BIJLAGEN BIJ DEEL 1. SOCIAAL- ECONOMISCH BELEID BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 2. ONDERSTEUNINGSBELEID ZELFSTANDIG ONDERNEMERSCHAP - PARTICIPATIEFONDS Bijkomende informatie bij de beschrijving van de tweede optie Een aantal nieuwe assumpties werden aan het onderliggende financieel plan toegevoegd: Dossiers onder 50.000 euro zullen automatisch toegekend worden, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Dit principe is het resultaat van een kosten-baten analyse, waarin de kost van de inzet van investeringsmanagers om de dossiers te analyseren werd afgewogen ten opzichte van de te verwachten verliezen. Voor dossiers met een hogere kredietbehoefte zal een doorgedreven investeringsanalyse worden uitgevoerd, bovenop de kredietanalyse van de bank. Een nog op te richten investeringscomité beslist finaal over de goedkeuring. Dit investeringscomité zal bestaan uit een aantal investeringsmanagers van PMV. PMV kiest voor een kwalitatieve portefeuille. Er wordt verwacht dat 40% van de ingediende investeringsaanvragen > 50.000 euro zullen worden afgekeurd door het managementteam en het investeringscomité. Voor dossiers < 50.000 euro wordt voortgegaan op de positieve kredietanalyse van de banken. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal dossiers en de investeringsbedragen per jaar bij een volledig operationeel niveau zoals vooropgesteld in het voorliggend plan. Aantal dossiers Starters Groeiers TOTAAL Investeringsbedrag Starters Groeiers TOTAAL
< € 50.000 70 25 95 < € 50.000 2.000.000 700.000 2.700.000
> € 50.000 50 40 90 > € 50.000 9.800.000 7.800.000 17.600.000
TOTAAL 120 65 185 TOTAAL 11.800.000 8.500.000 20.300.000
Over een periode van 10 jaar zou PMV met de twee nieuwe instrumenten ruim 188 miljoen euro investeren. Vanaf 2015 wordt de jaarlijkse investering in startende en gevestigde ondernemingen op 20,3 miljoen euro geraamd. Zoals reeds eerder aangegeven, wordt er een graduele opbouw van het aantal kredietaanvragen verwacht. De investering in het eerste en tweede jaar bedraagt daarom respectievelijk 50% en 75% van de geraamde jaarlijkse investering. In het financieel plan wordt een gemiddelde dotatie voorgesteld van 2.200 euro per dossierbegeleiding van starters door de steunpunten, naar analogie met de vergoeding die het PF vandaag uitkeert. Jaarlijks komt dit neer op ca. 300.000 euro aan dotaties voor starters en wordt mee in rekening genomen bij de raming van de jaarlijkse beheerskost. Er wordt rekening gehouden met een jaar kapitaalsvrijstelling voor de ondernemers. Het voorliggende plan is opgemaakt, uitgaande van een jaarlijkse gemiddelde interestvoet van 5,5% voor starters en 4,5% voor gevestigde bedrijven. Indien de starter zich laat begeleiden door een steunpunt kan hij de eerste 2 jaar genieten van
1
een verlaagde interestvoet, nl. 4,5%. Op die manier wordt de begeleiding aangemoedigd. De verliespercentages zijn gebaseerd op deze van het PF. Dit impliceert een totaal verliespercentage van 17,5% bij startende ondernemers en 12,50% bij gevestigde initiatieven over een looptijd van 7 jaar.
Bijkomende informatie bij de beschrijving van de derde optie Een aantal nieuwe assumpties werden aan het onderliggende financieel plan toegevoegd: Omwille van het hoge risicoprofiel van de startlening zullen alle aanvragen voor een startlening ten gronde geanalyseerd worden. Er wordt verwacht dat 60% (250 dossiers) van de ingediende investeringsaanvragen zullen worden goedgekeurd door het managementteam en het investeringscomité. Over een periode van 10 jaar zou PMV met de twee nieuwe instrumenten ruim 234 miljoen euro investeren. Vanaf 2015 wordt de jaarlijkse investering in de startlening op 5 miljoen euro geraamd. Zoals reeds eerder aangegeven, wordt er een graduele opbouw van het aantal kredietaanvragen verwacht. De investering in het eerste en tweede jaar bedraagt daarom respectievelijk 50% en 75% van de geraamde jaarlijkse investering. In het financieel plan wordt een gemiddelde dotatie voorgesteld van 2.200 euro per dossierbegeleiding van starters door de steunpunten, naar analogie met de vergoeding die het PF vandaag uitkeert. Jaarlijks komt dit neer op ca. 300.000 euro aan dotaties voor starters en ca. 500.000 euro voor de begunstigden van een Startlening. Met deze dotatie wordt reeds rekening gehouden bij de raming van de jaarlijkse beheerskost. Er wordt rekening gehouden met een jaar kapitaalsvrijstelling voor de ondernemers. Het voorliggende plan is opgemaakt, uitgaande van een jaarlijkse gemiddelde interestvoet van 4,5% voor de startlening. Indien de starter zich laat begeleiden door een steunpunt kan hij de eerste 2 jaar genieten van een verlaagde interestvoet, nl. 4%. De verliespercentages voor de Startlening worden licht verlaagd t.o.v. die van het PF. In dit financieel plan wordt een totaal verliespercentage 1 van 36% voor de Startlening over een looptijd van 7 jaar weerhouden.
1
Dit verliespercentage is gebaseerd op kredieten met een looptijd van 7 jaar. Er werd rekening gehouden met een jaarlijkse spreiding, waarbij er in de eerste jaren procentueel meer uitval wordt verwacht dan in de laatste jaren van het krediet.
2
BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT HET BEROEP VESTIGINGSVOORWAARDEN Bijkomende informatie bij de huidige bevoegdheidsverdeling I. Wetgeving -
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
21/10/1998 - Koninklijk besluit tot uitvoering van Hoofdstuk I van Titel II van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, gewijzigd 29/11/1963 - Koninklijk besluit tot bepaling van de voorwaarden tot uitoefening van de beroepswerkzaamheid van slager-groothandelaar in de kleine en middelgrote handelsen ambachtsondernemingen, gewijzigd. 21/12/1974 - Koninklijk besluit tot bepaling van de eisen tot uitoefening van de beroepswerkzaamheid van installateur-frigorist in de kleine en middelgrote handels- en ambachtsondernemingen, gewijzigd. 24/02/1978 - Koninklijk besluit tot bepaling van de eisen tot uitoefening van de beroepswerkzaamheid van droogkuiser-verver in de kleine en middelgrote handels- en ambachtsondernemingen, gewijzigd. 13/06/1984 - Koninklijk besluit tot bepaling van de voorwaarden tot uitoefening van de beroepswerkzaamheid van restaurateur of van traiteur-banketaannemer in de kleine en middelgrote handels- en ambachtsondernemingen, gewijzigd. 27/01/1992 – Koninklijk besluit betreffende de presentiegelden en de vergoedingen, toe te kennen aan de leden van verscheidene organen en commissies die ressorteren onder het Ministerie van Middenstand, gewijzigd op 18 januari 2010. Bedoeld zijn o.a. de centrale examencommissies en de Vestigingsraad. 14/01/1993 - Koninklijk besluit tot bepaling van de voorwaarden tot uitoefening van de beroepswerkzaamheid van brood- en banketbakker in de kleine en middelgrote handelsen ambachtsondernemingen. 29/03/2004 – Koninklijk besluit betreffende de Vestigingsraad, opgericht bij de wet van 26 juni 2002 12/07/2006 - Koninklijk besluit betreffende de uitsluiting van de beroepsactiviteit van het thuisverkopen van het toepassingsgebied van artikel 4, § 1, eerste lid, van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap. 21/12/2006 - Koninklijk besluit betreffende de beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van zelfstandige activiteiten met betrekking tot fietsen en motorvoertuigen, gewijzigd op 18 december 2007. 21/12/2006 - Koninklijk besluit betreffende de beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van zelfstandige activiteiten op het gebied van lichaamsverzorging, van opticien, dentaaltechnicus en begrafenisondernemer, gewijzigd op 18 december 2007. 29/01/2007 - Koninklijk besluit betreffende de beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van zelfstandige activiteiten van het bouwvak en van de elektrotechniek, alsook van de algemene aanneming, gewijzigd op 18 december 2007. 13/02/2007 - Koninklijk besluit betreffende de examens over de ondernemersvaardigheden. 04/04/2007 - Ministerieel besluit tot bepaling van diverse nadere regels inzake de centrale examencommissies voor de ondernemersvaardigheden. Volledigheidshalve wordt nog het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 houdende maatregelen ter omzetting in de interne rechtsorde van Richtlijn 2005/36/EG van 7 september 2005 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties vermeld.
3
Dit besluit betreft enkel de omzetting van Hoofdstuk II van de Richtlijn, namelijk de erkenning van beroepservaring van de in bijlage IV van de Richtlijn vermelde beroepsactiviteiten. De lidstaten leveren volgens de voorwaarden van de Richtlijn verklaringen af die in de ontvangende lidstaat als voldoende bewijs van het bezit van algemene kennis, handels- of vakkennis en –bekwaamheid moeten worden aanvaard. Het besluit heeft alleen betrekking op KMO’s in de zin van artikel 2, 1° van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap. II. Personeel en middelen • Middelen waarover de federale overheid in 2012 beschikt om de desbetreffende bevoegdheid uit te voeren Kantooroppervlakte Centrale Examencommissie: - Secretariaat, examenzaal, archief: WTC III – 18e verdieping – Simon Bolivarlaan 30, 1000 Brussel: 158 m2 Examenzaal en wachtzaal voor geautomatiseerde examens: North Gate III – gelijkvloers – Albert II-laan 16, 1000 Brussel: 104 m2 9 PP * 13,5 m² = 121,5 m² voor bureelruimte. Griffie van de Vestigingsraad: Kantoren: WTC III – 20e verdieping – Simon Bolivarlaan 30, 1000 Brussel: 4 PP * 13,5 m² = 54 m² Andere activiteiten m.b.t. ondernemersvaardigheden: − Kantoren: WTC III – 18e verdieping – Simon Bolivarlaan 30, 1000 Brussel: 75 m2 archief (totaal: 228 m2) − 7 PP * 13,5 m² = 94.5 m². Waarde van het materiaal waarover het personeel beschikt (o.m. IT-materiaal) Iedere medewerker heeft kantoormeubilair, een desktop of een laptop, scherm, klavier en muis – netwerkprinter (2 voor 50 personen) In North Gate III (gelijkvloers): examenzaal voor 24 personen en 2 surveillanten: meubels en 26 PC’s, bekabeling en examenprogramma Question Mark : aankoopprijs + licentie: 1.188 € + 3.300 € jaarlijkse onderhoudskosten – bij hernieuwing om een onbepaald aantal jaren: 10.146 voor de migratie en opleiding en support. 152 euro * 20 PP = 3.040 euro. Aantal personeelsleden aangesteld voor de uitoefening van de bevoegdheid A. Examencommissies Nederlandstalige VTE: 3,3 (statutair) Niveau C: 2,8 en Niveau D: 0,5 Franstalige VTE: 3,9 − Niveau C: 2,3 (statutair) : 2,3 * 30.000 euro = 69.000 euro − Niveau D: 0,8 statutair en 0,8 contractueel : 1,6 * 27.000 euro = 43.200 euro B. Vestigingsraad Nederlandstalige VTE: 1,8 van niveau C – 1 statutair + 0,8 contractueel 1,8 * 30.000 euro = 54.000 euro. 4
Franstalige VTE: 1,8 van − Niveau C : 1 statutaire : 30.000 euro. − Niveau D: 0,8 contractueel : 27.000 euro * 0,8 = 21.600 euro. Dit zijn de totale cijfers voor de dienst “Griffies”. Zie onder 3. de opmerking i.v.m. het takenpakket “Griffie van de Vestigingsraad”. C. Overige Nederlandstalige VTE: − Niveau A: 0,7 (statutair) : 54.000 euro * 0,7 = 37.800 euro − Niveau C: 2,5 (statutair) 30.000 euro * 2,5 = 75.000 euro Franstalige VTE: • Niveau A: 1 (statutair) : 54.000 euro • Niveau C: 1,8 (1 statutair en 0.8 contractueel) 30.000 * 1,8 = 54.000 euro. •
Lasten uit het verleden Zaak “Bois Maistriau”: vonnis van het Hof van Beroep op 22 november 2011 in het voordeel van de Staat (voorziening in Cassatie is nog mogelijk) – Onmogelijk om een eventuele schadevergoeding te schatten.
5
BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 4. PRIJZENCONTROLE Bijkomende informatie en toelichting bij de huidige wetgeving, de uitoefening van de federale bevoegdheid en een overzicht van relevante rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State m.b.t. de bevoegdheidsverdeling inzake prijzencontrole I. Wetgeving Sector van de instellingen voor bejaardenopvang Ministerieel besluit van 12 augustus 2005 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang, genomen ter uitvoering van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen. De sector van de instellingen voor bejaardenopvang is aan de prijzencontrole onderworpen. Deze a priori controle wordt momenteel door de federale overheid uitgevoerd. Het bovenvermelde ministerieel besluit omschrijft de te volgen procedures door de ondernemingen die tot bovenvermelde sector behoren wanneer zij een prijs voor een product of een dienst die als nieuw worden aanzien, willen meedelen of wanneer zij een verhoging van hun prijzen of marges wensen te bekomen. De prijzendienst behandelt de kennisgevingen en aanvragen van prijs- en margeverhogingen (dagprijzen en prijzen en marge van alle producten of diensten die door de instelling aan de bewoners worden aangeboden) ingediend door de instellingen voor bejaardenopvang ; in dat verband controleert de dienst of de aanvraag volledig is; daarna maakt hij een economische analyse van de prijsaanvraag af-fabriek op basis van de economische en financiĂŤle informatie verstrekt in de aanvraag; hij onderwerpt de aanvraag aan het voorafgaand en verplicht advies van het permanent comitĂŠ opgericht binnen de Commissie tot Regeling der Prijzen; hij bereidt de beslissing inzake maximumprijzen of maximummarges die aan de minister van Economie zal worden voorgelegd, voor, rechtvaardigt en motiveert ze. Er bestaat eveneens een vereenvoudigde procedure die de instellingen voor bejaardenopvang kunnen volgen als zij de gevraagde prijsverhogingen willen beperken tot de inflatieverhoging: de gevraagde verhoging moet zich ten hoogste beperken tot een percentage dat overeenkomt met een lineaire aanpassing van de prijzen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen over een periode van maximum zesendertig maanden voorafgaand aan de maand waarin de kennisgeving wordt ontvangen De prijzendienst controleert of de prijsverhogingen, die de instellingen voor bejaardenopvang volgens deze procedure aangevraagd en berekend hebben, de maximumverhogingen die mogen worden toegestaan niet overschrijden en delen de aanvragers de maximum toegestane prijzen mee; in voorkomend geval, wanneer de berekeningsparameters niet overeenstemmen met die welke in artikel 5 van het ministerieel besluit van 12 augustus 2005 worden gedefinieerd of wanneer de aanvragers de indexeringsberekeningen niet correct hebben uitgevoerd, stuurt de prijzendienst ze bij. Aantal in 2011 behandelde dossiers van de instellingen voor bejaardenopvang: 167 dossiers van prijsverhogingsaanvragen voor het Vlaams Gewest 172 dossiers van prijsverhogingsaanvragen voor het Waals Gewest 51 dossiers van prijsverhogingsaanvragen voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan 80% in het FR en 20% in het NL 604 dossiers van indexeringsaanvragen voor het Vlaams Gewest
6
402 dossiers van indexeringsaanvragen voor het Waals Gewest 138 dossiers van indexeringsaanvragen voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan 80% in het FR en 20% in het NL Totaal: 809 dossiers behandeld in het NL en 715 dossiers behandeld in het FR Sectoren voor de distributie van drinkwater en voor de teledistributie Ministerieel besluit van 20 april 1993 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen, genomen ter uitvoering van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen. De sectoren van de distributie van drinkwater, van de teledistributie zijn aan de prijzencontrole onderworpen. Deze a priori controle wordt momenteel door de federale overheid uitgevoerd. Het bovenvermelde ministerieel besluit omschrijft de te volgen procedures door de ondernemingen die tot de bovenvermelde sectoren behoren wanneer zij een prijs willen meedelen voor een product of dienst die als nieuw worden aanzien of wanneer zij een prijsverhoging wensen te bekomen. De prijzendienst moet de kennisgevingen en aanvragen van verkoopprijsverhogingen ingediend door de ondernemingen die tot deze sectoren behoren, die aan de prijzencontrole onderworpen zijn, behandelen; in dat verband controleert de dienst of de aanvraag volledig is ; daarna maakt hij een economische analyse van de prijsaanvraag af-fabriek op basis van de economische en financiële informatie verstrekt in de aanvraag; hij onderwerpt de aanvraag aan het voorafgaand en verplicht advies van het permanent comité opgericht binnen de Commissie tot Regeling der Prijzen; hij bereidt de beslissing inzake maximum verkoopprijzen af-fabriek of maximum verkoopprijzen die aan de minister van Economie zal worden voorgelegd, voor, rechtvaardigt en motiveert ze. Aantal in 2011 behandelde dossiers: Sector van de waterdistributie: 8 dossiers van prijsverhogingsaanvragen in het NL en 25 dossiers van prijsverhogingsaanvragen in het FR Sector van de teledistributie: 1 dossier van prijsverhogingsaanvraag in het NL en 2 dossiers van prijsverhogingsaanvraag in het FR Sector van het vervoer met taxi’s Ministerieel besluit van 11 januari 2002 houdende vaststelling van de maximumprijzen voor het vervoer met taxi’s, genomen ter uitvoering van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen. De sector van het vervoer met taxi’s is aan de prijzencontrole onderworpen. Deze a priori controle wordt momenteel door de federale overheid uitgevoerd. De prijsverhogingsaanvragen worden ingediend door de federatie die de sector vertegenwoordigt. Het bovenvermelde ministerieel besluit bepaalt de maximumprijzen voor deze sector. De prijzendienst behandelt de prijsverhogingsaanvragen ingediend door de vertegenwoordigers van de sector; in dat verband controleert de dienst of de aanvraag volledig is ; daarna maakt hij een economische analyse van de prijsaanvraag op basis van de economische en financiële informatie verstrekt in de aanvraag; hij onderwerpt de aanvraag aan het voorafgaand en verplicht advies van de Commissie tot Regeling der Prijzen; hij bereidt het ministerieel besluit inzake maximumprijzen dat aan de minister van Economie zal worden voorgelegd, voor. Aantal in 2011 behandelde dossiers: Geen behandeld dossier in 2011.
7
De laatste prijsverhogingsaanvraag werd toegestaan door het ministerieel besluit van 29 juli 2008 tot wijziging van het ministerieel besluit van 11 januari 2002 houdende de vaststelling van de maximumprijzen voor het vervoer met taxi’s. II. Personeel en middelen •
•
Betrokken dienst: prijzendienst (AD = E3 : Regulering en Organisatie van de Markt). Een gedeelte van de prijzendienst is betrokken: 2,3 VTE ; deze ambtenaren hebben andere taken zoals het secretariaat van de 2 commissies (CRP 2 en CSP), het voorzitterschap van de Mercurialencommissie , de ministeriële afwijkingen toegestaan bij toepassing van artikel 57 van de wet van 30 maart 1976 betreffende de economische herstelmaatregelen Budget waarover de federale overheid in 2012 beschikt om de desbetreffende bevoegdheid uit te voeren Raming van de kostprijs voor de Commissie tot Regeling van de Prijzen voor 2012: 3.000 x 4/5 (verdeelsleutel) = 2.400 Euro (4 sectoren op 5 zullen worden overgedragen naar de deelstaten; de sector van de niet-terugbetaalde geneesmiddelen behandeld door deze commissie blijft onder federale bevoegdheid) Budgettaire kost van het personeel dat toegewezen is aan de sectoren betrokken bij de overdracht voor 2012: Totaal = 140.717€, verdeeld als volgt: 1 VTE Niveau A : 77.404,89€ (Taalrol NL) – pensioen eind 2012/begin 2013 0,8 VTE Niveau B : 44.784,22€ (Taalrol FR) 0,5 VTE Niveau C : 18.527,77€ (Taalrol NL) – pensioen medio 2013 Opmerking Momenteel behandelen 2,3 VTE alle prijzendossiers in de sectoren van de instellingen voor bejaardenopvang, de waterdistributie, teledistributie en taxivervoer, d.w.z. 0,8 VTE (0,8 VTE = niveau B) voor de dossiers in het Frans en 1,5 VTE (1 VTE = niveau A en 0,5 VTE = niveau C) voor de dossiers in het Nederlands. De 1,5 VTE die de dossiers in het Nederlands behandelen, vertrekken respectievelijk eind 2012 of begin 2013 (1 VTE) en midden 2013 (0,5 VTE), meer bepaald voor de overdracht van de bevoegdheden voorzien in 2014, op pensioen. Het NL personeel (1,5 VTE) van de federale overheid dat momenteel toegewezen is aan de sectoren betrokken bij de overdracht en dat de dossiers in het Nederlands behandelt zal in 2013 met pensioen zijn. In 2014 blijft er dan nog 0,8 VTE FR personeel dat de dossiers in het Frans behandelt (voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waalse Gewest). Oppervlakte ingenomen door het personeel 2,3 VTE x 13,5 m2 = 40,5 m2 Waarde van het materiaal waarover het personeel beschikt (o.m. IT-materiaal) 200 euro/per persoon x 3 = 600 euro.
2
8
CRP : Commissie tot Regeling der Prijzen
III. Overzicht rechtspraak
•
Rechtspraak van het Grondwettelijk Hof : het Hof stelt dat de gewesten bevoegd zijn om tarieven te bepalen in de aangelegenheden die tot hun bevoegdheden behoren. Het Hof geeft dus een restrictieve interpretatie aan de bevoegdheden van de federale staat inzake prijzen. De rechtspraak van het Hof toont duidelijk aan dat het oordeelt dat de gewesten bevoegd zijn om tarieven te bepalen op die gebieden die tot hun bevoegdheid behoren, op voorwaarde dat zij hierbij rekening houden met het algemene prijzenbeleid gevoerd door de federale overheid. De regionale overheid heeft dus ook de bevoegdheid om de tarieven te bepalen die toepasselijk zijn in de sectoren waarvan de aangelegenheden tot hun bevoegdheden behoren hierbij rekening houdend met de maatregelen die de federale overheid neemt bij de uitoefening van haar bevoegdheid toegekend door artikel 39 van de Grondwet en artikel 6, §1 , X, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De bevoegdheidsreserve toegekend aan de federale overheid mag de gewesten dus niet de bevoegdheid ontnemen om de tarieven te bepalen van de diensten die tot de hen toegewezen aangelegenheden behoren. Het Grondwettelijke Hof stelt de federale bevoegdheid op het gebied van prijzenpolitiek in deze sector niet ter discussie, ook al wijst het nogmaals op de beperkingen daarvan. (**) In dit opzicht is de federale overheid vrij wel of geen maximumprijzen te bepalen. In het geval dat maximumprijzen zijn bepaald, mogen deze niet overschreden worden door de gewesten. Indien er geen maximumprijzen zijn bepaald, zijn de maximumprijzen bepaald door de gewesten van toepassing. (**)Uit het arrest van het Arbitragehof nr. 25/2004 uitgesproken op 11 februari 2004 inzake de prejudiciële vraag over artikel 11 van de wet van 27 december 1974 betreffende de taxidiensten en waarop de afdeling wetgeving van de Raad van State zich baseert voor het geven van advies over het voorontwerpministerieel besluit, blijkt duidelijk dat de vastlegging van de perimeter (de perimeter is een lijn die een zone afbakent waarbinnen de terugkeer van de taxi naar zijn standplaats niet wordt aangerekend aan de klant) de bevoegdheid is van de gewesten en zelfs een essentieel element uitmaakt van de politiek die de gewesten voeren op het gebied van taxivervoer, maar deze bepaling van perimeters aan de andere kant geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de federale overheid die vrij blijft om de maximumprijzen op te leggen die in geen enkel gewest mogen worden overschreden. Dus kan worden gesteld dat: 1. de federale overheid vrij is wel of geen maximumprijzen te bepalen. In het geval dat maximumprijzen zijn bepaald, mogen deze niet overschreden worden door de gewesten. Indien er geen maximumprijzen zijn bepaald, zijn de maximumprijzen bepaald door de gewesten van toepassing; 2. de gewesten mogen de maximumprijzen bepalen. In dat geval mogen deze de door de federale overheid bepaalde maximumprijzen niet overschrijden; 3. de door de federale overheid gecontroleerde sectoren zijn onderworpen aan maximumprijzen eventueel bepaald door de gewesten en indien de gewesten geen prijzen hebben bepaald aan de door de federale overheid bepaalde maximumprijzen. AH 56/96, 15 oktober 2006, BS 31 oktober 1996 (maximumtarieven in de sector van verhuurdiensten van voertuigen met chauffeur bepaald door de gewesten voor zover deze tarieven rekening houden met het algemene prijzenbeleid gevoerd door de federale overheid en in het bijzonder met de uitoefening van de bevoegdheden inzake prijsverhogingen vastgesteld door of
9
•
•
op grond van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen). AH 81/97, 17 december 1997, BS 21 januari 1998 (centra voor technische ingraving van afval: de gewesten mogen tariefregels opstellen als zij rekening houden met het algemene prijzenbeleid gevoerd door de federale overheid, vastgesteld door of op grond van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen) AH 36/98, 1 april 1998, BS24 april 1998 ( drinkwatertarieven: aannemen dat een regionale reglementering invloed kan hebben op de drinkwatertarieven toegepast door de overheid gegeven het feit dat ze geen maatregel van prijsbeleid vormt en ze de federale overheid niet belet om haar bevoegdheden in het bijzonder inzake prijsverhogingen uit te oefenen) Rechtspraak van de Raad van State In zijn advies (afdeling wetgeving) aangaande artikel 16 van het decreet van het Waals Gewest van 12 februari 2004 betreffende de tarifering en de algemene voorwaarden van de openbare waterdistributie in het Waalse Gewest meent de Raad van State dat er geen inbreuk is op de bevoegdheden van de federale staat maar dat bij de uitvoering van de regels voorzien in het decreet, het door de federale overheid vastgestelde prijzenbeleid moet worden gerespecteerd. In dat advies heeft de Raad van State ook erkend dat het gewest bevoegd is om maatregelen te nemen die invloed hebben op de prijzen van het water of zelfs om regels betreffende de tarieven ter zake vast te stellen, hierbij rekening houdend met de regels opgesteld door of op grond van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen en dat wat dit betreft het decreet geen inbreuk maakt op de bevoegdheden van de federale overheid ter zake. Beoordeling van rechten en plichten (« aanklachten uit het verleden », vb. eisen tot schadevergoeding, rechtszaken) en informatie over het lopende aanzuiveringsplan. 1) Burgerlijke geschillen en /of handelsgeschillen : geen geschillen inzake schadevergoedingen voor de sectoren die betrokken zijn bij de overdracht naar de deelstaten. 2) Bestuurlijke geschillen voor de Raad van State: 2.1) Zaak nr. 170.611/VIII-5455 annulatieberoep ingesteld door het Waalse Gewest tegen het ministerieel besluit van 20 december 2005 tot wijziging van het ministerieel besluit van 11 januari 2002 houdende vaststelling van de maximumprijzen voor het vervoer met taxi’s. 2.2) Zaak nr. 196.263/XII-6.176 : VIVAQUA Cvba tegen de Belgische staat in de sector van de waterdistributie: verzoek tot annulatie van de ministeriële beslissing van 17 december 2009 waarbij de prijsverhogingsaanvraag ingediend door de IWVB geweigerd werd. Activiteitenverslag 2011 Algemene Directie Controle en Bemiddeling (FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, punt 3.2.1.7 ‘De bescherming van de consument en de prijsreglementering’.
10
Bijkomende informatie bij de beschrijving van de nuloptie Toepasselijke wetgeving in de verschillende betrokken sectoren MOW De Federale overheid oefent momenteel haar bevoegdheid inzake maximumprijzen met betrekking tot taxidiensten uit via het MB van 11 januari 2002 houdende vaststelling van de maximumprijzen voor het vervoer met taxi’s, in uitvoering van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen.Dit MB geldt echter niet meer voor het Vlaamse Gewest, wel in het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. CJSM De toepasselijke federale wetgeving voor teledistributie is: wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen koninklijk besluit van 3 juni 1969 tot oprichting van een Commissie tot Regeling van de Prijzen ministerieel besluit van 20 april 1993 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen. Verder kunnen we verwijzen naar: http://economie.fgov.be/nl/consument/Gereguleerde_prijzen/Teledistributie VMM De toepasselijke federale wetgeving voor prijscontrole van waterdistributie is : wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen koninklijk besluit van 3 juni 1969 tot oprichting van een Commissie tot Regeling van de Prijzen koninklijk besluit van 13 augustus 1971 betreffende de modaliteiten voor de raadpleging van de commissie tot regeling der prijzen ministerieel besluit van 20 april 1993 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen.
11
BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 6 - AFDELING 2. DISTRIBUTIETARIEVEN Bijkomende informatie bij de eerste optie Europees beleidskader Elektriciteitsrichtlijn 2009/72 Art. 32.1 De lidstaten dragen zorg voor de invoering van een systeem voor toegang van derden tot de transmissie- en distributiesystemen, gebaseerd op bekendgemaakte tarieven die voor alle in aanmerking komende afnemers gelden en die objectief worden toegepast zonder onderscheid te maken tussen systeemgebruikers. De lidstaten zorgen ervoor dat deze tarieven of de aan de berekening daarvan ten grondslag liggende methoden voorafgaand aan hun toepassing worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 37 en dat deze tarieven en, wanneer alleen de methoden zijn goedgekeurd, de methoden worden bekendgemaakt voordat zij in werking treden.
Aardgasrichtlijn 2009/73 Art. 32.1 De lidstaten dragen zorg voor de invoering van een systeem voor toegang van derden tot het transmissie- en distributiesysteem en LNG-installaties, gebaseerd op bekendgemaakte tarieven die gelden voor alle in aanmerking komende afnemers, inclusief leveringsbedrijven, en die objectief worden toegepast zonder onderscheid te maken tussen systeemgebruikers. De lidstaten zorgen ervoor dat deze tarieven of de aan de berekening daarvan ten grondslag liggende methoden voorafgaand aan hun toepassing overeenkomstig artikel 41 worden goedgekeurd door een in artikel 39, lid 1, bedoelde regulerende instantie, en dat deze tarieven en, wanneer alleen de methoden zijn goedgekeurd, de methoden worden bekendgemaakt voordat zij in werking treden. Art 37.1 Art. 41.1 De regulerende instantie heeft de volgende taken: a) vaststellen of goedkeuren, volgens transparante criteria, van transmissie- of distributietarieven of de berekeningsmethodes hiervoor; Art. 37.6 Art. 41.6 De regulerende instanties zijn bevoegd De regulerende instanties zijn bevoegd om ten minste de methodes voor het voor de vaststelling of de voldoende ruim aan de inwerkingtreding voorafgaande berekenen of tot stand komen van de goedkeuring van ten minste de methoden volgende voorwaarden vast te stellen of voor het berekenen of vastleggen van de voldoende ruim vóór hun inwerkingtreding voorwaarden inzake goed te keuren: a) a) de aansluiting op en toegang tot nationale de aansluiting op en toegang tot nationale netten, inclusief de transmissie- en netten, inclusief de transmissie- en distributietarieven of de methode distributietarieven en voorwaarden en daarvoor; deze tarieven of methoden tarieven voor toegang tot LNG-installaties. maken het mogelijk dat de noodzakelijke Deze tarieven of methoden maken het investeringen in de netten op een zodanige mogelijk dat de noodzakelijke investeringen wijze worden uitgevoerd dat deze in de netten en LNG-installaties op een investeringen de levensvatbaarheid van zodanige wijze worden uitgevoerd dat deze de netten kunnen waarborgen; investeringen de levensvatbaarheid van de netten en de LNG-installaties kunnen waarborgen; Art. 37.8 Art. 41.8 Bij de vaststelling of goedkeuring van de tarieven of methoden en de
12
balanceringsdiensten zorgen de regulerende instanties ervoor dat de transmissieen distributiesysteembeheerders passende stimulansen krijgen, zowel op korte als op lange termijn, om de efficiëntie te verbeteren, de marktintegratie en de leveringsen voorzieningszekerheid te versterken en verwante onderzoeksactiviteiten te ondersteunen. Art. 37.10 Art. 41.10 De regulerende instanties zijn bevoegd om De regulerende instanties zijn bevoegd om zo nodig van de transmissie- en zo nodig van de beheerders van distributiesysteembeheerders te verlangen transmissie-, opslag-, LNG- en dat zij de voorwaarden wijzigen, met distributiesystemen te verlangen dat zij de inbegrip van de in dit artikel bedoelde voorwaarden, inclusief de in dit artikel tarieven of methoden, om ervoor te bedoelde tarieven en methodologieën, wijzigen om er voor te zorgen dat deze zorgen dat deze evenredig zijn en op nietdiscriminerende wijze worden toegepast. evenredig zijn en op niet-discriminerende wijze worden toegepast. […] In geval van vertraging bij de vaststelling van transmissie- en distributietarieven In geval van vertraging bij de vaststelling hebben de regulerende instanties de van transmissie- en distributietarieven bevoegdheid om transmissie- en hebben de regulerende instanties de distributietarieven en de berekeningswijzen bevoegdheid om transmissie- en hiervan voorlopig vast te stellen of goed te distributietarieven en de berekeningswijzen hiervan voorlopig vast te stellen of goed te keuren en een besluit te nemen over passende compensatiemaatregelen keuren en een besluit te nemen over passende compensatiemaatregelen indien de definitieve transmissie- en distributietarieven of berekeningswijzen indien de definitieve tarieven of afwijken van deze voorlopige tarieven of berekeningswijzen afwijken van deze berekeningswijzen. voorlopige tarieven of berekeningswijzen. Art. 37.12 Art. 41.12 Benadeelde partijen die gerechtigd zijn om bezwaar te maken tegen een overeenkomstig dit artikel genomen besluit over de gehanteerde methoden of, wanneer de regulerende instantie een raadplegingsplicht heeft met betrekking tot de voorgestelde tarieven of methoden, kunnen binnen maximaal twee maanden of binnen een door de lidstaten vastgestelde kortere termijn, na de bekendmaking van het besluit of voorstel voor een besluit, een bezwaar maken met het oog op herziening. Een dergelijk bezwaar heeft geen schorsende werking. Art. 37.16 Art. 41.16 De door de regulerende instantie genomen besluiten worden volledig gemotiveerd en verantwoord, teneinde door de rechter te kunnen worden getoetst. De(ze) besluiten zijn voor het publiek beschikbaar, waarbij de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie behouden blijft. Volgens de Europese regels behoort het vaststellen of goedkeuren van de distributienettarieven of de berekeningsmethodes hiervoor ondubbelzinnig tot de exclusieve en autonome bevoegdheid van de regulator. De Europese commissie stelt evenwel dat deze regels niet beletten dat de overheid algemene richtsnoeren vastlegt waaraan de regulator zich moet houden bij de uitvoering van haar tariefmethode- en tariefbeleid. Dit evenwel enkel voorzover deze richtlijnen geen inbreuk betekenen op de bevoegdheden van de regulator of een inbreuk betekenen op de Europese regels. 3 3 “ The core duties of the NRA as regards network tariffs do not deprive the Member State of the possibility to issue general policy guidelines which ultimately will have to be translated by the NRA into the tariff structure and methodology. However, these guidelines should not encroach on the NRA’s competences or infringe any of the requirements of the Electricity and Gas Directives and Regulations. “(Commission Staff Working Paper. Interpretative note on directive 2009/72/EC concerning common rules for the internal market in electricity and directive 2009/73/EC concerning common rules for the internal market in natural gas: The regulatory authorities. 22 January 2010.)
13
Bijkomende informatie bij de derde optie Voorstel van decretale regeling in grote lijnen: -
Bevestiging dat de VREG de methode tot vaststelling van de distributienettarieven vaststelt, na overleg met de distributienetbeheerders en na publieke consultatie, en met inachtneming van, in het belang van de goede marktwerking en ten behoeve van de eindverbruiksector, de noodzaak van een efficiĂŤnte bedrijfsvoering door de distributienetbeheerder en bijhorende garantie op een voldoende kwaliteit van zijn dienstverlening, voor een periode van (bijvoorbeeld) ten minste 3 en ten hoogste 8 jaar.
-
Bevestiging dat de VREG de distributienettarieven vaststelt voor de diensten geleverd door de aardgas- en elektriciteitsdistributienetbeheerder ter uitvoering van de taken vermeld in artikel 4.1.6 van het Energiedecreet en van de opgelegde openbaredienstverplichtingen na overleg met de distributienetbeheerders en desgevallend met marktpartijen of organisaties die de eindverbruiksector vertegenwoordigen.
-
Bevestiging dat de methode tot vaststelling van de distributienettarieven de wijze bepaalt waarop elke distributienetbeheerder zijn voorstel van distributienettarieven bij de VREG moet indienen. De timing waarbinnen de VREG de nieuwe jaarlijkse distributienettarieven moet vastleggen.
-
Bevestiging dat de methode tot vaststelling van de distributienettarieven de tariefstructuur en de tariefdragers voor de producten en diensten geleverd door de distributienetbeheerders bevat, met onderverdeling voor de openbaredienstverplichtingen.
-
Bevestiging dat de tariefdragers en distributienettarieven niet-discriminerend, objectief en transparant zijn en de werkelijke kosten van de overeenstemmende diensten en producten moeten weerspiegelen. Dat de tarieven kunnen verschillen voor de verschillende distributienetbeheerders.
-
Dat, indien mogelijk, de structuur van de tarieven het rationeel gebruik van energie en infrastructuren bevordert.
-
De wijze waarop de belastingen, taksen, heffingen en bijdragen van alle aard die aan de distributienetbeheerder worden opgelegd door de wet, het decreet en hun uitvoeringsbesluiten, door de distributienetbeheerder afgezonderd toegevoegd aan en doorgerekend via zijn distributienettarieven. De mogelijkheid aan de VREG om deze kosten te controleren.
-
De behandeling van de gestrande kosten. De mogelijkheid aan de VREG om deze kosten te controleren.
-
De algemene richtlijn voor de wijze van vergoeding van het vermogen van de distributienetbeheerder, bijvoorbeeld dat de vergoeding economisch verantwoord is en een efficiĂŤntie bedrijfsvoering bevordert.
-
Eventuele verplichting tot invoering van een systeem waarmee de distributienetbeheerder financieel wordt beloond of gepenaliseerd op basis van criteria met betrekking tot de kwaliteit van zijn dienstverlening.
14
-
De verplichting dat elke elektriciteits- en aardgasdistributienetbeheerder een afzonderlijke boekhouding voert voor zijn gereguleerde activiteiten met balans en resultatenrekening en met daarin onderscheid tussen inkomsten uit distributienettarieven en uit andere bronnen. Het verbod op kruissubsidiĂŤring tussen gereguleerde en nietgereguleerde activiteiten. De toelating aan de VREG om de boekhouding van de gereguleerde activiteiten van de distributienetbeheerders te controleren.
-
De verplichting tot jaarlijkse rapportering door de distributienetbeheerders uit hun boekhouding aan de VREG volgens een rapporteringsmodel.
-
De omstandigheden waaronder de VREG de methode tot vaststelling van de distributienettarieven en bijhorende distributienettarieven mag wijzigen, bijvoorbeeld wegens onvoorziene uitzonderlijke omstandigheden (op voorstel van de distributienetbeheerder), wanneer een juridische uitspraak daartoe noodzaakt of wanneer de VREG het noodzakelijk acht na conclusie dat de vaststelling van de distributienettarieven gebaseerd was op onjuiste of onvolledige informatie.
-
De verplichting aan de VREG om de verslagen van consultaties, de beslissingen en de mededelingen betreffende de methode tot vaststelling van de distributienettarieven en de distributienettarieven, publiek kenbaar te maken.
-
De timing waarop de VREG de methode tot vaststelling van de distributienettarieven ten laatste dient vast te stellen. Eventuele overgangsbepaling indien deze timing niet tijdig kan gerespecteerd worden in de periode onmiddellijk na overdracht van de bevoegdheid.
15
BIJ HOOFDSTUK 7. VERKEER EN VERVOER Bijkomende informatie bij de punten die nog moeten besproken worden 1. Met betrekking tot de bevoegdheidsoverdracht van “het bepalen snelheidsbeperkingen op de openbare wegen, met uitzondering van autosnelwegen zoals gedefinieerd in artikel 1, j), van het verdrag inzake wegverkeer, gedaan te Wenen op 8 november 1968;” (art.25 van het voorstel bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming)
de de het van
De toelichting beschrijft het als snelheidsbeperkingen in functie van het type weg, de categorie van voertuig en de weersomstandigheden en vult dat aan met snelheidsbeperkingen zoals nauwkeurig aangegeven in de artikelen 11, 22bis, 3º, 22ter1, 1º, 22quater, 22sexies2, tweede lid, 22septies2, eerste lid, en 22nonies, laatste lid van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. Hierbij zijn volgende elementen onduidelijk: Wat zijn de in het verkeersreglement nauwkeurig omschreven snelheidsbeperkingen i.f.v. weersomstandigheden – hiervan is in elk geval geen voorbeeld gegeven in de opsomming, noch is er direct een terug te vinden in het verkeersreglement Is de opsomming bedoeld volledig te zijn want dan ontbreken minstens de snelheidsbepalingen van artikels 16.2bis en 56bis Wie is bevoegd om vrijstellingen te verlenen op de betrokken artikels zoals huidig gebeurt in art. 59.13 Ook de omschrijving “autosnelwegen zoals gedefinieerd in artikel 1, j), van het verdrag inzake het wegverkeer, gedaan te Wenen op 8 november 1968” is nog onvoldoende duidelijk Het eerdere advies van de Raad (nr. 44.234/AV, p. 11-12 van 10 april 2008) waarnaar in de toelichting verwezen wordt, stelt immers dat het dat deze definitie een begin kan vormen maar op zich in onvoldoend is. Het advies stelt met name Het begrip « autosnelweg » wordt niet gedefinieerd in de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen. In artikel 1 ervan staat alleen dat die wet van toepassing is op « de openbare wegen die de Koning bij de categorie autosnelwegen indeelt ». De definitie van « autosnelweg » in artikel 1, j), van het verdrag inzake het wegverkeer, gedaan te Wenen op 8 november 1968, is evenmin voldoende nauwkeurig om, als zodanig, als bevoegdheidsverdelende regel te worden gebruikt. De indeling van een weg als autosnelweg hangt in dat verdrag immers onder meer af van het feit of die weg « speciaal als autosnelweg is aangeduid » Artikel 1, j), punt iii), van het voormelde Verdrag van Wenen, wat ook een indeling geval voor geval door de bevoegde overheid inhoudt. Via Koninklijke besluiten worden openbare wegen dus elk afzonderlijk bij de categorie « autosnelwegen » ingedeeld.”
Moet deze definitie met andere woorden worden aangevuld met een lijst van de bij KB bij de categorie van autosnelwegen ingedeelde wegen, desnoods moet dergelijk KB alsnog worden opgemaakt ? Tot slot is het nog steeds niet eenduidig dat al wat nu al tot de bevoegdheid van de gewesten behoort in elk geval behouden blijft– specifiek de snelheidsbeperkingen via aanvullend reglement op de autosnelwegen (bijzondere politie over het wegverkeer).
16
2. Met betrekking tot de bevoegdheidsoverdracht van “de reglementering inzake het plaatsen en de technische eisen, evenals de controle op de verkeerstekens, met uitzondering van de verkeerstekens met betrekking tot de douanestroken, aan overwegen en kruisingen met spoorwegen en op de militaire wegen” – art. 25 van het voorstel van bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming. De toelichting vermeldt : “De bepaling van de verkeerstekens zelf blijft tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren”. Ontneemt dit aan de gewesten, niettegenstaande hun bevoegdheid de snelheidsbeperkingen vast te stellen i.f.v. de categorie van de weg al dan niet de mogelijkheid om een specifiek verkeersbord te voorzien voor een beoogde snelheidsbeperking in functie van het type van weg, alsook de mogelijkheid om de snelheidsbeperking verbonden aan een verkeersbord (vb. F1 50km/u) te wijzigen ?
3. Met betrekking tot de bevoegdheidsoverdracht van “de regelgeving inzake de maximaal toegelaten massa en de massa’s over de assen …., evenals de ladingzekering en de afmetingen en de signalisatie van de lading” – art. 25 – van het voorstel van bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming De toelichting verwijst voor ladingzekering naar de algemene regels inzake de ladingsvoorschriften, zoals bedoeld in de artikelen 2.55 tot 2.60, 45, 45bis, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007.geeft opsomming maar maakt geen melding van de essentie namelijk de definitie van lading : art. 2,54 van het genoemde KB. Daarnaast wordt er geen melding gemaakt van hoofdstuk III van het KB 15/3/1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen 4. Met betrekking tot de bevoegdheidsoverdracht van “de regelgeving inzake het vervoer van gevaarlijke goederen en uitzonderlijk vervoer over de weg, met uitsluiting van de regelgeving ….” – art. 17, 23 en 26 van het voorstel van bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming Wordt in art. 17 eerste en tweede lid effectief “de toegang tot het beroep en de erkenning van beroepsbekwaamheid voor begeleiding uitzonderlijk vervoer” is als bewakingsactiviteit geregeld in de wet van 10 april 1990 op de particuliere en private veiligheid bedoeld ? Wat wordt hier bedoeld met betrekking tot gevaarlijke stoffen – de specifieke opleidingen voor het ADR-vervoer ? In de toelichting bij artikel 26 wordt een opsomming gegeven van de in ieder geval betrokken reglementering. Niettegenstaande dit niet als een limitatieve lijst moet worden aanzien is het niet duidelijk of ook de bevoegdheid betreffende de specifieke opleidingen (o.a. ADR) en organisatie daarvan, de specifieke aspecten van keuring incl. homologatie als deel uitmakend van de overgedragen bevoegdheden inzake de rijopleiding, de technische keuring en de controle op de technische normen hierop aansluiten en alzo een homogeen pakket vormen. De tekst van de toelichting vermeldt bij een aantal KB’s de specifieke uitzondering, bij een aantal andere niet – ook bij vb. KB 19/10/1998 betreffende de uniforme procedures van controle is dit nochtans vereist aangezien met name de radioactieve stoffen gedefinieerd worden door onder meer verwijzing naar de klasse 7 ADR.
17
5. Met betrekking tot de bevoegdheidsoverdracht van “handhaving van de geregionaliseerde regels van het verkeersreglement” – art. 8 van het voorstel van bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming Dit artikel maakt, naast gewestelijke ambtenaren, de politie bevoegdheid voor het vaststellen van de strafrechtelijke en administratieve inbreuken zoals ze door de gewesten bepaald zullen worden. Het blijft evenwel onduidelijk door wie/hoe de handhavingsprioriteiten en het vervolgingsbeleid op dit vlak bepaald zullen worden. Logischerwijs moeten de gewesten hierin inbreng kunnen hebben. 6. Met betrekking tot de “overheveling” van het verkeersveiligheidsfonds” zoals voorzien in art. 9 en 10 van het voorstel van bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming Het is onduidelijk of (en zo ja op welke wijze) er een procedure in de plaats moet gesteld worden om de in voorkomend geval federaal geïnde opbrengsten (onmiddellijke inningen, geldboeten en minnelijke schikkingen in strafzaken) ingevolge de federale gedane vaststellingen van en/of ingestelde vorderingen op gewestelijk bepaalde inbreuken inzake de geregionaliseerde bevoegdheden met betrekking tot verkeer te identificeren en door te storten aan het respectievelijke gewest. In hoeverre hebben de gewesten de bevoegdheid om criteria te bepalen om in de huidige getrapte verdeling van middelen de meeropbrengsten te verdelen? Mogelijk is er tegenstrijdigheid metde basisbedoeling van het verkeersveiligheidsfonds (financiering van actieplannen inzake de verkeersveiligheid welke inherent sensibilisatie en handhaving omvatten). Hoe wordt het bedrag van 181.000.000 € (geindexeerd) dat door art. 10 van het voorstel S 52234/1 van bijzondere wet als jaarlijks minimum bedrag in het verkeersveiligheidsfonds wordt ingesteld gegarandeerd ? 7. Onduidelijkheden bij de overgedragen “bevoegdheden” van het BIVV – art. 29, 30 en 42 alsook toelichting bij art. 23 van het voorstel van bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming De onderstaande passage in de toelichting van art. 23 : “Zodra de technische controle langs de weg is overgedragen aan de gewesten, worden zij eveneens bevoegd voor de homologatie van de instrumenten die in dat kader gebruikt worden”
laat ten onrechte uitschijnen dat het BIVV enkel bevoegd is voor de homologatie van de instrumenten gebruikt bij de controles langs de weg. En dit terwijl het BIVV momenteel bevoegd is voor de controle van de apparatuur gebruikt in de keuringsstations (bij KB van 23/12/1994 art 8, §4), bij de keuringen op verplaatsing (bij MB 27/06/2012 art 1) en bij de controles langs de weg obv MB 12 oktober 2007. 8. Met betrekking tot de bevoegdheidsoverdracht van “het toezicht op de naleving van de technische federale voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling” – art. 25 van het voorstel van bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming. Het is onduidelijk wat dit precies omvat. Bevat dit ook volgende aspecten, de erkenning (aanvragen IA/COP, toelating IFAST) van constructeurs en opvolging (auditing, inspectie, rating binnen IFAST) de homologatie van onderdelen, systemen en technische eenheden voor voertuigen de certificatie en inspectie van de technische diensten en labo’s betrokken bij de procedures van typegoedkeuring (Europese serie, nationale kleine serie)
18
-
certificaten van eerste goedkeuring tuning en verlagingen het betreffende reglementair kader – zowel basisregelgeving als uitvoerende regelgeving. …
9. Met betrekking tot de bevoegdheidsoverdracht van “de technische keuring van voertuigen die op de weg rijden in toepassing van de federale normen” - art. 25 van het voorstel van bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming. Wordt hiermee bedoeld dat de gewesten geen enkele bevoegdheid verwerven inzake vb. de periodiciteit van de keuring, het bijkomend aan de periodieke keuring of bepaalde aspecten ervan onderhevig stellen van bepaalde categorieën ? Welke van beide partijen (deze die de reglementering bepaalt = federale overheid) of deze die ze uitvoert (de gewesten doorheen het homolgatieproces) bevoegd zal zijn voor in voorkomend geval bij uitvoering benodigde interpretaties of dat er daartoe een overleg en/of samenwerking zal moeten worden voorzien. Wordt met de vermelding van het KB van 23/12/1994 in de lijst van in ieder geval betrokken materies de facto de betrokkenheid van het FIA vzw bevestigd ? 10. Met betrekking tot de bevoegdheidsoverdracht van “de homologatie van radars en andere instrumenten die gelinkt zijn met de gewestelijke bevoegdheden” – art. 29 van het voorstel van bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming (St. Senaat, 2012-2013, 5-2232/1) Onduidelijkheden: Wat met de meetinstrumenten die zowel federale normen als gewestelijke normen controleren? (b.v. camera die zowel roodlichtnegatie als snelheid vastlegt) Wat met een camera die een snelheidsovertreding langs een autosnelweg vastlegt – al dan niet op een wegvak waar een bijzondere maatregel van politie op het wegverkeer geldt ervan uitgaand dat de gewesten daarvoor bevoegd blijven ? Wat met een mobiele snelheidscamera die zowel inzetbaar is op een autosnelweg als op een andere weg ? 11. Met betrekking tot de bevoegdheidsoverdracht van “de reglementering inzake de scholing en examens betreffende de kennis en de vaardigheden die nodig zijn voor het besturen van voertuigen van elke categorie, ….” Art. 25 van het voorstel van bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming Is dit inclusief het goedkeuren van de opleidingsprogramma’s van andere organismen die een opleiding verstrekken en proef afnemendie gelijk gesteld wxordt met het praktisch examen vb. VDAB, De Lijn, andere genoemd in de vrijstellingen art. 27 tem 29 KB 23 maart 1968 rijbewijs ? Het is onduidelijk naar welk deel van de wetgeving gerefereerd moet worden bij “het bepalen van de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor het besturen van voertuigen van elke categorie”, materie die federaal blijft. Het is niet duidelijk of de gewesten een bevoegdheid krijgen inzake het bepalen van de inhoud/ het verlenen van erkenning voor de leermaatregelen (alternatieve matregelen) die gelinkt zijn aan straffen mbt verkeersovertredingen – ook niet voor de geregionaliseerde bevoegdheden zoals snelheid.
19
Wat is de reikwijdte van de vermelding in de toelichting dat het voorlopig rijbewijs federaal blijft ? Gaat het om de louter aflevering van dit document dan wel de bepaling van de modellen van voorlopig rijbewijs, de voorwaarden voor het verkrijgen en de gebruiksvoorwaarden ervan. In de toelichting wordt geen opsomming gegeven van de in ieder geval betrokken reglementering maar aangezien het de voertuigen van elke categorie betreft moet worden aangenomen dat ook het KB betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E. gevat is al is het dan niet duidelijk of ook de bepalingen inzake de vakbekwaamheid en de nascholing beoogd worden. Voor het Vlaams Gewest is het logisch dat de rijopleiding alle opleidingsmomenten zonder onderscheid van type rijbewijs of type voertuig, zowel initiële opleiding als verplichte bijscholingen binnen welk kader dan ook (vakbekwaamheid, ADR, zelfs in het kader van het verval van recht tot sturen, …) omvatten. Het is niet duidelijk of de toevoeging “met dien verstande dat de inwoners van een Gewest vrij zijn om een rijschool te kiezen die, of examen af te leggen in een centrum dat in een ander Gewest is gelegen” ook inhoudt dat beide vrijheden combineerbaar zijn dan wel dat de keuze voor een rijschool (dus een wijze opleiding) behorend tot een bepaald Gewest de noodzakelijke keuze voor een examencentrum gelegen in hetzelfde gewest met zich kan brengen. Op zijn minst zou dan een geheel van opleiding en examinering gewaarborgd zijn.
20
Bijkomende informatie bij de aandachtspunten verbonden aan de bevoegdheidsoverdracht 1. Op verschillende vlakken wordt het verticaliteitsprincipe doorbroken. De federale overheid blijft bevoegd voor de opmaak van de regelgeving: Het bepalen van de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor het besturen van voertuigen van elke categorie De technische voorschriften voor de voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling De technische normen voor de voertuigen die op de openbare weg rijden; terwijl de gewesten bevoegd worden voor de uitvoerende aspecten ervan: De reglementering inzake de scholing en de examens De controle op de federaal bepaalde voorschriften van de voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling De technische keuring van de voertuigen die op de weg rijden in toepassing van de federale normen 2. Wijze waarop het begrip “recidive” ten aanzien van met name snelheid wordt ingevuld binnen een context van een gedeelde / gespreide regulerende en handhavingsbevoegdheid. Vanuit het oogpunt van een integraal verkeersveiligheidsbeleid kan het niet de bedoeling zijn dat er twee vormen of “tellingen” van recidive ontstaan: één ten aanzien van de resterende federale regulerende (algemene politie op de autosnelwegen) en handhavingsbevoegdheid en één ten aanzien van de gewestelijke regulerende (algemene en bijzondere politie op de niet-autosnelwegen + bijzondere politie op de autosnelwegen) en handhavingsbevoegdheden die blind zijn voor elkaar. Ongewenst gedrag ten aanzien van snelheid vereist voor een efficiënte en integrale aanpak ook een integrale detectie. 3. Impact van de bevoegdheidsoverdracht betreffende de technische keuring van voertuigen op de Car-Pass reglementering. De Car-Pass reglementering heeft te maken met het bestrijden van de kilometerfraude. Het is een consumentenwetgeving die valt onder de bevoegdheid van de FOD Economie en niet het voorwerp uitmaakt van het institutioneel akkoord. Wel vervult de technische keuring momenteel een belangrijke rol in de Car-Pass reglementering. Zo maakt de technische keuring, bij iedere aanbieding van een voertuig, de kilometerstand van dat voertuig over aan Car-Pass. Daarnaast is het de technische keuring die het Car-Pass-document aflevert. Ook al heeft de Car-Pass wetgeving een economisch doel, dan betekent dit niet dat deze reglementering geen gevolgen zou kunnen ondervinden van de regionalisering. Er zal hoe dan ook rekening moeten worden mee gehouden dat alle overheden over een volledige autonomie beschikken om hun eigen bevoegdheden uit te oefenen. Dit heeft tot gevolg dat de ene overheid niet aan de andere overheid opdrachten kan geven. Er zal in de toekomst dan ook met de nieuwe bevoegdheidsverdeling in verband met (onder meer) de technische keuring rekening moeten worden gehouden. Dit impliceert dat in de toekomst de Car-Pass reglementering geen verplichtingen zal kunnen opleggen aan de Gewesten, onder meer opdat de keuringsinstellingen de kilometerstanden zouden doorgeven en de keuringsinstellingen de Car-Pass zouden uitprinten. Een samenwerkingsovereenkomst behoort tot de mogelijkheden 4. Ontegensprekelijk gevat zijn van het FIA vzw (Fonds voor de Inspectie van Automobielen) In de toelichting bij artikel 25 wordt een opsomming gegeven van teksten waarvan de betrokken materie in elk geval wordt bedoeld waaronder: 21
-
Het KB van 23/12/1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de voertuigen; tekst in dewelke een afdracht van de erkende instellingen aan het FIA bepaald wordt.
Aangezien de gewesten eenduidig bevoegd worden voor deze reglementering vanuit gegaan worden dat het FIA de facto gevat is.
moet er
Het FIA wordt momenteel beheerd door de FOD Mobiliteit en Vervoer en de GOCA en heeft drie opdrachten: Aangezien de prijs van de technische keuring in gans België dezelfde is, maar de exploitatiekosten verschillen, ervoor zorgen dat er een zeker evenwicht bestaat tussen de verschillende, voor autokeuring erkende, instellingen en dit via een solidariteitssysteem tussen de verschillende keuringsorganismen; Het verlenen van medewerking aan het financieren van de investeringsplannen inzake infrastructuur, installaties en materieel, die nodig zijn voor de ontwikkeling van de autokeuring en de organisatie van de rijbewijsexamencentra; Het ondersteunen van acties van de federale overheid die betrekking hebben op de verkeersveiligheid. 5. Regeling uit te werken voor de DIV-antennes ? Momenteel zijn bepaalde DIV-antennes gratis ondergebracht in de gebouwen van enkele keuringscentra. Wordt hiervoor een regeling – samenwerkingsakkoord – uitgewerkt of houdt dit de facto op te bestaan ? 6. Nood aan opsomming) -
diverse
samenwerkingsakkoorden
(eerste
niet-limitatieve
Omtrent het gedurende een nader te bepalen overgangsperiode verder operationeel houden van een aantal bestaande federale software-platforms Eerste niet-limitatieve opsomming: Web Teuv : aanvragen vergunningen uitzonderlijk vervoer Bevasys en IFast in het kader van de homologatie Informatica-applicatie voor de theorie- en praktijkexamens rijbewijs cat. C, D, … …
-
een eventuele intergewestelijke samenwerking voor de aflevering van vergunningen uitzonderlijk vervoer (en andere vormen van bijzonder wegtransport) teneinde een uniek loket per lidstaat aan te bieden aan de eindgebruiker = vervoerder Het Vlaams Gewest is voorstander van een uniek loket dat op verschillende manieren kan georganiseerd worden zonder dat dit de tussenkomst van de federale overheid vereist, zoals bijvoorbeeld een centraal bureau in het gewest van woonplaats van de vervoerder of van vertrek van het uitzonderlijk vervoer. Ook een interregionaal centraal bureau voor de drie gewesten is een optie Wel kan een overgangsperiode, bepaald in de tijd, aangewezen is om de continuïteit in de bestaande dienstverlening te verzekeren. Deze overgangsperiode dient geformaliseerd te worden.
-
Wenselijkheid van samenwerking met federale niveau voor handhaving – mogelijks via betrokkenheid bij het “Nationaal Actieplan” Het Nationaal Actieplan is een samenwerkingsverband dat ondertekend werd via een protocol (Belgisch Staatsblad 19/02/2002) en dat de samenwerking en coördinatie van de controles op het vlak van toezicht op het zwaar vervoer van personen en goederen
22
over de weg regelt. Verschillende federale administraties zijn hierin betrokken. Het Actieplan omvat drie types van organen: een Directiecomité, een Permanente Coördinatiecel en negen Provinciale Cellen Vervoer. Deze Provinciale Cellen Vervoer organiseren grote gemeenschappelijke acties op het terrein. Om een geïntegreerd handhavingsbeleid te garanderen is het wenselijk dat de regionale controle-instanties betrokken worden bij het vernoemde Actieplan. -
Alternatief vereist voor het huidige samenwerkingsverband tussen de FOD, GOCA, FIA en de keuringsorganismen voor de technische keuring van bedrijfsvoertuigen langs de weg Voor de technische keuring van bedrijfsvoertuigen langs de openbare weg bestaat een samenwerking tussen de FOD, GOCA, het FIA en de keuringsorganismen. Daarbij leveren de keuringsorganismen het personeel, levert GOCA het materieel en zorgt het FIA voor de financiering. In de praktijk resulteert dit in twee vrachtwagens en twee aanhangwagens. Voorts is er een 2-jaarlijkse rapportering aan de EU. De eigenlijke controle gebeurt in de praktijk dus door personeelsleden van de keuringsorganismen, maar de verbalisering gebeurt steeds door controleurs van de FOD.
-
voor diverse vormen van gegevensuitwisseling inzake technische keuring / homologatie Eerste niet-limitatieve opsomming Met de federale overheid of een door haar aangestelde partij o Ifv van de inschrijving van voertuigen Gegevens van ingevolge de gewestelijk bepaalde procedures afgeleverde homologaties o Ifv van de gewestelijke bevoegdheid tot toezicht op de naleving van de technische federale voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling Gegevens met betrekking tot de (pre)registratie van het (in)compleet en/of dat door de constructeur voltooid werd en waarvoor homologatie aangevraagd wordt o Ifv van MOBIVIS – kruispuntdatabank voertuigen Gegevens met betrekking tot de afgifte van het keuringsbewijs, in voorkomend geval van het tweedehandsrapport en elke andere formaliteit bedoeld in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, de afgifte van het rapport van de technische controle langs de weg bedoeld in het koninklijk besluit van 1 september 2006 houdende invoering van de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die ingeschreven zijn in België of in het buitenland o Ifv uitnodigingen technische keuring Om de uitnodigingen om een voertuig ter technische keuring aan te bieden te versturen, wordt gebruik gemaakt van de gegevens uit het DIV-repertorium. Aangezien de inschrijving van de voertuigen en dus ook het DIV-repertorium federaal blijft, leidt dit een nood aan gegevensoverdracht naar de gewesten toe o Ifv van de Car-pass reglementering Met de andere gewesten o Ten gevolge van de vrije keuze van keuringscentrum zullen met de andere gewesten de nodige afspraken gemaakt te moeten worden, om in de benodigde informatiefluxen te kunnen voorzien. voor diverse vormen van gegevensuitwisseling inzake rijopleiding / rijbewijs /voorlopig rijbewijs 23
o Ifv van het afleveren van het rijbewijs / voorlopig rijbewijs Gegevens omtrent het slagen voor het rijexamen, de specifieke proeven ikv vakbekwaamheid – ADR, de permanente vorming, ‌
24