge ontstond op de heuvelrug die de scheiding vormt tussen het Schelde- en Denderbekken. De agrarische gemeenschap was er eertijds gevestigd rond drie driezen: de Groote Driesch of Grootenberge Driesch, de Coomansdriesch en de Koekendriesch (4). De steile hellingen ten westen van het dorp waren volgens de kabinetskaart van Ferraris (1775) bebost (5). Dit gebied staat op de primitieve kadasterkaart (ca. 1830) vermeld als "Warande" en "Heiligenborre". In de kadastrale leggers waren de percelen, gekend onder het toponiem "Warande", ingeschreven onder de naam van Josephus Joannes De Rouck, een gegoede en vooraanstaande burger die zéér veel eigendommen bezat en van de opbrengst kon rentenieren. De percelen werden omschreven als "Bois d'agrément" (lustbos) en "Eau d'agrément" (lustvijver). Het lustbos waarvan sprake maakte toen maar een klein deel uit van het huidige kasteeldomein. Op de primitieve kadasterkaart werd een dreef ingetekend die het lustbos doorkruiste. De woning stond in het noorden en gaf uitzicht op een lager gelegen vijver. De vijver had op het eerste zicht een banale, bijna vierkante vorm met een grachtenstelsel voor toevoer en afvoer van water. De vorm van vijver en grachten doet vermoeden dat ze als eendenkooi ingericht geweest zijn (6). Zeker is dat deze vijver ooit gebruikt werd voor de viskweek (7). Gezien ook de betekenis van het toponiem "Warande" (8) kunnen we met enige zekerheid veronderstellen dat het domein ten behoeve van de jacht en de visvangst werd ingericht en gebruikt. Op de zuidelijke perceelsgrens, op de rand tussen lustbos en landbouwgrond, werd een kleine constructie ingetekend. Tot voor enkele jaren stond op deze plaats een prieeltje.

De cartografische weergave van de Warande blijft onveranderd in de Atlas der Buurtwegen (1842), de kadasterkaart van P.C. Popp (ca. 1845) en de kaart van Van der Maelen (1845-1850). Wel constateren we een plotse toename van het bosbest;md in noordwaartse richting. Deze verandering in bodemgebruik is vermoedelijk van korte duur geweest want op de topografische kaart van het Institut Cartographique Militaire uit 1864 merken we dat de beboste oppervlakte reeds is afgenomen. De ontbossing in het midden van de 19de eeuw zou het gevolg kunnen zijn van de hongersnood die in de periode 1845-1848 hier te lande heerste. Het is niet ondenkbaar dat toen alle beschikbare gronden werden benut voor de voedselvoorziening. Josephus Joannes De Rouck bleef eigenaar van de Warande tot hij in 1852 stierf en zijn zoon August zijn eigendommen erfde. Het is vermoedelijk in de periode na de erfenis dat de grote vijver werd aangelegd. In het midden was er zoals nu een eiland en de oever had een zeer bochtig verloop met in de vier windrichtingen een uitstulping, wat alweer doet vermoeden dat deze vijver als eendenkooi is aangewend.

/--'"Vl^/"3 /

--'-^A

/ /^

'" ^--J"">'

/

mi

-1160

/ /

/

l**

~"\

P.

ó

^

De primitieve kadasterkaart van ca. 1830 (hertekening)

Omstreeks 1871 liet August De Rouck een landhuis bouwen van waaruit hij een weids zicht verkreeg op zijn landerijen (onder, prentbriefkaart) Volgens de kadastrale mutatieschetsen van 1871 werd het landhuis gebouwd op de plaats waar voordien een paar huisjes stonden (boven)

PERCELEN AANQE KOEHT DOOR IN DE 1879

PERIODE 1852

Le chaUau de Grooknbcrgc CSotUgem) D. IkndrU. Avenue Plantin, 2£HS Anver*

M&L 14


Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden van de Ferraris ca. 1775

Geografische kaart van Ph. Vandermaelen ca. 1845

Topografische kaart, Dépêt Guerre (1864)

de la

Topografische kaart, Institut cartographique militaire (1884)

Topografische kaart, Institut cartographique militaire (1910)

Topografische kaart, Institut géographique militaire (1937)

Topografische kaart. Militair geografisch instituut (1950-1951)

Topografische kaart, Nationaal geografisch instituut (1975)

Cartografische evolutie van het domein Breivelde (1775 tot 1975)

15 M&L I


Systematisch kocht August De Rouck aanpalende gronden op met de bedoeling zijn domein uit te breiden. Volgens de leggers van het kadaster duurde het tot in 1879 vooraleer alle gronden die nu in het park zijn begrepen, verworven waren. In 1871 liet hij op de plaats waar een paar oude huisjes stonden, een landhuis bouwen van waaruit hij een wijd panoramisch zicht verkreeg op zijn bezittingen (9). Het landhuis werd gebruikt als zomerverblijf. Als advocaat had hij immers zijn woning aan de Korenlei te Gent. In afwachting van de totale verwerving van het beoogde terrein begon hij, gelijktijdig met de bouw van zijn landhuis, jonge bomen op te kweken. De boomkwekerij lag volgens de gegevens van het kadaster achter het kasteel en ook op een perceel gelegen tegenover de dries. Tevens bezat hij reeds in 1851, op de hoek van de Kasteelstraat en de Varkensmarkt te Zottegem, een aanplanting van jonge bomen bestemd voor zijn park (10). August De Rouck stierf op 4 oktober 1881 op 76-jarige leeftijd; de aanleg van zijn park heeft hij niet kunnen beëindigen. De topografische kaart van 1884 verschilt — voor wat betreft de intekening van het domein — niet met de kaart van 1864. Anaïs De Rouck erfde het domein van haar vader. Na haar overlijden op 8 mei 1887 werd Georges Herry de nieuwe eigenaar. Als inwoner van de stad Gent is Herry ongetwijfeld onder de indruk gekomen van de vernieuwende tendensen in de tuinarchitectuur. Hubert Jan Van Hulle (1827-1900), inspecteur van de beplantingen van de stad Gent, speelde vanaf 1860 een belangrijke rol in het propageren van de landschapstuin in onze gewesten. Talrijke aanplantingen voor promenades, lanen, pleinen en squares zijn door zijn toedoen gerealiseerd. Vooral de aanleg van het Citadelpark (1875) moet op de Gentenaren een grote indruk hebben nagelaten (11). De weigestelden, de "nouveau riches", waren als eersten in staat een domein aan te kopen en te onderhouden of lieten hun eigen lusthof aanleggen naar de toen heersende mode op gebied van de tuinkunst. Gezien de tuinarchitectonische kwaliteiten van het domein heeft ook Herry naar alle waarschijnlijkheid beroep gedaan op een tuinarchitect. Tot nu toe is niet geweten welke ontwerper voor deze realisatie verantwoordelijk was. De aanvang van de werken kan waarschijnlijk gesitueerd worden na een nogal omvangrijke boomverkoping in 1885 (12). In 1888 werden op het kadaster de perceelsgrenzen vastgelegd welke nog steeds met de actuele begrenzing van het park overeenstemmen. Ook werd in 1903 het centraal gelegen vijvercomplex, dat in grondplan sterk afwijkt van de vijver op de topografische kaarten van 1864 en 1884, voor het eerst op de kadasterkaart ingetekend (13). Met zekerheid kan men dus stellen dat dit gevolgen zijn van activiteiten betreffende de aanleg van het park.

Het door Philippe Plancqaert van Exen verbouwde kasteeltje in neo-Vlaamse renaissancestijl (prentbriefkaart)

Het lustgoed werd in 1903 gekocht door Philippe Plancqaert van Exen die in 1904 het kasteeltje liet verbouwen in neo-Vlaamse renaissancestijl. Het bouwjaar is weergegeven in een gevelsteen. In 1907 werd het domein verkocht aan Ridder Walérand Eugène Joseph Marie van Male de Ghorain en diens echtgenote Caroline Ottilie Marie Moretus Plantin de Bouchout. Van Male de Ghorain was landbouwingenieur en volgde de evolutie van zijn park op de voet. Op regelmatige tijdstippen werd tot in 1947 de stamomtrek van de meest merkwaardige bomen gemeten en in een inventarisboekje bijgehouden (14). Aanpassingen en verbeteringen aan het domein hield hij bij op plannetjes. Drie schetsen uit 1926 tonen ons de aanleg van de fontein en van een brugje met vaas bij de vijver. Op de topografische kaart van 1910 zien we het aangelegde park dat, op een aantal percelen langs de Grotendries na, de actuele oppervlakte van het park beslaat. Op de stafkaarten van 1937, 1950-1951 en 1975 merken we hoe het domein evolueert naar de huidige toestand. We zien de bijkomende aanleg van twee kleine vijvers, een toename van de oppervlakte van het grasveld (prairie) tussen kasteel en grote vijver, de padenstructuur, de bomengroepen (dumps), de aanleg van de fonteinvijver en de cascade. In 1954 overleed van Male de Ghorain te Gent. Het domein werd tot na de dood van Caroline Moretus Plantin de Bouchoute in 1969, door de erfgenamen beheerd en dan aan de gemeente verkocht. De akte — om redenen van openbaar nut — werd verleden op 29 september 1970.

Pagina rechts: de vijver met fontein uit 1926 (foto O. Pauwels)


y&"

•

^•^jl^MJIBgyV'* * - v

•,

\n\

v-.^ws

jsr

• . ïfe h:J

A-:-P

ti&

*&&..%&

w&:r"iJSü-I

W.M

j ' ^ ?&•

.


81

^•7^82

; £ ^ ? ^ v y d i // Ay/A\

//eï domein Breivelde. Hoogtelijnenkaart (boven) en overzichtskaart met aanduiding van het centrale parkgedeelte, het parkbos, de overgangszones en de belangrijkste zichten (vista's) (tekening R. De Meerleer)

• i

M&L 18


Eén van de eerste werken die de gemeente na de aankoop van het domein heeft ondernomen was het reinigen van de verlande aangeslibde vijvers. Het slib werd in slibkommen overgebracht die gegraven werden in de oude kwekerij en op een weiland dat deel uitmaakte van het domein. Achterstallig onderhoud van het parkbos, het massaal kappen van bomen, het willekeurig toevoegen van beplantingen en niet in het minst de verschuiving van privé-tuin naar openbaar park hebben toen geleid tot een achteruitgang van bepaalde karakteristieken van het park, zowel op tuinarchitectonisch, boomfysisch als op biologisch vlak.

Een tuin met stijl: tuinarchitectuur uit de 19de eeuw

De vorm van de grote vijver is ontleend aan de vorm van een brede meanderende rivier (prentbriefkaart)

vijver is ontleend aan deze van een brede meanderende rivier. Het eiland is een imitatie van een begroeide zandbank. De vernauwde vijveruiteinden liggen verscholen tussen groen en verbergen het verdere verloop van de "rivier".

Om een idee te krijgen van wat de (onbekende) ontwerper heeft beoogd is het noodzakelijk de huidige structuur van het park te ontleden. Grofweg kan men deze herleiden tot een centrale parkzone en beboste randen met tussenin een overgangsgebied dat we als Tien verschillende waterpartijen geven het domein de allure van een Engelse "water garden". Alle vijvers parkbos kunnen bestempelen. staan met elkaar in verbinding en van het hoogteverDe centrale parkzone omvat de open ruimte bij het kasteel. De grote vijver en het groot grasveld zijn schil tussen de vijvers werd gebruik gemaakt om een hierin begrepen: de bomen die er als solitair werden arcadisch effect te bekomen bij de cascades en de ingeplant zijn bedoeld als sierobjecten. De boomgroe- fontein. Een bochtig beekje, met mos begroeide stepen begeleiden er het zicht naar goed uitgezochte nen en hier en daar wat oevervegetaties versterken de taferelen. De beboste randen zomen het ganse park imitatie van een kabbelend bergriviertje. af en worden gevormd door een opgaande bomenbeplanting met struiklaag. Plaatselijk bleef deze bebos- In de romantische tijdsgeest van toen was een bevresing beperkt tot een smalle strook. De beplanting digend zicht op de natuur blijkbaar pas voldoende als heeft er een meer natuurlijk karakter en het assorti- men er tweevoudig kon van genieten. Vijvers werden ment is er hoofdzakelijk inheems. toen zodanig aangelegd dat een volwaardige weerspieHet parkbos vertoont kenmerken van beide hierbo- geling van een belangrijk object bekomen werd. Het ven beschreven zones. Vanuit het parkbos is er een fraaiste wat het domein Breivelde ons op dit gebied te sterke visuele relatie met de centrale open ruimte bieden heeft is de weerspiegeling van het kasteel in door talrijke doorkijken, ook vista's genoemd. De de grote (spiegel)vijver. drie zones zijn aan elkaar gevlochten door talrijke slingerpaadjes en bochtige vijvers. Door op een ver- In het ganse park overheersen de loofhoutgewassen fijnde manier gebruik te maken van de aanwezige de andere beplantingen. De groenblijvers moeten niveauverschillen, door de juiste inplanting van vij- eerder gezocht worden in de heesters van het parkbos: vers, constructies, beelden, bomen en bomengroepen Rhododendron, Taxus en Hulst. Wintergroene naaldwerd als het ware een filmscenario uitgewerkt, waar- bomen zoals Grove den. Fijnspar, Mammoetboom, door de belevingswaarde voor de gebruiker van het Atlas- en Libanonceder vormen de bomen en bomenpark als waardevol wordt ervaren door het aanschou- groepen in het centrale parkgedeelte. wen van een reeks opeenvolgende taferelen. Door het gebruik van wintergroene planten heeft men er De paden liggen steeds verzonken, derwijze dat ze voor gezorgd dat ook in de wintermaanden het park van op afstand bekeken niet storend overkomen. Ten zijn karakteristieken behoudt. behoeve van de afwatering werden ze op een bolle wijze aangebracht. Het kasteel is ingeplant op het hoogst gelegen deel van het park, van waaruit men een mooi zicht op de grote vijver verkreeg. Bij de aanleg van de tuin heeft Boedelbeschrijving van het domein. Een aanmen van de natuurlijke glooiingen van het terrein zet tot het opmaken van een beheersplan gebruik gemaakt. De geschulpte vorm van de gazons werd bekomen door het terrein lichtjes te profileren. Dit effect wordt nog geaccentueerd door de bolle Deskundige begeleiding bij herstel en beheer van een ligging van de zones die met bomen zijn beplant beschermd gebied is pas mogelijk na grondige inven{dumps). De centrale parkzone werd ontworpen als tarisatie. Hiertoe werd door de landmeters Maurice een imitatie van een rivierdal. De vorm van de grote Aendenboom en Eddy Wyns (Administratie voor 19 M&L

• • • •


M&L 20


Coniferen ondersteunen

's winters de tuinarchitectuur

(eigen foto)

Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu) een nauwkeurige opmeting van het domein gerealiseerd. De vijvers, paden, constructies, de afbakening van het terrein, werden op een plan ingetekend en maken het ons mogelijk de situatie grondig te analyseren. Gelijktijdig werd het terrein gewaterpast, met weergave van de resultaten op een reliëfkaart. Alle bomen die in het centrale parkgedeelte staan, zijn opgemeten en op plan ingetekend. Ze werden van een nummer voorzien dat overeenstemt met de bomeninventaris. Op het opmetingsplan zijn ook de bosbestanden gesitueerd; men krijgt ook een idee hoe de waterbeheersing er verloopt. Verder werd bij de inventarisatie veel aandacht besteed aan de natuurlijke plantengroei. Een overzicht van de bodemprofielen verkregen we door het uitvoeren van vijftien boringen. Deze informatie konden we niet van de bodemkaart aflezen daar het domein hierop werd ingetekend als "bebouwde zones". Algemeen kunnen we stellen dat men voor de aanleg van het park rekening heeft gehouden met de natuurlijke configuratie van het terrein. Vergravingen zijn er ontegensprekelijk gebeurd voor de aanleg van vijvers en grachten en voor het profileren van de gazons in het centrale parkgedeelte. De vijvers zijn

Het kasteel werd hoog op de helling ingeplant, in een ogenstrelend tafereel waar men tweevoudig van geniet door weerspiegeling in de grote vijver (foto O. Pauwels)

21 M&L


Een vereenvoudigde versie van het opmetingsplan, met aanduiding van de bomeninventarisnummers (tekening R. De Meerleer)

uitgegraven tot op de beschikbare kleilaag en worden van water voorzien via de talrijke bronnen en kwelzones tussen de hoogtelijnen van 70 en 75 meter (watervoerende laag). Met uitzondering van de zones met een te hoge grondwaterstand is de bodem goed geschikt voor het aanplanten van bomen. Bij overdreven betreding kan er wel bodemcompactatie ontstaan, wat nadelige gevolgen kan hebben op de aanplantingen.

Een parkbos Een overgroot deel van de beboste oppervlakte bestaat uit een middelhoutbos met gemengd loofhout. Amerikaanse eik moet in Breivelde omstreeks de eeuwwisseling talrijk zijn aangeplant. Veel van deze bomen vertonen ouderdomsverschijnselen zoals taksterfte en een verminderde vitaliteit. Met uitzondering van een zone van ongeveer 30 are waar Amerikaanse eik dominant voorkomt, heeft men deze soort doorgaans gemengd met andere houtsoorten aangeplant. De boom-etage bestaat uit Zomereik, Beuk, Haagbeuk, Amerikaanse eik, Gewone es. Gewone esdoorn. Tamme kastanje, Robinia, Linde, Zoete kers en Grauwe abeel. De houtige onderbegroeiing bestaat uit een lage bomen-etage en een struiken• •

M&L 22

etage die hier en daar als hakhout werden geëxploiteerd. Een aantal doorzichten zijn nu dichtgegroeid met houtopslag en werden soms beplant met populier. In 1974 zijn in het oostelijk deel van het park een 100-tal bomen (voornamelijk populieren) gekapt. In deze kapzone is geen volwaardige heraanplanting gebeurd. Deze opperhout-arme zone is nu voornamelijk begroeid met houtopslag van Esdoorn en overjarig hakhout. De lage boom-etage en struik-etage bestaan uit onder meer Gewone esdoorn. Gewone es. Haagbeuk, Tamme kastanje. Wilde lijsterbes. Hazelaar, Gewone vlier. Witte paardekastanje, Eenstijlige meidoorn. Beuk, Gladde iep. Hulst, Aalbes, Kruisbes, Zomereik, Amerikaanse eik, Vogelkers, Taxus, Zoete kers, Gelderse roos . . . . Verschillende delen zijn in het park van de rest duidelijk te onderscheiden door het dominant voorkomen van beuk, in de tuinarchitectuur soms "beukenhal" of "kathedraalbos" genoemd. De kruidenlaag is er doorgaans minder soortenrijk en een houtige onderbegroeiing is afwezig. Het domein is door het Bestuur voor Monumenten en Landschappen geïnventariseerd in de periodes junijuli 1985 en april-mei 1986. De samenstelling van de plantengroei werd weergegeven in een plantenlijst. In het totaal werden 226 verschillende taxa van varens


Bijzonder fraai ontwikkelde bomen en minder frequent voorkomende soorten 1. Fraxinus excelsior L. - Gewones Es: stamomtrek 484 cm, hoogte 30 meter, diameter kruin 20 meter 2. Pinus nigra var. nigra - Oostenrijkse Den: stamomtrek 201 cm, hoogte 26 meter, diameter kruin 10 meter 3. Pinus nigra var. nigra - Oostenrijkse Den: stamomtrek 220 cm, hoogte 25 meter, diameter kruin 11 meter 4. Araucaria araucana (Molina) K. Koch - Apeboom, Slangeden: stamomtrek 160 meter, hoogte 16,5 meter, diameter kruin 10 a 13 meter 5. Cedrus atlantica 'Glauca' - Blauwe Atlasceder (groep van 3 exemplaren): hebben een stamomtrek van respectievelijk 320 cm, 350 cm en 430 cm. De bomen hebben takken vanaf de grond. De groep heeft een gezamenlijke kruindiameter van 25 d 30 meter en is 30 meter hoog. 6. Cedrus libani A. Rich. - Libanonceder: stamomtrek 355 cm, hoogte 33,5 meter, diameter kruin 17 & 23,5 meter 7. Chamaecyparis lawsoniana (Murr.) Pari.: stamomtrek 175 cm, hoogte 22 meter, diameter kruin 14 meter, maakt takken vanaf de stambasis (afleggers).. Alleenstaande boom 8. Ilex aquifolium L. - Scherpe of Groene Hulst: stamomtrek 104 cm 9. Sequoiadendron giganteum (Ldl.) Buchholz ) Mammoetboom: stamomtrek 447 cm, hoogte 34,6 meter, diameter kruin 8 meter 10. Thuja plicata Donn ex D. Don - Reuzenlevensboom: stamomtrek 447 cm, hoogte 34,6 meter, diameter kruin 8 meter 11. Cryptomeria japonica (L.f.) D. Don - Japanse Cypres 12. Taxodium distichum (L.) Rich. - Moerascypres: stamomtrek 251 cm, maakt veel kniewortels 13. Taxodium distichum (L.) Rich. • Moerascypres: stamomtrek 252 cm, maakt veel kniewortels 14. Fraxinus ornus L. - Pluimes: stamomtrek 195 cm, hoogte 9,8 meter, diameter kruin 10 a 11 meter 15. Pterocarya fraxinifolia (Lam.) Spach. • Gewone Vleugelnoot: heeft twee stammen met respectievelijk een stamomtrek van 159 cm en 150 cm, hoogte 22,7 meter, diameter kruin 17 meter 16. Quercus robur L. - Zomereik: stamomtrek 185 cm, hoogte 22 meter, diameter kruin 14 a 17 meter 17. Cunninghamia lanceolata (Lamb.) Hook 18. Taxodium distichum (L.) Rich. - Moerascypres: stamomtrek 346 cm 19. Corylus colurna L. - Boomhazelaar 20. Tilia tomentosa Mnch - Zilverlinde: stamomtrek 357 cm, hoogte 34 meter 21. Liriodendron tulipifera L. - Tulpeboom: stamomtrek 372 cm, hoogte 29 meter, diameter kruin 21 ü 25 meter. Alleenstaande boom 22. Cedrus atlantica 'Glauca' - Blauwe Ceder: stamomtrek 348 cm, hoogte 30 meter, diameter kruin 21 & 23 meter 23. Cedrus atlantica 'Glauca' - Blauwe Ceder: stamomtrek 322 cm, hoogte 23,5 meter, diameter kruin 19 è 23 meter 24. Sequoiadendron giganteum (Ldl.) Buchholz - Mammoetboom: stamomtrek 641 cm, hoogte 34 meter, diameter kruin 11 & 17 meter 25. Quercus robur L. - Zomereik: stamomtrek 243 cm, hoogte 27 meter, diameter kruin 13 è 18 meter 26. Sequoiadendron giganteum (Ldl.) Buchhlz - Mammoetboom: stamomtrek 500 cm, hoogte 30,5 meter, diameter kruin 10 a 12 meter 27. Sorbus intermedia (Ehrh.) Pers. 28. Platanus orientalis L. - Oosterse Plataan: stamomtrek 300 cm, hoogte 33 meter, diameter kruin 19 meter 29. Taxus baccata L. • Gewone taxus: stamomtrek 175 cm, hoogte 19,5 meter, diameter kruin 8 meter 30. Taxodium distichum (L.) Rich. - Moerascypres (groep van 10 exemplaren): stamomtrek variërend van 209 cm tot 347 cm, als groep aangeplant op het eiland in de grote vijver en in het domein van grote beeldbepalende betekenis

en zaadplanten waargenomen. Een grote diversiteit van soorten treft men aan in beboste gedeelten. De centraal open parkzone werd niet systematisch onderzocht: na een vrij oppervlakkige inventarisatie werden hier 99 verschillende soorten waargenomen. Het domein Breivelde behoort fytogeografisch tot het Brabants district (16), waar de volgende plantesoorten vrij zeldzaam zijn (de met een * aangeduide soorten zijn aangeplant en verwilderd): Kalmoes (*), Tongvaren, Gevleugeld sterrekroos. Geverzegge, Vingerhoedskruid, Sneeuwklokje (*), Ruw walstro, Wrangwortel (*), Dicht en Schermhavikskruid, Moerasrolklaver, Wolfspoot, Pijpestrootje, Muursla, Zompvergeet-mij-nietje. Plat beemdgras, Vogelkers, Moeraskers, Draadereprijs (*), Heksenkruid en Puntwederik (*).

Voorj aar spr acht Het voorkomen van plantesoorten die bepalend zijn voor het voorjaarsaspect van de kruidenlaag is het resultaat van een beheer dat er in het verleden op gericht was het park in esthetisch opzicht een aantrekkelijk voorkomen te geven. Zo zien we dat die plaatsen die ten behoeve van een zicht vroeger werden vrijgehouden, nog een opvallende voorjaarsvegetatie bezitten. Gp diverse plaatsen zijn deze zichten dichtgegroeid door natuurlijke uitzaaiingen, opslag, overjarig hakhout en recente aanplantingen van canadapopulieren. De zichtassen werden dikwijls ontworpen over zones met een hoge grondwaterstand (langs grachten, vijvers, bron- en kwelzones) waar voorjaarsvegetatie van nature al meer voorkomt. Door een gepast beheer (zoals het periodiek kappen van hakhout, het maaien en het afvoeren van het maalsel) kon de voorjaarsvegetatie zich vroeger goed ontwikkelen en in stand gehouden worden. Daar waar ten behoeve van het zicht een florissante begroeiing werd gewenst, maar waar niet de geschikte omstandigheden aanwezig waren of waar het beoogde niet kon bereikt worden met de aanwezige kruidlaag, werden vermoedelijk een aantal kruiden aangeplant. In het bosgedeelte langsheen de Parkstraat, meer bepaald in de nabijheid van de zichtas die in oostelijke richting loopt vanuit het kasteeltorentje, is deze "stinzenflora" nog aanwezig. Sneeuwklokje, Wrangwortel, Narcis, Breed klokje en Wilde hyacint zijn soorten die er, weliswaar in kleine hoeveelheden, nog te vinden zijn. Ten gevolge van een te grote schaduwdruk zijn de soorten in aantal verminderd. Het Lelietje-van-dalen doet het daarentegen heel wat beter. Een grote plek in het sterk uitgedunde bosperceel langs de westzijde van het domein, neemt geleidelijk aan in oppervlakte toe. Deze plant komt hier niet voor in een zichtas en het is daarom niet duidelijk of ze al dan niet is aangeplant. De kolonisatie van een aantal van deze soorten vanuit vroegere tuintjes is niet ondenkbaar maar kon tijdens ons onderzoek niet met zekerheid worden uitgemaakt. 23 M&L


Plantesoorten en water

Een uitgebreid bomensortiment

Het domein is in oorsprong een bronnengebied. Samen met de bronnen van de Bevegemse Vijvers (nu sportstadion en oefenveld) voeden zij de Bettelhovebeek. Bij de inrichting van het domein zijn de bronnen, die onophoudelijk water geven, aangewend om de vijvers te laten vollopen. De aanwezigheid van grote wateroppervlakken, bron- en kwelzones, moeras en gronden met een hoge waterstand, bieden een aantal planten de kans hier geschikte groeiomstandigheden te vinden.

Alle bomen die zich bevinden in de centrale parkzone werden grondig geïnventariseerd. De geïnventariseerde bomen kregen een volgnummer bestaande uit twee delen. Het eerste cijfer is het groepsnummer (een aantal bomen staat dan in groep bij elkaar) het tweede cijfer het individuele nummer. Indien het nummer maar uit één deel bestaat, betreft het solitaire bomen. Per boom werd een inventarisfiche aangelegd waarop de volgende gegevens staan vermeld: het inventarisnummer, de wetenschappelijke en Nederlandse naam (18), de stamomtrek, de hoogte, de hoogte van de takvrije stam, de kroonbreedte gemeten in de vier windrichtingen en een beschrijving van de groei wijze. Al deze gegevens vertellen ons iets over de vorm, de ouderdom en het voorkomen van de bomen (de objectieve kenmerken). De boominventaris werd ook aangevuld met een beperkte diagnose en een voorgestelde behandeling (subjectieve vaststellingen).

Waterrijke gebieden en gebieden waar nog sprake is van een relatief hoge waterstand worden steeds schaarser. Hier in Breivelde, waar water in het tuinontwerp een zeer belangrijke rol speelt, zijn de waterplanten en de moerasplanten als begeleidende begroeiing bij de vijvers, een waardevol onderdeel bij de inkleding en de verfraaiing ervan.

Een Blauwe Atlasceder (cedrus adantica (Endl.) Manetti c.v. Glauca (foto O. Pauwels) I M&L 24


Het eiland met moerascypressen (foto O. Pauwels)

Een chamaecyparis lawsonmna (Murr.) Poul. (eigen foto)

Er zijn 190 bomen op fiche verwerkt. In het domein zijn 54 verschillende boomsoorten en cultuurvariëteiten gedetermineerd waarvan er 46 in het centrale parkgedeelte voorkomen. De inventaris dient voornamelijk als werkdocument en als leidraad voor het verdere beheer van het park. Geregeld moet deze ook worden bijgestuurd omdat bepaalde omstandigheden kunnen veranderen en nieuwe feiten optreden: nieuwe aanplanten, afgestorven bomen, ziekte, schade... . Bij de evaluatie of een boom al dan niet als waardevol kan worden bestempeld werd enerzijds de verschijningsvorm (habitus, omtrek van de stam, hoogte en kroondiameter) en anderzijds het voorkomen van de soort (zeldzaamheid) in de beoordeling betrokken. Gedurende de inventarisatieperiode konden we vaststellen dat alle iepen ten gevolge van de iepziekte zijn afgestorven. Ook verdween hierdoor de zéér mooi bijgeknipte prieel-iep bij de waterput aan de grote vijver. Achter het kasteel is in 1984 een Mammoetboom omgevallen (groep 3, tussen 3.1 en 3.2) en ten gevolge van vandalisme zijn de onderste takken van de Ceders afgebroken en worden de Mammoetbomen

Mammoetbomen (Sequoiadendron giganteum (Ldl.) Buchholz) worden omwille van hun dikke, veerkrachtige schors nogal eens misbruikt als 'boksbomen' (foto O. Pauwels)

25 M&L


als "boksbomen" misbruikt. Bepaalde bomen zullen ten gevolge van bodemcompactatie afsterven of uitwaaien of zijn ten gevolge hiervan reeds verdwenen.

Breivelde werd ongeveer 100 jaar geleden aangelegd, en kon zich gedurende die hele tijd ontwikkelen tot een prachtig en waardevol domein. Uit de inventarisatie blijkt dat het domein een goed voorbeeld is van een 19de-eeuwse landschapstuin, met bijzondere kwaliteiten op het gebied van de tuinarchitectuur, de flora en de merkwaardige en zeldzame boomsoorten.

waarde die het te bieden heeft aan de bezoeker mag hier zeker niet uit het oog verloren worden. Als eigenaar staat de stad Zottegem in voor het onderhoud en beheer van het domein. Daar het domein als landschap werd beschermd zijn bepaalde werken onderhevig aan een toelating van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. Een goede samenwerking resulteerde reeds in het uitvoeren van een aantal werken die aan de kwaliteiten van het domein en aan de noden van de gebruiker ten goede kwamen. We denken hierbij voornamelijk aan het vrij maken van een aantal belangrijke zichten, het opnieuw plaatsen van een brug, het verbeteren van paden, het verzorgen van een aantal waardevolle bomen en het aanleggen van een groene bufferzone tussen het sportcomplex en het domein.

Voor het behoud van deze waarden dienen de gegevens uit deze studie dan ook verwerkt te worden tot een beheersplan; een beheer dat eveneens rekening houdt met de ontstane behoeften ten gevolge van de publieke openstelling van het domein. De educatieve

Dit is pas een begin ! Een continu beheer van het domein kan pas geschieden indien door de gemeente een planning wordt uitgewerkt. Naar eigen vermogen en middelen, kan dan gewerkt worden aan het behoud en de verbetering van een waardevol domein.

Tot besluit

Nummer

Wetenschappelijke naam Nederlandse naam

Stamomtrek

Hoogte

Hoogte takvrije stam

Fraxinus excelsior L.

4.84 m

30,8 m

4,5 m

Gewone Es

Kroonbreedte in de vier windrichtingen N:6.8m

O : 12,6 m

Z: 13,75 m

W:8m

Datum opname

Auteur: ADH/JA

Grociwijïe : zaailing, u- en L- oksels, doorgaande stam < 5 m, stam min of meer schuin Kroon : onevenwichtig, grillig van vorm Standplaats : dominerend, droge plaats, in plantsoen en kiezels Oorzaak achteruitgang ; bodemverdichting, plaatselijk ijle kroon, geen afgebroken takken, weinig afgestorven Diagnose : plaatselijk ijle kroon, geen afgebroken takken, weinig afgestorven takken, normale diktegroei, beschadigingen aan de wortels, caviteit van 2.35 m x 0.80 m (h.Xb.), ingroeiende boordstenen, reeds verzorgd aan stam en takken (uitkuisen holte, verankeren stam, snoei en verankering takken, respect, aug.-dec. 1982, juni 1983 en voorjaar 1984), aantasting aan de wortelvoet en stam door Honingzwam (Armillaria spec.) Voorgestelde behandeling : bemesten, onderhoudssnoei, stabiliteitscontrole, bodemverdichting opheffen, onderbeplanting aanbrengen Opmerkingen : van de verzorging bestaat een uitgebreid dossier op het B.M.L.

Een voorbeeld van een

M&L 26

bomen-inventarisatiefiche


Inventarisatiegegevens - periode 1916-1971 Door de familie Van Male de Ghorain werd een handschrift bijgehouden Mesures des arbres dans Ie pare de Grootenberge (1916-1971). Vijftig bomen werden nauwgezet opgevolgd en op regelmatige tijdstippen ging men de omtrek meten. Hiervoor werden de bomen gemerkt ("a hauteur marquee d'un rond blanc"). Uit de notities kunnen we de volgende wetenswaardigheden opsommen: - In 1921 werd één Pinus mugo (stamomtrek 120 cm) en één Pinus ponderosa (stamomtrek 125 cm) vermeld. Nadien zijn ze in de inventaris niet meer opgenomen. Tijdens de bomeninventarisatie in 1985 zijn deze soorten niet gevonden; we kunnen dus veronderstellen dat ze reeds lang zijn verdwenen. - Een ceder (uit de groep nr. 5) is in 1940 ten gevolge van een storm gevallen, hij was toen 75 a 80 jaar oud en werd in 1941 vervangen door een mammoetboom die in de kwekerij werd gestekt in de periode 1927-1930. De ceder had een inhoud van 5,157 nr en werd verkocht aan Lucien de Wolf voor 475,-fr. per nr. De stronk van de ceder is nog steeds aanwezig.

- In de nabijheid van de Libanonceder (6) is in 1964 een Araucaria afgestorven, vermoedelijk ten gevolge van een strenge vorstperiode. De boom had toen een omtrek van 165 cm. - Een Mammoetboom (bij het moeras) werd beschadigd ten gevolge van het vellen van een aantal abelen in de winter van 1963-1964. - Een Mammoetboom (groep 22-23-24) werd beschadigd ten gevolge van een blikseminslag op 31 mei 1964. Deze boom is door de gemeente, na de verwerving van het domein, geveld. De stronk is nog steeds aanwezig. - Een Canadapopulier (aan de grote vijver, "rhodos bas prairie") werd, nadat hij in november 1940 een grote tak had verloren, in 1947 verkocht aan Van de Mergel te Nederbrakel aan 900,-fr. per m3; hij had een inhoud van 7,9 tri. - Eik, Beuk en in mindere mate Canadapopulier en Es komen in de inventaris voor als produktiehout. - Ten gevolge van de storm van 25 januari 1990 is het domein ernstig beschadigd. Talrijke bomen zijn uitgewaaid of zijn onherstelbaar vernield waaronder een Mammoetboom (24) en een Blauwe Ceder (23).

Voetnoten (1) De werkzaamheden die aan deze publikatie vooraf gingen geschiedden in samenwerking met Arthur De Haeck en Paul Van den Bremt van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen, J. Awouters en R. Bruggeman, 3de-jaarsstudenten aan de tuinbouwschool van Vilvoorde en Melle, stagiairs tuin- en landschapsarchitectuur bij het Bestuur voor Monumenten en Landschappen (2) Het domein werd als landschap beschermd bij koninklijk besluit van 2 juli 1982 (3) De Potter F. en Broeckaert J., (1897). Geschiedenis van de Gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen, Reeks 5, deel 2, aflevering 8, p. 110. Herdruk, Zottegemse Culturele Kring, jaarboek 25 (1981). (4) Dussart F. en Claude L, (1975). Les villages de "dries" en Basse et Moyenne-Belgique, in Bulletin de la Société Beige d'Etudes Géographiques, Tome XL. In de 17de en de 18de eeuw was Grotenberge een dorp met schaarse bebouwing waar pas na de privatisering van de driezen te Grotenberge, in 1860 verandering in kwam. Nu zijn deze, met uitzondering van de Koekendriesch, verkaveld en nagenoeg volledig bebouwd. (5) Deze hellingbossen waren — naar men beweert — kerkelijke bezittingen die na de Franse revolutie in beslag zijn genomen en geprivatiseerd werden. De bewering kon vooralsnog niet bevestigd worden. Opzoekingen in het Rijksarchief te Gent (Depot Scheldedepartement) hebben niets opgeleverd.

(6) Stuk land en water ingericht om wilde eenden te vangen, een stelsel van bochten, nauw uitlopende sloten (pijpen), door een haag of heining omgeven, en waarin een partij roep- of kwaakeenden als lokvogels dienen (van Daele, woordenboek). (7) Bij het reinigen van de vijver werd immers een met wilgentenen versterkte en centraal gelegen visverzamelplaats gevonden. (8) Jachtterrein waar konijnen en dergelijke beschermd worden wandeldreef, park (van Daele, woordenboek) (9) Kadastrale mutatieschetsen (1871) betreffende het bouwen van een landhuis op de plaats waar voordien een paar oude huisjes stonden. (10) Het is op deze gronden dat later door zijn toedoen het Gesticht Onze-Lieve-Vrouw van Deinsbeke werd opgericht. College Onze-Lieve-Vrouw van Deinsbeke (1987). 125 jaar Onze-Lieve-Vrouw van Deinsbekecollege te Zottegem, Zottegem, Printor. (11) Zie ook: Baillieul B., Van der Linden G. en Van den Bossche H., (1982). Het Citadelpark in Gent, in M&L, jg. 2, nr. 1, p. 42-45, (12) Scheldegalm, 18 januari 1885 en 1 maart 1885. "SO Koopen boomen: 45 Eiken, waaronder eene molenas en verscheidene pestels, 22 Beuken, 6 Abeelen, 4 Steenolms, 1 Canada, 1 Acacia en 1 Erabel staande in 't beluik van 't Kasteel tegen de kerk te Grootenberge. Deze Boomen van de schoonste en 27 M&L

WÊÊim


gavigste die er bestaan, zijn van 2 tot 3 m. dik, en zijn allerbest geschikt voor alle soorten van nijveraars en ambachtslieden. Openb. verk. 3 maart 1885". Molenas: "Van oudsher was de molenas — de molenboom — in Vlaanderen steeds van eik: een boom, die na verwijdering van bast en spint, bij de voet een diameter had van vaak 60 cm ". Pestels: onderdeel van een houten gevlucht of wiekenkruis. "Een wiek bestond in Vlaanderen uit drie eikenhouten delen: de borst of de pestel en de twee einden" (Banters P., (1987). Vlaamse molens. Wind- en watermolens in Vlaanderen, geschiedenis - bouw - werking - recht, Antwerpen, Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedeschoon). (13) Kadastrale mutatieschetsen betreffende de aanpassingen van de perceelsgrenzen (1888) en kadastrale opmetingsschets van de grote vijver (1903). (14) Gegevens uit dit inventarisboekje worden later in de tekst besproken.

(15) De Langhe J.E., Delvosalle L., Duvigneaud J., Lambion J. en Vanden Berghen C , (1988). Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridofyten en Spermatofyten), Meise, Nationale Plantentuin van België. (16) Londo G., (1975). Lijst van de Nederlandse hydro- en freatofyten, Leersum, R.I.N. Obligate freatofyten: soorten die in Nederland uitsluitend groeien binnen de invloedssfeer van het freatisch oppervlak, dat zich in regel onder het maaiveld bevindt. Niet-obligate freatofyten: soorten die in Nederland hoofdzakelijk of vrijwel uitsluitend groeien binnen de invloedssfeer van het freatisch oppervlak, dat zich in de regel onder het maaiveld bevindt. (17) Boom B.K., (1980). Nederlandse Dendrologie, 11de druk, H. Veenmaan en zonen B.V., Wageningen.

De meerstammige Vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia (Lam.) Spach.) is een attractieve boomsoort (foto O. Pauwels)

M&L 28


Een plein voor een bibliotheek. Bij de heraanleg van het Monseigneur Ladeuzeplein te Leuven

Mark Derez

"Van het oogenblik waarop Leuven juichend aannam de bibliotheek te laten bouwen waar zij thans staat, nam eender welk stadsbestuur, de zedelijke verplichting op zich de omgeving waardig te maken aan het gebouw". De Volkswil, Weekblad der BWP-Arrondissement. Leuven, 18 september 1938.

De Universiteitsbibliotheek aan het Volksplein omstreeks 1930 (bijgekleurde prentkaart, Universiteitsarchief Leuven)

29 M&L

• •


Het Leuvense Monseigneur Ladeuzeplein dat nu wordt heraangelegd na de bouw van een ondergrondse parkeergarage, is een centraal plein in de stad, dat zwaar wordt gedomineerd door het indrukwekkende gebouw van de Universiteitsbibliotheek. De Leuvense universiteit is naar Europese maatstaven een vrij grote universiteit, die gehuisvest is in een betrekkelijk kleine provinciestad. De innige betrekkingen tussen een universiteit en de stad die haar gastvrijheid verschaft, worden in die omstandigheden wellicht onvermijdelijk gekenmerkt door een zekere spanning. Die spanning treedt het meest zichtbaar aan het licht onder het oogpunt van de materiële huisvesting, met name door de universitaire aanspraken op stedelijke ruimte. De integratie van de bibliotheek in het stadsbeeld verliep alvast niet helemaal probleemloos. Niet enkel werd oorspronkelijk de vestigingsplaats door de stad betwist, eenmaal het project gerealiseerd was, bleef er een onevenwicht bestaan tussen bibliotheek en plein, tussen de ivoren toren van de wetenschap en de plebejische activiteit — markten en kermissen — aan zijn voet. De naamsverandering van Volksplein in Mgr. Ladeuzeplein — de naam van een kennelijk in veler ogen 'volksvreemde', want Waalse rector — vermocht daar weinig aan te veranderen. De toeëigening van het plein door de universiteit was louter symbolisch. Van een harmonisering van plein en bibliotheek was slechts heel even sprake, in 1938; en dit is een verhaal apart. De omgeving van de bibliotheek, die sinds 1987 als monument is beschermd, blijft tot vandaag de dag problemen oproepen.

vooralsnog, want ze worden vandaag de dag wel erg verwaarloosd. Aan de veldzijde van de muur waren de grachten — die hun verdedigingsfunctie verloren hadden — in gebruik als oefenveld voor de stedelijke schuttersgilden, met name voor de Kleine Gilde van de Handboog (in het stadspark) en de Grote Gilde van de Kruisboog, die de aanzienlijkste schutterij van Brabant was. Aan de stadskant was het terrein van het huidige Mgr. Ladeuzeplein ingenomen door het in de 16de eeuw opgerichte maar goeddeels 17deeeuwse Clarissenklooster met zijn gotisch kerkje. Dit nonnenklooster werd in 1783 door Jozef II afgeschaft: de Clarissen werden het slachtoffer van de utilitaristische kerkpolitiek van de 'keizer-koster', waarin geen plaats was voor contemplatieve instellingen zonder maatschappelijke verdiensten in pastoraal, onderwijs of ziekenzorg. Al in 1781 was de bouwvallige Sint-Michielskerk, die over de gelijknamige stadspoort was gebouwd — één van de zeven wonderen van Leuven — gesloopt; het geseculariseerde kerkhof dat aan de stadszijde gelegen was, zou veel later worden geïntegreerd in het huidige Hooverplein. In 1786 begon de befaamde hofarchitect Louis Montoyer (ca. 1749-1811) met de sloping van het onnutte klooster en de al evenzeer onnutte stadsmuur erachter. Op instigatie van de architect kocht de stad een jaar later het kloosterrein en het aan de overkant van de stadsmuur gelegen oefenveld van de Grote Gilde voor de aanleg van een houtmarkt. Die houtmarkt zou palen aan een nieuw aan te leggen verbinding tussen de Diestse- en de Tiensestraat, waarvoor de stad in oktober 1786 een octrooi van Jozef II verkregen had. Die nieuwe straat door de Grote Gulden Hof moest vanuit de boven-

Een restruimte uit het Ancien Regime Toen de Amerikaanse architect Whitney Warren bij een terreinprospectie in maart 1921 zijn oog liet vallen op het door de Duitsers moedwillig platgebrande Volksplein, was dit wel het meest spatieuze plein van de stad. Het was tot stand gekomen na een doortastende urbanisatie in het begin van de 19de eeuw, die zelf grotendeels verband hield met de opruiming van materiële relicten uit het Ancien Regime aan het eind van de 18de eeuw (1). • Diagonaal over dit terrein liep de 12de-eeuwse ringmuur, die sinds Leuven halfweg de 14de eeuw een tweede omwalling met een veel grotere diameter had gekregen, aan militaire betekenis had ingeboet. De 1,7 meter dikke muur lag op een ruim 20 meter brede wal, waarachter een minstens 8 meter diepe en 20 meter brede gracht uitgegraven was (2). De gracht die op dat hoge punt van de stad droog lag, ontleende zijn defensieve kwaliteit helemaal aan zijn scherp V-vormige profiel en de steile buitenoever. Ter hoogte van het huidige Hooverplein bogen wal en gracht naar rechts af tot aan de Sint-Michielspoort op de Tiensestraat. De wal en de muur die nu nog in het stadspark zijn bewaard, sloten er daar op aan. Her en der in de binnenstad staan op het cirkelvormige traject trouwens nog resten van de muur overeind; M&L 30

De wal en de stadsmuur in het stadspark (pentekening van P. Combaz uit 1889, Universiteitsarchief Leuven)


\H

•Jf

• r» f*

i*"v'

' •-

5"\.

?

««;•

'-; ••« 53'»'

^

:

t>

i

'5

L n i 15 fii. 6a

"t

;>

»

•

fi

r>

l'

7)

iB

.

-.

3

"i'^

6 Tp-T a^fcÊüüz/^^VTüv^vfevi

1

i i

•••«~-:,-iV^.-rs-~"-'''

'

i'y

nill I i il I

;:; i:

t

A-l

t pi:

5

,,

Ml ff

• - ;

hel Clarissenklooster langs de Nieuwstraat. Het in 1513 gestichte klooster werd herbouwd tussen 1597 en 1634 tedelijke Musea Leuven)

*,

'IfEMrilfliilj ta 1

1, • • Pri

u i . . .

I! ilIJMilPiE-.^.^-H-ll-

, UB „

ü II

E

S'mh 'Si

•

•'S"

il-

^f^ -a/.

s5 "Ji*^-

He< Clarissenklooster gezien vanuit de tuin met rechts op een aarden wal een stuk van de stadsmuur met toren (pentekening, Stedelijke Musea Leuven) 31 M&L

• •


stad de doorsteek realiseren naar de Vaartkom, Leuvens toenmalige groeipool en de voornaamste preoccupatie van zijn ingezetenen. Dat was op dat moment van stadswege kennelijk de inzet van de hele operatie. Montoyer van zijn kant wou enkel de hand leggen op het bouwmateriaal van de vest — goed bekapte zandsteenblokken (uit Diegem en Zaventem) en bruine ijzerhoudende Diestiaanse zandsteen (wellicht uit Pellenberg) die hij best kon recycleren — en van de geplande houtmarkt kwam voorlopig niets terrecht.

Burgerheren op het Volksplein Door de vele regimewisselingen en militaire perikelen met de Brabantse en de Franse revolutie en de Oostenrijkse restauraties geraakte deze restruimte uit het Ancien Regime lange tijd niet ingevuld. Pas in 1795 werd de gracht gedempt en in 1806 werd eindelijk het terrein geëffend voor de definitieve pleinaanleg. Het duurde nog tot 1812 eer rond deze Place du Peuple, die korte tijd Place Napoleon heette, de

eerste herenhuizen verrezen. Uit die periode dateren de tekeningen met opstanden van de even fraaie als sobere gevelpartijen, die we ook nog van prentkaarten kennen: een zuinig classicisme met hooguit een langgerekt centraal fronton als versiering. Daar vestigden zich notabelen, renteniers, vrije beroepen en al wie met de burgerlijke revolutie zijn voordeel had kunnen doen (3). Aan deze 'Napoleontische' urbanisatie herinneren ook de straatnamen Rue Marengo (1801, de huidige Vital Decosterstraat) en Rue de l'Aigle (huidige Arendstraat) die aan weerskanten van het plein werden getrokken. De geplande Rue d'Austerlitz kwam er nooit. Op die plaats werd in 1829 de Graanmarkt (het huidige Herbert Hooverplein) aangelegd. Even zag het ernaar uit dat uitgerekend de industriële revolutie de burgerrust wreed zou komen verstoren: in 1836 met name wou het stadsbestuur het spoorwegstation aan de Graanmarkt optrekken om te vermijden dat een excentrisch gelegen station een splitsing van de stadskern zou teweeg brengen. Brussel had daar evenwel geen oren naar en het station kwam buiten de stadsmuren. Volksplein en Graanmarkt groeiden wel uit tot het natuurlijke centrum van de stadsuitbreiding met burgerwijken

De Sint-Michielskerk hoven de gelijknamige binnenpoort aan de stadskant. Omdat er, zoals in vele kerken, vooraanstaanden hegraven lagen liepen de levenden er als het ware onder de doden. Kerk en poort golden daarom als een van de zeven wonderen van Leuven (litho van A. Joos en E. Van Even, Louvain monumental, 1860) M&L 32


M&L

BINNENKRANT nr 45 / Bijlage bij M&L 9/2 - maart-april 1990

^fo, ,

DU

se •i

Kortrijk, Sinf-Martinuskerk. Ontwerp voor de restauratie van de toren met portaal. Architect Leopold Degeijne, 11 september 1873 (plannenarchief K. C. M. L)

.


Besluiten tot bescherming van monumenten, stadsen dorpsgezichten — Antwerpen (Linkeroever); Wijziging van het K.B, van 12.05,1980 houdende de rangschikking als landschap van de Blokkersdijk in verband met d e waterpeilaandulding (22.03.1989) — Zwijndrecht (Zwijndrecht): Wijziging van het K.B. van 12.05.1980 houdende de rangschikking als landschap van de Blokkersdijk In verband met de waterpellaanduiding (22.03.1989) — Leuven (Leuven): Broekstraat 2A; woonhuis met Inbegrip van de resterende muurfragmenten verwijzend naar het oorspronkelijk Lvormig complex (muurstuk langs de Broekstraat, bogenrij in gesinterde baksteen en de 4 muurstukken van de korte Dijlevleugel) (27.04.1989-M) Broekstraat 2A en onmiddellijke omgeving (27.04.1989 - D) — Mechelen (Mechelen); Opheffing van het K.B. van 13.12.1977 houdende bescherming als monument van het huis gelegen Persoonshoek 1 (20.06.1989) — Antwerpen (Merksem); Opheffing van het K.B. van 16.01.1978 houdende bescherming als monument en dorpsgezicht van het woonhuis en d e schuur van de hoeve Den Braet met onmiddellijke omgeving (Laaglandbaan 336) (20.06.1989) — Bredene (Bredene); Opheffing van het K.B. van 06.10.1980 houdende bescherming als dorpsgezicht van het vissershuisje gelegen Kerkstraat (20.06.1989) — Brugge (Brugge): Sint-Jorisstraat 69-71: schoolcomplex van de Rijksnormaalschool (23.07.1989 D) — Koksijde (Koksijde): Ruime omgeving van de voormalige abdijhoeve Ten Bogaerde (23.07.1989 -D) — Leuven (Leuven): Brusselsestraat 203 en 332: voormalige octrooigebouwen (23.07.1989 - M)

Leuven (Leuven): Mechelsestraat 41 (23.07.1989-M) Leuven (Leuven): Dlestsestraat: Blauwputgang met inbegrip van het handelshuis (Dlestsestraat 215) (23.07.1989-S) Londerzeel (Londerzeel): Burcht 5: De Burcht (18de-eeuwse herenwoning met bakstenen brug en hekpijlers, de kelders onder de schuur, de oude vestingtoren, d e funderlngsmassieven en d e omwalling) (23.07.1989-M) Mechelen (Mechelen): Sint-Katelljnestraat 31 (gevels en bedaklng) (23.07.1989-M) Niel (Nlel): Broeklel 11 kasteel (hekken en voorgevel met aansluitende bedaking) (23.07.1989 - D) Temse (Temse): Wilfordkaal 23; watermolen (23.07.1989 - M) Tervuren (Tervuren): Nieuwstraat 4; huis Langendonck (M) Nieuwstraat 4 en Brusselsesteenweg 8 en 10; huis Langendonck (23.07.1989-D) Tienen (Goetsenhoven): Gemeenteplein 16; Huize Nazareth (de middeleeuwse slottoren, de drie 18de-eeuwse woonvleugels en poortgebouw met korte zijvleugels en met inbegrip van de omheining) (M) Huize Nazareth en omgeving (23.07.1989-D) Dessel (Dessel); Hoeve De Boeretang (gevormd door het woonhuis, de stal/schuur en karhuis) (19.10.1989-M)

Stormschade januari en februari 1990 Ook aan de monumenten zijn de stormen van de voorbije maanden niet onopgemerkt voorbijgegaan. Drieëntachtig meldingen van schade tengevolge van d e stormen kwamen tot nu toe op het hoofdbestuur binnen. Monumenten die schade geleden hebben en nog niet in het onderstaande lijstje vermeld zijn, kunnen nog steeds gesignaleerd worden op ® 02/507.42.46 of 02/507.42.34.

M8cL BINNENKRANT

Een volledige inventaris wordt aan de bevoegde Gemeenschapsminister overgemaakt, die dan de nodige prioriteiten zal vastleggen. Bij de Executieve werd ondertussen door de Gemeenschapsminister reeds een verzoek tot bijkomende kredieten ingediend. De geleden schade betreft voornamelijk dakschade aan monumenten en gesneuvelde bomen in landschappen. Erg toegetakeld waren vooral de Grote Sterre te Domme en de Sint-Krlstoforuskerk te Londerzeel. Bij deze laatste is de Heer Waltniel, Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting, zich zelf van de toestand gaan vergewissen en werden reeds de nodige stappen gezet voor een dringende restauratie. De geraamde kostprijs voor het volledige herstel van de beschadigde monumenten wordt voorlopig op 190.408.000,-fr. geraamd. Minstens 36.910.000 hiervan is rechtstreeks aan de voorbije stormen te wijten. Hierbij dient opgemerkt dat voor ongeveer 75 % van de hieronder vermelde gebouwen reeds een raming werd ingediend en het reéle cijfer beduidend hoger ligt. De extra schade ingevolge stormen werd voor ongeveer de helft van de schadegevallen geraamd. Londerzeel (Malderen): Heidemolen Londerzeel: Sint-Krlstoforuskerk (toren en beuken) Landen (Walshoutem): hoeve Dlrick Huldenberg (Neerijse); kasteelhoeve d'Overschie Tienen (Kumtich): hoeve Kerkomstraat Zottegem (Grotenberg): Domein Breivelde Zottegem; Egmontkasteel Aartselaan Solhof Sint-Katelijne Waver (O.LV.Waver): Sandhoeve, Mechelbaan 33 Hasselt (Kuringen): Abdij Herkenrode Sint-Truiden (Metseren): watermolen Slnt-Trulden (Zepperen); rentmeestershuis Dlksmulde (Driekapellen): Hoeve Rood Huls


Ichtegem; kerk (onderste gedeelte van toren, koor en kruisbeuk) Antwerpen (Deurne); Boekenbergpark Westerlo; Marktplein, lindeboom Gent; Sint-Annakerk Evergem (Wippelgem); stenen windmolen Gent; Sint-Elisabethkerk Willebroek (Blaasveld); tamme kastanjelaar Holsbeek (Kortrijk-Dutsel): Sint-Katharinakerk Assenede; Sint-Pieters- en Sint-Martinuskerk Deinze (Petegem); Hoeve 't Nieuwgoed Nevele (Hansbeke); Sint-Petrus en Gemeenschapsminister L Wattniel bij de Sint-Pauluskerk Londerzeeise Sint-Kristoforuskerk... Lochristi; Duiventoren, Smalle Heerweg 24 Wetteren; Hof ten Honderd Alverlngem (Hoogstade); De Groene Poorte, Hoogstadestraat 51 Antwerpen; Hansa-building, Suikerui/ E, Van Dijckkaai Menen; molen de Goede Hoop Gistel: molen de Merelaan Rotselaar; molen Van Doren Steenokkerzeel (Perk); Teniershoeve (schuur) Asse; Kravaalbos Damme; De Grote Sterre Aalter (Poeke); Kasteel van Poeke Aatter; Sint-Corneliuskerk Kruibeke (Rupelmonde); watermolen en molenhuis Kruibeke (Bazel); kasteel van Wissekerke Hamme (Moerzeke); torentje van kasteel de Boompot Zwalm (Sint-Denijs-Boekel); hoeve omgeving kapel van Wijlegem Tienen; Paterskerk Knokke-Heist; Hazegrasstraat 122 Riemst (Millen); Hoeve Henrotte Hamont-Achel; Hoeve Beverbeek Tongeren; Onze-Lieve-Vrouwbasi... en naast de vernielde houten Heidemoliek len van Londerzeei (Malderen) Neerpelt (Sint-Huibrechts-Lllle); windmolen Tessenderio (Engsbergen); windmolen Landen (Attenhove); hoeve Ingebos Merchtem (Hamme): Hof te Hamme Grimbergen: Hof te Weerdestraat 95, Spiegelhof Tienen; Bostsestraat 15-17 Landen (Walsbets): Kerk Sint-JanBaptist Aalst; Osbroek Aalst: Stadspark Beveren; Hof ter Saksen Herentals (Noorderwijk): HogewegBeveren: Park Cortewalle molen Poperinge-Watou; Jonkheidstraat 5 Slnt-Amands (Lippelo); Hotter Melis Dilsen (Elen): stenen windmolen De Antwerpen; Zwartzusterstraat 11 Hoop Ranst (Oelegem); Runcvoorthoeve Tervuren (Vossem): Hof te Ouder(schuur) voorde Hove: Modelhoeve Holle; Basiliek Oudenaarde; Sint-Walburgakerk Alverlngem (Leisele); Inghelshot Heist op den Bera: Pelgrimhof Antwerpen; Cogels Osylei 9 Harelbeke (Hulste): Muizelmolen Antwerpen; Cogels Osylei 7 Lovendegem (Vinderhoute); Van Antwerpen; Cogels Osylei 35-37 Vlaanderensmolen Bonheiden; Berentrodedreet Geraardsbergen (Overboelare);

M8d BINNENKRANT

Baronie Overboelare Kruishoutem (Wannegem-Lede); kasteeldomein Lovendegem: Kasteeldreef Zedelgem (Loppem); Park van Calloen Zottegem (Leeuwergem): kasteeldomein Zottegem (Veizeke); populieren bij watermolen Beugelstraat Heuvelland: Kemmelberg Heuvelland (Loker): Scherpenberg Torhout: Wijnendalebos P. Van Lindt

De beschermingen in Vlaanderen van 1980 tot 1989 Bij de de aanvang van een nieuw decennium wordt vaak een overzicht gegeven van het vorige. Het leek ons gepast dit ook voor de beschermingen in Vlaanderen te doen, Het is de bedoeling van deze bijdrage om cijfermateriaal met betrekking tot het aantal beschermingen te leveren en enkele criteria voor de interpretatie ervan. In deze periode hebben zes ministers de bevoegdheid voor monumentenen landschapszorg gehad; Mevrouw De Backer (monumenten, stads- en dorpsgezichten) en de Heren Kempinaire en Galle (landschappen) (1980-1981), Poma (1982-1985), Dewael (1986-1988) en Waltniel (sinds 1989). Toevallig eindigde elke legislatuur rond de jaarwisseling zodat het eenvoudig is de cijfers voor elke minister apart te evalueren. In tabel 1 staan de cijfers per jaar voor de monumenten, stads- en dorpsgezichten en landschappen. Met daarbij het globale totaal per jaar en per rubriek. Monumenten, stads- en dorpsgezichten Bij deze cijfers horen evenwel enkele randbemerkingen. Het is immers niet altijd evident een monument als een eenheid vast te stellen. Dient een begijnhof als één monument te worden beschouwd (hcluis de begijnhofkerk) of als een verzameling van verschillende beschermde monumenten? In sommige gevallen werd een begijnhof in zijn totaliteit als monument beschermd, in andere gevallen — ten gevolge van verbouwingen en veranderingen in de structuur — werden slechts enkele begijn-

3


hofhuisjes beschermd. Bovendien kan de volledige bescherming van wat logischerwijze als een geheel dient beschouwd te worden in verschillende tazen gebeuren i bijvoorbeeld eerst de toren van de kerk, dan het koor en het schip, dan de verschillende huizen en tenslotte nog d e omgeving met het kerkhof als dorpsgezicht. Er is in het hier aangeboden cijfermateriaal getracht zoveel mogelijk entiteiten op zich te beschouwen en als 1 monument te tellen; toch zijn we ons bewust dat in verschillende gevallen andere interpretaties van de gegevens mogelijk waren. De bedoeling van deze getallen is vooral een globale kijk mogelijk te maken en bij benadering het aantal beschermde monumenten vast te stellen. Een tweede probleem bij de interpretatie van deze gegevens schuilt in de beschermingsprocedure zelf. Zoals bekend, bestaat de beschermingsprocedure (voor monumenten, stadsen dorpsgezichten) uit drie fasen die telkens een beslissing van de bevoegde minister vereisen. In de laatste fase is echter een tijdslimiet (1 jaar + 6 maanden) ingebouwd, waarna de beschermingsprocedure van rechtswege vervalt. Een beslissing vanwege de Minister (negatief of positief) dringt zich dan ook op. Een gevolg van deze procedure is dan ook dat de gevoerde politiek van de vorige minister tot ongeveer anderhalf jaar na zijn ambtstermijn kan doorwerken. Dat dit een rol kan spelen blijkt duidelijk uit de gemiddelde termijn van drie jaar die een beschermingsprocedure in beslag neemt, terwijl in feite technisch op ongeveer één jaar d e procedure rond kan zijn. Landschappen Bij het algemeen totaal van de landschappen moet rekening gehouden worden met het feit dat slechts sinds 1976 een onderscheid werd gemaakt tussen stads- en dorpsgezichten enerzijds en landschappen anderzijds. Hierdoor zijn verscheidene stads- of dorpsgezichten beschermd als landschap. Het veranderen van statuut is evenwel enkel via decreet of een volledig nieuwe procedure mogelijk. Roerend Sinds 1982 bestaat er eveneens een decreet tot bescherming van het roerend cultureel patrimonium. Dit patrimonium behoort nog steeds tot de bevoegdheid van de Gemeenschapsminister van Cultuur. Het geringe aantal beschermingen die in de eerste plaats als "test-cases" voor de procedure moeten beschouwd worden — vloeit voornamelijk voort uit het ontbreken van uitvoeringsbesluiten, zodat een ac-

M8cL BINNENKRANT

tieve beschermingspolitiek moeilijk te verwezenlijken is. Grafieken Grafiek 1 geeft de algemene totalen per jaar voor alle beschermingen samen. Grafiek 2 toont de evolutie voor de verschillende rubrieken. monumenten, stads- en dorpsgezichten en landschappen; het roerend patrimonium komt omwille van het verwaarloosbare cijfermateriaal niet voor. De grafieken 3 en 4 maken de vergelijking tussen Nederland en Vlaanderen, waarbij in grafiek 3 het totaal aantal beschermde monumenten in verhouding tot de totale oppervlakte weergegeven wordt en in grafiek 4 de absolute cijfers vergeleken worden. Voor deze laatste grafieken zijn de gegevens van eind 1987 gebruikt. In Nederland waren toen 42.551 monumenten beschermd, in Vlaanderen 4.284. P. Van Lindt

Conserving and managing parks and gardens University of York 20-22.11.1989. Net Centre for Conservation Studies van het institute of Advanced Architecturai Studies (loAAS) organiseert jaarlijks een programma van "short courses" die het gehele domein van de monumenten- en landschapszorg bestrijken. Het loAAS is een instituut met postgraduaat opleiding, dat in 1952 ontstaan is uit een reeks, sinds 1948-1949 in York georganiseerde, zomercursussen rond architectuur en geschiedenis. In 1961 werd bij de oprichting van de University of York het instituut hierin geïntegreerd. Sinds een twintigtal jaren is het loAAS en het Centre for Conservation Studies in de "King's Manor" ondergebracht. De King's Manor ligt in het noordoostelijk gedeelte van de terreinen der voormalige benediktijnerabdij van St. Mary, op ca. 200 m van de York Minster. Het oudste gedeelte van de King's Manor gaat terug tot de 13de eeuw toen hier het abtenkwartier van abt Simon de Warwick (12581296) stond. Het abtenkwartier werd onder Hendrik VIII in gebruik genomen als zetel van de regerende


Council of the North. De gebouwen raakten bekend als de "King's Manor" onder de latere Lords President Aartsbisschop Young (1564-1568) de Graaf van Sussex (1569-1572), de Graaf van Huntington (1572-1595) en Lord Sheffield (1603-1619). De Manor was Intussen uitgebouwd tot een complex van hof- en residentiele vertrekken, Vanaf de late 17de eeuw werd de Manor voor kortere periodes verhuurd aan prominente Yorkse wethouders. In het begin van de 18de eeuw was de Huntington-vleugel in gebruik als meisjeskostschool en na 1813 werd een gedeelte ervan National School. Van 1833 tot 1956 was in de Manor de Blindenschool ondergebracht. Sinds 1963 verhuurt de stad York het complex aan de universiteit van York die er in 1966 de loAAS in onderbracht. Momenteel zijn er dringende instandhoudingswerken aan gevels en bedakingen aan de gang. De short course "Conserving and Managing Historic Parks and Gardens" kadert in een reeks van 39 courses gaande van "Ecoanalysis of places" (de studie van de ruimtelijke omgevingsbeleving van de mens, 10-11.11.1989) over "Conservation and the Decorative Arts" (5-8.03.1990) tot "Conservation and the Industrial Heritage" (5-6.07 A99G). De conservering van historische tuinen en parken en de omgeving van historische gebouwen wint meer en meer aan belang. Zo heeft Engeland sinds kort een Official Register of Historie Parks and Gardens en kent Schotland een officiële Inventory. De short course was een introductie tot de organisatie en de aanpak van de conservering en de restauratie van parken en tuinen, meer bepaald op het vlak van het historisch onderzoek, beheersschema's, sponsoring, subsidiering, fiscale maatregelen.... Het gros van de lezingen werd gehouden door Peter Goodchild, BSc Dip. Land. Des. Dip. Con. Studies. Hij hield een inleiding tot de geschiedenis van de tuinkunst in het Verenigd Koninkrijk; had het over de inventarisatie en de verwerking van historische gegevens aangaande tuinen en parken; bracht enige uitgangspunten en principes inzake conservering en restauratie aan en leidde tot slot een terreinoefening en een discussie rond het gemeentelijk groenbeleid in de vroeg 19de-eeuwse Museumtuin (Municipal Garden) van de stad York. Mike Calnan, één van de zeven gardens advisors van de illustere National Trust had het in een vlot referaat, met typisch Trust accent, "Caring for the Gardens of the National Trusf' (20/11) over de "eigen" aanpak van hun historische tuinen en parken: ont-

luisterend, wanneer blijkt dat de Trust alles bij elkaar meer belang hecht aan de potentiéle inkomsten uit publieke belangstelling dan aan de historische, wetenschappelijke of esthetische waarden. Toch zijn de restauratie- en reconstructie-werkzaamheden in Biddulph Grange (Staffordshire) indrukwekkend te noemen; de heraanleg van terrassen en het terugzetten (sterk terugsnoeien) van hagen zijn een puik staaltje van kennis en vakmanschap. Patrick Philips', senior landscape architect en Cr/stal Palace Park coordinatorvoor de Leisure Services van de London Borough of Bromley, referaat "Urban Public Parks Today and Their Conservation (21/11) handelde over de herinrichting van het sinds de Tweede Wereldoorlog totaal verwaarloosde en aan vandalisme blootstaande Crystal Palace Park een van de belangrijkste realisaties van Joseph Paxton (1803-1865). Hier stond tot de grote brand, het wereldberoemde Crystal Palace. Paxtons origineel ontwerp kon onmogelijk worden herschapen; intussen was hier het National Sports Centre ingebracht. Een van de voorbeelden van wat men daar eufemistisch "institutioneel vandalisme" noemt. Philips en zijn team slaagden erin het park opnieuw aantrekkelijk te maken; de "Maze" werd gereconstrueerd, de Two Lakes" werden hersteld en in het kader van ae vandalisme bestrijding werden alle nieuwe elementen (toegangen, banken, papiermanden, plaatsaanwijzers) perfect afgewerkt, en bij opduikend vandalisme prompt hersteld of vervangen. Na enige maanden hielden de vandalenstreken vanzelf op, ondanks de duizelingwekkend hoge recreatiedruk. De zwaarste, maar mijn inziens de meest bruikbare brok was het dubbel referaat door Paul Walsh, Countryside Officer Landscape Architect, over "Setting up and financing conservation and restauration projects" (2] H1) en "Managements plans for historie Gardens and Landscapes" (21/11). De Countryside Commission werd in 1968 opgericht in vervanging van de National Parks Commission. De leden van de commissie worden aangeduid door de Staatssecretaris van Leefmilieu. Sinds 1982 opereert de Countryside Commission als een onafhankelijk (advies-)orgaan met een jaarlijkse dotatie van het Ministerie van Leefmilieu. Haar doel bestaat er enerzijds in de natuurlijke schoonheid en aantrekkelijkheid van het platteland te behouden en uitte breiden en anderzijds het platteland recreatief te ontsluiten. Daartoe doet zij onderzoek, beveelt zij gebieden van uitzonderlijk landschappelijk of esthetisch belang aan (de Country-

M8a BINNENKRANT

side Commission heeft een louter adviserende functie), ontwikkelt en test zij nieuwe beheersformules en verstrekt zij tenslotte toelagen inzake landschapsbehoud en toegankelijkheid making. Na de orkaan in zuidwest Engeland kregen zij een subsiaievoetje binnen in tuinen. De bijdrage over "Blemhelm Park the Management and conservation of an historic park - a managers and agenfs view" (21H1) door Philip Everett, land agent in dienst van de Hertog van Marlborough, bleek ontnuchterend; wie de illussie koesterde dat eigenaars van dergelijke historisch en toeristisch belangrijke parken en tuinen (hier komen meer dan 500.000 bezoekers a 3,5 per jaar) prioriteit zouden verlenen aan het behoud en de restauratie van hun gehele eigendom kwamen bedrogen uit; ook hier zou de verkavelingswoede onmeedogenloos toeslaan mochten de Countryside Commission en de Engiisch heritage niet jaarlijks fors met geld over de brug komen. De voormiddag van de laatste cursusdag werd ingezet door Gilly Drummond, Chairman van de Hampshire Gardens Trust, met een referaat over "County Garden Trusts and their role In the conservation of Parks and Gardens" (22/1 1). Gemakkelijkheidshalve zou men kunnen stellen dat de 13 County Trusts de tuinen die tussen de mazen van het National TR/sf net glippen en die op het niveau van de graafschappen belangrijk zijn, in de mate van het mogelijke opvissen, onder hun hoede trachten te nemen en de eigenaars pogen te motiveren de nodige instandhoudingswerken/ restauraties door te voeren. De gulden regel bleek de eigenaars niet te bruskeren met uitspraken als; "Dit Is een zeer belangrijke tuin! Als u hem goed onderhoud zullen wij eventueel voor een subsidie zorgen" of "Wij zullen u eens zeggen hoe u uw tuin behoorlijk onderhoudt" maar eerder de eigenaars te prijzen en je diensten en kennis aan te bieden.

Janie Burford, Director van de Painshill Trust, had het over 7ssue5 and Aspects of the Painshill Park ProjecT (22/11) waarin vooral tot uiting kwam dat de openstelling voor een ruim publiek van een historisch erg belangrijke tuin als Painshill Park heel wat praktische problemen als parkeergelegenheid voor 450 wagens, "facilities", kinderopvang, cafetaria enz... met zich brengt. Als de gemeentelijke overheid ook haar (begrijpelijke) politiek geïnspireerde inbreng in de inplanting van die dingen wil hebben dan leidt dit ook in Groot-Brittanniè tot "Be/gtócrte "toestanden en het driemaal laten uitvoeren van een milieueffect-rapport met even veel verschillende onderzoeksresultaten (want verschillende opdrachtgevers met verschillende belangen), enz... .

5


Het slotreferaat werd gegeven door Davis Jacques, Inspector of Historic Parks and Gardens van d e English Heritage. De English Heritage is het orgaan dat in Engeland, Cornwall en Wales d e officiële lijsten van d e historische tuinen opmaakt. De eerste lijst dateert van 1984 en is nu in herwerking. Men schat dat ca, 300 tuinen voornamelijk tuinen uit het einde van d e vorige eeuw en uit het eerste

kwart van deze eeuw - op d e lijst ontbreken, gewoon omdat niemand ze ooit gezien heeft. De dienst is door twee personen (onder-)bemand. De dienst staat ook in voor de subsidiëring van tuinen voor zover het om restauraties of wetenschappelijke reconstructies gaat. H. Van den Bossche

opbouw van een franciscaner-bernardijnerklooster en kerk. Het Verenigd Koninkrijk sleepte een recordaantal awards in de wacht met projecten gaande van de restauratie van historische gebouwen tot nieuwbouw in de Royal Botanie Gardens te Kew en de renovatie van de Michelin-building in London.

De 8 zilveren medailles gaan naar:

BUITENKRANT

Europa Nostra Prijzen Jaarlijks deelt Europa Nostra een 45 prijzen uit aan realisaties die een markante bijdrage leverden tot het behoud en de bekendmaking van het Europees bouwkundig en natuurlijk erfgoed. De geprijsde realisaties worden bedacht met een herinneringsplaket en een getuigschrift; de meest uilzonderlijke inzendingen worden beloond met een zilveren medaille,

Deidesheim (Bondsrepubliek Duitsland), Székesfehëvar (Hongarije), Cea-Orense (Spanje), verschillende plaatsen in Nederland en Chester in het Verenigd Koninkrijk. Zoals voorgaande jaren ging de meerderheid van de onderscheidingen naar Westeuropese landen. In 1989 behaalden evenwel twee Oosteuropese landen een award: Hongarije voor de restauratie van 13 plattelandswoningen en Polen voor de her-

België. — Bilzen: restauratie van de vroegere landscommanderij Alden Biezen, omgevormd tot een cultureel centrum. Bondsrepubliek Duitsland-. — Deidesheim: renovatie van een 14de-eeuws gebouw tot medisch centrum voor ouderen. Hongarije-. — Székesfehëvar: restauratie van dertien plattelandswoningen die nu voor verschillende doeleinden worden gebruikt. Nederland: — Restauratie van vijf kastelen en historische huizen o p verschillende plaatsen op initiatief van de kastelenvereniging van het Gelderland.

Spon/e; — Cantabria: behoud van de Cantabrische kustlijn en fauna.

Komen in aanmerking: restauraties van oude bouwwerken, renovaties, instandhoudingsprogramma's voor natuurlijke of historische landschappen, stadsrenovaties en andere, door privé-eigenaars, verenigingen, handelsvennootschappen, regionale of lokale besturen en staatsinstellingen, voor zover de werken beëindigd werden in d e loop van d e jongste 10 jaar. Met ingang van dit jaar wordt bovendien een prijs uitgereikt voor het project dat met een zilveren eremedaille werd bekroond en internationaal als meest indrukwekkend wordt beoordeeld. Inzendingen voor 1990 worden nog aanvaard tot 1 juni 1990. Op 31 januari laatstleden werden alvast de winnaars bekendgemaakt voor 1989. Van de ruim 200 projecten die in 1989 binnenkwamen werden er 50 bekroond. Van de acht eremedailles werden er twee toegekend voor het behoud van landschappen in Cantabria (Spanje) en Cumbria (Engeland). De andere gingen naar restauratie- en renovatieprojecten in Bilzen (België),

6

Het vernieuwde Anchor Brewhouse, in Londen: een brevet van verdienste waard

M8a BINNENKRANT


Luxemburg: — Lullange; verbouwing van een 19de-eeuwse hoeve tot opvangcentrum voor minder valide kinderen. Malta. — Valletta; restauratie van de 18deeeuwse kerk van de Vlucht van de Heilige Familie naar Egypte en van de aanpalende pakhuizen. Nederland: — Naarden; restauratie en versteviging van de vestingwerken met inbegrip van de grachten en aanlegplaatsen. Noorwegen: — Bergen; restauratie van een bankgebouw en omvorming tot restaurant.

Het Michelin House in Londen, na vernieuwbouw een must: goed voor een brevet van verdienste

— Cea-Orense: restauratie en heropbouw van het Cisterciènzerklooster van Santa Maria ia Real de Oseira, Verenigd Koninkrijk: — Borrowdaie, Cumbria: restauratie van de lastdierroute over de Sty Head Pas met gebruikmaking van de "p'fc/i/ngf'-techniek. — Chester; behoud en valorisatie van het historisch en bouwkundig erfgoed van de stad. Brevetten van verdienste werden uitgereikt aan: Beiglé. — Brusel: modernisering van een vroegere 19de-eeuwse brandweerkazerne, omgevormd tot woon- en winkelcentrum. — Gent; restauratie van het voormalig Hof van Ryhove ten behoeve van de stedelijke monumentendienst. Denemarken: — Kopenhagen; restauratie en heropbouw van Sankt Annae Plads 1 -3, een huis uit het midden van de 19de eeuw in Palladiaanse sfljl. — Renders; restauratie en modernisering van het Stovringgaard Kloster, gesticht in het midden van de 18de eeuw. Bondsrepubiiek Duitsiand. — vernieuwing van het gebouwencomplex van Unteres SchloG met

het oog op gebruik voor hedendaagse doeleinden. — Solingen; restauratie van het Richter-Haus, een vakwerkhuis gebouwd rond het midden van de 16de eeuw, en van de aangrenzende hoeve. — Weittingen; restauratie van een voor de helft in hout opgetrokken schuur uit de 17de-18de eeuw, nu ontmoetingscentrum en volksmuseum. Frankrijk — Avignon; restauratie van een vroeger zoutmagazijn tot veilingzaal, conferentiecentrum en bibliotheek. — Bénouville; restauratie van een 18de-eeuws kasteel voor gebruik als kantoorruimte en conferentiezaal. — Lizio: restauratie van het gehucht Val Richard om er een ontmoetingsplaats van te maken. ieriand. — Westgate; restauratie en aanpassing van de middeleeuwse Westgate toren, stadswallen en koetshuis om een museum voor heemkunde onderdak te bieden. italiê. — Napels; restauratie van de 18deeeuwse Villa Campoliato in Herculaneum, die voortaan als cultureel centrum dienst doet.

| M8a BINNENKRANT

Oostenrijk: — Reutte; restauratie van een 16deeeuws gebouw dat in de toekomst als museum gebruikt zal worden. Poien. — Poznan; heropbouw van het barokke franciscaner-bernardijnerklooster met kerk en van d e omgeving van dit gebouwencomplex. Spanje. — Leon ; restauratie van het Palacio Quifïones. — Madrid; restauratie van de Cine Dore uit het begin van de twintigste eeuw, die nog steeds als filmcentrum wordt gebruikt. Verenigd Koninkrijk: — Amesbury; restauratie van de 18de-eeuwse Chinese tempel bij Amesbury Abbey. — Angus, Schotland; vernieuwing van de gevels van het interieur van het House of Dun, een herenhuis van William Adam, met vernieuwing van de tuinen en het omgevend landgoed. — Alnwick; verbouwing van Calady Castle in Northnumberland voor residentieel gebruik. — Bellymena, Noord-lerland; behoud en milieu-technische verbetering van het dorp Gracehill, gesticht in 1761. — Bolton; oprichting van The Market Place, een nieuw winkelcentrum met integratie van de Market Hall (1850). — Buxton: vernieuwing en verbouwing van de Thermal Baths (midden 19de eeuw) tot winkelgalerij met restaurant. — Cheltenham; een tien-jarenprogramma om de stad nieuw leven in te blazen en haar Regencyarchitectuur te restaureren.

7


Zieden: — Visby; restauratie van The Triangle, een middeleeuws gebouwenblok, tot woningcomplex.

pilootregio's van de Campagne industrieel erfgoed samenvallen) thans door regionale werkgroepen voorbereid.

Zwitserland. — Lenzburg; heropbouw van het kasteel (12de tot 20ste eeuw) voor gebruik als cultureel centrum.

Het ICCIH-congres (3-8 september) gaat de Open Monumentendag vooraf, zodat kan gehoopt worden dat een deel van de buitenlandse afgevaardigden hun verblijf met één d a g verlengen, en op 9 september sites van de Open Monumentendag bezoeken. De W I A zal hiervoor de nodige promotie maken.

Voor alle bijkomende Inlichtingen: William Audland - Europa Nostra - 35 Lange Voorhout - 2514 EC Den Haag - Nederland.

Meer informatie over en inschrijvingsformulieren voor dit congres (kostprijs 10.000,-fr.) zijn te verkrijgen via de WIA vzw - Postbus 30 - Postkantoor Maria Hendrikapleln - 9000 Gent-12 S 056/35.91.02 of 056/77.96.24.

Het congres zal vijt onderzoeksthema's aansnijden; 1. De energieproduktie in samenhang met de grondstofwinning; 2. Transport en communicatie (kanalen, spoorwegen, landwegen, luchtvaart...); 3. Nijverheden met agrarische basis (tabaksnijverheid, stokerijen en brouwerijen, suikerratfinaderijen en maalderijen ...); 4. Voorbeelden van een interdisciplinaire aanpak van het onderzoek en toepassingen daarvan op de behandeling van welomschreven sites; 5. Ecomusea en nieuwe museologische benaderingswijzen van de industrialisatie.

Limburg; Hasselt (stad Hasselt): Oud Kerkhof Lommei (gemeente Lommei): Dorpswoonhuis Aerts Lommei (gemeente Lommei): OudGemeentehuis Overpelt (P. Wrthofs); Bemvoortste Molen Overpelt (v.z.w. Levende Molens); Wedelse Molen Oost-Vlaanderen; Beveren (Gemeente Beveren): Kasteel Cortewalle Zwalm (H. Colaert): D'Heuverhove

ICCIH 1990 Om de drie jaar vindt er ergens in de wereld een plenum-congres voor de studie en het behoud van het industrieel erfgoed plaats, de zogenaamde ICCIH-congressen (International Conference for the Conservation of the Industrial Heritage). Dit gebeurde achtereenvolgens reeds in Ironbridge (1973), Bochum (1975), Stockholm en Grangarde (1978), Lyon en Grenoble (1981), Boston en Lowell (1984), Wenen en Eisenerz (1987). Van 3 tot 8 september 1990 zal het zevende ICCIH-congres in Brussel plaats vinden, onder het thema "Techniek, organisatie van het arbeidsproces en de vorming van het industrieel landschap".

Leuven (O.CM.W.-Leuven): Klein Begijnhof Rotselaar (v.z.w. TSAP): Watermolen Maalderij Van Doren Tienen (Van Cleynenbreugel-Soetaerts): Bostsestraat 17-19 Zoutleeuw (kerkfabrief Sint-Leonardus): Sint-Leonarduskerk

Europese Gemeenschap Steun voor modelprojecten Zoals aangekondigd in het bericht dat als bijlage was gevoegd bij M & i 8/6 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen besloten om voor het zevende achtereenvolgende jaar haar actie voor het in stand houden en het bevorderen van het architectonisch erfgoed van de Gemeenschap voort te zetten. Het thema voor 1990 Is: "Historische gebouwen en complexen die bepalend zijn voor de stads- en dorpsstructuur". De aanvragen moesten o p 20 februari 1990 zijn ingediend. Vóór 20 april 1990 zal het Bestuur voor Monumenten en Landschappen bij de Europese Commissie zijn advies uitbrengen over de projecten in het Vlaamse Gewest waarvoor een aanvraag om steun werd ingediend. Hierbij volgt een overzicht van de aanvragen, ingedeeld per provincie:

Antwerpen: Antwerpen (OCMW.): Centrum Elzenveld Antwerpen (kerkfabriek Sint-Paulus): Sint-Pauluskerk - interieur Tongerio (Norbertijnerabdij v.z.w.): Keldermanshuis.

Op 5 en 6 september zullen de congresdeelnemers de verschillende regio's van Belgiè bezoeken. In Wallonië gaan bussen naar de provincies Luik en Henegouwen; d e W I A opteerde om in elke provincie een rondrit te organiseren: in de provincies Antwerpen, Limburg, Oost- en West-Vlaanderen worden de routes (die voor een gedeelte met de

Brabant: Halle (stad Holle, Kerkfabriek Sint-Martinus): Sint-Martinusbasiliek Leuven (Europese Vereniging ter Bevordering van d e Poëzie v.z.w.): Godshuis van de Heilige Drievuldigheid d e Zeven Slapers

8

M8cL BINNENKRANT

West-Vlaanderen; Anzegem (J. Verhaeghe): Oud Kasteel te Vichte Blankenberge (stad Blankenberge): Casino Blankenberge (Stad Blankenberge): Pier Brugge (stad Brugge): Civiele Griffie Brugge (N.v. Kunstcentrum Sint-Jan): Sint-Janshospitaal) Brugge (Brugse Maatschappij voor Huisvesting): Vlamingendam 5-17 In totaal werden dus 22 Vlaamse projecten ingediend. De beslissing over toekenning van financiéle steun zal in juli 1990 door de Europese Commissie worden genomen na het advies van een jury van deskundigen te hebben ingewonnen. M. Fierlafijn

Natuur 2000 natuurstudieen werkkampen De Vlaamse Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubehoud Natuur 2000 is een vereniging voor jongeren van 8 tot 25 jaar. De zowat 1000 leden, verspreid over 40 afdelingen in het Vlaamse land, werken allen intensief mee aan het organiseren van talrijke activiteiten in verband met natuur en milieu. Zo is er jaarlijks een lange reeks kampen en excursies, voert men acties voor het behoud van d e leefomgeving, worden er diavoorstellingen en filmavonden gegeven en sluit de ver-


eniging in december haar werkjaar af op een groot nationaal Congres. Aliemaai erg boeiend, zeifs voor de allerjongsten want voor deze 8 tot 12-jarigen bestaat een aparte kindetwerking. Tijdens de komende weekends en schoolvakanties heeft Natuur 2000 een ruim kampenpakket in petto. Voorkennis is niet vereist, wel een stevige interesse voor al wat groeit en bloertl 79-22 april: Paaskamp Voersfreek Paaskamp rond de typische voorjaarsflora, padden, kikkers, slakken en andere vieze beesten in één van de mooiste Vlaamse landschappen. Vervoer: groepsreis met de trein. Verblijf in kamphuis. Prijs; 1.500,-fr. Vanaf 12 jaar. 30 juni - 2 juli: Heideweekend te Kaimthouf Een typisch heidekamp met aandacht voor alles wat het natuurreservaat Kalmthoutse Heide als biotoop te bieden heeft (geologie, landschap, flora, herpetofauna). Vervoer; groepsreis met de trein. Verblijf in tenten. Prijs 950,-fr. Vanaf 12 jaar. 9-/4 juli: Werkkamp Slnt-MarfensLatem Beheerswerken in de Latemse Meersen Oost-Vlaanderen. Vooral maaien en hooien zullen aan d e orde zijn. Vervoer; groepsreis. Verblijf; kamphuis. Prijs; 600,-fr. Vanaf 14 jaar. 16-31 juli: Camargue Rondtoeren in één van de grootste en belangrijkste wetlands van Europa. Studie van de fauna en flora van de Rhónedelta. Vervoer; groepsreis met busjes. Verblijf in tenten. Prijs; 9.500,-fr. Vanaf 12 jaar. 26-30 juli: Werkkamp Oude Landen Beheerswerken in de Oude Landen, een oud stukje Scheldepolder ten noorden van de grootstad Antwerpen. Vervoer; groepsreis vanuit Antwerpen. Verblijf in kamphuis. Prijs; 600,-fr. Vanaf 14 jaar. 6-11 augustus: Werkkamp Zwarte Beek Maai- en hooiwerk in de vallei van de Zwarte Beek, een waardevolle biotoop met een unieke fauna en flora. Vervoer; groepsreis met de fiets. Verblijf in kamphuis. Prijs; 800,-fr. Vanaf 14 jaar. 13-18 augustus: Werkkamp FortOelegem Noodzakelijke beheerswerken in verband met het vleemnuizenreservaat (verbeteren overwinter/broedplaatsen en dergelijke op het ecologisch schatteneiland van d e Voorkempen).

Vervoer; groepsreis met de fiets. Verblijf in het fort zelf en in tenten. Prijs; 800,-fr. Vanaf 14 jaar. 7Ó-24 augustus: 2 jongerenkampen te Schiermonnikoog Speciaal voor kinderen van 8 tot 12 jaar: twee natuurkampjes op het mooiste Waddeneiland (16-20 en 2024 augustus). Vervoer: groepsreis met autobus. Verblijf in kampeerboerderij. Prijs; 3.500,-fr. 24 augustus-1 september: Nazomerkamp Schiermonnikoog Wadvogelonderzoek. HVP-tellingen, strandjutten Vervoer; groepsreis met autobus. Verblijf in kampeerboerderij. Prijs; 5.000,-fr. Vanaf 12 jaar. 8-9 september: Vieermulzenweekend Studie van vleermuizen in het vleermuizenreservaat Fort Oeiegem. Gebruik van batdetector en andere technieken worden aangeleerd. Vervoer: groepsreis. Verblijf in Fortgebouw en tenten. Prijs; 500,-fr. Vanaf 12 jaar. 29-30 september: Hertenweekend Noord-Frankrijk Zoogdierenstudieweekend met als centraal thema de bronst van de Edelherten. Vervoer; groepsreis. Verblijf in kamphuis. Prijs; 950,-fr. Vanaf 12 jaar. 5-6 oktober: Zeevogettrekweekend Cap Gris Nez. De klifkusten van de Boulonnais vormen een ideaal uitkijkpunt voor het observeren van voorbijtrekkende zeevogels. Studie van mariene biologie en fossielen. Vervoer: groepsreis. Verblijf in kamphuis. Prijs; 1.200,-fr. 72-74 oktober: Paddestoelenweekend Studieweekendje rond het (looObos als biotoop; zwammen, bomen, bodem ... in het Meerdaalbos (Leuven). Vervoer; groepsreis. Verblijf: Berkenhof. Prijs; 900,-fr. Vanaf 12 jaar. 2ó-29 december: Congres Sluitstuk van 1990 en aanloop tot 1991. Vergaderingen worden afgewisseld met natuurfilms, voordrachten en excursies. Prijs; nog te bepalen. Vanaf 12 jaar.

Wie meer inlichtingen wenst over deze kampen en weekends kan contact opnemen met het nationaal secretariaat, Bervoetstraat 33, 2000 Antwerpen, & 03/231.2604. Dit secretariaat is dagelijks open van 9.00 uur tot 12.30 uur en van 13 uur tot 18 uur, vaak ook later.

M8a BINNENKRANT

Koninklijke serres te Laken De Koninklijke serres te Laken zullen dit jaar voor het publiek toegankelijk zijn van 9 u 30 tot 12 uur en van 14 uur tot 17 uur op de hierna vermelde dagen; zaterdag 21 april zondag 22 april dinsdag 24 april woensdag 25 april donderdag 26 april zaterdag 28 april zondag 29 april dinsdag 1 mei woensdag 2 mei donderdag 3 mei zaterdag 5 mei zondag 6 mei Daarenboven kunnen de verlichte serres bezocht worden van 21 uur tot 23 uur o p d e hierna vermelde dagen; vrijdag 20 april zaterdag 21 aril zondag 22 april vrijdag 27 april zaterdag 28 april zondag 29 april vrijdag 4 mei zaterdag 5 mei zondag 6 mei Voor de avondbezoeken wordt een toegangsrecht gevraagd van 80,-fr. ten voordele van het Hulpfonds van de Koningin. Voor de personen onder de achttien jaar Is de toegang gratis. De ingang van de serres geschiedt: hoek van de Koninklijke Parklaan en de Van Praetiaan (standbeeld van Neptunus). Parking: Vorstenhuislaan het Kasteel van Laken).

(rechtover

Inheemse natuurlijke bouwstenen In historische monumenten De Rijksuniversiteit Gent, Faculteit van de Wetenschappen richt een vrije cursus in over de Geologie en petrografie van inheemse natuurlijke bouwstenen In onze historische monumenten. De cursus wordt gegeven door Dr. R. Nijs en Dr. G. De Geyter en behandelt volgende thema's: Balegemse steen, kalksteen van

9


Gobertange, Doornikse kalksteen, blauwe hardsteen, veldsteen, Dlestlaanse Ijzerzandsteen, Waalse marmers, kasselsteen van Quenast en Lessen, krijt van Maastricht, silex, psammiet, Luxemburgse zandsteen, fuffeau van Llncent, kwartslet van Tienen, leperse kalksteen, Brusselse zandsteen en kwartslet van het Masslet van Brabant. Van leder gesteente worden de volgende aspecten belicht; betekenis voor ons kunstpatrimonium, macroscopische en microscopische kenmerken, verwering, ontsluitingen, stratlgraflsche positie.

••••l^aHHBBHaHHBHBHHHHaBHHHi Plaats: Laboratorium voor Mineralogie, Petrografie en Mlcropedologie Geologisch instituut, Krijgslaan 281 (S8 - Cl) 9000 Gent. Duur: 15 uur (theorie, oefeningen en excursie). Datum: Vast te leggen na afspraak met de belangstellenden. Vermoedelijk drie opeenvolgende dagen (donderdag - vrijdag - zaterdag) midden mei. Ef 091/22.57.15 toestellen 2667 en 2656.

Monument te koop Zoals eerder reeds In deze kolommen werd vermeld wil M&L er toe bijdragen dat het bouwkundig erfgoed ook door de eigenaar zou worden gekoesterd. Daarom worden graag — en kosteloos — aankondigingen opgenomen voor nakende verkoop van monumenten. In de provincie Limburg worden alvast op 15 mei 1990 twee beschermde monumenten openbaar te koop gesteld, met name: — d e voormalige pastorie van het Begijnhof van Sint-Truiden, Poelstraat 1, een Maaslandse hoofdbouw (begin 18de eeuw) op 8 a 80 ca. beschermd bij Koninklijk Besluit van 12 april 1974. — de voormalige pastorie van Meiveren, Slnt-Godfrledstraat 11, een Maaslandse hoofdbouw (begin 18de eeuw) met merkwaardig Interieur en muurschilderingen, op 10 a 24 ca. beschermd bij Koninklijk Besluit van 8 december 1978.

Voor alle andere inlichtingen: Notaris Franz Aumann - Stationsstraat 14 — Sint-Truiden -&011/68.20.60.

De voormalige pastorie van Melveren, Sint-Godfriedstraat 1 h beschermd en te koop

De voormalige pastorie van het Begijnhof van Sint-Truiden, Poeistraat T. beschermd en te koop

LITERATUUR Die Ausstattung deutscher Kirchen im Mittelalter Uit recente tentoonstellingen In Nederland en Duitsland Is gebleken dat er de laatste jaren een toenemende belangstelling Is ontstaan voor de stoffering van oude kerkinterieurs. Wie de ontwikkeling van het kerkinterieur ten gronde wii bestuderen is nog steeds aangewezen op de werken van J. Braun. Het doorworstelen van deze dikke turven met hun ingewikkelde volzinnen vraagt van de lezer een flinke dosis uithouding.

10

Er was dan ook reeds lang behoefte aan een bondig, overzichtelijk handboek over dit thema. In 1988 bracht de Wissenschaftliche Buchgesellschaft uit Darmstadt een boekje op de markt dat aan deze behoefte voldeed. De auteur, A. Relnle, prof. In de kunstgeschiedenis aan de universiteit van Zurich, biedt In een vlot leesbare tekst een beschrijvende Inventaris van het roerend en onroerend patrimonium dat in de liturgie gebruikt werd. Muurschilderingen, glasramen, tegelvloeren, wandtapijten die samen met d e architectuur de sociale omraming vormen voor

M8a BINNENKRANT

de godsdienstige handelingen, werden niet opgenomen. De auteur bekijkt de voorwerpen niet in de eerste plaats als museumstukken of kunstobjecten, gerukt uit hun oorspronkelijk verband en bestemming; Integendeel, hij ziet ze als het historisch en artistiek patrimonium van een kerk, gegroeid tot een organische eenheid in d e loop der eeuwen en aangepast aan de wisselende smaak en veranderende liturgische gebruiken. Geografisch beperkt hij zich tot de Duitstalige landen; de voorbeelden en Illustraties verwijzen


dus naar deze regio maar de materie is toepasselijk op alle Westerse kerken. De tijdsgrens is niet duidelijk vastgelegd; de beginfase varieert tusen het vroege Christendom en de vroege middeleeuwen; als eindpunt neemt hij de Beeldenstorm en het Concilie van Trente, Het bronnenmateriaal omvat archivalische en iconografische documenten en de voorwerpen zelf. Een grote moeilijkheid is dat wat bewaard is gebleven niet representatief is, aangezien ruim 95 % van de realia verloren gegaan is. Een tweede probleem is; wat behoorde op een bepaald ogenblik in een welomschreven streek tot de normale inrichting van een landelijke kerk, een stadskerk, een kloosterkerk, een kathedraal? Schriftelijke bronnen, inventarissen en visitaties geven slechts een gedeeltelijk beeld. Wat bewaard is, is meestal van een kwaliteit die boven de middelmaat uitstijgt. Het kerkelijk patrimonium wordt onderverdeeld in 17 items, beginnend met het altaar als belangrijkste bestanddeel van het interieur. Plaats, functie, aantal en uitzicht veranderen in de loop der tijden en zijn aldus getuige van de evolutie van de godsdienstbeleving. Ook aan de opsmuk van het altaar met antependium, retabel en ciborium worden enkele bladzijden gewijd. Hierna volgt een beschrijving van het stenen (sacramentshuis, doopvont) en houten meubilair: kansel, lezenaar, sedilia, koorgestoelte, biechtstoel en kerkbanken. De kansel en biechtstoel waren louter gebruiksvoorwerpen zonder artistieke ambities en zullen pas na Trente tot barokke pronkstukken uitgebouwd worden. Kerkbanken voor de leken waren vóór 1500 onbestaande. Rijke families hadden soms vooraan in de kerk private stoelen en konden zich op die manier afzonderen van het gewone volk dat achteraan recht stond. In de volgende hoofdstukken worden uitvoerig het liturgisch vaatwerk, de verlichting, de paramenten en de verschillende vormen van reliekhouders behandeld. Het meest uitgebreide hoofdstuk is gewijd aan de devotiebeelden. Onbeperkt is het aantal santen en santinnen die de bedehuizen bevolkten. Elke heilige had zijn specialiteit waarvoor de gelovigen zijn hulp inriepen; vooral de heiligen tegen allerlei onheil waren bijzonder populair. Wegens plaatsgebrek beperkt de auteur zich tot de beelden die een rol spelen in de cultische handelingen. Hij onderscheidt hierbij 3 types; de dogmatische beelden, bijvoorbeeld het crucifix en de Madonna met kind; de zogenaamde handelende beelden, bijvoorbeeld Christus op de palmezel die in de processie op wieltjes werd voortgetrokken en de Hemelvaart-

Christus die op Hemelvaartdag feestelijk met een koord doorheen het gewelf naar boven werd gehesen; tenslotte de zogenaamde 7\ndachtsbilder" die appeleren aan het religieus medeleven en tot mystieke meditatie uitnodigen, bijvoorbeeld Christus op de koude steen en de piëta. In het hoofdstuk over de dodencultus wijst de auteur terecht op het belang van de funeraire kunst, die men aan de hand van de grafmonumenten in de kerken kan bestuderen. Als gevolg van verwaarlozing, vernieling en ontvreemding zijn de funeraire monumenten massaal verdwenen. Met veel verbeelding kunnen wij ons voorstellen welk fraai accent de stenen en geelkoperen vloerplaten met kleurig inlegwerk aan het kerkinterieur hebben gegeven. In het hoofdstuk over de bedevaarten, dat ons inziens in deze context niet thuishoort, verklaart de auteur op welke wijze een pelgrimsoord kan ontstaan; het graf van een beroemde heilige met liefst ook de zichtbare aanwezigheid van een reliek, miraculeuze verschijningen of de verering van een genadebeeld dat in een boom werd gevonden of uit een rivier werd opgevist. Bloemen en planten horen in een middeleeuws kerkinterieur niet thuis. De rage om altaren te veranderen in bloemperken dateert van de 19de en 20ste eeuw. Vegetatie kwam wel voor in de sacrale bijgebouwen; atrium, kruisgang. De voorstelling van de plantenwereld als onderdeel van de schepping was aanwezig in de architectuur (sluitsteen, consoles, kapitelen), het edelsmeedwerk, paramenten en andere textilia. Het boek is op een vlotte, boeiende manier geschreven en geïllustreerd met 80 wit-zwart foto's. De afbeeldingen zijn echter niet altijd representatief voor de inhoud. Soms geeft de auteur een uitvoerige beschrijving van een object zonder begeleidende illustratie, waardoor de informatie gedeeltelijk de mist ingaat. Het is niet zijn bedoeling al te diep in te gaan op de theologische en symbolische betekenissen, maar de lezer een wetenschappelijke gids aan te bieden tijdens zijn wandeling doorheen een middeleeuwse kerkinterieur. C Vanthillo

Reinle A, Die Ausstattung deufscher Klrchen lm Mlttelalter, Wiss. Buchgesellsch., Darmstadt, 1988. ISBN 3-53408803-4. Prijs; 1177,- (?) 334 blz., 80 zwart-wlt illustraties.

M8a BINNENKRANTi

AJ. Haartsen, A.P. De Klerk, J.A.J. Vervloet & G.J. Borger. Levend verleden. Een verkenning van de cultuurhistorische betekenis van het Nederlandse landschap in 1982 omschreven we het in Nederland als beleidsvoornemen gepresenteerde Structuurschema Natuuren Landschapsbehoud als een "in essentie technocratische opiossing voor wat eigeniijk een breed maatschappelijk probleem Is, te zeer vastgepind op het sectorkarakter dat men In dat document aan het beleid inzake natuur en landschap toekent".

0)

Met het in mei 1989 gepubliceerde Natuurbeleidsplan (2) wordt op dit structuurschema voortgeborduurd. De risico's van deze benaderingswijze zijn er nog duidelijker op geworden. Door de aandacht toe te spitsen op de realisatie/behoud van een "ecologische hoofdstructuur" lijkt voor Nederland de beruchte SLOSS-discussie (over de respectieve merites van één "single large or several small reserves") (3) voorlopig beslecht. Natuur- en landschapsbehoud verschansen zich in zo duidelijk mogelijk afgebakende en liefst zo ruim mogelijk bemeten territoria, voor de gelegenheid "kerngebieden", "natuurontwikkelingsgebieden ", "verbindingszones" genoemd. De "speerpuntgebieden" en "oondachtgebieden" die door de historische geografen worden afgebakend in Levend Verleden, één van de achtergronddocumenten van het Natuurbeleidsplan, vallen hier gedeeltelijk mee samen en werden waarschijnlijk ook geselecteerd op basis van dezelfde logica; het zoeken naar representatieve monsters van voldoende omvang en die zo nodig oplappen of bijwerken. Het beantwoorden van waarom-vragen die verder reiken dan een min of meer direct causaal verband is zeer moeilijk, zelfs voor professionele filosofen. Nochtans is dat zeer belangrijk want het kan de aanzet vormen tot een succesvol legitimatieproces voor het oprichten van dingen die voorheen overbodig leken. Levend Verleden is niet de eerste poging om het "zorgend omgaan" met de dingen die verslijten van een metafysische of efriische onderbouw te voorzien. Wat betreft de noodzaak van het bewaren van gebouwen en brokken natuur kan men een niet onaanzienlijke literatuurlijst opstellen. Voor een

11


gebouw ligt dot nog voor hond, zeker indien antiquiteit Brugge verkoopt. Ook de noodzaak van bewaren van natuur zai (met of zonder Gajahypothese) door weinigen betwist worden, zeker indien orchideeën, gefluit en andermans eigendom. Maar hoe verkoop je historisch-iandschappelijke patronen ? Wie maalt er om hoge boezemwateren, hollestellen, tuunwallen en daliegaten (Noordn.) of grient er om grienden en schurvelingen ? De poging van een van de auteurs om ook bij de leek eerbied voor die dingen op te wekken en, vervolgens, een waarderingssysteem op te bouwen waardoor de "landschapstypen" en daarna ook concrete, afgelijnde gebieden tegen elkaar kunnen worden uitgespeeld, berust op een constructie met drie categorieën waarvan status en onderling verband niet erg duidelijk zijn: 1° 'moffeven" (informatiemotief, welzijnsmotief); 2° "kernbegrippen" (verscheidenheid en liefst oud, continuïteit ten opzichte van vroeger, herkenbaarheid in d e "vormentaal van het cultuurlandschap");

d e streek karakterstiek hoevetype, de opgelegde kleur voor alle buitenschilderwerk geïnspireerd op de partij die in het district traditioneel de lakens uitdeelt. Als wordt aangekondigd dat "zal blijken dat de toepassing van sommige criteria meer voor de hand ligt dan die van andere", gaat de sjoemelpoort wijdopen, komt de heilige triade te voorschijn, nu in de vorm van + (hoog), ± (zozo), - (laag) en voelt men zich op slag tien jaar jonger, ten tijde van de discussie tussen de (blo)(eco)logen over gebruik en misbruik van dit type van waarderingen en kaarten. De "combinatiescore" die zowel d e nationale als internationale waardering voor een landschapstype uitdrukt, is een brute optelling van ordinale getallen die ten slotte dan weer een ordinale betekenis krijgen, namelijk om binnen de "speerpuntgebieden" een rangorde aan te leggen. De auteur verzucht p. 122 dat al deze getallenreeksen "een grotere nauwkeurigheid suggereert dan we kunnen verantwoorden", maar wij laten ons niet vangen, beseffen ook dat men hier probeert "appels en peren" met elkaar te vergelijken.

De valkuilen zijn legio, de paradoxen liggen op de loer, bijvoorbeeld deze, nogal platvloers maar toch gemeen i Als de waarde van een landschapstype stijgt met de zeldzaamheid van zijn specimens, vernietig ze dan op een paar na. Echte wetenschap doorstaat ook de absurditeitstest. Iets minder hilarisch is bijvoorbeeld deze suggestie ; De hoog in het vaandel geschreven regionale verscheidenheid en herkenbaarheid kan worden opgedreven door kunstgrepen die na enige rijping ook historisch worden, die met enige goede wil ook kunnen geënt worden op lokale traditie, zelfs in de urtümiichste Formen, bijvoorbeeld een brievenbusmodel als miniatuurweergave van een voor

Maar de paradox zit aan de wortel zelf en geldt voor iedere bewarende of beschermende overheidsbemoeienis: niet zelden zijn de geliefde objecten of elementen juist relicten of getuigen van spectaculaire breuken met wat voorafging. De auteurs geven daarvan zelf een pertinent voorbeeld: "De vroegere vervening was een vorm van ontgronding die inmiddels een alom gewaardeerd landschapsbeeld heeft opgeleverd. Ze ging echter wel ten koste van de cultuurhistorische kenmerken. Ditzelfde effect wordt veroorzaakt door de hedendaagse grondwinning. Grootschalige ontgronding kan een ernstige bedreiging vormen voor de herkenbaarheid van de historische landschapsstructuur" (p. 144). Mutatis mutandis: De onbezonnen vernietiging van de parels van onze romaanse architectuur heeft onze alom gewaardeerde gotische kerken en kathedralen opgeleverd etc. Dit houdt ook verband met de onmiskenbare willekeur bij de selectie van de "meest kenmerkende" landschapselementen. Sommige infrastructurele elementen (bijvoorbeeld turfvaarten) worden weerhouden, andere niet (bijvoorbeeld holle wegen) alhoewel bij de bespreking van de lössontginningen gezegd wordt dat ze heel bijzonder zijn (of gaat het hier om introverte "graften"'?'). Waarom geen bomputten, oude hoogspanningslijnen, verlaten spoorwegen etc. ? Zal de Siegfriedlinie als een respectabele "grenswal" of "landweer" kunnen bestempeld worden ?

12

M8a BINNENKRANT

3° "criteria" (zeldzaamheid, gaafheid, kenmerkendheid voor de natuurlijke terreingesteldheid, ouderdom, samenhang, diversiteit). Deze constructie kapseist onontkoombaar, niet alleen omdat bijvoorbeeld bij het inschatten van de zeldzaamheid van een landschapstype nationaal ën internationaal - elk "zinnig referentiekader" ontbreekt, zoals de auteur toegeeft (p. 79), niet alleen omdat het zonder meer evenredig stellen van zeldzaamheid en waarde zelfs als "economisch principe" vrij ongebruikelijk is, niet alleen omdat niet alleen de landschapstypen maar ook de criteria zich niet eenduidig laten definiëren ja elkaar overlappen of qua inhoud grotendeels verwisselbaar zijn.

Afgezien van bovenstaande tekortkomingen valt op de besluitvorming die leidt naar d e historisch-landschappelijke eindwaardering, uitgedrukt in een kaart en een tabel (p. 120-121), weinig aan te merken. Op de kaart worden de "speerpuntgebieden" (gebieden met een sinds 1840 nagenoeg onveranderde infrastructuur en percelering) en "aondachtgebleden" (alleen de infrastructuur bleef zichzelf) in kaart gebracht. 1840 is zowat de Ferrariskaart van Nederland maar welke mate van verandering binnen die gebieden kan geduld worden komt niet uit de tekst naar voor {"grotendeels"). Op die stabiele-gebiedenkaart wordt ten slotte de waarderingsscore voor de landschapstypen geprojecteerd en zo kent men ook hun betekenis. De auteurs trachten eventuele vergissingen toe te dekken met het argument dat elke waardeerder gebruikt: "witte gebieden zijn geenszins 'waardenloos'" (p. 118). Uiteraard, zij hebben een "lage" waarde (p. 79).

Het meest leesbare gedeelte vormt hoofdstuk 6, waarin d e diverse veranderingsprocessen en "vormen van bedreiging" per landschapstype worden besproken en waarin ook aanbevelingen met betrekking tot het beleid geformuleerd worden. Uitgangspunt vormt hierbij een dubbel streven i behoud van de verscheidenheid en behoud van de herkenbaarheid van de landschapsontwikkeling. Ook al om etische, esthetische en psychologische redenen ("het zich thuis voelen") is dit noodzakelijk. De voorstellen verschillen van type tot type maar hebben toch wel een gemeenschappelijke teneur: verandering O.K., maar dan alleen als versterking van het bestaande. Volgende aanbeveling is in dit verband tekenend i bij de verplaatsing van meer dan één boerderij in het landschapstype "kampontginningen met plaatselijk essen" zou men "bijvoorbeeld aan clustering aan een nieuw aan te leggen brink' kunnen denken (p. 134). Puristische bio-ecologen verheffen zich tegen "biotoopvervalsingj'. Hier is het de vraag hoever men kan g a a n met het ongenuanceerd toepassing van dergelijke principes zonder dat men ten slotte komt tot een pastiche-landschap. Maar ook pastiches dat wordt op termijn gezien historisch interessant.

(1) Afdeling Landschappen R.M.L.Z. (1982). Een analyse van de bruikbaarheid van het Nederlandse Structuurschema Natuuren Landschapsbehoud als beleidsinstrument voor de Vlaamse Gemeenschap. RMLZ-Documentatiemap Landschapsonderzoek nr. 5, p. 3-28.


(2) Ministerie van Landbouw en Visserij (1989). Natuurbeleidsplan Beleidsvoornemen in korf bestek. Visie op toekomstig beieid ten dienste van natuur en landschap. Den Haag, Staatsdrukkerij en Uitgeverijbedrijt N.V. (3) Zie a.m. Murphy D,D„ (1989). Conservation and confusion: wrong species, wrong scale, wrong conclusions. Conservation Biology 30), p. 82-84 R. Deneef Maarten A.J., De Klerk A,P., Vervtoet JAJ. & Borger G.J., Levend verleden. Een verkenning van de cultuurhistorische betekenis van het Nederlandse landschap. Achtergrondreeks Natuurbeleidsplan nr. 3, 's-Gravenhage, Ministerie van Landbouw en Visserij, 1989, 16 pp.

Martin Hermy Natuurbeheer Op initiatief van de Stichting Leefmilieu is in samenwerking met Natuurreservaten vzw en het instituut voor Natuurbehoud een verzorgd en uitgebreid geïllustreerd (met zowel kleurrijke foto's als tekeningen, grafleken, tabellen en schetsen) boek uitgegeven over natuurbeheer. Het unieke aan deze uitgave is dat het specifiek gaat over het beheer van de natuur In Vlaanderen. Het is geschreven door 22 auteurs, allen Vlaamse specialisten die de nodige kennis en ervaring hebben op hun terrein. De eindredactie werd waargenomen door dr. Martin Hermy. Natuurbeheer schenkt zowel aandacht aan planten en dieren, opvallende evenals onopvallende, als aan hun levensgemeenschappen en aan hun verbanden met d e omgevingsfactoren. De pubiikatie is opgebouwd in drie delen. Deel 1 gaat over natuurbehoud in het algemeen. Hierin wordt de geschiedenis van het natuurbehoud en zijn plaats In de huidige maatschappelijke context geschetst. Dit leidt tot een aantal uitgangspunten voor het natuurbehoud heden ten d a g e en tot hoofdlijnen van beleid. Daarnaast worden een aantal algemene natuurbeheersproblemen besproken. De nadruk wordt gelegd op het feit dat hoewel natuurbehoud en -beheer zich merendeels concentreert op reservaten, het van essentieel belang is dat alles in verband

met zijn omgeving bekeken wordt. Deze invloeden en wisselwerkingen (zoals waterhuishouding, voedingsstoffenstroom) kunnen te grote gevolgen hebben. Zo'n geïntegreerd beleid dient dan te leiden tot wat "natuurgericht basisbeheer en inrichting van de open ruimte" of "ecologish basisbeheer van het landelijk gebied" genoemd wordt. Aan de hand van een aantal concrete probleemstellingen wordt een totale natuurbehouds- en -beheersvisie opgebouwd.

een gepaste gebieden.

diversifièring

in

de

Dat de natuur complex is, dient niet meer herhaald te worden. Natuurbeheer brengt voor de beheerder, toch de hoofddoelgroep van dit boek, dan ook niet de pasklare oplossingen of recepten. Het te volgen beheer is nog steeds een uitvloeisel van de doelstellingen die men voorop zet voor bepaalde gebieden.

De beken en de rivieren worden als een apart hoofdstuk behandeld door hun grote betekenis als levensruimte en verbindings- en verbreldingselement voor vele inheemse planten en dieren.

Het boek is echter door de concrete, vlotte teksten waarin het beheer vanuit verschillende oogpunten bekeken wordt en waarin de mogelijke beheersmaatregelen met elkaar vergeleken worden, en door de uitgebreide referentielijsten samengesteld door vaklui die naast de algemene kennis d e nodige ervaring hebben met het natuurbeheer in bepaalde deelgebieden In Vlaanderen, een wetenschappelijk gefundeerde basis die de beheerder kan gebruiken bij het afwegen van het te volgen natuurbeheer.

De terechte kritiek dat lijn- en puntvormige landschapselementen van even groot belang kunnen zijn, wordt door de eindredacteur beaamd en enigszins ondervangen door te stellen dat deze 'kleine' elementen In een volgend boek uitgebreid aan bod zullen komen.

Het is tevens uniek referentiemateriaal voor verwijzingen bij onderhandelingen of besprekingen met derden over natuurbeheer en over de relaties en invloeden van de omgeving op de natuurgebieden. De toekomst van het boek als basisreferentiewerk lijkt dus verzekerd.

De hoofdstukken zijn gewoonlijk als volgt opgebouwd; een omschrijving, de belangrijkste omgevingsfactoren, de variatie in flora en fauna en hun gemeenschappen, de beheersdoelstellingen en de beheersmaatregelen en hun effecten en soms een evaluatie van het beheer.

Natuurbeheer is echter ook voor de natuurliefhebber in het algemeen een aanrader als een goed geïllustreerd, leerrijk boek waarin de natuur benaderd wordt in zijn verschillende facetten in relatie met de menselijke activiteiten en invloeden.

Deel 2 handelt over het eigenlijke natuurbeheer binnen de in Vlaanderen voorkomende 'traditionele' biotopen; de heide- en vengebieden, de duinen, de moerassen en het open water, de graslanden en de bossen.

Enkel het hoofdstuk over de duinen past niet geheel in dit stramien. Het is eerder een natuurbeschermingspamflet, op zichzelf interessant om te lezen, maar slechts gedeeltelijk bruikbaar binnen het opzet van het boek. In een laatste hoofdstuk van dit deel is ook de extensieve begrazing in al zijn vormen behandeld als veel gebruikte of overwogen oplossing voor de klassieke beheersproblemen (temeer daar men bij het onderling vergelijken van beheersmaatregelen tot de vaststelling komt dat extensieve begrazing de meest efficiënte maar een delicate totale beheersmaatregel kan zijn). In elk van de hoofdstukken pleiten de verschillende auteurs voor een brede visie inzake beheer, zowel wat faunaen flora- als landschapsecologische aspecten betreft. Aangezien men het beheer van planten en aieren bijna steeds als een geheel benadert, komt men dan ook bijna altijd tot het aanraden van

M8cL BINNENKRANT I

Deel 3 tenslotte behandelt het beheer in de praktijk. Zo wordt onder meer uitgewijd over beheersplannen, het beheersmateriaal, de uitvoering van beheerstechnieken, de evaluatie van de beheerstechnieken en werkkampen. Er wordt afgesloten met een hoofdstuk over de natuurbeherende verenigingen in Vlaanderen. Het boek wordt opgesmukt met 17 korte verhalen over uiteenlopende onderwerpen zoals Muskusratten, Conflictsoorten, Zaadbanken,... Deze intermezzo's verlichten het geheel, doch zorgen wel eens voor enige verwarring bij het raadplegen van de teksten. Een uitgebreide verklarende woordenlijst (352 woorden) en een register, samen met de inhoudstafel leveren een grote bijdrage tot het gebruiksvriendelijk karakter van wat een werkinstrument dient te worden. M. De Borgher

13


Martin Hermy (Red.), Natuurbeheer. Een uitgave van de Stichting Leefmiiieu vzw (Kredietbank), Natuurreservaten vzw en het instituut voor Natuurbehoud, in samenwerking met Uitgeverij Mare Van de Wieie. ingebonden. Formaat 25 x 32 cm. Kunstdrukpapier. Omvang 224 pp. 65 groot formaat kleurenfoto's en tientallen zwart-wit pentekeningen. Verkoopprijs: 1.375,-fr.

I

beschermd. Na enkele jaren onderdak te hebben verschaft aan het vredegerecht stond de pastorie sinds Abonnees op het blad Leefmilieu, 1975 leeg. Toch duurde het nog tot uitgegeven door de Stichting Leefmi- 1985 vooraleer de gemeente het lieu, en leden van Natuurreservaten gebouw als eigendom kon verwervzw betalen slechts 1.100,-fr. (exclu- ven en de architecten Steenmeijer sief 100,-fr. verzendingskosten). Zij die- en Vlaanderen met het ontwerp voor de restauratie konden beginnen. In nen dit boek dan wel te bestellen bij januari 1988 startte aannemer N.V. de Stichting Leefmilieu vzw, p/a Kredietbank, Kipdorp 11, te 2000 Antwer- Goedleven met de werken en daags pen & 03/231.64.48, resp. bij Natuur- voor de Open Monumentendag had de openingsplechtigheid plaats. reservaten vzw. Koninklijke SinteMariastraat 105 - 1030 Brussel IS 02/245.43.00 Uitgangspunt van de restauratie was het herinrichten van de oude pastorie tot gemeentelijk cultureel centrum, met annex een veredelde dorpsherberg of cafetaria. De belangrijkste aanpassingswerken beperkten zich tot het vervangen van een recente aanbouw door een glazen volume. Voor het interieur bleven de breekwerken beperkt tot het verwijderen van een ingebouwde kast en het kappen van een deuropening. Op de verdieping werd een enkele binnenwand gesupprimeerd en een andere vervangen door een vouwwand, werden er voorts twee toiletten ingebracht en een veilige trap naar de zolderverdieping, die daardoor in beperkte mate voor publiek toegankelijk werd.

RESTAURATIE

Een belangrijk aspect van de restauratie betrof de uitwendige afwerking van het gebouw en in functie daarvan het onderzoek van de nog aan-

De restauratie van de oude pastorie Sint-Jacobs te Kapellen De oude pastorie van Kapellen werd gebouwd in het jaar 1775 door pastoor Guide Knopff, zo leert het opschrift van de twee gevelstenen in de achtergevel. Deze bouwperiode wordt ook bevestigd door de steenhouwersmerken van Nicolaas Lisse op de deur- en raamomlijstingen. Het smeedijzeren hekwerk voor de pastorie werd door pastoor Augustinus Bausart in 1882 geplaatst. In 1937 werden de linker- en rechteraanbouw ingekort ten behoeve van een verbreding van de voetwegen tot de huidige zijstraten. Om deze reden werden de beide bijgebouwen bij de bescherming als monument van de pastorie in 1942 (K.B. 03 juli 1942) uitgesloten. Met het Koninklijk Besluit van 17 juli 1982 werden deze evenwel samen met de Sint-Jacobuskerk en de pastorietuin als dorpsgezicht

14

De pastorie Sint-Jacobs, te Kapellen. Tuingevel en zijgevel Oude Kerkstraat, vóór restauratie

M8cL BINNENKRANT


wezige resten oude afwerking op de gevels. Dit materieei-wetenschappelijk onderzoek was in het aanbestedingsdossier opgenomen en werd door de studiedienst van de firma Soiar uitgevoerd, juist na het piaatsen van de steiiingen en net voor een begin gemaakt werd met de gevelreiniging. Absoiute zekerheid over de gepleisterde en/of geschilderde afwerking van de pastorie anno 1775 leverde drt niet op. Enkele bevindingen zoals het verzorgde voegwerk — met schuin naar onderen afgestreken lintvoegen —, de afwezigheid van verfresten op de witstenen hoekblokken en de hardstenen raamomlijstingen zouden ook op een onafgewerkt baksteenparement kunnen wijzen. Het verschillend voorkomen van de straatgevel en de overige gevels laat vermoeden dat de voorgevel ooit grondig aangepakt en wellicht ook gereinigd werd. De voorgevel bleek grotendeels ontdaan van alle oude schilderlagen en het platvol, ruw voegwerk is wat overblijft van een 19de-eeuwse afwerking met gesneden voegwerk, waarvan alleen nog foto's en restanten rode verf getuigen. Het beste houvast voor een restauratieoptie bleken die niveau's van afwerking, die op alle belangrijke bouwdelen overtuigend werden waargenomen en waarvan hun samengaan verondersteld wordt op basis van een opvallende complementaire overeenkomst in de kleurend rkel. Het betreft de oudste afwerking op het baksteenparement — een dunne ongekleurde slemlaag van kalk afgewerkt met bleke oker — en de onderste verflagen op de witstenen daklijst, de houten kroonlijst en de dakkapellen — grijze verf op witte grondering —. De uitvoering gebeurde met een gevulde Keimverf.

Kenmerkend voor vele van de pastorletuinen, had deze tuin een rustige doch vrij strakke aanleg en, fungerend als wandel- en meditatieruimte, bevatte hij een rijk gevarieerde beplanting (deze tuinen waren door de opeenvolgende generaties bewoners meestal uitgebouwd tot een echte verzameling). Uit oude foto's en afbeeldingen kon de basisstructuur afgeleid worden: drie vanaf de pastorie vertrekkende en in de lengte verlopende paden, die verbonden werden door een aantal dwars verlopende verbindingen. Door drt padennet worden een aantal (rechthoekige) grasperken gevormd die afgeboord werden met

lage hagen. In deze grasperken stond, verspreid, een rijke variatie aan bomen en struiken. J. Wirtz ontwierp een reconstructievoorstel in deze zin. De voornoemde karakteristieken worden hierin geaccentueerd en uitgebouwd. De voorziene aanplantingen worden opgevat als een verzameling van soms vrij zeldzame cultuurvarièten van bomen en struiken, zodanig opgebouwd in gepaste verhoudingen inzake standplaats, grootte, bloeiwijze (vorm en kleur), groeivorm en dergelijke dat de open structuur bewaard blijft en dat er geen te overladen indruk gecreëerd wordt. De grasperken worden afgeboord met lage palm-

De oude pastorie tijdens de restauratiewerken

Wat deze restauratie vooral aantoont is dat de moeilijkheid bij alle kleuronderzoek weliswaar niet de materiële aantoonbaarheid van kleur en pleister is, maar vooral de interpretatie van de bevindingen naar een kleurstelling toe. Daarmee blijkt ook de noodzaak van een systematische studie en documentatie van de uitwendige afwerking van historische gebouwen in Vlaanderen. Bij elke globale restauratie zoals deze is een kleuronderzoek geboden, daar door de gevelreiniging onherroepelijk de toch al schaarse materiële getuigen worden uitgewist. Ook de tuin van de pastorie werd opgenomen in het restauratieproject, Hij bevond zich in een totaal verwaarloosde en afgetakelde toestand, zodat besloten werd tot integrale heraanleg. Deze nieuwe aanleg diende de karakteristieken van de voormalige pastorietuin te bevatten.

De tuingevel van de oude pastorie, na afwerking met een dunne ongekieurde van kalk

M8a BINNENKRANT

siemlaag

15


hagen. Een groot deel van de tuinmuren die op d e in de lengte verlopende perceelsgrenzen staan, wordt aan het zicht onttrokken door haagbeuk, Op de centrale as van de pastorie naar de kerk wordt een kleine ronde vijver (halverwege) en een gloriette (achteraan) voorzien, Op de zijpaden, ter hoogte van de dwars verlopende paden, worden alternerend houten rustbanken geplaatst. De aanleg wordt in de loop van dit plantseizoen uitgevoerd zodat de resultaten pas volgend voorjaar te zien zullen zijn.

Door de gepaste restauratie van de voormalige pastorie en door deze heraanleg van de tuin blijft, ondanks de nieuwe functie van het gebouw, het historische geheel van de kerk en pastorie met tuin bestaan. Dit project kan dan ook beschouwd worden als een geslaagd opzet dat in overeenstemming is met de doelstelling van de bescherming als dorpsgezicht van het geheel.

Aanbesteding; 27 oktober 1987 Vaste belofte: 22 november 1987 Inschrijvingsbedrag; 21.358.226,-fr, (B.T.W, exclusief) Subsidieerbaar bedrag: 14,204.462,-fr, (B.IW. exclusief) Uitvoeringstermijn: 220 werkdagen Bedrag subsidie; 10.518,181 ,-fr. (B.T.W. en algemene kosten inbegrepen) Aannemer: Firma Goedleven - Brasschaat Aanvang der werken: 9 februari 1988

A. Malliet en M. De Borgher

WET- EN REGELGEVING Roerend-onroerend: belasting over de toegevoegde waarde Onlangs nog werd hier het standpunt weergegeven van het Ministerie van Financiën, Centrale Administratie voor de BTW, registratie en domeinen, met betrekking tot het toe te passen BTW-tarief bij de restauratie van historische orgels. Voortgaande op de gebaande weg werden intussen bijkomende toelichtingen gevraagd inzake een aantal vermeend - roerende goederen, weliswaar onroerend uit hun aard of door bestemming. Waarop volgende reactie van het Ministerie van Financiën, Centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen, bij schrijven van 23 januari 1990: Het BTW-tarief van toepassing op de restauratie van de goederen opgesomd in uw brief van 4 augustus 1989 is afhankelijk van het feit of deze goederen ai dan niet onroerend uit hun aard zijn. in dit verband wordt opgemerkt dat het roerend of onroerend karakter van voormelde goederen beoordeeld dient te worden rekening houdend met de beginselen van het Burgerlijk Wetboek meer bepaald met de artikelen 517 tot 526 in verband met de onderschei-

16

ding van de goederen, en de daaruit voortvloeiende rechtsleer en rechtspraak. De restauratie van goederen die onroerend uit hun aard zijn, zoals grafmonumenten of -zerken, glasramen van een gebouw, muurschilderingen en wandbekledingen (bv. lambrizeringen), smeedijzeren hekkens die ingelijfd zijn in gebouwen of andere uit hun aard onroerende goederen, fonteinen op straten of pleinen en in parken, het kruis op een kerktoren, standbeelden die ingelijfd zijn bij de grond (een monumentaal standbeeld dat eenvoudig op de grond werd gezet moet als ingelijfd bij de grond worden beschouwd) en verlichtingspalen van een openbare verlichlingsinstaliatie, is bedoeld in tabel B, rubriek II, van de bijlage bij het K.B. nr. 20 inzake BTW-tarieven en is derhalve onderworpen aan het BTW-tarief van 17 procent.

De restauratie van roerende goederen of goederen onroerend door bestemming zoals torenuurwerken, kerkklokken, beiaarden, instrumenten, machines en orgels, is principieel onderworpen aan het normale BTWtarief dat thans 19 procent bedraagt. Wanneer deze goederen evenwel

M8a BINNENKRANT I

ouder zijn dan 100 jaar en derhalve antiquiteiten zijn als bedoeld in tabel A rubriek XXI, nummer 6, van de bijlage bij voormeld K.B. nr, 20, is de restauratie ervan onderworpen aan het BTW-tarief van 6 procent overeenkomstig tabel A rubriek XXVI, nummer 3, van de bijlage bij het genoemde K.B. nr. 20. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de restauratie van goederen die ouder zijn dan 100 jaar en die onroerend van aard zijn, nooit kan belast worden tegen het BTW-tarief van 6 procent op grond van voormelde rubriek XXVI, nummer 3, van tabel A van de bijlage bij het K.B. nr. 20, aangezien goederen die onroerend uit hun aard zijn, niet bedoeld zijn in rubriek XXI, nr. 6 van tabel A van de bijlage bij het K.B. nr. 20. Het BTW-tarief van toepassing op prestaties die het beveiligen van de In uw brief genoemde goederen tot voorwerp hebben, is afhankelijk van de aard van de belastbare handeling. In dit verband wordt opgemerkt dat de handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als aanhechting aan een gebouw van alarmtoestellen tegen diefstal, onderworpen is aan het BTW-tarief van 17 procent, overeenkomstig tabel B, rubriek II, nr. 5, van de bijlage bij het genoemde K.B. nr. 20.


Ontwerp uit 1786 voor een verbindingsweg tussen de Tiense- en de Diestsestraat in de richting van de vaart. Het tracé van de stadsmuur is precies weergegeven (octrooi van Jozef II, Stadsarchief Leuven nr. 3820)

l

i

*

l

>

•

4

1

•

l

1

^

•

,

.» •

•

i

i

i

4...

1

*

4

>

V

k

i

J ^

•>*

^ *

i

*

^ 4

»

,

^

^

^

'

¥

) ->

A

*

i

^

1 t

1

^

4

^

i

i

^ *

*

> *

1 —

•>

•

\

1

>

4

* *

v

*

i

+

*

,

^ >

1

-•

)

*

' 4

,

V *

5 l u p 0 «OM .

1

\

^

,

i

i

A

,

1

1| A

öc

•

i

-• 4 ^ 1 . - 4 s

i

1

J

»

;

4

i •••

•*

•.-••«'

•

i..

»•

4

( >

^ \ :

,'.ip

1

'

1 £e« vroeg ontwerp voor een Place de Napoléon met een opvallende dichte, stervormige aanplant (met waterverf gehoogde pentekening, Stedelijke Musea Leuven) 33 M&L


< Irlnfm 'eu,„ /*„,/,,, // 1 ,.,/:),, „rt J ft &*jfaiiul, Cen X- L •,>/,„",.„ fuiti/j

•/-l (ft», •,'»«

, f l«,

/}ln;,v*o

ff^a ^ n r

iï

iJ

nnj EnRC'iiEfi ' ^ E " * E Fl E ".rflMrllFiyiy

J. JL^L £iJt

/'; .,„/.., , , , , „ , / , . .', il-H*JmJ***U

f.,Jf,,.,' /: t,„>

i.ilnul

Gevelontwerp uit 1819 voor panden aan de Place du Peuple en de Rue Marengo in een sobere Empire, van de hand van architect Ange de Bnüjn (met waterverf gehoogde pentekening. Stadsarchief Leuven)

[••il iff,

~ÏJi|B

- •... Fraaie classicistische gevels voor vrijstaande herenhuizen aan de lange zijde van het Volksplein. Deze ontwerpen uit de jaren 1820 raakten nooit verder dan de tekentafel (met waterverf gehoogde pentekening. Stedelijke Musea Leuven)

M&L 34


h\] de la- PLACE NAi-'ULéJM

Ontwerp voor de Place Napoléon en de omringende straten. Op de plaats van het huidige Hooverplein zijn bouwkavels getekend langs de Rue d'Austerlitz (gehoogde pentekening, Stedelijke Musea Leuven)

die op het station waren georiënteerd. Vanaf 1854 rees boven het Volksplein de stompe toren van de neogotische Sint-Jozefskerk (architect E. Lavergne), de grootste kerk in de stad voor de rijkste parochie, die zich evenwel nooit een torenspits zou kunnen permitteren. Op het Volksplein waren intussen bomen aangeplant in 1810, en opnieuw in 1829: acacia's en populieren. In 1819 was het plein rondom gekasseid. Vanaf 1860 bestond de dubbele bomenrij uit linden en kastanjes. Sinds 1842 hadden de buurtbewoners erop aangedrongen dat er een artesische put zou worden geboord (4). In plaats daarvan kregen de omwonende notabelen in 1875 een grote gaslantaarn, die bij avond een melkachtig schijnsel wierp op de blanke gevelrijen. Van de kiosk weerklonk 's zondags marsmuziek voor de flanerende burgerij. Op de verjaardagen en feestdagen van het hof hield het Leuvense garnizoen er zijn parades. De generaal-majoor van het artillerieregiment schouwde dan zijn troepen die met gespan, affuiten en kanonnen over het plein trokken. Op het stadhuis telde men naderhand de beschadigde kantstenen (5).

Het Volksplein op een kadasterkaart uit 1813-1818. Het tracé van de stadsmuur loopt diagonaal over het plein in het verlengde van de Rue Marengo (Universiteitsarchief Leuven)

35 M&L


Muizenissen, vergeleken bij de ravage die Duitse troepen zouden aanrichten in de laatste week van augustus 1914. De vier kanten van het plein stonden drie dagen lang in lichterlaaie. Van de witte herenhuizen bleef alleen zwart geblakerd puin over.

Le sac de Louvain De brandschatting maakte deel uit van het 'strafgerecht' over Leuven, wilde terreur waarmee de bezetter zogezegd de acties van franc-tireurs wou betaald Het Volksplein met zijn classicistische gevelwand die in het midden zetten. Er vielen daarbij 209 slachtoffers en ruim 1100 bekroond is door een driehoekig fronton. Links de Vanderkelen- panden waren in de asse gelegd. Dat was de balans straat met het Sint-Ivocollege (prentkaart, verzameling Rik Uytter- van Le sac de Louvain, die een grote weerklank vond hoeven) bij de internationale publieke opinie. Wat daarin nog het meest tot de verbeelding sprak was de verwoesting van de universiteitsbibliotheek die toen nog aan de Oude Markt was gehuisvest. De verontwaardiging over deze aanslag op een onvervangbaar stuk cultuurpatrimonium en op de universitaire onschendbaarheid bracht een wereldwijde stroom van solidariteit op gang. Nog tijdens de oorlog ontstonden in 25 landen 6 Souvain. flaci du /W>/*. steuncomités voor Leuven die geld en boeken bijeenbrachten. De Amerikanen stalen de show met hun aanbod van een nieuw bibliotheekgebouw waarvoor ze de meest royale bouwkavel van de hele wederopbouw uitkozen: een rechthoek van 50 bij 70 meter op de plaats van een platgebrand huizenblok, aan het hoogst gelegen deel van het Volksplein tussen Arend-, Raven- en Blijde Inkomststraat, meteen het hoogste punt van de stad. Het provinciebestuur had dit terrein evenwel al bestemd voor het nieuwe gerechtsgebouw van architect Oscar Francotte. De nieuwe bibliotheek moest volgens Francotte maar aan de Amerikalaan (!) komen aan de oevers van de Het 19de-eeuwse Volksplein compleet met gaskandelaar en muziek- Dijle. Een voorstel om de bibliotheek op te trekken kiosk en in de achtergrond de stompe toren van de neogotische aan de noord-oostkant van het Volksplein werd door Sint-Jozefskerk (prentkaart, verzameling Rik Uytterhoeven) Francotte terecht verworpen met het argument dat de helling van het terrein de monumentaliteit zou schaden en dat bovendien één monumentaal gebouw al ruimschoots volstond op dit plein, dat voor de rest aan drie kanten moest worden omringd met eenvoudige burgerhuizen in dezelfde kleur en met zoveel mogelijk doorlopende horizontale lijnen. Niet zonder protest van het stadsbestuur en van de verongelijkte architect zwichtte de provincie voor druk van hogerhand. Nog in maart 1921 stond ze de bouwkavel van het Volksplein af aan het Amerikaans comité voor de bouw van de bibliotheek. Voor de stadsadvokaat was de conclusie onomstotelijk: "Au fond de tout cela on trouve évidemment faction et la victoire de l'Université, dont les interets et le prestige passent avant ceux de la justice et de la ville" ! (6). Het zou nog tot mei 1922 duren eer het Leuvense adviescomité voor stedebouw de plannen goedkeurde. Een maand later werd de bouwvergunning afgeleverd. Het Volksplein vóór 1914 met een dubbele rij kastanjebomen en een dertigtal meestendeels witgepleisterde herenhuizen, waarvan een zevental op de plaats waar na de oorlog de nieuwe universiteitsbibliotheek zou verrijzen (prentkaart, verzameling Rik Uytterhoeven) M&L 36

Op 28 juli 1921 was intussen al de eerste steen gelegd. Maar daarna lagen de werken stil, tot in de zomer van 1922, toen er eindelijk beweging op de werf kwam.


$'%IPlM{RiÉt|M

Boven: het Volksplein na "Ie sac de Louvain" van augustus 1914. De rood gekleurde percelen op deze stadsplattegrond zijn door de Duitse troepen in de asse gelegd. De Graanmarkt is grotendeels intact gebleven (Stadsarchief Leuven) Rechtsboven: het zwaar getroffen Volksplein vanuit de Vital Decosterstraat (prentkaart, verzameling Rik Uytterhoeven) Rechts: de imposante ruïnes van de herenhuizen op de plaats van het huidige bibliotheekgebouw, met rechts de onbeschadigde Sint-Jozefskerk. Op de Graanmarkt groeien jonge boompjes (Universiteitsarchief Leuven, schenking Leon Pitsi)

Terwijl het neo-renaissance gebouw moeizaam uit de steigers geraakte en de bouwcampagne door gebrek aan geldelijke specie met horten en stoten verliep, waren de andere kanten van het plein snel volgebouwd met nieuwe panden die in stijl varieerden van een voorzichtig modernisme, tegen de art-deco, aan tot de typische Leuvense vieux-neuf, die hier nochtans niet opgelegd was. Van een uniforme gevelarchitectuur, zoals die voor het 19de-eeuwse plein was aangewend, was hoegenaamd geen sprake. De bibliotheek kwam gereed in 1928 met twee jaar vertraging.

Een oorlogsmonument in neo-renaissance Het idee voor het herstel van de bibliotheek was in Parijs gerezen, in de schoot van het Institut de France. Maar het bouwwerk was in Amerikaanse handen. Als verbindingsman fungeerde de Amerikaanse architect Withney Warren (1864-1943). Zoals zovelen van zijn generatiegenoten had Warren zijn opleiding in Parijs genoten aan de Ecole des Beaux-Arts. Hij was lid van het Institut de France en behalve een bewonderaar van d'Annunzio in de eerste plaats francofiel. Tijdens de oorlog had hij in menig pamflet de tussenkomst van Amerika op het Europese slagveld bepleit (7).

Plattegrond van Volksplein en Graanmarkt, maart 1915. Luidens het bijschrift van stadsarchitect E. Frische is het gearceerde blok het meest geschikte terrein voor de bouw van het nieuwe gerechtshof (pentekening. Stadarchief Leuven)

37 M&L


Match* * » ( • » i t tl n«uMll* i- 'J •DE'1*SU. 4t ] Uni««rilt4

De Graanmarkt met in de achtergrond de zijvleugel van de universiteitsbibliotheek die nog in de steigers staat, omstreeks 1923 (prentkaart, Universiteitsarchief Leuven)

BIBLIOTHËQUE

DE

a8 J Ü l H i E T

[.OUVAIN io2 i

CÉRÉMONIE OM LA POSH DE LA i PIERRE Het menu voor het banket bij de eerste steenlegging van de nieuwe bibliotheek aan het Volksplein, dat hier met zijn flanerende studenten de allure krijgt van een binnenhof op een Amerikaanse campus (Universiteitsarchief Leuven)

Warren, die samen met zijn vennoot Charles D. Wetmore naam had gemaakt met de bouw van stations en luxehotels in New York, inspireerde zich te Leuven op de inheemse traditie van de zogenaamde Vlaamse of Nederlandse renaissance. Alleen is hier te lande geen gebouw van die omvang in die stijl bekend. In feite probeerde Warren te Leuven wat onze eigen architecten toentertijd, met name de Van Steenwinkels in dienst van de Deense koningen omstreeks 1600, enkel in het buitenland hadden kunnen realiseren: een grootschalige interpretatie van de noordelijke renaissance, majestueus op de rand van de barok (8). Te Leuven gewaagde men van een "Louis XIV brabanqon". De 80 meter hoge klokkentoren leek dan weer naar zuiderse, Spaanse voorbeelden te verwijzen; sommigen zagen er de Giralda van Sevilla in. Warrens architectuur miste in alle geval zijn uitwerking niet. De Leuvense universiteit was van ouds zeer zichtbaar aanwezig in het stadsbeeld; de bibliotheek zou voortaan evenwel alles in de schaduw stellen. Niet alleen door haar ligging en afmetingen vormde ze het meest monumentale complex in de binnenstad. Van meet af aan was ze ook bewust als monument M&L 38

De menigte op het Volksplein bij de inwijding van de Universtiteitsbibliotheek op 4 juli — de Amerikaanse nationale feestdag — 1928. Op de tribune hebben kroonprins Leopold en prinses Astrid plaats genomen. Doordat de wederopbouw perceel per perceel is aangepakt en er buiten de eigenlijke stadskern geen stijl werd opgelegd, hebben de pleinwanden hun vorige uniformiteit verloren (Universiteitsarchief Leuven)

geconcipieerd, met een doorwrochte architectuur en een uitgebreid iconografisch programma. De gehelmde maagd in de centrale topgevel en de hele menagerie met de heraldische dieren van de geallieerden op de volutengevels, stempelen het gebouw tot een oorlogsgedenkteken, een versteende herinnering aan de Duitse terreur tijdens de Eerste Wereldoorlog en de geallieerde solidariteit bij de wederopbouw. Spoedig ook zou het silhouet van de bibliotheek mede als embleem van de universiteit dienen. Een weerbarstig plein Het plein voor de bibliotheek lag er maar droevig bij. Het was nog niet geplaveid, vandaar de volkse benaming "Jeirkerlisse", in tegenstelling met de "Steenker-


lisse", de wel geplaveide Graanmarkt; "Kerlisse" verwees nog steeds naar het verdwenen Clarissenklooster. Een nivelleringsproject in 1931 bleef zonder gevolg. Het plein werd enkel opgehoogd met as van het gemeentelijk gasbedrijf, wat in de zomer voor het nodig stof zorgde. Wel prijkte er nu een standbeeld; dat van de Belgische diplomaat Sylvain van de Weyer (1802-1874), die in 1923 aan het station had moeten wijken voor het oorlogsmonument (9). Van de Weyer die te Brussel een blauwe maandag stadsbibliothecaris was, keerde de universiteitsbibliotheek hautain de rug toe. Aan zijn linkerhand werd hij geflankeerd door een enorme telefoonmast, een stalen pyloon, die met zijn schrille silhouet de spot leek te drijven met het monumentale anachronisme dat de bibliotheekarchitectuur was. De jonge kastanjebomen rond het plein vielen tegenover de omringende bebouwing nogal schraal uit. In 1930 moesten er 13 nieuw aangeplant worden omdat ze beschadigd waren tijdens de marktdagen (9). Tussen 1919 en 1932 werd hier immers op vrijdagmorgen de ellegoederenmarkt gehouden. Daarvoor moest het plein elke donderdagavond besproeid worden, zoniet leed de

Het Volksplein omstreeks 1928 met de nog niet geheel voltooide bibliotheek. Centraal prijkt Charles Geefs' beeld van Sylvain van de Weyer en uiterst rechts de telefoonmast. Het niet gedraineerde plein is duidelijk aan bodemerosie onderhevig (Universiteitsarchief)

Markt op het wederopgebouwde Volksplein in de jaren '20 (prentkaart, verzameling Rik Uytterhoeven)

koopwaar onder het opwaaiende stof. Bij slecht weer veranderde de markt in een modderpoel en regende het klachten van marktkramers (10). Wel leende het ongeplaveide terrein zich uitstekend voor balspelen. Vooral een soort kaatsspel, de zogenaamde "grosse balie" of "pelote", een door koning Albert gepatroneerde volkssport werd er druk beoefend (10). Het plein vormde bovendien het kader voor allerhande evenementen, circussen en vermakelijkheden, met de kermis als onbetwistbaar hoogtepunt.

De gloednieuwe bibliotheek vanop de Graanmarkt die nog met echte bomen is omgeven (foto Universiteitsarchief Leuven)

Tussen het bibliotheekgebouw met het academisch bedrijf daarbinnen én het plein met zijn plebejische activiteiten ontwikkelde er zich een zekere spanning, die allicht exemplarisch is voor de verhouding tussen 39 M&L I


stad en universiteit. De bibliotheek domineerde voortaan het plein, dat de stad maar node als vestigingsplaats had afgestaan. De bibliotheek opende zich ook naar het plein met een bogengaanderij beneden en met de enorme vensters van de leeszaal die op het plein uitzien. Van het plein zelf kwamen dissonanten: marktkramers en kermislawaai stoorden de bibliotheekgebruiker, terwijl kermistenten het monument visueel tekort deden. Het gebouw drong zich onweerstaanbaar aan zijn omgeving op, maar het plein gaf weerwerk, zowel functioneel als in zijn visuele verschijningsvorm.

In 1937 leek het er even op dat het contrast tussen de cultuurtempel en zijn profane context zou worden opgeheven; in het voordeel van de bibliotheek uiteraard. Toen circuleerde er onder enkele vooraanstaanden een groots plan van de Brusselse architect Henry Lacoste (1835-1968), die het Volksplein zou heraanleggen en inrichten als openluchtmuseum voor onze nationale beeldhouwer Constantin Meunier (18311905) (11). Lacoste wou van het plein een streng geometrisch geordende beeldentuin maken die door zijn hiërarchische aanleg geheel op de bibliotheek zou zijn afgestemd, "comme parachèvement et presentation

s*iif

Vroeg ontwerp voor de herinrichting van het Volksplein als openluchtmuseum voor Constantin Meunier. In de centrale as liggen nog 5 bekkens en in het bovenste bassin spuit een fontein. Met potlood is de plaats aangegeven voor de beelden van Meunier. Vóór de bibliotheek staan de Filosoof, de Rustende Arbeider, de Puddelaar, de Mijnwerker. Links van de cascade, van boven naar beneden: de Mijnwerker, de Metaalpletter, de Steenkapper, de Maaier, de Schipbreukeling, de Vruchtbaarheid; rechts: de Dokwerker, de Drinkende Man, de Mijnwerker met zijn lamp, de Zaaier, de Grauwvuurslag (bruine afdruk. Stadsarchief Leuven) M&L 40


totalisée, rêvée par les animateurs de l'oeuvre" (12). De cultuurtempel zou eindelijk een waardig voorhof krijgen.

Cultuur en socialisme Het initiatief daartoe kwam uit onverwachte hoek, van de kant van de stad, met name van de socialistische schepen Edmond Doms (1873-1940), die sinds de liberaal Raoul Claes ziek was het burgemeestersambt waarnam. Doms nam in de Leuvense politiek een ietwat aparte positie in. Om te beginnen was hij geen Leuvenaar, maar uit Turnhout afkomstig. Zijn echte politieke loopbaan was hij vrij laat begonnen, toen in 1919 na de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht het aantal socialistische volksvertegenwoordigers in Vlaanderen van 4 op 24 sprong. Vanuit Brussel was hij door de landelijke leiding van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) te Leuven gedropt, omdat men naar verluidt ter plaatse niemand vond die in de Kamer zijn mannetje zou kunnen staan (13). Jonge partijleden hadden zich aan het activisme verbrand en daardoor was de partij intellectueel afgeroomd (14). Doms' intellectuele achtergrond zorgde er wellicht voor dat hij in dit milieu wel altijd een buitenbeentje bleef. Doms had in het vormingswerk gestaan als docent in De Mans Centrale voor Arbeidersopvoeding en als publicist liet hij zich niet onbetuigd in de strijd voor de vernederlandsing van de Genste rijksuniversiteit. Ten tijde van zijn Leuvense 'entree' was hij kabinetschef bij Emile Vandervelde, op dat moment minister van Justitie (1918-1921). Te Leuven ontbrak het Doms nu eenmaal aan een natuurlijke basis. Bij de poll voor de parlementsverkiezingen zou hij worden overvleugeld door een aankomend advokaat uit Kessel-lo, Alfons Vranckx, een vertegenwoordiger van de jonge garde die meedreef op de vernieuwingsbeweging die de partij op haar rechterflank doormaakte. Doms plooide zich noodgedwongen op de gemeentepolitiek terug. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1932 had hij een eerste schepenzetel in de wacht kunnen slepen, een positie die nog aan belang won doordat de bejaarde liberale burgemeester zijn ambt feitelijk niet kon uitoefenen en vanaf april 1935 zelfs nooit meer op het stadhuis verscheen. De liberalen lieten toen helemaal verstek gaan en de socialisten slaagden erin hun stempel op het gemeentebeleid te drukken; ook cultureel. Het was rond die tijd, in januari 1936, dat Henry Van de Velde van het Leuvens stadsbestuur de opdracht kreeg voor de bouw van een technische school aan de Rijschoolstraat (15). Al bij al was de politicus Doms in 1936 wat op zijn retour, maar als waarnemend burgemeester van een middelgrote provinciestad beleefde hij alsnog een aardige "fin de carrière". Misschien was in de toekomst nog de echte burgemeesterssjerp voor hem weggelegd. Doms had zich met allerhande opruimingsacties en opknapbeurten al een reputatie opgebouwd als behoeder van het stedeschoon. Het is in

Waarnemend burgemeester Edmond Doms (1873-1940) (foto Le Parlement beige, Brussel 1930)

die context niet onbegrijpelijk dat hij zijn ambtstermijn wou afsluiten met een in het oog vallende stedebouwkundige ingreep, of minstens met de aanzet daartoe. Overigens waren de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1938 in aantocht. Van hun tegenstrevers zouden uitgerekend de socialisten te horen krijgen dat ze enkel oog hadden voor stadsverfraaiing. Doms zelf kon zich daarin wel eens vergalopperen en dan waren vergissingen niet altijd uit te sluiten; getuige zijn project tot overkluizing van de Dijle aan de Lei, in de vóór de oorlog weggesaneerde Slachthuiswijk, waaraan hij naar verluidt koppig bleef vasthouden maar dat gelukkig nooit tot uitvoering kwam.

De rector op de kermis Het socialistische initiatief met betrekking tot de heraanleg van het Volksplein vond merkwaardigerwijze meteen bijval aan de universiteit, met name bij rector Paulin Ladeuze (1870-1940), die — en ook dat is opmerkelijk — vanaf het eerste uur bij het project betrokken werd. Van een dergelijke samenspraak tussen stad en universiteit inzake de inrichting van hun territoor kunnen wellicht maar weinig voorbeelden worden aangehaald. Rector Ladeuze had zo zijn eigen redenen om Doms' project te steunen en die 41 M&L


Een openluchtmuseum voor Constantin Meunier Rond het programma van een openluchtmuseum voor Meunier konden beide partijen zich vinden. Vanzelfsprekend de socialisten, die met de aanleg van deze "Voie triomphale du Travail" duidelijk hun bewind konden markeren. Dit zou een betekenisvolle culturele bijdrage vormen. De werken van Meunier, tenslotte een ietwat socialiserend kunstenaar, vormden een programma op zich. En dit was niet noodzakelijk revolutionair. Van eventuele revolutionaire aanspraken van de socialisten hoefde trouwens geen burger meer wakker te liggen sinds in november 1918 de Leuvense BWP samen met de liberalen in het schepencollege de Belgische voorhoede had opgeroepen om zo snel mogelijk het door Duitse soldatenraden aangewakkerde volksoproer te komen neerslaan. De verheerlijking van de arbeid a la Meunier sloot

Mgr. Paulin Ladeuze (1870-J 940), rector van de Katholieke Universiteit Leuven (1909-1940) (Universiteitsarchief Leuven)

lijken op het eerste gezicht banaal: Ladeuze wou gewoon eens en voorgoed van de kermis af, die tweemaal per jaar haar tenten onder de ramen van zijn bibliotheek opsloeg. Bovenal stoorde hem de geluidshinder van luidsprekers en foorattracties, waaronder tijdens de winterfoor niet alleen de lezers te lijden hadden, maar ook de studenten van de werkcolleges die plaats vonden in de seminarielokalen van het complex . De barakken verdrongen zich tot tegen het gebouw, wat de architectonische uitstraling ervan niet ten goede kwam. Een en ander was op zijn minst schadelijk voor het prestige van de instelling. De rector verlangde naar de dag dat hij zich niet langer zou hoeven te schamen wanneer hij buitenlandse gasten naar de bibliotheek moest loodsen "a travers des échoppes et dans Ie boucan d'une foire" (16). Het viel echter te verwachten dat de gemiddelde kermisganger maar weinig oor had voor de rectorale argumenten. De kermis botweg van het plein verwijderen zou enkel de volkswoede opwekken. De foor kon alleen weg als het plein blijvend benomen werd door een vaste structuur, zoals de door Lacoste voorgestelde beeldentuin er één was. I M&L 42

De ijstaart die deze klassiek gedrapeerde dame presenteert is het Monument van de Arbeid. Affiche van Omer Dierickx (1863-1939) voor de Meunier-tentoonstelling van 1909 in het gloednieuwe Arenberginstituut (Universiteitsarchief, foto Paul Stuyven)


behalve klassebewustzijn ook arbeidsethos in. Daardoor kon Meuniers "ouvrierisme" moeiteloos worden ingeschakeld in een project van staatburgerlijke opvoeding: kunstinitiatie via een beeldenroute leek bij uitstek bij te dragen tot de volksopvoeding en zal ongetwijfeld de 'cultuursocialist' in Doms hebben aangesproken. Van stadswege trad voorts de gevierde Leuvense kunstschilder Alfred Delaunois (1875-1945) als gangmaker op. Deze leerling van Meunier, die Felix Timmermans tot de grote mystiekers in de katholieke kunst rekende, was directeur van de Academie, die in het jubeljaar 1930 een retrospectieve aan de grote Belgische kunstenaar Meunier gewijd had. Aan de universiteit vond Meunier een pleitbezorger in de persoon van professor kanunnik Armand Thiéry (1868-1955), een filosoof die zich ook als bouwmeester had ontpopt en nog andere zijwegen bewandelde. Deze estheet, die mordicus de visuele kwaliteit van de omgeving van de universiteitsbibliotheek wou verbeteren, was sinds lang een bewonderaar van Meunier, volgens hem noch min noch meer "Le MichelAnge des Travailleurs". In het sterfjaar van de kunstenaar had hij aan hem een panegyriek gewijd in de Revue Néo Scolastique, het eerbiedwaardige Leuvense tijdschrift voor filosofie (17). De universiteit had trouwens een Meunier-traditie sinds Thiéry in 1909 een overzichtstentoonstelling had georganiseerd ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van de 'gerestaureerde' universiteit (18). In de tuin van het Arenberginstituut was toen ook een versie van Meuniers Monument van de Arbeid te zien. Het bewuste monument, dat Meunier zelf als de bekroning van zijn oeuvre aanzag, had in 1930 eindelijk een plaats gevonden aan de Van Praetbrug in Laken. Kanunnik Thiéry had het ooit liever in de basiliek van Koekelberg gezien (19). Gipsen afgietsels van de reliëfs prijkten te Leuven al op de binnenkeer van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, onder het waakzaam oog van de kanunnik.

Hel Monument van de Arbeid op de Meunier-tentoomtelling van 1909, met op de achtergrond het Amerikaans College (Liber Memorialis des Fêtes-jubilaires de l'Université Catholique de Louvain, 1909)

snel opvolgende koloniale of universele tentoonstellingen. Sinds de periode van de wederopbouw was hij tevens als stedebouwkundige bedrijvig van Lo bij Veurne tot Bléharies in Henegouwen. Ook met de aanleg van de Brusselse Kunstberg had hij zich ingelaten. Zijn uitbreidingsplannen vielen op door hun aandacht voor beeldbepalende elementen, hun voorkeur voor openbare gebouwen en de behandeling van publieke ruimtes. De promotoren van het Leuvense project hadden zo te zien geen slechte keuze gemaakt.

Meer dan met architectuur of urbanisatie liet Lacoste zich in de jaren dertig ook in met archeologie. Sinds hij in 1913 in Frankrijk het regeringsdiploma van architect behaald had, was hij evenveel op opgravingsterreinen als op bouwwerven te zien geweest. In 1913 zat hij in Delphi. Het jaar daarop maakte hij als oorlogsvrijwilliger deel uit van de bekende "Mission Dhuicque" die in de frontstreek bedreigde monumenten in kaart bracht (21). Stad en hogeschool deelden aldus in het algemeen Vanaf 1930 nam hij deel aan de oudheidkundige Leuvense chauvinisme rond de figuur van Meunier, expedities van Fernand Mayence naar de Hellenistidie aan de plaatselijke academie had gedoceerd en sche stad Apamea in de Belgische concessie in Syrië. een aantal van zijn indrukwekkende werken in zijn In 1933 kreeg hij de opdracht voor de inrichting van atelier in het oude Anatomisch Theater van de univer- de imposante Apameazaal in de musea van het Jubelpark. Met de zesde campagne in Apamea in 1937 was siteit had gemodelleerd. Lacoste al aan zijn vierde missie toe in opdracht van de Belgische regering. In 1938 zou hij zelfs de leiding overnemen van Mayence die om gezondheidsredenen moest afhaken. Architect Henry Lacoste Mayence was departementshoofd van de afdeling Antieke Oudheid in het Jubelpark én hoogleraar aan Waaraan bouwmeester Lacoste de Leuvense opdracht de Leuvense universiteit. Hij was de auteur van de te danken had, is niet helemaal duidelijk. Henry bekende repliek op het Duitse witboek, waarin hij Lacoste genoot alvast enige faam (20). Sinds 1928 punt voor punt de aantijgingen weerlegde met betrekverving hij aan de Brusselse Academie voor Schone king tot de zogenaamde "franc-tireurs", het Duitse Kunsten de "eminence grise" van de Belgische archi- voorwendsel voor de brandschatting van Leuven (22). tectuur — Victor Horta — als leraar ontwerp. Voor Lacoste betekende Mayence een introductie te In zijn vak was hij geen nieuwlichter: zijn Beaux meer aan de universiteit. Arts-achtergrond bleef steeds voelbaar maar met zijn Lacoste stond bekend als katholiek en ontving kerkemonumentale Art Deco-idioom was hij "en vogue", lijke opdrachten. Het Paviljoen van het Katholieke getuige zijn talrijke paviljoenen op de mekaar toen Leven op de Brusselse wereldtentoonstelling van 1935


was van zijn hand. Maar hij had in 1931 net zo goed het crematorium van Ukkel ontworpen, wat van ruimdenkendheid getuigt of van souplesse in een tijd dat het kerkelijk crematieverbod nog onverkort gold. Alles wel beschouwd was Lacoste een aanvaardbare kandidaat voor de Rooms-rode combine die het plein voor de bibliotheek een meer representatieve bestemming wou geven. Zoveel is zeker: kanunnik Thiéry had Lacoste onder de arm genomen — klaarblijkelijk met de volle instemming van rector Ladeuze — en waarnemend burgemeester Doms engageerde hem officieus als architect. Van een combine kunnen we met enige overdrijving gerust gewagen. Voor Doms speelden argumenten als stadsverfraaiing en volksopvoeding een rol terwijl een electoraal hoogstandje altijd meegenomen was. De rector wou van de kermis af; dat was een praktische, een esthetische én een prestigekwestie. De volksgunst moest met list gewonnen worden: in ruil voor de kermis kregen de Petermannen een openluchtmuseum cadeau. Tussen stad en universiteit bestond

daaromtrent grote eensgezindheid. Kanunnik Thiéry en academiedirecteur Delaunois vormden samen de Meunier-lobby. En met Doms aan het hoofd leken de socialisten helemaal "salonfahig" geworden: verlichte bestuurders die bekommerd waren om zulke burgerlijke aangelegenheden als stedeschoon. Ook de kortstondige schoolstrijd van 1932 had zo te zien geen diepe wonden geslagen. "Les rapports entre la ville et Vuniversité ne sauraient être meilleurs qu'ils ne sont" verklaarde Doms in 1938 (23). De "entente cordiale" tussen stadhuis en rectoraat leek totaal.

Brussel laat zijn paard niet los Lacoste zette zich achter zijn tekentafel. Begin 1937 had hij een eerste voorontwerp klaar. Meteen begonnen ook de eerste moeilijkheden. Alles draaide om het koninginnestuk van het project: Meuniers beeld van een paard aan een drenkplaats, waarvan er een

LEUVEN

STAD M

O

&RAANM*R«T

VEHaoNDCN

A*N

S - O o N A T l " X ' P A R K . SN O f

"PTduu^j^

« " LAOf-lif

VXtJj»

PlAATJ

^36

Het globale project voor een openluchtmuseum gewijd aan Constantin Meunier op het Volksplein, de Graanmarkt en in het stadspark, 1938 (foto van een met waterverf gehoogde pentekening van H. Lacoste, Stadsarchief Leuven) M&L 44


LEUVEN SCHAA-: l — p

DE V0LK5 PLAATS

VERANDERD

N CONSTANHN

MEUNIER b

MUSEUM

VILLE

DE

LOUVAIN

LA PLACE DUPEUPLE TRANSFORKEE ENMUSE'E CONSTANTIN MEUNIEF ECHELLE: l i *

P.

gekleurde plattegrond van het Volksplein, heringericht als openluchtmuseum voor Constantin Meunier naar het ontwerp van architect Henry Lacoste. Het door rijwegen ingesloten binnengehied is 106 meter lang en 75 meter breed. De beeldentuin is aan drie kanten met bosschages omgeven en bevat twee langgerekte waterbassins. Dit plan bevindt zich — veelbetekenend — zowel in het stads- als in het Universiteitsarchief.

45 M&L


model te Leuven bewaard werd. Dit paard stond evenwel al aan de Brusselse Ambiorixsquare. Niet alleen waarnemend burgemeester Doms maar ook de Leuvense rector deed "démarches" bij de Brusselse burgemeester Adolphe Max om dezelfde sculptuur in de universiteitsstad te mogen uitzetten. De liberale burgemeester was persoonlijk het voorstel niet ongenegen. In het schepencollege rees er echter principieel verzet. De Brusselse schepenen konden niet begrijpen waarom de aanleg van dat Leuvense plein afhing van de plaatsing van dit ene beeld, waarvan er al een exemplaar in een Brussels plantsoen prijkte. De hoofdstad waakte jaloers over haar patrimonium dat niet met replica in de provincie of op vreemde bodem mocht gedevalueerd worden. De Leuvenaars lieten zich nochtans niet afschepen. De rector had onmiddellijk ook de Amerikaanse ambassadeur Dave

Hennen Morris (1872-1944) ingeschakeld. Een banket op 25 februari 1927 in de residentie van de ambassadeur bracht Doms, Ladeuze en Max bijeen, waarna Doms zijn verzoek aan de stad Brussel zou hebben hernieuwd. De Leuvenaars kwamen echter van een koude kermis terug. Brussel wou zijn paard niet lossen.

The American Connection Uit de bemiddelingspoging blijkt niettemin welke sleutelpositie de bibliotheek in het project innam en welke rol voor haar Amerikaanse beschermheren was weggelegd. Voor de Amerikaanse ambassade was Leuven niet zomaar een provinciestad. De Leuvense bibliotheek was nu eenmaal sinds de eerste wereldoorlog het krachtigste symbool van de Amerikaanse aanwezigheid op het oude continent, althans cultuurpolitiek. Morris' voorganger én opvolger, Hugh Gibson (1883-1954) had in 1928, tijdens zijn eerste ambassadeurstermijn in België de inwijding van de bibliotheek bijgewoond als eregast. Hij hield er een eredoctoraat aan over. Gibson had nauw samengewerkt met Herbert Hoover (1874-1964) die in de eerste wereldoorlog aan het hoofd van een Amerikaans hulpcomité, de Commission for Relief in Belgium (CRB), de voedselvoorziening in "poor little Belgium" ter hand genomen had. Maar Hoover had er na de oorlog ook voor gezorgd dat het bouwavontuur van de bibliotheek ten goede was gekeerd (24). Zijn persoonlijk appèl leverde 11,5 miljoen dollar op, zowat een derde van de totale bouwsom. De CRB Educational Foundation, één van Hoovers stichtingen, deed daar nog eens bijna 10 miljoen bovenop. Zo had Hoover de in 1926 vastgelopen financieringscampagne weer vlot getrokken en de Amerikaan met hun voortvarende generositeit voor gezichtsverlies behoed. Toen Hoover in 1938 België bezocht, gold het enthousiaste eerbetoon niet zozeer de gewezen Amerikaanse president, die hij ook was (1928-1932), maar alleerst de Redder van de Natie, de Vriend van België én de maecenas, vooral in Leuven, waar hij op 22 februari 1938 omstuwd door juichende studenten de bibliotheek bezocht. Natuurlijk probeerden de promotoren van de herinrichting van de omgeving van de bibliotheek de grote weldoener voor hun zaak te winnen. Het project kon naar verluidt zijn goedkeuring wegdragen. Morele steun dus, die zich niet meteen liet verzilveren.

Beelden uit een tentoonstelling

Perspectiefschets van de landschapstuin op de Graanmarkt met het Paard aan de Drenkplaats vóór de zijgevel van de bibliotheek (bruine afdruk, Stadsarchief Leuven)

Intussen nam het project niet alleen vaste vorm aan, Lacoste breidde het ook gezwind uit. In het voorjaar van 1937 had hij het plan opgevat om door een herschikking van de groenaanleg op de Graanmarkt het Volksplein met het stadspark te verbinden. Zonder die verbinding was het plan niet af. Daar probeerde hij ook Doms van te overtuigen. Die zei niet


nee maar maakte uit financieel oogpunt het meest strikte voorbehoud. De architect bleek in zijn enthousiasme echter niet meer te stuiten. Met artistieke flair ontvouwde de meester een ambitieus plan dat eenmaal gerealiseerd de historische eenheid van de verschillende sites zou herstellen: zijn promenade volgde immers exact het tracé van de stadswal en zou ongeveer samenvallen met de terreinen van het Clarissenklooster en de Grote Gulden Hof (Volksplein), het Sint-Michielskerkhof (Graanmarkt) en de tuin van de Sint-Jorisgilde (stadspark). Het hele project zou in het stadhuis aan een uitgelezen publiek worden voorgesteld op 7 september 1938, één maand vóór de gemeenteraadsverkiezingen. Op vraag van Doms had Lacoste een grote maquette vervaardigd, aan de hand waarvan hij zijn ontwerp kon toelichten. Blikvanger was een schaalmodel van de bibliotheek, waarvoor het Volksplein onmiskenbaar als voorgrond fungeerde. Het geheel vormde een langgerekt voetgangersparcours, een fraai gecomponeerde wandeling langs een beeldententoonstelling. Beginpunt van de compositie was het laagste deel van het Volksplein. Daar vertrok ook de wandelaar die de terassen van de 'Franse tuin' besteeg om vervolgens zijn weg te zoeken door de 'Engelse tuin' op de Graanmarkt en tenslotte in het door Lacoste ietwat gestroomlijnde stadspark aan te komen. Van de natuurlijke helling van het Volksplein, die ruim 2 meter bedraagt, had Lacoste handig gebruik gemaakt om zijn formele tuin over verschillende niveaus te verdelen. Op de vertikale as liep een waterbassin in cascadevorm, met vier bekkens en drie watervalletjes. Hoger strekte zich in de breedte een waterpartij uit waarin de bibliotheek zich spiegelde. De betonnen waterbekkens waren met blauwe keramiek bekleed. De wandelpaden bestonden uit rose dolomiet op een sintellaag. Voor de trappartijen werd baksteen aangewend. Ook het muurtje rondom het terrein was in baksteen. De beelden stonden op sokkels die evenals de rustbanken van natuursteen waren. Voorts waren tweehonderd vierkante meter bloemperken voorzien. Lacoste wou overvloedig gebruik maken van buxus en taxus die in bollen van één of twee meter doorsnede dienden gesnoeid. Er was trouwens her en der nogal wat snoeiwerk mee gemoeid, bijvoorbeeld voor de populieren die kaarsrecht moesten oprijzen. De tuin kreeg een vrij besloten karakter. Behalve aan de bibliotheekkant bleef het plein omringd door een dubbele rij bomen die een schaduwrijke laan zou vormen. Binnenin schermden blokvormige bosschages met een hoogte van 1,75 meter de beelden deels af. De formele behandeling van het plantsoen doet onwillekeurig aan het parkje vóór de Koninklijke Bibliotheek op de Brusselse Kunstberg denken. Die strakke aanleg zou het Volksplein weerom een zekere eenvormigheid verlenen, die aan de omringende wederopbouwarchitectuur te enen male ontbrak. Boven opende de tuin zich naar de bibliotheek toe teneinde gebouw en plein te integreren. De hele compositie, de volgehouden symmetrie, de geleidelijke opgang

Fragment van Lacostes maquette met het Volksplein en een deel van de Graanmarkt (foto zowel in het Stads- als in het Universiteitsarchief Leuven)

als over een soort processieweg, alle onderdelen leken bedacht in functie van de voorgevel van de bibliotheek, waarvan ze de monumentaliteit beklemtoonden. Lacoste liet breedvoerig zijn zin voor grandeur blijken en die stond evenzeer met zijn archeologische belangstelling als met zijn Beaux Arts-opleiding in verband. Kanunnik Thiéry gewaagde van een "voie sacrée qui sera a l'instar des voies d'acces des temples d'orient et de Vacropole d'Athènes" of "a lafaqon dont les grecs de Périclès alignaient leurs chefs-d'oeuvre de scupture" : het Volksplein als voorhof voor de cultuurtempel daarboven (25). Ook vanop de Graanmarkt fungeerde de bibliotheek als referentiepunt. Vanuit die invalshoek bood het gebouw met zijn volutengevel en asymmetrisch geplaatste toren een minder verheven en meer pittoreske aanblik. Lacoste stemde zijn aanleg daarop af: de zijgevel van de bibliotheek diende als achtergrond voor een idyllisch ensemble met centraal daarin het Paard aan de Drenkplaats. Had Brussel zijn paard dan toch gelost? Lacoste had het omstreden dier in zijn eindontwerp alvast aan de Graanmarkt neergezet waar het te midden van een landschapstuin zijn dorst stond te lessen aan een vijverfje. Aan weerskanten kronkelde een beekje tussen rotspartijen. Aan de uiteinden van het plein waakten de beide Maaiers, de ene rustend, de andere aan de arbeid, over dit pastorale intermezzo. Voor het standbeeld van de liberale filantroop Edouard Remy (1813-1896), waarvan het voetstuk nog door Victor Horta was ontworpen, was hier door de aard van het opzet natuurlijk geen plaats meer. Het stadspark ontsnapte evenmin aan een grondige face-lift. Het kreeg een compleet ander uitzicht, ofschoon de architect het natuurlijk reliëf had gerespecteerd en er niet één boom was gerooid. De grote laan aan de voet van de stadswal was doorgetrokken 47 M&L


'4

Het monument voor Edouard Remy, stijfselfahrikant en filantroop, met beelden van Pieter Braecke en een werkstuk van Victor Horta (1988). De liberaal Remy zou in het rooms-rode project het veld hebben moeten ruimen voor Meuniers Paard aan de Drenkplaats (prentkaart, Universiteitsarchief, Leuven)

*

"•" mr

-:'^'y"r^'

:

' ,

,;:;;;;^>:vy::v;:

Het heraangelegde stadspark met centraal de rotonde voor Meuniers Monument van de Arbeid. Detail van een pentekening met het globale ontwerp in vogelvlucht (Stadsarchief Leuven)

tot voorbij de vrijstaande toren. In de laan had Kanunnik Thiéry bood ze na hun bezoek aan de Lacoste op regelmatige afstanden beelden uitgezet. maquette op 21 september 1938 een diner aan dat, De parkmuur zou hij hoger laten optrekken om er getuige de spijskaart waarop foto's van de maquette plaquettes met inscripties te kunnen aanbrengen. Een prijkten, geheel in het teken van het project stond. ereplaats was voorbehouden aan Meuniers Pater De Amerikanen waren opgetogen (27). Damiaan, die sinds 1894 te Leuven prijkte. De ironie van het lot wou dat het liberale stadsbestuur het beeld bij de onthulling tot ergernis van de katholieken in Hoopten ze te Leuven eens te meer op pecuniaire het stadspark had weggemoffeld. Door toedoen van tegemoetkomingen van over de plas? De socialisten Lacoste zou de apostel der melaatsen naar zijn oor- zelf staken hun verwachtingen daaromtrent niet onder spronkelijke standplaats terugkeren. Wat toen het stoelen of banken: "De verwezenlijking van heel het verdomhoekje was, werd nu een ereperk. Verderop plan hangt overigens af van den geldelijken steun die eindigde de parklaan in een grote krul op het centrale van Amerika of elders kan komen". Het Hooverfonds gazon. In het midden van die krul verrees een soort kreeg niet voor niets inspraak in een Leuvens urbanirotonde waarin de reliëfs van het Monument van de satieplan. Kanunnik Thiéry van zijn kant was in elk Arbeid zouden worden ingemetseld. Daar, op het geval zinnens aan het project van Lacoste in de States hoogste punt van het stadspark zou de "Voie sacrée ruime bekendheid te geven. Met het oog daarop had hij de architect om tekeningen gevraagd waarmee hij du Travail" letterlijk culmineren. artikels in Amerikaanse bladen wou laten illustreren. Amerikaans bezoek Lacostes maquette bleef drie weken lang in het stadhuis tentoongesteld. Veertien dagen na de officiële voorstelling was er Amerikaans bezoek. Waarnemend burgemeester Doms ontving twee vertegenwoordigers van de Hooverstichting, die de maquette kwamen bekijken. Het waren Millard King Shaler (7-1942) en William Hallam Tuck (1899-1966). Ze hadden allebei zitting in het Hooverfonds voor de Ontwikkeling van de Universiteit te Leuven en waren tevens vice-president van de CRB Educational Foundation, de latere Belgian American Educational Foundation. Beiden hadden zich destijds verdienstelijk gemaakt in de campagne voor het herstel van de bibliotheek en waren daarvoor beloond met een Leuvens eredoctoraat bij de inwijding van het gebouw op 4 juli 1928 (26). Ze werden ook nu met veel egards bejegend. I M&L 48

Dacht hij echt aan een nieuwe propagandaslag voor Leuven? Thiéry geloofde nog aan mirakels. De pionier van de experimentele psychologie te Leuven had zich later hoe langer hoe meer op het terrein van de parapsychologie gewaagd en er werd wel meer gezegd dat de kanunnik met zijn hang naar mystiek niet altijd met beide voeten op de grond bleef (28). Ladeuze met zijn gezond boerenverstand moet het hoofd toch koel hebben gehouden. De lijdensweg van het Amerikaans geschenk dat zijn bibliotheek was, lag hem ongetwijfeld nog vers in het geheugen. Belangrijk is dat hoe dan ook de Amerikanen van de Hooverstichting in dit alles hun zeg kregen. Indirect bewijst dat nog eens hoe centraal de bibliotheek stond in het ontwerp en hoe dit ook van stadswege, waar nota bene de socialisten de dienst uitmaakten, werd bevestigd. De universiteit met zijn academische preoccupaties en zijn Amerikaanse connecties werd terzake naar behoren gekend.


Verkiezingskoorts

De doodsteek van Rex

Inmiddels waren de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1938 ophanden. Ofschoon het project Lacoste uiteraard niet de inzet van de verkiezingen vormde, ging het in de verkiezingsstrijd geenszins onopgemerkt voorbij. De socialistische partij had het niet in haar programma opgenomen, maar pakte er bij gelegenheid wel mee uit. Dit prestigeproject kreeg dan wel haar volle steun: "Ofwel gaat Leuven mee op de grote baan van de kunst ofwel vervalt onze stad op lage rang"\ (29) Met die hogelijk culturele uithaal stelde ze zich wel bijzonder kwetsbaar op.

Bij de verkiezingen van 16 oktober 1938 konden de socialisten hun negen gekozenen behouden, maar ze waren achteruitgegaan. De liberalen dolven het onderspit: ze hielden nog maar twee van hun vier raadsleden over. Daardoor viel de oude 'antiklerikale' coalitie in duigen. De katholieken wonnen twee zetels en met de ene rexist die op de wip zat, sloten ze een nieuwe coalitie af. Rex maakte voortaan mee de dienst uit op het stadhuis (33). Met een rexist in een schepenzetel, maakten de beelden van Meunier geen kans meer. Ook rector Ladeuze mocht zijn droom van een plein zonder kermis vergeten. Het leek er wel op dat hoe katholieker het stadsbestuur was, hoe minder de bemoeienissen van academische zijde werden gehonoreerd. Het dossier verhuisde naar het archief. Het stadsbestuur was intussen in het kader van de luchtbescherming druk doende met de aanleg van loopgraven op het Fochplein. Midden die schemeroorlog beleefde de stadsmagistraat nog een aanvechting van schoonheidsdrift en met veertien stemmen vóór tegen negen onthoudingen liet de gemeenteraad om redenen van stadsverfraaiing de loopgraven met bloemen beplanten: "la dróle de guerre", Leuvense versie.

De katholieke partij drong de socialisten in het defensief met een definitie van urbanisatie die verder strekte dan stadsverfraaiing. Blijkbaar deden toen althans bij de jonge Vlaamsgezinde vleugel moderne opvattingen over ruimtelijke ordening opgeld: aan de basis van alle stedebouwkundige ingrepen moest voortaan een globaal plan liggen (30). Een openluchtmuseum had overigens maar weinig te maken met een echte urbanisatiepolitiek, waarin allereerst de strijd tegen de krotwoningen een planmatige oplossing moest krijgen. Daar viel voor de socialisten weinig op af te dingen.

De doodsteek kwam van Rex die in een populistische In april 1939 verliet Doms voorgoed de stad waar hij teneur voortborduurde op het thema van de krotten- twintig jaar eerder zijn politieke loopbaan was begonwijken. Aanstichter van de rexistische campagne was nen. Was hij ontgoocheld? "J'espère que les pro jets dokter Paul Ouwerx (1894-1945) die vooral bekend- que nous avons formés pourront se réaliser un jour heid verwierf met de uitgave van een namenregister prochain" schreef hij in zijn afscheidsbrief aan monvan vrijmetselaars waaruit even later de nazi's maar seigneur Ladeuze (34). Hoop doet leven. Het project te putten zouden hebben (31). Ouwerx, die zijn Lacoste bleef evenwel dode letter en zijn beide prokabinet aan het Volksplein had, was een der genodig- motoren zouden nog geen jaar later overlijden. Doms den bij de officiële voorstelling van Lacostes ontwerp. op 31 maart 1940; Ladeuze was hem voorgegaan op 10 februari 1940. Het Volksplein werd prompt herHij vond het verbazingwekkend dat dit initiatief uit- doopt tot Monseigneur Laudeuzeplein. De Graanging van een socialist die misschien beter de burgerij markt was al in 1938 omgedoopt tot Herbert Hooverhad uitgenodigd voor een rondleiding door de achter- plein, één van de laatste bestuursdaden van het oude buurten van de stad, waarin de katholieken en libera- rood-blauwe schepencollege dat de bibliotheek zo len de kleine luiden hadden laten nestelen. Dat waren genegen was. Ouwerx overleed in oktober 1945 in de volgens dokter Ouwerx even zovele haarden van gevangenis, waar hij op zijn proces wachtte (35). longtering, ontucht en communisme. Klap op de Lacostes maquette bleef godvergeten achter in het vuurpeil was de fototentoonstelling die de Sociale stadhuis en ging verloren in de geallieerde luchtbomDienst van Rex had georganiseerd over de Leuvense bardementen. Toch was voor Lacoste het doek te 'gangen' en waarnaar Ouwerx bij wijze van tegenpres- Leuven nog niet definitief gevallen: na de oorlog tatie Doms uitnodigde. Onder Multatulis motto "Er werd hij belast met de herinrichting van de uitgeis wat schoons te zien" nam ook het verkiezingsblad brande bibliotheek. van Rex de lezer mee op een tocht door de Leuvense sloppen (32). Wie zinnens was dertig beelden van Het project Lacoste is aan de vooravond van de Meunier uit te zetten moest bedenken wat een zonde tweede wereldoorlog politiek gestrand op een toenetegen de menselijke waardigheid onnodige luxewer- mende polarisatie tussen links en rechts, waarin Rex ken waren in een stad "waar de huisjes tegen elkander met een demagogische campagne de spits afbeet. Van zijn gedrukt als dronken lotelingskens". Schoonheid socialistische zijde was het wellicht ook teveel een zaaien was in die omstandigheden een zonde tegen de éénmansinitiatief waarvoor de proletarische achtergeest. Een kind uit de klauwen van de tering redden ban moeilijk echt warm kon lopen. Het plan kaderde was dokter Ouwerx meer waard dan een beeld van overigens niet in een globaal stedebouwkundig beleid, Meunier. Ook daar hadden de socialisten niet van waarin stadssanering en volkshuisvesting ontegenterug. Ze mochten al tegenwerpen dat zich onder de sprekelijk voorop moesten staan. Een dergelijke Leuvense huisjesmelkers menig rexist bevond, het sociale prioriteit lijkt ook nu nog niet probleemloos project Lacoste raakte bedolven onder de filippica's te verzoenen met de esthetische benadering van een van Rex. stadsverfraaiingscampagne. Dat precies katholieke 49 M&L


intellectuelen dit moesten opmerken, was des te pijnlijker voor de socialistische partij, waar door een tekort aan intelligentsia nieuwe ideeën vaak te traag ingang leken te vinden. Over de financiering van het project tenslotte bestond nog weinig klaarheid. Een Amerikaanse inbreng terzake bleef helemaal een vrome wens.

TE KOOP MGR. LADEUZEPLEIN Private autostaanplaatsen & garageboxen

Van de Weyer van zijn voetstuk De integratie van de bibliotheek en haar omgeving was vooralsnog niet voltooid. De spanning bleef onverminderd bestaan. Aan de wanden van het Mgr. Ladeuzeplein werd wel nagenoeg een halve eeuw lang nauwelijks geraakt. Her en der palmde horeca de statige herenhuizen in en verscheen de eerste neonreclame op de gevels. In de loop van de jaren zeventig sneuvelden steeds meer panden uit de heroïsche periode van de wederopbouw. De onmiddellijke omgeving van de bibliotheek verwerd tot een probleemgebied, waarvan de visuele kwaliteit bleef devalueren. Jarenlang werd gepalaverd over de hoogte van de nieuwe kantoorpanden die de bibliotheek in de schaduw dreigden te stellen. Lobbying en touwtrekken leidden uiteindelijk tot een onzalig compromis, niet ter zake doende invularchitectuur met de monumentaliteit van een wassen neus. De schaalverhouding tussen de bibliotheek en de omringende bebouwing was hoe dan ook verstoord. Zoals alle open plekken in de stad geraakte ook het Mgr. Ladeuzeplein van lieverlede gebanaliseerd tot een parkeerterrein. Vanop zijn voetstuk hield Van de Weyer jarenlang een schreeuwlelijke parkeerautomaat in de gaten. Het parkeerprobleem zou overigens zijn lot bezegelen. In 1988 moest hij definitief wijken voor de bouw van een ondergrondse parkeergarage voor 744 wagens. De staatsman ligt nu gedemonteerd in het stadspark. In weerwil van het statige beeld dat Charles Geefs in 1876 van hem modelleerde, heeft Van de Weyer zich in zijn vaderstad nooit in een overdreven populariteit kunnen verheugen. Nu blijkt dat het dak van de parkeersilo zijn twintig ton niet kan dragen, dreigt hij zelfs helemaal verbannen te worden naar de poorten van de stad, vanwaar hij de files kan uitwuiven naar Brussel. Tenzij burgemeester en schepenen alsnog kiezen voor de ideale oplossing en hem op het vroeg 19de-eeuwse Sint-Jacobsplein posteren, een geëigend kader voor één van de grondleggers van het jonge België, die als diplomaat zowat ons koningshuis uit Engeland heeft geïmporteerd.

Het Mgr. Ladeuzeplein te koop. Publiciteit voor de parkeergarages van de Leuvense makelaar die samen met een aannemer scheep ging in de N. V. Parking Ladeuze. Keert monseigneur Ladeuze zich nu om in zijn graf? De rector schonk zijn naam niet enkel aan het plein, maar op de koop toe aan een naamloze vennootschap en een parkeergarage; zijn bibliotheek evenwel is hoegenaamd nog niet van de kermis af {De Streekkrant, 20 februari 1986)

aanvankelijk niet erg gesteld op dit soort pottenkijkers, die de werken enkel zouden vertragen. De Leuvense stadsarcheologen kregen dan toch de gelegenheid om het tracé van de middeleeuwse grachtwal constructie te bepalen. In de scherpe bocht ter hoogte van het Hooverplein bleek de buitenoever van de gracht over een breedte van ongeveer 7 meter onder de hoek van de bibliotheek te verdwijnen (36). Dit heeft de stabiliteit van het gebouw niet ondergraven. De graaf- en heiwerken hebben het monument niet uit zijn evenwicht gebracht, de verschuivingen waren minimaal maar net op die hoek komen nu wel ornamenten los.

Een autovrij plein Pottenkijkers In de winter van 1988-1989 werd de ondergrond van het Mgr. Ladeuzeplein dus omgewoeld voor de bouw van de 12 meter diepe garage. Meteen een unieke kans voor archeologen om in het bodemarchief te grasduinen. Stadsbestuur en bouwpromotor leken

Na een halve eeuw was nu ook de aanleg van het plein opnieuw aan de orde. Dit was dé kans om schoon schip te houden en de relatie met de bibliotheek te harmoniseren. Hier daagden ook de eerste moeilijkheden. In november 1985 opperde de provinciale Dienst voor Stedebouw een reeks bezwaren tegen het aanhangige ontwerp, waarvan het voor-


naamste, dat van de ruimtelijke storing, nogmaals het probleem van de verbondenheid van plein en bibliotheek opwierp. De bewuste dienst wees het dossier af omdat de in- en uitritten voor het bibliotheekgebouw de monumentaliteit ervan in het gedrang zouden brengen en de band tussen plein en bibliotheek zouden verbreken. Stedebouw wou daarentegen de bibliotheektrappen laten uitlopen op het plein, in navolging van de Werkgroep Langzaam Verkeer die de bibliotheekgalerij als een soort agora in het pleingebied wou integreren (37). Op de keper beschouwd lijkt nu ook de stad voor een oplossing in die zin gewonnen. Vlak voor de bibliotheek heeft de stedelijke Dienst voor Ruimtelijke Ordening een soort voorplein geprojecteerd dat de bibliotheek als het ware op een voetstuk plaatst (38). Het hoogteverschil met het eigenlijke plein zou worden opgevangen door een halfcirkelvormige trapconstructie die bij gelegenheid als amfitheater kan fungeren. In feite is hier echter een tussenoplossing uitgedokterd. De toegangen tot de parkeergarage bevinden zich nog steeds vóór de bibliotheek. Tussen die in- en uitritten zal vanop het plein nog een vrije doorgang van 18 meter blijven zodat de band tussen De bibliotheek aan de rand van de afgrond, december 1988 (foto J. Arras, Universiteitsarchief Leuven) de 70 meter lange bibliotheek en het plein minimaal behouden blijft. Veel hangt uiteindelijk af van de aankleding van de toegangen: een borstwering in eigentijds smeedwerk.

Perspectiefschets met de nieuwe pleinaanleg naar een ontwerp van tuinarchitect R. d'Haese. Met toegangsgebouwtjes is nog geen rekening gehouden (Dienst voor Ruimtelijke Ordening, Stad Leuven)


Straatmeubilair wordt sober gehouden en zoveel mogelijk samen met trappen, lift en luchtkokers geconcentreerd in twee hoekgebouwtjes aan de uiteinden van het plein. De nerveuze paviljoenen, "folies" bijna, die architect Luc van Remortel daarvoor ontworpen had en die de voorkeur wegdroegen van de dienst Monumentenzorg, vond het stadsbestuur te gewaagd. In plaats daarvan verrijzen nu zwaardere constructies van dezelfde ontwerper. Ze worden met blauwe hardsteen bekleed en krijgen een wijnrode luifel in gemoffeld aluminium. Het valt te vrezen dat de voorziene lichtarmaturen, een dubbelarmige variatie op de retro straatlantaarn, niet direct zullen aansluiten op die eigentijdse randarchitectuur. Behalve aan de bibliotheekkant wordt het plein aan drie zijden omzoomd met kleinbladige, vormvaste lindebomen. Voorts krijgt het plein een bestrating van doorgekliefde straatstenen (kasseien) en boordstenen in blauwe hardsteen die in langwerpige bogen worden ingewerkt. Door de hele herinrichting zou het plein weerom een uitgesproken pleinkarakter moeten krijgen. Het ruimtelijk effect gaat wel deels verloren doordat de stad in afwijking van het officieel goedgekeurde ontwerp, dat betonklinkers voorzag, het wegdek van de rijstroken rond het plein in asfalt laat uitvoeren. Het stadsbestuur blijft doof voor esthetische argumenten, zelfs als de hele neringdoende poorterij — van de Kamer van Koophandel tot de

middenstandsverenigingen — daarvoor in beweging komt. De asfaltlus dreigt als een zwarte strop de kern van het plein in te snoeren.

Een monument staat nooit alleen Misschien kon de stad aansluitend het Hooverplein onder handen nemen? Daar moesten al in de jaren '60 een reeks 19de-eeuwse herenhuizen voor banale immobiliën wijken, terwijl midden de jaren '70 de hoogstammige bomen werden geveld, zodat de band met de laan van het stadspark verloren ging. De oude Graanmarkt oogt tegenwoordig als een plantage waarvan de laagstammige aanplant onmogelijk de omringende hoogbouw kan maskeren. Binnen het blikveld van de bibliotheek - sinds 1987 een beschermd monument (39) — zorgen storende elementen voor een wel erg lage beeldkwaliteit. In 1988 besloten de gemeentevaderen dat daar op de koop toe een tien meter hoge luchtballon moest komen, een koperen gewrocht, pal tegenover de zijgevel van de bibliotheek en in weerwil van de bezwaren van Monumentenzorg en de stedelijke Leefmilieuraad. Een bouwvergunning ontbrak alvast en het kwestieuze luchttuig zou op minder dan de gebruikelijke vijftig meter van de beschermde bibliotheek

De toegangsgebouwtjes van architect L. van Remortel met hun ronde luchtkokers. De Stad zelf dacht aanvankelijk aan een groter gebouw vlak voor de bibliotheek, wat ongetwijfeld negatieve adviezen zou hebben opgeleverd. Niettemin was het zo in de erfpachtovereenkomst vastgelegd. De architect van zijn kant wou ternauwernood een constructie boven het maaiveld. Onder druk ontwierp hij dan toch achtereenvolgens een kleine kiosk en variaties op een high tech-achtige follie. De definitieve constructie is wel zwaarder uitgevallen dan de gloriettes. waarmee eerst werd gespeeld. M&L 52


staan. Het advies van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen was in dit geval helaas niet bindend (40). Een monument staat nooit alleen, moet het stadsbestuur geoordeeld hebben en het zette zijn plan door. De zogenaamde Ballon van de Vriendschap kwam er op initiatief van de Mannen van het Jaar, een typisch Leuvense gezelligheidsvereniging en is ontworpen door de Leuvense beeldhouwer Danny Tulkens. Ofschoon de eigenlijke ballon wat klein uitgevallen is voor de robuuste mand met haar vierkoppige bemanning, wordt hij gestut door een metalen staketsel dat enigszins afbreuk doet aan de lichtheid waarmee dergelijk etherisch vaartuig gemeenlijk wordt geassocieerd. Het object zou allicht niet misstaan indien het omgeven was door groen, bijvoorbeeld op het centrale gazon in het stadspark. Het stadsbestuur lijkt echter niet om estetisch advies verlegen te zitten. De hoofdbibliothecaris van de universiteit heeft nog geprobeerd het gevaarte van zijn aanhankelijkheden verwijderd te houden (41). Vox damans in deserto. Het bleek een gevecht tegen de bierkaai: de septemberkermis en populistisch feestgedruis in het vooruitzicht van de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1988 hebben zijn academisch protest overstemd. Het monument werd na een mislukte eerste poging in mei voor de tweede keer onthuld met Leuven-kermis op 3 september 1988. De kermisattractie Crazy Palace moest daarvoor tijdelijk het veld ruimen.

De Ballon der Vriendschap, vóór de Universiteitsbibliotheek, januari 1990

Balans na een halve eeuw Op gevaar af de verdenking van stemmingmakerij op zich te laden, moet de onbevangen chroniqueur eraan herinneren dat indien de socialisten een halve eeuw geleden, in 1938, de gemeenteraadsverkiezingen gewonnen hadden, de voortuin van de bibliotheek er nu wellicht anders zou hebben uitgezien. Toegegeven, het ontwerp Lacoste komt thans ietwat theatraal over; het maakt een overladen indruk en een dorstig paard voor de bibliotheek werkt al evenzeer op de lachspieren als een luchtballon op een lanceerplatform. Maar het project van architect Lacoste had de verdienste dat de preponderantie van het bibliotheekgebouw in de pleinaanleg werd erkend. De toenmalige initiatiefnemers hadden de spanning tussen de bibliotheek en haar omgeving naar waarde ingeschat en — als belanghebbende partij — werd toen ook nog de universiteit terdege gekend. Een halve eeuw later, nu de bibliotheek zelf op de monumentenlijst figureert, wordt er niet altijd even schroomvol met haar omgeving omgesprongen. De nieuwe aanleg van het Mgr. Ladeuzeplein is wel strak op de bibliotheek gericht, met een lege ruimte die de monumentaliteit ervan beklemtoont en dat gaat misschien zelfs ten koste van een stuk stedelijke animatie. Aan de kant van het Hooverplein daarentegen heerst een ware — visuele — terreur. Of is het chaos: de chaos van de gefragmenteerde ruimte?

Voetnoten * Dit is een ingekorte en herwerkte versie van het oorspronkelijk artikel Een plein voor een bibliotheek. Bij de vijftigste verjaardag van het project Lacoste (1938), in Ex Officina. Bulletin van de Vrienden van de Leuvense Universiteitsbibliotheek, V, 1988, p. 10-47. Met dank aan de heer Jan Staes, die het manuscript kritisch nalas en aan de Leuvense stadsarchivaris Rudi Hoeckx. (1) Voor de geschiedenis van de site zie: Van Even E., Louvain dans Ie passé et Ie présent, Leuven 1985, p. 199; Jonckheere W.R., Het Leuvense stadsbeeld omstreeks 1830. Het kadaster als bron voor de lokalisering, onuitgegeven licentiaatsverhandeling K.U.Leuven, Fac. Letteren en Wijsbegeerte 1965; Leuven een stad die groeit (tentoonstellingscatalogus), Leuven 1975; Meulemans A., Atlas van het oude Leuven, Leuven 1981; Busselen S. en Colen Ch., In Leuven verdiept (tentoonstellingscatalogus), Leuven 1986, 35-44 (hoofdstuk; Voorbereiding tot de opgraving op het Mgr. Ladeuzeplein); Peeters M., Gids voor Oud-Leuven, Antwerpen-Bussem 1983, 143144; Uytterhoeven R., Leuven weleer, dl. 2: De Nieuwe Bovenstad. Leuven 1986; Mgr. Ladeuzeplein geeft weldra zijn geheimen prijs, in Info Leuven, augustus 1988. (2) Zie met betrekking tot de stadsmuur: Colen C , De Clerck M. en Verbeeck M., Het archeologisch onderzoek van het Mgr. Ladeuzeplein te Leuven (deel I) in De Brabantse Folklo53 M&L


(3)

(4) (5) (6)

(7) (8) (9) (10) (11)

(12)

(13)

(14)

(15)

(16)

(17) (18)

(19)

(20)

re, oktober 1989, 201-262 en de oudere publikaties van Van Hasselt R., De Stadsverdedigingswerken van Leuven. De oudste stadsmuur in Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Leuven en Omgeving, I, 1961, 132-143 en II, 1962, 23-32 en 88-97 en van Combaz P. en de Behault de Dornon A . , Les premiers remparts de Louvain in Annales de la Société d'archeologie de Bruxelles, V, 1891, 337-369. Jonckeere W.R., Het Leuvense stadsbeeld omstreeks 1830. Het kadaster als bron voor lokalisering voor arm en rijk, onuitgegeven licentiaatsverhandeling K.U.Leuven, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte 1965; van Hemelrijck S., De morfologische groei van de stad Leuven in de 19de en 20ste eeuw, onuitgegeven licentiaatsverhandeling K.U. Leuven, Faculteit Wetenschappen 1971. Voor het station: Mechelen. Leuven, Tienen ... retour. Een treinreis door het verleden, Leuven 1987, 19. Stadsarchief, nr. 1326. Puits artésien. Sondages Place du Peuple. Stadsarchief Leuven, nr. 9250. Places publiques. Revues militaires a la Place du Peuple 1899-1912. Brief van L. Boels, stadsadvokaat en provincieraadslid aan burgemeester Colins, geciteerd in Celis J. en Uyttenhove P., De wederopbouw van Leuven na 1914. Studie over de wording van een naoorlogs stadsbeeld. Onuitgegeven ingenieursverhandeling K.U.Leuven, Faculteit Toegepaste Wetenschappen, 1979-1980, noot 4.133. Zie Schivelbusch W., Die Bibliothek von Löwen. Eine Episode aus der Zeit der Weltkriege, München-Wenen 1988. Zie Hitchcock H.R., Netherlandisch scrolled gables of the sixteenth and early sevensteenth centuries. New York 1978. Rems M., De Leuvense standbeelden, in Area Lovaniensis. Jaarboek 1981, 9-10. Stadsarchief Leuven, nr. 9249. Promenades publiques. Place de Peuple. Jeu de balie 1909-1957. Documenten m.b.t. het project van Lacoste bevinden zich in het Stadsarchief van Leuven, nr. 14 442 en in het Universiteitsarchief van de K.U.Leuven, archief Van Waeyenbergh nr. 515. Tekst van prof. A. Thiéry, La bibliothèque de Louvain. Oeuvre mondiale des Etats-Unis d'Amérique voor het tijdschrift van het Franse Légion d'honneur, 21 september 1938 in het Stadsarchief Leuven, nr. 8618. Over Doms zie: Le Parlement beige 1930, Brussel z.j., p. 404-405; Van Molle P., Het Belgisch Parlement 1894-1969, Ledeberg 1969, 129-130; Claeys-Van Haegendoren M., art. Doms in Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, dl. 1, Tielt-Utrecht 1973, 429; De Socialisten. Honderd jaar socialistische beweging in het arrondissement Leuven (1885-1985), Leuven 1986. 236-242. Staes P., Het socialisme in Leuven tijdens de Eerste Wereldoorlog, onuitgegeven licentiaatsverhandeling. K.U.Leuven 1982; Gijsenbergh M., Een bijdrage tot de geschiedenis van de socialistische arbeidersbeweging te Leuven van 1885-1914, onuitgegeven licentiaatsverhandeiing Vrije Universiteit Brussel 1978. Verpoest L., De Technische School van Leuven (1936-1942) van Henry Van de Velde, in Monumenten en Landschappen, november-december 1987, p. 32-35. Apostil met antwoord van P. Ladeuze aan E. Doms, 1 mei 1939 op afscheidsbrief van E. Doms aan P. Ladeuze, 28 april 1939 in Universiteitsarchief Leuven, Van Waeyenbergh nr. 515. Thiéry A . , Constantin Meunier. in Revue Néo-Scolastique, XII, 1905, 247-250. Thiéry A. en van Dievoet E., Exposition de t'oeuvre de Constantin Meunier ouverte du 9 mai au 30 juin 1909 dans les locaux du nouvel Institut de Chimie. Leuven 1909, p. 122. Thiéry A . , Constantin Meunier. in Revue Neo-Scolastique, XII, 1905, p. 248. Zie ook Thiry R. en Hendrickx G., Le "Monument du Travail" de Constantin Meunier. Historique (Tekhnè. Publications), Brussel, z.j. Lacoste H . , in La Belgique active, Brussel 1932, 223 (met portret); Gilles P., La Section des Arts décoratifs, in Batir. Brussel 1935, nr. 30, p. 186-187; Schmitz M., L'Architecture moderne en Belgique, Brussel 1937, p. 28 pi. 19; Martiny V . G . , Notice sur Henry Lacoste, in Adacémie royale de Belgique. Annuaire pour 1971, CXXXVU, 1971, p. 155-182 (met portret); Celis J., in Resurgam. De Belgische wederop-

M & L 54

(21) (22)

(23) (24)

(25) (26)

(27) (28)

(29)

(30)

(31)

(32) (33)

(34) (35)

(36)

(37) (38) (39)

(40)

(41)

bouw na 1914, tentoonstellingscatalogus Gemeentekrediet, Brussel 1985, p. 223-224. Zie ook Terlinden B . , Henry Lacoste (1885-1968). Une introduction a l'oeuvre, onuitgegeven eindverhandeling ISAE La Cambre, Brussel 1988. Stijnen H . , Charlier G. en Buellens A . , Mission Dhuicque. 15118. Het verwoeste gewest, Brugge 1985. Mayence F., La légende des Francs-Tireurs de Louvain. Réponse au mémoire de M. le professeur Meurer de TUniversité de Wiirzburg. Leuven 1928. Le messager de Louvain. Quotidien indépendant. Edition régionale du 'Messager de Bruxelles', 3-4 april 1938. Nash G.H., The Life of Herben Hoover: The Humanitarian 1914-1917, New York 1988, en Schivelbusch W., Die Bibliothek von Löwen. 149-155. Thiéry A . , geciteerde tekst in Stadsarchief Leuven, nr. 8618. Torrey Cl. M., The Seven Belgian American Founcations. An international Epic, z.pl. (1973), p. 56 en Annuaire de TUniversité Catholique de Louvain, 1927-1929, p. 180. Brief van W . H . Tuck aan P. Ladeuze, 26 september 1938 in Universiteitsarchief Leuven, Van Waeyenbergh nr. 336B. de Raeymaeker Mgr. L., M. le Chanoine Armand Thiéry, Professeur émérite de la Faculté de Médecine 1868-1955, in Katholieke Universiteit te Leuven. Jaarboek 1954-1956, XCI, II, p. LXXIV. Rond een voordracht in De Leuvenaar. Kiesblad der BWPafdeling Leuven. Gemeenteverkiezingen 1938. Voor de algemene teneur van de verkiezingspropaganda, zie Stadsarchief Leuven, nr. 13929. Gemeenteraadsverkiezingen van 16 oktober 1938. Allerlei. Zie bijvoorbeeld. De Hamer. Orgaan der "Sociale Partij" Leuven, nr. 7, oktober 1938. Nieuw Leuven, nr. 1, augustus 1938 en voorts Het Stadhuis. Orgaan der Vereenigde Katholieken van Leuven, nr. 3, 7 oktober 1938. Nieuw Leuven was het blad van de flamingantische groep rond het tijdschrift Nieuw Vlaanderen binnen de Katholieke Volkspartij met professor Floris van der Mueren en advocaat Edgard van Dessel als Leuvense kopstukken. Zie Wils L., Geschiedenis van het Davidsfonds in en rond Wereldoorlog II, Leuven 1989, p. 121 Ouwerx P., Les cagoulards démasqués. Répertoire des FrancsMagons Belges, z.pl. 1939 en Lesprécurseurs du communisme. La franc-magonnerie peinte par elle-même. Tienen, 1940. Zie ook La Franc-magonnerie beige sous Toccupation allemande, in Bulletin du Suprème Conseil de Belgique. nr. 66, 1948, 56 en N. Cheppe, Les activités antimagonniques sous Toccupation, onuitgegeven licentiaatsverhandeling Luik. 1988. Rex, nr. 6, 6 december 1938. Volgens L. Wils sloten de katholieken een coalitie met Rex omdat ze noch met de liberalen, noch met de socialisten de financiële gelijkstelling van het vrij onderwijs met het officiële konden bekomen (op.cit., 121). Brief E . Doms aan P. Ladeuze, 28 april 1939 in Universiteitsarchief Leuven, Van Waeyenbergh nr. 515. Meegedeeld door het Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, waarvoor onze dank. Colen C , De Clerck M. en Verbeeck M., Het archeologisch onderzoek van het Monseigneur Ladeuzeplein te Leuven (deel I), in De Brabantse Folklore, oktober 1989, p. 248. Stedebouw keldert Ladeuzeparking te Leuven, in Gazet van Antwerpen, 21 november 1985. Met dank aan mevr. R. D'Haese, tuinarchitecte bij de Stad Leuven, voor de toelichting. Ministerieel besluit van P. Dewael, gemeenschapsminister van Cultuur, van 23 maart 1987 houdende de definitieve bescherming van de Universiteitsbibliotheek en het Groot Begijnhof te Leuven. De ministeriële omzendbrief van 1 september 1972 over het advies van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen met betrekking tot de werken die invloed kunnen hebben op de omgeving van een monument, is een te zwakke juridische basis. Zie D'Hoine S., De Centrale Bibliotheek van de K.U.Leuven. Juridische beschouwingen betreffende dit monument, seminariewerk Administratief Recht, K.U.Leuven 1988-1989. Vanherentals L., Leuvens geknoei met reglementen, in Toestanden. Wekelijks blok tegen rechtse wantoestanden, 14 oktober 1988.


Heesters ofte huyzekens van plaisance te Brugge

Anne-Marie Delepiere en Martine Huys, B.M.L.

Toen de Brugse magistraat op het einde van de 13de eeuw beliste de stadsgrenzen te verleggen, koesterde hij al te hoge verwachtingen. Weliswaar liet toen weinig of niets vermoeden dat de economische voorspoed, met de daaraan gekoppelde bevolkingsaangroei, zou stagneren. In de 17de en de 18de eeuw daalde het bevolkingscijfer zelfs tot een dieptepunt, om pas in de 19de eeuw opnieuw het peil van de middeleeuwen te evenaren. Al die tijd bleef de strook tussen de eerste (1127) en de tweede omwalling (1297) voor een stuk groen. Uiteraard tekende de groene gordel zich het duidelijkst af naar de vestingen toe. Het stadsplan van Marcus Gerards, in 1562 gemaakt in opdracht van het stadsbestuur bij wijze van promotie voor Brugge, toont duidelijk de tegenstelling tussen het totaal versteende stadscentrum en het landelijke karakter van de stadsdelen tegen de vestingsgordel.

Annunciatenstraat

101. Zuidgevel naar A. Heins (1931)

55 M&L


De talrijke kloosters, die in de loop der eeuwen te Brugge waren gevestigd, benutten deze onbebouwde terreinen als kloostertuinen, waarin zowel boomgaard als sier- en moestuinen waren ondergebracht. Vele partijen weilanden werden als blekerijweiden benut. Voornamelijk in de 18de eeuw kende de lijnwaadindustrie een grote bloei; dit bleek ondermeer uit het groot aantal bleekweiden — ongeveer 30 ha —, zowat een vijfde van de totale stadsoppervlakte (1). Onbebouwde ruimten werden ook aangewend voor tuinbouw en veeteelt. De stadskernbewoners kweekten in hun moestuinen en boomgaarden groenten en fruit. Deze ommuurde hovingen werden ook heesters genoemd. Zowel in het middelnederlands als in de streektaal betekende heester: tuin of lusthof. In zijn Westvlaamsch idioticon preciseert deken De Bo het begrip als volgt: "Een hof met fruitbomen of plantsoenen, rondom bemuurd, en gemeenlijk met een huis

Koningin Elisabethlaan 20. De Cattepoort of Torre van London: een 'waterkasteeltje' nabij de Ezelpoort (stadsplan Marcus Gerards, 1562)

• •

M&L 56

daarin of daaraan". Verder verwijst hij naar de 16deeeuwse Lamentatie van Zeghere van Male, die de toestand te Brugge na de opstand tegen Spanje beschrijft. Laatstgenoemde vertelt dat huizen en landen niet rendabel zijn "Alsoo datter veele persoonen heurlieder huusen abandoneren voor de renten dieder uuijt gaan, ofte maecken der vrijen landt (van), ofte eesteren, hovijnghen, naer heurlieder beliefte alsoo dat sij darof luttel ontfanghen, mits daertoe betaelende reparatie. Declinatie der Stadt.'"(3). Deken De Bo vermeldt verder dat er te Brugge heesters zijn waar herberg gehouden wordt. In de Spaanse heester, gelegen aan de Pottemakersrei, net buiten de eerste omwalling, schonk men in de ommuurde tuin onder de linden verkwikkende dranken. De frisse wind van renaissance en humanisme scherpte ook bij de welgestelde Bruggeling het natuurgevoel aan. Doch reeds in de 15de eeuw, wist

Koningin Elisabethlaan 20. Huidige situatie volgens kadasterplan (hertekening R. De Meerleer)


grond. Op de zuidwesthoek komt een veelzijdige, nu weliswaar ontkroonde traptoren voor, waarin zich de inkom bevindt; een natuurstenen wenteltrap leidt naar de verdieping en de zolder (7). Op de begane grond wordt een derde van de ruimte ingenomen door een opkamer boven de kelder met tongewelf, welke mogelijk later werd gestoken. Op de verdieping situeert zich een privaat dat tussen de toren en de schouw werd uitgemetseld. Een lager bijbouwtje leunt tegen de zuidzijde aan. Een sobere, maar verzorgde bouwtrant typeert dit heestertje. Binnenin worden de plankenvloeren gestut door moer- en kinderbalken; de balksleutels vertonen gotische profileringen, onder meer een peerkraal. Metselaarstekens van geglazuurde bakstenen prijken boven de spitsbogige inkomdeur van de toren. Onder de restanten van de oorspronkelijke muuropeningen — onder meer een kruisvenster — trekken voornamelijk de gedichte brede blindnissen in de noord- en westmuur de aandacht (8). Zij zouden kunnen wijzen op een vroegere bogengalerij, zoals aangetroffen bij de 17de-eeuwse heester aan de Westmeers. Het verpozen onder de arcade hoorde wellicht bij de geneugten van het "eesteren". Koningin Elisabethlaan 20. Westgevel (foto O. Pauwels)

Jacob van der Beurze, burgemeester van Brugge woonachtig in de Beurze te midden van de stad en zonder tuin, de geneugten van een heester te smaken. Na het schieten van de hoofdgaai in de Sint-Jorisgilde, bood hij zijn vrienden een succulente maaltijd aan in het paradijselijke kader van zijn heester (5). Aan de Ezelpoort De oudste bewaarde heester, de Torre van Londen of Cattepoorte, dateert uit de eerste helft van de 16de eeuw (6). Het stadsplan van Marcus Gerards (1562) geeft een goed beeld van dit heestertje en zijn oorspronkelijke omgeving. Het wordt er voorgesteld als een "waterkasteeltje", gelegen in een grote, deels ommuurde tuin achter de huizen aan de Ezelstraat, vlakbij de Ezelpoort. Op het kadasterplan van Popp (1851) is het heestertje nog steeds op een vrijwel onbebouwd terrein gelegen: de bebouwing langs de vesten is pas aangezet. Heden ligt de Cattepoorte in de tuin van het pand Koningin Elisabethlaan 20; dit terrein heeft ook een uitgang naar de Biezenstraat. Ondanks zijn slechte bouwfysische toestand behoudt de heester nog in vrij grote mate zijn oorspronkelijk silhouet: een bakstenen gebouwtje van twee bouwlagen onder zadeldak tussen aandaken, op een vrijwel rechthoekige platte-

Koningin Elisabethlaan 20. Natuurstenen wenteltrap (foto O. Pauwels)

57 M&L


Rond de gaaischieting De registers van de Zestendeelen beschrijven de Maeckelaersheester, gelegen in de "Sinte Clarastrate, noordzyde gaende oostwaert", als volgt: "872. Een platse van lande daer neffens, pertinet de Maeckelaers deser stede. 873. tAchterhuys van de Maeckelaers capelle, pertinet de zelve. 874. Een eestre achter de voorseide schaere tusschen den beloken van huysinghen ende capelle, de zelve" (9). Aan deze Maeckelaersheester herinnert nog de gelijknamige herberg in de SinteClarastraat 41, waar een verderop gelegen 16deeeuwse hoeve de landelijke sfeer van weleer oproept. In de groene omgeving van de Maeckelaersheester lagen het Oudhof en iets verderop het Jonghof van de Sint-Jorisgilde. Deze in 1768 opnieuw verenigde schuttersgilde verhuisde in de loop van de jaren 1930 naar een nog onbebouwd terrein nabij de Kruispoort (10).

Daarbij die molens... In deze arcadische omgeving had zich reeds in 1573 de zustergilde Sint-Sebastiaan gevestigd. De SintSebastiaansgilde kocht toen van de heer Cornelius de

Carmersstraat 178. De voormalige Lombaerdsheester, thans schu tersgilde van Sint-Sebastiaan (foto O. Pauwels)

<SïLw a^$l>^y-^-e&.

^Üi**. «u»^ Sra^w*^.

Carmersstraat 178. Plattegrond en dwarsdoorsnede naar architect L. dela Censerie, van 1899-1900

M&L 58

(S^-v^VM

.&.&).


Bloeis, tresorier van de stad, de Lombaerdsheester (11, 12), Carmersstraat 178. Deze eigendom omvatte een grosso modo rechthoekig gebouwtje met traptoren, uit het midden van de 16de eeuw, en een uitgestrekte ommuurde tuin. De heester is georiënteerd op de zuidelijk gelegen hof; de noord- én straatgevel vertoont een eerder gesloten, sober karakter en sluit aan bij de omheining. Het bloeiende gilde wezen leidde tot uitbreidings-, verfraaiings- en restauratiewerken, waarbij evenwel de oorspronkelijke heester herkenbaar bleef. Deze dient zich aan als een bakstenen breedhuis van twee bouwlagen met ruime, onderkelderde opkamer. Het doorlopende zadeldak wordt gedomineerd door een elegante huistoren, welke aanleunt tegen de zuidelijke tuingevel ter hoogte van de overgang van hoog naar laag. Wellicht betrad men de heester via deze traptoren van waaruit ook alle plaatsen toegankelijk waren. De deur van de éénbeukige kelder met tongewelf en deze van het laaghuis, de opkamer, de bovenverdieping en de zolder geven uit op een natuurstenen wenteltrap, die stopt ter hoogte van het dak. Vanaf hier wordt de toren geflankeerd door een trapkoker met houten spiltrap, die klimt naar de twee bovenliggende en overkragende belvédères. Laat-gotische baksteenversieringen — rond de eeuwwisseling sterk gerestaureerd — verluchten de nog vrijstaande trapgevel aan oostzijde, de zuidgevel en de toren; twee, nu weliswaar vernieuwde bustes, sieren de toren. Op de "vaute", liet men zich verleiden tot schuchtere renaissance-opsmukjes; de verfijnde ornamenten van de balksleutels getuigen van deze toen nieuwe trend (13).

Westmeers 100. Gevelopstanden naar architect D. De Love

In de meersen Verscholen in de meersen, aan de oever van het Capucijnenreitje ligt een fraaie heester. Westmeers 100. Hij bevindt zich in de noordwesthoek van een open perceel, dat sinds de eeuwwisseling van de straat is afgescheiden door een rij arbeiderswoningen. Het 17de-eeuwse gebouwtje werd op het einde van de 18de- begin 19de eeuw uitgebreid met een woonhuis. Tot vóór enkele decennia was er een wasserij in ondergebracht: een uitloper van de bleektraditie in de meersen. De heester lijkt qua volume en grondplan op de voorgaande: een rechthoekig gebouwtje van twee bouwlagen onder zadeldak — nok evenwijdig aan de rei — met vierzijdig torentje ten noordwesten. Verfrissend hier, is evenwel de op het zuiden geopende, blauwstenen arcade met drie rondbogen op Toscaanse zuiltjes. Op warme zomerdagen zocht men de koelte op onder de kruisgewelven. Het italianiserende van de bogengalerij alterneert met het traditionele metselwerk van de tweede bouwlaag. De Brugse metselaars spreidden hun vakmanschap ten toon in het laat-gotische maaswerk van de bovenvensters. In tegenstelling tot deze zuidelijke puntgevel zijn de andere gevels soberder en minder oorspronkelijk tot ons gekomen; zij vertonen gedichte en jongere muuropeningen. Het torentje — in feite een haakse uitbouw van één travee Westmeers 100. Zuidgevel (foto O. Pauwels) 59 M&L


met westelijk trapgeveltje — is als het ware herleid "Up 't Zilletje" tot "erker-uitkijk",geïntegreerd in de leefruimten; hier lijkt de ingangs- en trapfunctie nooit bestaan te hebben. Deels op het Capucijnenreitje gebouwd, De lang landelijk gebleven Sint-Gillisparochie leent dit hoekje zich voor het aanschouwen van de bewaart nog een 18de-eeuwse "folie" in een tuin, die vesten bij zonsondergang. zich uitstrekt tussen de Annunciatenstraat 101 en de De kelder en de opkamer, beide onder tongewelf, Kleine Nieuwstraat (14). De verkoopsakte van 19 okscheiden de galerij van het binnenhuis. Hun geringe tober 1804 omschrijft de heester als volgt: "un grand omvang wijst erop dat zowel kelder als opkamer et beau jardin et une maison de plaisance meublée et werden gebruikt voor het stockeren; de "vaute" was les arbres du jardin comprenant 20 pêchers, 4 abricoeerder een spinde dan een leefkamer. Na jaren leeg- tiers, 10 pruniers, 37 pommiers, 4 cerisiers, 1 mürier, stand en verkommering, werd deze heester in de 1 poulailler, 8 palmiers, une haie entourant la statue de Westmeers opnieuw ontdekt. De nieuwe eigenaar, Flore, une grande haie avec portique, 6 figures avec zelf architect, blies het domein, bestaande uit heester piedestaux et bassin... "(15). met 18de-eeuwse zijvleugel en de aan de straat gele- Sindsdien is deze hof van eden door een 19de-eeuwse gen 19de-eeuwse arbeidershuizen, nieuw leven in. verkaveling gereduceerd tot een eenvoudige grastuin; Dankzij deze restauratie prijkt de heester terug in zijn hoge muren en linden verhinderen weliswaar het oude glorie, zij het wel als deel uitmakend van een binnengluren. De heester wordt betreden vanaf de woonhuis. Annunciatenstraat; in de afsluitingsmuur zitten een getoogde deur in een natuurstenen omijsting (gedateerd 1765) en een recentere inrijpoort. De heester ligt in de noordwesthoek van het huidige grosso modo rechthoekige terrein; aan de Kleine Nieuwstraat verraadt een belvédère boven blinde muren zijn aanwezigheid. Het rechthoekige, bakstenen gebouwtje van drie traveeën en twee bouwlagen onder leien zadeldak, wordt gedomineerd door een vierzijdige oostelijke hoektoren met twee verdiepingen. In de jaren 1960 werd een woonhuis opgetrokken tegen de tuinmuur en de oostelijke torenwand.

Annunciatemtraat 101. Detail van de tuingevel (foto O. Pauwels)

• • • •

M&L 60

Het nu eerder sober ogend gebouwtje was oorspronkelijk verlevendigd door blindnissen in de aard van deze nog aangetroffen in de oostelijke torengevel; hiernaar verwijzen sporen op de borstwering. Cementen omlijstingen van de getoogde muuropeningen en dito boekbanden werden later aangebracht. Boven de eerste verdieping was de toren oorspronkelijk afgesloten met een hoge, op korfbogen uitgekraagde borstwering. In het laatste kwart van de 18de eeuw bouwde men er een uitkijksalonnetje met pagodebekroning bovenop; hier kon men beschut tegen regen en wind uren zitten turen... De vestibule in de toren biedt links toegang tot het salon; een houten trap leidt naar het erboven gelegen slaapvertrek, om dan verder op te klimmen naar het belvédère. In tegenstelling tot de andere heesters beschikt deze noch over kelder, noch over opkamer. Bewaarruimten zijn hier geweerd; spijs en drank kwamen vermoedelijk aangerukt vanuit het keukentje nabij de inrijpoort. Het intieme interieur blinkt van 18de-eeuwse verfijning en elegantie. Hier bereikte de kunst van het "eesteren" zijn hoogtepunt: keuvelen, degusteren, en soezen in de alkoof, omgeven door de charmes van de Lodewijk XV-stijl. In het uitkijksalonnetje liet men zich verleiden door de Lodewijk XVI-stijl. Het plafond met trompe-rceuil-hesch\\der'mg stelde een hoofs gezelschap voor; dames, heren en een kannunik kijken over een met chinoiserieën versierde balustrade (16). Vandaag is de heester geïntegreerd in het nieuwe woonhuis. Er wordt nog steeds verpoosd in het salon of op de uitkijk; het slaapvertrek doet dienst als het poppenmuseum van de vrouw des huizes.


Anmmciatenstraat 101. Het slaapvertrek op de verdieping (foto O. Pauwels)

Annunciatenstraat 101. Het salon op de begane grond (ioto O. Fauwels)

Annunciatenstraat 101. Hoofs gezelschap afkomstig van het plafond in het belvédère (schilderij op doek) (foto O. Pauwels)

61 M&L


Deze bewaarde heesters — buitengoedjes binnen de Brugse vesting en buiten de eerste omwalling — waren zo te zien meer dan gewone optrekjes. De rechthoekige gebouwtjes van twee bouwlagen met toren, gelegen midden ommuurde hovingen, hadden de allures van kleine kasteeltjes. In deze groene, lommerrijke omgeving en vaak niet veraf van water, zochten begoede burgers in gezelschap van familie en vrienden verpozing. Te klein om te bewonen werden

ze later veelal uitgebreid en aldus aangepast aan de noden van de tijd. Door de groeiende verstedelijking is het "eesteren" van weleer uit het stadsbeeld verdwenen. Hoe het ooit was voelt men het best aan ter hoogte van de Kruisvest. Hier, in de schaduw van de vestingsmolens, ademen omsloten tuinen nog immer landelijke rust uit.

(foto O. Pauwels)

Voetnoten

(1) Adriansens W., e.a.. Groen Brugge, Brugge, 1987. Van Houtte J.A., De geschiedenis van Brugge, Tielt-Bussum, 1982. (2) De Bo L.L., Westvlaamsch idioticon, Brugge, 1873. (3) Brugge na de opstand tegen Spanje. De Lamentatie van Zeghere van Male 1590, uitgegeven door de Gidsenbond onder redactie van Dewitte A. en Viaene A . , Brugge, 1977, p. 40. (4) Buysse E., Spaanse heester en andere heesters in Brugge, in Vlaams Weekblad, 17 november 1962, p. 5. (5) Bulletijn Monumenten en Landschappen. West-Vlaanderen, 1, (1919-1923), p. 341-343. (6) Beschermd bij Ministerieel Besluit van 2 juni 1988; beschermingsdossier B.M.L., nr. 4168. (7) Beernaert B . , Esther J.P., Een aspect in de woonhuisarchitectuur: de traptorens, in De Gidsenkring, XX, 4, 1982, p. 30-34. (8) Devliegher L., De huizen te Brugge, Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen. dl. 2-3, Tielt-Den Haag, 1968. M & L 62

(9) Gilliodst-Van Severen L., Les registres des "Zestendeelen" ou Ie cadastre de la ville de Bruges de l'année 1580, in Annales de la société d'Emulation de Bruges, 43 (1893), p. 1-401. (10) Devliegher L., Ibidem. (11) Beschermd bij Koninklijk Besluit van 20 september 1958, uitgebreid bij Koninklijk Besluit van 27 mei 1975. (12) Van Houtryve A . , Gilde van myn Heere Sint Sebastiaen die d'Aerchiers houden binnen der stede van Brugghe — een cultureel-historische analyse —, Brugge, s.d., p. 15-16. (13) Beernaert B . , e.a.. Stenen herleven. 111 jaar "Kunstige Herstellingen" in Brugge 1877-1988, Brugge, (1988), p. 118-120; Devliegher L., Ibidem. (14) Beschermd bij Koninklijk Besluit van 9 juli 1974. (15) Heins A., Une "folie" du XVllIe siècle. Le Heester a Bruges, in Revue beige d'archéologie etd'histoire de l'art, 1 (1931), p. 223-226. (16) Bulletijn Monumenten en Landschappen. West-Vlaanderen, 7, (1919-1923), p. 341-343. Devliegher L.. Ibidem.


The castle estate of Breivelde: a landscape garden in Zottegem (Grotenberge)

Originally, this domain, being a sloping forest, was used as a hunting ground. By means of map research, the domain's evolution between 1775 and 1975 could be reconstructed. Little is known about the planning of the domain though. Neither the plans nor the identity of the designer have ever been found. After a substantial cutting down of trees and the determination of the property's demarcation with the aid of the land registry, it appeared that the construction of the garden had taken place between 1885 and 1888. Breivelde gives quite a clear picture of what was in fashion in landscape gardening during the second half of the 19th century. All tricks and techniques described in the professional litterature of that time have been used in the planning. The outstanding ability of the Van Male de Ghorain family (from 1907 till 1970) in maintaining their domain appeared from research in the records. Records were kept of all works and alterations. Measurements were regularly taken of all peculiar trees, and pieces of information about plantings were carefully taken down. The Administration of Monuments and Landscapes has made an inventory of 190 trees, including 54 different species and varieties. Some very rare species and a few splendid specimen give the domain an exceptional dendrological value. The wooded areas consist mainly of middle-high wood with a wide variety of herbaceous species. The spring vegetation and the remnants of a stinzenflora (1) give the domain a very attractive appearance. Quite some ponds and lakes, seepageand well water, swamps and grounds with a high water level offer excellent growing conditions to a number of plants.

A square to a library. Renewing the laying-out of the square Mgr. Ladeuze at Louvain

With its 2,700 students in the 1930s, the Louvain university was a medium-sized university in a small provincial town of 40,000 inhabitants. The close relationships between a university and a city that houses it are, probably, inevitably marked by a certain tension in such circumstances. This tension emerged the most clearly with respect to the physical accomodations, in particular, the claims the university made on the urban space. The Louvain university has always been very visibly present on the city scene. The new university library, which was built between 1921 and 1928, is the most monumental complex in the town. The library, which was paid for by American money and designed by an American architect, Whitney Warren, was intended as a war monument, a reminder in stone of the German atrocities during the First World War and of the solidarity of the Allies in the reconstruction. Very soon, the building became an emblem of the university. The integration of the library into the city scene did not proceed as smoothly as one would have wished. Not only was the location — the highest point of the town and the most splendid building site of the reconstruction — originally objected to by the city, but once the project was completed, there remained tension between the 'ivory tower' of academia and the plebeian activities — markets and fairs — at its feet. In 1937, the city administration and the university joined together to give the environment of the library a more appropriate form. The square in front of the library was to be converted into an open-air museum for the famous Belgian sculptor, Constantin Meunier (1831-1905). For this purpose, Edmond Doms, the substitute Socialist burgomaster, and Mgr. Paulin Ladeuze, the Rector, engaged the Brussels architect Henry Lacoste (1885-1968). Lacoste wanted to make the library square into a rigidly geometrically ordered sculpture garden, the hierarchical layout of which would

be completely tuned to the library. The architect included another adjoining square, the Grain Market, which was renamed the Herbert Hoover Square in 1938, and the city park, where the statue route would culminate in Meunier's Monument to Labor. Once and for all the fair would be removed from the surroundings of the library ans Science would triumph over urban life. With a view to the execution of the entire project, the American ambassador and representatives of the Hoover Foundation were approached. Both the Socialists and certain parties on the academic side also counted on American financial support for the project. The project was aborted in the campaign for the municipal elections of October 1938 by the new fascist party Rex, which won a seat and dislodged the Socialists. The attempt of the Catholic-Socialist combination to give the university library a worthy forecourt, foundered on the increased left-right polarization in the municipal council. The tension between library and square, between the cultural institution and its profane context continued undiminished. The surroundings of the library, which has been protected as a monument since 1987, still today remain a problem.

Shrubberies or "Huyzekens van Plaisance" (2) in Bruges

When at the end of the 13th century, the Brugean magistrate chose to extend the city boundaries, his expectations were far too high. It is true though that the stagnation of both the economy and the population growth were the last thing to be expected. During the 17th and 18th century the population figure dropped to an all-time low. Only in the 19th century the level of the Middle Ages was equalled again. All that time, the strip of land between the first (1127) and the second (1297) bulwark remained green. Meanwhile, most vacant sites were being used for market-gardening and cattle breeding. The city centre dwellers grew fruit and vegetables in their orchards and kitchen gardens. These hedged in gardens were also called 'heesters' (shrubberies). As well in Middle Dutch as in the vernacular, 'heester' meant garden or pleasure ground. The oldest heester, the 'Torre van London' or 'Lombaerdsheester', purchased by the shooting association of St. Sebastian, was built mid 16th century. Near the Capucijnenrei in the Westmeers (n" 100) still stands a 17th century heester. The one from the 18th century in the Annunciatenstraat n" 101 keeps an elegant and refined interior. It seems that the still existing heesters — country places within the Brugean ramparts but outside the first bulwark-were more than just little cottages. The rectangular buildings, consisting of two storeys and a tower, situated amidst hedged in gardens, looked more like little castles. In this green and shady environment, mostly near the water, wealthy citizens came to relax with their family and friends. Being too small to live in, most were built out to meet the needs of the time. Because of the growing urbanization 'eesteren' disappeared from the townscape. How it must have felt, can best be experienced near the Kruisvest. Here, in the shade of the fortress mills, hedged gardens still breathe the rustic peace.

(1) A Specific kind of flora on a terp or knoll near old farms etc. A 'stins is a Friesian fortified manor. (2) M.D. for 'little pleasent houses'.


8

S DFFI ^

ALGEMEEN-NEDERLANDS TWEEMAANDELIJKS CULTUREEL TIJDSCHRIFT

dat informatie biedt over de Nederlandse cultuur zoals zij leeft in Nederland en België. Vijf nummers per jaar, 160 bladzijden per nummer.

In het tweede nummer van de 33e jaargang, 1990, o.a.: /. Tollebeek, Historisch besef in Vlaanderen G. Termorshuizen, Maria Dermoüt en haar werk £. Witte, De Staatshervorming van 1988 T. Anbeek, De kinderziekten van de Nederlandse biografie P. van Aken, Het kritisch en essayistisch werk van Paul de Wispelaere W.J. van den Akker, Enkele overpeinzingen van een Neerlandicus binnen de muren /. Boyens, Beelden van Leo Vroegindeweij /. van de Sande, De bezielde wereld van Geert van Beek L. Huyse, Over de geschiedschrijving van collaboratie en repressie P. Huys, Sculpturen van Paul van Gysegem R. Salverda. De Neerlandistiek in Indonesië in de jaren tachtig D. de Geest, Verrassend nieuw werk van Christine D'haen Verder nog een omvangrijke Culturele Kroniek met artikelen over recente literaire publikaties, beeldende kunsten, theater, muziek, film en een Taaikroniek met bijdragen over cultuurpolitieke onderwerpen.

VRAAG

EEN

GRATIS

PROEFNUMMER

Abonnementsprijs 1 600 BF. Los nummer: 400 BF. Storten op postrekening 000-0907100-53 van Stichting Ons Erfdeel, Murissonstraat 260, 8530 Rekkem Tel. (056) 41 12 01


IWIII ml» — I I I » M i l

•

rt*-

• • ^

mWW

urn

Kf 1

1

m.iRnaMk

n

Arch. Tei^TORfs Trem^oiJ'

IRG(


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook