DE COMPETENTIEPORTFOLIO VAN DE VLAAMSE ZELFSTANDIGE ONDERNEMER ANALYSE OP BASIS VAN DE VLAAMSE WERKBAARHEIDSMONITOR 2007-2019
Rapport van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen/Stichting Innovatie & Arbeid, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel - W www.serv.be/stichting – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be
Bij gebruik van gegevens en informatie uit dit rapport wordt een correcte bronvermelding op prijs gesteld. Publicatiedatum
16 maart 2022
Contactpersoon
Katrien Penne
kpenne@serv.be
Ria Bourdeaud’hui
rbourdeaudhui@serv.be
Inhoud Samenvatting Dashboard competenties zelfstandige ondernemers Samenhang met kenmerken van het ondernemerschap
6 6 10
Kwalitatieve competentieportfolio als hefboom voor ondernemer én beleid Signaalfunctie Dashbord competenties zelfstandige ondernemers Over dit onderzoek
11 12 13
Opzet, methodologie en context
13
Opbouw van het onderzoeksrapport
13
Onderzoeksresultaten Aspecten van de competentieportfolio
15 16
Basisopleiding
16
Bijscholing
17
Leermogelijkheden
18
Voldoende vaktechnisch opgeleid
19
Voldoende opgeleid in management en bedrijfsbeheer
20
Dashboard competenties zelfstandige ondernemers
22
Deelpopulaties in kaart
23
Per aspect van de competentieportfolio
23
Per deelpopulatie
34
Onderlinge samenhang tussen dimensies van de competentieportfolio 38 Basisopleiding en dimensies competentieportfolio
38
Bijscholing binnen een evoluerende zelfstandigenpopulatie
39
Opleidingsdeficits gecombineerd
40
Oorzaken ernstige opleidingsdeficits
42
Ernstig vaktechnisch opleidingsdeficit
45
Ernstig management opleidingsdeficit
47
Ernstige opleidingsdeficits gecombineerd
49
Competentieportfolio en kenmerken van het ondernemerschap
50
Basisopleiding
51
Bijscholing
53
Leermogelijkheden
54
Voldoende vaktechnisch opgeleid
55
Voldoende opgeleid in management en bedrijfsbeheer
56
Management opleidingsdeficit en kenmerken van het ondernemerschap 57 Antwoordcategorie ‘ernstig management opleidingsdeficit’
57
Relevantste deelpopulaties
59
Samenhang met bijscholing
59
Samenhang met professioneel sociaal netwerk
61
Samenhang met werkbaar werk
62
Samenhang met keuze voor het zelfstandig ondernemerschap
63
Samenhang met werken tot pensioen
64
Samenhang met financieel-economische setting
64
Samenhang met financieringsmogelijkheden
65
Slotbeschouwing
67
Kwalitatieve competentieportfolio als hefboom voor ondernemer én beleid
67
Signaalfunctie Dashboard competenties zelfstandige ondernemers 68 Referentielijst
69
Lijst met figuren en tabellen
70
4
Bijlage 1 Werkbaarheidsbevraging
72
Bijlage 2 Competentieportfolio Vlaamse zelfstandige ondernemer naar deelpopulaties, 2019
74
Bijlage 3 Logistische regressie ernstig opleidingsdeficit (2013 – 2019)
75
Bijlage 4 Kenmerken ondernemerschap naar management opleidingsdeficit (WBM 2019)
76
5
Samenvatting Dit rapport is gebaseerd op de werkbaarheidsmeting 2019 en levert geen informatie over de gevolgen van de Corona-crisis op het werk van de zelfstandige ondernemers. We gebruiken de term ‘competentieportfolio’ voor het geheel van vaardigheden en competenties die een zelfstandige ondernemer heeft of nodig heeft om zijn of haar functie uit te oefenen. Zelfstandige ondernemers die aangeven over sterke competenties te beschikken, zijn ook succesvoller in hun ondernemerschap. Dit blijkt uit onze analyse van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor (2007-2019) waarin we de competentieportfolio van de Vlaamse ondernemers in kaart brengen, en de samenhang met diverse kenmerken van het ondernemerschap onderzoeken.
Dashboard competenties zelfstandige ondernemers Het Dashboard over de competenties van de zelfstandige ondernemers in de meting 2019 bevat de volgende aspecten: basisopleiding, bijscholing, leermogelijkheden, vaktechnische competenties en managementcompetenties.
Basisopleiding
Bijscholing
Leermogelijkheden
Vaktechnische opleiding
Management opleiding
Hoog = 61%
Ja = 54%
Voldoende = 97%
Voldoende = 45%
Voldoende = 21%
Midden = 28%
Neen = 46%
Onvoldoende = 3%
Beperkt deficit = 47%
Beperkt deficit = 46%
Ernstig deficit = 8%
Ernstig deficit = 33%
Kort = 11%
6
Figuur 1 Dashboard competenties zelfstandige ondernemers (Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2019)
Het Dashboard geeft een schematische voorstelling van de kwaliteit van de competentieportfolio, door aan te geven in welke mate deze aspecten onderling verdeeld zijn binnen de zelfstandigenpopulatie, en in welke zin ze evolueren. Het is gebaseerd op volgende bevindingen: Steeds meer hooggeschoolde zelfstandige ondernemers Vier op de tien ondernemers (39%) is kort- of middengeschoold met een opleidingsniveau van maximum secundair onderwijs. 61% is hooggeschoold, waarbij 36% een universitair diploma en 25% een hogeschool diploma heeft. In vergelijking met vorige metingen neemt het aandeel van de hooggeschoolde ondernemers stelselmatig toe. Deze toegenomen scholarisatie spoort met de evolutie van de globale bevindingen voor de Vlaamse bevolking op arbeidsleeftijd. Er is een significant verschil in basisopleiding wanneer we rekening houden met gender, leeftijd, en sector: •
Vrouwelijke ondernemers hebben vaker een hoger diploma dan mannelijke,
•
Hoe jonger de ondernemer hoe hoger hij of zij is opgeleid,
•
In de sector van de vrije beroepen is quasi elke ondernemer hoger opgeleid, terwijl in de horecasector dit voor slechts een vijfde van de ondernemers het geval is.
Bijscholing neemt toe maar is bij één op de twee nog niet gebruikelijk De kennismaatschappij vraagt steeds meer om levenslang leren en ook zelfstandige ondernemers scholen zich in toenemende mate bij: in de periode 2007-2019 zien we een toename met bijna 15 procentpunt tot ruim 54% van de Vlaamse ondernemers. Er is een rechtlijnig verband tussen het opleidingsniveau en de mate van bijscholing: hoe hoger opgeleid, hoe meer men zich bijschoolt. De stijging van de bijscholingsgraad zien we niettemin bij alle opleidingsniveaus. Er blijft omgekeerd een relatief grote groep van 46% van de zelfstandige ondernemers voor wie bijscholing (nog) niet gebruikelijk is. In deze groep treffen we verhoudingsgewijs volgende verdeling aan: •
Een groter aandeel mannelijke ondernemers, oudere ondernemers, midden- of kortgeschoolde ondernemers, en ondernemers met gelijkblijvende of negatieve groeiverwachting, 7
•
Grote sectorale verschillen, met als positieve uitschieters kennisberoepen uit de sector van de vrije beroepen (86,4% bijscholing), en als negatieve uitschieters meer arbeidsintensieve sectoren zoals horeca (16,3% bijscholing) en handel (27,6% bijscholing).
Genoeg leermogelijkheden voor (bijna) iedereen De groep ondernemers die in en op het werk voldoende leermogelijkheden ervaart, is bijzonder groot, en deze groep is bovendien significant toegenomen doorheen de verschillende metingen. Vandaag heeft 97% voldoende leerkansen. Meerderheid voelt zich doorgaans voldoende vaktechnisch opgeleid, vrouwen en jonge starters minder Bijna de helft van de ondernemers (ongeveer 45%) voelt zich bij zijn of haar zelfstandige activiteit in alle omstandigheden voldoende vaktechnisch opgeleid. Een even groot deel van de ondernemers (47%) ervaart een beperkt technisch opleidingsdeficit. Bij de resterende 8% van de zelfstandigen gaat het om een ernstig vaktechnisch opleidingsdeficit. Er doen zich doorheen de metingen geen significante evoluties voor op dit vlak. Er is een significant verschil wanneer we rekening houden met gender, leeftijd, anciënniteit en sector: •
Vrouwen voelen zich technisch minder goed opgeleid dan mannen,
•
Het deficit is groter bij de jonge ondernemers en bij de starters,
•
In de sectoren is het ervaren technisch opleidingsdeficit het grootst in de landbouw (slechts 35% ervaart geen enkel deficit).
Een op drie voelt zich onvoldoende opgeleid in management en bedrijfsbeheer, vrouwen, jonge starters en vrije beroepen ervaren dit vaker Het opleidingsdeficit is hier veel uitgesprokener dan op vaktechnisch vlak: slechts één op de vijf ondernemers (21%) voelt zich bij zijn of haar zelfstandige activiteit in alle omstandigheden voldoende opgeleid qua management en bedrijfsbeheer. Vier op de vijf van de zelfstandige ondernemers voelt zich op dit vlak onvoldoende opgeleid. Dit management opleidingsdeficit is bij 46% van de ondernemers beperkt, maar in een derde van de gevallen ernstig: het gaat om 33% van de Vlaamse ondernemers. We stellen daarbij vast dat het aandeel van deze laatste categorie doorheen de metingen is toegenomen. In het management opleidingsdeficit zien we een duidelijk verschil wanneer we rekening houden met gender, leeftijd, anciënniteit, en sector:
8
•
Vrouwen voelen zich qua management minder goed opgeleid dan mannen (41,7% signaleert een ernstig management opleidingsdeficit tegenover 27,7% van de mannelijke collega’s),
•
Het managementopleidingsdeficit is het grootst bij de jonge starters: in de leeftijdscategorie min dertig jaar signaleert 53,2% een ernstig deficit, en in de anciënniteitscategorie minder dan drie jaar actief signaleert 45,2% een ernstig deficit),
•
In de sectoren is het ervaren deficit in managementopleiding bijzonder groot bij de vrije beroepen (48,5% signaleert een ernstig deficit en nog eens 38,1% een beperkt deficit) terwijl juist deze sector een van de uitblinkers in positieve zin was bij de vakinhoudelijke zelfinschatting.
De analyse toont aan dat er quasi geen overlap is tussen de groep van zelfstandige ondernemers die een ernstig vaktechnisch opleidingsdeficit signaleert, en de groep die een ernstig management opleidingsdeficit aangeeft. Het gaat met andere woorden om twee van elkaar onderscheiden aspecten van de competentieportfolio. Evolutie van het Dashboard in de tijd: over het algemeen positief, behalve voor ervaren management opleiding De competentieportfolio van de Vlaamse ondernemers evolueert positief in de dimensies basisopleiding, bijscholing en leermogelijkheden. Er is weinig evolutie in het gesignaleerde vaktechnische opleidingsdeficit. Daarentegen zien we een eerder negatieve evolutie in het gesignaleerde management opleidingsdeficit. Samenhang met basisopleiding De analyse geeft een samenhang aan tussen de basisopleiding en enkele andere dimensies van de competentieportfolio: hoe hoger de scholarisatie van de zelfstandige ondernemer, hoe meer hij of zij zich bijschoolt, hoe meer leermogelijkheden hij of zij in het werk heeft, en hoe minder groot het ervaren technisch opleidingsdeficit. Dit verband toont zich niet voor de dimensie van het ervaren management opleidingsdeficit. Knelpunten bij specifieke groepen Knelpunten in de competentieportfolio komen het meest tot uiting bij de vrouwelijke ondernemers, de jonge starters, en bepaalde sectoren zoals vrije beroepen of horeca.
9
Samenhang met kenmerken van het ondernemerschap We stellen een samenhang vast tussen de kwaliteit van de competentieportfolio en andere kenmerken van het ondernemerschap die we binnen de databank kunnen aanwijzen. Competentieportfolio en kenmerken van het ondernemerschap Een kwaliteitsvolle competentieportfolio (in de aspecten basisopleiding, bijscholing, leermogelijkheden, voldoende vaktechnisch opgeleid, voldoende management opgeleid) hangt samen met: •
De mate waarin de ondernemer - wanneer hij of zij dat nodig vindt - kan terugvallen op een uitgebouwd professioneel sociaal netwerk: het kan daarbij gaan om de boekhouder, andere externe adviseurs, verenigingen, kmo-adviesraad, familieraad,…
•
De werkbaarheid van het werk: de werkbaarheidsgraad als samengestelde index verwijst naar het percentage zelfstandige ondernemers dat een kwaliteitsvolle job heeft en geen knelpunten signaleert inzake werkstress, leermogelijkheden, werk-privébalans, en motivatie,
•
De tevredenheid met de ondernemersloopbaan: het gaat om de tevredenheid met de keuze voor het zelfstandig ondernemerschap, en het zichzelf in staat achten de huidige job (ongewijzigd) voor te zetten tot het pensioen,
•
De mate waarin de ondernemer een groeiverwachting van de zelfstandige activiteit in de toekomst aangeeft.
Management opleidingsdeficit en kenmerken van het ondernemerschap Deze specifieke dimensie van de competentieportfolio vertoont een gelijkaardige samenhang. Wanneer we de categorie ondernemers die een ernstig management opleidingsdeficit signaleert, vergelijken met de groep van ondernemers die in geen enkele omstandigheid een dergelijk deficit signaleert, stellen we volgende samenhang vast: •
De categorie ‘ernstig deficit’ kan minder terugvallen, wanneer hij of zij dat nodig vindt, op een uitgebouwd professioneel sociaal netwerk (34,8%).
•
Dit in tegenstelling tot de categorie die geen enkel deficit signaleert (50,1%): deze scoren hoger dan gemiddeld (43,9%).
•
De categorie ‘ernstig deficit’ heeft minder werkbaar werk (40,2%).
•
Dit in tegenstelling tot de categorie die geen enkel deficit signaleert (60,4%): deze scoren hoger dan gemiddeld (50,1%).
10
•
De categorie ‘ernstig deficit’ is minder tevreden met de ondernemersloopbaan (63,6% tevreden met keuze zelfstandig ondernemerschap en 61,2% ziet zich ongewijzigd werken tot het pensioen).
•
Dit in tegenstelling tot de categorie die geen enkel deficit signaleert (respectievelijk 84,4% en 77%): deze scoren hoger dan gemiddeld (respectievelijk 74,7% en 68,7%).
•
De categorie ‘ernstig deficit’ is minder tevreden met de financieel-economische toestand van de zelfstandige activiteit (39,7%).
•
Dit in tegenstelling tot de categorie die geen enkel deficit signaleert (61%): deze scoren hoger dan gemiddeld (49,8%).
•
De categorie ‘ernstig deficit’ is minder tevreden met de mogelijkheden om financiering of leningen te bekomen (44,6%).
•
Dit in tegenstelling tot de categorie die geen enkel deficit signaleert (61,3%): deze scoren hoger dan gemiddeld (54,7%).
Kwalitatieve competentieportfolio als hefboom voor ondernemer én beleid Globaal beschouwd stellen we vast dat kwaliteit van de competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer er op diverse vlakken blijft op vooruit gaan in vergelijking met vorige metingen. Sterke componenten van de competentieportfolio zijn de stijgende scholingsgraad en de grote leermogelijkheden die een zelfstandige activiteit biedt. Het volgen van bijscholing is nog geen veralgemeende attitude, maar raakt wel steeds meer ingeburgerd. Dit weerspiegelt zich echter (nog) niet meteen in een toename van de mate waarin zelfstandige ondernemers zichzelf in elke situatie vaktechnisch en inzake bedrijfsbeheer voldoende opgeleid ervaren. Binnen de zelfstandigenpopulatie geven vrouwelijke ondernemers, jonge starters en de sector van de vrije beroepen meer dan gemiddeld aan dat zij een ernstig management opleidingsdeficit ervaren. Dit zijn deelpopulaties die tegelijkertijd meer dan gemiddeld aangeven dat ze een hoge basisopleiding hebben genoten en dat ze zichzelf bijscholen. Hieruit kunnen we afleiden dat het zelf ingeschatte opleidingstekort inzake management niet eenzijdig toe te schrijven is aan de traditionele participatiebarrières en praktische drempels (tijd, locatie, kostprijs). Ook inhoudelijke drempels (beschikbaar aanbod) of strategische drempels (ervaren noodzaak) spelen een rol. Dit is relevant voor een beleid inzake levenslang leren dat zich wil baseren op een segmenteringsmodel met aangepaste hefbomen, zoals bijvoorbeeld de OESO voorstelt (cfr OESO Skills Strategy Flanders). Een positieve samenhang die in dit verhaal een rol speelt, is de invloed die uitgaat van het sociaal netwerk waarop de ondernemer bij de bedrijfsvoering een beroep kan doen wanneer hij of zij dit nodig acht. Het gaat dan bijvoorbeeld om verenigingen, externe adviseurs of een familieraad. 11
Er blijkt evenzeer een samenhang tussen de competentieportfolio en andere kenmerken van het ondernemerschap. Een kwalitatieve competentieportfolio van zelfstandige ondernemers, draagt bij tot de tevredenheid over de ondernemersloopbaan, tot een klimaat van langer werken, tevredenheid met de keuze voor het ondernemerschap, groeiperspectieven, en meer werkbaar werk voor ondernemers. Deze samenhang is nog explicieter voor het vastgestelde management opleidingsdeficit. Ook de tevredenheid met de financieel-economische toestand van de zelfstandige activiteit, en de mogelijkheid tot het bekomen van financiering of leningen zijn elementen in dit verhaal. De analyse geeft vanuit bovenstaand perspectief aan dat het meervoudig loont om in te zetten op de kwaliteit van de competentieportfolio van zelfstandige ondernemers. Zowel het beleid, de ondernemer zelf, als zijn sociaal netwerk kunnen hier toe bijdragen.
Signaalfunctie Dashbord competenties zelfstandige ondernemers Het Dashboard voor monitoring van de competenties en opleiding van de zelfstandige ondernemers, heeft in de eerste plaats een signaalfunctie. Het geeft trends en algemene tendensen aan. Er is verder afzonderlijk, specifiek en/of longitudinaal onderzoek nodig rond de verschillende competentie-aspecten om de mechanismen die aan de basis liggen van de resultaten die wij vonden, beter in kaart te brengen. Dit moet het mogelijk maken om tot nog meer concrete hefbomen te kunnen komen om de noden van ondernemers op deze vlakken verder te versterken.
12
Over dit onderzoek In deze sectie bespreken we opzet, methodologie en context van het onderzoek. Ook de opbouw van het onderzoek en van het voorliggend rapport komt aan bod.
Opzet, methodologie en context In dit rapport wordt specifiek ingezoomd op de resultaten van de Vlaamse Werkbaarheidsmonitor op het vlak van opleiding en competenties van zelfstandige ondernemers, onder de noemer ‘de competentieportfolio van de zelfstandige ondernemer’. We maken hiervoor in hoofdzaak gebruik van de databank van de werkbaarheidsmeting 2019, en waar relevant ook van vorige werkbaarheidsmetingen. De Vlaamse Werkbaarheidsmeting is een driejaarlijkse enquête bij een representatief staal van Vlaamse werknemers en zelfstandige ondernemers over werkbaar werk. Daarnaast peilt de bevraging ook naar een aantal andere werkaspecten. Deze enquête werd voor zelfstandige ondernemers reeds vijf keer georganiseerd in resp. 2007 (n=2367), 2010 (n=2239), 2013 (n=3776), 2016 (n=2720) en 2019 (n=2882). Alle informatie over de methodologie van de werkbaarheidsmeting is te vinden in de methodologische nota (Bourdeaud’hui, Janssens en Vanderhaeghe, 2019b), de basisinformatie is gepubliceerd in een rapport (Bourdeaud’hui, Janssens en Vanderhaeghe, 2020a). Alle publicaties zijn beschikbaar op de website www.werkbaarwerk.be. In de referentielijst achteraan dit rapport zijn de rapporten opgenomen die in het kader van dit onderzoek relevante achtergrondinformatie aanreiken. Voorliggend rapport werd opgevolgd door de Commissie Economie en Innovatie van de SERV.
Opbouw van het onderzoeksrapport Het onderzoeksrapport start in een eerste deel met het in kaart brengen van de aspecten van de competentieportfolio van zelfstandige ondernemers die uit de databank van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor kunnen afgeleid worden. Het gaat om kwantitatieve informatie over de evolutie van de basisopleiding, de bijscholing, en de leermogelijkheden in en op het werk. Ook de zelfinschatting van technische en managementcompetenties via de opleiding komt aan bod. Deze gegevens worden vervolgens in een tweede deel gebundeld voorgesteld in een Dashboard van competenties van zelfstandige ondernemers. De rapportering van deze bevindingen knoopt aan bij het rapport ‘De competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer’ dat naar aanleiding van een vorige werkbaarheidsmeting is opgesteld (Penne en Bourdeaud’hui, 2019). 13
Het derde deel geeft een analyse van de competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer voor de onderscheiden deelpopulaties naar gender, leeftijd, anciënniteit, bedrijfsgrootte en sector. De onderlinge samenhang tussen aspecten van de competentieportfolio wordt nader bekeken in het vierde deel. De samenhang van de basisopleiding en van de bijscholing met de overige dimensies komen daarbij aan bod. Ook de onderlinge samenhang tussen een gesignaleerd opleidingsdeficit op vaktechnisch vlak en een deficit op management vlak wordt geanalyseerd. In het vijfde deel maken we gebruik van de technieken van de multivariate data-analyse en logistische regressie om na te gaan welke factoren een rol spelen bij het ervaren van een ernstig technisch en/of managementopleidingsdeficit. Deze analyse is een aanvulling op de voorgaande bivariate analyse. Na de interne analyse en samenhang van de competentieportfolio, werd ook gekeken naar samenhang met andere kenmerken van het ondernemerschap die we uit de databank van de werkbaarheidsmonitor kunnen afleiden. In het zesde deel komt de samenhang tussen de competentieportfolio en kenmerken van het ondernemerschap als het professioneel sociaal netwerk, de werkbaarheid van het werk, de tevredenheid over de ondernemersloopbaan in de keuze voor het ondernemerschap en het langer werken, en de groeiperspectieven van de zelfstandige activiteit aan bod. In het zevende deel komt de specifieke samenhang tussen een ernstig management opleidingsdeficit en deze kenmerken van het ondernemerschap aan bod. Ook de tevredenheid met de financieel-economische toestand van de zelfstandige activiteit, en de mogelijkheid tot het bekomen van financiering of leningen zijn elementen in dit verhaal. Het rapport eindigt met een korte slotbeschouwing. Achteraan het rapport zijn de bijlagen gebundeld. •
Bijlage 1 bevat de exacte vraagstelling uit de Vlaamse Werkbaarheidsmonitor voor de geanalyseerde aspecten van de competentieportfolio, en de wijze van verwerking.
•
In Bijlage 2 staat een overzichtstabel met de belangrijkste cijfers uit de databank van de Vlaamse Werkbaarheidsmonitor, waarvan de analyse van de competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer gebruik maakt.
•
Bijlage 3 bevat de cijfertabel van de logistische regressie met betrekking tot een ernstig competentiedeficit.
•
Bijlage 4 bevat de overzichtstabel van de kenmerken van het ondernemerschap die we uit de databank hebben afgeleid, weergegeven in het perspectief van een management opleidingsdeficit.
14
Onderzoeksresultaten We gebruiken de term ‘competentieportfolio’ voor het geheel van vaardigheden en competenties die een zelfstandige ondernemer heeft of nodig heeft om zijn of haar functie uit te oefenen. Een kwalitatief gevulde competentieportfolio is belangrijk voor de duurzaamheid van de ondernemersloopbanen in Vlaanderen. In het kader van dit onderzoek beperken we ons tot de aspecten die we kunnen afleiden uit de vragen uit de Vlaamse Werkbaarheidsmonitor met betrekking tot opleiding en competenties. Het betreft de volgende vijf aspecten: •
het hoogste behaalde getuigschrift of diploma (opleidingsniveau),
•
het volgen van bijscholing in het voorbije jaar (levenslang leren),
•
de leermogelijkheden die het werk biedt,
•
het zich voldoende opgeleid voelen op technisch of vakinhoudelijk vlak,
•
het zich voldoende opgeleid voelen in management en bedrijfsbeheer.
Op basis van de respons op deze vragen geven we hieronder het beeld van de competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer anno 2019. We vergelijken waar mogelijk met de cijfers van de nulmeting 2007. Desgevallend geven we de evolutie doorheen de opeenvolgende metingen weer. Achtereenvolgens komen aan bod: •
Afgeleide dimensies van de competentieportfolio,
•
Dashboard competenties zelfstandige ondernemers,
•
Deelpopulaties in kaart,
•
Onderlinge samenhang tussen dimensies van de competentieportfolio,
•
Oorzaken ernstige opleidingsdeficits,
•
Competentieportfolio en kenmerken van het ondernemerschap,
•
Management opleidingsdeficit en kenmerken van het ondernemerschap.
15
Aspecten van de competentieportfolio Hieronder schetsen we een beeld van de vijf aspecten van de competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer. Achtereenvolgens komen de basisopleiding, de bijscholing, de leermogelijkheden, de vaktechnische- en de managementcompetenties via de opleiding aan bod.
Basisopleiding De vraagstelling uit de Vlaamse werkbaarheidsmonitor laat toe een onderscheid te maken tussen vier categorieën1. Kortgeschoolden hebben maximum een diploma lager secundair. Middengeschoolden hebben maximum een diploma secundair onderwijs. Hooggeschoolden hebben een diploma hoger onderwijs, hetzij van het korte type, hetzij van het lange type.
Figuur 2 Opleidingsniveau van de zelfstandige ondernemer, evolutie 2007-2019
Uit de meting 2019 blijkt dat 11,0% van de Vlaamse zelfstandige ondernemers kortgeschoold is, en maximum een diploma lager secundair heeft. 28,4% is middengeschoold en heeft een
1
Een werkzoekende wordt door de VDAB als kortgeschoold of ‘laaggeschoold’ beschouwd als hij of zij geen diploma of getuigschrift van secundair onderwijs behaalde. Ook werkzoekenden uit de leertijd (Syntra) en het deeltijds beroeps secundair onderwijs worden als laaggeschoold beschouwd. ‘Middengeschoolden’ behaalden een diploma secundair onderwijs, en ‘hooggeschoolden’ een diploma hoger onderwijs.
16
diploma secundair onderwijs. 60,6% is hooggeschoold en heeft een diploma hoger onderwijs, hetzij van het korte type (dit is voor 24,8% van de ondernemers het geval), hetzij van het lange type (35,8% van de ondernemers). We zien een duidelijke evolutie doorheen onze metingen. Het basisopleidingsniveau van de zelfstandige ondernemers neemt duidelijk toe bij elke meting 2: Enerzijds neemt het aandeel van de kortgeschoolde ondernemers af. In 2007 was dit nog één op de vijf (20,1%). In 2019 is dit gedaald tot bijna één op de tien (11,0%). Ook het aandeel van de middengeschoolden daalt, met 3,4 procentpunt. Anderzijds is het aandeel van de hooggeschoolde ondernemers afgetekend toegenomen, met 2,9 procentpunt voor de hoger gediplomeerden van het korte type, en zelfs met 9,6 procentpunt voor de ondernemers met een diploma hoger onderwijs lange type. Wanneer we deze beide types hoger geschoolden samen beschouwen, dan zien we dat zij bij de eerste meting in 2007 nog net niet de helft (48,1%) uitmaakten, terwijl zij bij de laatste meting reeds 60,6% van de zelfstandige ondernemers vertegenwoordigen. Deze toenemende scholarisatie is een belangrijke voorwaarde voor een succesvolle omschakeling naar een meer kennisgedreven en innovatieve economie. Ze is het resultaat van een generatie- en een cohorte-effect. In de voorbije twintig jaar ging het opleidingsniveau van de nieuwe generaties jongeren stelselmatig omhoog (generatie-effect). Naarmate deze generaties ouder worden en de oudere, korter geschoolde generaties vervangen, doen ze het gemiddelde opleidingsniveau verder toenemen (cohorte-effect).
Bijscholing Naast de basisopleiding vormt het verbreden, verdiepen of vernieuwen van de kennis door bijscholing een tweede bron om competenties op peil te kunnen houden en verder te ontwikkelen. De respons op de vraag of de ondernemer in de voorbije twaalf maanden (in de bevraging 2019 slaat dit dus op het jaar 2018) een bijscholing heeft gevolgd, wordt hieronder in twee categorieën verwerkt.
2
Ook de globale bevindingen voor de Vlaamse bevolking op arbeidsleeftijd evolueren in dezelfde zin cfr https://www.statistiekvlaanderen.be/nl/bevolking-naar-onderwijsniveau-scholingsgraad.
17
Figuur 3 Bijscholing door de zelfstandige ondernemer, evolutie 2007-2019
Uit de meting 2019 blijkt dat 54,2% van de Vlaamse zelfstandige ondernemers het voorbije jaar een bijscholing heeft gevolgd. Voor iets minder dan de helft van de ondernemers (45,8%) is dit daarentegen niet het geval. De kennismaatschappij vraagt steeds meer om levenslang leren en ook zelfstandige ondernemers scholen zich in toenemende mate bij: het aandeel van de ondernemers die zich de voorbije twaalf maanden bijschoolden is met 14,7 procentpunt toegenomen van 39,5% in 2007, tot 54,2% in 2019. De toename in bijscholing manifesteert zich doorheen de opeenvolgende metingen. Deze evolutie is overigens nog niet ten einde want er blijft een relatief beduidend gedeelte van de ondernemers (45,8%) voor wie dit nog steeds niet gebruikelijk is.
Leermogelijkheden De leermogelijkheden in en op het werk vormen één van de vier centrale indicatoren om het werk als ‘werkbaar’ te kunnen kwalificeren in de werkbaarheidsmonitor. De enquête peilt naar de mate waarin nieuwe dingen op uw werk geleerd worden, waarin mogelijkheden voor persoonlijke groei en ontwikkeling voorhanden zijn, waarin het werk het gevoel geeft er iets mee te kunnen bereiken, en waarin het werk mogelijkheden biedt voor zelfstandig denken en doen. De resultaten van de werkbaarheidsmonitor worden hieronder in twee categorieën verwerkt (‘onvoldoende’ en ‘voldoende’) naar gelang de leermogelijkheden al dan niet als problematisch worden gekwalificeerd door de betrokkenen.
18
Figuur 4 Leermogelijkheden in en op het werk voor de zelfstandige ondernemer, evolutie 2007-2019
De leermogelijkheden van de zelfstandige ondernemers in en op het werk zijn bijzonder groot. Volgens de Vlaamse Werkbaarheidsmonitor 2019 heeft 96,5% van de ondernemers voldoende leerkansen in en op het werk. Er is bovendien een significante toename met 2,1 procentpunt in vergelijking met de eerste meting van 2007.
Voldoende vaktechnisch opgeleid In de werkbaarheidsenquête werd vanaf de meting 2013 een bijkomende vraag gesteld die peilt naar de mate waarin de zelfstandige ondernemer zich voldoende opgeleid voelt, zowel voor de vakinhoudelijke of technische aspecten van zijn of haar activiteit, als voor het beheer of management van zijn of haar bedrijf of firma. Op basis van de antwoordmogelijkheden op de vraag: ‘Voelt u zich voldoende opgeleid voor de vakinhoudelijke of technische aspecten van uw zelfstandige activiteit?’ wordt voor deze analyse een onderscheid gemaakt tussen drie categorieën: •
Geen vaktechnisch opleidingsdeficit (de groep die op deze vraag ‘altijd’ antwoordt)
•
beperkt vaktechnisch opleidingsdeficit (de groep die op deze vraag ‘vaak’ antwoordt)
•
ernstig vaktechnisch opleidingsdeficit (de groep die op deze vraag ‘soms’ of ‘nooit’ antwoordt).
19
Figuur 5 Zelfinschatting vaktechnisch opleidingsdeficit, evolutie 2013-2019
Bij de meting 2019 ervaart 44,8% van de zelfstandige ondernemers geen vaktechnisch opleidingsdeficit. Een quasi even grote groep (47,0%) ervaart op dit vlak een beperkt deficit. Voor 8,2% van de ondernemers is er een ernstig vaktechnisch opleidingsdeficit. Wanneer we de opeenvolgende metingen (2013-2016-2019) van dit aspect van de competentieportfolio van de zelfstandige ondernemers bekijken, dan stellen we geen significante evoluties vast. Het aandeel van de ondernemers dat zichzelf vaktechnische voldoende opgeleid inschat (geen deficit of een beperkt deficit) blijft quasi gelijk, en bedraagt ruim meer dan 90 procent van de populatie.
Voldoende opgeleid in management en bedrijfsbeheer Op basis van de antwoordmogelijkheden op de vraag: ‘Voelt u zich voldoende opgeleid voor het beheer en het management van uw bedrijf/firma?’ wordt voor deze analyse een onderscheid gemaakt tussen drie categorieën: •
geen management opleidingsdeficit (de groep die op deze vraag ‘altijd’ antwoordt)
•
beperkt management opleidingsdeficit (de groep die op deze vraag ‘vaak’ antwoordt)
•
ernstig management opleidingsdeficit (de groep die op deze vraag ‘soms’ of ‘nooit’ antwoordt).
20
Figuur 6 Zelfinschatting management opleidingsdeficit, evolutie 2013 – 2019
Bij de meting 2019 ervaart één op de vijf of slechts 20,7% van de zelfstandige ondernemers, in geen enkele omstandigheid een management opleidingsdeficit. Dit betekent omgekeerd dat vier vijfden van de zelfstandige ondernemers zich op dit vlak onvoldoende opgeleid voelt, in beperkte of in ernstige mate. We zien bij een kleine helft van de ondernemers (46,7%) een beperkt management opleidingsdeficit. En bij een derde van de ondernemers (32,6%) wordt een ernstig opleidingsdeficit gerapporteerd. We zien doorheen de voorbije metingen (2013-2016-2019) een opvallende tendens bij dit aspect van de competentieportfolio. Het aandeel van de zelfstandige ondernemers dat een ernstig deficit signaleert op het vlak van de opleiding inzake management en bedrijfsbeheer, is significant groter geworden, met een toename van 4,5 procentpunt in de periode 2013-2019.
21
Dashboard competenties zelfstandige ondernemers In onderstaande figuur 7 geven we het dashboard van de competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer weer. Dit dashboard geeft het overzicht van de kerncijfers op het vlak van basisopleiding, bijscholing, leermogelijkheden, vaktechnische en management opleiding. Het icoon boven elke dimensie geeft de evolutie aan doorheen onze opeenvolgende metingen. We zien een uitgesproken positieve evolutie in deze competentieportfolio, zeker voor de aspecten basisopleiding, bijscholing en leermogelijkheden. De kwaliteit van de competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer is er onmiskenbaar op vooruit gegaan. We stellen vast dat de gerapporteerde zelfinschatting van een vaktechnisch opleidingsdeficit niet veel verschuivingen vertoont. Het aandeel van de ondernemers dat zichzelf vaktechnische afdoende opgeleid inschat (geen deficit of een beperkt deficit) blijft quasi gelijk, en bedraagt meer dan 90 procent van de populatie. Voor de gerapporteerde zelfinschatting van een management opleidingsdeficit zien we een afwijkend beeld. Het aandeel van de ondernemers die een ernstig deficit rapporteren is veel groter dan met betrekking tot de vaktechnische opleiding, en dit aandeel is in vergelijking met de eerste meting nog steeds aan het toenemen.
Basisopleiding
Bijscholing
Leermogelijkheden
Vaktechnische opleiding
Management opleiding
Hoog = 61%
Ja = 54%
Voldoende = 97%
Voldoende = 45%
Voldoende = 21%
Midden = 28%
Neen = 46%
Onvoldoende = 3%
Beperkt deficit = 47%
Beperkt deficit = 46%
Ernstig deficit = 8%
Ernstig deficit = 33%
Kort = 11%
Figuur 7 Dashboard competenties zelfstandige ondernemers (Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2019)
22
Deelpopulaties in kaart In dit hoofdstuk gaan we na of er grote onderlinge verschillen zijn in de competenties van de Vlaamse zelfstandige ondernemers naargelang de beschouwde deelpopulatie. Hierbij wordt rekening gehouden met volgende variabelen: •
Gender,
•
Leeftijd,
•
Bedrijfsomvang,
•
Anciënniteit,
•
Sector3.
We presenteren dit eerst vanuit het perspectief van vijf aspecten van de competentieportfolio: het hoogste behaalde getuigschrift of diploma (opleidingsniveau), het volgen van bijscholing in het voorbije jaar, de leermogelijkheden die het werk biedt, de zelfinschatting van een vaktechnisch opleidingsdeficit, de zelfinschatting van een management opleidingsdeficit. Vervolgens herbekijken we de resultaten vanuit het perspectief van elke deelpopulatie.
Per aspect van de competentieportfolio Hierna schetsen we een gedetailleerd beeld van de verdeling van elk van de vijf competentieaspecten onder de onderscheiden deelpopulaties.
3
Dit rapport geeft omwille van de continuïteit in de rapportering de bevindingen weer voor dezelfde zeven sectoren als in de vorige editie. Voor de sectoren land- en tuinbouw en visserij, bouw, handel, intellectuele diensten en vrije beroepen komen in de Werkbaarheidsmonitor-databank voor 2019 meer dan 200 waarnemingen voor. Voor de sectoren horeca, en transport en industrie is dit niet het geval. Voor deze sectoren is het van belang de gegevens 2019 met gepaste omzichtigheid te behandelen.
23
Basisopleiding
Figuur 8 Basisopleidingsniveau naar deelpopulaties, 2019
24
Figuur 8 geeft een beeld van de hoogst behaalde opleiding of het getuigschrift van de zelfstandige ondernemers. Onder de noemer ‘hoger onderwijs’ (kleur groen) vallen zowel de opleidingen van het type ‘bachelor’ als ‘master’. De andere groep is samengevoegd onder de benaming ‘maximum secundair’ (kleur oranje). We stellen hierbij volgende bevindingen vast: •
Vrouwelijke ondernemers (70,6%) hebben vaker een hoger diploma dan mannelijke (55%).
•
Het aandeel van de ondernemers met een hoger diploma neemt af met de leeftijd; hoe jonger hoe hoger opgeleid.
•
De verdeling naar bedrijfsgrootte is divers: ondernemers zonder personeel en ondernemers met meer dan 10 werknemers, hebben vaker een hoger diploma dan de groep met 19 werknemers.
•
Starters (<3 jaar actief) hebben vaker een hoger diploma dan ondernemers die reeds langer dan 5 jaar actief zijn.
•
De sectoren geven de scherpste verschillen: daar waar de sector van de vrije beroepen logischerwijs quasi uitsluitend hoger opgeleiden telt (97,2%), vinden we in de horeca het kleinste aantal ondernemers met een hoger diploma (22,2%). Daarna volgen de landbouw (24,4% hoger opgeleiden), de bouw (32%), de sector van transport en productie (40,9%) en de handel (45,2%) en. De intellectuele diensten sluiten het meeste aan bij de vrije beroepen (87,9% met een hoger diploma).
Al deze tendensen zijn vrij gelijkaardig aan degene die we bij de opmaak van de vorige editie van dit rapport vaststelden, waarbij het wel zo is dat de scholarisatiegraad in elk van deze deelgroepen vandaag iets hoger ligt.
25
Bijscholing
Figuur 9 Bijscholing naar deelpopulaties, 2019
26
Figuur 9 geeft een beeld van de mate waarin de diverse categorieën van zelfstandige ondernemers zich hebben bijgeschoold in de loop van het voorbije jaar. We stellen hierbij volgende bevindingen vast: •
Vrouwelijke ondernemers (60,5%) scholen zich meer bij dan mannelijke ondernemers (51,1%).
•
Jongeren (70,8% bij de min 30jarigen) scholen zich meer bij dan 50-plussers (48,1% bij de 50-plus, 47,6% bij de 55-plus).
•
Ook naar anciënniteit is er een verschil, zij het minder groot: ondernemers die minder dan 3 jaar actief zijn (59,8%) scholen zich meer bij dan zij die al langer dan 5 jaar actief zijn (53,2%).
•
Qua bedrijfsgrootte zijn er geen noemenswaardige verschillen.
•
In de sectoren zijn het de vrije beroepen die zich afgetekend meer bijscholen dan de andere sectoren: bijna 9 op de 10 (86,4%), wat samenhangt met de verplichting tot permanente vorming die voor heel wat gereglementeerde beroepen geldt. Daarna volgen in afnemende volgorde de landbouw (56,8% wat een toename is met 19 procentpunt in vergelijking met de vorige meting), de intellectuele diensten (54,6% schoolt zich bij), transport en productie (39,1%), de bouw (35,9%), en de handel (27,6%). In de horeca scholen de ondernemers zich het minst bij (16,3%).
Ook deze tendensen zijn vrij gelijkaardig aan degene die we bij de opmaak van de vorige editie van dit rapport vaststelden, waarbij de bijscholingsgraad in de meeste van deze deelgroepen vandaag iets hoger ligt, met een duidelijke uitschieter in de landbouw.
27
Leermogelijkheden
Figuur 10 Leermogelijkheden naar deelpopulaties, 2019
28
Figuur 10 geeft een beeld van de mate waarin de diverse categorieën van zelfstandige ondernemers leermogelijkheden hebben in en op het werk. We stellen hierbij volgende bevindingen vast: •
In het algemeen scoren de zelfstandige ondernemers en hun deelpopulaties weinig problematisch op deze werkbaarheidsindicator. Alle categorieën laten in ruim meer dan 90% van de gevallen voldoende leermogelijkheden optekenen.
•
We stellen vooral sectorale verschillen vast op dit vlak, waarbij de (relatief) lagere score voor de horeca en de handel het meest in het oog springt: respectievelijk 7,7% en 6 % van de ondernemers uit deze sectoren geven aan onvoldoende leermogelijkheden te hebben. Voor de horecasector is dit echter wel al een verbetering in vergelijking met de vorige meting van 2016, toen dit nog 15% bedroeg.
Opnieuw stellen we vast dat deze tendensen quasi gelijkaardig zijn aan degene die we bij de opmaak van de vorige editie van dit rapport hebben aangeduid.
29
Voldoende vaktechnisch opgeleid
Figuur 11 Vaktechnisch opleidingsdeficit naar deelpopulaties, 2019
30
Figuur 11 geeft een beeld van de mate waarin de diverse categorieën van zelfstandige ondernemers een technisch of vakinhoudelijk opleidingsdeficit ervaren. We stellen hierbij volgende bevindingen vast: •
We zien dat het aandeel van de groep die geen enkel vaktechnisch competentiedeficit ervaart (groene kleur), in geen enkele deelpopulatie meer dan de helft bereikt.
•
Het aandeel van de groep die een ernstig competentiedeficit ervaart (rode kleur), bedraagt in een aantal deelgroepen meer dan 10%. Meer bepaald is dit het geval in diverse sectoren (landbouw 12,3%, handel 11,3% en horeca 11,3%). Maar ook qua gender (vrouwen 10,7%), leeftijd (< 30 jarigen 10,9%), en bedrijfsgrootte (>= 10 WN 11,2%) zijn er deelgroepen waarbinnen het aandeel van degenen met een ernstig technisch competentiedeficit meer dan 10% bedraagt.
•
Meer algemeen kunnen we stellen dat vrouwen zich vaktechnisch minder goed opgeleid achten dan mannen. Hoe ouder de ondernemer hoe minder hij of zij een technisch competentiedeficit ervaart. Het oordeel over de eigen vaktechnische competenties is lager bij starters dan bij ondernemers die al langer dan 5 jaar actief zijn. In de sectoren is het ervaren vaktechnisch competentiedeficit (beperkt of ernstig; rode en oranje kleur tezamen) het kleinst bij de horecaondernemers (52,2%) en het grootst in de landbouw (65,2%).
Deze tendensen stemmen min of meer overeen met degene die in de vorige editie van dit rapport vaststelden.
31
Voldoende opgeleid in management en bedrijfsbeheer
Figuur 12 Management opleidingsdeficit naar deelpopulaties, 2019
32
Figuur 12 geeft een beeld van de mate waarin de diverse categorieën van zelfstandige ondernemers een opleidingsdeficit ervaren op het vlak van management en bedrijfsbeheer. We stellen hierbij volgende bevindingen vast: •
Het opleidingsdeficit is hier veel uitgesprokener dan op vaktechnisch vlak. We zien dat het aandeel van de groep die zich in alle omstandigheden voldoende opgeleid voelt op het vlak van management (groene kleur), in de verschillende deelpopulaties maximaal rond een kwart schommelt, en in elk geval overal minder dan één op de drie bedraagt.
•
Het aandeel van de ondernemers met een ernstig management opleidingsdeficit (rode kleur) varieert in de verschillende deelpopulaties tussen een vijfde tot ruim de helft. Negatieve uitschieters op dit vlak zijn de jonge ondernemers (<30 jaar 53,2%), de startende ondernemers (<3 jaar actief 45,2%) en de sector van de vrije beroepen (48,5%). De beste score wordt daarentegen behaald door de ondernemers met meer dan 10 werknemers (19,5%) en zij uit de sector van de intellectuele diensten (20,7%).
•
Meer algemeen kunnen we stellen dat vrouwen zich op vlak van management minder goed opgeleid voelen dan mannen: slechts 16,4% van de vrouwelijke ondernemers ervaart geen enkel opleidingsdeficit, en 41,7% van de vrouwen signaleert daarentegen een ernstig opleidingsdeficit. Bij de mannelijke ondernemers is dit respectievelijk 22,9% en 27,7%.
•
Ook de leeftijd en de anciënniteit spelen een belangrijke rol: hoe jonger en hoe minder lang actief, hoe groter het management opleidingsdeficit. Zo is de jongste leeftijdsgroep (<30 jaar) de meest kwetsbare groep op het gebied van managementcompetenties, met 53,2% die een ernstig opleidingsdeficit aangeven en nog eens 38,5% met een beperkt opleidingsdeficit.
•
In de sectoren is het ervaren deficit in managementopleiding bijzonder groot bij de vrije beroepen (48,5% signaleert een ernstig deficit en nog eens 38,1% een beperkt deficit) terwijl juist deze sector een van de uitblinkers in positieve zin was bij de vakinhoudelijke zelfinschatting. Daartegenover staat de sector van de intellectuele diensten, waar het aandeel van de ondernemers zonder opleidingsdeficit het grootst (28,6%) is van alle deelpopulaties, en het aandeel van de ondernemers met een ernstig deficit het kleinst (20,7%). De andere sectoren (horeca, handel, bouw, transport/productie en landbouw) zitten hier ergens tussenin, waarbij we telkens vaststellen dat ruim drie op de vier ondernemers in deze sectoren een (beperkt of ernstig) deficit in managementopleiding aangeven.
Deze tendensen stemmen min of meer overeen met degene die we inde vorige editie van dit rapport vaststelden, waarbij de mate waarin geen enkel management opleidingsdeficit ervaren wordt (groene balk) in de meeste van deze deelgroepen vandaag zelfs nog iets lager ligt. Bij de dertigers kunnen we zelfs spreken over een significante afname van het aandeel dat geen enkel opleidingsdeficit ervaart. In 2013 bedroeg dit aandeel nog 18,9%, vandaag 13,1%.
33
Per deelpopulatie Hierna bekijken we de competentieportfolio vanuit het perspectief van elke deelpopulatie.
Gender Er is een significant verschil in de competentieportfolio tussen mannelijke en vrouwelijke ondernemers. Enerzijds zien we dat vrouwen een hoger opleidingsniveau hebben dan mannen. 70,6% behaalde een diploma hoger onderwijs van het korte of lange type, tegenover 55% bij de mannen. 6,7% behaalde maximaal een diploma lager secundair onderwijs tegenover 13,3% bij de mannen. Ook inzake permanente vorming tonen vrouwen zich een betere leerling van de klas (60,5% tegenover 51,1% bij de mannen). Qua leermogelijkheden in het werk zijn er onder ondernemers geen significante genderverschillen, die zijn bij beide groepen zeer groot. Anderzijds stellen we vast dat mannelijke ondernemers zich beter opgeleid voelen. Dit geldt op vaktechnisch vlak, waar een ernstig deficit bestaat bij 6,8% van de mannen tegenover bij 10,7% van de vrouwen. Het geldt ook op het gebied van bedrijfsbeheer en management, 27,7% ervaart daar een ernstig deficit tegenover 41,7% bij de vrouwen. Deze genderverschillen zouden deels kunnen samenhangen met de sectorverdeling tussen mannelijke en vrouwelijke ondernemers (bv. het aandeel vrouwen bij de hoogopgeleide vrije beroepen is groter dan gemiddeld4) evenals met bepaalde genderattitudes.
Leeftijd Er is een significant verschil in competentieportfolio tussen de verschillende leeftijdscategorieën van zelfstandige ondernemers. Vooral het profiel van de jongste ondernemers (<30 jaar) onderscheidt zich van de oudere leeftijdscategorieën. Zo zijn de jongste ondernemers het hoogst opgeleid (74,4% heeft een basisdiploma hoger onderwijs), en dit aandeel daalt naarmate de leeftijd van de ondernemers stijgt (tot 52,9% bij de 50-54 jarigen, en 57,2% bij de 55-plussers). Jonge ondernemers volgen ook het meest bijscholing (70,8%), en hebben het meest leermogelijkheden in het werk (99,5%). Toch ervaren de jongste ondernemers een groter technisch- en management opleidingsdeficit dan de oudere leeftijdscategorieën (56,8% een beperkt en 10,9% een ernstig
4
Volgens de Statistische gegevens RSVZ op 31 december 2019 zijn er in Vlaanderen in de sector van de vrije beroepen 45% vrouwelijke ondernemers, terwijl het aandeel van de vrouwen in de totale ondernemerspopulatie ongeveer één op drie (36%) bedraagt. Het aandeel van de sector van de vrije beroepen in de totale ondernemerspopulatie bedraagt 30%. https://websta.rsvz-inasti.fgov.be/nl
34
technisch opleidingsdeficit; 38,5% een beperkt en nog eens 53,2% een ernstig management opleidingsdeficit).
Anciënniteit De competentieportfolio van starters (<3j actief) verschilt significant van de reeds langer actieve ondernemers. We zien dat starters vandaag een hoger opleidingsniveau hebben. 68,1% heeft een basisdiploma hoger onderwijs tegenover 58,6% van de ondernemers die meer dan 5 jaar actief zijn. Beschouwen we enkel de jonge starters (<40 jaar) dan stijgt het aandeel van degenen met een diploma hoger onderwijs tot 74,6%. Ook inzake permanente vorming zijn starters actiever dan de ondernemers die langer dan 5 jaar actief zijn (59,8% tegenover 53,2%). Opnieuw zien we de hoogste score wanneer we anciënniteit en leeftijd in combinatie beschouwen. 66,5% van de jonge starters (<40 jaar) schoolt zich bij. Starters ervaren vrijwel maximale leermogelijkheden in het werk, hetgeen licht afneemt naarmate de anciënniteit van de ondernemer toeneemt. Bijna zeven op de tien van de jonge starters (<40 jaar) ervaart een technisch opleidingsdeficit. Bij 58,3% gaat dit om een beperkt en bij 9,2% om een ernstig deficit. Een management opleidingsdeficit is zelfs aanwezig bij meer dan negen op de tien van deze jonge starters. Met een ‘monsterscore’ van 35,1% die een beperkt en 56,1% die een ernstig management opleidingsdeficit signaleren.
Bedrijfsgrootte Rekening houdend met de bedrijfsomvang, zien we vooral op vlak van de basisopleiding en van het management opleidingsdeficit een significant verschil in de competentieportfolio van zelfstandigen zonder personeel, zelfstandigen met een kleine onderneming (1-9 werknemers), en ondernemers die een middelgrote of grote onderneming hebben (>10 werknemers). Zo ligt het aandeel van de groep met een diploma hoger onderwijs van het lange type iets hoger bij de ondernemers zonder personeel en bij de ondernemers met een middelgrote of grote onderneming, in vergelijking met de tussencategorie van ondernemers met een kleine onderneming (1-9 werknemers), die lager scoren wat het hoogst behaalde basisdiploma betreft. Het management opleidingsdeficit neemt omgekeerd evenredig af met de grootte van de onderneming. In de groep van de ondernemers met 10+ werknemers signaleert 19,5% een ernstig management opleidingsdeficit, wat oploopt tot 34,8% bij de zelfstandige ondernemers zonder personeel. Er zijn op het vlak van bedrijfsgrootte geen significante verschillen gevonden qua bijscholing, leermogelijkheden of technische competenties.
35
Sector De competentieportfolio van de ondernemers uit de onderscheiden sectoren in de werkbaarheidsmonitor, is op alle onderzochte aspecten, onderling significant verschillend. Vrije beroepen De vrije beroepen springen het meest in het oog. De sector scoort afgetekend het hoogst wat betreft het opleidingsniveau (74,2% heeft een diploma van het hoger onderwijs lange type en 23% van het korte type), en de mate van bijscholing in het voorbije jaar (86,4%). De sector scoort maximaal inzake leermogelijkheden in en op het werk (99,0%). Ook op vaktechnisch vlak (46% voelt zich in alle omstandigheden voldoende opgeleid en slechts bij 7,6% is sprake van een ernstig deficit). De vrije beroepen scoren daarentegen opvallend zwakker dan alle andere sectoren in hun managementcompetenties . 48,5% geeft een ernstig deficit aan en 38,1% een beperkt deficit. Amper 13,4% van de vrije beroepen voelt zich in elke situatie voldoende opgeleid op het vlak van management en bedrijfsbeheer. Intellectuele diensten De sector van de intellectuele diensten heeft in vergelijking met de andere sectoren op alle vlakken een vrij evenwichtig verdeelde kwalitatieve competentieportfolio. Een zeer ruime groep van deze ondernemers is hooggeschoold, hetzij van het lange type (56,9%) hetzij van het korte type (31,0%). 54,6% schoolt zich bij. De leermogelijkheden in en op het werk zijn zo goed als maximaal (97,8%). Zowel qua technisch als management opleidingsdeficit scoort deze sector relatief goed: we vinden er een groter aandeel zonder enig uitgesproken opleidingsdeficit (46,9% technisch en 28,6% management) en we vinden er ook het kleinste aandeel met een ernstig opleidingsdeficit (4,4% technisch en 20,7% management). Horeca De competentieportfolio van de horecaondernemers vertoont ook enkele opvallende uitschieters in vergelijking met de andere sectoren. Ruim drie kwart (77,9%) heeft maximaal een diploma secundair onderwijs. De ondernemers uit deze sector scholen zich minder bij (amper 16,3% volgde een bijscholing het afgelopen jaar). Zij ervaren ruime leermogelijkheden in en op het werk (92,3% - al ligt dit wel 4,2 procentpunt lager dan het gemiddelde). Op het vlak van het ervaren technisch– en management opleidingsdeficit schalen de ondernemers uit deze sector zichzelf vrij goed in, vergeleken met de gemiddelde Vlaamse ondernemer. Zo voelt in de horeca 47,8% van de zelfstandige ondernemers zich in alle situaties voldoende technisch opgeleid, wat de hoogste score is van alle sectoren. En 24,8% van de horecaondernemers acht zichzelf in alle omstandigheden voldoende opgeleid op het vlak van bedrijfsbeheer, wat de tweede hoogste score is onder de sectoren. Bij de gemiddelde Vlaamse ondernemer is dit respectievelijk 44,8% en 20,7%.
36
Land- en tuinbouw Ook in de land- en tuinbouw heeft driekwart van de ondernemers (75,6%) maximaal een diploma secundair onderwijs. De bijscholing onder de ondernemers in deze sector maakt een grote sprong voorwaarts in vergelijking met de vorige meting: thans schoolt 56,8% zich bij, wat een toename met 19 procentpunt inhoudt. 96,4% ervaart voldoende leermogelijkheden in en op het werk. In deze sector vormen de technische competenties meer een knelpunt dan in andere sectoren: slechts 34,9% ervaart geen enkel technisch opleidingsdeficit. Het aandeel van de ondernemers in deze sector die in geen enkele situatie een management opleidingsdeficit ervaren bedraagt 15,1%; alleen de vrije beroepen scoren hier nog slechter. Bouw In de bouwsector heeft ongeveer één op de drie ondernemers (32%) een diploma hoger onderwijs van het korte of lange type. Eveneens ongeveer een derde (35,9%) schoolde zich bij het voorbije jaar. De meeste ondernemers ervaren voldoende leermogelijkheden in en op het werk (96,5%). Op technisch vlak liggen de cijfers in dezelfde lijn als het Vlaams gemiddelde (45,1% van de bouwondernemers ervaart geen opleidingsdeficit, 49,5% signaleert een beperkt en 5,5% een ernstig deficit). Op het gebied van bedrijfsbeheer scoort de sector slechter dan het gemiddelde: 18,2% ervaart geen enkel opleidingsdeficit (de vorige meting lag dit aandeel nog 9 procentpunt hoger); 48,1% signaleert een beperkt deficit, en 33,7% een ernstig deficit (de vorige meting lag dit aandeel nog 3,5 procentpunt lager). Handel In de handel heeft 45,2% van de ondernemers een diploma hoger onderwijs van het korte of lange type. Dat is een toename met haast 5 procentpunt in vergelijking met de vorige meting. Ruim een kwart (27,6%) volgde het voorbije jaar een bijscholing. Bij 94% zijn er voldoende leermogelijkheden in en op het werk. De cijfers op het vlak van de ervaren technische competenties liggen iets lager dan die bij de gemiddelde Vlaamse ondernemer: in de handel voelt 40,8% zich in alle situaties voldoende technisch opgeleid en signaleert 11,3% een ernstig deficit. Op het vlak van bedrijfsbeheer voelt 22,6% zich in alle omstandigheden voldoende opgeleid, en signaleert 22,6% een ernstig deficit. Transport en productie In de sector transport en productie heeft 41% van de ondernemers een diploma hoger onderwijs van het korte of lange type. Ongeveer vier op de tien (39,1%) schoolde zich bij het voorbije jaar. 94,5% geeft aan voldoende leermogelijkheden te hebben in en op het werk. De cijfers op het vlak van het ervaren technisch– en management opleidingsdeficit liggen min of meer in de lijn van die bij de gemiddelde Vlaamse ondernemer: in deze sector voelt 47% zich in alle situaties voldoende technisch opgeleid en 23,3 % voelt zich in alle omstandigheden voldoende opgeleid op het vlak van bedrijfsbeheer.
37
Onderlinge samenhang tussen dimensies van de competentieportfolio We bekijken in dit hoofdstuk de onderlinge samenhang tussen enkele dimensies van de competentieportfolio die we binnen de databank van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor kunnen vaststellen.
Basisopleiding en dimensies competentieportfolio De mate waarin het niveau van de basisopleiding samenhangt met de andere dimensies van de competentieportfolio, is af te leiden uit onderstaande tabel. Tabel 1 Niveau basisopleiding in verhouding tot de overige dimensies competentieportfolio, 2019 bijscholing
leermogelijkheden
% ja
% niet problematisch
technisch
management
opleidingsdeficit geen beperkt ernstig
opleidingsdeficit geen beperkt ernstig
lager secundair
26,2%
91,6%
45,6%
40,9% 13,4%
26,1%
41,2%
32,6%
hoger secundair
40,4%
95,2%
40,1%
50,0%
9,9%
18,2%
51,2%
30,6%
hoger onderwijs korte type
57,2%
97,0%
47,0%
45,3%
7,7%
22,7%
49,3%
28,1%
hoger onderwijs lange type
72,1%
98,7%
46,6%
47,8%
5,6%
19,5%
43,0%
37,5%
s
s
s
s
Hoe hoger de scholarisatie van de zelfstandige ondernemer, hoe meer hij of zij zich bijschoolt, hoe meer leermogelijkheden hij of zij in het werk heeft, en hoe minder groot het technisch opleidingsdeficit: •
Van de ondernemers die als basisopleiding een diploma lager secundair hebben behaald, volgt 26% bijscholing, ervaart 92% leermogelijkheden in en op het werk, en rapporteert 46% geen technisch opleidingsdeficit, 41% een beperkt, en 13% een ernstig.
•
Van de ondernemers die als basisopleiding een diploma hoger secundair hebben behaald, volgt 40% bijscholing, ervaart 95% leermogelijkheden in en op het werk, en rapporteert 40% geen technisch opleidingsdeficit, 50% een beperkt en 10% een ernstig.
•
Van de ondernemers die als basisopleiding een diploma hoger onderwijs van het korte type hebben behaald, volgt 57% bijscholing, ervaart 97% leermogelijkheden in en op het werk, en rapporteert 47% geen technisch opleidingsdeficit, 45% een beperkt, en 8% een ernstig.
•
Van de ondernemers die als basisopleiding een diploma hoger onderwijs van het lange type hebben behaald, volgt 72% bijscholing, ervaart 99% leermogelijkheden in en op het werk, en rapporteert 47% geen technisch opleidingsdeficit, 48% een beperkt, en 5% een ernstig. 38
Wat het management opleidingsdeficit betreft is er daarentegen geen eenduidige relatie vast te stellen met het niveau van de basisopleiding. De cijfers liggen ook niet geheel in dezelfde lijn als die van het technisch opleidingsdeficit, het aandeel met een ernstig opleidingsdeficit is hier duidelijk groter. We stellen daarbij vast dat de zelfstandige ondernemers met het hoogste basisdiploma het grootste opleidingsdeficit qua management en bedrijfsbeheer signaleren. •
Van de ondernemers die als basisopleiding een diploma lager secundair hebben behaald, rapporteert 26% geen management opleidingsdeficit, 41% een beperkt, en 33% een ernstig.
•
Van de ondernemers die als basisopleiding een diploma hoger secundair hebben behaald, rapporteert 18% geen management opleidingsdeficit, 51% een beperkt, en 31% een ernstig.
•
Van de ondernemers die als basisopleiding een diploma hoger onderwijs van het korte type hebben behaald, rapporteert 23% geen management opleidingsdeficit, 49% een beperkt, en 28% een ernstig.
•
Van de ondernemers die als basisopleiding een diploma hoger onderwijs van het lange type hebben behaald, rapporteert 19% geen management opleidingsdeficit, 43% een beperkt, en 38% een ernstig.
Bijscholing binnen een evoluerende zelfstandigenpopulatie De toename in bijscholing manifesteert zich doorheen de opeenvolgende metingen. Het aandeel van de ondernemers die zich de voorbije twaalf maanden bijschoolden bedraagt thans 54,2%. De kennismaatschappij vraagt steeds meer om levenslang leren. De toetreding van jonge hoogopgeleide zelfstandige ondernemers draagt op dat vlak bij tot een evolutie in de zelfstandigenpopulatie. Het is vanuit dit perspectief interessant om allereerst ook omgekeerd het profiel van de ondernemers die zich het afgelopen jaar niet bijschoolden (45,8%) van naderbij te bekijken. De bevindingen wijzen in de richting van een verhoudingsgewijs groter aandeel mannelijke ondernemers, oudere ondernemers, midden- of kortgeschoolde ondernemers, en ondernemers met gelijkblijvende of negatieve groeiverwachting. Er zijn ook grote sectorale verschillen, met als positieve uitschieters de kennisberoepen uit de sector van de vrije beroepen, en als negatieve uitschieters de meer arbeidsintensieve sectoren zoals horeca en handel. Het al dan niet hebben van personeel blijkt daarentegen weinig invloed te hebben op de attitude ten aanzien van bijscholing. Wanneer we vervolgens stil staan bij de vaststelling dat hooggeschoolde ondernemers zich verhoudingsgewijs meer bijscholen dan lager geschoolden, en dat de zelfstandigensectoren die in de lift zitten vooral degene zijn waarin een hoge basisopleiding en bijscholing meer traditie zijn, zoals bij de vrije beroepen, rijst de vraag of de globale toename van het aandeel ondernemers dat zich bijschoolt, hier een louter gevolg van is. Is met andere woorden de toename van de bijscholing onder ondernemers enkel gesitueerd bij de toegenomen groep van hooggeschoolden? De opsplitsing van de bevindingen inzake bijscholing, per opleidingsniveau, doorheen de verschillende metingen, leert ons dat dit niet het geval is. 39
Figuur 13 Bijscholing door de zelfstandige ondernemer per opleidingsniveau, evolutie 2007-2019
Figuur 13 geeft de evolutie weer van de bijscholingsinspanningen van zelfstandige ondernemers doorheen de verschillende metingen, voor de verschillende opleidingsniveaus. We zien dat er inderdaad een rechtlijnig verband is tussen het opleidingsniveau en de mate van bijscholing: hoe lager geschoold, hoe minder men zich bijschoolt; en hoe hoger geschoold, hoe meer de ondernemer zich bijschoolt. Een tweede vaststelling is dat er doorheen de opeenvolgende metingen wel degelijk bij elk opleidingsniveau een toename is van het aandeel dat zich bijschoolt. Dit is het duidelijkst het geval voor de ondernemers met een diploma hoger secundair en een diploma hoger onderwijs van het korte type. Maar ook bij de kortgeschoolden, de ondernemers die maximaal een diploma lager secundair hebben behaald, zien we een toename van de bijscholing. Bij de hoogst opgeleiden, de ondernemers met een diploma hoger onderwijs van het lange type, is het aandeel bijscholingen tussen 2007 en 2019 het minste geëvolueerd.
Opleidingsdeficits gecombineerd De mate waarin ondernemers zich voldoende opgeleid voelen bij het management en beheer van hun zelfstandige activiteit, verschilt duidelijk van het niveau van hun vaktechnische competenties. Wanneer we beide soorten competenties vergelijken, dan zien we dat de groep van zelfstandige ondernemers zonder opleidingsdeficit groter is wanneer het gaat om technische of vakinhoudelijke competenties, dan wanneer het gaat om het beheer en management van hun bedrijf: een kleine helft van de Vlaamse ondernemers (44,8%) voelt zich in alle omstandigheden op technisch vlak voldoende opgeleid, terwijl slechts een vijfde (20,6%) zich in alle omstandigheden voldoende opgeleid voelt op het vlak van management. 40
De vraag stelt zich in welke mate er een overlap is tussen beide groepen, tussen de verdeling onder de zelfstandige ondernemers op het vlak van vakinhoudelijke opleidingsdeficits en de verdeling op het vlak van management opleidingsdeficits. Tabel 2 Management opleidingsdeficit en Technisch opleidingsdeficit gecombineerd, 2019
% MOD →
Geen
Beperkt
Ernstig
Totaal
Geen
17,5
18,2
9,1
44,8
Beperkt
2,9
27,0
17,2
47,1
Ernstig
0,1
1,6
6,3
8,0
Totaal
20,6
46,8
32,6
100
% TOD ↓
Wanneer we de beide dimensies simultaan beschouwen, blijkt uit bovenstaande kruistabel dat de groepen die terzelfdertijd op beide vlakken heel goed of heel slecht scoren, niet zo groot zijn: nog niet één op de vijf van de zelfstandige ondernemers (17,5%) beoordeelt zichzelf in alle situaties als volledig opgeleid op alle vlakken, zowel vaktechnisch, als qua management. Omgekeerd, is er een groep zelfstandige ondernemers die op beide aspecten terzelfdertijd een ernstig opleidingsdeficit vertoont, en deze kritieke groep maakt 6,3% uit van de ondernemerspopulatie. Analyses naar het profiel van deze laatste groep wijzen in de richting van een verhoudingsgewijs groter aandeel vrouwelijke ondernemers, jonge ondernemers, en ondernemers met negatieve groeiverwachting. Er zijn ook grote sectorale verschillen, met een relatief groter aandeel van ondernemers uit de land- en tuinbouw, de handel en de horeca. Het al dan niet hebben van personeel blijkt daarentegen weinig invloed te hebben op het ervaren opleidingsdeficit. De grootste categorie (modus) wordt gevormd door de ondernemers die terzelfdertijd op beide competenties een beperkt deficit signaleren (27% van de Vlaamse zelfstandige ondernemers). We kunnen dus stellen dat er geen sprake is van een echte overlap tussen beide soorten opleidingsdeficits.
41
Oorzaken ernstige opleidingsdeficits In dit deel zoomen we in op de zelfstandige ondernemers die een ernstig opleidingsdeficit ervaren. Respectievelijk 8,2% van de zelfstandige ondernemers ervaart een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van technische vaardigheden en 32,6% op het vlak van managementcompetenties. We maken gebruik van de techniek van de multivariate data-analyse om na te gaan welke factoren een rol spelen bij het ervaren van een ernstig technisch en/of management opleidingsdeficit. Deze analyse is een aanvulling op de bivariate analyse in de vorige hoofdstukken. We vragen ons bijvoorbeeld af of vrouwen nog steeds meer dan mannen een ernstig opleidingsdeficit ervaren op het vlak van management en beheer, indien rekening gehouden wordt met de leeftijd, het opleidingsniveau,… De factoren die in rekening worden gebracht zijn gender, leeftijd, opleidingsniveau, ondernemingsgrootte, ondersteuning vanuit sociaal netwerk, sector, en anciënniteit. Door de afhankelijke variabele dichotoom te maken (‘geen ernstig deficit’ versus ‘ernstig deficit’), kunnen we voor de analyse gebruik maken van de techniek van de logistische regressie. De methode is dezelfde als deze die wordt gehanteerd in het informatiedossier ‘Wat maakt werk werkbaar voor zelfstandige ondernemers 2007-2019?’ (Bourdeaudhui, Janssens, Vanderhaeghe (2020). Voor een uitgebreide bespreking (en uitgebreide leeswijzer) verwijzen we de lezer naar dit rapport. Het resultaat van deze logistische regressies zijn odds ratio’s5 , die ons toelaten het belang van de onafhankelijke variabelen (factoren) op een eenvoudig manier te interpreteren. In onderstaande tabel geven we een overzicht van de factoren die in het model werden opgenomen. Voor elk van de zeven factoren fungeert één deelpopulatie als referentiegroep: telkens de groep met het kleinste aandeel ‘ernstig deficit’. Op die manier zijn de odds ratio’s voor de andere groepen > 1, wat een eenvoudige interpretatie toelaat. Voor de toetsing van de sectoren werd niet gewerkt met een referentie, maar werden de resultaten van elk van de sectoren vergeleken met het (ongewogen) gemiddelde 6 .
5
Een odds is een kansverhouding bv. ‘ernstig competentiedeficit/geen ernstig competentiedeficit’ van een bepaalde deelpopulatie bv geslacht. Een odds ratio is een verhouding van twee odds die elk de kansverhouding ‘ernstig competentiedeficit/ geen ernstig competentiedeficit’ weergeven. Deze techniek laat bijvoorbeeld toe om, onder controle van alle andere variabelen, de kansverhouding van vrouwen met die van mannen (referentie) te vergelijken. Is de odds ratio significant groter dan 1, dan is er een grotere kansverhouding (meer risico) voor vrouwen dan voor mannen. Is de odds ratio significant kleiner 1, dan is er een kleinere kansverhouding (minder risico) voor vrouwen dan voor mannen. Verschilt de odds ratio niet significant van 1, dan verschilt de kansverhouding van mannen en van vrouwen niet van elkaar. Strikt genomen mag de odds ratio niet worden gelezen als een kans, maar kan wel als zodanig geïnterpreteerd worden. Daarom gebruiken we voor de leesbaarheid soms het woord kans.
6
De correctie voor sterk afwijkende indicatorenscores voor omvangrijke sectoren (grote sectoren wegen niet meer dan kleine sectoren) garandeert correcte vergelijkingen en laat reële verschillen tussen sectoren aan de oppervlakte komen.
42
In de analyse werd bijkomend gecontroleerd voor het meetmoment. 2013 wordt als referentie genomen. Tabel 3 overzicht onafhankelijke variabelen in het model
Variabele
Categorieën
Gender
man (referentie) vrouw minder dan 30 jaar 30 – 39 jaar 40 – 49 jaar 50 – 54 jaar 55 en ouder (referentie) land- en tuinbouw transport, productie bouw handel horeca intellectuele diensten vrije beroepen overige maximaal lager secundair onderwijs hoger secundair onderwijs hoger onderwijs korte type hoger onderwijs lange type geen personeel (referentie) 1 - 9 werknemers vanaf 10 werknemers starters (maximaal 3 jaar anciënniteit) 3 – 5 jaar anciënniteit vanaf 5 jaar anciënniteit (referentie) goede ondersteuning (referentie) beperkte ondersteuning geen ondersteuning 2013 (referentie) 2016 2019
Leeftijd
Sector
Opleidingsniveau
Ondernemingsomvang
Anciënniteit
Sociaal netwerk
Meting
Voor de factor ‘sociaal netwerk’ is gebruik gemaakt van de informatie van de volgende vraag uit de Werkbaarheidsmonitor: •
Voelt u zich (als u dat nodig vindt) bij uw bedrijfsvoering ondersteund door een sociaal netwerk (verenigingen, externe adviseurs, familieraad)?
•
Er zijn 4 antwoordmogelijkheden voorzien: helemaal, in belangrijke mate, in beperkte mate, helemaal niet. De antwoorden werden samengebracht in 3 categorieën: •
goede ondersteuning (helemaal en in belangrijke mate), 43
•
beperkte ondersteuning (in beperkte mate),
•
geen ondersteuning (helemaal niet).
Er zijn twee multivariate analyses uitgevoerd. Eerst wordt gekeken welke factoren een rol spelen voor het ervaren van een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van vakinhoudelijke of technische aspecten, daarna wordt hetzelfde gedaan voor een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van management en beheer van de organisatie. De volledige resultaten van de logistische regressies zijn opgenomen in bijlage 3. Hieronder worden de voornaamste resultaten besproken.
Op basis van de gegevens van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor kunnen we stellen dat de odds ratio 1,60 (rood) is voor gender of m.a.w. dat de kansverhouding ernstig opleidingsdeficit versus geen opleidingsdeficit voor vrouwen 1,60 keer deze van de mannen is. Vrouwen hebben meer kans op een ernstig opleidingsdeficit dan mannen.
Referentiewaarde
GENDER man 1,60
vrouw
SECTOR 0,71
overige
1,11
land- en tuinbouw 0,86
handel
1,23
bouw 0,75 horeca
2,05
vrije beroepen 0,81
transport en productie
0
1
2
3
4
Het 95% betrouwbaarheidsinterval rond de odds ratio voor vrouwen omvat 1 niet, wat betekent dat de kansverhouding van mannen en vrouwen significant verschilt. Vrouwen lopen significant meer kans op een ernstig opleidingsdeficit.
Het 95% betrouwbaarheidsinterval rond de odds ratio voor de bouw omvat 1 dat betekent dat de kansverhouding voor een ernstig opleidingsdeficit niet verschilt van het Vlaamse gemiddelde. Wel kunnen we stellen dat de vrije beroepen meer kans hebben op een ernstig deficit.
Figuur 14 Leeswijzer
44
Ernstig vaktechnisch opleidingsdeficit In figuur 15 zijn de resultaten weergegeven van de logistische regressie voor het ervaren van een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van vakinhoudelijk of technische aspecten van de zelfstandige activiteit.
Figuur 15 Risicofactoren voor ernstig vaktechnisch opleidingsdeficit: odds ratio's, databank 2013 2019
45
We stellen hierbij volgende bevindingen vast: •
De hoogste odds ratio’s vinden we bij die zelfstandige ondernemers die niet of slechts beperkt kunnen terugvallen op ondersteuning vanuit een sociaal netwerk en bij hen met een beperkte basisopleiding. Zelfstandige ondernemers die niet of slechts in beperkte mate kunnen terugvallen op sociale ondersteuning hebben ongeveer twee keer zoveel kans een ernstig opleidingsdeficit te ervaren op het vlak van technische vaardigheden (odds ratio’s resp. 2,21 en 1,75). Dit is ook zo voor de zelfstandige ondernemers die enkel een opleiding lager secundair achter te rug hebben, en dit ten aanzien van zelfstandige ondernemers met een opleiding hoger onderwijs lange type. Ook zelfstandige ondernemers met een opleiding hoger secundair of een opleiding hoger onderwijs hebben een meer kans om een ernstig opleidingsdeficit te ervaren (odds van resp. 1,5 en 1,3).
•
Vergeleken met mannen hebben vrouwen meer kans (odds ratio 1,87) om een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van technische vaardigheden te ervaren.
•
Naar leeftijd zijn er geen significante verschillen. Jongeren ervaren m.a.w. niet meer of niet minder een ernstig opleidingsdeficit op het gebied van technische vaardigheden dan oudere zelfstandige ondernemers.
•
Ook starters en zelfstandige ondernemers met meer dan 10 werknemers hebben meer kans om een ernstig opleidingsdeficit te ervaren (odds ratio’s resp. 1,57 en 1,88).
•
In vergelijking met het Vlaamse gemiddelde ligt de kans op een ernstig deficit op het vlak van technische vaardigheden hoger in de land- en tuinbouwsector (odds ratio 1,67).
•
De sectoren die in vergelijking met het Vlaamse gemiddelde beter scoren zijn de intellectuele diensten (odds 0,66), waar minder een ernstig technisch opleidingsdeficit wordt ervaren.
46
Ernstig management opleidingsdeficit In figuur 16 zijn de resultaten weergegeven van de logistische regressie voor het ervaren van een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van beheer of management.
Figuur 16 Risicofactoren voor ernstig management opleidingsdeficit: odds ratio's, databank 2013 – 2019
47
We stellen hierbij volgende bevindingen vast: •
Zelfstandige ondernemers die niet of slechts beperkt kunnen terugvallen op ondersteuning vanuit een sociaal netwerk hebben een grotere kans om een ernstig deficit op het vlak van management en beheer van de organisatie te ervaren. Zij hebben ongeveer twee keer zoveel kans een ernstig management opleidingsdeficit te ervaren7.
•
Ondernemingsomvang op zich heeft geen impact op het ervaren van een ernstig opleidingsdeficit als we rekening houden met andere risicofactoren Zelfstandige ondernemers zonder personeel in dezelfde situatie (geslacht, leeftijd, scholingsniveau….) ervaren m.a.w. niet meer of niet minder een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van managementvaardigheden dan deze met personeel.
•
In vergelijking met mannen hebben vrouwen meer kans (odds ratio 1,60) om een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van beheer en management van de organisatie te ervaren.
•
Jongeren ervaren meer dan oudere zelfstandige ondernemers een ernstig deficit op het vlak van beheer en management van de organisatie. Voor – 30 jarigen bedraagt de odds ratio 2,12, voor dertigers 1,83 en voor vijftigers 1,21.
•
Zelfstandige ondernemers met maximaal een opleiding secundair hebben meer kans een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van management en beheer van de organisatie te ervaren dan deze met een hogere opleiding. De odds ratio voor maximaal lager secundair bedraagt 1,60, deze voor maximaal hoger secundair 1,27.
•
Ook startende zelfstandige ondernemers hebben meer kans om een ernstig opleidingsdeficit te ervaren (odds ratio resp. 1,43 voor ondernemingen met minder dan 3 jaar anciënniteit).
•
De zelfstandige ondernemers uit de bouwsector en de vrije beroepen hebben in vergelijking met het Vlaamse gemiddelde een hogere kans om een ernstig opleidingsdeficit te ervaren (odds ratio’s resp. 1,23 en 2,05).
•
De sectoren die in vergelijking met het Vlaamse gemiddelde minder kans hebben op een ernstig deficit op het vlak van management en beheer zijn de transport/productie, handel, horeca en de intellectuele dienstverlening (odds ratio liggen tussen 0,68 en 0,86).
•
In 2016 en 2019 ligt de kans op een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van management hoger dan in 2013, en dit wanneer we rekening houden met alle andere achtergrondvariabelen in het model.
7
Een aparte analyse (2019) geeft aan dat kortgeschoolden vaker een beperkt sociaal netwerk hebben. Zo bedraagt bij de kortgeschoolden het aandeel dat geen of een beperkte ondersteuning heeft 71%, terwijl dit aandeel bij de gemiddelde Vlaamse ondernemer 66% bedraagt. De uitbouw van een goed sociaal netwerk kan een belangrijk aandachtspunt zijn voor deze groep omdat zij sowieso kampen met een hogere kans op een technisch- of management opleidingsdeficit. Bij de jonge ondernemers (jonger dan 40 jaar), voelt 44% zich goed ondersteund door een sociaal netwerk. Deze ondersteuning kan ertoe bijdragen dat er minder een management opleidingsdeficit wordt ervaren: van de jonge ondernemers met goede ondersteuning door een sociaal netwerk ervaren 39% een ernstig managementopleidingsdeficit, terwijl een dergelijk deficit oploopt tot 52% bij de jonge ondernemers die geen of een beperkte ondersteuning hebben.
48
Ernstige opleidingsdeficits gecombineerd We leggen de resultaten van beide analyse (ernstig technisch versus ernstig management opleidingsdeficit) naast elkaar en gaan na waar er eventueel verschillen zijn. We gaan na of er andere factoren een rol spelen bij beide vormen van opleidingsdeficit. We stellen hierbij volgende bevindingen vast: •
Vrouwen hebben ten aanzien van mannen een hogere kans op een ernstig opleidingsdeficit, zowel op het gebied van technische als managementvaardigheden.
•
Dit is ook zo voor de zelfstandige ondernemers die niet of slechts beperkt kunnen rekenen op ondersteuning vanuit hun sociaal netwerk ten aanzien van degenen met een goed uitgebouwd sociaal netwerk.
•
Startende zelfstandige ondernemers (anciënniteit van minder dan drie jaar) hebben -in vergelijking met de zelfstandige ondernemers die al langer aan de slag zijn- meer kans om een ernstig opleidingsdeficit op zowel het technische als het managementvlak te ervaren.
•
Kortgeschoolde ondernemers hebben ten aanzien van de hoger opgeleide ondernemers meer kans op een ernstig opleidingsdeficit op beide domeinen. Op het vlak van technisch opleidingsdeficit doet de categorie hoger onderwijs lange type het significant beter dan alle andere categorieën. Op het vlak van management opleidingsdeficit situeert het verschil zich tussen secundair versus hoger onderwijs.
•
Naar leeftijd zijn er enkel significante verschillen voor het opleidingsdeficit op het vlak van managementvaardigheden. De min vijftigers ervaren meer dan oudere zelfstandige ondernemers een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van beheer en management van de organisatie. Het verschil is het meest uitgesproken voor de min dertigers.
•
Naar ondernemingsomvang zijn er enkel significante verschillen voor een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van technische vaardigheden. Zelfstandige ondernemers met meer dan 10 werknemers ervaren ten aanzien van de kleinere zelfstandige ondernemers (maximaal 10 werknemers) vaker een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van technische vaardigheden, maar niet op het vlak van management.
•
Voor de intellectuele diensten is er zowel voor het ervaren van een technisch opleidingsdeficit als inzake management een kleinere kans dan het Vlaamse gemiddelde.
•
Zelfstandige ondernemers uit de land- en tuinbouwsector hebben meer kans op een technisch opleidingsdeficit, voor een management opleidingsdeficit is er geen verschil met het Vlaamse gemiddelde.
•
In de bouwsector en bij de vrije beroepen is de kans groter om een opleidingsdeficit te ervaren op het vlak van management. Voor technische competenties is er geen verschil.
•
Voor zelfstandige ondernemers uit de horeca, de handel en de transport en productie is er geen significant verschil met het Vlaamse gemiddelde voor het ernstig technisch opleidingsdeficit. Op het vlak van ernstig management opleidingsdeficit scoort de sector beter.
•
Ten opzichte van 2013 is er in 2016 en in 2019 sprake van een toename van het aandeel zelfstandige ondernemers met een ernstig competentiedeficit op het gebied van managementvaardigheden, dat is niet zo voor het opleidingsdeficit op het vlak van technische vaardigheden.
49
Competentieportfolio en kenmerken van het ondernemerschap De bovenstaande analyse naar de oorzaken van ernstige opleidingsdeficits verhelderde de samenhang met de mate waarin de zelfstandige ondernemer kan terugvallen op een professioneel sociaal netwerk. In dit hoofdstuk gaan we de samenhang na van de vijf dimensies van de competentieportfolio met andere kenmerken van het ondernemerschap die we uit de databank van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor kunnen afleiden. Het gaat om kenmerken van het ondernemerschap als de werkbaarheid van het werk, de tevredenheid over de ondernemersloopbaan, en de groeiperspectieven van de zelfstandige activiteit. We putten hiervoor ook uit de bevindingen van de rapporten die de Stichting Innovatie & Arbeid over deze thema’s uitbracht. Een eerste vaststelling betreft de relatie tussen de competentieportfolio van de ondernemer en de werkbaarheid van zijn of haar werk. De werkbaarheidsgraad als samengestelde index verwijst naar het percentage zelfstandige ondernemers dat een kwaliteitsvolle job heeft en geen knelpunten signaleert inzake werkstress, leermogelijkheden, werk-privébalans, en motivatie (Bourdeaud’hui, Janssens en Vanderhaeghe, 2020a). Uit analyse blijkt dat een kwaliteitsvolle competentieportfolio sterk samenhangt met het hebben van werkbaar werk Een tweede vaststelling betreft de relatie tussen de competentieportfolio van de zelfstandige ondernemer en de tevredenheid over zijn of haar ondernemersloopbaan. Deze kan afgeleid worden uit de bevindingen van de Vlaamse Werkbaarheidsmonitor. We kijken daarbij naar de deelpopulatie van de zelfstandige ondernemers die zowel (zeer) tevreden is met de keuze voor het zelfstandig ondernemerschap, als anderzijds zichzelf in staat acht de huidige job (ongewijzigd) voort te zetten tot het pensioen (Bourdeaud’hui, Janssens en Vanderhaeghe, 2021. Uit analyse blijkt dat een kwaliteitsvolle competentieportfolio bijdraagt tot de tevredenheid over de ondernemersloopbaan. Een derde vaststelling betreft de relatie tussen de competentieportfolio van de zelfstandige ondernemer en de groeiverwachtingen voor de zelfstandige activiteit (Bourdeaud’hui, Janssens en Vanderhaeghe, 2018). Uit analyse blijkt dat een kwaliteitsvolle competentieportfolio sterk samenhangt met een positieve groeiverwachting. In wat volgt bekijken we deze samenhang in detail. De analyse is gebaseerd op de resultaten van volgende vraagstelling in de Werkbaarheidsbevraging: •
Werkbaar werk? (vragenlijsten voor vier indicatoren) → Voor deze analyse zijn we uitgegaan van de groep die geen knelpunten inzake werkstress, leermogelijkheden, werk-privébalans, en/of motivatie signaleert.
•
Denkt u in staat te zijn om uw huidige job voort te zetten tot uw pensioen? (ja/nee). → Voor deze analyse zijn we uitgegaan van de groep ‘ja’. 50
•
Hoe tevreden bent u met uw keuze voor het zelfstandig ondernemerschap? (Er zijn vijf antwoordmogelijkheden gaande van zeer tevreden tot zeer ontevreden.) → Voor deze analyse zijn we uitgegaan van een samengestelde groep ‘eerder tevreden’ en ‘zeer tevreden’.
•
Als u de nabije toekomst (3 à 5 jaar) voor ogen houdt, hoe schat u het niveau van uw zelfstandige activiteit in? (Er zijn vijf antwoordmogelijkheden gaande van sterke groei of uitbreiding van de activiteit tot sterke vermindering of stopzetting van de activiteit.) → Voor deze analyse zijn we uitgegaan van een samengestelde groep ‘beperkte groei of uitbreiding van de activiteit’ en ‘sterke groei of uitbreiding van de activiteit’.
De resultaten van de combinatie van de antwoorden op deze vragen met de vijf dimensies van de competentieportfolio (opleidingsniveau, bijscholing, leermogelijkheden, technische- en managementcompetenties), zijn weergegeven in de hiernavolgende figuren. Alle cijfers zijn gebaseerd op de bevindingen van de Vlaamse Werkbaarheidsmonitor 2019.
Basisopleiding Met betrekking tot het opleidingsniveau van de Vlaamse zelfstandige ondernemer maken we een onderscheid tussen twee groepen: de ondernemers die maximaal een diploma secundair onderwijs hebben behaald (de kort- en midden geschoolde ondernemers), en de ondernemers die een diploma hoger onderwijs van het korte of lange type behaalden (de hooggeschoolde ondernemers).
51
Figuur 17 Opleidingsniveau en kenmerken ondernemerschap, 2019
Uit figuur 17 blijkt dat de kort- en midden geschoolde ondernemers telkens lager scoren voor de onderzochte kenmerken van het ondernemerschap dan de hooggeschoolde ondernemers: •
Ze hebben minder werkbaar werk (47,4% tegenover 51,5%)
•
Ze zijn minder tevreden over de keuze voor het zelfstandig ondernemerschap (70,3% tegenover 77,2%)
•
Er is een kleiner aandeel dat zich in staat acht het werk uit te voeren tot aan het pensioen (66,2% tegenover 70%)
•
Er is een lagere groeiverwachting (35,1% tegenover 45,1%).
52
Bijscholing Voor de bijscholing maken we een onderscheid tussen twee groepen: de ondernemers die wel,
% met groeiverwachting
% werken tot pensioen*
% tevreden keuze voor zelfstandig % werkbaar werk* ondernemerschap
respectievelijk geen bijscholing volgden de afgelopen 12 maanden.
bijscholing
49,5%
geen bijscholing
50,7%
bijscholing
77,5%
geen bijscholing
71,7%
bijscholing
69,7%
geen bijscholing
67,0%
bijscholing
46,5%
geen bijscholing
34,7% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
Figuur 18 Bijscholing en kenmerken ondernemerschap, 2019 *Verschillen niet significant
Uit figuur 18 blijkt dat de zelfstandige ondernemers die geen bijscholing volgden het voorbije jaar, lager scoren voor de onderzochte kenmerken van het ondernemerschap dan de ondernemers die zich wel bijschoolden. •
Dit komt vooral tot uiting in de groeiverwachting (34,7% tegenover 46,5%)
•
Ook de tevredenheid over de keuze voor het zelfstandig ondernemerschap is lager (71,7% tegenover 77,5%)
•
Er blijkt geen significante relatie tussen het al dan niet volgen van bijscholing en het hebben van werkbaar werk, noch met het zich in staat achten onveranderd te werken tot aan het pensioen.
53
Leermogelijkheden Voor de leermogelijkheden in en op het werk van de Vlaamse zelfstandige ondernemer maken we een onderscheid tussen twee groepen: de ondernemers die voldoende respectievelijk onvoldoende leermogelijkheden in en op het werk hebben.
Figuur 19 Leermogelijkheden en kenmerken ondernemerschap, 2019
Uit figuur 19 blijkt dat de zelfstandige ondernemers die onvoldoende leermogelijkheden ervaren in het werk, telkens veel lager scoren voor de onderzochte kenmerken van het ondernemerschap: •
47,4% acht zich in staat onveranderd te werken tot het pensioen (tegenover 69,5%)
•
43,6% is tevreden met zijn of haar keuze voor het zelfstandig ondernemerschap (tegenover 75,9%)
•
16,8% heeft een groeiverwachting (tegenover 42%).
54
Voldoende vaktechnisch opgeleid Met betrekking tot de mate waarin een technisch opleidingsdeficit bestaat bij de Vlaamse zelfstandige ondernemer maken we een onderscheid tussen drie groepen: de ondernemers die respectievelijk geen, een beperkt of een ernstig deficit signaleren.
Figuur 20 Technisch opleidingsdeficit en kenmerken ondernemerschap, 2019
Uit figuur 20 blijkt een rechtlijnig verband tussen de zelfstandige ondernemers die een ernstig technisch opleidingsdeficit ervaren en de onderzochte kenmerken van het ondernemerschap: •
Ze hebben minder werkbaar werk (33,5% tegenover 52,1% van de groep zonder technisch deficit)
•
Ze zijn minder tevreden over de keuze voor het zelfstandig ondernemerschap (55,5% tegenover 80%)
•
Ze achten zich minder in staat onverminderd te werken tot het pensioen (59,8% tegenover 71,7%)
•
De groeiverwachtingen zijn lager (33,9% tegenover 39,9%).
55
Voldoende opgeleid in management en bedrijfsbeheer Met betrekking tot de mate waarin een management opleidingsdeficit bestaat bij de Vlaamse zelfstandige ondernemer maken we een onderscheid tussen drie groepen: de ondernemers die respectievelijk geen, een beperkt of een ernstig deficit signaleren.
Figuur 21 Managementcompetentiedeficit en kenmerken ondernemerschap, 2019
Uit figuur 21 blijkt dat de zelfstandige ondernemers die een ernstig management opleidingsdeficit ervaren, minder goed presteren op drie van de vier onderzochte kenmerken van het ondernemerschap: •
Er is een verminderde werkbaarheid van het werk (40,2% tegenover 60,4%)
•
Ze zijn minder tevreden over hun keuze voor het zelfstandig ondernemerschap (63,6% tegenover 84,4%)
•
Ze achten zichzelf minder in staat het werk uit te voeren tot hun pensioen (61,1% tegenover 76,9%)
•
Met betrekking tot de groeiverwachtingen is er geen significant verschil.
56
Management opleidingsdeficit en kenmerken van het ondernemerschap In dit laatste deel zoomen we in op het perspectief van de zelfstandige ondernemers die een ernstig management opleidingsdeficit signaleren. We bekijken het profiel van deze ondernemers, de samenhang met andere dimensies van de competentieportfolio, en de samenhang met kenmerken van het ondernemerschap, zoals deze elementen door de zelfstandige ondernemers zelf worden ingeschat in de werkbaarheidsbevraging. We maken hierbij telkens de vergelijking met de categorie respondenten die geen enkel management opleidingsdeficit signaleren. De ondernemers met een ‘beperkt’ opleidingsdeficit laten we daarbij buiten beschouwing. De integrale resultaten van deze oefening zijn opgenomen in bijlage 4. Hieronder zijn de meest kenmerkende bevindingen opgenomen.
Antwoordcategorie ‘ernstig management opleidingsdeficit’ Allereerst herinneren we aan wat wij binnen het bestek van dit onderzoek hebben verstaan onder een ‘ernstig management opleidingsdeficit’. Elk lid van deze omschrijving dekt een specifieke lading. ‘ernstig’ Het overzicht in het Dashboard van competenties (cfr hoofdstuk 2) signaleert een negatieve evolutie met 33% van de zelfstandige ondernemers die een ernstig management opleidingsdeficit aangeven in de meting 2019 (21% voelt zich daarentegen altijd voldoende opgeleid, en 46% signaleert een beperkt management opleidingsdeficit). Deze bevindingen zijn het resultaat van een verwerking van een vierledige respons tot drie categorieën.
57
Figuur 22 Vier responsmogelijkheden op de vraag 'Voelt u zich voldoende opgeleid voor het management en bedrijfsbeheer van uw zaak of firma?'. Evolutie 2013 - 2019
Met een ‘ernstig deficit’ bedoelen we zoals eerder aangegeven de samengevoegde antwoordcategorieën ‘soms’ en ‘nooit’ op de vraag ‘Voelt u zich voldoende opgeleid voor het beheer en het management van uw bedrijf/firma?’. Wij gingen na op welke wijze deze twee subcategorieën zich onderling verhouden, en of de toename tussen 2013 en 2019 zich op dezelfde wijze voor doet bij beide subcategorieën. Figuur 22 toont dat de verwerking van de vier responsmogelijkheden tot drie categorieën geen invloed heeft op de vastgestelde trend. Het aandeel van de subcategorie ‘nooit’ neemt toe met 0,8 procentpunt. Het aandeel van de subcategorie ‘soms’ neemt toe met 3,7 procentpunt. Samen goed voor een toename met 4,5 procentpunt van een ernstig management opleidingsdeficit bij Vlaamse zelfstandige ondernemers in de periode 2013-2019. Omgekeerd zien we in dezelfde periode een daling met 1,5 procentpunt van het aandeel van degenen die zich in alle omstandigheden voldoende opgeleid achten, en een daling met 3 procentpunt van het aandeel van degenen die zich vaak voldoende opgeleid achten op dit vlak. Een tweede vaststelling die kan afgeleid worden uit figuur 22, is dat binnen de deelpopulatie van ondernemers met een ernstig management opleidingsdeficit, de groep die ‘nooit’ antwoordt (en dus in elke situatie dit deficit ervaart), in verhouding beduidend kleiner is dan de groep die ‘soms’ antwoordt. ‘management’ Er zijn twee profielvragen opgenomen in de werkbaarheidsbevraging om te peilen naar de mate waarin zelfstandigen zich in alle werkomstandigheden voldoende opgeleid voelen. Dit op vaktechnisch vlak enerzijds, en inzake management en bedrijfsbeheer anderzijds. Deze vraagstelling gaat uit van een eenvoudige tweedeling in de opleiding, tussen vaktechnische en management aspecten. Er wordt niet expliciet gespecifieerd wat respondenten onder beide begrippen dienen of kunnen verstaan. We mogen er wel van uit gaan dat dit door de respondenten als onderscheiden begrippen worden ervaren: eerder in dit rapport kwamen we immers tot de bevinding dat er omzeggens geen overlap bestaat tussen de groep die een ernstig vaktechnisch opleidingsdeficit rapporteert en de groep die een ernstig management opleidingsdeficit signaleert. We kunnen vanuit de databank van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor geen uitspraak doen over de precieze inhoudelijke afbakening van het kennisdomein van deze deficits. Wel hebben we informatie over de mate waarin zelfstandige ondernemers een opleidingsdeficit signaleren in deze brede domeinen, en over de evolutie ervan. ‘opleidingsdeficit’ De vraagstelling informeert concreet naar de mate waarin de zelfstandige ondernemers zichzelf voldoende opgeleid voelen. Wanneer aangegeven wordt dat dit niet altijd het geval is (in gradaties van nooit tot altijd) spreken we van een opleidingsdeficit. Hierbij is het belangrijk om aan te 58
stippen dat dit geen rechtstreeks oordeel impliceert over de mate waarin deze competenties al dan niet aanwezig zijn in de bedrijfsvoering. Ook elders verworven competenties, competenties van medewerkers of input vanuit het professioneel sociaal netwerk kunnen de bedrijfsvoering perfect ondersteunen op dit vlak. Het gesignaleerde opleidingsdeficit kan zowel betrekking hebben op de opleiding in het secundair onderwijs, in het hoger onderwijs, als in het kader van bijscholing en levenslang leren. Er is geen specifieke opleidingsfase aangewezen in de vraagstelling. We houden bovenstaande nuanceringen in het achterhoofd wanneer we hieronder rapporteren over het ernstig management opleidingsdeficit onder de Vlaamse zelfstandige ondernemers. Voor deze antwoordcategorie leiden we volgend profiel af binnen de databank van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor.
Relevantste deelpopulaties In de eerdere figuur 12 (cfr hoofdstuk 3) werd de verdeling tussen deelpopulaties van zelfstandige ondernemers inzake management opleidingsdeficit getoond. We zien dat hierbij drie specifieke deelpopulaties aan te wijzen zijn die zichzelf beduidend negatiever inschalen dan het gemiddelde onder de Vlaamse zelfstandige ondernemers, dat op 33% ligt. Het gaat om volgende deelpopulaties: •
Vrouwelijke zelfstandige ondernemers
•
→ 41,7% signaleert een ernstig deficit
•
Jonge starters
•
→ een combinatie van de leeftijdscategorie min dertig jaar (53,2% signaleert een ernstig deficit) met de anciënniteitscategorie minder dan drie jaar actief (45,2% signaleert een ernstig deficit)
•
Vrije beroepen
•
→ 48,5% signaleert een ernstig deficit
We merken op dat het aandeel van deze drie deelpopulaties in de totale zelfstandigenbevolking doorheen de tijd is toegenomen. De methodologische aanpak (cfr. referentie in begin van rapport) staat er echter voor garant dat de aangegeven stijgende trend van het management opleidingsdeficit niet gekleurd is door deze evolutie binnen de zelfstandigenpopulatie.
Samenhang met bijscholing We stellen volgende verdeling vast voor de zelfstandige ondernemers die een ernstig management opleidingsdeficit signaleren, in vergelijking met de groep die geen deficit aangeeft en in vergelijking met de totale zelfstandigenpopulatie:
59
Figuur 23 Bijscholing en management opleidingsdeficit, 2019
Omzeggens zes op de tien (59,6%) van de zelfstandige ondernemers met een ernstig management opleidingsdeficit volgde het voorbije jaar een (niet gespecifieerde) bijscholing. Dat is meer dan de gemiddelde zelfstandige ondernemer (54,2%). Zelfstandige ondernemers die in geen enkele situatie een management opleidingsdeficit ervaren scholen zich met 44,7% minder dan gemiddeld bij. Een markante vaststelling bij figuur 22 is dat de zelfstandige ondernemers die een ernstig management opleidingsdeficit signaleren, zich meer dan gemiddeld bijscholen. Dit stemt overeen met de eerdere bevindingen bij de deelpopulaties vrouwen, jonge starters en vrije beroepen, die meer dan gemiddeld aangegeven hebben dat ze een hoge basisopleiding hebben genoten en dat ze zichzelf bijscholen. Hieruit kunnen we afleiden dat het zelf ingeschatte opleidingstekort inzake management niet eenzijdig toe te schrijven is aan de traditionele participatiebarrières en praktische drempels, maar eerder inhoudelijke of strategische drempels kent. Dit is relevant voor een
60
beleid inzake levenslang leren dat zich baseert op een segmenteringsmodel met aangepaste hefbomen8.
Samenhang met professioneel sociaal netwerk Figuur 24 geeft de responsverdeling weer op de vraag : Voelt u zich, als u dat nodig vindt, bij uw bedrijfsvoering ondersteund door een sociaal netwerk? (boekhouder, andere externe adviseurs, verenigingen, kmo-adviesraad, familieraad,…) We stellen volgende verdeling vast voor de zelfstandige ondernemers die een ernstig management opleidingsdeficit signaleren, in vergelijking met de groep die geen deficit aangeeft en in vergelijking met de totale zelfstandigenpopulatie:
Figuur 24 Sociaal netwerk en management opleidingsdeficit, 2019
Slechts ongeveer een derde (34,8%) van de zelfstandige ondernemers met een ernstig management opleidingsdeficit geeft aan te kunnen terugvallen op een professioneel netwerk. Dat is minder dan de gemiddelde zelfstandige ondernemer (43,9%). Het grootste professioneel netwerk
8
Cfr OECD Skills Strategy Flanders: het lopende project Guidance Flanders werkt aan een Vlaams segmenteringsmodel met aangepaste hefbomen, ter ondersteuning van het beleid inzake levenslang leren.
61
bevindt zich onder de zelfstandige ondernemers die in geen enkele situatie een management opleidingsdeficit ervaren: de helft (50,1%) geeft aan zich hier goed door gesteund te voelen. Figuur 24 toont het belang aan van het terug kunnen vallen op een uitgebouwd professioneel sociaal netwerk, als een van de hefbomen om gesignaleerde opleidingsdeficits op te vangen.
Samenhang met werkbaar werk Figuur 25 brengt het aandeel van de zelfstandige ondernemers met werkbaar werk in kaart. De werkbaarheidsgraad als samengestelde index verwijst naar het percentage zelfstandige ondernemers dat een kwaliteitsvolle job heeft en geen knelpunten signaleert inzake werkstress, leermogelijkheden, werk-privébalans, en motivatie. We stellen volgende verdeling vast voor de zelfstandige ondernemers die een ernstig management opleidingsdeficit signaleren, in vergelijking met de groep die geen deficit aangeeft en in vergelijking met de totale zelfstandigenpopulatie:
Figuur 25 Werkbaar werk en management opleidingsdeficit, 2019 62
Ongeveer zes op de tien (59,8%) van de zelfstandige ondernemers met een ernstig management opleidingsdeficit geeft aan één of meerdere knelpunten te ervaren inzake werkbaar werk. De werkbaarheidsgraad ligt in deze groep op 40,2%. Dat is minder dan de werkbaarheidsgraad bij de gemiddelde zelfstandige ondernemer (50,1%). De zelfstandige ondernemers die in geen enkele situatie een management opleidingsdeficit ervaren scoren merkelijk beter: 60,4% geeft aan werkbaar werk te hebben. Figuur 25 illustreert de samenhang van het gesignaleerde management opleidingsdeficit met de werkbaarheid van het werk.
Samenhang met keuze voor het zelfstandig ondernemerschap Figuur 26 geeft de responsverdeling weer op de vraag : Hoe tevreden bent u, alles bij elkaar genomen, met de keuze voor het zelfstandig ondernemerschap? We stellen volgende verdeling vast voor de zelfstandige ondernemers die een ernstig management opleidingsdeficit signaleren, in vergelijking met de groep die geen deficit aangeeft en in vergelijking met de totale zelfstandigenpopulatie:
Figuur 26 Keuze ondernemerschap en management opleidingsdeficit, 2019
63,6% van de zelfstandige ondernemers met een ernstig management opleidingsdeficit geeft aan (zeer) tevreden te zijn met de keuze voor het zelfstandig ondernemerschap. Dat is minder dan de gemiddelde zelfstandige ondernemer (74,7%). Het meest tevreden met deze keuze zijn de zelfstandige ondernemers die in geen enkele situatie een management opleidingsdeficit ervaren: 84,4% geeft aan (zeer) tevreden te zijn met deze keuze. 63
Figuur 26 illustreert de samenhang van het gesignaleerde management opleidingsdeficit met de tevredenheid over de keuze voor het zelfstandig ondernemerschap.
Samenhang met werken tot pensioen Figuur 27 geeft de responsverdeling weer op de vraag: Denkt u in staat te zijn om uw huidige job voort te zetten tot het pensioen? We stellen volgende verdeling vast voor de zelfstandige ondernemers die een ernstig management opleidingsdeficit signaleren, in vergelijking met de groep die geen deficit aangeeft en in vergelijking met de totale zelfstandigenpopulatie:
Figuur 27 Werken tot pensioen en management opleidingsdeficit, 2019
61,2% van de zelfstandige ondernemers met een ernstig management opleidingsdeficit geeft aan de huidige job ongewijzigd te kunnen voort zetten tot aan het pensioen. Dat is minder dan de gemiddelde zelfstandige ondernemer (68,7%). De hoogste score wordt behaald door de zelfstandige ondernemers die in geen enkele situatie een management opleidingsdeficit ervaren: 77% stelt de huidige job ongewijzigd te kunnen voort zetten tot aan het pensioen. Figuur 27 illustreert de samenhang van het gesignaleerde management opleidingsdeficit met de haalbaarheid om de huidige job ongewijzigd te kunnen voort zetten tot aan het pensioen.
Samenhang met financieel-economische setting Figuur 28 geeft de responsverdeling weer op de vraag: Hoe tevreden bent u, alles bij elkaar genomen, met de financieel-economische toestand van uw zelfstandige activiteit? 64
We stellen volgende verdeling vast voor de zelfstandige ondernemers die een ernstig management opleidingsdeficit signaleren, in vergelijking met de groep die geen deficit aangeeft en in vergelijking met de totale zelfstandigenpopulatie:
Figuur 28 Financieel-economische setting en management opleidingsdeficit, 2019
Slechts vier op de tien (39,7%) van de zelfstandige ondernemers met een ernstig management opleidingsdeficit geeft aan (zeer) tevreden te zijn met de financieel-economische toestand van de zelfstandige activiteit. Dat is minder dan de gemiddelde zelfstandige ondernemer (49,8%). Het meest tevreden zijn de zelfstandige ondernemers die in geen enkele situatie een management opleidingsdeficit ervaren: 61% geeft aan (zeer) tevreden te zijn met de financieel-economische toestand van de zelfstandige activiteit. Figuur 28 illustreert de samenhang van het gesignaleerde management opleidingsdeficit met de tevredenheid over de financieel-economische toestand van de zelfstandige activiteit.
Samenhang met financieringsmogelijkheden Figuur 29 geeft de responsverdeling weer op de vraag: Hoe tevreden bent u, alles bij elkaar genomen, met de mogelijkheden om financiering of leningen te bekomen? We stellen volgende verdeling vast voor de zelfstandige ondernemers die een ernstig management opleidingsdeficit signaleren, in vergelijking met de groep die geen deficit aangeeft en in vergelijking met de totale zelfstandigenpopulatie:
65
Figuur 29 Financieringsmogelijkheden en management opleidingsdeficit, 2019
44,6% van de zelfstandige ondernemers met een ernstig management opleidingsdeficit geeft aan (zeer) tevreden te zijn met de mogelijkheden om financiering of leningen te bekomen. Dat is minder dan de gemiddelde zelfstandige ondernemer (54,7%). Het meest tevreden zijn de zelfstandige ondernemers die in geen enkele situatie een management opleidingsdeficit ervaren: 61,3% geeft aan (zeer) tevreden te zijn met de mogelijkheden om financiering of leningen te bekomen. Figuur 29 illustreert de samenhang van het gesignaleerde management opleidingsdeficit met de tevredenheid over de mogelijkheden om financiering of leningen te bekomen.
66
Slotbeschouwing In dit rapport schetsten we de competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer en verduidelijkten we het multiplicator-effect door de samenhang tussen deze competentieportfolio en diverse andere kenmerken van het ondernemerschap.
Kwalitatieve competentieportfolio als hefboom voor ondernemer én beleid Globaal beschouwd stellen we vast dat kwaliteit van de competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer er op diverse vlakken blijft op vooruit gaan in vergelijking met vorige metingen. Sterke componenten van de competentieportfolio zijn de stijgende scholingsgraad en de grote leermogelijkheden die een zelfstandige activiteit biedt. Het volgen van bijscholing is nog geen veralgemeende attitude, maar raakt wel steeds meer ingeburgerd. Dit weerspiegelt zich echter (nog) niet meteen in een toename van de mate waarin zelfstandige ondernemers zichzelf in elke situatie vaktechnisch en inzake bedrijfsbeheer voldoende opgeleid ervaren. De analyse geeft aan waar de risico’s op dit deficit het grootst zijn, en wat de specifieke knelpunten zijn waarop moet ingezet worden bij de verschillende deelpopulaties onder de zelfstandigen. Daarbij springen vooral de jonge starters, de sectorale verschillen en de genderaspecten in het oog. Een positieve samenhang die in dit verhaal een rol speelt, is de invloed die uitgaat van het sociaal netwerk waarop de ondernemer bij de bedrijfsvoering een beroep kan doen wanneer hij of zij dit nodig acht. Het gaat dan bijvoorbeeld om verenigingen, externe adviseurs of een familieraad. Er blijkt evenzeer een samenhang tussen de competentieportfolio en andere kenmerken van het ondernemerschap. Een kwalitatieve competentieportfolio van zelfstandige ondernemers, draagt bij tot de tevredenheid over de ondernemersloopbaan, tot een klimaat van langer werken, tevredenheid met de keuze voor het ondernemerschap, groeiperspectieven, en meer werkbaar werk voor ondernemers. Deze samenhang is nog explicieter voor het vastgestelde management opleidingsdeficit. Ook de tevredenheid met de financieel-economische toestand van de zelfstandige activiteit, en de mogelijkheid tot het bekomen van financiering of leningen zijn elementen in dit verhaal. De analyse geeft vanuit bovenstaand perspectief aan dat het meervoudig loont om in te zetten op de kwaliteit van de competentieportfolio van zelfstandige ondernemers. Zowel het beleid, de ondernemer zelf, als zijn sociaal netwerk kunnen hier toe bijdragen.
67
Signaalfunctie Dashboard competenties zelfstandige ondernemers De Vlaamse werkbaarheidsmonitor is een wetenschappelijk gevalideerd instrument dat de werkbaarheid van het werk op een vergelijkbare wijze meet onder alle werkende Vlamingen. De werkbaarheidsbevraging wordt driejaarlijks afgenomen bij een representatief staal van werknemers (sedert 2004) en van zelfstandige ondernemers (sedert 2007). De databank van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor met bevindingen van de opeenvolgende metingen wordt beheerd door de Stichting Innovatie & Arbeid op de SERV. Ze biedt een schat aan informatie die de werkbaarheid van het werk in kaart kan brengt. Ook de competentieportfolio van de zelfstandige ondernemers en de samenhang met andere bevraagde kenmerken van het ondernemerschap konden we op basis van deze bevraging in kaart brengen. De werkbaarheidsmonitor is evenwel niet ontworpen als een instrument om management opleiding deficits van zelfstandige ondernemers grondig te onderzoeken of te verklaren. Dit begrenst de mogelijkheden van voorliggend onderzoek. Het Dashboard voor monitoring van de competenties en opleiding van de zelfstandige ondernemers, heeft in de eerste plaats een signaalfunctie. Het geeft trends en algemene tendensen aan. Er is verder afzonderlijk, specifiek en/of longitudinaal onderzoek nodig rond de verschillende competentie-aspecten om de mechanismen die aan de basis liggen van de resultaten die wij vonden, beter in kaart te brengen. Dit moet het mogelijk maken om tot nog meer concrete hefbomen te kunnen komen om de noden van ondernemers op deze vlakken verder te versterken.
68
Referentielijst Penne, K. & Bourdeaud’hui, R. (2015). De competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer. Een analyse op basis van gegevens uit de Vlaamse Werkbaarheidsmonitor 2007-2013. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/9770 Penne, K. & Bourdeaud’hui, R. (2019). De competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer. Een analyse op basis van gegevens uit de Vlaamse Werkbaarheidsmonitor 2007-2016. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13010 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2017). Haalbaarheid om tot het pensioen door te werken. Analyse bij werknemers en zelfstandige ondernemers op basis van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/12296 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2018). Werkbaar werk bij starters, groeiers en vrouwelijke zelfstandige ondernemers. Analyse op de Vlaamse werkbaarheidsmonitor 20072016. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/12891 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2019a). Tevredenheid van de Vlaamse zelfstandige ondernemers. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13009 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2019b). Methodologie Vlaamse werkbaarheidsmonitor. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13437 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2020a). Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2019 - zelfstandige ondernemers . Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13448 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2020b). Wat maakt werk werkbaar voor zelfstandige ondernemers? Onderzoek naar determinanten van werkbaar werk op basis van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2004-2019. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13638 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2021). Haalbaarheid om tot het pensioen door te werken. Analyse bij werknemers en zelfstandige ondernemers op basis van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2019. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op https://www.serv.be/node/14534
69
Lijst met figuren en tabellen Figuren Figuur 1 Dashboard competenties zelfstandige ondernemers (Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2019) ................................................................................................ Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Figuur 2 Opleidingsniveau van de zelfstandige ondernemer, evolutie 2007-2019 ........................... 16 Figuur 3 Bijscholing door de zelfstandige ondernemer, evolutie 2007-2019 ..................................... 18 Figuur 4 Leermogelijkheden in en op het werk voor de zelfstandige ondernemer, evolutie 20072019 .............................................................................................................................................................. 19 Figuur 5 Zelfinschatting vaktechnisch opleidingsdeficit, evolutie 2013-2019 .................................... 20 Figuur 6 Zelfinschatting management opleidingsdeficit, evolutie 2013 – 2019 ................................. 21 Figuur 7 Dashboard competenties zelfstandige ondernemers (Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2019) ............................................................................................................................................................. 22 Figuur 8 Basisopleidingsniveau naar deelpopulaties, 2019 .................................................................. 24 Figuur 9 Bijscholing naar deelpopulaties, 2019 ...................................................................................... 26 Figuur 10 Leermogelijkheden naar deelpopulaties, 2019 ..................................................................... 28 Figuur 11 Vaktechnisch opleidingsdeficit naar deelpopulaties, 2019 ................................................. 30 Figuur 12 Management opleidingsdeficit naar deelpopulaties, 2019 ................................................. 32 Figuur 13 Bijscholing door de zelfstandige ondernemer per opleidingsniveau, evolutie 2007-2019 ....................................................................................................................................................................... 40 Figuur 14 Leeswijzer ...................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Figuur 15 Risicofactoren voor ernstig vaktechnisch opleidingsdeficit: odds ratio's, databank 2013 2019 .............................................................................................................................................................. 45 Figuur 16 Risicofactoren voor ernstig management opleidingsdeficit: odds ratio's, databank 2013 – 2019 ........................................................................................................................................................... 47 70
Figuur 17 Opleidingsniveau en kenmerken ondernemerschap, 2019 ................................................ 52 Figuur 18 Bijscholing en kenmerken ondernemerschap, 2019 ............................................................ 53 Figuur 19 Leermogelijkheden en kenmerken ondernemerschap, 2019 ............................................. 54 Figuur 20 Technisch opleidingsdeficit en kenmerken ondernemerschap, 2019 ............................... 55 Figuur 21 Managementcompetentiedeficit en kenmerken ondernemerschap, 2019 ...................... 56 Figuur 22 Vier responsmogelijkheden op de vraag 'Voelt u zich voldoende opgeleid voor het management en bedrijfsbeheer van uw zaak of firma?'. Evolutie 2013 - 2019 ................................. 58 Figuur 23 Bijscholing en management opleidingsdeficit, 2019 ............................................................ 60 Figuur 24 Sociaal netwerk en management opleidingsdeficit, 2019 ................................................... 61 Figuur 25 Werkbaar werk en management opleidingsdeficit, 2019 .................................................... 62 Figuur 26 Keuze ondernemerschap en management opleidingsdeficit, 2019 .................................. 63 Figuur 27 Werken tot pensioen en management opleidingsdeficit, 2019 .......................................... 64 Figuur 28 Financieel-economische setting en management opleidingsdeficit, 2019........................ 65 Figuur 29 Financieringsmogelijkheden en management opleidingsdeficit, 2019 ............................. 66
Tabellen Tabel 1 Niveau basisopleiding in verhouding tot de overige dimensies competentieportfolio, 2019 .......................................................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Tabel 2 Management opleidingsdeficit en Technisch opleidingsdeficit gecombineerd, 2019 ....Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Tabel 3 overzicht onafhankelijke variabelen in het model ...... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
71
De competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer
Bijlage 1 Werkbaarheidsbevraging De voorliggende analyse van het competentieprofiel van de zelfstandige ondernemers is gebaseerd op volgende vragen uit de Vlaamse Werkbaarheidsmonitor:
•
‘Wat is uw hoogste diploma of getuigschrift? •
Geen of lager onderwijs
•
Lager secundair onderwijs (minimum 3 jaar)
•
Hoger secundair onderwijs (minimum 6 jaar)
•
Hoger onderwijs korte type (2-3 jaar) (bachelor)
•
Hoger onderwijs lange type of universiteit (master)’
De eerste twee responscategorieën werden in voorliggend rapport samengevoegd tot één categorie. Voor sommige figuren werd een tweedeling gebruikt (‘maximum secundair onderwijs’ versus ‘hoger onderwijs’).
•
•
‘Volgde u de afgelopen 12 maanden een bijscholing?’ •
Ja
•
Neen
‘Leermogelijkheden •
Leert u nieuwe dingen op uw werk?
•
Biedt uw werk u mogelijkheden voor persoonlijke groei en ontwikkeling?
•
Geeft uw werk u het gevoel er iets mee te kunnen bereiken?
•
Biedt uw werk u mogelijkheden voor zelfstandig denken en doen?’
Bij elk van deze 4 items wordt de respondent gevraagd één van volgende antwoordcategorieën aan te kruisen: altijd – vaak – soms – nooit. De ROC-analysetechniek werd gebruikt om de respondenten op basis van de schaalwaarde in te delen in twee groepen: leermogelijkheden niet problematisch versus leermogelijkheden problematisch. Problematische leermogelijkheden verwijzen naar een (vanuit het oogpunt van de loopbaanperspectieven van de betrokkenen én het arbeidsmarktbeleid niet acceptabele) situatie waarbij inzetbaarheid op langere termijn gehypothekeerd wordt door onvoldoende mogelijkheden van
72
De competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer
competentie-ontwikkeling in het werk. Meer informatie over de gehanteerde methode is te vinden in de nota methodologie 9.
•
‘Voelt u zich voldoende opgeleid voor …? ‘10 •
De vakinhoudelijke of technische aspecten van uw zelfstandige activiteit?
•
Het beheer en het management van uw bedrijf/firma?
Bij elk van deze twee items wordt de respondent gevraagd één van volgende antwoordcategorieën aan te kruisen: altijd – vaak – soms – nooit. De respons werd verwerkt in drie categorieën: geen competentiedeficit (‘altijd’), een beperkt competentiedeficit (‘vaak’), een ernstig competentiedeficit (‘soms’ en ‘nooit’).
9
Bourdeaud’hui, R. & Vanderhaeghe, S. (2013), Methodologische nota, beschrijving en vergelijking van de methodologie van de werkbaarheidsmonitor loontrekkende 2004-2007-2010-2013 en zelfstandige ondernemers 2007-2010-2013. SERV/ Stichting Innovatie & Arbeid, Brussel.
10
Deze vraag werd pas in de meting 2013 toegevoegd.
73
De competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer
Bijlage 2 Competentieportfolio Vlaamse zelfstandige ondernemer naar deelpopulaties, 2019 opleidingsniveau lager secundair
hoger secundair
hoger onderwijs kt
hoger onderwijs lt
bijscholing
leermogelijkh eden
% ja
% niet problematisch
competentiedeficit technisch geen
beperkt
ernstig
competentiedeficit management geen
beperkt
ernstig
Zelfstandige ondernemers Vlaanderen
11,0%
28,4%
24,8%
35,8%
54,2%
96,5%
45,3%
46,8%
7,8%
22,2%
49,7%
28,1%
man vrouw
13,3% 6,7%
31,7% 22,7%
23,6% 26,9%
31,5% 43,8% s
51,1% 60,5% s
96,6% 96,3% ns
47,9% 39,1%
45,3% 50,2%
6,8% 10,7% s
22,9% 16,4%
49,4% 41,8%
27,7% 41,7% s
- 30 jaar 30 - 39 jaar 40 - 49 jaar 50 - 54 jaar 55 + jaar
5,4% 5,4% 8,2% 15,2% 16,8%
20,2% 29,2% 30,3% 31,8% 26,0%
22,4% 22,9% 27,9% 23,6% 24,0%
52,0% 42,5% 33,6% 29,3% 33,2% s
70,8% 63,2% 54,0% 48,1% 47,6% s
99,5% 98,1% 94,8% 96,8% 96,3% s
32,3% 40,7% 43,5% 48,6% 50,4%
56,8% 52,3% 47,3% 43,6% 42,3%
10,9% 7,0% 9,2% 7,8% 7,3% s
8,3% 13,1% 19,0% 25,7% 28,3%
38,5% 43,5% 50,4% 46,0% 47,8%
53,2% 43,3% 30,6% 28,3% 23,9% s
geen personeelsleden 1-9 personeelsleden 10 of meer personeelsleden
10,1% 12,4% 9,8%
26,7% 31,8% 26,9%
23,3% 26,6% 29,5%
39,8% 29,3% 33,8% s
54,3% 54,8% 51,1% ns
96,6% 96,1% 98,2% ns
44,8% 46,2% 39,1%
47,1% 46,3% 49,8%
8,1% 7,6% 11,2% ns
21,0% 19,7% 22,1%
44,2% 48,7% 58,4%
34,8% 31,6% 19,5% s
98,8%
37,0% 32,5% 42,0% 46,5%
54,9% 58,3% 48,8% 45,4%
8,0% 9,2% 9,2% 8,1% s
16,2% 8,8% 15,6% 22,1%
38,6% 35,1% 48,6% 47,7%
45,2% 56,1% 35,8% 30,2% s
34,9% 47,0% 45,1% 40,8% 47,8% 46,9% 46,0% 47,4%
52,8% 43,7% 49,5% 47,9% 40,9% 48,7% 46,3% 43,3%
12,3% 9,3% 5,5% 11,3% 11,3% 4,4% 7,6% 9,2% s
15,1% 23,3% 18,2% 22,6% 24,8% 28,6% 13,4% 24,4%
53,1% 50,0% 48,1% 54,7% 47,1% 50,7% 38,1% 46,2%
31,8% 26,7% 33,7% 22,6% 28,0% 20,7% 48,5% 29,4% s
minder dan 3 jaar actief jonge starter ( maximaal 40 jaar) 3-5 jaar actief meer dan 5jaar actief land- en tuinbouw, visserij, bosexploitatie transport, productie bouw handel horeca intellectuele diensten vrije beroepen overige
7,4% 5,3%
24,5% 20,1%
24,1% 23,4%
44,0% 51,2%
59,8% 66,5%
100,0%
7,3% 11,9%
25,4% 29,5%
26,1% 24,7%
41,1% 33,9% s
55,5% 53,2% ns
98,3% 95,9% s
19,8% 15,4% 20,5% 17,0% 19,0% 2,0% ,7% 14,6%
55,8% 43,6% 47,5% 37,8% 58,9% 10,1% 2,1% 39,0%
17,3% 16,8% 20,5% 31,3% 17,7% 31,0% 23,0% 28,7%
7,1% 24,2% 11,5% 13,9% 4,4% 56,9% 74,2% 17,6% s
56,8% 39,1% 35,9% 27,6% 16,3% 54,6% 86,4% 56,2% s
96,4% 94,5% 96,5% 94,0% 92,3% 97,8% 99,0% 94,9% s
opleidingsniv eau
lager secundair hoger secundair hoger onderwijs korte type hoger onderwijs lange type
bijscholing
leermogelijkh eden
% ja
% niet problematisch 26,2% 40,4% 57,2% 72,1% s
74
91,6% 95,2% 97,0% 98,7% s
competentiedeficiet technische geen 45,6% 40,1% 47,0% 46,6%
beperkt 40,9% 50,0% 45,3% 47,8%
competentiedeficiet management
ernstig 13,4% 9,9% 7,7% 5,6% s
geen 26,1% 18,2% 22,7% 19,5%
beperkt 41,2% 51,2% 49,3% 43,0%
ernstig 32,6% 30,6% 28,1% 37,5% s
Bijlage 3 Logistische regressie ernstig opleidingsdeficit (2013 – 2019) ernstig deficit technisch kennis odds ratio 95% betrouwbaarheidsinterval
ernstig deficit managementkennis odds ratio 95% betrouwbaarheidsinterval
Achtergrondkenmerken Gender man vrouw
R 1,87***
1,57 - 2,24
R 1,57***
1,43 - 1,78
Leeftijd 55 + j. - 30 j. 30 - 39 j. 40 - 49 j. 50 - 54 j.
R 1,31 1,05 0,97 0,89
0,91 - 1,87 0,80 - 1,36 0,77 - 1,22 0,68 - 1,16
R 2,12*** 1,83*** 1,21** 1,07
1,69 - 2,66 1,56 - 2,14 1,05 - 1,40 0,91 -1,26
Sector andere sectoren land- en tuinbouw, visserij, bosexploitatie handel bouw horeca vrije beroepen transport, productie intellectuele diensten
0,81 1,67* 1,21* 1,02 1,02 0,81 1,09 0,66**
0,89 - 1,29 1,30 - 2,14 1,01 - 1,46 0,83 - 1,26 0,78 - 1,34 0,64 -1,02 0,82 - 1,44 0,51 - 0,87
0,99 1,11* 0,86* 1,23* 0,75** 2,05*** 0,81* 0,68***
0,87 - 1,13 0,93 - 1,33 0,75 - 0,97 1,09 - 1,41 0,62 - 0,91 1,80 - 2,33 0,70 - 0,99 0,58 - 0,79
Opleidingsniveau hoger onderwijs lt lager secundair hoger secundair hoger onderwijs kt
R 2,26*** 1,49** 1,31*
1,67 - 3,01 1,14 - 1,95 1,03 - 1,69
R 1,60*** 1,25** 0,92
1,32 - 1,95 1,07 - 1,47 0,80 - 1,06
Anciënniteit meer dan 5 jaar minder dan 3 jaar 3 tot 5 jaar
R 1,57** 1,20
1,19 - 2,06 0,91 - 1,57
R 1,43*** 1,15
1,20 - 1,70 0,98 - 1,36
Sociaal netwerk goede ondersteuning beperkte ondersteuning geen ondersteuning
R 1,75*** 2,21***
1,46 - 2,11 1,74 - 2,80
R 1,90*** 1,95***
1,70 - 2,11 1,68 - 2,27
Ondernemingsdimensie geen personeel 1 tot 9 werknemers vanaf 10 werknemers
R 0,97 1,88***
0,81 - 1,17 1,44 - 2,47
R 0,98 0,87
0,88 - 1,10 0,71 - 1,06
75
De competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer
Bijlage 4 Kenmerken ondernemerschap naar management opleidingsdeficit (WBM 2019) zelfstandige ondernemers 2019
ondernemers met ernstig opleidingsdeficit management 2019
ondernemers zonder opleidingsdeficit management 2019
%
%
%
verschiltoetsing
Tevreden over ondernemersloopbaan Keuze zelfstandig ondernemerschap (zeer) Tevreden
74,7
63,6
(zeer) Ontevreden
7,4
12,0
84,4 3,9
Neutraal
17,9
24,4
11,7
s
Huidige job tot pensioen Ja
68,7
61,2
77,0
Ja mits aangepast werk
27,6
34,7
19,2
Neen
3,7
4,1
3,7
Sleutel 1 Werkbaar werk
s
zelfstandige ondernemers 2019
ondernemers met ernstig competentiedeficit management 2019
ondernemers zonder competentiedeficit management 2019
verschiltoetsing
%
%
%
%
50,1
40,2
60,4
s
Problematisch
37,0
47,4
25,9
s
Problematisch
10,2
12,0
9,4
ns
Problematisch
3,5
4,3
2,8
ns
Problematisch
30,4
36,4
24,1
s
Problematisch
46,1
50,8
38,7
s
Problematisch
28,1
34,8
24,0
s
Problematisch
7,9
9,2
5,7
s
Problematisch
20,9
24,9
18,4
s
53,9
52,8
54,9
s
Indicatoren Werkstress
Motivatie
Leermogelijkheden
Werk-privé-balans
Risicofactoren Werkdruk
Emotionele belasting
Taakvariatie
Belastende arbeidsomstandigheden
Werkbaarheidsaspecten Gemiddeld aantal werkuren per week Aantal werkuren per week ≤ 40 uren
20,4
21,9
21,1
41-59 uren
39,0
39,8
35,0
≥ 60 uren
40,6
38,3
43,9
Altijd
17,0
19,9
16,9
Vaak
27,9
27,1
27,2
Soms
37,8
38,7
35,5
Nooit
17,3
14,3
20,4
ns
Onregelmatige/onvoorspelbare werktijden
s
Nachtwerk (tussen 22u en 6u) Nee
49,5
49,0
51,3
Totaal Ja
50,5
51,0
48,7
Ja altijd
2,3
1,9
3,0
Ja vaak
10,1
11,5
10,1
Ja soms
38,0
37,6
35,6
19,1
18,8
19,6
Gemiddeld aantal vakantiedagen
ns
s
Over werktijden (zeer) Tevreden
55,9
47,7
64,6
(zeer) Ontevreden
18,3
25,1
10,9
Neutraal
25,8
27,1
24,5
76
s
De competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer
zelfstandige ondernemers 2019
ondernemers met ernstig competentiedeficit management 2019
ondernemers zonder competentiedeficit management 2019
verschiltoetsing
%
%
%
%
Sleutel 2. Competentieportfolio Hoogste getuigschrift Geen/Lager/Lager Secundair
10,9
10,6
13,5
Hoger Secundair
28,4
26,4
24,8
Hoger Korte Type
24,8
21,5
27,5
Hoger Lange Type/Universitair
35,8
41,5
34,2
Nee
38,6
40,8
35,7
Ja
61,4
59,2
64,3
Nee
45,8
40,4
55,3
Ja
54,2
59,6
44,7
Altijd
44,8
27,9
85,0
Vaak
47,0
52,8
14,3
Soms
7,1
16,3
0,7
Nooit
1,1
3,0
0,0
Altijd
20,7
0,0
100,0
Vaak
46,7
0,0
0,0
Soms
28,4
87,1
0,0
Nooit
4,2
12,9
0,0
s
Andere getuigschriften
ns
Bijscholing voorbije jaar
s
Technisch competent
Management competent
77
s
De competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer
zelfstandige ondernemers 2019
ondernemers met ernstig competentiedeficit management 2019
ondernemers zonder competentiedeficit management 2019
verschiltoetsing
%
%
%
%
Sleutel 3. Professioneel netwerk Intern netwerk Gemiddeld aantal personeelsleden Geen
58,4
62,4
59,2
1 - 4 werknemers
26,1
26,3
24,2
5 - 9 werknemers
7,2
6,3
7,7
≥ 10 werknemers
8,3
5,0
8,9
s
Over personeel (zeer) Tevreden
84,9
80,6
91,3
(zeer) Ontevreden
4,6
6,4
2,2
Neutraal
13,6
13,0
6,6
81,3
s
Over samenwerking vennoot/partner (zeer) Tevreden
79,2
74,4
(zeer) Ontevreden
3,5
5,1
1,7
Neutraal
17,3
20,5
17,0
83,3
80,6
84,4
Woont samen met partner
s
ns
Partner heeft job Neen
10,0
7,7
12,2
Ja bij mijn activiteit
27,5
23,4
31,6
Ja niet bij mijn activiteit
62,5
68,9
56,2
64,2
56,9
70,1
Vennootschapsvorm
s s
Meerdere zelfstandigen betrokken bij dagelijks beheer Neen
56,5
58,8
58,9
Ja enkel familie
24,6
21,7
25,7
Ja ook derden
18,9
19,5
15,4
ns
Extern netwerk Over contacten klanten (zeer) Tevreden
89,9
87,7
93,2
(zeer) Ontevreden
1,6
1,9
1,1
Neutraal
8,5
10,4
5,7
83,6
s
Over contacten leveranciers (zeer) Tevreden
79,5
71,2
(zeer) Ontevreden
1,8
2,4
1,3
Neutraal
18,8
26,4
15,1
s
Over contacten overheid (zeer) Tevreden
21,5
13,8
32,2
(zeer) Ontevreden
30,2
37,0
24,9
Neutraal
48,4
49,1
42,9
s
Indien nodig, ondersteund door sociaal netwerk bij bedrijfsvoering (verenigingen, externe adviseurs, familieraad) Helemaal
8,8
5,5
15,4
In belangrijke mate
35,1
29,3
34,6
In beperkte mate
42,3
49,7
31,8
Helemaal niet
13,8
15,4
18,2
78
s
De competentieportfolio van de Vlaamse zelfstandige ondernemer
zelfstandige ondernemers 2019
ondernemers met ernstig competentiedeficit management 2019
ondernemers zonder competentiedeficit management 2019
verschiltoetsing
%
%
%
%
Sleutel 4. Sociaal-economische setting Financieel-economisch Over financieel-economische toestand zelfstandige activiteit (zeer) Tevreden
49,8
39,7
61,0
(zeer) Ontevreden
24,2
32,9
15,5
Neutraal
26,0
27,4
23,5
s
Over inkomen (zeer) Tevreden
48,3
37,5
57,6
(zeer) Ontevreden
27,2
37,2
19,1
Neutraal
24,5
25,3
23,4
s
Gezin afhankelijk van het inkomen uit zelfstandige activiteit Helemaal
41,0
38,1
47,0
Belangrijke mate
44,8
46,6
38,0
Beperkte mate
11,0
11,0
12,1
Helemaal niet
3,1
4,3
2,9
s
Over mogelijkheid tot financiering of leningen (zeer) Tevreden
54,7
44,6
61,3
(zeer) Ontevreden
17,4
23,6
15,8
Neutraal
27,9
31,9
22,9
s
Activiteitsniveau komende 3à5 jaar Sterke groei
11,6
11,5
12,5
Beperkte groei
29,5
30,7
26,3
Behoud
42,4
41,8
43,9
Beperkte vermindering
8,6
8,6
8,7
Sterke vermindering of stopzetting
7,9
7,3
8,5
ns
Ondernemerschap Actief komende 3à5 jaar Ja
78,6
80,0
79,2
Familiale overdracht
1,4
1,0
1,2
Overdracht aan derde
2,2
0,8
3,7
Stopzetting
4,3
2,8
5,3
Weet niet
13,5
15,5
10,7
73,4
s
Over verantwoordelijkheid als zelfstandige (zeer) Tevreden
62,0
48,9
(zeer) Ontevreden
16,0
23,4
9,2
Neutraal
22,0
27,7
17,4
76,6
s
Over onafhankelijkheid (zeer) Tevreden
69,9
63,4
(zeer) Ontevreden
8,5
10,9
6,0
Neutraal
21,6
25,8
17,4
s
Over sociale bescherming als zelfstandige (zeer) Tevreden
17,7
12,5
24,7
(zeer) Ontevreden
55,5
63,3
47,6
Neutraal
26,8
24,2
27,7
79
s