Skip to main content

Bijdrage_Vlaamse_administratie_landbouw_visserij_2004_0.pdf

Page 1

Bijdrage Vlaamse administratie aan het regeerprogramma

van de aantredende Vlaamse regering

Deel 9

Landbouw en Visserij


Inhoudstafel 1

Omgevingsanalyse ............................................................................................ 4 1.1 Situering van de land- en tuinbouw: socio-economische en milieukundige indicatoren ........................................................................................4 1.2 Het landbouwbeleid ..................................................................................................5

1.2.1 Het Europese en internationale kader ..............................................................5 1.2.2 Directe (inkomens)steun ..................................................................................6 1.2.3 Plattelandsbeleid ..............................................................................................7 1.2.4 Kwaliteitsbeleid ................................................................................................8 1.2.5 Mestbeleid .......................................................................................................9 1.2.6 Biologische landbouw ......................................................................................9 1.3 Landbouwkundig wetenschappelijk onderzoek .........................................................9 1.4 Toekomstige ontwikkelingen ....................................................................................9 1.5 Visserij ................................................................................................................... 12

1.5.1 Huidige toestand ...........................................................................................12 1.5.2 Trends ...........................................................................................................13

2

Beleidsvoorstellen ........................................................................................... 14 2.1 Landbouw, trekker en partner voor een duurzame ontwikkeling ............................14

2.1.1 Actieve samenwerking over de beleidsdomeinen ...........................................14 2.1.2 Tweede pijlerbeleid als bijdrage aan een Vlaams plattelandsbeleid ................15 2.1.3 Ruimte voor landbouw ...................................................................................15 2.1.4 Positief ondernemingsklimaat ........................................................................16 2.1.5 Administratieve vereenvoudiging ...................................................................16 2.2 Uitbouw en ondersteuning van een Vlaams kwaliteitsbeleid ...................................17

2.2.1 Kwaliteitsvol van Vlaanderen ..........................................................................17 2.2.2 Wat is een Vlaams kwaliteitsbeleid? ...............................................................18 2.2.3 Ontwikkelen van kwaliteitssystemen ..............................................................18 2.2.4 Belang van accreditatie volgens internationale standaarden ..........................18 2.2.5 Stimuleren van de markt voor kwaliteitsvolle en Vlaamse land- en tuinbouwproducten ........................................................................................19 2.2.6 Tweede pijler van Europees landbouwbeleid financiert kwaliteit ....................19 1


2.3 Onderzoek ten dienste van landbouwer en beleid ..................................................19

2.3.1 Pro-actief landbouwkundig onderzoek ..........................................................19 2.3.2 De uitbouw van een hoogwaardig onderzoeksinstituut ..................................19 2.3.3 Het organiseren van kennisdoorstroming ......................................................20 2.3.4 Beschikbare middelen doeltreffend besteden .................................................20 2.3.5 Het EU-beleid onderbouwen ..........................................................................20 2.3.6 Optimalisatie nicheproductie .........................................................................21 2.4 Een beter imago voor een betere waardering ..........................................................21

2.4.1 Een duidelijke communicatiestrategie ............................................................21 2.4.2 Communicatie naar de sector: voortzetting van een maandblad ....................21 2.4.3 Bewustmaking brede publiek: correcte beeldvorming ....................................21 2.4.4 Samenwerking met andere beleidsdomeinen: concrete initiatieven ................22 2.5 Een toekomst voor de Vlaamse zeevisserij ..............................................................22

2.5.1 Een aangepast quotabeheer: van dagplafonds naar beperking over periode per kW .......................................................................................22 2.5.2 Een aangepast vlootbeleid: samenvoegmogelijkheden naar grotere pk’s ........23 2.5.3 Een betere omkadering van de visserij............................................................23

3

Ideeënfiches ................................................................................................... 24 3.1 Adviescel voor beleidsdomeinoverschrijdende thema’s ..........................................24 3.2 Het plattelandsbeleid horizontaal organiseren ........................................................24 3.3 Ontwikkeling glastuinbouwbedrijvenzones .............................................................25 3.4 Adviesverlening ruimtelijke uitvoeringsplannen .....................................................25 3.5 Verruiming VLIF-decreet tot agro-voedingsketen ...................................................26 3.6 Producten van bij ons .............................................................................................26 3.7 Kaderdecreet landbouwkwaliteit .............................................................................27 3.8 Promotie bio-, hoeve- en streekproducten .............................................................27 3.9 Ondersteuning en stimulering specifieke kwaliteitssystemen .................................28 3.10 Verbetering kennisstroom (case: mestbeleid) ......................................................28 3.11 Landbouweducatief onderwijspakket .....................................................................28 3.12 Bescherming landelijk erfgoed ..............................................................................29 3.13 Verbetering samenwerking tussen visserij en zeebiologen ....................................30 2


3.14 Ontwikkeling van een toeristisch vlootsegment .....................................................30

Bijlage 1 – Documentatie ...................................................................................... 31 Bijlage 2 – Managementsamenvatting ................................................................... 34 1

Landbouw, trekker en partner voor een duurzame ontwikkeling in Vlaanderen ......34

2

Uitbouw en ondersteuning van een Vlaams kwaliteitsbeleid ...................................35

3

Onderzoek ten dienste van landbouwer en beleid ..................................................35

4

Een beter imago voor een betere waardering ..........................................................36

5

Een toekomst voor de Vlaamse zeevisserij ..............................................................36

3


1

Omgevingsanalyse 1.1

Situering van de land- en tuinbouw: socio-economische en milieukundige indicatoren

Landbouw heeft een aandeel van 1,8% in de totale Vlaamse bruto toegevoegde waarde en stelt ongeveer 2,3% van de Vlaamse actieve bevolking tewerk. De land- en tuinbouwproducten leveren bovendien een duidelijk positieve bijdrage op de handelsbalans. De land- en tuinbouwsector telt in 2002 37.895 bedrijven en 50.655 voltijds tewerkgestelde personen van 20 tot 65 jaar en bewerkt netto 635.900 ha. Bijna 80% van de bedrijven hebben zich gespecialiseerd, met de rundveehouderij als voornaamste specialisatie. Voederteelten en weiland maken dan ook het grootste aandeel uit van de benutte landbouwoppervlakte. Wat de veestapel betreft, is het aantal varkens, runderen en pluimvee in 2002 gevoelig afgenomen. In de rundveesector is er, wat het aantal runderen betreft, een duidelijke verschuiving van de melkproductie naar de vleesproductie. In de loop der jaren is er een voortdurende schaalvergroting opgetreden: het aantal dieren en de bewerkte oppervlakte per bedrijf zijn gevoelig toegenomen. De land- en tuinbouwsector realiseerde in 2002 een omzet van 4.504 miljoen euro, wat een daling met 6,3% betekent ten opzichte van 2001. De daling vond voornamelijk plaats in de veeteelt- en akkerbouwsector, terwijl de omzet in de tuinbouwsector nagenoeg constant bleef. Wat de veeteeltsector betreft, was de daling algemeen, met uitzondering van de rundveesector die een herstel kende na de BSE-crisis in 2001. De varkens vertoonden de sterkste neerwaartse tendens (-17%). In de tuinbouwsector was de status-quo het resultaat van een omzetdaling voor groenten, gecompenseerd door een stijging bij fruit en niet-eetbare tuinbouwproducten. Kenmerkend voor de akkerbouwsector in 2002 was de sterke terugval in de aardappelsector, terwijl de granen en de suikerbieten toenamen in waarde. Het intermediaire verbruik wordt voor 2002 geraamd op 2.902 miljoen euro, wat een daling van 3,9% betekent ten opzichte van 2001. Dit was vooral te wijten aan de daling van de kostenposten veevoeders en meststoffen. De bruto toegevoegde waarde van de land- en tuinbouwsector bedroeg 1.602 miljoen euro (daling van 10% ten opzichte van 2001). Het arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht verminderde met 14,8% ten opzichte van 2001 en bedroeg 19.840 euro of ongeveer 60% van het vergelijkbare inkomen in Vlaanderen. Het aandeel van het landbouwvoedingscomplex in de Vlaamse economie beslaat in termen van werkgelegenheid en toegevoegde waarde bijna 10%. De land- en tuinbouwsector oefent druk uit op het leefmilieu door het gebruik van natuurlijke hulpbronnen (ruimte, energie, water,…) en door de emissie van bijproducten van het productieproces (gewasbeschermingsmiddelen, vermestende en verzurende emissies, broeikasgassen,…). De sector gebruikt 27,7 x 1015 Joule (Peta Joule) aan energie of 1,7% van het totale Vlaamse verbruik, wat een daling betekent van 20% ten opzichte van 1994. De glastuinbouw is met 65% de grootste energieverbruiker en is ook verantwoordelijk voor het grootste gedeelte van de daling van het energiegebruik. Bovendien neemt het aandeel van minder vervuilende energiebronnen, zoals aardgas, toe. Het jaarlijkse watergebruik in de land- en tuinbouw wordt op 52,2 miljoen m³ geraamd. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw oefent druk uit op biologische processen in het oppervlaktewater. Deze druk is grotendeels te wijten aan het gebruik van enkele zeer toxische herbiciden (diuron, paraquat,…) en insecticiden (lindaan, parathion,…). De totale druk op het waterleven daalde tussen 1990 en 2001 met 17%. Lindaan en parathion mochten in 2002 voor het laatst gebruikt worden. Hierdoor zal volgens de verwachtingen de druk op het waterleven de volgende jaren sneller dalen. 4


De totale vermestende emissies zijn sinds 1990 met 48% gedaald. De daling van het overschot op de bodembalans is voornamelijk te danken aan een verminderd kunstmestgebruik, de verlaagde nutriënteninhoud van het voeder en de inkrimping van de veestapel. Om de doelstellingen voor 2007 uit het MINA-plan 3 te halen, zijn echter bijkomende inspanningen nodig. De verzurende emissies bestaan in 2002 voor 82% uit ammoniak, afkomstig van stallen, mestopslag en uitrijden van mest; voor 13% uit stikstofoxiden, onder andere als bijproduct van nitrificatie en denitrificatie na mestgebruik en voor 5% uit zwaveldioxide. De totale verzurende emissie is sinds 1990 met 37% gedaald. De landbouw heeft een belangrijk aandeel in de uitstoot van niet-CO2-broeikasgassen: respectievelijk 74% en 36% van de totale Vlaamse uitstoot van methaan en lachgas. In tegenstelling tot de andere sectoren heeft de landbouw zijn broeikasgasemissies teruggedrongen ten opzichte van 1990, en dit met 8%. Aangezien de bruto toegevoegde waarde (tegen constante prijzen) van de land- en tuinbouw steeg, terwijl de drukindicatoren daalden, had er een absolute ontkoppeling plaats tussen de economische activiteit van de sector en de druk die de sector daardoor op het milieu uitoefent.

1.2

Het landbouwbeleid

1.2.1 Het Europese en internationale kader

De ministers van Landbouw van de Europese Unie (EU) hebben op 26 juni 2003 een fundamentele hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) goedgekeurd. Deze hervorming naar aanleiding van de “Mid Term Review” betekent een complete verandering in de wijze waarop de EU de landbouw ondersteunt. Het nieuwe GLB zal beter tegemoetkomen aan de wensen van consumenten en belastingbetalers. Tegelijk zal het de landbouwers de vrijheid geven om te produceren wat de markt vraagt. In de toekomst zal het overgrote deel van de subsidies worden betaald los van de omvang van de productie. Om te voorkomen dat landbouwers de productie zouden opgeven, kunnen de lidstaten ervoor kiezen om onder welbepaalde voorwaarden en binnen duidelijke grenzen een beperkte koppeling tussen subsidies en productie te handhaven. Aan de nieuwe ontkoppelde "bedrijfstoeslagen" zullen voorwaarden worden verbonden. De producent zal moeten voldoen aan normen op het gebied van het milieu, de voedselveiligheid en het dierenwelzijn. De lossere band tussen productie en subsidies zal de landbouwers in de EU competitiever en marktgerichter maken en tegelijk voor de nodige inkomensstabiliteit zorgen. Dankzij een verlaging van de betalingen aan de grotere landbouwbedrijven kan de overheid meer geld ter beschikking stellen van de landbouwers in het kader van een verruimd plattelandsontwikkelingsbeleid met aandacht voor milieu-, kwaliteit- en dierenwelzijnprogramma’s. De Landbouwraad heeft voorts besloten de regelingen voor melk, rijst, granen, durumtarwe, gedroogde voedergewassen en noten te herzien. Om onder het strikte begrotingsplafond te blijven dat tot 2013 voor de EU-25 zal gelden, zijn de ministers overeengekomen een mechanisme voor financiële discipline in te voeren. De hervorming draagt bij tot een versterkte onderhandelingspositie van de EU bij de handelsbesprekingen binnen de World Trade Organisation (WTO). De verschillende elementen van de hervorming zullen in 2004 en 2005 van kracht worden. De bedrijfstoeslag wordt ingevoerd in 2005. De multilaterale onderhandelingsronde van de Wereldhandelsorganisatie te Cancun voor een verdere liberalisering van de wereldhandel in landbouwproducten, was geen succes. Met het hervormde GLB wou de EU aantonen dat het de weg van een verdere handelsliberalisering en vermindering van handelsverstorende interne steun is ingeslagen. De EU koppelt hieraan wel de voorwaarde dat de essentiële, niet-commerciële aangelegenheden op een adequate wijze in de onderhandelingen aan bod zouden komen. Dit ook door Vlaanderen gedragen EU-standpunt kon echter op onvoldoende steun van de andere onderhandelingspartners rekenen om tot een doorbraak te kunnen komen. Voor de sector groenten en fruit heeft de Europese Commissie de nieuwe toepassingsbepalingen vastgesteld voor de erkenning van telersverenigingen en voor de goedkeuring van operationele 5


programma’s. Deze bepalingen zijn verwerkt in het nieuwe sporenbeleid voor de groente- en fruitsector dat de minister in september 2003 goedgekeurd heeft. Dit sporenbeleid is de leidraad voor de nieuwe operationele programma’s voor de periode 2004-2008. De graansector in de EU heeft de laatste jaren te maken met een zeer grote invoer van voedergranen uit de regio’s rond de Zwarte Zee tegen zeer lage prijzen. Dit leidde tot de invoering van invoercontingenten voor deze producten met ingang van 1 januari 2003. De slechte oogst van 2003 in de EU leidde in het najaar 2003 tot enig herstel op de markten. In de suikersector staan belangrijke wijzigingen in de gemeenschappelijke marktordening op stapel. Recente ontwikkelingen op internationaal vlak verhogen de druk op het bestaande suikerregime met quota en gegarandeerde prijzen. De Europese Commissie onderzoekt verschillende scenario’s gaande van het behoud van de huidige regeling tot een volledige liberalisering van de suikerregeling. De slachtpluimveesector kende als gevolg van de vogelpest een zeer moeilijk jaar. Ook de marktverstorende goedkope import van gezouten pluimveevlees uit bepaalde derde landen zorgde voor heel wat onrust. De Commissie trachtte hier een antwoord op te geven via een aanpassing van de douanenomenclatuur voor deze producten. Het sluiten van de Japanse markt eind 2002 had een sterke verstoring van de Europese varkensmarkt tot gevolg. De Commissie reageerde door het instellen van een steunregeling voor particuliere opslag van varkensvlees. Naar het einde van 2003 degradeerden de marktprijzen naar een zo laag niveau dat de EU terug een steunregeling voor particuliere opslag heeft opgestart. 1.2.2 Directe (inkomens)steun

Het Vlaamse Gewest heeft in uitvoering van de eerste pijler van het GLB, steunmaatregelen in de dierlijke en plantaardige sector en voorschriften inzake productiebeheersing (de melkquotaregeling) vastgesteld. Het gaat om de volgende steunmaatregelen: steun voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, voor schoolmelk, en voor rundvee- en ooienhouders. De uitvoering van deze maatregelen gebeurt door middel van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin alle producenten, productie-eenheden, dieren en percelen geïdentificeerd en geregistreerd zijn. Sinds 2002 is Vlaanderen bevoegd voor deze maatregelen. In de akkerbouwsector kunnen de landbouwers steun krijgen voor de productie van maïs, andere granen, oliehoudende zaden, vlas, eiwithoudende gewassen en voor braakgelegde gronden. Deze steun vragen zij aan via de oppervlakteaangifte. De steun bedroeg 78 miljoen euro voor de aanvragen uit 2002. Daarnaast zijn er specifieke maatregelen voor een beperkt aantal gewassen: vezelvlas, hop en tabak. Voor de aanvragen 2001 betaalde de overheid hiervoor in totaal 5 miljoen euro uit. De steun aan de akkerbouwsector is licht toegenomen in de periode 1998-2002. In de zuivelsector heeft de EU voor elke lidstaat een nationaal quotum voor leveringen van melk en room aan de zuivelfabriek en voor rechtstreekse verkopen vastgesteld. De lidstaten verdeelden vervolgens dit quotum individueel onder de producenten. De som van alle quota van Vlaamse producenten tijdens het tijdvak 2002-2003 bedroeg 1.889 miljoen liter in de categorie ‘leveringen’ en 24 miljoen liter voor de categorie ‘rechtstreekse verkopen’. Bij overschrijding van het nationale quotum is er extra heffing verschuldigd aan de EU. Voor de laatste vijf tijdvakken was dit drie maal het geval. Een producent kan (een gedeelte van) zijn quotum verhuren, overlaten aan een andere producent, verkopen aan het quotumfonds, of quotum omzetten van de ene categorie in de andere. Sinds 2000 ontvangen de melkveehouders een steunbedrag per liter quotum. Deze extra betalingen zijn sinds 2001 verdubbeld tot 3 miljoen euro. In de zuivelsector bestaan ten slotte ook subsidies voor melk bedeeld aan leerlingen (1 miljoen euro in 2001-2002). 6


De steun voor het houden van mannelijke runderen is toegenomen ten opzichte van 1998, en bedroeg voor de aanvragen van 2002 21 miljoen euro. De steun voor het houden van zoogkoeien (en vaarzen) is bijna verdubbeld, en bedroeg voor de aanvragen van 2002 43 miljoen euro. De extensiveringsteun is sinds de gewijzigde definitie van het veebezettingsgetal in 2000 sterk verminderd tot 0,18 miljoen euro in 2002. Sinds de start van de slachtpremieregeling in 2000 is deze steun verdrievoudigd. De deelnemende producenten ontvingen 37 miljoen euro voor volwassen runderen geslacht in 2002 en 5 miljoen euro voor kalveren. Ten slotte kregen de ooienhouders samen een premie toegekend ten bedrage van 0,73 miljoen euro voor de aanvragen van de campagne 2002. De steun aan de dierlijke sector is sinds 2000 toegenomen met 176%, dankzij de verhoogde premiebedragen per rund en de introductie van de slachtpremies.

1.2.3 Plattelandsbeleid

Het Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling 2000-2006 (PDPO) geeft in Vlaanderen vorm aan de tweede pijler van het GLB. Het totale budget van het PDPO voor de ganse periode bedraagt ruim 500 miljoen euro. Door het principe van cofinanciering dient de lidstaat, in casu de regio, aan de Europese middelen zelf nog zijn deel toe te voegen. Heel wat projecten vereisen ook nog een particuliere bijdrage. Behalve de verplichting van het opnemen van agro-milieumaatregelen had Vlaanderen de volledige vrijheid om uit een menu van mogelijkheden, aangeboden in het kader van de EUplattelandsregelgeving, een programma samen te stellen. Vlaanderen koos voor een zo breed mogelijke invulling met hierin een ganse waaier aan maatregelen. Deze moeten de economische leefbaarheid van de landbouw verbeteren en de leefbaarheid van het platteland verhogen, met aandacht voor verbrede activiteiten in de landbouw en voor milieuzorg. De economisch gerichte maatregelen vormen het grootste aandeel, bijna 62%. Het betreft de steun voor investeringen, de steun voor vestiging en de steun voor de verbetering van afzet en verwerking in de industrie en de afzet van kwaliteitsproducten vanaf het landbouwbedrijf zelf. Investeringssteun werd in 2001 en 2002 toegekend voor een totaal bedrag van ongeveer 90 miljoen euro. Het betrof bijna 7000 goedgekeurde aanvragen. Een groot deel van het budget ging naar de tuinbouwsector voor de financiering van serres. Diversificatiedoeleinden omvatten 2,5% van de goedgekeurde steunaanvragen. De milieugerichte maatregelen hebben een aandeel van ruim 23% in de totale overheidsuitgaven. Onder deze maatregelen vallen een ganse waaier van instrumenten om enerzijds een milieu- en natuurvriendelijkere landbouw te stimuleren en anderzijds de landbouwer te vergoeden voor bepaalde geleverde ‘groene diensten’ aan de samenleving. Hierbij zijn er instrumenten gericht op de landbouw zelf, maar ook op de interactie tussen de landbouw en zijn natuurlijke omgeving. In 2002 viel naar schatting 10% van het Vlaamse landbouwareaal onder dergelijke verbintenis. Voornamelijk de overeenkomst groenbedekking en de overeenkomst kwetsbaar gebied water scoren hoog in aantal hectares. De meer ondersteunende maatregelen, de overige 15%, vormen een derde groep. Het betreft naast opleiding voor landbouwers voornamelijk steun voor de aanpassing en ontwikkeling van het platteland: steun aan bedrijfsbeheer en ondersteuning in het kader van het geïntegreerde plattelandsbeleid in Vlaanderen (met behulp van de provinciale plannen). Tot en met 2002 heeft de overheid voor deze laatste 10 miljoen euro aan uitgaven vastgelegd. De meeste projecten worden uitgevoerd in het kader van de provinciale plattelandsontwikkelingsprogramma’s, deels met budget van buiten het PDPO. 7


Het is echter niet zo dat de economisch gerichte maatregelen geen rekening houden met het milieu. De economisch gerichte maatregelen leggen immers ook milieuaccenten. Zo is de steun voor investeringen via het VLIF (Vlaams Landbouwinvesteringsfonds) afhankelijk van het milieuvriendelijke karakter van de investering. Hoe ‘groener’ de investering, hoe groter het steunpercentage is. Ook investeringen in diversificatie krijgen beduidend hogere steun. In 2003 vond een evaluatie van het programma halfweg de looptijd plaats. De evaluator besloot dat de economische positie van de landbouw en het leefmilieu op het platteland het meest onder druk staan. De benadering van het PDPO, waar het grote accent voornamelijk ligt op economische steun aan de landbouw en op milieumaatregelen binnen de landbouw, vond de evaluator dan ook gerechtvaardigd. Ook scoorden de maatregelen vrij goed ten opzichte van de eigen doelstellingen. Wel benadrukt de evaluator dat de overheid verder dient te werken aan een coherenter beleid en een duidelijke visie op de ontwikkeling van de Vlaamse landbouw en het Vlaamse platteland. Een echt geïntegreerd plattelandsbeleid over de verschillende beleidsdomeinen en programma’s heen moet dan de verdere ontwikkeling en de kansen voor het platteland en de plattelandseconomie verzekeren. 1.2.4 Kwaliteitsbeleid

Voeding moet aan wettelijk bepaalde minimum kwaliteitsvereisten voldoen. De federale en de Vlaamse overheid dragen elk deels de bevoegdheid over het bepalen van en de controle op deze normen. Zo is voedselveiligheid één van die intrinsieke kwaliteitskenmerken die onder de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) vallen. Ook dierenwelzijn is een federale bevoegdheid. De Vlaamse overheid is dan weer bevoegd voor normen en standaarden van het uitgangsmateriaal. Immers, om producten met de gewenste smaak, kleur, geur en voedingswaarde te kunnen produceren, moeten de land- en tuinbouwers kunnen beschikken over het juiste poot- en plantgoed, zaaizaad en fokkerijproducten. In 2003 zijn er 42 nieuwe plantenrassen ingeschreven die toegelaten worden in de Vlaamse land- en tuinbouw. Verder gebeurt er ook controle, gebaseerd op een certificeringsysteem, op de productie van zaaizaad en pootgoed en op vermeerderingsbedrijven. De controle aan de hand van regelmatige veldbezoeken, bedrijfsinspecties en officiële monsternames van het materiaal. In de dierlijke productie krijgen de veetelers de garantie dat zij beschikken over een ras dat voldoet aan de gestelde voorwaarden. Met een gelijkaardige bedoeling erkent de Vlaamse overheid spermaverdeelcentra. Immers, de kwaliteit van de dierlijke productie is grotendeels afhankelijk van de genetische waarde van het sperma of de foktechnische waarde van het vaderdier. Het kunnen beschikken over goed uitgangsmateriaal garandeert echter nog geen kwaliteit in de eindfase. Vandaar dat de Vlaamse overheid ook het productieproces en de kwaliteit van het afgewerkte product opvolgt, opnieuw in gedeelde bevoegdheid met de federale overheid. Zo is bepaald dat het FAVV de melkinrichtingen waaraan de melkproducenten leveren, erkent maar dat het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap ze registreert voor het gebruik van het AA-controlemerk. De vzw Melkcontrolecentrum – Vlaanderen bepaalt de samenstelling van de melk (vet- en eiwitgehalte: gewestelijke bevoegdheid) en de bacteriologische kwaliteit (kiemen, cellen, …: federale bevoegdheid) in het Vlaamse Gewest. De indeling van de karkassen in kwaliteitsklassen welke de prijs bepalen, vindt plaats in de slachthuizen. Naast producten die voldoen aan een minimumkwaliteit is er ook een markt voor producten die voldoen aan strengere criteria. Deze eisen waaraan deze producten moeten voldoen, heeft de overheid in samenwerking met privé-partners uitgewerkt en gebundeld in lastenboeken. Het beheer van deze kwaliteitslabels en de controle erop zijn een bevoegdheid van het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM). Zo is Flandria opgericht voor de fruit- en groentesector en IKM voor de 8


melksector. Meritus, Certus, Pastorale, Belplume, BCV en Meesterlyck zijn initiatieven uit de veehouderij en de vleesnijverheid. Hoeveproducten en biologische producten kunnen ook beschouwd worden als producten met een hogere toegevoegde waarde. Om deze meerwaarde te kunnen garanderen heeft de Vlaamse overheid specifieke maatregelen uitgewerkt. Zo steunt de Vlaamse overheid projecten die de ketenafzet bevorderen, een beter controlesysteem uitwerken en vraag en aanbod beter op elkaar afstemmen. Voor de hoeveproducten bereidt de Vlaamse overheid momenteel een wetgeving voor die de productie en commercialisering in goede banen moet leiden. 1.2.5 Mestbeleid

Hoewel het mestbeleid niet tot de bevoegdheid van het beleidsdomein landbouw en visserij behoort, heeft het een belangrijke impact op de Vlaamse land- en tuinbouw. Begin 2000 ging de derde fase van het mestbeleid van start op basis van een driesporenbeleid. Brongerichte maatregelen, oordeelkundige bemesting en vooral mestverwerking moeten de mestoverschotten wegwerken. Deze sporen moeten respectievelijk 25, 25 en 50% van de mestoverschotproblematiek helpen oplossen. Brongerichte maatregelen bestaan enerzijds uit verlaagde nutriënteninhoud van de veevoeders, aangepaste voedertechnieken en beredeneerd voederen en anderzijds uit instrumenten voor de afbouw van de veestapel. Mestverwerkingtechnieken die dierlijke mest omzetten tot exporteerbare producten en onschadelijke emissies, moeten ten minste de helft van de mestoverschotten in Vlaanderen verwerken. Verder moet een oordeelkundige bemesting (code van goede landbouwpraktijk) de toepassing van meststoffen op het land beter afstemmen op de behoeften van de planten. In 2001 en 2002 gingen 954 landbouwers in op de uitstapregeling in het kader van de opkoopregeling. In 2003 heeft de Vlaamse overheid de opkoopregeling uitgebreid tot pluimveehouderijen en rundveebedrijven. Begin 2004 heeft de Vlaamse overheid de milieumodule als nieuw sensibiliseringsinstrument ingevoerd. De milieumodule heeft als doelstelling de landbouwers vertrouwd te maken met het beoordelen van milieurelevante gegevens (nutriënten, water, energie en bestrijdingsmiddelen) op bedrijfsniveau. Bovendien laat het de landbouwers toe gegevens op een uniforme en eenvoudige manier bij te houden. 1.2.6 Biologische landbouw

In de sector van de biologische landbouw geldt er een strenge controle op het naleven van de normen en waarden. De overheid heeft begin de jaren ’90 de controle aan externe controleorganismen uitbesteed. In Vlaanderen zijn hiertoe twee organisaties erkend: Integra, afdeling BLIK en Ecocert Belgium. De twee Actieplannen Biologische Landbouw die alle initiatieven binnen het beleidsdomein overkoepelden, hebben een belangrijke impuls gegeven. Om de biologische landbouw te stimuleren kunnen landbouwers sinds 1994 gedurende 5 jaar genieten van een hectaresteun. Het totale areaal biologische landbouw (onder controle bij de controleorganismen BLIK en Ecocert) is sindsdien verzesvoudigd tot 3.879 ha in 2002. Dit komt overeen met 0,6% van het Vlaamse landbouwareaal. De laatste jaren nam de groeisnelheid echter af. In feite was er in 2002 zelfs een lichte achteruitgang. Ook voor 2003 verwacht de sector geen verdere groei van het areaal. De stagnatie is te wijten aan de structuur van de biosector, die enerzijds gekenmerkt wordt door versnippering en kleinschaligheid en anderzijds door een gebrekkige afzet. Vanaf 2001 nam de Vlaamse overheid enkele nieuwe maatregelen in het kader van het Vlaamse Programma voor Plattelandsontwikkeling (PDPO) om hieraan te verhelpen. Naast de hectaresteun betreft het onder meer steun voor het opmaken van een bedrijfsomschakelingsplan en voor 9


bedrijfsbegeleiding in de biologische landbouw. Sinds 2002 ondersteunt de Vlaamse overheid ook de afzet van biologische producten, en dit op projectmatige basis en via de ketenmanagers. Met deze bijkomende maatregelen verdubbelde de overheidsimpuls voor deze sector in 2002. Het Actieplan Biologische Landbouw II gaf in 2003 een bijkomende impuls met als voornaamste actiepunt de verhoging van de hectaresteun. Dit stimulerende beleid, dat vanaf 2001 geleidelijk aan werd ingevoerd en momenteel op kruissnelheid begint te komen, zou vanaf 2005 zichtbare resultaten moeten opleveren.

1.3

Landbouwkundig wetenschappelijk onderzoek

Binnen het federale Ministerie van Landbouw en Middenstand bestond een lange traditie in het organiseren van wetenschappelijk onderzoek. Het landbouwonderzoek vormt al jarenlang een aandachtspunt in de diverse financieringsorganismen. Door de regionalisering kwam een omvangrijk potentieel aan toegepast onderzoek over naar het regionale niveau. Er wordt beleidsondersteunend wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd, dat nuttig is voor de inrichting en bevordering van de duurzaamheid van de landbouw, tuinbouw en zeevisserij. In het kader van BBB zullen de wetenschappelijke instellingen van het beleidsdomein Landbouw en Visserij, CLO en een deel van CLE fusioneren tot één Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO). BBB voorziet tevens in de oprichting van een departementale studiedienst die beleidsadviezen en –evaluaties voor een geïntegreerd en toekomstgericht beleid moet verzekeren.

1.4

Toekomstige ontwikkelingen

Door de toetreding van tien (voornamelijk Oost-Europese) landen tot de Europese Unie, zal de handel van de toetreders zich verder concentreren op de EU en zullen de traditionele handelsrelaties van deze landen aan belang inboeten. Door benutting van de eigen comparatieve voordelen kan er een productieverschuiving optreden die vooral de sterk beschermde producten betreffen: suiker, zuivel en rundvlees. Daar de toetredende landen het huidige gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) – inclusief productiequota – overnemen, zullen zij echter niet in staat zijn hun comparatieve voordelen ten volle te benutten. Mede daardoor verwacht de Europese Commissie voor 2008 geen grote verschuivingen van de handel met de kandidaat-lidstaten. Het Europese landbouwbeleid streeft momenteel een duurzame ontwikkeling van de landbouwsector na en geeft daarbij veel aandacht aan milieu, gezondheid en dierenwelzijn. Het garanderen van een redelijk inkomen voor de landbouwers blijft nog steeds een belangrijke doelstelling. Hiervoor is er een heel systeem van bedrijfstoeslagen gerelateerd aan eisen in verband met milieu, volksgezondheid en dierenwelzijn, ontworpen. Vanuit de Wereldhandelsorganisatie (WTO) is er een liberaliseringtrend bezig. De druk van de WTO op het Europese landbouwbeleid is erg groot. De overgang van prijsondersteuning naar inkomensondersteuning past volledig binnen de uitgangspunten van de WTO voor minder marktverstorende steun. De vraag is of de WTO deze koerswijziging ook zal erkennen, een beslissing die zeker zijn gevolgen zal hebben op de verdere richting van het Europese landbouwbeleid. De Mid term review voorziet in heel wat evaluaties voor het eind van het eerste decennium. Bij de afnemers van agrarische producten is sprake van een toenemende concentratie waardoor de positie van de boer als zelfstandig ondernemer verandert. Het belang van de geïntegreerde detailhandel op de West-Europese markt neemt toe. De vijf grootste “retailers” zijn in elk land goed voor 40 tot 70% van de markt. Deze inkoopcombinaties werken op Europees niveau samen en hebben winkels in verschillende landen. De verwerkende industrieën gaan steeds meer samenwerken. Hierdoor kunnen zij van schaalvoordelen profiteren, maar neemt ook hun aantal af. Daarnaast vormen ketenbeheersing en 10


-controle een trend die van grote invloed is op de marktstructuur. Voor een goede marktpositie is afstemming op hun wensen, en daarmee de wensen van de burgers en consumenten steeds belangrijker. De distributiesector kan ongeveer dezelfde keuzes maken als de consument. Hij kan enerzijds waardering geven voor de kwaliteit van het product en het productieproces en dat ook laten meespelen in zijn contractuele overeenkomsten met de landbouwers. Anderzijds kan de distributiesector ervoor kiezen geen waardering te geven voor de kwaliteit en specificiteit van bepaalde producten en processen maar enkel de laagste prijs nastreven. De consument is bereid, in geval van een stijging van zijn vertrouwen in de land- en tuinbouwsector, om een hogere kostprijs te betalen voor kwalitatief betere producten. Indien de land- en tuinbouwsector de consument kan overtuigen dat ze kwalitatief, gezond en betrouwbaar voedsel kunnen produceren op een verantwoorde manier, zal de consument dit laten blijken in zijn aankoopgedrag. Indien echter de sector er niet in slaagt om de consument te overtuigen, zal de consument in zijn aankoopgedrag ook de kostprijs boven de kwaliteit gaan laten primeren. Binnen de randvoorwaarden die keten en markt stellen, hebben boeren een zekere vrijheid om voor verschillende strategieën te kiezen. De toekomst van de Vlaamse landbouw ligt in een kwaliteitsvolle productie voor smallere markten voor op specifieke wensen toegesneden producten, in ‘specialties’, kennisintensieve producten met een hogere toegevoegde waarde. Een stevige thuismarkt voor deze producten is hier echter een noodzakelijke randvoorwaarde voor succes. Binnen de landbouwsector is er een verdere trend naar professionalisering. Bij een vergelijking van de agrarische sector met industriële sectoren valt vooral op dat waar grote bedrijven dominant zijn, de sector veel beter anticipeert op nieuwe wetgeving. Er is behoefte aan een breed gedragen visie op de toekomst van de sector. In Vlaanderen zullen ruimte en stiltegebieden zich de komende twintig jaar ontwikkelen tot een van de meest schaarse artikelen. Enerzijds eist de landbouw een groot deel van de Vlaamse grond op, anderzijds is er de vraag vanuit de bevolking naar een ordelijk landschap en naar ruimte voor recreatie, stilte en natuur. Concurrentie om ruimte zal een ontwikkelingskans bieden aan landbouwproductie los van de grond, heel geconcentreerd en intensief. Op dit moment staat deze productie in een kwaad daglicht omdat ze slecht scoort qua milieubelasting en qua welzijn (het welzijn van arbeid in de tuinbouw en van dieren in de veehouderij). Deze milieu- en welzijnsproblemen zijn echter technisch oplosbaar. In intensieve systemen zijn stofstromen in principe goed beheersbaar. Niet-grondgebonden teelten zouden in een proces van verdergaande specialisatie binnen Europa een optie voor Vlaanderen kunnen zijn. Het succes ervan hangt af van de aanvaarding door de consument van nieuwe technieken en systemen. Veranderingen in planologisch beleid kunnen ook op essentiële punten bijdragen aan de oplossing van milieuproblemen, zoals bvb. besparingen in energieverbruik in de glastuinbouw door het gebruik van restwarmte (primaire energiebronnen). Ook de natuur- en waterbeheerders stellen eisen aan de wijze waarop landbouw met de ruimte omspringt. Twee vrijwillige opties dienen zich aan. De eerste mogelijkheid is met de landbouw zoveel mogelijk tot een vergelijk komen ten aanzien van nutriëntenverlies en bestrijdingsmiddelengebruik zodat het samengaan van water, natuur en landbouw op de lange termijn gewaarborgd is (verweving). De landbouwer kan zich dan ontplooien als leverancier van groene en blauwe diensten voor de maatschappij. De tweede mogelijkheid is het opkopen van beschermingsgebieden en deze tot natuurgebied omvormen. Dit betekent een isolatie van de landbouw ten opzicht van andere sectoren (scheiding). Door het beschikbaar komen van nieuwe productietechnieken is de productiviteit sinds de naoorlogse periode enorm gestegen, en is de aard van het productieproces sterk veranderd. Hierdoor is er een kloof ontstaan met het vroegere romantische beeld van de landbouw. De technologische ontwikkeling zal in de toekomst niet stoppen. Land- en tuinbouwers blijven ondernemers die er belang bij hebben om de doelmatigheid van het productieproces te verbeteren en daarbij gebruik maken van de voortgaande ontwikkelingen op het gebied van bio- en informatietechnologie. De voornaamste innovatiemogelijkheden situeren zich op het vlak van plantenveredeling (waarbij de aandacht verder zal verschuiven van productieverhoging naar nieuwe variëteiten) en genetische modificatie. De rol van deze laatste zal sterk afhangen van de opinie van de consument ten aanzien van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s). Tot slot zijn er op IT-vlak steeds meer mogelijkheden zowel op het vlak van 11


bedrijfsbeheer, als op het vlak van technologie voor de beheersing van productiesystemen (precisielandbouw).

1.5

Visserij

1.5.1 Huidige toestand

Op 1 januari 2004 bestond de Belgische vloot uit 125 vaartuigen met een gezamenlijk vermogen van 66.732 kW en 23.794 BT. De Belgische vissersvloot is opgedeeld in het zogenaamd “groot segment” en “klein segment”. Het klein segment omvat vaartuigen tot 221 kW, en bestaat uit kustvissers, eurokotters en kleine bokken (61 vaartuigen). Het groot segment groepeert de vaartuigen met meer dan 221kW. Tot dit segment behoren de middelgrote en grote bokken en de plankenvaartuigen (64 vaartuigen). Ongeveer 700 werknemers bemannen de 125 vaartuigen. Deze bemanning wordt betaald op basis van een % van de waarde van de gevangen vis. De aanvoer door Belgische schepen in de Belgische havens bedroeg in 2003 20.107 ton, de totale aanvoerwaarde bedroeg 78,2 miljoen euro. Dit betekende zowel in aanvoer als in aanvoerwaarde een stijging ten opzichte van 2002 met respectievelijk 3% en 10%. De aanvoer en aanvoerwaarde in vreemde havens echter daalde met ongeveer de helft, zodat de totale aanvoer in Belgische en vreemde havens samen daalde met ongeveer 10% en de aanvoerwaarde met 4%. De globale aanvoer en aanvoerwaarde bedroegen 23.300 ton en 88 miljoen euro in 2003. De aanvoerwaarde van tong bedroeg ongeveer 35 miljoen euro, die van schol ongeveer 10 miljoen euro. Dit bewijst de allesoverheersende positie van tong en schol voor de Belgische vissersvloot. De voornaamste aanvoerhaven is nog steeds Zeebrugge die ongeveer 69% van de aanvoerwaarde voor zich neemt, gevolgd door Oostende met ongeveer 30% en Nieuwpoort met 1,1 miljoen euro of 1 %. De Belgische vloot bestaat vooral uit boomkorvaartuigen (± 95%). Deze vissen gericht op platvissoorten (tong en schol maar eveneens tarbot, griet, schar, tongschar enz.). Dit zijn producten die zeer goed in de markt liggen en daardoor een nogal goede prijsvorming kennen. Daardoor wordt in België weinig vis aan de markt onttrokken wegens het niet halen van de ophoudprijs. De boomkorvisserij verbruikt nogal veel gasolie. De dure gasolie weegt dan ook zwaar op de rendabiliteit. Vanuit milieuoogpunt krijgt de boomkorvisserij veel kritiek omdat deze visserijmethode sterk de bodem omwoelt wat erg schadelijk is voor het bodemleven. De laatste 2 jaar heeft de boomkorvloot sterk te lijden van de kabeljauwherstelplannen van de EU. Hierdoor is de visserij-inspanning voor deze visserijmethode voor 2004 beperkt tot 14 dagen per maand in de Noordzee, Oostelijk gedeelte van het Engels Kanaal, Ierse Zee en ten Westen Schotland. Voor 2004 zijn de quota voor de meeste vissoorten gevoelig gedaald enerzijds omwille van de slechte toestand van enkele bestanden zoals kabeljauw en heek en anderzijds door de toepassing van het voorzorgsbeginsel waardoor de EU eveneens sterke beperkingen oplegt aan vissoorten die samen met kabeljauw en heek gevangen worden. Dit is het geval voor tong in bepaalde gebieden, tarbot, griet enz. in de Noordzee. De Belgische quota liggen sterk verspreid over de verschillende visgronden. Dit heeft het voordeel dat een of andere beperkende maatregel alle quota niet op dezelfde wijze treffen. De verspreiding van de quota is dan weer een nadeel bij de instelling van visserij-inspanningslimieten. Verre visgronden vereisen immers meer stoomdagen en dus meer energieverbruik. Op dit ogenblik bestaan er geen individuele transferabele quota (ITQ) in België. Er is hieromtrent reeds heel wat discussie gevoerd. Er zijn voor- en nadelen. Pluspunt zijn ondermeer geen investeringen in ITQ’s en geen aansporing voor Nederlandse reders tot het zich inkopen in een Belgische rederij. En minpunt is zeker het huidige complexe overheidsbeheer van de quota. 12


De visverwerkende nijverheid stelt tussen de 1500 en 2500 mensen te werk. De productie in volume bedroeg 58.367 ton in 2002 met een waarde van 363,5 miljoen euro. De verwerkende nijverheid is beperkt afhankelijk van de eigen aanlandingen. De grote verwerkers en grootdistributeurs betrekken slechts enkele percenten van het aanbod op de binnenlandse veilingen. De verwerkende nijverheid kan zich bijgevolg redelijk onafhankelijk opstellen tegenover de Belgische visserij, hoewel zij in een sociale economie parallelle belangen heeft.

De aquacultuur in Vlaanderen vindt traditioneel alleen in zoet water plaats. Het productievolume bedraagt minder dan 350 ton wat macro-economisch beschouwd verwaarloosbaar is. 1.5.2 Trends

Op dit ogenblik gaat het niet zo best in de visserijsector (aanvoer sector) enerzijds omdat de kosten als gevolg van de nog steeds dure gasolie hoog blijven en anderzijds omdat de beperkingen van quota en visserij-inspanning de opbrengsten beperken en een verhoogde prijs deze niet of slechts gedeeltelijk kunnen compenseren. Dit maakt dat er helemaal geen animo is om de vloot te moderniseren waardoor deze dreigt te verouderen. Een andere negatieve trend is de bemanning. De reders krijgen het steeds moeilijker om een vaartuig te bemannen. Als gevolg van de vele vangstbeperkingen en de daarbij horende spanning en stress aan boord, gaat het aantal bemanningsleden gestaag achteruit. De zogenoemde vrijheid op zee is volledig verdwenen en de roep naar zee is grotendeels weggevallen. Anderzijds is de expansie van de offshore bedrijven als De Nul en Dredging van dien aard dat ze aan boord van deze vaartuigen heel wat vissers goed kunnen gebruiken waardoor deze trachten te rekruteren onder de vissers. Ten gevolge van de slechte toestand van enkele visbestanden en de wil van de Europese Commissie om deze opnieuw op peil te brengen, zullen de quota in de toekomst waarschijnlijk nog dalen. Ook een uitbreiding van de gebieden met een visserij-inspanningsbeperking is reëel. Een voortzetting van dit beleid zou tot gevolg kunnen hebben dat de Belgische vloot te weinig dagen op zee mag verblijven om nog rendabel te kunnen vissen. Want deze regeling treft ook heel wat andere vissoorten die niet onder de quotaregeling vallen maar die naast de quotasoorten als bijvangst gevangen worden. Dit geldt vooral in de Westelijke Wateren. Op dit ogenblik is de steun voor nieuwbouw en hermotorisering verboden. Dit maakt dat met de huidige slechte toestand in de visserijsector, de vernieuwing van de vaartuigen nog zal vertragen. De steun is eveneens gebonden aan het respect van de zogenoemde referentieniveaus in tonnage en vermogen. België overschrijdt licht het referentieniveau wat betreft tonnage. Vermoedelijk als gevolg van een strikte toepassing van de zogenoemde economische band daalt de aanvoer in vreemde havens jaar per jaar. Een behoud van deze strikte toepassing is dan ook aangewezen, voor de toekomst.

13


2

Beleidsvoorstellen De kern van de beleidsopgave voor de Vlaamse regering voor de volgende jaren luidt: het realiseren van een duurzame landbouw, een kwaliteitsvol voedselaanbod en een vertrouwd platteland op een samenhangende wijze combineren met de wensen van burgers op het gebied van wonen, werken en vrije tijd. Een integrale benadering en beleidsdomeinoverschrijdend overleg kunnen nieuwe verbindingen leggen tussen landbouw, landschap en milieu. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid is hierbij in belangrijke mate voorwaardenscheppend en kaderstellend.

2.1

Landbouw, trekker en partner voor een duurzame ontwikkeling

Vanuit verschillende hoeken zijn mogelijke toekomstperspectieven voor de landbouw ontwikkeld. Dit heeft bijgedragen tot het duiden van de toekomstbepalende factoren en dan vooral van die elementen die belemmerend zijn voor het ontwikkelen van een duurzame landbouw. Om deze belemmeringen weg te werken heeft het beleidsdomein Landbouw en Visserij nood aan een maatschappelijk gedragen en consistente visie over landbouw. Dergelijke visie komt de draagkracht van het beleid ten goede en geeft een duidelijk toekomstperspectief. Dit verhoogt de rechtszekerheid bij de landbouwers. Een breed gedragen visie verbetert het imago en zorgt automatisch voor een verankering van de landbouw in de maatschappij. 2.1.1 Actieve samenwerking over de beleidsdomeinen

Verschillende beleidsvelden leggen verschillende, soms tegenstrijdige, maatregelen aan de landbouwsector op. Een gedegen wisselwerking over de beleidsdomeinen heen ontbreekt. Er is een duidelijke nood aan een gestructureerde vorm van beleidsdomeinoverschrijdende afstemming, niet alleen op Vlaams, maar ook op federaal niveau. De uitbouw van dergelijke structuren moet ertoe leiden dat de landbouwadministratie beter, vlugger en efficiënter overleg pleegt met andere diensten. Deze beleidsafstemming moet gestoeld zijn op drie pijlers: een (langetermijn)visie op de landbouw, (in)formeel overleg bij besluitvorming en een gestructureerde samenwerking. De voornaamste thema’s die hieruit voordeel kunnen halen zijn plattelandsontwikkeling, ruimtelijke ordening, milieu (natuur, bos en water) en het sociaal beleid. Beleidsdomeinoverschrijdend overleg en samenwerking zorgen ervoor dat de beleidsmakers van bij het begin van de beleidsvorming rekening houden met de belangen van de Vlaamse landbouw. Daarnaast leidt de externe beleidsintegratie tot een duidelijke, door de maatschappij aanvaarde, langetermijnvisie over de rol die de land- en tuinbouw inneemt. Dergelijke visie komt de draagkracht van het beleid alleen maar ten goede en leidt tot rechtszekerheid bij de landbouwers. Tenslotte biedt deze harmonisatie van beleidsvorming en – uitvoering heel wat mogelijkheden voor administratieve vereenvoudiging. Om de beleidsdomeinoverschrijdende afstemming structureel te onderbouwen, zijn er verschillende instrumenten en mechanismen mogelijk. De mogelijkheden zijn zeer gevarieerd: thematische samenwerkingsfora, onderlinge ad hoc afstemming en informatie-uitwisseling tussen de relevante beleidsdomeinen over voorgenomen en/of gevoerd beleid, plannings- en overlegmomenten binnen de beleids- en beheerscyclus, informatiesystemen die zorgen voor informatie-uitwisseling tussen de betrokken actoren, … Vanuit de landbouwadministraties is er een duidelijke bereidheid en nood om een constructieve samenwerking tussen de verschillende beleidsdomeinen te organiseren. De hervorming van de Vlaamse overheid dient hiervoor nieuwe kansen en mogelijkheden te bieden om het beleidsdomein Landbouw en Visserij zo vlug mogelijk in structuren te voorzien (aansluitend zie ideeënfiche 3.1).

14


2.1.2 Tweede pijlerbeleid als bijdrage aan een Vlaams plattelandsbeleid

De tweede pijler van het Europese landbouwbeleid kreeg de voorbije jaren vorm via het Vlaamse Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling (PDPO). Het heeft als doel de economische leefbaarheid van de landbouw te verbeteren en de leefbaarheid van het platteland te verhogen, met onder andere aandacht voor verbrede activiteiten in de landbouw en milieuzorg. Het huidige programma, dat van start ging in 2000, loopt nog tot en met 2006. Voor de periode 2007 tot en met 2013 dient een nieuw programma opgesteld te worden. Het beleidsdomein Landbouw en Visserij zal na het aantreden van de nieuwe Vlaamse regering met de voorbereiding ervan starten. Het is van groot belang om de beschikbare middelen van de tweede pijler zo goed mogelijk te gebruiken voor maatregelen die de Vlaamse landbouwer in staat stellen de wijzigingen in het Europese landbouwbeleid te helpen opvangen en hem te laten meestappen in diversificatie en kwaliteit. Het nieuwe programma moet zorgen voor meer kwaliteit van zowel de producten als de geleverde diensten, en tot een stijging van de rendabiliteit en de overlevingskans van de Vlaamse landbouwer. Zo is bijvoorbeeld het nieuwe hoofdstuk voedselkwaliteit een uitgelezen kans om hem te stimuleren kwaliteitslandbouwproducten te produceren. Hierdoor komt hij niet alleen tegemoet aan de vraag van de consument en de markt, maar kan hij zich eveneens in een voordelige concurrentiepositie plaatsen met het oog op een uitgebreide Unie. Daarnaast moet de uitvoering van het nieuwe programma leiden tot een beter imago van de landbouw, waarbij de boer zich ook positioneert als plattelandsbeheerder. Dankzij de middelen die vanuit het programma ter beschikking zijn, kan de overheid de landbouwer honoreren voor de publieke goederen en diensten die hij via de multifunctionele landbouw (milieuzorg, recreatie, landschap, voedselzekerheid, dierenwelzijn, zorg, …) levert. Het tweede pijlerbeleid vormt een zeer belangrijk onderdeel van het Vlaamse plattelandsbeleid, dat belang heeft bij een gestructureerd beleidsoverschrijdend overleg. Het Vlaamse platteland ondervindt een verstedelijkingsdruk veroorzaakt door de woonbehoeften, de uitbreiding van economische activiteiten en de toenemende recreatieactiviteiten. Daarnaast zijn er nog enkele dun bevolkte regio’s (meestal in de grensregio’s) met noden op vlak van mobiliteit en sociale cohesie, en de beperkte onderlinge integratie van natuur, landbouw, wonen, werken en recreatie. Het is dus een belangrijke uitdaging om met alle betrokken bevoegdheidsdomeinen een echt geïntegreerd, concreet en samenhangend plattelandsbeleid te ontwerpen en uit te bouwen. Tijdens het proces van visievorming dient bijzondere aandacht te gaan naar de versnipperde bevoegdheden op het gebied van het plattelandsbeleid, en dit zowel op uitvoerend als op controlerend vlak (aansluitend bij ideeënfiche 3.2). 2.1.3 Ruimte voor landbouw

Het beleidsdomeinoverschrijdend overleg biedt niet alleen mogelijkheden voor plattelandsontwikkeling, maar ook de plaats en de ruimte die de land- en tuinbouw in Vlaanderen nodig heeft. De Vlaamse landbouwgrond is goed en dient beschermd te worden, het grondgebruik is intensief en de landbouwers zijn beperkt in hun groeimogelijkheden. Gelet op de verstedelijking is de druk op de open ruimte, die de landbouw voor bijna 2/3 beheert, groot. Bij de opmaak van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is bruto in 750.000 ha voor landbouw voorzien. De afbakening hiervan is lopende en pas wanneer deze afgelopen is, kunnen andere sectoren nieuwe gebiedseisen opleggen. In het kader van de afbakening moet de Vlaamse regering zorgen voor de ontwikkeling en realisatie van competitieve glastuinbouwbedrijvenzones (aansluitend zie ideeënfiche 3.2). Bovendien is het belangrijk dat het beleidsdomein Landbouw en Visserij bij de adviesverlening over voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen wordt betrokken (aansluitend zie ideeënfiche 3.3). Eens de gebieden voor beroepslandbouw zijn afgebakend, moet een langdurige verankering van de bestemming zorgen voor meer rechtszekerheid voor de landbouwbedrijven. Met het oog op de opmaak van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen 2007 dient de landbouwsector een eigen visie op ruimtelijke ordening te 15


ontwikkelen. In deze visie dient de landbouwsector de afweging te maken tussen de verschillende grondgebonden en grondloze sectoren, de verschillen tussen beroeps- en hobbylandbouw, de problematiek van para-agrarische bedrijvigheden en de kansen (en bedreigingen) van verweving tussen landbouw, water en natuur. 2.1.4 Positief ondernemingsklimaat

De positie van de landbouwvoedingssector in Vlaanderen is in de eerste plaats de verdienste van ondernemers in de landbouwproductie, de verwerking, de toelevering en de distributie. De overheid moet deze positie versterken door maatregelen te nemen op verschillende niveaus en binnen verschillende beleidsdomeinen. Op bedrijfsniveau vraagt dit een stimulerend klimaat voor innovatie, voldoende ruimte (zowel letterlijk als figuurlijk) voor ondernemerschap en een level playing field binnen en buiten de Europese Unie. Binnen de keten moet de aandacht vooral gaan naar kennisontwikkeling en het intensifiëren van integrale ketenwerking. Hierdoor kan de landbouwer beter inspelen op wat de maatschappij en de markt vragen (zowel op het vlak van productie als afzet) en ontstaat er een gemeenschappelijk belang voor de gehele keten (aansluitend zie ideeënfiche 3.4). De laatste tien jaren wordt de kloof tussen het arbeidsinkomen uit de landbouw en het vergelijkbaar inkomen uit andere sectoren steeds groter. De inkomensdispariteit bedraagt ruim 30% en neemt nog verder toe. Teneinde de rendabiliteit van de landbouwbedrijven te verhogen, dient de overheid concrete initiatieven te nemen om het concurrentievermogen te versterken. Het is immers essentieel dat er ook in de toekomst ondernemers blijven die brood zien in de landbouw en dat er jonge mensen zijn die willen ondernemen in de landbouw. Om de structuur van de Vlaamse landbouwbedrijven te verbeteren, moet de overheid land- en tuinbouwers stimuleren om over te gaan naar vennootschapsvormen en een fiscale boekhouding te houden. Tevens dient de overheid aandacht te besteden aan de sociale aspecten waarmee ondernemers (en hun gezinnen) te maken hebben. Daarnaast dient een aangepast ruimtelijke structuurniveau de landbouwer toe te laten om op een weloverwogen manier zijn bedrijf rendabeler te maken. Ruilverkavelingen blijven hierbij een belangrijk instrument om de bedrijfsstructuur te optimaliseren. De landbouw(er) heeft te maken met een veelheid aan regelgeving en sterk op elkaar volgende wetswijzigingen in verschillende domeinen. Die beletten enerzijds de sector tot het vormen van een langetermijnvisie en creëren anderzijds een grote rechtsonzekerheid voor de landbouwer en zijn bedrijf. Het is daarbij van belang dat bedrijfs- en beleidsbeslissingen op elkaar afgestemd zijn zodat een maximale competitiviteit kan gegarandeerd worden, spijts de nodige beperkingen. Gemeenschappelijk op te bouwen kennis kan coherentie tussen beide beslissingsniveau’s bevorderen (aansluitend zie ideeënfiche 3.9). De lage leefbaarheid en de grote rechtsonzekerheid leiden ertoe dat heel wat landbouwers het stopzetten van hun bedrijf overwegen. Naar alle verwachtingen zal de huidige trend van schaalvergroting zich in de (nabije) toekomst nog verder zetten. Daarom is er nood aan sociale vangnetten voor de uittredende landbouwers en aan verdere ondersteuning bij vervroegde uittreding. 2.1.5 Administratieve vereenvoudiging

De vermindering van de administratieve lastendruk is een gecompliceerde opgave, omdat met name binnen het beleidsdomein Landbouw en Visserij door de Europese regelgeving een behoorlijke regeldruk bestaat. Bovendien leidt het streven naar maximale rechtvaardigheid en het minimaliseren van de risico’s bij de naleving van de regelgeving tot fijnmazigheid en extra lasten. Ook voor dit thema is beleidsdomeinoverschrijdende samenwerking noodzakelijk. Het nagaan van de impact van toekomstig 16


beleid (of eventueel gevoerd beleid) op de betrokken beleidsdomeinen zal ertoe leiden dat toekomstig beleid veel beter is afgestemd op externe beleidsdomeinen. Daar de meeste administratieve lasten ontstaan op kruispunten van verschillende beleidsdomeinen, laat beleidsdomeinoverschrijdend overleg toe om de huidige en de toekomstige regelgeving van verschillende beleidsdomeinen beter op elkaar af te stemmen, om op die manier de administratieve lasten te verminderen. Het voorbeeld bij uitstek is het pilootproject “eenvormige perceelregistratie” dat de registratie van percelen door de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) van het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur en de administratie Landbouwproductiebeheer (ALP) van het beleidsdomein Landbouw en Visserij op elkaar afstemt. De recent goedgekeurde hervorming van het Europese landbouwbeleid (Midterm review) draagt een aantal mogelijkheden tot vereenvoudiging in zich, met name in het domein van de rechtstreekse inkomenssteun voor de landbouwers. De Vlaamse regering kan de mogelijkheden van deze nieuwe regelgeving op korte termijn maximaal benutten wanneer zij zorgt voor een snelle, efficiënte en effectieve implementatie ervan in Vlaanderen met ingang van 2005. Aan de toekenning van de rechtstreekse inkomenssteun zijn nieuwe randvoorwaarden gekoppeld (cross-compliance). De verschillende Vlaamse (en ook federale) administraties zullen met het geïntegreerde betaalorgaan moeten samenwerken en de nieuwe voorgeschreven controleopdrachten op een optimale en onderling gecoördineerde wijze moeten uitvoeren, om overlast voor de producenten te vermijden. De resultaten van deze opdrachten moeten de administraties op een éénvormige wijze uitwisselen met het geïntegreerde Vlaamse Betaalorgaan op basis van de identificatiesleutels die de EU voorschrijft. Hiervoor is het noodzakelijk dat alle betrokken controlediensten deze identificatiesleutels (huidig producentnummer en bedrijfsnummer) aanwenden.

2.2

Uitbouw en ondersteuning van een Vlaams kwaliteitsbeleid

2.2.1 Kwaliteitsvol van Vlaanderen

Door de uitbreiding van de Europese Unie en een steeds grotere liberalisatie van de wereldmarkt krijgt Vlaanderen het in de nabije toekomst moeilijk om te concurreren op de markt van de standaard landen tuinbouwproducten. De Vlaamse land- en tuinbouw moet zich toeleggen op kwaliteitsproducten en daarbij het accent leggen op het Vlaamse karakter (aansluitend zie ideeënfiche 3.5). Door zijn sterk verstedelijkt karakter heeft Vlaanderen geen andere keus dan zich te richten op een land- en tuinbouwproductie die sterk op kwaliteit gericht is. De grondprijzen zijn immers te duur om te kunnen concurreren met bulkproducten op de wereldmarkt. Daarnaast biedt dit verstedelijkte gebied een ideale koopkrachtige afzetmarkt die bereid is te betalen voor kwaliteit. Het uitgebreide wegennet garandeert een vlotte distributie, zodat markten over gans Europa binnen handbereik komen. De kwaliteit waarvan sprake slaat niet op de standaardkwaliteit waaraan elk product moet voldoen, maar gaat over de kwaliteit die een meerwaarde biedt. Dit kan zowel betrekking hebben op de producteigen kwaliteit (smaak, kleur, geur), als op de productiemethode waarmee een product tot stand gekomen is (bio, milieuvriendelijk, diervriendelijk,..). ‘Meer kwaliteit’ bieden creëert ‘meerwaarde’. Momenteel is het kwaliteitsbeleid in Vlaanderen vooral een gevolg van sectorinitiatieven geweest, maar deze zullen ontoereikend zijn voor de nieuwe uitdagingen. De Vlaamse overheid moet een sterk structureel Vlaams kwaliteitsbeleid uitwerken waarin ze een belangrijke begeleidende, sturende en stimulerende rol heeft (aansluitend zie ideeënfiche 3.6). Na de herziening van het Europese landbouwbeleid zijn daarvoor middelen beschikbaar in de tweede pijler. 17


2.2.2 Wat is een Vlaams kwaliteitsbeleid?

De Vlaamse overheid heeft een rol in het helpen opmaken van kwaliteitssystemen. Ze moet de reeds bestaande kwaliteitssystemen uitbreiden en uitdiepen in samenwerking met de sectoren. In bepaalde sectoren is daar niet de draagkracht of de know-how aanwezig. Om de coördinatie van deze systemen en overleg met andere bestuursniveaus te garanderen, moet de Vlaamse overheid een structureel Vlaams kwaliteitsbeleid uitwerken. Dit beleid zal eerder sturend dan regulerend optreden. Het moet een visie naar kwaliteit voor de Vlaamse land- en tuinbouw en de concepten die daarvoor nodig zijn ontwikkelen in overleg met de sectoren. Het kwaliteitsgebeuren en het zoeken naar een alternatieve profilering van de Vlaamse land- en tuinbouw is een economisch gegeven. In die zin is het niet aangewezen dat de Vlaamse overheid kwaliteitssystemen wetmatig gaat vastleggen. Niet alleen zou dit bijkomende controle impliceren, het zou ook een hypotheek leggen op de markt van de gangbare producten en het zou sectorinitiatieven niet bevorderen. 2.2.3 Ontwikkelen van kwaliteitssystemen

De Vlaamse overheid moet samen met de sectoren kwaliteitssystemen uitwerken voor alle sectoren en er voor zorgen dat meer producenten instappen in de bestaande systemen. Zo kan Vlaanderen zich profileren op de kwaliteitsmarkt. Twee systemen onderscheiden zich van elkaar: horizontale en verticale. Horizontale systemen hebben als doel elke producent in elke schakel van de keten, in het kwaliteitssysteem te doen stappen. Op die manier wordt het kwaliteitssysteem gradueel ontwikkeld van producent tot consument en dit doorheen de ganse keten. In die systemen is het de bedoeling dat op termijn de ganse sector volgens dit systeem produceert. Horizontale kwaliteitssystemen lenen zich het best voor sectoren waarvan de Vlaamse producten op een wereldmarkt het moeilijk hebben om in competitie te treden met de andere spelers. Verticale systemen lenen zich beter voor sectoren waar het karakter van de Vlaamse productie voldoende is om zich te onderscheiden van de producten van de concurrentie, maar waar kwaliteitssystemen zorgen voor een diversificatie van de markt. Dergelijke systemen creëren een nichemarkt met een specifieke afzet. Dit impliceert dat het in die sectoren niet de bedoeling is 100% van de markt te bestrijken. . Om tot een integraal Vlaams kwaliteitsbeleid te komen, moet de Vlaamse overheid deze systemen voor en met alle sectoren ontwikkelen en moet ze de bestaande systemen indien mogelijk en gewenst verdiepen. Dit leidt tot een groter onderscheidende vermogen van de Vlaamse landbouwproductie, wat de concurrentiepositie van de Vlaamse landbouwer versterkt. 2.2.4 Belang van accreditatie volgens internationale standaarden

Het is belangrijk dat deze kwaliteitssystemen opgesteld worden volgens internationaal erkende standaarden en ook op die manier geaccrediteerd worden. Op die manier verkrijgt het systeem niet alleen een erkenning naar export toe, maar kunnen verschillende bestuursniveau’s het ook erkennen. Met andere woorden, als een bepaalde instantie een producent controleert op het correct toepassen van deze kwaliteitssystemen, die altijd verder gaan dan wat wettelijk bepaald is, dan maakt dit bepaalde controles overbodig die momenteel door overheden of administraties gebeuren. Bepaalde agromilieumaatregelen van de ALT zouden daaronder geïntegreerd kunnen worden. Dit houdt niet alleen een besparing voor de overheid in, maar betekent eveneens een administratieve vereenvoudiging voor de producent. Uiteraard zal het steeds noodzakelijk zijn dat de bevoegde administraties op een structurele manier toezicht uitoefenen op de controleorganismen. 18


2.2.5 Stimuleren van de markt voor kwaliteitsvolle en Vlaamse land- en tuinbouwproducten

Als Vlaanderen zich profileert op de kwaliteitsmarkt, dan moet er ook vraag zijn naar deze producten. Twee aspecten zijn hierbij bepalend en zowel de sectoren als de overheid spelen een determinerende rol in het stimuleren van de vraag naar kwaliteitsproducten van eigen bodem. In de eerste plaats moet de vermarkting het accent leggen op die meerkwaliteit (aansluitend zie ideeënfiche 3.7) . Labels en etiketten moeten het voor de consument duidelijk maken waarom hij voor dit product meer betaalt dan voor een ordinair product. De overheid moet een ondersteunende communicatie voeren die de consument wijst op de meerwaarde van producten die onder bepaalde labels geproduceerd zijn. De Vlaamse producten moeten boven de grijze massa uitsteken. Een tweede belangrijke feit is dat de Vlaamse land- en tuinbouwer moet produceren wat de markt vraagt en sneller moet kunnen inspelen op tendensen. Onderzoek naar nieuwe producten, methoden, technologieën, markten, consumptiegewoonten en tendensen is in die optiek van essentieel belang. De Vlaamse regering kan eventueel via het Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie bijkomende financiering overwegen. 2.2.6 Tweede pijler van Europees landbouwbeleid financiert kwaliteit

De tweede pijler van het Europese landbouwbeleid is zo opgevat dat de landbouwers moeten worden aangemoedigd om aan communautaire of nationale voedselkwaliteitsregelingen deel te nemen. Aan landbouwers die aan dergelijke regelingen deelnemen, moet tijdelijke steun worden toegekend. Regelingen die uitsluitend bedoeld zijn voor en stringentere controle op de inachtneming van dwingende normen in het kader van de communautaire of nationale wetgeving komen niet voor steun in aanmerking. Het is belangrijk dat de consument zich meer bewust wordt van het bestaan van, en van de eigenschappen van deze producten geproduceerd volgens voedselkwaliteitsregelingen. De Vlaamse overheid kan nu ook tussen komen in de financiering van de startkosten voor de producenten die in dergelijke systemen willen stappen (aansluitend zie ideeënfiche 3.8). Dit hoeft niet op een systematische manier te gebeuren. De tweede pijler van het Europese landbouwbeleid biedt de lidstaten en regio’s de mogelijkheid om kwaliteitssystemen te erkennen. Deze erkende systemen (één of meerdere per sector), en de daaraan gekoppelde promotie, kunnen dan voor financiering in aanmerking komen. De Vlaamse overheid kan een deel van de middelen uit het Vlaamse PDPO besteden aan het uitwerken en ondersteunen van dergelijke kwaliteitsborgingsystemen en het daaraan gekoppelde onderzoek en promotie.

2.3

Onderzoek ten dienste van landbouwer en beleid

2.3.1 Pro-actief landbouwkundig onderzoek

Een efficiënt onderzoeksapparaat met duidelijke taakverdeling in het domein van een duurzame landbouw, tuinbouw en zeevisserij is een prioritaire noodzakelijkheid. Zo kan de overheid adequaat inspelen op de evoluerende eisen van maatschappij, milieu en consument. Het onderzoek moet het beleidsdomein Landbouw en Visserij toelaten een toekomstgericht beleid te ontwikkelen met het oog op een kennislandbouw met hoge toegevoegde waarde. Het onderzoek moet vooral aandacht besteden aan toekomsttechnologie en aan de voor Vlaanderen toekomstgerichte producten, rekening houdend met de Vlaamse ecologische omstandigheden en de nabijheid van een grote afzetmarkt. Groenten, siergewassen en bedrijfseigen voeders zijn hierbij voorbeelden. Kwaliteit, 19


inkadering in een algemene plattelandsontwikkeling en efficiënt gebruik van de hulpbronnen zijn een belangrijk toetsingskader. 2.3.2 De uitbouw van een hoogwaardig onderzoeksinstituut

Het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) bestaande uit het huidige Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek (CLO) en een deel van het Centrum voor Landbouweconomie (CLE), speelt een primaire rol. De Vlaamse overheid moet het ILVO uitbouwen tot een eersterangs onderzoeksinstituut met internationale erkenning. Daarbij moet ze in eerste instantie een bijdetijdse campus voor het landbouwkundig onderzoek uitbouwen (implementatie van een “Masterplan”). In relatie met de departementale studiedienst en in het kader van beleidsondersteunend onderzoek moet het ILVO modellen en methodologieën ontwikkelen. 2.3.3 Het organiseren van kennisdoorstroming

Het is uitermate belangrijk dat de overheid de nodige institutionele steun verleent en aanreikt, zowel aan het ILVO als aan de praktijkcentra. Hiervoor is de oprichting van een sturingsorgaan voor planning, opvolging en evaluatie noodzakelijk. Tevens moeten de specifieke onderzoeksinstellingen de doorstroming (communicatie, demonstratie) van de bekomen onderzoeksresultaten verzekeren naar de diverse sectoren in land - en tuinbouw. Deze taak dient de Vlaamse overheid expliciet in hun opdracht en overeenkomst in te schrijven. Ze dienen projecten omtrent toegepast onderzoek op te zetten die resulteren in concrete producten en technieken. Meetfactoren tonen aan in hoeverre de resultaten de gehele keten ten goede komen. De onderzoeksinstellingen hebben een taak als dienstverlening en dienen ook als informatiebron en doorgeefluik van interne en externe wetenschappelijke kennis naar overheid en beleid. Ze kunnen technieken ontwikkelen om de kennisstroom tussen de belangrijke beslissingnemers (bedrijven, overheid) beter op elkaar af te stemmen (aansluitend zie ideeënfiche 3.9). Hiervoor is de oprichting van een sturingsorgaan voor planning, opvolging en evaluatie noodzakelijk. 2.3.4 Beschikbare middelen doeltreffend besteden

Eén van de aandachtspunten is de zorg voor een evenwicht tussen het onderzoek op korte termijn (direct toepasbaar) en het onderzoek op lange termijn (kennisopbouw en basisonderzoek) dat tot innovatie leidt. De beschikbare middelen die nu verspreid zitten, moet de Vlaamse overheid binnen het beleidsdomein Landbouw en Visserij hergroeperen, heroriënteren en optrekken. Hierbij is departementaal overschrijdend overleg met Wetenschapsbeleid essentieel. Een lange termijn substantiële en specifieke steun is voor landbouwonderzoek noodzakelijk om een ruggengraat te garanderen, teneinde door vernieuwing, creativiteit, biologische en technologische ontwikkelingen te kunnen anticiperen op eventuele problemen. Publiekprivate samenwerking is in een aantal gevallen aangewezen. 2.3.5 Het EU-beleid onderbouwen

In het kader van de implementatie van de Europese regelgeving is het voor de Vlaamse overheid ook van groot belang om over objectieve gegevens te beschikken en aldus voor de beleidsvoering onafhankelijk te zijn van bepaalde actoren. De gerichte aanpak van het Vlaamse onderzoek, samen met andere (Europese) partners, moet daarom de nodige omkadering krijgen. Dit zal Vlaanderen toelaten om ook wetenschappelijk gefundeerde beleidsopties te verdedigen op Europees niveau.

20


2.3.6 Optimalisatie nicheproductie

Gelet op het streven naar een blijvende of grotere (agrobio-)diversiteit en aanbodvariatie, moet de Vlaamse overheid het onderzoek stimuleren naar de ontwikkeling en/of optimalisatie van kleinschalige en nicheproducten, van basisproducten voor o.a. fijnchemie, functionele voeding, herbruikbare en bioafbreekbare grondstoffen, van producten die niet onmiddellijk een groot economisch belang hebben en van mogelijke alternatieven.

2.4

Een beter imago voor een betere waardering

De landbouw met al haar facetten is te weinig bekend bij zowel het brede publiek als bij collega’s van andere beleidsdomeinen. Een juiste beeldvorming verbetert het imago. Een goede communicatie is nodig zodat de primaire rol van de landbouw weer gekend is en opdat de maatschappij de positieve inspanningen die de sector levert, erkent en waardeert. De communicatie naar de eigen doelgroep, de land- en tuinbouwers, moet duidelijk en toegankelijk zijn. Een goede samenwerking met al de betrokken diensten en andere beleidsdomeinen is noodzakelijk. 2.4.1 Een duidelijke communicatiestrategie

Een betere communicatie is enkel mogelijk mits een duidelijk vooropgestelde communicatiestrategie en planning. De “bedrijfscultuur” van de administratie moet gericht zijn op een eenduidige en klantvriendelijke communicatie. Een gecoördineerde aanpak vergt een goede interne samenwerking en overleg tussen de verschillende administratieve diensten en de dienst Communicatie, alsook met het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM) en het Vlaams Informatiecentrum over Land- en Tuinbouw (VILT). Duidelijke afspraken moeten dit engagement bestendigen. 2.4.2 Communicatie naar de sector: voortzetting van een maandblad

Voor de communicatie naar de professionele land- en tuinbouwers is een maandblad een ideaal instrument. Het biedt een forum om hen bewust te maken van maatschappelijke evoluties en veranderende waarden en normen. Het beleid kan op een objectieve manier aan bod komen. Getuigenissen van landbouwers of interviews met experten concretiseren het. Uit ervaring blijkt dat een dergelijk blad (“Buitenkansen”) een duidelijke toegevoegde waarde heeft. Belangrijk daarbij is de succesvolle beleidsoverschrijdende participatie van de Vlaamse landmaatschappij (VLM), VLAM en het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur (LIN) aan de redactieraad. De VLAM van haar kant informeert de individuele marktdeelnemers, haar bijdragebetalers, over de gevoerde acties en over de kwaliteitssystemen. 2.4.3 Bewustmaking brede publiek: correcte beeldvorming

Voor de communicatie naar het brede publiek en de consument dient de Vlaamse overheid een ruimer instrumentarium (bvb. regionale zenders) aan te wenden. Momenteel vormt VILT een knooppunt van knowhow, dat allerlei initiatieven ontwikkelt (website, nieuwsbrieven, …) gericht naar specifieke doelgroepen. Daarnaast richt de VLAM zich rechtstreeks tot de consument, met promotieacties, informatie- en receptenfolders, en tot de media met als centrale uitgangspunt het kwaliteitsaspect van de Vlaamse land- en tuinbouw. VLAM speelt een cruciale rol op vlak van promotie, bij het verspreiden van objectieve voedingsinformatie en informatie over de kwaliteitssystemen, zowel in binnen- als in buitenland. VILT en VLAM dienen als instrument verder uitgebouwd te worden.

21


2.4.4 Samenwerking met andere beleidsdomeinen: concrete initiatieven

Beleidsdomeinoverschrijdende initiatieven dragen bij tot een eenvoudigere informatiestroom naar de landbouwer toe en ook tot een integratie van landbouw in het geheel van de samenleving. Samenwerking met het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur zorgt ervoor dat activiteiten en maatregelen in het kader van duurzame landbouw en de inspanningen op vlak van milieu een weg vinden naar het brede publiek. De reeds genomen ad-hoc initiatieven, zoals studiedagen georganiseerd in samenwerking met AMINAL, hebben een eerste aanzet gegeven. Dergelijke initiatieven moet de Vlaamse overheid stimuleren en ondersteunen. Ze verdienen in de toekomst een structurele aanpak (aansluitend zie ideeënfiches 3.10 en 3.11).

2.5

Een toekomst voor de Vlaamse zeevisserij

De Vlaamse overheid staat voor belangrijke uitdagingen wat het zeevisserijbeleid betreft. Ze dient de noodzakelijke voorwaarden te scheppen om een economisch gezonde visserijsector in Vlaanderen te creëren. Alle economische spelers in de sector moeten daarbij hun eigen verantwoordelijkheid opnemen. Ze moet er voor zorgen dat de exploitatie van de visgronden op een duurzame en ecologisch verantwoorde manier gebeurt. Daarenboven moet zij het positieve hefboomeffect van de visserijsector beter weten te valoriseren. Ten slotte dient zij het Vlaamse aspect van de visserijsector te waarborgen. Het gemeenschappelijk visserijbeleid is hierbij in belangrijke mate voorwaardenscheppend en kaderstellend. 2.5.1 Een aangepast quotabeheer: van dagplafonds naar beperking over periode per kW

Het huidige quotabeheer streeft een maximale spreiding van de quotaopname na, voornamelijk via de vaststelling van dagvangstbeperking. Om tot een meer efficiënte visserij te komen, kan de Vlaamse overheid opteren voor een beperking van de vangst over een langere periode, gekoppeld aan het motorvermogen van de vissersboot. De visser haalt hier een economisch voordeel uit aangezien hij door een betere concentratie van de inspanning, zijn kosten kan drukken. Ook het zeemilieu vaart er wel bij omdat dit systeem leidt tot minder teruggooi van ongewenst gevangen soorten. De dienst Zeevisserij test dit systeem momenteel uit bij tong in de Noordzee. Dit systeem is niet zomaar overal toepasbaar maar is wel geschikt voor schol in de Noordzee, kabeljauw in de Westelijke Wateren en tong in het Bristol kanaal. Aanvullend onderzoek naar de mogelijkheden van een beperking van het aantal visdagen en stillegperiodes ter ondersteuning van dit systeem is wenselijk. Dit systeem past in een gedifferentieerd beleid naar groot en klein segment. Het biedt de mogelijkheid om het klein segment beter te beschermen in de Noordzee. In het klein segment zijn zowel kustvissers als niet-kustvissers vertegenwoordigd. Deze laatste groep ondervindt dan wel enig nadeel omdat ze niet meer kunnen meeprofiteren van de opgebouwde rechten. Een oplossing voor het te veel kan zijn de niet zo actieve kustvissers in te schakelen in het toerisme met het behoud van hun vaartuig en hun rechten maar met een zeer beperkt visquotum (zie ideeënfiche 3.13). Het effect van deze maatregel is echter beperkt aangezien deze groep slechts een beperkt aantal rechten heeft opgebouwd. Momenteel test de dienst Zeevisserij ook een ander quotabeheerssysteem uit. Voor de tong- en scholvisserij in sommige gebieden kent de dienst een quotum toe aan het vissersvaartuig naar rata van het vermogen. Niet gebruikt quotum herverdeelt de dienst na verloop van een bepaalde periode. Evaluatie zal moeten uitwijzen of dit systeem een haalbaar alternatief vormt voor het huidige quotabeheer.

22


2.5.2

Een aangepast vlootbeleid: samenvoegmogelijkheden naar grotere pk’s

De capaciteit van de Vlaamse vloot is momenteel te groot in verhouding tot de haar toegewezen quota. Een herstel van het evenwicht door het onttrekken van vaartuigen uit de vloot is daarom aangewezen. Momenteel geldt bij het samenvoegen van vermogen een limiet van 1300 pk (957 kW). Als de limiet van 1300 pk opgetrokken wordt tot bijvoorbeeld 1500 pk, kan dit het samenvoegen stimuleren. Op deze wijze blijft het vermogen van de vloot behouden maar vermindert de tonnage van de vloot. Hierdoor zou de vloot het referentieniveau in tonnage kunnen bereiken. Deze regeling heeft als voordeel dat de sector zelf de herverdeling financiert zonder dat de Vlaamse overheid tussenkomt zoals bij een sloopregeling. Bovendien blijven de capaciteitsreferentieniveau’s uitgedrukt in motorvermogen en in brutotonnage behouden. Immers wanneer bij een sloopregeling tonnage onttrokken wordt onder het referentieniveau, leidt dit tot een verlaging van het referentieniveau met de hoeveelheid brutotonnage onder het referentieniveau. In het verleden is de limiet al eens opgetrokken van 1200 pk naar 1300 pk. Dergelijke maatregel vraagt wel een afscherming van het kleine vlootsegment omdat dit segment op dit ogenblik minder rendabel is en zou kunnen opgeslorpt worden door het groot segment. Dit is niet wenselijk aangezien het klein segment zeker nog toekomstmogelijkheden heeft wanneer het een alternatief aangeboden krijgt zoals een inschakeling in de toeristische sector langs de Vlaamse kust.

2.5.3 Een betere omkadering van de visserij

Om de leefbaarheid van de Vlaamse visserijsector in stand te houden, dient de overheid in de nodige omkadering te voorzien. Een belangrijk aspect zijn de investeringen in de haveninfrastructuur zodat de vissers over de gepaste havenfaciliteiten kunnen beschikken. In het kader van een kwaliteitsbeleid in alle schakels van de keten kan de overheid ertoe bijdragen dat de conditionering van de gevangen vis op de visserboten verbetert. Ook de visverwerkende nijverheid verdient de nodige ondersteuning zodat zij de nodige afzetgarantie kunnen bieden aan de Vlaamse vissers. Het onderzoek en de voorlichting moeten er toe bijdragen dat de Vlaamse vissers op een rendabele maar ook ecologisch verantwoorde wijze kunnen blijven vissen. Het onderzoek moet dan ook over de nodige middelen kunnen beschikken om realistische en betrouwbare inschattingen van de visstocks te kunnen maken. Ten slotte dient de Vlaamse overheid voldoende oog te hebben voor de typische sociale aspecten van de visserijsector.

23


3

Ideeënfiches Gelet op de huidige Vlaamse budgettaire krapte, zeker tot en met 2005, zullen de voorstellen vanuit het beleidsdomein Landbouw en Visserij zoveel mogelijk moeten gefinancierd worden binnen het huidige landbouwbudget, dwz interne verschuivingen of compensaties zullen nodig zijn om het beleid op nieuwe wegen te brengen.

3.1

Adviescel voor beleidsdomeinoverschrijdende thema’s

Omschrijving en beoogde output: uitbouw van een adviescel m.b.t. beleidsdomeinoverschrijdende thema's binnen het beleidsdomein Landbouw en Visserij. Sinds de Lambermont-staatshervorming wordt de landbouwadministratie in toenemende mate geconfronteerd met verzoeken vanuit andere beleidsdomeinen om deel te nemen aan werkgroepen en officiële commissies om de landbouwvisie te vertolken bij de uitwerking van maatregelen vanuit die beleidsdomeinen of om de impact in te schatten op de land- en tuinbouwsector of -bedrijven van die maatregelen. Voorbeelden zijn: integraal waterbeleid (bekkenplannen, deelbekkenplannen, overstromingsgebieden, oeverzones,. ...); afbakeningsprocessen natuurlijke structuur/agrarische structuur; opmaak van natuurrichtplannen in VEN-gebieden; opmaak van nieuwe RUP's (gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen,. .); aanduiding van Stadsbossen; Strategische plannen van de Havens. Het is daarom dringend noodzakelijk dat binnen het beleidsdomein Landbouw en Visserij een cel wordt uitgebouwd die met kennis van zaken de gevolgen op landbouw van al deze maatregelen kan inschatten of die studieopdrachten kan uitschrijven en opvolgen die hetzelfde beogen. Deze cel moet tevens kunnen instaan voor het aanleveren van de in diverse regelgeving wettelijk gevraagde adviezen. Het gaat hier stuk voor stuk om zeer arbeidsintensieve processen die een hoge mate van deskundigheid vergen. Doelgroep: administraties beleidsdomein Landbouw en Visserij. Motivering: het is belangrijk voor de maatschappelijke gedragenheid van heel wat maatregelen dat de overheid aan de betrokken (of getroffen) doelgroep kan aantonen dat ze met zijn bekommernissen en belangen op een deskundige wijze heeft rekening gehouden. Het uitbouwen van een adviescel die over de noodzakelijke know-how, middelen en mensen beschikt om de impact in te schatten op landbouw van maatregelen die andere beleidsdomeinen (zullen) nemen is daarom noodzakelijk. Deze adviescel zou nauw kunnen samenwerken met de op te richten afdeling Monitoring en Studie binnen het departement. Wetgeving: diverse milieuwetgeving en wetgeving ruimtelijke ordening. ICT: Arc – View. Samenwerking met andere beleidsdomeinen: voornamelijk beleidsdomein Leefmilieu en Natuur en beleidsdomein Ruimtelijke Ordening. Woonbeleid en Onroerend Erfgoed (beleidsveld ruimtelijke ordening)

3.2

Het plattelandsbeleid horizontaal organiseren

Omschrijving en beoogde output: Naast de aandacht voor een horizontaal gevoerd stedenbeleid en een specifiek beleid gericht op de bestuurskracht van de kleinere gemeenten, is er ook nood aan een horizontaal plattelandsbeleid voor Vlaanderen. Het Vlaamse platteland staat onder verstedelijkingsdruk waardoor over diverse beleidsdomeinen heen [ruimtelijke ordening, (afbakening gebieden) bestuurszaken (bestuursnadelen kleine plattelandsgemeenten), internationale samenwerking (specifieke soms grens – overschrijdende EU-programma’s), onderwijs- en vorming (afstandvorming op platteland), welzijn, cultuur (bescherming patrimonium), economie (welke bedrijvigheden kunnen de plaats innemen van de primaire economie); werkgelegenheid (hoe deze stimuleren op het platteland), 24


toerisme (hoeve- en plattelandstoerisme), mobiliteit (vb. Belbus), wonen, landbouw, leefmilieu (landschapsbeheer), erfgoed] een coördinerend beleid noodzakelijk is. Het tweede pijlerbeleid, dat de voorbije jaren vorm kreeg via het Vlaamse Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling (PDPO), vormt een belangrijk onderdeel van dit Vlaamse plattelandsbeleid. Het heeft als doel de economische leefbaarheid van de landbouw te verbeteren en de leefbaarheid van het platteland te verhogen, met onder andere aandacht voor verbrede activiteiten in de landbouw en milieuzorg. Doelgroep: alle betrokkenen in het buitengebied Motivering: Door een betere afstemming van het plattelandsbeleid over de diverse beleidsdomeinen heen op Vlaams niveau, eveneens een betere afstemming met de provincies (kerntakendebat), kan met dezelfde begrotingsmiddelen meer toegevoegde waarde gecreëerd worden bij de uitvoering van geïntegreerde plattelandsinitiatieven op tal van domeinen. Samenwerking met andere beleidsdomeinen: beleidsdomein Leefmilieu en Natuur, beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed (beleidsveld ruimtelijke ordening), beleidsdomein Economie, Werkgelegenheid en Toerisme (beleidsveld economie), beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport, en Media (beleidsvelden cultureel erfgoed en media), beleidsdomein Onderwijs en Vorming, beleidsdomein Mobiliteit, beleidsdomein welzijn en volksgezondheid, Provincies, gemeenten.

3.3

Ontwikkeling glastuinbouwbedrijvenzones

Omschrijving en beoogde output: bedoeling is om te komen tot de effectieve realisatie van een aantal glastuinbouwbedrijvenzones zoals opgenomen in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het actieplan glastuinbouw. Op dit moment is een oefening bezig waarbij in de diverse glastuinbouwconcentratiegebieden wordt nagegaan waar ruimtelijke potentialiteiten zijn om glastuinbouwbedrijvenzones te ontwikkelen. Na aanduiding van deze zones is de inrichting en effectieve realisatie de volgende stap. Hiertoe kan de Vlaamse overheid overwegen een publiekprivate samenwerking op te zetten die ze met de effectieve realisatie belast. Doelgroep: glastuinbouwers. Motivering: teneinde de toekomstmogelijkheden van de glastuinbouwsector te vrijwaren is het van belang dat het idee van glastuinbouwbedrijvenzones in een aantal gevallen bij wijze van pilootproject daadwerkelijk kan gerealiseerd worden. Samenwerking met andere beleidsdomeinen: beleidsdomein Leefmilieu en Natuur (beleidsveld leefmilieu) en beleidsdomein Ruimtelijke Ordening. Woonbeleid en Onroerend Erfgoed (beleidsveld ruimtelijke ordening)

3.4

Adviesverlening ruimtelijke uitvoeringsplannen

Omschrijving en beoogde output: het betrekken van het beleidsdomein Landbouw en Visserij bij de adviesverlening over voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen. Dit vergt een aanpassing van het besluit van de Vlaamse regering van 11 mei 2001 tot aanwijzing van de instellingen en administraties die adviseren over voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen. Doelgroep: administratie. Motivering: op dit moment wordt het beleidsdomein Landbouw en Visserij niet betrokken bij de adviesverlening over voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen. Ruimtelijke ordening gaat er van uit dat de afdeling Land gesitueerd binnen het beleidsdomein leefmilieu, de landbouwinvalshoek vertolkt op plenaire vergaderingen waar voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen worden 25


besproken. Gezien de creatie, sinds de Lambermont-regionalisering, van een beleidsdomein Landbouw en Visserij op Vlaams niveau is het vrij logisch dat de advisering m.b.t. de landbouwaspecten zou gebeuren door dit beleidsdomein. Het besluit van de Vlaamse regering van 11 mei 2001 dat regelt welke instellingen en administraties adviseren over de voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen dient dan ook in die zin aangepast te worden. Wetgeving: Aanpassing van het besluit van de Vlaamse regering van 11 mei 2001 tot aanwijzing van de instellingen en administraties die adviseren over voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen.

3.5

Verruiming VLIF-decreet tot agro-voedingsketen

Omschrijving en beoogde output: een geactualiseerd VLIF-decreet houdende steunverlening aan structuurverbetering in de landbouwproductie- en agro-voedingssector. Het betreft een verruiming van de doelgroep en doelstellingen van het VLIF zodat de overheid alle actoren betrokken bij de landbouw (producenten, agro-voedingssector, investeringssteun in o.m. proeftuinen en proefcentra) uit één fonds kan betoelagen voor hun structuurverbeteringen, voornamelijk investeringen. Doelgroep: land- en tuinbouwers, agro-businesscomplex, omkadering landbouw. Motivering: de ondersteuning van de diverse actoren in de landbouw verloopt momenteel onsamenhangend, zowel in de objectieven als in de organisatie, en los van de eventuele EU-cofinanciering. De overheid moet de Vlaamse organisatie steunverlening afstellen op de Europese organisatie steunverlening Wetgeving: aanpassing VLIF-regelgeving (decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994) ICT: uitbreiding VLIF-programma. Samenwerking met andere beleidsdomeinen: beleidsdomein Economie, Werkgelegenheid en Toerisme (beleidsveld economie), Provincies (proeftuinen), gemeenten (gemeentebedrijven) en diverse versnipperde diensten (gefragmenteerde steunverlening).

3.6

Producten van bij ons

Omschrijving en beoogde output: het meer valoriseren van de producten van de Vlaamse agrarische sector via een generieke promotie van de producten van eigen bodem. Bedoeling is om bij de Vlaamse consument, die in sé te weinig chauvinistisch is, meer interesse voor de inlandse producten te doen ontstaan. Naast de herkomst kunnen bvb. ook ethische, duurzaamheids- en of milieuaspecten aan bod komen en zeker ook het aspect voedselveiligheid (best gecontroleerde voedingsproducten). Dergelijk verhaal laat ook de distributiesector niet onverschillig, zodat ook op dit niveau naar samenwerking kan gezocht worden. Een generiek promotieproject rond de "Producten van bij ons" zou ook een gastronomisch luik kunnen bevatten . De gastronomie in Vlaanderen is van zeer hoog niveau en zou als dusdanig als hefboom kunnen fungeren voor het promoten van de producten van de Vlaamse landbouw, tuinbouw en visserij. Doelgroep: de consument in het algemeen en meer in het bijzonder de voornaamste verantwoordelijken voor de aankoop van voedingsproducten. Verder zouden ook de distributiesector en de gastronomische sector en vakpers bij het project betrokken worden. Motivering: campagnes die VLAM momenteel voert zijn sterk sector- en productgericht, als gevolg van de verticale financiering - binnen de huidige werking is er geen ruimte voor generieke sectoroverkoepelende initiatieven.

26


Samenwerking met andere beleidsdomeinen: beleidsdomein Economie, Werkgelegenheid en Toerisme (beleidsvelden economie en toerisme) en beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport, en Media (beleidsvelden cultureel erfgoed en media) en VRT..

3.7

Kaderdecreet landbouwkwaliteit

Omschrijving en beoogde output: door het uitwerken van een specifieke Vlaamse wetgeving naar landbouwkwaliteit, komen tot een eenvoudigere administratie die meer rechtszekerheid en transparantie biedt aan de landbouwers. Doelgroep: landbouwers en aanverwante sectoren (fokkerij, veredeling, zaaizaad en pootgoed). Motivering: door het sterke accent van "kwaliteit" op het specifieke Vlaamse landbouwbeleid, is een eigen Vlaams kaderdecreet noodzakelijk. Op vele vlakken die een impact hebben op het kwaliteitsbeleid is de wetgeving nog federaal geïnspireerd. Het aanpassen van deze wetgeving naar een wetgeving met een Vlaams karakter zal ook een administratieve vereenvoudiging betekenen, met een grotere transparantie als gevolg. De huidige wetgeving op kwaliteit van de landbouwproducten, de fokkerij en zaaizaad en pootgoed komt hiervoor in aanmerking. Wetgeving: aanpassing van de wet van 20 juni 1956 betreffende de verbetering van de rassen van voor de landbouw nuttige huisdieren, de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten en de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt. Samenwerking met andere beleidsdomeinen: samenwerking met de FOD Volksgezondheid en zeker met het Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen zal hier noodzakelijk zijn. Er moet ook overleg zijn met de Europese Commissie en met de beroepsorganisaties van productie, verwerking en verhandeling.

3.8

Promotie bio-, hoeve- en streekproducten

Omschrijving en beoogde output: momenteel kunnen de nieuw bij VLAM aangesloten sectoren Bio-, Hoeve- en Streekproducten enkel een normale werking waarmaken door overheveling van gelden vanuit de bestaande sectoren en horizontale fondsen. Dit stuit op weerstand binnen de 'klassieke' sectoren en op budgettaire beperkingen van VLAM. Deze producten verdienen een structurele ondersteuning van de promotie. Voorstel: 1. In een verplicht deelbudget voorzien bij iedere sector voor bio om gecoördineerde promotieacties te financieren; 2. Streek- en hoevepromotie financieren door binnen de landbouwbegroting een specifiek artikel toe te wijzen voor deze bijkomende opdracht van VLAM of, indien dit niet mogelijk is, hiervoor een bepaald deel van de VLAM-subsidie voorbehouden. Doelgroep: land- en tuinbouwer en consument. Motivering: huidige werking voor Bio-, Hoeve- & Streekproducten is financieel te afhankelijk van de goodwill van de Raad van Bestuur en van de verschillende sectoren. Producenten, distributie en consumenten van streekproducten bewustmaken van de specifieke kwaliteiten van deze producten door een aangepaste promotie te voeren voor het Vlaamse label met de boodschap: "De typische eigenschappen van deze lokale producten betekenen een meerwaarde in deze tijden van smaakvervlakking". Voor hoeveproducten is het duidelijk dat voor een aantal producenten de weg van diversificatie en korteketenverkoop een oplossing biedt voor de onder druk staande landbouwbedrijvigheid. Stimuleren van vraag en aanbod (biologische productie) zodat biologische 27


voeding een vast segment wordt in de voedingsmarkt (dit is structureel werken zodat de bioboer een vaste markt heeft en andere boeren aangetrokken worden). Deze maatregel draagt bij tot het ondersteunen van deze, meestal kleinere, producenten met specifieke afzetproblemen en -noden, zodat hen een zekere inkomensgarantie geboden wordt. Dit gebeurt onder meer door duidelijke en gerichte promotie te voeren naar de distributie en consument toe, vanuit een specialistische en onderbouwde structuur binnen VLAM. Degelijke en marketingonderbouwde promotie is een dure aangelegenheid. De producenten individueel en de betrokken sectoren als dusdanig zijn te klein om daarvoor genoeg budget bijeen te brengen. Wetgeving: bestaande wetgeving (bio & streek); wetgeving in opmaak (hoeve) Samenwerking met andere beleidsdomeinen: beleidsdomein Economie, Werkgelegenheid en Toerisme (beleidsvelden economie en toerisme)

3.9

Ondersteuning en stimulering specifieke kwaliteitssystemen

Omschrijving en beoogde output: de administraties van Landbouw en Visserij werken in samenwerking met VLAM en de sectoren een ondersteunings- en stimuleringsbeleid uit voor de deelname aan specifieke kwaliteitssystemen door het ontwikkelen van een erkenningsbeleid. Dit beleid speelt in op de mogelijkheden die de plattelandsverordening 1783/2003 biedt om kwaliteitssystemen die voldoen aan bepaalde criteria te erkennen en de producenten die er aan deelnemen te vergoeden. Dit beleid moet leiden tot een inkomensgarantie voor de deelnemers en eventueel een administratieve vereenvoudiging. De erkenning van deze systemen gebeurt binnen de administraties van Landbouw en Visserij. VLAM is de preferente partner i.v.m. advies en uitvoering van de kwaliteitspolitiek in Vlaanderen omwille van zijn ervaring met inrichting en uitvoering van succesvolle kwaliteitssystemen. Dit gebeurt best binnen een kwaliteitscel binnen VLAM. Het toekomstige Agentschap Landbouw en Visserij kan instaan voor de coördinatie van de betalingsmodaliteiten. Doelgroep: primaire sector in Vlaanderen. Motivering: De administraies van Landbouw en Visserij en VLAM hebben een taak in het initialiseren en implementeren van deze kwaliteitsborging ter ondersteuning van de plattelandsontwikkeling en de duurzaamheid van de landbouw in Vlaanderen, met als doel de afzet van Vlaamse land- en tuinbouwproducten te ondersteunen. Wetgeving: nog uit te werken op Vlaams niveau. Samenwerking met andere beleidsdomeinen: federaal: FOD Volksgezondheid en FAVV.

3.10

Verbetering kennisstroom (case: mestbeleid)

Omschrijving en beoogde output: organiseren van een verbeterde kennisstroom tussen bedrijf en overheid om de rendabiliteit van de sector opnieuw te versterken, met toepassing op mestbeleid. De nuttige basiskennis is momenteel verspreid aanwezig en dient geïntegreerd te worden om het nut voor beleidsvorming en bedrijfsplanning te verhogen. Het voorbeeld van mestproblematiek is sprekend en moet als beleidsdomeinoverschrijdende case worden uitgewerkt. Beoogde output: enerzijds vanuit het beleidsdomein signalen voor een doelgerichter en doorzichtiger mestbeleid, anderzijds, opnieuw verhoogde rendabiliteit en toegevoegde waarde in de dierlijke sector, binnen milieubeperking. Doelgroep: individuele landbouwers, privé en publieke voorlichtingsorganen, onderzoek, kennisankerpunten in andere beleidsdomeinen. Motivering: onvolledige informatie binnen de mestproblematiek leidt tot weinig coherente bedrijfs- en beleidsbeslissingen. Dit is nefast voor de milieudoelstellingen en heeft catastrofale economische 28


gevolgen. Alleen reeds afbouw varkensstapel betekent een inkomensverlies gelijk aan 3000 VTE. Een beter benutte informatie (en hierdoor beleid, beter afgestemd op bedrijfsontwikkeling) kan de toegevoegde waarde met 40 -100 miljoen euro/jaar verhogen zonder in te boeten op de milieudoelstellingen. Wetgeving: nihil. ICT: programmatuur informatie-integratie + laptops. Samenwerking met andere beleidsdomeinen: beleidsdomein Leefmilieu en Natuur: Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) en Vlaamse Landmaatschappij (VLM).

3.11

Landbouweducatief onderwijspakket

Omschrijving en beoogde output: ontwikkelen van een landbouweducatief onderwijspakket i.s.m. de cel Natuur- en Milieueducatie & Informatie van Aminal dat aansluit bij de eindtermen van het basisen/of secundair onderwijs en dat allerlei land- en tuinbouwaspecten en problematieken situeert binnen de discussie van duurzame ontwikkeling Doelgroep: laatste jaren basisonderwijs en secundair onderwijs Motivering: Uit tal van studies en onderzoeken blijkt dat er bij de schoolgaande jeugd een gebrek is aan kennis en bijgevolg een nood is aan informatie over land- en tuinbouw in de ruimste zin. De landen tuinbouw is door zijn alomvattendheid bovendien een dankbaar thema voor educatie omdat er naast heel wat technische en economische aspecten, tal van sociale en internationale dimensies aan gekoppeld zijn. Inzicht in de complexe landbouwrealiteit en de situering binnen de duurzame ontwikkeling van de Vlaamse samenleving kan op termijn leiden tot een attitudeverandering en een grotere aandacht voor duurzaam handelen en consumeren. Samenwerking met andere beleidsdomeinen: beleidsdomein Leefmilieu en Natuur (beleidsveld leefmilieu) en beleidsdomein Onderwijs en Vorming.

3.12

Bescherming landelijk erfgoed

Omschrijving en beoogde output: landbouw dient in samenwerking met Cultuur en Monumenten en Landschappen een stimuleringsbeleid te ontwikkelen waardoor het landelijk historisch erfgoed beter bewaard kan worden en de huidige sectorbeoefenaars en bevolking op basis van het verleden de toekomst kunnen begrijpen. Dit beleid moet bijdragen tot een betere imagovorming van land- en tuinbouwsector. Beoogde output: renovatie historische hoeves, ontwikkeling specifieke plattelandsmusea, studiewerk waarbij verleden heden kan helpen. Doelgroep: historische hoevegebouwen, landelijke musea omtrent landbouw en tuinbouw vroeger en nu, historisch studiewerk, educatie, agro-toerisme, alimentair erfgoed (gemeenten, plaatselijke organisaties, studiecentra,). Motivering: zal bijdragen tot betere imagovorming, is educatief, past in het plattelandsbeleid. Wetgeving: te ontwikkelen. Samenwerking met andere beleidsdomeinen: beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media (beleidsveld cultureel erfgoed), beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed: Monumenten en Landschappen, Centrum voor agrarische geschiedenis.

29


3.13

Verbetering samenwerking tussen vissers en zeebiologen

Omschrijving en beoogde output: Een betere samenwerking tussen vissers en biologen moet leiden tot betere inzichten in de werkelijke stocks en realistischere quota’s Doelgroep: Vissers, reders, onderzoekers, consumenten, ambtenaren . Motivering: De verdeling van de quota op Europees vlak gebeurt op basis van een inschatting van de visstocks door wetenschappelijke instituten. De laatste jaren stellen deze instituten een substantiële daling vast van de stocks van bepaalde vissoorten zoals kabeljauw, schol en tong in bepaalde gebieden zoals de Noordzee. Dit leidt tot een daling van de quota. De vissers echter stellen in de praktijk vast dat het toch nog niet zo slecht gesteld is met die visstocks. Dit leidt tot een toenemend wantrouwen en onbegrip tussen vissers en zeebiologen wat de broodnodige onderlinge samenwerking sterk hypothekeert. Deze samenwerking is net onontbeerlijk om tot goede schattingen van de visstocks te kunnen komen. De op te richten regionale adviesraden, waarin twee derden sectorgenoten zullen zetelen, hebben op dit vlak een belangrijke taak te vervullen.

3.14

Ontwikkeling van een toeristisch vlootsegment

Omschrijving en beoogde output: Een alternatief bieden voor een aantal vissers uit het klein vlootsegment zodat zij in de zeevisserij actief kunnen blijven. Doelgroep: vissers van het kleine vlootsegment (kustsegment) Motivering: Door de afnemende visstocks legt de EU in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid steeds meer beperkingen op aan de zeevisserij, zowel door een vermindering van de quota als de visserij-inspanningen. Het onttrekken van een aantal deelnemers door omschakeling biedt meer overlevingskansen voor de blijvers en zou tevens een grotere kans geven voor het kustvlootsegment dat ook vooral op toeristisch vlak een belangrijk segment vormt voor onze kust. Nodige middelen: Wetgeving: nog uit te werken op Vlaams niveau. Samenwerking met andere beleidsdomeinen: beleidsdomein Economie, Werkgelegenheid en Toerisme: Toerisme Vlaanderen, provincie West-Vlaanderen

30


Bijlage 1 – Documentatie Basisgegevens

De basisgegevens zijn terug te vinden in: •

het ‘Landbouwbeleidsrapport 2003’ dat tevens de basis vormt voor de omgevingsanalyse. Dit rapport geeft een overzicht van de situatie van de Vlaamse land- en tuinbouw en dit zowel vanuit economisch, sociaal als milieukundig vlak.

•

‘Landbouw in zakformaat’ met kerncijfers over de land- en tuinbouw in Vlaanderen in 2003.

Beide publicaties zijn te vinden op de website www.vlaanderen.be/landbouw bij de publicaties van de VOLT 2004. Ambtelijke organisatie

De verdere regionalisering van de landbouwbevoegdheden in 2002 met het Lambermontakkoord, het socio-economisch belang van de sector en de eigenheid en specificiteit van de Vlaamse land- en tuinbouw en visserij verantwoorden de uitbouw van een volwaardig beleidsdomein op Vlaams niveau. Vanuit een overgangssituatie werkt de administratie aan een duurzame en stabiele structuur met de herstructureringsoperatie “Beter Bestuurlijk Beleid” (BBB) op het niveau van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap als leidraad. Landbouw en Visserij is één van de dertien beleidsdomeinen, en zal bestaan uit een departement en drie agentschappen: het Agentschap voor Landbouw en Visserij (ALV), het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) en het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM). Gedetailleerde informatie is te vinden in hoofdstuk 6 van het Landbouwbeleidsrapport.. Landbouwkundig wetenschappelijk onderzoek

Het beleidsdomein Landbouw en Visserij bevat twee wetenschappelijke instellingen: het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek (CLO) en het Centrum voor Landbouweconomie (CLE). In het kader van BBB zal het CLO en een deel van het CLE fusioneren tot één Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO). Binnen het CLO zijn 7 departementen actief. Het Departement voor Plantengenetica en –veredeling (CLO-DVP) focust zich op kennisopbouwend en beleidsonderbouwend onderzoek op gebied van plantengenetica en –veredeling. Het Departement voor Fytotechnie en Ecofysiologie (CLO-DFE) bestudeert de impact van teeltmethoden op opbrengst en kwaliteit van land- en tuinbouwproducties en van de omgeving in het kader van een duurzame land - en tuinbouw. Onderzoekers van het Departement voor Gewasbescherming (CLO-DGB) trachten de impact van pathogenen in duurzame plantenteeltsystemen tot een aanvaardbaar minimum te beperken en een antwoord te bieden op de maatschappelijke vraag naar een kwaliteitsvolle en milieuvriendelijke plantenproductie. Het Departement voor Dierenvoeding en Veehouderij (CLO-DVV) verricht onderzoek in de dierlijke sector met het oog op een efficiëntere en milieuvriendelijker veevoeding en een duurzame, consumentgerichte en maatschappelijk aanvaardbare veehouderij. Het Departement voor Kwaliteit van Dierlijke Producten en Transformatietechnologie (CLO-DVK) voert beleidsondersteunend onderzoek uit gericht op veiligheid, authenticiteit en kwaliteit van levensmiddelen van dierlijke oorsprong. Het onderzoek van het Departement voor Mechanisatie, Arbeid, Gebouwen, Dierenwelzijn en Milieubeveiliging (CLO-DVL) omvat innovatieve dier- en milieuvriendelijke land- en tuinbouwproductiesystemen door inzet van nieuwe technologieën, methodologieën en managementinstrumenten. Het Departement voor Zeevisserij (CLO-DVZ) bouwt een wetenschappelijke basis op voor een rationele en duurzame exploitatie van het mariene milieu. 31


Bovendien richt het onderzoek zich op de bescherming van het mariene milieu als habitat en op de kwaliteitscontrole en –garantie van de producten van de zeevisserij. Het CLE heeft als opdracht landbouweconomische monitoring, evaluatie en onderzoek. Een deel van de opdracht omvat de waarnemingen en statistieken over de sector, op bedrijfs- en op regionaal niveau. Het CLE houdt een 800-tal land- en tuinbouwboekhoudingen bij, waarvan de resultaten de basis vormen voor diverse studies op bedrijfs- en regioniveau en voor wetenschappelijk onderzoek. Het bestudeert op regionaal niveau de hele Vlaamse land- en tuinbouwsector, met als doel de economische situatie van de sector op te volgen, te analyseren en te voorspellen. Een ander deel van de opdracht is gericht op onderzoek. Recente en lopende onderwerpen omvatten o.a. specifieke aspecten van de subsectoren tuinbouw en veehouderij, methoden voor management en innovatie, biologische landbouw, modellering van de sector, milieueffecten en ruimtelijke aspecten van de landbouw en rurale ontwikkeling en sociologie. Wetten en decreten die geheel of gedeeltelijk behoren tot de bevoegdheid van het beleidsdomein Landbouw en Visserij

Wet van 19 augustus 1891 betreffende de zeevisserij in de territoriale zee. Wet van 23 september 1931 op de aanwerving van het personeel der zeevisserij. Wet van 20 juni 1956 betreffende de verbetering van de rassen van voor de landbouw nuttige huisdieren. Wet van 12 april 1957 waarbij de Koning wordt gemachtigd maatregelen voor te schrijven ter bescherming van de biologische hulpbronnen van de zee. Wet van 29 maart 1963 ertoe strekkende de rendabiliteit in de landbouw op te voeren en zijn gelijkwaardigheid met de andere sectoren van het bedrijfsleen te bevorderen. Wet van 10 november 1967 tot oprichting van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau. Wet van 8 april 1969 houdende aanpassing van de Franse tekst en vaststelling van de Nederlandse tekst van het Veldwetboek. Wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt. Wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten. Wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke productie. Wet van 10 oktober 1978 houdende vaststelling van een Belgische zeevisserijzone. Wet van 5 februari 1999 houdende diverse bepalingen en betreffende de kwaliteit van de landbouwproducten. Wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België inde Noordzee. Wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis. Decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 Decreet van 20 december 1996 betreffende het Vlaams Promotiecentrum voor Agro- en Visserijmarketing. Decreet van 13 mei 1997 houdende oprichting van een Financieringsinstrument voor de Vlaamse visserij- en aquicultuursector. Decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten . 32


Decreet van 05.07.2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2002 (BS. 10.09.02). Decreet van 20.12.2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2002 Decreet van 27.06.2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003. Decreet van 3 maart 2004 inzake de subsidiering van meer duurzame landbouwproductiemethoden en de erkenning van centra voor meer duurzame landbouw. Budgettaire massa beleidsdomein Landbouw en Visserij De totale budgettaire massa 2004 voor het beleidsdomein kan geraamd worden op 145 miljoen euro waarvan 96 miljoen euro beleidskredieten en 49 miljoen euro bestaansmiddelen (personeels- en werkingskosten).

33


Bijlage 2 – Managementsamenvatting 1

Landbouw, trekker en partner voor een duurzame ontwikkeling in Vlaanderen

Verschillende beleidsvelden leggen verschillende, soms tegenstrijdige, maatregelen op aan de landbouwsector. Echter, op dit moment ontbreekt een gedegen wisselwerking over de beleidsdomeinen heen. Er is een duidelijke nood aan gestructureerde vorm van beleidsoverschrijdende afstemming, niet alleen op Vlaams, maar ook op federaal niveau. Deze beleidsafstemming moet gestoeld zijn op drie pijlers: een eenduidige Vlaamse visie, (in)formeel overleg bij besluitvorming en een gestructureerde samenwerking. Hierbij is voor landbouw voornamelijk beleidsoverschrijdend overleg en samenwerking vereist met de bevoegdheidsdomeinen Leefmilieu en Natuur, Ruimtelijke Ordening, Waterbeleid en Economie. Dit zal ervoor zorgen dat de beleidsmakers van in de beginfase van besluitvorming rekening houden met de belangen van de Vlaamse landbouw. Daarnaast leidt de externe beleidsintegratie tot een duidelijke, door de maatschappij aanvaarde, lange termijnvisie over de rol die de land- en tuinbouw inneemt. Tenslotte biedt deze harmonisatie van beleidsvorming en –uitvoering heel wat mogelijkheden voor het reguleringsmanagement. Landbouw geeft invulling aan het plattelandsbeleid aan de hand van de tweede pijler van het Europese landbouwbeleid. Het Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling (PDPO) geeft in Vlaanderen hoofdzakelijk vorm aan dit beleid. Het huidige programma, dat van start ging in 2000, loopt nog tot en met 2006. Voor de periode 2007 tot en met 2013 dient de overheid een nieuw plattelandsprogramma op te stellen. Het is van groot belang om de beschikbare middelen voor plattelandsbeleid zo goed mogelijk te gebruiken voor maatregelen die de Vlaamse landbouwer laten meestappen in diversificatie, duurzaamheid en kwaliteit. Naast meer kwaliteit van zowel de producten als de geleverde diensten, als een stijging van de rendabiliteit en de overlevingskans van de landbouwbedrijven, zal dit plattelandsprogramma zorgen voor een beter imago van de landbouw, waarbij de boer zich meer en meer positioneert als plattelandsbeheerder. Bij de opmaak van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is in 750.000 ha voor landbouw voorzien. De afbakening hiervan is lopende en en pas wanneer deze afgelopen is, kunnen andere sectoren nieuwe gebiedseisen opleggen. Het is van groot belang dat het beleidsdomein Landbouw en Visserij bij de adviesverlening over voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen wordt betrokken, teneinde te kunnen anticiperen op toekomstige evoluties. Eens de gebieden voor beroepslandbouw zijn afgebakend, moet een langdurige verankering van de bestemming zorgen voor meer rechtszekerheid voor de landbouwbedrijven. De landbouwsector zelf dient een eigen visie op ruimtelijke ordening te ontwikkelen waarin de sector de afweging moet maken tussen de verschillende grondgebonden en grondloze sectoren, de verschillen tussen beroeps- en hobbylandbouw, de problematiek van paraagrarische bedrijvigheden en de kansen (en bedreigingen) van verweving tussen landbouw, water en natuur. Op socio-economisch vlak dienen een aantal initiatieven de rendabiliteit te verhogen teneinde de inkomensdispariteit tussen de landbouw en de andere sectoren te verkleinen. Daarnaast moet een stimuleringsbeleid dat de familiale landbouw aanzet om over te gaan naar de beste vennootschapsvorm en een fiscale boekhouding te voeren, leiden tot sterker gestructureerde landbouwbedrijven. Deze bedrijven zijn beter gewapend voor de Europese competitie en kunnen zich sneller aanpassen aan de snel wisselende maatschappelijke vereisten. Gezien de trend van schaalvergroting, die zich in de (nabije) toekomst nog zal verder zetten, is er nood aan sociale vangnetten voor de uittredende landbouwers en aan verdere ondersteuning bij vervroegde uittreding. Tot slot biedt beleidsdomeinoverschrijdend overleg heel wat kansen voor de afstemming van toekomstig beleid, enerzijds door de impactanalyse 34


ervan op de betrokken beleidsdomeinen en anderzijds door toetsing en afstemming van de administratieve lasten.

2

Uitbouw en ondersteuning van een Vlaams kwaliteitsbeleid

Door de uitbreiding van de Europese Unie en een steeds grotere liberalisatie van de wereldmarkt, krijgt Vlaanderen met zijn sterk verstedelijkt karakter en hoge grondprijzen het in de nabije toekomst moeilijk om te concurreren op de markt van de standaard landbouwproducten. De Vlaamse land- en tuinbouw moet zich toeleggen op kwaliteitsproducten en daarbij het accent leggen op het Vlaamse karakter. In samenwerking met de sector dient de Vlaamse overheid een Vlaams kwaliteitsbeleid uit te werken dat eerder sturend dan regulerend optreedt. Het moet een kader zijn waarin een visie voor de Vlaamse land- en tuinbouw en de nodige concepten ontwikkeld worden. In dat kader werkt de overheid voor en met de verschillende sectoren horizontale en verticale kwaliteitssystemen uit. Accreditatie volgens internationale standaarden kan leiden tot een besparing en een administratieve vereenvoudiging. Om de consument bewust te maken van de meerwaarde van de Vlaamse landbouwproducten heeft de overheid een rol in de communicatie door labeling, etikettering, promotiecampagnes en vorming. Onderzoek naar markttendensen en vernieuwende producten en productiemethoden onderbouwen deze aanpak. De hervorming van het Europese landbouwbeleid hecht een groot belang aan de stimulering van de ontwikkeling van kwaliteitssystemen en naar de marktondersteuning hiervoor. In de tweede pijler van dit beleid zijn middelen beschikbaar om dit te ondersteunen. In Vlaanderen vertaalt dit zich in het reserveren van een aanzienlijk aandeel uit de financiering voor plattelandsontwikkeling voor het uitbouwen en ondersteunen van een Vlaams kwaliteitsbeleid.

3

Onderzoek ten dienste van landbouwer en beleid

Een efficiënt onderzoeksapparaat binnen het beleidsdomein Landbouw en Visserij is noodzakelijk om in te spelen op de evoluerende eisen van maatschappij, milieu en consument. Het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO), uit te bouwen als een internationaal erkend onderzoeksinstituut, heeft hierbij, in relatie met de departementale studiedienst, een beleidsondersteunende rol. Het onderzoek laat het beleidsdomein toe een beleid te ontwikkelen met het oog op een kennislandbouw met hoge toegevoegde waarde, rekening houdend met de Vlaamse ecologische omstandigheden en de nabijheid van een grote afzetmarkt. Onderzoek naar toekomsttechnologieën en –producten moet streven naar een blijvende of grotere (agrobio)-diversiteit en aanbodvariatie (voorbeeld nicheproducten) en getoetst worden aan veranderende kwaliteitseisen, plattelandsontwikkeling en efficiënter hulpbronnengebruik. Het is uitermate belangrijk dat de overheid de nodige institutionele steun verleent om de doorstroming van de onderzoeksresultaten naar het departement en naar de sector te verzekeren. Projecten en dienstverlening maken expliciet deel uit van de opdracht. Een prioritair aandachtspunt is het evenwicht tussen het direct toepasbaar onderzoek en het innovatief onderzoek op lange termijn. Om de beschikbare middelen die nu verspreid zitten, te hergroeperen en doelmatig op te trekken is departementaal overschrijdend overleg met Wetenschapsbeleid essentieel. Een lange termijn steun voor landbouwonderzoek garandeert een ruggengraat om te kunnen anticiperen op nieuwe problemen binnen het beleidsdomein.

35


Een doelgerichte uitbouw van een eigen Vlaams onderzoeksapparaat moet Vlaanderen toelaten om, in het kader van de toepassing van Europese regelgeving, wetenschappelijk gefundeerde beleidsopties te verdedigen op Europees niveau.

4

Een beter imago voor een betere waardering

Om een juiste beeldvorming over te brengen van de landbouw met al haar facetten dient de Vlaamse overheid communicatie op de verschillende niveaus als een volwaardig instrument uit te bouwen. Het beleidsdomein Landbouw en Visserij moet, mits een duidelijke communicatiestrategie en planning, op een eenduidige en klantvriendelijke manier haar doelgroepen informeren. Een gecoördineerde aanpak vergt een goede interne samenwerking en structureel overleg tussen de verschillende administratieve diensten en de dienst Communicatie, alsook met het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM) en het Vlaams Informatiecentrum over Land- en Tuinbouw (VILT). Een maandblad biedt een ideaal forum om het beleid op een objectieve manier aan bod te laten komen en om de professionele land- en tuinbouwers bewust te maken van de evoluties in de maatschappij en van de veranderende waarden en normen. Het verder uitgeven van “Buitenkansen” is dan ook gewenst, met beleidsoverschrijdende participatie aan de redactieraad. Voor de communicatie naar het brede publiek over de land- en tuinbouwsector dient de overheid een ruimer instrumentarium aan te wenden. De Vlaamse overheid moet VLAM voor wat betreft de keten en vooral de consument en VILT, als knowhowknooppunt, verder uitbouwen en ondersteunen. Een beter imago draagt bij tot de integratie van landbouw in de samenleving. Hiervoor verdienen beleidsoverschrijdende initiatieven met andere beleidsdomeinen, zoals met het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur, in de toekomst een structurele aanpak.

5

Een toekomst voor de Vlaamse zeevisserij

De Vlaamse overheid moet de noodzakelijke voorwaarden scheppen om een economisch gezonde visserijsector te creëren die in staat is de visgronden op een duurzame en ecologisch verantwoorde wijze te exploiteren. Het gemeenschappelijk visserijbeleid vormt hierbij het kader. Een belangrijk instrument van het Vlaamse visserijbeleid is het quotabeheer. Een omschakeling van dagvangstbeperkingen naar tijdelijk toegekende hoeveelheden op vaartuigniveau in functie van het motorvermogen, laat de vissers toe hun kosten te drukken terwijl een verminderde teruggooi het zeemilieu ten goede komt. Een ander instrument is het vlootbeheer. De rendabiliteit in de visserij is er bij gebaat als de capaciteit van de vloot beter afgestemd is op de visserijmogelijkheden. Door het optrekken van de huidige grens voor het samenvoegen van motorvermogens kan de Vlaamse overheid het samenvoegen stimuleren. Hierdoor kan de brutotonnage van de vloot verminderen met behoud van het referentieniveau in vermogen. Tot slot dient de Vlaamse overheid in de nodige omkadering voor de visserijsector te zorgen.

36


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Bijdrage_Vlaamse_administratie_landbouw_visserij_2004_0.pdf by Vlaanderen-be - Issuu