Mosterdsaus Bezorgd om het milieu?
Knikkend negertje Als kind spaarden wij het zilverpapier van onze chocoladerepen voor de “missies”. Wat de arme “negertjes” in “de Congo” deden met het zilverpapier heeft nonkel pater ons nooit uitgelegd. Hij kon wel spannende verhalen vertellen over zijn “beschavingswerk”. Dat zilverpapier werd trouwens toen nog niet van aluminium gemaakt, maar van een tinlegering, leer ik nu. Sommige bronnen beweren dat het zilverpapier hier in België naar fabrieken werd gebracht om gerecycleerd te worden. Anderen zeggen dat het enkel ging om een bewustmakingscampagne: flikkerde nonkel pater die massa’s zilverpapier dan gewoon in de vuilnisbak? Een missiebusje met een “negertje” dat knikte wanneer je er een munt instak, hielp bovendien de koloniale leegroof te verbergen.
De verzamelwoede van veel scholen vandaag doet mij terugdenken aan zilverpapier en “knikkende negertjes”. Verzamelen is ook vandaag erg in. Heel wat scholen doen dat bijvoorbeeld met inktpatronen of batterijen. Het gaat hier om afval van derden, afval dat niet is ontstaan door de werking van de school, maar dat leerlingen of ouders naar de school brengen. De school wordt daarvoor beloond met digitale camera’s, printers of computers. En dat is, in de meeste gevallen, ook het hoofdmotief: het materiële voordeel dat de school ermee kan halen. De nadruk ligt op het inzamelrendement. Bezorgdheid om het milieu is dikwijls ver weg.
Educatieve kadering Afval vermijden en hergebruik stimuleren, zouden in een MOS-school te allen tijde de meeste aandacht moeten krijgen, vóór het sorteren om te recycleren. Scholen vergeten wel eens dat ze enkel (tijdelijk) afvalstoffen van derden mogen stockeren indien de inzamelactie wordt
gekaderd in een educatief project. En de organiserende firma’s, instellingen of ngo’s moeten van de OVAM (Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij) vooraf een schriftelijke toestemming krijgen! Hun inzamelactie moet een educatief initiatief zijn dat past binnen het Vlaamse afvalstoffenbeleid. Het initiatief moet duidelijk maken dat de voorkeur gaat naar afvalpreventie en alternatieven die hergebruik mogelijk maken, eerder dan naar sorteren om te recycleren. De initiatiefnemer vermijdt het competitie-element. Bedrijven die de inzameling van afvalstoffen op scholen initiëren, moeten scholen helpen bij de organisatie. Zij kunnen dat doen door educatieve ondersteuning zoals lespakketten aan te bieden, of door de inzameling logistiek mogelijk te maken. Als de nadruk ligt op het inzamelrendement ontstaat er een sfeer waarin kinderen, jongeren of hun ouders afgegeven afvalstoffen uit de winkels en uit de containerparken halen. Dat kan onmogelijk de bedoeling zijn van de inzameling! De organisator of initiatiefnemer moet de kwaliteit van zijn educatieve campagne bewaren door de ondersteuning van de scholen niet te verbinden aan de ingezamelde hoeveelheid afvalstoffen.
Anders en beter Er zijn andere en betere manieren om op school geld in te zamelen. Mogelijkheden genoeg. Projecten in overvloed. Organiseer meifeesten, wafelenbak, opendeurdagen of gesponsorde wedstrijden. De door MOS-acties gespaarde energie of verminderde waterfacturen hebben trouwens evenzeer positieve financiële gevolgen. Ook met dat geld kan de school zich educatief materiaal aanschaffen of activiteiten voor de leerlingen organiseren. Je kunt natuurlijk ook nog altijd gebruik maken van een spaarpotje met een “knikkend negertje”, maar dan niet om je schuldgevoel af te kopen.
Eric Craenhals 1
Oprukkend MOS in het basisonderwijs Groen, groen kleutertje…wat doet gij in mijn hof? Naar een aangename buitenspeelruimte voor de allerkleinsten. Kris van Ingelghem, GREEN vzw
Een groene, gevarieerde speelruimte bevordert het welbevinden van kleuters en de verbondenheid met hun omgeving. Studies wijzen Een uitdagende bovenplek voorkomt dien uit dat dat kleuters anpositieve natuurerva- deren uitdagen. ringen op zeer jonge leeftijd een sterke en blijvende impact hebben op de houding tegenover natuur en milieu. Kinderen waarderen een harde speelplaats slechts zeer matig. Genoeg redenen om de kleuterspeelplaats grondig te evalueren. Criteria zijn o.a.: speeldruk (6 m² / kind), overdekking (1,2 m² / kind), schaduw, niet verharde delen (streef naar 1/3 van de open ruimte), veiligheid, akoestiek, speelaanleidingen, structuur, sfeer en uiteraard natuur. Een veelheid aan spelvormen moet aan bod kunnen komen: 2
Mosterd 16
rustig spel, experiment, exploratie, creativiteit en constructie, bewegingsspel met en zonder materiaal enzovoort. In de
klas worden meestal hoekjes voorzien met een verscheiden aanbod. En hoe zit het buiten?
De Appeltuin, Leuven
Heilige tegels? Ook buiten krijgen verscheidene recreatievormen (en de allerkleinste instappers) best hun eigen plekje. Met groene elementen als haagjes, groepjes struiken, begroeid reliëf en wilgenbouwsels kun je de nodige structuur aanbrengen. De hoekjes zelf kun je verder inkleden met o.a. zitstammetjes, een stuk kruin van een stevige dode boom als klimaanleiding, klimplanten, stevige bloemen met een lange bloeiperiode en sterk geurende kruiden, los natuurmateriaal, potten en pannen, rolkeien en stenen. Vaak is het dan nodig een aantal tegels te verwijderen om een haagje of perkje in te brengen. Dat is op de meeste plaatsen absoluut haalbaar. Houd wel rekening met ondergrond en eventueel leidingen/ afvoer. Is er overal verharding? Bekijk zeker met een open geest of je de aanbevolen 1/3 onverharde ruimte kunt realiseren. Tegels zijn minder belangrijk dan het amusement van de kleuters. Er is ook meer insijpeling van hemelwater mogelijk wat vaak plassenproblemen oplost. Tegels en klinkers kun je ook recupereren om bv. een zitkring te maken. Het lijkt paradoxaal, maar op een speelplaats met meer hoekjes is er een beter overzicht, zowel voor de kleuters (weg stress) als voor de toezichthouders (ook stress weg). Voorwaarde is een doordachte inplanting van de genoemde elementen. Minder paradoxaal: op een zachte speelplaats minder harde ongelukken.
lo! Tussen twee zo’n heuvels zit hij al in een diep dal, maar zeker niet mentaal. Integendeel, hoe geweldig is het hier, joehoe! Een kleurrijk windmolentje op een hoge paal met enkele vanen of linten vormen de kers op de berg. (element ‘lucht’) Fietsen en karren kunnen ook op een apart groen parcours (eventueel met diverse ondergronden en enkele hindernissen waar je ook eens met blote voetjes kunt rondlopen). Op die manier kun je het heviger bewegingsspel meer afgescheiden van rustiger spelvormen. Dat bevordert niet alleen de veiligheid maar ook de rust.
Ik zit- in ’t groen - en ik zie een… Rustige spelvormen vinden vaak plaats aan de randen en “overhoekjes” van het terrein. Maak daar plekjes met wat inheemse schaduwstruiken (hazelaar is gewoonweg super), haagjes (eventueel met kleinfruit) of een levende wilgenkoepel. Voorzien van wat potten, vruchtjes, takjes, blaadjes, mos, stro, kruiden ontstaan er zeker creatieve momenten. Geregelde inbreng van nieuw materiaal bevordert
de aantrekkingskracht. Meer groen bevordert meteen de biodiversiteit. Op elke speelplek kunnen klimen leiplanten. Ze verzachten de harde lijnen van een gebouw, zorgen voor een derde dimensie met schuilplekjes voor kleine beestjes en heel wat sfeer. Ze verzachten bovendien het lawaai. Ze nemen Reken maar dat weinig hun aandacht wordt plaats in. gevangen wanneer Je kunt ook een sprinkhaan een grote pergola komt doorgefietst, laten overeen libel voorbijpagroeien radeert of een kikdie voor een ker langsvliegt. levende en schaduwrijke sfeerplek zorgt, wat dacht je van een druivelaar of een kiwi(-bes)? Met een veilig waterplekje (element ‘water’) of wat nestplaats voor kriebelbeestjes verhoog je de aantrekkingskracht nog meer. Kleuters krijgen dan ook meer de kans om diertjes tegen te komen tijdens hun spel. Sommigen gaan actief op zoek als een echte bioloog in de dop.
Al wie da ni springt is… Klimmen, rennen, op en af, wat een sprong… en kijk eens wat ik al durf! Beweging kun je bevorderen door aanbreng van een gevarieerd reliëf met hier een brugje, daar een trapje of ladder uit dikke stevige takken of stammen, ginds een klein touwenparcours tussen de kruidengeur, een glijbaan in een heuvel of berm tussen de bloemen. Met enkele vrachtwagens (gratis) aarde kom je al een heel eind. Voor een kleuter is een meter hoog al een heuse berg. Alie Hal3
En wie gaat dat betalen? Klop zeker aan bij jouw gemeente voor financiering of voor wat plantmateriaal. Na West-Vlaanderen en Vlaams-Brabant is er nu ook in de provincie Antwerpen een subsidie mogelijk. Hopelijk volgen de anderen. Laat je vooral niet tegenhouden door subsidies om gratis materiaal te gebruiken. Spreek het netwerk rond de school aan en verbaas je hoeveel je zo kunt verzamelen: stammen, wilgenhout, zaailingen en scheuten, bakstenen, kruiden, zaden, iemand met een graafmachine? Wel goed coördineren!
den voor een kleuterlabyrint, klein- en leifruit, een grote pergola en een klimhoekje met hazelaars. “Vrije basisschool Vlierbeek” zet zich al jaren in voor een groen avontuurlijk plekje voor de kleu-
ters naast de tegelruimte die nu ook meer wordt vergroend. Literatuur: zie www.springzaad.be >literatuur. Zie ook: http://vergroening.lne.be
Aanleg en onderhoud Neem je tijd, zowel voor de planning als voor de uitvoering. Maak een totaalplan van de site en een tijdsplan. Zorg vooral dat je stevig plantmateriaal hebt of het tijdig kunt afschermen van sloopgrage kleuters. Soms moet je een ‘werfdeel’ ook even afschermen voor de veiligheid van de kleuters… en van de werf. Een groene speelplaats hoeft niet meer onderhoud, wel een andere benadering. Gebruik onderhoudsarme groenvormen en zorg voor een kringloop van groenmateriaal op eigen terrein (composthoop met Jerom de beroemde compostworm, hakselen, takkenwal of takkensofa, vlechtwerk, bladerhoop e.d.) Vaak kun je de kleuters zelf betrekken bij het onderhoud. Het is ook een ideale manier om ouders of grootouders te betrekken bij je werking. Zo kun je ze meteen informeren over de schoolvisie op het betere buitenspel.
Groen avontuur “De Appeltuin” uit Leuven vormde de kleuterspeelplaats om van een saaie betonplek met zandbak en klassiek speeltoestel tot een speloase met centrale speelheuvel, groene hoekjes, wilgentunnel en een waterplekje. “Hertog Karel” van Wilsele maakte een fietsparcours rond een reliëfrijke plek. Ze zorg4
Mosterd 16
Hertog Karel, Wilsele
Sociale interactie In de provinciale groendomeinen Averegten, Heist-op-den-Berg en Vrijbroekpark, Mechelen ging dit seizoen het project ‘natuurinclusie’ van start. Kinderen uit de derde graad van het lager onderwijs trokken samen met kinderen met een matige tot ernstige verstandelijke beperking de natuur in. De gidsen gaan in gesprek met de kinderen van de derde graad. Volgende vragen komen o.a. aan bod: ‘Wat is een verstandelijke beperking? Hoe kun je omgaan met kinderen met een verstandelijke beperking? Hebben we zelf ook beperkingen?’ Tijdens een spel maken de klassen dan kennis met elkaar. In het begin is het zoeken naar de juiste toon, de goede sfeer, de correcte taal. De ene keer lukt het al wat beter dan de andere keer, maar na een poosje ontstaat er tussen de leerlingen een boeiende en respectvolle communicatie over en weer. De opdrachten in kleine groepjes hebben te maken met zintuiglijke waarnemin-
gen. Kinderen laten bijvoorbeeld hun geblinddoekte partner bosvondsten voelen en ruiken. Er is maar één beperking: het mag niet prikken of vies zijn. Voor die opdracht is vertrouwen nodig, moeten er handen gegeven worden. Voor sommige kinderen met autisme is dat niet evident. Er werden grenzen verlegd, bruggen gemaakt en er ontstond een boeiende interactie die voor beide groepen verrijkend was.
Het bos of park is de ideale plek om sociale interactie te organiseren. Het is een neutrale en rustige plek die uitnodigt tot spel, beleving, fantasie en sociale dynamiek. Meer informatie krijg je van Ils Van Roosbroeck, 015 45 13 92, ils.vanroosbroeck@groenmechelen. provant.be of Ilse Stoffels, 015 24 89 47, ilse.stoffels@groenkempen.provant.be
Nieuw in De Helix Vanaf 1 september 2010 brengt het Natuur- en milieueducatiecentrum De Helix drie nieuwe activiteiten voor het basisonderwijs.
Van tak naar tak met Friedel en Krak Krak de eekhoorn zoekt zijn vriendinnetje. Ze is jarig en hij wil haar verrassen met een geschenk, maar hij is het onderweg verloren. De kinderen maken kennis met het leven van de eekhoorn. Ze ontdekken op een speelse wijze de leefomgeving van de eekhoorn en beleven de herfst in het bos. Ze tonen een houding van zorg en respect voor de natuur. Doelgroep: 3de kleuter en 1ste leerjaar. Duur: 2.30u. Periode: oktober 5
Het bos door de ogen van… De kinderen gaan op ontdekkingstocht naar het bos. Onderweg kijken ze telkens met andere ogen en beleven het bos als kunstenaar, loofboom, pissebed, wetenschapper of houthakker. De kinderen observeren en vergelijken, leven zich in, gebruiken hun fantasie en creativiteit. Zo ontdekken ze verbanden tussen de bosbewoners, het belang van het bos als leefruimte voor planten en dieren en het nut van het bos voor de mens. Doelgroep: 2de graad basisonderwijs. Duur: 2.30u. Periode: april tot eind oktober. Aangepast lente- en herfstprogramma.
DALY op het spel
Doe de Gloob!
In 2009 startte het educatieve project van De Helix over het thema “Milieu en Gezondheid”. Vanaf september kan ook de derde graad basisonderwijs hiermee komen kennismaken. De wereld van DALY, een expo over milieu en gezondheid toont enerzijds bedreigingen en anderzijds lichtpunten bij binnenomgeving, voeding, verplaatsing en recreatie. We starten met een elektronische test over dagelijkse gewoontes. Via een fotospel gaan de leerlingen op zoek naar milieu- en gezondheidsproblemen de wereld rond. Met vragenfiches worden ze door de expo geloodst en maken ze een duurzame creatie. Tijdens een estafetteloop ondervinden ze de kwetsbaarheid van de aarde.
Duurzame Ontwikkeling voor kleuters
Doelgroep: 3de graad basisonderwijs. Duur: 2.30u. Periode: het hele jaar, binnenactiviteit en eindspel buiten. Meer informatie: Natuur- en milieueducatiecentrum De Helix, www.dehelix.be, 054 31 79 52.
Gloob is een ondeugende en nieuwsgierige ontdekkingsreiziger, die graag wil weten hoe alles in mekaar zit. De kleuters leven mee met zijn verre reizen, spannende avonturen en grapjes. Samen gaan ze de uitdaging aan om meer te leren over de wereld. De kinderen leven zich in en voelen zich verbonden met dieren, planten en mensen in de rest van
6
Mosterd 16
Djapo vzw presenteert in samenwerking met poppenspelers Tom Van Outryve en Tom Van Mieghem een mondiaal en duurzaam avontuur op maat van kleuters. Aan de hand van de thema’s hout, (seizoens)groenten en vissen leggen we voor de kleuters een basis om zorg te dragen voor de aarde en haar bewoners. Het avontuur kan starten met het ‘Doe de Gloob!’-pakket voor in de klas of aan de hand van de prikkelende theatervoorstelling met Gloob. Of je kiest voor beide en gooit je kleuters volop in het Gloobgebeuren!
De voorstelling
de wereld. De grote wereld gaat niet meer onopgemerkt voorbij. Leeftijdscategorie: ideaal voor kinderen van 4-7 jaar.
Op avontuur in de klas Djapo vzw verkoopt voor de oudste kleuterklas een Gloobkoffertje met educatief materiaal om aandacht te hebben voor de thema’s groenten, fruit, vissen en hout. Hierin zitten een Gloob-handpop van 90cm, uitgewerkte thema’s voor verscheidene weken, foto’s uit het zuiden, een cd met liedjes en een degelijke handleiding voor de leerkracht. Zo helpen we leerkrachten om samen met Gloob de wijde wereld in de klas te brengen.. Gloob brengt verhalen uit Senegal, Ecuador en de Filippijnen binnen in het dagelijks leven van de kleuters. Doe de Gloob! is een speels en verrassend pakket dat helemaal aansluit bij de leefwereld van de kleuter en de ontwikkelingsdoelen van de kleuterklas. Bovendien krijgt de leerkracht heel wat
instrumenten voor een leuk schoolfeest. Een compleet pakket kost 120 euro. De voorstelling en het pakket versterken elkaar. Beide onderdelen kunnen ook volledig onafhankelijk van elkaar worden gebruikt. Er zijn twee theaterformules. De theatervoorstelling is geschikt voor zalen tot ca. 250 personen. Gloob intiem brengt zijn verhalen voor een groep van maximum 40 kinderen.
Vorming Djapo heeft aan alles gedacht. Dankzij een vorming helpt Djapo leerkrachten op weg om snel en eenvoudig samen met handpop Gloob en zijn activiteitenkoffer de klas op sleeptouw te nemen voor mondiale avonturen met leeftijdsgenootjes uit het Zuiden.
Informatie op www.djapo.be. ‘Doe de Gloob!’ kwam tot stand dankzij www.djapo.be met de medewerking van Provincie Oost-Vlaanderen, Arteveldehogeschool, Hogeschool Gent en Katholieke Hogeschool Sint-Lieven.
Gloob intiem We ontmoeten Gloob thuis aan zijn keukentafeltje. Op zijn bord: een tomaat en een vis. Falala, de tomaat, ontsnapt, gaat op stap en dobbert in de hoed van Gloob naar de overkant van de zee. Gloob is helemaal van streek en wil een boom omhakken om een boot te bouwen. Boktor, de houtworm, houdt hem tegen en samen bedenken ze een plan. Zo komt Gloob in het havendepot waar tomaten worden verkocht. Falala wil niet terug naar huis, maar heeft een goed idee om Gloob aan verse tomaatjes te helpen. Terug thuis, springt ook Argus, de vis uit zijn bord. Tijdens die achtervolging ontmoet Gloob een gekke visser. Hij schept een net vol vissen en Argus blijft helemaal alleen over in het water. Wat nu? Samen met Argus zoekt Gloob een oplossing voor het probleem.
Neem contact op met Djapo om een voorstelling in je school te organiseren. Kijk op de homepagina van www.djapo. be voor al geprogrammeerde publieke voorstellingen. Bestel je Gloobpakket via info@djapo.be. Vermeld: school, naam, adres, facturatieadres, telefoonnummer, e-mailadres en aantal pakketten. 7
NME-belevenissen Belevingstocht De kleuters gaan op belevingstocht met Pelle in het dierenpark van het provinciedomein Huizingen. Ze ontdekken hoe zacht een konijn is, wat je van de wol van het schaap kunt maken en welke zaadjes de vogels lusten. Wie weet kunnen ze in de lente zelfs jonge diertjes bewonderen! Kan een parkiet ook praten als een papegaai? Wat zijn de verschillen tussen een damhert, edelhert en ree? Welk schapenras geeft welk product? De leerlingen gaan in kleine groepjes op onderzoek in het dierenpark. In de openluchtklas krijgen ze opdrachten en verzamelen zelf informatie over de dieren. Ze stellen ze tot slot aan elkaar voor. Op een speelse manier leren de leerlingen heel wat bij over de dieren in het dierenpark.
8
Mosterd 16
Bosbeleefpad Het rustig gelegen Hanenbos grenst aan het Provinciedomein van Huizingen. Het is een verblijfs- en vormingscentrum en een prima uitvalsbasis voor excursies naar het Pajottenland en de Groene Gordel. De natuurrijke omgeving leent zich uitstekend voor natuur- en milieueducatie. De gasten van Hanenbos kunnen het volledige aanbod aan NME-activiteiten boeken. Het ‘Hanenbospad’ is een bosbeleefpad met verschillende speeltoestellen. Je maakt kennis met fauna en flora en hun specifieke eigenschappen. Ben je even lenig als een eekhoorn, kun je even goed zien als een roofvogel en even ver springen als een ree? Heb je ooit gebeld met een boomtelefoon? Alle gasten van Hanenbos kunnen het uitproberen! Wie in Hanenbos verblijft heeft gratis toegang tot het Provinciedomein van Huizingen. Meer informatie over het verblijfs- en vormingscentrum: www.hanenbos.be.
Ten oorlog Alle dieren, van mier tot vos, alle planten, van grassprietje tot eik, alle paddenstoelen, zwammen en schimmels - die variatie aan leven noemen we “biodiversiteit”. Op de Diestse stadswallen laten we de verdwenen militairen terug verschijnen. We maken kennis met het hoe en het waarom van het historisch verdedigingswerk. En samen gaan we de strijd aan... voor meer biodiversiteit! Doelgroep: tweede graad basisonderwijs (Provinciedomein Halve Maan, Diest).
Kieteltocht Er is meer leven dan je denkt, zeker in de onmiddellijke omgeving van de school. Daarom gaan we met de kleuters op zoek naar kleine diertjes op de speelplaats, in de speeltuin, in een parkje of een groene strook dicht bij de school. We nemen de diertjes mee naar de klas en bekijken ze van dichtbij. Dan maken we een echte kieteltocht langs een spinnenweb, een regenwormpijp of door een slakkenhuis. Doelgroep: kleuters (Regionaal Landschap Groene Corridor). Meer informatie over alle NME-programma’s van Vlaams-Brabant vind je op www.vlaamsbrabant.be/nme.
Derde graad basisonderwijs
Het volledige aanbod van het PIME voor het schooljaar 2010-2011 kun je raadplegen in de nieuwe brochure. Alle basisscholen in de provincie Antwerpen ontvingen een exemplaar. Niet gevonden of je wenst een extra exemplaar? Bel 015 31 95 11
of mail info@pime.provant.be en vraag je exemplaar ‘derde graad basisonderwijs’ aan. Uiteraard kun je het aanbod ook raadplegen op www.pime.be. PIME vzw, Mechelsesteenweg 365, 2500 Lier.
9
Mister Jekkes Om jonge kinderen te sensibiliseren voor de afvalproblematiek ontwikkelde de provincie West-Vlaanderen in samenwerking met de West-Vlaamse Afvalintercommunales het ‘Mister Jekkes afvalspel’. Mister Jekkes geeft kinderen een ruime kijk op het afvalprobleem. Kinderen ontdekken hoe ze de problematiek kunnen aanpakken en zelf de afvalberg
verminderen, zowel thuis als op school. Het Mister Jekkes-afvalspel is een logisch vervolg op het afvalspel dat de provincie West-Vlaanderen al verscheidene jaren met succes aanbiedt. De doelstelling blijft dezelfde, namelijk een leuk en educatief spel over de afvalproblematiek voor kinderen tussen 8 en 12 jaar. Het concept daarentegen werd totaal vernieuwd, met nog meer aandacht voor duurzaamheid, gebruiksvriendelijkheid en educatieve onderbouw.
Vier teams nemen het tegen elkaar op. Op een reuzengroot spelbord (2x2 meter) en aan de hand van afvalgerelateerde vragen, moeten de teams zo snel mogelijk hun vuilnisbakje (gevuld met afval dat nog selectief ingezameld kan worden) trachten te ledigen. Het spel is gebaseerd op de principes van de Ladder van Lansink (rangorde voor afvalbehandeling). Dat wil zeggen dat de principes van afvalpreventie en hergebruik in het spel primeren. In samenwerking met de West-Vlaamse Afvalintercommunales wordt het afvalspel gratis aangeboden aan West-Vlaamse scholen.
Meer informatie op www.west-vlaanderen.be/misterjekkes. Alexandre Lefebvre, Provincie West-Vlaanderen, Alexandre.lefebvre@west-vlaanderen.be 10
Mosterd 16
Oprukkend MOS in het secundair onderwijs Verwonderd en fier tegelijk Getuigenis van een MOS-leerkracht Ann Huyghe, Technisch Atheneum, Heule Mijn naam is Ann Huyghe en ik geef al 14 jaar PAV en godsdienst in het KTA van Heule. Toen ik startte, had de school ongeveer 380 leerlingen en was ze tot ver gekend als een school met heel veel probleemleerlingen. Geleidelijk aan nam het leerlingenaantal af en de school kreeg in de omgeving een nog slechtere reputatie. De leerlingen werden weinig of niet betrokken bij zaken op school. Er werden nauwelijks extra-muros activiteiten georganiseerd.
Ik had nog nooit gehoord van MOS en toen ik vernam wat het inhield, dacht ik onmiddellijk ‘Met onze leerlingen en leerkrachten?? Dat lukt me nooit!’ Hoe moet ik in godsnaam leerlingen en leerkrachten zo ver krijgen dat ze in een milieuwerkgroep actief willen zijn?
Dat lukt me nooit Twee jaar geleden kregen we een nieuwe directie: een jonge, dynamische directeur met een duidelijk leerling-gerichte visie. Omdat ik een organisatorische freak ben en graag extra-muros activiteiten voor de leerlingen organiseer, werd
ik aangesteld als VOET-coördinator. Ik kreeg hiervoor 5 BPT-uren. Mijn voornaamste taak: allerhande vakoverschrijdende initiatieven uitwerken. Ik kreeg ook de opdracht om met de school een MOSlogo te behalen. Ik had nog nooit gehoord van MOS en toen ik vernam wat het inhield, dacht ik onmiddellijk ‘Met onze leerlingen en
leerkrachten?? Dat lukt me nooit!’ Hoe moet ik in godsnaam leerlingen en leerkrachten zo ver krijgen dat ze in een milieuwerkgroep actief willen zijn? Daar kwam nog bij dat ik zelf geen achtergrondkennis had omtrent milieu en milieueducatie en het me eigenlijk niet echt interesseerde. Ik geef bovendien toe dat ik zelf een beetje lui ben als het gaat om
milieubewust leven. Ik ben begonnen met de MOS-enquête. Daaruit bleek, zoals verwacht, dat geen enkele collega in de milieuwerkgroep actief wou zijn. Bij de leerlingen had ik meer geluk! Een 30-tal leerlingen zag het wel zitten. Uiteindelijk heb ik 10 leerlingen overgehouden, want een aantal van hen had verkeerd aangeduid of de vraag verkeerd begrepen.
MOS-logo Ik had een duidelijk beeld van wat ik dit jaar omtrent MOS wou en kon bereiken. Tijdens de eerste vergadering van de milieuwerkgroep wou ik mijn ideeën niet opdringen. Ik vind dat de leerlingen zelf creatief moeten zijn, ideeën moeten aanbrengen en ideeën moeten uitwerken. Anders is het gemakkelijk en doen ze gewoon wat de leerkracht zegt of vraagt. Tot mijn grote verbazing heb ik zelfs bijna niet de kans gekregen om maar iets te zeggen. Zij namen het woord! Het was ongelooflijk hoeveel schitterende ideeën naar voren kwamen, hoe ze zich inleef11
den, hoe ze het met elkaar konden vinden (tso en bso, 2de graad en 3de graad), hoe enthousiast ze alles wilden aanpakken en voor een MOS-logo wilden gaan. Ik was zo fier als een gieter op mijn leerlingen! De eerste die nog eens zou zeggen dat met leerlingen van tso en bso partici-
De leerlingen vinden het helemaal niet erg dat de directeur ‘ambetant’ (hun woorden) doet, want dan is de voldoening des te groter als ze toestemming krijgen voor hun idee.
patief en creatief werken onmogelijk is, die zou nogal eens iets gaan horen! In al mijn enthousiasme ben ik zelfs bij mijn directie gaan melden wat een fijne leerlingen in de milieuwerkgroep zitten en hoe enthousiast ze wel zijn! Ik heb ook Lieve Maes (MOS-begeleider, WestVlaanderen) gemaild om te melden hoe goed de milieuwerkgroep het deed! De milieuwerkgroep vergadert 1 keer per maand om 16u30. Daar bespreken we allerlei zaken die beter kunnen en overleggen we wie wat zal doen. In de week die volgt na de vergadering gaan 2 leerlingen het verslag aan de directie voorleggen en goedkeuring vragen voor eventuele voorstellen, investeringen, uitstappen of acties. De leerlingen maken een afspraak bij de directiesecretaresse. Dan formuleren ze zelf hun voorstellen op een vooraf gemaakt document en krijgen, indien goedgekeurd, de handtekening van de directie. Van die vergadering maken ze een verslag en dat leggen ze dan voor aan hun medeleerlingen tijdens de volgende vergadering van de milieuwerkgroep.
De directeur doet ‘ambetant’ Omdat de ene leerling dat al beter doet dan de andere, hebben we een korte training ‘hoe vergaderen?’ voorzien, want onze directeur houdt er wel van om hen het vuur aan de schenen te leggen tijdens de vergaderingen. De leerlingen vinden het helemaal niet erg dat de directeur ‘ambetant’ (hun woorden) doet, want dan is de voldoening des te groter als ze toestemming krijgen voor hun idee. Indien hun voorstellen worden goedge12
Mosterd 16
keurd, moeten ze zelf de nodige stappen zetten om hun projecten te verwezenlijken. (Ik hou dan wel toezicht, want in hun enthousiasme vergeten ze wel eens dat niet iedereen op school even bezield is of dat bepaalde procedures moeten worden gevolgd!)
Realisaties Het enthousiasme van deze 10 is gebleven doorheen het hele jaar! Niets was hen te veel. Ze bleven na om te helpen en vergaderen, plaatsten vuilnisbakken op een woensdagnamiddag, organiseerden de Dikke-truiendag en hielpen uitstappen en workshops organiseren in het kader van MOS. Ze houden ook alles nauwlettend in het oog: ze controleren de vuilnisbakken op de speelplaats en in de klassen, wijzen leerlingen en leerkrachten op hun foute sorteergedrag en mobiliseren andere leerlingen om in de werkgroep te komen. Op het einde van het schooljaar eten we met zijn allen op woensdagnamiddag, na de laatste vergadering, spaghetti. De directie is daar ook bij aanwezig. Ik heb de indruk dat vooral de inspanningen van die kleine groep en de inspanningen van de directie (opkuisregeling voor speelplaats – kuisdag – investeringen) de leerlingen veel milieubewuster hebben gemaakt. Voor het eerst sinds jaren ligt onze campus er te allen tijde proper bij. Leerlingen gooien hun vuilnis in de vuilnisbakken i.p.v. op de grond. Ze sorteren in de klassen en op de speelplaats. De vuilnisdienst van de stad Kortrijk neemt voor het eerst sinds jaren onze zakken PMD opnieuw mee. De werkman en poetsvrouwen zijn in de wolken en in de straten is er veel minder zwerfvuil te vinden, zo melden de buren. Drie leerlingen vroegen me of ze mee in de milieuwerkgroep mochten zitten. Een afgestudeerde leerling zou graag nog actief blijven in de werkgroep!
En de collega’s? Het is teleurstellend te moeten toegeven dat de collega’s heel wat minder enthousiast zijn dan de leerlingen. Ik had nooit gedacht dat de leerlingen gemakkelijker te motiveren zouden zijn dan de leerkrachten. Het kwetst me soms als ik zie dat zaken die de werkgroep organiseert niet worden uitgevoerd door sommige collega’s. Sommigen helpen ook niet mee met sorteren in hun klas of in de leraarszaal. Maar, we geven niet op! Het zal ons wel lukken om iedereen te motiveren! Als mensen mij vragen wat ik gerealiseerd heb i.v.m. de vakoverschrijdende eindtermen tijdens mijn eerste jaar als VOET-coördinator, dan zeg ik altijd ‘mijn milieuwerkgroep en het eerste MOS-logo’. Ik heb natuurlijk veel meer gedaan, maar die groep en wat we bereikt hebben als school inzake MOS, dát is wat mij het meest bijblijft na één jaar. Wat ik onmogelijk achtte in onze school is toch grotendeels gelukt. Dat verwondert me en maakt me fier tegelijk. Hoe sceptisch en negatief ik ook over MOS dacht, de Ik had nooit geleerlingen hebben dacht dat de leerme doen inzien dat lingen gemakkeik bevooroordeeld lijker te motiveren was en dat ze veel zouden zijn dan de meer kunleerkrachten. nen dan ik dacht en dat ze veel meer met het milieu inzitten dan ik ooit voor mogelijk hield.
En anno 2010? Ondertussen heeft de school het tweede logo behaald en telt de werkgroep anno 2010 niet enkel en nog altijd evenveel enthousiaste leerlingen, maar ook vier enthousiaste leerkrachten.
Air@school Met een gezonde, open geest in een frisse klas
Stefanie Vanhoutte, Medisch Milieukundige, Logo Midden-West-Vlaanderen September is al lang voorbij, de zomer weer vergeten. De klasramen en -deuren gaan weer dicht. En toch, verluchten moet altijd! Een gezond binnenmilieu in de klas is erg belangrijk. Goede luchtkwaliteit draagt bij tot een gunstige leeromgeving en geeft een gevoel van comfort, gezondheid en welbevinden. Een slechte kwaliteit van het binnenmilieu kan naast fysieke gezondheidsklachten en discomfort ook leiden tot onrust, onoplettendheid en prikkelbaarheid. En dat heeft een nadelige invloed op het prestatievermogen. Het project “Lekker Fris” loopt al een aantal jaren met succes in het basisonderwijs. Doorheen een avontuurlijke tocht vol verhalen en proefjes met onder andere een CO2-meter en knutselopdrachten, leren de leerlingen waarom het belangrijk is om hun klaslokaal regelmatig te verluchten. Onderzoek heeft aangetoond dat “Lekker Fris” een positief effect heeft op de CO2-gehaltes tijdens de lesuren op school.
Projectbox Eind september ontving elke Vlaamse secundaire school een videoboodschap. Actrice Sien Eggers kroop daarvoor in de huid van Claire, die op een ludieke manier voor gezonde lucht in een klas zorgt. Wil je klas zelf aan de slag? Dat kan. Samen met de DVD heeft de school een
aanvraagformulier ontvangen om de projectbox te ontlenen bij het Logo. Die box zit vol materialen die het makkelijk maken aandacht te hebben voor een goede verluchting:
Ventilatiegedrag Dit schooljaar willen we met het project air@school ook de binnenlucht in het secundair onderwijs verbeteren. Centrale pijlers zijn sensibilisatie van directie, leerkrachten en leerlingen en eenvoudige maatregelen om de binnenluchtkwaliteit in de secundaire scholen te optimaliseren. We willen de nadruk leggen op het ventilatiegedrag en dus niet op structurele aanpassingen van de schoolgebouwen. 13
Gezondheid- en milieubeleid l l l l l l
14
Het raamcontract is een poster om in de klas op te hangen. Op de pos- ter is plaats voorzien voor de afspra- ken die je met de leerlingen maakt om de klas te ventileren. Als leer- kracht ga je met je leerlingen het engagement aan om samen de ge- maakte afspraken na te komen. Enkele voorbeelden: tijdens de pauzes zetten we ramen open, tijdens de lessen staan de ramen op een kier. Leerkracht én leerlin- gen ondertekenen het raamcontract. De handleiding voor leerkrachten om met de air@school kit aan de slag te gaan. De raamstopper: een raam openen is één ding, het open houden is iets anders. Met de raamstopper blijft het raam op een kier staan. De CO2-meter toont hoe het in de klas is gesteld met de kwaliteit van de binnenlucht en informeert over de nood aan ventilatie. Als het haalbaar is, streef je best naar een waarde van 800 ppm. Lager hoeft niet, want dan kan er onnodig energieverlies zijn. De ventilatiewekker. Vergeet je af en toe te ventileren en te verluchten? Geef bij het begin van de les een kleine draai aan de ventilatiewekker. Op een onverwacht moment zal de wekker rinkelen: tijd om het raam te openen! Airshot blikken en neusknijpers. Deze nonsens gadgets wijzen op een ludieke manier op het belang van frisse lucht, zetten de leerlingen aan het denken en kun je gebruiken tijdens een klasactiviteit.
Mosterd 16
Om een blijvend effect te hebben is het belangrijk dat het thema gezonde binnenlucht aandacht krijgt binnen het schoolbeleid. Dat kan zowel binnen het gezondheidbeleid als binnen het milieubeleid. In de handleiding is een matrix opgenomen die de school helpt om air@ school te kaderen binnen haar gezondheidbeleid. Bovendien zorgt het gebruik van minder schadelijk en milieuvriendelijk schoolmateriaal en schoolmeubilair niet enkel voor een gezond binnenmilieu maar ook voor een beter leefmilieu.
Meer informatie: Projectsite www.airatschool.be. Voor vragen over air@school kun je ook altijd terecht bij het Logo van je regio. Contactgegevens kun je vinden via www.vlaamselogos.be. Het project air@ school is een samenwerking tussen het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, de Vlaamse Logo’s en het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie en Ziektepreventie. Het project werd op 15 september 2010 gelanceerd door minister Vandeurzen.
Verslag uit het land van Dracula Ze zijn zelfs op de Nationale Roemeense Televisie verschenen. Wordt vervolgd, want de Roemeense jongeren komen ook naar België. Meer informatie op www.greenbelgium.org. Michel Reynders, Projectverantwoordelijke, GREEN vzw.
Roemenië, een gastvrij land gehuld in mooie natuur, traditionele beroepen maar ook het land van Dracula, is klaar voor vernieuwing. Hier lag de eindbestemming en climax van het project JBD van GREEN vzw. “Jongeren Bouwen Duurzaam” is gegroeid uit de ervaringen die GREEN heeft samengesprokkeld op het terrein van mens - en milieuvriendelijk bouwen en wonen. Met financiële steun van de federale overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling (PODDO, www.poddo.be) en de Rotaryclub Zottegem heeft GREEN een traject klaargestoomd voor TSO- en (D)BSO-richtingen uit bouwgerelateerde opleidingen om duurzaam bouwen in hun opleiding op te nemen. Drie klassen van drie verschillende scholen (KTA Ieper – PTI Zottegem – Steinerschool Lier) gingen de uitdaging aan. De drie klassen kregen van GREEN een vorming over duurzaamheid, aangepast
aan hun opleiding op school. Ze leerden over isoleren, water besparen, gevelbepleistering en energie besparen, maar kregen ook een communicatietraining. Mathias, Kenneth, Stijn, Alexander, Devi en Adriaan (zes leerlingen) en Wim, Michaël en Luc (drie leerkrachten) vertrokken op 27 juni 2010 naar Roemenië. Hun opdracht was samen met Roemeense jongeren en hun begeleiders isolatiewerken uit te voeren aan een gebouw dat bestemd is voor mentaal gehandicapte kinderen. Geen gemakkelijke opdracht, als je weet dat er heel wat barrières moesten worden doorbroken, zoals taal, achtergrond, technieken, materiaal en plaatselijke tradities. Dat bleek voor onze jongeren echter geen probleem, integendeel zelfs. Ze hebben hard gewerkt, maar er was ook de nodige aandacht voor ontspanning en plaatselijke cultuur. De uitwisseling was een fantastische ervaring voor iedereen.
Milieuzorg in je stagebedrijf Iedereen moet instaan voor het milieu: jijzelf, je vrienden, je school en de bedrijven. Ga daarom eens kijken in je stagebedrijf hoe ze daar omgaan met energie, afval en materialen, mobiliteit, water en vergroening. Vul de vragenlijst in en trek je conclusies. Neem de resultaten op in een Excel-bestand en vergelijk verschillende stageplaatsen. De vragenlijst vind je op www.milieuzorgopschool.be >secundair>downloads >test je stageplaats
15
Milieu en gezondheid op nieuwe voeten Vanaf 1 september 2010 zijn de geactualiseerde vakoverschrijdende eindtermen van kracht. Het NMEC De Helix voorziet in dat kader een interessante activiteitenreeks volledig uitgewerkt in overeenstemming met de nieuwe VOET. Milieu en gezondheid is de rode draad doorheen de programma’s voor elke graad van het secundair onderwijs.
Meer feest, minder impact: 1ste graad secundair. ’t Is feest. Aankopen moeten gebeuren: drankjes, hapjes, kledij. De leerlingen beraden zich over roken, loeiharde muziek, verplaatsing. Net als in het dagelijks leven worden ze geconfronteerd met dilemma’s en kunnen ze bewustere keuzes maken, rekening houdend met de impact op de aarde en hun gezondheid.
Twee voor twaalf (quiz): 2de graad secundair. Voeding en roken beïnvloeden de gezondheid in positieve of negatieve zin. Er zijn echter veel meer factoren die een onevenwicht veroorzaken. De manier van verplaatsen, verwarmen, welke materialen zich in het huis bevinden en hoe een ruimte verlucht wordt, zijn factoren die een rol spelen voor de gezondheid en de ruimere leefomgeving. De quiz test en brengt kennis bij, maakt bewust en reikt een aantal alternatieven aan.
Een grens voorbij: 3de graad secundair. Vervuilende stoffen komen van overal aanwaaien en worden niet tegengehouden door landsgrenzen. Elektronisch afval van hier wordt elders gedumpt. Door toenemende globalisering kunnen infectieziekten zich moeiteloos over de aarde verspreiden. Met een simulatie krijgen de leerlingen zicht op de complexiteit van de milieu- en gezondheidsvraagstukken.
VOET-contexten
Vinger aan de pols (wandeling): 2de graad tso en bso Na het bezoek aan de expo ‘De wereld van DALY’ staat er een gezonde wandeling op het programma. Wie te voet gaat, slaat twee vliegen in één klap: de zorg voor de eigen gezondheid en voor die van de aarde.
Bij deze activiteiten worden leerlingen aangezet tot kritisch denken, een open en constructieve houding en zorgzaamheid. Een ruim aantal vaardigheden wordt ingeoefend uit de contexten lichamelijke gezondheid en veiligheid, omgeving en duurzame ontwikkeling, socio-economische, socio-culturele en politiek-juridische samenleving. Je vindt op de website bij het aanbod secundair onderwijs een heel gedetailleerd overzicht van de nieuwe vakoverschrijdende eindtermen die bij elk van de activiteiten worden beoogd.
Meer informatie: Natuur- en milieueducatiecentrum De Helix, www.dehelix.be, 054 31 79 52 16
Mosterd 16
Duurzaam bouwen en wonen Breng met je klas een bezoek aan Kamp C. Toekomstige bouwprofessionelen zullen hoe dan ook aan steeds strengere normen en eisen moeten voldoen. Kamp C wil leerlingen daarom nu al warm maken voor duurzame bouwtechnieken. Dat doen we ondermeer via rondleidingen door EXPO C, doekoffers en handige zelfgidspakketten specifiek op maat van het secundair onderwijs. Bij de uitwerking van ons educatief aanbod hebben we maximaal rekening gehouden met de afstemming op de eindtermen van vakken zoals technologische opvoeding, bouwtechnieken, hout en elektrotechniek. Ook binnen de nieuwe vakoverschrijdende eindtermen past ons aanbod in de context van ‘omgeving en duurzame ontwikkeling’. Vanaf 1 januari 2011 ben je van harte welkom met de klas in de gloednieuwe tentoonstelling. We hopen je alvast te mogen ontmoeten op één van de lerarendagen in 2010 en 2011 om kennis te maken met ons scholenaanbod. Kamp C is een initiatief van het provinciebestuur Antwerpen. Diverse deelprojecten en –investeringen werden meegefinancierd door de Vlaamse overheid en door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. Kamp C, Provinciaal Centrum Duurzaam Bouwen en Wonen, Britselaan 20, 2260 Westerlo, tel 014 27 96 62, inge.vanloon@admin.provant.be, www.kampc.be.
17
Landschappen en trekvogels Landschapsexcursie De landschapsexcursie op de Kesselberg (Provinciedomein Kessel-Lo) past volledig binnen het vak aardrijkskunde. De leerlingen leren afstanden schatten, zich oriënteren, een topografische kaart lezen, landschappen herkennen en nog veel meer. Er is een fotozoektocht en we geven veel informatie over de kenmerkende geologie van deze merkwaardige getuigenheuvel. Het ecocentrum kan een gids voorzien, maar op aanvraag is er ook een informatiepakket beschikbaar waarmee je zelf aan de slag kunt. Doelgroep: eerste graad secundair onderwijs.
18
Mosterd 16
Sciencecaching In het Provinciedomein het Vinne Zoutleeuw kun je aan sciencecaching doen met behulp van de GPS toestellen die je kunt ontlenen. Raadsels en zoektochten met vragen over natuur en/of wetenschap noemen we “sciencecaching”. Tijdens de tocht kom je meer te weten over de trekvogels die Het Vinne jaarlijks een bezoek brengen om er te broeden of uit te rusten of over de verschillende zeldzame soorten die we een plaats willen geven in Het Vinne. Kun je op het einde van de tocht de code van de schatkist
ontcijferen? Je kunt in ieder geval genieten van de unieke natuur van Het Vinne. Doelgroep: vanaf 14 jaar. Het aanbod van de Vlaams-Brabantse provinciedomeinen vind je op www.vlaamsbrabant.be/nme.
Gericht op de eindtermen
Met je klas op stap? Op excursie in je eigen omgeving? Op zoek naar geschikt lesmateriaal? Werken aan Milieuzorg Op School? Welkom in het PIME! Of wil je aan de slag met de nieuwe vakoverschrijdende eindtermen? Vooral voor eindtermen uit de context ‘omgeving en duurzame ontwikkeling’ heeft het PIME heel wat te bieden. Vermeldenswaard in dat verband is Naftofni, de expo over duurzame mobiliteit, die verlengd wordt tot december 2011.
Daarnaast blijft het PIME aandacht besteden aan de vakgebonden eindtermen. De Expeditie natuur concretiseert heel wat van de nieuwe eindtermen natuurwetenschappen van de eerste graad. De excursie Kesselse heide en het wateronderzoek zijn dan weer sterk gericht op de eindtermen natuurwetenschappen van de tweede graad. Het volledige aanbod voor 2010-2011 vind je in de brochure ‘secundair onderwijs’ en op www.pime.be.
Wens je meer informatie of wil je reserveren? Contacteer de educatieve medewerker op 015 30 61 23 of reservatie@pime.provant.be.
19
Op zoek naar materialen om je les, stage of eindwerk voor te bereiden? Dan ben je in het documentatiecentrum van het PIME aan het juiste adres. Je vindt er lespakketten, multimedia en spelmaterialen over natuur, milieu en duurzame
20
Mosterd 16
ontwikkeling. Het goede nieuws is dat je voortaan de collectie online kunt raadplegen ĂŠn de meeste materialen kunt ontlenen! Neem een kijkje op www.pime.be/documentatiecentrum.
Vragen? Kom langs tijdens de kantooruren of neem contact met de documentaliste via 015 30 61 28 of documentatie@pime.provant.be.
Thema afval Interactief en dynamisch IDM biedt scholen improvisatietheater aan Jongeren zijn de volwassenen van morgen. Daarom werkt IDM (Intercommunale Durme-Moervaart) sinds 2001 samen met de scholen om de jongeren bewust te maken van de afvalberg in onze consumptiemaatschappij en hun invloed hierop. Scholen die voor het thema ‘afval en afvalpreventie’ kiezen, krijgen van IDM begeleiding en logistieke ondersteuning (in samenwerking met de MOS-begeleiding). IDM wilde dit jaar hierin een stapje verder gaan en bood aan de leerlingen van de eerste en tweede graad, van zowel basis als secundair onderwijs, theatervoorstellingen aan.
21
Milieuprobleem werden leuk voorgesteld. Dat sprak
Improvisatietheater We kozen voor improvisatietheater. Er is dan niet alleen de visuele ondersteuning van de inhoudelijke boodschap, maar ook een gezonde portie humor die zorgt voor een grotere openheid en een verscherpte aandacht. Er is ook inbreng van de leerlingen mogelijk, waardoor er een nauwe band ontstaat tussen leerlingen en spelers. De suggesties van de leerlingen bepalen mee de inhoud en verloop van de diverse scènes, waardoor elke voorstelling uniek wordt. Met 18 voorstellingen bereikten we een 3000-tal leerlingen.
Super hoe de acteurs met dagelijkse zaken zo iets leven-
de leerlingen aan. Improvisatie is heel leuk en creatief. (Edugo, Lochristi) Heel gewaagd en zeker geslaagd (Vrije Basisschool
Miss en Mister Recyclagepark Drie recyclageparkmedewerkers namen het tegen elkaar op: ‘Wie is zijn job het meest waardig?’ De leerlingen van het secundair onderwijs brachten afvalmaterialen aan en mochten ook bepalen welke emoties er moesten worden gespeeld. Zij speelden in sommige scènes mee op het podium. Scènes met leerkrachten werden natuurlijk door het jonge publiek zeer gewaardeerd. Het waren heel interactieve en dynamische voorstellingen.
dig kunnen brengen (VBS De Sprankel, Beervelde)
De leerlingen waren na de voorstelling nog bezig met het thema en hebben er zeker iets van geleerd. (Vrije Basisschool Sint-Laurens Overslag, Wachtebeke)
22
Mosterd 16
Sint-Laurens, Wachtebeke)
Jean en de afvalberg Jean leek spoorloos verdwenen. Zijn collega’s van de verbrandingsoven merkten al gauw het probleem. De berg waarop Jean stond was zó hoog dat Jean niet meer zichtbaar was. Ze konden hem alleen nog een beetje in de verte horen. Hoe is het zo ver kunnen komen? Met afvalsuggesties van de leerlingen van het basisonderwijs werden korte verhaaltjes gespeeld en werd samen naar een oplossing gezocht om bepaalde afvalfracties te voorkomen of zeker zoveel mogelijk te hergebruiken of te recycleren. Zo slonk de afvalberg en werd het weerzien met Jean een feit. Meer informatie: Intercommunale Durme-Moervaart (IDM), Zelebaan 42 in Lokeren, 09 348 43 97, info@idm.be, contactpersoon: Etienne Hillaert, 09 340 60 37, tjen.hillaert@idm.be.
Thema water De milieuboot De milieuboot vaart opnieuw uit voor een boeiende en leerrijke verkenning van de waterwegen, dit schooljaar nog van 28 februari tot 11 juni 2011 op het Kanaal naar Charleroi, het Zeekanaal Brussel-Schelde, het Netekanaal en het Albertkanaal. De milieuboot vaart in de eerste plaats voor leerlingen van de 2de en 3de graad lager onderwijs, de 1ste graad secundair onderwijs en voor studenten lerarenopleiding. Tijdens een educatieve milieuboottocht kunnen de leerlingen aan dek het leven en de natuur op en rond de waterloop observeren en bestuderen. Al varend wordt een waterstaal genomen: de leerlingen onderzoeken in het labo hoe het met de waterkwaliteit is gesteld. Met opdrachten, educatief materiaal en aquaria komen ze meer te weten over de thema’s watervervuiling, waterzuivering, integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling. Samen met de leerlingen zoeken we naar hun plaats in de watercyclus. Hoe kunnen zij helpen om onze waterlopen schoon te houden en zelf ons leefmilieu te sparen? We passen het programma aan boord telkens aan de leeftijd en de voorkennis van de leerlingen aan. Ter voorbereiding en naverwerking van de tocht is er het lespakket ‘Op Sleeptouw’, met lesbladen over water en waterlopen voor leerkrachten en leerlingen. Het project is
opgenomen als MOS-schakel voor het thema water. Meer informatie over de vaartrajecten en data vind je op www.milieuboot.be. Inschrijven kan via www.milieuboot.be of op het nummer 053 72 94 20. Snel reageren is de boodschap, want de
plaatsen zijn beperkt! Het project ‘Educatieve Milieuboottochten’ wordt gesteund door de Vlaamse overheid, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu-integratie en –subsidiëringen.
23
Ten zuiden van Brussel vaart de milieuboot op het Vlaamse deel van het Kanaal naar Charleroi. De relatie met de Zenne is er heel duidelijk: de rivier loopt vlak langs het kanaal en duikt er in Halle zelfs even onderdoor. Het drukbevaren Zeekanaal Brussel-Schelde verbindt de zeehaven van Brussel met de Schelde. Het Zeekanaal ligt in de vallei van de Zenne en vormt een langgerekt lint waarlangs allerlei bedrijven zich vestigden. De Zenne was tot voor kort een zeer vuile rivier. Ten noorden van Brussel was ze zelfs bijna een ‘riool’. Ze droeg dan ook sterk bij tot de vervuiling van de Dijle, de Rupel, de Zeeschelde en dus ook de Noordzee. Gelukkig wordt het Brusselse afvalwater meer en meer gezuiverd en wordt de Zenne stilaan weer een aantrekkelijke, levende rivier! Dankzij het Netekanaal kunnen schepen vlot van de Schelde naar het Albertkanaal varen. Met de Nete aan onze zijde varen we op het Netekanaal van Duffel tot Viersel, waar we versast worden naar het veel bredere Albertkanaal. Op de oevers van het Netekanaal wisselen concentraties van bedrijven en groen elkaar af. Het Albertkanaal is een drukke, brede scheepvaartweg die Antwerpen met Luik en Nederland verbindt. Naarmate we de haven van Antwerpen naderen, maakt de typische natuur van de Kempense zandbodem plaats voor talrijke industriële vestigingen. Het ene bedrijf volgt het andere op: we komen ogen te kort om alles op te nemen! Om de scheepvaart meer kansen te geven, worden de bruggen over het Albertkanaal verhoogd en wordt het kanaal onder de bruggen verbreed. Het water van zowel het Nete- als het Albertkanaal wordt gebruikt voor de drinkwaterproductie. In beide kanalen mag geen afvalwater worden geloosd; de waterkwaliteit is er dus opmerkelijk goed. 24
Mosterd 16
Schelde Jongerenparlement Het internationale stroomgebieddistrict van de Schelde omvat drie landen: Frankrijk, België en Nederland. Een diversiteit aan landschappen evenals een diversiteit aan jongeren, elk met hun eigen visie op water. Daarom brengt GREEN vzw die jongeren twee maal per jaar samen in een kerngroep om over thema’s als duurzame ontwikkeling, biodiversiteit, toerisme, economie en waterbeheer van gedachten te wisselen. GREEN zorgt op die trefdagen voor een inspirerende omgeving waarin bezoeken, workshops, rondleidingen en andere creatieve werkvormen de jongeren uitnodigen om hun mening te geven. Tijdens de tweejaarlijkse plenaire zitting van het Schelde Jongerenparlement overhandigen de ‘Jongeren voor de Schelde’ dan hun ervaringen en visie, gebundeld in sterke waterboodschappen, aan de beleidsmakers. De plenaire zitting van het SJP van 2010 vindt plaats van 24 tot 26 november onder de klinkende naam ‘International Water Messengers Days’.
Een 100-tal jongeren uit o.a. Italië, Frankrijk, Nederland en België brengen in Brussel in het Europees Parlement hun waterboodschap over aan de beleidsmakers. De hersenspinsels van de jonge parlementairen leiden ook geregeld tot concrete waterprojecten. Eén daarvan is Schelde à la Carte. Op 18 september 2010, World Water Monitoring Day, gaven we het startschot voor een grootschalig wateronderzoek: alle meetresultaten van scholen worden op één interactieve kaart verzameld, boordevol informatie over de waterkwaliteit in Noord-Frankrijk, België en Zeeland. Dat wordt een vinger aan de pols voor de Europese Kaderrichtlijn Water, die voorschrijft dat in 2015 alle Europese wateren ‘een goede toestand’ moeten hebben bereikt. Meer informatie op www.greenbelgium.org Activiteiten – Water. Lien Gijsbrechts – lien@greenbelgium.org - 0473 24 50 45 Dagmar Gooris – dagmar@greenbelgium.org 0474 11 85 43
Thema mobiliteit Duurzaamheidsklok teruggedraaid? Mobiel 21 wijst op de mogelijkheden om duurzame woon-schoolverplaatsingen te blijven bevorderen Jaarlijks zal bijna vijf miljoen euro minder worden besteed aan acties die duurzaam woon-schoolverkeer in het basisonderwijs bevorderen. Dat is vanaf het nieuwe schooljaar het betreurenswaardige gevolg van de besparingsronde van de Vlaamse Overheid. De voorbije drie jaar zetten de subsidies voor het actieplan Duurzaam naar school vele Vlaamse gemeenten en scholen aan om acties te ondernemen om verplaatsingen naar school veiliger en milieuvriendelijker te maken. Vele ouders en leerlingen konden hierdoor proeven van de voordelen die het dagelijks stappen en trappen naar school biedt. Mobiel 21 zou het betreuren als de duurzaamheidsklok door deze bezuinigingsmaatregel wordt teruggedraaid. Daarom wil Mobiel 21 gemeenten en scholen wijzen op de vele resterende mogelijkheden om duurzame woonschoolverplaatsingen te bevorderen.
Basis ĂŠn secundair Het Mobiliteitsconvenant stimuleert gemeenten om tot een integrale mobiliteitsaanpak te komen. Responsabilisering van scholen blijft dus mogelijk. Module 10 koppelt de herinrichting van een schoolbuurt aan of in de nabijheid van een gewestweg aan de opmaak van
een schoolvervoerplan. Module 15 biedt mogelijkheden om flankerende maatregelen te nemen die een duurzaam verplaatsingsgedrag stimuleren. Bovendien blijft dat niet beperkt tot het basisonderwijs. Uiteindelijk blijft de overstap naar het secundair onderwijs een sleu-
telmoment om aandacht te hebben voor duurzame en veilige verplaatsingen. Op een schoolroutekaart kunnen routes voor basis- en secundair onderwijs worden gecombineerd. Fietsstimulerende maatregelen worden pas echt effectief voor de doelgroep van 10- tot 14-jarigen. Een 25
schoolvervoerplan is evenzeer nodig in het secundair als in het basisonderwijs. Sommige provincies bieden financiĂŤle ondersteuning aan gemeenten en/of schoolbesturen als het gaat om verkeersveiligheidsinitiatieven of de zogenaamde STOP-versterkende maatregelen. Tal van organisaties, waaronder Mobiel 21, blijven een brede waaier aan educatieve materialen, sensibiliserende campagnes en begeleidingen aanbieden. Meer dan 1.000 scholen doen jaarlijks mee aan de campagne Sam de Verkeersslang, waarbij het traject naar school duurzaam wordt afgelegd. Het goednieuwe spel Tjoeke tjoeke tuut tuut, weg zijn wij! zet kleuters duurzaam op weg. Een kwartetspel maakt leerlingen van het secundair onderwijs wijzer over duurzame
mobiliteit en in de lessenreeks LIVE! leren laatstejaars onder meer de leefbaarheid van hun schoolomgeving te meten. Mobiel 21 is pionier in de opmaak van schoolroutekaarten. Ook voor de uitwerking van schoolvervoerplannen, scholenovereenkomsten, poolbegeleidingen en verkeerseducatieve routes kun je een beroep doen op de deskundigheid van het Mobiel 21-team. Een overzicht van het volledige aanbod van Mobiel 21 vind je op www.mobiel21.be. Bezoek ook volgende projectsites: www.meesteropdefiets.be, www.verkeersslang.be en www.fietspoolen.be.
Schoolroutekaarten Leuven
Na veel vergaderen, tekenen en kleuren, mag Leuven zich de trotse bezitter van niet minder dan vijf schoolroutekaarten noemen. Na een overzichtskaart van Groot-Leuven, hebben we ook de deelgebieden Heverlee, Kessel-Lo, LeuvenCentrum en Wilsele/Wijgmaal meer gedetailleerd in kaart gebracht. De kaarten werden in september verdeeld onder alle leerlingen van de scholen in de betreffende deelgebieden. Het project was een samenwerking tussen Mobiel 21, het stadsbestuur en de preventiedienst van Leuven. Voor meer informatie over schoolroutekaarten of een vrijblijvende offerte kunt u contact opnemen met Patrick Auwerx, patrick.auwerx@mobiel21.be.
26
Mosterd 16
Verkeers- en mobiliteitseducatie Nascholingen
De Vlaamse Stichting Verkeerskunde (VSV) pakt voor het eerst uit met een integraal nascholingsaanbod voor het onderwijs. Niet minder dan 20 nascholingen verkeers- en mobiliteitseducatie staan op de agenda. Voortaan voorziet de VSV ieder semester een nieuwe reeks nascholingen onder de noemer ‘Verkeer op School’. Er is voor elk wat wils. Dit najaar organiseren we vormingen voor kleuteronderwijs, BLO, lager onderwijs, secundair onderwijs en een vorming over veilige schoolomgevingen. Onze doelgroepen zijn leerkrachten, verkeersouders, studenten, politiezones, enzovoort. Alle nascholingen zijn gratis! Inschrijven is wel verplicht en kan enkel via www.verkeerskunde.be. Kijk op de website in de kalender voor alle data, locaties, inhoudelijke en praktische details.
Verkeersouders Met het project Verkeersouders ondersteunt de Vlaamse Stichting Verkeerskunde (VSV) ouders en vrijwilligers die zich inzetten om scholen te helpen bij verkeers- en mobiliteitseducatie. Vrijwilligers kunnen zich bij de VSV registreren als verkeersouder. Meer informatie op www.verkeersouders.be. Verkeersouders zijn onmisbaar geworden voor verkeersactieve scholen. Daarom is het nodig om als school geregeld een nieuwe oproep te lanceren om verkeersouders te werven. De VSV heeft promotiefoldertjes en posters ter beschikking. De folders kun je uitdelen aan ouders, de poster kun je uithangen aan de schoolpoort of op een plaats waar ouders vaak passeren. Gratis te bestellen op www.verkeerskunde.be/publicaties/educatie. Meer informatie: Inneke Goyvaerts, 015 44 61 32, inneke.goyvaerts@verkeerskunde.be
Sam de Verkeersslang Honderden Vlaamse basisscholen zullen het verkeersspel Sam de Verkeersslang in de “Heen-en-weer-week” van 2 tot 6 mei 2011 of tijdens een mobiliteitsproject op school spelen. Vorig jaar namen 985 scholen deel. Het spel laat ouders, kinderen en leerkrachten een week lang beleven hoe het anders kan. Mobiel 21 vzw organiseert voor alle basisscholen opnieuw de campagne Sam de Verkeersslang. Het doel van de campagne is kinderen, ouders, leerkrachten en schooldirecties te stimuleren de auto een week lang thuis te laten en naar school te stappen, fietsen, bussen of carpoolen. Scholen kunnen tot 30 november 2010 inschrijven voor het gratis spel. Dat kan online via www.verkeersslang.be. Voor elke duurzame verplaatsing verdienen de leerlingen een stip. Die stippen kleven ze op de verkeersslang. Elke school stelt daarbij een bepaald doel voorop. Als de slang op het einde van de week vol geplakt is, dan is het doel van de school bereikt, namelijk meer kinderen die te voet of per fiets naar school gaan en minder autoverkeer in de schoolomgeving.
Sam rinkelt Sam rinkelt! is de naam van de fietsbelconcerten die op woensdag 4 mei 2011 zullen worden gehouden. Met dat fietsbelconcert geven de kinderen en de leerkrachten de boodschap dat ze veilig en milieuvriendelijk naar school willen komen. Elke school kan een bepaald probleem of knelpunt in de schoolomgeving of op de schoolroutes naar voren schuiven. 27
Meer dan campagne Mobiel 21 vzw zet ook alle deelnemende scholen aan om inhoudelijke en structurele mobiliteitsinitiatieven uit te werken. Binnen de campagne begeleidt Mobiel 21 dan ook scholen gratis bij de opmaak van een schoolvervoerplan, de uitwerking van een verkeerseducatieve route, de opstart van een fietspool of de aanmaak van een schoolroutekaart. Ook scholen met een specifieke vraag kunnen bij Mobiel 21 terecht voor advies en begeleiding. Op die manier wil Mobiel 21 scholen stimuleren om, naast sensibilisatie, ook aan educatie, informatie, (vervoers)organisatie en infrastructuur te werken. Voor meer informatie over de campagne kun je terecht bij: Mobiel 21 vzw, Marjan Frederix, V ital Decosterstraat 67 A, 3000 Leuven, 016 31 77 02, marjan.frederix@mobiel21.be
28
Mosterd 16
Een kind is geen volwassene in zakformaat MOSterd sprak met Kris Peeters (de ‘andere’) Naar aanleiding van de herwerkte themabundel ‘Mobiliteit’ voor het basisonderwijs, las MOSterd het boek “De file voorbij – afscheid van het automobilisme” van mobiliteitsdeskundige Kris Peeters. Het verscheen in mei 2010 bij Uitgeverij Vrijdag. Peeters’ boek is een met veel ‘begrip’ geschreven aanklacht tegen de auto – van onze haat-liefdeverhouding daarmee is de auteur zich terdege bewust. Het boek legt uit waarom het mobiliteitsbeleid zoals dat vandaag wordt gevoerd, gedoemd is te mislukken. Kris Peeters is socioloog, was eerder schepen voor Mobiliteit van de stad Herentals en is medeoprichter van het mobiliteitsbureau ‘Baanbrekers’. Ook zijn goed onthaalde boek “Het voorruitperspectief” - niet meer verkrijgbaar - gaat over hetzelfde thema.
Denken vanuit de voorruit MOSterd: Kris, in “De file voorbij” maak je een kritische analyse van het taalgebruik dat we hanteren als we het over de auto en het verkeer hebben. Je poneert dat metaforen niet alleen ons denken over mobiliteit, maar ook de politieke en maatschappelijke besluitvorming beïnvloeden. Het autogebruik wordt te veel vanuit een positieve invalshoek benaderd. Peeters: Dat klopt. In het mobiliteitsvraagstuk kijken we veelal vanuit één gezichtspunt: dat van de autobestuurder. De automobiliteit zit in onze kop. In mijn vorig boek noem ik dat het ‘voorruitperspectief’. We denken vanuit de ‘auto’, zonder dat we er ons van bewust zijn. En dat leidt tot heel wat aberraties. Dat denken vanuit de voorruit zit zo in onze maatschappij vervlochten dat, zelfs bij mensen die veel de fiets nemen, de auto de norm is. Vorige week kreeg ik een mail van mijn
Yogaleerkracht, met de boodschap waar ik kon parkeren. De gewone schoolparking is namelijk gesloten. Hij ging er dus automatisch vanuit dat ik met de auto zou komen. Ook beleidsmakers vertrekken vanuit dat denkkader: “Iedereen heeft een auto.” En als je er geen hebt, dan heb je er toch minstens recht op. Het recht op mobiliteit wordt verward met het recht op automobiliteit. Het meest sprekende voorbeeld in Europa was de Volkswagen. En de geschiedenis herhaalt zich. Nu heb je de ‘Tata’, de kleine Indische auto. Hij wordt gesubsidieerd door de plaatselijke deelstaatautoriteiten. Het achterliggende idee is dat iedereen recht heeft op automobiliteit. Het gebruik van de auto is echter een aflopend verhaal. Onlangs las ik een interessant boek van de Amerikaan J. H. Crawford (*) waarin hij de vergelijking maakt tussen L.A. dé autostad bij uitstek - en Venetië – de enige stad in de wereld die niet werd “geïnfecteerd” door de auto. Hij zet die twee steden als uitersten tegenover elkaar en kijkt wat we daar uit kunnen leren. Crawford begint zijn boek met de stelling dat we aan het einde staan van een experiment dat een eeuw heeft geduurd. Het experiment om mobiliteit uit te bouwen rond de auto. Hij ziet meer en meer tekenen dat het experiment ten einde loopt en komt tot het besluit dat het een mislukking is geweest. Ik concludeer in ieder geval dat we een “destructieve relatie” hebben met de auto.
“Het bord met de tekst ‘McDonald’s 5 minuten’ veronderstelt dat iedereen begrijpt dat hiermee ‘vijf minuten autorijden’ is bedoeld en niet ‘vijf minuten stappen”. (De file voorbij, p.73)
29
MOSterd: In het westen kunnen we stellen dat we inderdaad bijna op een eindpunt zitten. In ontwikkelingslanden en ook in ontwikkelingshulp wordt nog steeds geïnvesteerd in de auto. Kinderen in Mozambique kunnen bijvoorbeeld amper naar school omdat ze afhankelijk zijn van kleine privébusjes om de afstand van thuis naar de school te overbruggen. Indien men zou investeren in fietsen en fietsfaciliteiten, dan zouden veel van die kinderen wel naar school kunnen. (Zie MOS in Mozambique, www.milieuzorgopschool.be > MOS-extra > MOS internationaal) Peeters: Zelf haal ik in mijn boek het voorbeeld van Kosovo aan. Zowel de regering van Kosovo als Europa willen vooral investeren in wegen – lees autowegen. En dit vanuit het idee: wegen betekenen een impuls voor de bouw, voor het vrachtvervoer en dus voor de economie. Terwijl Kosovo een land is met een sterke voetgangerscultuur. Ik ben er zelf ooit geweest voor de oorlog. Ik heb nooit zoveel mensen naast de weg gezien. Mensen die het gewoon zijn ook langere afstanden te voet af te leggen. Door autowegen aan te leggen treedt het mechanisme van de verdrukking in werking – ik noem dat het “koekoekseffect” van de auto. Voetgangers worden letterlijk gemarginaliseerd. Ik herinner me ook mijn eerste bezoek aan Roemenië na de val van het ijzeren gordijn in het kader van “Adoptiedorpen”. We reden er heen met hulpgoederen. We waren verontwaardigd dat mensen er ‘s avonds op straat met hun fiets reden, in een donkere jas en zonder licht! Hoe gevaarlijk! Je zag ook veel paarden en karren op de weg, zonder zelfs maar een reflector. Onverantwoord. We stonden er niet bij stil dat die maatschappij jaren zo heeft gefunctioneerd. Er waren zo goed als geen auto’s en de weinige auto’s die er wel rondreden, pasten zich wel aan. Als westerling verwachtten wij ruim baan: allemaal aan de kant want hier zijn we met onze auto en onze hulpgoederen. Vrij arrogant om zo iets te denken. Het duurde eventjes voor we dat zelf doorhadden: niet zij maar wij moesten ons aanpassen. 30
Mosterd 16
“Weinig burgemeesters zullen met zoveel woorden zeggen dat auto’s voor hen prioriteit hebben op blinden en moeders met kinderwagens. Toch is dat de praktijk. […] Onbewust nemen ze hun beleidsbeslissingen vanuit voorruitperspectief.” (De file voorbij, p.74)
We maken kerstbomen van onze kinderen MOSterd: In je boek spreek je over de ‘Red Flag Act’ uit 1865(**)? Peeters: In vergelijking met toen leven we nu in een totaal “omgekeerde” wereld. In 1865 moest een man met een rode vlag 100 meter voor een auto lopen om het gevaar aan te kondigen. Nu is het juist omgekeerd. We verplichten onze kinderen om fluohesjes aan te doen, een fietshelm op te zetten, reflectoren te dragen. We maken kerstbomen van onze kinderen. De volgende stap is fluohesjes voor de huisdieren. Op den duur reflecteert alles, zodat niets nog overzichtelijk is. We zien het verschil niet meer tussen een stilstaande fietser en een reflecterend paaltje. Het is fout te denken dat meer “fluo” en “reflectie” gelijk staat aan meer veiligheid. Studies tonen aan dat fietsen met een helm veiliger is. Als je omvalt en je raakt met je hoofd een boordsteen, dan is dat inderdaad zo. Er zijn echter ook studies die aantonen dat chauffeurs die kinderen met helmpjes zien, minder afstand houden. Ze gaan er vanuit dat die ‘verantwoordelijke’ fietsers zich beter bewust zijn van de verkeersgevaren. Ze zijn voorspelbaar, verantwoordelijk, en dus moeten we ons als autobestuurder niet inhouden. Bij een vrouw, die ze minder voorspelbaar achten, maken ze de afstand echter groter. We zitten dus vol vooroordelen, waarop we onze beslissingen in het verkeer baseren. MOSterd: Ook in het onderwijs wordt vooral gewerkt aan dat soort van verkeersveiligheid: promoten van o.a. de fietshelm en het fluohesje. Peeters: Via mijn kinderen krijg ik in-
derdaad dat beeld. Ook in de media vind je voortdurend dat soort stereotypes. Een politicus kan zichzelf ook populair maken door fluohesjes of dergelijke dingen uit te delen. Jammer is dat je op die manier de verkeersveiligheid helemaal bij het kind legt. Het idee van gedeelde verantwoordelijkheid zie ik heel zelden. De vrouw van mijn uitgever werd fietsend, samen met de kinderen op weg naar school, aangereden door een auto. De bestuurster woonde amper 200 meter verder en zette haar kinderen af aan diezelfde school. Het commentaar van de leerkracht op school was de kinderen er op te wijzen hoe belangrijk het is een fietshelm te dragen. De onderliggende boodschap, hoe goedbedoeld ook, was dat de kinderen dus in fout waren en zich onverantwoordelijk gedroegen door geen helm te dragen. De autobestuurder ging in dat verhaal ‘vrijuit’. Conclusie: wie het gevaar creëert (de auto), schuift de verantwoordelijkheid en het schuldgevoel door naar anderen (de fietsers). Ook normaal: “chauffeurs die met hun bijna 2 meter brede auto (en een lege zitplaats naast zich) fietsers het recht ontzeggen om naast elkaar te rijden.” Of dit: een officieel beleid dat fietsers aanmoedigt of zelfs verplicht zich uit te dossen als kerstbomen met knipperlichten, fluohesjes en dito vlaggetjes.” (De file voorbij, blz. 73)
Waar is mijn school? Peeters: Waar ook heel weinig aandacht aan wordt besteed is de “modal shift” - in normale mensentaal de “wijziging in de keuze van vervoer”. De eerste wijziging, nl. van de kleuterschool naar de lagere school, wordt redelijk goed begeleid. De tweede wijziging – van de lagere school naar de secundaire school, al heel wat minder. Van de ene dag op de andere moeten ze alleen naar school. Dat gebeurt dikwijls onvoorbereid. Mijn broer is bij de politie. Tijdens de eerste weken van het nieuwe schooljaar staat hij net zoals zoveel andere agenten op bepaalde
kruispunten te surveilleren. Hij vertelt me dat er heel wat jongeren hem komen vragen waar ze hun nieuwe (secundaire) school kunnen vinden. Ze hebben de weg niet verkend met hun ouders: ze zijn hun kinderen komen inschrijven met de auto, waardoor de kinderen de weg niet eens herkennen. Die overgang wordt dus absoluut niet goed en in ieder geval niet systematisch begeleid. Heel wat kinderen worden tot hun 12 jaar naar school gebracht, vaak met de wagen. Vanaf het secundair onderwijs wordt plots van ze verwacht dat ze zelfstandig naar school kunnen fietsen. Dan houd je natuurlijk de vingers gekruist dat ze die eerste maanden overleven. Ze leren wel heel snel, met vallen en opstaan (letterlijk dan), maar ze lopen toch heel veel risico. De derde “modal shift” vindt plaats op 18-jarige leeftijd: meer en meer wordt het in onze maatschappij de norm dat je dan met de auto rijdt of toch minstens je rijbewijs haalt. Je ziet dat in de winkels: je kunt er kaartjes kopen met het opschrift “Proficiat met je rijbewijs”. Dat wordt dan ook nog gestimuleerd. De vorige minister van mobiliteit noemde haar initiatief “rijbewijs op school” als één van haar belangrijkste beleidsdaden. Nu lees ik dat er wordt nagedacht om jongeren vanaf 17 jaar achter het stuur toe te laten. De redenering hierachter is dat hoe meer ervaring jongeren hebben, hoe veiliger ze zullen rijden. Maar waarom dan niet beginnen op 15? Wetenschappelijk onderzoek stelt dat veilig rijgedrag niet enkel afhangt van ervaring, maar ook van leeftijd en dat jonge mensen meer geneigd zijn tot het nemen van grotere risico’s dan mensen die wat ouder zijn. Jonge mensen kunnen ook minder goed risico’s inschatten. Met andere woorden: los van andere overwegingen zoals milieu, duurzaamheid enzovoort, zou het wel eens kunnen dat we door de instap in de auto te vervroegen op grote schaal een toename van het aantal jonge verkeersdoden aan het organiseren zijn! Dat is toch zeer verontrustend. Bovendien schijnt niemand zich die vraag ook
hardop te stellen. Er blijkt een grote consensus over te bestaan. Ook van organisaties die zich bezighouden met verkeersveiligheid en ‘ouders van verongelukte kinderen’ hoor je hier geen tegengeluid, zelfs geen vragen. ‘18 jaar staat gelijk aan rijbewijs’ wordt dus als norm naar voren geschoven. Doe je anders, dan val je buiten de norm en ben je niet normaal. Het taalgebruik van politici, media, belangengroepen en mobiliteitsdeskundigen - en dat laatste zijn we allemaal wel eens - wordt gedomineerd door twee nauw verwante metaforen: het verkeer als bloedsomloop en het verkeer als hydraulisch systeem. Termen en uitdrukkingen als ‘verkeersinfarct’, ‘verkeerscirculatie’, ‘doorstroming’, ‘verkeersdruk’, ‘opstoppingen’, ‘dichtslibbende verkeersaders’ en ‘gestremd verkeer’ refereren allemaal aan het beeld van de bloedsomloop. De hydraulische metafoor klinkt al even bekend in de oren. “Specialisten en beleidsverantwoordelijken hebben het over ‘het afvoeren van het verkeer’, ‘het in goede banen leiden van de verkeersstromen’ en ‘verkeersassen’ tussen twee verkeerslichten die ‘vol lopen en leeg lopen’. In Antwerpen spreekt men bijvoorbeeld van het ‘overloopeffect’ van de Ring naar de Singel en vandaar naar het stratennetwerk: als de ‘doorstroming’ op het hogere netwerk niet groot genoeg is, zoekt het verkeer (zoals water) een andere weg om door te stromen. We spreken ook over ‘flessenhalzen’, ‘opstuwing van het verkeer’, ‘parkeerhavens’ en ‘wooneilanden’. Bedrijven spreken over hun ‘voertuigenvloot’. Autojournalisten hebben het over het ‘vlaggenschip’ van een modellenreeks, over ‘voor- en achterstevens’ van wagens en over de ‘sfeer aan boord’.” (Fragmenten uit De file voorbij, hfst.1)
Altijd infrastructuur MOSterd: In je boek beweer je dat bij mobiliteitsproblemen steevast naar oplossingen wordt gezocht met meer infrastructuur. Peeters: Ja. Terwijl je ook andere denkpistes kunt bewandelen. Op woensdagnamiddag na school zijn er voor leerlingen heel wat activiteiten: sport, muziekschool, enzovoort. Maar naar de uren van die activiteiten wordt niet meer gekeken. Neem bijvoorbeeld de openingsuren van bibliotheken. Kinderen zijn vrij om 12 uur maar de bib gaat pas open om 14uur. Zou het niet logisch zijn dat de bib vroeger opengaat? Op die manier kunnen we misschien een aantal verplaatsingen uitsparen en een ongemak voor de kinderen wegwerken. Een ander voorbeeld. De bussen blijven op dezelfde uren rijden tijdens de examenperiodes in het onderwijs, terwijl iedereen weet dat scholieren dan vroeger stoppen. Na hun examen mogen ze naar huis. Maar De Lijn doet alsof dat niet bestaat. Ik weet, het is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan, maar er zou op zijn minst toch eens moeten worden over nagedacht. Als we over mobiliteit nadenken, vertrekken we meestal vanuit problemen waarvoor we oplossingen zoeken. Die oplossingen zijn inderdaad altijd infrastructureel: een nog betere, veiligere en zuinigere auto, een nieuw kruispunt, meer fietspaden … Altijd infrastructuur. Terwijl een hele rist oplossingen te realiseren zijn, zonder kosten, zonder infrastructuuringrepen. Geluidsoverlast bestrijden we door dure geluidsschermen te plaatsen langsheen autowegen. Een snelheidsbeperking op die plaats tot bv. 90 km/u zou hetzelfde effect hebben, maar dat is in Vlaanderen onbespreekbaar. In Duitsland zie je dat wel in de nabijheid van een kuuroord of zo. Er ligt dus nog een heel werkterrein open. Bovendien gaan we er altijd vanuit dat kinderen zich moeten gedragen als volwassenen in zakformaat. Dat is niet realistisch. Een kind is een kind. Is fysiek beperkt. Kan veel moeilijker snelheden en afstanden inschatten. Heeft geen ruim 31
blikveld. Is impulsiever, speelser. En toch verwachten we dat een kind zich als een ‘volwassene’ gedraagt in het verkeer. Een krant schreef onlangs heel laconiek, naar aanleiding van een dodelijk ongeval, dat het slachtoffertje was doodgereden omdat het verstrooid was. Vind je dit normaal? Een kind krijgt ‘de doodstraf’ omdat het verstrooid was. Dat staat absoluut niet in verhouding. We moeten het verkeer dringend meer “vergevingsgezind” organiseren. We moeten ons nu en dan toch eens afvragen of we “wel goed bezig zijn”. Zeker in de centra van dorpen en steden moeten we onze normen aanpassen. Niet ontwerpen voor zogenaamd “normale mensen” - gehandicapten en ouderen kennen trouwens dezelfde problemen maar voor kinderen van pakweg 10 jaar, het moment waarop ze zelfstandig op straat kunnen komen. MOSterd: Vroeger speelden kinderen ook op straat! Peeters: Zeker. Vroeger op straat speelden kinderen met verschillende achtergronden met elkaar en leerden zelf hun conflicten oplossen (sociale vaardigheden!). Vroeger had je een collectieve ruimte: de straat. Daarna kwamen de voorgeprogrammeerde speelpleintjes, met speeltuigen met een reglement dat zegt “hoe ze moeten spelen”. Uiteindelijk heeft het allemaal met elkaar te maken. Als je wilt dat een kind een kind kan zijn, moet je ervoor zorgen dat de openbare ruimte daar de gelegen-
heid toe biedt. Dat wil zeggen: stimuleer hun creativiteit. Laat hen spelen. Laat hen zelf conflicten oplossen. Afspraken maken. Met verschillen en diversiteit omgaan. MOSterd: Zie je een taak weggelegd voor het onderwijs? We hadden het daarnet over het rijbewijs op school. Er zijn toch sterke argumenten om te stellen dat het ‘rijbewijs op school’ ook een sociale maatregel is. Peeters: Hier steekt inderdaad een emancipatorisch idee achter. Maar met ‘rijbewijs op school’ leren we ze wel automatisch vanuit de auto denken. Neem eens de proef op de som. Kunnen de meeste 18-jarigen zelfstandig een tabel van ‘De Lijn’ lezen? Staat dat in de eindtermen? MOSterd: In die lessen is er toch ook aandacht voor ‘ecodriving’. Peeters: Voor een stuk is dat natuurlijk georganiseerde hypocrisie. Vergelijk het met het verhaal van de roetfilter. We weten allemaal hoe we de ‘keuring’ kunnen omzeilen. Eerst eens goed snel rijden op de snelweg en dan met een warmgedraaide motor aanschuiven in de rij. Dat zeggen de controleurs er dan nog zelf bij! Ik heb me vanmorgen nog geërgerd. Op de website van De Standaard stond een artikeltje over een verkeersongeluk met drie dodelijke slachtoffers. Een klein artikel, een fait divers. Met daarnaast op de site een reclamefilmpje voor Jaguar. Het cynisme voorbij.
De Stradar® is een soort multifunctionele nadar. Iets waarmee je de parkeerplaats van de automobilist kunt afpakken zonder dat hij kwaad wordt. Twee figuren geven de Stradar iets menselijks. Dat prikkelt de nieuwsgierigheid van de automobilist. Je kunt er ook een tafel of een bank mee maken. Zo tover je de autoparkeerplaats in een wip om tot een picknickplaats.
32
Mosterd 16
Op de radio wordt ook voortdurend bericht over de ochtendfiles. Files zijn toch normaal, niet? Als iedereen op hetzelfde moment op dezelfde plaats wil zijn, dan moet je wachten. Punt. Als we aanschuiven aan de bioscoop, spreken we van een wachtrij. Dat vinden we acceptabel. Als we met de auto zijn, noemen we het een file en vinden we het problematisch. Je ziet, er is nog werk aan de winkel. Terwijl het toch wel duidelijk is dat niet kiezen voor de auto, niet langer alleen een ideologische keuze is. Los van milieuoverwegingen, klimaatopwarming enzovoort, kunnen we enkel nog discussiëren over het tijdstip dat de brandstof op zal zijn. Ik maak graag de vergelijking met de formule 1. De snelste rondechrono zetten de piloten neer tijdens de laatste ronde. Hun tank is bijna leeg en dus is hun bolide lichter. Momenteel – met 600.000 auto’s in België – er zijn nog nooit zoveel auto’s geweest als nu – zijn we ook aan onze laatste ronde bezig. De tank is bijna leeg. Interview: Paul Renders en Mike Stoens (*) J.H. Crawford: “Carfree Cities” (**) In 1865 ging in Groot-Brittannië de ‘Locomotives on Highways Act’ van kracht. Die wet, beter bekend onder de naam ‘Red Flag Act’ bepaalde dat alle mechanisch aangedreven voertuigen op de weg drie bestuurders moesten hebben en niet sneller mochten rijden dan 4 mijl per uur op open wegen en niet sneller dan 2 mph in steden. Een man met een rode vlag moest voor het voertuig lopen om het publiek te waarschuwen voor het aankomend gevaar.
Brussel in de kijker Opstapjes naar NME in het Brussels onderwijs
Kris van Ingelghem, GREEN vzw Het onderwijs krijgt heel wat maatschappelijke opdrachten toegewezen. Via ontwikkelingsdoelen en eindtermen, vertaald in leerplannen en daarop geënte leermiddelen, vinden ze hun weg naar de onderwijspraktijk. In Brussel moeten scholen bovendien extra inzetten op taalonderwijs en rekening houden met een enorm scala van culturele en sociale achtergronden. Elke school beschikt gelukkig over een ruime autonomie om accenten te leggen. Zo kan een school zich bijvoorbeeld profileren als milieubewust. Ze kan dan intensiever werken aan een pedagogisch en beleidsmatig traject. Andere scholen kiezen ervoor om (eventueel voorlopig) enkel aan de minimumeisen te voldoen. Leefmilieu Brussel, de milieuadministratie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, investeert hierin sterk en tracht iedereen de gewenste ondersteuning te bieden met een ruim en vooral divers aanbod.
Stap 1: Informatie en sensibilisatie Scholen kunnen op een zeer laagdrem- De campagne ‘Acht goede gebaren voor pelige manier aan de slag met milieuthe- mijn planeet’ richt zich specifiek tot de ma’s. Informatie voor leerlingen maar jongere leerlingen, hun ouders en leerook voor het schoolteam en de ruime krachten. ‘Jongeren keren het klimaat’ schoolgemeenschap zijn dan zeer wel- biedt dan weer de mogelijkheid om op kom. Leefmilieu Brusvijf vaste momenten sel ontwikkelt gratis een eenvoudige, leuke In Brussel moeten infofiches en leermidsensibiliserende actie te scholen bovendien delen over verscheiondernemen samen met extra inzetten op dene thema’s en onheel wat andere scholen dersteunt het info- en over heel het land (zie taalonderwijs en redocumentatiecentrum de MOS-krant, p. 49). kening houden met van GREEN, Steunpunt De thema’s voeding, een enorm scala van Brussel. Er is een ruim kraantjeswater, hergevormingsaanbod, er bruik/afvalpreventie, culturele en sociale zijn tentoonstellingen, mobiliteit en energie achtergronden. de veertiendaagse van komen aan bod. het Zoniënwoud en de De Europese week van Milieuboot. Leerkrachten zijn welkom de afvalvermindering nodigt scholen uit op open vormingsdagen en ook pedago- om hun werking i.v.m. afvalpreventie in gische studiedagen voor teams zijn mo- de kijker te zetten. Het kan ook de aangelijk. leiding zijn om daadwerkelijk aan afvalIedereen gevoelig maken voor milieu- preventie te doen. thema’s gaat al een stapje verder.
33
Stap 2: Activatie
Scholen kunnen de schoolgemeenschap De leerlingen nemen zelf het heft in activeren. Dat is een proces met ver- handen. Op basis van een analyse van hoogde leerkansen, is gericht op veran- de uitgangssituatie, voeren ze een aan dering en kent verschillende gradaties. aantal acties uit. Leerlingen zijn sterk Het vraagt ook verbetrokken en dragen achoogde inspanningen, tief bij tot verandering, Het vraagt ook een goede interne en met dus een verhoogde verhoogde inspanexterne communicatie kans op verankering en en een teamgedragen zelfs transfer. De school ningen, een goede en dus dynamische vikan ook de ‘uitdaging’ interne en externe sie. De directie is hieraangaan. We begeleicommunicatie en bij onontbeerlijk als den dan een eco-team aansturende instantie. en voortrekkersklaseen teamgedragen Scholen kunnen dit alsen met een specifiek en dus dynamiles op eigen houtje of thema. sche visie. met ondersteuning van Scholen die een begeGREEN aanpakken. leid project doorlopen, GREEN werkt trouwens nauw samen integreren het thema meestal in hun curmet MOS-Brussel. Hierbij wordt altijd riculum. Jaar na jaar kunnen ze nieuwe gewerkt met respect voor de eigenheid thema’s aanpakken. We zien ook een en het tempo van de school. evolutie naar meer participatie. Zowel Leefmilieu Brussel voorziet ook gratis van leerlingen van klas- tot schoolbegeleide projecten over geluid, water, niveau, als van leerkrachten en ouders. papier, afval of energie. We streven naar Hier wordt school gemaakt! Hier woracties die daadwerkelijk iets verande- den MOS-logo’s behaald! ren in de klassen of in de hele school.
Stap 3: Participatie
Participatie kent verscheidene niveaus. vlak van milieu ten volle op te nemen. In de school kan deelname op verschil- Op naar een brede school, een school lende manieren worden georganiseerd met burgerzin. en leiden tot sterke ervaringen en ver- Het is wenselijk dat beleidsparticipatie ook meer op gemeentebondenheid. lijk niveau zou worden Op het niveau van het De leerlingen en georganiseerd. De Angewestelijk bestuur is de scholen krijgen derlechtse kinderraad er de mogelijkheid om geeft al jaren het goede deel te nemen aan het ook de kans om voorbeeld, maar krijgt Brusselse Jongerenparhun maatschapvoorlopig nog geen nalement voor het milieu. pelijke rol op vlak volging. Na een klassikale vorElke school werkt op ming en drie voorbevan milieu ten zijn eigen tempo, heeft reidende vergaderingen volle op te nemen. zijn eigen prioriteiten. nemen afgevaardigden Het gewest blijft zich deel aan een plenaire zitting met de gewestelijke minister van inspannen om aan iedereen tegemoet te Leefmilieu. Zij stemmen over prioritaire komen. acties. Meer informatie: Leerlingen die ook écht deelnemen aan www.leefmilieubrussel.be, het beleid op school en zelfs in het gewww.greenbrussel.org. west komen hier overtuigder en zelfzeVia de maandelijkse e-nieuwsbrief kerder uit. ‘NME in Brussel’ blijf je op de hoogte, De leerlingen en de scholen krijgen ook contact: kris@greenbrussel.org. de kans om hun maatschappelijke rol op
34
Mosterd 16
Over de MOS-muur Educatie voor Duurzame Ontwikkeling: de vlag en de lading
Een werkgroep uit het EDO-overlegplatform dacht na over wat EDO kan betekenen en wat niet. Het denkwerk mondde uit in een visievormend reflectiedocument over dit dynamische concept dat (nog) volop in evolutie is. De tekst wil leerkrachten, vormingswerkers, docenten, jeugdwerkers, enz. een praktisch inzicht geven in de belangrijkste uitgangspunten van EDO. Die uitgangspunten werden verder uitgewerkt aan de hand van een aantal ‘reflectievragen’ die de principes concretiseren. Het document bevat tal van praktijkvoorbeelden. Je kunt de brochure downloaden op http://edo.lne.be.
Thea Beckman en de kracht van verhalen1 Katrien Van Poeck, Educatie voor Duurzame Ontwikkeling Verhalen hebben een sterke uitwerking op mensen, hun relaties met anderen en hun kijk op de wereld. Al millennia lang hebben mensen de behoefte om via verhalen greep te krijgen op de werkelijkheid. Heilige boeken van verschillende
godsdiensten vertellen hun waarheden via een verhaal. Kinderen leren de wereld kennen via verhalen. Dankzij verhalen kun je abstracte begrippen en ideeën verduidelijken. Het is een van de oudste vormen van menselijke communicatie.
Bron: De Vriendt, Johan (2009). Storytelling. WisselWERK Cahier, p. 298-303, SoCiuS.
Motor voor verandering Verhalen zorgen niet alleen voor stabiliteit, voor het in-stand-houden van de dingen zoals ze zijn. Ze kunnen ook een motor zijn voor verandering. Wanneer een groep of gemeenschap verhalen deelt, kan het vertrouwen groeien. De groep wordt sterker en kan gemeenschappelijke projecten opzetten. Voor Milieuzorg Op School, bijvoorbeeld. Er zijn minstens vijf goede redenen om verhalen een rol te laten spelen in een MOS-project:
1
35
Thulenen, Badeners en Moeder Aarde 1. Verhalen bieden context, betekenis en zin. Ze plaatsen je doelstellingen in een groter kader. 2. Verhalen verbinden. Ze verbinden mensen – we voelen ons onderdeel van het verhaal – maar ze linken ook macrogebeurtenissen aan con- creet beleefde ervaringen. 3. Verhalen inspireren en zetten aan tot actie. Ze voeden de fantasie en dagen uit. 4. Verhalen maken abstracte informa- tie concreet. De boodschap wordt duidelijker en krijgt context. 5. Verhalen geven inzicht, ook in situa- ties die op het eerste gezicht ongrijp- baar lijken. Boeken zijn dus dankbare instrumenten om je MOS-project in de klas verder uit te diepen. Ze bieden ook kansen om vakoverschrijdend, klas- of leergebiedoverschrijdend te werk te gaan. Via boeken geef je MOS ook een plaatsje in taallessen. Door literatuur te verbinden met inhoudelijke projecten ontstaan bovendien kansen om een originele, verrijkende invulling te geven aan de traditionele boekbespreking.
36
Mosterd 16
“Kinderen van Moeder Aarde” (1985) van Thea Beckman groeide uit tot de Thuletrilogie met “Het helse paradijs” (1987) en “Het Gulden Vlies van Thule” (1989). Het eerste verhaal speelt zich af zes eeuwen na de Derde Wereldoorlog. Door een kernoorlog is de Aarde gekanteld en zijn grote gebieden verwoest. Het poolijs is ontdooid en wat vroeger Groenland was, kreeg een zacht klimaat. Het land heet nu Thule. Vrouwen zijn aan de macht omdat mannen volgens de Thulenen daar niet mee kunnen omgaan. In Thule staat de hele gemeenschap in dienst van Moeder Aarde. De natuur moet worden beschermd en gerespecteerd. Het land wordt echter bedreigd door een expeditie uit het Badense Rijk, een land uit het oude Europa. In dat rijk regeert een (mannelijke) alleenheerser, de Egon. De ideeën van de Badeners over het gebruik van de natuur vormen een gevaar voor Thule. In het tweede boek van de serie komen de Badeners opnieuw naar Thule, nu met een vloot van vijf oorlogsschepen. Het derde boek speelt zich een paar decennia later af. De Badeners hebben intussen grote delen van Thule gekoloniseerd. Een jonge Badense probeert op allerlei manieren contact te leggen met de Thulenen. Zij wil dat beide volkeren in vrede kunnen samenleven.
Actueel Het verhaal van Thule maakt de complexe, ecologische crisis van vandaag via een concrete context inzichtelijk. Maar het boek biedt nog veel meer. Tal van actuele thema’s komen op een genuanceerde en vaak originele manier aan bod: ecologische problemen (biodiversiteitsverlies, uitputting van grondstoffen, vervuiling) maar ook mondiale kwesties (kolonisatie, ‘ontwikkeling’), gender, vooroordelen, burgerschap, democratie, vrede, diversiteit, enzovoort. Met het boek kun je dan ook MOS in het ruimere kader van ‘duurzame ontwikkeling’2 plaatsen. Een duurzame ontwikkeling streeft naar ‘genoeg, voor altijd, en voor iedereen’. Er is dus sprake van een tijdsdimensie en een ruimtedimensie. Met andere woorden: het gaat om het besef dat wat we nu doen, gevolgen heeft voor later en dat wat wij hier doen, gevolgen heeft voor anderen, elders op de wereld. De Thule-trilogie maakt die dimensies op een aangrijpende manier concreet. Deze ‘historische toekomstromans’ leggen vanuit de toekomst verbanden met het heden en met het verleden. De conflicten tussen Badeners en Thulenen zorgen voor perspectiefwisseling tussen ‘hier’ en ‘elders’.
Zie introductie in MOSterd nr. 15, p.49
2
Lessuggesties De verwerking van de trilogie kan gemakkelijk via complementair groepswerk waarbij elke groep leerlingen één van de boeken leest en verwerkt.
voor de Thulenen een enorme voor uitgang zouden betekenen. Denk jij dat ook? Waarom (niet)? wThule wordt geregeerd door vrou- wen omdat mannen volgens de f Laat de leerlingen één van de inhou- Thulenen niet met macht kunnen delijke thema’s die in de romans aan omgaan. Wat is jouw mening? bod komen, verder uitdiepen. Laat wIn Thule hebben mannen en vrou- hen ook hun eigen mening formule wen duidelijk onderscheiden rollen ren. Stel gerichte vragen, bijvoor - in de samenleving. Is dat bij ons beeld: ook het geval? Welke gelijkenissen wWaarom tonen de Badeners inte- en verschillen merk je? resse voor Thule? Wat is er misge- wThulenen verafschuwen geweld. lopen in het Badense Rijk? Toch zetten zij uiteindelijk zelf wHet Badense Rijk is een Europees gewelddadige middelen in om de land over 600 jaar. Zou onze toe Badeners te verjagen. Kan dat volgens jou? Waarom (niet)? komst er inderdaad zo kunnen uit wKies een citaat uit het boek waar zien? Waarom (niet)? mee je helemaal akkoord gaat of net wZou jij graag in Thule wonen? niet. Leg uit waarom. Waarom (niet)? Zijn er dingen die f Maak een ‘verhalend ontwerp’ je zou missen? wDe Thulenen hebben respect voor over Thule. Verhalend ontwerpen Moeder Aarde. Hoe beïnvloedt dat of‘Storyline Approach’ is een krach- de manier waarop zij hun samenle- tige methodiek waarbij alle activitei- ving organiseren? ten in een verhaallijn worden wDe Badeners hebben Thule geko- gepland. loniseerd. Vroeger had België ook Bij de verhaallijn horen sleutelvra een kolonie: Congo. gen. Die sleutelvragen stellen je Welke parallellen zijn er tussen dit leeringen voor open problemen die verhaal en onze eigen geschiedenis? ze op een actieve manier moeten Zijn er ook verschilpunten? oplossen. Ze worden voor even de wDe Badeners zijn ervan overtuigd hoofdpersonages van hun verhaal en dat hun beschaving en techniek raken verzeild in de door de leer-
kracht én door henzelf verzonnen gebeurtenissen. Ze lopen in de schoenen van zelfgecreëerde karakters en kijken door hun ogen. Meer informa- tie over de methodiek: www.verhalendontwerpen.nl. f Organiseer een rollenspel over Thule. Focus op één van de thema’s die in de romans aan bod komen. Besteed voldoende aandacht aan de nabespreking. f Houd een klasdiscussie. Gebruik bijvoorbeeld citaten uit de boeken als stellingen om te bespreken. f Laat de leerlingen de romans ver werken tot een filmpje of toneelstuk. f Stelopdracht: laat de leerlingen zich inleven in één van de personages en een passage uit hun dagboek schrijven. Meer achtergrondinformatie: www.vvlg.be/VVLG/Kinder_van_moeder_Aarde.html. MOSterd plaatst deze boeken in de kijker omdat ze er zich uitstekend toe lenen om milieuzorg en duurzame ontwikkeling context en betekenis te geven. Heb je zelf suggesties of goede ervaringen met het ‘MOSsen’ met een jeugdboek? Laat het ons weten (eric.craenhals@lne.vlaanderen.be) en inspireer anderen via MOSterd!
37
Voetzoekers Junior Een klas met grote voeten? Stijn Sterckx, Medewerker Educatie Vlaanderen, WWF-Belgium Met Voetzoekers Junior, een educatieve kit voor leerlingen van 10 tot 14 jaar, ontdekken de leerlingen spelenderwijs de geheimen van de ecologische voetafdruk en berekenen ze de voetafdruk van de klas. Actiekaarten stellen haalbare acties voor om de klasvoetafdruk te verkleinen. De kit bevat een uitdagend spel, een educatieve poster, een dynamische voetafdrukmeter en een overzichtelijke lerarenhandleiding met uitgewerkte les-
activiteiten en verwijzing naar de eindtermen. Ook de impact van onze levensstijl op de biodiversiteit, een eerlijke noord-zuidverhouding en duurzame ontwikkeling komen aan bod.
Klassen van de tweede en derde graad secundair onderwijs kunnen nog altijd gebruik maken van de online calculator op www.wwf.be/ voetzoekers. De impact van acties op
Leuke verrassing Klassen die hun voetafdruk hebben berekend en tot actie zijn overgegaan om hem te verkleinen, krijgen een plaatsje op de website van Voetzoekers junior. Plaats een leuke klaservaring samen met een gekke ‘voetenfoto’ op www.wwf.be/ voetzoekersjunior en laat jullie bespaarde m² zo meetellen op onze teller. Elke deelnemende klas mag een leuke verrassing van WWF verwachten. WWF biedt de pakketten gratis aan. Bestellen kan via www.wwf.be/voetzoekersjunior.
de voetafdruk van de klas kan online worden gesimuleerd en deelnemende klassen beschikken over een eigen klasblog.
Voetzoekers en Voetzoekers junior werden uitgewerkt door WWF en Ecolife en zijn mogelijk door de steun van de Vlaamse overheid.
Waar of niet waar? Paul Renders, MOS-begeleider Brussels Hoofdstedelijk Gewest In MOSterd nr. 15 beschreven we onder de titel “Zever, gezever” (p.2-3) alle enkele beweringen van jongeren. MOSterd bekeek die beweringen kritisch. Dat is de juiste houding tegenover de lawine van informatie die op ons afkomt: wees kritisch en baseer je op betrouwbare wetenschappelijke bronnen. We voegen nog enkele beweringen toe aan die lijst.
Minder slecht Met aardgas verwarmen is milieuvriendelijk. Ook aardgas is afkomstig van fossiele bronnen. Je kunt stellen dat aardgas milieuvriendelijker is dan stookolie omdat het bij zijn verbranding 25% minder CO2 per energie-eenheid (GCO2/MJ) uitstoot dan stookolie. Er wordt ook geen roet gevormd en dat is positief voor de gezondheid. Een ander voordeel is dat de verbranding van aardgas weinig stikstof produceert, zodat er geen zure regen ontstaat. Aardgas is dan wel milieuvriendelijker dan stookolie – of je zou ook kunnen zeggen ‘minder slecht’ – toch is aardgas nog altijd een fossiele brandstof en 38
Mosterd 16
komt er CO2 vrij bij de verbranding. Aardgas, waarvan 80% bestaat uit CH4 is onverbrand een sterk broeikasgas. Bij verbranding ontstaat er wel nog altijd CO2. Daarom moeten ook huizen die verwarmd worden met aardgas streven naar vermindering van het verbruik. Dat kan door heel goed te isoleren en/of een efficiënte gasbrander te gebruiken (hoogrendementsketel). Toch verdient het aanbeveling om ook alternatieven zoals warmtepomp of zonneboiler te installeren, zodat de vraag naar gas vermindert.
De auto als zondebok? In de media heeft men het altijd enkel over het CO2-niveau. Waterdamp is echter een veel belangrijker broeikasgas. Het is dus onzin om altijd het verkeer met de vinger te wijzen. De auto is immers een gemakkelijk slachtoffer. Er zijn verschillende Een school kan broeikasgashaar taken perfect sen in onze vervullen als ze atmosfeer. De meeste minder energie en broeikasgaswater verbruikt, sen zijn niet aandacht heeft giftig of schadelijk op voor milieuvrienzich. Ze zijn delijke mobiliteit zelfs nooden minder afval zakelijk voor produceert. het leven op aarde. Je kunt broeikasgassen vergelijken met dekens op je bed. Zonder heb je het te koud, maar als je te veel dekens op elkaar legt, dan krijg je het te warm. Sommige broeikasgassen hebben een grotere opwarmcapaciteit dan anderen. Voor de eenvoud wordt in de media vooral gefocust op CO2. Het opwarmend vermogen wordt weergegeven in verhouding tot de opwarmcapaciteit van CO2. Menselijke activiteit is voor sommige broeikasgassen de voornaamste oorzaak. Waterdamp is echter van nature aanwezig in de atmosfeer. Waterdamp (H2O) ontstaat door verdamping van water op het aardoppervlak.
Menselijke activiteiten voegen niet rechtstreeks waterdamp toe aan de a t m o s f e e r. Waterdamp werkt als een versterkingsmechanisme voor andere effecten die de atmosfeer koelen of opwarmen. De concentratie waterdamp in de atmosfeer hangt af van de gemiddelde temperatuur op aarde. Als de uitstoot van broeikasgassen – door de mens veroorzaakt - ervoor zorgt dat de gemiddelde temperatuur op aarde stijgt, dan stijgt ook de opgenomen hoeveelheid waterdamp. En dat versterkt het broeikaseffect (= terugkoppelingsmechanisme). Waterdamp speelt ook een rol i.v.m. de hoeveelheid regen en de frequentie van stormen. Warmere lucht kan veel meer vocht vasthouden dat er dan op latere tijdstippen als regenbuien uitvalt.
Daarom moeten ook huizen die verwarmd worden met aardgas streven naar vermindering van het verbruik. Dat kan door heel goed te isoleren en/of een efficiënte gasbrander te gebruiken.
Koolstofdioxide (CO2) is het bekendste broeikasgas. Het is het belangrijkste broeikasgas door de mens in de atmosfeer gebracht. De voornaamste bron van CO2 is de opwekking van energie door verbranding van fossiele brandstoffen (steenkool, aardolie en aardgas); ontbossing, vooral in de tropen voor omschakeling naar landbouw (platbranden); industriële processen zoals de productie van cement en kalk en activiteiten in de petrochemie en de metaalnijverheid. De CO2 -concentratie is sinds 1750 met ruim 35 % gestegen. CO2 heeft van alle broeikasgassen van menselijke oorsprong het grootste aandeel in het broeikaseffect (meer dan 50%).
Distikstofoxide (N2O) (lachgas) komt op natuurlijke wijze vrij uit oceanen en regenwouden en wordt geproduceerd door bacteriën in de bodem. In industrielanden bestaat de uitstoot van broeikasgassen voor ongeveer 6% uit N2O. De uitstoot van lachgas door menselijke activiteiten is afkomstig van de landbouw (het gebruik van stikstofhoudende meststoffen), de chemische industrie (bv. de productie van salpeterzuur), de verbranding van fossiele brandstoffen voor huisverwarming, rioolwaterzuivering en transport. De concentratie in de atmosfeer neemt nog steeds toe: de huidige concentratie is ongeveer 16 % hoger dan in 1750. Het gas is verantwoordelijk voor ongeveer 6% van het broeikaseffect en heeft een opwarmend vermogen dat 310 keer hoger is dan CO2.
CFK’s. Behalve de natuurlijke broeikasgassen heeft de mens ook nog andere gassen ontwikkeld: de bekendste gassen van dit type zijn de chloorfluorkoolstoffen (CFK’s). Ze deden dienst als koelvloeistof (koelkasten en airco), solvent (o.m. voor de schoonmaak van elektronica) en brandblusmiddel. Ze werden gebruikt in de productie van aluminium en kunststofschuim. Ze absorberen heel sterk de infrarode straling en zijn scheikundig erg stabiel, waardoor ze een belangrijk aandeel in het broeikaseffect voor hun rekening nemen. Het opwarmend vermogen varieert tussen 1.300 en 11.700 keer CO2! CFK’s en HCFK’s zijn verantwoordelijk voor de afbraak van de stratosferische ozon (op grote hoogte) en zijn verboden door het Protocol van Montreal (1987). De vervangproducten (HFK’s) zijn niet schadelijk voor de ozonlaag maar hebben wel een effect als broeikasgas.
39
Methaan (CH4) is het op een na het belangrijkste broeikasgas. Methaan komt vrij bij onvolledige verbranding, bij de teelt van herkauwers, bij de ontbinding van afval en bij aardgaslekken. De concentratie van methaan is sinds 1750 met zo’n 150% gestegen en is verantwoordelijk voor ongeveer 20% van het broeikaseffect. De methaanuitstoot is het afgelopen decennium redelijk stabiel gebleven. Methaan heeft een opwarmend vermogen dat 21 keer hoger is dan CO2. In Vlaanderen is de sector van de elektriciteitsproductie verantwoordelijk voor 14% van de uitstoot; de industrie voor 16%; de landbouw voor 9%; de gebouwen voor 21% en het verkeer voor 20%. Zowel voor gebouwen als voor verkeer stijgt de uitstoot. Je kunt dus gerust stellen dat het helemaal niet fout is in het klimaatverhaal de auto ter sprake te brengen. Bron: De federale Dienst Klimaatverandering, sectie lucht LNE.
Grondige verandering Het heeft geen zin om in een basis- of secundaire school energie te besparen en daar veel tijd aan te besteden, als in de Golf van Mexico miljoenen liters olie per dag in Technische aanpasde oceaan singen leiden tot vloeien. Het lijkt er niets als het geinderdaad drag er niet wordt op dat al op afgestemd, en de kleine inspannin- omgekeerd. Pas als gen van beide hand in hand kinderen gaan, kunnen we de en leerlingen, in één effecten versterken moment en is succes verzeteniet kerd. worden gedaan. Moeten we daarom niets meer doen? Moeten we, omdat in het Midden-Oosten, Afghanistan, Vietnam, Turkije, Irak, Congo en Soedan, het wapengekletter al jarenlang de boven40
Mosterd 16
hand neemt, vredeseducatie niet meer opnemen in onze schoolvisie? Aandacht voor de milieusituatie op en rond de school, vandaag en morgen, is nodig. Willen we in de toekomst olierampen zoals in de Golf van Mexico vermijden, dan zullen we op een andere manier moeten consumeren en ons verplaatsen. MOS laat de leerlingen zien en ondervinden dat het mogelijk is: een school kan haar taken perfect vervullen als ze minder energie en water verbruikt, aandacht heeft voor milieuvriendelijke mobiliteit en minder afval produceert.
water. Oppervlaktewater uit rivieren of kanalen ondergaat een reeks fysische en chemische behandelingen vooraleer het aan de strenge normen voor drinkwater voldoet. Ook grondwater vereist zuivering maar in regel zijn die behandelingen minder verregaand. Tijdens de ondergrondse tocht van het water doet de natuur immers al een groot deel van het zuiverende werk. Dat is meteen de reden waarom de vraag naar grondwater zeer groot is én blijft toenemen. Wie grondwater oppompt, heeft daarvoor een vergunning nodig. Die krijg je niet zó maar. Bovendien worden grootverbruikers door de finanNutteloze kosten? ciële heffing op grondwater ontmoedigd. Het waterverbruik is in sommige regio’s Op basis van de vergunningen en de heffingsgegevens weet de overheid dat er in van de wereld een probleem. Bij ons in Vlaanderen jaarlijks ongeveer 350 milBelgië, waar het overvloedig regent, is jard liter grondwater wordt opgepompt water geen probleem en dus zijn al die (door alle verbruikers waterbesparende acties In Vlaanderen is de samen, dus zowel voor als kraantjes dicht tijdrinkwaterproductie, dens het tandenpoetsen, sector van de elektricilandbouw, industriële wc’s met spaarkoppen, teitsproductie veranttoepassingen als partiwc’s op regenwater woordelijk voor 14% van culier verbruik). en waterbesparende Maar er is ook veel douches enkel bedoeld de uitstoot; de industrie om de mensen nutteloos voor 16%; de landbouw clandestien grondwatergebruik. Het gebruik op kosten te jagen. voor 9%; de gebouwen van grondwater ligt in We leven inderdaad voor 21% en het verrealiteit dus hoger. In in land waar het bij elk geval is het meer momenten overvloedig keer voor 20%. Zowel dan de natuur kan volkan regenen. Maar dat voor gebouwen als voor gen. Sporen van overis relatief. Het regent verkeer stijgt de uitstoot. matig oppompen van niet altijd en overal evenveel en in somJe kunt dus gerust stellen grondwater zijn in mige periodes regent dat het helemaal niet fout Vlaanderen immers al zichtbaar. De daling het zelfs heel weiis in het klimaatverhaal van het grondwater in nig. Het is trouwens de auto ter sprake te de ondiepe grondwaterook niet zo dat al het lagen heeft tot gevolg regenwater kan worden brengen. dat een aantal droogtegebruikt. Veel regenwater verdampt of wordt snel afgevoerd gevoelige planten- en diersoorten (amfibieën, vlinders, insecten) zijn verdwevia rivieren en kanalen naar de zee. nen. Andere worden bedreigd. Vennen Regenwater wordt bijvoorbeeld via de en venen, poelen en andere zoetwatergerioleringen naar het oppervlaktewater bonden ecosystemen staan onder druk. geleid, waardoor het niet meer in de In West-Vlaanderen, meerbepaald in grond kan infiltreren naar het grondwade diepe grondwaterlagen de Sokkel en ter. Het beschikbare water is dus ook in het Landeniaan van het Sokkelsysteem, Vlaanderen relatief beperkt. Ongeveer de helft van ons leidingwater zijn de problemen het meest nijpend. wordt gewonnen uit oppervlaktewater, de Op sommige plaatsen komen grondwaandere helft wordt gemaakt van grond- terputten leegstaan en moet men dieper
boren. Het huidig grondwaterbeleid is gericht op een afbouw van de grondwaterwinningen uit de watervoerende lagen. Daarom is het van groot belang om op een duurzamere manier om te springen met de beschikbare watervoorraden, zodat het watersysteem in evenwicht blijft of zich kan herstellen. Zuinig omspringen met water is ook goed voor je portemonnee. De waterfactuur bevat een kost voor de productie en de verdeling van het drinkwater, maar
ook voor het transport en de zuivering van het afvalwater. Hoe minder je verbruikt, hoe minder je betaalt. Om minder te verbruiken zijn er twee mogelijkheden: enerzijds gedragstips en anderzijds technische oplossingen (bv. de spaardouchekop). Het effect van je gedrag is wellicht groter dan dat van technische maatregelen. Gedrag is in elk geval gratis. Technische aanpassingen leiden immers tot niets als het gedrag er niet wordt op afgestemd, en omgekeerd.
Pas als beide hand in hand gaan, kunnen we de effecten versterken en is succes verzekerd. Zo levert een toilet met spoelonderbreker niets op als de knop bij elk gebruik volledig ingedrukt blijft. Evengoed mag de installatie van een waterbesparende douchekop niet leiden tot langere douchebeurten. Zie de brochure “Een watervriendelijk huishouden” (www.vmm.be/pub/WaterVrHuish_A5_def_TW.pdf/view)
Donderdag Veggiedag Sinds 1 oktober 2009 nemen het stadsonderwijs en de kinderopvang in Gent deel aan “Donderdag Veggiedag”. Cateraar Deliva zorgt voor aantrekkelijke,
gevarieerde en volwaardige vegetarische maaltijden op donderdag. Een dagje geen vlees of vis is gezond voor onze kinderen én voor onze planeet.
41
113 ton CO2-besparing
Kinderen van 18 maanden tot 12 jaar uit de stedelijke kinderopvang, de stedelijke kleuter- en basisscholen en het internaat Het Huis Van Het Kind doen mee aan Donderdag Veggiedag. Elke donderdag worden er gemiddeld zo’n 2.700 warme maaltijden gegeten in de 50 Gentse basisscholen en 42 kinderdagverblijven. 93 % van die maaltijden zijn vegetarisch, elke week opnieuw. Op 9 maanden tijd werden er zo 104.256 vegetarische maaltijden verorberd. Samen goed voor ruim 113 ton CO2-besparing! Dat is evenveel CO2 als wat een auto uitstoot die 19 keer op de evenaar rond de wereld rijdt of wat 4.760 volwassen Vlaamse bomen jaarlijks opnemen!
Communicatiemateriaal
We hebben heel wat communicatiemateriaal zoals roodkapje-affiches, wij doen mee-banners, infoboekjes, koelkastmagneten en een mini-expo. Alle Gentse stedelijke basisscholen kregen ook het nieuwe educatief pakket ‘Donderdag Veggiedag in de klas’ dat EVA vzw uitwerkte in opdracht van Stad Gent. Leerkrachten en leerlingen kunnen samen met Dr. Karrot en Polly Postelein aan de slag met activiteitenbladen, puzzels, kijk- en voelzakjes, een stempel en prenten. De natuur- en milieubib in het Natuuren Milieucentrum De Bourgoyen heeft een uitgebreid gamma aan boeken en spellen over gezonde voeding, vegetarisch koken en zo meer. Je kunt ze gratis ontlenen met een bibpasje van de Gentse openbare bibliotheek. Donderdag Veggiedag past binnen het gezondheid- en duurzaamheidsbeleid
van de Gentse stadsscholen. Donderdag Veggiedag wordt dan ook verder gezet in het nieuwe schooljaar 2010-2011. Wij rekenen erop dat alle ouders en kinderen opnieuw massaal deelnemen. Kinderen die niet warm op school eten, kunnen deelnemen door boterhammen met vegetarisch beleg mee te brengen. Dat kan bijvoorbeeld met kaas, groentesla, champignonsla, vegetarische worst of confituur of notenpasta. Ook jouw school kan meedoen aan Donderdag Veggiedag. Op de website www.donderdagveggiedag.be/scholen vind je een stappenplan en getuigenissen. Wil je in de klas aan de slag met Dr. Karrot en Polly Postelein? Bestel dan het educatief pakket ‘Donderdag Veggiedag in de klas’ bij EVA vzw voor € 30. EVA vzw, Sint Pietersnieuwstraat 130, 9000 Gent, tel. 09 329 68 51,
info@donderdagveggiedag.be Alle Gentse scholen kunnen gratis het communicatiemateriaal over Donderdag Veggiedag én een infoavond aanvragen door het formulier op www.gent.be/donderdagveggiedag > Donderdag Veggiedag op school > E-loket in te vullen en aan de Gezondheidsdienst te bezorgen. Wil je meer weten over Donderdag Veggiedag, zowel over het waarom als het hoe, dan kun je terecht op www.gent.be/donderdagveggiedag en op www.donderdagveggiedag.be. Maaike Breugelmans - Milieudienst Stad Gent, tel. 09 268 23 00, milieudienst@gent.be Leen Van Zele - Gezondheidsdienst Stad Gent, tel 09 235 22 50, gezondheidsdienst@gent.be Donderdag Veggiedag in Gent is een campagne van Stad Gent in samenwerking met EVA vzw. 43
Op weg naar een koolstofarme samenleving? Erika Vander Putten en Saskia Opdebeeck, MIRA-team, Vlaamse Milieumaatschappij Vlaanderen staat voor een aantal grote uitdagingen die sterk met elkaar verweven zijn: meehelpen om de klimaatverandering te stoppen, voldoende alternatieven uitbouwen voor de schaarser wordende fossiele brandstoffen, oplossingen vinden voor de groeiende transportstromen, enzovoort. Om aan die uitdagingen het hoofd te bieden is een transitie nodig naar een duurzame koolstofarme samenleving, een samenleving waar het gebruik van fossiele brandstoffen en de uitstoot van broeikasgassen minimaal zijn. Een dergelijke transitie vereist structurele veranderingen in de manier waarop we wonen en werken, in de manier waarop we onze gebouwen verwarmen, elektriciteit opwekken en gebruiken, ons verplaatsen, enzovoort. Transities hebben vroeger ook al plaatsgevonden. Denk maar aan de industriële revolutie in de tweede helft van de 19de eeuw. De omschakeling van handmatige vervaardiging van goederen in ambachtelijke en kleinschalige werkplaatsen naar machinale productie in grote fabrieken betekende een ware ommezwaai in het productiesysteem. Een recenter voorbeeld is de ICT-revolutie die de laatste vier decennia totaal nieuwe technologieën en praktijken voor “Hoe voordecommunicatie liger de vaste en informatieverwerking met kosten van de zich meebracht. school, hoe De opbouw van meer we kunde sociale zekerheid is dan weer nen investeren een voorbeeld in de werking van een niet- met onze jongetechnologische ren.” transitie waarbij 44
Mosterd 16
een nieuw systeem is opgezet om minimumbescherming te bieden aan werknemers en de levensstandaard te verhogen.
Transitie-uitdaging voor Vlaanderen En nu is er dus nood aan een transitie naar een duurzame koolstofarme samenleving. Uit de Milieuverkenning 2030, de toekomstverkenning van de Vlaamse Milieumaatschappij (zie kader 1), blijkt dat het mogelijk is om 80 % van onze elektriciteit te halen uit hernieuwbare energiebronnen zoals wind, zon en biomassa tegen 2030. Samen met andere innovaties kan hiermee de broeikasgasuitstoot van de elektriciteitsproductie met twee derden worden teruggedrongen. Er is echter nog heel wat werk aan de winkel om dat te bereiken: in 2008 kwam amper 3,3 % van het (bruto) elektriciteitsgebruik in Vlaanderen uit hernieuwbare energiebronnen.
Kader 1 De milieuverkenning 2030 In december 2009 publiceerde de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) het rapport “De Milieuverkenning 2030”. Daarin onderzoekt ze hoe het milieu in Vlaanderen de komende decennia kan evolueren en welke impact het beleid daarop kan hebben. Er zijn drie scenario’s uitgewerkt. Het meest verregaand is het visionaire scenario. Dat scenario stelt ambitieuze doelstellingen voorop: tegen 2030 moet de uitstoot van broeikasgassen met 50 % verminderen ten opzichte van 1990, tegen 2050 zelfs met 60 tot 80 %. Dat betekent dat Vlaanderen moet evolueren naar een koolstofarme economie, een economie waar het gebruik van fossiele brandstoffen en de uitstoot van broeikasgassen minimaal zijn. 1
Een koolstofarme economie is op termijn een noodzaak, en niet alleen omdat de fossiele brandstofvoorraden eindig zijn. Op basis van de scenario’s van het “Intergovernmental Panel for Climate Change” (IPCC) van de Verenigde Naties oordeelden de EU-leiders in 1996 dat de gemiddelde globale temperatuurstijging ten opzichte van het pre-industriële niveau beperkt moet blijven tot 2°C om de gevaarlijkste en onomkeerbare effecten van klimaatverandering te vermijden. Om onder die 2°C-grens te blijven, moeten de geïndustrialiseerde landen hun uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 80 tot 95 % verminderen ten opzichte van 1990, aldus het meest recente IPCC-rapport.
Passiefbouw Ook het gebruik van energie moet drastisch verminderen, willen we naar een koolstofarme economie evolueren. In 2007 waren de gezinnen verantwoordelijk voor 14 % van het energiegebruik in Vlaanderen. De Milieuverkenning 2030 toont aan dat hun energiegebruik met ruim 60 % kan verminderen – hun broeikasgasuitstoot zelfs met bijna 90% - door de manier waarop we wonen en bouwen grondig te herzien. Het rapport beschrijft een woonsysteem dat tegen 2050 uit energieneutrale woonkernen bestaat. Die woonkernen staan zoveel mogelijk in voor de eigen productie van groene stroom en groene warmte door gezamenlijke zonnepanelen, zonneboilers, lokale windturbines en biowarmtekrachtkoppeling1. Extreem lage energiewoningen, bijvoorbeeld passiefwoningen, worden de norm voor nieuwbouw en bij grondige renovatie. Hoewel we nog ver af zijn van een duurzaam woonsysteem duikt passiefbouw steeds meer op in Vlaanderen, ook in publieke gebouwen (zie kader 2).
een techniek waarbij tegelijkertijd bruikbare warmte en elektriciteit wordt geproduceerd op basis van biobrandstoffen
De (vracht)wagen op stal? In een koolstofarme samenleving moeten we ook het vervoer van goederen en personen anders organiseren. Vervoer was in 2007 goed voor 17 % van de broeikasgasuitstoot in Vlaanderen. Volgens de Milieuverkenning 2030 kunnen elektrische wagens, hybrides2 en wagens op water“Jongeren moeten stof, zorgen niet enkel worden voor een aanzienlijke voorbereid op de vermindetransities die er ring van die onvermijdelijk aan- b r o e i k a s komen, we moeten gasuitstoot. Maar om te ze ook kansen evolueren aanreiken om mee naar een vorm te geven aan koolstofarme samendie transities.” leving moet ook het aantal gereden kilometers sterk naar beneden. We moeten dus met zijn allen de wagen én de vrachtwagen wat meer op stal laten. Een grote uitdaging.
Iedereen kan een rol spelen Het is duidelijk dat transities structuren en praktijken veranderen die diep ingeworteld zijn in de maatschappij. Transities kunnen dan ook niet zomaar worden opgelegd door de overheid, de hele maatschappij heeft een rol te spelen. Een mooi voorbeeld hiervan is de vzw EVA (Ethisch Vegetarisch Alternatief; www.vegetarisme.be). Volgens de landbouworganisatie van de Verenigde Naties is de veeteelt wereldwijd verantwoordelijk voor 18 % van de totale broeikasgasuitstoot. EVA vzw probeert via onder meer kooklessen, kookworkshops en de campagne ‘Donderdag Veggiedag’ het brede publiek te overtuigen van de voordelen van minder vlees eten. Bij transities is het ook belangrijk om de krachten te bundelen en te leren van elkaars ervaringen. Zo kunnen bijvoorbeeld de ervaringen van gemeenschapsinstelling ‘De Zande’ inspiratie bieden om de techniek en de implementatie van passiefbouw te verbeteren (zie kader 2).
Kader 2 Passiefscholen De allereerste passiefschool in Vlaanderen werd gebouwd in Beernem. ‘De Zande’ is een gemeenschapsinstelling waar jongeren pedagogische begeleiding krijgen van leerkrachten, psychologen en maatschappelijk werkers. De instelling heeft ook haar eigen school. In 2006 openden de deuren van een gloednieuwe passiefschool. Directeur Patrick Defoor: “De reden waarom gemeenschapsinstelling ‘De Zande’ voor een passiefgebouw koos, is dubbel. Aan de ene kant leggen we onszelf een voorbeeldfunctie op. Als onderwijsinstelling is het belangrijk bewust om te gaan met de ecologische uitdagingen van vandaag. Maar natuurlijk moet het plaatje ook financieel kloppen. Hoe voordeliger de vaste kosten van de school, hoe meer we immers kunnen investeren in de werking met onze jongeren.” Hoezo passief? De bouwkosten van een passiefgebouw liggen minimum 15 procent hoger dan die van een klassieke nieuwbouw, stelt Patrick Defoor. Vooral de gecontroleerde ventilatie, de zwaardere isolatie, de vereiste luchtdichtheid en glasdiktes en de vormgeving van ramen en deuren zijn bepalend voor de meerkost. Daartegenover staat echter dat de verwarmingskosten, met inbegrip van de warmwatervoorziening, hoogstens 20 procent bedragen van de verwarmingskosten met een klassiek systeem. De elektriciteitskosten blijven ook laag door de energiezuinige verlichting. Een ander belangrijk voordeel is dat de gecontroleerde ventilatie zorgt voor een gezond binnenklimaat. In een gewone school wordt per uur gemiddeld 10 tot 25 procent van de lucht ververst. In een passiefschool
2
voertuigen waarbij de klassieke verbrandingsmotor wordt aangevuld met een elektrische motor
45
ligt dat verluchtingspercentage een heel stuk hoger, tot boven de 90 procent. Begeleiding en nazorg essentieel Leven en werken in een passiefgebouw vraagt van elke gebruiker aanpassingen, en die werden in Beernem wel wat onderschat volgens Patrick Defoor. Er bestaat bijvoorbeeld geen mogelijkheid om de binnentemperatuur zelf te regelen en zich zo in de winter even op te warmen of in de zomer extra te verluchten. Aangezien de binnentemperatuur subjectief wordt ervaren, kan dat wrevel opwekken. Zeker omdat leerkrachten van zo’n intelligent systeem ‘ideale’ temperaturen verwachten. Vandaar het grote belang van degelijke voorafgaande communicatie en sensibilisering. Ook voldoende nazorg is essentieel aangezien de afstelling van technische installaties voor verluchting en verwarming een lange opstartfase kent.
Educatie De schoolinfrastructuur aanpassen aan milieu en maatschappij en over maniede noden van een koolstofarme samen- ren om het nu en in de toekomst anders leving is één ding, maar het onderwijs te doen. Hierbij is creativiteit, ‘buiten de speelt ook nog een andere lijntjes’ denken en doen rol. Jongeren moeten niet erg belangrijk. Transities ‘Om de problemen enkel worden voorbereid vragen namelijk om sysop te lossen, kunop de transities die er onteemdenken waarbij denvermijdelijk aankomen, nen we niet deken in vaste patronen en we moeten ze ook kansen zelfde manier van in klassieke hokjes wordt aanreiken om mee vorm te verlaten. Zoals Einstein denken gebruiken geven aan die transities. zei: “Om de problemen Ze leren heel wat door te die de problemen op te lossen, kunnen we reflecteren over de toe- heeft veroorzaakt’ niet dezelfde manier van komst. Jongeren denken denken gebruiken die de (Einstein) problemen heeft veroordan na over de gevolgen zaakt”. van onze levenswijze voor
Van 1 naar 25 naar …? In 2008 zette de Vlaamse Overheid het licht op groen voor de bouw van 25 extra passiefscholen, verspreid over heel Vlaanderen. De ervaringen van ‘De Zande’ zullen dus nuttig kunnen worden gebruikt.
Interessante bijkomende lectuur over transitie en educatie vind je in Oikos 54; Katrien Van Poeck: “Leren veranderen”, www.oikos.be. 46
Mosterd 16
Kader 3 Interessante initiatieven Transitienetwerk Vlaanderen Transitienetwerk Vlaanderen (www.transitienetwerk.be) stelt zich tot doel lokale gemeenschappen voor te bereiden op een toekomst met minder olie en wil tegelijk een antwoord bieden op de problematiek van de klimaatverandering. Van de website kun je heel wat documentatie downloaden. Je vindt er o.a. de vertaling van het transitiehandboek van R. Hopkins en heel wat filmpjes over transitiedenken. Er wordt gewerkt aan de vertaling van de cursus ’Skilling up for power down’, die heel wat inspiratie levert voor educatieve doeleinden.
Transitie-initiatief Gent Transitie-initiatief Gent (www.gent.transitie.be) is een voorbeeld van een lokale gemeenschap die nadenkt over en initiatieven neemt i.v.m. transitie. Op vraag van het Departement Onderwijs en Opvoeding van de Stad Gent ontwikkelt de werkgroep ‘wonderwijs’ (www.gent.transitie.be/werkgroepwonderwijs) een lessenprogramma. DUWOBO DUWOBO, het vernieuwingsplatform Duurzaam Wonen en Bouwen (www.duwobo.be), werd in 2004 opgericht onder impuls van de Vlaamse overheid. Actoren uit kenniscentra, overheden en openbare
instellingen, milieu- en natuurverenigingen, de academische wereld en tal van vak- en beroepsorganisaties werken samen om een innovatieproject voor duurzaam wonen en bouwen uit te stippelen en in de praktijk te brengen. Plan C Plan C, het netwerk voor duurzaam materiaalbeheer (www.plan-c.eu), werd in 2006 opgericht onder impuls van de OVAM. Actoren uit alle geledingen van de maatschappij (bedrijven, consumenten, overheid, wetenschappers …) werkten een visie uit op duurzaam materiaalbeheer en nemen initiatieven om die visie in de praktijk te brengen.
Bron: BURO II 47
De MOSkrant ‘Soilbusters’ De Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) verdeelt gratis 15.000 stripverhalen over bodemverontreining en -sanering. De hoofdpersonages van het verhaal zijn de ‘Soilbusters’, een clubje weetgierige jongens en meisjes die graag in de grond wroeten in de hoop ongewone dingen te vinden en te verzamelen. Op één van hun tochten komen de jongeren in aanraking met een gekantelde vrachtwagen: het begin van een spannend en leerrijk avontuur. De sporen die de jongeren vinden, leiden hen langs vier typische bodemsaneringsproblemen waarbij telkens een heleboel vragen rijzen. Wat is de historische achtergrond van het terrein? Wat is de functie ervan vandaag? Over welke vorm van bodemverontreiniging gaat het en hoe is die veroorzaakt? Wat zegt de wet en wat doet de OVAM eraan vandaag? De strip is interessant voor alle jongeren van het hoger middelbaar onderwijs. Het gebruik van de strip sluit aan bij de contexten ‘Lichamelijke gezondheid en veiligheid’ en ‘Omgeving en duurzame ontwikkeling’ van de nieuwe vakoverschrijdende eindtermen voor het secundair onderwijs. Meer informatie over bodemverontreiniging en –sanering vind je in “Vlarempel” p.41-46 en op de website van OVAM, www.ovam.be. Je kunt de strips gratis bestellen met een mailtje naar petra.van.opstal@ovam.be. Vermeld het gewenste aantal exemplaren (maximum 30) en je adresgegevens. OVAM, Stationsstraat 110, 2800 MECHELEN
48
Mosterd 16
Jongeren keren het klimaat Door zich in te schrijven voor deze campagne van GREEN, verbindt de school zich ertoe: • ten minste één klimaatactie te organiseren • binnen de school de nodige zichtbaarheid aan de actie(s) te geven en er voor te zorgen dat zoveel mogelijk mensen aan de actie(s) deelnemen • GREEN op de hoogte te houden van de acties die voorbereid worden en van het aantal deelnemers dat aan elke actie deelneemt • een denkoefening, acties en/of projecten te organiseren over wat we in ons dagelijks leven kunnen ondernemen om onze CO2-uit stoot te verminderen. Mogelijke acties: • 15 oktober 2010: Eet lokaal, denk globaal • 22 november 2010: Kringloopactie • 16 februari 2011: Dikke-truiendag • 22 maart 2011: Kranig water • 2 mei 2011: Mobiel met minder CO2 Meer informatie op www.jongerenkerenklimaat.be.
Door de bril van ouders Veel scholen klagen over een gebrek aan contact met ouders. De opkomst bij ouderavonden of oudercontact is laag, er wordt niet of laattijdig gereageerd op vragen en mededelingen vanuit de school. Ouders van hun kant voelen zich niet erkend of onbegrepen. De wederzijdse verwachtingen naar elkaar toe kloppen niet altijd met de realiteit, met soms
spijtige communicatiestoornissen tot gevolg. “Door de bril van ouders” is een denk- en doeboek over hoe een school ouders kan verwelkomen en uitnodigen om een actieve(re) rol in het schoolleven te spelen. Je kunt het boek kopen bij de dienst Minderheden van de Provincie Oost-Vlaanderen door 5 euro over te schrijven naar het reke-
ningnummer 091-0120 616-74 met de vermelding “door de bril van ouders” + adresgegevens. Meer inlichtingen kun je verkrijgen bij de dienst Minderheden, 09 267 71 40 of via minderheden@oost-vlaanderen.be
49
Beschamend record Extra planeten gezocht Uit de jongste editie van het Living Planet Rapport van WWF blijkt dat de mens momenteel 50 procent meer grondstoffen nodig heeft dan de Aarde kan bieden. België staat op de vierde plaats qua voetafdruk per persoon. Het Living Planet Rapport maakt een stand van zaken op van de gezondheid van onze planeet op basis van twee indicatoren: de Living Planet Index, die gebaseerd is op tellingen van bijna 8.000 populaties van meer dan 2.500 soorten, en de ecologische voetafdruk, de oppervlakte die nodig is om al de natuurlijke hulpbronnen die we verbruiken, aan te maken en ons afval op te nemen. In België is de situatie zeer ernstig. De ecologische voetafdruk van de Belg bedraagt 8 globale hectare per persoon. Volgens Sabien Leemans, policy coördinator bij WWF, “werd de methodologie verbeterd en zijn de gegevens nu preciezer. Daardoor weten we nu dat de Belgische voetafdruk in het verleden onderschat werd. Als iedereen zou leven als een Belg, dan zouden we 4,4 planeten nodig hebben om aan onze behoeften te voldoen. Terwijl België zich soms voorstelt als een goede leerling, staan we toch op plaats vier van de wereld, na de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar en Denemarken, en voor de Verenigde Staten, Estland, Canada en Australië. Dat is zeer onrustwekkend.”
Oplossingen Het is heel belangrijk om de zaken te veranderen in ons land en in de wereld als we willen dat ook de generaties na ons voldoende natuurlijke hulpbronnen hebben. Hoe kan de Aarde de wereldbevolking, die in 2050 uit meer dan 9 miljard mensen zal bestaan, blijven onderhouden? Twee pistes zijn cruciaal om onze voetafdruk te verminderen: de transitie naar een koolstofarme samenleving via een verbeterde energie-efficiëntie en meer hernieuwbare energie langs de ene kant, en langs de andere kant een aangepast voedingspatroon, met name door onze vleesconsumptie te verminderen. Bron WWF (www.wwf.be)
50
Mosterd 16
De draagkracht voorbij Dit dossier is het resultaat van een samenwerking tussen MOS en Kleur Bekennen
Op 21 augustus 2010 was het weer zover. In minder dan negen maanden hadden we de beschikbare grondstoffen voor dit jaar al geconsumeerd. Een nieuw record! Vanaf “Earth Overshoot Day” leven we op ecologisch vlak ‘boven onze stand’. Op die dag hebben we namelijk alle beschikbare natuurlijke hulpbronnen die de natuur op één jaar tijd kan vernieuwen, verbruikt.
Zie voor meer informatie over “Earth Overshoot Day” het dossier ‘De draagkracht voorbij” in MOSterd nr. 12. Je kunt het nog altijd actuele dossier downloaden op www.milieuzorgopschool.be > MosterdNieuwsbrief > nr.12. Toen, in 2008, viel die dag nog op 23 september.
Vlaanderen doorgrond Hoe komen klei en kwartszand in onze ondergrond terecht? Wie maakt bakstenen van leem? Waar en hoe wordt grind ontgonnen? Zit er ook goud en zilver in de Vlaamse ondergrond? Wat gebeurt er met verlaten zandgroeven? Hoe selecteert de overheid ontginningslocaties? Wat zit er in de diepe
ondergrond. Het hele verhaal van onze natuurlijke rijkdommen is nu samengebracht op een overzichtelijke educatieve website: www.ikdoorgrondvlaanderen.be. Je vindt er ook een educatief pakket voor leerkrachten.
Biodiversiteit - alles hangt samen In het Provinciaal Natuureducatief Centrum De Kaaihoeve kun je naar aanleiding van het internationaal jaar van de biodiversiteit de tentoonstelling ‘Biodiversiteit - alles hangt samen’ bewonderen. De tentoonstelling bestaat uit 40 prachtige fotopanelen die 20 buitenmodules op een schitterende wijze aanvullen. Elke module heeft een luikje speciaal bestemd voor kinderen vanaf 8 jaar. Met het educatieve boekje “Biodiv’je met ons mee??” kun je alle aspecten van biodiversiteit die in de tentoonstelling belicht worden ook in praktijk brengen. Daarvoor hebben we leuke opdrachten bedacht die je laten proeven van de biodiversiteit in onze natuurtuin. Voor sommige oefeningen heb je wat extra materiaal nodig dat je gratis kunt ontlenen in het natuurcentrum. Het parcours vertrekt op het binnenplein van De Kaaihoeve en is ongeveer 1,2 km lang.De tentoonstelling bestaat ook in een posterversie die je gratis kunt ontlenen in het Provinciaal Natuureducatief Centrum De Kaaihoeve. Meer informatie: PNEC De Kaaihoeve, Oude Scheldestraat 16, 9630 Meilegem (Zwalm), tel 055 49 67 96, kaaihoeve@oost-vlaanderen.be, www.dekaaihoeve.be.
Beest Met de nieuwe campagne “Hang het beest niet uit in het verkeer” moedigt het provinciebestuur van West-Vlaanderen jongeren (12-18 jaar) aan om veilig te fietsen. Veilig fietsen begint met een reglementair uitgeruste fiets. Goede remmen, opvallende fietsverlichting en zichtbare reflectoren zijn niet alleen verplicht, maar zelfs levensnoodzakelijk. Daarom organiseren alle West-Vlaamse politiezones fietscontroles in secundaire scholen en op de openbare weg. Scholen kunnen een fietscontrole aanvragen bij de lokale politie. Fietsen doe je niet alleen veilig, maar ook in stijl. Vandaar de fotowedstrijd waarin de provincie de jongeren uitdaagt om een originele, stijlvolle foto van hun klasgroep met (veilige!) fiets te nemen en te posten op http://nl.netlog.com/hanghetbeestnietuit. De klassen met de meest originele foto krijgen filmtickets voor de hele klas. Op de campagnesite kunnen de jongeren hun netlogcredits ophalen, zelf checken of hun fiets in orde is en vrienden aanmoedigen om ook veilig te fietsen. Op de jongerenzender TMF kun je een spotje bekijken waarin de mascotte, het “beest”, gevaarlijke toeren uithaalt en zo toont hoe je zeker niet fietst in het drukke verkeer. Dat spotje wordt ook vertoond in de Kinepolisvestigingen in West-Vlaanderen en het staat op http://nl.netlog.com/hanghetbeestnietuit. De campagne loopt nog tot half februari 2011. Meer informatie: provincie West-Vlaanderen, dienst mobiliteit en weginfrastructuur, an.paepe@west-vlaanderen.be, 050 40 34 37 of federale dienst politionele veiligheid, frank.debrock@west-vlaanderen.be, 050 44 06 45.
51
Schoolverhalen Volgende schoolverhalen vind je terug op www.milieuzorgopschool.be, klik op MOS-extra > MOSterd-nieuwsbrief l
Goed nieuws - Basisschool GO! De Horizon, Wervik, trekt naar de markt
l
Kijken bij de buren - Biodiversiteit in Hoegaarden, Beersel, Dworp, Huizingen
l
7IW stelt MOS voor - Integratie van vakgebonden activiteiten en MOS in Margareta-Maria- Instituut, Kortemark
l
Steenuil – GBS Wezenmaal leert over steenuil en plaatst nestkasten
l
Tikketikketok - Odette en Mariette uit basisschool ‘De Rekke’, Hoevenen, leggen hun eerste ei
l
Recept voor een afvalvrije school - De MOS-ridder in BSGO De Ster, Poperinge
l
Groen, groen, groen - Afvalpreventie en mobiliteit in de Reuzenboom, Boom
l
Elke druppel telt -Waterproblematiek als jaarthema in SAIGO, Mol
l
Peter en meter - Grotere groene ridders helpen de kleintjes in Vrije Basisschool De Lenaard, Dudzele
l
Mega-MOSsers - Kleuters frissen afvalafspraken op in Huveneersbasisschool van Wintam
l
Milieuzorg in Zwaneven - Baron Stik van Stink, kinderwerkgroepen en ’t Groen Paradijs in GVBS Zwaneven,
Oud-Turnhout
l
Wall of Shame - MOS-sers van Grenslandscholen Menen bespioneren leerkrachten
l
Half uur natuur - Elk kind brengt de natuur in de klas in VBS De Zonnebloem, Hooglede
l
Slimme tussen-d’oortjes - Oudercomité stimuleert het eten van fruit in VBS De Kiem, Ruddervoorde met ludieke actie
l
Raplied - Clip en liveoptreden voor het milieu in Sint-Jozefsinstituut, Oostende
l
KunstMOS - Cultuur en natuur een stapje dichter bij elkaar in basisschool De Feniks, Gent
l
Zet eens een stap naar buiten - Bulo St.-Jozef, Gent wil de kinderen zo dicht mogelijk bij alles wat met milieuzorg te
maken heeft betrekken
l
Kleur voor het milieu - BSGO! Wonderwijzer, Meerbeke, focust op het thema ‘afval’
l
Beestentoren – SBS Tinnenhoek, Moorsel, vergroot de interesse en liefde voor de natuur
l
Energiefietsen - Basisschool VIBO uit Lierde viert schoolfeest met energiefietsen
l
MOS-rakkers en MOS-kabouters - Er groeit MOS in Vrije Gemengde Basisschool (Kerkham en Haenhoutstraat),
Destelbergen
l
Creatief met afval - Leren over afval in Basisschool GO! ’t Zwaluwnest, Wachtebeke
l
Zij koekendozen al… En jij? – Koekendoosactie in Sint-Eduardis, Schoten
52
Mosterd 16
53
MOSterdpot 1 Mosterdsaus 2
Oprukkend MOS in het basisonderwijs
Groen, groen kleutertje…wat doet gij in mijn hof? – Creëer een aangename buitenruimte voor kleuters Sociale interactie – Project ‘Natuurinclusie’ in Groendomeinen De Averegten en Vrijbroekpark Nieuw in De Helix – Drie nieuwe activiteiten voor basisonderwijs in Natuur- en milieueducatiecentrum De Helix Doe de Gloob! – Mondiaal en duurzaam avontuur op maat van kleuters: theatervoorstelling en educatieve koffer NME-belevenissen – Belevingstocht, bosbeleefpad, strijd voor biodiversiteit en kieteltocht in Vlaams-Brabantse provinciedomeinen Derde graad basisonderwijs – Brochure met volledige aanbod PIME voor schooljaar 2010-2011 Mister Jekkes – Spelenderwijs leren de afvalberg te verminderen
2 5 5 6
8 9 10
in het secundair onderwijs
54
Mosterd 16
Interactief en dynamisch – IDM biedt scholen improvisatietheater aan
21
23 Thema water De milieuboot – Boeiende en leerrijke verkenning van de waterwegen Schelde Jongerenparlement – Jongeren voor de Schelde overhandigen waterboodschappen aan beleidsmakers
23 24
25 Thema mobiliteit
11 Oprukkend MOS
Verwonderd en fier tegelijk – Getuigenis van een MOS-leerkracht, KTA Heule Air@school – Een gezonde, open geest in een frisse klas, nu ook voor het secundair Verslag uit het land van Dracula – Jongeren Bouwen Duurzaam in Roemenië, samen met GREEN Milieuzorg in je stageplaats – Hoe gaat je stagebedrijf om met het milieu? Milieu en gezondheid op nieuwe voeten – Activiteiten in De Helix in overeenstemming met de nieuwe VOET Duurzaam bouwen en wonen – Kamp C maakt leerlingen secundair warm voor duurzame bouwtechnieken Landschappen en trekvogels – Landschapsexcursie op de Kesselberg en sciencecaching in Het Vinne Gericht op de eindtermen – Programma’s, excursies en educatief materiaal van PIME
21 Thema afval
11 13 15 15 16 17 18 19
Duurzaamheidsklok teruggedraaid? – Mobiel 21 wijst op de mogelijkheden om duurzame woon-schoolverplaatsingen te blijven bevorderen Verkeers- en mobiliteitseducatie – Nascholingsaanbod en verkeersouders bij VSV Sam de Verkeersslang – Verkeersspel van Mobiel 21 voor basisonderwijs is meer dan sensibilisatie Een kind is geen volwassene in zakformaat – MOSterd sprak met mobiliteitsdeskundige Kris Peeters
25 27 27 29
48 De MOSkrant 33 Brussel in de kijker
Opstapjes naar NME in het Brussels onderwijs – Leefmilieu Brussel investeert in Natuur- en Milieueducatie
33
35 Over de MOS-muur Educatie voor Duurzame Ontwikkeling: de vlag en de lading – Nieuwe brochure over EDO Thea Beckman en de kracht van verhalen – De Thule-trilogie als verdieping van je MOS-project Voetzoekers Junior – VEducatieve kit over de ecologische voetafdruk voor leerlingen van 10 tot 14 jaar van WWF Waar of niet waar? – Beweringen van leerlingen kritisch bekeken Donderdag Veggiedag – Stadsonderwijs en kinderopvang Gent nemen opnieuw deel aan “Donderdag Veggiedag”
44
35 35 38 38 41
48 49 49 50 50 50 51 51
52 Schoolverhalen Volgende schoolverhalen vind je terug op www.milieuzorgopschool.be, klik op MOS-extra > MOSterd-nieuwsbrief
Op weg naar een koolstofarme samenleving
Milieuverkenning 2030: Vlaanderen in transitie (VMM)
‘Soilbusters’ – Gratis strip van OVAM over bodemverontreiniging en –sanering voor hoger secundair Jongeren keren het klimaat – Een campagne door jongeren, voor ons klimaat van GREEN Door de bril van ouders – Denk- en doeboek om ouders actieve(re) rol in schoolleven te geven Extra planeten gezocht – De ecologische voetafdruk van de Belg is groter dan gedacht Beschamend record – Earth Overshoot Day viel dit jaar al op 21 augustus Vlaanderen doorgrond – Educatieve website over delfstoffen in Vlaanderen Biodiversiteit – alles hangt samen – Tentoonstelling en ontleenbare posterversie in De Kaaihoeve Beest – Fotowedstrijd in de provincie West-Vlaanderen i.v.m. veilig fietsen
52
44
56 Contact 55
Contact Provinciale MOS-teams Antwerpen
Proviciaal Instituut voor MilieuEducatie (PIME) vzw Mechelsesteenweg 365, 2500 Lier Tel. 015 31 95 11, fax 015 31 58 80 Begeleiders: Elke Hermans, Sofie Van hove en Katrien Hoeylaerts (basis) tel. 015 30 61 26 en 015 30 61 27 mos@pime.provant.be Melody Van den Acker (secundair), tel. 015 30 61 25 mos-groeneschool@pime.provant.be
Limburg
Provinciaal Natuurcentrum Het Groene Huis Domein Bokrijk 3600 Genk mos@limburg.be, fax 011 26 54 55 Begeleiders: Karel Coenen (basis), tel. 011 26 54 91, kcoenen@limburg.be Philippe Plessers (basis), tel. 011 26 54 66 pplessers@limburg.be Hilde Boiten (secundair), tel. 011 26 54 67, hboiten@limburg.be
Oost-Vlaanderen
Dienst Natuur- en Milieueducatie, De Kaaihoeve Oude Scheldestraat 16, 9630 Meilegem-Zwalm mos@oost-vlaanderen.be, fax 055 49 67 98 Begeleiders: Sandra Vandevelde (basis), tel. 09 267 84 73 sandra.vandevelde@oost-vlaanderen.be Wouter De Tandt (basis), tel. 09 267 78 41 wouter.de.tandt@oost-vlaanderen.be Mike Stoens (secundair en hoger), tel. 09 267 84 59, mike.stoens@oost-vlaanderen.be
Coördinatie (Vlaams Gewest):
Vlaamse overheid, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-integratie en -subsidiëringen Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel fax 02 553 80 25, mos@lne.vlaanderen.be, www.milieuzorgopschool.be
Vlaams-Brabant Cel Natuur- en Milieueducatie Provincieplein 1, 3010 Leuven mos@vl-brabant.be, fax 016 26 72 61 Begeleiders: Herwig Kevelaerts (basis), tel. 016 26 72 57, herwig.kevelaerts@vlaamsbrabant.be Lien Loonbeek (basis), tel. 016 26 72 37, lien.loonbeek@vlaamsbrabant.be Philippe Moreau (secundair en hoger), tel. 016 26 72 36, philippe.moreau@vlaamsbrabant.be Beatrijs Maesen (secundair), tel. 016 26 72 76, mos.secundair@vlaamsbrabant.be
West-Vlaanderen
Dienst Natuur- en Milieueducatie Koning Leopold III-laan 41 8200 Brugge (Sint-Andries) mos@west-vlaanderen.be, fax 050 40 34 03 Begeleiders: Emanuel Demey (basis), tel. 050 40 33 80, emanuel.demey@west-vlaanderen.be Donald Dupon (basis), tel. 050 40 32 66, donald.dupon@west-vlaanderen.be Lieve Maes (secundair en hoger), tel. 050 40 32 83, lieve.maes@west-vlaanderen.be
Brussels hoofdstedelijk gewest
Vlaamse Gemeenschapscommissie p.a. GREEN Belgium vzw Edinburgstraat 26, 1050 Brussel mos@vgc.be, fax 02 893 08 01 Begeleider: Paul Renders (basis, secundair en hoger), tel. 0473 73 67 30, paul.renders@vgc.be
Nele Dillen, tel. 02 553 80 72, nele.dillen@lne.vlaanderen.be Ines Van Regenmortel, tel. 02 553 14 82, ines.vanregenmortel@lne.vlaanderen.be Kris Fostier, tel. 02 553 70 23, kristiaan.fostier@lne.vlaanderen.be Eric Craenhals, tel. 02 553 80 73, eric.craenhals@lne.vlaanderen.be
Vlaamse overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-integratie en -subsidiëringen Project MOS
colofon
Werkten mee aan MOSterd nr. 16 Hilde Boiten, Elke Hermans, Katrien Hoeylaerts, Herwig Kevelaerts, Lien Loonbeek, Lieve Maes, Veerle Moons,
Philippe Moreau, Sandra Vandevelde, Nele Dillen, Ines Van Regenmortel, Donald Dupon, Emanuel Demey, Veerle Lievens, Kris Fostier.
Katrien Van Poeck (Departement LNE, EDO), Valerie Eurlings (OVAM), Kris van Ingelghem (GREEN), Erika Vander Putten en Saskia Opdebeeck (MIRA-team, Vlaamse Milieumaatschappij), Ann Huyghe (KTA Heule), Stefanie Vanhoute (Logo Midden-West-Vlaanderen), Stijn Sterckx (WWF-Belgium), Michel Reynders (GREEN), Lien Gijsbrechts (GREEN),
Ils Van Roosbroeck (Vrijbroeckpark), Ilse Stoffels (De Averegten), Inge Van Loon (KampC), Alexandre Lefebvre (Provincie WVL), Maaike Breugelmans (Milieudienst Stad Gent) De scholen met hun getuigenissen De administraties en organisaties met hun aanbod.
Redactie
Cartoons
Eindredactie
Opmaak
Teksten uit MOSterd mogen enkel worden overgenomen met duidelijke bronvermelding. Een groot aantal MOSterd-cartoons zijn downloadbaar van www.milieuzorgopschool.be. Bronvermelding is verplicht.
MOSterd nr. 16 werd gedrukt op 100% kringlooppapier – PH-neutraal – chloorvrij – met gebruik van vegetale inkten en wasmiddelen.
Mike Stoens, Paul Renders, Eric Craenhals Eric Craenhals
56
Mosterd 16
David Schelfthout Diane De Smet, Tim Joye