M&L
r
N'V{ ^r
J
u
BRï
è
vi-aU^L
/-aar ' v '
^
M&L
ISSN 0770-4948 9* jaargang Nr. 5 september-oktober 1990
MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu Bestuur voor Monumenten en Landschappen De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen (Foto O. Pauwels).
Inhoud Generiek
Redactie
De binnenrestauratie van kruisbeuk en koor van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen Willem Aerts, Mare Roels, Linda Van Langendonck, Lode De Clercq, Walter Schudel en Mark Van Strydonk
12
De Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte en Heilige Philippuskerk te Vivenkapelle: de volmaakte neogotische dorpskerk 38 Miek Goossens, B.M.L. De Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte en Heilige Philippuskerk te Vivenkapelle. Een kroniek van verwarming en verlichting 52 Jos Stroobants, B.M.L. De Kartonfabriek Winderickx of Herisemmolen Gisèle Gantois
57
Summary
74
Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu. Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Markiesstraat 1, 1000 Brussel. Tel. (02) 507 42 57. Eindredactie : M.M. Celis. Productie en promotie : L. Tack. Zetwerk en secretariaat : D. Torbeyns. Vormgeving : Greta Claeys. Redactiecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.). F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal). A. Bergmans, J. Bracken. M. Buyle. M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper. M. Fierlafijn, P. Lagaisse, A. Malliet, L. Tack, S. Van Aerschot. Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt.
M&L Binnenkrant Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Philipstockstraat 39, 8000 Brugge Tel. (050) 33 82 20. Druk Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel. (050) 33 12 35
Abonnementsvoorwaarden
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
België : 950 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 180 fr.). CJP'ers betalen : 840 fr. Buitenland : 1100 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Markiesstraat 1, 1000 Brussel met vermelding „M&L-jaarabonnement 1990". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
PFWAH n v VOCHTWERING & INSTANDHOUDING VAN GEVELS - Chemisch reinigen van de ondergrond - Waterafstotend maken met WTCB-goedgekeurde produkten - Verstevigen van de verzande ondergrond Wij helpen u vrijblijvend aan het gepaste advies.
Het gemeentehuis van Borgerhout werd met onze produkten gerestaureerd.
ETIENNEMAHIEU-LIDVAN: • ART RESTORERS ASS. • INTERNATIONAL INSTITUTE OF CONSERVATION
k
RTIKON"
(014) 51 77 22 (014) 50 03 24 (014) 50 03 23 (FAX) VISPLUK 27 2290 VORSEU\AR
•
RESTAURATIE EN CONSERVATIE van : - Kunstvoorwerpen in hout, steen, metaal, kunststof, marmer, terra-cotta - Stenen beelden en gevelornamentuur - Keramiek, aardewerk - Moderne kunst
•
VERVAARDIGEN VAN REPLICA in kleine en grote oplage - in kunststeen, gietbaar hout, polyester, epoxy
•
FABRIKATIE EN VERKOOP VAN PRODUKTEN VOOR RESTAURATIE : • Lijmen, speciaal voor restauratie • Verfstrippers (speciaal voor restauratie): PEEL-AWAY • Minerale steenrestauratie-mortel : AMONIT (nieuwe naam voor GAY-STONE) • Steenbehandelingsprodukten : reinigers, verstevigers, enz. • Houtbehandelingsprodukten
Ommezwaai Mef zomaar toevallig vertoont de nog in 1965 aangezette restauratie van de Antwerpse OnzeLieve-Vrouwekathedraal van langsom meer verwante trekken met de traag-maar-zeker, op ambachtelijke vaardigheid geschoeide bouw. Na de aanvankelijke, geestdriftige onstuimigheid vormt het tijdrovende — maar verhelderende — intensieve vooronderzoek tot de binnenrestauratie van kruisbeuk en koor alvast een lichtend keerpunt in dit grootse voorbeeld van historische contaminatie. Aan de vooravond van de Open-Monumentendag, gesterkt door een weer steigerloze toren, leiden Willem Aerts en Mare Roels de onthullende bevindingen in van Linda Van Langendonck, Lode De Clercq, Walter Schudel en Mark van Strydonk.
Une église de campagne Vrijwel onbeperkte financiële middelen, een geïnspireerd ontwerper maar in het bijzonder het koppig niet-aflaten van twee vrome dochters zouden nu ruim een eeuw geleden het nog onooglijke Westvlaamse Vivenkapelle verrijken met één der meest markante neogotische ensembles. Toch zou de nooit afwezige, door Jean-Baptiste de Béthune fout ingeschatte vochtigheid, nog tot voor kort haar niet te stuiten agressief vernielingswerk blijven verrichten. Naar aanleiding van de voltooide luisterrijke restauratie volgen Miek Goossens en Jos Stroobants de kroniek van bouw en decoratie doorheen de nog bewaarde, niets aan het toeval latende correspondentie.
Eenen papiermolen... Geschreven bronnen laten toe een verre oorsprong aan te wijzen minstens in de eerste helft van de 16de eeuw, al zou de oude Herisemmolen pas echt — als kartonfabriek Winderickx — geschiedenis maken vanaf de late 18de eeuw. Met wisselend succes overgeschakeld op het gebruik van stoom en — later — electriciteit, viel het bedrijf slechts enkele decennia terug finaal tot stilstand, een thans onschatbaar industrieel-archeologisch patrimonium nalatend. Dat deze Alsembergse site een unieke toekomst tegemoet gaat als actief museum geeft Gisèle Gantois ons dan ook op een blaadje.
MATERIEEL- WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK VAN MUUR- EN GEWELFSCHILDERINGEN IN DE ONZE-LIEVE-VROUWEKATHEDRAAL TE ANTWERPEN
UITVOERING VAN DE OPDRACHT
ALGEMENE ONDERNEMINGEN E.G. VERSTRAETE & VANHECKE N.V.
in samenwerking met
PROFIEL : LODE DE CLERCQ EN WALTER SCHUDEL
CONCERT NOBLE IN WOORD EN BEELD
DE
FEESTZALEN V A N C O N C E R T
NOBLE, NAAR
EEN
ONTWERP VAN ARCHITEKT HENDRIK BEYAERT, WERDEN VOLTOOID IN 1872. ZL| WAREN EEN EEUW LANG HET CENTRUM VAN HET CULTURELE EN MONDAINE UITGAANSLEVEN VAN DE BELGISCHE
JT
ADEL EN DE BRUSSELSE BURGERIJ. IN 1982 VERWIERF A B B HET GEBOUW MET HET
aaonoiiimmipii
om
O O G OP DE UITBREIDING VAN HAAR KANTOREN IN BRUSSEL. N A KLASSERING WERDEN DE ZALEN GERESTAUREERD EN OP 25 SEPTEMBER 1987
fax (014) 61 14 43
tel. (014) 61 51 26
HEROPEND. OMWILLE VAN DE HISTORISCHE EN
i
KUNSTHISTORISCHE BETEKENIS VAN HET COMPLEX
I
BESLOOT A B B EEN RI|K GEÏLLUSTREERD KUNSTBOEK UIT TE GEVEN OVER HET ONTSTAAN EN DE
/
GESCHIEDENIS VAN DE VERENIGING "SOCIÉTÉ DU
V //
C O N C E R T N O B L E " EN DE B O U W EN DE RESTAURATIE
VAN HAAR NEO KLASSIEKE FEESTZALEN IN DE AARLENSTRAAT. HET BOEK VERSCHIJNT OP 9 SEPTEMBER 1990. HET IS
VERKRIICBAAR DOOR OVERSCHRIJVING VAN 1 750 FRANK OP REKENINGNUMMER 736-4020328-33 VAN DE
NV
CONCERT
NOBLE, AARLENSTRAAT
E N
D E
G E W E N S T E
k
^^^B
H
//.
•mm • i 1
1/
l ^
T A A L V E R S I E
N
(NEDERLANDS/FRANS).
Technische gegevens Forma.U: 297 x 250 mm Omvang: 192 bladzijden Illustraties: 200 kleurenfoto's, 90zwart-wit toto's Kaft: linnen band. stofwikkel in vierkleurendruk Papier: 150 g kunstdrukpapier
II M H wgm
82,1040
BRUSSEL MET VERMELDING "KUNSTBOEK - CONCERT N O B L E "
li
1= ^ s l ^ ^
S
/
WEGENBOUW i nf rastru ktu u rwerken wegeniswerken rioleringswerken Maatschappelijke zetel :
.
i ,
••
.
1
"11 |
u m
^
i
w
•.
I
BOUW algemene aannemingen restauratie speciale technieken Wilgenkatjesdreef 11 - 2350 Vosselaar
Voor de vochtwerende behandeling van de buitenmuren en de versteviging van de stenen aan de kerk te Braine-rAlleud
EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tien jaar waarborg . WATERBESTENDIGE STEENBESCHERMING
EXHYDRO® : goedkeuring - BUTGB - ATG/H606
• DROOGMAKEN VAN MUREN TEGEN OPSTIJGEND VOCHT
EXHYDRO® INJ. : - door inj. diffusie
. VERSTEVIGING VAN STENEN, BAKSTENEN, ENZ...
REMAFIX® : - K.I.K. 2L/13/87/3780 (rapport)
. CHEMISCHE GEVELREINIGING, ENZ...
REMAL : - volledig gamma
RENOVATION MAINTENANCE BUREAU : 1000 Brussel - Baksteenkaai 32/B7 tel. : (02) 513 22 11 - 513 70 20 tlx. : Renoma B - 23921
PVBA
0
-
^
J2f . l'Wn
De BVBA Van Bortel voerde verguldingswerken uit aan de O.-L.-Vrouw Kathedraal, gebouwen op de Grote Markt, de Sint-Caroluskerk, de hoekgebouwen Leystraat, het Gutenberghuis, St.-Katelijnevest, Centraal Station ...
Schilder-, decoratie-, restauratie- en renovatiewerken Tel.: (03) 324 58 29 - 325 53 11 - Fax.: (03) 324 51 82
De vruchten plukken van uw geld.
ANggHYP SPAARBANK
c/óowtei
STEEN-REIN B.V.B.A. Achterbos 8, 2400 MOL (03) 440 57 23
In het jaar 1886 vestigt de steenhouwer Frangois Bruxelman zich als aannemer. Zijn zoon Florimond volgt hem op in 1910. Vanaf 1938 geeft zijn kleinzoon Albert Bruxelman de onderneming haar volle dimensie. D. Bruxelman neemt over in 1968. De "Etn. PI. Bruxelman en Zoon" worden in juni 1983 een naamloze vennootschap. Mede door zijn oorsprong heeft het bedrijf zich altijd gespecialiseerd in het restaureren van gebouwen, zowel kerken als historische monumenten, een domein dat vertrouwd geworden is. De werkhuizen van het bedrijf zijn uitgerust zowel voor steenhouwen als voor houtbewerking. De moderne technieken worden praktisch aangewend in de oprichting van appartements- of kantoorgebouwen, privé-woningen, enz. En l'année 1886 Frangois Bruxelman, tailleur de pierre, s'établit entrepreneur. Son fils Florimond lui succède en 1910. C'est ensuite son petit-fils Albert Bruxelman qui dès 1938 donne a la firme sa pleine dimension. D. Bruxelman prend la relève en 1968. Les "Ets. Fl. Bruxelman et Fils" deviennent société anonyme en juin 1983. De par ses origines la société s'est toujours spécialisée en restauration de bailments anciens, tant églises que demeures historiques. Rien ne lui est étranger dans ce domaine. Ses ateliers assurent tant la taille de la pierre que Ie travail du bols. Les techniques modernes sont tout autant son champs d'action avec la construction d'immeubles a appartements ou bureaux, habitations privées etc... St.-Paulus -1934
Kerk Eine -1918
Reigerstraat 8, 9000 gent Tel.: (091) 22 22 39 - 22 20 48 Fax.: (091) 20 27 75
RESTAURATIE & MONUMENTENZORG ONDERZOEK Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u ik-weef-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervuilen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktief mee aan het verval ervan.
BEHANDELING Muurschilderingen • Stuc «Meubilair Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten ( hout en leder) Schilderijen ( paneel en doek)
MAAR HET KAN Depigeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij
Kunsthistorisch • Technisch • Bouwkundig
4 . .- ' -
Solar
Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem SchudelW
Kleine Breedstraat 51, 2700 Sint-Niklaas. Of bel 03-776 91 62.
091/221753
DeClercqL 03/233 82 27
Van M o l l e M . 016/22 67 06
DEPIGEONAL |
VanDijckL. 015/2180 78
Van Der Biest L. 03/ 77144 66
HuetP 03/233 09 57
Vandenborre H. & Lauwers M.
Smederij
091/72 63 03
O
1308 Gevel- en restauratiewerken waterdichte bespuiting Oppervlaktebehandeling & sierpieisters Zand- en straalbedrijf industriële schilderwerken - Hoogtewerken
J . GENNE Bosdel industriepark GENK (011) 35 8 0 5 1 / 3 5 8 0 5 2 Telefax (011) 35 80 53 8 Mlzerikstraat 3610 DIEPENBEEK (011) 32 33 60
MOLENBAAN 18 2220 WOMMELGEM Tel.: (03) 353 97 87 • • • •
Restauratie alle smeedwerk Hedendaags smeedwerk Eigen ontwerp Tuinmeubels
Gediplomeerd restaurateur
P. NIJS N.v. ALGEMENE ONDERNEMING DAK-ZINK-BOUW- EN RESTAURATIEWERKEN STEENKAPPERIJ SCHRIJNWERKERIJ ESLaan 49 - 9600 DEINZE Tel. : (091) 86 07 63 - 86 61 50 Fax: (091)86 04 15 Restauratie : 'De Vijfsterren' Gent
a
Met de sympathie van de
Generale Bank
RESIDENTIE ^ W £%W
dh D'HULSTNV Building Contractor
>
bouwonderneming VOtMKUITZICHt
JO D'HOORE
ARCHITEKTENBUREAU STIJN PEETERS
03/488.09.25
INGENIERSBUREAU PAUL FRANCE
03/231.90.38
03/480.39.00 INLICHTINGEN 03/646.66.55
03/233.66.08
P R O V O BVBA
restauratieschilderwerken
Het Kasteel Kruikenburg Stationstraat - Ternat De naam Kruikenburg ontstond in de 9de eeuw toen de Noormannen stelselmatig onze streken plunderden. De streekbewoners die regelmatig in 'het natte' werkten (vandaar de naam Ternat), hadden zich op een eiland in de vijvers, een schuiloord (een Borgha - Borg - Burg) ingericht. De bewoners namen naar deze Borgha ook hun mondvoorraad (bonen, rogge en gerst) in hun 'crukan' of kruiken mee. Kisten of zakken weerstonden namelijk niet aan het geknaag van ratten en muizen. Op deze manier onstand Crukanborgha - later Kruikenburg. Tijdens het leenroerig tijdperk behoorde 'De Heerlijkheid Kruikenburg' toe aan het Kapittel van de Abdij van Nijvel dat zelf toebehoorde aan het deelgebied Lenen. Kruikenburg verpachte allerlei ambten en rechten tegen forse vergoedingen. Arnout 1 van Wesemael verwierf de gronden met alles erop en eraan. Hij erkende min of meer zijn leenplicht tegenover de abdij want hij betaalde jaarlijks 12 kapuien en twee Leuvense stuivers. Als klein potentaat belust op de uitbreiding van zijn goederen werd de gewezen Borgha het centrum van een heerlijkheid die drie woonkernen omvatte. Kruikenburg trad officieel toe tot de rij der waterburchten. 1100 is zowat de tijd dat overal in ons lage land waterburchten ontstonden en dat de machtige leuden of lieden naar het zwaard grepen om hun bezit te vergroten. Het is zonder twijfel Arnout 1 van Wesemael die in het begin van de 12de eeuw de bouw van het kasteel in duurzaam materiaal begon. Op het einde van de 14de eeuw kwam het geslacht van Wesemael in geldnood en verkocht de burcht aan Everaard
't Serclaes (1380). 't Serclaes behoorde tot de Brusselse magistratuur en bekleedde verschillende malen de post van Schepene. Door het huwelijk in 1502 van Catharina 't Serclaes met Karel de Fourneau kwam Kruikenburg in het bezit van de familie de Fourneau. de Fourneau was niet minder dan 12 maal Schepene en eenmaal Burgemeester van de stad Brussel. Met de Franse revolutie kwam er een einde aan het Ancien Regime en aan de Heerlijkheid Kruikenburt' Door het huwelijk in 1866 van Barones de Fourneau met GraafEmanuel de Lichtervelde, kwam deze laatste in het bezit van het kasteel. Hij kwam er rustig zijn dagen slijten tot aan zijn dood in 1901. De gravin overleed in 1924. Ze bereikte de gezegende leeftijd van 94 jaar. In 1938, voor de 2de maal in 550 jaar, werd het kasteel wegens geldgebrek verkocht. De Broeders der Kristelijke Scholen verwierven het. Het zijn de Broeders der Kristelijke scholen die naast het bouwen van een school 'Het St.-Jozef Instituut', ervoor gezorgd hebben dat het kasteel gerestaureerd werd en bewoonbaar is gebleven. De Bvba Provo heeft hieraan kunnen meewerken. Met haar zeer lange ervaring en haar zeer grote kennis, heeft Provo tot het behoud van dit patrimonium Dijgedragen. Zij voerde onder meer de binnendecoratie uit en dit met behoud van en respekt voor de elementen uit het verleden. Het geheel wordt verder door Provo onderhouden op basis van een langdurig onderhoudskontrakt ; het periodeschema. Dit laat de eigenaars toe op voorhand de kosten te budgetteren en de kosten te spreiden over een periode van 10 jaar.
SCf IIDE» EN AFWEWINGSStW;?
Sint-Joriskaai 7 - 9000 Gent - Tel. (091) 23 12 96
.|{iV PATRIMONIUM
S VAN ONS
i wm
WSÊk1 w
^j f
* l^WBr
'0 : Injekties in de grote zuilen van de O.-L.-Vr.-Kathedraal een revolutionaire techniek van E.C.C. nv. BUU
^ok nu nog heeft E.C.C, nv een grote technisch restauratietechnieken gebaseerd op kunstharsc ekties ter stabilisatie tauraties van houten balkkoppen lijmingen van houten spanten - j ^ n — v a n steen- en metselwerk
Terbekehofdreef 50/52 - 2610 Wilrijk | ^ ^ ^ ^ Tel. (03) 828 94 95 - Fax (03) 830 27 69 - Tix. 73332 ecc
y
de rust en het evenwicht van mineralen
SUPPORT - SURFACE •RESTAURATIE +
CONSERVATIE.
Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit in 5 puntjes samen:
n
H H
De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteit van het monument bewaard blijft. Het materiaal moet zoufbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten met belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zi|n en speciaal-cementgebonden.
•
Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.
0
Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.
Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en injektiemortels van hoogwaardige kwa1 SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN
Solar
^VU£U*dcrtMa!et4420 • r^feic • ^faefe/Mtt
•
tLfa/uc&vmtt
Kleine Breedstraat 51 27O0S1-Niklaas
voor meer inforrmtie helt u'. 03///6.9L 61
Maatsch. zetel ; Kortrijkse Steenweg 382. 9(10(1 Gent (091) 23 87 03 Bedrijfszetel: Wapenstraat 12B. 2000 Antwerpen (03) 248 12 97
Restauratie - Renovatie N.V. CAB Bouwonderneming Zetel
A. Maxlaan 55 B4 1000 Brussel Tel. : (02)219 25 99 Fax: (02)219 27 79
Bureau : Gentsesteenweg 1329 1080 Brussel Tel. : (02) 465 76 76 Fax : (02) 465 77 90
Lid van Groep Monument
O.L.V. FINISTERRAE - BRUSSEL
ZONDER RENOFORS-BETA 2AG U DIE MOLENS NIET MEER...
ALGEMENE BOUWONDERNEMING VERNIEUWBOUW, RESTAURATIE\ GEVELWERKE^
Heeft U zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog .steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Komboutskathedraal zijn tonnen/.ware beiaard torst:' Solar n\'vernieuwt en versterkt rottend hout met het Kenofors-Bèta systeem. Voor jaaaren,
NATUURSTEE^ ETONREI
Kenotbrs-Bèta is een (kostenbesparend) alternatiefvoor dure en moeilijke vervangingswerken. Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel. doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91-62
U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...
Solar
1151 2700St -Niki
Ook sterk in: gevelremiging - steenverhardmg - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtingswerken • betonrestauratie houtbehandeling - brandremmmg.
Zo kan de geschiedenis
zich blijven
herhalen
jtm^
©
De Nationale Loterij. Een kans hebben is tegelijk een kans
geven.
De binnenrestauratie van kruisbeuk en koor van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen
Willem Aerts, Mare Roels, Linda Van Langendonek, Lode De Clercq, Walter Schudel en Mark Van Strydonk
15de-eeuwse polychromie op het gewelf van het hoogkoor (foto H. Maertens, 1989) M&L 12
Een nieuwe, interdisciplinaire aanpak Willem Aerts, Provincie Antwerpen - Dienst Kunstpatrimonium en Mare Roels, Provincie Antwerpen - Bouwdienst
Het verhaal van de huidige restauratie van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal begint in 1965. Op verzoek van de kathedrale kerkfabriek besliste het provinciebestuur van Antwerpen toen om als bouwheer op te treden voor de volledige herstelling van de kerk. In 1967 werd met de werken gestart. We gaan voorbij aan de buitenrestauratiewerken die door de provincie zijn uitgevoerd aan het kerkgebouw en door de stad aan de grote toren. Hier blijven in hoofdzaak nog te doen: delen van het schip, de kruisbeuk en het koor (1). De eerste fase van de binnenrestauratie (schip) werd voorafgegaan door de herstelling van de bedaking van de kerk. In 1983 kon het schip na restauratie weer in gebruik worden genomen. Een scharnierfase ging vooraf aan de tweede fase van de binnenrestauratie: de herstelling van kruisbeuk en koor. In deze scharnierfase werd de voltooiing van de ondergrondse klimatiseringsinstallatie gecombineerd met een archeologisch bodemonderzoek. Toen werd ook de binnenrestauratie van dit gedeelte grondig voorbereid. De restauratie van dit "monument van geschiedenis en kunst" kende geen vlak verloop. Wel integendeel. In de loop van deze onderneming diende één en ander te worden bijgestuurd. Meer zelfs, één van de basisopties voor de binnenrestauratie moest volledig worden herzien. Velen zijn sinds 1983 vertrouwd geraakt met het uitzicht van het gerestaureerde interieur van het schip. We zijn er ons van bewust dat de andere aanpak die nu voor kruisbeuk en koor is voorgesteld enige aanpassing zal vergen. Deze nieuwe aanpak dringt zich echter op. In deze bijdrage willen we duidelijk maken hoe men daartoe na grondige studie gekomen is. Vooraf wordt gesteld dat de heroriëntering van de binnenrestauratie geen kritiek inhoudt op de vorige fase, die in de jaren zestig werd geconcipieerd. Sindsdien is onze kennis van historische interieurs en onze visie op hun restauratie geëvolueerd.
dat de huidige visie een eeuwig leven beschoren is. Dit doet echter niets af van onze overtuiging dat morgen met verworvenheden van vandaag zal worden rekening gehouden, net zoals wij dat vandaag doen met verworvenheden van gisteren. Midden de jaren zestig bood het interieur van de kathedraal nog weinig esthetisch genoegen. De vervuiling van en de schade aan de binnenarchitectuur en het kunstpatrimonium werden in de hand gewerkt door de condensatieproblemen in de niet geklimatiseerde ruimte. De oude elektrische installatie leverde acuut brandgevaar. De verlichting was verouderd en niet aangepast. De vernieuwde liturgie vereiste een altaarverhoging met altaar in de kruising. De vaststellingen waren eenvoudig, maar de oplossingen van de problemen lagen niet steeds voor de hand. Enkele belangrijke opties die toen werden genomen en in de eerste fase van de binnenrestauratie in het schip werden uitgevoerd, betroffen bovendien het geheel van het kerkinterieur.
De ondergrondse klimatiseringsinstallatie die in de jaren zeventig in het schip werd aangelegd, werd na Zoals alle maatschappelijke bedrijvigheden is monu- 1983 in kruisbeuk en kooromgang voltooid. Deze mentenzorg immers geen statische bedoening. Elke operatie bood overigens de kans op een archeologisch vroegere generatie is vanuit een eigen visie de con- bodemonderzoek. Geleerd uit de lessen in het schip, frontatie met dit Antwerpse monument aangegaan. werd dit onderzoek in kruisbeuk en hoogkoor vooraf In het licht van deze eeuwenlange ontwikkeling zou gepland, wat zeker de volledigheid ervan ten goede het van een bekrompen houding getuigen te stellen kwam. 13 M&L
liefde voor een eerlijk materiaalgebruik, een klare vormentaal en een duidelijke constructie. Naderhand groeide, op basis van talrijke vaststellingen in binnen- en buitenland, meer en meer het besef dat het blootleggen van de stenen dragers in kerkinterieurs geen rekening hield met de historische realiteit. Terecht kregen schilderingen, kalklagen en pleisterlagen opnieuw de nodige belangstelling en waardering. Vooraleer met de tweede fase van de binnenrestauratie te beginnen, werd dan ook beslist een grondig vooronderzoek van afwerkingslagen, muur- en gewelfschilderingen uit te voeren. Het eerste luik van dit onderzoek betrof een historische studie, uitgevoerd door de dienst kunstpatrimonium van de provinciale cultuurdienst (3). Het werd een gedetailleerde studie van publikaties, archivalia en iconografische documenten met betrekking tot afwerking en decoratie van kruisbeuk en koor. De resultaten waren richtinggevend voor het materieelwetenschappelijk onderzoek ter plaatse, uitgevoerd door de Algemene Ondernemingen E. G. Verstraete & Vanhecke in samenwerking met een specialistenteam onder leiding van Lode de Clercq en Walter Schudel, waarvan verder deel uitmaakten: Pol Huet, Petra Maclot, Linda van Dijck en Mieke van Molle.
Kooromgang noord, gezien naar het oosten. Een beeld van het interieur van de kathedraal, midden de jaren zestig (foto A.C.L.)
Veruit de belangrijkste optie die op het einde van de jaren zestig werd genomen, betrof de reiniging van de binnenruimte. Hierbij werd beslist alle constructieve architectuurelementen uit kalkzandsteen (muren, pijlers, bogen, gewelfribben en sluitstenen) te ontdoen van alle afwerkingslagen die er sedert de bouw van de kerk waren op aangebracht. Meteen zou eventuele bouwpolychromie verdwijnen. Toen één pijler in het schip van de kathedraal op deze manier was gereinigd, stond vrijwel iedereen zonder reserve achter de voorgestelde aanpak. De bakstenen muurgedeelten en gewelfvelden werden opnieuw bepleisterd, behalve daar waar decoratieve en figuratieve schilderingen uit de 15de en de 16de eeuw vrijkwamen. Op één plaats besloot men het zandstenen parement verborgen te houden achter een merkwaardige muurschildering uit de tweede helft van de 15de eeuw met voorstelling van de Kruisdraging (2). De optie in verband met de reiniging van de constructieve architectuurelementen berustte op de overtuiging dat de binnenarchitectuur van een gotische kerk "in steen was gedacht". Dit denkbeeld sloot nauw aan bij de toenmalige architectuurvisie met haar voor• • •
M&L 14
Na de reinigingswerken in het schip. Muren, pijlers, gewelfribben en sluitstenen zijn tot op de natuursteen ontdaan van hun afwerkingslagen. Op de gewelfvelden kwamen 15de- en lóde-eeuwse schilderingen te voorschijn (foto L. van der Aa, 1973)
Eenmaal de resultaten van het vooronderzoek bekend waren, dienden de opties met het oog op de verdere binnenrestauratie vastgelegd te worden. De werken zullen in fasen worden uitgevoerd. Voor 1993 staat de binnenrestauratie van hoogkoor en kruisbeuk op het programma. Kooromgang en koorkapellen zullen daarna aan bod komen. Omwille van deze fasering werd het noodzakelijk geacht een globaal concept vast te leggen waarbinnen de diverse fasen toch tot een coherent geheel zouden kunnen leiden. Daartoe was het nodig nu reeds een optie te formuleren met betrekking tot de aanpak van kooromgang en koorkapellen. Voor de kapellen werd beslist in principe uit te gaan van de bewaring van de neogotische uitmonstering. Het onderzoek heeft namelijk aangetoond dat het aanbrengen van de neogotische decoratie in de meeste gevallen voorafgegaan werd door decapering van oudere bestanden. Enkel in kapel 3 (toegang tot de sacristie) en kapel 12 (Sint-Antonius) zou het mogelijk en wenselijk zijn een oudere fase vrij te leggen. Wat de kooromgang betreft dient nog verder onderzocht of en in welke mate de diverse roodfasen kunnen gecombineerd worden, dan wel of een meer neutrale aanpak aangewezen is.
geaccentueerd. In aansluiting daarmee werden ook de achtergronden van het traceerwerk in de boogzwikken gezwart. De relatieve datering, de werkwijze en het effect doen vermoeden dat dit zwarte decor integraal deel uitmaakte van het ontwerp van de steensculptuur. Kaderend in het globale concept waarvan hoger sprake, werd bijzondere aandacht geschonken aan de op de oostelijke wand van de kruisbeuk aangetroffen roodschilderingen. Zij vormen immers de schakel tussen schip en kruisbeuk enerzijds en kooromgang en koorkapellen anderzijds. Aangezien deze schilderingen zeer belangrijke oppervlakten beslaan en de bewaringstoestand eerder diepgaande ingrepen vereist, werd gemeend dat men bij de selectie zeer omzichtig diende te werk te gaan, temeer omdat het dan nog zeer de vraag is of de combinatie van de verschillende roodtinten een esthetisch aanvaardbaar geheel zou vormen. Finaal werd geopteerd voor de vrijlegging van de derde fase van de roodschildering van de travee naast de noordelijke toegang tot de kooromgang (nr. 13) en wel om twee redenen: de uitzonderlijk merkwaardige en tot
De belangrijkste optie voor hoogkoor en kruisbeuk is ongetwijfeld het behoud van de neutrale afwerkingslagen. Men gaat ervan uit dat dit behoud noodzakelijk was als kader, als "ambiente" voor de schilderingen die zichtbaar zullen worden gemaakt. Op deze manier worden ze niet geïsoleerd maar blijven ze een eenheid vormen met een ruimte die zichtbaar een respectabele ouderdom heeft. Het verschil in aanpak tussen het schip aan de ene kant en de kruisbeuk en het koor aan de andere kant zal na de verwijdering van de houten wand ertussen zeker zichtbaar zijn maar getemperd worden door een gelijkaardige tonaliteit. De selectie van de decoratieve schilderingen die zouden worden vrijgelegd, was eveneens een belangrijke stap op weg naar een definitief ontwerpdossier. Het spreekt vanzelf dat alle andere schilderingen onzichtbaar bewaard blijven en door de afwerkingslagen trouwens goed beschermd zijn. Bewijs daarvan vormt de zeer goede bewaringstoestand van de middeleeuwse polychromie op de gewelven van het hoogkoor. Het was evident dat deze hoogstaande polychromie zou worden vrijgelegd, evenals de bichromie op het gotische steenwerk van de kruising. De zwartschildering die daar werd aangetroffen is dermate 'sterk' dat over de vrijlegging en reconstructie ervan weinig twijfel kon bestaan. Het onderzoek heeft aangetoond dat deze rechtstreeks op de steen aangebrachte schildering even oud is als de allereerste kalkwitsellaag die bij de voegafwerking van het natuurstenen metselwerk aansluit. De koolzwarte schildering werd aangebracht op die plaatsen waar de aanwending de leesbaarheid verhoogde van het zeer verfijnde ornamentele werk, zoals de bladsculpturen van de hangende sluitstenen en consoles. Tevens werden de belangrijkste fijne profileringen met zwart
Gewelfscliildering in het schip, na behandeling. De schilderingen die op de andere gewelven zichtbaar zijn, dienen nog aangepakt te worden (foto O. Pauwels, 1989)
15 M&L
danken aan het grondig vooronderzoek van afwerkingslagen, muur- en gewelfschilderingen, dat zijn neerslag vond in een indrukwekkend dossier. Dit liet toe verantwoorde beslissingen te nemen in verband met dit uiterst belangrijke aspect van de binnenrestauratie. In april van dit jaar slaagde architect Guido Derks er inderdaad in het lastenboek af te werken voor de totaliteit van alle tegen 1993 geplande werken. De werken in de kruisbeuk en hoogkoor starten dit jaar nog en zullen tegen 1993 voltooid zijn. De houten wand, die reeds bijna twintig jaar de grootste gotische kerkruimte van de Nederlanden in tweeën splitst, zal dan verdwijnen. Het interieur van kooromgang en koorkapellen zelf zal pas dan — na 1993 — systematisch worden aangepakt.
Zwarte achtergrondschildering van het gotisch steenwerk van de kruising (foto L. De Clercq, 1989)
N4
op heden niet geïdentificeerde applicatietechniek van de motieven en het verband met de aansluitende koorkapel van Sint-Antonius (nr. 12). Omwille van de symmetrie werd gekozen om als pendant ook de articulerende roodschildering op de travee naast de zuidelijke toegang tot de kooromgang (nr. 14) aan het licht te brengen. Deze twee roodschilderingen hoorden respectievelijk bij de verdwenen altaren van SintJan en Sint-Jacob en zullen de achtergrond vormen van de Kruisoprichting en de Kruisafneming van Rubens. De opportuniteit van de vrijlegging van één van de contourschilderingen in de kruisbeuk werd eveneens lang overwogen. Uiteindelijk werd besloten de definitieve beslissing alsnog uit te stellen. De vrijlegging van één van de contourschilderingen lijkt uit documentaire overwegingen te verantwoorden indien de schildering de nodige decoratieve kwaliteit bezit, zodat ze ook los van het vroegere verband met een meubelstuk kan functioneren. Een en ander dient echter nog verder bestudeerd te worden in relatie met de schilderijen die weer tegen de kruisbeukwanden zullen worden opgehangen. Ook de vrijlegging en reconstructie van de zwartschildering boven de ingang van de zuidelijke kooromgang wordt overwogen. Deze schildering fungeerde vroeger als achtergrond voor het verdwenen transeptorgel en deze functie kan mogelijk hernieuwd worden als op dezelfde plaats het nieuwe orgel wordt geïnstalleerd. In het najaar van 1990 starten de restauratiewerken in hoogkoor en kruisbeuk. Dat het definitieve ontwerp kon worden afgerond, is voor een flink deel te M&L 16
" 'T * S * 1[&\1 KRUISBEUK
*
K 15 1 VERING! j 0t I of TRANSEPT
* .
; KRUISING;
• é-
4 •
Plattegrond van kruisbeuk en koor. In de tekst wordt naar de nummering verwezen
Voetnoten (1) Aerts W., De restauratie van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen, 1965-198311984-1989, Antwerpen, 1989. (2) Slechts een paar van deze schilderingen werden tot nu toe behandeld. De conserveringsploeg van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen behandelde de Kruisdraging en een gewelfschildering in één van de zijbeuken. De conservering van de andere schilderingen is gepland, Buyle M., Een middeleeuws stripverhaal. De conservering van een 15de-eeuwse kruisdraging in de Antwerpse kathedraal, in Monumenten en Landschappen, 1, 1, 1988, p. 26-32. Buyle M., Een hemel vol sterren. De conservering van een 15de-eeuwse gewelfschildering in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen, in Monumenten en Landschappen, 9, 1, 1990, p. 12-24. (3) Van Langendonck L., Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen. Historisch onderzoek van muur- en gewelfschilderingen in koor en kruisbeuk, (Antwerpen, 1988).
De historische studie Linda Van Langendonck, Provincie Antwerpen - Dienst Kunstpatrimonium
De historische studie van de afwerkingslagen in het koor en de kruisbeuk van de Antwerpse kathedraal omvatte — zoals vermeld — een grondig onderzoek van alle archivalia, iconografische documenten en publikaties die over dit onderwerp inlichtingen konden verschaffen.
Status quaestionis Het uitzicht van het koor en de kruisbeuk tijdens het Ancien Régime werd voornamelijk gedocumenteerd door de kerkrekeningen, bewaard vanaf 1431 en door verscheidene archieven van de ambachten, gilden en broederschappen die in dit gedeelte van de kerk over een altaar beschikten. Kerkgezichten uit de 15de, 16de of 17de eeuw met een voorstelling van de polychrome beschildering van de kruisbeuk, kooromgang of koorkapellen waren niet beschikbaar. De iconografische documentatie bleef in dit opzicht beperkt tot een aantal emblemen.
rond het midden van de 19de eeuw blootgelegd op de muren van de koorkapellen en in 1856, als illustraties bij een korte beschrijving van de kapellen, afgedrukt in het eerste deel van de Verzameling der graf- en gedenkschriften (1). Met betrekking tot de neogotische beschildering uit de tweede helft van de 19de eeuw en de eerste decennia van de 20ste eeuw bevonden zich verscheidene ontwerpen en calquetekeningen in het kathedraalarchief en in het privé-archief van B. Dockx, kleindochter van de decoratieschilder J. Baetens. Aanvullende archiefgegevens konden voor deze periode worden geput uit de verslagen en de correspondentie van de kerkfabriek, het provinciaal archief en het archief van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen.
Chronologisch overzicht van de voornaamste afwerkingscampagnes 15de eeuw De periode van de bouwpolychromie, de eerste afwerking van bepaalde interieuronderdelen parallel met hun oprichting, kon op basis van de voorhanden zijnde archivalia slechts karig worden gedocumenteerd. Het koor en de kruisbeuk van de Antwerpse kathedraal werden gebouwd van 1352 tot 1519. In 1411 was de overwelving van het koor voltooid (2). Pas in 1495-1496 is in de kerkrekeningen sprake van het witten van het koor (3). Rond het midden van de vorige eeuw werden in de koorkapellen en kooromgang verscheidene wapenschilden en emblemen blootgelegd, ondermeer dit van de Oude Handbooggilde (links) en het wapenschild van de peltiers of bontwerkers, op de muren van de peltierskapel (uit Génard P., Verzameling der graf- en gedenkschriften van de Provincie Antwerpen. Arrondissement Antwerpen. Antwerpen, Cathedrale kerk, 1. Antwerpen, 1856)
De schilders Cornells de Beuckelere en Anthonis vanden Wyngaerde ontvingen in 1513 een geldsom omdat ze respectievelijk 83 dagen en 47 en een halve dag voor de kerkmeesters gewerkt hadden. Tegelijk werd een grote hoeveelheid loodwit, berggroen, ver17 M&L
miljoen, azuriet, menie, massicot en oker aangekocht (4). De precieze bestemming van deze verfstoffen is niet bekend. Vanaf 1442 maakte de Sint-Lucasgilde gebruik van de vierde kapel aan de noordzijde van de kooromgang (nr. 8 op de plattegrond). Colijn de Coter uit Brussel kreeg in 1493 de opdracht op het gewelf van deze kapel engelenfiguren te schilderen. De muren werden van boven tot beneden versierd met ossen en vogels, die het wapenschild van de schilders droegen (5).
ren geschilderd. Het bovendeel van de kapel en een gedeelte van de kooromgang kregen een witte kleur (11). Matthys de kladschilder decoreerde in 1586 de kapel van de Kolveniersgilde in de zuidelijke kruisbeuk met het wapenschild van de stad en verscheidene andere wapenschilden (12). In 1588 werden in de SintLucaskapel (nr. 8) apostelfiguren geschilderd (13).
16de eeuw In de nacht van 5 op 6 oktober 1533 teisterde een hevige brand de kathedraal. Het zwaarst getroffen waren de hoofdbeuk en de kruisbeuk, overkluisd met houten gewelven (6). Op 18 juli 1534 werd op de kruisingkoepel opnieuw de mei geplant. "Tverhemelt" van deze lantaarn werd in 1535 met plaaster bestreken en rondom beschilderd. In 1536 ontving Jan Padtmos van de kerkfabriek een geldsom voor het beschilderen van de lantaarn en voor het gebruikte goud (7). Na de beeldenstorm in 1566 kregen de ambachten, gilden en broederschappen de opdracht hun altaren in hun vroegere, fraaie toestand te herstellen. Laureijs de schilder versierde in 1567 het gewelf, het onderste deel van de zuilen en de muren van de kapel van de Jonge Handbooggilde met het kenteken en het wapenschild van deze gilde (8). Datzelfde jaar bracht Jan Leijs achter het nieuwe orgel boven de toegang tot de zuidelijke kooromgang een zwarte schaduwschildering aan (9). In 1581-1582 werd het interieur van de Antwerpse kathedraal door de calvinisten vernield en wit gekalkt (10). De herstelling na de reconciliatie in 1585 betekende voor de betrokken instanties een zware financiële belasting. De kapel van de Jonge Handbooggilde werd in 1586 door Adriaen van Krieckenbeeck met vermiljoenverf en verf van verschillende andere kleu-
Voormalige Sint-Ursulakapel {nr. 9). Fragmenten van de muurdecoratie, circa 1592-1593 uitgevoerd in opdracht van de familie van den Cruyce (foto's L. De Clercq, 1989) M&L 18
let, architect, coördineerde de werken. Stadsarchivaris P. Génard adviseerde bij de keuze van de motieven en H. Leys, kunstschilder, leverde ontwerpen (23). De kapel van Sint-Jozef, de voormalige Sint-Ursulakapel (nr. 9), werd in 1872 door J. Baetens gedecoreerd naar ontwerpen van de kunstschilder L. Hendrickx (24). Een beschilderde kraagsteen vermeldt het jaartal 1872.
Sint-Jozefskapel (nr. 9). Beschilderde kraagsieen met het jaartal 1872 (foto P.M.A., 1988)
De zeepzieders en de schoolmeesters vergaderden op 25 mei 1589 over het plan het koor van hun gezamenlijke kapel (nr. 3) met olieverf rood te beschilderen (14). De derde kapel (nr. 9) en het aanpalende lokaal aan de noordzijde van de kooromgang werden in 15921593 door kanunnik Gaspar van den Cruyce en zijn familie ingericht als Sint-Ursulakapel (15). Het interieur kreeg een grijze ondergrond met verscheidene motieven, zoals bloemen, vogels, engelen met muziekinstrumenten en het wapenschild van de familie van den Cruyce (16). De wijntaverniers betaalden op 4 september 1597 aan Artus Claes de som van 75 gulden voor de beschildering van hun kapel (nr. 6), centraal gelegen achter het hoofdaltaar (17).
In de kapel van de Zalige Ludovicus Flores (nr. 4) werd in 1868 een oude figuratieve schildering blootgelegd. Centraal was Christus aan het kruis voorgesteld. Links bevonden zich Maria en Johannes. Rechts werd de Marteling van Sint-Sebastiaan, de patroonheilige van de Oude Handbooggilde, afgebeeld. De wapenschilden van de familie Bode verwezen naar de oorspronkelijke functie van deze kapel, waar ter ere van de schout Jan Bode, vermoord in 1389, eeuwigdurend een mis moest worden gevierd. Op verzoek van de familie van de Werve-Ullens werd de schildering in 1874 gerestaureerd (25). Tegen de westgevel van de kapel van het Heilig Hart van Jezus (nr. 1) bevindt zich een schilderij van C. Seghers, dat de verschijning van Christus aan de Heilige Margaretha Maria Alacoque voorstelt. Dit
17de en 18de eeuw In 1612-1616 kregen de hoofdbeuk en de kruisbeuk een stenen overwelving (18). De kruisingkoepel werd tijdens deze periode hersteld, opnieuw bezet, gewit en herschilderd. Het witten van de noordelijke en zuidelijke kruisbeukarm werd in 1617 aan Hans van Sande uitbesteed. Jacques Roelants ontving dat jaar 500 gulden voor het witten "van de heel kercke" (19). In 1654-1657 kreeg de kerk een tweede globale witselbeurt (20). De kapellen van de kooromgang werden pas in 1695 voor de eerste maal wit gekalkt (21). Tot ongeveer het midden van de 19de eeuw werd het globaal witten van muren en gewelven regelmatig herhaald (22). 19de en 20ste eeuw In 1866-1867 werd voor het eerst één van de koorkapellen met neogotische schilderingen versierd. J. Baetens beschilderde de absidiale kapel (nr. 6), toegewijd aan de Nood Gods, met de emblemen van de wijntaverniers, het kenteken van de Oude Handbooggilde, bloemmotieven en wapenschilden. F. Dur-
Kapel van de Zalige Ludovicus Flores (nr. 4). Muurschildering met Calvariegroep en Marteling van Sint-Sebastiaan, gerestaureerd in 1874 (foto A.CL., 1975) 19 M&L
«J,
tf.' 'it'
ST
m^t ^•r-''
'^.J.
SS^?
Kapel van Sint-Jan Berchmans (nr. 7): A. Kockerols, ontwerp voor de gewelfdecoratie (Antwerpen, Kathedraalarchief)
Kapel van Sint-Jan Berchmans (nr. 7) : A. Kockerols, ontwerp voor de muurdecoratie (Antwerpen, Kathedraalarchief)
paneel tooide oorspronkelijk het altaar van deze ring, versierd met engelen, wapenschilden, twee grote kapel. In 1874 werd het vervangen door een beeld en emblemen en andere motieven (30). naar de tegenovergelegen muur overgebracht (26). J. Baetens ontving in 1898 2.227,-fr. voor het beschilDe schilderingen op de westmuur, volledig aangepast deren van de kapel van Sint-Vincentius a Paulo aan de vorm van het schilderij, kunnen vermoedelijk (nr. 10). Als gebruikte materialen werden "loodwit, kort na deze verplaatsing in 1874 worden gedateerd. fijn kleuren, olie en terpentijn, 215 boeken dubbel goud en 57 boeken platin" opgesomd (31). De oudste neogotische decoratie in de kapel van de In 1921 plaatste men in de tweede zuidelijke koorkaHeilige Barbara (nr. 5) gaat terug tot 1879 (27). In pel (nr. 2) een altaar, toegewijd aan de soldaten van 1910 voerden A. Van Meurs en E. Biemans aan de de parochie die in 1914-1918 gesneuveld waren. De schilderingen in deze kapel herstellingen uit (28). beschildering van de muren werd in 1922-1924 uitgeDe kapel van Sint-Jan Berchmans, de voormalige voerd door A. Van Meurs en H. en G. Van den bontwerkerskapel (nr. 7), werd circa 1889 met neogo- Wildenberg (32). tische schilderingen versierd. A. Kockerols tekende De decoratie van de kapel van Onze-Lieve-Vrouw ontwerpen voor het altaar, een "welfsel-schildering" van de Vrede (nr. 2) vormde het sluitstuk van de en een "muurschildering". De kosten van het altaar neogotische aankleding van de koorkapellen in de en de schilderingen werden gedragen door graaf Sta- Antwerpse kathedraal. Met uitzondering van de toenislas Legrelle (29). gang tot de sacristie (nr. 3) en de voormalige SintDe neogotische decoratie in de Sint-Lucaskapel Antoniuskapel (nr. 12), waren alle koorkapellen (nr. 8) werd in 1894 aangebracht door J. Baetens. voorzien van neogotische glasramen, meubels, kunstHet bestek beschreef vijf lagen matte olieverfschilde- werken en schilderingen. M&L 20
Sint-Lucaskapel (nr. 8). Engelfiguur op het gewelf (ioto L. De Clercq, 1989)
Sint-Lucaskapel (nr. 8). Ontwerpen voor de muurdecoratie (rechts boven) en de gewelfdecoratie, beide ca. 1894 (Antwerpen, Privé-archief B. Dockx)
21 M&L
Voetnoten (1) [Génard P.], Verzameling der graf- en gedenkschriften van de provincie Antwerpen. Arrondissement Antwerpen. Antwerpen. - Cathedrale kerk, 1, Antwerpen, 1856, p. 65, 71, 75, 79, 85 en 92. (2) Leurs S. en Philippen L.J.M., De kathedrale kerk van O. L. Vrouw te Antwerpen, (Ars Belgica, 9J, Antwerpen, 1938, p. 5-8. (3) KAA., 10: Rekeningen van de kerkfabriek, (Kerstmis 1495 Kerstmis 1496), fol. 36. (4) KAA.. 12: Rekeningen van de kerkfabriek, (Kerstmis 1512 Kerstmis 1513), fol. 25 en 29. (5) AKASKA., Oud Archief, 70 (3); Liggeren Sint-Lucasgilde I, (1493), fol. 50. (6) Van Brabant J., Rampspoed en restauratie. Bijdrage tot de geschiedenis van de uitrusting en restauratie der Onze-LieveVrouwekathedraal van Antwerpen, (Antwerpen, 1974), p. 19-24. (7) KAA., 13: Rekeningen van de kerkfabriek, (Kerstmis 1533 Kerstmis 1534), fol. 30; ID., (Kerstmis 1534 - Kerstmis 1535), fol. 28 en 28 v; ID., (Kerstmis 1535 - Kerstmis 1536), fol. 29 en 30. (8) SAA., Gilden en ambachten, 4650: Gilde van de Jonge Handboog. Rekeningen, (1567), fol. 105. (9) KAA., 16: Rekeningen van de kerkfabriek, (Kerstmis 1567 Kerstmis 1568), fol. 30. (10) Van Brabant J., Onze-Lieve-Vrouwkathedraal van Antwerpen. Grootste gotische kerk der Nederlanden, (Antwerpen, 1972), p. 26.
M&L 22
(11) SAA., Gilden en ambachten, 4651: Gilde van de Jonge Handboog. Rekeningen, (12 januari 1586 - 4 januari 1587), fol. 41 v0, 44, 45, 46 en 46 v0. (12) SAA., Gilden en ambachten, 4664: Kolveniersgilde. Rekeningen, (26 maart 1586), fol. 37. (13) AKASKA., Oud Archief, 70 (3): Liggeren Sint-Lucasgilde I, (1588), fol. 146. (14) SAA., Gilden en ambachten, 4529: Schoolmeesters. Rekeningen, (25 mei 1589), fol. 143 v0. (15) Papebrochius D., Annales Antverpienses ab urbe condita ad annum M.DCC, 4, Antwerpen, 1847, p. 207. (16) Met uitzondering van de Sint-Ursulakapel en de Sint-Lucaskapel, werd na het verwijderen van de witsellagen rond het midden van de 19de eeuw in alle koorkapellen een rode ondergrond geconstateerd. [P. Génard], o.c, 1, p. 35, 46, 51, 62,65,71,75,79, 85, 92 en 97. (17) SAA., Gilden en ambachten, 4590: Wijntaverniers. Rekeningen, (31 augustus 1597 - 31 augustus 1598), fol. 253, 254 v0 en 255. (18) KAA., 19: Rekeningen van de kerkfabriek, (Kerstmis 1611 Kerstmis 1612), fol. 40 v0; ID., (Kerstmis 1614 - Kerstmis 1615); ID., (Kerstmis 1616 - Kerstmis 1617), fol. 48. (19) KAA., 19: Rekeningen van de kerkfabriek, (Kerstmis 1611 Kerstmis 1612), fol. 35 v0 en 40; ID., (Kerstmis 1615 Kerstmis 1616), fol. 41 v0, 42 en 42 v0; ID., (Kerstmis 1616 Kerstmis 1617), fol. 45 v0 en 46.
Het materieel-wetenschappelijk onderzoek ter plaatse Lode De Clercq
De waarnemingen gebeurden, naast het minutieus nazicht van alle aan de huidige oppervlakte zichtbare fenomenen, hoofdzakelijk via relatief kleine sonderingen. Hierin kunnen twee types worden onderscheiden; de eerder stratigrafisch gerichte steekproef en de op één fase gerichte steekproef.
Terwijl de eerste soort door middel van de trapsgewijze aanleg ervan zowel de identificatie van de laagoppervlakte als de opbouw en de opeenvolging van de verschillende lagen beoogt, blijft de tweede soort meer beperkt tot één bepaalde laag, meestal zelfs tot de afwerkingsfase van één bepaalde laag. De trapsgewijze steekproef laat toe een laag te lokaliseren binnen het totale lagenpakket en geeft dus een zicht op de relatieve ouderdom, aangezien de volgorde van ontstaan van de lagen kan worden vastgelegd. Meestal volstonden enkele trapsgewijze steekproeven per wand of geleding om na te gaan hoever éénzelfde laagsequentie zich uitstrekte en konden hierdoor de
Plan eerste twee traveeën van liet koorgewelj, de stratigrafische steekproeven
met aanduiding
van
uitgebreidheid en de onderlinge relatie tussen de verschillende achtereenvolgende, doch soms ook synchroon voorkomende decoraties worden onderzocht. Het onderzoek wees immers uit dat bepaalde belangrijke en kostbare schilderingen soms werden uitgespaard bij de latere hernemingen van de minder kostbare architectuurdelen, zoals bijvoorbeeld de hoogkoor-decoraties gedurende de 15cle eeuw. Aan de hand van de éénfasige steekproeven werden de verdere kenmerken zowel op iconografisch als op technisch vlak systematisch in kaart gebracht. Een eerste stap hierbij vormde het aanmaken van een uitgebreide fiche per steekproef. Elke steekproef werd gelokaliseerd op een daartoe geëigend plan en tevens gefotografeerd. Vervolgens werd een eerste hypothetisch model uitgewerkt én werden de daaruit resulterende vraagstellingen bijkomend geverifieerd. Daarna werd een overkoepelende fasering uitgewerkt. Hierbij werd noodzakelijkerwijze ruime aandacht besteed aan het verfijnen van het chronologisch model van het geleidelijk aan opgetrokken en zeer complexe koor, hetgeen de noodzakelijke termini opleverde voor de bepaling van de aanvangslaag van de te vergelijken sequenties. De resultaten van dit "muurarcheologisch" onderzoek resulteerden ten slotte in een repertorium van de voornaamste decoraties. Hierbij werd voor de bestudeerde circa 45 ruimtelijke entiteiten een overzicht opgemaakt van de meestal in zes periodes te vatten evolutie van de bouwpolychromie en de muurschilderingen. Van de belangrijkste niet zichtbare decoraties werden gekleurde reconstructieplannen opgemaakt die toelaten de structuur, de omvang en de interactie van deze decoraties in te schatten. Aan de hand van deze 23 M&L
reconstructiehypothesen verkregen we tevens soms inzichten omtrent de inplanting en de dimensionering van het verdwenen meubilair. Een groot deel van de aangetroffen schilderingen had blijkbaar een mediërende functie tussen meubilair en architectuur en was bovendien, via gerepeteerde symbolen, specifiek afgestemd op de iconografische programmering van de — afgezien van het hoogkoor — in hoge mate opgesplitste rituele contexten. Een frappant voorbeeld van deze problematiek vormen de beide uit de eerste helft van de 16de eeuw stammende schilderingen die we aantreffen op de oostwand van de travee naast de noordelijke toegang tot de kooromgang. Vooreerst geeft het rode achtergrondveld de grote dimensies weer van het gemeubileerde decor. Ten tweede laten de systematisch gerepeteerde attribuutschilderingen — zoals de kelk met adder of de in een gotische vierpas centraal gestelde schaar — toe de relatie te leggen met het in de bronnen vermelde Sint-Jansaltaar. Bovendien laat de bij het altaarmeubel aansluitende schildering als het ware een afdruk zien van dit laat-gotische meubel. In de momenteel vrijgelegde zones kunnen we reeds de grillig opengewerkte bovenbouw herkennen van een dergelijk altaar.
Resultaten: de belangrijkste decoratiefasen
Reconstructietekening van de achtergrond (3de fase) van het SintJansaltaar
l
Reconstructieplan eerste twee traveeën van het koorgewelf, met beschilderde sluitstenen, ribben en gewelfvelden 1 M&L 24
15de eeuw Om de chronologische spreiding van de oudste decoraties op een systematische wijze te kunnen duiden, werd door middel van een vergelijkende studie van de kenmerken van de basisafwerking en het hiermee gepaard gaande initiële sculpturale en gepolychromeerde patrimonium (vooral de sluitstenen) een model ontwikkeld van de bouwevolutie. Hierbij werd tevens gebruik gemaakt van de hoofdzakelijk door Prims en Van Langendonck reeds gepubliceerde gegevens. Het door ons gehanteerde schema gaat er van uit dat de aanhef van het 'nieuwe' gotische werk werd gerealiseerd aan de zuidzijde van de koorpartij, namelijk de kapellen 2, 3 en 4 en de daarbij aansluitende traveeën van de kooromgang. Deze traveeën werden vermoedelijk overwelfd rond 1387. Vervolgens werd het hoogkoor zelf gerealiseerd en geleidelijk de hierbij aansluitende traveeën van de kooromgang en de in het verlengde liggende kapellen. Deze evolutie voltrok zich blijkbaar gradueel van oost naar west. De koorpartij werd voleindigd door de realisatie van de aansluitingstraveeën met de laat-15de-eeuwse transepten. Bij de noordelijke 12de kapel en de daarmee corresponderende travee in de omgang zijn deze onderdelen blijkbaar reeds afgestemd op de traveebreedte van de in de laatste decennia van de 15de eeuw gerealiseerde transeptarm. Ondanks deze stapsgewijze ontwikkeling kunnen we in de basisafwerking een grote continuïteit vaststellen. In het koor werd de natuursteen steeds voorzien van een dunne, platvolle bepleistering over de voeg die
Kapiteel van het hoogkoor. Detail van een sondering, waarbij de licht-crèmekleurige eerste afwerking van de natuursteen werd vrijgelegd (foto L. De Clercq, 1989)
steeds licht werd opengeborsteld over de ganse oppervlakte. Hierover werd dan een licht steenkleurig laagje kalkwitsel aangebracht. De baksteenpartijen werden steeds voorzien van een stevige laag kalkpleister die eveneens met de borstel werd geglad. Bij de later gerealiseerde transepten werd eenzelfde systeem gevolgd, waarbij dan bijkomend nog een zeer regelmatig getraceerde siervoeg werd voorzien. De sculptuur van de sluitstenen vertoont een differentiatie die nauw in verband te brengen is met de bouwevolutie. De eerste variant komt exclusief voor Tweede zuidelijke travee van de kooromgang. Deze sluitsteen uit de late 14de eeuw is van het oudste type dat in het koor werd aangetrofin de laat-16de-eeuwse zuidelijke traveeën en behelst fen en behoort mogelijk tot de eerste bouwfase van de gotische kleinere, tamelijk bolle sluitsteentypes zonder omlij- kathedraal (foto L. De Clercq, 1989) sting, waarvan de rijkelijke stoffering steeds is aangelegd op een preparatie in gele oker. De tweede categorie sluitstenen omvat een omvangrijke reeks met verscheidene subgroepen, die we doorheen de rest van de koorpartij aantreffen en die tot stand kwam tussen circa 1410 en 1480. Deze reeks, waarvan sommige exemplaren tot de fraaiste en best geconserveerde behoren van de Nederlanden, vertonen steeds een vlakke achtergrond die omraamd wordt door een meestal dubbel geprofileerde omlijsting waarin bloemmotiefjes zijn gevat. De sculptuur volgt over het algemeen een meer scenische planning en de schitterende polychromie verbaast, mede wegens de grote hoogte, door de doorgevoerde detailrijkdom. In het hoogkoor werden de gewelven en de ribben verder voorzien door een rond de sluitsteen gecentreerde stervormige decoratie, doch bleef de rest van de architectuur monochroom. De egaliserende basisafwerking homogeniseerde in sterke mate de architecturale materie en verhoogde de resonantie van de polychrome accenten. Eenzelfde concept beheerste in aanvang eveneens de kooromgang, alhoewel de polychromie hier beperkt bleef tot de eigenlijke sluitsteen. Van een polychromie die zich zoals in de kathedraal beperkt tot het centrum van het gewelf verkrijgen we bijvoorbeeld een mooi beeld op het altaarstuk van de Zeven Sacramenten van Rogier Van Centrale gewelfdecoratie in het hoogkoor. Rond de sluitsteen werden der Weyden, in het Koninklijk Museum voor Schone korte ribmanchetten en spitse, met fleurons afgeboorde, bloemsterren aangebracht (foto H. Maertens, 1989) Kunsten te Antwerpen. 25 M&L
Man van Smarten of Lijdende Christus in de toegang tot de sacristie (nr. 3). Het vrijgelegde deel, vermoedelijk te dateren rond het midden van de 15de eeuw, toont een fragment van een Christushoofd met doornenkroon. De nimbus werd uitgewerkt in stucreliëf en verguld (foto L. De Clercq, 1989)
Kapellen nrs. 3 en 4 Links: Lam Godsmotief behorende tot het eerste groene decor (oostwand van kapel nr. 3) Rechts: Proefvrijlegging van een Lam Gods-motief uit het tweede groene decor. Deze herneming heeft minder plastische karakteristieken dan het vorige decor (foto's L. De Clercq, 1989)
Gedurende de 15de eeuw, naargelang het bouwproces vorderde en bijgevolg ook de installatie van de altaren mogelijk werd, ging men de kapellen voorzien van zowel muurschilderingen als van een zeer verfijnde en bovendien weelderige architecturale polychromie. In deze architecturale stofferingen werden attributen en heraldische motieven opgenomen. Bepaalde doorgedreven verfijningen, onder meer op de profielen van de blindnissen in verscheidene kapellen, getuigen door het vrijelijk gebruik van bladgoud en geschilderde biezen van eenzelfde behandelingsgraad als van de sluitstenen. Het is alsof de stofferingsprincipes van de sculptuur werden uitvergroot op de architectuur.
situeert, toont de recente overzichtsstudie van O. Emmenegger aan dat er in onze meer noordelijke regio een belangrijke nabloei voorkwam tot diep in de 15de eeuw (1). Deze schildering wordt gevolgd door twee decors waarbij op een groene achtergrond op repetitieve wijze een zegevierend Lam Gods wordt afgewisseld met een IHS-motief. Deze eveneens 15deeeuwse schilderingen omvatten niet enkel de gehele kapel doch lopen — via de kooromgang — door tot in de aangrenzende 4de kapel. Uit de archieven was bekend dat de Brusselse meester Colijn de Coter in 1493 de gewelven decoreerde van de Sint-Lucaskapel (nr. 8). Uit het onderzoek blijkt dat deze decoraties reeds lang zijn verdwenen.
Van eigenlijke autonome muurschilderingen bleef relatief weinig bewaard. Naast de reeds sinds 1868 ontdekte "Sotte "-schildering konden we ook een zeer belangrijke cyclus vaststellen op de zuidwand van de derde kapel (nr. 3). Deze cyclus omvat onder meer een tafereel dat waarschijnlijk een zogenaamde Man van Smarten voorstelt. Dit tafereel, dat zich op stratigrafische basis in de eerste helft van de 15de eeuw laat situeren — een datering die bevestigd wordt door de C14-analyse van een wasdepot op dezelfde cyclus — vertoont een voor onze regio bijzondere artistieke kwaliteit. Zeer opvallend bij het Christushoofd is de in krijtpleister gemodelleerde en vervolgens vergulde nimbus, een techniek die uitvoerig wordt beschreven in het beroemde en contemporaine Libro deU'arte van Cennini. Alhoewel het hoogtepunt van deze techniek zich blijkbaar eerder in de 14de eeuw
16de-17de eeuw Vanaf de aanvang van de 16de eeuw worden de reeds in de vorige eeuw opduikende decors met rode achtergrond vrij snel veralgemeend over de kooromgang met -kapellen en het transept. Kleine restanten, onder andere ter hoogte van de westmuur in de benedenkerk, doen veronderstellen dat deze rode schilderingen van dan af de ganse gemeubileerde zone in het kerkgebouw beheersten. Opvallend in deze evolutie is trouwens de veralgemeende annexatie van de kooromgang bij de eigenlijke kapellen. De schilderingen worden gekenmerkt door een helderrode kleur die, zoals het archeologisch bodemonderzoek uitwees, doorloopt tot op het corresponderende vloerniveau. Qua hoogte werden deze schilderingen blijkbaar in eerste instantie bepaald door het
M&L 26
aanwezige meubilair, alhoewel dit natuurlijk reeds op zijn beurt gedetermineerd was door de architecturale ruimte. In feite doorsnijden deze verhoogde "lambrisdecors" meestal het vertikale lijnenspel op een tamelijk drastische wijze. Aangezien deze tendens reeds valt waar te nemen bij de paginering van de schilderingen die werden aangebracht direct volgend op de opbouw van de architectuur, moeten we het belang van het "gotische vertikaliteitsprincipe" blijkbaar grondig relativeren. De eerste generatie 16de-eeuwse roodschilderingen, die in de lijn van de 15de-eeuwse voorlopers eveneens getooid werden door middel van repetitieve motieven, waren soms voorzien van een decoratieve fries op schouderhoogte en vrijwel steeds van een rijkelijk uitgewerkte horizontale bekroning. Voor deze friesbekroning en tevens voor sommige van de gespreide motieven werd gebruik gemaakt van zogenaamd "geperst brokaat". Deze vermoedelijk in een was-harssubstantie gerealiseerde reliëfjes werden uitzonderlijk tot één geheel verbonden zodat, zoals bij een vieringpijler zichtbaar werd, een volledig reliëftapijt werd gecreëerd. Deze qua reliëf zeer beperkte brokaten werden blijkbaar steeds voorzien van een in het oog springende polychromie, onder meer op basis van metaalfolies. Bovendien werden zij bij de friesbekroningen aangevuld door middel van in zwart gesjabloneerde bloemfriezen op het aansluitende kalkwitsel. Ondanks het feit dat dergelijke reliëfapplicaties niet geheel onbekend zijn in een architecturale context is het toch de eerste maal dat de toepassing ervan op Detail van de fries in geperst brokaat. Het centrale florale reliëf wordt afgezoomd door geometrische motieven. De oorspronkelijke een dergelijke schaal kan worden aangetoond. Uit de rijke polychromie is hier geheel verdwenen (foto L. De Clercq, 1989)
Reconstructieplan kooromgang zuid, fase 2. Sinds de aanvang van de 16de eeuw worden de bij de kapellen aansluitende traveeën van de kooromgang opgenomen in de kapeldecoratie. Deze decoratie bestaan uit hoog oplopende roodschilderingen die bovenaan worden afgezoomd door een geraffineerde bekroning
27 M&L WÊÊÊM
waarnemingen in het transept bleek dat deze eerste generatie "roodschilderingen" met inbegrip van hun brokaatfriezen werden aangetast door de brand van 1533. We mogen dus aannemen dat deze qua kenmerken zeer gesloten groep tot stand werd gebracht in de periode 1500-1530. Dit stemt trouwens overeen met de laatste bloeiperiode van het geperst brokaat zoals bekend uit de sculptuurstoffering (2). Gelijktijdig met deze roodschilderingen vinden we in de Sint-Lucaskapel een decor met groene achtergrond. In de nissen onderaan de centrale kapelwand vinden we resten terug van grote volplastische figuurschilderingen die zijn opgesteld tegen een volledig met persbrokaat versierde en bovendien vergulde achtergrond. In tegenstelling met de florale friezen bovenaan de roodschilderingen is deze toepassing eerder vergelijkbaar met de lineaire doorlopende structuur van het brokaattapijt aan de zuidoostelijke vieringpijler. In een volgende periode, die we situeren vanaf omstreeks 1533 tot het derde kwart van de 16de eeuw, zien we dat de vorige roodschilderingen globaal worden hernomen. Deze hernemig vertoont over het algemeen een eenvoudiger karakter, alhoewel de dispositie behouden blijft. In plaats van reliëfapplicaties ontmoeten we ditmaal een grafische applicatietechniek. Zowel op de achtergrondschilderingen van het Sint-Jansaltaar (nr. 13) als van de Sint-Antoniuskapel (nr. 12) vinden we attribuutvoorstellingen die via Pieter Saenredam, interieur van de Sint-Bavokerk te Haarlem, 1636 (Rijksmuseum Amsterdam). Bemerk de schaduwschildering achter de pijpenbundel van het orgel vooraan en, zoals in de Antwerpse kathedraal, de egale zwarte achtergrond van het orgel achteraan (G. Schwartz en M.J. Bok, Pieter Saenredam, Den Haag, 1989, p. 119) M&L 28
houtsneden werden vervaardigd. Afgezien van de overigens vroeger te situeren traditie, waarbij houtsneden in de grafschilderkunst van onder meer Brugge en Watervliet werden geïntegreerd, vormen deze precieus ingekleurde motieven een tot dusver onbekende ontwikkeling (3). In dezelfde periode vinden we ook een eerste uitgebreide ontwikkeling van de zwarte contourschilderingen. Directe voorlopers zijn de tijdens dit onderzoek weergevonden zwartschilderingen in de achtergronden van de sterk geajoureerde draagstructuur van de vieringbalustrade. De grote zwartschildering, die in 1567-1568 door Jan Leijs werd aangebracht als repoussoir achter het grote transeptorgel van Brebos, vormt een goed te dateren voorbeeld van de aanwending ervan bij dergelijk grootschalig meubilair. Deze schildering levert niet alleen belangrijke informatie aangaande de structuur van het verdwenen instrument, doch vormt eveneens een bevestiging voor een fenomeen dat met grote precisie werd vastgelegd door Pieter Saenredam, zoals blijkt uit zijn afbeelding van de orgelopstellingen in de Sint-B avokerk van Haarlem (4). Voorts vonden we, hoofdzakelijk op de transeptwanden, een ganse reeks contourschilderingen waarvan de oudste een kleinere omvang doch een zeer grote detailrijkdom vertonen. Typisch voor deze generatie schilderingen is diegene die we aantroffen op de westmuur van het zuidertransept. Deze schildering vertoont onder meer een typisch renaissance rolwerkmotief, zoals dit frequent in Antwerpen werden toegepast sinds het midden van de 16de eeuw, onder meer door Cornelis Floris rond zijn modellen voor grafmonumenten (5).
Tapijtschildering met vegetale motieven op de pijler tegenover de voormalige Sint-Ursulakapel. Deze decoratie sloot aan bij de beschildering van de kapel, circa 1593 uitgevoerd in opdracht van de familie van den Cruyce (foto L. De Clercq, 1989)
Transept zuid. Contourschildering uit de tweede helft van de 17de eeuw 29 M&L
deel echter vertoont grote architecturale achtergronden met weinig ornamentele structurering. Nochtans wodt het principe van decoratieve achtergrondschildering niet geheel verlaten. Aansluitend bij de marmeren of gemarmerde altaren werden soms ook de omgevende wanden voorzien van een marmerschildering (6). Een dergelijke schildering kon worden vastgesteld op de oostwand van kapel 11. In de periode die zich uitstrekt van de vroege 17de tot het midden van de 19de eeuw werden de meeste wanden regelmatig gewit. Gemiddeld werden een twaalftal lagen waargenomen. 19de eeuw Het feit dat voornoemde witsellagen en dus ook de onderliggende schilderingen op vele plaatsen bewaard bleven, is vooral het gevolg van de in 1875 fel gecontesteerde beslissing om de kathedraal opnieuw te witten. Wat de neogotische decoraties betreft, konden slechts enkele oudere, niet zichtbare bestanden worden opge-
Cornells Floris, ontwerp voor een epitaaf, 1557 (R. Hedicke Cornells Floris und die Florisdekoration, 2, Berlijn, 1913)
De laatste decennia van de 16de eeuw worden gekenmerkt door een verdwijnen van de "roodschilderingen". In de plaats ervan vinden we enkele ornamentele schilderingen die nog wel een soortgelijke dispositie vertonen maar waarvan de hoogte blijkbaar beperkt blijft tot de onderdorpels van de vensters. De achtergrondkleur heeft nu een veel lichter karakter, doch de schilderingen zijn werkelijk druk bezaaid met een waar ornamenttapijt. Een zeer boeiend voorbeeld vormen de "van den Oayce "-schilderingen van circa 1593 (nr. 9), waarin tevens musicerende engelen werden opgenomen. Ook de contourschilderingen kennen meerdere grootschalige toepassingen. De meest interessante voorbeelden worden ongetwijfeld gevormd door de in het transept weergevonden exemplaren die niet alleen een gedifferentieerde ornamentele structuur vertonen, doch die door toepassing van een door schaduwpartijen omgeven grissaillerende techniek een eigen plasticiteit bereiken. Vanaf de 17de eeuw verdwijnt het merendeel van de decoratieschilderingen. Wel blijft de traditie der zwartschilderingen nog verder bestaan. Het meren•BB
M&L 30
Kapel 10. Zuidelijke gewelfkap. Gereconstrueerde cartouche (foto L. De Clercq, 1989).
Kapellen nrs. 9 en 10. 19de-eeuwse reconstructies en interpretaties van oudere motieven (foto's L. De Clercq, 1989)
spoord die weinig wijzigen aan het bekende beeld. Naargelang de oudere decoraties gaandeweg tijdens dit onderzoek beter bekend werden, is het steeds duidelijker geworden dat de vele waarnemingen die tijdens de 19de eeuw konden worden gedaan als gevolg van voorbereidende en helaas meestal totaal destructieve vrijleggingen, een diepgaande impact hebben gehad zowel op het gebied van de motiefkeuze als op het gebied van de compositie van de
realisaties in neogotische, soms ook in neorenaissancestijl. Deze ontleningen aan het oorspronkelijke decor variëren van integrale reconstructies (gewelf kapel nr. 10) over letterlijke 'citaten' in een nieuwe context — zoals de gouden bloemmotiefjes in de Sint-Lucaskapel (nr. 8) — tot zeer vrije improvisaties (kapel nr. 9). Wellicht weerspiegelt dit archeologisch gehalte de impact van de toenmalige adviserende historici.
Voetnoten
(1) Emmenegger O., Metalauflagen und Applicationen an Wandmalerden, in Zeitschrift für Kunsttechnologie und Konservierung, 3, 1989, p. 149-164. (2) Hecht B . , Betrachtungen über Pressbrokate, in Maltechnik Restauro, 1, 1980, p. 22-49. (3) Dezutter W . P . , Beschilderde middeleeuwse grafkelders te Brugge, in Brugge Onder-zocht, Brugge, 1988, p. 192-208. (4) Vente M.A., Die Brabanter Orgel, Amsterdam, 1963, afb. 1 en 39.
(5) Hedicke R., Cornells FLoris und die FLorisdekoration, Berlijn, 1913. Floris C , Veelderlij nieuwe inventiën ..., Libro Secundo, Antwerpen, 1557, 4 platen met grafmonumenten. (6) Vandamme E., Appreciatie en contestatie: de gepolychromeerde houtsculptuur in de Zuidelijke Nederlanden, na de gotiek, in Jaarboek Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, 1986, p. 7-18.
31 M&L
Overwegingen bij een restauratieconcept Walter Schudel
Doel van dit soort vooronderzoek is met een zo gering mogelijke (destructieve) arbeid een zo groot mogelijk inzicht te verwerven in het gehele bestand van muurschilderingen en afwerkingslagen van een gebouw of een deel ervan, teneinde gepaste maatregelen te kunnen treffen met het oog op een zinvol behoud.
De volgende vragen komen daarbij aan de orde: — welke types van (eventueel gesuperposeerde) muurschilderingen en afwerkingslagen zijn aanwezig? — welke zijn de aard en de omvang van hun schade en hun verouderingsverschijnelen? — in welke omgeving komen ze terecht? — welke maatregelen voor hun restauratie en conservatie staan ter beschikking en welke zullen worden toegepast? In de meeste gevallen is de enig mogelijke manier om met zekerheid iets te weten te komen een 'destructieve', namelijk het maken van openingen in gesuperposeerde lagen. Daarom worden deze sonderingen tot een minimum beperkt. Men kan daaraan, door observatie van het muuroppervlak, een aantal mogelijkheden/waarschijnlijkheden toevoegen. Om slechts twee voorbeelden te noemen: — waar zich zoutuitbloeiingen aan het oppervlak manifesteren, is het weinig waarschijnlijk dat een gave picturale laag zal worden aangetroffen; — omrande oneffenheden duiden dikwijls op de aanwezigheid van vullingen en bijgevolg op de afwezigheid van een picturale laag. Het resultaat van een vooronderzoek kan niet méér zijn dan een weergave van een vermoedelijk aan te treffen toestand. Het is tenslotte ook niet méér dan het inventariseren van een bestand, wat aan elk plannen en ingrijpen voorafgaat. Types van muurschilderingen Een restaurateur is, zoals G.L. Car dat treffend uitdrukte, een impresario. Hij moet zijn 'produkt' door en door kennen om het zo goed mogelijk te M&L 32
Grote, neutraal ingekleurde lacunes storen wegens de eigen aard en de ouderdom van de schildering niet (Gent, Sint-Baafsabdij - foto W. Schudel, 1979)
De lacunes in de hoef zijn gedicht in trattegio; herkenbaar van dichtbij, sluitend vanop enige afstand (Geraardsbergen, Sint-Catharinacollege - foto W. Schudel, 1990)
In acqua sporca-techniek geïntegreerde lacunes: het ouderdomsaspect wordt gerespecteerd, terwijl storende contrasten in de grijswaarde worden getemperd (Loppem, Sint-Andriesabdij - foto W. Schudel, 1988)
laten functioneren. Zijn drie belangrijkste aandachtspunten zijn hierbij de volgende: 1° Betreft het een autonoom of een decoratief kunstwerk? Autonome muurschilderingen zijn schilderingen die als het ware voor zichzelf moeten spreken. Zij eisen de volle aandacht van de toeschouwer op voor zichzelf. De toeschouwer wordt gevraagd zich te verplaatsen in de "ruimte" van de schildering. Een decoratieve muurschildering daarentegen staat in dienst van een andere entiteit, bijvoorbeeld de architectuur waarin ze zich bevindt, een sculptuur, een meubelstuk,... Zij maakt in de eerste plaats deel uit van de fysische ruimte waarin de toeschouwer staat. Zij helpt die mede vorm geven. 2° Op welke wijze verhoudt het kunstwerk zich tot de fysische ruimte? Muurschilderingen hebben, veel meer dan schilderijen op doek of paneel, een bijzondere band met de ruimte waarin ze zich bevinden. Ze zijn immobiel en maken deel uit van een architecturale eenheid. Er is een direct verband tussen de architecturale ruimte met de daarin heersende lichtsituatie en de omtrek, de textuur, de grijs- en kleurenergetische waarde van een muurschildering. Daarenboven treedt de geschilderde ruimte in interactie met de fysische ruimte. 3° Op welke manier is de picturale materie verwerkt? Met een picturaal hoge graad van realiteit (met eerder illusionistische schilderingen voor gevolg), of met een objectief hoge graad van realiteit, hetgeen leidt tot eerder realistische schilderingen? De hoger aangehaalde drie aandachtspunten vormen in belangrijke mate de spelregels die voor de interactie tussen toeschouwer en kunstwerk gelden. Moet het geschilderde als stof om te mediteren worden beschouwd en zien we vooral symbolen die een ver-
Indien niet geretoucheerd, verliest de rode beschildering haar reden van bestaan: de horizontale geleding functioneert niet (Antwerpen, kathedraal, kapel nr. 12 - foto W. Schudel, 1989)
33 M&L
haal vertellen, of voltrekt het gedramatiseerde verhaal zich vóór onze ogen (we weten wel dat het niet echt gebeurt, maar we doen alsof)? Het spreekt vanzelf dat de restaurateur, binnen de mate van het mogelijke, de geldende spelregels moet respecteren.
Het beschadigde kunstwerk Degradatie begint op het ogenblik dat iets voltooid is. Het is de tegenhanger van creatie. Precies daarom kan en mag het verval niet worden 'weggemoffeld'. Natuurlijke verouderingsverschijnselen, zoals patina en zekere vormen van barstjes, worden ervaren als waarmerk van de vergankelijkheid van een objectief onveranderlijk kunstwerk, zoveel méér waarachtig dan elke poging om de neerslag van een uniek gebeuren (het kunstwerk) uit de greep te houden van een onontkoombare natuurwet. Accidentele schade heeft daarentegen een negatieve invloed op zowel een fonkelnieuwe creatie als op een ruïne of een natuurfenomeen. Dergelijke manifeste vormen van schade trekken de aandacht op zichzelf. Het is dan ook vooral deze laatste vorm van degradatie die bij restauratie wordt behandeld. Om te weten hoe en of lacunes kunnen worden geïntegreerd is het, zoals vermeld van belang te weten waarmee we te doen hebben, zowel wat het kunstwerk (type, aard, ouderdom) betreft als wat de schade (soort en omvang) aangaat. Het is niet eenvoudig uit te maken vanaf welk percentage schade — mede doordat dat afhangt van het type — een kunstwerk verandert van categorie, ophoudt kunstwerk te zijn en ruïne wordt. Daarmee wil niet gezegd zijn dat een object dat ruïne begint te worden — of het eventueel al is — elke reden van bestaan verliest. Het is best denkbaar dat er een decoratieve waarde overblijft, of een historische of een documentaire .... Ook deze waarden kunnen bewaring en restauratie wenselijk maken. Toch is het over het algemeen aangewezen voorzichtig te blijven en wat méér te bewaren dan stricto sensu nodig blijkt, liever dan zaken te verwijderen die men achteraf bekeken beter had behouden. Alleen reeds een behoorlijk respect voor het werk van anderen moet tot terughoudendheid aanmanen voor onherroepelijke daden.
Enkele toepassingen Wat de tijdens het vooronderzoek van het koor en het transept aangetroffen schilderingen betreft, kan worden gesteld dat, op een enkele uitzondering na, slechts één hiervan als autonoom werk zou kunnen doorgaan. Het betreft een Lijdende Christus in de toegang tot de sacristie (nr. 3). Op basis van stilistische en stratigrafische gegevens kan worden aangenomen dat het de oudste teruggevonden schildering is. Een gelukkig toeval wilde dat deze relatieve datering, die op haar beurt weer een belangrijk uitgangspunt M&L 34
Schaduwschildering. Voluut en het erover gedrapeerde engeltje zijn verdwenen; alleen de schaduw rest nog (Gent, Dominikanenklooster - foto W. Schudel, 1982)
vormt voor latere uitmonsteringen, op natuurwetenschappelijke wijze kon worden bevestigd. Het is een imponerend werk, met een vergulde nimbus in reliëf. Het schilderwerk is van een hoge picturale kwaliteit. De hoeveelheid lacunes in de picturale laag is echter groot. Dit kon worden vastgesteld door sonderingen, door bestudering van het oppervlak in scheerlicht en door de bestudering van de bouwgeschiedenis die gewaagt van de vergroting van een venster op de desbetreffende muur. Wat van de schildering resteert is evenwel van dermate hoge kwaliteit en van zo'n grote zeldzaamheidswaarde dat bewaring alleszins gerechtvaardigd is. De monumentale aard van de schildering maakt het mogelijk ook van een defectueus gegeven een esthetisch verantwoord geheel te maken. Van de wijze van integreren van de lacunes kan in dit stadium weinig gezegd worden. De schildering moet immers nog voor zeker 90 % vrijgelegd worden, zodat noch de ware aard noch de juiste omvang van de schade bekend zijn. Het minste probleem geven de kleinere lacunes. Voor zover ze — in verhouding tot het origineel — niet te talrijk zijn, kunnen ze laserend (bij heel kleine lacunes) of in tratteggio (bij wat grotere leemten) worden gesloten. Vanaf een zekere kwantiteit is acqua sporca (met minder gevaar voor een vervalst aspect, zowel van het kunstwerk als van het verouderde object) meer aan te raden. De grote, niet integreerbare lacunes, geven veel meer problemen. Afhankelijk van de reëel aangetroffen situatie, zowel van de schildering zelf als van de totale decoratie van de toegang tot de sacristie, kan gekozen worden voor een neutraaltoon die hetzij de richting opgaat van het aspect van de originele bepleistering, hetzij deze (zonder de kruisgewijze uitvoering ervan) van de "astrazione cromatica". Buiten de bovenvernoemde schildering zijn op een enkele uitzondering na alle andere schilderingen die tijdens het vooronderzoek werden aangetroffen van decoratieve aard. De reconstrueerbaarheid van deze schilderingen is, zonder in hypothesen te vervallen, in het algemeen veel groter dan deze van autonome schilderingen. Dikwijls is er ook geen sprake van een
persoonlijke toets, waardoor het gevaar voor vervalsing een stuk geringer wordt. Anderzijds is de noodzaak tot vervollediging meestal ook veel groter. Een onvolledig steunvlak of een verbrokkelde hulp bij het accentueren van een geleding resulteert immers in het tegenovergestelde van wat in de bedoeling lag. Indien de dragende architecturale vormen en de schildering zelf nog in voldoende mate aanwezig zijn, kan een niet-hypothetische aanvulling uitstekend functioneren. Het zou ondenkbaar zijn om alle aanvullingen hier in tratteggio-techniek uit te voeren. Er zijn talrijke andere manieren om een verschil met het origineel aan te geven. Een gedocumenteerde reconstructie is verantwoord als ze begrepen kan worden uit de aanwezige context. Schilderingen bedoeld als versiering bij meubilair verliezen hun functie met het verdwijnen van dat meubilair. Niet de schildering — meestal zonder schilderkunstige kwaliteiten — vormt het hoofdbestanddeel van het kunstwerk, zelfs niet van het fysische object. Bijgevolg kan niet méér bewaard worden dan een relict. Wil dat voor bewaring in aanmerking komen dan moet het, in tegenstelling tot de architecturale polychromie die 'slechts' in haar functie moet worden bevestigd, een nieuwe reden van bestaan in zichzelf vinden. Het aspect van een bouwwerk wordt in niet onbelangrijke mate mede bepaald door zijn huid. Het uitzicht daarvan moet ons inziens in belangrijke mate overeenstemmen met het ouderdomsaspect van in die ruimte aanwezige oudere architecturale polychromieën en muurschilderingen. Zoniet bevinden deze
muurschilderingen zich als geïsoleerde objecten in een hen vreemde ruimte, wat ingaat tegen hun eigen aard. Het lijkt ons derhalve aangeraden, in de mate van het mogelijke, oudere witsellagen op niet polychrome delen te bewaren in die mate dat zij ertoe bijdragen een ruimte te vormen die — ook zichtbaar — een respectabele ouderdom heeft. Het kan hier en daar weliswaar aangewezen zijn om dichtgepapte ornamenten vrij te leggen — bij voorkeur dan tot op een oudere witsellaag — of profielen iets scherper te stellen door wat jongere lagen af te nemen. Aangezien er in de kathedraal over het algemeen echter relatief weinig witsellagen zijn (circa 10-12) lijkt het ons mogelijk èn wenselijk deze grotendeels te bewaren. In dat verband kon bij het maken van sonderingen gedurende het vooronderzoek, geruststellend worden vastgesteld dat niet zelden de opeenvolgende witsellagen merkwaardig goed stand houden op oudere polychromieën en schilderingen die, zonder voorafgaande fixering, niet eens zouden kunnen worden vrijgelegd. Toch moet, om een coherent geheel te verkrijgen, een compromis gezocht worden. Dat compromis moet rekening houden met de ouderdom, de toestand van bewaring, de reconstrueerbaarheid en de noodzaak om te reconstrueren van het bouwwerk zelf en, aan de andere kant, met de kwantiteit en de kwaliteit (stijl, ouderdom, toestand van bewaring, artistieke waarde) van de aanwezige autonome muurschilderingen. Alleen indien een gans "ambiente", inboedel incluis, kan worden overzien, kunnen restauratiemaatregelen getroffen worden die van al deze historische elementen een geheel maken.
Bibliografie Brandi C , Teoria del restaura, Torino, 1977. Car G.L., A month in the country, London, 1980. Casazza O., Il restaura pittorico (nell'unita di metodolagia), Firenze, 1983. Frey D.,, Kunstwissenschaftliche Grundfragen, Wien, 1946. Frey D.. Bausteine zu einer Philosophie der Kunst, Darmstadt, 1976. Mora P. en L. en Philippot P. La conservation des peintures murales. Bologne, 1977.
— Philippot A. en P., Le prablème de l'intégratian des lacunes dans la restauratian des peintures, in Bulletin van het K.I.K., 2, 1959, p. 5-19. — Philippot A. en P., Reflexion sur quelquesprablèmes esthétiques et techniques de la retouche, in Bulletin van het K.I.K., 3,1960. — Popp J., Die Figurale Wandmalerei, ihre Gesetze und Arten, Leipzig, 1921. — Solger K.W.F., Vorlesungen über Aesthetik, Leipzig, 1829.
35 M&L
Radiokoolstofdatering van een druppel kaarsvet Mark Van Strydonck (K.I.K.)
Het is steeds interessant relatieve dateringen, bijvoorbeeld verkregen uit stratigrafische gegevens, te kunnen aanvullen met absolute, zoals dateringen op basis van een archiefbron of op basis van natuurwetenschappelijke analyses. Deze laten meer exacte en betrouwbare dateringen toe, die dan op hun beurt de in vele gevallen onontkoombare relatieve dateringen van een breder steunvlak voorzien.
Een natuurwetenschappelijke dateringsmethode is de C14-methode. Deze kende de laatste vijf jaren een spectaculaire ontwikkeling. Tot voor kort kon het restgehalte aan 14c in organisch materiaal enkel onrechtstreeks gemeten worden. De hoeveelheid 14 c was te klein om met de bestaande technologische middelen een rechtstreekse meting toe te laten. De klassieke meetmethode bestaat principieel in het registeren van de straling die vrijkomt wanneer een 14c atoom desintegreert. Deze straling is evenredig met het gehalte aan 14c. Dit resultaat wordt dan vergeleken met de half-waardetijd (1) en een moderne standaard. Gezien de lage stralingsintensiteit van natuurlijke koolstof zijn lange teltijden en veel materiaal vereist voor een optimale datering. De ontwikkeling van AMS-machines (2) heeft hierin verandering gebracht. Men is nu in staat om rechtstreeks het 14 c gehalte te meten. Dit heeft tot gevolg dat niet enkel de meettijd verkort, maar dat ook de hoeveelheid koolstof welke nodig is voor een meting ongeveer met een factor 1000 verkleint.
datering welke gemakkelijk kan oplopen tot 300 jaar. Dit wordt veroorzaakt doordat groei- en droogperiode van de boom in rekening gebracht moeten worden. Indien er herwerking aan te pas komt, loopt het natuurlijk helemaal uit de hand. Materialen die in nauw verband staan met het archeologisch gebeuren en daarbij nog een korte accumulatieperiode van atmosferisch koolstofdioxyde (CO2) hebben, zijn meestal zeldzaam (zaden en pitten) of kostbaar (textiel). Met het verkleinen van de staalname kunnen deze problemen grotendeels omzeild worden.
Het dateren van een historisch gebeuren Deze technologische evolutie heeft uiteraard gevolgen voor de staalname. De archeoloog of historicus is niet geïnteresseerd in de ouderdom van het materiaal, maar wel in de ouderdom van het historisch of archeologisch fenomeen dat onderzocht wordt. Men heeft er dus alle belang bij een materiaal te dateren dat qua eigen ouderdom het best overeenkomt met de ouderdom van het onderzochte gebeuren. Een klassieke fout is het "oud-houteffect". Dateringen van houten balken uit gebouwen geven meestel een te oude M&L 36
Wasdepot in het midden van de langgerekte zwarte plek, links van nummer 6 (foto L. De Clercq, 1989)
900
1000 1100 1200 1300
MOO
1500 1600 1700
1800
1900 2000
cal AO
Omzetting van de conventionele '4C-ouderdom dom (M. Stuiver en G.W. Pearson)
naar kalenderouder-
Dateren van kaarsvet
Kansverdeling in kalenderouderdoin met aanduiding daardafwijking (tekening M. van Strydonck, 1990)
van de stan-
wordt tot kaarsvet is kort. De hoeveelheid materiaal die gerecupereerd kon worden was beperkt. Tevens waren sommige gedeelten reeds verkoold. Dat gedeelte werd verwijderd omdat contaminatie met andere koolstofhoudende materialen gevreesd werd (de muurschildering zelf, het carbonaat uit de muur, ...). Uiteindelijk bleef er minder dan 6 mg. over voor de datering. Het staal werd chemisch niet meer voorbehandeld, maar rechtstreeks omgezet tot grafiet: het materiaal waarmee het AMS-toestel werkt.
Door een gelukkig toeval vonden de restaurateurs tussen twee verflagen een druppel was, afkomstig van een kaars. Uit materieel oogpunt was dit een ideale situatie. Het verband tussen het staal dat gedateerd wordt en het historisch gebeuren is vrij nauwkeurig vast te stellen, namelijk jonger dan de onderliggende laag (vermoedelijk een tafereel met de schenkers, behorende tot de Lijdende Christus in de toegang tot de sacristie) en ouder dan de overschildering (de eerste versie van het Lam Goifa-motief). Ook de relatie tussen het deponeren van de wasdruppel op de muur en de neerslag van het atmosferisch CO2 in het materiaal is gunstig. Met andere woorden: de tijd die er normaal gezien verloopt tussen het ogenblik waarop het atmosferische CO2 in het plantenmateriaal gefixeerd wordt (3) en het ogenblik dat het plantaardig materiaal, langs de tussenstap bijenwas, omgezet
De conventionele radiokoolstofouderdom bedraagt 48060BP (4). Omgerekend naar kalenderjaren wil dit zeggen dat met een nauwkeurigheid van 1 standaardafwijking het resultaat begrepen is tussen 1396-1472 calAD. Dit is volledig in overeenstemming met de stratigrafische gegevens.
Voetnoten
Bibliografie
(1) Dit is de tijd nodig opdat van een bepaalde hoeveelheid radiokoolstof ( 14 C) nog slechts de helft zou overblijven. (2) Accelerator trie).
Mass Spectrometry
(versneller massa spectrome-
(3) Vereenvoudigd kan men stellen dat de tijdsklok begint te tellen vanaf het ogenblik dat het atmosferisch koolstof (koolstofdioxide), langs fotosynthetische weg om, vastgelegd wordt in het plantenmateriaal. (4) Het resultaat kwam tot stand door een samenwerkingsakkoord tussen het K.I.K. en de Universiteit van Utrecht.
Resultaat
Van Strydonck M., Radiokoolstofdatering van mortels. Een hulpmiddel bij het dateren van oude gebouwen, in M&L, 3, 1984, p. 27-32. Manderyck M. en Van Strydonck M., Een toepassing van radiokoolstofdateringstechniek: Het Karbonkelhuis te Antwerpen, in M&L, 5, 1986, p. 23-29. Stuiver M. en Raerson G.W., High-precision calibration of the radiocarbon time scale, AD 1959-500 BC, in Radiocarbon, 28, p. 1022-1030. Van Strydonck M., Catibreren van '4C-dateringen, in Archeologia Belgica III, p. 281-288. 37 M & L
De Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte en Heilige Philippuskerk te Vivenkapelle: de volmaakte neogotische dorpskerk
Miek Goossens, B.M.L.
Dit jaar werden de restauratiewerken aan de kerk van Vivenkapelle, welke in 1980 van start gingen, voltooid. Hiermee is een eerste belangrijke stap gezet in de richting van de revalorisatie van wat ongetwijfeld een der gaafst bewaarde en schilderachtigste neogotische complexen van ons land mag genoemd worden en dat benevens de kerk nog een pastorie en een broeder- en zusterklooster met annexe schoolgebouwen omvat. Voldoende reden om een aantal facetten van de rijk gedocumenteerde geschiedenis van deze kerk en hun later verloop te belichten (1).
Vivenkapelle. Het landelijk gesitueerde gebouwencomplex wordt algemeen aanvaard als een hoogtepunt van de neogotiek (foto O. Pauwels) •* M&L 38
In de 14de eeuw werd te Vivenkapelle door een rijke Bruggeling een kapel gebouwd waar een Onze-LieveVrouwebeeld werd vereerd. Na de Franse Revolutie werd de vervallen en ontwijde kapel opgekocht door een andere rijke Bruggeling, Philippe Verhulst. Deze herstelde de kapel, doch gaandeweg groeide de idee om Vivenkapelle uit te bouwen tot een zelfstandige parochie. Dit werd, hoofdzakelijk om redenen van politieke aard, slechts mogelijk na zijn dood in 1858. Zijn dochters Elisa en Coralie — laatst genoemde kinderloos gehuwd met Ernest Van Huele — spaarden geen enkele moeite om, in de nagedachtenis van hun vader, aan zijn godvruchtige droom gestalte te geven. Vivenkapelle zoals wij het nu kennen als toonbeeld van een neogotische landelijke site, kwam dus tot stand dank zij de diepe geloofsovertuiging en het persoonlijk fortuin van de familie Verhulst.
J____
.__
'W^1
.,. _^._
'I
' ___2_
,
*"
'
j r t ^ j l ^ l r t ï e ^ ï ;>!W|» 3? Wm i""S*; !;» fasjllmr -arimiNISIjlf*/
Lithografie met overzicht van de gebouwen, zoals deze bewaard wordt in de sacristie van de kerk (foto BML)
Elisa Verhulst (1823-1903) stelde haar persoonlijk fortuin ter beschikking voor de realisatie van een godvruchtige droom te Vivenkapelle. "Als 't U belieft, Mijnheer, zeg het toch niet aan Mejoufvrouw, dat ik U dit alles geschreven heb, want zij zou er te gevoelig aan zijn, 't is eene heilige ziele, maar 't is algelijke een vrouwmensch" (Broeder Benedictus aan Béthune in brief van 18 juli 1879, waarin hij enige wijzigingen aan het plan van het broederklooster voorstelt (olieverfschilderij, Anoniem, sacristie van de kerk)
Baron Jean-Bapüste de Béthune (1821-1894), ontwerper van het neogotische gebouwencomplex van Vivenkapelle (J. Helbig, o.c. 1906) 39 M&L
Van kapel naar kerk Aanvankelijk wordt gedacht aan het vergroten van de bestaande kapel. Als bouwheer wordt Jean-Baptiste de Béthune (2) aangezocht, een gelukkige keuze die door een toeval is bepaald: de echtgenote van Béthune had met de gezusters Verhulst school gelopen in het aristocratische Englisch Convent te Brugge (3). In een brief gedateerd 2 maart 1859 vraagt Elisa Verhulst aan Béthune een ontwerp voor vergroting van de bestaande kapel naar een kerk met een capaciteit van 700 a 800 personen. Deze tekening zal gevoegd worden bij een verzoek aan de Minister van Justitie om van Vivenkapelle een zelfstandige parochie te maken. Zij meent dat een begeleidende tekening hierbij kan helpen. Het is ook hier dat zij duidelijk haar doelstellingen formuleert: Notre désir est de faire des changements en bon style mais dans la plus grande simplicité, tel qu'il convient pour une église de campagne, ayant en vue avant tout Ie bien des dmes". Het (onuitgevoerd) ontwerp dat in verband kan gebracht worden met deze vraag, bleef bewaard. Hier is de oude kapel vergroot en uitgelengd tot kerk.
waarbij de kapel dienst doet als koor van een vrij smalle, éénbeukige kerk met vrijstaande klokketoren. Dit bescheiden begin evolueert echter naar een grootser opzet: in een brief van februari 1861 vraagt Elisa de mening van Béthune over een kerk met drie beuken. Zij beschouwt dit slechts als een kleine meerkost die ruimschoots gecompenseerd zou worden door minder onderhoud van het dak (!) en met groot voordeel voor de dienst en de plechtigheden. Eenmaal deze beslissing genomen, kon de discussie starten rond de wijze waarop de oude kapel zou geïntegreerd worden in de nieuwbouw. De meningen welke Béthune geformuleerd krijgt zijn sterk uiteenlopend. A. Van Becelaere, eerste proost en historiograaf van Viven, opteert in een brief van 6 maart 1861 radicaal voor afbraak van de oude kapel, die maar zou storen tussen al de mooie en nieuw op te richten gebouwen. Wat zal er van herinnering overblijven, argumenteert hij verder, na al de veranderingen die zij moet ondergaan? "Il n'y a même jusqu'a son caractère fondamental qu'elle ne perdra pas". Het is echter Ernest Van Huele, echtgenoot van Coralie Verhulst, die om sentimentele reden aandringt op behoud van de kapel, "Ie lieu de nos affections et de nos souvenirs" zoals hij het formuleert in zijn brief aan Béthune van 19 juni 1861. Hij dringt dan ook aan op integratie zonder wijzigingen. Hierin gaat hij verder dan Béthune die een zekere inkorting van de kapel voorzag voor het plaatsen van een kruisingpijler. Nadat het grondplan op het terrein is uitgelegd op 18 juli 1861 wordt het ontwerp, op aandringen van de familie Verhulst, nogmaals gewijzigd (brief van 19 juni 1861, getekend Van Huele). De kapel blijft uiteindelijk in haar volledige lengte bewaard en fungeert ais autonoom zuidkoor van een driebeukige kruiskerk met kruisingtoren (4). De ruwbouwwerken van de kerk gingen aldus van start in de zomer van 1861. Het betwiste gebruik van cement Op 6 december 1862, wanneer de werken aan de kerk in volle gang zijn, schrijft Ernest Van Huele aan Béthune een brief die onze aandacht trok omdat hij, evenals het bestek, een licht werpt op de bouwtechnieken in de 19de eeuw, meer bepaald met betrekking tot het gebruik van cement, een op dat moment vrij nieuw en ongekend bouwmateriaal (5).
Naar wij uit de context kunnen opmaken moet Béthune gewaarschuwd hebben voor het metselen aan de gewelven in volle winterperiode. Het bestek maakt immers enkel melding van kalk als bindmiddel; ongetwijfeld was hij bevreesd voor mogelijke vorstschade, waar de Oostzijde van de kerk met geïntegreerde middeleeuwse kapel, waar- traagdrogende kalkmortel sterk aan onderhevig is. Metvan het witstenen silhouet markant afsteekt tegen de bakstenen selactiviteiten dienden om die reden algemeen de ganse winterperiode te worden stilgelegd. gebouwen (foto O. Pauwels) M&L 40
M&L
BINNENKRANT nr. 47 / Bijlage bij M&L 9/5 - september-oktober 1990
-^x A.
DCUXCLUK
a CH.«L. VERAART ^3, RUE •, ft ü
Brussel, Sint-Niklaaskerk. Heropbouwonlwerp (perspectief) voor de westgevel, door de architecten G. Ch. & L Veraart, 1944 (plamenarchief K.C.M.L)
D tü^PGüSQ X c L. .
,
I
B.M.L. ACTIVITEITEN
9 september 1990: Open Monumentendag Op zondag 9 september eerstkomend wordt voor de tweede maal in Vlaanderen de Open Monumentendag georganiseerd. Drt jaar loopt de Open Monumentendag voor het eerst tegelijkertijd in Vlaanderen, Wallonië en Brussel, Na het succes van vorig jaar lanceerden de organisatoren — tien openbare besturen (waaronder het Bestuur voor Monumenten en Landschappen), bedrijven en verenigingen — opnieuw een oproep tot de gemeentebesturen om per gemeente een aantal merkwaardige gebouwen, die normaal niet of slechts uilzonderlijk toegankelijk zijn, open te stellen. Ruim 190 gemeenten In Vlaanderen en alle Brusselse gemeenten hebben deze oproep beantwoord, zodat er op zondag 9 september meer dan duizend waardevolle gebouwen voor het publiek worden opengesteld. Daarnaast is er op tal van plaatsen eveneens animatie voorzien, Het feit dat deze Open Monumentendag in het teken gesteld werd van de feestelijkheden naar aanleiding van de 60ste verjaardag van Koning Boudewijn en van de 40ste verjaardag van zijn koningschap, geeft aan het initiatief een extra dimensie. Naar aanleiding van de Open Monumentendag verscheen een speciale Monumentenkrant met informatie
_OPEN MONUMENTENDAG.
>• 0
•>
OPEN MONUMENTENDAG0
i
rond een aantal thema's uit de monumentenzorg en een gedetailleerde agenda van alle opengestelde gebouwen en bijhorende animatie. Deze krant kan men bekomen op het Secretariaat Open Monumentendag, Brederodestraat 21, te 1000 Brussel ( « 02/511.18.40) waar men eveneens met alle andere vragen over dit initiatief terecht kan.
Het Bestuur voor Monumenten en Landschappen zelf zal met een eigen stand onder meer aanwezig zijn In Antwerpen (Onze-Ueve-Vrouwekathedraal en Centraal Stafion), BachteMaria-Leeme (Kasteel van Ooidonk), Beringen (casino), Laame (kasteel), de Brulnbeekvallel te Bonheiden en Zottegem (kasteel van Leeuwergem).
industrieel Erfgoed in Vlaanderen: De wortels van Flanders' Technology De nog tot april 1991 lopende Campagne Industrieel Erfgoed waarover hier reeds eerder werd bericht, heeft tot doel Vlaanderens aandacht te vragen voor zijn nijvere tradities en voor de Industriële en technologische creativiteit die er reeds gedurende meer dan anderhalve eeuw de economische en sociale oniwikkelingen kenmerken. In het kader van deze campagne en in samenwerking met de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu - Bestuur voor Monumenten en Landschappen realiseerde de V.V.IA. (Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie) de reizende tentoonstelling Industrieel Erfgoed in Vlaanderen: de wortels van Flanders' Technology, met als vertrekpunt de tentoonstellingsruimte van het Markiesgebouw te Brussel, waar het hoofdbestuur van de A.R.O.L. gevestigd is.
M8a BINNENKRANT
Naast maquettes en foto's zal men er onder meer kunnen kennis maken met recente tekeningen van de cartoonist Stevens. Meteen speelt de tentoonstelling ook in op het publiek van het 7de Internationaal Congres voor het Industrieel Erfgoed dat van 3 tot en met 8 september gehouden wordt te Brussel,
Industrieel Erfgoed In Vlaanderen: de wortels van Flanders' Technology, Markiesgebouw, Markiesstraat 1 (naast de Sint-MichlelskathedraaO, Brussel. Elke werkdag van 9 u tot 18 u, van 4 september 1990 tot en met 21 september 1990.
Bezoek aan de Noordhollandse Monumentenwacht Door de Koning Boudewijnsüchting werd in nauwe samenwerking met de Stichting Monumenten- en Landschapszorg een informatiebezoek gebracht aan de Noordhollandse Monumentenwacht, met vestiging te Alkmaar. Bedoeling van het bezoek was uiteraard inspiratie op te doen en de nodige raadgevingen in acht te nemen om ook in Vlaanderen een Monumentenwacht op te starten.
Elk gebouw wordt in principe eenmaal per jaar bezocht. Hiervan wordt een rapport opgesteld dat bezorgd wordt aan de eigenaar en aan de Rijksdienst voor Monumentenzorg. De Vlaamse delegatie werd bijzonder hartelijk onttiaald op het gemeentehuis van Alkmaar waar ze werd opgewacht door de Heer P. Verhoeven, coördinator Monumentenzorg voor de gemeente Alkmaar, door de heer Comeille F. Janssen, voorzitter Stichting Federatie Monumentenwacht Nederland, door de heer W. Kramer, ere-voorzitter Monumentenwacht Nederland, door de heer K. Boeder, hoofd Monumentenwacht Gelderland en door de Heer S. Kneppers vertegenwoordiger van de restauratie bouwbedrijven. Door de Nederlandse gastheren De Nederlandse gastheren met vJ.n.r. de Heren P. Verhoeven, Comeille F. Janssen,werd een uiterst boeiend uiteenzetW. Kramer, K. Boeder en S. Kneppers ting gegeven nopens de doelstellingen, werking en praktijkervaring van de Nederlandse Monumentenwacht. Van de theorie naar de praktijk overstappen was geen probleem, vermits voorzien was in het bijwonen van een inspectie van de Grote Kerk en de Sint Jozefkerk van Alkmaar. In de Grote Kerk werd een diamontage getoond over het werk van de Monudie de gemeenschappelijke belanDe Vlaamse delegatie bestond uit mentenwacht Noord Holland. een divers samengesteld aantal gen van de provinciale monumendeelnemers. Wij noteren de aanwetenwachten behartigt. zigheid van een vertegenwoordiger Vermits de boog niet blijvend kon van het kabinet van de Heer L,G. Elk team bestaat uit twee personen, gespannen staan werd d e d a g Waltniel, gemeenschapsminister van die elk een arbeidsoverenkomst hebafgesloten met een bezoek aan het Ruimtelijke Ordening en Huisvesting; ben met d e provinciale monumenplaatselijk Biermuseum De Boom en een afvaardiging van de Koning Boutenwachten. Belangrijk detail: de bijhorend proeflokaal waar de dewijnstichting en van de Stichting salarissen liggen vrij hoog om het Vlaamse delegatie werd uitgewuifd Monumenten- en Landschapszorg; personeelsverloop zo beperkt mogedoor de Nederlandse gastheren, ambtenaren van het Bestuur voor lijk te houden. Elk team beschikt over thans aangevuld met de heer F. TielMonumenten en Landschappen; een lijst van de te inspecteren rooij, gedeputeerde Monumentenafgevaardigden van vier Vlaamse gebouwen. Jaarlijks worden door elk zorg van de provincie Noord-Holprovinciebesturen, een vertegenteam tussen d e 200 en d e 250 land. woordiger van de Koninklijke Verenigebouwen bezocht. Per team is een ging der Historische woonsteden van speciaal uitgeruste inspectiebus ter België en van de Marcus Gerardbeschikking. Eventuele noodherstelHet Bestuur Monumenten en Landstichting en — last but not least — lingen (pannen, leien, cement, schappen wil dan ook van deze een vertegenwoordiger van de afvoerbuizen) gebeuren door de gelegenheid gebruik maken om de Federatie van de Restauratieaanneinspectieteams zelf. initiatiefnemers, de Koning Boudemers. wijnstichting en de Stichting Monumenten- en Landschapszorg te danHet doel van de Nederlandse Monuken voor het geboden bezoek; in het mentenwacht is het verval van histobijzonder gaat onze dank naar de risch belangrijke gebouwen (en dus Nederlandse gastheren die instonniet enkel van wettelijk beschermde den voor een prima onthaal en dito monumenten) te voorkomen door organisatie. het regelmatig doen uitvoeren van bouwkundige inspecties van de door de abonnees daarvoor aangemelde Onze hoop gaat thans uit naar het gebouwen, opdat zonodig door de waar maken van een reeds lang abonnees preventieve maatregelen gekoesterde droom, namelijk het kunnen worden genomen ter voorkoopstarten van een eigen Vlaamse ming van verder verval. Monumentenwacht. Per provincie bestaat er een monumentenwacht die elk één of meerdere teams (van telkens twee personen) in dienst heeft. Daarnaast is er de overkoepelende Stichting Federatie Monumentenwacht Nederland,
Eén der interventie-busjes van de Noordhollandse Monumentenwaoht
| M&L BINNENKRANT
P. Lagaisse
3
I TENTOONSTELLING I
Laat-gotische beeldsnijkunst uit Limburg en grensland De provincie Limburg bezit een unieke beeldenschat; ruim 600 laatgotische scuipturen, die nog steeds ter plaatse in kerken, kloosters en musea bewaard worden. Een selectie hieruit wordt in het najaar door het Provinciaal Museum voor Religieuze Kunst in de Begijnhofkerk te Sint-Truiden (België) tentoongesteld. Deze keuze wordt verruimd met een 20-tal beelden uit buitenlandse collecties, zoals het Suermondt Ludwlg-Museum te Aken, het Amsterdamse Rijksmuseum, de Staatllche Museen Preusslscher Kulfurbeslfz te Berlijn, de Stadtlsche Galerie Llebleghaus te Frankfurt, het Schnütgen-Museum te Keulen, het Londense Victoria and Albert Museum en het Louvre te Parijs. Blikvanger is een levensgroot houten beeld. Man met baard, dat thans bewaard wordt in de Walker Art Gallery \e Liverpool.
Op deze eenmalige overzichtstentoonstelling geven 125 beelden een idee van de heiligenverering en van de laat-gotische beeldsnijkunst in Limburg (België), die een grote verscheidenheid vertoont en thuishoort in een cultuurlandschap dat de huidige provincie- en landsgrenzen ver overschreed. Uiteraard zal veel aandacht gaan naar de bekendste kunstenaars, zoals Jan van Steffesweert, de Meester van Elsloo en de Meester van Oostham. Daarnaast wordt er echter ook dieper ingegaan op de vroegere periode 1380-1470 en worden er een aantal beelden getoond, die in minder bekende ateliers werden gesneden,
groot — publiek vestigen op de hoogtepunten van de Brusselse architecuur, van de Art Nouveau tot Expo 1958, met aandacht voor de utopische projecten, de onuitgevoerd gebleven ontwerpen, de tendezen en tegenstrijdigheden van de jaren waarin de Moderne Beweging tot stand kwam en vorm kreeg... De documenten worden gegroepeerd rond zes hoofdthema's; — De Art Nouveau en de geboorte van de 20ste eeuw; — De groei van de Moderne Beweging; — De Tuinstadbeweging; — De gestalten van het Moderne; Art Deco en Rationalisme; — De functionele stad; — Een nieuwe hoofdstad. Voor herhaling vatbaar is deze zomertentoonstelling overigens uitdrukkelijk bedoeld als inleiding tot een aansluitende stadswandeling en nadere kennismaking met de realisaties zelf. Voor allen een aanrader.
Laat-gotische beeldsnijkunst uit Limburg en grensland. Provinciaal Museum voor Religieuze Kunst Begijnhofkerk Sint-Truiden, van 7 september tot 7 7 november 1990. Dinsdag tot en met vrijdag van 10 tot 12 u en van 13u30 tot 17 u. Zaterdag, zon- en feestdagen van 13u30 tot Uu. Maandag gesloten Nederlandstalige catalogus met Franse en Duitse samenvattingen inlichtingen: Provinciaal Museum voor Religieuze Kunst Begijnhof 59 3800 Sint-Truiden & 011/68.85.79
Brussel Architectuurstad 1890-1950
De lóde-eeuwse Man met baard, door de Meester van Elsloo (Liverpool, Walker Art Gallery)
Nog tot 16 september kan in de zalen van de Fondation pour l'Architecture, te Eisene, (opnieuw) kennis gemaakt worden met een uitgelezen selectie originele tekeningen en foto's uit de verzamelingen van Les Archives dArchrtecture Moderne. Alle willen ze de aandacht van — ook het
4
M8cL BINNENKRANT i
Brussel Architectuurstad 1890-1958 Fondation pour lArchitecture, Kluisstraat55, lOSOBrusei Nog tot 16 september 1990, van 12u30 tot 19 u van dinsdag tot en met vrijdag, zaterdag en zondag van 11 u tot 19u, maandag gesloten. Geleide bezoeken (Nederlands, Frans of Engels) op aanvraag.
Ontwerp vooreen administratieve wijk in hartje So/sse/(Stanislas Jasinski, 1929-1930, Verzameling AAM)
5 miljoen jaar menselijk avontuur Van 13 september tot 30 december 1990 wordt in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel door het Centre de Recherches en Paléoanthropologie et Préhistoire een prestigieuze internationale tentoonstelling georganiseerd over de biologische en culturele oorsprong van de mensheid, In wereldpremière worden hier een tweehonderdtal van de meest markante originele menselijke fossielen en paleolithische kunstvoorwerpen samengebracht. Dit uitzonderlijk gebeuren zal een eerbetoon vormen aan de man die België tot bakermat maakte van de studie van de oorsprong van de mens: Philippe-Charles Schmerling, In 1829 reeds toonde hij het gelijktijdig voorkomen van de mens aan samen met grote, nu uitgestorven zoogdieren. Zijn werk heeft een plaats tussen de belangrijke wetenschappelijke revoluties van de 19de eeuw. Op de tentoonstelling zal de antropologische evolutie geïllustreerd worden aan de hand van de meest vermaarde authentieke menselijke fossielen uit Afrika en Euraziê; de Australopithecus of "pre-mens", getuige van de traag ontluikende menswording in Afrika: de Homo habllis, de eerste mens en maker van werktuigen; de Pithecanthropus, de ontdekker van het vuur; de Neandertaier, de eerste die ons uitingen van spiritueel leven heeft nagelaten; de Cro-Magnon-
stukken van de Oostduitse en Tsjechische paleolithische kunst, de mesolithische gegraveerde steles uit Lepenski-Vir (Joegoslavië) en de beste voorbeelden van de Deense Maglemosiaankunst, Tevens zullen talrijke getuigen van het culturele leven van de vroegste mensen getoond worden: werktuigen die de actieradius van hand en brein vergroten, voorwerpen uit het dagelijks leven van jagers-verzamelaars, inhumatie-graven... .
5 miljoen jaar Menselijk Avontuur, Paleis voor Schone Kunsten, Brussel, Antropomorf beeldhouwwerk uit Lepinski van 13 september tot 30 december W, Joegosiaviê, uit omstreeks 7.500-5.500 1990. Alle dagen van 10 u tot 17u45. vóór Christus (Beograd, Narodni Muzej) Woensdag van Wutotl 9u45. Gesloten op maandag en 25 december. Geïllustreerde catalogus in het Nederlands, Frans en Duits. mens tenslotte, beheerser van zijn natuurlijk milieu. Daarnaast zal men fabelachtige prehistorische kunstschatten kunnen bewonderen: de reliëfs van Laussel (Frankrijk), de Venussen van Tursac, Sireuil en Gönnersdorf, de Duitse Aurignaciaan-statuetten van Vogelherd en Hohlenstein-Stadel, de top-
M8d BINNENKRANT
Algemene Inlichtingen 02/507.84.72 Info Nederland Belgisch Verkeersbureau Herengracht 435-437 NL-1017BF Amsterdam &2245953
LITERATUUR S. Hofer, Studiën zur Stuckausstattung im frühen 18. Jahrhundert. Modi und ihre Funktion in der Herrschaftsarchitektur am Beispiei Ottobeuren
systeem was praalvertoon een vast bestanddeel om macht en prestige zichtbaar te maken. Praalzucht en politiek aanzien waren onscheidbaar. In de concurrentie om status en macht was de architectuur één van de belangrijkste strijdmiddelen. Zij Informeerde Immers de toeschouwer over rang en stand van de opdrachtgever.
Tijdens het Absolutisme was het leven streng geregeld. De sociale stand bepaalde de rechten en plichten van elke burger. Uiterlijkheden zoals kleding, ontvangsten, feestelijkheden moesten onmiskenbaar de sociale verschillen duidelijk maken. Ook de architectuur was een middel om macht en status te representeren. Talrijke architectuurtractaten, bestemd voor wereldlijke en geestelijke Grandselgneurs, gaven aanwijzingen en regels hoe een eigentijds gebouw diende opgevat. Nieuw Is dat vanaf de 18de eeuw het interieur van een gebouw I.e. d e schikking van d e vertrekken, de afwerking en inrichting ervan centraal stonden in de planning.. "Commodité" was het nieuwe thema in de geschriften van de architecfuurtheoretici. Interieurafwerking door middel van stuc werd in de eerste helft van de 18de eeuw de artistieke uitdrukkingsvorm bij uitstek. Aan dit onderwerp wijdde Sigrid Hofer een dissertatie (Universiteit Bamberg), uitgegeven bij het Deutscher Kunstverlag. Haar werk bestaat uit 2 delen. In het 1ste, theoretisch gedeelte, onderzoekt zij het 17de- en 18de-eeuwse bronnenmateriaal, namelijk Duitse en Franse tractaten voor zover zij berichten over de functie, de betekenis en de esthetica van stucversiering. In het 2de, praktische gedeelte worden deze inzichten getoetst aan het concrete voorbeeld van de Benedictijnenabdij van Ottobeuren, één van de rijkste kloosters van Schwaben. Het boelende aan de studie Is dat de auteur de stucwerkversiering niet geïsoleerd ziet, maar in relatie tot de mens die het subject van de kunstproducties is. Zij verklaart de samenhang tussen architectuur, interieurinrichting en maatschappij. Lange tijd beschouwde de geschiedschrijving de weelde waarmee in de Barok feesten en ontvangsten georganiseerd werden als verspilzucht, totdat zij de politieke kracht ervan onderkende. In het absolutistisch
In de barokke bouwkunstiiteratuur wordt geen onderscheid gemaakt tussen profane en monastieke residenties. De abt hield er immers dezelfde levensstijl op na als de adel. Een perfect gebouw diende aan drie criteria te beantwoorden: firmifas dit Is de sollede constructie, utilitas dit Is het comfort en venustas dit Is de charme en elegantie. Deze drie begrippen werden reeds gehanteerd door Wruvlus, voor de architectuurtheoretici van de 17de en de 18de eeuw nog steeds de grootste autoriteit. De auteur gaat uitgebreid In op de barokke esthetica. Zij legt uit hoe termen als ornament en goede smaak worden geïnterpreteerd. Versiering betekent veel meer dan verfraaiing. Zij moet de bestemming en het karakter van de ruimte, zoals door de bouwheer bedoeld, aanschouwelijk maken. Het vormenrepertorium berustte niet bij de kunstenaar, maar werd vastgelegd door de status van de opdrachtgever; zijn sociale stand diende als richtiljn voor de graad van verslering; drt gold eveneens voor het stucwerk dat aldus ook statussymbool en deel van d e representatie was. Smaak als esthetisch begrip verscheen In de Duitstalige architeciuurtheorie pas op het einde van de 17de eeuw en werd overgenomen uit de Franse esthetica. "Le bon gout" was — In tegenstelling tot vandaag — een objectief criterium om een kunstwerk te beoordelen. De natuur diende hierbij als richtsnoer. Wie vreugde beleefde aan het gekunstelde, getuigde van slechte smaak. De keuze van de abdij van Ottobeuren om de theorie aan de werkelijkheid te toetsen steunt op gemotiveerde redenen: de abdij beschikte over ruime financlèle middelen om gerenommeerde kunstenaars aan te trekken. De nieuwbouw werd ontworpen en uitgevoerd in de eerste decennia van de 18de eeuw (1710-1740) onder één en dezelfde abt Rupert Ness. De abt was vertrouwd met de voorschriften
M8cL BINNENKRANT
van de architectuurtractaten en heeft het verloop van de werken In een 14-dellg dagboek gecommentarieerd. Bovendien was de abdij're/cAisunmtttelbar", dit wil zeggen dat zij rechtstreeks onder de keizer stond. Zij heeft steeds een rijksvriendelljke politiek gevoerd en de keizer financlèle steun geboden tijdens zijn oorlogen. Door haar sterke band met het keizerrijk verkreeg de abdij status en macht, die zij manifesteerde in de bouw van het nieuwe kloostercomplex. Het gebouw, majestatisch gelegen op een hoogte, omvat een 200 vertrekken geschikt rondom een conventus, dit Is het monastieke gedeelte en een abbatia of abtskwartier, het wereldlijke gedeelte. De confrontatie van 2 verschillende machten. Kerk en Rijk, is zowel In het bouwconcept als de interieurafwerking zichtbaar. Wat het conwen/usgedeette aangaat wordt enkel aan de stucwerkverslering van de cellen, zlekenkapel en kapittelzaal een bespreking gewijd. De grootste en belangrijkste vertrekken lagen Immers in de abbatia. De appartementen van de abt, de galerij voor de schilderijen- en natuurhistorische verzameling, het theater, de Keizerszaal lagen op de tweede verdieping, die als de nobelste gold; het was gebruikelijk in de 18de-eeuwse Zuid-Duitse palelzen de meest representatieve ruimten hier onder te brengen. Ai het stucwerk Is in het wit uitgevoerd en onbeschllderd. Verguldsel werd enkel in de abbatia aangebracht. In de ruimtehiérarchle van de Barok nam de slaapkamer een geprivilegieerde plaats In. In het begin van de 18de eeuw raakte de ceremonie rond het lever" en "coucher" van de vorst uit de mode, maar de traditie werd verder in eer gehouden door het opstellen van een paradebed. Slechts personen van hoogste sociale rang werden ontvangen In de slaapkamer die tevens als audléntiekamer dienst deed. In Ottobeuren is dit vertrek versierd met een iconografisch programma dat de bestemming ervan ondersteunt, namelijk audléntiekamer van een geestelijke vorst. In het laatste hoofdstuk wordt uitgebreid ingegaan op de functie en de aankleding van de Keizerszaal. De zogenaamde Keizerszalen verschijnen voor het eerst In Oostenrijk In het begin van de 17de eeuw. Zij bereikten een hoogtepunt In de 18de eeuw, doch bleven
beperkt tot het Heilig Roomse Rijk. Ook Sint-Tmiden bezat ais "reichsunmiftelbare" abdij haar Keizerszaai. De Keizerszaai van Ottobeuren Is de rijkste en monumentaalste van ZuidDuitsland. Hier verscheen de abt ais opperste rechter en ais gastheer van wereidse feesteiijkheden. Zodoende vormde de Keizerszaai de politieke coulissen voor het optreden van de abt. Ook het iconografisch programma diende deze functie te ondersteunen; de plafondschildering toont het ontstaan van het Heilig Roomse Rijk, gerechtvaardigd door de kroning van Karel De Grote door paus Leo III; langs de wanden, geritmeerd door gemarmerde dubbele zuilen zijn levengrote beelden opgesteld van Duitse keizers. Vruchtensnoeren, bloemfestoenen en acanthussen, putti, alianten en mascarons vullen elke leegte op.
een foto opgenomen. De gemeenten zijn alfabetisch gerangschikt, terwijl in de index achteraan de items ook typologisch gerangschikt zijn, wat het opzoekingswerk vergemakkelijkt. De uitgave beoogt niet louter informatie omtrent monumenten en landschappen te bieden; zij is ook bedoeld om de belangstelling voor de monumentenzorg te wekken en de lezer aan te sporen ons bouwkundig en landschappelijk patrimonium beter te leren kennen en waarderen. Naar aanleiding van deze publikatie werd meteen het aantal beschermingen op een rijtje gezet. Sinds de eerste beschermingen in 1837 telt de provincie Antwerpen omtrent 1585 beschermde items, veruit het meest van alle provincies (De provincie Oost-Vlaanderen, telt er 1.297, de provincie Brabant 931, de provincie Limburg 675 en de provincie WestVlaanderen 656). Hierbij is het aandeel van de stad Antwerpen - 805 het grootst; volgen Mechelen - 253 en Lier met 63 beschermingen.
Het boek is voorzien van talrijke zwartwit foto's, plattegronden, een uitgebreide bronnen- en literatuuropgave, een plaats- en persoonsnamenindex. De verdienste van de auteur is dat zij de interieurafwerking met stucversiering niet met een hedendaagse blik bekijkt, maar bestudeert vanuit eigentijdse bronnen. Deze leren dat de stucversiering onderworpen was aan bepaalde regels waarin werd rekening gehouden met de sociale status van de opdrachtgever en met de functie en het representatief belang van de verschillende vertrekken. C. Vanthillo.
Auteurs: Willem Aerts, Roeland De Ceulaer en Stefaan Grieten. Technische gegevens: formaat: 15.5 x 22 cm / omvang: 328 p. / 870 zwart-wltopnamen / uitvoering: paperback, genaaid /prijs 585,-fr.
Beschermd cultuurpatrimonium in de provincie Antwerpen Arrondissement Antwerpen
Het boek is te verkrijgen door: ofwel l Storting op rekening KB 4060000141-54 van Drukkerij Smits te Wommelgem, met vermelding C.P. Turnhout, C.P. Mechelen of C.P. Anlwerpen. Indien het adres van toezending anders Is dan dat van diegene die betaalt, dit zeker vermelden. 2. Opsturen van gekruiste cheque en bijvoeging nota met toezendingsadres
Op 22 juni jongstleden stelde het Provinciebestuur van Antwerpen het derde — en laatste — deel voor in haar reeks 'Beschermd Cultuurpatrimonium in de Provincie Anlwerpen. De huidige publikatie omvat het arrondissement Antwerpen. Eerder verschenen reeds het arrondissement Turnhout (1987) en het arrondissement Mechelen (1989)
De hele reeks (drie delen) b verkrijgbaar tegen de uitzonderlijke prijs van 1500,-fr 0.p.v. 1755,-fr.) op de wijze zoals hierboven beschreven, met vermelding C.P. Reeks
De reeks biedt een volledig overzicht van alle monumenten, stads- en dorpsgezichten, roerend cultureel patrimonium en landschappen, die op 1 januari 1987 wettelijk beschermd waren. Van elk item is een korte omschrijving, een historische situering en
M8a BINNENKRANT
7
F. Scholten Goudleer Kinkarakawa Deze publikatie verscheen naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstellingen in het Haags Historisch museum en in het Groninger museum, in het voorjaar van 1989. Het boek kreeg als ondertitel; de geschiedenis van het Nederlandse goudleer en zijn Invloed In Japan {Kinkarakawa is Japans voor goudleer). Omdat er op het domein van het goudleer nog te weinig fundamenteel onderzoek gebeurd is voor Vlaanderen — hoewel er hier belangrijke produktiecentra waren — ontbreekt er bij ons een overzichtswerk. De bestaande literatuur is fragmentair, grotendeels niet meer recent, en dus moeilijker toegankelijk. Voor al wie zich aan het onderwerp interesseert is de lectuur van het voorliggende werk daarom beslist aan te bevelen. Inzake productieproces, inspiratiebronnen en toepassing in de decoratie van het interieur, bestond er immers weinig verschil tussen het goudleer van de Noordelijke en dat van de Zuidelijke Nederlanden. De produkten zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden en van slechts één goudleermaker, Hans Ie Maire uit Amsterdam is een merkteken bekend.
Over dit alles leest U méér in d e bijdrage van E.F. Koldeweij; de oorsprong van het goudleer en de Europese context. Dezelfde auteur geeft eveneens een overzicht van het bronnenmateriaal: belangrijk zijn de eigentijdse bronnen, variérend van korte vermeldingen in een reisverslag, tot gedetailleerde beschrijvingen van het hele arbeidsproces. In het bijzonder mogen hier 't Bouck van Wondre vermeld worden, verschenen in Brussel in 1513, waarin onder meer de fabricage van goudleer beschreven is en Het secreet boeck van schoone dlversche ende eerlljcke konsten, een manuscript in drie delen (1677, 1711, 1751 -1797) door Mechelse goudleermakers geschreven, waarschijnlijk om de kennis over het productieproces en de talrijke hierbij benodigde recepten, aan elkaar door te geven. Hoe goudleer precies vervaardigd werd, beschrijft H.A.B. van Soest in zijn bijdrage Concernerende de kunst van 't goudleer. E.F. Koldeweij vervolgt met drie artikels over Het goudleer In de Noordelijke Nederlanden, De goudleermakerlj van Hans Le Malre In Amsterdam en De verschijningsvorm en de patronen van het goudleer.
Goudleer kende zijn oorsprong in Ghadames, Noord-Afrika. Vandaar werd het waarschijnlijk reeds in de 9de eeuw verspreid naar Spanje. Een bekend centrum was de stad Cordoba; hiervan is de benaming Cordobaans leder afgeleid. In de loop der eeuwen werd in vele landen van West-Europa goudleer gefabriceerd; naast Spanje vooral in Portugal, Italié, Frankrijk, Engeland, Holland en Vlaanderen. Mechelen was bij ons het belangrijkste centrum, vandaar dat goudleer hier meestal "Mechels goudleer" genoemd wordt. Maar ook in Antwerpen, Brussel, Gent en leper werd er goudleer gemaakt. Door zijn uitstekende kwaliteit vond dit succesvolle en hoogwaardige exportprodukt zijn w e g naar de meeste Europese landen en ook naar vele Aziatische landen. De grote produktie belette echter niet dat er ook in Vlaanderen buitenlands goudleer werd ingevoerd. De vraag was groot. Gedurende bijna twee eeuwen immers (17de-18de eeuw) was het goudleer een zeer luxueuse en veelvuldig toegepaste vorm van interieurdecoratie in de Westerse wooncultuur. Niet alleen d e wanden werden ermee versierd, ook voor de stoffering van stoelen, voor kamerschermen, voor de bekleding van koffers, als tafelkleed et cetera, werd goudleer gebruikt.
Deze laatste bijdrage is opnieuw erg interessant voor d e kennis van het Vlaamse goudleer, omdat de technieken in heel West-Europa gelijk ontwikkelden. Het vroegste 17deeeuwse 'Spaanse type' werd vooreerst door een met inkt besmeerde drukplaat van een versierend patroon voorzien. Dit gedrukte patroon werd nog aangevuld met kleine ornamenten die met stempels op de voorzijde werden ingeslagen. Daarna beschilderde men het leder. Op het 'verheven goudleer' daarentegen werd een reliéfdecoratie gedrukt. Deze methode, door Jacob Dircxz. de Swart in Amsterdam ontwikkeld (1628), werd vrij spoedig ook in Vlaanderen toegepast. De oudste vellen van dit type (17de eeuw) hebben een veel dieper relief dan de jongere (18de eeuw). Wellicht in navolging van de stoffen wandbespanningen, ontstond midden 17de eeuw een derde type goudleer, dat bestaat uit lange kamerhoge banden. Hiertoe werden losse vellen aan elkaar geplakt met quasi onzichtbare horizontale naden. Zoals d e technieken evolueerden ook de patronen en de beschilderingen, en wel naargelang de heersende stijlen. Omdat deze evolutie in heel West-Europa gelijktijdig verliep en omdat patronen veelvuldig gecopieerd werden is het vooralsnog een onmogelijke zaak om bepaalde produkten aan bepaalde ateliers toe te schrijven, tenzij er archivalische bronnen (bijvoorbeeld rekeningen) hierover inlichtingen verschaffen.
8
M8a BINNENKRANT I
Isabel Tanaka-Van Dooien heeft de export van Nederlands goudleer naar Japan onderzocht, en de verwerking van het materiaal in de Japanse kunst- en gebruiksvoorwerpen. Al sinds het begin van de 17de eeuw werd het als diplomatiek geschenk en als handelsartikel voor de Verenigde Oostindische Compagnie verscheept. Naast met goudleer geklede spiegeldozen exporteerden de Nederlanders grote hoeveelheden losse vellen, die niet in de vorm van wandbehangsels werden toegepast (de Japanse huizenbouw leent zich hiertoe niet) maar wel dienden om er Japanse gebruiksvoorwerpen van te maken of ermee te bekleden; tabakstasjes, zegelzakjes, kamerschermen... . Interessant is ook dat de motieven van het Nederlandse goudleer op inheemse kunstnijverheidsprodukten gecopieerd werden, en dat het goudleer zelfs nagemaakt werd in Japans papier. A. Bergmans
M. Morishlta schreef voorts een bijdrage over De Japanse leerkunsten Yasuo Kume tenslotte handelt over Japans papier, leerpapier en goudleerpapier. Na de bijlage sluiteen catalogus van alle o p de tentoonstelling aanwezige voorwerpen (111 stuks) het boek af. De wetenschappelijke bijdragen met voortreffelijk notenapparaat zijn fraai geïllustreerd en verzorgd uitgegeven. Het boek en de tentoonstelling beoogden d e belangstelling en d e studie van het goudleer te stimuleren. Zij hebben zeker hun doel niet gemist. Drs. £ Koldeweij wijdt een doctoraatsverhandeilng aan de studie van hef Nederlands goudleer. Alle informatie over goudleer Is bij hem welkom op volgend adres: Kunsthistorisch insfttuuf van de Rijksuniversifelf Doelensteeg 16 2311 VL Leiden, Nederland F. Scholten (red.). Goudleer Kinkarakawa, Zwolle (uitg, Waanders), 1989. Verkoopsprijs fl. 49,50.
Extra aandacht voor monumentenzorg in Terzake Monumentenzorg is geen materie waarover uitsluitend o p gemeentelijk vlak wordt beslist. De belangrijkste beleidslijnen worden immers vastgelegd op het niveau van het Vlaamse Gewest. Toch kunnen de gemeenten
binnen de bij wet en decreet vastgeiegde normen een actief monumentenbeleid voeren. Om hen daarin aan te moedigen besteedde Terzake, het praktijkblad over gemeentebeleid van de Wakkere Burger, in zijn meinummer een middenkatern aan Gemeentelijk Monumentenbeleid, In de special, die tot stand kwam in samenwerking met de Koning Boudewijnstichting, wordt stilgestaan bij de 'instrumenten' (voorontwerplijsten, processen-verbaal enz., maar ook bijkomende maatregelen en sensibilisering) voor een gemeentelijk monumentenbeleid. Er is ook ruime aandacht voor enkele projecten in Ename (Oudenaarde), Antwerpen, Leuven, leper en Loon, waarbij de auteurs telkens een ander beleidsaspect belichten, zoals sponsoring, het inschakelen van laaggeschoolden of het effect van monumentenbeleid op de streekontwikkeiing. In een laatste bijdrage volgt een overzicht van de provinciale dagen voor de lokale comités en wordt een sluiertip opgelicht van de monumenten die op 9 september tijden de Open Monumentendag toegankelijk zullen zijn.
Terzake. De Wakkere Burger, Lledtssfraat 27-29, 1210 Brussel, JS- 02/242.54,75 en 02/242.00.92, Fax.: 02/242.26.10,
Monumentenzorg en Fiscaliteit - erratum
CONGRESSEN
Spitsbogen in Noord-Limburg Op zaterdag 9 juni laatsleden had in Lommei een studiedag plaats over de neogotiek in Noord-Limburg. Dit seminarie, waaraan 45 geïnteresseerden deelnamen, werd georganiseerd door het KADOC (Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum, Leuven) en past in een reeks die het wetenschappelijk onderzoek over de relatie 'kerk katholieken en kunsf wil bevorderen. Via wetenschappelijke uiteenzettingen en geleide bezoeken belichten ze voor historici, kunsthistorici, architecten, restaurateurs en andere belangstellenden het wel en wee van de neogotiek. Daarbij wordt dit 'fenomeen' geplaatst tegen de achtergrond van politieke, sociaal-economische, culturele en kerkelijke ontwikkelingen.
LZcAü^X^aéjL
In Limburg drong de neogotiek pas op het einde van de 19de eeuw echt door. Zoals dr. ir.-arch. Luc Verpoest (K.U. Leuven) in zijn inleiding opmerkte, waren er wel enkele vroeg-neogotische restauraties en verbouwingen (vóór 1850: Beringen, Sint-Truiden en Tongeren) en speelden de provinciale architecten — de drie generaties Jaminé — een belangrijke rol in de neogotische produktie. Maar de doorbraak van de neogotiek kwam er in Limburg pas rond de eeuwwisseling. De industrialisatie (vooral in het Noorden), de aangroei van de bevolking en het ontstaan van nieuwe parochies waren hier niet vreemd aan. In samenwerking met het katholieke patronaat (in Noord-Limburg de rijke Teuten-burgerij) trachtte de katholieke kerk, bij de overgang naar een meer industriéle samenleving, het gevaar voor ontkerstening van de Limburgse bevolking tegen te gaan door een
aliQU sJ&Uaue£ tui.
éSoJkeu^^'-
Naar aanleiding van de voorstelling in dit blad van de brochure Monumentenzorg en Fiscaliteit (M&.L 9/3, 1990, Binnenkrant, p. 16) vestigt de Vereniging voor de Bescherming van het Onroerend Cultureel Erfgoed van Belgié vzw onze aandacht op een spijtige vergetelheid. Niet alleen ontplooit deze vereniging immers evenzeer een aantal activiteiten ten gunste van het monumentaal en landschappelijk erfgoed, doch ook zij is één der weinige erkende instellingen die gemachtigd is fiscale attesten ofte leveren voor culturele giften.
Voor nadere Inlichtingen: Vereniging voor de Bescherming van het Onroerend Cultureel Erfgoed vzw Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis Jubelpark 10 1040 Brussel
Detail van een ontwerpplan van Joris Helleputte voor het godshuis van Tessenderio (foto KADOC-Leuven)
M8a BINNENKRANT |
9
actieve missionering. Treffend Is dat bisschop Doutreloux van Luik, waartoe Limburg kerkelijk behoorde, tussen 1879 en 1901 méér dan 150 nieuwe kerken in Limburg heeft ingewijd. Het was ook Doutreloux die Joris Helleputte naar Limburg haalde. Hij had met deze Ijverige ingenieur-architect en hoogleraar kennis gemaakt op de Luikse congressen voor maatschappelijke werken van 1886 en 1887. Op vraag van de bisschop stelde de Leuvense katholieke voorman zich in 1889 aan het hoofd van de katholieke lijst van het arrondissement Maaseik en werd hij verkozen tot volksvertegenwoordiger. Helleputte was voordien al als architect actief geweest in de provincie. Bij dit oeuvre bleef licentiaat Krista Maes (KADOC) stilstaan. Zij inventariseert momenteel zijn plannenarchief, dat zich op het Universiteitsarchief van de K.U.Leuven bevindt. Het werk van Helleputte in Limburg blijkt zeer divers. In Tessenderio, waar zijn relatie met pastoor Keesen ongetwijfeld heeft meegespeeld in het verkrijgen van de opdrachten, realiseerde de Leuvenaar de Heilig Hartschool, met broederklooster (1880-1881), en het Godshuis of Sint-Jozefsgesticht (18891893). Van belde uitgebreide neogotische sites is niets meer bewaard. De ontploffing van een chemisch bedrijf in 1942 leidde tot de totale vernieling van twee mooie getuigen van Helleputtes kunnen. Voor Eigenbilzen ontwierp hij in 1880 eveneens een katholieke school. Van dit meer bescheiden complex is evenmin iets bewaard. Hier sloeg de slopershamer al in 1936 toe. Helleputte was in Limburg ook betrokken bij de restauratie en vergroting van een aantal kerken. Zo breidde hij de Sint-Hubertus en Vincentiuskerk van Zolder uit met twee neogotische zijbeuken (1885-
Detail van een glasraam van Gust Ladon In de Slnt-Pietersbandenkerk van Lommei (repro KADOC-Leuven)
1886/1890-1992), herstelde hij twee sacristieën van de Sint-Quintinuskerk van Hasselt (1886-1887) en werd door zijn atelier gewerkt aan de herstelling en vergroting van de romaanse Slnt-Pietersbandenkerk van Wintershoven (1887-1889/18911893). Deze laatste realisatie wordt traditioneel toegeschreven aan Pieter Langerock, inderdaad een medewerker van Helleputte. Maar zijn naam is niet op de plannen in het Helleputte-archief terug te vinden, wel deze van Stéphane Mortier. Vermoedelijk heeft Langerock de werken gesuperviseerd — zeker nadat zijn meester actief in de politiek stond — en was Mortier verantwoordelijk voor het tekenwerk.
Ontwerp van Mathleu Christiaens voor de kerk van Sint-Huibrechts-Lllle (repro KADOC-Leuven)
De leerlingen en medewerkers van Helleputte hebben een niet onaanzienlijke rol gespeeld in het neogotisch architecturaal landschap van Limburg. Naast de genoemden. Mortier en Langerock, hebben vooral Vincent Lenertz en Mathleu Christiaens de wetenschappelijke ingenieursneogotiek van Helleputte in de provincie geïntroduceerd. Christiaens, een leerling van de Speciale Scholen van de Leuvense universiteit, was vooral actief in Tongeren, zijn
10
M8cL BINNENKRANT
Muurschildering van 1882, blootgelegd In de Sint-Monuifus en Gondulfuskerk van Achei (foto KADOC-Leuven)
thuisbasis, en in het oosten van de provincie. Lenertz, eveneens leerling en nadien medewerker van Helleputte, kwam in 1898 met Limburg in contact, toen hij, op vraag van de Koninklijke Commissie voor Monumenten (met Helleputte als eerste ondervoorzitter), de ontwerpen moest aanpassen die "ambachtsman" Hyacinthus Martens voor de Sint-Pietersbandenkerk van Lommei had getekend. Hier werd de basis gelegd voor een samenwerking, die resulteerde in een twintigtal neogotische kerken, vooral in het noorden en het zuidwesten van de provincie. De Sint-Pietersbandenkerk van Lommei en het ontstaan van het duo Martens-Lenertz kwamen aan bod tijdens de uiteenzetting van licentiaat Theo Mertens. Lenertz was ook verantwoordelijk voor het meubilair van de kerk (altaren, biechtstoelen, preekstoel, communiebank), dat nagenoeg volledig werd uitgevoerd in het Leuvense atelier van Paul Roemaet, nog iemand uit de kring van Helleputte. Mertens ging, ook bij het bezoek ter plaatse, vooral in op de glasramen die de Gentse glazenier Gust Ladon voor de kerk realiseerde en die recent werden gerestaureerd. Ladon ontwierp voor de kerk een totaalprogramma, dat hij — en dit lijkt uitzonderlijk — volledig, zij het over een lange periode (1902-1912), heeft kunnen uitvoeren (1). Ladon was ook werkzaam in de SintLaurentiuskerk van Hamont, die in 1903-1904 werd gebouwd naar d e plannen van de Nederlandse architecten Jozef Cuypers en Jan Stuyt. Over de activiteiten van Nederlandse architecten en ateliers in Noord-Limburg handelde drs. Wies van Leeuwen (Cuypersgenootschap, Roermond). Hij schetste de loopbaan van genoemde bouwmeesters en wees nadien in d e kerk zelf op hun specifieke kenmerken. Van Leeuwen ging vooral in op de betekenis van vader Pierre J.H. Cuypers. Deze 'Nederlandse Viollet-le-Duc' realiseerde drie kerken in België, waarvan twee in Noord-Limburg. Naast de kloosterkerk van de paters Conventuelen in Brussel (1868) ontwierp hij in 1885-1887 d e kerk van de Sint-Benedictusabdij van Achel en in 1913 de kloosterkapel van de Ursulinen van Hamont. Deze kerken, die in de namiddag werden bezocht, zijn opvallend gaaf bewaard. Voor het interieur van de Hamontse kerken werd beroep gedaan op zowel Belgische als Nederlandse ateliers; Roemaet uit Leuven, Cuypers uit Roermond, Esser uit Weert. Een plaatselijk atelier was dat van Thomas Watson, een Engelsman die in Achel was verzeild geraakt. Hij was onder meer actief in de kerk van
Limburg aan de d a g wordt gelegd voor de neogotiek en was mede de aanleiding voor de inrichting van deze studiedag. Voor dit seminarie werd een rijk gevulde documentatiebundel samengesteld, met de teksten van de uiteenzettingen en aanvullende informatie over de bezochte sites en het katholiek maatschappelijk leven in Limburg. Deze bundel kan nog altijd worden besteld bij KADOC (Mgr. Ladeuzeplein 21, 3000 Leuven; S 016/28.46.76) en kost 300,-fr. (exclusief verzendingskosten). De reeks seminaries zal trouwens worden verdergezet, onder meer met een studiedag in Luik. Voor meer informatie kan u zich wenden tot hetzelfde adres. L. Vints, KADOC
Kapel van het Ursullnenklooster van Hamont (foto KADOC-Leuven)
Lommei, maar stoffeerde vooral de Sint-Monulfus en Gondulfuskerk van Achel. Deze kerk, waarvan d e oudste delen uit het midden van de 15de eeuw dateren, werd in 1908-1909 verbouwd door het duo MartensLenertz. Het interieur van de kerk wordt momenteel gerestaureerd door het Hasseltse ontwerpcollectief Forum. Bij het vooronderzoek dat het atelier verrichtte, werden twee fasen van neogotische schilderingen vastgesteld, één van 1882 en één van 1912. Voor de restauratie greep het collectief terug naar de schilderingen en de kleurschakeringen van 1882, maar enkel een kern werd 'gereconstrueerd', terwijl voor de rest nieuwe decoratie-elementen werden ontworpen. Ir. arch. Jos Roux, van Forum, lichtte in situ deze 'Interpretatieve ontmoeting met de neogotiek' toe en lokte een levendige discussie uit over de spanning tussen historische restauratie en interpretatieve invulling. Dezelfde problematiek kwam ook aan bod bij het bezoek aan het Sint-Hubertuscollege van Neerpelt, opnieuw een realisatie, uit 1910, van Martens en Lenertz. De kapel van het college, met glasramen van Edward Steyaert en muurschilderingen van Peter Heidbüchel, werd vorig jaar al gerestaureerd. Naar aanleiding daarvan had er toen een tentoonstelling plaats over de Religieuze Neogotiek In de Teutendorpen (2). Genoemde tentoonstelling toonde de belangstelling aan die in Noord-
I M8a BINNENKRANT |
(1) Over deze problematiek publiceerde Theo Mertens recent het boek Uit licht geboren. Gust Ladon (]863-1942). Hoogtepunt van neogotische glasschilderkunst (9S0,-fr., 160 blz., 120 illustraties waarvan meerdere in kleur; besteldadres: Lommei 1000, Rode Kruisstraat 15, 3900 Lommei) (2) Het boek dat naar aanleiding van deze tentoonstelling werd gepubliceerd, kan nog worden verkregen bij het Sint-Hubertuscollege, Stationsstraat 25, 3580 Neerpelt.
Studiedag Dialoog tussen oud en nieuw in de gebouwde omgeving, Apeldoorn, 5 oktober 1990 Op vrijdag 5 oktober 1990 wordt in Orpheus te Apeldoorn een studiedag gehouden over het onderwerp: afoloog tussen oud en nieuw In de gebouwde omgeving. Deze studied a g wordt georganiseerd door de Permanente Conferentie voor d e Europese Stadsvernieuwing (POES) in samenwerking met het Gelders Genootschap Steeds meer wordt nadruk gelegd op de integrale zorg voor de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Eén van de zaken die daarbij centraal staat, is de zorg voor de onderlinge afstemming van oud en nieuw. Er zijn op dit gebied allerlei opvattingen. Sommigen vinden dat oud en nieuw ieder hun eigen waarde hebben en ook apart moeten worden benaderd. Anderen vinden dat er voor oud geen plaats Is in een dynamische samenleving. Weer anderen vinden dat nieuw vaak kwaliteit mist en dat oud ongeschonden moet worden geconserveerd en eventueel
n
in oude glorie moet worden hersteld. De laatste jaren wordt gesproken over een 'dialoog' tussen oud en nieuw. Men wil in de gebouwde omgeving bewust d e samenspraak tussen oud en nieuw aangaan. Maar hoe dat te doen? Welke methodische benadering Is daarbij gewenst? Welke ervaringen zijn er op dit gebied? Hoe gaat men daarbij te werk? Gedurende de studiedag zullen eivaringen uit verschillende landen van Europa de revue passeren en zuilen vooraanstaande deskundigen hun oordeel over de wenselijkheid en het karakter van d e genoemde dialoog naar voren brengen. Verder zal in de vorm van een ronde-tafel-gesprek een verdere aanscherping van de methodiek en de betekenis van een dialoog tussen oud en nieuw worden uitgewerkt. Het programma is ais volgt: TOuOO; Welkomstwoord door Baron A. van den Abeele, co-president van de Permanente Conferentie voor de Europese Stadsvernieuwing (PCES) Opening en toelichting op het thema van de studiedag door G.W. Batis, voorzitter van het Gelders Genootschap Ervaringen met de dialoog tussen oud en nieuw In Europa door Prof. Leopold Criner, Portugal Dialoog tussen oud en nieuw In Itallé door Georgia Grassi, architect te Milaan Dialoog tussen oud en nieuw In Vlaanderen door Prof. Bob van Reeth, architect te Antwerpen 12 u 30;Lunch 14.00 : Dialoog tussen oud en nieuw in Nederland: de methodiek van het Gelders Genootschap door Erno Maas/Hedde Beetsma 14u30 : Ronde-tafel-gesprek Discussieleider; Dr. Jan Vaessen, directeur Openluchtmuseum Arnhem Deelnemers; Erna Maas, directeur Gelders Genootschap Ir. Hedde Beetsma, adjunct-directeur Gelders Genootschap Prof. Dr. Ir. Frits van Voorden, Technische Universiteit Delft Ir. Wijbrand Havik, directeur Groninger Welstandszorg ir. Plet Mertens, directeur Academie van Bouwkunst Maastricht Ir. Jan Thange, architect-stedebouwkundige Brugge Prof. Bob van Reeth, architect te Antwerpen 16 u 00-16 u 15 ; Terugblik en vooruitblik door Prof. Dr. Nico Melissen, Katholieke Universiteit Nljmegem en Katholieke Universiteit Brabant 16.30-18.00 ; Excursie In het centrum van Apeldoorn
12
De kosten van deelname aan de studiedag bedragen f 95,- of 1.800,-Bfr. In dit bedrag zijn behalve deelname aan de studiedag, ook begrepen koffie, lunch, thee en excursie. Aanmelding dient te geschieden bij het secretariaat van de PCES, Weezenhof 37-01, 6536 HH Nijmegen en gelijktijdige overmaking van de kos-
ten van deelname. Voor Nederlandse deelnemers op NMB-Bank rekeningnummer 67.96.65.196 ten name van PCES te Maastricht (postgiro NMB-bank 1057074) onder vermelding van studiedag Apeldoorn. Voor Belgische deelnemers op Generale Bank te Lanaken rekeningnummer 235-0152171-87 ten name van PCES te Maastricht onder vermelding van studiedag Apeldoorn.
BUITENKRANT
Driejaarlijkse prijs Deken Bets
Gent: Belasting op de verkrotting
Het stadsbestuur van Zoutleeuw en de v.z.w. De Vrienden van Zoutleeuw stellen een Driejaarlijkse Prijs Deken Bels in, ter nagedachtenis van pastoor-deken P.V Bets die in de 19de eeuw een standaardwerk schreef over de stad Zoutleeuw. Zij hopen deze prijs voor het eerst in 1991 te mogen uitreiken. Aan deze prijs is een bedrag verbonden van 100.000,-fr. ter bekroning van een originele studie van hoog wetenschappelijk niveau betreffende de stad en de deelgemeenten van Zoutleeuw. Deze prijs is multidisciplinair opgevat en zowel zuiver historische als kunsthistorische, taalkundige, volkskundige en andere wetenschappelijke disciplines komen In aanmerking.
Voor het dienstjaar 1990 werd door d e stad Gent een beiastingreglement ingevoerd op d e leegstaande of d e onbewoonbaar verklaarde woningen, de gebouwen buiten gebruik en d e woningen en gebouwen in een bouwvallige, onafgewerkte en/of vervallen toestand.
De inzending dient uiterlijk op 1 september 1991 toe te komen op het gemeentehuls, Vincent Betsstraat 15, 3440 Zoutieeuw.
Het volledig reglement kan bekomen worden op de Toeristische Dienst, Stadhuls, Grote Markt, 3440 Zoutleeuw, & 011/78.12.88
1 M8cL
BUITENKRANT |
Toepassingsgebied a. de woningen die op 1 januari 1990 in het belang van d e openbare veiligheid en gezondheid bezwaard zijn met een besluit van onbewoonbaarverklaring door d e bevoegde overheid; b. de woningen en gebouwen die o p 1 januari 1990 bezwaard zijn met een bevel tot sloping van d e bevoegde overheid; c. d e woningen die op 1 december 1989 ai gedurende minstens 1 jaar ononderbroken feitelijk leegstaan; d. de gebouwen die op 1 december 1989, geheel of gedeeltelijk, gedurende minstens 1 jaar ononderbroken niet meer in gebruik zijn; e. woningen en gebouwen die getroffen zijn door een proces-verbaal houdende vaststelling van duidelijke tekenen van verval, opgemaakt door een daartoe door het Stadsbestuur van Gent aangestelde ambtenaar;
f, terreinen waarop zich op 1 januari 1990 resten bevinden van gebouwen die door ramp, vetustiteit of enige andere reden, geheei of gedeelteiijk werden getroffen; g. de nieuw gebouwde constructie die al gedurende meer dan 3 jaar, te rekenen vanaf d e datum van aflevering van de bouwvergunning of verlenging van de bouwvergunning, onafgewerkt zijn gebleven, dit wil zeggen niet gebruikt worden overeenkomstig hun bestemming. Wat betreft de woningen wordt de belasting vastgelegd op 1.500,-fr. per vierkante meter geveloppervlakte; voor de gebouwen wordt de belasting als volgt vastgesteld; — 120,-fr,/m2 grondoppetvlakte voor de eerste schijf tot en met 200 m 2 ; — 75,-fr,/m2 grondoppetvlakte voor de tweede schijf van 201 m 2 tot en met 500 m 2 ; — 50,-fr./m2 grondoppervlakte voor de derde schijf vanaf 501 m2, De minimum aanslag bedraagt 20,000,-fr, Het reglement voorziet ook in een aantal vrijstellingen, onder meer voor de beschermde monumenten en dit gedurende de termijn van behandeling door de bevoegde overheid van het restauratiedossier, alsook voor d e gebouwen waarvoor een procedure tot bescherming werd Ingezet vóór 1 januari 1990. Deze laatste vrijstelling geldt voor 3 belastingsjaren. De woningen en gebouwen, gelegen in een erkend herwaarderingsgebied en door de Gemeenteraad bestemd om deel uit te maken van een door de overheid uit te voeren herwaarderingsproject, zijn eveneens vrijgesteld. P. Lagalsse.
Una Porta per Venezia. Internationale Architectuurwedstrijd in 1989 besliste het stadsbestuur van Venetië samen met de Biënnale van Venetië een internationale Architectuurwedstrijd uit te schrijven onder de benaming Een Poort voor Venetié. De wedstrijd heeft tot doel een zo groot mogelijk aantal kwalitatief hoogstaande projecten in ogenschouw te kunnen nemen voor de herstructurering en de herwaardering van d e Plazzale Roma en haar omgeving, met de realizatie van het bekroonde ontwerp als finaliteit. De Plazzale Roma Is de aankomstplaats van alle openbaar en particu-
lier vervoer vanuit het vasteland, dus meteen het vertrekpunt van alle verder verkeer te voet of te water. Waar de brugverblnding over de lagune voltooid werd in de jaren 1930 bleef de Plazzale Roma sindsdien onafgewerkt en chaotisch. Het thema spreekt om velerlei redenen tot de verbeelding, door de symbolische geladenheid, In alle opzichten vormt de Plazzale Roma de hedendaagse poort tot de stad. De vormelijke implicaties zijn voorts aanzienlijk, daar van de ontwerpers verwacht wordt dat ze ëën enkele oplossing bieden voor problemen van diverse aard, waaronder d e verkeersstroom, park- en tuinzones, stadsmeubliair, nieuwe kleinschalige gebouwen en, bijaldien, een ruim nieuw gebouw In een gevoelige zone tegenover het Canal Grande en de Plazzale tegelijk.
De — schriftelijke — kandidaturen dienen uiterlijk op 15 september 1990 toe te komen op het volgende adres: Concorso dl progettazlone "Una porte per Venezia' per la Slstenazlone Roma Segreteria del Concorso Settere Archltettura dell'Ente Autonomo La Biënnale dl Venezia Ga'Glustlnian-San Marco 136/a 30124 Venezia-Italia & 41-5226514 5218840 5218842 Fax. 41-5236374
M8cL BINNENKRANT
13
Paul Hankars woning Janssens gerenoveerd Het nochtans beperkte maar ongemeen boeiende en vernieuwende oeuvre van Paul Hankar (1893-1901) krijgt tot op vandaag slechts node de aandacht die het onbetwistbaar verdient, De wraakroepende, door het Brusselse Sint-Lukasarchlef terecht op de schandpaal gehesen blinde vernieling van de atelier-tuinmuur Ciamberlani te Eisene, in augustus 1989, ot de medeplichtige afbraakmet-recuperatie van de Wondelgemse Cottage Buysse in 1986 (zie hierover Dubois M. en Daenens L, Ter Vaart": een cottage van Paul Hankar in de Gentse haven, in M&L, 1/4, 1982, p, 50-55) vormen hiervan slechts de meest recente uitwassen. Van deze baanbreker van de Art Nouveau, evenknie van zijn minder slecht bedeelde confrater Victor Horta, werd het hele (korte) levenswerk dan ook grotendeels meedogenloos aan speculatie opgeofferd, zoniet gewetenloos en onherroepelijk verminkt. Hankar zelf zal het onder zijn sobere Ukkelse grafsteen ongetwijfeld koud laten dat van hemzelf slechts twee woonhuizen en één schamele winkelpui werden beschermd; maar welk een woningen en wat een winkelpuil
Het initiatief van de immobiliënmaatschappij Dodder Belgium, een dochteronderneming van de Zwitserse Groep Philippe, tot renovatie — en gedeeltelijk restauratie — van de woning Janssens verdient dan ook alle lof. Paul Hankar bouwde dit huis met atelier in 1898 op verzoek van zijn vriend, de symbolistische kunstschilder (medestichter van Le Silloh) René Janssens (1870-1936), op slechts enkele passen van zijn eigen woonhuis (1893) Defacqzstraat 71, tegenaan de woning van weduwe Ciamberlani (1897), moeder van de symbolist Albert Ciamberlani voor wie Hankar datzelfde jaar het reeds vermelde atelier had opgericht... , Omwille van de opdringerige aanwezigheid van het buurhuis bewust sober gehouden valt de vier traveeén brede voorgevel in roze baksteen, blauwe hardsteen en subtiel verwerkte Euvillesteen hoofdzakelijk op door de sterk uitkragende houten erkeruitbouw, Reeds in 1904 zou het woonhuis naar aanleiding van René Janssens' huwelijk, grondig worden verbouwd. Naar de plannen van architect Maurice Van Ysendyck worden niet alleen twee verdiepingen toegevoegd, ook het interieur wordt — op de verrukkelijke ebben- en rood dennenhouten wenteltrap na — ten gronde veivangen door een modieus, historizerend decor.
De woningen Janssens (midden) en weduwe-Ciamberlani (links). De twee nlveau's boven de erkertraveeén werden In 1904 toegevoegd
De verjongingsoperatie die het sindsdien uitgeleefde woonhuis op initiatief van Dodder Belgium — en enigszins buiten de normale vastgoedactiviteiten om — zou ondergaan, liet alvast toe enkele essentiéle oorspronkelijke decoratieve elementen in ere te herstellen. Zo verhulde de over het hele trapverloop door Van Ysendyck aangebrachte houten lambrizering nog steeds het oude, veelkleurige sjabloondecor dat — fraai maar ons inziens wat hardhandig en weinig genuanceerd — integraal werd gereconstrueerd, Elders, waar tè weinig elementen toelieten de sporen van Hankar terug te vinden, bleef de latere aankleding na opfrissing bewaard. De operatie, naar een concept van Nicole Van den PiasWilhelm, werd overigens in goede banen geleid door het studiebureau Stéphane Jazinski &. Associés en De Smet & Whalley nv, met medewerking van talrijke ambachtslui waaronder de decoratieschilders en restaurateurs Michel Strijkers &. Christine Fontaine. M.M. Cells
Europese gemeenschapsteun voor modelprojecten Gewoontegetrouw en in de gebruikelijke telegramstijl maakte de Commissie van de Europese GemeenschapDe wenteltrap • spil van de woning Janssens - met de gereconstrueerde sjabloonmotie- pen de 26 piloot-projecten bekend ven die voor 1990 zullen kunnen genieten 14
| M&L BINNENKRANT |
van een financiële steun in het kader van haar jaarlijkse aktle voor de instandhouding van het architectonisch erfgoed van de Gemeenschap. De 26 weerhouden projecten — op een totaal van 1138 inzendingen — kregen aldus een prijzenpot te verdelen van een 2.600,000 Ecus (zowat 110 miljoen Bfr.), waarvan 130.000 Ecus (een dikke 5 miljoen Bfr.) toegewezen werden aan de 19de-eeuwse ziekenzalen van het Brugse voormalig Sint-Janshospitaal. De inzendingen dienden overigens te beantwoorden aan het jaarthema Historie buildings and groups of buildings wich define and characterize an urban or rural pattern, een alleszins ruim programma waaraan de gelauwerde gelukkigen in meer of mindere mate beantwoordden. Een oproep tot kandidaten voor 1991 wordt alvast aangekondigd voor het najaar 1990, waarbij de klemtoon zal gelegd worden op bouwwerken en sites die getuigen van menselijke activiteit op het gebied van industrie, landbouw en ambacht. M.M. Cells
Antwerpen. Restauratie van de Kruisoprichting van Rubens Op 14 juni jongstleden kwam de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen samen omtrent de restauratiewerken aan Rubens' Kruisoprichting. Zoals ook in 1987 en 1989 reeds gebeurde, liet de Commissie zich hiervoor bijstaan door Prof. H. von Sonnenburg uit München, Prof. R. d'Hulst en Prof. C Van de Velde, als deskundigen. De reiniging van deze belangrijke triptiek van Rubens, gemaakt in 1610-1613 voor het hoofdaltaar van de thans afgebroken Sint-Walburgiskerk, wordt uitgevoerd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium en is thans voor het grootste gedeelte voltooid. Met bijzonder veel zorg werden de panelen selectief gereinigd, te beginnen bij de donkerste gedeelten
om te eindigen bij de lichtste partijen, evenwel zonder alle oude restauraties en vernislagen weg te nemen. Enkel tè sterk vergeelde vernissen, die de oorspronkelijke kleurgeving vervagen, en storende retouches werden weggenomen zodat de patine en het ouderdomsaspect van het schilderij bewaard bleven. De samenkomst had tot doel het niveau van reiniging en de kleurwaarde van de naast elkaar opgestelde panelen onderling te vergelijken. Drt is van belang omdat de drie panelen samen één compositorisch geheel vormen en als dusdanig opnieuw met elkaar moeten harmoniëren. In overleg met de restaurateurs werd er besloten sommige delen — onder andere de blauwe lucht en het witte kleed van de Heilige Katharina — nog iets verder te reinigen en andere delen beter te integreren via kleine retouches. Hierna zal een nieuwe vemislaag worden aangebracht. M. Manderyck.
Rubens' Kruisoprichting (1610-1613), weldra opnieuw in zijn voile giorie te genieten
| M8cL BINNENKRANT |
15
De grote toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal uit de steigers De collegiale opdracht voor het opmaken van de bundel 3de fase restauratiewerken dateert van 3 december 1965. De studie nam geen volle twee jaar in beslag en werd op 9 oktober 1967 door de gemeenteraad goedgekeurd. Administratieve en budgettaire problemen zouden voor nogal wat vertraging zorgen alvorens feitelijk kon gestart worden met de werken. Op 17 februari 1975 was de kogel eindelijk door de 'kerk'. De contractuele uitvoeringstermijn werd vastgesteld op 1100 werkdagen; de einddatum was bepaald op 28 juni 1979; de aannemingsprijs bedroeg 65.322.000 fr., inclusief B.T.W. Deze fase omvatte alle steenrestauraties vanaf de begane grond tot aan de eerste gaanderij aan de uurwerken. Architect G. Derks, gewapend met het gewichtige restauratiedossier, licht de geplande werken toe voor (v.l.n.r.) Bestendig Afgevaardigde Bochman, Kabinetschef V. Vautmans, Gemeenschapsminister LG. Waltniel en Gouverneur A. Kinsbergen Van bij de prille aanvang van de feitelijke steenrestauratie bleek reeds dat de in de bundel voorgestelde werken te optimistisch waren ingeschat.
Werfbezoek van de heer LG. Waltniel aan de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te.Antwerpen In 1993 wordt Antwerpen de culturele hoofdstad van Europa. Naar aanleiding hiervan staan heel wat projecten op stapel en worden talrijke manifestaties gepland. Hoog op het verlanglijstje van het provinciebestuur van Antwerpen staat de restauratie van het koor van de Onze-Lleve-Vrouwekathedraal aldaar. Bedoeling Is uiteraard tegen 1993 de kathedraal In haar geheel open te stellen voor het publiek. Door een nauwe samenwerking tussen alle betrokken partijen en In eerste Instantie tussen het Bestuur voor Monumenten en Landschappen en het provinciebestuur is thans het dossier klaar. De heer LG. Waltniel, gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting heeft een budget uitgetrokken ten belope van 95 miljoen frank (BTW en algemene kosten Inclusief). Redenen te over dus voor een persconferentie ter plaatse, op 21 mei laatsleden. Gezien de budgetaire problematiek is er alvast voor een Innoverende werkwijze geopteerd met het oog op een efficiënte kostenbeheersing. De subsi-
16
die is en blijft beperkt tot voormeld bedrag, wat inhoudt dat alle meerkosten ten laste vallen van het opdrachtgevend bestuur. Dit zou moeten garant staan voor het feit dat geen 'lopende rekeningen'meer worden geopend. Tweede belangrijke element is het feit dat een belangrijk vooronderzoek werd gevoerd. Op basis van deze gegevens werd het eigenlijke dossier dan ook samengesteld. Het dossier bevat ook een aantal vernieuwende werkwijzen om de vakkundige restauratie van d e muurschilderingen en van de glasramen te garanderen, dit met medewerking van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. De kathedraal is eveneens een interessant voorbeeld van de wijze waarop de privé-sector door sponsoring een grote bijdrage kan leveren tot de restauratie van onze monumenten, met name de sponsoring door de Koning Boudewijnstichting voor de gewelfschilderingen en de beiaardwerken gesponsord door BAS.F. Na de persconferentie werd een rondleiding in het koor verzorgd voor alle aanwezigen en werd deskundige uitleg verschaft door de leidende architect, de Heer G. Derks.
P. Lagaisse
| M M BINNENKRANT
Dit zou aanleiding geven tot een hele reeks noodzakelijke pluswerken die het restauratiedossier financieel enorm hebben verzwaard en tegelijkertijd de uitvoeringstermijn sterk hebben beïnvloed Op 16 juni 1990 waren de eigenlijke restauratiewerken eindelijk voltooid. Er diende nog gewacht tot 20 juli 1990 om de toren helemaal vrij, in al zijn pracht te kunnen bewonderen, een d a g waarop velen reeds lang met ongeduld wachtten. Bij de restauratiewerken werden er ca. 8000 m 2 geveloppervlakte gereinigd. Ruim 6000 m 2 geveloppervlakte werd in tekening gebracht op ca. 200 stuks plans. Zowat 620 m 3 witte steen werd vervangen, wat een gewicht vertegenwoordigt van ca. 1.500.000 kg. Van pos 0 begane grond tot pos 62 m is 99,9% van alle beeldhouwwerk vervangen. Deze 99,9% omvat meer dan 5700 stuks gebeeldhouwde motieven. Dat dit een zeer arbeidsintensieve aangelegenheid is wordt duidelijk als men bijvoorbeeld weet dat 3500 nieuwe kleine hogels werden gekapt en er- per hogel 3 uren kapwerk nodig zijn, terwijl de 1700 stuks nieuwe grote hogels gemiddeld 8 uur kapwerk vragen. De prijs die uiteindelijk voor deze restauratiewerken werd betaald bedraagt ruim 165.000.000 fr. (inclusief B.T.W.).
Van Huele schrijft echter dat Louis, de meester-metser, voor de bouw van de gewelven cement gebruikt, in plaats van "mortier ordinaire", waarmee hij mortel op basis van kalk bedoelt. Het cement heeft de eigenschap, volgens Van Huele, dat het omzeggens droog verwerkt wordt, hetgeen de stevigheid van de gewelven garandeert. Tegen het advies van Béthune in, worden de werken voortgezet, hetgeen Elisa Verhulst in een brief van 15 december 1862 verschoont met de bijzondere gunstige weersomstandigheden en door het vertrouwen dat zij stellen in metser Louis, die let op alle essentiële punten die Béthune voorschrijft. Aan deze ongehoorzaamheid aan de meester moet zwaar getild zijn geworden, want op 23 januari erop komt zij in een brief aan Béthune nogmaals terug op de cementkwestie en voegt er aan toe: "Je regrette Ie peines que cette petite affaire vous occasione". Dit is ongeveer de enige wanklank in de verstandhouding tussen opdrachtgevers en ontwerper die wij in de briefwisseling hebben opgemerkt. In het algemeen getuigen deze brieven vooral van het grenzeloze vertrouwen en zelfs van aan verering grenzende eerbied voor het oordeel van raadsman Béthune, die de uiteindelijke beslissing neemt, tot in het kleinste detail toe. Ongetwijfeld is in de cementkwestie de drang naar een voltooiing van de ruwbouwwerken te groot geweest.
De polychromie van het interieur De kerk van Vivenkapelle werd inwendig volledig beschilderd en deze beschildering bleef — alhoewel
dikwijls hersteld — quasi onveranderd bewaard tot op heden. Minstens vanaf 1866 is men bezig met het beschilderen van het interieur, te beginnen met de gewelven, werken die werden uitgevoerd door Adrien Bressers (6). Dit blijkt uit een brief van Elisa Verhulst, gedateerd 1 maart 1866, waarin zij een aantal opmerkingen overmaakt aan Béthune, die geformuleerd worden door orgelspecialist John Sutton (7) bij diens bezoek aan de kerk. Sutton bleek nogal wat kritiek te hebben op de gewelfschilderingen: hij vond dat de trekbalken te licht toonden in verhouding tot de opstand van de kerk, effect dat hij toeschrijft aan de beschildering met stroken. Hij geeft daarentegen de voorkeur aan eenvoudig bruin geverniste trekbalken en zou zelfs de roosjes onder de balksleutels verwijderen. Ook vindt hij dat de teksten op de balken een zekere stijfheid geven... . Elisa eindigt haar brief met de suggestie dat men de opvattingen van Sutton misschien kan toepassen in het hoofdkoor, alwaar de letters van de teksten weliswaar getraceerd, maar nog niet geschilderd zijn. Uiteraard heeft Béthune het laatste woord. Te oordelen naar de huidige toestand heeft de mening van Sutton hem niet kunnen beïnvloeden: ook de trekbalken van het hoofdkoor zijn voorzien van teksten en kleurige banden. Daarenboven zijn de profileringen van de gewelfribben kleurig geaccentueerd en is het geverniste beschot voorzien van decoratieve motieven die ribben en lijsten flankeren. De gewelfsleutels zijn verguld. De polychromie van de plaasteren kapitelen van de zuilen wordt eveneens in vraag gesteld. Op 27 novem-
Vivenkapelle, Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte en Heilige Philippuskerk. Interieur van de Onze-Lieve-Vrouwekapel. Vergelijk de toestand in 1858 (links, sacristie van de kerk) met de huidige. Béthune heeft het barokgetinte interieur omgevormd in de stijl van de 14de-eeuwse gotiek. Het gepleisterd plafond werd vervangen door een houten en de ijzeren trekstangen door houten moerbalken (foto O. Pauwels)
41 M&L
Een bestek van omstreek 1860 Het oorspronkelijk bestek voor de ruwbouw/werken van de kerk van Vivenkapelle bleef integraal bewaard in het familiearchief van de Béthunes te Marke. Dit handgeschreven document geeft een duidelijk beeld van de wijze waarop een dorpskerk in de tweede helft van de 19de eeuw tot stand kwam. De beschrijving van de verschillende posten is logisch en klaar, en tekenend voor de ongecompliceerde wijze van bouwen in deze ambachtelijke periode, waarbij elementaire bouwmaterialen als zand, kalk, hout en steen de bestanddelen van een bouwwerf vormden. Een gecommentarieerd overzicht: — Het metselen van de funderingen en het opgaand metselwerk wordt voorzien in baksteen van de streek, verwerkt met mortel samengesteld uit 2/3 kalk van Doornik en 1/3 mager zand. Hier wordt bedoeld veldovensteen, een plaatselijk gefabriceerde en algemeen gebruikte baksteen uit leem gemaakt, hetgeen de eerder grote afmetingen verklaart (22 x 10x6). Deze baksteen heeft zich uitstekend gedragen en verkeert op heden in perfecte staat. Op te merken valt dat geen voegwerk wordt beschreven; het metselwerk werd eenvoudig afgeschraapt met het truweel: hierna werd de voeg voorzien van een dag. Dit gedagstreept metselwerk is nog duidelijk zichtbaar in het voor een groot deel behouden oorspronkelijk voegwerk. Daar waar het voegwerk vernieuwd werd bij de jongste restauratie kreeg het eveneens een afwerking met dagstreep; — Het metselwerk van het gewelf van de toren daarentegen is van Boomse steen van "Rupelmonde". In tegenstelling tot de veldovensteen is de Boomse steen afkomstig uit steenbakkerijen met vaste ovens, zoals onder meer de Rupelstreek er kende. Deze 'industriële' baksteen is van klei gemaakt, hetgeen kleinere en preciesere formaten toelaat, waardoor deze steen handiger is voor het verwerken in ingewikkelde vormen, zoals gewelven. — De belangrijkste gebruikte houtsoort (48 m3) is "rood hout van Riga"; het werd gebruikt voor de realisatie van dakstoel en keperwerk èn voor de zichtbare houten overwelving, waarvan zowel de trekbalken en gewelfbogen als de beplanking in dit Europees grenenhout is uitgevoerd. Deze houtsoort staat tegenover Amerikaanse naaldhoutsoorten. Eeuwenlang zijn de verschillende plaatsen om de Oostzee — onder meer Riga — de uitvoerhavens geweest van het uit het omliggende gebieden aangevoerde grenenhout. Deze houtsoort is gekenmerkt door een grote duurzaamheid, gevolg van de grote hoeveelheid hars die in het hout aanwezig is en die er een roodachtige kleur aan geeft (21). Zowel de dakspanten met zichtbare trekbalken, als het keperwerk en het houten gewelf zijn nog de oorspronkelijke, en vroegen bij de jongste restauratie slechts om plaatselijke herstellingen. De herstellingen van het gewelfbeschot situeerden zich tegenaan de goten en werden uitgevoerd in oregon. — Een veel kleinere hoeveelheid (18 m3) inlandse eik werd aangewend, onder meer voor de klokkestoel in de toren; ook het schrijnwerk van de deuren wordt in eik voorzien; deze oorspronkelijke torenconstructie is thans nog aanwezig, op één verdwenen balk na, welke bij de jongste restauratie werd herplaatst. Voor de keuze van de houtsoort kan de prijs bepalend geweest zijn: eikehout wordt gerekend aan 140,-fr per m3 terwijl grenenhout slechts 100,-fr. kost. — De trap naar het doksaal wordt voorzien in olm; olmenof iepenhout is een inlandse houtsoort die gekenmerkt wordt door weerstand tegen afsplintering en taaiheid: vooral deze laatste eigenschap maakt olm gegeerd in onder meer de molenmakerij (22). — De leien voor de dakafdekking waren afkomstig uit Henegouwen of uit Luxemburg, van het formaat 27 x 17 cm en aangebracht op beschot van abeel. Uit de stammen van de abeel of zilverpopulier kunnen delen verkregen worden van een grote gave breedte, het heeft eveneens weinig neiging tot trekken. Van de oorspronkelijke leien is niets meer overgebleven. Na herhaalde dakherstellingen, is de kerk thans volledig gedekt met nieuwe gehomologeerde leien van Spaanse origine. Van het boeiberd van abeel zijn nog partijen behouden. Doch het meeste is nieuw.
M&L 42
Vivenkapelle, kerk. Oorspronkelijk gedagstreept metselwerk rond 1861 te dateren (foto BML)
— De herkomst van de witsteen gebruikt voor venstermonelen, voor afdekstenen van puntgevels en steunberen en voor schouderstukken, wordt niet gepreciseerd. Men spreekt enkel van "pierre blanche". Het ontwerp voor herstellingswerken aan de vensters en de bedakingen van Viven, zoals dit werd opgemaakt door architect De Pauw in 1923, vermeldt in dit verband dat de venstermonelen waren uitgevoerd in "pierre de sable blanche douce". De weersbestendigheid moet niet groot geweest zijn, aangezien in 1923 de witte steen vervangen wordt door "witte steen van Brouvilliers". Bi)' de jongste restauratie werd deze steen op zijn beurt plaatselijk — doch de venstermonelen systematisch aangezien stukgesprongen op de ijzeren bruggen — vervangen door Massengis. Wij vermelden nog dat de aanwezige witte steen nergens sporen van frijnslag vertoonde. De monelen van Massengis zijn om die reden thans eenvoudig gezoet. — Het oorspronkelijk bestek voorziet verder dorpels in blauwe steen uit Soignies; — Het pleisterwerk op de binnenmuren en op de zuilen wordt beschreven in drie lagen: de eerste twee samengesteld uit Doornikse kalk en vet zand. half om half, de derde laag met kalk van "Maffles" met toevoeging van stophaar. Maffles is een localiteit in de beurt van Ath en vormt een deel van de Henegouwse steengroeven die eveneens geëxploiteerd werden voor landbouw- en pleisterkalk. Het waarom van deze keuze is ons niet duidelijk: — De bevloering in gepolijste zwarte steen van Basècles wordt uitgevoerd in vierkanten van 39 cm, gelegd in mortel op een zandbed van 8 cm dikte; deze bevloering is nog steeds intact. Opvallend is dat niet gesproken wordt over de tegelvloer in het koor; — Afzonderlijk vermeld zijn de ornamenten van plaaster voor de 8 kapitelen van de zuilen van het schip; — Als metalen wordt zink vermeld voor de goten (géén lood: zie hierover verder) en ijzer voor constructieve onderdelen zoals ankers, brandijzers en andere; — Het kruis op de toren tenslotte krijgt een haan en ornamenten van verguld koper; — Wat opvalt is het totaal ontbreken van enige verwijzing of verrekening van te gebruiken stellingen ofalaam; de grondwerken voor de funderingen worden wel apart gerekend, evenals de te maken houten formelen voor het metselen van de gewelven. Aan dit "Dévis estimatif", dat de kosten van de werken raamt op 61.657,41.-fr., is een gerectifiëerde samenvatting toegevoegd. Aan de opsomming van de posten zelf is niets veranderd, wel zijn de hoeveelheden lichtjes verhoogd. Dit brengt de eindsom op 79.126,50.-fr. (7). Deze samenvatting kan beschouwd worden als een soort van eindafrekening en bevestigt dat de geformuleerde opties werden gerealiseerd. Op die manier is de informatie over de verwerkte materialen en toegepaste werkwijze vrij ondubbelzinning.
Eik en lood: een gevaarlijke confrontatie Tijdens de restauratiewerkzaamheden aan het dak van de kerk van Vivenkapelle in 1981, werd een eigenaardige en bijzonder zware beschadiging van het lood vastgesteld, meer bepaald van het lood waarmee de houten gootschelpen bekleed zijn. Dat de goten lekten, was een gekend gegeven, doch eenmaal de toestand vanop de stellingen kon bekeken worden, stelde men vast: " (...) erge beschadiging door invreting, verwering of ander evenement. Diepe sporen zijn getrokken door het afwaartslopend regenwater, waardoor het bestaande lood totaal waardeloos is geworden en dient vervangen te worden" (werf verslag nr. 8 dd. 9.1.1981). Geen enkele van de betrokken partijen trok de nodige lessen uit deze vaststelling. De schelpgoten werden vernieuwd in eikehout en bekleed met lood. Thans lekken de goten op verschillende plaatsen, voornamelijk aan de zuidzijde: het
De middeleeuwse bouwers hebben dit fenomeen gewoon niet gekend, maar wij, waarschuwt hij verder, geloven te veel in de perfectie van onze moderne procédés en zijn te weinig bezorgd om de verworven kennis van onze voorgangers te onderzoeken. De looddekkersstiel is overigens nauw verbonden met het timmervakraanschap, zodat men alvorens planken met lood te bekleden, de herkomst van het hout dient na te gaan: "On reconnaïtra du moins que cette experience, raisonnée ou non, est bonne et qu'il faut en tenir compte", besluit hij (24). Of Béthune en zijn vakmensen deze kennis bezaten, is niet met zekerheid te stellen. Feit is echter dat in het oorspronkelijk bestek geen sprake is van lood, wel van zink. Daarenboven zijn "les planches pour fonds des chenaux et de la corniche" voorzien in het "bois rouge de Riga" en niet in eik. Het bestek voor herstellingswerken aan de daken van de kerk van 1950 (ontwerp M. Hocepied) voorzag echter expliciet in de nodige zink- en loodwerken. In elk geval ging ook hier de kennis over het gedrag van dit eeuwenlang gebruikt metaal verloren... . Het tijdens de jongste restauratie aangebrachte lood dient dringend verwijderd te worden, wil men althans de nieuwe eiken schelpen redden en de kerk behoeden voor waterlast. Na onderzoek heeft men recent geopteerd om het lood te vervangen door een afdichtingsmembraan op basis van onverzadigde zachte polyesterharsen, versterkt met een polyestervlies.
Bouw en herstel: data en cijfers bouwheer: Kerkfabriek Onze-Lieve-Vrouw Geboorte uit Damme architect: A. Meyer-Brugge in samenwerking voor de technische installaties met: studiebureau R. Boydens uit Brugge aandeel Vlaamse Gemeenschap: 60 % Overzicht van de werken
Vivenkapelle, kerk. Bemerk de grote gaten in het vernieuwde lood van de houten schelpgoten, veroorzaakt door de inwerking van organische zuren aanwezig in het eikehout (foto BML)
lood vertoont gevaarlijk grote gaten op vele plaatsen. De verklaring voor dit fenomeen van abnormale slijtage moet men zoeken in het gebruik om hout met lood te bekleden. Lood is namelijk niet bestendig tegen organische zuren. Deze kunnen vrijkomen uit bepaalde houtsoorten, vooral uit eik, maar ook andere (23). Nochtans werd lood van oudsher gebruikt in de bouwwereld, en zijn vele daken van grote monumenten in het verleden gedekt geworden met lood. Het beroemdste voorbeeld hiervan vormt misschien wel het Dogenpaleis in Venetië, waarvan de gevreesde "loodgedekte kerkers" genoegzaam gekend zijn door de beschrijvingen van Casanova. Bij het zoeken naar een verklaring voor deze vormen van geslaagde toepassing van lood als dakbedekkingsmateriaal, konden we terecht bij Viollet-le-Duc, die in zijn Dictionnaire raisonnée uitgebreid ingaat op het beschreven fenomeen. Wanneer lood op hout als dakbedekking in de middeleeuwen met succes kon worden toegepast, dan is dit volgens Violletle-Duc te verklaren door het zorgvuldig voorbereidingsproces dat het hout hiervoor onderging. Hout dat gebruikt werd voor dakgebinten en dakbeschot werd namelijk gedurende lange tijd geloogd in lopend water, waardoor het gereinigd werd van schadelijke sappen. Daarenboven, vervolgt hij in een voetnoot, werd het hout naar de werven vervoerd als vlotten in de waterlopen, terwijl het 'tegenwoordige' vervoer met het spoor ervoor zorgt dat het hout al zijn sappen behoudt. Het resultaat ervan is dat het huidige hout ofwel slecht ofwel helemaal niet gepurgeerd is, waardoor de aanwezige zuren het lood omzetten in loodwit, zodat het weldra doorzeefd is. Viollet-le-Duc getuigt in dit verband van dakbedekkingen die in deze omstandigheden na enige weken reeds dienden te worden herdaan. Schilderen of aanbrengen van een harslaag zouden niet baten.
Fase I: Grove herstellingswerken daken en aanhorige delen aannemer: nv. Ch. Van Eygen-Duthoo uit leper aanvang: 01.11.1980 einde: 27.02.1986 datum oplevering: 06.03.1987 datum definitieve oplevering: 28.06.1988 uitvoeringsbedrag: 18.723.584,-fr. Fase II: vier loten lot 1: bouwkundige aanpassing, droogleggen, glaswerken lot 2: electrische installatie lot 3: verwarmingsinstallatie lot 4: schilderwerken, afwerken interieur Lot 1: aannemer: PVBA Nijs en Zoon uit Deinze aanvang: 15.06.1988 einde: 14.03.1990 datum oplevering: 14.03.1990 datum definitieve oplevering: voorzien in 1991 uitvoeringsbedrag: 10.184.310,-fr Lot 2: aannemer: L. Desimpele uit Sint-Elooiswinkel aanvang: 15.06.1988 einde: 31.03.1989 datum oplevering: 26.04.1989 datum definitieve oplevering: geweigerd uitvoeringsbedrag: 1.466.617, -fr. Lot 3: aannemer: PVBA Vergote uit Aalter aanvang: 01.08.1988 einde: 26.10.1989 datum oplevering: 22.03.1989 datum definitieve oplevering: te gebeuren uitvoeringsbedrag: 3.670.758,-fr. Lot 4: aannemer: G. Decruy uit Izegem aanvang: 01.08.1988 einde: 14.03.1990 datum oplevering: 14.03.1990 datum definitieve oplevering: voorzien in 1991 uitvoeringsbedrag: 4.232.586, -fr.
43 M&L
ber 1864 schrijft Elisa: "On parle de silicatiser les chapiteaux quoi qu'il me semble qu'il a été décidé de les laisser en brut et c'est ce que nous préférons de beaucoup". Haar wens wordt echter niet verhoord want het bladwerk van de kapitelen kreeg een rijk verguldsel tegen een polychrome achtergrond van afwisselend groen en rood. Jaren later zal haar oordeel omtrent de polychromie zich sterk gewijzigd hebben, zoals verder zal blijken.
toe, "remplacez les lys par autre chose (...)", wat zij echter onmiddellijk vergoelijkt door: "C'est a titre d'observation que nous vous faisons cette reflexion car nous aimons toujours les motifs qui vous inspirent". Het koor kreeg een beschildering van gezaaide Lam Godsmotieven en Christusmonogrammen. Begin 1875 moeten de schilderwerken voldoende gevorderd zijn geweest om Jules Heilig toe te laten zijn appreciatie als volgt te formuleren: "Je la crois réussie dans son ensemble et de nature a faire plaisir a tous ceux qui verront sans prèjugé ce travail" (9).
Vanaf de vroege jaren 1870 ongeveer, moet men gewerkt hebben aan de beschildering van de muren (8). Ook hier berustte de leiding der werken bij Reeds eerder had Elisa Verhulst haar voldoening Adrien Bressers. Dat Elisa Verhulst niet enkel deze geuit over de schilderwerken: "les travaux de peinture werkzaamheden financierde, doch ook haar zeg had donnent un cachet de reliëf tres délicat et distingue a in het iconografisch programma van deze beschilde- l'Eglise: les proportions architecturales ressortent avec ring, kan worden afgeleid uit haar brief van 2 oktober plus d'élégance" (brief van 2.1.1975). 1873. Hierin is zij van oordeel dat voor de beschildering van het koor — waarvan zij de schetsen van De polychromie van Vivenkapelle vormt inderdaad Béthune gezien heeft — alle allegorische figuren een indrukwekkend geheel dat geen plekje onbeschilbetrekking moeten hebben op het Heilige Sacrament derd laat, ook niet de venstermonelen. De koorparof de Passie van de Redder, aangezien de oude kapel tijen kregen een thema en een hiermee overeenstemvolledig gewijd werd aan de Heilige Maagd "Ainsi" mende hoofdkleur. De Onze-Lieve-Vrouwekapel voegt zij er voor haar doen ongewoon autoritair aan blauw en een iconografisch programma gewijd aan de Maagd: boven een boord van damast-imitatie met het motief van de eenhoorn in de hortus clausus komen tekstbanden en gezaaide lelies. Het hoofdkoor kreeg een prachtige diep rode boord van decoratieve damastpatronen waarboven, tussen IHS- en Lam Godsmotieven, 9 grote engelenfiguren in een baldakijn en hogerop nog een 8 vliegende engelen. De Philippuskapel kreeg groen als hoofdtoon en kent enkele decoratieve patronen. De boord van damastimitatie is in de ganse kerk aangehouden, zij het met verschillende motieven, ondanks het aandringen van Elisa Verhulst om deze, met het oog op een gemakkelijker onderhoud, effen uit te voeren (brief van 2.3.1875). Het schip en de transepten vertonen op de vlakke delen een rode imitatievoeg op beige achtergrond. De profileringen van de scheibogen zijn geaccentueerd met geometrische motieven. Ook de stenen gepleisterde gewelven in de viering en over de zijbeuken kregen rode ribben en florale motieven. Wij nemen aan dat dit geheel is klaar gekomen in de loop van het jaar 1875. Maar nog vóór de voltooiing der werken traden ernstige problemen op... .
Het neogotische "Gesamtkunstwerk"
Gepolychromeerd interieur naar het oosten (foto O. Pauwels)
• • •
M&L 44
Vooraleer hier echter verder op in te gaan, wensen wij ons verhaal over de tot standkoming van het kerkinterieur te voltooien. Elisa Verhulst laat het namelijk niet bij de beschildering. Vrijwel tot haar dood in 1903 heeft zij niet opgehouden 'haar' kerk verder te verfraaien en aan te kleden. Voor de realisatie van wat hierdoor geldt als een tot de perfectie doorgedreven voorbeeld van neogotische aankleding, stond de groep van gelijkgezinden garant die rond de hoofdfiguur van Béthune werkzaam was en die alle traditionele ambachten vertegenwoordigde. Het bijzonder geslaagde karakter van dit "Gesamt-
kunstwerk" kan grotendeels door deze samenwerking worden verklaard (10).
>4
1^
Wij noemden reeds enkelen, maar geven hier een opsommend overzicht van de medewerkers: Louis Bulckaert, metselaar; Louis Van Robaeys, schrijnwerker en na diens dood opgevolgd door Charles Lenoir; Adrien Bressers voor de schilderwerken met inbegrip van de polychromie van het meubilair en de beelden die in nauwe samenwerking met de beeldhouwers Blanchaert tot stand kwamen; voor het orgel John Sutton en August Martin; de Luikenaar Jules • i i -ui rnn am üSaï Helbig voor de zijpanelen van het Philippusaltaar. De glasramen komen uit het atelier van Béthune zelf; de kruisweg is van de hand van Bruno Broucquillon en voltooid door Robert De Pauw; Florimond Van de Poele hielp bij de conceptie van het geheel en ontwierp onderdelen zoals de koorafsluiting, Bourdon het smeedwerk van lantaarns en andere. Aan deze lange lijst dient nog een naam te worden toegevoegd die doorgaans verzwegen blijft, namelijk deze van de echtgenote van Béthune, Emilie Van Outryve d'Ydey walle, die grotendeels verantwoordelijk is voor wat de kerk bezat aan textiel. Uit de brieven van Elisa Verhulst blijkt immers duidelijk dat haar vriendin niet enkel diende als tussenschakel met Béthune maar dat zij zich met betrekking tot het textiel rechtstreeks tot haar wendt. Uitgebreid en herhaaldeliljk wordt geschreven over alle aspecten van het borduur- Koorpartij met koorafsluiting en hoofdaltaar, zonder de oorspronkealtaargordijnen. Bemerk ook de bevloering, waarvoor de tegels werk en de textielen die de kerk komen te verfraaien. lijke uit Engeland zouden zijn aangevoerd (foto O. Pauwels)
M R'
Ontwerptekening (anoniem) voor het orgel, bewaard in de sacristie
Het interieur vormt een perfect neogotisch Gesamtkunstwerk, met het orgel in het noordelijk transept als onmiskenbaar hoogtepunt (foto O. Pauwels)
45 M&L
Van de oorspronkelijke rijke aankleding met textielen. die een wezenlijk onderdeel uitmaakten van het neogotische Gesamtkunstwerk, is weinig overgebleven. Hier een detail van een geappliqueerde en geborduurde boord waarvan mag worden aangenomen dat hij tot het oorspronkelijk textiel behoorde (foto O. Pauwels)
waarvan zowel de keuze van de stoffen, het kleurpalet en de afwerking aandacht krijgen. Het betreft zowel vlaggen en banieren als altaargordijnen kussens en zitmeubelbekledingen, benevens altaar-, communieen lijkkleden, met andere woorden textielen die een wezenlijk onderdeel van de aankleding vormen. Eén citaat ter illustratie: "Je viens vous accuser reception des rideaux d'autel dont vous avez voulu soiguer la broderie. Je vous remercie des peines que vous, ainsi que Mr. Béthune vous êtes données a eet effet. Je les trouve magnifique (..,). Je meferai un plaisir de solder votre petite note, ma chère Emilie, a une première occasion" (11). De reden voor het stilzwijgen rond de textielen van Vivenkapelle is waarschijnlijk dat deze niet of nauwelijks meer aanwezig zijn in de kerk. Textiel is immers, meer dan wat ook, onderhevig aan sleet en natuurlijke degradatie door licht- en stofinwerking. Gescheurd en onder het stof, verdwijnen zij gemakkelijk. Deze dimensie ontbreekt dus aan het totaalkunstwerk.
De vochtigheid
ging voor de polychromie. Het vocht uit de bodem gaat namelijk door capillaire werking via de bouwmaterialen in de muren opstijgen. Dit gaat gepaard met transporteren van zouten afkomstig uit de bodem of uit het metselwerk zelf. Het zijn vooral deze zouten die schade aanrichten en het schilderwerk doen afschilferen. Met het verschijnsel werd meceen Elisa Verhulst geconfronteerd reeds enige maanden na de
Ij; J fc
^BH p
^I^B'
T* fü H
1{
1 •
\ ^^^.
De kerk van Vivenkapelle heeft sinds haar ontstaan in een bijna extreme mate te lijden gehad aan vochtigheid. Dit wordt wel eens verklaard doordat deze constructie in een moeras zou geplaatst zijn. In elk geval moet het een slecht gedraineerd perceel geweest zijn, en werden bij de bouw geen of geen afdoende voorzorgen genomen tegen het grondvocht. Getuigenissen spreken van een ingevolge condensatie steeds vochtige kerkvloer en van een onaangename geur (12). Deze vochtigheid vormde een bestendige bedreiM&L 46
'LIB
12
1
Ook het meubilair in de sacristie kreeg een neogotische decoratie. De lambrizering werd door Elisa Verhulst geplaatst in de hoop aan de vochtigheid in de muren te verhelpen (foto O. Pauwels)
realisatie van delen van de schilderwerken. Op 26 mei 1874 schrijft zij aan de ontwerper bij elk bezoek aan de kerk pijnlijk getroffen te zijn door de vochtigheid van de grond die "se rejette" op de schilderwerken van de kapellen tot een hoogte van ongeveer één meter. " (...) nous avons déja toutes les taches analogues a celle qui ont détérioré la sacristie, c'est-a-dire des plastrons de diverses dimensions dont la couleur a entièrement diparu". De schilderwerken aan de Onze-Lieve-Vrouwekapel zijn dan pas voltooid sinds augustus van het jaar voordien! In 1893 ziet zij zich dan ook verplicht over te gaan tot de algehele restauratie van de binnenbeschildering. Haar laatst bewaarde brief in het archief van Marke, gedateerd 29 juni 1893 vermeldt: "En ce moment, Mr. Bressers restaure les peintures de l'église de Viven, qui reprend sa fraicheur primitive".
problemen stellen, alhoewel er een merkbare verbetering is. Knapen verklaart deze "vertraging" doordat de kolombasissen bekleed zijn met een hardstenen plint: het termisch verschil tussen kern en bekleding zou condensatie veroorzaken.
Een eerste weerklank tegenover dit procédé komt van de Brugse Commissie voor Stedeschoon. Ingevolge schade door vochtigheid aan het Gruuthuuze te Brugge stelde stadsingenieur Salmon voor ook hier het systeem Knapen toe te passen. De Brugse commissie raadt dit echter af, aangezien men in Vivenkapelle niet het verhoopte resultaat bereikte en het systeem grote tocht zou veroorzaken. Hierop vraagt Knapen aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten een onderzoek in te stellen naar de bekomen resultaten in Vivenkapelle. Een delegatie van deze commissie stapt inderdaad af te Vivenkapelle op 10 Aan het probleem van de vochtigheid had men gepro- januari 1911, en levert een in alle opzichten positief beerd op verschillende manieren te verhelpen, doch rapport af. De bekomen resultaten "font considérer tevergeefs. Men heeft de muren bekleed met allerlei ce système comme un invention capitate quoique d'une waterafstotende materialen, zoals bitumen, asfalt, simplicité primordiale". De Commissie vraagt zich cement en ook marmer en leien in een centimeters zelfs af of dit systeem niet de veralgemening van het dik bed van mastiek geplaatst, zelfs met bladen tin frescoschilderen in onze contreien mogelijk zal (13). Al deze isolerende materialen hadden slechts maken! (18). een averechts resultaat: door hun afsluitend effect Acht jaar later deelt de Gouverneur van West-Vlaanjagen zij het vocht hoger de muren in, waardoor het deren nog aan de Koninklijke Commissie mede dat: schadebeeld vergroot, en de vernietigende sporen "l'application du système d'assèchement Knaepen (sic) van het vocht nog meer zichtbaar worden. a l'église de Vyve-Capelle tient toutes ses promesses" (19). Het probleem leek opgelost.
Het systeem Knapen
De polychromie bedreigd
In een poging om aan het probleem van de vochtigheid en van de geurhinder een afdoende oplossing te geven, financiert de erfgenaam van het complex, Arthur Verhaegen (14) in 1909 een droogleggingsoperatie van de kerk met het zogenaamde systeem Knapen. Deze toepassing vond in zijn tijd nogal wat weerklank. Knapen, architect uit Schaerbeek, ontwikkelde namelijk een systeem om muren te drogen door de plaatsing van droogbuizen: "l'aération différentielle système Knapen". Deze techniek bestaat erin om in het vochtige metselwerk draineerbuizen van gebakken aarde te plaatsen waarlangs het water in de muren kan verdampen. Teneinde deze verdamping te versnellen, worden de buizen afbellend naar buiten geplaatst, waardoor een convectiestroom ontstaat ten gevolge van de afkoeling van de lucht tijdens de verdamping (15). Vóór de openingen van de buizen worden afdekroostertjes geplaatst.
Op langere termijn bleek het systeem Knapen echter niet stand te houden. Immers, door het plaatsen van verluchtingsbuizen in de vochtige muren was geen echte barrière gerealiseerd en kon het vocht blijven opstijgen. Wel werd een zekere verdamping van het vocht mogelijk gemaakt door vergroting van het contactoppervlak, wat het aanvankelijk succes kan verklaren. Onvermijdelijk zullen na verloop van tijd de buizen versluizen, niet enkel door vuil en ongedierte, maar vooral doordat de zouten zich afzetten in de poriën van de buizen van gebakken aarde. Daarenboven kregen de schilderwerken nog bijkomend te lijden van het hemelwater. Ondanks het feit dat de daken van de kerk van Vivenkapelle sinds haar ontstaan minstens twee maal grondig werden hersteld — zoals blijkt uit de ingediende dossiers van 1923 en 1950 — was de situatie op de vooravond van de jongste restauratie in 1980, ronduit dramatisch. Aan In totaal werden in Vivenkapelle 817 van deze droog- de grondwaterschade was de schade toe te voegen die buizen aangebracht, waarvan 238 aan de buitenkant verooraakt werd door neerslaand vocht. De dakafvan het gebouw. In de deuren werden tevens 24 dichtingswerken waren verpulverd en verstorven, gleuven gemaakt voor de luchtverversing (16). zodat het water tussen de leien en de aansluitende Ondanks de moeilijkheidsgraad bleek de operatie muren doorsijpelde. Dit kon duidelijk worden waarbijzonder geslaagd: na de uitvoering der werken genomen in de transepten, waar de vochtsporen en de wordt vastgesteld dat de kerk inwendig totaal droog schade aan de beschildering duidelijk de richting van is. Een uitvoerig verslag van de bekomen resultaten de helling van de zijdaken volgden Er was ook een in Vivenkapelle wordt door Knapen verzonden aan manifest tekort aan waterafvoerbuizen: één enkele de Koninklijke Commissie voor Monumenten te Brus- pijp voor de afvoer van regenwater van middeninsel (17). Hieruit blijkt dat enkel de kolomvoeten nog beuk, zijbeuk en transept. Op vele plaatsen waren 47 M&L
leien losgekomen, of waren gebrekkige herstellingen uitgevoerd met asbestleien. Hieraan dient nog een derde schade oorzaak te worden toegevoegd, namelijk het inslaand vocht. Grote en voornamelijk hoger gelegen muurdelen waren gekenmerkt door uitgekankerd voegwerk, waardoor het vocht door de wanden naar binnen drong. Dit deed zich ook voor rond de ramen, doordat het witsteen niet meer waterbestendig was (20). De toestand waarin de polychromie verkeerde getuigde dan ook op een schrijnende manier van de noodzaak van een diepgaande restauratie, die de oorzaken van de problemen afdoend zou bestrijden.
De restauratie van 1980-1990 Teneinde de kosten draaglijk en de omvang van de werf overzichtelijk te houden, werden de restauratiewerken gefaseerd. Het was logisch dat in een eerste fase de kerk afdoend en degelijk diende beschermd te worden tegen het regenwater, door een algehele herstelling van de leienbedaking en totale vernieuwing van zink- en loodwerken, van verdichtingen, goten en afvoeren. De drooglegging aan de basis werd in een tweede fase gerealiseerd. Ditmaal werd geopteerd voor een systeem van chemische injectie. Aan de basis van het metselwerk en van de kolommen werd hierbij een produkt ingebracht dat een waterdichte zone realiseert tegen capillaire vochtopstijging. Er werden boorgaten aangebracht die onder druk werden geïnjecteerd met kaliummethylsilikonaat. Vooraf diende wel alle door grondvocht aangetaste pleisterwerk te worden verwijderd, gezien de aanwezigheid van de schadelijke hygroscopische zouten. De herstelling van zowel het pleisterwerk als het witsteen, kon pas geschieden nadat de aanwezige zouten waren uitgetreden aan de oppervlakte. Met andere woorden, pas na volledige droging kon het pleisterwerk worden vernieuwd, waarna de beschadigde beschildering werd hernomen of hersteld. Tot nog toe zijn de resultaten van dit beproefde systeem van drooglegging zeer goed te noemen, behalve voor twee vieringskolommen alwaar het schilderwerk alweer afschilfert aan de basissen. Hierbij is het blijkbaar niet mogelijk een sperlaag te realiseren bij gebrek aan voldoende consistent metselwerk in de kern. Ook Knapen had het met de kolomvoeten bepaald moeilijk! In dezelfde tweede fase van de restauratie werden de ramen gerestaureerd, dat wil zeggen vernieuwing van de witstenen monelen — het maaswerk kon behouden blijven mits verharden — en herstel van de brandglasramen. De ijzeren bruggen die de monelen hadden doen stukspringen werden vervangen door bronzen, zo ook de bindroeden. Het glas werd herlood. Ook het bakstenen plankier rondom de kerk werd hernomen, met nieuwe klinkers, niet alleen om esthetische redenen, maar ook omdat dit helpt — in combinatie met een goed functionerende riolering wel te verstaan — M&L 48
Kolomvoet waarin de capillaire vochtopstijging ook niet via injectie kon worden stopgezet: de verf bladert opnieuw af en verpoedert. Bemerk onderaan de gaten van het "systeem Knapen" (foto M. Goossens)
bij het drooghouden van het gebouw. De elektriciteit werd totaal vernieuwd, evenals de verwarmingsinstallatie. Voor de restauratie van de polychromie, werd voor de te herschilderen delen gewerkt met een zuivere olieverf voor de grondlaag, waarop een afwerkingslaag van matte alcydhars op basis van zinkwit. Voor de te behouden delen werd de aanvankelijke optie om deze te voorzien van een afwerkingslaag op basis van bijenwas, na een proefuitvoering in het transept, stopgezet omwille van een te vlekkerig resultaat. Deze delen kregen uiteindelijk een matte vernislaag op basis van alcydhars. Gelet op de slechte toestand waarin het pleisterwerk door de jarenlange vochtinwerking verkeerde, dienden grote delen gans te worden hernomen. Daarenboven bleek veel van het nog aanwezige schilderwerk bij het voorbereidend afwassen totaal te verpoederen, wat aanleiding gaf tot meerwerken ten overstaan van de raming. Samengevat kan worden gesteld dat in het schip de vlakke delen met imitatie-voegwerk vrijwel volledig dienden te worden herschilderd. Ook in de dwarsbeuken was de herschildering vrijwel totaal, vooral dan aan de westzijde. Gelet op het probleem van het grondvocht is de sokkelbeschildering met damast-imitatie over de ganse kerkomtrek hernomen tot op een hoogte van ongeveer 1,20 meter. Voor de koorpartijen was hiermee dan ook de belangrijkste ingreep gerealiseerd: de rest beperkte zich tot retouches en een afwerkende beschermlaag. De belangrijke figuratieve partijen bijvoorbeeld konden bewaard blijven. Beeldhouwwerken en meubilair werden ontstoft en geboend. Enkele heiligenbeelden die in de loop der jaren naar de zolder waren verhuisd, werden naar beneden gehaald en ontstoft. Heropgesteld onder vergulde baldakijnen op veelkleurige sokkels draagt hun aanwezigheid bij tot de vervollediging van dit neogotisch totaalkunstwerk.
Gelet op het probleem van het opstijgend grondvocht werd, na injectie van het metselwerk, de bepleistering hernomen tot op een hoogte van ongeveer 1.20 m over het ganse kerkgebouw. Hierop werd de sjablonenschildering van de damast-imitatie hernomen naar resterende modellen. Hierbij vertrekt men van een effen donkere ondergrond, die met krijtstrepen wordt voorzien van coördinaten, zodat de sjabloon op de juiste plaats kan worden gelegd. Sommige decoratieve motieven vereisen meerdere, verschillende sjablonen die in en naast elkaar worden verwerkt met gebruik van verschillende kleuren (foto's M. Goossens en A. Meyer)
De ziel van Elisa Verhulst kan weer rusten. Haar naar perfectie strevende geest kan weer voldoening vinden bij het aanschouwen van 'haar' kerk, die al te lang onder de aftakeling had geleden. Monumenten die door jarenlange zorg en voortdurende aandacht tot stand kwamen, zoals de kerk van Vivenkapelle, zouden te kort worden gedaan met een louter conserverende aanpak. Deze kerk diende door een restauratie te krijgen wat haar toekwam. Streven naar volmaaktheid kan slechts beantwoord worden met volmaaktheid. Enkel de verlichting wacht nu nog op eerherstel. De sfeer van koperen luchters, zoals Elisa
Verhulst en Béthune ze gezien hebben, ontbreekt hier vooralsnog. Laten wij alvast alert zijn voor de toekomst en vooral niet rusten op de lauweren van deze restauratie. Een gebouw veronderstelt een niet aflatende aandacht en een niet te stoppen onderhoud, wil men de aftakeling niet opnieuw haar vernietigende kansen geven. Ook hier handelde Elisa Verhulst naar, want zij herstelde plichtsbewust wat ze had tot stand gebracht: het hoorde bij het bestendigen van deze gerealiseerde droom. 49 M&L
Voetnoten
(1) Het neogotisch complex van Vivenkapelle kreeg reeds ruime aandacht en werd reeds uitvoerig bestudeerd. Basiswerken blijven: Van Becelaere, E. de Béthune, Boterberge, Van Cleven. Uitgangspunt voor onderhavig artikel vormden de documenten over Vivenkapelle welke in het familie-archief van ontwerper Béthune te Marke bewaard bleven; in hoofdzaak een bundel van 194 brieven welke Béthune ontving naar aanleiding van de realisatie van Vivenkapelle. Deze brieven zijn voor het overgrote deel van de hand van beschermvrouwe Elisa Verhulst, doch er zijn ook brieven van medewerkers en geestesverwanten. Zij werpen een ongewoon klaar licht op het verloop van de werkzaamheden. Wij hebben getracht deze documenten vooral te lezen vanuit bouwtechnisch en constructief oogpunt, om hieraan het verhaal van de restauraties begrijpelijker te kunnen koppelen. Tweede belangrijke bron vormde het dossier over Vivenkapelle van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) zoals dit bewaard wordt op het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. (2) Jean-Baptiste de Béthune (1821-1894), grondlegger van de neogotische beweging in ons land en mede-oprichter van de Sint-Lucasscholen. Naast Vivenkapelle behoort de abdij van Maredsous tot zijn belangrijkste creaties, zie J. Helbig en De Sint-Lucasscholen en de Neogotiek. (3) E. de Béthune p. 314. (4) Dit belet niet dat de kapel, vooral het interieur dan, onherkenbaar veranderd werd. In de sacristie van de kerk worden afbeeldingen bewaard van de kapel vóór de transformaties, gedateerd 1859. We zien een eerder barok getint interieur met een bepleisterde overwelving op gordelbogen. Béthune heeft dit totaal omgewerkt naar de stijl van de 14de eeuw. (5) Cement, in 1824 uitgevonden door J. Aspdin in Engeland. Hydraulisch bindmiddel dat ontstaat door het bij hoge temperatuur branden van klei en kalk. (6) Adrien Hubert Bressers (1835-1898), kunst- en decoratieschilder, naaste medewerker van Béthune voor de schilderwerken. Zie: De Sint-Lucasscholen de de Neogotiek, p. 343-346. (7) John Sutton (1820-1873), in Brugge wonende Engelsman, als orgelkenner betrokken bij de bouw van het orgel van Vivenkapelle. Ook met betrekking tot het orgel rijzen er problemen in verband met de beschildering. Coralie Verhulst dringt bij Béthune aan op niet-beschilderen, omdat zij de eik zo mooi vindt (brief van 13.8.1968); brieven van Bressers (gedateerd 19.8.1868) en van Martin (gedat. 17.8.1868) bepleiten daarentegen de beschildering. Merkwaardig is het antwoord van Béthune aan Martin in dit verband, waar hij stelt: "Je n'ai pas, je Ie sais bien, Ie droit de m'y opposer", en waaruit voor ons een zekere twijfel spreekt ten overstaan van de beschildering (copie van deze brief bewaard te Marke, gedat. 20.8.1868). Martin beschilderde uiteindelijk de luiken van het orgel. (8) Af te leiden uit brieven van Elisa Verhulst dd. 26.5.1873 en 19.8.1873 waarin sprake is van schilderwerken in de oude kapel. (9) Brief van 15 april 1875 van Jules Helbig aan Béthune. J. Helbig (1821-1906), kunstschilder en oudheidkundige, biograaf van Béthune, zie De Sint-Lucasscholen en de neogotiek, p. 358-359. Voor Vivenkapelle schilderde Helbig de panelen van het Philippusaltaar. Zie zelfde brief en deze van 21.4.1975, waarin de problemen in verband met de paneelbreedte besproken worden: ingevolge een verkeerde maatopgave is dit retabel te breed voor de kapel, waardoor de luiken nooit helemaal open kunnen. Helbig stelt luiken in twee delen voor. ofwel speciale scharnieren waardoor de luiken deels vóór het middendeel draaien. Ter plaatse zien we zijluiken in twee ongelijke delen. (10) Zie hierover E. de Béthune en Van Cleven. (11) Brief van 19.8.1973 van Elisa Verhulst aan Emilie de Béthune. Naar wij van afstammeling Emmanuel de Béthune mochten vernemen, borduurde barones de Béthune wel degelijk eigenM & L 50
(12)
(13)
(14)
(15)
(16)
(17)
(18)
(19) (20)
(21) (22) (23)
(24)
handig, in samenwerking met haar ongehuwde schoonzuster, Sidonie de Béthune, wier naam ook in de brieven opduikt. Emilie de Béthune-Van Outryve d'Ydewalle verzorgde overigens een belangrijke publikatie over neogotische borduurkunst, zonder auteursnaam verschenen onder de titel: 'Modèles de broderies genre moyen-age', Desclée- De Brouwer & C, Bruges-Lille, 1889-1892. Het is een publikatie in afleveringen, en bevat doorprikpatronen met motieven in neogotische stijl, op ware grootte uitgetekend op kalkpapier (gelet op het gebruiksgerichte karakter ervan, is deze publikatie uiterst zeldzaam). Zie in het handgeschreven verslag van L. Knapen omtrent de toepassing van het droogleggingssysteem, bewaard in de archieven van de kerkfabriek en gedateerd oktober 1909. Dit verslag bevat ook foto's van de beschadigingen aan het schilderwerk, welke slechts het jaar voordien zouden hernomen zijn. Bronnen: hoger vermeld verslag van L. Knapen en een handgeschreven verklaring in verband met de kostprijs van het systeem Knapen in het dossier van de KCML. Zie hierover verder meer. Arthur Verhaegen (1847-1917), belangrijk voorvechter van de neogotische beweging. Zie: De Sint-Lucasscholen en de neogotiek, p. 377-378. Elisa Verhulst overlijdt in 1903. Over het hoe van de erfenis van Vivenkapelle zie E. de Béthune, p. 319 en Boterberge. Zie: "Procédés voor de behandeling van metselwerk tegen opstijgend vocht". Technische voorlichting van het WTCB nr. 162 (1985). Het systeem Knapen werd vooral toegepast in Frankrijk (onder meer het Louvre en Versailles); in België zijn de Koninklijke Paleizen te Brussel, Laken en Oostende te vermelden. Zie: Quelqu.es Applications du Système d'Aération Différentielle Knapen, in Annales des Travaux Publics de Belgique. Bruxelles, 1914, p. 1-14. Het systeem wordt thans verdeeld door de firma Knapen-Europe, Brussel. Zie: handgeschreven tekst van L. Knapen, zie (12). Deze gleuven zijn nog steeds aanwezig, voorzien van koperen afdekplaatjes en zijn allicht de oorzaak van de kritiek als zou het systeem tocht veroorzaken. Dossier 283K in het archief van de KCML. Het betreffende rapport is 24.10.1910 gedateerd, terwijl de werken uitgevoerd werden in september 1909. Het is mede-ondertekend door Verstraete, ing. Bruggen en Wegen, L. Tyberghien, pastoor en J. Coomans, stadsarchitect te leper en briefwisselend lid van KCML. Aan dit verslag is een handgeschreven postscriptum toegevoegd met vermelding van de kostprijs van 5000,-fr.: 800,-fr studiekosten en 4.200,-fr. voor de aannemer. Reeds op 26 oktober 1908 had Knapen een lezing gehouden tijdens de algemene vergadering van de C.R.M., "Moyens de preserver les edifices contre les atteintes de l'humidité" zie : l'Emmulation, 1909, nr. 3, p. 20. Ibidem, en Bulletin des Commissions Royales d'Art en d'Archéologie, 1911, p. 29-30. De delegatie bestaat uit Lagasse de Locht, voorzitter en leden Janlet, Van Caster, Mortier en Kervyn de Lettenhove en de briefwisselende leden Van Ruymbeke en Duclos. Ibidem. Brief van 10.10.1919 op basis van het rapport van de briefwisselende leden J. Viérin en A. Duclos. Zie het verslag van architect A. Meyer in het restauratie-dossier. Ook in: "Vivenkapelle op de vooravond van de restauratie". Tentoonstellingscatalogus, Béthunianium, augustus 1980. Van Blitterswijk J.J., Materialan en Grondstoffen, Amsterdam, 1941, p. 370. Ibid, p . 432. Zie: Gebruik van bladlood voor dakbedekkingen en gevelbekledingen. Technische Voorlichting van het WTCB, nr. 169 (1987). Vermelde "gevaarlijke" houtsoorten: eik, kastanje, teak, ceder, alle houtsoorten van de acajoufamilie, pitch-pine. Let wel op de datum van publikatie zes jaar na de vaststelling in Vivenkapelle. Viollet-le-Duc, Dictionnaire de VArchitecture franqaise du KIe au XVIe siècle, dl VII, Paris, 1864, p. 210.
Juwelen van het Onze-Lieve-Vrouwebeeld. „Notre désir est de destiner a les couronnes des diamants que nous avons. J'entends par couronnes toute la garniture voulue. sceptre, globe, collier peut-être", aldus Elisa Verhulst op 12 januari 1870. Haar vrijgevigheid staat in verhouding tot haar drang naar perfectie: grenzeloos (foto O. Pauwels)
Bibliografie — Becelaere A. van. Geschiedenis van Onze-Lieve-Vrouw van Viven, Heerlijkheid, Kapel. Wonderbeeld. Proostdie, Kerk, Pastorie, Klooster, Parochie, Rousselare. J. de Meester, z.d. (1901) Deze auteur (Kortrijk 1820- Kachtem 1909) was de eerste proost en pastoor van Vyvenkapelle (1858-1875). — Bekaert G., Het epos van restauratie en verval. Onze-LieveVrouw-Geboorte en Heilige Filippuskerk, Vivenkapelle, in Landschap van Kerken. 10 eeuwen bouwen in Vlaanderen, Antwerpen-Leuven, Standaard-Davidsfonds, 1987, p. 243-251. — Béthune E. de, Vijve-kapelle. Een neogotische droom in het oosten van Brugge. Biekorf-Westvlaams Archief (9-12). 1978, p. 313-320. — Boterberge R., Geschiedenis van het kerkdorp Vivenkapelle, Vivenkapelle, 1985. — Bulletin des Commissions Royales d'Art en d'Archeologie, Brussel, 1911, p. 29-30. — Van Cleven J., De stichting Verhaegen-Verhulst in het bedevaartsoord Vivenkapelle (Damme), Vlaamse neogotiek in Europeesperspectief, in Vlaanderen, nr. 174. jg. 29 (1980), p. 22-23. — id.. Naar een herwaardering van de neogotiek in Vlaanderen? Het belang van de receptie-esthetica, in Neogotiek in Vlaanderen, Ons Heem, jg. 40 (3-4), 1986, p. 90. — id.. Neogotiek en neogotismen. De neogotiek als component van de 19de-eeuwse stijl in België, in De Sint Lucasscholen en de neogotiek 1862-1914. Kadoc-studies 5, Leuven, 1988, p. 37-39. — Devliegher L.. Beeld van het Kunstbezit, Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, dl. 1, Tielt-Den Haag, 1965, p. 99-100, foto 188. — Duclos A., Bruges, Histoire et souvenirs, Bruges, 1910, p. 251253.
— Duyck R., Baron Sir John Sutton, in De Gidsenkring, april 1886, p. 21 (over het orgel van Vivenkapelle). — Gevaert E., Le baron Béthune et son oeuvre, in Bulletin des Métiers d'Art. jg. 1, (1901), p. 11-14, p. 33 e.v. (passim). — Gilde de St.-Thomas-et-de-St.-Luc. Bulletin des séances, 18631869, Bruges, Tournai, Louvain, 1864-1871, Bulletin nr. 4, p. 40, 43, e.v. — Helbig ]., Le Baron Béthune, fondateur des écoles S. Luc: étude biographique, Lille-Bruges, 1906, p. 226-230. — Sabbe D., J.B. Béthune promotor van de neogotische beweging, in Handelingen van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk, 1979, p. 303-304. — Vandentsheyn G., Baron Béthune, Gent. A. Siffer. 1894. — Verhaegen P., in Gilde de St.-Thomas et de St.-Luc, Bulletin de la 34e reunion (31 aoüt 1900), première fase. Lille-Bruges, Desclée de Brouwer, 1901, p. 101-102. — Verpoest L.. De architectuur van de Sint-Lucasscholen: het herstel van een traditie, in De Sint-Lucasscholen en de neogotiek, Kadoc-studies 5, Leuven, 1988, p. 254-256. — Weale James W.H., Bruges et ses environs. Description des monuments, objects d'art et antiquités, Bruges, 1882, p. 223-24.. — Begin september 1990 verschijnt een nieuw werk over Vivenkapelle: Vivenkapelle-Parel van de neogotiek van Robert Boterberge (auteur) en Daniel de Kievith (fotograaf). Het boek telt 40 p., 23 kleurenfoto's en 11 zwart-wit foto's en heeft een linnen kaft met stofwikkel. Het is te bekomen door overschrijving van 695.-fr. op rek. 068-2019553-40 van "Kerkdorp Vivenkapelle", Braderieplein 16A, 8350 Vivenkapelle-Damme (verzendingskosten 75,-fr. per exemplaar vooraf te storten). Prijs: 695,-fr. na 9 september: 795,-fr. 51 M&L
De Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte en Heilige Philippuskerk te Vivenkapelle. Een kroniek van verwarming en verlichting Jos Stroobants, B.M.L.
Metalen blaker op hel uiteinde van de altaargordijnroeden van het Onze-Lieve-Vrouwaltaar (foto O. Pauwels)
Verwarming Uit het feit dat in de briefwisseling Verhulst-Béthune, waaruit aandacht voor zelfs de kleinste details blijkt, geen enkele verwijzing staat naar enige vorm van verwarming menen wij te mogen afleiden dat de Onze-Lieve-Vrouw-Geboortekerk initieel géén verwarming bezat (1). Het kan nauwelijks verwondering wekken. We weten enkel dat tijdens de winter 1960-1961 een gietijzeren kolenkachel, na lange jaren trouwe dienst, een laatste maal haar beperkt verwarmende rol vervulde (2).
Intussen had men echter reeds eind 1960 in de sacristie een electrische muurconvector geïnstalleerd, kort daarop gevolgd door vier elektrische stralingsluchters in de Onze-LieveVrouwkapel (5). Het niet toevallig samengaan van deze op haar volle sterkte gebruikte verwarming en gelijktijdige deemsteringen in het dorp vormden tijdelijk een merkwaardige comfortverschuiving. Hieraan werd echter spoedig verholpen door het bijplaatsen van een kabine naast het broederklooster.
Omwille van die beperktheid en met waarschijnlijk het vertrek van de broeders als bijkomend argument (3) — het daags voordien aansteken van de kachel en geregeld bijvullen was één van de taken van de broederkoster — werd deze kolenkachel eind 1961 vervangen door mobiele gasstralers op butaangas. Hiermee eindigde een nauwelijks verwarmde eeuw en begon een kwarteeuw verwarmingsperikelen.
Het bevredigend verwarmingsresultaat in de Onze-LieveVrouwkapel, maar ook het funest effect van de gasverbranding op het orgel leidden in 1967 tot het verdwijnen van de ambulante gasstralers en de uitbreiding van de elektrische stralingsverwarming: zes stralingsluchters in de scheibogen tussen de hoofdbeuk en de zijbeuken — behalve in de twee meest westelijke scheibogen — evenals twee toestellen in de vieringsbogen van het transept. Gelijktijdig bracht men onder de afzaten van de ramen in de zijbeuken ook elektrische lijnverwarmers aan teneinde te verhelpen aan de door koudeval veroorzaakte tocht.
Tijdens de daaropvolgende vijfjaar ondervond men in Vivenkapelle aan den lijve dat de verbranding van gas niet enkel koolstofdioxyde maar ook aanzienlijke hoeveelheden waterdamp vrijgeeft. Het orgel was hierbij zeker niet de minst benadeelde partij (4).
De verwachting van ongestoord genot van de onmiskenbare voordelen die men van deze elektrificatie toch wel mocht verhopen, werd echter nogmaals doorkruist door technische problemen: de te krappe dimensionering van de elektrische leidingen binnen het kerkgebouw deed deze gevaarlijk
M&L 52
Een oorspronkelijke, gedreven koperen hangarmatuur waarbij de onderste ring de eigenlijke quinquetlamp bevatte. Detail: datering op middenkroon van de koperen hangarmatuur (Privé verzameling, foto's O. Pauwels)
Metalen wandblaker met gekanteelde vetvanger (foto O. Pauwels) 53 M&L
opwarmen — tot smeltverschijnselen toe — en bij het aanzetten van de klokken sloegen de zekeringen door. Ook gemor over koude voeten en "verschroeide" (sic) hoofden was niet uit de lucht. Aanpassen van de leidingen, corrigeren van de ophanghoogte van de luchters en vloertapijten vormden hoogstwaarschijnlijk een haalbare bijsturing ware het niet dat men de elektrische verwarmingsinstallatie op dat ogenblik reeds duidelijk geen krediet meer gunde. Vivenkapelle bekloeg zich haar „progressief verwarmingsavontuur" en droomde weldra luidop van een warmeluchtverwarming. In 1971 werd de aanvraag in die zin van de kerkfabriek principieel aanvaard door de hogere overheid, waarna onmiddellijk een ontwerper werd aangesteld. Hierbij verwachtte men ten onrechte van de toekomstige installatie dat zij de van oudsher zeer vochtige kerk zou droogstoken: een gevaarlijke illusie (6). De hoge en langdurige temperaturen — op zich reeds een bedreiging voor orgel, meubilair en gebouw — zouden de cyclus van kapillariteitswerking, verdamping en zoutkristallisatie enkel maar intensifiëren met alle nefaste gevolgen vandien voor één van de in zijn genre belangrijkste geschilderde dekoraties in Vlaanderen. Men kon daarentegen wèl een heilzaam effect verwachten van horizontale sperlagen in de muren die de vochttoevoer — en al zijn kwalijke bijverschijnselen — definitief zouden afsnijden, met andere woorden de wortel van het kwaad aanpakken (7). Deze evolutie naar een warmeluchtinstallatie werd bovendien bijna fataal voor het tot dan quasi intact bewaard kerkinterieur. Men bleek immers geneigd te zijn de Sint-Philippuskapel op te offeren: het altaar met bijhorend retabel zou de plaats ruimen voor een stookketel (8). Een samenspel van omstandigheden verhinderde echter de uitvoering van dit plan: administratieve verwikkelingen, inertie in afwachting van de nakende gemeentefusies (9) en, jawel, de nakende bescherming van het neogotische Vivenkapellecomplex. Een bescherming als monument impliceert immers een ruimer subsidieerbaar dossier, een argument en gedachtenkronk die reeds menig monument behoorlijk parten hebben gespeeld. Met het Koninklijk Besluit van 7 juli 1975 werd de bescherming een feit. De administratieve beslommeringen stapelden zich nu zienderogen op (10). Men plande ondertussen de stookketel in een bestaande berging met een voor de vormgeving van het bovendakse schouwgedeelte algemeen gedeelde bezorgdheid die we niet terugvinden in de vroegere discussie in verband met de Sint-Philippuskapel. Sindsdien zijn de prioriteitsaccenten inzake exterieur en interieur gelukkig evenwichtiger geworden. Een en ander liet beslist de speekwoordelijke lange baan vermoeden en het werd de kerkfabriek duidelijk teveel: begin 1977 werd een op propaangas gestookte warmeluchtgenerator in okkasie aangekocht, tegen de westelijke muur van de noordelijke zijbeuk geplaatst en prompt in gebruik genomen. Gedurende jaren zouden de verbrandingsgassen vrijelijk circuleren binnen de kerkruimte... "Vhistoire se répète"\ Hieraan werd slechts in 1985 verholpen toen men de installatie — met het oog op een efficiëntere warmteverdeling boven de doopvont verhief. Eind 1980 startten de restauratiewerken. Een aparte faze binnen het globale restauratiedossier voorzag de installatie van in kuilen geplaatste ventilocon vectoren, hetgeen gebeurde in 1988. Het gevaar van een dergelijke ruimteverwarming voor orgel, meubilair en gebouw is genoegzaam bekend maar is des te acuter voor een kerk met een dermate vochtig verleden. In 1987 poogde het Bestuur voor Monumenten en Landschappen vooralsnog deze — overigens jaren daarvoor ook door haar gunstig geadviseerde — ruimteverwarming naar een personen verwarming om te buigen. Lang aanslepende dossiers verouderen inhoudelijk — inzichten evolueren en technieken verbeteren — zodat actualisatie
• •
M&L 54
Elektrische stralingsluchter — met centraal verlichtingsplint — in de kruising van het noordelijk transept en elektrische lijnverwarmer onder het raam in de zijbeuk. Duidelijk zichtbare vernietigende sporen van in elkaar versmeltend opstijgend grondvocht en doorslaand regenwater (foto A. Meyer)
zeker geen overbodige luxe is. De herinnering aan de voorbije "lijdensweg" deed echter deze actualisatiepoging stranden op de — in die context enigzins begrijpelijke maar niettemin spijtige — weigering van de Algemene Technische Diensten van de Vlaamse Gemeenschap en van de Stad Damme (11). De begripsvolle en positieve ingesteldheid van de betrokken kerkverantwoordelijken liet nochtans beter verhopen (12). Wij vermoeden dat deze overigens technisch wel doordachte installatie — maar uitvloeisel van de hedendaagse veeleisende comfortmentaliteit — niet het einde betekent van de verwarmingsperikelen in Vivenkapelle.
Verlichting In een brief van 27 september 1871 vinden we voor het eerst vermelding van de toekomstige verlichting van de kerk. Elisa Verhulst verzocht Béthune namelijk om informatie betreffende vorm en versiering van de lampen voor de Onze-LieveVrouwkapel — "... soit lampes simples, soit couronnets de cuivre" — alsook de manier van ophanging die zodanig moet zijn "qu'aussi rien ne soit détérioré plus tard a la peinture" (13). Twee jaar later herhaalt zij deze vraag voor de verlichting van de kerk in het algemeen: "... Ie genre de branches ou autre chose a adopter pour le luminaire de VEglise est un autre point important qui se présente, dont une solution pratique est urgente" (14),
Waar voornoemde brief van 1871 nog geen informatie geef over de aard van "les lampes" en de uitdrukking "Ie luminaire" in de brief van oktober 1873 reeds een keuze doet vermoeden, laat de brief van 6 oktober 1874 hierover geen twijfel meer bestaan: "... deux suspensions de la lumière a quinquets " in het transept, soortgelijke ophangingen het jaar voordien aan de houten trekbalken van het koor en het eventueel gebruik van armen voor de "quinquets" in het koor (15). De benaming "quinquet" (16) wijst hier op het gebruik van petroleumlampen dat slechts ingang vond vanaf ongeveer 1864-1865 (17) zodat we kunnen veronderstellen dat de kort na de ingebruikname van de kerk opgang makende petroleumverlichting aanleiding gaf tot dit toch wel laattijdig informeren in verband met nochtans elementair comfort. Bestaand fotomateriaal (18) geeft ons een duidelijk beeld van deze "suspensions" in gedreven koper: een centrale kroon, met hierin een opaalglazen kap die door drie kettingen verbonden is met een kleinere onderkroon die de eigenlijke "quinquet" bevat, evenals met een klein bovenkroontje, het geheel opgehangen door een "staaf en schakel"-verhinding. Vermoedelijk diende het bovenkroontje voor het opvangen van rook en walm teneinde zoveel mogelijk de bovenliggende beschilderde vlakken te vrijwaren (19). Vermoedelijke ophangingsplaatsen van dergelijke "suspensions" waren: in de scheibogen tussen zijbeuken en hoofdbeuken (20), in de kruisingbogen van het transept (21), twee aan de meest westelijke trekbalk in het hoogkoor (22) en twee aan de oostelijke trekbalk in de Onze-Lieve-Vrouwkapel (met eventueel een derde aan de andere trekbalk) (23). Tot de oorspronkelijke kaarsverlichting zouden onder andere kunnen behoren: de negen eenvoudige metalen kaarsenhouders met gekanteelde vetvangers tussen de ramen in de zijbeuken en tegen de westelijke halfpijlers tussen hoofdbeuk en zijbeuken, twee soortgelijke armaturen langs beide zijden van het hoogaltaar, evenals diverse houten en metalen kandelaars.
De eveneens gekanteelde kaarsenhouders op de uiteinden van de altaargordijnroeden in het hoogkoor en in de OnzeLieve-Vrouwkapel worden gedateerd door hun respectievelijke altaren: 1866-1867 voor het hoogaltaar en 1868 voor het Onze-Lieve-Vrouwaltaar (24). In haar brief van 21 januari 1874 vermeldt Elisa Verhulst expliciet de koperen kaarsenhouders op het koorscherm: "... les chandeliers peuvent être faits chez Mr. Bourdon, de maniere d ce qu'ils puissent se detacher du bois pour être nettoyés". Of hoe deze typisch vrouwelijke praktische zin mede leidt tot volmaaktheid. Een overgang van petroleum- naar gasverlichting, zoals die dikwijls gebeurde in stedelijke kerken, gebeurde hier niet wegens het ontbreken van een gasdistributienet, een haast exclusief stedelijk privilege ("stadsgas"). Rond 1935 werd Vivenkapelle aangesloten op het elektriciteitsdistributienet (25). Vermoedelijk werd de kerk kort daarna electrisch verlicht. De koperen armaturen bleven nog een aantal jaren hangen zonder quinquets (26) waarna men ze in de loop van de Tweede Wereldoorlog verwijderde en verkocht (27). Enkel de godslamp in het hoogkoor werd bewaard uit hoofde van haar sacrale betekenis. De huidige verlichting — wij denken hier vooral aan de batterijen spots bovenop de kapitelen van de pijlers in het kerkschip — dient ons insziens noch de esthetiek van het interieur noch de spirituele beleving ervan. Eenvoudige hangarmaturen met bescheiden lichtsterkte en opgehangen in de scheibogen zouden hier een nochtans eenvoudige en voor de hand liggende oplossing geweest zijn. Ook hier had het bijsturen van een stoffig advies de Onze-Lieve-Vrouwgeboortekerk van Vivenkapelle nog dichter bij haar oorspronkelijke volmaaktheid kunnen brengen.
Voetnoten
Het interieur vóór 1906 met links en rechts in de scheibogen opgehangen quinquetluchters (foto naar J. Helbig)
(1) Met dank aan mijn collega Miek Goossens die mij de resultaten van haar studie van de briefwisseling tussen Elisa Verhulst en Béthune uit het familiearchief Béthune te Marke ter beschikking stelde. (2) Deze kachel stond in de middenbeuk tegen de tweede pijler vanaf het transept aan de "wönnen"-(zuid)kant. (3) De broeders Van Dale verlieten in 1960 definitief Vivenkapelle. (4) Tijdens een eerste nazicht van het te herstellen orgel in 1964 maakte orgelbouwer Anneessens er E.H. pastoor Van Voren op attent dat het gebruik van de gasstralers sterke vochtafzetting veroorzaakte op het orgel. Volgens hem was enkel het gebruik van elektrische verwarming een aanvaardbare oplossing (informatie E.H. Van Voren). (5) Vanaf ongeveer 1960 tot het einde van de jaren 1970 rustte de firma Flandria uit Schellebelle heel wat Vlaamse kerken uit met deze — nu nog sporadisch aan te treffen — elektrische straalverwarming: luchters met zilverkleurige ronde metalen kap aan ophangstaaf en cirkelvormige weerstanden met een centraal verlichtingspunt in combinatie. Dit model bleef gedurende deze twintig jaar ongewijzigd, behoudens een vermindering van vermogen van 4 naar 3,7 kilowatt/uur. Onder andere in volgende gemeente werd deze kerkverwarming geïnstalleerd: Schellebelle, Zele (Durmen), Zele (Avermaet), Zedelgem, Laarne, Lapscheure, Wetteren-Kwatrecht, Heusden, Boekhoute, Maldegem-Donk, Loppem, Ruiselede-Doomkerke, Waardamme, Waterland-Oudeman, Mariakerke (Gent), Meigem, Vinderhoute, Lemberge... (informatie firma Flandria te Schellebelle). 55 M&L
(6) "... en men dacht dat met het inbrengen van een verwarming de oplossing voor het droogleggen zou gevonden zijn. Niets is minder waar want door de plotse omschakeling zou men de afbraak nog bespoedigen. De nadelige vochtigheidsgraad hierdoor ontstaan zou scheuren en barsten veroorzaken in het houtwerk, waarvan de kerk zo rijk voorzien is, of in de andere onderdelen van de constructie", architect A. Meyer in de catalogus van de in 1980 door de v.z.w. Béthunianum georganiseerde tentoonstelling Vivenkapelle op de vooravond van de restauratie, p. 9. (7) Zoals trouwens tijdens de restauratiewerken gebeurde. (8) Ook de familie Verhaegen gaf — waarschijnlijk niet zonder pijn in het hart — haar moreel fiat aan deze schijnbaar onontkoombare ontluistering. Zij vroeg dat het Sint-Philippusretabel een nieuwe plaats zou krijgen in het Noordtransept, namelijk tegen het muurvlak tussen het raam en de biechtstoel (informatie E.H. Van Voren). (9) Verwacht werd dat Vivenkapelle uit de Brugse mand in de Damse korf zou belanden (hetgeen geschiedde). (10) Voor meer details zie de bijdrage van architect A. Meyer in de tentoonstellingscatalogus o.c. (11) De weigering van de Algemene Technische Diensten bevatte ook de dreiging van het mogelijk schrappen van de overheidssubsidie voor deze fase. Dit vormde voor de stad Damme een bijkomend probleem: het zelf bekostigen van een weliswaar meer dan de helft goedkoper personenverwarmingsaltematief. De stad Damme weigerde dan ook, teneinde geen precedenten te scheppen voor haar andere kerken. (12) De kerkfabriek had reeds afspraken gemaakt voor een proefopstelling van infraroodverwarming op basis van halogeenlampen, één van de beschikbare alternatieven inzake personenverwarming. (13) Marke, Familiearchief Béthune. (14) Marke, Familiearchief Béthune. Brief van E. Verhulst aan Béthune van 28 oktober 1873. (15) Over de eventuele installatie van muurquinquets zoals hier wordt gesuggereerd vonden we geen verdere informatie. (16) Door de Zwitser Ami Argand in 1783 gepatenteerde olielamp en verkeerdelijk toegeschreven aan de Fransman Quinquet. Deze olielamp had een verhoogd oliereservoir waardoor de olie door zwaartekracht naar de
M&L 56
(17) (18) (19) (20) (21) (22)
(23) (24) (25)
(26) (27)
cirkelvormige wiek zakte die samen met een glazen koker voor een dubbele luchtaanzuiging en dus ook een betere verbranding zorgde. Zie onder andere Thornton P., Authentic Decor, The domestic interior 1620-1920, London (1985), p. 157 en Manuels-Roret, Nouveau Manuel complet de l'éclairage et du chauffage au gaz. Paris (1899). Devogelaere A., Van gaslamp tot gloeilicht, DNB/uitgeverij Pelckmans, Kapellen (1987), p. 19. Boterberghe R., Geschiedenis van het kerkdorp Vivenkapelle, Vivenkapelle (1985), foto nr. 17, p. 56 en foto nr. 18, p. 60. Myers P., Gaslighting in America, A Guide for Historie Preservation, Washington (1978), p. 131. Zie foto's o.c. in voetnoot (18). Zie foto's o.c, en vermelding van twee "suspensions" in het transept in de brief van E. Verhulst aan Béthune van 6 oktober 1874, Marke, Familiearchief Béthune. In de trekbalk bevinden zich twee paar metalen ogen die eenzelfde vorkophanging als van de nu nog aanwezige godslamp aan de middenste trekbalk doen vermoeden. Aanwezigheid van metalen ogen. Boterberghe R., o.c, p. 57 en 58. Tot dan gebruikte men voor de verlichting in het dorp onder andere acetyleengas ("Carbure") dat per woning werd geproduceerd en met dunne loden leidingen over de kamers verdeeld (informatie F. Dousselaere). Zie ook Larousse Ménager lllustré. Paris (1926), p. 14-17. Boterberge R., Tentoonstellingscatalogus o.c, foto nr. 18. Een aantal armaturen zouden heden nog in het bezit zijn van inwoners van Vivenkapelle en omliggende. Zou het misschien nog mogelijk zijn dat...? Wij danken in het bijzonder E.H. V. Van Voren, pastoor te Vivenkapelle van 1959 tot 1972, voor zijn gedetailleerd "ooggetuigenverslag". Tevens danken wij ook de heren F. Dousselaere, schepen van de gemeente Damme. A. Meyer, architect-ontwerper van het restauratiedossier van het Vivenkapellecomplex, M. Teerlynck, voorzitter van de kerkfabriek van Vivenkapelle en G. De Mey, sectoroverste Ebes, evenals de firma Flandria te Schellebelle.
De Kartonfabriek Winderickx of Herisemmolen
(foto O. Pauwels)
Gisèle Gantois (1)
De vallei van de Molenbeek mag zonder meer beschouwd Belgische papiernijverheid, een ambachtelijke industrie die geografische profiel van de streek tussen Zenne en Zoniën, was uiterst geschikt voor de inplanting van watermolens, in
worden als de bakermat van de in de 16de eeuw opbloeide. Het met zijn snel stromende beekjes casu papiermolens.
Ten zuiden van Brussel, op de grens van de gemeenten Alsemberg en Dworp, bereikt men langs de Alsembergsesteenweg één van de mooiste Brabantse industriële sites, waarvan de gebouwen en het omringende landschap sinds 1763 eigendom zijn van de familie Winderickx. De Fabrieksstraat — te herkennen aan het kapelletje op de hoek, gebouwd ter bestrijding van de pestepidemie in 1863 — leidt naar de gebouwen in rode baksteen van diverse formaten, in Vlaams verband gemetseld. In de diepte ligt het gesloten 19de-eeuwse gebouwencomplex: links de smidse, het oude koetshuis, de stallingen en de schuur; rechts het woonhuis, de hoeve en de gebouwen van de kartonfabriek aan weerszijden van de Molenbeek, zijtak van de Zenne. De ligging van de fabriek verbindt haar ontegensprekelijk met de topografische en hydrografische gegevens van het landschap. Het geheel straalt een grote rust uit. Vandaag wordt enkel nog gewerkt op de hoeve. Een halve eeuw geleden bruiste het nog overal van activiteit, daar in deze gebouwen één van de belangrijkste papier- en later kartonfabrieken was ondergebracht. Nu nog getuigen de machines van dit actief verleden. 57 M&L
Historische situering Om het concept van de Herisemsite beter te begrijpen is het noodzakelijk de ontwikkelingsgeschiedenis te schetsen en de verschillende invloedsfactoren af te lijnen in de tijd. De voormalige kartonfabriek kan onmogelijk los gezien worden van de hoeve en het woonhuis, daar zij steeds door dezelfde eigenaar werden geëxploiteerd. Onvermijdelijk is er een voortdurende interactie geweest tussen het landbouwbedrijf en de papierkartonmolen. We krijgen dan ook een beeld van een industrie, gevestigd buiten het stedelijk centrum, waar de effecten van de industriële revolutie anders werden opgevangen. In tegenstelling tot overige papiermolens uit het centrum van Brabant kon tot op heden nog niemand de hand leggen op de oprichtingsakte van de Herisemmolen. Een goederenstaat opgemaakt ten behoeve van de kerk van Alsemberg, bevat het oudst gekende gegeven. In de kantlijn van dit boek, opgesteld in 1532, wordt melding gemaakt van een stuk grond gelegen onder de parochie van Dworp "daer tegenwoordigh den papiermoelen opstadt". Deze niet-gedateerde vermelding geeft verder geen beschrijving van het molengebouw, noch van zijn omgeving. Aan de hand van een paar door C. Theys in zijn Geschiedenis van Alsemberg fragmentarisch geciteerde teksten, is het mogelijk een bovengrens te bepalen voor de oprichting van de Herisemmolen. Aangezien de molen in 1571 en 1572 reeds in aktes gebruikt werd als referentiepunt voor goederenbeschrijvingen, moet de papiermolen reeds enige tijd bestaan hebben vóór 1571.
Het Winderickxcomplex in 1SS2. De Jolu werd genomen na voltooiing van de ruwbouwwerken van de grote droogzaal. In de zijgevel (rechts van het raam) is de opening zichtbaar waardoor de droogplaten werden binnengebracht. Het dak van de droogzaal zal gewijzigd worden na de brand van 1922 (archieffoto, privé-bezit) M&L 58
De Herisemmolen behoort dan ook duidelijk tot de tweede generatie papiermolens die opgericht werden in het centrum van Brabant, als gevolg van de expansie van het papierverwerkend bedrijf in de stad Brussel. Het archiefmateriaal voor de 17de eeuw is vrij schaars. Tot hiertoe werden geen iconografische stukken gevonden over de goederen die toebehoorden aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Alsemberg, de grondeigenaar van het molengoed. In 1621 wordt wèl volgende beschrijving gegeven: "... eenenpapiermolen .... mette huys ende ses backen met 5 dagwand haverweyde aen den molen". Vergeleken met andere papiermolens uit de streek, waar steeds sprake is van "vier backen" was de Herisemmolen duidelijk één van de betere papiermolens uit de streek ten zuiden van Brussel. De enige andere belangrijke archiefbron van vóór 1700 is een schepenverslag, opgesteld in 1686. Hierin staat dat er te Dworp vijf papiermolens bestonden waarvan de hoogst getaxeerde, de Herisemmolen, toebehoorde aan Francis van den Bosch. Over de interpretatie van deze tekst is men het niet altijd eens. Sommigen menen uit de beschrijving te mogen afleiden dat de watermolen, zoals de andere gebouwen in Dworp, opgetrokken was uit leem. Uit iconografisch materiaal over andere watermolens uit de streek blijkt volgens anderen het tegendeel. De watermolen van Zevenbronnen was in de 17de eeuw reeds een bakstenen gebouw, afgedekt met dakpannen. Deze bouwmaterialen zijn verantwoord daar de erosiekracht van het water te sterk de lemen vakwerkbouw zou aantasten. De taxatiecijfers zelf, vergelijkbaar met die van de andere stenen gebouwen te Dworp, leveren een bewijs dat de watermolens van bij de aanvang opgetrokken waren uit duurzaam materiaal. Rekening houdend met deze vaststelling en steunend op mondelinge overlevering werd gezocht naar sporen van deze oudste papiermolen binnen de huidige site. Wellicht gaat het om gebouw 8, op de opmetingsplannen gelegen op de rechter oever van de Molenbeek, en voor een groot stuk opgetrokken uit bruine ijzerzandsteen. Deze natuursteen werd lokaal ontgonnen op een plaats die vandaag nog de naam draagt van Bruineput. In nog andere oude gebouwen te Dworp werd dezelfde steensoort gebruikt, bijvoorbeeld bij de bouw van de Sint-Gorikkerk die in het begin van deze eeuw werd gesloopt. Voor de 18de eeuw zijn volgende twee data belangrijk. In het bedrijfsarchief is een eerste vermelding te vinden uit 1749, toen aan de bevoegde overheid werd gevraagd wijzigingen goed te keuren aan het waterwerk van de papiermolen, echter zonder een beschrijving van de veranderingen. In 1778 werd nogmaals toestemming gevraagd om de watertoevoer aan de molen te wijzigen. In een notitieboekje van Gillis Winderickx, de toenmalige eigenaar, staat vermeld dat op de papiermolen een tweede papierschepkuip werd geplaatst. Daar deze uitbreiding gebeurde volgens het traditioneel principe, bleek de beschikbare bedrijfsruimte al snel ontoereikend. Daarom werd in 1819 gebouw 10 opgetrokken, aanleunend bij het oudste molengebouw.
Bouwevolutie 1. nr. 8 is wellicht het oudste gebouw op het site (bouwdatum onbekend). De delen in ijzerhoudende zandsteen zijn waarschijnlijk afkomstig van de oorspronkelijke 17de-eeuwse papiermolen. 1802: bouw van het woonhuis 2. nr. 10:1819. In 1843 wijziging van de droogzoldervensters aankoop nieuwe machines • plaatsen tweede waterwiel 1847: plaatsen graanmolen 3. 1849: bouw van de grote schuur 1858: invoeren van kartonfabrikage 4. 1862: bouw van brug over de Molenbeek Na 1862-vóór 1874: bouw van smidse 1874: nieuwe droogzaal aanleunend tegen de smidse
1877: saniteerinstallatie geplaatst in (nieuwbouw) 13-14 Groot gedeelte van de Molenbeek en de Leuzebeek wordt overwelfd 1882: bijkomend gedeelte van 9,5 meter wordt overwelfd 1877-1882: plaatsen van een kartonmechaniek in nieuwbouw nr. 12 5. 1882: nrs 16,18,19 en 4 herbergen de stoominstallatie (schouw) 6. 1883: nieuwe hollanderkuip in nieuwbouw nr. 11, mits overwelving Molenbeek 1894: Plaatsen van een nieuwe stoommachine in gebouw nr. 20 1895-1898: aankoop nieuwe machines (molleton in nr. 5, lompentrommel in nr. 2, derde hollanderkuip in nr. 1, derde kanonmechaniek in nr. 10) en bouw van droogruimte nr. 22 en opslag kalk nr. 3
59 M&L
De bouwstijl en -technieken zijn identiek aan deze die voorheen op de site werden gebruikt; de funderingen zijn opgetrokken uit natuursteen. Typisch zijn de puntgevels afgewerkt met vlechtverband. Het gebouw heeft een verdieping welke oorspronkelijk gebruikt werd voor het drogen van papier en daartoe zoals het oudste gedeelte uitgerust was met vensteropeningen voorzien van lattenrasters. Een globaal beeld van de toenmalige Herisemsite geeft ons de Ferrariskaart (1780), het oudste iconografisch document van de site. Het complex bestond toen uit drie gebouwen die duidelijk in een los verband stonden ten opzichte van elkaar, met de papiermolen tegen de beek. Bij de opmaak van de kaart was de uitbreiding van de papiermolen nog niet verwezenlijkt. De twee andere gebouwen kunnen vereenzelvigd worden met het woonhuis, beschreven in een overdrachtsakte van 1763 en het Hof te Callewaert. Deze laatste twee gebouwen verdwenen toen in 1802 Gillis Winderickx een nieuw woonhuis en stallingen liet bouwen. Een foto van 1882 toont dit woonhuis vóór de latere transformatie.
Gebouw 1 (oorspronkelijk voor kolenopslag, later stal) en achterliggend de grote droogzaal (gebouw 4) met schouw, vanuit het zuiden (foto O. Pauwels)
Wat betreft de belangrijkste ontwikkelingsfaze van het bedrijf in de 19de eeuw zijn de gegevens veel overvloediger, daar we beschikken over een groot gedeelte van het bedrijfsarchief. Een eerste ingrijpende wijziging werd doorgevoerd in 1837 toen de provincie instemde met het aanleggen van een nieuwe bedding voor de Molenbeek. Hierdoor werd het waterniveau aan de molen met 3,25
meter verhoogd ten opzichte van vroeger. Deze ingreep maakte het mogelijk om te Herisem gebruik te maken van bovenslag-waterwielen. De kinetische energie van de waterloop werd ingeruild voor de potentiële energie van de waterstroom. Deze omschakeling betekende een gevoelige verhoging van het wezenlijk aandrijvingsvermogen; daardoor kon de papiermolen een derde productiekuip in gebruik nemen, samen met een hollanderkuip ter vervanging van de stamper. Binnen de papiermolen heeft dit aanleiding gegeven tot belangrijke wijzigingen in het vloerniveau en de transmissiemechanismen. Latere verbouwingen hebben echter veel sporen laten verdwijnen. Het kadasterplan van Philippe Vandermaelen (1838) voor de gemeente Dworp toont de twee aaneengesloten gebouwen van de papiermolen met een oppervlakte van 2,5 are. Bij de inventarisatie onder Dworp is enkel sprake van een fabriek, gelegen sectie D, perceel 112a, met als eigenaar Franciscus Winderickx. Het vroegere woonhuis, aangegeven op de Ferrariskaart, is reeds geheel verdwenen.
Gebouw 8 waarvan de ijzerzandstenen onderbouw het oudste resterende gedeelte vormt van de Herisemmolen (foto O. Pauwels) • • • • •
M&L 60
Van de oude ambachtelijke papierproduktie vóór de eerste vorm van industrialisering bleef enkel de rootput over in gebouw 8. Uit de periode van vóór 1860, toen men hoofdzakelijk handgeschepte produkten maakte, zijn enkele machines overgebleven die geïntegreerd werden in de latere ontwikkelingsfazen van het bedrijf, namelijk een kollergang (B) en een hollanderkuip (C). Uit het bedrijfsarchief blijkt dat deze machines werden geplaatst in 1837. Een andere machine, "de duvel" (A) genoemd, dateert ongeveer van dezelfde periode (1843). De grote hoeveelheid hout verwerkt in deze machine geeft aan dat zij waarschijnlijk een creatie is van de preïndustriële periode van de molen. Als gevolg van
de industrialisatie werd hout in de machinebouw stilaan vervangen door ijzer. De wat vreemde opstelling van deze machines in gebouw 10 verraadt nog gedeeltelijk de vroegere uitrusting met stampkuipen. Het is duidelijk dat deze opstelling tijdens latere transformaties sterke wijzigingen heeft ondergaan. De actuele oprichting dateert uit 1873, toen het gebouw zijn huidig uitzicht verkreeg. Bij het plaatsen van de machines diende rekening gehouden te worden met twee factoren. Ten eerste gebeurde de aandrijving centraal door het waterwiel. Krachtverspilling door lange transmissies moest voorkomen worden door de machines te concentreren. Ten tweede moest de continuïteit in de produktie en het transport verzekerd worden door de machines als een ketting te schakelen.
brandgevaar te beperken. De grotere hoeveelheid afgewerkt produkt en een breder gamma van hoger kwaliteitspapier noodzaakten een grotere aandacht voor de eindfaze in de produktie, namelijk de opslag, de verpakking en de verzending. Een ander gebouw dat aanleunt tegen de drogerij deed sinds zijn oprichting dienst als wagenremise, schrijnwerkerij en opslagplaats. De verdieping werd ingericht als droogzaal voor papier, hiertoe uitgerust met de klassieke lattenroosters. In 1843 werd met toestemming van de Provincie een tweede waterwiel geplaatst. Dit was het startsein voor de mechanisering van de lompenbewerking. Een reinigings-, snij- en sorteermachine (a, b) werd daartoe geplaatst op de bovenverdieping van gebouw 10 ten koste van de droogruimte die overgebracht werd naar een nieuwbouw. De vensteropeningen werden verkleind en gietijzeren ramen vervingen de houten lattenroosters. In het bedrijfsarchief werden er sporen gevonden over de uitbating van een graanmolen te Herisem vóór 1847. Deze werd vrij on-economisch ingeplant in het papierbedrijf in de nabijheid van de waterwielen. De zware economische crisis waarin ons land op dat ogenblik was terecht gekomen, zette de uitbater van de papiermolen ertoe aan het accent te verleggen op de uitbating van zijn landbouwbedrijf, om zo in te staan voor het levensonderhoud.
De produktiestijging als gevolg van de plaatsing van een derde schepkuip maakte ook op andere produktieniveau's aanpassingen noodzakelijk. In een eerste stadium werd gezocht naar uitbreiding van de beschikbare droogruimte. Aangezien er geen nieuw gebouw werd opgetrokken voor het onderbrengen van de derde produktiekuip was het niet mogelijk om zoals voorheen gebruik te maken van de verdieping. De combinatie papiermolen - hoeve maakte dat de beschikbare ruimte voor uitbreiding beperkt was. Men moest dus een compromis sluiten. Daartoe werd in 1840 — zoals gegrift staat in de balk van een nokstructuur — een gebouw opgericht, kleiner dan de vorige droogzalen, waar papier werd gedroogd door middel van kolenvuren. Het werd opgetrokken op veilige afstand van de overige om het
^I^T
^^^^
^^^*
•••P
WHi^B
• • •
Bij de aanvang van de economische crisis van 18471848 was de uitrusting van de Herisemmolen vrij verouderd in vergelijking met de meest performante Belgische papierfabrieken die toen reeds beschikten
-MHW
•••i
• • •
Inplantingsplan van de machines a. b. c. d. e. ƒ. g. h.
"duvel" (mechanische trieer taf el wasbak molleton hollanderkuip deegbak "mastellenpomp" mechaniek
snijmachine)
i. pers j . satineermachine k. snijmachine l. droogplaten x. stoomketel x'. stoommachine y. watermolen
61 M&L
Kartonpers (i) Uit het onderzoek van het archief is gebleken dat de hydraulische kartonpers in gebruik werd genomen in 1877. Deze pers bestaat enerzijds uit het persblok en anderzijds uit de pomp die instaat voor het leveren van de nodige druk voor het opstuwen van de zuiger. Het is noch uit de configuratie van de machine noch uit hun opstelling in het bedrijf duidelijk of de mechanische pers ouder is dan de hydraulische. Doorgedreven archiefonderzoek heeft uitgewezen dat de papiermolen destijds uitgerust was met drie papierpersen van het type zoals ze beschreven zijn in diverse werken over de oude papiermolens in binnen- en buitenland. Na de invoering van de kartonmechaniek werd een persvijs van een van de persen verkocht aan een concurrent papiermaker te Dworp. Vermoedelijk is de mechanische pers nog een overblijfsel uit de papiermolen. Toen nieuwe aandrijvingsmechanismen in gebruik werden genomen, werd de mechanische pers wel omgebouwd, zodat het aanspannen kon gebeuren met behulp van de stoommachine. Volgens informatie ingewonnen bij de vroegere eigenaar raakte de mechanische pers na de Eerste Wereldoorlog in onbruik. De hydraulische pers had een veel hogere drukcapaciteit waardoor ze meer water kon verwijderen. Dit bracht een belangrijke verkorting van de droogtijd met zich. We kunnen dan ook stellen dat de hydraulische pers een modernisering vormde van de mechanische pers.
Mechanische pers (i) Deze pers is gebouwd op hetzelfde principe als de oude handpersen die zich in de middeleeuwse papiermolens bevinden. Het zware houten stel is evenwel reeds vervangen door gietijzeren staanders waartussen de persplaat op en neer kan bewegen. Het persblad wordt naar beneden gedrukt door middel van een zware schoef. Deze wordt in beweging gebracht door middel van een tandwielmechanisme, aangedreven door de stoommachine. Het indrukwekkend aantal tandwielen dat zich naast de machine bevindt, heeft tot doel het toerental van de aandrijfas te reduceren zodat het persblad en de schroef traag draaien. Een snelle persbeweging zou bij deze tot gevolg hebben dat het geheel uit mekaar zou spatten. Daar het niet mogelijk was om met het mechanisme de pers terug in de beginstand te brengen, diende dit te gebeuren met mankracht, vandaar het manueel systeem voor de bediening van de tandwielkast. Het grote tandwiel dat zich boven het persblad bevindt, heeft houten tanden.
Hydraulische pers (i') Deze pers bestaat uit een raamwerk van vier zware gietijzeren staanders welke stevig in de bodem van de vloer zijn ingewerkt en waarop bovenaan een zwaar stootblok is aangebracht door middel van bouten. Tussen deze gietijzeren staanders wordt bij middel van een zuiger een tafel naar
nover een papiermachine aangedreven door een stoomemachine. Ten gevolge van de crisis en de heroriëntent ring van de investeringen, waardoor het zwaartepunt kwam te liggen bij het landbouwbedrijf, kwam in le deze toestand weinig verandering. In 1849 werd de te grote schuur opgetrokken die het mogelijk maakte ;n grote voorraden landbouwprodukten op te stapelen st om ze te verkopen als de marktprijzen het gunstigst waren. M&L 62
boven gestuwd onder druk van het water dat in de zuigerkamer wordt geperst. Naast de pers bevindt zich dan ook een dubbele pomp om het water in de zuigerkamer te persen. Deze pomp werd aangedreven door de stoommachine. De perskracht welke kon ontwikkeld worden, bedraagt meerdere ton. Om te voorkomen dat de pers vanwege de hoge kracht zou uit elkaar spatten, werd tegen het zware gietijzeren stootblok een tweede stootblok aangebracht uit karton. Bij het persen werd tussen de stapel kartonvellen regelmatig een stuk grove stof aangebracht. Deze stof moest ervoor zorgen dat het water dat uit de vellen werd geperst naar buiten draineerde. Dit werd opgevangen in een spaarbekken onder de pers en gebruikt voor het opstuwen van de zuiger. Het overtollige water werd via kanalen afgevoerd naar de Molenbeek. Deze machine zit grotendeels in de grond waar zich in rusttoestand de zuiger bevindt. Uit een onderzoek is gebleken dat beide machines opnieuw kunnen functioneren, rekening houdend met enkele onbekende factoren. Het is mogelijk dat het zuigsysteem van de hydraulische pers ernstig is aangetast door roest. Voor de pomp moeten heel wat nieuwe stukken op maat worden gemaakt. Daarom opteert men voor het herstel van de mechanische pers. De fundering moet waarschijnlijk vernieuwd worden daar de ondergrond door het herhaaldelijk overstromen heeft bewogen en de machine bijgevolg is verzakt.
Na de crisis hernam het papierbedrijf, maar het werd IS ggeconfronteerd met een verscherpte concurrentie van hhet machinaal papier dat de kinderschoenen was oontgroeid en vaste voet kreeg op de markt, voornamelilijk vanwege zijn aantrekkelijke prijs. De verslechterde toestand van de artisanale papiernijverheid t( ddreef de bedrijfleiding tot nieuwe beslissingen. Om uuit de impasse te geraken werd in 1858 de stap ggewaagd naar de kartonfabrikage.
In 1862 werd een brug gebouwd over de Molenbeek waardoor de kartonfabriek beter werd omsloten voor de aan- en afvoer van grondstoffen en eindprodukten. Het spoor en de kanalen konden zo met eigen transportmiddelen sneller bereikt worden. Na een investeringsstop werd eind 1872 besloten om de papierschepkuipen, die ingezet werden voor het aanmaken van karton, te vervangen door een mechaniek (h). In 1873 werd de omschakeling van een artisanale naar een gemechaniseerde produktie gerealiseerd. Nieuwe machines en nieuwe technieken brachten in deze tijd van de industriële revolutie het gebruik van nieuwe bouwmaterialen — zoals ijzer — met zich mee. Daar zowel ijzer als hout onderhoud en reparatie noodzaakten werd — daar waar voorheen een schrijnwerkerij werd ingericht — nu ook omstreeks 1874 een smidse gebouwd. Omwille van het permanente brandgevaar gebeurde dit op veilige afstand van de kartonfabriek, met de Molenbeek als natuurlijke scheiding (25). Belangrijk te vermelden is dat met het gebruik van nieuwe materialen ook wijzigingen merkbaar zijn in de bouwstijl. De zadeldaken zitten niet meer zoals voorheen verscholen tussen de puntgevels; deze laat-
ste worden niet meer afgewerkt met vlechtverband. Cement gaat steeds vaker kalk vervangen in de mortelverbindingen. De verhoogde kartonproduktie als gevolg van de mechanisatie van het bedrijf stelde de ondernemer voor nieuwe problemen. Het droogsysteem kon de produktie niet meer volgen. Daarom werd in 1874 een nieuwe droogzaal gebouwd, aanleunend tegen de smidse, uitgerust met door stoom opgewarmde holle ijzeren platen. Deze manier van drogen was vrij uniek. Andere bedrijven uit de streek — die niet te kampen hadden met plaatsgebrek — maakten gebruik van goedkopere natuurlijke drooginstallaties. De verbetering in de drooginstallatie was dusdanig gepland dat zij ook de produktiestijging kon volgen die het resultaat was van de plaatsing van een kartonmechaniek. Nu de produktie en het drogen van karton waren gemoderniseerd, manifesteerde zich een tekort aan opslagruimte voor grondstoffen en de afwerking van het eindprodukt. In 1877 werd een kleine satineermachine (j) geplaatst, later aangevuld door een modernere en grotere machine voorzien van door stoom opgewarmde rollen (j') in een nieuwbouw (13 en 14). De verdieping van dit gebouw werd ingericht als magazijn om het stockageprobleem van grondstoffen op te vangen. De lokalisatie van de nieuwe installatie op de linkeroever van de Molenbeek werd bepaald door de aandrijving die uit de waterwielen werd betrokken. Nog in 1877 werd de hydraulische kartonpers (i') in gebruik genomen (lokaal 10). Om de verbinding tussen de verschillende bedrijfsgebouwen op de beide beekoevers te verwezenlijken, werd een groot gedeelte van de Leuzebeek en de Molenbeek overwelfd. In 1882 werd ten gevolge van een nieuwe uitbreiding van de fabriek nog 9,5 meter bijkomend overwelfd. Tussen 1877 en 1882 werd een klein gebouw opgetrokken tegen de satinnerie. Waartoe dit gebouw oorspronkelijk heeft gediend is niet duidelijk; later werd er een kartonmechaniek in ondergebracht. Aangezien er weinig sporen van transformatie te zien zijn in de muren, bestaat de mogelijkheid dat het gebouw van bij de aanvang deze machine herbergde (12).
De binnenkoer tussen de overblijvende gevel van gebouw 11 (links) waarin 2 hollanderkuipen en gebouw 18 (achteraan) (foto O. Pauwels)
Door de plaatsing van nieuwe machines geraakten de waterwielen — die nog steeds de enige bron van aandrijving waren — overbelast. Na de installatie van de eerste satineermachine werd de maximumcapaciteit bereikt; dit werd in eerste instantie opgevangen door de graanmolen uit te schakelen. Investeren in een nieuwe drijfkracht bleef echter een noodzaak. De afhankelijkheid van de waterwielen vereiste bovendien een concentratie van alle machines op een beperkte oppervlakte. Als gevolg hiervan werd de Herisemmolen in 1882 uitgebreid. Het bedrijf koos voor de industrializering van de produktie door het gebruik van stoom als drijfkracht. In de nieuwe gebouwen (4, 16, 18, 19) werd een stoominstallatie ondergebracht, bestaande uit een stoomketel (x), een stoommachine en een nieuwe serie droogplaten (1) 63 M&L
De stoomketel uit 1882 in gebouw 10 (foto O. Pauwels)
De bedrijfsleiding opteerde eveneens voor een rationalisering van de fabriek. Door het drogen van karton onder te brengen naast de stoomketel werd de rentabiliteit verhoogd, aangezien de nieuwe installatie werkte op gerecicleerde stoom. De eigenaardige boogstructuur in de westgevel van de grote droogzaal was de opening die tijdens de bouw gelaten werd om de droogplaten nadien te kunnen binnen brengen. Een foto uit 1882 is hiervan het bewijs. Imposant is de schouw die statig boven alle overige gebouwen troont. Na een brand werden in 1922 het dakgebinte en de dakpannen vervangen. De introductie van stoom bracht veel veranderingen met zich mee. Het centraal aandrijvingspunt voor de machinerie werd verschoven van de waterwielen naar de stoomachine. Dit betekende echter niet dat de waterwielen — alhoewel oud en voorbijgestreefd — werden afgeschreven: de traditionele, erg goedkope aandrijving bleef bestaan. Tot bij de sluiting van de fabriek waren twee machines uitsluitend aangewezen op de waterwielen. Eén machine kon omschakelen van water- op stoomkracht (molleton) (d). De industriële revolutie zou ook hier verbeteringen teweeg brengen. Pagina rechts: de stoommachine H. Bollinckx uit 1894, in gebouw .
• • • • i
M&L 64
In 1886 werd een waterturbine aangekocht ter vervanging van de traditionele waterwielen. Door dergelijk systeem werd het mogelijk meer kracht te ontwikkelen. Deze investering bleek echter een slag in het water, vermoedelijk door het gebrek aan het nodige watervolume om de turbine te laten functioneren. Het overvloedige gebruik van de Molenbeek zal hier wel niet vreemd aan geweest zijn. Twee jaar later werd opnieuw overgeschakeld op de traditionele bovenslag - waterwielen, die blijkbaar beter functioneerden. Dank zij de hogere capaciteit van de stoommachine was het mogelijk veel langere transmissiesystemen te maken en zo een grotere spreiding te krijgen van de machines over het bedrijf. Concentratie bleef echter een pluspunt om zo het rendementsverlies te verlagen en het intern transport van halffabrikaten te beperken. In 1883 werd een nieuwe hollanderkuip aangekocht zodat de kartonmechanieken afzonderlijk konden bevoorraad worden. Deze machine, tweedehands aangekocht, werd ondergebracht in een nieuw gebouw dat opgetrokken werd door de Molenbeek te overwelven, tussen de reeds bestaande bedrijfsgebouwen. Hierdoor werd getracht om door opvulbouw een rationele produktiecyclus te behouden en het intern bedrijfstransport tot een minimum te beperken. Bij de bouw van deze nieuwe ruimte werd gebruik gemaakt van nieuwe technieken voor het afdekken van grote ruimtes. De zwakkere structuur en de grotere glasoppervlaktes van dit gebouw zouden nochtans sterk te lijden krijgen. Het bedrijf, uitgerust met een voor die tijd moderne installatie in de sector van het gekoest karton, kon samen met de dochterondernemingen de toekomst aan. Een erfeniskwestie deed in 1894 nochtans het bedrijf uiteenvallen. Door de verdeling van de erfdelen verloor Herisem zijn filialen waar strokarton werd geproduceerd en samen daarmee een groot deel van het kliënteel. Het recupereren van het marktsegment dwong de onderneming tussen 1894 en 1898 tot nieuwe investeringen. In chronologische volgorde werden volgende uitbreidingen verwezenlijkt (binnen de zone die de restauratie aanbelangt): In 1894 werd een nieuwe sterkere stoommachine (x') geleverd door de firma Bollinckx uit Brussel, ondergebracht in een nieuwbouw (20). De inplanting van het gebouw werd bepaald door de ligging van de stoomketel van de oude machine die bleef functioneren. Tussen 1895 en 1898 werden verschillende machines aangekocht, zoals een nieuwe molleton (d'), een derde hollanderkuip en een derde kartonmechaniek, hoewel het mogelijk is dat deze reeds vroeger werd geplaatst. Een laatste uitbreiding gebeurde met het plaatsen van een lompensnijder en een stoomrootketel (c') voor het roten van lompen gebruikt in de produktie van lederkarton (1886), lange tijd het boegbeeld van de onder(foto O. Pauwels)
**?
"^"ÏB»^^
*•&*£
neming. De ketel die we nu aantreffen vervangt de oude die kleiner was.
De actuele toestand
Hoewel men trachtte door opvulbouw de bedrijfsruimte te concentreren, diende men toch ook nog uit te breiden (met de gebouwen 1, 2, 5, 11, 21 en 22). Deze opvulbouw geeft aan de Herisemmolen zijn opvallende wanordelijke structuur. Een grondiger analyse wijst uit dat in het gegeven kader erg rationeel werd tewerk gegaan bij de planning van de uitbreiding, zodat men drie productieketens bekwam waarvan de machinerie zonder al te veel onderbrekingen stond opgesteld. Slechts hier en daar was transport nodig van halffabricaten naar een volgende verwerkingsfaze. Van deze uitbreidingsfaze bestaan een aantal min of meer goed bewaarde plannen die voornamelijk de inplanting van de machinerie in de gebouwen beschrijven. Een laatste faze in de ontwikkeling van de site had plaats in 1899 toen het bedrijf electriciteit ging gebruiken voor het verlichten van de lokalen van de fabriek en de hoeve. Hiertoe werden twee dynamo's aangekocht, waarvan één aangesloten werd op de stoommachine en één op het waterwiel. Op deze wijze was het ook mogelijk om de site buiten de werkuren van licht te voorzien. Het enige bekende plan van de fabriek met een beschrijving van de gebouwen komt uit een verzekeringspolis die werd afgesloten in 1898 toen de verschillende uitbreidingen ten einde waren.
Vandaag biedt het geheel een troosteloze aanblik. Vooral natuurlijke factoren maar ook verwaarlozing hebben in het verval van dit complex hun rol gespeeld. De beek, de ophoping van afval tussen de gebouwen ter hoogte van de vroegere waterwielen en de lekke waterput hebben gezorgd voor ernstige aantasting van de funderingen. Praktisch alle basementen zijn met algen en mossen begroeid, ingevolge overtollig grondwater afkomstig van de bronnen die zich hogerop bevinden. Neerslagwater had vrij spel door de openingen in de daken en de stukgesprongen vensters, wat op verschillende plaatsen in de gebouwen 8 en 10 het rotten en instorten van de houten vloeren tot gevolg had. Door het ontbreken van goten werd het metselwerk door afstromend regenwater sterk aangetast. Op één plaats had zich Serpula Lacrimans ontwikkeld. Door de gapende openingen hadden ook duiven, pauwen en vegetatie vrij spel. Structurele problemen situeren zich vooral in de gevels die zich langs de Molenbeek en de Leuzebeek bevinden; grote scheuren zijn hier het bewijs van. Roestvorming op de gietijzeren ramen was onvermijdelijk. De binnenrand van het metselwerk rond ramen en deuren werd indertijd witgekalkt met een mengsel van kalk, blauwsel en water, dit zowel binnen als Zo werd een beeld geschetst van de ontwikkeling van buiten. Zo hoopte men door reflectie méér licht een kleine watermolen tot een kartonfabriek, over binnen te trekken en de insecten buiten te houden. een periode van 350 jaar. Crisissen in de industrie De mooie blauwe schijn die men nu op vele plaatsen verscherpten soms de concurrentie met het landbouw- ziet is hier een overblijfsel van. bedrijf, maar uiteindelijk werd steeds voldoende evenwicht gevonden tussen beide. Het interieur van de gebouwen bestaat uit bakstenen muren, al dan niet witgekalkt, met bakstenen vloeren op de begane grond en houten vloeren of gemetselde gewelfjes op de verdiepingen. In de fabriek waren deuren schaars, om een vlot verloop in het productieproces te waarborgen. Electriciteit werd ter plaatse geproduceerd door middel van twee dynamo's; het electriciteitsnet is volledig vernield. Een aantal gaslampen zijn nog op de site aanwezig. Comfort beperkte zich tot een minimum, verwarming gebeurde door middel van kleine kolenkacheltjes. Om de werkruimte in 8 en 10 te isoleren werden kartonvellen tegen de dakstructuur genageld (brandgevaar!). De sanitaire inrichting beperkte zich tot een minimum en bevond zich aan de overkant van de Fabrieksstraat.
Het bouwprogramma
De lompentrommel in gebouw 2. Hierin werden door toevoeging van water en kalk de lompen herleid tot een brij (foto O. Pauwels) M&L 66
Met het koninklijk besluit van 24 januari 1979 werd de kartonfabriek (alle gebouwen met inbegrip van de machinerie) beschermd als monument, de omgeving als landschap. De industriële gebouwen werden in 1986 met een erfpacht van 30 jaar overgedragen aan de v.z.w. "De Herisemvrienden".
(foto O. Pauwels)
Satineermachines (j) Te Herisem bestaan nu nog twee satineerkalanders waarvan bij één de rollen worden opgewarmd door middel van stoom (j-). Deze laatste machine dateert van 1882 of later, toen de stoomaandrijving te Herisem in gebruik was. De andere, die veel kleiner en minder krachtig is, werd vermoedelijk aangekocht in 1877-1878 toen ook het gebouw werd opgetrokken waarin zich beide machines bevinden. Voor de aandrijving zijn beide aangesloten op de stoommachine. Eén van de kleinere wielen is voorzien van houten tanden. Oorspronkelijk werd de aandrijving echter geleverd door een waterwiel, daar men in 1877 nog niet beschikte over een stoommachine. Sporen van de vroegere inrichting van het gebouw zijn nog duidelijk zichtbaar. De opening waarlangs de molenas binnen kwam werd later gewoon dichtgemetseld. In de bepleistering van de muur ziet men ook nog duidelijk de sporen van een vroeger aandrijvingswiel. Voor de afwerking van het gedroogde karton diende men de vellen vlak te strijken en te ontdoen van de oneffen randen. De eerste bewerking, die ook reeds in de papiernijverheid gebeurde, diende bij de kartonproduktie te worden aangepast. De manuele bewerking van het satineren kon niet voldoende kracht ontwikkelen om de dikke bladen karton, gedroogd in hun geheel, vlak te maken. Een mechanisering van deze bewerking drong zich op (j). Er werd een systeem
uitgedacht waarbij de vellen karton door een pers van twee zwaar op elkaar drukkende rollen werd geleid. Om de nodige kracht te ontwikkelen om de rigide structuur van het kartonvel in een nieuwe plooi te leggen, werden deze rollen door middel van bladveren op elkaar geperst. De bestaande onderdelen kunnen na reinigen herbruikt worden. Aangezien het grootste gedeelte bestaat uit massieve gietijzeren onderdelen vormt de roestvorming geen ernstige beschadiging. De. lagers van de assen zullen vermoedelijk wel voorzien moeten worden van een nieuwe slijtlaag, zoniet zou zich bij het opstarten van de machine een verwringing kunnen voordoen. Minstens één van de machines kan opnieuw aangesloten worden op de stoommachine. Mocht dit niet aangewezen blijken omdat het gebouw er te veel zou onder lijden, moet er gedacht worden aan het opstellen van een nieuwe krachtbron, bijvoorbeeld een electrische motor. Het aansluiten op stoom van de modernste machine zal slechts gerealiseerd worden op het ogenblik dat dit praktisch te combineren valt met de restauratie van de stoommachine. Het grootste probleem bij de restauratie van deze machines zal het restaureren van de satineerrollen zijn. Deze dienen op een draaibank uitgebalanceerd en lichtjes afgedraaid, zodat alle mogelijke sporen van pitting verdwijnen.
67 M&L
Hollanderkuip (e) Te Herisem treffen we 3 exemplaren aan die op verschillende tijdstippen werden aangekocht. De oudste (1837) werd samen met de eerste kollergang geplaatst bij de eerste industrialisatie van de papiermolen. Een van de hollanderkuipen werd tweedehands aangekocht in 1877 toen de kartonfabriek volop werd gemoderniseerd. De derde hollanderkuip is vermoedelijk ook tweedehands aangekocht op het ogenblik dat de fabriek in 1894-1896 het produktieverlies als gevolg van de scheiding van de bedrijfzetels wilde opvangen. Alle hollanderkuipen die ooit in de papiernijverheid werden gebruikt, functioneren volgens hetzelfde principe. Zij bestaan uit een langwerpige kuip van zowat 70 cm diep, die in de langsrichting verdeeld is in twee gelijke helften. Aan de uiteinden verbindt een halve cirkel de twee helften. In één van de kuiphelften is een cylinder aangebracht, voorzien van messen. Deze schuren over een bodemplaat voorzien van gelijkaardige messen. Tussen deze twee delen ontstaat een kapbeweging die de vezelstructuren in de papierdeeg openplet en snijdt. De lengte van de vezels is afhankelijk van de afstand tussen de rol en de bodemplaat. Om de beweging en het snijden te bevorderen is de kuipbodem in de omgeving van de cilinderrol uitgewerkt met een hellend vlak.
Hollanderkuip (rechts) tussen de gebouwen 13-14 (rechts) en 10 (links) (foto O. Pauwels)
De drie machines zijn erg beschadigd. De oudste is gezien haar samenstelling uit hout en ijzer het moeilijkst te herstellen. Eventueel kan deze vervangen worden door een zelfde exemplaar uit een andere fabriek. Hier kan dezelfde aandrijvingsbron gebruikt worden als voor de molleton.
Kartonmechaniek (h) Twee kartonmechanieken staan opgesteld in gebouw 10; een derde werd ondergebracht in 12 (waarschijnlijk in 1896). De lokalisatie wordt verklaard door de ordening die voortvloeit uit de logische opeenvolging van de verschillende produktieactiviteiten. De oudste machine werd in bedrijf genomen in 1873 ter vervanging van de schepkuipen. De kartonmechaniek zoals wij die te Herisem aantreffen is één van de meest rudimentaire vormen van continu die men in de papiernijverheid kan vinden. De papier- of kartonpulp die bekomen wordt uit de hollanderkuip wordt opgeslagen in een gemetst wachtbekken. Via een pompsysteem wordt het deeg opgetrokken naar de vulbakken van de zeef. Deze pomp bestaat uit een continu draaiende ketting voorzien van mastellen, die pakken deeg uit de voorraad ophaalt. Dit deeg wordt uitgestort in een kleine voorraadbak waar recuperatiewater uit de produktie wordt toegevoegd om de vloeibaarheid van de pulp op peil te brengen. Van hieruit vloeit het deeg naar een verdeelbak die zich boven de zeef bevindt. Via een vijftal openingen in deze bak komt het deeg terecht op een verdeelschuif aan het begin van de zeef. Deze verdeelschuif die zelf voorzien is van een zeef zorgt ervoor dat reeds een deel van het water (ongeveer 90 %) uit de pulp wordt verwijderd. Om het deeg te verdelen over het zeefdoek en het water te verwijderen, wordt de zeefbak door een hamersysteem aan het trillen gebracht. Via een verdeellat komt de papierpulp dan regelmatig op het bronzen zeefdoek terecht dat continu draait. Het overtollige water dat nog een gedeelte pulp bevat wordt gerecupereerd en gebruikt om in de oppompfase de pulp aan te lengen. Het deeg komt terecht tussen twee cilinders die zich aan het eind van de zeefdoek bevinden. Eén van deze cilinders is bekleed met rubber en stoot het deeg af; tegen de
M&L 68
Een kartonmechaniek in gebouw 10 (foto O. Pauwels)
andere losse metalen cilinders blijft het deeg kleven. Door het continu draaien en aanvoeren van deeg worden verschillende lagen pulp op elkaar geperst, het zogenaamde koesten. Eens het blad de gewenste dikte heeft snijdt een arbeider dit van de draaiende rol en stapelt het op achter de machine, op een kartonkar. De mechaniek die in 12 staat opgesteld, wordt ontmanteld en de bruikbare onderdelen worden herbruikt bij de restauratie van de andere. Een electrische motor die vermoedelijk opgesteld zal worden in de voorraadkuip zal zorgen voor de aandrijving. Restaureren van het aandrijvingsmechanisme dat vertrekt aan de stoommachine, zou financieel niet haalbaar zijn.
Daar de inhoudelijke rijkdom van dit industrieel complex en het nakend verval dringend om restauraJM^Ê *&* tie vragen is het logisch deze site voor het publiek open te stellen. Hier immers is een illustratie mogelijk van hoe een industrie op het platteland functioneerde in de 19de eeuw. Deze site is uniek in zijn soort, niet enkel door de aanwezigheid van alle machines uit het productieproces van karton, maar eveneens van verK I W WÊM schillende andere getuigen voor het leven in de 19de r -mm eeuw, die dankzij de zorg van de opeenvolgende . eigenaars bewaard zijn gebleven. Met dit alles voor ogen werd beslist op deze industriële site een museum onder te brengen, om en rond het productieproces van papier en karton. Hierbij r^É W ^ ^ i J T ^ ^ M W* wordt gestreefd naar een maximaal bewaren van de '** ' ruimtelijke indeling en een logische historische uitbouw van de gebouwen. Een gedeelte van de machines wordt terug op gang Toegangsdeur tot gebouw 13-14, in de zuid-oostgevel (foto O. Paugebracht om zo de artisanale fabricage van karton wels) •••
. •
Gebouw 14, met vooraan twee satineermachines en op de achtergrond een snijmachine (foto O. Pauwels) 69 M&L
;
a
8 - Inkom + Ontvangstloket. Informatiepanelen. Buro conservator. (9) 8' - Verdieping. • Informatieve Diaprojectie. - Bibliotheek. 10' - Verdieping. - ACTIEF MUSEUM DEEL I. (zicht op de waterwielen vanaf de loopbrug naar 14'). II) - ACTIEF MUSEUM DEEL II. - via 8 & 6 naar II. - PASSIEF MUSEUM DEEL I. U&U - PASSIEK MUSEUM DEEL II. - Satineermachines.
IIS
19 - Stoomketel.
2(1 - Stoommachine. 21 - Dynamo's.
- Droogruimte + Expositieruimte. Langs de Leuzebeek terug naar 16. 4 - Droogplaten. 2 . Lompentrommel. Via de binnenkoer naar 5. 5 - Kalander. 7 - Rustpunt in de wandeling. Via 8 naar de uitgang.
Doorsneden en plan met aanduiding van het wandelcircuit voor bezoekers (eigen tekening)
M&L 70
Bereikbaarheid van de vergaderzalen. Via de grote inkompoort naar 5. Door 5 naar 16. Via trap naar 18" en door 12' naar 14". Bereikbaarheid van de receptiezaal. Via de grote inkompoort naar 2. Via de trap naar 2' en naar 1'. Gemeenschappelijke funkties. Sanitair in 12. bereikbaar via 16. Smidse en cafetaria in 23. 24, & 25. De parking bevindt zich naast de smidse. Bergruimte + Technische ruimte. 20" & 21" in funktie van stoommachine. 22' in funktie van de vergaderzalen. 3 voor bergen onderhoudsmateriaal. 1 technische voorzieningen.
levendig te illustreren, dit vooral in de gebouwen 8 en 10. Dit gedeelte maakt samen met het drukatelier (18) het actief museum uit. Aangezien de smidse een wezenlijk onderdeel vormt van de fabriek — niet wat de kartonfabricage zelf betreft, maar wel als atelier voor de vervaardiging van metalen onderdelen — wordt ook deze bij het actief gebeuren betrokken, als illustratie van hoe een nijverheid op het platteland in eigen onderhoud kon voorzien. De gebouwen met machines die geen werking meer toelaten worden als passief illustratief documentair museum ingericht, zoals de gebouwen 13 en 14 waar de satineermachines zijn ondergebracht, gebouw 5 waar een kalander staat, de grote ruimte met stoomketel en droogplaten (4, 16, 18, 19), gebouw 2 met de lompentrommel en 11 met de twee hollanderkuipen, de rustbakken en de kuip waarin het gebruikte water werd gerecupereerd. De wandeling door de gebouwen laat in vrij logische volgorde alle stappen in het productieproces zien. Op de begane grond van gebouw 8, wordt een permanente filigraantentoonstelling ingericht; een gedeelte van de bovenverdieping wordt ingericht als projectieruimte. Om de aanwezigheid van een conservator continu mogelijk te maken wordt een klein lokaal voorzien op de begane grond van gebouw 8, in het nu reeds afgesloten gedeelte.
speelt alles zich zoveel mogelijk af in de gebouwen. Het water en de waterwielen zijn echter de basiselementen in deze fabriek, zodat het voor het publiek noodzakelijk is deze te ervaren. De loopbrug tussen 10 en 13 wordt voorzien van openingen zodat een zicht op de te reconstrueren waterwielen mogelijk wordt. Ook de wandeling tussen de gebouwen en verder de trappen afdalend naar de Molenbeek moet, mits de nodige beveiliging voor het publiek toegankelijk zijn. Wat van gebouw 7 overblijft wordt als dusdanig geconserveerd. De nog aanwezige originele bestrating vóór de gebouwen 8 en 10, waarover men indertijd met paard en kar het karton kwam halen, wordt blootgelegd. De parking zal zich bevinden aan de kant van de smidse, waarin later een bar-restaurant wordt ingericht.
Middels een spoedprocedure werd verdere waterinfiltratie voorkomen en konden voorlopige beschermings- en verstevigingswerken aan de gebouwen worden uitgevoerd.
Om het complex op een meer permanente manier leven in te blazen, wordt voorgesteld een tweetal vergaderruimtes in te richten, één boven het drukatelier (18') en één op de verdieping van het gebouw waar de satineermachines zijn ondergebracht (13,14). Voor de vertikale circulatie die nu onbestaand is wordt gezocht naar een gemeenschappelijke oplossing voor de verschillende vergaderruimtes. De stalen trap met houten treden heeft een bordes op halve hoogte; via een nieuwe toegang (12') is het mogelijk de vergaderzaal in 13, 14 te bereiken. Verder komt men langs de stoommachine in de vergaderruimte 18' en in de technische ruimte met opslag van materiaal voor de stoommachine. De berging van materiaal voor de tweede vergaderruimte wordt voorzien in de dakruimte van 22, te bereiken via de voordien nooit De mechanische pers in gebouw 10 (foto O. Pauwels) benutte loopbrug tussen 14 en 22. Gebouw 2, samen met de verdieping van 1 wordt een geschikte receptieruimte; in dit lokaal waar een kitchenette en sanitair worden voorzien kunnen plaatselijke organisaties hun vergaderingen organiseren. Het inspirerende kader van de fabriek laat bovendien elke vorm van expositie toe. Deze functies kunnen volledig afzonderlijk van het museum functioneren. De nieuwe sanitaire inrichting wordt ondergebracht in 12, waar nu een vernielde cilinder staat. Deze wordt gedemonteerd samen met de bijhorende aandrijfwielen. De nieuwe technische installatie wordt ondergebracht op de gelijkvloerse verdieping van 1. De verwarming zal gebeuren door centrale verwarming op gas. Wat de omgeving betreft kunnen we het volgende stellen. Om de privacy van de bewoners te vrijwaren,
Een derde spoedprocedure voorziet in de bouw van twee kleine sassen waardoor de Molenbeek in de toekomst zal kunnen worden omgeleid langs de Leuzebeek om het onderhoud van de gebouwen en de waterwielen mogelijk te maken. 71 M&L
(foto O. Pauwels)
Snij- en trieërmachine (a, b) Ter vervanging van het met de hand snijden en reinigen van lompen en papier werd in gebouw 10 een machine geplaatst die feitelijk drie bewerkingen combineerde. De balen oud papier werden langs de koer naar boven gebracht met een takel. Het papier, door een arbeider op de tafel gegooid, werd gescheurd door twee draaiende cilinders, voorzien van pinnen. Steentjes, stukjes ijzer, soms geldstukken of andere vreemde elementen vielen in een bak, opgesteld onder de cilinders. Vanaf deze snijmachine vielen de
M&L 72
stukjes papier op een metalen net. de duveU dat continu ronddraaide over rollen en waarbij in een gesloten kast het stof door een ventilator werd verwijderd. Arbeidsters, opgesteld aan beide kanten van de trieertafel, selecteerden de snippers per kleur en soort. De in balen geperste lompen werden in de fabriek ontdaan van naden, ogen, knopen, haken enzovoort, uitgezocht en gerangschikt. De kapmachine sneed de lompen in 5 cm grote stukjes. Daarna werden deze onder druk gekookt in een loog van kalk, soda, en sulfiet en in de lompentrommel (c') ontdaan van textielbehandelingsprodukten, vet en verf.
Kollergang (d) De kollergang in gebouw 10 werd geplaatst in 1837, samen met de eerste hollanderkuip, bij de eerste mechanisering van de papiermolen te Herisem. Deze in gebouw 5 werd geplaatst in 1896 als gevolg van de uitbreidingen van de kartonfabriek na de scheiding van de zetel in Alsemberg. Deze machine is — voor zover uit te maken — een typische installatie in de Belgische papierfabrieken, gebruikt in combinatie met de hollanderkuip om het werk van deze laatste te verlichten en de produktie ervan sterk op te drijven. Door een rolbeweging om een centrale vertikale as, schuren twee zware pletstenen met gemeenschappelijke horizontale as over een geribde gietijzeren vloer, aangebracht in de bodem van de kuip. ZJO worden de lompen of papiersnippers geplet, uit mekaar gereten en tot vezels gemalen, totdat een soort papperige halfstof ontstaat. Grote schrapers die de beweging van de stenen volgen, zorgen ervoor dat de lompen of het papier regelmatig geroerd worden. De oudste machine bestaat uit een zware bakstenen constructie die steun geeft aan de gietijzeren kuip van zowat 30 cm diepte, waarin de lompen of het oud papier worden opgeslagen. De aandrijving gebeurt ofwel door het waterwiel, ofwel door de stoommachine. De recentere machine is van een iets grotere omvang en beschikt over zwaardere stenen; de basis van de kuip bestaat uit zware gietijzeren palen. Het werkingsprincipe is volledig identiek aan dat van de oudste machine. Voor de uitbouw van het 'levend museum' is het nodig om één van de twee machines te laten functioneren. Onderzoek heeft uitgewezen dat de oudste machine het gemakkelijkst te restaureren is, aangezien de nieuwste machine een gescheurde kuip heeft en herstellen financieel niet haalbaar is. In een eerste fase en om ook later nog een constant gebruik mogelijk te maken, zal de aandrijving gebeuren met een electrische motor, opgeborgen in de kuilen die zich bevinden in de omgeving van de assen van het waterwiel, zodat deze moderne installatie niet stoort in het oude bedrijfsconcept. De aansluiting op het waterwiel wordt behouden en na restauratie operationeel gemaakt. De aansluiting op de aandrijfassen van de stoommachine wordt enkel behouden ter illustratie.
Snijmachine (k) Het is niet bekend sedert wanneer de Herisemmolen beschikt over de snijmachine die de naam draagt van de fabrikant in Leipzig, Het was in vele van de kleinere kartonmolens uit de streek gebruikelijk dat karton werd ontdaan van de braamranden door middel van een handschaarsnijtafel. Van dit type is, zij het in zeer belabberde staat, een exemplaar aanwezig. Het mechanisch snijden was echter voor een bedrijf als dit een noodzaak, wilde men de produktiecapaciteit op een verantwoorde wijze volgen. De werking komt hier op neer dat de snijbeweging gebeurt door twee snijschijven die precies over elkaar draaien. Deze schijven, waarvan er meerdere op de machine zijn gemonteerd, kunnen in- of uitgeschakeld worden, zodat uit één blad karton onmiddellijk verschillende repen kunnen worden gesneden. Het is één van de weinige machines die meteen kunnen worden gebruikt. Ze werd eerder al door leerlingen van een technische school helemaal gedemonteerd en opnieu w in elkaar gestoken. Verder zijn aanwezig op de site: De stoommachine (x') met stoomketel (x) en stoomdroogplaten (1), de lompentromrael (c'), de algemene uitrusting met wielen en assen, de graanmachine, de uitrusting van de smidse en allerlei klein materieel.
De Molenbeek, met houten loopbrug tussen de gebouwen 10 en 14 (foto O.Pauwels) Het niet reinigen en aanslibben van de beek had een verhoging van het waterpeil tot gevolg. Voetnoot (1) Gisèle Gantois, architecte, werd in opdracht van De Herissemvrienden v.z.w. door B.U.A.S. gelast met de opmaak van een restauratie-voorontwerp. Bibliografie — Arnould M.-A., Quand sont apparus les premiers moulins a papier dans les anciens Pays-Bas? Internationaal Colloquium Spa. 1973, Drukkerijen en papiermolens in stad en land van de 14de tot de 16de eeuw. Handelingen. Gemeentekrediet van België, Brussel, 1976, p. 267-298. — De Gelas J.. De Herisemmolen. Industrieel archeologische studie op basis van een bedrijfsarchief. De Archeologische Pers, AalstWaarle, 1983. — De Gelas J., Inventaris van de Brabantse papiermolens. Industrieel Erfgoed, in Tijdschrift W1A, nr. 7, Gent, 1987. — De Gelas J., De papiernijverheid ten Zuid-Westen van Brussel in Vlaams Brabant, onuitgegeven studie op basis van archiefbronnen. — De Gelas J., Nieuwe dokumenten over de Brabantse papiermolens. Beerselse Herisemmolen klaar voor restauratie, in Belgian Paper Historians Association, nr. 7, Malmedy, juni 1988. — De papiernijverheid tussen Zenne en Zoniën op de Molenbeek, BPHA, nr. 10, Malmedy, maart 1989. Deze auteur kreeg ook de beschikking over een belangrijk deel van het bedrijfsarchief dat hem werd aangeboden door Fr.-X. Winderickx, de huidige eigenaar van de Herisemmolen. — De Gelas J., De papiernijverheid in de Hollandse tijd in Brabant. Publikatie voorzien in een volgend nummer van BPHA. — Mertens P., A Alsemberg Ie Moulin Winderickx, in Brabant, nr. 1, 1974. — Theys C , Geschiedenis van Dworp, Brussel, 1947. — Theys C , Geschiedenis van Alsemberg, Brussel, 1960. — Vancoillie-Renard D., Recherches sur les origines de la papeterie dans la region Bruxelloise XVe-XVIle Siècle, Bruxelles, 19771988 (niet uitgegeven verhandeling). 73 M&L
The interior restoration of the transept and the sanctuary of the Cathedral of Our Lady in Antwerp
necessary to be able to stand apart from its previous association with the furniture.
The story of the current restoration of the Cathedral of Our Lady in Antwerp begins in 1965. It was then that the provincial government of Antwerp decided to take full responsibility for the complete restoration of the church.
Although the choir aisle and the choir chapels are only available for restoration after 1993, it was necessary to formulate an approach for these areas. An interior restoration must always be considered as a whole.
In 1983 the first phase of the interior restoration was completed: the interior restoration of the nave. The second phase of the interior restoration, the transept and the sanctuary of the choir is planned for 1993, the year when Antwerp will be cultural capital of Europe. The choir aisle and the choir chapel will be available later.
In front of the chapels it was basically decided to work from the conservation of the neogothic decoration. Research has shown that the application of this 91th century decoration was preceded in many cases by the removal of the older paintings from the 15th and 16th centuries. Two of the twelve choir chapels received no geogothic wall and vault decorations in the 19th century. This means that an older period can be exposed. The oldest and most important discovery has been made in one of these two chapels: a Christ with a crown of thorns from the first half of the 15th Century. The approach for the choir aisle needs to be studied further. Should one go back to the red colour of the 16th century (comp. transept) or choose a neutral approach? Harmony with the choir chapels and transept will be the determining factor.
This article is about the surveying work which preceded the interior works which are now planned. Far the most important option which was taken at the end of the 1960's was concerning the cleaning of the interior space. Then it was decided to strip all the structural architectural elements which were made of calcarious sandstone (walls, pillards, arches, vault ribs and keystones) of all finishing layers which had been applied since the church was built. Any polychromy should disappear at once. The brick wall sections and vault fields were replastered, except for where decorative and figurative paintings from the 15th and 16th centuries were exposed. The option in connection with the cleaning of the structural architectural elements was grounded on the conviction that the interior architecture was "designed in stone". Later, on the basis of numerous discoveries at home and abroad, the warence grew that this approach was not taking historical reality into account. Paintings, chalk layers and plaster layers again received the interest and value they deserve. At that time it was also decided to carry but a thorough preparatory study of the finishing layers, wall- and vault paintings, prior to commencing the second phase of the restoration. The first part of this research comprised a detailed historical study of publications, archive material and iconographical documents concerning the finishing and decoration of the transept and sanctuary. The second part was an on-site materials survey, carried but chiefly by means of random sample testing. The result of this was an impressive report which made it possible in establish options with a view to further interior restoration. The most important option is doubtless the conservation of the neutral finishing layers. It is assumed that the conservation of these is necessary as a background, as an "ambience" for the paintings which are to be exposed to view. In this way they will not be isolated, but they will still form a unity with the surrounding areas which are visibly of a respectable age. The choic of which decorative paintings were to be exposed was also an important step towards the definitive restoration file. The areas to be exposed and restored area the 15th century polychromy on the sanctuary vaults and the black painting of the gothic stonework, which at a height of 30 metres forms the beginning of the tower above the transept crossing. This painting was carried not as a dark background for the very fine sculpturework. It was the builders' intention to make the details more legible and to increase the expressiveness of the whole. On the east transept wall a red painted area about 7 metres high was discovered. It covers some large, dominating areas, and is in rather poor condition. Therefore the red paintings will only be exposed on two days. This is where the altars of St. Jan and St. Jacob, which disappeared at the end of the 18th Century, were standing in the 16th Century. Remarkable motifs were found here in connection with these saints. The two red painted areas will form the background for the "Elevation of the Cross" and the "Descent from the Cross" of Rubens. Several outline paintings from the 16th and 17th centuries have also been rediscovered on the transept walls. They are mostly black or grey paintings which acted as a background to an altar or other furnishings whose contours they more or less followed. Seeing as the furnishings have disappeared, they no longer have any purpose. But from documentary considerations it seems to be justifiable to expose one of the paintings, if it is of the decorative quality • ü
M&L 74
Historical Study The historical study of finishing layers in the choir and transept of Antwerp cathedral covered a thorough survey of all archive materials, iconographical documents and publications which could provide any information about this subject. From 1493 until the first decades of the 17th century, various accounts appear which concern the execution of wall and vault paintings in the choir aisle and choir chapels. In 1567-1568 a shadow painting was carried out behind the new organ in the south transept. From 1617 complete whitewashing works were being carried out. In 1695 the paintings of the choir aisle and the choir chapels vanished, despite bitter protests, under a monochrome layer of whitewash. In connection with the installation of neogothic works of art and furnishings, ten of the twelve choir chapels were decorated with neogothic wall and vault paintings between 1866 and 1924. Factors to consider in a restoration concept After a short introduction about the aim and methods (including non-destructive) of a preliminary survey, various properties of the wall paintings are examined in detail. Here attention is given to the relationship between the paintings and the physical space, to their decorative or autonomic value, and to the way in which the pictorial material is treated. After this, an attempt is made to research the impact of ageing and deterioration and to find the most appropriate method of integrating lacunas. The proposed integration methods have as their aim that the wall paintings be allowed to function in their original capacity. The present state of repair of the pictorial material is a standard and a starting-point for this. On-site materials research On the basis of a systematic survey of the choir, the choir aisle and the choir chapels, the transept and the crossing, it was possible to chart the evolution of the finishing and decoration of walls and vaults of these areas and to locate the most exceptional decorations. The earliest decorations on walls and vaults developed contemporary with the building of the new gothic church (second half of the 14th and the 15th century). The range of polychromie keystone sculptures (ca. 1390 to the end of the 15th century) offer an overview which is virtually unique in the Low Countries, with regard to artistic quality and state of preservation. As far as the wall paintings are concerned, an ensemble from the first half of the 14th century is immediately noticeable. This was discovered among other important 15th and 16th century decorations on the south side of the third choir chapel. Here among other
things a fragment of a Christ with a crown of thorns and a gilded hals is recognisable. The decorations in the red-painted, furnished zone, which were carried out mainly during the second half of the 15th century testify to very extensive refinement, with gilded embellishments, among other things. The first half of the 16th century is mainly characterised by the universalisation of the red paintwork in the furnished zones of the transept and the choir chapels with the corresponding bays of the choir aisle. In these paintings, just as in the symbolic paintings in the St. Luke chapel, we find a very extensive use of "pressed brucade", an ornamentation in relief on a wax base. It is mainly the specifically architectural use of this technique, in the crowning decorative friezes in the red zone, or as a decorative area of several square metres on the surface of one of the compound pillars of the crossing, with sheds new light on the extent to which this decorative technique was employed. Following on from these applications in wax, we found a few ensembles of woodcuts attached with adhesive, from after ca. 1530. Similary, a great diversity of outline paintings from the 16th and 17th centuries were examined. Some of these show their own plasticity achieved by the use of various shades of grey.
The Cardboardfactory Winderickx or Mill of Herissem On the border between Alsemberg and Dworp, to the south of Brussels, a wonderful industrial site is located along the Molenbeek called the Mill of Herisem, founded in 1763. This paperfactory was property of the same family Winderickx until now, in this way an incredible industrial heritage was conserved. The whole chain of machines needed for the fabrication of paper and cardboard is present. Today the "friends of Herisem" intend to restore the cardboard factory in vieuw of etablishing a museum showing the fabrication cyclus, illustrating how an industry functioned in an agricultural area. To make the whole project more profitable a few conference rooms will be conceived under the roofs of the langest buildings on the site. In any case the intention will always be to conserve as much as possible the original concept of the factory.
After the 16th century the tradition of rich ornamentation had practically completely disappeared. Only from the 19th century was the thread picked up again, and those carrying out the new neogothic decorations were sometimes inspired by old decorations which were then discovered. The church of Our Lady's Birth and the holy Philip of Vivenkapelle: the perfect neo-Gothic village church The neo-Gothic block of buildings at Vivenkapelle, near Damme, consists of a church, a presbitery and a friary and a nunnery, both with an adjoining school. All of it situated in a charming little park. It was constructed and further decorated between 1860 and 1890. It is considered an outstanding example of the neo-Gothic style and the high point in the works of baron Béthune in particular. Here he could fully express his ideas owing it to the almost unlimited financial support of the owners, the Verhuist family. At the occasion of the recently completed restoration of the church, a lot of attention was being paid to the history of the building and the furnishing. The basis hereof were the documents which were preserved in the family archives of Béthune in Marke. It consists mainly of the voluminous correspondence between Elisa Verhuist and Béthune. Special attention was paid to the architectural aspect, to which the story of the restoration could easily be connected. The original specifications of the structural work were also preserved and thoroughly studied. It gives us an insight in the building methods in the 19th century as well as in the degree of authenticity of the church. The church of Our Lady's Birth of Vivenkapelle a chronicle of the heating and lighting In Flanders, church-heating is a relatively recent fact and problem. Until the middle of this century and in some cases even nowadays, cast-iron coal stoves were being used. Their heating capacities were so limited that they were hardly a problem for the decor, the organ and the furniture of a church. The more modern heating systems - especially the hot-air heating - caused sudden fluctuations in temperature and humidity and all the problems that go with it. Almost simultaneously the upcoming gasfired or electrical heating offered an acceptable though less comfortable alternative. Nevertheless they weren't always innocuous to the art partrimony of the churches. For the past three decades the church of Our Lady's Birth ot Vivenkapelle has gone through this whole evolution. The recenth installed convector-heating will probably not be the last of its vicissitudes. Quite some other church councils will recognize their own experiences in this extensive account which focuses on two - often neglected - aspects: heating and lighting.
• • • • • • • •
alle ruwbouwmaterialen gevelsteen dakbekledings produkten isolatie P.V.C, artikelen vloer en wandtegels natuursteen arduin & marmer
Kalmthoutsesteenweg 233 2190 ESSEN
Tel.: (03) 667 46 91 Fax : (03) 667 51 60
75 M&L
9 SEPTEMBER 1990
OPEN MONUMENTENDAG •6 © ©
^ ca r*1 £ €) EEN INfTIATIEf VAN DE RAAD VAN EUROPA
N.V. REINIGINGSWERKEN PEETERMANS WIJNEGEMSTEENWEG 40
2220 WOMMELGEM
03/353.75.75
^ ^ B &
RESTAURATIEWERKEN REINIGINGSWERKEN SPECIALE TECHNIEKEN
RESTOm£föfiï90 \
an 22 t / m 24 oktober wordt in de RAI te Amsterdam een internationale vakbeurs voor restauratie- en conserveringsteehnieken gehouden. Interessant voor iedereen die op professioneel niveau of uit interesse betrokken is bij het behoud van ons eulturele erfgoed, zowel uit wetenschappelijk, cultuur-historiseh, als uit ambachtelijk oogpunt. Een evenement waarop befaamde restaurateurs en bekende belangenorganisaties zich presenteren en waarop tal van technieken, methoden en materialen worden geïntroduceerd. Alle disciplines en facetten komen op Restoration 90 aan bod: schilderijen, antieke meubelen en gebruiksvoorwerpen, interieurs, tapijten, boeken, archieven en ook monumenten.
I
nternationaal congres: Cultuurbezit in een agressief milieu
Een steeds agressiever milieu bedreigt de bestaansduur van onvervangbare kunstwerken, monumenten en gebouwen van grote cultuurhistorische waarde. Een hoogst actueel onderwerp voor een internationaal congres, dat tijdens Restoration 90 zal worden gehouden, onder auspiciën van ICCROM en Eurocare.
Wie het verleden wil hewrnm voor de toekomst, komt nu naar Restoration 90! 22 - 24 oktober 1990 Openingstijden: ijden: maandag 22 oktober en woensdag 24 oktober van 10 tot 17 ITiiur. uur. Dinsdag 23 oktober van var 10 tot 21 uur.
AMSTERDAM
Voor meer informatie: RAI Gebouw bv. Restoration 90, Europaplein, 1078 GZ Amsterdam. Telefoon: 020-54912 12. Telefax: 020- 464469.
HOGER SINT-LUCASINSTITUUT GENT INSTITUUT VOOR CONSERVATIE EN RESTAURATIE VAN HET CULTUREEL ERFGOED (I.C.R.)
INSTITUUT VOOR SOCIO-CULTURELE PROMOTIE
Postgraduaat Sociale promotie
Hoger Secundair en Hoger Kunstonderwijs (beperkt leerplan)
- Artistiek Hoger Onderwijs Korte Type Monumentenzorg Conservatie en Restauratie Interieur - Meubel Schilderen Beeldhouwen
- HSKO (3 jaar) - Finaliteit (HKO) Glas in lood (3 jaar) Steenhouwen (3 jaar) Houtsmjden (3 jaar)
- Theoretisch en practisch programma volgens gemeenschappelijke leervakken en optievakken, naargelang specialisatie
- Practische opleiding met inleidingen i.v.m. kunst- & cultuurgeschiedenis, technologie, heraldiek, enz..
Toelatingsvoorwaarden
Toelatingsvoorwaarden voor HSKO : 16 jaar oud - lager sec. voor HKO : getuigschrift HSKO restauratie
Diploma architect, binnenhuisarchitect, lic. kunstgeschiedenis, beeldende kunsten e.a. Voor gediplomeerden uit andere richtingen kunnen de toelatmgsmogelijkheden besproken worden.
Inlichtingen en inschrijvingen Alle werkdagen van 9 tot 12 en van 14 tot 17 uur. Gesloten van 7 juli tot en met 15 augustus. Zwartezustersstraat 34, 9000 Gent. Tel. (091) 25 42 90
¥
Hier leven en werken. Hier groeien, opgroeien, bouwen aan de toekomst omdat hier nog toekomst is. Met een sterke bank die hier haar wortels heeft. Met u een grootbank die hier met u van elk obstakel een nieuwe overwinning maakt. Met de Kredietbank, de bank van hier.
Beter met de bank van hier.
Sinds meer dan 30 jaar stelt Proxyl, gespecialiseerd in de kurafeve behandeling van hout en bouwmaterialen tegen insekten en zwammen, haar ondervinding en haar laboratoria ten dienste van het nationaal bouwpatrimonium. In samenwerking met de Belgische universiteiten en met het research team van Janssen Pharmaceutico werd het specifiek en doeteffend MADUROX-gamma op punt gesteld, dat gebruikt wordt om vele kunstwerken en prestigieuse gebouwen te saneren, Madurox Bi-Activ en Madurox Super voor hout dat aangetast is door houtboktor en boorkever, Madurox Fungikill en Madurox M-Gel voor metselwerk en andere bouwmaterialen die dangetast zijn door merulius en andere schimmels. De PROXYL-produkten zijn zeer weinig giftig voor de mens en beschikken over een officiële toelating van het Ministerie van Volksgezondheid en Leetmilieu voor toepassing ook binnen in bewoonde lokdlen. Voor inlichtingen, advies of dokumentatie, telefoneer naar 03/326.07.48, stuur een fax naar 03/326.07,98 of schrijf naar PROXYL N.V.-Vaartdijk 40 2100Deume
DE ASLK EN HET ONZE-LIEVE-VROUWEHUIS De Algemene Spaar-en Lijfrentekas heeft het zogenaamde huis Delbeke aan de Keizerstraat nummer 9 in Antwerpen aangekocht, behoorlijk gerestaureerd en opnieuw zijn oorspronkelijke naam gegeven: Onze-Lieve-Vrouwehuis. De ASLK wil het Onze-Lieve-Vrouwehuis opnemen in haar actieve sfeer en het niet alleen de historische eer toekennen die het toekomt, maar het ook functioneel houden door het opnieuw te integreren in het moderne zakenleven en in de huidige culturele contexten. De doeltreffende verfraaiing van het interieur en de deskundige en liefdevolle restauratie van de bijhorende kunstwerken dienen in het licht van deze filosofie te worden beschouwd.
ASLKi we doen met u mee
ccruy Restauratie binnenschilderwerken O.L.Vr. Geboortekerk te Vivekapelle 30 jaar ervaring schilderwerken van kerkinterieurs meer dan 60 referenties Lodewijk de Raetlaan 19 8700 IZEGEM
Tel. Telefax
(051)30 93 79 (051) 31 28 48
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen Over de Stad Antwerpen:
Bouwen door de eeuwen heen inYlaanderen """"•""""Sna
Bouwen door de eeuwen heen inYlaanderen
\o
• Stad Antwerpen: De 16de-eeuwse stadsuitbreiding (tussen middeleeuwse en Spaanse vesten) 792 p. -ref. 3NB - 1.795 fr.
¥B«ï Bouwen door de eeuwen heen inYlaanderen ,.,.,,„ 3nc
• Stad Antwerpen: De Stad binnen de u middeleeuwse vesten. et*^ 632 p. - ref. 3NA y Voorintekenprijs: 1.695 fr. nadien: 1.995 fr. (verschijnt oktober '90)
• Stad Antwerpen: De 19de-eeuwse . stadsuitbreiding ^ x e ^ 688 p. - ref. 3NC - 1.995 fr.
Bouwen door de eeuwen heen inYlaanderen " - 9ii
Bouwen door de eeuwen heen inYlaanderen SU- 10n
Over de provincie Antwerpen: • Arrondissement Antwerpen: gemeenten van A t/m HE 568 p. - ref. 10N1 - 1.495 fr. • Arrondissement Antwerpen: gemeenten van HO t/m RA 575 p. - ref. 10N2 - 1.595 fr.
Bouwen door de eeuwen heen inYlaanderen •rr^rr:.^ 10n
Bouwen door de eeuwen heen inYlaanderen Arn™d*«mrn."ïr>.er
n
l O l l
• Arrondissement Antwerpen: gemeenten van RU t/m Z 557 p. - ref. 10N3 - 1.495 fr.
Bouwen door de eeuwen heen inYlaanderen Pn»inr» Asrotrpcfl
I
• Stad Mechelen - Binnenstad 744 p. - ref. 9N - 1.795 fr.
ïfi
1
^
'S*
Arrondissement Mechelen Kanton Lier ± 500 p. - ref. 13N1 voorintekenprijs: 1.595 fr. nadien: 1.895 fr. (verschijnt oktober '90)
Een uitgave van Brepols in samenwerking met het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Bestuur voor Monumenten en Landschappen.
O IDS VOOD nODfDfl!
GIDS VOOR MODERNE ARCHITEKTUUR IN ANTWERPEN Tijl Eyckerman In deze unieke wandelgids selekteert de auteur een honderdtal gebouwen uit deze eeuw. Gebouwen met een verhaal zoals de Boerentoren of de huizen van de Cogels-Osylei. Maar ook hedendaagse hoogstandjes zoals de realisaties van Bob van Reeth, Jo Crepain, enz. Vooraf schetst de auteur de historische kontekst van de moderne architektuur in de Scheldestad sinds de eeuwwisseling. Volgt dan een keuze van een honderdtal gebouwen, één per pagina met foto en deskundige toelichting.
I U . EYCKESMAN
224 p. - ft. 11,5 x 15 cm - met meer dan 100 foto's en stadsplannen - 695 fr.
BREPOLS
RESTAURATIE VAN DE SINT-NIKLAASKERK TE GENT
N.V. VANDEKERCKHOVE Herstelling monumenten en openbare werken OOSTROZEBEKESTRAAT 54 INGELMUNSTER 8770 tel. (051) 30 22 41 fax. (051) 30 22 37
DE
BANK
D I E JE R U I M T E
GEEFT.
CERA heeft alles wat een grote, moderne hank moet hebhen. Maar CERA heeft nog iets meer. Iets veel helangrijkers. CERA gelooft in mensen. In mensen die de handen uit de mouwen willen steken, die iets willen ophouwen. CEFA. heseft dat de bureaucratische weg vaak te lang is, dat de administratieve molen veel te traag maalt voor wie plannen en projecten heeft. CERA, heeft er zich op ingesteld om snel en soepel te kunnen beslissen. Met gastvrije kantoren, dicht hij u in de buurt. Open wanneer u vrij bent, o.m. op vrijdagavond en zaterdagmorgen. Met enthousiaste medewerkers die leven waar ü leeft. Die uw behoeften heter begrijpen en uw mogelijkheden juister inschatten. En precies daardoor meer voor u kunnen doen. SPAARBANK
DE EUROPEESE MATTE RESTAURATIE VERF
Waarom wordt classidur aanbevolen in monumenten en gebouwen ? OMDAT ^ o o c ö , i rs de film van classidur als een C/Fr£nHUiP werkt OMDAT classidur een grote waterdampdoorlaatbaarheid heeft, maar het indringen van water voorkomt
[dassidur ê\
Gevolgen a) De steen kan uitzweten, dus geleidelijk drogen. b) De zuurcondensaties kunnen niet binnendringen, dus de aantasting van de steen gaat niet verder.
1989 VERNIS CLAESSENS SA, ROUTE DU SILO 6, CH -1020 RENENS Import Benelux: CLAESSENS TRADING INTERNATIONAL SA,B-7535 TOURNAI TEL. + 32 (O) 69.546288, FAX + 32 (O) 69.548057