Genetische diversiteit en populatiestructuur van de heivlinder in Vlaanderen Richtlijnen voor translocaties, genetische monitoring en een duurzaam soortbehoud Annelore De Ro, An Vanden Broeck, Leen Verschaeve, Ilf Jacobs, Filiep T’Jollyn, Hans Van Dyck, Dirk Maes
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) Herman Teirlinckgebouw Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel www.inbo.be
Cover_rapport_25p.indd 1
12/04/2022 16:41
Auteurs: Annelore De Ro , An Vanden Broeck , Leen Verschaeve , Filiep T’Jollyn , Dirk Maes (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek) Ilf Jacobs (Natuurpunt Studie) Hans Van Dyck (UCLouvain) Reviewer: Lieve Vriens (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek) Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: Herman Teirlinckgebouw INBO Brussel Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel vlaanderen.be/inbo e-mail: Annelore.dero@inbo.be Wijze van citeren: De Ro A., Vanden Broeck A., Verschaeve L., Jacobs I., T’Jollyn F., Van Dyck H., Maes D. (2022). Genetische diversiteit en populatiestructuur van de heivlinder in Vlaanderen. Richtlijnen voor translocaties, genetische monitoring en een duurzaam soortbehoud. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek jaar (4). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.71086387 D/2022/3241/113 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2022 (4) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Heivlinder / Dirk Maes
Dit werk valt onder een Creative Commons Naamsvermelding‐GelijkDelen 4.0 Internationaal‐licentie.
GENETISCHE DIVERSITEIT EN POPULATIESTRUCTUUR VAN DE HEIVLINDER IN VLAANDEREN Richtlijnen voor translocaties, genetische monitoring en een duurzaam soortbehoud Annelore De Ro, An Vanden Broeck, Leen Verschaeve, Ilf Jacobs, Filiep T’Jollyn, Hans Van Dyck, Dirk Maes
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Dankwoord/Voorwoord De auteurs danken Nico De Regge, Irina De Landtsheer, Koen Devos, Floris Van Den Broeck, Axel Neukermans, Nicolas Vanermen, Dries Bonte, Joost Sturtewagen, Johan Debuck, Arjen Breevaart, Luc De Bruyn, Ann Milbau, Ive Van Krunkelsven, Stern Van Krunkelsven, Marcel Van Waerebeke, Jos Gorissen, Corina Cools, Michel Broeckmans, Michel Huysmans en Oscar Maes voor de hulp bij het verzamelen van de stalen. Verder van harte dank aan Johan Lamaire, Koen Marechal, Guy Vileyn, Dirk Raes, Jef De Winter, Harry Thys, Willy Pardon, Ghis Palmans, Ernesto Zvar, Manu Vermeulen, Patrick Reynders en de terreinbeheerders Jan Appermont, Arne Berckmans en Patrick Schuurmans. Vervolgens danken we Chris van Swaay van de Vlinderstichting voor het verschaffen van data van de verspreiding van de heivlinder in Noordwest‐Europa. We danken ook Lieve Vriens voor het kritisch nalezen van dit werk. Tenslotte danken we het Agentschap voor Natuur en Bos om deze studie financieel te ondersteunen en Arjen Breevaart en Hans De Schryver voor de inhoudelijke bijdrage tijdens de stuurgroepvergaderingen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Samenvatting De heivlinder (Hipparchia semele) is inheems in Europa en is een prioritair te behouden soort in Noordwest‐Europa. Om succesvolle behoudsmaatregelen op te stellen willen we zoveel mogelijk weten over de verbreiding en kolonisatiecapaciteit van deze vlinder en de connectiviteit tussen de populaties. Ook kennis over de functionele habitatkwaliteit van bezette en potentiële habitatgebieden is hierbij van belang. In deze studie rapporteren we over de populatiegenetica van de heivlinder in het gefragmenteerd en door de mens beïnvloed landschap in Vlaanderen. We gingen de recente verbreiding tussen populaties na via genetische toewijzingstesten. Vervolgens onderzochten we het effect van habitatverlies en ‐versnippering op de genetische populatiestructuur en genetische variatie. Hiervoor ontwikkelden we soortspecifieke nucleaire microsatellietmerkers. We gebruikten recente stalen van 23 verschillende locaties uit twee regio’s en voor twee van deze locaties ook historische stalen uit 2001. De gedetecteerde verbreiding ging over noemenswaardig lange afstanden, die meer dan tien keer langer waren dan eerder waargenomen kolonisatieafstanden. De langste gedetecteerde afstand in deze studie overschreed zelfs 100 km, maar langeafstandsverbreiding was uitzonderlijk. Onze resultaten wijzen op de gevolgen van de sterke daling in de populaties in de laatste decennia. We vonden in 72% van de recent bemonsterde populaties aanwijzingen voor inteelt en lage schattingen van de effectieve populatiegroottes (Ne; variërend van 20 tot 54 individuen). Ten slotte geven we advies over mogelijke translocaties en genetische monitoring. We formuleren strategieën om (meta)populaties van de heivlinder te behouden en uit te breiden op middellange termijn.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 3 van 132
Aanbevelingen voor beheer en/of beleid Op basis van deze genetische populatiestudie van de Vlaamse heivlinderpopulaties en de functionele habitatkwaliteit raden we de volgende beheersmaatregelen aan: ‐ De resultaten van de genetische studie tonen sterke metapopulatiedynamieken aan. We kunnen de heivlinderpopulaties van Vlaanderen indelen in twee verschillende metapopulaties. De twee metapopulaties vormen elk een Functional Conservation Unit (FCU): de kust en de Kempen. Voor elke eenheid worden specifieke beheers‐ en herstelmaatregelen aanbevolen. Op locaties met een grote oppervlakte blijken de effectieve populatiegroottes groter te zijn. Bovendien leek de allelische rijkdom van de populaties hoger in grotere gebieden en in populaties die dichtbij een andere populatie gelegen zijn. Het is aanbevolen om de beheersmaatregelen binnen elke FCU dus vooral te richten op het verbeteren en vergroten van bestaande habitat en het herstellen van alle potentiële habitat. ‐ Aan de kust is de huidige graad van connectiviteit tussen populaties extreem laag. Het ontwikkelen van nieuw habitat als stapstenen tussen bestaande populaties verdient daarom prioriteit. De translocatie van individuen is te overwegen om de kans op een verminderde vitaliteit als gevolg van inteelt te verkleinen. Spontane (her)kolonisatie van geschikte habitat en de uitwisseling van genen worden waarschijnlijk gehinderd door door de mens aangebrachte barrières langs de Belgische kust, voornamelijk bebouwing. Ook biedt de smalle duinengordel slechts kleine oppervlakten geschikte habitat. ‐ Aan de kust wordt een bijplaatsing aanbevolen in de populatie van de Sint‐Laureinsduinen om op korte termijn de genetische toestand van de populatie te verbeteren. De populatie in de Sint‐Laureinsduinen is de kustpopulatie die op basis van de genetische studie in de slechtste toestand verkeert. Deze populatie ligt ook geografisch het sterkst geïsoleerd van naburige populaties. ‐ Ook in de Kempen is er een lage kans dat hersteld en/of nieuw heidegebied spontaan op korte termijn zal ge(her)koloniseerd worden. De voorbije jaren kende de heivlinder een sterke achteruitgang in Vlaanderen (Maes et al. 2021). Dit is het meest merkbaar in de centrale en westelijke Kempen. Het zou een te hoog risico zijn om op spontane kolonisatie en verspreiding van genen te vertrouwen voor het herstel van de populaties. Daarom zijn ook hier translocaties te overwegen om de connectiviteit tussen populaties in het westelijke en oostelijke deel van de Kempen te verbeteren. ‐ Voor de centrale Kempen bevelen we geassisteerde (her)kolonisatie aan. Er zijn vier gebieden met minstens 100 ha geschikt potentieel leefgebied: Vliegveld van Malle (waar de soort pas in 2018 verdween), Tielenkamp (Kasterlee/Turnhout, waarnemingen van enkele zwervers in de jaren 2000), Kempense heuvelrug (Heiberg en omgeving Snepkensvijver, waarnemingen uit de jaren 1960) en Engels kamp in Grobbendonk (geen gekende waarnemingen). ‐ De census populatiegrootte van locaties van de heivlinder in de Kempen wordt opgevolgd met behulp van het platform Meetnetten.be (Maes et al. 2019b). Eenmaal translocaties uitgevoerd, worden de nieuwe gebieden opgenomen in dit netwerk. We bevelen ook aan om de oppervlakte geschikt functioneel habitat op de locaties waar translocaties plaatsvinden op te volgen. Daarnaast is een genetische monitoring zinvol om de toestand van de populaties op te volgen. Dit gebeurt best door in het derde en vierde jaar na het uitvoeren van de eerste translocaties 30 vlinders te bemonsteren voor genetische analyse. Om het effect van de translocaties op de metapopulatie op te volgen, raden we aan om in het vijfde jaar de genetische structuur van alle populaties, inclusief naburige populaties gelegen in Nederland ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
en Noord‐Frankrijk opnieuw in kaart te brengen volgens de methode beschreven in deze studie.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 5 van 132
English abstract To set up successful conservation measures, detailed knowledge on the dispersal and colonization capacities of the focal species and connectivity between populations is of high relevance. Additionally, detailed knowledge about the functional habitat quality of occupied and potential habitat patches is of high interest. We developed species‐specific nuclear microsatellite molecular markers for the grayling (Hipparchia semele), a butterfly endemic to Europe and of growing conservation concern in NW‐Europe, and report on its population genetics, in a fragmented, anthropogenic landscape in Belgium. Our study included samples from 23 different locations nested in two regions and additional historical samples (from 2001) from two of these locations. We assessed contemporary, long‐ distance dispersal based on genetic assignment tests and investigated the effect of habitat loss and fragmentation on the population‐genetic structure and genetic variation using data of nine microsatellite loci. Detected dispersal events covered remarkably long distances, with the longest movement recorded in this study even exceeding 100 km. However, observed frequencies of long‐distance dispersal were low indicating that events of long‐distance dispersal are rare. Our results point to the consequences of the strong population decline of the last decades, with evidence of inbreeding in 72% of the recently sampled populations and low estimates of effective population sizes (Ne) (ranging from 20 to 54 individuals). We discuss the significance for species conservation including future translocation events, and discuss appropriate conservation strategies to maintain viable grayling (meta)populations in highly fragmented, anthropogenic landscapes.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Inhoudstafel Dankwoord/Voorwoord ................................................................................................................ 2 Samenvatting ................................................................................................................................ 3 Aanbevelingen voor beheer en/of beleid ..................................................................................... 4 English abstract ............................................................................................................................. 6 Lijst van tabellen ......................................................................................................................... 11 Verklarende woordenlijst ............................................................................................................ 12 Soortenbeschermingsprogramma heivlinder als beleidskader voor de studie .......................... 14 1
Inleiding ............................................................................................................................... 15
2
Materiaal en methode ........................................................................................................ 17 2.1
Soortbespreking .......................................................................................................... 17
2.1.1
Habitattype.......................................................................................................... 17
2.1.2
Verspreiding ........................................................................................................ 17
2.1.2.1
Waarnemingen ................................................................................................ 17
2.1.2.2
Vlaanderen ...................................................................................................... 18
2.1.2.2.1
Kust............................................................................................................ 19
2.1.2.2.2
Kempen ..................................................................................................... 20
2.1.2.3 2.1.3
Trend ................................................................................................................... 21
2.1.3.1
Waarnemingen ................................................................................................ 21
2.1.3.1.1
Kust............................................................................................................ 22
2.1.3.1.2
Kempen ..................................................................................................... 22
2.1.3.2 2.1.4 2.2
Europa ............................................................................................................. 21
Meetnetten ..................................................................................................... 22 Status ................................................................................................................... 23
Bemonstering .............................................................................................................. 23
2.2.1
Selectie van de gebieden voor bemonstering ..................................................... 23
2.2.1.1
Op basis van waarnemingen ........................................................................... 23
2.2.1.2
De te bemonsteren eenheden ........................................................................ 24
2.2.1.2.1
Regio Kust.................................................................................................. 27
2.2.1.2.1.1
Westhoek (De Panne) ........................................................................ 27
2.2.1.2.1.2
Schipgatduinen (Koksijde) .................................................................. 28
2.2.1.2.1.3
Ter Yde – Zeebermduinen (Koksijde) ................................................. 28
2.2.1.2.1.4
Sint‐Laureinsduinen (Middelkerke).................................................... 29
2.2.1.2.1.5
Zwin (Knokke‐Heist) ........................................................................... 29
2.2.1.2.2
Westelijke Kempen ................................................................................... 30
2.2.1.2.2.1
Kalmthoutse Heide (Kalmthout) ........................................................ 30
2.2.1.2.2.2
Klein schietveld (Kapellen) ................................................................. 31
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 7 van 132
2.2.1.2.2.3 2.2.1.2.3
2.2.2 2.3
4
Oostelijke Kempen .................................................................................... 32
2.2.1.2.3.1
Niras (Dessel)...................................................................................... 32
2.2.1.2.3.2
Keiheuvel – De Most (Balen) .............................................................. 33
2.2.1.2.3.3
Balimgronden (Lommel)..................................................................... 33
2.2.1.2.3.4
Maatheide (Lommel) .......................................................................... 34
2.2.1.2.3.5
Hageven (Pelt) .................................................................................... 34
2.2.1.2.3.6
Beverbeekse Heide (Hamont‐Achel) .................................................. 35
2.2.1.2.3.7
Kamp Beverlo Noord (Hechtel‐Eksel) ................................................. 35
2.2.1.2.3.8
Zwarte Beek – Noord (Hechtel‐Eksel) ................................................ 36
2.2.1.2.3.9
Zwarte Beek – Zuid (Houthalen‐Helchteren/Beringen) ..................... 36
2.2.1.2.3.10
Terril Lindeman (Heusden‐Zolder) ................................................... 37
2.2.1.2.3.11
Militair Schietveld (Houthalen‐Helchteren/Oudsbergen)................ 37
2.2.1.2.3.12
Terril Winterslag (Genk) ................................................................... 38
2.2.1.2.3.13
Schemmersberg (Genk) .................................................................... 38
2.2.1.2.3.14
Klaverberg – Opglabbekerzavel (As) ................................................ 39
2.2.1.2.3.15
Mechelse Heide (Maasmechelen).................................................... 39
2.2.1.2.3.16
Teutelberg (Dilsen‐Stokkem) ........................................................... 40
2.2.1.2.3.17
Molse Zandputten (Mol) .................................................................. 40
Bemonstering voor genetische analyse .............................................................. 41
Genotypering............................................................................................................... 46
2.3.1
Ontwikkeling van de microsatellieten ................................................................. 46
2.3.2
Labo‐analyses ...................................................................................................... 46
2.4
3
Groot Schietveld (Wuustwezel/Brecht) ............................................. 31
Dataverwerking genetica ............................................................................................ 46
2.4.1
Analyses loci ........................................................................................................ 46
2.4.2
Langeafstandsverbreiding ................................................................................... 47
2.4.3
Genetische diversiteit en effectieve populatiegrootte ....................................... 47
2.4.4
Genetische populatiestructuur ........................................................................... 48
Resultaten ........................................................................................................................... 50 3.1
Verbreiding tussen populaties .................................................................................... 50
3.2
Genetische diversiteit en effectieve populatiegrootte ............................................... 51
3.3
Genetische structuur ................................................................................................... 55
3.4
Lokale functionele habitatkwaliteit............................................................................. 59
Discussie .............................................................................................................................. 60 4.1
Verbreiding tussen populaties .................................................................................... 60
4.1.1
Hoog verbreidingsvermogen ............................................................................... 60
4.1.2
Beperkte langeafstandsverbreiding .................................................................... 60
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
5
4.2
Effecten van versnippering op de genetische diversiteit ............................................ 65
4.3
Implicaties voor natuurbehoud ................................................................................... 66
Translocatieplan voor Heivlinder in Vlaanderen ................................................................. 68 5.1
Type translocaties ....................................................................................................... 68
5.2
Vergunningsplicht ....................................................................................................... 69
5.3
Ecologische voorwaarden ........................................................................................... 70
5.4
Manier van transloceren ............................................................................................. 71
5.5
Translocatieplan Kust .................................................................................................. 72
5.5.1
Populatiestructuur en genetische diversiteit ...................................................... 72
5.5.2
Geassisteerde herkolonisatie .............................................................................. 73
5.5.3
Bijplaatsing .......................................................................................................... 73
5.5.4
Bronpopulaties .................................................................................................... 74
5.5.5
Opvolging ............................................................................................................ 75
5.6
5.5.5.1
Census populatiegrootte en functioneel habitat ............................................ 75
5.5.5.2
Genetische monitoring .................................................................................... 75
Translocatieplan Kempen ............................................................................................ 76
5.6.1
Populatiestructuur en genetische diversiteit ...................................................... 76
5.6.2
Geassisteerde herkolonisatie .............................................................................. 76
5.6.2.1
Westelijke Kempen.......................................................................................... 76
5.6.2.2
Centrale Kempen ............................................................................................. 77
5.6.2.3
Oostelijke Kempen .......................................................................................... 84
5.6.2.4
Zuidelijke Kempen ........................................................................................... 84
5.6.3
Bijplaatsing .......................................................................................................... 84
5.6.4
Bronpopulaties .................................................................................................... 85
5.6.5
Opvolging ............................................................................................................ 85
5.6.5.1
Census populatiegrootte en functioneel habitat ............................................ 85
5.6.5.2
Genetische monitoring .................................................................................... 85
5.6.6 5.7
Tijdschema voor translocatie .............................................................................. 86
Ecologische risico’s ...................................................................................................... 88
5.7.1
Risico op sterfte tijdens de translocatie .............................................................. 88
5.7.2
Impact op andere biodiversiteitsdoelen ............................................................. 89
5.7.3
Risico op uitteeltdepressie .................................................................................. 89
5.7.4
Risico op co‐introductie van andere, schadelijke soorten .................................. 89
5.8
Socio‐economische risico’s en draagvlak .................................................................... 91
5.9
Communicatieplan ...................................................................................................... 91
6
Conclusies ............................................................................................................................ 93
7
Referenties .......................................................................................................................... 94
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 9 van 132
8
Bijlagen .............................................................................................................................. 101 8.1
Gebieden met mogelijk kleine heivlinderpopulaties ................................................ 101
8.1.1 8.1.1.1
Ster der Zee (Koksijde) .................................................................................. 102
8.1.1.2
Hoge Blekker – Doornpanne (Koksijde) ........................................................ 102
8.1.1.3
Witte Burg (Koksijde) .................................................................................... 103
8.1.1.4
Paelsteenpanne (Bredene) ............................................................................ 103
8.1.1.5
Fonteintjes (Brugge) ...................................................................................... 104
8.1.2
8.2
Regio kust .......................................................................................................... 102
Oostelijke Kempen ............................................................................................ 104
8.1.2.1
Maatheide‐Oost (Lommel) ............................................................................ 104
8.1.2.2
Blekerheide (Lommel) ................................................................................... 105
8.1.2.3
Kattenbosserheide (Lommel) ........................................................................ 105
8.1.2.4
Vliegbasis Kleine Brogel (Peer) ...................................................................... 106
8.1.2.5
Galgenberg (Heusden‐Zolder) ....................................................................... 106
8.1.2.6
Tenhaagdoornheide (Houthalen‐Helchteren) ............................................... 107
8.1.2.7
Teut (Zonhoven) ............................................................................................ 107
8.1.2.8
Oudsberg (Oudsbergen) ................................................................................ 108
Aanvullende informatie bij de genetische analyses .................................................. 109
8.2.1
Microsatelliet ontwikkeling ............................................................................... 109
8.2.2
Microsatelliet loci en PCR‐condities .................................................................. 110
8.2.3
Hardy‐Weinberg evenwicht en Linkage disequilibrium .................................... 111
8.2.4
Individuele toewijzingstesten gebaseerd op allel‐frequentiemethode ............ 114
8.2.5
STRUCTURE analyse .......................................................................................... 115
8.2.6
Het effect van nul‐allen op FIS‐waarden ............................................................ 116
8.2.7
Schatting van de effectieve populatiegroottes (Ne) ......................................... 119
8.2.8
Genetische bottlenecks ..................................................................................... 120
8.2.9
Paarsgewijze G’ST waarden .............................................................................. 121
8.2.10
Isolation‐by‐distance analyses .......................................................................... 122
8.2.11 Geschatte niveaus van de hiërarchische structurering binnen populaties, tussen populaties en tussen regio’s door een analyse van moleculaire variantie (AMOVA) ...... 124 8.3
Fiche voor kartering van functioneel habitat ............................................................ 125
8.4
De meest geschikte locaties voor translocaties ........................................................ 126
8.4.1
Kust‐regio .......................................................................................................... 126
8.4.2
Centrale Kempen ............................................................................................... 127
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Lijst van tabellen Tabel 1 Is de heivlinder wel een heivlinder? Enkele voorbeelden van het omschreven leefgebied van de heivlinder in verschillende landen of regio’s in Europa. ................ 17 Tabel 2 Selectie van gebieden voor bemonstering. ................................................................. 26 Tabel 3 Overzicht van de bemonsteringslocaties met datum van bemonstering, coördinaten van de plek van bemonstering, de oppervlakte van het gehele gebied, de oppervlakte van het gebied waarin de bemonstering plaatsvond, de maximale afstand tussen twee stalen binnen een locatie, de afstand tot de dichtstbijzijnde populatie, het aantal genomen stalen en het aantal geanalyseerde stalen. .................................................................................................. 44 Tabel 4 Resultaten van de toewijzingstest met de Bayesiaanse methode in GENECLASS2. De individuele identificatie (ID) met het geslacht, de bemonsteringslocatie, de meest waarschijnlijke populatie van oorsprong, de probabiliteit (p‐waarde), de vermoedelijke afgelegde verbreidingafstand in km, en de richting van de verbreiding zijn weergegeven. Gedetecteerde dispersers met een p‐waarde ≤ 0,01 zijn in het vet weergegeven. .............................................. 50 Tabel 5 De genetische diversiteitsstatistieken per populatie op basis van negen microsatelliet loci van 641 heivlinderindividuen. De stalen werden op 24 locaties in de kust en de Kempische regio van Vlaanderen verzameld. Met: het gemiddeld aantal individuen gegenotypeerd per locus (N); het gemiddeld aantal geobserveerde allelen per locus (A); het effectief aantal allelen (Ae); het gemiddeld aantal allelen per locus (Ar) en het aantal private allelen (Ap), beiden gecorrigeerd voor het minimum aantal gegenotypeerd individuen (gebaseerd op een minimum van 13 individuen); de geobserveerde heterozygositeit (Ho); de verwachtte heterozygositeit (He); de gemiddelde Wright’s inteelt coëfficiënt (FIS); de ondergrens van het 95% betrouwbaarheidsinterval van de FIS‐waarde (FIS_Laag); en de bovengrens van het 95% betrouwbaarheidsinterval van de FIS‐waarde (FIS_Hoog); voor populaties met bewijs voor inteelt is de FIS‐waarde aangeduid in het vet. ................ 53 Tabel 6 Schatting van de effectieve populatiegrootte (Ne) via de toewijzingstest op basis van verwantschap in het programma Colony2. We geven de waarden van het random mating model (RM) en het non‐random mating model (N‐RM) weer met hun 95% betrouwbaarheidsinterval (95% C.I.) met een onder‐ (O) en bovenlimiet (B). Gemiddeld N zijn het gemiddeld aantal gegenotypeerde individuen per populatie.............................................................................................. 54 Tabel 7 Enkele voorbeelden van translocaties bij dagvlinders met de locatie, het jaar van uitzetting, het aantal wijfjes en mannetjes dat uitgezet werd (#W, #M) en de referentie. ............................................................................................................... 71 Tabel 8 Afstanden (in meters) tussen de potentiële translocatiegebieden in de centrale Kempen en de afstand (in km) tot de dichtstbijzijnde bestaande populatie (DBpop). ....................................................................................................................... 79 Tabel 9 Overzicht van het aantal individuen dat per jaar nodig is voor de geassisteerde herkolonisatie en de bijzetting. ................................................................................... 87 Tabel 10 Overzicht van de belangrijkste ecologische risico’s gekoppeld aan de gevolgen van translocaties van de heivlinder binnen de regio Kempen (bron: Mergeay & Verbist 2021)................................................................................................................ 90 Tabel 11 Overzicht van de belangrijkste socio‐economische risico’s die gepaard kunnen gaan met translocaties van de heivlinder (bron: Mergeay & Verbist 2021). .............. 91
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 11 van 132
Verklarende woordenlijst Allel: een variant van een gen of locus. Bijplaatsing: het verplaatsen van een individu of individuen naar een bestaande populatie van soortgenoten. Census populatiegrootte: het aantal volwassen individuen binnen een populatie. DNA: desoxyribonucleïnezuur, belangrijkste drager van erfelijke informatie. Functional Conservation Unit: een spatiale eenheid waarin de (potentiële) habitat van een soort aanwezig is en waarin specifieke beheers‐ en herstelmaatregelen worden toegepast. Diploïd: Een genoom of een cel is diploïd indien de celkern twee exemplaren bevat van elk chromosoom. Effectieve populatiegrootte: de snelheid waarmee genetische drift inwerkt op de genetische diversiteit van een populatie, maat voor de grootte van de genenpoel. Functionele merker: DNA‐fragment gelegen in een coderend gen. Geassisteerde herkolonisatie: het verplaatsen van een individu(en) van een bestaande deelpopulatie van een metapopulatie naar een leeg leefgebied waar ooit een deelpopulatie van de metapopulatie verdween. Geassisteerde kolonisatie: het verplaatsen van individuen waarbij een nieuwe (meta)populatie wordt gesticht buiten het gekende historische areaal (ook introductie genoemd). Genetische differentiatie: verschil in de aanwezige genetische variatie tussen populaties of soorten. Genetische drift: verlies van genetische diversiteit door toeval. Genetische variatie of genetische diversiteit: het totaal aan genetische verschillen tussen individuen binnen een populatie of soort. Genotypering: het bepalen van het genotype. Genotype: het erfelijk materiaal van een individu. Genetische merker: DNA‐fragment (locus) waarop variatie wordt getypeerd binnen en tussen populaties. Genetische monitoring: opvolgen in de tijd van de genetische variatie en structuur van (meta)populaties of een soort om onderbouwde richtlijnen op te stellen voor het duurzaam voortbestaan van de populatie of soort. Genmigratie: genenuitwisseling, het proces waarbij populaties genetisch materiaal met elkaar uitwisselen. Dit kan gebeuren via rechtstreekse uitwisseling van individuen (migratie), maar ook via sporen, stuifmeel of andere niet‐autonome dragers van genetische informatie. Ha‐grasland: struisgrasvegetatie; graslanden en pioniersvegetaties van voedselarme, zure, meestal zandige standplaatsen Hardy‐Weinberg: theorema van Hardy‐Weinberg veronderstelt dat: de voortplanting in de populatie louter willekeurig gebeurt, er enkel seksuele voortplanting is, er geen natuurlijke selectie is, er geen genetische drift is, er geen genenuitwisseling is en de effectieve populatiegrootte oneindig is. In de populatiegenetica vormt dit het nul‐model. Afwijkingen van de verwachte distributie van allelen op loci binnen individuen, binnen populaties en tussen populaties laten toe om inferenties te maken over voortplantingswijze, selectie, drift, genmigratie en populatiegrootte. Herintroductie: het verplaatsen van een individu naar een plek binnen zijn oorspronkelijk inheems verspreidingsgebied waar het eerder verdwenen is. Homozygoot: een locus komt voor in de vorm van twee identieke allelen bij diploïde organismen. Heterozygoot: een locus komt voor in de vorm van twee verschillende allelen bij diploïde organismen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Inbreeding of inteelt: het kruisen van verwante individuen binnen een populatie. De verwantschap tussen beide individuen is daarbij groter dan de gemiddelde verwantschap tussen individuen van de populatie. Inteeltdepressie: een afname van vruchtbaarheid en / of vitaliteit van nakomelingen als gevolg van inteelt. Inteeltdepressie ontstaat door het tot uiting komen van ongunstige allelen in homozygote toestand. Locus (meervoud: loci): de vaste plaats van een gen of een allel op een chromosoom. Merker: DNA‐fragment. Metapopulatie: een verzameling van deelpopulaties die verbonden zijn via genenuitwisseling en/of genmigratie. Mutatie: verandering in het erfelijke materiaal van een organisme. Neutrale merker: DNA‐fragment dat meestal niet in een coderend gen is gelegen. Outbreeding of uitteelt: het tegenovergestelde van inteelt. Het kruisen van twee individuen waarbij de verwantschap kleiner is dan de gemiddeld vastgestelde verwantschap van de totale populatie. Populatie: een groep organismen van dezelfde soort die (in min of meerdere mate) in tijd of ruimte gescheiden zijn van andere groepen van die soort. Relatieve verspreiding: berekend als het aantal 5 x 5 km atlashokken waarin de soort waargenomen werd gedeeld door de som van het aantal atlashokken van alle soorten opgenomen in Maes et al. (2021); met de relatieve verspreiding wordt de procentuele verandering in verspreiding van de soort in een periode berekend. Translocaties (ecologische context): het doelgericht verplaatsen van levende individuen in het kader van soortenbeheer en natuurbehoud. Binnen het soortenbeheer onderscheiden we vier types: bijplaatsing, geassisteerde herkolonisatie (metapopulatieherstel), herintroductie en geassisteerde kolonisatie (introductie). Verbreiden: verspreiden. Individuen verbreiden tussen leefgebieden en worden dan migranten genoemd. Wahlund‐effect: In een populatie die niet genetisch homogeen is maar bestaat uit subpopulaties, is het aantal homozygoten in de totale populatie kleiner dan het gemiddelde van het aantal homozygoten in de deelpopulaties. De verhoogde frequentie van homozygoten in de subpopulaties noemt men het Wahlund‐effect.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 13 van 132
Soortenbeschermingsprogramma heivlinder als beleidskader voor de studie Deze studie werd in het kader van het soortenbeschermingsprogramma (SBP) van de heivlinder (Hipparchia semele) uitgevoerd. Het SBP werd op 19 december 2016 vastgesteld. Het doel van dit programma bestaat uit twee onderdelen. Het eerste doel is om bij te dragen tot een gunstige staat van instandhouding van deze soort in Vlaanderen. Het tweede doel is om een regionaal gunstige staat van instandhouding van vijf Europees te beschermen habitats (heiden en landduinen: 2310, 2330, 4030 en 5130; kustduinen: 2130*1) te bekomen. Voor deze habitats is de heivlinder een habitattypische soort. De in het SBP opgenomen maatregelen bestaan onder meer uit:
het behoud en uitbreiden van de oppervlakte leefgebied; het aanpassen van het beheer om de kwaliteit van het leefgebied te verhogen; het inrichten van kolonisatiegebieden; het veiligstellen van stapstenen.
Daarnaast wordt ingezet op onderzoek, monitoring, communicatie en sensibilisering. Het SBP geeft als onderzoeksactie aan om de potenties van translocatie te onderzoeken. Hiervoor is precieze kennis van de Vlaamse populatiegenetica noodzakelijk. Dit wordt onderzocht aan de hand van een genetisch onderzoek van alle resterende Vlaamse (meta)populaties. Het vangen en bemonsteren van heivlinders en de bepaling van de huidige lokale habitatkwaliteit in de (potentiële) leefgebieden, gebeurt met hulp van de plaatselijke beheerders. Hierbij wordt specifiek naar het functioneel habitat met ecologische hulpbronnen van de heivlinder gekeken. Volgend uit het genetisch onderzoek en op basis van de habitatkwaliteit, wordt een translocatieplan opgemaakt voor de heivlinder in Vlaanderen, zodat elke voorgestelde translocatie op wetenschappelijke basis verantwoord is.
1
Het ”*” teken duidt een prioritair habitattype aan voor de instandhouding waarvan aanwijzing van speciale beschermingszones vereist is. Richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 van de Raad inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
1 INLEIDING De heivlinder (Hipparchia semele) is endemisch in Europa en komt in de meeste Noordwest‐ Europese landen voornamelijk voor in (kust)duinen en heidegebieden. Op Europees niveau is de vlindersoort ‘Momenteel niet in gevaar’. De soort wordt echter wel als een Species of Conservation Concern beschouwd (van Swaay et al. 2011). Dit betekent dat de soort een sterke achteruitgang in meer dan een derde van alle Europese landen vertoont (van Swaay et al. 2011). De heivlinder is vooral in Noordwest‐Europa, alsook in Vlaanderen, sterk getroffen door habitatverlies en ‐versnippering. Zijn verspreidingsgebied onderging een sterke daling in oppervlakte, met een verlies van 47% in Vlaanderen sinds 1991 (Maes et al. 2021), 55% in Nederland sinds 1950 (van Swaay 2019) en 62% in het Verenigd Koninkrijk sinds 1970 (Fox et al. 2011). De meeste kustduinen en heidegebieden zijn versnipperd en beperkt tot kleine en geïsoleerde gebieden (Exeler et al. 2009; Webb 1998). De gebieden zijn omringd door een antropogene en op landbouw gerichte landschapsmatrix. Tijdens de 20ste eeuw verdween 36% van de oppervlakte van de kustduinen in België, hoofzakelijk door bouwprojecten voor het toerisme (Provoost & Bonte 2004). Heidegebied kent ook een sterke afname in oppervlakte. Vandaag is heide zeer schaars in Vlaanderen en bedekt ze nog 0,6 tot 1 procent van het totaaloppervlak: zo’n 7.700 tot 13.000 hectare (De Saeger et al. 2020). Naast eutrofiëring, via stikstofdepositie, heeft ook de stop van traditionele landgebruiken, zoals begrazing door schapen en gecontroleerde afbranding, een negatief effect op de heidegebieden (Rose et al. 2000; Webb 1998). Europese kustduinen met kruidachtige vegetatie (‘grijze duinen’) en heidegebieden hebben een hoge behoudsprioriteit en zijn beschermd onder de EU habitatrichtlijn (EC 2007). De heivlinder zelf wordt als een paraplusoort beschouwd. De soort heeft namelijk nood aan redelijk grote gebieden met open vegetatie die in verschillende stadia van successie zijn. Dit soort gebieden bieden ook habitatmogelijkheden voor een hele reeks soorten, o.a. kustrenspin (Philodromus fallax), zandwolfsspin (Arctosa perita), solitaire bijen en wespen, de harkwesp (Bembix rostrata) aan de kust en het heideblauwtje (Plebejus argus), de blauwvleugelsprinkhaan (Oedipoda caerulescens), gladde slang (Coronella austriaca) en de knoflookpad (Pelobates fuscus) in de Kempen (Decleer 2007; Maes et al. 2013). Een langere lijst van meeliftende soorten is te vinden in het Wetenschappelijk basisrapport van het Soortbeschermingsprogramma Heivlinder (Segers et al. 2014). Deze soorten genieten mee van een optimaal beheer voor de heivlinder. De ecologie en verbreiding van de heivlinder werd in Europa (e.g. Bink 1992; Dennis et al. 1998; Middlebrook et al. 2019; Reinhardt et al. 2020; Tinbergen 1942) en ook in Vlaanderen (e.g. Logie 2002; Maes et al. 2006; Maes et al. 2013; Segers 2012; Vanreusel et al. 2002) goed bestudeerd aan de hand van demografische studies. In demografische studies worden verbreiding en populatiegroottes ingeschat aan de hand van directe (observatie) methodes. Voorbeelden van deze methodes zijn merk‐hervangst onderzoek en de studie van de kolonisatie‐ en extinctie‐dynamieken (Stevens et al. 2010). Deze directe methodes worden echter vaak beperkt door mankracht en de oppervlakte van een bemonsteringsgebied (Schneider 2003). Dit zorgt er bijvoorbeeld voor dat zeldzame verbreidingen over lange afstanden moeilijk te detecteren zijn met deze methodes. Het verbreidingsvermogen van een soort wordt bijgevolg waarschijnlijk onderschat (e.g. Vanden Broeck et al. 2017). Bij genetische analyses wordt verbreiding daarentegen op een indirecte wijze ingeschat. Deze analyses maken gebruik van het genetische profiel van een individu en de verspreiding van de ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 15 van 132
genetische variatie tussen de bemonsterde locaties (Stevens et al. 2010). Genetische analyses kunnen eveneens inzicht geven in de genetische uitwisseling tussen populaties en de effectieve populatiegroottes (i.e. het aantal individuen die aan dezelfde graad van verlies van genetische diversiteit, inteelt en genetische drift onderhevig zijn als een ideale populatie – Frankham et al. 2010). Bovendien kunnen genetische populatiestudies meer inzicht geven voor het ontwerpen van genetische herstelstrategieën (‘genetic rescue’), zoals translocaties, bij het opstellen van soortbeschermingsplannen (Coates et al. 2018). Bij zo’n herstelstrategie worden er nieuwe genen in een kleine populatie geïntroduceerd waardoor de uiting van schadelijke genen (genetische lading, ‘genetic load’) wordt onderdrukt (Weeks et al. 2011). Translocaties worden in het natuurbehoud alsmaar meer als een onmisbare hulpmiddel beschouwd (Frankham et al. 2017). Uit een recente globale meta‐analyse over gepubliceerde translocaties van dieren, bleek dat er vooral over zoogdier‐ en vogelsoorten gerapporteerd wordt. Over insecten werd het minste gepubliceerd. Bij ongeveer de helft van alle studies (46,6%) was sprake van een succesvolle translocatieactie (Resende et al. 2020). Ook voor verschillende vlindersoorten werden reeds succesvolle translocatieacties uitgevoerd (e.g. Kuussaari et al. 2015; Schultz et al. 2008). Een van de meest succesvolle verhalen is de herintroductie van het tijmblauwtje (Phengaris arion) op verschillende plekken in Groot‐Brittannië (Andersen et al. 2014; Thomas et al. 2009). Translocatieplannen moeten echter goed doordacht worden. Er zijn veel variabelen die het succes van translocaties kunnen beïnvloeden. Zo blijken de beschikbaarheid en kwaliteit van een habitat, en de keuze van een gepaste bronpopulatie kritische variabelen voor vlinders (Kuussaari et al. 2015; Wynhoff 1998). Leidraden voor het opstellen van deze plannen worden beschreven in IUCN/SSC (2013) en Mergeay & Verbist 2021). Tot dusver waren er geen gegevens beschikbaar rond de genetische diversiteit en structuur van de heivlinder in Vlaanderen. Ook rond translocaties van de heivlinder in Vlaanderen, Wallonië en aanliggende landen was er geen informatie. Het doel van deze studie was om aan de hand van neutrale moleculaire merkers:
de recente verbreiding van de heivlinder tussen Vlaamse populaties in te schatten; de effecten van habitatverlies en ‐versnippering op de genetische populatiestructuur en genetische variatie te onderzoeken; de effectieve populatiegroottes in te schatten.
Hiervoor ontwikkelden we soort‐specifieke, polymorfe, nucleaire microsatellietmerkers. Deze merkers kunnen ook gebruikt worden bij andere genetische populatiestudies van heivlinder. Op basis van de resultaten geven we tenslotte advies over translocaties tussen de Vlaamse heivlinderpopulaties. Het succes van translocaties kan worden opgevolgd en bijgestuurd via genetische monitoring. Het doel is om de duurzame levensvatbaarheid van elke Vlaamse (meta)populatie te behouden, te versterken en te garanderen op middellange en lange termijn.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 16 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
2 MATERIAAL EN METHODE 2.1
SOORTBESPREKING
We bespreken kort de (ecologische) aspecten die relevant zijn voor deze studie. Voor een uitgebreidere bespreking van de soort verwijzen we naar het Wetenschappelijk basisrapport van het Soortbeschermingsprogramma Heivlinder (Segers et al. 2014).
2.1.1 Habitattype Vergelijking van verschillende Europese bronnen toont dat eenzelfde dagvlindersoort elders in Europa andere biotopen kan gebruiken. Dit is ook het geval voor de heivlinder. In Vlaanderen kennen we de soort als heivlinder, maar ook als duinvlinder. In Noord‐Europa is het eerder een rotsvlinder en meer zuidelijk of oostelijk wordt het een bosvlinder (Tabel 1). Afhankelijk van de klimatologische omstandigheden kan de voorkeur van de heivlinder voor een bepaald type habitat veranderen. Een bos in Griekenland is klimatologisch verschillend van een gelijkaardig biotoop in Zweden. De ecologische hulpbronnen moeten in goede kwaliteit aanwezig zijn. Vooral het klimaat en de temperatuur moeten gedurende het hele levensstadium (ei‐rups‐ pop‐adult) van de heivlinder geschikt zijn. Tabel 1
Is de heivlinder wel een heivlinder? Enkele voorbeelden van het omschreven leefgebied van de heivlinder in verschillende landen of regio’s in Europa.
Land of regio
Biotoopomschrijving
Duitsland (Reinhardt et al. 2020)
Voedselarme graslanden, heiden en dennenbossen
Griekenland (Pamperis 2009)
Vooral in struwelen en bossen, maar ook in het open veld en in berggebieden
Rusland (Tuzov 2000)
Droge, warme randen van naaldbossen en gemengde bossen
Scandinavië (Henriksen & Kreutzer 1982)
Zandige heidevegetaties en rotsige kliffen langs kusten en meren
Slovenië (Verovnik et al. 2012)
Droge kalkgraslanden en stenige, deels overgroeide wei‐ en graslanden
Tsjechië (Beneš et al. 2002)
Warme, zuidgerichte graslanden met een korte vegetatie
Vlaanderen (Maes et al. 2013)
Droge heide in de Kempen en ook in de duinen aan de kust
2.1.2 Verspreiding 2.1.2.1
Waarnemingen
Het natuurplatform waarnemingen.be bevat 10.710 waarnemingen van de heivlinder tot en met 2019. De oudste waarneming dateert uit 1930. Op basis van bewijsmateriaal (foto’s), expertoordeel of kennisregels werden er 10.426 waarnemingen gevalideerd. Het aantal waarnemingen per jaar wordt weergegeven in Figuur 1. Hierbij valt het lage aantal waarnemingen op in 2015, 2018 en 2019. Dit waren stuk voor stuk jaren met erg droge
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 17 van 132
zomers. De lage waarnemingen in de periode voor 2010 zijn vermoedelijk op zijn minst ook deels te wijten aan een lagere registratie binnen het natuurplatform waarnemingen.be.
Figuur 1
Aantal waarnemingen van heivlinder per jaar sinds 2005. Bron: Waarnemingen.be.
2.1.2.2
Vlaanderen
Vroeger kwam de heivlinder niet enkel voor aan de kust en in de Kempen, maar ook op zandgronden in het binnenland zoals in het Zoniënwoud en het Hageland (Figuur 2; Maes et al. 2013).
Figuur 2
Verspreiding van de heivlinder in de periode voor 2010. Bron: Maes et al. (2013). Grijze bol = waargenomen tot 1991; gele bol = waargenomen tot 2000; groene bol = waargenomen tot 2010.
De huidige verspreiding van de heivlinder in Vlaanderen beperkt zich tot twee grote regio’s aan de kust en in de Kempen (Figuur 3). Figuur 4 geeft de sterk dalende trend weer van de relatieve verspreiding van heivlinder in Vlaanderen. De relatieve verspreiding corrigeert voor het aantal onderzochte gebieden (km‐hokken). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 3
Verspreiding van de heivlinder in de periode 2010‐2019 (Bron: Waarnemingen.be). De ecoregio’s Kustduinen en Kempen zijn in het grijs aangeduid.
Figuur 4
Trend in de relatieve verspreiding van de heivlinder in Vlaanderen gedurende de periode 2011‐2020 (Bron: Maes et al. 2021). De relatieve verspreiding corrigeert voor het aantal onderzochte gebieden (km‐hokken).
2.1.2.2.1
Kust
Het verspreidingsgebied van de heivlinder aan de kust wordt ingedeeld in drie grote deelgebieden: de Westkust, de Middenkust en de Oostkust (Figuur 5). Het aaneengesloten deelgebied van de Westkust reikt van De Panne tot Middelkerke. De Middenkust bevat de gebieden van Oostende tot Bredene. De Oostkust bestaat uit twee deelgebieden met Zeebrugge enerzijds en het Zwin anderzijds. De grootste populaties bevinden zich aan de Westkust. In de Middenkust worden af en toe exemplaren waargenomen, maar er zijn geen permanente populaties. Aan de Oostkust herbergt vooral het Zwin een vrij grote populatie. In de Fonteintjes worden er af en toe zwervende individuen waargenomen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 19 van 132
Oostkust
Middenkust
Westkust
Figuur 5
Deelgebieden aan de kust. De gebieden aan Oostkust sluiten niet op mekaar aan. De groene stippen zijn recente waarnemingen van de Heivlinder aan de kust (donkergrijs).
2.1.2.2.2
Kempen
Het verspreidingsgebied van de heivlinder in de Kempen bestaat uit drie deelgebieden: de westelijke, centrale en oostelijke Kempen (Figuur 6). De westelijke Kempen reikt van Kalmthout tot het Groot Schietveld. De centrale Kempen betreft enkel de inmiddels uitgestorven populatie van Malle. Het oostelijke deel reikt van Dessel in het westen tot Eisden in het oosten, en van Genk in het zuiden tot Hamont‐Achel in het noorden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
westelijke Kempen
0 3,25 6,5
13
Kilometers
oostelijke Kempen centrale Kempen
Figuur 6
De drie deelgebieden in de Kempen. De ecoregio Kempen is in het grijs aangeduid. De groene stippen zijn waarnemingen van de heivlinder. De oranje contouren is afgebakend door een buffer van 5 km rond de waarnemingen te trekken.
2.1.2.3
Europa
De heivlinder is wijdverspreid binnen Europa, maar de soort komt niet voor in de meest noordoostelijke delen en op de hoogste bergen van Europa (Kudrna et al. 2011). De Vlaamse kustpopulatie in de Westhoek vormt een grensoverschrijdende populatie met de Franse populatie van Bray‐Dunes (Dunes du Perroquet; Haubreux et al. 2017). In veel mindere mate vormt ook de populatie uit het Zwin een grensoverschrijdende populatie met Nederlandse kustpopulaties. In de Kempen is dit het geval bij de populatie in Kalmthout en de Nederlandse populatie uit De Zoom, de populatie uit het Hageven en de Nederlandse populatie van De Plateaux, en ten slotte bij de populatie van de Beverbeekse Heide en de Nederlandse populatie uit Leenderheide (Bos et al. 2006).
2.1.3 Trend 2.1.3.1
Waarnemingen
De trend van het aantal gemelde individuen in Waarnemingen.be wordt weergegeven in Figuur 7. Bij het berekenen van de trend werd een correctie doorgevoerd voor de inventarisatie‐inspanning. Dit geeft slechts een indicatie over de talrijkheid van de soort per jaar. Niet elke waarnemer geeft namelijk de exact getelde aantallen in. In Nederland gaat de soort ook sterk achteruit, eerst in verspreiding en daarna in aantallen (van Strien et al. 2011).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 21 van 132
Figuur 7
Trend van het aantal waarnemingen van de heivlinder in vier regio’s. De schaal van de y‐as verschilt per regio.
2.1.3.1.1
Kust
Aan de Westkust was er een grote piek in het aantal gemelde individuen in 2013. Het jaarlijks aantal waargenomen individuen schommelt sindsdien tussen 200 ‐ 400 individuen. Aan de Middenkust is het aantal gemelde individuen altijd bijzonder laag en gaat het vermoedelijk om zwervers. Aan de Oostkust werd in 2014 het grootste aantal waarnemingen genoteerd. Er was een dip in 2017, waarna het aantal gemelde individuen weer sterk toenam. 2.1.3.1.2
Kempen
De populatie van Malle in het Centrale deel van de Kempen is inmiddels uitgestorven. Zowel in het westelijke als het oostelijke deel van de Kempen is er een zeer sterke terugval in het aantal gemelde individuen in de jaren 2018 en 2019. Dit is meer dan waarschijnlijk te wijten aan de extreme droogte in beide jaren (gebrek aan geschikte waardplanten en nectar). 2.1.3.2
Meetnetten
Aangezien de heivlinder een Vlaamse prioritaire soort is, wordt ze sinds 2016 op een gestandaardiseerde manier opgevolgd in Meetnetten.be (www.meetnetten.be). De methodiek voor deze tellingen is terug te vinden in Maes et al. (2019b). In totaal wordt de heivlinder gemonitord op 30 locaties en dit in een driejarige cyclus van 10 locaties per jaar. Hierdoor zijn de aantallen tussen jaren moeilijk vergelijkbaar en zullen we pas na meerdere cycli een algemene trend voor de heivlinder kunnen vaststellen. Net als bij de losse waarnemingen valt de sterke terugval in de Kempen op in de laatste drie jaar (Figuur 8). In de westelijke Kempen werden er in 2018 zelfs geen heivlinders waargenomen op de routes.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 8
Aantal getelde heivlinders sinds 2016 op de geselecteerde locaties in Meetnetten.be.
2.1.4 Status De heivlinder staat op de meest recente Rode Lijst van Vlaanderen in de categorie Bedreigd (Maes et al. 2021). In Wallonië is de heivlinder Ernstig bedreigd (Fichefet et al. 2008), maar vermoedelijk is de soort er ondertussen uitgestorven (Cors & Goffart 2020). In Duitsland (Reinhardt et al. 2020), Groot‐Brittannië (Fox et al. 2011) en Nederland (van Swaay 2019) is de heivlinder Kwetsbaar. In Frankrijk is de soort Momenteel niet in gevaar (IUCN France et al. 2012). Op Europese schaal is de soort niet bedreigd (van Swaay et al. 2010), maar wordt ze wel als een Species of Conservation Concern beschouwd. Dit omdat er een sterke achteruitgang is in meer dan een derde van alle Europese landen (van Swaay et al. 2011). De heivlinder is een Vlaamse prioritaire soort (Herremans et al. 2014) en wordt gemonitord via Meetnetten.be (Brosens et al. 2019). De heivlinder is habitattypisch voor een vijftal Europese biotooptypen: 2130 (Vastgelegde duinen met kruidvegetatie), 2310 (Psammofiele heide met Calluna en Genista), 2330 (Open grasland met Corynephorus‐ en Agrostis‐soorten op landduinen), 4030 (Droge Europese heide) en 5130 (Jeneverbesstruweel in heide of kalkgrasland; De Knijf et al. 2013).
2.2
BEMONSTERING
2.2.1 Selectie van de gebieden voor bemonstering 2.2.1.1
Op basis van waarnemingen
Het selecteren van de gebieden voor de genetische bemonstering verliep in verschillende stappen: 1. We gebruikten enkel waarnemingen in Waarnemingen.be die werden goedgekeurd op basis van expertenkennis of bewijsmateriaal (foto’s);
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 23 van 132
2. Waarnemingen met een nauwkeurigheid kleiner was dan 500 m werden niet gebruikt in de verdere selecties (n=862); 3. Waarnemingen uit Waarnemingen.be zonder gebiedsnaam werden, op basis van de geografische coördinaten, toegekend aan gekende gebieden; 4. Gebieden zoals vermeld in Waarnemingen.be werden gegroepeerd tot grotere eenheden (bv. de verschillende deelgebieden van de Kalmthoutse Heide werden gebundeld tot de grotere eenheid “Kalmthoutse Heide”); 5. Per eenheid werd het totale aantal waargenomen heivlinders per jaar berekend. Op basis van onderzoek naar de mobiliteit van de soort (Logie 2002; Segers et al. 2014), werden rond elke waarneming buffers getrokken van verschillende afmetingen (250, 500, 1000 meter). Dit resulteerde in een eerste indicatieve afbakening van de te bemonsteren clusters. Er werd enkel bemonsterd in gebieden waar de kans voldoende hoog was om aan 30 exemplaren te geraken. We gebruikten daarbij de buffer van 1000 meter. 2.2.1.2
De te bemonsteren eenheden
Om een globaal beeld te krijgen van de populatiestructuur van de heivlinder in Vlaanderen worden de grote eenheden (meta‐populaties) bemonsterd. Zo kunnen we nagaan of er significante genetische verschillen zijn tussen de Kust en de Kempen en tussen de deelpopulaties binnen deze twee regio’s. Ook uit praktische overwegingen spelen mee. Zo kan men zeker zijn dat er voldoende exemplaren gevangen zullen worden voor de analyses. Welk criterium hanteerden we voor de selectie van de te bemonsteren gebieden? In minstens één jaar in de periode 2015‐2019 moesten minstens 10 individuen van de heivlinder zijn waargenomen. Dit leverde 20 potentieel te bemonsteren eenheden op: vier aan de kust, drie in de westelijke Kempen, één in de centrale Kempen en 12 in de oostelijke Kempen. Deze eenheden werden in sommige gevallen nog opgesplitst in kleinere deelclusters (zie verder). De indeling in deze clusters geeft een eerste indicatie van waar heivlinders het beste bemonsterd kunnen worden. Gebieden waarbij er in minstens één jaar van de periode 2010 ‐ 2019 minstens vijf individuen van de heivlinder waargenomen werden, zijn weergegeven in Bijlage 8.1. Deze gebieden bevatten mogelijk nog heel kleine populaties van de heivlinder. Deze gebieden zijn niet bemonsterd voor deze studie. De populatie in Malle is uitgestorven; hier waren geen waarnemingen meer sinds 2018 (Figuur 9) en kan er dus geen bemonstering gebeuren. Enkele van de grotere te bemonsteren eenheden of clusters kunnen het best in kleinere deelclusters opgesplitst worden omdat ze fysiek gescheiden worden door wegen of bebouwing. Van de cluster Schipgatduinen/Ter Yde/Zeebermduinen kunnen we twee deelclusters maken: de Schipgatduinen enerzijds en Ter Yde‐Zeebermduinen anderzijds. De cluster Balimgronden/De Most/Keiheuvel kan best opgesplitst worden in twee deelclusters: de Balimgronden enerzijds en De Most‐Keiheuvel anderzijds. De zeer grote cluster Kamp van Beverlo kunnen we opsplitsen in drie deelclusters: Kamp van Beverlo‐Noord ten noorden van de weg Leopoldsburg‐Hechtel, Zwarte Beek‐Noord tussen de weg Leopoldsburg‐Hechtel en de Zwarte Beek, en Zwarte Beek‐Zuid ten zuiden van de Zwarte Beek. Dit resulteert in 25 effectief bemonsterde gebieden voor genetische analyse (Figuur 10, Tabel 2). Zeventien gebieden zijn (mede‐)eigendom van het ANB of worden door het agentschap beheerd. Eén gebied wordt beheerd door Natuurpunt (Hageven). De overige zeven gebieden zijn privéterreinen (Tabel 2).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 24 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Hieronder geven we meer details over de bemonsterde gebieden.
Figuur 9
Totaal aantal waargenomen individuen per jaar op het vliegveld in Malle. Bron: Waarnemingen.be. De oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer.
Figuur 10
Ligging van de bemonsterde clusters in Vlaanderen. Sommige clusters werden nog verder opgesplitst in kleinere clusters voor bemonstering.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 25 van 132
Tabel 2
Selectie van gebieden voor bemonstering.
Clusters Kuststreek (5) 1. Westhoek (WEH) 2. Schipgatduinen (SGD) 3. Ter Yde‐Zeebermduinen (TYZ) 4. Sint‐Laureinsduinen (SLD) 5. Zwin (ZWI) Kempen – West (3) 1. Kalmthoutse Heide (KAH) 2. Klein Schietveld (KLS) 3. Groot Schietveld (GRS) Kempen – Oost (17) 1. Niras (NIR) 2. Keiheuvel – De Most (KDM) 3. Balimgronden (BAL) 4. Maatheide (MAH) 5. Hageven (HAG) 6. Beverbeekse Heide (BBH) 7. Kamp Beverlo Noord (WEV) 8. Zwarte Beek – Noord (ZBN) 9. Zwarte Beek – Zuid (ZBZ) 10. Terril Lindeman (TLM) 11. Militair Schietveld (HHH) 12. Terril Winterslag (TEW) 13. Schemmersberg (SCB) 14. Klaverberg (KLB) 15. Mechelse Heide (MEH) 16. Teutelberg (TEB) 17. Molse Zandputten (MZP)
Gemeente
Eigenaar
De Panne Koksijde Koksijde Middelkerke Knokke
ANB ANB ANB ANB ANB
Kalmthout Kapellen Brecht/Wuustwezel
ANB ANB ANB
Dessel Balen Lommel Lommel Pelt/Lommel Hamont‐Achel Hechtel‐Eksel Hechtel‐Eksel/Beringen Houthalen‐Helchteren/Beringen Heusden‐Zolder Houthalen‐Helchteren/Oudsbergen Genk Genk Genk/As Maasmechelen Dilsen‐Stokkem Mol
Privé ANB Privé Privé Natuurpunt ANB ANB ANB ANB ANB ANB Stad Genk Stad Genk ANB ANB Privé Privé
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 26 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
2.2.1.2.1
Regio Kust
Overzichtskaart met de vijf geselecteerde locaties voor bemonstering aan de kust (Figuur 11).
Figuur 11
2.2.1.2.1.1
Overzicht van de geselecteerde clusters voor bemonstering en genetische analyse aan de kust met links de Westkust en rechts de Oostkust.
Westhoek (De Panne)
Een van de grootste populaties met jaarlijks meer dan 50 waargenomen individuen. Het aantal waargenomen vlinders is sinds 2015 echter sterk afgenomen (Figuur 12). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in 2016 in de Westhoek 24 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 12
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in natuurreservaat de Westhoek in De Panne (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 27 van 132
2.2.1.2.1.2
Schipgatduinen (Koksijde)
Een grote populatie met jaarlijks 50‐100 waargenomen individuen. Het aantal waargenomen vlinders is echter sinds 2015 sterk afgenomen (Figuur 13). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden er in de Schipgatduinen in 2016 en 2019 respectievelijk 59 en 26 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB, Gemeente Koksijde, Agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK) / ANB
Figuur 13
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in de Schipgatduinen in Koksijde (oranje).
2.2.1.2.1.3
Ter Yde – Zeebermduinen (Koksijde)
Een middelgrote populatie met jaarlijks tussen de 25‐50 waargenomen individuen (Figuur 14). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in 2018 in Ter Yde 22 heivlinders geteld. In 2017 in de Zeebermduinen werden er 15 individuen geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 14
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in Ter Yde ‐ Zeebermduinen in Koksijde (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 28 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
2.2.1.2.1.4
Sint‐Laureinsduinen (Middelkerke)
Een sterk fluctuerende populatie met aantallen tussen 25‐50, maar in de oneven jaren slechts zeer lage aantallen (Figuur 15). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in de Sint‐ Laureinsduinen in 2016 en 2018 respectievelijk 57 en 66 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 15
2.2.1.2.1.5
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in de Sint‐ Laureinsduinen in Middelkerke (oranje).
Zwin (Knokke‐Heist)
Een vrij grote populatie met vaak meer dan 100 waargenomen individuen per jaar (Figuur 16). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in het Zwin in 2016 en 2019 respectievelijk 58 en 70 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 16
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in het Zwin in Knokke‐Heist (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 29 van 132
2.2.1.2.2
Westelijke Kempen
Dee bemonsteren locaties in de westelijke Kempen staan op onderstaande overzichtskaart (Figuur 17).
Figuur 17
Overzicht van de te bemonsteren clusters in de regio Kempen West.
2.2.1.2.2.1
Kalmthoutse Heide (Kalmthout)
Een grote populatie, maar het aantal gemelde individuen is de laatste twee jaar sterk gedaald (Figuur 18). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in de Kalmthoutse Heide in 2016 en 2019 respectievelijk 26 en 4 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 18
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in de Kalmthoutse Heide in Kalmthout (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 30 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
2.2.1.2.2.2
Klein schietveld (Kapellen)
In de laatste twee jaar werden er bijzonder weinig individuen gemeld (Figuur 19). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden er in het Klein Schietveld in 2016, 2017, 2018 en 2019 respectievelijk 10, 5, 0 en 1 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 19
2.2.1.2.2.3
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in het Klein Schietveld in Kapellen (oranje).
Groot Schietveld (Wuustwezel/Brecht)
Sinds 2017 werd er een zeer laag aantal individuen gemeld (Figuur 20). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in het Groot Schietveld in 2016 en 2019 respectievelijk 2 en 4 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 20
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in het Groot Schietveld in Wuustwezel/Brecht (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 31 van 132
2.2.1.2.3
Oostelijke Kempen
Figuur 21 bevat een overzichtskaart met te bemonsteren locaties in de oostelijke Kempen.
Figuur 21
Overzicht van de te bemonsteren clusters in de regio Kempen Oost.
2.2.1.2.3.1
Niras (Dessel)
In Niras bevindt zich een redelijk grote populatie (Figuur 22). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in Niras (Belgonucleaire) in 2016, 2018 en 2019 respectievelijk 66,18 en 29 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: Privé
Figuur 22
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in Niras in Dessel (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 32 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
2.2.1.2.3.2
Keiheuvel – De Most (Balen)
In Keiheuvel – De Most bevindt zich een middelgrote populatie (Figuur 23). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in de Keiheuvel in 2016 en 2019 respectievelijk 74 en 2 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 23
2.2.1.2.3.3
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in Keiheuvel – De Most in Balen (oranje).
Balimgronden (Lommel)
Op de Balimgronden bevindt zich een zeer grote populatie (Figuur 24). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden er op de Balimgronden in 2016 en 2017 respectievelijk 158 en 93 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: Natuurpunt
Figuur 24
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in de Balimgronden in Lommel (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 33 van 132
2.2.1.2.3.4
Maatheide (Lommel)
Op de Maatheide bevindt zich een kleine heivlinderpopulatie (Figuur 25). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden op de Maatheide in 2016 en 2019 respectievelijk 26 en 4 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: Privé
Figuur 25
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in de Maatheide in Lommel (oranje).
2.2.1.2.3.5
Hageven (Pelt)
In 2019 werden er weinig individuen gemeld, maar voordien herbergde het Hageven een vrij grote populatie (Figuur 26). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in 2017 in het Hageven 8 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: Natuurpunt
Figuur 26
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in het Hageven in Pelt (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 34 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
2.2.1.2.3.6
Beverbeekse Heide (Hamont‐Achel)
Op de Beverbeekse Heide bevindt zich een kleine populatie (Figuur 27). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden op de Beverbeekse Heide in 2016 en 2019 respectievelijk 67 en 3 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 27
2.2.1.2.3.7
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in de Beverbeekse Heide in Hamont‐Achel (oranje).
Kamp Beverlo Noord (Hechtel‐Eksel)
Kamp Beverlo Noord herbergt een kleine populatie (Figuur 28). Op Kamp Beverlo Noord ligt geen vlinderroute van Meetnetten.be Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 28
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone op Kamp Beverlo Noord in Hechtel‐Eksel (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 35 van 132
2.2.1.2.3.8
Zwarte Beek – Noord (Hechtel‐Eksel)
In Zwarte Beek – Noord bevindt er zich een grote heivlinderpopulatie (Figuur 29). In het gebied ligt geen vlinderroute van Meetnetten.be. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 29
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in Zwarte Beek ‐ Noord in Hechtel‐Eksel (oranje).
2.2.1.2.3.9
Zwarte Beek – Zuid (Houthalen‐Helchteren/Beringen)
In Zwarte Beek – Zuid bevindt er zich een grote populatie (Figuur 30). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in de Zwarte Beek – Zuid in 2016 en 2017 respectievelijk 105 en 33 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 30
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in Zwarte Beek ‐ Zuid in Houthalen‐Helchteren/Beringen (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 36 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
2.2.1.2.3.10
Terril Lindeman (Heusden‐Zolder)
Op Terril Lindeman bevindt zich een vrij grote populatie (Figuur 31). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden op de Terril Lindeman (Helderbeekvallei) in 2016 en 2018 respectievelijk 3 en 4 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 31
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in Terril Lindeman in Heusden‐Zolder (oranje).
2.2.1.2.3.11
Militair Schietveld (Houthalen‐Helchteren/Oudsbergen)
In 2018 en 2019 werden er zeer weinig heivlinders gemeld (Figuur 32). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden op het Militair Schietveld in 2016 en 2019 respectievelijk 58 en 1 heivlinder(s) geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 32
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone op het Militair Schietveld in Houthalen‐Helchteren/Oudsbergen (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 37 van 132
2.2.1.2.3.12
Terril Winterslag (Genk)
Op de Terril Winterslag bevindt zich een grote populatie (Figuur 33). Op de vlinderroutes van Meetnetten.be werden op de Terril in Winterslag in 2016 en 2018 respectievelijk 48 en 36 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: Stad Genk
Figuur 33
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone op Terril Winterslag in Genk (oranje).
2.2.1.2.3.13
Schemmersberg (Genk)
Op de Schemmersberg bevindt zich een kleine populatie (Figuur 34). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in 2019 op de Schemmersberg 14 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: Stad Genk/ANB
Figuur 34
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone op de Schemmersberg in Genk (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 38 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
2.2.1.2.3.14
Klaverberg – Opglabbekerzavel (As)
Op de Klaverberg bevindt zich een vrij grote populatie (Figuur 35). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden op de Klaverberg in 2016, 2018 en 2019 respectievelijk 41, 10 en 9 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 35
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone op de Klaverberg in As (oranje).
2.2.1.2.3.15
Mechelse Heide (Maasmechelen)
In de Mechelse Heide bevindt zich een middelgrote populatie (Figuur 36). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in 2016 in de Mechelse Heide 8 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur 36
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in de Mechelse Heide in Maasmechelen (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 39 van 132
2.2.1.2.3.16
Teutelberg (Dilsen‐Stokkem)
Op de Teutelberg werden er de laatste jaren nauwelijks waarnemingen gemeld (Figuur 37). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in 2016 op de Teutelberg 32 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: Privé
Figuur 37
Links het totaal aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone op de Teutelberg in Dilsen‐Stokkem (oranje).
2.2.1.2.3.17
Molse Zandputten (Mol)
In de Molse Zandputten werden er de laatste jaren geen waarnemingen meer gemeld (Figuur 38). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in 2016 en 2017 in de Molse Zandputten respectievelijk 88 en 16 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: Privé
Figuur 38
Links het totaal aantal waargenomen individuen van de heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer). Rechts de zoekzone in de Molse Zandputten in Mol (oranje).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 40 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
2.2.2 Bemonstering voor genetische analyse De bemonstering van het genetisch materiaal gebeurde door het nemen van vleugelstukjes. Per vlinder worden met een pincet twee kleine stukjes (enkele mm²) van de achtervleugels verzameld (Figuur 39). In elk stukje bevindt zich minstens één vleugelader waaruit voldoende DNA gehaald kan worden voor verdere analyses. Het nemen van deze vleugelstukjes heeft geen invloed op het vliegvermogen van de vlinders en heeft geen effect op hun overlevingskansen (e.g. Kingsolver 1999). Door het vangen kan de vlinder wel kortstondig gedragsveranderingen vertonen (Hamm et al. 2009). We nemen aan dat elke bemonsteringlocatie een enkele deelpopulatie bevat. Dit wil zeggen dat de individuen willekeurig onderling met elkaar kruisen. We namen op 25 verschillende locaties stalen: op vijf locaties aan de kust en op 20 locaties in de Kempen (Tabel 3; Figuur 40). De bemonsterde gebieden hadden een oppervlakte van 0.4 ha tot 48.7 ha met een gemiddelde van 7.7 ha. De maximale afstand tussen stalen binnen een bemonsteringslocatie had een bereik van 89 m tot 3.1 km met een gemiddelde van 668 m. De afstand tot de dichtstbijzijnde populatie had een bereik van 644 m tot 46.7 km met een gemiddelde van 6.8 km. Hoewel we elke gekende recente populatie in België bemonsterd hebben, kunnen we niet uitsluiten dat we toch een paar kleine, recent gekoloniseerde populaties binnen de regio’s gemist hebben. Per bemonsteringslocatie namen we van 30 heivlinders vleugelstukjes. Er werden geen individuen waargenomen op het Klein Schietveld (KLS) en het Groot Schietveld (GRS). In de populaties van de Maatheide (MAH) en Teutelberg (TEB) werden er respectievelijk slechts 2 en 25 individuen waargenomen. In totaal werden er van 657 individuen op niet‐destructieve wijze vleugelstukjes verzameld op 23 locaties. Na het bemonsteren werd elke vlinder individueel gemerkt. Hier bovenop werden nog vleugelstukjes van 24 en 20 individuen die in 2001 verzameld werden, respectievelijk op de locaties Mechelse Heide (MEH) en Teutelberg (TEB), toegevoegd aan deze studie. Deze individuen werden bewaard bij een temperatuur van ‐80°C. Door deze historische stalen is het mogelijk om de genetische diversiteit van deze twee populaties op twee tijdstippen met elkaar te vergelijken. De verzamelde vleugelstukjes werden in cryotubes, gevuld met 96% ethanol, bewaard tot verdere analyses. Na het bemonsteren van het vleugelstukje werd elke vlinder individueel gemerkt om te vermijden dat ze dubbel bemonsterd werden (Figuur ).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 41 van 132
Figuur 39
Het vangen van de heivlinder en verzamelen van vleugelstukjes op een niet‐destructieve wijze.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 42 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 40
De bemonsteringslocaties van de heivlinder in de kustregio (A) en de Kempen (B) in Vlaanderen. De oranje polygonen geven de waarnemingen van de heivlinder sinds 2011 weer met een radius van 2,5 km. Bronnen: GBIF, iNaturalist en observado.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 43 van 132
TEB
NIR
KDM
BAL
10. Groot Schietveld
11. Niras
12. Keiheuvel – De Most
13. Balimgronden
Pagina 44 van 132
KLS
GRS
9. Klein Schietveld
KAH
8. Kalmthoutse Heide
Kust
SLD
ZWI
7. Zwin
Kust
TYZ
5. Ter Yde – Zeebermduinen 6. Sint‐Laureinsduinen
SGD
4. Schipgatduinen
21 & 23/07/2020 & 05/08/2020 20/07/2020
23/07/2020
24 & 25/08/2020
‐
06/08/2020
27/07/2020
29/07/2020
30/07/2020
30/07/2020
29/07/2020
‐
‐
Datum bemonstering
4.258.107
1.070.387
51.182834N/5.220805E
51.197944N/5.263132E
290.086
‐
‐
7.434.512
524.685
463.068
774.257
348.106
2.049.699
119.902
3.791.324
Oppervlakte site (m²)
51.224171N/5.073072E
‐
‐
51.401485N/4.435003E
51.364605N/3.349195E
51.161076N/2.751019E
51.136799N/2.700728E
51.124790N/2.645055E
51.108637N/2.569824E
‐
‐
Coördinaten
19.118
124.152
19.070
‐
‐
205.215
10.296
14.604
13.342
4.197
116.817
‐
‐
Oppervlakte bemonstering (m²)
210
958
526
‐
‐
894
200
246
702
89
430
‐
‐
Max. afstand tussen twee stalen binnen een site (m)
1.292
1.292
5.218
doi.org/10.21436/inbor.71086387
‐
‐
46.730
45.049
3.455
1.704
1.704
6.132
‐
‐
Afstand tot dichtstbijzijnde populatie (m)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////
Kempen
Kempen
Kempen
Kempen
Kempen
Kempen
Kust
Kust
WEH
Kust
2
Kempen
Kempen
Regio
3. Westhoek
2020
Totaal 2001
MEH
2. Teutelberg
Locatie code
29
26
26
0
0
29
30
30
30
29
30
42
18
24
# Geanalyseerde stalen
www.vlaanderen.be/inbo
30
30
30
0
0
30
30
30
30
30
30
44
20
24
# Stalen
Overzicht van de bemonsteringslocaties met datum van bemonstering, coördinaten van de plek van bemonstering, de oppervlakte van het gehele gebied, de oppervlakte van het gebied waarin de bemonstering plaatsvond, de maximale afstand tussen twee stalen binnen een locatie, de afstand tot de dichtstbijzijnde populatie, het aantal genomen stalen en het aantal geanalyseerde stalen.
1. Mechelse Heide
2001
Locatie
Tabel 3
SCB
KLB
MEH
TEB
MZP
23. Schemmersberg
24. Klaverberg
25. Mechelse Heide
26. Teutelberg
27. Molse Zandputten
Kempen
Kempen
Kempen
Kempen
Kempen
Kempen
www.vlaanderen.be/inbo
05/08/2020
30/07/2020 & 04/08/2020
12/08/2020
22/07/2020
12/08/2020
21 & 22/07/2020
19 & 24/08/2020
04/08/2020
10/08/2020
10/08/2020
10/08/2020
13 ‐ 16/08/2020
13 & 16/08/2020
05/08/2020
51.224333N/5.153156E
51.003086N/5.686929E
50.976566N/5.650973E
51.009792N/5.548819E
50.980525N/5.457737E
50.984821N/5.477813E
51.045418N/5.456590E
51.056843N/5.326924E
51.091782N/5.346917E
51.108760N/5.306172E
51.13657N/5.337216E
51.293304N/5.512010E
51.269123N/5.426589E
51.228844N/5.257022E
‐
72.339
119.902
3.791.324
972.762
170.879
743.211
12.381.050
191.168
5.578.403
15.345.420
3.991.023
522.858
1.021.629
‐
6.434
103.988
247.521
36.705
31.021
53.548
73.117
20.069
35.197
26.421
27.215
487.435
15.549
‐
127
673
3.132
802
336
315
542
283
461
350
316
1.914
1.193
doi.org/10.21436/inbor.71086387
‐
5.218
3.133
3.133
4.319
644
644
4.319
1.847
667
667
1.138
5.642
5.642
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////
27
TEW
22. Terril Winterslag
Kempen
Totaal
HHH
21. Militair Schietveld – Houthalen‐Helchteren
Kempen
Kempen
Kempen
Kempen
Kempen
25
TLM
20. Terril Lindeman
Kempen
Kempen
Totaal 2020
ZBZ
WEV
17. Kamp Beverlo Noord 18. Zwarte Beek Noord
19. Zwarte Beek – Zuid
BBH
16. Beverbeekse Heide
ZBN
HAG
15. Hageven
–
MAH
14. Maatheide
2
701
657
30
25
30
30
30
30
30
30
30
30
30
30
30
0
Pagina 45 van 132
641
599
30
21
20
23
29
24
28
28
25
27
30
27
28
2.3
GENOTYPERING
2.3.1 Ontwikkeling van de microsatellieten Voor de microsatellietontwikkeling gebruikten we enkele stalen die vóór de aanvang van de studie in het Zwin (ZWI) genomen werden. De ontwikkeling werd uitgevoerd door AllGenetics & Biology SL (www.allgenetics.eu) en was gebaseerd sequentieanalyse van het DNA (Bijlage 8.2.1). Een gedetailleerd overzicht van de 20 polymorfe microsatellieten is weergegeven in Bijlage 8.2.2.
2.3.2 Labo‐analyses Per individu werd er één vleugelstukje gebruikt voor de analyses, het andere verzamelde stukje werd als back‐up bewaard. Voor de extractie van het totaal genomisch DNA werd elk vleugelstukje gedurende één uur aan de lucht gedroogd. Hierdoor kon alle 96% ethanol verdampen. Het DNA werd vervolgens uit elk vleugelstukje geëxtraheerd. Elk vleugelstukje werd gedurende enkele minuten in 5 µL proteïnase K (>600mAU, Qiagen) gehomogeniseerd. Hierna werd 100 µL 6% Chelex InstaGene Matrix solution (Biorad) toegevoegd. De stalen werden vervolgens gedurende 60 min. geïncubeerd op 56 °C en geschut op 750 rpm, vervolgens gedurende 15 min. gekookt op 99 °C en geschut op 400 rpm, en tenslotte voor enkele minuten afgekoeld en gedurende drie min. gecentrifugeerd op 14000 rpm. Het supernatans werd bij ‐20 °C bewaard. Voor elk staal werden er 20 polymorfe nucleaire microsatellieten geamplificeerd. De PCR‐ producten (Polymerase Chain Reaction) werden op een ABI 3500 genetic analyser gelopen met de GeneScan‐600 LIZ als standaard (Applied Biosystems). Later werden deze geanalyseerd met het programma Geneious Prime 2019.3.2 (https://www.geneious.com). Details over de gebruikte microsatellieten en de PCR condities zijn terug te vinden in Bijlage 8.2.2. Voor het bepalen van de fout op genotypering werden er duplicaat DNA‐extracties van 24 vleugelstukjes en twee tot vijf onafhankelijke duplicaat PCR‐amplificaties van 21 vleugelstukjes uitgevoerd.
2.4
DATAVERWERKING GENETICA
2.4.1 Analyses loci In totaal werden er 701 individuen genetisch gekarakteriseerd. Omdat er bij vijf microsatellieten stutterpieken voorkwamen, en de allelen van deze microsatellieten dus moeilijk te benoemen waren, werden deze niet mee genomen in de analyses. In totaal werd er van 15 microsatellieten data verzameld. Het Hardy‐Weinberg evenwicht (HWE ; i.e. het evenwicht van genotype frequenties dat bereikt wordt in een random kruisende populatie die niet beïnvloed wordt door mutaties, migratie of selectie) en de afwezigheid van linkage disequilibrium (LD; i.e. de niet‐random associatie van allelen op verschillende loci) zijn fundamentele assumpties voor de genetische analyses. We gebruikten het programma GENEPOP v4.3 (Rousset 2008) om de microsatelliet loci te testen op significante afwijkingen van HWE. Hierbij werd er via de Bonferroni‐methode (Hochberg 1988) gecorrigeerd voor het aantal testen. Vervolgens werd met GENEPOP v4.3 voor elk locus‐paar in elke populatie getest voor LD. Hiervoor werd de Markov chain methode en standaard settings gebruikt. Tenslotte werd de frequentie van nul‐allelen geschat via de Dempster methode (Dempster et al. 1977) in het programma GENEPOP v4.3. In genetische studies op vlinders worden er gewoonlijk een groot aantal nul‐allelen gevonden (e.g. Keyghobadi et al. 2005), wat we ook in deze studie vonden. We controleerden de invloed van loci met nul‐allelen en afwijkingen van het HWE op
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 46 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
de robuustheid van de resultaten. Hiervoor volgden we de stappen die aangeraden worden door Waples (2015). We vergeleken de globale (G’ST, DEST) en populatie‐specifieke genetische diversiteit (FIS, Ho, He, Ar) tussen datasets waaruit de data van één of meerdere van deze loci uitgesloten werd. Voor de uiteindelijke dataset werden er zes loci verwijderd tijdens deze stappen. De twee enige stalen die op de locatie MAH genomen werden, werden verwijderd omdat deze stalen voor meer dan drie loci missende data hadden. De volgende genetische analyses werden uitgevoerd met de data van negen microsatellieten en 641 unieke stalen van 24 bemonsteringslocaties (twee en 22 gesamplede locaties in 2001 en 2020 respectievelijk). In totaal werden er 63 allelen, met een gemiddelde van 3,6 allelen per locus, geobserveerd. De totale dataset had 3,7% missende data. Voor meer informatie, zie Bijlage 8.2.3.
2.4.2 Langeafstandsverbreiding We onderzochten de actuele verbreiding tussen deelpopulaties via toewijzingstesten op basis van de genetische profielen van de individuen. Bij toewijzingstesten wordt voor elke populatie de waarschijnlijkheid berekend dat een genotype voorkomt in de populatie. Aan de hand hiervan wordt de meest waarschijnlijke populatie tot waar een individu aan toebehoort bepaald en kan men achterhalen in welke populatie een individu geboren werd. Indien een individu aan een andere locatie wordt toegewezen dan de locatie waar het individu is bemonsterd, is het een migrant. Op deze manier kan men actuele verbreiding en verbreidingafstanden inschatten (Paetkau et al. 2004). Het programma GENECLASS2 (Piry et al. 2004) gebruikt individuele toewijzingstesten om mogelijke eerste‐generatie dispersers te bepalen. We gebruikten zowel de methode die gebaseerd is op allel‐frequenties (Bijlage 8.2.4) als de Bayesiaanse methode. De laatste methode wordt als de meest efficiënte methode van de twee beschouwd (Cornuet et al. 1999). Hoewel we de meeste recente populaties in België bemonsterd hebben, kunnen we niet uitsluiten dat we een paar kleine, recent gekoloniseerde locaties gemist hebben. Bovendien hebben we ook geen stalen verzameld in de buurlanden. We gebruikten daarom het criterium L_home (de waarschijnlijkheid dat het genotype van een individu voorkomt in de populatie waar het individu bemonsterd werd). Het wordt aangeraden om dit criterium te gebruiken wanneer men weet dat niet alle populaties bemonsterd zijn (Piry et al. 2004). Dit criterium biedt echter minder statistische power dan het L_home/L_max criterium (de verhouding van L_home tot de hoogste waarschijnlijkheidswaarde van elke bemonsterde populatie, inclusief de populatie waarin het individu bemonsterd werd ‐ Paetkau et al. 2004). We liepen 1000 Monte Carlo algoritmes. De afstand die bij verbreiding tussen twee populaties werd afgelegd, werd gemeten als de afstand tussen de locatie tot waar een individu werd toegewezen en de staalnamelocatie van dit individu.
2.4.3 Genetische diversiteit en effectieve populatiegrootte Per bemonsteringslocatie werden met het programma GenAlEx v6.501 (Peakall & Smouse 2012) en het R pakket DiveRsity (Keenan et al. 2013) de volgende indices berekend: het gemiddeld aantal individuen gegenotypeerd per locus (N), het gemiddeld aantal geobserveerde allelen per locus (A), het effectief aantal allelen (Ae), de gemiddelde geobserveerde heterozygositeit (Ho), Nei’s verwachtte heterozygositeit (He), en de gemiddelde inteeltcoëfficiënt (FIS). Aanvullend berekenden we ook FIS‐waarden gecorrigeerd voor de aanwezigheid van nul‐allelen met het programma INEst (Chybicki & Burczyk 2009). We gebruikten de rarefactie methode van het programma HP‐Rare v1.0 (Kalinowski 2005) om het gemiddeld aantal allelen per locus (Ar) en het aantal private allelen (Ap), gecorrigeerd voor het minimum aantal stalen in alle populaties (13 individuen), te berekenen. Om significante verschillen tussen de diversiteitsindices te detecteren, voerden we ANOVA analyses uit in R (R Core Team 2020).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 47 van 132
Per populatie werd de actuele effectieve populatiegrootte (Ne) via twee methodes geschat. De eerste methode is de linkage disequilibrium methode (LDNe) van het programma NeEstimator v2 (Do et al. 2014). De resultaten werden berekend onder het ‘random mating’ model. Allelen die een lagere frequentie dan 0,05 hadden werden niet meegenomen in de analyse. Hierdoor werd een bias in de resultaten door zeldzame allelen vermeden. De 95%‐ betrouwbaarheidsintervallen werden berekend met de jack‐knife optie. Vervolgens gebruikten we ook de toewijzingsmethode van het programma Colony2 die gebaseerd is op verwantschap (Jones & Wang 2010; Wang 2009). We gebruikten de volgende parameters: random mating, vrouwelijke monogamie en mannelijke polygamie, geen inteelt, full‐likelihood methode en medium run lengte. Voor elke populatie werd er een replica‐run met verschillende random number seeds gelopen om de betrouwbaarheid van de resultaten na te gaan. We controleerden voor recente bottlenecks of inkrimping van populaties met het programma BOTTLENECK v1.2.02 (Cornuet & Luikart 1996). Dit programma evalueert of de geobserveerde He‐waarden afwijken van de waarden die verwacht worden bij een mutatie‐drift equilibrium (He > He eq). We gebruikten de Wilcoxon’s sign rank test (one‐tailed test, Ho: geen significante overmaat aan heterozygositeit over alle loci). Dit is de sterkste test en deze wordt aanbevolen wanneer er minder dan 20 microsatelliet loci in de studie aanwezig zijn (Peery et al. 2012). We liepen 10.000 simulatie iteraties en gebruikten de standaard parameter settings. De waarden werden berekend onder drie mutatie‐modellen: het Infinite Alleles Model (IAM), het intermediaire Two‐Phase Model (TPM), en het statistisch meer conservatieve Stepwise Mutation Model (SMM). Bij data van microsatellieten wordt aangeraden om de drie modellen te gebruiken. Het ware mutatiemodel van de meeste loci is namelijk een intermediair model tussen het IAM en SMM ( Luikart & Cornuet 1998). Voor het TPM gebruikten we respectievelijk de standaard parameter settings 0,70 en 0,30 voor de proportie single‐step mutaties en variantie. Om de correlatie tussen de oppervlakte van een locatie en de afstand tot de dichtstbijzijnde populatie enerzijds en Ne, FIS, Ar en He anderzijds te bepalen voerden we univariate lineaire regressies uit in R.
2.4.4 Genetische populatiestructuur We gebruikten het R pakket DiveRsity om de globale, regionale en paarsgewijze genetische differentiatie (mate van isolatie) tussen populaties te berekenen. We berekenden zowel G’ST (Hedrick 2005) als DEST (Jost 2008) gebaseerd op 1000 bootstraps. Zowel G’ST als DEST is nul (of licht negatief) wanneer er geen genetische differentiatie is tussen populaties (geen isolatie), en één bij complete genetische differentiatie (complete isolatie). De significantie van de differentiatie tussen elk populatie‐paar werd nagegaan door het berekenen van de 95%‐ betrouwbaarheidsintervallen van de G’ST‐waarden. Hiervoor gebruikten we een bias‐ corrigerende bootstrapping methode (1000 bootstraps). Vervolgens controleerden we met een Isolation‐by‐distance test (IBD) op een globaal en regionaal patroon van genetische heterogeniteit over geografische afstanden (Rousset 2008). Hiervoor gebruikten we het ISOLDE programma in GENEPOP v4.3. We gebruikten gelinealiseerde FST‐schattingen (FST/(1 ‐ FST)) per populatie‐paar en de Euclidische geografische afstand in kilometers tussen de locaties als input. Het aantal permutaties voor de Mantel test werd op 100 000 ingesteld, voor de andere parameters gebruikten we de standaard settings. Vervolgens voerden we een Analyse van Moleculaire Variantie (AMOVA) uit in GenAlEx v6.501 om de levels van hiërarchische structurering binnen populaties, tussen populaties en tussen regio’s (kust en Kempen) in te schatten. Er werden 999 permutaties uitgevoerd. In de programma’s STRUCTURE v2.3.4 (Pritchard et al. 2000) en BAPS v3 (Corander & Marttinen 2006) liepen we Bayesiaanse ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 48 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
analyses om de genetische populatiestructuur te achterhalen. Voor de STRUCTURE clusteranalyse gebruikten we het admixture model. Het admixture model gaat ervan uit dat elk individu kan toegewezen worden aan één of meerdere genetisch verschillende clusters. We liepen tien onafhankelijke runs voor elke K‐waarde (het aantal clusters) tussen 1 en 26. Hierdoor kon een sub‐structurering binnenin een bemonsteringslocatie waargenomen worden. De lengte van de burn‐in periode werd op 100.000 stappen ingesteld, gevolgd door 200.000 Markov Chain Monte Carlo (MCMC) stappen per run. We gebruikten het programma STRUCTURE HARVESTER (Earl & von Holdt 2012) om het optimaal aantal clusters (K) te bepalen. Voor de BAPS clusteranalyse gebruikten we het spatiaal model (waarbij de geografische oorsprong van de stalen in rekening wordt gehouden) om de clustering van individuen te bepalen. Ook hier werden er tien onafhankelijke runs gelopen met een vaste K‐ waarde, waarbij de bovengrens op 26 werd ingesteld. Vervolgens liepen we een genetische admixture analyse voor het optimaal aantal clusters (K). Voor de admixture analyse liepen we 1000 simulaties gebaseerd op 200 referentie individuen en 100 iteraties om de admixture coëfficiënten van de referentie individuen te schatten, en waarbij vijf individuen een populatie definieerden. Tenslotte gebruikten we een Principale Coördinaten Analyse (PCoA) in het programma GenAlEx v6.501 om de genetische structuur tussen populaties verder te onderzoeken.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 49 van 132
3 RESULTATEN 3.1
VERBREIDING TUSSEN POPULATIES
De toewijzingstest identificeerde met de Bayesiaanse methode zeven mogelijke eerste‐ generatie dispersers tussen populaties (p ≤ 0,01) (Tabel 4). We detecteerden vooral verbreiding tussen de Kempische populaties. Hierbij werden afstanden tussen 13 en 69 km afgelegd, met een gemiddelde van 33 km. Het opmerkelijke is dat we een disperser vonden die bemonsterd werd in een Kempische populatie (TLM) maar aan een kustpopulatie (ZWI) werd toegewezen. Het individu legde daarbij een afstand van 142 km af. Deze mogelijke langeafstands‐verbreiding werd ook door de STRUCTURE analyse gedetecteerd (Bijlage 8.2.5) waarbij dit individu toegewezen werd tot de cluster van de kustpopulaties. Een extra kwaliteits‐ en scoring controle van het genetisch profiel van deze disperser bevestigde dit resultaat. We detecteerden 16 dispersers met de meer toegeeflijke p‐waarde van 0,05 (Tabel 4). Bij deze dispersers was er een met een nog grotere verbreidings‐afstand. Die disperser werd in een kustpopulatie bemonsterd (WEH), maar werd aan een Kempische populatie toegewezen. Hierbij legde het individu 188 km af. Deze methode heeft dezelfde statistische power als wanneer we het L_home/L_max criterium met een p‐waarde van 0,01 gebruiken. Een p‐waarde van 0,05 verhoogt echter ook de kans op foute toewijzingen (Paetkau et al. 2004). Verder bespreken we enkel de dispersers met een p‐waarde ≤ 0.01. De resultaten van de methode die gebaseerd is op allel‐frequenties zijn terug te vinden in Bijlage 8.2.4. Tabel 4
Resultaten van de toewijzingstest met de Bayesiaanse methode in GENECLASS2. De individuele identificatie (ID) met het geslacht, de bemonsteringslocatie, de meest waarschijnlijke populatie van oorsprong, de probabiliteit (p‐waarde), de vermoedelijke afgelegde verbreidingafstand in km, en de richting van de verbreiding zijn weergegeven. Gedetecteerde dispersers met een p‐waarde ≤ 0,01 zijn in het vet weergegeven.
ID (Geslacht)
Plaats van staalname
Mogelijke oorsprong
P‐waarde
Verbreidingafstand (km)
Richting
WEH07 SGD05 (v)
WEH SGD
ZWI SLD
0,028 0,033
61 8
TLM23 (v)
TLM
ZWI
0,006
142
Kust Kust Kust Kust Kust Kempen
KAH14 (m)
KAH
ZWI
0,028
75
Kust Kempen
WEH05 (v)
WEH
BAL
0,029
188
Kempen Kust
NIR12 (m)
NIR
TLM
0,000
26
Kempen Kempen
KDM27 (v)
KDM
TLM
0,002
13
Kempen Kempen
BBH07 (m)
BBH
KLB
0,005
32
Kempen Kempen
SCB28 (v)
SCB
HHH
0,006
36
Kempen Kempen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 50 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
TLM01 (v)
TLM
MZP
0,006
22
Kempen Kempen
ZBN08 (v)
ZBN
KAH
0,008
69
Kempen Kempen
WEV14 (v)
WEV
NIR
0,017
21
Kempen Kempen
ZBN28 (m)
ZBN
TLM
0,017
6
Kempen Kempen
KLB04 (m)
KLB
SCB
0,034
7
Kempen Kempen
TEW14 (m)
TEW
NIR
0,047
39
Kempen Kempen
BBH09 (m)
BBH
NIR
0,048
32
Kempen Kempen
3.2
GENETISCHE DIVERSITEIT EN EFFECTIEVE POPULATIEGROOTTE
We vonden een iets hogere graad van genetische diversiteit (wat betreft de allelische rijkdom, Ar) in de Kempische populaties dan in de kustpopulaties (resp. Ar: 3,26 en 2,83, ANOVA test p < 0.05). De genetische diversiteit varieerde van 2,8 tot 4,3 allelen/locus. De verwachtte heterozygositeit (He) varieerde van 0,35 tot 0,46. De waarden van de gecorrigeerde allelische rijkdom (Ar) varieerde van 2,6 tot 3,7 (Figuur 41) en het gecorrigeerd aantal private allelen (Ap) varieerde van 0,0 tot 0,1. We vonden bewijs voor inteelt, berekend met het R‐pakket DiveRisty, voor vier van de vijf (80%) kustpopulaties (gemiddelde FIS: 0,161; range: 0,0859 – 0,277) en voor twaalf van de zeventien (70%) recente Kempische populaties (gemiddelde FIS: 0,139; range: 0 – 0,259) (Figuur 42). De historische populaties uit 2001 tonen geen bewijs van inteelt (Tabel 5). Na een correctie van de FIS‐waarden voor de mogelijke aanwezigheid van nul‐ allelen, vonden we nog steeds bewijs voor inteelt in twee van de vijf (40%) kustpopulaties (gemiddelde gecorrigeerde FIS: 0,086; range: 0,039 – 0,131) en in vijf van de 17 (30%) recente Kempische populaties (gemiddelde gecorrigeerde FIS: 0,067; range: 0,016 – 0,137) (Bijlage 8.2.6).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 51 van 132
Figuur 41
Visualisatie van de allelische rijkdom (Ar) per populatie. De kleurengradiënt geeft aan voor welke populaties de laagste Ar werd geschat (rood) en voor welke populaties de hoogste Ar werd geschat (groen).
Figuur 42
Visualisatie van populaties waarvoor bewijs van inteelt gevonden is met het R pakket DiveRisty, aangeduid in het rood. Populaties waarvoor er geen bewijs van inteelt gevonden is, zijn weergegeven in het groen.
De geschatte effectieve populatiegrootte (Ne) varieerde tussen 20 en 54 individuen. We vonden de laagste waarde voor de kustpopulatie Zwin (ZWI) en de hoogste waarde voor de Kempische populatie Zwarte Beek Noord (ZBN). Voor de stalen van 2001 (bemonsterde locaties MEH en TEB) ligt de schatting van Ne binnen dezelfde grootteorde als deze voor de locaties bemonsterd in 2020. Resultaten van het programma Colony2 worden weer gegeven in Tabel 6 en Figuur 43. De resultaten van het programma NeEstimator v2.0 worden weergegeven in Bijlage 8.2.7.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 52 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Tabel 5
De genetische diversiteitsstatistieken per populatie op basis van negen microsatelliet loci van 641 heivlinderindividuen. De stalen werden op 24 locaties in de kust en de Kempische regio van Vlaanderen verzameld. Met: het gemiddeld aantal individuen gegenotypeerd per locus (N); het gemiddeld aantal geobserveerde allelen per locus (A); het effectief aantal allelen (Ae); het gemiddeld aantal allelen per locus (Ar) en het aantal private allelen (Ap), beiden gecorrigeerd voor het minimum aantal gegenotypeerd individuen (gebaseerd op een minimum van 13 individuen); de geobserveerde heterozygositeit (Ho); de verwachtte heterozygositeit (He); de gemiddelde Wright’s inteelt coëfficiënt (FIS); de ondergrens van het 95% betrouwbaarheidsinterval van de FIS‐waarde (FIS_Laag); en de bovengrens van het 95% betrouwbaarheidsinterval van de FIS‐waarde (FIS_Hoog); voor populaties met bewijs voor inteelt is de FIS‐waarde aangeduid in het vet.
Regio
Locatie
N
A
Ae
Ar
Ap
Ho
He
FIS
FIS_Laag
FIS_Hoog
Kust
SGD SLD TYZ WEH ZWI
28,444 29,000 29,444 29,333 29,333
3,222 2,778 3,333 3,333 3,000
1,851 1,841 1,992 1,933 1,931
2,880 2,600 2,990 2,920 2,780
0,010 0,000 0,000 0,000 0,000
0,353 0,270 0,356 0,349 0,363
0,386 0,373 0,421 0,411 0,422
0,086 0,278 0,155 0,152 0,138
‐0,045 0,159 0,023 0,039 0,027
0,220 0,388 0,281 0,256 0,245
Kempen
KAH MZP BAL BBH HAG WEV KDM KLB MEH HHH SCB NIR TLM TEB TEW ZBN ZBZ MEH2001 TEB2001
27,111 28,556 28,111 26,000 26,889 28,889 25,333 21,778 18,778 27,444 27,889 24,444 27,222 19,889 22,778 26,333 23,889 23,444 16,889
3,667 3,333 3,889 4,000 3,667 4,222 4,000 3,444 3,111 3,889 3,556 3,556 4,000 3,222 4,000 4,333 4,111 2,889 3,444
2,103 2,064 1,976 2,091 1,989 2,097 2,063 1,980 1,792 2,021 1,829 1,989 2,053 1,847 1,909 2,042 1,916 1,787 1,850
3,280 2,980 3,260 3,380 3,220 3,510 3,400 3,070 2,900 3,260 3,040 3,170 3,610 2,910 3,450 3,650 3,350 2,730 3,170
0,000 0,000 0,060 0,000 0,060 0,020 0,110 0,070 0,020 0,070 0,010 0,000 0,000 0,040 0,070 0,110 0,090 0,000 0,100
0,345 0,375 0,310 0,356 0,366 0,374 0,344 0,321 0,278 0,381 0,350 0,356 0,389 0,319 0,324 0,395 0,377 0,319 0,356
0,410 0,422 0,419 0,413 0,440 0,428 0,394 0,399 0,372 0,407 0,350 0,442 0,462 0,372 0,381 0,418 0,398 0,369 0,396
0,159 0,111 0,259 0,139 0,168 0,127 0,126 0,194 0,252 0,065 ‐0,001 0,195 0,159 0,142 0,150 0,056 0,054 0,136 0,101
0,052 0,010 0,130 0,024 0,026 0,015 0,028 0,096 0,129 ‐0,049 ‐0,115 0,021 0,010 ‐0,031 0,019 ‐0,077 ‐0,043 ‐0,018 ‐0,058
0,259 0,197 0,381 0,257 0,314 0,240 0,219 0,289 0,354 0,178 0,108 0,359 0,293 0,294 0,271 0,187 0,160 0,289 0,239
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 53 van 132
Tabel 6
Schatting van de effectieve populatiegrootte (Ne) via de toewijzingstest op basis van verwantschap in het programma Colony2. We geven de waarden van het random mating model (RM) en het non‐random mating model (N‐RM) weer met hun 95% betrouwbaarheidsinterval (95% C.I.) met een onder‐ (O) en bovenlimiet (B). Gemiddeld N zijn het gemiddeld aantal gegenotypeerde individuen per populatie.
Regio
Locatie
Gemiddeld N
Ne (RM)
95% CI O
B
Ne (N‐RM)
95% C.I. O
B
Kust
SGD SLD TYZ WEH ZWI
28,44 29,00 29,44 29,33 29,33
34 32 26 44 20
21 19 15 26 11
60 59 46 85 39
26 17 18 29 14
15 10 10 17 7
47 36 38 58 31
Kempen
BAL BBH HAG KAH KDM KLB MEH HHH MZP NIR SCB TLM TEW TEB WEV ZBN ZBZ MEH 2001 TEB 2001
28,11 26,00 26,89 27,11 25,33 21,78 18,78 27,44 28,56 24,44 27,89 27,22 22,78 19,89 28,89 26,33 23,89 23,44 16,89
30 33 35 32 37 36 33 36 21 25 25 32 30 32 35 54 39 28 31
18 19 21 19 22 20 18 22 12 14 14 18 17 18 21 31 23 16 16
57 60 63 57 66 72 66 64 40 46 46 58 57 64 66 107 84 57 69
17 23 23 20 25 23 20 31 16 16 23 20 20 23 25 44 35 19 29
9 13 13 11 15 12 10 18 9 9 13 11 10 12 14 24 19 10 15
35 43 44 42 48 47 44 56 34 35 44 41 42 46 46 85 69 40 61
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 54 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 43
Visualisatie van de geschatte effectieve populatiegrootte (Ne) berekend met Colony2 per populatie met het random‐mating model. De kleurengradiënt geeft aan voor welke populaties de laagste Ne werd geschat (rood ‐ oranje) en voor welke populaties de hoogste Ne werd geschat (geel ‐ groen).
Slechts drie kustpopulaties (SLD, TYZ en ZWI) toonden zwak bewijs voor een genetische bottleneck of een recente inkrimping van de populatie (onder IAM model p‐waarde < 0,05; ZWI onder TPM model p‐waarde < 0,05) (Bijlage 8.2.8). We vonden een significante positieve correlatie tussen Ne en de oppervlakte van een locatie (r = 0,64; p = 0,002). Verder detecteerden we ook een positieve trend tussen Ar en de oppervlakte van een locatie (r = 0,40; p = 0,068) en een negatieve trend tussen Ar en de afstand tot de dichtstbijzijnde populatie (r = ‐0,40; p = 0,068). Beide correlaties waren bijna significant (voor beiden p = 0,068). De andere geteste correlaties waren niet significant.
3.3
GENETISCHE STRUCTUUR
De globale genetische differentiatie tussen populaties was laag (globale G’ST = 0,059 (95% C.I.: 0,046–0,073) en DEST = 0,014 (95% C.I.: 0,009–0,020)). Op regionaal vlak was de genetische differentiatie zelfs lager tussen de Kempische populaties (regionale G’ST = 0,039 (95% C.I.: 0,025–0,054) en DEST = 0,007 (95% C.I.: 0,002–0,013)) en lichtjes hoger tussen de kustpopulaties (regionale G’ST = 0,060 (95% C.I.: 0,032–0,090) en DEST = 0,017 (95% C.I.: 0,008– 0,029)). Zowel de globale als de regionale genetische differentiatie waren significant (G’ST: p < 0.001, globale DEST: p < 0.001, regionale DEST: p < 0.05). De G’ST‐waarden berekend tussen populatie‐paren varieerden tussen ‐0,012 en 0,160. Regionaal varieerden de G’ST‐waarden in de Kempische regio tussen ‐0,012 en 0,114 en in de kustregio tussen 0,000 en 0,128. We vonden een significante genetische differentiatie (p ≤ 0,05) tussen 97 van de 276 populatie‐ paren (Bijlage 8.2.9). IBD‐analyses toonden aan dat de genetische variabiliteit enkel globaal gestructureerd was, aangeduid door een significante lineaire relatie (p = 0,00021; R² = 0,28). Binnen de Kempische regio vonden we geen significante Isolation‐by‐distance (p = 0,185; R² = 0,027). De IBD‐analyse van de kustregio was bijna significant (p = 0,087, R² = 0,55) en vertoonde een positieve trend. Dit betekent dat er zwak bewijs is voor Isolation‐by‐distance in deze regio (grafieken in Bijlage 8.2.10). De AMOVA toonde aan dat de genetische variatie binnen de populaties het hoogste was (95%), en slechts voor 3% en 2% verklaard werd door respectievelijk de regio en populatie (Bijlage 8.2.11).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 55 van 132
De Bayesiaanse cluster analyses uitgevoerd met STRUCTURE (Bijlage 8.2.5) en BAPS vertoonden de hoogste waarschijnlijkheid voor het scenario waarbij de populaties ingedeeld werden in drie clusters (K = 3) (Figuur 44). De kustpopulaties worden toegewezen tot één genetische cluster (rood). Al de recente Kempische populaties, behalve de populatie van Niras (NIR), behoren ook tot één cluster (blauw). De Kempische populatie NIR vormt een aparte genetische cluster (groen). Waarom NIR een aparte cluster vormt is niet direct duidelijk. Een mogelijke verklaring is dat deze deelpopulatie recent gesticht is, op natuurlijke wijze of via menselijke activiteiten, en dat het recent stichterseffect in combinatie met relatief weinig genetische uitwisseling zorgt voor een genetisch samenstelling die vooral typisch is voor de locatie NIR. In Figuur 44 is te zien dat individuen die tot de groene cluster behoren, vooral voorkomen in locatie NIR maar ook op andere locaties en vooral in de regio Kempen. Een kolonisatie vanuit de regio kust op locatie NIR is dus heel onwaarschijnlijk. We zien binnen de rode cluster in Figuur 44 wel een groene lijn. Deze groene lijn stelt de genetische samenstelling van één individu voor dat toegewezen wordt aan de groene cluster en dus toegewezen wordt aan de regio Kempen. Dit is mogelijk een migrant afkomstig uit de Kempen en bemonsterd aan de kust (locatie WEH). Hier en daar komt een rode lijn voor in een blauwe cluster; dit zijn mogelijk migranten afkomstig uit de kustpopulatie. Binnen de Kempische populatie, zien we ook in beperkte mate zowel groen als blauw binnen een bemonsterde locatie. Dit wijst op migranten tussen Kempische populaties. Merkwaardig is de toewijzing van de meeste individuen van de historische Kempische Mechelse Heide populatie (MEH 2001) aan de cluster van de kustpopulaties (rood). Ook voor TEB 2001 worden een deel van de individuen toegewezen aan de kustpopulaties. Het andere deel van de individuen behoren wel tot de cluster van de recente Kempische populaties. We verkregen gelijkaardige resultaten bij de PCA (principale‐ componentenanalyse). Een PCA is een andere multivariate analysemethode die inzicht geeft in de genetische structuur en de samenhang van de bemonsterde individuen op basis van de genetische profielen. In Figuur 45 wordt de gemiddelde positie van alle individuen per populatie weergeven op de hoofdassen of principale componenten. Punten die bij elkaar in de buurt liggen in een biplot van een PCA, zijn sterker met elkaar verwant. De populaties groeperen ook hier per regio, gescheiden door de eerste as van de PCA. De populatie MEH die in 2001 bemonsterd werd, werd wederom samen met de kustpopulaties geclusterd (Figuur 45).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 56 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 44
De geschatte populatiestructuur voor heivlinder bepaald door het spatiaal model in het programma BAPS, K=3. Elke fijne kolom stelt een individu voor. De kleur van de kolom duidt aan tot welke cluster het individu (gedeeltelijk) is toegewezen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 57 van 132
Figuur 45
Biplots van de Principale Componenten Analyses. De eerste drie assen vertegenwoordigen respectievelijk 43,70%, 17,07% en 12,05% van de totale genetische variatie binnen de data. De clustering volgens de eerste as versus de tweede as (boven), de tweede as versus de derde as (midden), en de eerste as versus de derde as (onder) zijn weergegeven. De kustpopulaties staan in het groen, de Kempische populaties in het geel en de historische populaties in het blauw. Om de populatie van de Maatheide (MAH) te kunnen plaatsen, werd deze populatie uitzonderlijk weergegeven in deze analyse. MAH bevatte echter slechts twee individuen en de resultaten moeten dus in een brede zin geïnterpreteerd worden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 58 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
3.4
LOKALE FUNCTIONELE HABITATKWALITEIT
De heivlinder is een mobiele soort die gebruik maakt van het hele gebied waarin de soort voorkomt. Hierdoor is het opmaken van habitatkwaliteitsfiches (Bijlage 8.3) op een kleine schaal (20m, zie Segers et al. 2014) weinig informatief. Om een beeld te krijgen van de (potentiële) geschiktheid van een gebied werd daarom informatie verzameld op gebiedsniveau. Habitatfiches zijn nuttig bij de opmaak en update van beheerplannen en kunnen hierbij een hulpmiddel vormen voor beheerders. De resultaten van de fiches worden gezien de hoeveelheid niet elk als aparte bijlage opgenomen in deze studie. De fiches worden rechtstreeks ter beschikking gesteld aan de beheerders en/of eigenaars van de betreffende gebieden in functie van een kwaliteitsverhoging van het habitat indien nodig. Zodoende wordt extra kennis aangeleverd en kan beheer en inrichting op maat van de heivlinder en het gebied afgestemd worden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 59 van 132
4 DISCUSSIE 4.1
VERBREIDING TUSSEN POPULATIES
4.1.1 Hoog verbreidingsvermogen Van de heivlinder is gekend dat hij redelijk mobiel is. Eerdere merk‐hervangst studies observeerden individuen die afstanden van 1,2 km (Tinbergen 1942), 1,5 km (Maes et al. 2006) en 4 km (Vanreusel et al. 2002) aflegden. Er werden ook kolonisatieafstanden van 10 ‐ 15 km waargenomen (Dennis et al. 1998). We vonden zeven mogelijke eerste‐generatie dispersers (7 van de 599; 1,2%). Hierbij migreerden er zes individuen tussen de Kempische populaties en slechts één individu tussen een kust‐ en een Kempische populatie. De verbreidingsafstanden tussen de Kempische populaties varieerden van 13 km tot 69 km met een gemiddelde van 33 km. De afgelegde afstand tussen de kustpopulatie en de Kempische populatie telde 142 km. De afgelegde verbreidingsafstanden die in deze studie werden gedetecteerd zijn vele malen groter dan deze die eerder vermeld werden in merk‐hervangst studies. In deze studie werd heel het verspreidingsgebied van de heivlinder in Vlaanderen (met een oppervlakte van 12.625 km²) onder de loep genomen. Dit in contrast met de merk‐hervangst studies van Maes et al. (2006) en Vanreusel et al. (2002) die zich focusten op een kleinere spatiale schaal binnen een natuurreservaat. Resultaten van een merk‐hervangst studie kunnen meer inzicht geven in de lokale verbreidingpatronen (meters tot enkele kilometers). Methodes die gebaseerd zijn op genetische merkers kunnen echter meer inzicht geven in het verbreidingsvermogen van een soort op een regionale spatiale schaal (tot een paar honderd kilometers). Andere studies vonden gelijkaardige verschillen tussen verbreidingsafstanden die geschat werden door observatiemethoden, zoals in merk‐hervangst studies, en afstanden die geschat werden via genetische merker studies (e.g. Harper et al. 2003). Voor het sedentaire gentiaanblauwtje (Maculinea alcon) vond Vanden Broeck et al. (2017) een verbreidingsafstand van 2,9 km tussen habitatfragmenten. In dezelfde regio werd er echter in eerdere merk‐ hervangst studies over het gentiaanblauwtje een maximum verbreidingafstand van 0,5 km geobserveerd. De maximum afstand die dusver voor spontane kolonisatie werd geobserveerd was 1,7 km (Maes et al. 2004). Om een totaalbeeld te krijgen van het verbreidinggedrag van een soort, moeten zowel directe methodes (merk‐hervangst) als indirecte methodes (genetische analyses) gebruikt worden.
4.1.2 Beperkte langeafstandsverbreiding Hoewel we aantonen dat de heivlinder onverwacht lange afstanden kan afleggen, werden er weinig verbreidingsondernemingen over een lange afstand waargenomen (1,2%). Deze lage geobserveerde frequentie kan, tenminste gedeeltelijk, verklaard worden door de lage genetische differentiatie tussen populaties. Een lage genetische differentiatie limiteert de statistische power van de toewijzingstest om verbreidingsondernemingen te detecteren (Paetkau et al. 2004). Mogelijk zijn niet alle populaties bemonsterd (nabije populaties in buurlanden (Figuur 40) en recent gekoloniseerde populaties binnen een regio). Migranten kunnen dus ook uit andere populaties afkomstig zijn. Daarom testten we voor de waarschijnlijkheid dat een heivlinder‐individu in een andere populatie geboren werd dan waar het gevangen werd (Paetkau et al. 2004). Dit resulteert ook in een verlaagde statistische power om migranten te detecteren in vergelijking met een dataset waarbij alle potentiële ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 60 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
bronpopulaties zijn bemonsterd. Hierdoor vermoeden we dat het effectief aantal dispersers mogelijk onderschat werd in deze studie. Het merendeel van de gedetecteerde verbreiding vond echter plaats tussen de Kempische populaties. Er waren geen sterke aanwijzingen voor verbreiding tussen de kustpopulaties. Zelfs met minder strikte detectiemethoden werd de meeste verbreiding binnen de Kempen gedetecteerd (Tabel 4; Bijlage 8.2.4). Met deze methodes vonden we slechts enkele verbreidingsondernemingen binnen de kustregio en enkele tussen de twee regio’s. In tegenstelling tot wat we vonden voor de Kempische regio, vonden we zwak bewijs voor Isolation‐by‐distance (IBD) in de kustregio. Dit ondersteunt het feit dat we geen verbreiding binnen de kustregio hebben waargenomen. Meer verbreidingsevenementen zouden de isolatie van populaties en de graad van inteelt binnen de kustpopulaties verlagen. De Kempische populaties maken deel uit van een metapopulatie waarbij er door de verspreiding van genen interactie is tussen de subpopulaties. In deze regio zijn de bemonsterde locaties minder geïsoleerd van elkaar, vergeleken met de bemonsterde locaties aan de kust, ondanks de grotere afstanden tussen de Kempische populaties. Dit geeft aan dat er in de Kempen een hogere verbinding is tussen de populaties en een lagere kans op uitsterven vergeleken met de populaties in de kustregio. Het verschil in het aantal geobserveerde verbreidingsondernemingen binnen de twee regio’s kan mogelijk verklaard worden door een verschil in de landschapsmatrix. Het laag aantal verbreidingsondernemingen tussen de populaties aan de Belgische kust kan waarschijnlijk worden toegeschreven aan de hoge urbanisatiegraad (Figuur 46). Gebouwen, parkings en wegen zorgen ervoor dat kleine gebieden met grijze duinen enkele kilometers van elkaar verwijderd zijn (Provoost et al. 2002). Ze kunnen een barrière vormen die de uitwisseling van genen beperkt. Een studie die het effect van urbanisatie op de soortenrijkdom van verschillende taxa onderzocht, vond dat urbanisatie een sterk negatief effect had op vlinders. Dit negatief effect was vooral voor de meest mobiele en gespecialiseerde vlindersoorten zichtbaar (Concepción et al. 2015). Onze bevindingen staan echter in contrast met de resultaten van een genetische populatiestudie over de endemische vlinder Atrytonopsis sp. (een soort dikkopje) aan de sterk geürbaniseerde kust van North Carolina (USA). Gebaseerd op Amplified Fragment Length Polymporphic (AFLP) moleculaire merkers vonden Leidner & Haddad (2010) dat niet de urbanisatie, maar natuurlijke barrières (oceaan en bos) de verbreiding tussen kustpopulaties limiteerden. In deze studie werden conclusies rond actuele migratie gebaseerd op de genetische structuur van de populaties. Ze gebruikten het programma STRUCTURE (Pritchard et al. 2000) en Isolation‐by‐distance analyses om deze informatie te verkrijgen. Deze methodes zijn echter niet geschikt om correcte conclusies te trekken over actuele verbreiding tussen populaties. Het programma STRUCTURE is ondermaats in het toewijzen van individuen tot een bepaalde bronpopulatie. Het programma kan ook geen betrouwbare actuele populatiestructuur weergeven wanneer het aantal stalen per populatie niet gebalanceerd is (Puechmaille 2016). IBD patronen kunnen zowel door gelimiteerde verbreiding als door historische demografische processen ontstaan. Zo kunnen oprichterseffecten en de historische uitwisseling van genen meer invloed hebben op IBD patronen dan recente verbreiding (Jost 2008; Meirmans 2012). In onze studie op de heivlinder gebruikten we genetische toewijzingstesten. Deze testen baseren zich op de geobserveerde distributie van de allel frequenties om een conclusie te trekken over waar een individu wel of niet geboren werd. Dit zorgt ervoor dat recente verbreiding kan worden ingeschat (Paetkau et al. 2004). Deze toewijzingstesten zijn nuttig bij het identificeren van immigranten in de huidige generatie en
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 61 van 132
hebben dus potentieel om de recente uitwisseling van genen in te schatten, wat het doel van deze studie was. In contrast met de kustregio, zijn de heivlinderpopulaties in de Kempen voornamelijk omringd door een matrix van bos, heide en weiden (Figuur 47). Voor vlinders die in een open habitat leven (e.g. heide en graslanden) worden bossen vaak als een verbreidingsbarrière beschouwd. Een studie door Nowicki et al. (2014) toonde echter aan dat bossen de verbreiding tussen vlinderpopulaties niet altijd tegenhouden. Bovendien behoren bossen tot een deel van de habitat van de heivlinder in het zuiderse en oosterse deel van de verspreiding van de soort (Maes et al. 2013). De Kempische populaties zouden dus door een gunstigere matrix omringd zijn dan de kustpopulaties. We kunnen echter enkel speculeren over de mogelijke barrières in de twee regio’s. Een studie met genetische landschapsanalyses, die spatiale structuren in rekening brengt, zouden meer robuust bewijs kunnen leveren over de potentiële barrières van de heivlinder in Vlaanderen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 62 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 46
Gedetailleerde kaarten van het landgebruik in de kustregio van België. De kaarten werden met het programma ArcGIS [GIS software] gemaakt. Version 10.8. Redlands. CA: Environmental Systems Research Institute. Inc. 2010.(www.esri.com). Bron data landgebruik: Vlaamse Overheid – Departement Omgeving – Afdeling Vlaams Planbureau voor Omgeving. Landgebruik‐Vlaanderen‐2016 [GIS data]. Brussels. Belgium: Vlaamse Overheid. 2020. https://metadata.vlaanderen.be/srv/api/records/78e82101‐8fbc‐4a75‐ b649‐b208df2b77be (bezocht: 30 maart 2021).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 63 van 132
Figuur 47
Gedetailleerde kaarten van het landgebruik in de Kempische regio in België. De kaarten werden met het programma ArcGIS [GIS software] gemaakt. Version 10.8. Redlands. CA: Environmental Systems Research Institute. Inc. 2010.(www.esri.com). Bron data landgebruik: Vlaamse Overheid – Departement Omgeving – Afdeling Vlaams Planbureau voor Omgeving. Landgebruik‐Vlaanderen‐2016 [GIS data]. Brussels. Belgium: Vlaamse Overheid. 2020. https://metadata.vlaanderen.be/srv/api/records/78e82101‐8fbc‐4a75‐ b649‐b208df2b77be (bezocht: 30 maart 2021).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 64 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
4.2
EFFECTEN VAN VERSNIPPERING OP DE GENETISCHE DIVERSITEIT
We vonden bewijs voor inteelt in meerdere populaties en lage schattingen voor de effectieve populatiegroottes (variërend van 20 tot 54 individuen). Habitatverlies en ‐versnippering zorgen voor een grotere afstand tussen lokale populaties en tussen lokale populaties en habitatgebieden waar de soort niet aanwezig is. Habitatversnippering kan verbreiding dus verhinderen of volledig tegen houden, en met andere woorden ook de uitwisseling van genen tussen populaties (Hanski 1999). Samen met het effect van genetisch drift, kan dit een negatieve impact hebben op de populaties door een afname in genetische diversiteit. Dit wordt gereflecteerd in lage effectieve populatiegroottes. Lage effectieve populatiegroottes en volledige isolatie van populaties kunnen uiteindelijk resulteren in inteelt en een verhoogd risico op lokaal uitsterven (Frankham et al. 2010). Inteelt zorgt er namelijk voor dat de levels van homozygositeit stijgen. Hierdoor hebben schadelijke recessieve allelen meer kans om tot expressie te komen. Dit kan uiteindelijk resulteren in een inteeltdepressie en een verlaagde fitness van de populatie (Drees et al. 2009; Frankham et al. 2010; Zilko et al. 2020). Deze negatieve gevolgen op populatieniveau kunnen ook implicaties hebben voor de metapopulatie‐dynamieken (Nieminen et al. 2001). Een metapopulatie is een groep van gedeeltelijk geïsoleerde populaties van dezelfde soort (deelpopulaties) die onderhevig zijn aan lokale extincties en kolonisaties (Frankham et al. 2010). Wanneer er een aantal deelpopulaties wegvallen gaat ook het aantal mogelijke migranten dalen. Een stijging in extincties, veroorzaakt door inteelt, zorgt dus voor een lagere kans dat vrije habitatplekken gekoloniseerd kunnen worden (Nieminen et al. 2001). Vooral kleine metapopulaties kunnen lijden onder een verhoogd risico op lokaal uitsterven veroorzaakt door inteelteffecten (Nieminen et al. 2001; Nonaka et al. 2019). Om de effecten van habitatversnippering op de genetische diversiteit van de Vlaamse heivlinders verder te bestuderen, voegden we historische stalen toe aan de studie. Deze stalen werden twee decennia geleden (2001) in twee Kempische populaties (MEH en TEB) verzameld. We vergeleken de genetische diversiteit van deze stalen met de recente stalen van de corresponderende locaties (verzameld in 2020). Voor beide locaties was de genetische diversiteit, op vlak van de effectieve populatiegroottes en de allelische rijkdom, gelijkaardig tussen de recente en historische stalen. Voor de historische populatie van MEH vonden we geen bewijs voor inteelt, terwijl er wel zwak bewijs voor inteelt gevonden werd voor de huidige populatie. Dit betekent mogelijk dat de levels van de genetische diversiteit gedurende de laatste twee decennia niet veranderden, maar dat een consistent lage gemiddelde populatiegrootte na verloop van tijd voor hogere graad van inteelt zorgde. De effectieve populatiegroottes worden namelijk laag ingeschat en de census populatiegroottes dalen al sinds enkele decennia (Maes et al. 2021). Bovendien is het noemenswaardig dat de historisch stalen van MEH in dezelfde cluster worden ingedeeld als deze van de kustpopulaties. Dit kan er op wijzen dat de twee regio’s in het verleden genetisch gelijkaardiger waren door een hogere graad van connectiviteit tussen de regio’s. Eerder werden er in de Kempen al genetische populatiestudies uitgevoerd op het gentiaanblauwtje (Vanden Broeck et al. 2017) en het heideblauwtje (ongepubliceerde data). Het gentiaanblauwtje staat op de Rode Lijst van de dagvlinders in Vlaanderen als ‘Ernstig bedreigd’, het heideblauwtje als ‘Bedreigd’ (Maes et al. 2021). De resultaten van deze studies en onze studie op de heivlinder werden met dezelfde methodes verkregen. Op vlak van effectieve populatiegroottes en genetische diversiteit vonden we gelijkaardige resultaten. De ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 65 van 132
inteeltcoëfficiënten van de heivlinderpopulaties waren gelijkaardig aan deze van de populaties van het heideblauwtje. Ook in de studie op het heideblauwtje werd maar een laag aantal dispersers en geen bewijs voor IBD waargenomen tussen populaties in de Kempen. De waarden van onze inteeltcoëfficiënten moeten echter met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Hoewel we rekening hielden met nul‐allelen bij het selecteren van de microsatelliet loci, is er nog bewijs voor nul‐allelen bij een klein aantal loci‐populatie combinaties. De aanwezigheid van nul‐allelen zorgt ervoor dat de homozygositeit hoger wordt ingeschat. Dit betekent dat de inteeltcoëfficiënten overschat kunnen zijn (e.g. Chybicki & Burczyk 2009). Bovendien kan een substructurering binnen populaties er ook voor zorgen dat de geobserveerde heterozygositeit onderschat wordt (het Wahlund effect ‐ Wahlund 1928), en de inteeltcoëfficiënten overschat (Waples 2015; Zilko et al. 2020). Dit is echter onwaarschijnlijk in onze studie. De individuen werden op redelijk kleine bemonsteringsoppervlakten gevangen en op korte afstanden van elkaar binnen een locatie (Tabel 3). De heivlinder is ook een mobiele soort die gemakkelijk afstanden van 100 m en meer over een paar dagen aflegt (Maes et al. 2006).
4.3
IMPLICATIES VOOR NATUURBEHOUD
Deze studie ondersteunt de resultaten van eerdere demografische studies. Deze studies stellen dat de heivlinder gekarakteriseerd wordt door een sterke afname en sterk beïnvloed wordt door habitatverlies en ‐versnippering, vooral in Noordwest‐Europa (e.g. Bos et al. 2006; Fox et al. 2011; Maes et al. 2021; Maes et al. 2012; van Strien et al. 2011). Klimaatverandering kan ook een negatieve impact hebben op de reproductie van de soort (Salgado et al. 2020). De laatste jaren kende België extreme droogte (e.g. in 2018 en 2019). Gerichte actieplannen zijn daarom nodig om de verdere afname van de heivlinder in Vlaanderen tegen te gaan en regionaal uitsterven te vermijden. De resultaten van deze studie tonen sterke metapopulatie‐dynamieken aan voor de heivlinder in Vlaanderen. We kunnen de heivlinderpopulaties van Vlaanderen indelen in twee verschillende metapopulaties, die elk een Functional Conservation Unit (FCU) vormen (cf. Maes et al. 2004): de kustduinen en de Kempen. Hoewel er tussen de FCU’s uitwisseling is van genen en ze dus niet compleet geïsoleerd zijn van elkaar, beschouwen we ze als verschillende spatiale eenheden. Voor elke eenheid worden specifieke beheer‐ en herstelmaatregelen aanbevolen. Op locaties met een grote oppervlakte werden de effectieve populatiegroottes groter ingeschat. Bovendien leek de allelische rijkdom van de populaties hoger in grotere gebieden en in populaties die dichtbij een andere populatie gelegen zijn. Het is aanbevolen om de beheermaatregelen binnen elke FCU dus vooral te richten op het verbeteren en vergroten van bestaand habitat en het herstellen van alle potentiële habitats. In FCU van de kust is de huidige graad van connectiviteit tussen populaties extreem laag. Het ontwikkelen van nieuwe habitat als stapstenen tussen bestaande populaties verdient daarom prioriteit. De translocatie van individuen is te overwegen om de kans op een verminderde vitaliteit als gevolg van inteelt te verkleinen. Spontane (her)kolonisatie van geschikte habitat en de uitwisseling van genen worden waarschijnlijk gehinderd door antropogene barrières langs de Belgische kust, voornamelijk bebouwing. Ook voor de FCU van de Kempen is er een lage kans dat hersteld en/of nieuw heidegebied spontaan op korte termijn zal ge(her)koloniseerd worden. De voorbije jaren kende de heivlinder een sterke achteruitgang in Vlaanderen (Maes et al. 2021). Dit is het meest merkbaar in de centrale en westelijke Kempen. Het zou een te hoog risico zijn om op spontane kolonisatie en verspreiding van genen te vertrouwen voor het herstel van de populaties. Hierdoor zijn ook hier translocaties te ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 66 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
overwegen om de connectiviteit tussen populaties in het westelijke en oostelijke deel van de Kempen te verbeteren.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 67 van 132
5 TRANSLOCATIEPLAN VOOR HEIVLINDER IN VLAANDEREN 5.1
TYPE TRANSLOCATIES
Dit translocatieplan voor de heivlinder is opgesteld op basis van de resultaten van het genetisch onderzoek en volgens de richtlijnen en methodiek beschreven in Mergeay & Verbist (2021). We beschrijven potentiële locaties voor geassisteerde herkolonisatie en/of bijplaatsing. Dit doen we voor de kustregio en voor de Kempen. Een overzicht van de types translocaties is weergegeven in Figuur 48 en Figuur 49. Een herintroductie is het verplaatsen van een individu naar een plek binnen zijn oorspronkelijk inheems verspreidingsgebied waar het eerder verdwenen is (IUCN/SSC 2013). Het doel van een herintroductie is dus om het historisch verspreidingsgebied van een soort geheel of deels te herstellen, of om gaten in het huidige verspreidingsgebied te dichten (Mergeay & Verbist 2021). Bij een geassisteerde herkolonisatie voor metapopulatieherstel worden individuen van een bestaande deelpopulatie van een metapopulatie verplaatst naar een leeg leefgebied waar ooit een deelpopulatie van de metapopulatie verdween. Het doel van dit soort translocaties is om risico’s op het uitsterven van een metapopulatie te verminderen. Een bijplaatsing is het verplaatsen van een individu of individuen naar een bestaande populatie van soortgenoten (IUCN/SSC 2013). Het doel van deze translocatie is om genetische uitwisseling tussen populaties te imiteren. Op die manier tracht men inteelt in deelpopulaties te verminderen en de overlevingskansen van een populatie te vergroten (Mergeay & Verbist 2021). Vanuit een genetisch perspectief heeft elk van deze translocaties hetzelfde algemene doel: het behouden of verhogen van de genetische variatie binnen een (meta)populatie en daarmee het verhogen van het evolutiepotentieel (Weeks et al. 2011).
Figuur 48
Overzicht van de types conservatietranslocaties voor soortbeheer (Bron: Mergeay & Verbist 2021)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 68 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 49
Schematisch overzicht van verschillende types van conservatietranslocaties voor soortenbeheer in relatie tot de ruimtelijke schaal waarop ze uitgevoerd worden. 1. Bijplaatsing; 2. Geassisteerde herkolonisatie bij metapopulatieherstel. 3. Herintroductie. 4. Geassisteerde kolonisatie. (Bron: Mergeay & Verbist 2021).
Een geassisteerde herkolonisatie of bijplaatsing is enkel zinvol wanneer er absolute zekerheid is over een opvolgingsprogramma (Mergeay & Verbist 2021) dat zowel de adulte vlinders monitort als de genetische monitoring omhelst en dat gedurende meerdere generaties na de translocatie. Een dergelijk opvolgingsproject wordt bij voorkeur gegund vóór de geassisteerde herkolonisatie of bijplaatsing plaatsvindt.
5.2
VERGUNNINGSPLICHT
De heivlinder staat op de meest recente Rode Lijst van de dagvlinders in de categorie Bedreigd (Maes et al. 2021). In het Soortenbesluit2 valt de heivlinder in bijlage 1 onder categorie 1 (soorten waarop de basisbeschermingsbepalingen van het besluit van toepassing zijn). Van die beschermingsbepalingen kan worden afgeweken onder de voorwaarden van artikel 20 §1, §2 en §4. Bovendien gelden voor die soorten de aan planologische bestemming verbonden vrijstellingen, vermeld in artikel 11 en 15. Uit bovenstaande kunnen we besluiten dat een translocatie van de heivlinder in Vlaanderen vergunningsplichtig is. De vergunning moet worden aangevraagd bij het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB). Aangezien de bronpopulaties zich allemaal in Vlaanderen bevinden, dient er geen rekening gehouden te worden met het Nagoya‐protocol.
2
Besluit van de Vlaamse Regering met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer (citeeropschrift: "het Soortenbesluit") van 15/05/2009.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 69 van 132
De wetgeving inzake dierenwelzijn heeft enkel betrekking op gewervelde dieren en vermeldt niets over het welzijn van ongewervelden. Aangezien de heivlinder geen gevaar vormt voor de volksgezondheid en geen invasieve soort is, vormt dit geen probleem voor een translocatie. Zorg voor een diervriendelijk transport en bedenk dat bij transport van dieren en planten makkelijk ongewenste pathogenen en parasieten kunnen meereizen (Duplouy et al. 2021). Door inbreng van adulten is de kans op geïnfecteerde nakomelingen gering. De inbreng van eventuele parasitoïden gebeurt vooral wanneer translocaties gebeuren met eitjes en/of rupsen.
5.3
ECOLOGISCHE VOORWAARDEN
Om in aanmerking te komen voor een translocatie moet een gebied voldoen aan de volgende criteria (Van Den Berge 2004; Mergeay & De Meester 2010; Mergeay 2017; Vanreusel et al. 2017; Mergeay & Verbist 2021):
Het gebied ligt te geïsoleerd voor een spontane (her)kolonisatie door heivlinder op relatief korte termijn: ondanks het feit dat de heivlinder grote afstanden kan afleggen, gebeurt dit onvoldoende frequent om ervan uit te gaan dat potentieel geschikte locaties op korte termijn spontaan ge(her)koloniseerd zullen worden en aanleiding zullen geven tot duurzame populaties; De oorzaak van het verdwijnen van heivlinder moet gekend en opgelost zijn; Er mogen geen bronpopulaties in gevaar worden gebracht; Het gebied moet beschikken over voldoende oppervlakte geschikte habitat; Het beheer van het gebied moet afgestemd zijn op de ecologische eisen van de heivlinder, beheerplannen van potentiële translocatiegebieden dienen dus gericht te zijn op de ecologische eisen van de heivlinder; Er wordt simultaan gewerkt aan verbindingen naar andere populaties; Er mag geen gevaar op uitteelt (‘outbreeding depression’) zijn (Frankham et al. 2011; Weeks et al. 2011).
Voor een uitgebreide beschrijving van de ecologische eisen van heivlinder verwijzen we naar het Wetenschappelijk basisrapport van het Soortbeschermingsprogramma Heivlinder (Segers et al. 2014). We benadrukken het belang van habitatherstel en ‐uitbreiding. Het vergroten van de geschikte habitat en het uitbreiden van geschikt leefgebied voor heivlinder zal de populatiegrootte doen toenemen. Een verhoogde densiteit van individuen zal de kans op migranten en dus de connectiviteit tussen deelpopulaties vergroten. Dit is de meest geschikte manier om de toestand van de populaties te verbeteren. Omdat de soort heel sterk achteruit gaat de laatste jaren en het herstel van habitat tijd vraagt, bevelen we ook translocaties aan. We gebruiken de potentiële leefgebiedenbenadering beschreven in Maes et al. (2019c) voor het afbakenen van potentieel geschikte leefgebieden geschikt voor translocaties. De meest potentieel geschikte gebieden werden bezocht en gekarteerd op de aanwezigheid van waard‐ en nectarplanten (voorbeeld van een habitatfiche in Bijlage 8.3). Verbreiding vanuit naburige populaties gelegen buiten Vlaanderen (Franse kust, Nederlandse kust, locaties in de Nederlandse provincies Noord‐Brabant en Limburg, de Hoge Veluwe, enkele locaties in de Eifel in het westen van Duitsland) is waarschijnlijk, maar niet onderzocht (Figuur 50). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 70 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 50
5.4
Verspreiding van de heivlinder in Vlaanderen en de buurregio’s (bron: GBIF, observation.org).
MANIER VAN TRANSLOCEREN
De meeste translocaties van dagvlinders die in de literatuur beschreven zijn, vonden plaats met volwassen vlinders (Tabel 7). Bij meerdere translocaties van het tijmblauwtje in Engeland (1983, 1992) werden echter opgekweekte rupsen uitgezet in plaats van volwassen vlinders (Thomas et al. 2009). Tabel 7
Enkele voorbeelden van translocaties bij dagvlinders met de locatie, het jaar van uitzetting, het aantal wijfjes en mannetjes dat uitgezet werd (#W, #M) en de referentie.
Soort
Locatie
Jaar
#W
#M
N‐Frankrijk
1970
4
‐
Nève et al. (1996); Barascud et al. (1999)
C‐Frankrijk
1973
14
‐
Nève et al. (1996); Barascud et al. (1999)
koninginnenpage
UK
1975
124
64
Dempster & Hall (1980)
bosparelmoervlinder
UK
1983
23
22
Warren (1991)
UK
1987
20
18
Warren (1991)
pimpernelblauwtje
Nederland
1990
53
33
Wynhoff (1998)
donker pimpernelblauwtje†
Nederland
1990
48
22
Wynhoff (1998)
gentiaanblauwtje
Vlaanderen
1998
4
‐
Vanreusel et al. (2000)
Finland
2000
20
‐
Kuussaari et al. (2015)
UK
2018
32
10
ringoogparelmoervlinder
zwarte apollovlinder bont dikkopje
Referentie
Maes et al. (2019a)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 71 van 132
†
Na 2004 werd geen enkel individu meer waargenomen op de herintroductielocatie
Voor translocaties van heivlinder stellen we voor om volwassen vlinders te verplaatsen. Het is belangrijk om de wijfjes zo vroeg mogelijk in de vliegperiode te vangen aangezien ze meestal vrij snel na het uitsluipen uit de pop paren en dan nog het grootste aantal eitjes in zich dragen (maximale eiproductie (schatting): 230‐280; Bink 1992). Translocatie van heivlinders naar Vlaanderen vanuit Nederlandse en/of Franse (grensstreek)populaties is niet nodig of wenselijk aangezien er in Vlaanderen zelf voldoende grote bronpopulaties aanwezig zijn. De populaties net over de grens liggen in theorie voldoende dichtbij om op natuurlijke wijze genetisch materiaal uit te wisselen met de Vlaamse populaties (duinen in Noord‐Frankrijk; de Kalmthoutse Heide sluit op het grenspark De Zoom en de populaties in de oostelijke Kempen sluiten aan bij die in Noord‐Brabant in Nederland). Er kan uiteraard gekeken worden naar een nauwe samenwerking met aangrenzende Nederlandse gebieden waar de heivlinder momenteel nog aanwezig is of waar er potenties zijn voor een eventuele geassisteerde herkolonisatie (Noord‐Brabant, Zeeland). Translocatie van heivlinders buiten het historisch verspreidingsareaal in Vlaanderen (geassisteerde areaaluitbreiding) om proactief antwoord te bieden op eventuele effecten van klimaatverandering mogelijk zoals aanhoudende extreme droogteperiodes is niet meteen aan de orde. De binnenlandse populatie vormen een zuidgrens waar vermoedelijk populaties zullen verdwijnen, terwijl geassisteerde areaaluitbreiding vooral aan de noordgrens van het areaal van de heivlinder soelaas kan bieden. In tal van recent herstelde heideterreinen zijn de benodigde ecologische hulpbronnen voor de heivlinder onvoldoende aanwezig. Hoewel typische soorten kunnen terugkeren uit de zaadbank blijkt dat voor een aantal belangrijke waardplanten (bv. fijn schapengras) niet het geval. Het gericht opbrengen van maaisel uit goed ontwikkelde gebieden (droog heischraal) op zones met een beperkte zaadbank kan een terrein sneller geschikt maken voor de soort.
5.5
TRANSLOCATIEPLAN KUST
5.5.1 Populatiestructuur en genetische diversiteit Aan de kust zien we twee grote verspreidingsclusters (Figuur 50): de westkust, die aansluit op de Noord‐Franse populaties (Haubreux et al. 2017) en het Zwin, dat door de Westerschelde gescheiden wordt van de Nederlandse kustpopulaties (Bos et al. 2006). Langs de kust lijkt de heivlinder voor te komen in de meest geschikte gebieden. De overige gebieden (voornamelijk middenkust: Middelkerke tot Blankenberge) zijn vrij klein en/of bevatten onvoldoende waard‐ en nectarplanten voor duurzame populaties van de heivlinder. In de duinengordel van Bredene en in de Fonteintjes (Blankenberge, Zeebrugge) worden af en toe lage aantallen van de heivlinder waargenomen. Dit wijst erop dat deze locaties vermoedelijk bereikbaar zijn vanuit andere populaties in de duinen. De habitatgeschiktheid is er echter laag voor de heivlinder. Een gericht beheer zou hier kunnen zorgen voor een groter aanbod aan waard‐ en nectarplanten waardoor hier op termijn grotere oppervlakten geschikt leefgebied kunnen ontstaan die spontaan door de heivlinder gekoloniseerd kunnen worden. Ondanks het feit dat er aan de westkust verschillende vrij grote populaties zijn die op niet al te grote afstand van elkaar gelegen zijn, vonden we in deze genetische studie geen aanwijzingen voor recente verbreiding van individuen tussen de bemonsterde locaties. De meeste bemonsterde locaties aan de kust vertoonden tekenen van inteelt. De populatie in de Sint‐
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 72 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Laureinsduinen (SLD) vertoonde de hoogste inteeltwaarden. Op slechts één locatie, nl. in de Schipgatduinen (SGD), waren er geen aanwijzingen voor inteelt. De genetische differentiatie tussen de bemonsterde locaties langs de kust was hoger dan de genetische differentiatie tussen de bemonsterde locaties uit de Kempen. De genetische diversiteit (in termen van allelische rijkdom (Ar)) in de bemonsterde locaties langs de kust lag doorgaans lager dan deze uit de Kempen. De vrij grote populatie van het Zwin staat mogelijk in verbinding met de noordelijker gelegen Nederlandse populatie. Dit werd in deze studie niet onderzocht. Evenmin werd verbreiding vanuit Noord‐Franse populaties onderzocht in deze studie. Opvallend is toch de lage waarde voor de geschatte effectieve populatiegrootte (Ne = 20) van de bemonsterde stalen uit het Zwin. Voor de kustregio, was de Westhoek de locatie met de hoogste geschatte waarde voor de effectieve populatiegrootte (Ne = 44), wat binnen de verwachtingen viel, gezien de uitgestrektheid van die locatie. Voor soorten zoals heivlinder die één generatie per jaar kennen, komt de waarde voor de effectieve populatiegrootte overeen met het aantal ouderdieren die bijdroegen aan het tot stand komen van de genenpoel aanwezig binnen de bemonsterde individuen (aantal ‘breeders’). Deze genetische studie toont aan dat de heivlinder aan de kust vroeger een metapopulatiestructuur vertoonde maar dat de huidige connectiviteit tussen de deelpopulaties heel erg beperkt is. Een beperkte connectiviteit tussen locaties, significante inteeltwaarden en lage effectieve populatiegroottes wijzen op een ongunstige toestand en een relatief hoge graad van isolatie van de kustpopulaties. Translocaties worden daarom aanbevolen om op korte termijn de genetische toestand van de populaties te verbeteren. Naast het uitvoeren van translocaties is het van groot belang om door habitatherstel en – uitbreiding via geschikt beheer de densiteit van de populaties te vergroten. Hierdoor kan de connectiviteit tussen de deelpopulaties op een natuurlijke wijze worden versterkt.
5.5.2 Geassisteerde herkolonisatie Aan de westkust zijn de meeste geschikte gebieden bezet door de heivlinder. De gebieden liggen bovendien vrij dicht bij elkaar. We raden aan om in te zetten op de handhaving en uitbreiding van de aanwezige populaties en op verhoging van de populatiedensiteit om spontane verbreiding te bevorderen. Een geassisteerde herkolonisatie bevelen we momenteel niet aan.
5.5.3 Bijplaatsing
Sint‐Laureinsduinen (Middelkerke) (SLD)
De populatie in de Sint‐Laureinsduinen (SLD) is de kustpopulatie die op basis van de genetische studie in de slechtste toestand verkeert. Deze populatie vertoonde de laagste genetische diversiteit in termen van allelische rijkdom (Ar) en de hoogste waarde voor inteelt (FIS). Deze populatie ligt ook geografisch het sterkst geïsoleerd van naburige populaties. De populaties langs de kust komen voor in een gelijkaardig habitat en binnen een beperkt geografisch gebied. Hierdoor is de kans op uitteelt (‘outbreeding’) bij een eventuele bijplaatsing verwaarloosbaar. Deze populatie werd als brongebied beschouwd in Segers et al. (2014). Figuur 51 geeft de geschikte locaties weer voor de bijplaatsing (voor een grotere weergave, zie Bijlage 8.4 Figuur B19)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 73 van 132
Figuur 51
Geschikte locaties voor de bijplaatsing (rode sterren) van individuen in de Sint‐ Laureinsduinen. Geel = Zeereepduin, Groen = zuur duingrasland, Oranje = duindoornstruweel (zie ook Bijlage 8.4 Figuur B19).
5.5.4 Bronpopulaties Op basis van de genetische studie, worden drie potentiële bronpopulaties geselecteerd waaruit individuen gehaald zullen worden voor de bijplaatsing. Dit zijn allemaal locaties met een relatief hoge census populatiegrootte.
Westhoek (WEH) Schipgatduinen (SGD) Ter Yde – Zeebermduinen (TYZ)
De populaties Westhoek (WEH) en Schipgatduinen (SGD) zijn relatief grote populaties met een relatief goede genetische diversiteit en zijn daarom geschikt als bronpopulatie. Ook de locatie Ter Yde – Zeebermduinen (TYZ) komt in aanmerking als bronpopulatie. De meeste genetische variatie is te vinden binnen populaties en niet tussen populaties, waardoor het vanuit dit oogpunt niet belangrijk is of er één of meerdere bronpopulaties worden aangesproken. Om bronpopulaties niet in gevaar te brengen, kan het echter wel een optie zijn om op meerdere locaties individuen weg te vangen. Het wegvangen van individuen uit bronpopulaties met indicaties voor inteelt, heeft geen verhoogd risico op inteelt tot gevolg in de populatie waar bijplaatsingen gebeuren. De aanwijzingen voor inteelt zijn aanwijzingen van verwantschap tussen individuen binnen een populatie. De inteeltcoëfficiënt in een populatie na een bijplaatsing is onafhankelijk van de inteeltcoëfficiënt van de bronpopulaties.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 74 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
5.5.5 Opvolging 5.5.5.1
Census populatiegrootte en functioneel habitat
De toestand van de heivlinder in de kustregio wordt in vijf locaties (WEH, SGD, TYZ, SLD, ZWI) opgevolgd via Meetnetten.be (Maes et al. 2019b). Eenmaal translocaties uitgevoerd, kunnen nieuw gekoloniseerde gebieden worden opgenomen in dit meetnet. Het succes van een translocatie hangt af van de aanwezigheid van geschikte habitat. Een functionele habitat voorziet in de aanwezigheid van geschikte waardplanten, nectarplanten en structuren in de vegetatie zoals open zandplekken en vegetatie voor beschutting (Segers et al. 2014). Naast het monitoren van de census populatiegrootte is het daarom aan te bevelen ook de evolutie van geschikte functionele habitat op de locaties waar translocaties plaatsvinden, in kaart te brengen. 5.5.5.2
Genetische monitoring
Voor de bijplaatsing in de Sint‐Laureinsduinen (SLD), adviseren we om op beide doellocaties 40 volwassen vlinders (30 wijfjes en 10 mannetjes) uit te zetten afkomstig uit de drie bronpopulaties (WEH, SGD, TYZ). Dit gebeurt in het eerste jaar van de translocatie (t1). Na het vangen van de vlinders in de bronpopulaties worden best direct vleugelstukjes verzameld voor genetische opvolging. Het jaar volgend op de translocatie (t2), adviseren we de translocaties van opnieuw 20 individuen (15 wijfjes en 5 mannetjes) op beide plekken. Ook in het tweede jaar t2 worden best direct vleugelstukjes verzameld na het vangen in de bronpopulaties en voor het uitzetten op de doellocaties. In het derde (t3) en vierde (t4) jaar bevelen we aan om de locaties waar bijplaatsingen werden uitgevoerd, genetisch op te volgen door jaarlijks 30 vlinders te bemonsteren voor genetische analyse. Om het effect van de translocaties op de metapopulatie op te volgen, is het aan te bevelen om in het vijfde jaar de populatie genetische structuur van alle kustpopulaties, inclusief naburige populaties gelegen in Nederland en Noord‐Frankrijk opnieuw in kaart te brengen volgens de methode beschreven in deze studie (Figuur 52).
Figuur 52 Schematische voorstelling van de voorgestelde translocaties heivlinder en bijhorende genetische monitoring langs de kust.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 75 van 132
5.6
TRANSLOCATIEPLAN KEMPEN
5.6.1 Populatiestructuur en genetische diversiteit De bemonsterde locaties in de Kempen vormen één genetische cluster, met uitzondering van de locatie Niras. De locatie Niras vormt om een onduidelijke reden, een aparte genetische eenheid. In de Kempen werden 7 migranten gedetecteerd met een hoge waarschijnlijkheid tussen verschillende deelpopulaties binnen de bemonsterde regio. Hierbij werden afstanden tussen 13 en 69 km afgelegd, met een gemiddelde van 33 km. De deelpopulaties in de Kempen vormen samen één grote metapopulatie waarvan de deelpopulaties min of meer verbonden zijn met elkaar door verbreiding van individuen en genetische uitwisseling. De genetische variatie binnen de deelpopulaties was iets hoger dan de geobserveerde genetische variatie binnen de bemonsterde locaties aan de kust. De differentiatie tussen de deelpopulaties van de Kempen is kleiner dan de differentiatie tussen de bemonsterde kustpopulaties, wat ook een indicatie kan zijn van een iets hogere connectiviteit en/of een kleiner verlies aan genetische diversiteit door genetische drift. De hoogste waarden voor de effectieve populatiegrootte werden gevonden voor de deelpopulatie Zwarte Beek Noord (Ne = 44), gevolgd door de deelpopulatie van Zwarte beek Zuid (Ne = 35). Op locatie Molse Zandputten werd de laagste waarde voor effectieve populatiegrootte vastgesteld (Ne = 21).
5.6.2 Geassisteerde herkolonisatie 5.6.2.1
Westelijke Kempen
Voor de westelijke Kempen worden geen translocaties aanbevolen. De drie aanwezige gebieden liggen voldoende dicht bij elkaar (max 7.5 km tussen Kalmthoutse Heide en Groot Schietveld met Klein Schietveld daartussen als mogelijke stapsteen of kolonisatiegebied). Deze afstand ligt binnen het verbreidingsbereik van de heivlinder (Figuur 50). Hier raden we dan ook geen geassisteerde herkolonisatie aan. Tijdens de bemonsteringsperiode van deze studie, werd heivlinder niet meer waargenomen in twee (Klein en Groot Schietveld) van de drie gebieden binnen deze cluster. De populatie in Kalmthout vormt één geheel met het natuurgebied De Zoom aan de Nederlandse kant. Het Klein en Groot Schietveld liggen voldoende dicht bij de grote populatie van de Kalmthoutse Heide om op relatief korte termijn spontaan gekoloniseerd te worden. In beide gebieden raden we aan om vooral in te zetten op geschikt biotoopbeheer voor de heivlinder. Zowel binnen het Klein als het Groot Schietveld is door het uitvoeren van gerichte inrichtingen nog heel wat bijkomend heivlinderhabitat te herstellen of te creëren. Hiervoor worden best sterk dichtgegroeide (reliëfrijke) stuifduinzones tot de minerale bodem geplagd. Veelal bevatten deze zones een voldoende robuuste zaadbank waarbij spontaan en geleidelijk stuifduinvegetaties tot ontwikkeling komen met o.a. de waardplanten van heivlinder (buntgras, fijn schapengras …). Binnen de voor heivlinder geschikte zones worden best regelmatig nieuwe zones geplagd zodat steeds geschikte biotopen in verschillende successiestadia aanwezig zijn. Buiten de stuifduinkernen kunnen bepaalde zones tevens geschikt gemaakt worden door het gericht opbrengen van maaisel met een grote abundantie aan waardplanten van de heivlinder (bv. langs droge, zandige brandwegen binnen maaizones met ijle, droge vegetaties …). Het effect van de recente brand op het Groot Schietveld op potentieel geschikte vegetaties zal moeten onderzocht worden. Op het moment van de brand was de populatie heivlinder al verdwenen op de locatie Groot Schietveld dus een direct effect van de brand op sterfte was er
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 76 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
niet. Het afplaggen van vergraste vegetaties in de verbrande zones zou op termijn eventueel geschikte open plekken kunnen creëren voor waardplanten van de heivlinder. Op het Vliegveld van Malle worden jaarlijks zones gemaaid met uiterst geschikte vegetaties. De lokale boswachter (ANB) is het ermee eens dat dit maaisel gericht ingezet kan worden voor beheer in plaats van het af te voeren naar een composteringsbedrijf. Het maaisel van het Vliegveld van Malle is al verspreid in verschillende ingerichte heideterreinen in de centrale Kempen met waardevolle vegetaties als resultaat. 5.6.2.2
Centrale Kempen
Voor de centrale Kempen bevelen we geassisteerde herkolonisatie aan van vier gebieden. In functie van potentiële geassisteerde herkolonisatie werden gericht tal van gebieden in de centrale Kempen bezocht. Met de ecologische vereisten van de heivlinder in het achterhoofd werd hier de habitatgeschiktheid ingeschat. Bink (1992) geeft aan dat de heivlinder een klein ruimtebeslag heeft van ongeveer 16 ha effectief geschikt biotoop. Omdat heide snel vergrast onder invloed van stikstofdepositie is het wenselijk om grotere gebieden te hebben als potentieel geschikte leefgebieden. Wanneer we kijken naar de gebieden waar de heivlinder momenteel voorkomt en waar hij potentieel zou kunnen voorkomen, zien we dat de bezette gebieden gemiddeld 377 ha groot zijn en onbezette gebieden gemiddeld 70 ha. Dit in beschouwing genomen en op basis van expertkennis hebben de potentieel geschikte leefgebieden voor geassisteerde herkolonisatie best een minimumoppervlakte van 100 ha. In de centrale Kempen liggen vier gebieden met minstens 100 ha geschikt potentieel leefgebied die in aanmerking zouden kunnen komen voor een geassisteerde herkolonisatie (Figuur 53):
Vliegveld van Malle (Malle, waar de soort pas recent verdween, nl. in 2018) Tielenkamp (Kasterlee/Turnhout, waarnemingen van enkele zwervers in de jaren 2000) Kempense heuvelrug (Kasterlee/Herentals, waarnemingen uit de jaren 1960) Engels kamp in Grobbendonk (Grobbendonk/Herentals, geen gekende waarnemingen)
Drie van de vier potentiële gebieden voor geassisteerde herkolonisatie zijn militaire domeinen in eigendom van defensie en worden momenteel beheerd door het Agentschap voor Natuur en Bos. De meest geschikte zones binnen de Kempense heuvelrug bevinden zich tussen ‘Het Zwart Water’ en de Herentalsesteenweg en zijn in beheer bij het agentschap. De terreinen in eigendom en beheer bij Natuurpunt in het westelijk deel van de Kempische Heuvelrug zijn momenteel minder geschikt. In het kader van de screening op de habitatgeschiktheid werden ook de Eksterheide, de Liereman, het NAVO‐Vliegveld in Weelde en de Visbeekvallei bezocht. In bovenstaande gebieden werden recent tal van inrichtings‐ en beheerwerken verricht die het landschap terug open maakten. Hierdoor is er potentieel leefgebied voor de heivlinder ontstaan. Momenteel is de dichtheid aan waardplanten in deze gebieden echter nog veel te laag om in aanmerking te komen voor een geassisteerde herkolonisatie.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 77 van 132
Figuur 53
Locatie van de vier gebieden die in aanmerking komen voor een geassisteerde herkolonisatie. Groen = bestaande populaties, grijs = recent verdwenen populaties (met uitzondering van Malle), oranje = potentiële gebieden voor geassisteerde herkolonisatie (inclusief de recent verdwenen populatie te Malle).
De vier weerhouden gebieden voor geassisteerde herkolonisatie liggen momenteel minstens 11 kilometer verwijderd van een bestaande populatie (Tabel 8). De afstand tussen deze gebieden onderling bedraagt maximaal net iets meer dan 10 km (Tabel 8). De dichtstbijzijnde Nederlandse populaties (Regte Heide en omgeving) liggen op meer dan 20 km van deze gebieden. Deze afstanden zijn wel te overbruggen door heivlinders, maar de sterk dalende trend in waarnemingen hogerop beschreven, doet vermoeden dat de tijdsperiode waarbinnen een spontane herkolonisatie kan worden verwacht, groot is. De kans op een spontane kolonisatie daalt verder met een toename van ongunstige toestand van de omringende deelpopulaties. Sommige van deze omringende deelpopulaties zijn echter vaak te klein om veel migranten op te leveren. Om die reden bevelen we aan om over te gaan tot geassisteerde herkolonisatie in de centrale Kempen. Het is uiteraard eveneens belangrijk om de densiteit in de naburige populaties te vergroten door een aangepast lokaal natuurbeheer. De idee achter het simultaan herkoloniseren van de heivlinder in vier geschikte gebieden is tweeledig: i) ii)
er wordt gestreefd naar het creëren van een lokale metapopulatie en het risico op mislukken wordt gespreid over meerdere gebieden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 78 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Tabel 8
Afstanden (in meters) tussen de potentiële translocatiegebieden in de centrale Kempen en de afstand (in km) tot de dichtstbijzijnde bestaande populatie (DBpop).
Gebied
DBpop
Kempense heuvelrug
Tielenkamp
Vliegveld Malle
Engels kamp Grobbendonk
Niras (19 km)
2.348
10.727
7.162
Kempense heuvelrug
Niras (12 km)
‐
2.812
7.716
Tielenkamp
Niras (11 km)
‐
‐
8.549
‐
‐
‐
Vliegveld Malle
Kalmthoutse Heide (22 km)
De meest geschikte locaties voor de uitzetting van de vlinders worden aangeduid op Figuur 54. Een grotere weergave van de gebieden is te vinden in Bijlage 8.4 (figuren B20 tot en met B23). De belangrijkste strategieën en acties die nodig zijn voor een succesvolle translocatie (bv. acties in functie van ecologische hulpbronnen zoals een voldoende en gevarieerd aanbod aan nectar– en waardplanten) zijn uitgebreid beschreven in het SBP heivlinder (Segers et al. 2014). Indien aan de slag wordt gegaan met deze aanbevelingen zal dit de huidige populaties versterken en optimale kansen bieden voor succesvolle translocaties. Naast het in stand houden en verhogen van de habitatkwaliteit van de actuele leefgebieden kan ingezet worden op habitatherstel in de onmiddellijke omgeving. Om tot echt duurzame populaties te komen, dient in de meeste gebieden eveneens volop ingezet te worden op het herstel van de historische hydrologische en landschappelijke gradiënten. De droge heidegebieden terug meer in verbinding brengen met voedselrijkere beekvalleien, kleinschalige extensieve landbouwgebieden, vernatuurlijken van de aanpalende bosgebieden, enz. is een traject dat opgestart en/of versneld uitgerold zou moeten worden. Op dit moment is een soort als heivlinder, naast tal van andere soorten, als het ware opgesloten in vaak te kleine, te homogene en veelal uitermate droge gebieden. Bij uitzonderlijke weerssituaties (bv hitte en droogte resulterend in nectartekort), die zich bovendien waarschijnlijk meer en meer gaan voordoen, kunnen soorten als heivlinder moeilijk op een vlotte manier schuiven doorheen het landschap op zoek naar hun ecologische hulpbronnen. Ook verspreid staande bomen en ijle bosranden zijn belangrijk als territoriumplaatsen en om te ‘schuilen’ bij extreme weersituaties.
Vliegveld van Malle (Malle)
De heivlinder verdween recent (2018) in dit gebied. Dit gebied vormt ongetwijfeld het meest kansrijke terrein voor een geassisteerde herkolonisatie. In tegenstelling tot vele andere gebieden zijn binnen dit gebied, zelfs naar Vlaamse normen, vrij grote oppervlaktes aanwezig van goed ontwikkelde ‘ha‐graslanden’ en ‘korstmos‐steppes’ met een hoge abundantie aan waardplanten (buntgras, struisgrassen, schapengras,…). Hierdoor vormt het gebied een ideaal brongebied voor het ‘oogsten’ van waardplant‐maaisel om gericht in te zetten in andere terreinen. Er zijn op het terrein tevens zones met open zand aanwezig en andere korte, snel opwarmende vegetaties. Ook de nectarabundantie en ‐variatie lijkt voldoende om goede kansen te bieden voor de opbouw van een populatie na een translocatie. Bijkomende nectarvoorziening is echter, zoals in praktisch alle heidegebieden, een extra aandachtspunt.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 79 van 132
We stellen voor om in botanisch minder goed ontwikkelde terreindelen (bv. doorploegde en bemeste zones), kleinschalig te werken aan eerder mesofiele graslanden met nectarsoorten die momenteel ontbreken en deel uitmaakten van het historische landschap van de zandgronden (bv. knoopkruid, margriet,…). Een andere aanbeveling is hier en daar kleinschalig te akkeren en zones te creëren waar beheerresten verwerkt worden voor extra nectarvoorziening en ‐variatie (vb. akkeronkruiden, distels, koninginnenkruid). Verder kan overwogen worden om plaatselijk steenmeel met essentiële sporenelementen te gebruiken om bodems te herstellen. Het Vliegveld van Malle was voor de aanleg van het NAVO‐vliegveld ongetwijfeld een bijzonder reliëfrijk gebied. Dit is nog duidelijk te zien in de zones die op rand van het vliegveld liggen of onderdeel vormen van de nabijgelegen privé‐eigendommen. De zone van het vliegveld zelf is quasi volledig genivelleerd. Bij accidentele graafwerken (bv. werken van de Provinciale Intercommunale Drinkwatermaatschappij Provincie Antwerpen (PIDPA)) blijkt dat bij bodemverstoring interessante landduinvegetaties tot ontwikkeling komen. Het herprofileren van een aantal zones kan resulteren in zones met meer reliëf, wat typisch is voor de binnenlandse stuifduingebieden.
Tielenkamp (Kasterlee/Turnhout)
In Tielenkamp werden in de jaren 2000 enkele zwervers van heivlinder waargenomen. Qua habitatkwaliteit voor heivlinder volgt Tielenkamp op enige afstand na het Vliegveld van Malle. De oppervlakte ‘ha‐graslanden’ en droge heideterreinen was rond de eeuwwissel erg laag. De afgelopen twee decennia is echter sterk ingezet op habitatherstel. De herstelde habitatzones in combinatie met de relictzones vormen op dit moment een goede uitgangssituatie om een geassisteerde herkolonisatie van heivlinder te overwegen. Om de slaagkansen te verhogen, lijkt bijkomend habitatherstel en een kwaliteitstoename van de huidige duingraslanden en droge heide aangewezen. De geschikte habitatvlekken zijn op dit moment verbonden door een lange strook geschikt leefgebied langs de spoorweg. Deze landschappelijke corridor is essentieel als leefgebied en als corridor voor heivlinder, en tal van andere soorten, binnen dit gebied. Het verder uitbouwen van deze corridorfunctie kan bijkomende kansen voor populatieherstel creëren. Daar een belangrijk deel van de door heivlinder gebruikte biotopen vrij recent hersteld zijn, zijn de vegetaties nog in volle ontwikkeling. Het gericht opbrengen van maaisel uit het Vliegveld van Malle kan het herstel van waardevolle ‘ha‐graslanden’ versnellen. Naast het herstel van ‘ha‐graslanden’, die essentieel zijn voor de voortplanting, dient ook gericht gewerkt te worden aan het in stand houden en daar waar mogelijk vergroten van de nectarvariatie en –abundantie. Zo kan er bekeken worden of in botanisch minder interessante zones kleinschalig geakkerd kan worden, kunnen zones met zonevreemd substraat gericht benut worden als nectarkroegen, kan door middel van beheerresten gewerkt worden aan kleine zones met verhoogde voedselrijkdom voor nectarsoorten als distels, koninginnenkruid, enz. Ook in Tielenkamp kan getracht worden om verder in te zetten op het herstel van landschappelijke gradiënten en zowel de bereikbaarheid als beschikbaarheid van andere habitats zoals mesofiele graslanden, natte valleibiotopen, enz. te verhogen. In de nabijgelegen gebieden ‘Hoge Rielen’ en ‘Hoge Mouw’ wordt tevens gewerkt aan herstel van paraboolduinen, duin‐ en heidevegetaties. Deze maatregelen kunnen op langere termijn mogelijk bijdragen aan een netwerk van geschikte leefgebieden en de creatie van een metapopulatie van heivlinder.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 80 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Zowel de Kempense Heuvelrug als het Engels kamp in Grobbendonk zijn eveneens geselecteerd als gebieden waarvoor een translocatie overwogen kan worden. De habitatkwaliteit – en kwantiteit zijn op dit moment echter nog ondermaats. Voorafgaand aan een eventuele translocatie worden best nog een aantal gerichte maatregelen uitgevoerd. Kempense heuvelrug (Kasterlee/Herentals) De laatste waarnemingen van heivlinder dateren uit de periode rond 1960. Na een periode rond de eeuwwissel waarbij de open habitats quasi volledig verdwenen waren, is er de laatste twee decennia ingezet op habitatherstel. Hierbij werden, verspreid over het hele gebied, maatregelen genomen. Er zijn momenteel twee clusters met een hogere concentratie aan open biotopen. De meest geschikte zones binnen de Kempense heuvelrug bevinden zich tussen ‘Het Zwart Water’ en de Herentalsesteenweg en zijn in beheer bij ANB. De terreinen in eigendom en beheer bij Natuurpunt in het westelijk deel van de Kempense Heuvelrug zijn momenteel minder geschikt. In de zone tussen ‘Het Zwart Water’ en de Herentalsesteenweg zijn stuifduinvegetaties hersteld. De habitatkwaliteit is momenteel echter onvoldoende. Door binnen de ingerichte zones maaisel op te brengen van het Vliegveld van Malle zullen deze vegetaties sneller in de goede richting ontwikkelen. Verder dient er, zoals hierboven beschreven voor het Vliegveld van Malle en Tielenkamp, sterk ingezet te worden op extra nectarvoorziening. Binnen de zone in beheer van Natuurpunt werden reeds enkele kleinschalige akkers hersteld die de ontwikkeling van zeldzame akkerflora en nectarvoorziening beogen. Door plagsel te verwerken op het terrein kunnen ‘nectarhotspots’ ontstaan die een belangrijke meerwaarde kunnen vormen in een verder zeer voedselarme omgeving. Om de translocatie een grotere slaagkans te geven, dient er echter nog bijkomend habitat gecreëerd te worden. In de zone tussen ‘Het Zwart Water’ en de Herentalsesteenweg is middenin de herstelde stuifduinvegetaties nog een grote ‘dennenakker’ aanwezig. Dit groot en onnatuurlijk productiebos vormt een grote hindernis voor landschapsherstel en een succesvolle translocatie van heivlinder.
Engels kamp in Grobbendonk (Grobbendonk/Herentals)
In dit gebied zijn geen waarnemingen gekend van heivlinder. Zoals het geval voor tal van andere gebieden, waren ook in dit gebied rond de eeuwwissel praktisch alle voor heivlinder belangrijke habitats volledig dichtgegroeid. Ook hier zijn de laatste twee decennia vele maatregelen genomen om de quasi verdwenen habitats te herstellen. Op dit moment is er een vrij grote oppervlakte aanwezig van droge heide en ‘ha‐graslanden’. Waardplanten komen vrij verspreid voor over het terrein en er zijn ook heel wat gradiënten aanwezig (van droog naar nat, van open naar gesloten, enz). In een aantal zones zou het gericht opbrengen van maaisel van het Vliegveld van Malle het herstel nog kunnen versnellen. In het gebied wordt ook getracht het cultuurhistorische landschap te herstellen zoals kleine voedselarme graslanden en houtsingels. Het gebied is geëvolueerd van een gebied met hier en daar een habitatrelict naar een gevarieerd landschap met mooi ontwikkelde biotopen. Het verderzetten van dit landschapsherstel zal de heivlinder ten goede komen bij een eventuele translocatie. Binnen het gebied zijn een groot aantal verspreid staande bomen en ijle bosranden aanwezig. Hier kan de heivlinder schuilplaatsen vinden bij extreme weersomstandigheden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 81 van 132
De grootste werkpunten zijn een verdere uitbreiding van ‘ha‐graslanden’ en droge heideterreinen en de onderlinge verbinding ervan. Verder dient ook in dit gebied extra aandacht te gaan naar het verhogen van de beschikbaarheid en variatie aan nectarbronnen. Vergraven zones, stroken langs betonplaten, zones met zonevreemd substraat, enz., kunnen fungeren als nectarkroegen bij gericht beheer. Eventueel kan geopteerd worden om hier en daar kleinschalig te akkeren en nectarrijke zones te creëren door het aanleggen van plagselstroken en/of maaiselhopen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 82 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 54
Meest geschikte locatie(s) (rode ster) voor de uitzetting van heivlinders in de vier geselecteerde gebieden in de centrale Kempen; i) Engels kamp in Grobbendonk, ii) Kempense heuvelrug, iii) Tielenkamp, iv) het Vliegveld van Malle. Okergeel = halfnatuurlijk grasland, geel = binnenlands vegetatiearm stuifduin, paars = heide. (Zie ook Bijlage 8.4, Figuren B20 tot en met B23).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 83 van 132
5.6.2.3
Oostelijke Kempen
Voor de oostelijke Kempen worden geen translocaties aanbevolen. In de oostelijke Kempen liggen zo goed als alle populaties op minder dan 6 km van een bestaande populatie. Wanneer er rond de waarnemingen in het oostelijke deel van de Kempen een buffer van 4 km getrokken wordt (de maximale afstand die tijdens merk‐hervangst onderzoek vastgesteld werd in het Nationaal Park Hoge Kempen ‐ Vanreusel et al. 2002), vallen alle waarnemingen in een grote cluster, die ook aansluit op de Nederlandse populaties in Noord‐Brabant (Figuur 50). In dit deel van de Kempen lijkt het daarom zinvoller om gebieden gepast te beheren zodat ze spontaan gekoloniseerd kunnen worden door de heivlinder. Het aanleggen of beheren van kleine gebieden die als mogelijke stapstenen kunnen dienen, kan ook helpen. Dit zou moeten leiden tot grotere populaties zodat er meer uitwisseling gebeurt. 5.6.2.4
Zuidelijke Kempen
Voor de zuidelijke Kempen worden geen translocaties aanbevolen. Het enige potentieel geschikte leefgebied in het zuidelijk deel van de Kempen (Averbode Bos & Hei) ligt minstens 16 km verwijderd van de dichtstbijzijnde bestaande populatie (Figuur 55). In Averbode Bos & Hei is er veel open terrein gecreëerd, maar de totale oppervlakte geschikt leefgebied lijkt nog te klein en het aantal waardplanten is momenteel nog onvoldoende. Door gerichte beheeringrepen (bv. het opbrengen maaisel met waardplanten) kan dit gebied in de toekomst mogelijk evolueren naar een voor de soort geschikte locatie.
Figuur 55
Locatie van Averbode Bos & Hei ten opzichte van de bestaande populaties van de heivlinder (donkergroen) en de voorgestelde locaties voor translocatie (oranje).
5.6.3 Bijplaatsing Er worden geen aanbevelingen gedaan voor bijplaatsing in de Kempen. In het translocatieplan voor de Kempen zetten we in de eerste plaats in op de geassisteerde herkolonisatie van de heivlinder. Bijplaatsing van individuen in gebieden met een sterk verarmde genetische diversiteit (bv. Molse Zandputten, Mechelse Heide) kan echter ook een zeer gunstige maatregel zijn om de kans op uitsterven van dergelijke populaties te verkleinen. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 84 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Geschikt terreinbeheer kan de populatiedensiteit doen toenemen waardoor de connectiviteit tussen de deelpopulaties op een natuurlijke wijze kan worden hersteld.
5.6.4 Bronpopulaties Op basis van onderstaande argumenten, worden vijf potentiële bronpopulaties geselecteerd waaruit individuen gehaald zullen worden voor de geassisteerde herkolonisatie.
Kalmthoutse Heide (KAH) Zwarte Beek‐Noord (ZBN) Zwarte Beek‐Zuid (ZBZ) Militair Domein Houthalen‐Helchteren (HHH) Balimgronden (BAL)
De voorgestelde bronpopulaties zijn allemaal populaties met een relatief groot aantal heivlinders (relatief hoge census populatiegrootte). De enige nog bestaande en grote populatie in de westelijke Kempen is de Kalmthoutse Heide. Aangezien de locaties voor geassisteerde herkolonisatie gelegen zijn tussen de Kalmthoutse Heide en de oostelijke Kempen is het zinvol om individuen uit de Kalmthoutse Heide te gebruiken voor de translocatie. In de oostelijke Kempen zijn er vier grote populaties: Zwarte Beek Zuid, Zwarte Beek Noord en het Militair Domein in Houthalen‐Helchteren en de Balimgronden. De populatie op de Balimgronden is een zeer grote populatie en een deel van de habitat dreigt op termijn te verdwijnen aangezien ze gelegen is op industrieterrein. Het onzekere bestaan maakt de populatie geschikt om te functioneren als bronpopulatie voor translocaties. Het wegvangen van individuen uit bronpopulaties met indicaties voor inteelt, heeft geen verhoogd risico op inteelt tot gevolg bij een geassisteerde herkolonisatie waarbij verschillende bronpopulaties worden gebruikt. De aanwijzingen voor inteelt zijn aanwijzingen van verwantschap tussen individuen binnen een populatie. De inteeltcoëfficiënt van een populatie ontstaan na een geassisteerde herkolonisatie is onafhankelijk van de inteeltcoëfficiënt van de bronpopulaties.
5.6.5 Opvolging 5.6.5.1
Census populatiegrootte en functioneel habitat
De census populatiegrootte van locaties van de heivlinder in de Kempen wordt opgevolgd via Meetnetten.be (Maes et al. 2019b). Eenmaal translocaties uitgevoerd, kunnen nieuw gekoloniseerde gebieden opgenomen in dit meetnet. Het succes van een translocatie hangt af van de aanwezigheid van geschikte habitat. Een functioneel habitat voorziet in de aanwezigheid van geschikte waardplanten, nectarplanten en structuren in de vegetatie zoals open zandplekken en vegetatie voor beschutting (Segers et al. 2014). Naast het monitoren van de census populatiegrootte is het daarom aan te bevelen ook de evolutie van geschikt functioneel habitat op de locaties waar translocaties plaatsvinden, in kaart te brengen. Geschikt terreinbeheer kan de populatiedensiteit doen toenemen waardoor de connectiviteit tussen de deelpopulaties op een natuurlijke wijze kan worden hersteld. 5.6.5.2
Genetische monitoring
Voor elk van de vier voorgestelde geassisteerde herkolonisaties (vliegveld Malle, Tielenkamp Kasterlee, Kempense heuvelrug en Engels kamp Grobbendonk), adviseren we de translocatie van in totaal 40 volwassen vlinders (30 wijfjes en 10 mannetjes). Na het vangen van de vlinders in de vijf bronpopulaties (KAH, ZBN, ZBZ, HHH, BAL) worden best direct vleugelstukjes
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 85 van 132
verzameld voor genetische opvolging. Het jaar volgend op de translocatie (t2), adviseren we de translocaties van opnieuw 20 vlinders (15 wijfjes en 5 mannetjes) naar elke doellocatie (Tabel 9). In het derde (t3) en vierde (t4) jaar, bevelen we aan om de locaties waar geassisteerde herkolonisaties werden uitgevoerd, genetisch op te volgen door jaarlijks 30 vlinders te bemonsteren voor genetische analyse. Om het effect van de translocaties op de metapopulatie op te volgen, is het aan te bevelen om in het vijfde jaar de populatie genetische structuur van alle deelpopulaties in de Kempen, inclusief naburige populaties gelegen in Nederland in kaart te brengen volgens de methode beschreven in deze studie (Figuur 56).
Figuur 56 Schematische voorstelling van de voorgestelde translocaties heivlinder en bijhorende genetische monitoring langs in de Kempen.
5.6.6 Tijdschema voor translocatie Om de druk op de bronpopulaties te beperken, stellen we voor de translocaties in de Kempen een gefaseerde herkolonisatie voor over drie jaar. Als richtlijn geven we hier aantallen mee die bij voorkeur gebruikt worden bij de geassisteerde herkolonisatie. In bepaalde ongunstige omstandigheden (bv. droogte, ontoegankelijkheid van het gebied, …) moet hier echter op een verantwoorde manier van afgeweken kunnen worden (bv. geen schade toebrengen aan een bronpopulatie). In het eerste jaar worden in het vliegveld van Malle en in Tielenkamp telkens 30 wijfjes en 10 mannetjes uitgezet. Hiervoor worden in de bronpopulaties telkens 12 wijfjes (totaal 60) en 4 mannetjes (totaal 20) gevangen. In het tweede jaar worden in het in het vliegveld van Malle en in Tielenkamp 15 wijfjes en 5 mannetjes bijgezet en in het Engels kamp in Grobbendonk en in de Kempense heuvelrug worden telkens 30 wijfjes en 10 mannetjes uitgezet. In het derde jaar worden in het Engels kamp in Grobbendonk en in de Kempense heuvelrug telkens 15 wijfjes en 5 mannetjes bijgezet. In de daaropvolgende jaren wordt bekeken of er eventueel nog individuen bijgezet moeten worden op de verschillende locaties (Tabel 9). Na het uitvoeren van translocaties, is een opvolging van de census populatiegrootte en een genetische monitoring van de totale metapopulatie sterk aanbevolen. Indien informatie verder wenselijk is over de genetische uitwisseling tussen metapopulatie van de Kempen en de kustregio, dient
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 86 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
de bemonstering van de populaties in beide regio’s voor een dergelijke analyse in hetzelfde vliegseizoen te worden uitgevoerd. Tabel 9
Overzicht van het aantal individuen dat per jaar nodig is voor de geassisteerde herkolonisatie en de bijzetting.
Jaar 1 (t1) Geassisteerde herkolonisatie Vliegveld Malle
Bronpopulatie
Aantal
Kalmthoutse Heide Zwarte Beek‐Noord Zwarte Beek‐Zuid Houthalen‐Helchteren Balimgronden
6w/2m 6w/2m 6w/2m 6w/2m 6w/2m
Totaal
30w/10m
Tielenkamp
Kalmthoutse Heide Zwarte Beek‐Noord Zwarte Beek‐Zuid Houthalen‐Helchteren Balimgronden
6w/2m 6w/2m 6w/2m 6w/2m 6w/2m
Totaal
30w/10m
Totaal jaar 1
60w/20m
Jaar 2 (t2) Geassisteerde herkolonisatie Engels kamp
Bronpopulatie
Aantal
Kalmthoutse Heide Zwarte Beek‐Noord Zwarte Beek‐Zuid Houthalen‐Helchteren Balimgronden
6w/2m 6w/2m 6w/2m 6w/2m 6w/2m
Totaal
30w/10m
Kempense heuvelrug (herintroductie)
Kalmthoutse Heide Zwarte Beek‐Noord Zwarte Beek‐Zuid Houthalen‐Helchteren Balimgronden
Totaal Vliegveld Malle (bijzetting)
6w/2m 6w/2m 6w/2m 6w/2m 6w/2m 30w/10m
Kalmthoutse Heide Zwarte Beek‐Noord Zwarte Beek‐Zuid Houthalen‐Helchteren Balimgronden
3w/1m 3w/1m 3w/1m 3w/1m 3w/1m
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 87 van 132
Totaal
15w/5m
Tielenkamp (bijzetting)
Kalmthoutse Heide Zwarte Beek‐Noord Zwarte Beek‐Zuid Houthalen‐Helchteren Balimgronden
3w/1m 3w/1m 3w/1m 3w/1m 3w/1m
Totaal
15w/5m
Totaal jaar 2
90w/30m
Jaar 3 (t3) Geassisteerde herkolonisatie Engels kamp (bijzetting)
Bronpopulatie
Aantal
Kalmthoutse Heide Zwarte Beek‐Noord Zwarte Beek‐Zuid Houthalen‐Helchteren Balimgronden
3w/1m 3w/1m 3w/1m 3w/1m 3w/1m
Totaal
15w/5m
Kempense heuvelrug (bijzetting)
Kalmthoutse Heide Zwarte Beek‐Noord Zwarte Beek‐Zuid Houthalen‐Helchteren Balimgronden
3w/1m 3w/1m 3w/1m 3w/1m 3w/1m
Totaal
15w/5m
Totaal jaar 3
30w/10m
5.7
ECOLOGISCHE RISICO’S
5.7.1 Risico op sterfte tijdens de translocatie Aangezien de bronpopulaties en de locaties voor translocaties dicht bij elkaar liggen is het risico op stress en sterfte tijdens vangst, transport en vrijlating zeer beperkt. Het vangen en vrijlaten van de vlinders gebeurt best in de late namiddag gedurende een periode met gunstig weer (minstens 20°C, weinig wind en uiteraard geen regen). Transport gebeurt in netjes (Figuur 57) die in koelboxen (± 10 ‐ 15°C) gezet worden tijdens het transport. De vlinders kunnen eventueel, afhankelijk van de weersomstandigheden, een nacht overnachten onder een groot gaas waar ze pas ’s morgens uit gehaald worden zodat ze niet onmiddellijk weg kunnen vliegen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 88 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 57
Kooitje van fijn gaas waarin vlinders getransporteerd kunnen worden tussen de bronpopulaties en de locaties voor translocatie. Hier met veldparelmoervlinders (foto Dirk Maes).
5.7.2 Impact op andere biodiversiteitsdoelen We verwachten geen negatieve impact van de translocatie van de heivlinder op andere biodiversiteitsdoelen.
5.7.3
Risico op uitteeltdepressie
Heivlinders gebruiken andere waardplanten aan de kust dan in de Kempen. Om de kans op uitteeltdepressie heel laag te houden, bevelen we aan om geen translocaties uit te voeren tussen de beide regio’s. De kans op uitteeltdepressie na de voorgestelde translocaties is zo goed als verwaarloosbaar. We vonden in deze studie wel aanwijzingen voor spontane migratie tussen beide regio’s. De aanwijzingen voor de aanwezigheid van migranten uit andere metapopulaties is echter nog geen garantie voor effectieve migratie van en genetische uitwisseling. Dit laatste veronderstelt immers ook succesvol voortplanten van migranten. Enkel wanneer nakomelingen van migranten overleven en zich voortplanten, is effectieve genenuitwisseling een feit. Door natuurlijke selectie zullen individuen die niet aangepast zijn, weg geselecteerd worden. Dit natuurlijk mechanisme verhindert uitteeltdepressie.
5.7.4
Risico op co‐introductie van andere, schadelijke soorten
Een overzicht van de mogelijke ecologische risico’s bij translocaties in de Kempen worden weergegeven in Tabel 10.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 89 van 132
Tabel 10
Overzicht van de belangrijkste ecologische risico’s gekoppeld aan de gevolgen van translocaties van de heivlinder binnen de regio Kempen (bron: Mergeay & Verbist 2021) Risicograad
Aard van risico
Laag risico
Afstand tussen bronpopulatie en translocatie
Risico voor bronpopulatie(s)
Gemiddeld risico
Hoog risico
De locaties liggen in principe binnen de verbreidingcapaciteit van de heivlinder. De uitwisseling die gebeurt tussen de bestaande populaties is echter onvoldoende om een spontane hervestiging of te verwachten (De Ro et al. 2021). De bronpopulaties zijn groot en er zijn voldoende mogelijke bronpopulaties (zie p. 85). Het wegnemen van individuen heeft geen meetbare impact op de bronpopulatie(s).
Vestiging van de doelsoort Zeer klein risico houdt een risico in op afname tot verlies van belangrijke habitattypes in het doelgebied. Vestiging van de doelsoort Zeer klein risico houdt een risico in op afname tot verlies van belangrijke soorten in het doelgebied. Risico op accidentele Geen gekende problemen verspreiding van ziekten / plagen / invasieve soorten
Kans op verbreiding van de doelsoort buiten de doelgebieden of buiten de zone van bestemming
Risico op outbreeding depression en verbreken van lokale adaptatie (bijplaatsingen of herstel van metapopulatiestructuur)
Verbreiding buiten de locaties voor geassisteerde herkolonisatie is waarschijnlijk en wenselijk, maar heeft geen negatieve effecten op ecologische en socio‐economische factoren. Geen gekende of te verwachten betekenisvolle verschillen in lokale adaptatie tussen individuen in de bronpopulatie(s) en locatie(s) voor geassisteerde herkolonisatie.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 90 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Dezelfde risico‐inschatting is van toepassing voor de voorgestelde bijplaatsing van individuen heivlinder in de Sint‐Laureinsduinen (SLD) vanuit de drie bronpopulaties Westhoek, Schipgatduinen en Ter Yde‐Zeebermduinen (WEH, SGD, TYZ) in de kust‐regio. Ook voor deze regio zijn er geen hoge ecologische risico’s. Zo is de kans op uitteeltdepressie eveneens hier verwaarloosbaar klein en is er een laag ecologisch risico voor de bronpopulaties. De locatie SLD ligt eveneens binnen de verbreidingscapaciteit van de heivlinder maar een snelle, spontane uitbreiding via nieuwe migranten is niet te verwachten omdat de waargenomen frequentie van migratie laag ligt (De Ro et al. 2021)
5.8
SOCIO‐ECONOMISCHE RISICO’S EN DRAAGVLAK
Een translocatie kan enkel overwogen worden wanneer socio‐economische risico’s goed ingeschat en afgewogen zijn ten opzichte van de baten van de translocatie (Mergeay & Verbist 2021). In de onderstaande tabel worden de belangrijkste socio‐economische risico’s weergegeven. Tabel 11
Overzicht van de belangrijkste socio‐economische risico’s die gepaard kunnen gaan met translocaties van de heivlinder (bron: Mergeay & Verbist 2021). Risicograad Aard van risico
Laag risico
Gemiddeld risico
Verhoogd risico
Schade aan volksgezondheid of Geen gekende risico's welzijn Socio‐economische schade
Onwaarschijnlijk
Kost van translocatie
Translocatie is geassocieerd met bepaalde kosten die gedekt worden door projectmiddelen of andere bronnen.
Kosten van nabeheer (bv. door nood aan populatiebeheer buiten het doelgebied)
Er is een kans dat biotoopbeheer nodig is, maar deze kosten zullen dan relatief beperkt zijn.
5.9
COMMUNICATIEPLAN
Translocaties kennen nog steeds voor‐ en tegenstanders in natuurbehoudsmiddens. Een translocatieplan wordt dus best samen met een goede communicatiestrategie uitgerold. De richtlijnen die in deze studie zijn opgesteld, zijn gebaseerd op het beleid van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN) rond translocaties. Mergeay & Verbist (2021) werkten deze richtlijnen concreet uit voor Vlaanderen. Eenmaal het translocatieplan voor de heivlinder formeel is goedgekeurd, raden we aan om in samenspraak met alle betrokken actoren (wetenschappers, conservators, natuurbeheerders, militairen) de verdere planning, implementatie en opvolging uit te voeren.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 91 van 132
Rechtstreeks contact met lokale beheerders is belangrijk om translocatie te doen slagen. Tijdens workshops kan bijvoorbeeld in gebieden met een grote heivlinderpopulatie toegelicht worden hoe een heivlinderhabitat er best uitziet. Door in het veld ervaringen met elkaar uit te wisselen, kan de beheerder de opgedane kennis in het eigen gebied veel concreter en gerichter toepassen. Naast de wetenschappelijke gemeenschap (congressen, wetenschappelijk publicaties), is het ook zinvol om het brede publiek in te lichten over de resultaten van de translocatie. Dit kan via streekkranten, tijdschriften, bv. NatuurFocus of websites, bv. Ecopedia. Daarnaast kan er ook in de opleiding voor natuurgidsen, in scholen of via STEM‐campagnes aandacht besteed worden aan translocatie als een vorm van natuurbehoud/‐beheer, maar ook hoe dergelijke natuurbehoudmaatregelen opgevolgd en geëvalueerd kunnen worden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 92 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
6 CONCLUSIES
Via genetische toewijzingstesten vonden we dat de verbreidingsafstanden die afgelegd kunnen worden door de heivlinder veel groter waren dan eerder gedacht.
Ondanks het feit dat de heivlinder grote afstanden kan afleggen, is de frequentie van verbreiding over lange afstanden laag. De kans is klein dat geschikte locaties op korte termijn spontaan worden ge(her)koloniseerd.
De geschatte effectieve populatiegroottes waren laag (20 tot 54 individuen) en 16 van de 22 populaties vertoonden indicaties voor inteelt.
Hoewel de genetische differentiatie zowel binnen als tussen de regio’s laag was, vonden we een significante differentiatie tussen de twee regio’s. Het is aangeraden om de regio’s als twee aparte Conservation Units te beschouwen.
De genetische diversiteit binnen de deelpopulaties van de kust is kleiner dan deze binnen de deelpopulaties van de Kempen. In de Kempen vonden we een duidelijke metapopulatiestructuur met verbreiding tussen de deelpopulaties. We vonden geen indicaties voor verbreiding tussen de deelpopulaties aan de kust.
Inzetten op de versterking van de aanwezige deelpopulaties via het streven naar een hogere densiteit van individuen, zal de spontane verbreiding tussen deelpopulaties doen toenemen.
Aan de kust raden we een bijplaatsing aan in de Sint‐Laureinsduinen. Drie kustpopulaties zijn geschikt als bronpopulaties.
Voor de centrale Kempen raden we geassisteerde herkolonisatie aan van vier gebieden: Vliegveld van Malle, Tielenkamp, Kempense heuvelrug en Engels kamp in Grobbendonk. Vijf populaties zijn geschikt als bronpopulaties.
Om het succes van de translocaties te bepalen is een opvolgingsplan uitgewerkt. Genetische monitoring laat toe om het effect van de acties te evalueren. Naast het monitoren van de genetische toestand, is het aan te bevelen ook de evolutie van de oppervlakte geschikt functioneel habitat op de locaties waar translocaties plaatsvinden, in kaart te brengen.
Een translocatieplan wordt best samen met een goede communicatiestrategie uitgerold.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 93 van 132
7 REFERENTIES Andersen A, Simcox DJ, Thomas JA & Nash DR (2014) Assessing reintroduction schemes by comparing genetic diversity of reintroduced and source populations: A case study of the globally threatened large blue butterfly (Maculinea arion). Biological Conservation 175: 34‐41. 10.1016/j.biocon.2014.04.009 Barascud, Martin, Baguette & Descimon (1999) Genetic consequences of an introduction‐ colonization process in an endangered butterfly species. Journal of Evolutionary Biology 12 (4): 697‐709. https://doi.org/10.1046/j.1420‐9101.1999.00069.x Beneš J, Konvička M, Dvorak J, Fric Z, Havelda Z, Pavlicko A, Vrabec V & Weidenhoffer Z. (2002). Butterflies of the Czech Republic: Distribution and conservation I, II. Praha: SOM. Bink FA. (1992). Ecologische atlas van de dagvlinders van Noordwest‐Europa. Haarlem: Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs bv. Bolger AM, Lohse M & Usadel B (2014) Trimmomatic: a flexible trimmer for Illumina sequence data. Bioinformatics 30 (15): 2114‐2120. 10.1093/bioinformatics/btu170 Bos F, Bosveld M, Groenendijk D, van Swaay CAM, Wynhoff I & De Vlinderstichting. (2006). De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidae, Papilionoidae). Nationaal Natuurhistorisch Museum N, Uitgeverij K & Survey EI, (editors). Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis; KNNV Uitgeverij; European Invertebrate Survey. 1‐381 p., Brosens D, Piesschaert F, Westra T, Ledegen H, Pollet M, Veraghtert W, Van de Poel S & Maes D. (2019). Meetnetten ‐ Transects for butterflies in Flanders, Belgium. In: Research Institute for Nature and Forest (INBO). Version 1.13. Brussels: Research Institute for Nature and Forest (INBO). Chybicki IJ & Burczyk J (2009) Simultaneous estimation of null alleles and inbreeding coefficients. J Hered 100 (1): 106‐113. 10.1093/jhered/esn088 Coates DJ, Byrne M & Moritz C (2018) Genetic Diversity and Conservation Units: Dealing With the Species‐Population Continuum in the Age of Genomics. Frontiers in Ecology and Evolution 6. 10.3389/fevo.2018.00165 Concepción ED, Moretti M, Altermatt F, Nobis MP & Obrist MK (2015) Impacts of urbanisation on biodiversity: the role of species mobility, degree of specialisation and spatial scale. Oikos 124 (12): 1571‐1582. 10.1111/oik.02166 Corander J & Marttinen P (2006) Bayesian identification of admixture events using multilocus molecular markers. Mol Ecol 15 (10): 2833‐2843. 10.1111/j.1365‐294X.2006.02994.x Cornuet JM & Luikart G (1996) Description and power analysis of two tests for detecting recent population bottlencks from allele frequency data. Genetics 144: 2001‐2014. Cornuet JM, Piry S, Luikart G, Estoup A & Solignac M (1999) New methods employing multilocus genotypes to select or exclude populations as origins of individuals. Genetics 153: 1989‐2000. Cors R & Goffart P. (2020). Rapport d’activité GT Lycaena 2019. Gembloux: SPW/DEMNA. De Knijf G, Adriaens D, Van Elegem B & Paelinckx D (2013) Natura 2000 habitattypen ‐ Meer dan flora! Selectiecriteria en gebruik van typische faunasoorten bij de gewestelijke beoordeling van de staat van instandhouding. Natuurfocus 12 (3): 109‐120. https://www.natuurpunt.be/sites/default/files/documents/publication/natuur.focus_ 2013‐3_natura_2000_habitattypen_meer_dan_flora.pdf
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 94 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
De Ro A, Vanden Broeck A, Verschaeve L, Jacobs I, T’Jollyn F, Van Dyck H & Maes D (2021) Occasional long‐distance dispersal may not prevent inbreeding in a threatened butterfly. BMC Ecology and Evolution 21 (1): 224. 10.1186/s12862‐021‐01953‐z De Saeger S, Guelinckx R, Oosterlynck P, De Bruyn A, Debusschere K, Dhaluin P, Erens R, Hendrickx P, Hennebel D, Jacobs I, Kumpen M, Op De Beeck J, Spanhove T, Tamsyn W, Van Oost F, Van Dam G, Van Hove M, Wils C & Paelinckx D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020: Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek. 10.21436/inbor.18840851 Decleer K (2007) Europees beschermde natuur in Vlaanderen en het Belgisch deel van de Noordzee. Habitattypen | Dier‐ en plantensoorten. Mededelingen van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek INBOM200701 Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek, Brussels. Dempster AP, Laird NM & Rubin DB (1977) Maximum likelihood from incomplete data via the EM algorithm. Journal of the Royal Statistical Society 39 (1): 1‐38. Dempster JP & Hall ML (1980) An attempt to re‐establishing the swallowtail butterfly at Wicken Fen. Ecological Entomology 5: 327‐334. Dennis RLH, Shreeve TG & Sparks TH (1998) The effects of island area, isolation and source population size on the presence of the grayling butterfly Hipparchia semele (L.) (Lepidoptera: Satyrinae) on British and Irish offshore islands. Biodiversity and Conservation 7 (765‐776). Do C, Waples RS, Peel D, Macbeth GM, Tillett BJ & Ovenden JR (2014) NeEstimator v2: re‐ implementation of software for the estimation of contemporary effective population size (Ne ) from genetic data. Mol Ecol Resour 14 (1): 209‐214. 10.1111/1755‐ 0998.12157 Drees C, De Vries H, Härdtle W, Matern A, Persigehl M & Assmann T (2009) Genetic erosion in a stenotopic heathland ground beetle (Coleoptera: Carabidae): a matter of habitat size? Conservation Genetics 12 (1): 105‐117. 10.1007/s10592‐009‐9994‐x Duplouy A, Nair A, Nyman T & van Nouhuys S (2021) Long‐term spatiotemporal genetic structure of an accidental parasitoid introduction, and local changes in prevalence of its associated Wolbachia symbiont. Molecular Ecology 30 (18): 4368‐4380. https://doi.org/10.1111/mec.16065 Earl DA & von Holdt BM (2012) STRUCTURE HARVESTER: a website and program for visualizing STRUCTURE output and implementing the Evanno method. Conservation Genetics Resources 4: 359‐361. EC EC. (2007). Interpretation manual of European Union Habitats‐EUR27. European Commission, DG Environment, Brussels. Exeler N, Kratochwil A & Hochkirch A (2009) Restoration of riverine inland sand dunes: implications for the conservation of wild bees (Apoidea). Journal of Applied Ecology 46: 1097‐1105. Fichefet V, Barbier Y, Baugnée J‐Y, Dufrêne M, Goffart P, Maes D & Van Dyck H. (2008). Papillons de jour de Wallonie (1985 ‐ 2007). Region Wallonne : Gembloux. 320 p., Fox R, Warren MS, Brereton TM, Roy DB & Robinson A (2011) A new Red List of British butterflies. Insect Conservation and Diversity 4 (3): 159‐172. 10.1111/j.1752‐ 4598.2010.00117.x Frankham R, Ballou JD & Briscoe DA (2010) Introduction to conservation genetics. Cambridge University Press: Cambridge, UK. Frankham R, Ballou JD, Eldridge MDB, Lacy RC, Ralls K, Dudash MR & Fenster CB (2011) Predicting the probability of outbreeding depression. Conservation Biology 25 (3): 465‐ 475. https://doi.org/10.1111/j.1523‐1739.2011.01662.x
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 95 van 132
Frankham R, Ballou JD, Ralls K, Eldridge MD, Dudash MR, Fenster CB, Lacy RC & Sunnucks P (2017) Genetic management of fragmented animal and plant populations. Oxford University Press: Oxford, UK. Gilbert KJ & Whitlock MC (2015) Evaluating methods for estimating local effective population size with and without migration. Evolution 69: 2154‐2166. Hamm CA, Aggarwal D & Landis DA (2009) Evaluating the impact of non‐lethal DNA sampling on two butterflies, Vanessa cardui and Satyrodes eurydice. Journal of Insect Conservation 14 (1): 11‐18. 10.1007/s10841‐009‐9219‐0 Hanski I (1999) Habitat connectivity, habitat continuity, and metapopulations in dynamic landscapes. Oikos 87: 209‐219. https://doi.org/10.2307/3546736 Harper GL, Maclean N & Goulson D (2003) Microsatellite markers to assess the influence of population size, isolation and demographic change on the genetic structure of the UK butterfly Polyommatus bellargus. Mol Ecol 12 (12): 3349‐3357. 10.1046/j.1365‐ 294x.2003.02012.x Haubreux D, Mézière S, Dhellemmes T & Quevillart R. (2017). Atlas des papillons "de jour" Nord ‐ Pas‐de‐Calais 2000‐2014. Lépidoptères Papilionoidea. (GON) GoendNP‐d‐C, (editor). Lille: Groupe de travail sur les Lépidoptères Papilionoidea du Nord – Pas‐de‐ Calais (Groupe ornithologique et naturaliste du Nord ‐ Pas‐de‐Calais). 494 p., Hedrick PW (2005) A standardized genetic differentiation measure. Evolution 59 (8): 1633‐ 1638. Henriksen HJ & Kreutzer IB. (1982). The butterflies of Scandinavia in nature. Odense: Skandinavisk Bogforlag. Herremans M, De Knijf G, Hansen K, Westra T, Vanreusel W, Martens E, Van Gossum H, Anselin A, Vermeersch G & Pollet M. (2014). Monitoring van beleidsrelevante soorten in Vlaanderen met inzet van vrijwilligers. Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek INBO.R.2014.1628917. Brussel: Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek. Hochberg Y (1988) A sharper Bonferroni procedure for multiple tests of significance. Biometrika 75 (4): 800‐802. Holleley CE & Geerts MC (2009) Multiplex Manager 1.0: a cross‐platform computer program that plans and optimizes multiplex PCR. Biotechniques 46: 511‐517. IUCN France, MNHN, OPIE & SEF. (2012). La Liste rouge des espces menaces en France ‐ Chapitre Papillons de jours de France métropolitaine. Paris: UICN France, MNHN, OPIE & SEF. IUCN/SSC (2013) IUCN guidelines for reintroductions and other conservation translocations, version 1.0. IUCN Species Survival Commission, Gland. Jones AT, Ovenden JR & Wang YG (2016) Improved confidence intervals for the linkage disequilibrium method for estimating effective population size. Heredity 117 (4): 217‐ 223. 10.1038/hdy.2016.19 Jones OR & Wang J (2010) COLONY: a program for parentage and sibship inference from multilocus genotype data. Mol Ecol Resour 10 (3): 551‐555. 10.1111/j.1755‐ 0998.2009.02787.x Jost L (2008) G(ST) and its relatives do not measure differentiation. Mol Ecol 17 (18): 4015‐ 4026. 10.1111/j.1365‐294x.2008.03887.x Kalinowski ST (2005) hp‐rare 1.0: a computer program for performing rarefaction on measures of allelic richness. Molecular Ecology Notes 5 (1): 187‐189. 10.1111/j.1471‐ 8286.2004.00845.x Keenan K, McGinnity P, Cross TF, Crozier WW, Prodöhl PA & O'Hara RB (2013) diveRsity: AnRpackage for the estimation and exploration of population genetics parameters and their associated errors. Methods in Ecology and Evolution 4 (8): 782‐788. 10.1111/2041‐210x.12067 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 96 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Keyghobadi N, Roland J & Strobeck C (2005) Genetic differentiation and gene flow among populations of the alpine butterfly, Parnassius smintheus, vary with landscape connectivity. Mol Ecol 14 (7): 1897‐1909. 10.1111/j.1365‐294X.2005.02563.x Kingsolver JG (1999) Experimental analyses of wing size, flight, and survival in the western white butterfly. Evolution 53 (5): 1479‐1490. Koressaar T & Remm M (2007) Enhancements and modifications of primer design program Primer3. Bioinformatics 23 (10): 1289‐1291. https://doi.org/10.1093/bioinformatics/btm091 Kudrna O, Harpke A, Lux K, Pennerstorfer J, Schweiger O, Settele J & Wiemers M. (2011). Distribution atlas of butterlfies in Europe. Halle: Gfs. Kuussaari M, Heikkinen RK, Heliölä J, Luoto M, Mayer M, Rytteri S & von Bagh P (2015) Successful translocation of the threatened Clouded Apollo butterfly (Parnassius mnemosyne) and metapopulation establishment in southern Finland. Biological Conservation 190: 51‐59. https://doi.org/10.1016/j.biocon.2015.05.011 Leidner AK & Haddad NM (2010) Natural, not urban, barriers define population structure for a coastal endemic butterfly. Conservation Genetics 11 (6): 2311‐2320. 10.1007/s10592‐ 010‐0117‐5 Logie M. (2002). Mobiliteit en habitatgebruik bij een bedreigde vlindersoort, Hipparchia semele (Linneaus, 1758), in de duinen van de Vlaamse westkust [Master Thesis]. Terrestrial Ecology Unit, Universiteit Gent Gent. Promoter: Bonte D. Luikart G & Cornuet JM (1998) Empirical evaluation of a test for identifying recently bottlenecked populations from allele frequency data. Conserv Biol 12 (1): 228‐237. Maes D, Ellis S, Goffart P, Cruickshanks KL, van Swaay CAM, Cors R, Herremans M, Swinnen KRR, Wils C, Verhulst S, De Bruyn L, Matthysen E, O’Riordan S, Hoare DJ & Bourn NAD (2019a) The potential of species distribution modelling for reintroduction projects: the case study of the Chequered Skipper in England. Journal of Insect Conservation 23 (2): 419‐431. https://doi.org/10.1007/s10841‐019‐00154‐w Maes D, Fajgenblat M, Herremans M, Piesschaert F, Vantieghem P, Jacobs I, Veraghtert W & Van Dyck H (2021) IUCN Rode Lijst van de dagvlinders in Vlaanderen 2021. Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek, Brussel. Maes D, Ghesquiere A, Logie M & Bonte D (2006) Habitat Use and Mobility of Two Threatened Coastal Dune Insects: Implications for Conservation. Journal of Insect Conservation 10 (2): 105‐115. 10.1007/s10841‐006‐6287‐2 Maes D, Ledegen H, Van de Poel S & Westra T. (2019b). Monitoringsprotocol dagvlinders. Versie 2.0. Brussel: Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek. 27 p. http://doi.org/10.21436/inbor.16744530 Maes D, van der Meulen M, Verhaeghe F, Bot J, Defoort T, Poelmans L, Adriaens D, De Knijf G, Devos K, Packet J, Speybroeck J, Stienen E, T’jollyn F, Van Den Berge K, Van Landuyt W, Vermeersch G & Wils C. (2019c). Inschatting van de effecten van habitatuitbreiding in het kader van de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen op potentiële leefgebieden van soorten. Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek, (editor). Brussel: Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek. 506 p. https://doi.org/10.21436/inbor.16296183 Maes D, Vanreusel W, Jacobs I, Berwaerts K & Van Dyck H (2012) Applying IUCN Red List criteria at a small regional level: A test case with butterflies in Flanders (north Belgium). Biological Conservation 145 (1): 258‐266. 10.1016/j.biocon.2011.11.021 Maes D, Vanreusel W, Talloen W & Dyck HV (2004) Functional conservation units for the endangered Alcon Blue butterfly Maculinea alcon in Belgium (Lepidoptera: Lycaenidae). Biological Conservation 120 (2): 229‐241. 10.1016/j.biocon.2004.02.018 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 97 van 132
Maes D, Vanreusel W & Van Dyck H. (2013). Dagvlinders in Vlaanderen: nieuwe kennis voor betere actie. Tielt: Uitgeverij Lannoo nv 542 p., Meirmans PG (2012) The trouble with isolation by distance. Molecular Ecology 21: 2839‐2846. Mergeay J (2017) Translocaties in natuurbeheer. Controversieel en essentieel. Natuurfocus 16 (3): 121‐128. Mergeay J & De Meester L (2010) (Her)introducties en rationaliteit in het natuurbeheer. Natuurfocus 9 (3): 124‐127. Mergeay J & Verbist V. (2021). Leidraad Translocaties voor Biodiversiteit in Vlaanderen. Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek, (editor). Brussel: Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek. 33 p. https://doi.org/doi.org/10.21436/inbor.34130911 Middlebrook I, Hardy PB, Botham MS & Dennis RLH (2019) The importance of unique populations for conservation: the case of the great orme's head grayling butterfly Hipparchia semele (Linnaeus, 1758) (Lepidoptera: Satyrinae). Journal of Insect Conservation 23 (2): 381‐391. 10.1007/s10841‐019‐00137‐x Nève G, Barascud B, Hughes R, Aubert J, Descimon H, Lebrun P & Baguette M (1996) Dispersal, colonization power and metapopulation structure in the vulnerable butterfly, Proclossiana eunomia (Lepidoptera: Nymphalidae). Journal of Applied Ecology 33: 14‐ 22. Nieminen M, Singer MC, Fortelius W, Schöps K & Hanski I (2001) Experimental Confirmation that Inbreeding Depression Increases Extinction Risk in Butterfly Populations. The American Naturalist 157 (237‐244). Nonaka E, Siren J, Somervuo P, Ruokolainen L, Ovaskainen O & Hanski I (2019) Scaling up the effects of inbreeding depression from individuals to metapopulations. J Anim Ecol 88 (8): 1202‐1214. 10.1111/1365‐2656.13011 Nowicki P, Vrabec V, Binzenhöfer B, Feil J, Zakšek B, Hovestadt T & Settele J (2014) Butterfly dispersal in inhospitable matrix: rare, risky, but long‐distance. Landscape Ecology 29 (3): 401‐412. 10.1007/s10980‐013‐9971‐0 Paetkau D, Slade R, Burden M & Estoup A (2004) Genetic assignment methods for the direct, real‐time estimation of migration rate: a simulation‐based exploration of accuracy and power. Mol Ecol 13: 55‐65. 10.1046/j.1365‐294X.2003.02008.x Pamperis LN. (2009). The Butterflies of Greece. Athens: PAMPERIS Editions. Peakall R & Smouse PE (2012) GenAlEx 6.5: genetic analysis in Excel. Population genetic software for teaching and research‐‐an update. Bioinformatics 28 (19): 2537‐2539. 10.1093/bioinformatics/bts460 Peery MZ, Kirby R, Reid BN, Stoelting R, Doucet‐Beer E, Robinson S, Vasquez‐Carrillo C, Pauli JN & Palsboll PJ (2012) Reliability of genetic bottleneck tests for detecting recent population declines. Mol Ecol 21 (14): 3403‐3418. 10.1111/j.1365‐294X.2012.05635.x Piry S, Alapetite A, Cornuet JM, Paetkau D, Baudouin L & Estoup A (2004) GENECLASS2: a software for genetic assignment and first‐generation migrant detection. J Hered 95 (6): 536‐539. 10.1093/jhered/esh074 Pritchard JK, Stephens M & Donnelly P (2000) Inference of population structure using multilocus genotype data. Genetics 155: 945‐959. Provoost S, Ampe C, Bonte D, Cosyns E & Hoffmann M (2002) Ecology, management and monitoring of dune grasslands in Flanders, Belgium. Littoral 2002 The Changing Coast: 11‐22. Provoost S & Bonte D (2004) Levende duinen: een overzicht van de biodiversiteit aan de Vlaamse kust. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. Puechmaille SJ (2016) The program structure does not reliably recover the correct population structure when sampling is uneven: subsampling and new estimators alleviate the problem. Mol Ecol Resour 16 (3): 608‐627. 10.1111/1755‐0998.12512 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 98 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
R Core Team (2020) R: A language and environment for statistical computing. R Foundation for Statistical Computing, Vienna, Austria URL https://wwwR‐projectorg/. Reinhardt R, Harpke A, Caspari S, Dolek M, Kühn E, Musche M, Trusch R, Wiemers M & Settele J. (2020). Verbreitungsatlas der Tagfalter und Widderchen Deutschlands. Stuttgart: Eugen Ulmer KG. Resende PS, Viana–Junior AB, Young RJ & Azevedo CSd (2020) A global review of animal translocation programs. Animal Biodiversity and Conservation: 221‐232. 10.32800/abc.2020.43.0221 Rose RJ, Webb NR, Clarke RT & Traynor CH (2000) Changes on the heathlands on Dorset, England, between 1987 and 1996. Biological Conservation 93: 117‐125. Rousset F (2008) genepop'007: a complete re‐implementation of the genepop software for Windows and Linux. Mol Ecol Resour 8 (1): 103‐106. 10.1111/j.1471‐ 8286.2007.01931.x Salgado AL, DiLeo MF, Saastamoinen M & Rasmann S (2020) Narrow oviposition preference of an insect herbivore risks survival under conditions of severe drought. Functional Ecology 34 (7): 1358‐1369. 10.1111/1365‐2435.13587 Schneider C (2003) The influence of spatial scale on quantifying insect dispersal: an analysis of butterfly data. Ecological Entomology 28: 252‐256. Schuelke M (2000) An economic method for the fluorescent labeling of PCR fragments. Nature Biotechnology 18: 233‐234. Schultz CB, Russell C & Wynn L (2008) Restoration, Reintroduction, and captive Propagation for at‐risk Butterflies: A review of British and American Conservation Efforts. Israel Journal of Ecology & Evolution 54 (1): 41‐61. 10.1560/ijee.54.1.41 Segers N. (2012). Mobility and habitat use of the butterfly Hipparchia semele (Lepidoptera, Satyrinae) in the National Park Hoge Kempen (Belgium) [Master Thesis]. Evolutionary Ecology Research Group, Universiteit Antwerpen Antwerpen. Promoter: Matthysen E. Segers N, Jacobs I, Vanreusel W, Van Dyck H & Maes D (2014) Wetenschappelijk basisrapport voor het Soortenbeschermingsprogramma Heivlinder (Hipparchia semele). . Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek, Brussel. Stevens VM, Turlure C & Baguette M (2010) A meta‐analysis of dispersal in butterflies. Biol Rev Camb Philos Soc 85 (3): 625‐642. 10.1111/j.1469‐185X.2009.00119.x Thomas JA, Simcox DJ & Clarke RT (2009) Successful conservation of a threatened Maculinea butterfly. Science 325 (5936): 80‐83. 10.1126/science.1175726 Tinbergen N. (1942). The courtship of the Grayling Eumenis (=Satyrus) semele (L.) In: The animal in its world; field studies. London Allen & Unwin. 197‐249 p., Tuzov VK. (2000). Guide to the butterflies of Russia and adjacent territories. Volume 2. Libytheidae, Danaidae, Nymphalidae, Riodinidae, Lycaenidae. Sofia ‐ Moscow: Pensoft Publishers. Untergasser A, Cutcutache I, Koressaar T, Ye J, Faircloth BC, Remm M & Rozen SG (2012) Primer3 ‐ new capabilities and interfaces. Nucleic Acids Research 40 (15): e115. https://doi.org/10.1093/nar/gks596 Van Den Berge K (2004) Sleutel inzake afweging herintroductie en introductie. Natuurfocus 3 (1): 24‐25. van Strien A, van Swaay C & Kéry M (2011) Metapopulation dynamics in the butterfly Hipparchia semele changed decades before occupancy declined in The Netherlands. Ecological Applications 21 (7): 2510‐2520. van Swaay C, Maes D, Collins S, Munguira ML, Šašić M, Settele J, Verovnik R, Warren M, Wiemers M, Wynhoff I & Cuttelod A (2011) Applying IUCN criteria to invertebrates:
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 99 van 132
How red is the Red List of European butterflies? Biological Conservation 144 (1): 470‐ 478. 10.1016/j.biocon.2010.09.034 van Swaay C, Wynhoff I, Verovnik R, Wiemers M, Lopez CMR, Maes D, Sasic M, Verstrael T, Warren M & Settele J (2010) Hipparchia semele. The IUCN Red List of Threatned Species. van Swaay CAM (2019) Basisrapport Rode Lijst Dagvlinders 2019 volgens Nederlandse en IUCN‐ criteria. De Vlinderstichting, Wageningen. Vanden Broeck A, Maes D, Kelager A, Wynhoff I, WallisDeVries MF, Nash DR, Oostermeijer JGB, Van Dyck H & Mergeay J (2017) Gene flow and effective population sizes of the butterfly Maculinea alcon in a highly fragmented, anthropogenic landscape. Biological Conservation 209: 89‐97. 10.1016/j.biocon.2017.02.001 Vanreusel W, Cortens J & Van Dyck H. (2002). Herstel van dagvlinderpopulaties in en om het Nationaal Park Hoge Kempen. Wilrijk: Universiteit Antwerpen (UIA‐UA) ‐ in opdracht van afdeling Natuur van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Vanreusel W, Kevin L & Opdekamp W. (2017). Het actief verplaatsen van dieren of planten in natuurgebieden van Natuurpunt. Richtlijnen voor terreinbeheerders. Studie N, (editor). Mechelen: Natuurpunt Studie 37 p., Vanreusel W, Maes D & Van Dyck H. (2000). Soortbeschermingsplan gentiaanblauwtje. Wilrijk: Universiteit Antwerpen (UIA‐UA) ‐ in opdracht van afdeling Natuur van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Verovnik R, Rebeušek F & Jež M. (2012). Atlas dnevnih metuljev (Lepidoptera: Rhopalocera) Slovenije, Atlas of butterflies (Lepidoptera: Rhopalocera) of Slovenia. Miklavž na Dravskem polju: Center za kartografijo favne in flore. Wahlund S (1928) Zusammensetzung von population und korrelationserscheinung vom stand‐ punkt der vererbungslehre aus betrachtet. Hereditas 11: 65‐106. Wang J (2009) A new method for estimating effective population sizes from a single sample of multilocus genotypes. Mol Ecol 18 (10): 2148‐2164. 10.1111/j.1365‐294X.2009.04175.x Waples RS (2015) Testing for Hardy‐Weinberg proportions: have we lost the plot? J Hered 106 (1): 1‐19. 10.1093/jhered/esu062 Warren MS (1991) The succesful conservation of an endangered species, the Heath fritillary butterfly Mellicta athalia, in Britain. Biological Conservation 55: 37‐56. Webb NR (1998) The traditional managment of European heathlands. Journal of Applied Ecology 35: 987‐990. Weeks AR, Sgro CM, Young AG, Frankham R, Mitchell NJ, Miller KA, Byrne M, Coates DJ, Eldridge MD, Sunnucks P, Breed MF, James EA & Hoffmann AA (2011) Assessing the benefits and risks of translocations in changing environments: a genetic perspective. Evol Appl 4 (6): 709‐725. 10.1111/j.1752‐4571.2011.00192.x Wynhoff I (1998) Lessons from the reintroduction of Maculinea teleius and M. nausithous in the Netherlands. Journal of Insect Conservation 2: 47‐57. Zilko JP, Harley D, Hansen B, Pavlova A & Sunnucks P (2020) Accounting for cryptic population substructure enhances detection of inbreeding depression with genomic inbreeding coefficients: an example from a critically endangered marsupial. Mol Ecol 29 (16): 2978‐2993. 10.1111/mec.15540
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 100 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
8 BIJLAGEN 8.1 GEBIEDEN MET MOGELIJK KLEINE HEIVLINDERPOPULATIES Het criterium voor de selectie van eventuele bijkomende te bemonsterende gebieden was dat er in minstens één jaar van de periode 2010‐2019 minstens vijf individuen van de heivlinder waargenomen werden. Dit leverde 14 potentieel bijkomend te bemonsteren eenheden op: vijf aan de kust en acht in de oostelijke Kempen (Figuur B1; Tabel B1).
Figuur B1
Ligging van de mogelijk kleine heivlinderpopulaties aan de kust (links) en in de Kempen (rechts).
Tabel B1
Lijst van de clusters die mogelijk een kleine heivlinderpopulatie herbergen.
Clusters Kuststreek (5) 1. Ster der Zee 2. Hoge Blekker ‐ Doornpanne 3. Witte Burg 4. Paelsteenpanne 5. Fonteintjes Kempen – Oost (9) 1. Maatheide – Oost 2. Blekerheide 3. Kattenbosserheide 4. Vliegbasis Kleine Brogel 5. Galgenberg 6. Ten Haagdoornheide 7. Teut 8. Oudsberg
Gemeente
Eigenaar / Beheerder
Koksijde Koksijde Koksijde Bredene Brugge
ANB ANB ANB Natuurpunt Natuurpunt
Lommel Lommel Lommel Peer Heusden‐Zolder Houthalen‐Helchteren Zonhoven Oudsbergen
Privé Natuurpunt Natuurpunt Defensie ANB ANB ANB ANB
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 101 van 132
Hieronder geven we per cluster nog het aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar. Het gaat over het totaal van de waarnemingen in waarnemingen.be. Daarnaast vermelden we de eventuele waarnemingen via meetnetten.be.
8.1.1 Regio kust 8.1.1.1
Ster der Zee (Koksijde)
Ster der Zee is een zeer klein gebied. Er worden echter wel vrij regelmatig een redelijk aantal individuen gemeld (Figuur B2). In Ster der Zee ligt geen vlinderroute van Meetnetten.be. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur B2
Aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer).
8.1.1.2
Hoge Blekker – Doornpanne (Koksijde)
Op de Hoge Blekker en de Doornpanne bevindt zich een kleine populatie (Figuur B3). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in 2016 op de Hoge Blekker 10 heivlinders geteld en in de Doornpanne waren er dat 16. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur B3
Aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 102 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
8.1.1.3
Witte Burg (Koksijde)
In de Witte Burg bevindt zich een kleine heivlinderpopulatie (Figuur B4). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in 2018 in de Witte Burg 5 heivlinders geteld. In de nabijgelegen Plaatsduinen werden in 2018 op de vlinderroute ook slechts 7 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur B4
Aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer).
8.1.1.4
Paelsteenpanne (Bredene)
In de Paelsteenpanne werden slechts af en toe enkele exemplaren waargenomen; vermoedelijk enkele zwervers (Figuur B5). In Paelsteenpanne ligt geen vlinderroute van Meetnetten.be. Eigenaar/Beheerder: Natuurpunt
Figuur B5
Aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 103 van 132
8.1.1.5
Fonteintjes (Brugge)
De waargenomen individuen in de Fonteintjes zijn vermoedelijk zwervers (Figuur B6). In de Fonteintjes ligt geen vlinderroute van Meetnetten.be. Eigenaar/Beheer: Natuurpunt
Figuur B6
Aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer).
8.1.2 Oostelijke Kempen 8.1.2.1
Maatheide‐Oost (Lommel)
In de Maatheide‐Oost werd slechts een klein aantal heivlinder‐individuen waargenomen, dit zijn mogelijk enkel zwervers (Figuur B7). Op Maatheide‐Oost ligt geen vlinderroute van Meetnetten.be. Eigenaar/Beheerder: Privé
Figuur B7
Aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 104 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
8.1.2.2
Blekerheide (Lommel)
In de Blekerheide zijn er mogelijk enkel zwervers (Figuur B8). Op de Blekerheide ligt geen vlinderroute van Meetnetten.be. Eigenaar/Beheerder: Natuurpunt
Figuur B8
Aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer).
8.1.2.3
Kattenbosserheide (Lommel)
In de Kattenbosserheide bevindt zich een kleine heivlinderpopulatie. De laatste jaren werden er echter zeer weinig individuen gemeld (Figuur B9). Op de vlinderroute van Meetnetten.be werden in de Kattenbosserheide in 2016 en 2019 respectievelijk 13 en 3 heivlinders geteld. Eigenaar/Beheerder: Natuurpunt
Figuur B9
Aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 105 van 132
8.1.2.4
Vliegbasis Kleine Brogel (Peer)
Op de Vliegbasis van Kleine Brogel werd er een zeer laag aantal individuen waargenomen (Figuur B10). In het gebied ligt geen vlinderroute van Meetnetten.be. Eigenaar/Beheerder: Defensie
Figuur B10 Aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer).
8.1.2.5
Galgenberg (Heusden‐Zolder)
Op de Galgenberg bevindt zich een kleine populatie. Deze bestaat momenteel echter mogelijk uit zwervers van Terril Lindeman (Figuur B11). Op de Galgenberg ligt geen vlinderroute van Meetnetten.be. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur B11 Aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 106 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
8.1.2.6
Tenhaagdoornheide (Houthalen‐Helchteren)
In de Tenhaagdoornheide werd er een zeer laag aantal individuen waargenomen, mogelijk enkel zwervers (Figuur B12). Op het gebied ligt geen vlinderroute van Meetnetten.be. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur B12 Aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer).
8.1.2.7
Teut (Zonhoven)
Op de Teut zijn er nauwelijks heivlinders waargenomen, vermoedelijk enkel zwervers (Figuur B13). In het gebied ligt geen vlinderroute van Meetnetten.be. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur B13 Aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 107 van 132
8.1.2.8
Oudsberg (Oudsbergen)
Op de Oudsberg werden er vermoedelijk enkel zwervers waargenomen (Figuur B14). In het gebied ligt er geen vlinderroute van Meetnetten.be. Eigenaar/Beheerder: ANB
Figuur B14 Aantal waargenomen individuen van heivlinder per jaar (de oranje en rode lijn geven respectievelijk 25 en 50 individuen weer).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 108 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
8.2
AANVULLENDE INFORMATIE BIJ DE GENETISCHE ANALYSES
8.2.1 Microsatelliet ontwikkeling Voor de ontwikkeling van de microsatellieten gebruikten we enkele stalen uit het Zwin die voor de aanvang van de studie verzameld werden. De ontwikkeling van microsatellieten en genotypering van de eerder vermeldde stalen werden uitgevoerd door AllGenetics & Biology SL (www.allgenetics.eu). Er werd een genomische DNA‐bibliotheek aangelegd met een Nextera XT DNA Library Preparation kit (Illumina). Hierbij werd de gebruiksaanwijzing strikt gevolgd. De DNA‐bibliotheek werd met de volgende microsatelliet motieven verrijkt: AC, AG, ACG en ATCT. De DNA‐bibliotheek werd vervolgens gesequeneerd met het Illumina MiSeq platform (PE300). Er werden 5.191.783 paired‐end reads geproduceerd. Met het programma FastQC 0.11.15 werd de kwaliteit van de ruwe sequentiedata gecontroleerd. Reads met een lage kwaliteit werden geïdentificeerd en getrimd met het programma Trimmomatic 0.36 (Bolger et al. 2014; Bioinformatics btu170). Om zeker te zijn dat enkel reads met een hoge kwaliteit in de volgende stappen werden gebruikt, werd er een tweede kwaliteitscontrole uitgevoerd met FastQC 0.11.15. De reads werden vervolgens in het programma Geneious 8.1.9 (Biomatters Ltd.) en met zelfontwikkelde scripts verwerkt. De primers werden in het programma Primer (Koressaar & Remm 2007; Untergasser et al. 2012), geïmplementeerd in Geneious 10.2.3, ontworpen. De primer‐paren hybridiseren via de flankerende regio’s van de microsatellietmotieven. In totaal werden er 73 primer‐paren, ingedeeld in 22 multiplexen, biologisch getest en gecontroleerd op polymorfisme. PCR’s werden uitgevoerd volgens Schuelke (2000). De volgende universele sequenties werden gebruikt als oligonucleotidestaarten: M13 (5’ GGA AAC AGC TAT GAC CAT 3’), CAG (5’ CAG TCG GGC GTC ATC 3’), en T3 (5’ AAT TAA CCC TCA CTA AAG GG 3’). De drie oligonucleotiden werden respectievelijk met de HEX dye, de FAM dye, en de TAMRA dye gelabeld. De PCR’s werden in een finaal reactievolume van 12,5 µL uitgevoerd. De samenstelling bestond uit 1 µL DNA (10 ng/µL), 6,25 µL van de Type‐it Microsatellite PCR kit (Qiagen), 4 µL PCR‐grade water, en 1,25 µL van de primermix. Het optimale PCR protocol bestond uit de volgende stappen: een initiële denaturatiestap gedurende 5 min. op 95 °C; gevolgd door 30 cycli bestaande uit 30 s op 95 °C, 90 s op 57 °C en 30 s op 72 °C; 8 cycli bestaande uit 30 s op 95 °C, 90 s op 53 °C, en 30 s op 72 °C; en een finale extensiestap gedurende 30 min. op 68 °C. Vervolgens werd er een fragmentanalyse uitgevoerd op de PCR producten met een ABI 3730xl DNA Analyzer (Applied Biosystems, USA). Allelen werden met Geneious 10.2.3 benoemd. Van de 73 geteste microsatellieten, amplificeerden er in totaal 18 primer‐paren polymorfe microsatelliet loci. Deze 18 primer‐paren werden heringedeeld in 6 nieuwe multiplexen. De PCR’s werden volgens het eerder beschreven protocol uitgevoerd.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 109 van 132
8.2.2
Microsatelliet loci en PCR‐condities
Tabel B2
Overzicht van de gebruikte polymorfe nucleaire microsatelliet loci.
Locus 1
AG_Hse_007
Sequentie motief AG
Product grootte 57 ‐ 97
2
AG_Hse_039
AC
80 ‐ 120
3
AG_Hse_072
AAG
110 ‐ 140
4
AG_Hse_076
AC
140 ‐ 160
5
AG_Hse_185
AC
100 ‐ 120
6
AG_Hse_186
AC
204 ‐ 299
7
AG_Hse_210
CCG
160 ‐ 211
8
AG_Hse_214
ACC
91 ‐ 142
9
AG_Hse_229
ACGAT
133 ‐ 148
10
AG_Hse_269
AT
134 ‐ 156
11
AG_Hse_343
ACC
127 ‐ 136
12
AG_Hse_350
ACGG
126 ‐ 146
13
AG_Hse_369
AC
88 ‐ 102
14
AG_Hse_371
AAAC
76 ‐ 98
15
AG_Hse_376
CG
236 ‐ 254
16
AG_Hse_421
ATCC
80 ‐ 100
17
AG_Hse_426
AC
214 ‐ 261
18
AG_Hse_454
CG
116 ‐ 118
19
AG_Hse_471
AAG
155 ‐ 205
20
AG_Hse_489
ATC
142 ‐ 175
Primer
Ta (C°)
Dye
Multiplex
F: AGCACGTAGAGCTGTCGGTT R: CAGGTGCCTTCACTCTCACA F: GTAACTAGCCACGGCCAAAG R: GGTTCATTCATTGTTGCGTG F: CTGTGGAAGTCCATGCAAGA R: CGCGTGGAATCTGACTGATA F: GGTACATTTGTTGTGGCGTG R: CTGACAGGATAGCGACCGAT F: AGCAAGCTCTCGCTCACACT R: CGAAACATTGCTAGTTGCCA F: TTTGGCGGTTTGGAATAGAG R: ATGGTGAAGTGGACAACGTG F: GAAGCGAGCCACTACGAGTC R: TGTGCTCGAACCCTTGGTAT F: GTCAGAGGGTCAGGAGTTCG R: GCCAGAGCGGTTTAAAGAAA F: GGAGACAGTTGGACAGGTGG R: CACATGTGGGCCTATGTCAC F: CTACGCACAAGTGGCATTTC R: GATCGCAAGGAAGTGTAGGC F: TGACAGGGTATCGGTCTGAA R: GCTTACCCAGGTGGCAGATA F: CTGTGAAATGCCGGTTACAA R: GGACAATTGGTGTTTGACGA F: TTTCAAGACACAAGACGGCA R: TCTCGATTAGTTGGATGCGA F: ATTCGAAAGGTTCCGTACCA R: GTCGATCCGTAGATCGGTTG F: TCCAGATGAAGTGGACGTGA R: ACTAGGACCGGTCGAGTGTC F: TTATTCCAGTCAGTCGACGC R: CACGTCTTTGACGGTAGGGT F: ATTCGGCTGAAAGGAATGG R: TATCGTCAGGTGCATCGTGT F: GCTGTACTACTCCAACGCGA R: ACAGAGGGACGCTGTAGTGG F: GCGTTGTTCACCGAAATATG R: CAAACAAGTCGCAGGGAACT F: GAATCGAGTGGATGCGAAA R: GTGGCCTACACGGCTGTTAT
64,2
FAM
2
61,5
FAM
3
61,7
VIC
3
63,3
NED
2
61,2
VIC
2
60,5
VIC
1
63,3
NED
3
61,0
NED
3
64,3
PET
2
63,0
VIC
1
61,2
PET
1
60,9
NED
1
59,7
PET
3
61,0
VIC
1
61,8
FAM
2
61,9
NED
2
61,2
PET
3
64,0
FAM
1
60,9
FAM
1
60,1
PET
3
PCR condities………………………………………….…………………………………………………………………………………. De 20 primer‐paren werden in 3 multiplexen ingedeeld via het programma Multiplex Manager 1.2 (Holleley & Geerts 2009). De primer‐paren werden met 5’ fluorescente label primers gelabeld (dyes: FAM, VIC, NED, PET). Voor de amplificatie van de microsatellieten werd de QIAGEN multiplex Master mix (hotstart) gebruikt met de standaard PCR condities: een initiële denaturatiestap gedurende 15 min. op 95 °C; 35 cycli van 30 s op 95 °C, 30 s op de locus‐ specifieke annealing temperatuur, en een extensiestap gedurende 30 s op 72 °C; tenslotte een elongatiestap gedurende 30 min. op 72 °C. Hiervoor werd een Biometra Thermocycler gebruikt. Het totale reactievolume telde 10 µL waarvan 2 µL template DNA. De PCR producten werden op een ABI 35000 analyzer gelopen met de GeneScan‐600 LIZ standaard en geanalyseerd met het programma Geneious Prime 2019.3.2 (https://www.geneious.com).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 110 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
8.2.3 Hardy‐Weinberg evenwicht en Linkage disequilibrium We verwijderden de volgende vijf microsatelliet loci uit de analyses omdat ze stutterpieken vertoonden: Hse_039, Hse_072, Hse_076, Hse_185 en Hse_421. We vonden een gemiddelde fout op genotypering van 1,6% gebaseerd op replicastalen. Er werden 48 stalen (6,8%) met missende data voor meer dan 3 loci verwijderd, resulterend in 653 unieke genotypes. Deze verwijderde stalen bevatten ook de enige twee stalen van de populaties Maatheide (MAH), waardoor we in de volgende analyses stalen van 24 bemonsteringslocaties gebruikten. Vervolgens gebruikten we het programma GENEPOP v4.3 (Rousset 2008) om significante afwijkingen van het Hardy‐Weinberg evenwicht (HWE), linkage disequilibrium (LD) en de frequentie van nul‐allelen (r) na te gaan. Voor het laatste gebruikten we de Dempster methode (Dempster et al. 1977). We gingen voor 360 locus x populatie combinaties na of er een significante afwijking van het HWE was. Na correctie volgens de Bonferroni methode (Bonferroni aangepaste p‐waarde < 0,0001), detecteerden we er 109 (30%) significant afwijkende combinaties. De volgende acht loci vertoonden significante afwijkingen van HWE: Hse_186, Hse_426, Hse_471, Hse_214, Hse_210, Hse_371, Hse_489 en Hse_343. Voor 36% van de locus x populatie combinaties vonden we een matige tot hoge schatting voor de frequentie van nul‐allelen (r > 0,20). Dit is mogelijk de oorzaak voor de gedetecteerde afwijkingen van het HWE. Slechts één paar loci (Hse_471 en Hse_210) van de populatie Kamp Beverlo Noord (code: WEV) vertoonde een significant linkage disequilibrium (LD) (p‐waarde < 0,0001). Vervolgens gingen we na wat de invloed van de loci met een afwijking van het HWE en met een hoge frequentie van nul‐allelen is op verdere analyses. Hiervoor volgden we de stappen die aangeraden worden door Waples (2015). We vergeleken de globale (G’ST, DEST) en populatie‐specifieke genetische diversiteit (FIS, Ho, He, Ar) tussen datasets waaruit de data van één of meerdere van deze loci uitgesloten werd (Tabel B3, Tabel B4). Hierbij werden loci die voor de meeste locus x populatie combinaties een hoge frequentie nul‐allelen en een significante afwijking van HWE vertoonden, eerst uitgesloten. Hieruit kwam voort dat verdere analyses enkel vertrouwbare resultaten zouden geven wanneer we de volgend zes loci uit de dataset zouden verwijderden Hse_186, Hse_426, Hse_471, Hse_214, Hse_210 en Hse_371. Uiteindelijk verkozen we de dataset met 9 loci voor de genetische analyses. Datasets met meer dan 9 loci bevatten steeds te veel loci die een hoge frequentie aan nul‐allelen en afwijkingen van HWE vertoonden. Hierdoor zouden de genetische analyses niet vertrouwbaar zijn. Bij de dataset met 8 loci waren de G’ST‐waarden niet robuust na het verwijderen van Hse_489. Na het verwijderen van deze loci, weken slechts drie locus x populatie combinaties (1%) significant af van HWE. Slechts bij 7% van de combinaties detecteerden we hoge nul‐allel frequenties (r > 0,20). Bij geen enkele populatie werd er voor meer dan drie loci hoge frequenties ingeschat.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 111 van 132
24,84 24,92 25,09 25,23 24,78 24,74 25,68 25,69 25,64 25,65 26,21 26,11
14 SSR (zonder Hse_186)
14 SSR (zonder Hse_426)
14 SSR (zonder Hse_471)
14 SSR (zonder Hse_214)
14 SSR (zonder Hse_210)
12 SSR (zonder Hse_186, Hse_426, Hse_471)
11 SSR (zonder Hse_214)
11 SSR (zonder Hse_210)
10 SSR (zonder Hse_210, Hse_214)
9 SSR (zonder Hse_371)
8 SSR (zonder Hse_489)
N
3,16
3,18
3,04
3,36
3,53
3,78
2,65
2,68
4,03
2,67
2,66
2,75
Ar
0,35
0,35
0,33
0,33
0,35
0,35
0,33
0,34
0,34
0,34
0,34
0,34
Ho
0,39
0,40
0,41
0,44
0,45
0,47
0,52
0,52
0,52
0,52
0,52
0,54
He
0,12
0,14
0,19
0,24
0,23
0,26
0,37
0,35
0,34
0,34
0,34
0,37
FIS
‐0,02
0,02
0,08
0,13
0,12
0,16
0,27
0,26
0,26
0,24
0,25
0,28
FIS_laag
0,25
0,26
0,31
0,35
0,33
0,36
0,45
0,44
0,43
0,42
0,43
0,45
FIS_hoog
10
16
22
24
24
24
24
24
24
24
24
24
Bewijs voor inteelt
Samenvatting van de gemiddelde diversiteitsindices en inteelt coëfficiënten die verkregen werden voor de verschillende datasets. De kolom ‘Data’ geeft weer hoeveel loci de dataset bevatte en welk locus er uit de data gesloten werd (bovenop de loci uit de grotere dataset). Met: het gemiddeld aantal individuen dat gegenotypeerd werd per locus (N); het gemiddeld aantal allelen per locus gecorrigeerd voor sample grootte (gebaseerd op een minimum van 13 individuen) (Ar); de geobserveerde heterozygositeit (Ho); de verwachtte heterozygositeit (He); de gemiddelde Wright inteelt coëfficiënt per locus (FIS); de laagste limiet van het 95% betrouwbaarheidsinterval van de FIS‐waarde (FIS_laag); de hoogste limiet van het 95% betrouwbaarheidsinterval van de FIS‐waarde (FIS_hoog); en het aantal populaties waarvoor bewijs voor inteelt gevonden werd.
Totale SSR data (15 loci)
Data
Tabel B3
0,092
0,110 0,110 0,105 0,112 0,094 0,076 0,086 0,066 0,057 0,048
14 SSR (zonder Hse_426)
14 SSR (zonder Hse_471)
14 SSR (zonder Hse_214)
14 SSR (zonder Hse_210)
12 SSR (zonder Hse_186, Hse_426, Hse_471)
11 SSR (zonder Hse_214)
11 SSR (zonder Hse_210)
10 SSR (zonder Hse_210, Hse_214)
9 SSR (zonder Hse_371)
8 SSR (zonder Hse_489)
www.vlaanderen.be/inbo
0,091
0,112
14 SSR (zonder Hse_186)
0,061
0,070
0,081
0,100
0,090
0,108
0,129
0,121
0,125
0,127
0,130
0,135
G'st_upper
0,010
0,014
0,018
0,020
0,020
0,030
0,050
0,050
0,051
0,050
0,050
0,060
Dest
0,005
0,009
0,012
0,014
0,014
0,023
0,035
0,035
0,045
0,036
0,035
0,047
Dest_lower
0,016
0,019
0,024
0,026
0,026
0,036
0,058
0,058
0,059
0,058
0,058
0,069
Dest_upper
doi.org/10.21436/inbor.71086387
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////
0,035
0,045
0,051
0,072
0,063
0,079
0,093
0,085
0,098
0,100
0,118
Totale SSR data (15 loci)
G'st_lower
G'st
Pagina 113 van 132
Samenvatting van de gemiddelde genetische differentiatie indices die verkregen werden voor de verschillende datasets. De kolom ‘Data’ geeft weer hoeveel loci de dataset bevatte en welk locus er uit de data gesloten werd (bovenop de loci uit de grotere dataset).
Data
Tabel B4
8.2.4 Individuele toewijzingstesten gebaseerd op allel‐frequentiemethode Tabel B5
Resultaten van de toewijzingstesten gebaseerd op de allel‐frequentie methode en het programma GENECLASS2.
ID (Geslacht) SGD02 (v) SGD05 (v) SLD11 (m) SLD24 (m) WEH07 (m) BAL03 (v) BAL28 (v) BAL30 (m) BBH07 (m) BBH09 (m) HAG02 (m) HAG24 (m) WEV14 (v) WEV23 (m) KDM26 (m) KDM27 (v) KLB22 (m) MEH12 (m) MEH20 (v) SCB28 (v) NIR10 (m) NIR12 (m) NIR26 (m) TLM01 (v) TLM23 (v) TEW14 (m) TEW18 (v) ZBN08 (v) ZBN28 (m)
Bemonsterings‐ locatie SGD SGD SLD SLD WEH BAL BAL BAL BBH BBH HAG HAG WEV WEV KDM KDM KLB MEH MEH SCB NIR NIR NIR TLM TLM TEW TEW ZBN ZBN
Mogelijke oorsprong
P‐waarde
SLD SLD BAL MZP MZP MZP HAG NIR KLB NIR MZP BAL NIR SCB ZBZ TLM KAH KDM HAG HHH TYZ TLM WEH MZP ZWI NIR NIR KAH TLM
0,010 0,004 0,001 0,007 0,000 0,001 0,001 0,004 0,000 0,003 0,001 0,005 0,000 0,009 0,008 0,004 0,003 0,002 0,004 0,000 0,005 0,000 0,004 0,001 0,001 0,007 0,004 0,003 0,002
Verbreidingsafstand (km) 8 8 175 168 181 8 14 14 33 31 20 14 21 19 13 16 89 38 36 9 166 26 175 22 142 39 39 69 6
De resultaten van de individuele toewijzingstesten waarbij we de methode die gebaseerd is op allel frequenties gebruikten in GENECLASS2. Er weden 29 mogelijke eerste‐generatie dispersers geïdentificeerd (p ≤ 0,01), waarvan twaalf (41%) vrouwtjes. De gedetecteerde verbreiding vond voornamelijk plaats tussen de Kempische populaties (21 dispersers, 72%), met afgelegde afstanden tussen 8 en 89 km. We detecteerden slechts twee dispersers (7%) die tussen twee dezelfde kustpopulaties migreerden, met een afgelegde afstand van 8 km. Er werden drie mogelijke dispersers (10%) die in een Kempische populatie bemonsterd werden, toegewezen aan een kustpopulatie (afstand tussen 142 en 175 km). Omgekeerd werden er ook drie dispersers aan een Kempische populatie toegewezen, terwijl deze in een kustpopulatie bemonsterd werden (afstanden tussen 168 en 181 km).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 114 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
8.2.5 STRUCTURE analyse
Figuur B15 STRUCTURE Bayesiaanse clustering van de bemonsterde heivlinder individuen. Het optimaal aantal aangegeven clusters (K) was 3. Elke kolom stelt een individu voor en is verdeeld volgens de waarschijnlijkheid dat een bepaald individu tot een bepaalde cluster behoort. Elke cluster is voorgesteld door een verschillende kleur. De regio waar de populatie aan toebehoort is boven de kolommen weergegeven.
De Bayesiaanse cluster analyse uitgevoerd met STRUCTURE v2.3.4 (Pritchard et al. 2000) vertoonde de hoogste waarschijnlijkheid voor het scenario waarbij de populaties ingedeeld worden in drie genetische clusters (K = 3) (Figuur B15). Individuen van de kustpopulaties werden duidelijk toegewezen aan één cluster. De Kempische populaties toonden meer genetische vermenging waardoor er geen duidelijke differentiatie tussen de twee Kempische clusters kan gemaakt worden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 115 van 132
8.2.6 Het effect van nul‐allen op FIS‐waarden We gebruikten het programma INEst 2.2 (Chybicki & Burczyk 2009) om meer inzicht te krijgen in het effect van de nul‐allelen op de geschatte inteelt‐waarden. INEst 2.2 schat tegelijkertijd de frequentie van nul‐allelen als de inteelt‐waarden die gecorrigeerd zijn voor de aanwezigheid van nul‐allelen. We gebruikten het IIM (Individual Inbreeding Model) model dat op een Bayesiaanse aanpak gebaseerd is. We stelden de MCMC iteraties in op 200 000 cycli, de verdunningsparameter op 200 en de burn‐in op 20 000 cycli. Tabel B6
De frequentie van de nul‐allelen geschat met het programma INEst 2.2. Significante waarden zijn in het vet weer gegeven. Hse_454
Hse_269
Hse_350
Hse_343
Hse_007
Hse_376
Hse_229
Hse_369
Hse_489
SGD SLD
/ /
0,0834 0,0413
0,0116 0,0575
0,1149 0,2100
0,0430 /
0,1384 0,1739
0,0299 0,0341
0,0232 0,0908
0,0268 0,2129
TYZ
/
0,0215
0,0167
0,0319
0,0220
/
0,0199
0,0297
0,0964
WEH
/
0,1735
0,0412
0,0869
0,1931
0,2250
0,0286
0,0780
0,0946
ZWI
/
0,0407
0,0271
0,0332
0,1130
0,0994
0,0207
0,0140
0,2982
KAH
/
0,0229
0,0118
0,0386
0,0558
/
0,0860
0,0290
0,1949
MZP
0,1283
0,0524
0,0086
0,0498
0,1351
0,4935
0,0194
0,0122
0,2755
BAL
/
0,0428
0,0322
0,1536
0,1640
0,3016
0,0412
0,0222
0,0806
BBH
0,0853
0,0328
0,0133
0,0356
0,0337
0,3363
0,0422
0,0153
0,2684
HAG
/
0,0539
0,0424
0,1201
0,2152
0,4500
0,0282
0,0154
0,1179
WEV
0,0429
0,0152
0,0351
0,0138
0,0317
/
0,0194
0,0233
0,0699
KDM
/
0,0126
0,0199
0,0642
0,0443
/
0,0342
0,0448
0,0753
KLB
0,0993
0,0248
0,0159
0,1759
0,0693
/
0,0647
0,0191
0,2466
MEH
/
0,0825
0,0277
0,1136
0,3195
/
0,0251
0,0688
0,2934
HHH
/
0,0131
0,0292
0,0218
0,1255
0,2194
0,0452
0,0141
0,0776
SCB
0,0244
0,0318
0,0071
0,0337
0,0268
/
0,0302
0,0161
0,1841
NIR
0,0937
0,0239
0,0272
0,0894
0,1388
0,2984
0,0569
0,0143
0,3327
TLM
0,0924
0,0388
0,0128
0,0543
0,1257
0,2476
0,0617
0,0202
0,1309
TEB
0,0352
0,0287
0,0176
0,0311
0,1430
/
0,1285
0,0169
0,0802
TEW
0,0452
0,0328
0,0306
0,1033
0,2191
0,2935
0,0530
0,0167
0,1517
ZBN
0,0617
0,0121
0,0206
0,0197
0,0214
0,2599
0,0232
0,103
0,0764
ZBZ
/
0,0181
0,0174
0,0255
0,1230
0,4713
0,0767
0,0188
0,1664
MEH2001
/
0,0151
0,0329
0,0837
0,1081
0,2161
0,0281
0,0786
0,0416
TEB2001
0,0481
0,0383
0,0294
0,0887
0,1293
0,3288
0,0207
0,0196
0,3148
We zien dat er, voor de loci gebruikt in de data analyses, nog steeds 15 significante locus x populatie combinaties zijn (Tabel B6). Dit betekent dat de aanwezigheid van nul‐allelen een invloed kan hebben op de schatting van de FIS‐waarden. Daarom berekende we de FIS‐waarden die gecorrigeerd zijn voor deze geschatte nul‐allel frequenties (Tabel B7).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 116 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
Tabel B7
Vergelijking van de FIS‐waarden berekend met het R pakket DiveRsity (FIS) en het programma INEst 2.2 (Gecorrigeerde FIS). Significante FIS‐waarden berekend in DiveRsity staan in het vet. Voor de gecorrigeerde FIS werd het 95% highest posterior density interval (HPD 95%) weer gegeven. Het beste model duidt aan of de aanwezigheid van nul‐allelen een invloed had op de gecorrigeerde FIS‐waarden (model nb) of niet (model nfb). HPD(95%) Laag Hoog
FIS
Gecorrigeerde FIS
SGD SLD TYZ WEH ZWI
0,086 0,278 0,155 0,152 0,138
0,067 0,104 0,131 0,089 0,039
0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
0,1615 0,2467 0,2300 0,2065 0,1138
nfb nb nfb nfb nb
KAH MZP BAL BBH HAG WEV KDM KLB MEH HHH SCB NIR TLM TEB TEW ZBN ZBZ MEH2001 TEB2001
0,159 0,111 0,259 0,139 0,168 0,127 0,126 0,194 0,252 0,065 ‐0,001 0,195 0,159 0,142 0,150 0,056 0,054 0,136 0,101
0,091 0,016 0,137 0,039 0,054 0,118 0,096 0,043 0,052 0,056 0,056 0,082 0,086 0,099 0,053 0,056 0,021 0,087 0,042
0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
0,2069 0,0511 0,2849 0,1215 0,1564 0,2138 0,2239 0,1411 0,1688 0,1389 0,1389 0,2050 0,2031 0,2292 0,1664 0,1353 0,0709 0,2145 0,1315
nfb nb nfb nb nb nfb nb nb nb nfb nb nfb nfb nfb nb nfb nb nfb nb
Pop
Beste model
De gecorrigeerde FIS‐waarden zijn over het algemeen (licht) lager dan de FIS‐waarden berekend met het R pakket DiveRsity. Gebaseerd op de highest posterior density intervals (HPD 95%), kunnen we enkel zeggen dat er zwak bewijs is voor de aanwezigheid van inteelt in de populaties. Dit komt omdat voor een beta distributie werd gekozen als prior distributie voor het berekenen van de inteeltwaarden. Bij gevolg is het niet mogelijk om direct te verifiëren of FIS groter is dan nul, omdat F niet gelijk kan zijn aan nul onder een beta prior distributie (Chybicki & Burczyk 2009). Om te weten of de aanwezigheid van nul‐allelen of inteelt zelf de belangrijkste parameter is bij het berekenen van de gecorrigeerde FIS‐waarde vergeleken we twee modellen met elkaar. Het eerste model, nfb, bevat de volgende parameters: nul‐allelen (n), inteelt coëfficiënt en genotypering error (b). In het tweede model, nb, werd de parameter van de inteelt coëfficiënten weggelaten. Het model met de laagste DIC (Deviance Information Criterion) waarde werd aangeduid als het best passende model. Als het nfb‐model geselecteerd wordt ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 117 van 132
als het beste model, betekent dit dat de ‘inteelt’ parameter de belangrijkste factor was in het berekenen van de gecorrigeerde FIS‐waarden. Als het nb‐model geselecteerd wordt als het beste model, betekent dit dat de FIS‐waarde beïnvloed wordt door de aanwezigheid van nul‐ allelen (Chybicki & Burczyk 2009). Voor drie van de kustpopulaties was het nfb‐model het best passende model. Twee van deze populaties toonden ook significante inteeltwaarden berekend met DiveRsity. Het nfb‐model was ook het beste model voor negen Kempische populaties. Van deze populaties vertoonden vijf populaties ook significante inteeltwaarden berekend met DiveRsity. Als we de resultaten van beide methoden combineren (INEst 2.2 & DiveRsity), vinden we dus met meer zekerheid voor zeven van de 24 populaties (30%) bewijs voor inteelt.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 118 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
8.2.7 Schatting van de effectieve populatiegroottes (Ne) Tabel B8
Schatting van de effectieve populatiegroottes (Ne) en hun 95% betrouwbaarheidsintervallen (95% C.I.) via de Linkage Disequilibrium methode in NeEstimator v2.0. Regio
Location
Ne
Kust
SGD SLD TYZ WEH ZWI KAH MZP BAL BBH HAG WEV KDM KLB MEH HHH SCB NIR TLM TEB TEW ZBN ZBZ MEH2001 TEB2001
36,4 103,7 312,8 83,4 119,3 Infinite 60,8 Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite 249,4 441,3 30,2 208,9 56,9 Infinite 560,7 Infinite 373,8 27,6
Kempen
95% C.I. 7,8 12,3 17,7 13,2 10,1 42,8 7,8 132,3 11,5 51,6 28,5 22,7 14,2 12,3 17,6 6,9 7,7 21,4 5,1 37,6 19,3 22,4 9,0 3,0
Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite Infinite
Voor elke populatie resulteerde de schatting in een onbegrensd betrouwbaarheidsinterval. Bijgevolg is deze methode weinig informatief voor het schatten van Ne. Dit is niet ongewoon en heeft te maken met de beperkingen van de methode voor het bepalen van het betrouwbaarheidsinterval (jack‐knife methode) in combinatie met het relatief beperkt aantal microsatelliet loci, het relatief laag aantal allelen per locus en de beperkte staalnamegroottes (Jones et al. 2016). Via de LDNe methode kon er dus voor geen enkele populatie een accurate effectieve populatiegrootte geschat worden (Gilbert & Whitlock 2015).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 119 van 132
8.2.8 Genetische bottlenecks Tabel B9
Resultaten van de tests die recente genetische bottlenecks (inkrimping van populaties) detecteren. Er werden drie verschillende modellen gebruikt in het programma BOTTLNECK v1.2.0.2: het Infinite Alleles Model (IAM), het intermediaire Two‐Phase Model (TPM) en het conservatieve Stepwise Mutation Model (SMM). Significante waarden (p‐waarde < 0,05) zijn in het vet aangeduid. Regio
Pop
IAM
TPM
SMM
Kust
SGD SLD TYZ WEH ZWI KAH MZP BAL BBH HAG WEV KDM KLB MEH HHH SCB NIR TLM TEB TEW ZBN ZBZ MEH2001 TEB2001
0,2305 0,0195 0,0273 0,0977 0,0098 0,1484 0,0820 0,3203 0,5000 0,1914 0,5273 0,1875 0,3203 0,2344 0,5273 0,5273 0,3262 0,2481 0,5273 0,8750 0,7520 0,9727 0,1250 0,5449
0,7695 0,1484 0,3438 0,5273 0,0273 0,4688 0,3672 0,7266 0,8496 0,6797 0,9023 0,7656 0,6797 0,7656 0,9727 0,9629 0,6738 0,8984 0,7695 0,9932 0,9971 1,0000 0,3711 0,9756
0,9023 0,2891 0,9453 0,9727 0,7266 0,9727 0,6738 0,9805 0,9990 0,9805 0,9981 0,9961 0,9727 0,9727 0,9961 0,9961 0,9815 0,9971 0,9727 1,0000 1,0000 1,0000 0,9629 0,9981
Kempen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 120 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
0,033
0,041
MEH2001
TEB2001
0,079
0,023
0,113
0,091
0,114
0,083
0,151
0,104
0,145
0,089
0,133
0,097
0,070
0,090
0,111
0,079
0,075
0,130
0,089
0,128
0,050
0,048
SLD
www.vlaanderen.be/inbo
0,048
0,076
TEW
0,065
0,040
TEB
ZBZ
0,101
TLM
ZBN
0,054
NIR
0,083
MEH
0,034
0,042
KLB
0,093
0,034
KDM
SCB
0,045
WEV
HHH
0,044
0,074
HAG
0,026
BAL
BBH
0,058
0,071
ZWI
0,072
0,000
WEH
MZP
0,002
TYZ
KAH
0,036
SGD
0,030
0,027
0,065
0,036
0,079
0,029
0,083
0,044
0,103
0,022
0,059
0,028
0,027
0,024
0,053
0,030
0,018
0,070
0,036
0,086
0,009
TYZ
0,096
0,109
0,100
0,105
0,145
0,122
0,096
0,076
0,129
0,114
0,160
0,098
0,101
0,115
0,111
0,119
0,082
0,108
0,134
ZWI
0,008
0,053
0,038
0,008
0,027
‐0,002
0,033
0,051
0,034
0,006
0,060
0,012
0,018
0,001
0,031
0,000
0,012
0,035
KAH
0,032
0,097
0,018
0,024
0,031
0,025
0,028
0,028
0,017
0,018
0,080
0,014
0,023
0,019
0,052
0,024
0,010
MZP
0,008
0,043
0,014
0,002
0,025
0,003
0,027
0,034
0,029
‐0,006
0,047
‐0,008
‐0,003
‐0,004
0,015
0,002
BAL
‐0,003
0,067
0,009
‐0,001
0,037
‐0,002
0,023
0,023
0,037
‐0,002
0,062
‐0,010
0,005
‐0,003
0,031
BBH
0,019
0,087
0,043
0,027
0,045
0,031
0,028
0,056
0,051
0,024
0,068
0,029
0,036
0,022
HAG
0,001
0,057
0,012
‐0,011
0,024
‐0,006
0,019
0,037
0,028
‐0,012
0,028
‐0,008
0,004
WEV
0,020
0,049
0,028
0,011
0,011
‐0,002
0,037
0,034
0,034
0,000
0,031
‐0,004
KDM
‐0,002
0,067
0,006
‐0,004
0,031
‐0,004
0,020
0,018
0,024
‐0,005
0,044
KLB
0,063
0,059
0,102
0,040
0,044
0,026
0,081
0,104
0,095
0,030
MEH
0,009
0,058
0,018
0,001
0,013
‐0,004
0,023
0,041
0,028
HHH
0,026
0,114
0,023
0,031
0,012
0,024
0,029
0,055
SCB
0,014
0,104
0,019
0,033
0,069
0,038
0,041
NIR
0,016
0,113
0,026
0,019
0,038
0,026
TLM
‐0,011
0,042
0,026
‐0,005
0,016
TEB
doi.org/10.21436/inbor.71086387
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////
0,011
0,037
0,035
0,020
0,053
0,016
0,047
0,037
0,060
0,010
0,065
0,014
0,018
0,021
0,041
0,016
0,003
0,045
0,036
0,050
WEH
Paarsgewijze G’ST waarden. Significante waarden zijn in het vet aangeduid.
SLD
SGD
G’ST
Tabel B10
8.2.9 Paarsgewijze G’ST waarden
0,040
0,073
0,055
0,032
TEW
‐0,006
0,060
0,006
ZBN
0,056
MEH2001
Pagina 121 van 132
0,004
0,111
ZBZ
8.2.10 Isolation‐by‐distance analyses 0,160 0,140 0,120
Fst/(1‐Fst)
0,100 0,080 0,060 0,040 0,020 0,000 0,000 ‐0,020
1,000
2,000
3,000
4,000
5,000
6,000
‐0,040 Ln(afstand) Figuur B16 Globale IBD‐analyse met p‐waarde = 0,00 en R² = 0,28. 0,1
0,08
Fst/(1‐Fst)
0,06
0,04
0,02
0 0 ‐0,02
0,5
1
1,5
2
2,5
3
3,5
4
4,5
5
Ln(afstand)
Figuur B17 IBD‐analyse van de Kempische regio met p‐waarde = 0,185 en R²‐waarde = 0,03.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 122 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
0,12 0,1
Fst/(1‐Fst)
0,08 0,06 0,04 0,02 0 0 ‐0,02
0,5
1
1,5
2
2,5
3
3,5
4
4,5
Ln(afstand)
Figuur B18 IBD‐analyse van de kustregio met p‐waarde = 0,087 en R²‐waarde = 0,55.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 123 van 132
8.2.11 Geschatte niveaus van de hiërarchische structurering binnen populaties, tussen populaties en tussen regio’s door een analyse van moleculaire variantie (AMOVA) Tabel B11
Resultaten van de AMOVA. Met: bron van de variantie, de vrijheidsgraden (Df), de som van de kwadraten (SS), de gemiddelde kwadratensom (MS), de geschatte variantie, de geschatte variantie in procent, de F‐statistiek, de F‐waarde, en de P‐waarde.
Bron van de variantie Tussen regio’s Tussen populaties Binnen populaties Totaal
Df
SS
MS
%
F‐Stat
F‐Waarde
P‐ Waarde
33,01
Geschatte variantie 0,061
1
33,01
3%
Frt
0,028
0,001
22
10,47
4,48
0,052
2%
Fsr
0,025
0,001
1258
2581,01
2,05
2,052
95%
Fst
0,052
0,001
1281
2720,49
2,165
100%
We voerden de AMOVA uit in het programma GenAlEx v6.501 (Peakall & Smouse 2012). De waarden werden berekend met de data van negen microsatelliet loci van 641 heivlinder individuen. We verzamelden de stalen op 24 locaties, genest in twee regio’s (de kust en de Kempische regio van Vlaanderen, België). Significantie werd met 999 permutaties getest. Zoals gebruikelijk, is de meeste genetische variatie (95%) te vinden binnen populaties. 3% van de genetische variatie aanwezig in de totale dataset wordt toegewezen aan verschillen tussen regio’s. De genetische variatie tussen populaties verschilt voor 2% van elkaar.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 124 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo
8.3
FICHE VOOR KARTERING VAN FUNCTIONEEL HABITAT
HEIVLINDER 1 FICHE PER ONDERZOCHT (DEEL)GEBIED Teller (s): Datum:…………………Gemeente ………………………… Gebiedsnaam:……………………CODE…………………………………………………………… Inschattingen densiteit Nectar/waardplanten: 0: afwezig, 1: sporadisch aanwezig, 2: gering aanwezig, 3: aanwezig maar suboptimaal, 4: hoge densiteit aanwezig Locatiekenmerken op landschapsschaal Regio: Kust - Kempen Type: Binnenlandse stuifduin – Schraalgrasland - Droge heide – Groeve – Witte kustduin – Grijze kustduin – Terril – Natte heide Bosrand in open terrein
Openheid van het landschap Geen bomen aanwezig – open landschap met hier en daar een boom - halfopen landschap met verspreidstaande bomen – eerder gesloten landschap met groot aandeel bomen - In bos of open plek in bos
Nectarinschatting
Nectar aanwezig: ja / neen Struikhei: 0/1/2/3/4 .……………………. : 0 / 1 / 2 / 3 / 4 Gele composieten : 0 / 1 / 2 / 3 / 4 .……………………. : 0 / 1 / 2 / 3 / 4 Akkerdistel : 0/1/2/3/4 .……………………. : 0 / 1 / 2 / 3 / 4
Waardplanten Schapengrassen & Zwenkgrassen 2/3/4 Struisgrassen 2/3/4 Helm Dravik
0/1/2/3/4
Buntgras
0/1/
0/1/2/3/4
Vroege haver
0/1/
0/1/2/3/4 0/1/2/3/4
Aandeel open zand/snel opwarmende korte vegetaties (<2cm hoog) R: zeldzaam
Heivlinder
+: <1%
1: 1-5%
2: 6-25%
3:26-50%
4: 51-75%
5: 76-100%
Aantal waargenomen imago’s en geslacht: …………….
Andere waargenomen dagvlinders ………………………………………………….. …………………………………………………..
……………………………………………………….. ………………………………………………………..
Reliëf:
0-1-2-3-4
Helling:
Vlak - Gering - Steil
Substraat/Bodem:
stuifzand - zand-
zand+kiezel - kolen/stenen -
OPMERKINGEN.................................................................................................................................. ........
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 125 van 132
DE MEEST GESCHIKTE LOCATIES VOOR TRANSLOCATIES
Pagina 126 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
Figuur B19 Meest geschikte locaties (rode ster) voor de bijplaatsing van heivlinders in de Sint‐Laureinsduinen. Een beschrijving van de legende van de Biologische Waarderingskaart (Bwk) is te vinden op https://www.ecopedia.be/pagina/de‐biologische‐waarderingskaart)
8.4.1 Kust‐regio
8.4
www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 127 van 132
Figuur B20 Meest geschikte locaties (rode ster) voor de geassisteerde herkolonisatie van heivlinders in het Engels kamp in Grobbendonk. Een beschrijving van de legende van de Biologische Waarderingskaart (Bwk) is te vinden op https://www.ecopedia.be/pagina/de‐biologische‐waarderingskaart)
8.4.2 Centrale Kempen
Pagina 128 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
Figuur B21 Meest geschikte locatie (rode ster) voor de geassisteerde herkolonisatie van heivlinders in de Kempense Heuvelrug. Een beschrijving van de legende van de Biologische Waarderingskaart (Bwk) is te vinden op https://www.ecopedia.be/pagina/de‐biologische‐waarderingskaart)
www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 129 van 132
Figuur B22 Meest geschikte locaties (rode ster) voor de geassisteerde herkolonisatie van heivlinders in Tielenkamp. Een beschrijving van de legende van de Biologische Waarderingskaart (Bwk) is te vinden op https://www.ecopedia.be/pagina/de‐biologische‐waarderingskaart
Pagina 130 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
Figuur B23 Meest geschikte locatie (rode ster) voor de geassisteerde herkolonisatie van heivlinders op het Vliegveld van Malle. Een beschrijving van de legende van de Biologische Waarderingskaart (Bwk) is te vinden op https://www.ecopedia.be/pagina/de‐biologische‐waarderingskaart
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.71086387
Pagina 131 van 132
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 132 van 132
doi.org/10.21436/inbor.71086387
www.vlaanderen.be/inbo