DE VLM, UW PARTNER IN DE OPEN RUIMTE
05
VLM JAAROVERZICHT 2005
DE OPEN RUIMTE, ONS WERKTERREIN HET PLATTELANDSBELEID OP KOERS EEN BEWOGEN JAAR VOOR DE MESTBANK HET OC GIS-VLAANDEREN AAN DE VOORAVOND VAN EEN NIEUWE START ONZE ORGANISATIE IN BEELD
VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN
Beste lezer,
2005 zal geboekstaafd staan als een jaar van grote betekenis voor de toekomst van de VLM: een jaar dus met enkele markante gebeurtenissen. Zo was er de beslissing om, in het kader van het Beter Bestuurlijk Beleid, de afdeling OC GIS-Vlaanderen te verzelfstandigen. Verder liet ook de Europese veroordeling van de Vlaamse omzetting van de Nitraatrichtlijn onze organisatie niet onberoerd: de impact van Europa op het Vlaamse mestbeleid van de komende jaren valt niet te onderschatten. Maar 2005 bracht ook goed nieuws, dat de expertise van de VLM bevestigde. Zo was er de oprichting van de afdeling Platteland, die van in het VLM-huis het plattelandsbeleid in Vlaanderen mee gestalte gaat geven. En de expliciete vragen aan ons adres om een flankerend beleid te bieden bij ambitieuze projecten in de open ruimte, spreken voor zich. 2005 was ook het eerste werkingsjaar van het Strategisch Plan 2005-2009. In de sterk evoluerende maatschappij van vandaag is een denkoefening over de strategie van een organisatie geen overbodige luxe. De VLM legde daarom haar toekomstgerichte visie en doelstellingen vast in dit nieuwe plan, dat tevens de ruggengraat zal vormen voor de nieuwe beheersovereenkomst met de Vlaamse Regering. Het afgelopen jaar heeft de VLM heel wat fraais tot stand gebracht in de open ruimte en op het Vlaamse platteland. Met deze publicatie nodigen we u uit om samen met ons deze realisaties te bekijken. Ditmaal zijn het de VLM-medewerkers die u doorheen onze projecten en activiteiten loodsen. Een bewuste keuze, want zij zijn het die de VLM maken tot wat ze is: een eigentijdse en toegankelijke organisatie, die zich ten dienste stelt om van de open ruimte een (be)leefbare omgeving te maken. En ook onze partners laten hun stem horen: zij zijn de rode draad doorheen onze werking en geven ook dit jaaroverzicht een extra tintje. Al lezend zult u merken dat deze publicatie niet alleen terugkijkt, maar even goed actualiteit brengt. Het verhaal van de VLM loopt immers voort: het platteland en de open ruimte zijn actueler dan ooit, onze organisatie heeft het vertrouwen van de Vlaamse Regering en van de partners. Met enthousiasme gaan we verder op de ingeslagen weg en zetten we onze missie voort. Anno 2006 is de VLM meer dan ooit uw partner in de open ruimte. Wij wensen u veel leesplezier.
Roland De Paepe Gedelegeerd bestuurder
ir. Guido Clerx Adjunct administrateur-generaal, wnd.
05
INHOUDSOPGAVE “DE OPEN RUIMTE, ONS WERKTERREIN” 1. De kunst van het inrichten, een leertraject 2. De wetgeving krijgt verder vorm 3. Gebieden alle kansen geven 4. Begeleiden en remediëren in de open ruimte
HET PLATTELANDSBELEID OP KOERS 1. Hefbomen voor een Vlaams geïntegreerd plattelandsbeleid 2. Europa duwt aan de kar 3. Agrarisch natuurbeheer in de lift
EEN BEWOGEN JAAR VOOR DE MESTBANK 1. Het Europese ‘neen’: een mijlpaal 2. Een nieuw Vlaams mestbeleid in de maak 3. Voortgangsrapport zet loep op Vlaams nutriëntprobleem 4. Een sluitende aanpak van de mesttransporten 5. Mestverwerking: stimuleren blijft de boodschap 6. Gericht sanctioneren, maar ook breed sensibiliseren
HET OC GIS-VLAANDEREN AAN DE VOORAVOND VAN EEN NIEUWE START 1. Bakens voor het Vlaamse geo-databeleid 2. Het GRB op volle toeren 3. Het Kabels- en Leidingen Portaal is uitgetekend 4. Elektronische dienstverlening: GIS als wijdverspreid instrument
ONZE ORGANISATIE IN BEELD 1. Organisatiestructuur en leiding 2. Interne communicatie, motor voor een sterke organisatie 3. Naar een uniek e-loket voor de VLM 4. Het klachtenbeheer ingeburgerd
FINANCIËLE RESULTATEN
p. 6 p. 8 p. 10 p. 14 p. 22 p. 30 p. 32 p. 36 p. 40 p. 46 p. 48 p. 49 p. 51 p. 57 p. 60 p. 62
p. 68 p. 70 p. 71 p. 73 p. 74 p. 76 p. 78 p. 80 p. 82 p. 83 p. 86
5
Inhoudsopgave
“De open ruimte,
Landelijke Open ruimte Inrichting 20 7
ons werkterrein” P
rojecten in het buitengebied en in de stadsrand, dat is waar het bij de VLM om draait. Geen vrijblijvende opdracht, want er staat veel op het spel als het over de open ruimte gaat. Van de herschikking van een landbouwgebied over natuurmaatregelen tot een prestigieuze havenuitbreiding: open ruimte-projecten zijn er in alle soorten en maten. Eén ding hebben ze wél gemeen: allemaal houden ze kansen in om de kwaliteit van de open ruimte te verbeteren. De VLM heeft de ambitie om die kansen zoveel mogelijk te helpen benutten. Voor iedereen die om haar inbreng vraagt, op maat van het gebied én met oog voor alle functies en spelers.
Landelijke Inrichting
De kunst van het inrichten,
8
Een loket voor inrichtingsvragen De VLM is al jaren actief in de open ruimte. Toch is de manier waarop ze de inrichting van een gebied aanpakt, de laatste jaren sterk geëvolueerd. Een project in de open ruimte komt er niet zomaar, het ontstaat steeds op verzoek óf naar aanleiding van concrete problemen die worden aangekaart door partners. In 2005 is de VLM uitgegroeid tot een volwaardig loket waar spelers in de open ruimte met inrichtingsvragen kunnen aankloppen. Deze ‘vraaggerichte werking’ staat centraal in het reilen en zeilen van de VLM, zo vertelt Griet Celen, afdelingshoofd Landelijke Inrichting. “Wanneer een partner een beroep doet op onze expertise, bekijken we met een zo open mogelijke blik wat we aan het project kunnen bijdragen. De eigenheid van het gebied en de wensen of noden van de vrager zijn het uitgangspunt. Vroeger trokken we in een vroeg stadium de kaart van één bepaald inrichtingsinstrument - landinrichting, ruilverkaveling, natuurinrichting, grondenbanken, …. Maar nu zetten we een stapje terug. We zoeken eerst uit welke maatregelen een gebied écht nodig heeft: werken, herverkaveling, vrijwillige kavelruil, studies, procesbegeleiding, beheerovereenkomsten…. Pas dan bezinnen we ons over het instrument dat het beste aan deze noden beantwoordt. Dat
kan ruilverkaveling zijn, of landinrichting, natuurinrichting, grondenbanken of beheerovereenkomsten. Maar evengoed eenvoudigweg het uitvoeren van de opdracht via een contract met de ‘vrager’.”
Kookboek voor een conforme aanpak De laatste jaren wordt de VLM steeds meer gevraagd om deel te nemen aan projecten. Om met dit stijgende aantal vragen om te gaan,
“
MET EEN OPEN EN ONBEVANGEN BLIK BEKIJKEN WE WAT DE VLM AAN EEN PROJECT KAN BIJDRAGEN. Griet Celen
“
heeft de VLM het afgelopen jaar een interne procedure uitgetekend. Griet Celen: “Het aantal inrichtingsvragen neemt van jaar tot jaar toe. De ‘vragers’ zijn heel divers: het kan gaan om collega-overheidsadministraties van het Vlaamse Gewest, gemeente- en provinciebesturen, natuurverenigingen, landbouwers, regionale landschappen, privé bedrijven, … Bovendien komen de vragen via verschillende kanalen binnen: ze komen ter sprake op een vergadering,
Griet Celen
worden gesteld aan een medewerker van de buitendienst, worden telefonisch doorgegeven, … Om al deze vragen op een conforme manier te behandelen, hadden we nood aan een procedure. Deze bepaalt onder meer hoe we de bevoegde administratie op de hoogte brengen van de vraag, wie het dossier voorbereidt en wie de vraag, samen met ons voorstel van aanpak, inleidt bij het bevoegde kabinet.”
Landelijke Open ruimte Inrichting
een leertraject
20 9
VLM-expertise breed erkend Het afgelopen jaar deden tal van instanties een beroep op de expertise van de VLM in de open ruimte. In 2005 heeft de VLM zo’n 30 vragen ontvangen. Voor 19 van deze vragen is er intussen een mandaat van minister van Leefmilieu Kris Peeters. Enkele voorbeelden tonen aan dat de vragers en vragen divers zijn, en zo ook de VLM-opdrachten die eruit voortkomen:
Het aantal inrichtingsvragen aan het adres van de VLM neemt hand over hand toe.
Op vraag van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie maakt de VLM een ontwerp planprogramma op voor het ontginningsgebied ‘De Soeverein’ in Deinze en, in samenspraak met ANRE, een inventaris van ontginningsgebieden die met vergunningsproblemen geconfronteerd worden. Met de gemeente Heist-op-den-Berg heeft de VLM een contract afgesloten om een landbouwstudie op te maken voor het grondgebied van de gemeente. De VLM is op vraag van Natuurpunt gestart met het onderzoek naar de haalbaarheid van een natuurinrichtingsproject in het natuurgebied ‘Averbode Bos en Heide’. Op vraag van de Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel participeert de VLM in het projectteam en de Stuurgroep over de natuurbegeleidende maatregelen bij de realisatie van de Oosterweelverbinding. De provincie West-Vlaanderen heeft de VLM gevraagd een landbouwinventarisatie uit te voeren in het Brugse Ommeland. De VLM werkt aan een lokale grondenbank voor de Poperingevaart op vraag van de Afdeling Water van het Vlaamse Gewest.
Landelijke Inrichting 10
De wetgeving krijgt verder vorm
H
et aantal wetten, decreten, richtlijnen en strategische plannen met een impact op de open ruimte is indrukwekkend. Dit wettelijke kader is al enkele jaren in evolutie en kreeg ook in 2005 verder vorm.
Vlaamse Grondenbank verankerd De VLM koopt gronden aan, ruilt ze, draagt ze over en beheert ze. Dat doet ze al geruime tijd en in tal van projecten: om eigenaars uit te ruilen in plaats van te onteigenen, maar ook om natuurverlies te compenseren, om plaats voor infrastructuur te
“
DEELPROJECTEN NATUURINRICHTING, GEFASEERD IN DE TIJD, KUNNEN VOLGENS ONS VOOR SNELLERE RESULTATEN OP HET TERREIN ZORGEN. Griet Celen
“
creëren en om waardevolle gebieden te redden. Met de principiële goedkeuring van het decreet Vlaamse Grondenbank, krijgen deze activiteiten ook
een wettelijke omkadering. De doelstellingen van de Grondenbank gaan verder dan het louter uitruilen van gronden. Het decreet geeft de VLM een spilfunctie in het verhaal: een centraal punt waar iedereen terecht kan voor de bestaande rechten van voorkoop en de koopplichten van de overheid.
Natuurinrichting: partnerprojecten voor een sneller resultaat De natuur in Vlaanderen blijft onder druk staan van de menselijke activiteiten. De natuur herstellen en nieuwe natuur doen ontstaan, is dan ook de boodschap. Natuurinrichting heeft daarbij haar nut al op vele plekken in Vlaanderen bewezen. De procedures van het huidige Uitvoeringsbesluit Natuurinrichting zijn echter omslachtig, waardoor het vaak jaren duurt vooraleer de eerste spade in de grond gaat. Om sneller resultaten te boeken op het terrein, heeft minister van Leefmilieu Kris Peeters aan de VLM gevraagd om de procedure voor natuurinrichting te vereenvoudigen. Lopende en toekomstige projecten moeten hierdoor efficiënter verlopen. De VLM pleit voor deelprojecten en een gefaseerde uitvoering in de tijd. Ook door kort op de bal te
Ruilen in plaats van onteigenen “De mensen daadwerkelijk helpen met begeleidende maatregelen en hen de juiste informatie geven over hun gronden, is niet meer dan normaal”, zo stelt minister Kris Peeters. “Via de Vlaamse Grondenbank zullen eigenaars en gebruikers van gronden voortaan kunnen kiezen om hun bedreigde gronden te ruilen in plaats van te worden onteigend.”
Landelijke Open ruimte Inrichting 11 20
“ spelen met partnerprojecten, kan de uitvoering op het terrein sneller starten. Griet Celen: “Soms hebben we voor een concreet project de mogelijkheid om met verschillende partners in zee te gaan: door een betere regeling van de medefinanciering willen we lokale partners meer betrekken bij de uitvoering van het project.” De werkelijke actualisatie van het Uitvoeringsbesluit Natuurinrichting staat op de agenda voor 2006.
Ministeriële brief ruilverkaveling verfijnd Het ontwerp van de Ministeriële Richtlijn over de vereenvoudiging van de procedures voor ruilverkaveling, is het afgelopen jaar nog verder verfijnd. Het opzet is ruilverkaveling nog meer in te zetten als uitvoeringsgericht instrument voor plattelandsinrichting. De klemtoon ligt op het adopteren van reeds ontwikkelde plannen voor een gebied, waardoor in een heel aantal gevallen de procedure wordt ingekort. En ruilverkaveling moet ook financieel een haalbare kaart blijven. Gerichte kosten-baten analyses en prijsbewuste keuzes voor het uitvoeren van studies zijn belangrijk om de ruilverkaveling betaalbaar te houden. Partnerschappen en samenwerking zijn niet alleen belangrijk voor de uitvoering, maar ook voor de toekomstige financiering van de ruilverkavelingsprojecten.
HET OPZET IS RUILVERKAVELING NOG MEER IN TE ZETTEN ALS INSTRUMENT VOOR PLATTELANDSINRICHTING. Ilse Van Dienderen
“
Ruilverkaveling, een eigentijds instrument De VLM wil oog hebben voor de plaatselijke dynamiek en maatwerk leveren. Ruilverkaveling heeft daarvoor belangrijke troeven. Ilse van Dienderen (afdeling Landelijke Inrichting): “Ruilverkaveling is een sterk instrument, maar het werd tot hiertoe niet voldoende flexibel ingezet. Anderen hebben vaak vóór ons al het nodige denkwerk verricht; het zou zinloos zijn dat nog eens over te doen. Zo gebeurt het dat partners bij ons aankloppen met een goedgekeurd plan met concrete maatregelen. In vele gevallen kunnen we de procedure ruilverkaveling dan ook flink inkorten. Deze nieuwe aanpak, die samen met de afdeling Land is voorbereid, maakt het mogelijk goedgekeurde planontwerpen integraal over te nemen en te vertalen naar het ruilverkavelingsplan.” De VLM springt dus in een later stadium op de kar om uitvoering te geven aan een plan dat via een ander forum vorm kreeg. “Wanneer het enkel om herverkaveling gaat en er geen werken bij komen kijken, volstaat voortaan zelfs de administratieve procedure. Bij de inrichting van een stadsbos bijvoorbeeld, kunnen de werken worden uitgevoerd door een partner, zoals het Agentschap voor Natuur en Bos. De VLM zorgt enkel voor de herverkaveling, zodat de initiatiefnemer de werken op het terrein zelf kan realiseren.”
Ilse Van Dienderen
Landelijke Inrichting 12
DE VLM EN HAAR INTERNATIONALE PARTNERS
Farland: over de grenzen naar inrichting kijken
Elke regio legt eigen accenten in het project, precies dat maakt Farland zo boeiend.
Binnen Europa is er heel wat interesse voor de vernieuwende ideeën van de VLM. Andere landen willen van Vlaanderens inrichtingsaanpak leren, maar ook het omgekeerde is waar. Op vraag van de Nederlandse Dienst Landelijk Gebied (DLG) stapte de VLM in 2005 in het Europese uitwisselingsproject Farland. Els Abts en Olga Jongeneelen zijn binnen de VLM projectleider voor Farland. “Over de grenzen heen kijken biedt verrassend nieuwe inzichten. Uitwisselingsprojecten als Farland passen dan ook perfect binnen de VLM-strategie om de blik te verruimen en te investeren in internationale samenwerking.” Een nieuwe kijk op de instrumenten Het centrale thema in Farland, een Interreg III
C-project, is de geïntegreerde ontwikkeling van de open ruimte, zeg maar het inrichten van het buitengebied naar de wensen van de samenleving. Zeven overheidsinstanties en vier onderzoeksinstituten uit Galicië, Hongarije, Litouwen, Nederland, Noord-Rijn Westfalen, Portugal en Vlaanderen nemen deel. Ze denken na over vernieuwende praktijken voor landelijke inrichting en wisselen methodieken uit. Els Abts, afdeling Platteland: “We organiseren vergaderingen, excursies en technische uitwisselingsbezoeken om van elkaar bij te leren en kennis uit te wisselen. Alle ideeën en aanbevelingen brengen we bijeen in een samenvattend document met goede praktijken, dat gecommuniceerd zal worden naar lokale en regionale betrokkenen, experts en beleidsmakers. De resultaten van Farland zullen dus niet in de archiefkast verdwijnen.” Leerrijke gelijkenissen en verschillen De integratiegedachte die de VLM hoog in het vaandel voert, leeft in alle regio’s, zo toont Farland aan. De aanpak in de verschillende landen of regio’s is soms opvallend gelijklopend. De mix van regio’s en culturen legt echter ook opvallende verschillen bloot. Olga Jongeneelen, afdeling Landelijke inrichting verwoordt het als volgt: “Samen met Nederland en Duitsland hebben we een gelijkaardige ervaring met de geïntegreerde inrichting van de landelijke gebieden. Onze maatschappelijke en ruimtelijke context voor inrichting is immers vergelijkbaar. Het is niet meer dan logisch dat we die bagage meenemen in het project en ter beschikking stellen van de andere regio’s. Elke regio legt eigen accenten in het project, precies dat maakt het boeiend. De modulaire en gefaseerde aanpak bij de opmaak van inrichtingsplannen die Nederland hanteert,
Landelijke Inrichting 13
draagt bijvoorbeeld onze interesse weg. Ook voor hun aanpak van financiering, bijvoorbeeld met PPS-constructies, en hun ervaring met grondzaken willen we bij de Nederlanders in de leer gaan.” Uitwisselingsbezoeken “Duitsland heeft dan weer heel wat ervaring met het flexibel inzetten van de inrichtingsinstrumenten en met het uitvoeren van flankerende maatregelen in periurbane gebieden. Hun ervaring in dorpskernvernieuwing is voor de VLM ook bijzonder leerrijk, zo bleek in een uitwisselingsbezoek in Munster in december 2005. De landelijke inrichting in Portugal en Galicië evolueerde in de laatste decennia minder sterk naar de geintegreerde aanpak zoals bij hun Noorderburen. Toch voelen zij nu ook sterk de noodzaak om geïntegreerde projecten op te starten zodat meerdere functies van de open ruimte kunnen verweven worden. Deze regio’s zijn overigens heel sterk in communicatie, participatie en het opzetten van lokale partnerschappen. In Litouwen en Hongarije is de ervaring met
ruilverkaveling nog zeer pril, maar zij besteden dan weer veel aandacht aan technische aspecten, zoals de waardebepaling van gronden, GIS-toepassingen, kosten-baten analyses, … Ook de ervaring van deze regio’s met vrijwillige ruilverkaveling is voor Vlaanderen interessant.” Internationale samenwerking De deelname van de VLM aan Farland is geen losstaand feit. De VLM heeft immers de keuze gemaakt om te investeren in internationale samenwerking en haar blik te verruimen buiten Vlaanderen.
Olga Jongeneelen
Els Abts
“Met de VLM willen we de banden aanhalen” Lead partner in het project Farland is de Nederlandse Dienst Landelijk Gebied (DLG). “De VLM-expertise op het gebied van inrichting was doorslaggevend om haar mee te vragen in Farland”, zo vertelt Frank van Holst van DLG. “Op onze zoektocht naar partners actief in het werkveld, kwamen we vanzelf bij de VLM terecht. Een keuze die al gauw terecht bleek, want de VLM heeft zich van bij de start van het project ontpopt als een actieve en gretige partner: een houding die in een uitwisselingsproject als Farland uiteraard ten volle gewaardeerd wordt. De VLM heeft de richting van het project mee uitgezet en zet zich ten volle in om het partnerschap sterker te maken. Naast haar formele functie als voorzitter van de werkgroep Future Approaches, speelt ze ook een rol van betekenis in de Stuurgroep en in de andere werkgroepen. Maar Farland is voor ons ook een unieke gelegenheid om onze banden met partners als de VLM aan te halen. Niet voor niets hebben de VLM en DLG onlangs een samenwerkingsovereenkomst ondertekend. We hebben afgesproken kennis en ervaring rond de inrichting en het beheer van de open ruimte aan beide kanten van de grens uit te wisselen. In de toekomst willen we ook nauwer samenwerken rond Europese projecten.”
De VLM is een actieve en gretige partner, die zich inzet om het partnerschap te versterken.
Landelijke Inrichting
Gebieden alle
14
E
lk gebied heeft zijn eigenheid. In een bepaalde streek komt de landbouw op de eerste plaats, terwijl een ander gebied heel kostbare natuur bezit die om bescherming vraagt. In dorpskernen zijn leefbaarheid en verkeersveiligheid van levensbelang. En er zijn plekken in Vlaanderen die heel wat te bieden hebben op het vlak van recreatie. In elk inrichtingsproject staat één of meer van deze elementen centraal. Door een geïntegreerde aanpak geeft de VLM ook de andere functies en waarden volop aandacht: landbouw in combinatie met natuur, cultuurgeschiedenis hand in hand met recreatie, dorpsleefbaarheid met oog voor waterbeheer,… Met een aanpak op maat van elk gebied komt het erop aan alle functies binnen de open ruimte nieuwe, duurzame kansen te bieden, binnen de globale ontwikkelingsvisie voor het gebied.
Landelijke Inrichting
kansen geven
15
Investeren in recreatie en natuur in DEKSHOEVEVIJVER Op 17 mei 2005 startten de werken van de herinrichting van het recreatiedomein ‘Dekshoevevijver’, een samenwerking van de VLM, de stad Geel en de provincie Antwerpen. De werken passen in de uitvoering van het landinrichtingsproject Grote - Netegebied. “Door de inrichting zullen het landschap, de planten en dieren in dit mooie stukje Geel erop vooruitgaan. Tezelfdertijd wordt Dekshoevevijver een aantrekkelijkere pleisterplaats voor vissers, wandelaars en fietsers”, aldus projectleider Goedele Aerts van de VLM-afdeling Antwerpen. Dekshoevevijver, in Geel beter bekend als ‘de stadsvijver’, is een zone van dagrecreatie. Vissers werpen hun hengel uit in de vijver, fietsers maken van op het jaagpad langs het Kempens Kanaal een ommetje langs het domein, wan-
delaars kunnen de oeverpaden rondom de vijvers afstappen. “Het gebied was in het verleden nogal rommelig ingericht en de natuur kon er best een duwtje in de rug gebruiken. De herinrichting van de vijver maakte dit mogelijk. Het beton of stortmateriaal dat de oevers verstevigde, werd vervangen door een natuurlijke versteviging van wilgentenen, elzen en riet. De oevers van de vijver hebben we vervlakt en zacht hellend aangelegd. Voor de vissen zijn er drie paaiplaatsen aangelegd. En ook aan de kwaliteit van natuur en landschap in de onmiddellijke omgeving hebben we gesleuteld. Een rietveld zorgt voor de zuivering van het vijverwater, zodat de waterkwaliteit van de Daelmansloop erop verbetert.” En ook het aanbod voor de vissers, wandelaars en fietsers is er fel op verbeterd, met tientallen goed bereikbare vissersplaatsen, een nieuw wandelpad, twee toegangen voor fietsers, fietsstallingen en rustplaatsen. De Dekshoevevijver is voortaan ook goed toegankelijk voor an-
Goedele Aerts
Vissers, recreanten en natuurliefhebbers hebben zich samen met de VLM en de stad Geel over de inrichtingsplannen voor Dekshoevevijver gebogen.
Partners maken het gebied De landinrichtingswerken investeren in totaal 412.000 euro in Dekshoevevijver. De Vlaamse overheid draagt hiervan 70 %, de stad Geel 30 %. De provincie Antwerpen financiert de werken aan de Daelmansloop. Goedele Aerts: “De plannen voor de herinrichting werden regelmatig getoetst aan de inzichten van de plaatselijke vissers, recreanten en natuurliefhebbers. Zij namen in een werkgroep samen de plannen onder de loep, brachten ideeën in en stuurden bij. De stad Geel speelde de rol van bemiddelaar. De VLM is hier dus niet op eigen houtje te werk gegaan.”
dersvaliden, met ondermeer aangepaste vissersplaatsen. In mei 2006, voor de start van het nieuwe zomerseizoen, werd de Dekshoevevijver officieel geopend.
Landelijke Inrichting 16
Buurtbewoners, partners in inrichting “De problemen met wateroverlast in onze wijk zijn niet nieuw: de afgelopen tien jaar zorgde de wassende Leie hier maar liefst vier keer voor ondergelopen woningen. In 1995 hebben we een buurtcomité opgericht om de belangen van de buurtbewoners te behartigen”, zo vertelt buurtbewoner Michel Cossaer, tevens voorzitter van het buurtcomité. Onze aandacht werd getrokken door een infokrantje over het landinrichtingsproject Leie-Schelde: we vroegen ons af of dit VLM-project geen mogelijk vehikel was om onze problemen op te lossen. We hebben dit aan de stad Gent gesuggereerd, die op haar beurt aan de VLM heeft gevraagd om maatregelen tegen de wateroverlast in Keuzemeersen op te nemen in het landinrichtingsplan Recreatieas Deinze-Gent. Zo is de bal aan het rollen gegaan.” “Alles bij elkaar heeft het verschillende jaren geduurd vooraleer de dijk er goed en wel stond. De uiteindelijke constructie is snel gegaan, maar de administratieve procedures hebben jammer genoeg veel tijd in beslag genomen. Wat we wél ten volle geapprecieerd hebben, is dat onze inbreng in het project werd gevraagd en ook naar waarde geschat. De VLM heeft werkelijk rekening gehouden met onze opmerkingen bij de uitvoering. Met een algemeen bevredigend resultaat is ook de gemoedsrust teruggekeerd bij de inwoners van de wijk. Testen zullen nu nog moeten uitwijzen of de ringbescherming ook effectief waterdicht is.”
VLM en stad Gent pakken waterellende in KEUZEMEERS aan De wijk Keuzemeers in Drongen is één van de door herhaalde overstromingen geplaagde gebieden in de Leievallei. Met de regelmaat van de klok moesten hier in het verleden de zandzakjes worden boven gehaald. Met de aanleg van de Keuzedijk, een gezamenlijk project van de VLM en de stad Gent, moet er een einde komen aan de waterellende in de Keuzewijk. “De werken aan de Keuzedijk werden opgenomen in het inrichtingsplan dat al voor deze regio in opmaak was”, zo vertelt Eddy Van Braeckel, VLM-afdeling Oost-Vlaanderen. De stad Gent zorgde voor de ophoging van de bestaande rijweg, de VLM voor de aanleg van een dijk in het achterliggende natuurgebied. Bijzonder aan dit project is het feit dat de VLM hier voor de eerste maal het Dijkendecreet heeft toegepast. Hier-
Eddy Van Braeckel
voor was toestemming nodig van minister van Leefmilieu Kris Peeters. Op die manier konden de werken prioritair worden uitgevoerd zonder te moeten wachten op de onderhandelingen met eigenaars en gebruikers over de onteigeningsvergoeding.” De aanleg van de dijk in het natuurgebied gebeurde in amper 26 werkdagen. Om de ondoorlaatbaarheid van het dijklichaam te garanderen, werd vers ontgonnen natuurklei gebruikt, afkomstig van een uitgraving van een wachtbekken op de Ede te Maldegem-Kleit. De kostprijs van het geheel bedroeg 114.000 euro, waarvan het Vlaamse Gewest 70 % voor haar rekening neemt, de stad Gent draagt 30 % van de kosten. En nu de bewoners van de Keuzewijk weer droge voeten hebben, krijgt de dijk ook een tweede functie. De dijk zal immers deel gaan uitmaken van de wandelroute Afsnee-Keuze én van de wandellus in het natuurgebied Keuzemeersen. De aanleg van beide routes is gepland voor 2006.
De aanleg van de dijk in natuurgebied nam amper 26 dagen in beslag.
Landelijke Inrichting 17
“
OP VRAAG VAN HET GEMEENTEBESTUUR VAN BORGLOON HEEFT DE RUILVERKAVELING VOORRANG GEGEVEN AAN DE AANLEG VAN DE WACHTBEKKENS. Eddy Dupae
Eddy Dupae
Winst voor landbouw, natuur en landschap in GROOTLOON Kavels herschikken om de landbouwactiviteit vlotter te laten verlopen: dat is al jaren de essentie van ruilverkaveling. Maar wie nú in een ruilverkavelingsproject stapt, kan er veel meer uithalen dan efficiënter te bewerken akkers en beter bereikbare weilanden. De hergroepering van percelen biedt ook kansen om landschap, natuur, recreatie en cultuurgeschiedenis beter tot hun recht te laten komen. In de ruilverkaveling Grootloon vormen de baten voor de landbouw het uitgangspunt, maar gaat er minstens evenveel aandacht naar waterbeheer, natuur en landschap. Door een recente wijziging in het gewestplan kreeg een aantal agrarische gebieden in Grootloon de bestemming natuur en tevens Habitatrichtlijngebied. De toekomst van veel landbouwers is hierdoor veel onzekerder geworden.
“
Eddy Dupae, projectleider bij de VLM-afdeling Limburg: ”Door uitruilen van de gedupeerde landbouwers zorgt de ruilverkaveling ervoor dat de wijziging in het gewestplan geen invloed meer heeft op hun bedrijf. Daarnaast voorzien we maatregelen die een betere bedrijfsvoering mogelijk maken. Er komen goed berijdbare wegen met een vlotte toegang tot de percelen. De Romeinse Kassei bijvoorbeeld, dé ontsluitingsweg naar het landbouwgebied, krijgt een verharding. Ook toeristen zullen hier overigens van kunnen genieten, want deze weg wordt ingepast in het Fietsroutenetwerk Limburg. Bij de herverkaveling worden de gebruiksblokken groter en regelmatiger van vorm gemaakt en streven we ernaar de afstand tot het landbouwbedrijf zo klein mogelijk te houden. Met deze wegenwerken zijn we begin 2006 begonnen. We verwachten dat de boeren in september kunnen beschikken over hun nieuwe percelen.”
Maar ook in 2005 gingen er in Grootloon al heel wat spades in de grond. Eddy Dupae: “Op vraag van het gemeentebestuur van Borgloon heeft de ruilverkaveling voorrang gegeven aan de aanleg van de wachtbekkens. Deze bekkens - acht van de negen zijn ondertussen operationeel - moeten oplossing geven aan de toenemende wateroverlast in de omgeving en aan de afspoeling van waardevolle leemgrond. Om erosie tegen te gaan, nemen we trouwens nog andere maatregelen, zoals de aanleg van brede grasstroken langsheen erosiegevoelige akkers.”
Landelijke Inrichting 18
Ruilverkaveling in de bres voor de VROEDMEESTERPAD De ruilverkaveling heeft in Grootloon ook haar steentje bijgedragen aan het behoud van kostbare natuur. Eddy Dupae: “In de jaren ‘90 werd onverwachts een grote populatie van de vroedmeesterpad ontdekt in Borgloon, één van de meest zeldzame amfibieën in Vlaanderen. Sinds een tweetal jaren gaat deze paddenpopulatie echter schrikbarend achteruit. Op vraag van onder meer het Instituut voor Natuurbehoud en Natuurpunt hebben we de beschermingsmaatregelen voor de vroedmeesterpad, die de ruilverkaveling sowieso voorzag, vervroegd uitgevoerd. We hebben twee bestaande poelen vernieuwd en drie nieuwe aangelegd. Verder hebben we rond de kerk en het kerkhof constructies met steenhopen voorzien, die de habitat van de vroedmeesterpad nabootsen. Met deze mix aan maatregelen hopen we samen met onze partners de vroedmeesterpad te redden. Wat onze maatregelen werkelijk opgeleverd hebben, weten we binnen een tweetal jaar: dan gaat de monitoring van start.”
De tuin van Vlaanderen Het golvende landschap, het Romeinse verleden en de boomgaarden maken de streek van Grootloon tot de ‘tuin van Vlaanderen’. Eddy Dupae: “De natuur zit hier verscholen in het landschap en bestaat hoofdzakelijk uit kleine landschapselementen: hagen en houtkanten, hoogstammige boomgaarden, poelen, holle wegen,… die een rijke fauna en flora herbergen. De ruilverkaveling verzekert voor een stuk het behoud van de typische Haspengouwse boomgaarden door 80 ha grond te verwerven.” “Twee landbouwbedrijven die zich in natuurgebied bevonden, worden uitgeruild. De boomgaarden die grenzen aan de Romeinse Kassei zullen begraasd worden door schapen en worden opengesteld voor het publiek. Zo blijft dit stukje authentiek Haspengouw gevrijwaard en kunnen ook wandelaars en fietsers er volop van genieten.”
Vleermuizen vinden onderdak in OOSTHOEKDUINEN “Het natuurinrichtingsproject Oosthoekduinen (De Panne) is het eerste project in zijn soort dat op West-Vlaams grondgebied gerealiseerd is”, vertelt projectleider Catherine Vanden Bussche van de VLM-afdeling West-Vlaanderen. Hoewel het gebied al in 2004 officieel werd geopend, hebben we hier in 2005 nog een aantal kleinere werken uitgevoerd. Deze concentreerden zich in het Militair Domein, een ontoegankelijk gebiedje dat als een enclave in de Oosthoekduinen ligt.” Het meest tot de verbeelding spreekt de aanpassing van een oude bunker
voor vleermuizen. “De militaire infrastructuur in het domein werd volledig ontmanteld, behalve de grote bunker, die potenties biedt voor verschillende soorten vleermuizen. In de bunker hebben we deurtjes op maat van de vleermuizen voorzien en verder namen we maatregelen om het klimaat in de bunker aan te passen aan de levenswijze van vleermuizen. Zo werd de bodem uitgebroken om een vochtiger milieu te verkrijgen. Een extra
zandlaag bovenop de bunker moet voor een betere isolatie zorgen. Tegen de muren zijn bakstenen geïnstalleerd, waar de diertjes kunnen in overwinteren.” De inrichting van het Militair Domein is het sluitstuk van het natuurinrichtingsproject Oosthoekduinen. Nu is het aan de natuur om terug haar plaats in te nemen. De VLM blijft hier wel de vinger aan de pols houden. “Tot tien jaar na de werken blijven we de toestand volgen. De druk van recreatie blijft hier immers bijzonder groot. We volgen de plantengroei op en controleren de waterkwaliteit in de vijver. Van de vleermuizenbunker volgen we reeds een aantal jaren de temperatuur en de luchtvochtigheid.”
Beplantingswerken afsluiter ruilverkaveling WEELDE De Noorderkempen is één van die regio’s in Vlaanderen met een sterke verweving tussen landbouw en natuur. Ook in de gemeente Ravels doet zich deze verwevenheid zich voor. De ruilverkaveling Weelde is het sluitstuk van een meervoudig kavelproject waarmee de Vlaamse overheid het Ravelse platteland aanpakte. Gerard Vervisch, projectleider bij de VLM-afdeling Antwerpen: “Het gros van de werken in Weelde werd in 2003 al afgerond. De ruilverkaveling Weelde investeerde in 2005 nog fors in beplantingswerken die het landschap van Weelde verfraaien. Duizenden bomen en meters houtkant werden aangeplant langs de nieuwe ruilverkavelingswegen, langs sloten, op stroken tussen de landbouwgronden.” Een aantal landbouwbedrijven in Weelde speelde ook in op het aanbod van de ruilverkaveling om mee de erfbeplanting op hun bedrijf te betoelagen. En heel bijzonder in deze ruilverkaveling is de aanplant van 10 hectare bos aan Vlasroot, aan de Hoogeindse Bergen en op het Militair Domein. “Deze bebossing was een compensatie voor de naaldhoutbosjes die tijdens de ruilverkavelingswerken gerooid werden om de landbouwkavels op een betere manier aan te leggen én om het weidevogelgebied veilig te stellen voor de toekomst.” De investering voor deze beplantingswerken bedroeg 260.000 euro, en was voor het overgrote deel voor rekening van de Vlaamse overheid.
Gerard Vervisch Schoolkinderen helpen bomen planten in Weelde.
Landelijke Inrichting
Catherine Vanden Bussche
19
Landelijke Inrichting 20
De VLM als adviseur, uitvoerder, communicatiespecialist en bemiddelaar De VLM geeft de open ruimte nieuwe impulsen en houdt de mix van landbouw, natuur, recreatie en cultuur in evenwicht. Als een goede architect, want ook bouwen aan een (be)leefbare open ruimte vergt professionaliteit. In elke fase van een inrichtingsproject zijn inzichten van specialisten nodig. De VLM beschikt over ervaren ingenieurs, landmeters, topografen, biologen … die thuis zijn in elke projectfase. Projecten met veel betrokken partijen staan of vallen met de kwaliteit van de communicatie. De VLM is ook op dit vlak deskundig. Zij informeert en communiceert op maat met omwonenden, landbouwraden, natuurverenigingen, eigenaars en gebruikers, gemeenten, provincies en de Vlaamse overheid. Elke partij heeft bij een inrichtingsproject haar eigen belangen. Meer dan eens zijn die tegenstrijdig. De VLM helpt compromissen zoeken. Daarom wil de VLM bovenal een betrouwbare partner zijn, betrokken bij tal van projecten in de open ruimte.
Werken aan natuur in de stad te BOURGOYENOSSEMEERSEN Veertig jaar nadat een deel van Bourgoyen-Ossemeersen opgespoten werd met grond die vrijkwam bij het graven van de Gentse Ringvaart, wordt dit terrein weer afgegraven tot op het oorspronkelijke maaiveld. De bedoeling is het meersenlandschap te herstellen en een geluidswerende gronddam aan te leggen. De werken gingen in 2005 van start. “Deze werken zijn ontzettend belangrijk voor het stedelijke natuurreservaat”, aldus Toon Van Coillie van de VLM-afdeling Oost-Vlaanderen. “Ze betekenen een grote stap vooruit voor het oorspronkelijke meersenlandschap en de natuurwaarden die daarbij horen. De geluidsdam heeft als doel het gebied af te schermen van de geluidsoverlast van de R4, de Ring rond Gent. Ter hoogte van enkele laaggelegen waardevolle graslanden aan de Meerskant hebben we een aangepast geluidswerend scherm opgetrokken in houtvezelbeton. In de gronddam zijn vleermuizenkokers voorzien en een oeverzwaluwwand. Ook de bestaande overwinteringplaats van vleermuizen onder de oude spoorwegdijk wordt verbeterd. In het gebied
zijn ook enkele nieuwe stuwen voorzien voor een betere regeling van het waterpeil in het reservaat.” En ook aan de wandelaars wordt gedacht. Om hen volop van de natuur te laten genieten, worden de toegangen tot het gebied en de wandelpaden opnieuw aangelegd en komen er twee nieuwe kijkhutten. Deze infrastructuurwerken zijn begin 2006 van start gegaan.
Achter de inrichting van BourgoyenOssemeersen staat een sterk partnerschap. “Het Agentschap voor Natuur en Bos en het Agentschap Infrastructuur van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap financieren respectievelijk 80 en 20 % van de werken, de VLM staat in voor de begeleiding en de opvolging van de werken. De totale kostprijs van het project bedraagt 3,3 miljoen euro.”
Landelijke Inrichting 21
“
ACHTER DE INRICHTING VAN BOURGOYENOSSEMEERSEN STAAT EEN STERK PARTNERSCHAP. Toon Van Coillie
“
Bourgoyen, natuur en rust in het Gentse De Bourgoyen-Ossemeersen (211 ha) ligt in het noordwesten van Gent, begrensd door de R4 en de Ringvaart, de woonkern van Mariakerke, de Rooigemlaan en het waterzuiveringsstation langs de Drongensesteenweg. Het gebied wordt als natuurreservaat beheerd door de stad Gent, het Instituut voor Natuurbehoud, Natuurpunt en particulieren. Omwille van de wetenschappelijke en landschappelijke waarde kreeg een groot deel van het gebied, naast de bestemming natuurreservaat, ook een bescherming als landschap. Door zijn ligging in de randstad wordt dit natuurgebied bezocht door tal van wandelaars die er de natuur en de rust opzoeken. Het is ook een trekpleister voor scholen die er terecht kunnen voor natuureducatieve projecten.
Landelijke Inrichting
Begeleiden en
22
“
MET ONZE MAATREGELEN KUNNEN WIJ VOOR DE LANDBOUWERS, DE NATUUR EN DE RECREATIESECTOR TOCH EEN VERSCHIL MAKEN. Ilse Van Dienderen
B
eleidssectoren zoals mobiliteit, economie, water, natuur, … ontwikkelen tal van plannen in de open ruimte. Het zijn vaak ambitieuze plannen, die ook voor andere gebruikers ingrijpende gevolgen hebben. Om hieraan weerwerk te bieden,
voorziet de Vlaamse overheid flankerende maatregelen. Ilse van Dienderen, afdeling Landelijke inrichting VLM: “Grote projecten in de open ruimte gaan gepaard met keuzes, wat impliceert dat deze projecten ook een keerzijde kunnen
“
hebben. Met flankerende maatregelen proberen we de impact van dergelijke projecten op landbouw, natuur of recreatie te milderen. Dit kan bijvoorbeeld door op een andere plaats voor evenwaardige landbouwgronden te zorgen. Of door elders natuurgebieden in te richten, of maatregelen te nemen die de gevolgen voor jagers, vissers, fietsers en wandelaars minder groot maken.” “Door ons jarenlange werken met inrichtingsprojecten hebben we heel wat ervaring met grondenruil, uitvoeren van grond- en waterwerken, kortom expertises die goed van pas komen bij het adviseren en realiseren van deze compensaties. We kunnen hiervoor uit een uitgebreide instrumentenkoffer putten. Met grondenruil, gebruiksruil en herverkaveling op maat van het gebied, maar ook natuurinrichting, beheerovereenkomsten, of via een planprogramma landinrichting kunnen we voor de landbouwers, de natuur en de recreatiesector toch een verschil maken.”
Landelijke Inrichting
remediëren in de open ruimte
23
De effecten van het Sigmaplan compenseren De Vlaamse Regering keurde op vrijdag 22 juli 2005 het geactualiseerde Sigmaplan goed. Dit groots opgezette plan, een bijsturing van het oorspronkelijke plan uit 1977, moet Vlaanderen in eerste instantie een hogere bescherming bieden tegen overstromingen vanuit het Zeescheldebekken. Maar de doelstellingen van dit geactualiseerde Sigmaplan gaan breder: zo wil het plan ook zorgen voor een natuurlijker Schelde-estuarium. Vlaanderen geeft hiermee invulling aan de afspraken die werden gemaakt met Nederland in de Lange Termijnvisie Schelde-estuarium 2030 die een natuurlijker, veiliger en toegankelijker Schelde beoogt. De totale kosten van het geactualiseerde Sigmaplan worden tot 2030 geraamd op 830 miljoen euro, plus 49 miljoen voor de flankerende maatregelen voor landbouw en plattelandsrecreatie. “De impact van het Sigmaplan op de landbouwers in de regio is niet gering. Bovendien gaan ook (delen van) recreatiegebieden op naar de functies veiligheid en natuurlijkheid. Flankerende maatregelen moeten deze negatieve gevolgen temperen”, aldus Ilse van Dienderen, afdeling Landelijke Inrichting. Voorafgaand aan de goedkeuring van de Vlaamse Regering heeft de VLM in 2005 verschillende onderbouwende studies uitgevoerd om het flankerende beleid rond het Sig-
maplan vorm te geven. Voor de landbouw werd een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd. Deze is dan gebruikt om drie mogelijke scenario’s op te bouwen. De scenario’s zijn voorgelegd aan de werkgroep flankerend beleid, waarin ook de landbouwsector zetelt, naast de NV Waterwegen en Zeekanaal (architect van het Sigmaplan), het Agentschap voor Natuur en Bos en de VLM. Binnen de werkgroep ging de keuze naar het scenario met het minste ruimtebeslag - een keuze die aan de Vlaamse Regering werd voorgelegd. Maar de opdracht van de VLM stopt niet bij dit studiewerk. Met de goedkeuring van het geactualiseerde Sigmaplan heeft de VLM immers expliciet de opdracht gekregen om ook werkelijk uitvoering te geven aan het flankerend beleid. Ilse van Dienderen: “Het Sigmaplan omvat verschillende projecten, waarvan we telkens de effecten op de landbouw op bedrijfsniveau in kaart gaan brengen. Deze landbouweffectrapportages (LER’s) peilen naar de bestaande bedrijfsstructuur, naar de toekomstperspectieven van de bedrijven, of ze b.v. interesse hebben in landbouw met verbrede doelstellingen. Ze inventariseren verder de wensen van de landbouwers over het flankerend beleid landbouw en formuleren voorstellen voor remediërende maatregelen, b.v. een gebruiksruil, een bedrijfsverplaatsing, … In 2005 hebben we een overeenkomst gesloten met Waterwegen en Zeekanaal NV voor het uitvoeren van deze project-LER’s. Concreet heb-
ben we ook de opdracht gekregen een Grondenbank op te starten. De overeenkomst hierover werd begin 2006 ondertekend.”
Ook flankerend beleid voor recreatie komt op gang De VLM heeft ook de effecten van het Sigmaplan op de recreatie geëvalueerd. “Voor de verschillende gebieden hebben we de huidige vormen van recreatie in kaart gebracht, gebaseerd op de kennis binnen de Vlaamse administraties, gegevens via internet, informatie van regionale landschappen en provinciale toeristische diensten… Er staan concrete maatregelen op het programma om de effecten op al deze vormen van recreatie te milderen, zoals de aanleg van ontbrekende schakels in fiets- en wandelnetwerken, alternatieve locaties voor visserij en watersport,… De beslissing van de Vlaamse Regering geeft ons ook hier de opdracht het flankerende beleid uit te voeren. In 2005 zijn we met de eerste verkennende gesprekken gestart om met de betrokkenen de dialoog rond de plattelandsrecreatie op gang te krijgen.”
Landelijke Inrichting 24
Lokale grondenbanken verzachten druk op landbouwareaal Elke overheidsinstantie die landbouwers onteigent voor de realisatie van een project, kan bij de VLM aankloppen om de grondenbank in te schakelen als flankerende begeleidingsmaatregel voor de landbouwers in kwestie. Het afgelopen jaar kwam de werking met lokale grondenbanken in een stroomversnelling terecht. Er werden verschillende lokale grondenbanken opgericht, onder andere rond de havenuitbreidingen in Zeebrugge, Gent en Antwerpen (beide Scheldeoevers). Nieuw zijn ook de gronden-
banken rond het natuurreservaat De Blankaart in de IJzervallei, rond de natuurinrichting in de vallei van de Zwarte Beek en het Gentse Parkbos. Ook voor het komende jaar staan er nog grondenbanken op stapel. Grondenbanken geven landbouwers de kans te kiezen tussen een gewone onteigening met bijhorende vergoeding en een ruil van gronden. Landbouwers die kiezen voor compenserende gronden in plaats van een onteigeningsvergoeding doen dat op vrijwillige en individuele basis. Cecile Bauwens, VLM-afdeling Oost-Vlaanderen: “Hoe dan ook gaat er bij projecten zoals een havenuitbreiding landbouwgrond verloren -
Creatief omgaan met instrumenten De VLM heeft in 2005 meegewerkt aan een theoretisch kader voor de flankerende maatregelen landbouw rond het Sigmaplan. De werkingsmogelijkheden van de grondenbank worden, waar mogelijk, aangevuld met bijkomende financiële stimuli. Ilse van Dienderen illustreert: “We willen via een herstructureringsaanbod de landbouwers de mogelijkheid bieden om hun bedrijfsvoering op eenzelfde schaal voort te zetten. Dit aanbod kan worden gerealiseerd via een lokale grondenbank, al dan niet ondersteund door een ruilverkaveling of een landinrichtingsproject. Soms kunnen er meerdere functies, bijvoorbeeld landbouw en natuur, plaatsvinden in één projectdeelgebied. In zo’n geval kunnen we dienstenconvenanten inschakelen. Of het is mogelijk dat de inrichting voorzienbare schade veroorzaakt voor de uitbating van de landbouwbedrijven. Soms kan het in zo’n geval nuttig zijn om niet over te gaan tot verwerving, maar een regeling uit te werken om deze schade te compenseren. Dit zijn maar enkele van de bijna twintig mogelijkheden die we hebben opgelijst.”
Cecile Bauwens
dat moet je niet verbloemen. Voor dat areaalverlies zoekt de grondenbank een sociale oplossing: jonge landbouwers in hoofdberoep die onteigend worden, kunnen hun bedrijf op een andere plaats voortzetten.” Wat maakt de grondenbank voor de landbouwer zo interessant? “Vroeger kregen de landbouwers bij een onteigening een vergoeding waar ze hun plan mee moesten trekken. Vandaag is de gronddruk zo groot dat het helemaal niet evident meer is om een gelijkwaardige locatie te vinden wanneer je landbouwbedrijf onteigend wordt. Dat gegeven is voor landbouwers, die na de onteigening willen verder boeren, de grootste motivatie om op de grondenbank een beroep te doen”, zo meent Cecile Bauwens.
Landelijke Inrichting 25
Parkbos, leven en werken in de stadsrand
LOKALE GRONDENBANK IN KADER VAN NATUURINRICHTING
De Vallei van de Zwarte Beek, op het grondgebied van Beringen, Lummen, Leopoldsburg en Heusden-Zolder, is een natuurgebied met internationale allure. De vallei geniet als NATURA 2000-gebied, Vogel- en Habitatrichtlijngebied, VEN-gebied, erkend natuurreservaat en ecologisch impulsgebied, volop bescherming, zowel op Vlaams als op Europees niveau. Bij Ministerieel Besluit van 17 oktober 2001 werd bijkomend het natuurinrichtingsproject ‘Zwarte Beek’ ingesteld. Als begeleidende maatregel bij de geplande werken van de natuurinrichting, wordt er een lokale Grondenbank opgericht. Deze moet een aanbod van vervangende landbouwgoederen voorzien voor de ‘blijvers’, dit zijn landbouwers van wie de goederen verworven of uitgewonnen worden bij de uitvoering van het natuurinrichtingsproject.
Eind december 2005 keurde de Vlaamse Regering de afbakening van het grootstedelijk gebied Gent goed. In de vier uithoeken van het grootstedelijk gebied komen er vier groenpolen, met functies zoals landbouw, landschap, natuurontwikkeling en bos. De land- en tuinbouwers verliezen ongeveer 400 ha in het gebied. Als flankerende maatregel werd een lokale grondenbank opgericht. Die geeft eigenaars en landbouwers de kans een stuk ruilgrond te krijgen in plaats van een onteigeningsvergoeding. Ook een betere inrichting van het gebied via ruilverkaveling of landinrichting is hier een manier om zowel land- en tuinbouwers als bewoners, recreanten en passanten tevreden te stellen.
Landelijke Inrichting 26
Linkerscheldeoever: landbouwers zijn tevreden
De eerste grondenbank in Vlaanderen was de grondenbank Linkerscheldeoever. Deze werd begin 2002 opgericht om de landbouwers te begeleiden bij de onteigeningen op Linkerscheldeoever in het kader van de aanleg van het Deurganckdok en de natuurcompensaties die door Europa zijn opgelegd. Via de grondenbank Linkerscheldeoever kregen de landbouwers bij onteigening de keuze tussen een financiële vergoeding en een landbouwgoed als vergoeding in natura. De vrijwillig te koop aangeboden landbouwgoederen buiten het havengebied en buiten de natuurcompensatiegebieden werden door de grondenbank aangekocht om gronden te kunnen aanbieden als vergoeding in natura. Op Linkerscheldeoever zit het werk van de lokale grondenbank in het kader van de aanleg van het Deurganckdok en de hiermee gepaard gaande natuurcompensaties, er grotendeels op. Cecile Bauwens: “De verwervingen zijn zo goed als rond binnen de goedgekeurde onteigeningen. Twintig landbouwers hebben ongeveer 58 ha landbouwgrond geruild. Ongeveer één vierde van de te onteigenen oppervlakte binnen de natuurcompensaties is via ruiling verworven. De lokale grondenbank is hier op Linkerscheldeoever een goede oplossing gebleken om de landbouwers te helpen die in hun bedrijfsvoering bedreigd werden door onteigeningen. De landbouwers van wie het dossier is afgerond, zijn tevreden.”
Op Linkerscheldeoever zit het werk van de lokale grondenbank er grotendeels op.
Landbouw, natuur en bos samen onder de loep Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wil het buitengebied vrijwaren voor de functies landbouw, natuur en bos. Om dit doel te bereiken worden 750 000 ha agrarisch gebied, 150 000 ha natuurgebied, 53 000 ha bosgebieden en 34 000 ha andere groengebieden afgebakend. In 2001 besliste de Vlaamse Regering de afbakening van de landbouw-, natuur- en bosgebieden aan te pakken in twee fasen. De afbakening startte met 86 500 ha natuurgebied als onderdeel van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN). De afbakening van de landbouwgebieden en de rest van de natuurgebieden schoof door naar een tweede fase die in 2004 op gang kwam. In deze tweede fase van de afbakening worden landbouw, natuur en bos gelijktijdig en ten opzichte van elkaar afgewogen. In overleg met gemeenten, provincies en belangengroepen wordt een ruimtelijke visie opgesteld, die de krachtlijnen vastlegt voor de opmaak van de ruimtelijke uitvoeringsplannen of voor een beleidsmatige herbevestiging van de bestaande gewestplannen voor (delen van) de grote aaneengesloten landbouwgebieden.
BIJ HET UITTEKENEN VAN DE RUIMTELIJKE VISIES VOOR LANDBOUW, NATUUR EN BOS, HEEFT HET VLAAMS MINISTERIE VAN RUIMTELIJKE ORDENING, WOONBELEID EN ONROEREND ERFGOED AAN DE VLM GEVRAAGD OM HAAR INHOUDELIJK TE ONDERSTEUNEN. Bert Barla
VLM GEVRAAGD BIJ AFBAKENING In welke gebieden kan in de toekomst nog aan landbouw gedaan worden? Waar is er ruimte voor natuurontwikkeling of nieuwe bossen? Aan de hand van de afbakening van de gebieden van agrarische en natuurlijke structuur wil de Vlaamse Regering deze vragen beantwoorden om uitvoering te geven aan het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Bij het uittekenen van de ruimtelijke visies voor landbouw, natuur en bos, heeft het Vlaams Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed aan de VLM gevraagd om haar inhoudelijk te ondersteunen. De ministers van Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening hebben hierover in 2005 een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Bert Barla werkt voor de VLM aan deze opdracht, voluit ‘afbakening van de gebieden van de agrarische en natuurlijke structuur in Vlaanderen’: “De VLM is gevraagd om een bijdrage te leveren aan deze afbakeningsprocessen. We maken voor elf van de dertien buitengebiedregio’s in Vlaanderen de ruimtelijke visies op voor landbouw, natuur en bos.”
“
Landelijke Inrichting
“
27
Bij het opmaken van deze ruimtelijke visies gaat de VLM niet over één nacht ijs. “We volgen een stapsgewijs traject, doorspekt met overlegmomenten. In 2005 hebben we een verkennende nota opgesteld voor het Hageland, het Neteland en de regio Veldgebied Brugge - Meetjesland. In juni 2005 waren er over deze verkenningsnota’s overlegsessies. Met de reacties van gemeenten, provincies, belangengroepen en andere Vlaamse administraties, werd een programma voor uitvoering en onderzoek opgesteld. Dit programma hebben we eind 2005 toegelicht en overgemaakt aan alle betrokken actoren. Het vormde ook de basis voor een intensieve overlegronde met alle betrokken actoren begin 2006. De resultaten hiervan zullen we verwerken in het eindvoorstel van ruimtelijke visie dat tegen de zomer van 2006 zal worden gepresenteerd.” Ook voor vier andere regio’s - de Leiestreek, regio van Schelde en Dender, de Noorderkempen en de streek van de Limburgse Kempen - Maasland - heeft de VLM in 2005 een verkennende nota voorbereid. In 2006 zal deze nota worden aangevuld met input van gemeenten, provincies en belangenorganisaties.
Bert Barla
Landelijke Inrichting 28
DE VLM EN HAAR PARTNERS
Oosterweelverbinding: bedreigingen voor de natuur worden kansen
“Het geplande tracé voor de Oosterweelverbinding op Linkeroever raakt aan beschermde landschappen en natuurgebieden”, aldus Leo Van der Vliet (BAM).
Om de mobiliteit, de verkeersveiligheid en de leefbaarheid in en rond Antwerpen te verbeteren, ontwikkelde de Vlaamse overheid het Masterplan Antwerpen. De nieuwe verkeersinfrastructuur op Linkeroever is voor de Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM) de aanleiding om plannen uit te werken voor een uniek natuur- en recreatiepark in de zone Middenvijver, Burchtse Weel, Sint-Annabos en Blokkersdijk. Ze doet hiervoor onder meer een beroep op de expertise van de VLM. Leo Van der Vliet, Manager Bestuurlijke Zaken bij BAM: “Het VLM-apparaat wekt vertrouwen met haar aanpak van geïntegreerde projecten in de open ruimte. Voor de compenserende maatregelen die BAM neemt in het kader van de Oosterweelverbinding, is de VLM dan ook de geknipte partner.”
Geen half werk De Oosterweelverbinding, de tunnel onder de Schelde die de Antwerpse Ring moet sluiten, vormt één van de prioriteiten van het Masterplan Antwerpen om te voorkomen dat het verkeer in en om Antwerpen zich de komende jaren volkomen vast rijdt. Het geplande tracé voor deze verbinding raakt echter aan beschermde landschappen en natuurgebieden. “Zo vormt de vergrote licht- en geluidsimpact een bedreiging van de Europees erkende beschermingsgebieden voor vogels op de Linkeroever. Ook tijdens de werken is er een impact op de natuur; de werksleuf voor de Oosterweelverbinding grenst immers aan Europees Vogelrichtlijngebied”, zo vertelt Leo Van der Vliet. “Het milieueffectenrapport heeft een aantal compenserende maatregelen opgeleverd om de negatieve impact op de natuur in de hand te houden. BAM wil echter meer doen: we willen van de nood een deugd maken en de kansen voor natuur en recreatie op Linkeroever maximaal benutten. We gaan ervan uit dat het resultaat van de inspanningen die we nu leveren, decennialang kan meegaan, als we nu geen half werk leveren. Dat is de context van de compenserende maatregelen waarvoor we de hulp van de VLM hebben ingeroepen.” VLM motor voor Middenvijver Daniël Sanders, projectleider bij de VLM-afdeling Antwerpen, licht toe: “De VLM is betrokken bij drie projecten die als doel hebben de effecten van de Oosterweelverbinding op de natuur te milderen. Het meest concreet, want het meest dringend, is het project Middenvijver. De Middenvijver is een opgespoten gebied, ingekleurd als natuurgebied op het gewestplan, waar we een vijver gaan voorzien als uitwijkmogelijkheid
Landelijke Inrichting Daniël Sanders
29
“
voor de vogels die het gebied aandoen. Voor de Middenvijver staan we in opdracht van BAM in voor de opvolging van A tot Z, dit betekent dat we het project trekken vanaf de aanbesteding. Daarnaast zijn er nog twee projecten waarbij we ook meedenken in de werkgroep, zonder een uitvoerende rol te spelen. In de ‘Burchtse Weel’ gaan we de getijdenwerking herstellen. Deze afgesloten Scheldeplas zal na de werken een natuurlijker karakter krijgen en uitgebreid worden met 10 ha nieuw slik en schor. Met een derde project wil BAM voor een nieuw, natuurlijker en toegankelijker bos zorgen in Sint-Anna. Het huidige bos, door de aanplant van populieren biologisch weinig waardevol, moet hier immers plaats maken voor een zand- en slibdepot tijdens de werken. Het zal vervangen worden door een bos waar meer oog is voor natuur en recreatie. Timing en kwaliteit als drijfveer De precieze rolverdeling en de praktische modaliteiten van de overeenkomst tussen BAM en de VLM zijn vastgelegd in een protocol. Leo Van der Vliet: “Je kan stellen dat de VLM voor de Oosterweelverbinding werkt zoals in haar andere projecten, met BAM als bouwheer. Ook bij de voorbereiding van het project heeft de VLM haar inbreng gehad, bijvoorbeeld bij het rond de tafel brengen van de verschillende partners. In een later stadium willen we ook nog de communicatieve vaardigheden van de VLM inzetten. Over de beweegreden van onze samenwerking met de VLM kan ik kort zijn. Een eerste aspect is timing; het tijdskader voor de werken is immers zeer strikt. De VLM weet van wanten; door gebruik te maken van haar planmatige aanpak en ervaring willen we vertragingen vermijden. Minstens even belangrijk is de kwaliteit, want Europa kijkt over onze schouders mee. We hebben er alle vertrouwen in dat de expertise van de VLM ook op dit vlak voor de nodige garanties zal zorgen.”
DE VLM IS BETROKKEN BIJ DRIE PROJECTEN DIE ALS DOEL HEBBEN DE EFFECTEN VAN DE OOSTERWEELVERBINDING OP DE NATUUR TE MILDEREN. HET MEEST CONCREET, WANT HET MEEST DRINGEND, IS HET PROJECT MIDDENVIJVER.
“
Het plattelandsbeleid
Platteland 31
op koers H
et Vlaamse plattelandsbeleid, dat werkt aan een leefbaar en duurzaam platteland, heeft haar startjaar achter de rug. In 2005 werd het IPO officieel opgericht en zag de nieuwe VLM-afdeling Platteland het levenslicht. Twee pijlers van het geĂŻntegreerd Vlaams plattelandsbeleid zijn daarmee geĂŻnstalleerd. En ook op het terrein werd heel wat werk verzet: de VLM lanceerde samen met tal van partners de eerste pilootprojecten op het platteland. In en rondom het Domein de Merode gaat op initiatief van minister-president Yves Leterme een veelbelovend plattelandsproject van start. In heel Vlaanderen zijn de beheerovereenkomsten een succes. Steeds meer landbouwers zetten hun handtekening voor een waardevoller natuur en landschap op het platteland.
Platteland
Hefbomen voor een Vlaams geïntegreerd
32
OM DE KANSEN OP HET PLATTELAND WAAR TE MAKEN, IS ER NOOD AAN VERNIEUWENDE INITIATIEVEN, DIE OOK VOORUIT KIJKEN.
D
e Vlaamse Regering erkent het platteland in al zijn functies: als een kwaliteitsvol leefen woongebied, als een dynamisch productiegebied en als aanbieder van collectieve diensten voor de hele samenleving: open ruimte, natuur, recreatie, stilte, …. Tal van beleidsdomeinen - ruimtelijke ordening, natuur, milieu, mobiliteit, …. - zorgen voor impulsen om deze kwaliteiten van het platteland tot ontwikkeling te laten komen. Maar daarnaast is er nood aan een volwaardig plattelandsbeleid. Een geïntegreerd plattelandsbeleid dat de landelijke gebieden niet door een sectorale bril bekijkt, maar met een open blik vertrekt van hun eigenheid en hun dynamiek.
Het IPO uit de startblokken Het Interbestuurlijk Plattelandsoverleg (IPO) is een overlegorgaan voor het platteland dat de Vlaamse Regering, de provincies en de gemeenten rond de tafel brengt. Opgericht op initiatief van minister-president Yves Leterme, vormt het IPO een eerste hefboom van het Vlaams, geïntegreerde plattelandsbeleid. Officieel ging het IPO van start op de installatiedag in Buggenhout op 27 juni 2005, een evenement dat met heel
wat persaandacht gepaard ging. Ook de drie IPO-werkgroepen - het platteland als woon- en leefruimte, het platteland als economische ruimte en het platteland als collectieve ruimte werden op deze dag in de steigers gezet. Deze werkgroepen, met de VLM als secretaris, formuleerden overigens in het najaar al hun eerste adviezen over een drietal thema’s: lokaal woonbeleid, verblijfstoerisme en provinciale kwaliteitskamers. De adviezen met concrete suggesties werden in het voorjaar van 2006 voorgelegd aan de Vlaamse Regering. Het IPO kreeg ook een eigen website (www.ipo-online.be), die een voorsmaakje geeft van een ruimer opgevatte informatieve website over het platteland.
Afdeling platteland in de steigers Het afgelopen jaar werd binnen de VLM de afdeling Platteland startklaar gemaakt. Paul Van Der Sluys, afdelingshoofd Platteland bij de VLM: “De afdeling Platteland werd officieel opgericht op 1 oktober 2005. Vanaf 1 januari 2006 kon het personeel aan deze nieuwe VLM-afdeling toegedeeld worden. De afdeling telt vier diensten:
de dienst bovengewestelijk beleid, de dienst steun- en beheermaatregelen en bodembeheer, de dienst Vlaams geïntegreerd plattelandsbeleid en advisering, en de dienst ontwikkeling.” Voor 2006 heeft de afdeling Platteland 1,9 miljoen euro op een eigen begrotingsartikel staan. “Deze middelen zullen we in eerste instantie inzetten voor de cofinanciering van de provinciale PDPO-projecten en voor de uitvoering van de eerste Vlaamse pilootprojecten. Dit alles getuigt van een formele erkenning van de rol van de VLM in het Vlaamse plattelandsbeleid.”
Stappen op het terrein De leefbaarheid van het platteland is prioriteit nummer één van het plattelandsbeleid van de Vlaamse overheid. Om deze leefbaarheid ook
Platteland
plattelandsbeleid
33
werkelijk impulsen te geven, startte de VLM het afgelopen jaar enkele pilootprojecten op. Paul Van Der Sluys: “We zijn gestart met een drietal projecten, die stuk voor stuk concreet opgevat zijn, in nauwe samenwerking ook met lokale partners. Een eerste project heeft de toekomst van de hopteelt als onderwerp en wordt in samenwerking met het provinciebestuur van West-Vlaanderen uitgevoerd door het West-Vlaams Proefcentrum voor de Akkerbouw vzw. Een tweede project draait rond de problematiek van buurtwinkels in een landelijke om-
geving. De VLM organiseert daartoe in de eerste helft van 2006 op vraag van de minister-president een open oproep. Gemeenten, verenigingen en wijkcomités kunnen praktische en vernieuwende voorstellen indienen en mee een stimulerend beleid helpen uittekenen voor hun dorpswinkel.” Het derde pilootproject is een initiatief van de gemeente Heuvelland. In samenwerking met de VLM, WVI vzw, het provinciebestuur van WestVlaanderen, De Lijn en de Vlaamse Bouwmeester, gaat deze gemeente een concept uitwerken voor busschuilhuisjes op het platteland. De partners
hebben hiervoor een projectaanvraag ingediend voor de Meesterproef van de Vlaamse Bouwmeester, een procedure waarbij jonge getalenteerde architecten de kans krijgen om een overheidsopdracht uit te voeren. “De projectaanvraag van Heuvelland werd in juni 2005 door de Vlaamse Bouwmeester goedgekeurd en kan binnenkort van start gaan. De VLM wordt belast met de prefinanciering van het ontwerp. De andere middelen worden door de provincie West-Vlaanderen ter beschikking gesteld.”
Paul Van Der Sluys
Van nostalgie naar vernieuwing Het platteland heeft meer dan ooit nood aan vernieuwing.
Om de kansen op het platteland waar te maken, is er nood aan vernieuwende initiatieven, die ook vooruit kijken. Paul Van Der Sluys: “Met het project ‘Plattelandsbeleid, een gezamenlijk innovatieproces’ hebben we, samen met onze partners op het platteland, een sprong in de tijd gemaakt en het Vlaamse platteland anno 2030 verkend. Zo wilden we de maatschappelijke dynamiek op het platteland beter begrijpen en samen op zoek gaan naar synergieën en innovatieve instrumenten voor het platteland. Om zoveel mogelijk gebruik te maken van de creatieve inbreng van de plattelandsactoren, hebben we in 2005 een vijftal workshops georganiseerd. Deze interactieve en toekomstgerichte oefening heeft heel wat bruikbare aanbevelingen opgeleverd voor het plattelandsbeleid”, zo vertelt Paul Van Der Sluys. Het project kwam tot stand via een samenwerkingsverband tussen de VLM, de Administratie Planning en Statistiek (APS), de Afdeling Monitoring en Studie van het beleidsdomein Landbouw en Visserij, de Planningsgroep van het Milieubeleidsplan en het kabinet van ministerpresident Yves Leterme.
Platteland 34
DE VLM EN HAAR PARTNERS
Het IPO, startschot voor het Vlaamse plattelandsbeleid Op 25 maart keurde de Vlaamse Regering de oprichting van het Interbestuurlijk Plattelandoverleg (IPO) goed. De formele oprichting volgde op 27 juni. Een gewichtig moment, want de lancering van het IPO staat symbool voor de start van het Vlaamse plattelandsbeleid. Tweeledig overlegplatform De animator van het plattelandsbeleid in Vlaanderen: dat moet het Interbestuurlijk Plattelandsoverleg worden. Deze rol van drijvende kracht moet het IPO op-
nemen door de samenwerking in landelijke gebieden te stimuleren, de afstemming met beleidsinitiatieven van andere sectoren te bevorderen, de Vlaamse insteek naar de Europese programma’s te verwoorden, adviezen en beleidsvoorstellen te formuleren naar de Vlaamse Regering, naar het Vlaams Parlement, provincies en gemeenten. Het IPO werkt hiertoe via een dubbele overlegtafel. Het bestuurlijk overleg vormt de politieke poot, samen-
gesteld uit de leden van de Vlaamse Regering, vijf door de provincies voorgedragen gedeputeerden en vijf door de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten voorgedragen gemeentelijke mandatarissen. Yves Leterme zit als Vlaams minister bevoegd voor plattelandsbeleid deze vergadering voor. Daarnaast zijn er de werkgroepen, die maatschappelijke organisaties, ambtenaren en deskundigen een stem geven. Het bestuurlijk overleg spreekt zich uit over de adviezen en beleidsvoorstellen die de werkgroepen hebben voorbereid. Met deze evenwichtige formule zet de Vlaamse Regering in op een gestroomlijnd plattelandsbeleid, een efficiëntere inzet van middelen en een betere afstemming van de instrumenten. Een goed gestoffeerd beleid Het IPO draagt bij aan de objectieven van het plattelandsbeleid, zoals een goed ingepaste en kwaliteitsvolle duurzame land- en tuinbouw, de opvang van de sociale gevolgen van de veranderingen in de landbouw, het behoud en de versterking van de werkgelegenheid op het platteland, het instandhouden van landschap, milieu, natuur en landelijk erfgoed, de ontwikkeling van de eigen identiteit, …. Door mee te sturen en vorm te geven, is het IPO dus medearchitect van het plattelandsbeleid. Het IPO heeft ook de rol van katalysator, door het geïntegreerde plattelandsbeleid warm te houden en het een plaats te geven op de politieke agenda. Door informatie uit te wisselen, knelpunten te inventariseren, oplossingen aan te reiken en kansen voor het geïntegreerd plattelandsbeleid te detecteren, zorgt het IPO voor een goed gestoffeerd beleid. Ten slotte maakt het IPO het plattelandsbeleid tastbaar aan de hand van een agenda en actielijst.
Het IPO en de VLM Drie werkgroepen werken rond de drie functies van het platteland: het platteland als woon- en leefruimte, het platteland als werkruimte en het platteland als collectieve ruimte. Elke werkgroep telt vaste leden, en ook leden die op vraag voor een bepaald dossier of thema hun expertise kunnen inbrengen. Drie specialisten op het gebied van plattelandsbeleid zijn voorzitter. De werkgroepen worden ondersteund door het secretariaat van het IPO, dat is ondergebracht bij de afdeling Platteland van de VLM. Het opmaken van een Vlaams plattelandsbeleidsplan is een volgende stap voor het plattelandsbeleid. De minister-president heeft aan de VLM gevraagd hiervoor een plan van aanpak uit te werken. Het plattelandsbeleidsplan zal gestoeld zijn op doelstellingen over de beleidsdomeinen heen. Verder zal het plan een kader vormen voor de provinciale beleidsplannen.
“Een creatief project voor het platteland” “Wat we in Vlaanderen nodig hebben is een positief en creatief project voor het buitengebied van Vlaanderen, een eigentijds plattelandsbeleid, dat aandacht heeft voor kwaliteit en niet gereduceerd wordt tot loutere hectarekwesties”, aldus ministerpresident Yves Leterme. “Het is noodzakelijk dat we met de verschillende bestuursniveaus, deskundigen en actoren naar creatieve ideeën, concepten, projecten en instrumenten zoeken die een evenwicht realiseren temidden van de kwaliteiten van het buitengebied en de globale ontwikkelingen in ons stedelijk netwerk in Europese context.”
“Plattelandsontwikkeling, een gedeelde verantwoordelijkheid” Om voeling te blijven houden met het platteland en haar spelers, heeft minister-president Yves Leterme in heel Vlaanderen een plattelandstoer gehouden. In de vijf Vlaamse provincies bezocht hij enkele sprekende plattelandsprojecten. Maar niet alleen de realisaties op het terrein stonden in de kijker: de minister-president liet ook de landbouwers en de partners binnen het plattelandsgebeuren aan het woord. Met deze inbreng wil hij aan de slag om zijn beleid verder uit te werken. De teneur van deze plattelandstoer is dan ook dat de ontwikkeling van het platteland niet louter een beleidskwestie is, maar een gedeelde verantwoordelijkheid. De VLM werkte telkens, in samenwerking met de provincie, een programma uit voor de bezoeken en verzorgde de rondleiding van de minister-president. Tijdens elk bezoek kreeg deze een staalkaart te zien van de PDPO- en de VLM-projecten in de provincie. In november 2005 was er een eerste bezoek aan de provincie Limburg, dat in het teken stond van agrarisch natuurbeheer. De bezoeken aan Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen en Vlaams-Brabant volgden in januari en februari 2006. Het eerste focuste op het thema ‘leven en werken op het platteland en in de stadsrand’. Tijdens het bezoek aan West-Vlaanderen werd de gebiedsgerichte aanpak van het plattelandsbeleid benadrukt. In de provincie Antwerpen stonden de lokale initiatieven als drijvende kracht van plattelandsontwikkeling in de kijker. In VlaamsBrabant werd aandacht besteed aan de plattelandsinitiatieven van de gemeente Holsbeek en aan erosiebestrijding en sociale huisvesting in de landelijke omgeving van Landen.
Platteland
HET IPO HEEFT DE ROL VAN KATALYSATOR, DOOR HET PLATTELANDSBELEID WARM TE HOUDEN EN HET EEN PLAATS TE GEVEN OP DE POLITIEKE AGENDA.
35
Platteland 36
Europa duwt aan de kar
O
ok voor Europa is de leefbaarheid van het platteland belangrijk. De Europese Unie investeert in stimulansen voor de Europese landelijke gebieden. Programma’s als Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling (PDPO) en Leader+ vormen de rode draad doorheen het Europese plattelandsbeleid.
grammasecretariaat PDPO en de andere beheersdiensten een eerste voorstel voor de Vlaamse strategie.” Uiteraard werden in Vlaanderen ook de provinciale programma’s voor plattelandsontwikling 2000-2006 verder uitgevoerd. Een laatste reeks projecten voor het komende jaar werd goedgekeurd.
Nieuwe PDPO-periode dient zich aan
Leader +: drie projecten krijgen goedkeuring
In de nazomer van 2005 keurde de Europese Commissie de nieuwe Verordening Plattelandsontwikkeling (PDPO) goed voor de periode 2007-2013. De VLM heeft samen met het beleidsdomein Landbouw en Visserij insteken geformuleerd voor deze Verordening. Paul Van Der Sluys: “Een fundamenteel verschil met de huidige periode is dat de lidstaten moeten vertrekken vanuit communautaire richtsnoeren, waarin de Europese Commissie duidt wat de doelstellingen en prioriteiten zijn voor de nieuwe periode. Kort na de goedkeuring van de Verordening werden deze Europese richtsnoeren voor het opmaken van de nationale PDPO-programma’s gelanceerd. Op basis daarvan formuleerden we samen met het Pro-
Naast PDPO is ook Leader+ een Europees initiatief voor plattelandsontwikkeling. Binnen Vlaanderen zijn vijf plaatselijke groepen actief in het Brugse Ommeland, Meetjesland, (Antwerpse) Kempen, Pajottenland en Midden-Maasland. Financieel ondersteund door Europa, werken zij rond landbouwverbreding, milieuzorg, hoeve-
* Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling.
PROGRAMMA’S ALS PDPO* EN LEADER+ VORMEN DE RODE DRAAD DOORHEEN HET EUROPESE PLATTELANDSBELEID.
en streekproducten, stimuleren van de plattelandsbeleving, landschapsbeheer, bezoekerscentra, landbouweducatie, zorgboerderijen, cultureel erfgoed, streekidentiteit, plattelandstoerisme en verbetering van het sociale weefsel op het platteland. De Vlaamse Regering heeft op 16 december 2005, in het kader van de uitvoering van het Vlaamse Leader+ programma, drie samenwerkingsprojecten goedgekeurd. De totale subsidie voor deze drie transnationale samenwerkingsprojecten bedraagt 504.700 euro waarvan 50 procent gefinancierd wordt vanuit het Vlaamse Gewest en 50 procent vanuit het Europese oriëntatieen garantiefonds voor de Landbouw. De projecten zijn gestart op 1 januari 2006 en zullen midden 2008 afgerond zijn: - Van de regio een merk maken. In het Meetjesland willen de partners, op basis van een streekvisie, een merk ontwikkelen dat symbool staat voor de streekidentiteit van de komende jaren. Dit project is een samenwerking tussen het Meetjesland (Vlaanderen) en West Cork (Ierland). - PromEUregion: ontdekken, proeven en genieten van het platteland in Europa. Dit project heeft een betere afzet van hoeve- en streekproduc-
Platteland 37
PSPE: experimenteren met participatie
Het Europese Interreg-programma steunt lidstaten en regio’s in de Europese Unie die samenwerken aan een harmonische, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de ruimtelijke ordening. De VLM maakt van deze mogelijkheid gebruik door deel te nemen aan het Interreg IIIC-project ‘Participatory Spatial Planning in Europe’, afgekort PSPE. PSPE is een uitwisselingsproject dat op zoek gaat naar vernieuwende visualisatietechnieken die de drempel verlagen om het publiek actief te betrekken bij ruimtelijke plannen. Naast trekker Nederland en de Belgische deelname via de VLM zijn ook Polen, Portugal en Spanje partners in het project. De VLM zoomt met haar gedeelte van het project in op de ruilverkaveling Zondereigen. Peter De Graef, communicatieverantwoordelijke bij de VLMafdeling Antwerpen: “Elk partnerland toetst een aantal visualisatietechnieken in een concreet project. In Vlaanderen hebben we gekozen voor de ruilverkaveling Zondereigen. Dit project ligt op de grens met Nederland en bevindt zich bovendien in een geschikte fase om te experimenteren met participatietechnieken. Samen met het OC GIS-Vlaanderen hebben we een uniek geo-loket gebouwd, dat het ruilverkavelingsplan eenvoudig aanbiedt, met een lage drempel en op maat van de burger.” Via het geo-loket kan de gebruiker puzzelen met het ruilverkavelingsplan: het plan laag per laag ontleden en terug aanvullen, met en zonder
ten als doel (via promotie, markten, …). PAK+ Kempen (Vlaanderen) is de coördinator, partners zijn Pajottenland+ (Vlaanderen), Gal Leader+ Clervaux Vianden (Luxemburg), 100 Dörfer-1 Zukunft (Wallonië).
wegenwerken, met en zonder aanplantingen,… Hij krijgt zo een beeld van de impact van de ruilverkaveling op zijn omgeving. Met luchtfoto’s werd er ook een driedimensionale presentatie van het plangebied ontwikkeld. “Deze kan gebruikt worden voor een virtuele rondvlucht over het gebied of om driedimensionale beelden te maken van vóór en na de ruilverkaveling. Ten slotte willen we alle informatie over de ruilverkaveling, samen met het geo-loket en de 3D-beelden, toegankelijk maken voor een breed publiek. We willen de burger ook de kans geven ideeën aan te brengen en mee keuzes te maken. Een website, waarin we ook de mogelijkheden verkennen van deze interactie tussen de planner en de burger, leek hiervoor heel geschikt. Het concept voor deze website staat min of meer in de steigers. In de loop van 2006 volgt er nog een testfase waarna de website gelanceerd kan worden.” Al deze tools mogen dan ontwikkeld zijn op maat van de ruilverkaveling Zondereigen, het nut ervan reikt verder dan dit project. “Driedimensionale presentaties van plannen in het landelijke gebied zijn een eigentijds hulpmiddel in de communicatie tussen bestuurders, planners en burgers. Ondersteund door Europa hebben we voor Zondereigen een sjabloon ontwikkeld, dat we geschikt maken om ook in andere projecten van plattelandsinrichting toe te passen.”
- Duurzame landbouw: een gezamenlijk proces voor verschillende gebieden. Dit project wil via sensibilisatie de toekomstgerichte duurzame landbouw op streekniveau en op bedrijfsniveau promoten
en is een samenwerking tussen PG Meetjesland (Vlaanderen) als coördinator en partners Brugse Ommeland (Vlaanderen), Zuidwest Friesland (Nederland) en Noordoost Friesland (Nederland).
Platteland 38
DE VLM EN HAAR PARTNERS
Domein De Merode: Prinsheerlijk Platteland De regio de Merode kreeg plots veel belangstelling en een eigen identiteit, toen prins de Merode in januari 2004 in één klap zowat 1.500 ha bos en landerijen in de regio verkocht. In opdracht van de Vlaamse Regering kocht de VLM het volledige gebied op. Het opzet van deze grootschalige aankoop was dit schitterende gebied als geheel te bewaren en toegankelijk te maken en een mogelijke versnippering te voorkomen. De VLM heeft het aangekochte gebied op 30 november 2005 doorverkocht aan verschillende partners. De weg ligt daarmee open voor inrichting en beheer. Op initiatief van minister-president Yves Leterme wordt er in de regio bovendien een plattelandsproject opgestart. Het Domein de Merode vormt hierbij het kerngebied voor de ontwikkeling van de streek. Van tijdelijke eigenaar naar verkoper Toen de VLM in 2004 het Domein de Merode aankocht, werd de basis gelegd voor de bescherming en de openstelling van een uniek en natuurrijk groengebied van bijna 1500 hectare groot. De VLM, die de aankoopprocedure coördineerde, werd tijdelijk eigenaar van het gehele domein. Het was echter steeds de bedoeling dat de verschillende onderdelen van het domein doorverkocht zouden worden, met het oog op een gezamenlijk gedragen beheer. Voor de voorbereiding en aansturing van de doorverkoop, de visievorming en het concrete beheer werd in de loop van 2004 een Stuurgroep opgericht. Per deeldomein bestond de uitdaging erin de gronden en gebouwen te verkopen aan de meest geschikte partner. Tegelijk moest er gezorgd worden voor een De doorverkoop van de deelgebieden opende de deur voor een gezamenlijk gedragen beheer.
aanvaardbare verkoopprijs, zowel voor de VLM als voor de aankopers. De onderhandelingen werden op 30 november 2005 afgerond met de ondertekening van de verkoopsovereenkomsten. Groene long van Westerlo in goede handen “Na de integrale aankoop van de Merode, was de doorverkoop aan de verschillende partners een tweede moeilijke oefening, met onderhandelingen en besprekingen die heel wat energie hebben gevergd“, zo vertelt Guy Van Hirtum, burgemeester van Westerlo. “Toch is de doorverkoop al bij al vrij snel gegaan. Dat minister Peeters zelf zijn gewicht in de schaal heeft geworpen, heeft hier zeker mee te maken. En ook de tussenkomst van de VLM, als motor van het doorverkooptraject, is cruciaal geweest. Ik ben tevreden met het resultaat voor Westerlo: de Stichting Kempens Landschap heeft de natuurgebieden Beeltjes en Kwarekken kunnen aankopen met 10 % tussenkomst van de gemeente. De groene ziel van onze gemeente is dus in bekwame handen. Onze gemeente en de andere lokale actoren werden van meet af aan bij het project betrokken; wat ons betreft is dan ook een stevige basis gelegd voor een geslaagde samenwerking in het gebied.” De Merode, Prinsheerlijk Platteland Het belang van de streek als geheel staat voorop in het ‘Charter de Merode’. Dit charter is een overeenkomst
Guy Van Hirtum, burgemeester Westerlo
Platteland 39 Erik Verhaert
waarmee de partners zich engageren om het domein als geheel te behouden en te beschermen, in te richten en te kaderen in de ruimere omgeving en te ontsluiten voor het publiek. Maar ook buiten de Merodebossen bevindt zich zeer waardevolle natuur én cultuur. Daarom wil Vlaams minister-president Leterme in die ruimere streek beginnen met een plattelandsproject. Erik Verhaert, projectleider de Merode bij de VLM: “Concreet werkt de VLM aan een integraal plan met maatregelen voor de hele regio. Met deze maatregelen kan de streek er economisch, sociaal, toeristisch en ecologisch op vooruitgaan. We gaan hierbij niet op eigen houtje te werk, maar vertrekken bij de lokale betrokkenen op het terrein. Zowel de drie provincies, de gemeenten, de Vlaamse administraties en in de mate van het praktisch haalbare de lokale verenigingen vragen we om hun inbreng in dit integraal plan.” Kennis opbouwen… De VLM werkt aan de kenniscomponent van het plattelandsproject de Merode onder de koepel van het Europese Interreg IIIb-project Lifescape. “Het doel van dit project is de regionale identiteit te gebruiken als uitgangspunt om economische meerwaarden te creëren voor de ruimere regio. Toerisme en recreatie zijn belangrijke invalshoeken, maar ook de landbouw krijgt in Lifescape alle aandacht. We werken in dit project samen met vijf andere Europese regio’s en krijgen hiervoor 50 % financiële ondersteuning van Europa.” In 2005 heeft de VLM verschillende studies uitgevoerd, die de toekomstige projecten in de Merode moeten schragen. “We hebben het landschap en de attractieve elementen van Kempen-Hageland en van Netevallei-Demervallei in kaart gebracht. Ook de lokale actoren in de streek hebben we onder de loep genomen: met deze netwerkanalyse kunnen we aan de slag om synergieën in het streekaanbod op te sporen. We hebben ook nood aan een meetmethode om de voorgestelde projecten voor de Merode zowel ecologisch als economisch te toetsen. Een dergelijke meetlat voor de ecologische impact en de economische meerwaarde wordt momenteel ontwikkeld.”
… en het project startklaar maken “De studies worden in 2006 verder afgerond en ook het integraal plan voor de Merode moet in de loop van 2006 klaar zijn. Vanaf 2007 beginnen we met de realisatie: een ambitieus, gebiedsgericht plattelandsproject kan hier dan van start gaan.”
Minister Peeters: “Stevige impuls, ook voor lokale economie” “De investeringen en de beheersmaatregelen moeten de bos- en natuurwaarden en de speciale beschermingszones vrijwaren, maar betekenen eveneens een stevige impuls voor de lokale economie en tewerkstelling in horeca, middenstand, toerisme, natuurbeheer, ... Dankzij de ondertekening van de verkoopovereenkomst kunnen de partners nu mensen en middelen vrijmaken om te investeren in de natuur, het landschap, de landbouw, het toerisme en de recreatie evenals het culturele erfgoed van de streek”, aldus minister Peeters.
Platteland 40
Agrarisch natuurbeheer in de lift Duizenden landbouwers sluiten contract af De beheerovereenkomsten deden hun intrede in de Vlaamse land- en tuinbouw in 2000. Sindsdien engageert een groeiend aantal landbouwers zich om in ruil voor een vergoeding gedurende minstens vijf jaar een deel van hun bedrijf natuurvriendelijk te beheren. De maatregelen worden gefinancierd door de Vlaamse overheid en door Europa. Karolien Michiel van de Dienst steun- en beheermaatregelen en bodembeheer maakt een balans op: “De afgelopen zes jaar hebben duizenden landbouwers hun handtekening gezet onder een beheerovereenkomst met de Vlaamse overheid. De gesloten overeenkomsten gaan nog steeds in stijgende lijn. Eind 2005 onderhouden landbouwers 160 km heg, 8.600 are houtkanten en 71.940 m2 poel. Daarnaast zorgen 492 ha perceelsranden ervoor dat verschillende waterlopen, holle wegen en kleine landschapselementen gebufferd worden. Het afgelopen jaar sloten 268 landbouwers voor het eerst een overeenkomst.�
De beheerovereenkomsten in stijgende lijn 2000
2001
2002
2003
2004
2005
aanleg en onderhoud van poelen (m )
2.011
11.930
30.356
62.613
68.162
71.940
aanleg en onderhoud van heggen (km)
13
49
119
160
199
160
1.460
3.250
1.460
5.040
7.070
8.600
2
aanleg en onderhoud van houtkanten (are) perceelsranden (ha)
31
80
193
293
363
492
weidevogelbeheer (ha)
167
236
425
499
601
780
water (ha)
13.702
22.014
24.247
2
27.392
20.739
natuur (ha)
1.237
1.448
1.557
1.724
2.137
2.207
erosiebestrijding (ha)
0
0
0
0
170
700
botanisch beheer (ha)
0
0
0
0
0
78
Platteland 41
Beheerovereenkomst bodemerosie loopt als een trein Al in 2000 werd de wettelijke basis gelegd voor beheerovereenkomsten om erosiebestrijdingsmaatregelen uit te voeren. Het duurde tot 2004 tot de uitvoeringsbesluiten gepubliceerd werden in het Belgisch Staatsblad. Sinds 1 april 2005 kunnen landbouwers deze beheerovereenkomsten ook werkelijk sluiten. Karolien Michiel: “De nieuwe beheerovereenkomsten erosiebestrijding lopen goed: het afgelopen jaar hebben 125 landbouwers deze beheerovereenkomst ondertekend. Het succes is onder meer toe te schrijven aan het feit dat de beheerovereenkomst voor veel landbouwers een manier is om te voldoen aan de voorwaarden van de cross-compliance.* Landbouwers moe-
“
DE BEHEEROVEREENKOMST EROSIEBESTRIJDING IS VOOR VEEL LANDBOUWERS EEN MANIER OM TE VOLDOEN AAN DE VOORWAARDEN VAN DE CROSSCOMPLIANCE.* Karolien Michiel
ten aan die randvoorwaarden voldoen om aanspraak te kunnen maken op de inkomenssteun via de eerste pijler van het Europese landbouwbeleid. Het onderhouden van de kwaliteit van de bodem, bijvoorbeeld via een beheerovereenkomst bodemerosie, is één van die randvoorwaarden. Voor de beheerovereenkomst erosie gelden er bovendien geen bijkomende beperkingen op het gebruik van mest en ook dat is voor vele landbouwers doorslaggevend.” Erosiebestrijding is vooral in de
“
heuvelachtige streken in Vlaanderen belangrijk, zoals het Pajottenland en de Vlaamse Ardennen. Voor de overeenkomst kan gekozen worden uit vijf pakketten: aanleg en onderhoud van grasbufferstroken en grasgangen, niet-kerende bodembewerking, directe inzaai of aanleg van een aarden dam met erosiepoel. Deze maatregelen zijn in erosiegevoelige streken van groot belang om onder meer opbrengstverliezen, modderstromen en dichtslibben van waterlopen tegen te gaan.
Grasgangen zijn een eenvoudig, maar werkzaam hulpmiddel om de afstromende modder en het water tegen te houden. * Voorwaarden waaraan de landbouwer moet voldoen vooraleer hij Europese inkomenssteun kan krijgen.
Platteland 42
Beheerovereenkomsten verpakt in één besluit Op 21 oktober 2005 heeft de Vlaamse Regering het besluit inzake beheerovereenkomsten voor de landbouw goedgekeurd. De reglementering voor de ver-
schillende beheerovereenkomsten zit nu in één besluit vervat. Karolien Michiel: “De beheerovereenkomsten waren tot nu toe geregeld in twee besluiten - één voor de beheerovereenkomsten water en natuur in het kader van het Mestdecreet en één voor
de andere overeenkomsten in het kader van het Natuurdecreet. Er waren nogal wat verschillen wat betreft aanvraagtermijnen, modelcontracten, regeling van beëindiging van de overeenkomsten en van beroep in geval van geschillen. Door alle reglementeringen in één besluit onder te brengen, wordt de zaak overzichtelijker, zowel voor de landbouwer als voor de overheid. Ook de vermindering van het papierwerk is een bijkomend voordeel voor de landbouw.”
“
DOOR ALLE REGLEMENTERINGEN IN ÉÉN BESLUIT ONDER TE BRENGEN, WORDT DE ZAAK OVERZICHTELIJKER, ZOWEL VOOR DE LANDBOUWER ALS VOOR DE OVERHEID. Karolien Michiel
Europese hamster in nood! Het gaat al een hele tijd minder goed met de Europese hamster: hamsteraantallen dalen overal in West- en Centraal-Europa. De beheerovereenkomst hamsterbescherming speelt in op deze negatieve trend. Landbouwers uit de omgeving van Bertem-Leefdaal en Heers-Widooie - enkel op deze plaatsen in Vlaanderen worden nog hamsters aangetroffen - kunnen kiezen uit een beheerpakket ‘luzerne’ of een beheerpakket ‘graanstroken’. Karolien Michiel: “De wetgeving rond de beheerovereenkomst hamsterbescherming werd recent nog bijgeschaafd. Het aangepaste besluit werd in februari 2006 van kracht. De actieve promotie kan nu van start gaan. De beheerovereenkomst zal worden ingezet voor een gericht beheer in de bewuste gemeenten, waarvoor we zullen samenwerken met het Agentschap voor Natuur en Bos.”
“
En voor de landbouwers die een beheerovereenkomst water ondertekenen of ondertekend hebben, komt er nog een bijkomende vereenvoudiging. “De landbouwer kan voortaan ieder jaar kiezen op welke percelen hij de beheerovereenkomst water toepast, binnen de contractueel vastgelegde totale oppervlakte. Dit geeft een extra flexibiliteit en laat de landbouwer toe de beheerovereenkomst beter in te passen in zijn bedrijfsvoering.”
Platteland 43
Het E-loket beheerovereenkomsten: een succes Naast de VLM bieden nog heel wat diensten overeenkomsten of premies aan voor milieu, natuur en landschap op een landbouwbedrijf. Vaak is het voor de landbouwers niet eenvoudig om doorheen de bomen het bos nog te zien. De VLM heeft daarom, in opdracht van minister Kris Peeters, een elektronisch loket ontwikkeld met informatie over alle beheerovereenkomsten. Het loket werd ontwikkeld in samenwerking met het Departement Landbouw en Visserij en het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie. Informatie over beheerovereenkomsten, premies en subsidies voor agromilieumaatregelen, aangeboden door de Vlaamse overheid, provincies en gemeenten werd samengebracht en zit vervat in duidelijke fiches, met vermelding van contactgegevens en eventuele aanvraagformulieren. Het loket geeft een overzicht en vereenvoudigt de administratie voor de landbouwers, maar is ook bruikbaar voor de Vlaamse overheid, provincies en gemeenten. Het loket werd in januari 2005 gedemonstreerd op de beurs Agriflanders. In juli 2005 was er de officiele lancering door minister Kris Peeters. Momenteel staat er op het loket vooral algemene informatie die voor iedereen beschikbaar is, maar de minister wil nog een stap verdergaan: “Binnen enkele maanden zullen we het e-loket uitbreiden zodat de landbouwers ook informatie op maat kunnen raadplegen. Aan de hand van een kaart zullen zij een overzicht krijgen van hun percelen, ze zullen kunnen nagaan welke beheerovereenkomsten ze al hebben gesloten en welke ze nog kunnen sluiten.” Met gemiddeld meer dan 3.000 bezoeken per maand is het e-loket nu alvast een succes.
Wetenschappelijke basis voor beheerovereenkomst archeologie Het afgelopen jaar heeft de VLM de cofinanciering verzorgd van een onderzoek naar de effecten van grondgebruik op het bodemmilieu en de archeologische bodemsporen. Uit deze studie bleek duidelijk het nut van aangepaste vormen van grondgebruik en betere beheertechnieken voor archeologisch waardevolle sites in Vlaanderen. De studie toont aan dat, door het waarborgen van een archeologievriendelijk beheer, de impact van bodemkundige processen flink beperkt kan worden. Door middel van aangepaste beheerovereenkomsten zouden archeologische sites dus efficiënt beheerd kunnen worden. Dit onderzoek is inspirerend voor een eventuele beheerovereenkomst cultuurhistorisch erfgoed in de toekomst.
Platteland
DE VLM EN HAAR PARTNERS
44
Bedrijfsplanner en landbouwer: een partnerschap dat wérkt
Annelies Peeters
In alle Regionale Landschappen kunnen de boeren, dankzij een samenwerking tussen de VLM en de Regionale Landschappen, sinds oktober 2004 een beroep doen op een bedrijfsplanner. Die helpt de landbouwer zijn activiteiten zó te organiseren dat hij ook een bijdrage levert aan de open ruimte en het landschap in de regio. Voor de Voerstreek en Haspengouw neemt Annelies Peeters deze taak op zich. Het afgelopen jaar stelde zij 83 bedrijfsplannen op om de landbouwers uit de streek te helpen met de vergroening van hun bedrijf. Pakket op maat van het bedrijf “Landbouwers kunnen heel wat doen om de natuur waardevol te houden: heggen of houtkanten aanplanten, de kwaliteit van beken en wegbermen bewaken, holle wegen onderhouden, vogels beschermen door maaidata aan te passen, nestbeschermers plaatsen, minder bemesten, waardevolle graslanden en kruiden in stand houden of maatregelen nemen om bodemerosie tegen te gaan’’, vertelt bedrijfsplanner Annelies. “Voor de boer is het echter niet altijd eenvoudig om uit te pluizen welke beheerovereenkomsten nuttig zijn voor zijn bedrijf. Hij kan hierbij best wat hulp gebruiken. Wanneer ik een bedrijfsplan opmaak, overloop ik samen met de
boer de mogelijkheden, met de situatie ter plaatse als richtingwijzer: zijn er holle wegen in de buurt, of heeft de boer percelen die aan een waterloop grenzen? Is de grond erosiegevoelig? Al die informatie is broodnodig voor een goed advies op maat van het bedrijf.” Weg papierlast Maar de bedrijfsplanner stelt niet alleen zijn kennis ter beschikking. Als de landbouwer besluit om een overeenkomst te sluiten, helpt de bedrijfsplanner bij het invullen van de aanvraagformulieren en bij het aanvragen van eventuele vergunningen. “Ik merk dat het wegnemen van deze papierlast voor veel boeren de doorslag geeft om toch de stap zetten. De doorsnee landbouwer heeft meestal zijn buik vol van administratie: dat zorgt vaak voor een drempel om een beheerovereenkomst af te sluiten en dat is jammer. Bovendien verloopt de administratieve afhandeling van de overeenkomst doorgaans ook vlotter doordat de aanvragen met kennis van zaken worden ingevuld.” Het hele plaatje “Het is niet alleen de bedoeling dat we zoveel mogelijk beheerovereenkomsten afsluiten voor de VLM”, vult Annelies nog aan. “Het gaat immers om een samenwerking met de Regionale Landschappen. We geven het complete plaatje, dit wil zeggen dat we ook informatie geven over de beheerovereenkomsten die het Departe-
Platteland 45
ment Landbouw en Visserij of het Agentschap Natuur en Bos aanbieden, over de subsidies van de provincie en de gemeente of specifieke projecten van het Regionaal Landschap. Wanneer er interesse is, spelen we de gegevens van de boer door aan de bevoegde instantie. En dat gebeurt ook in omgekeerde richting.”
administraties, maar evengoed een aanspreekpunt voor onze partners. Zo gebeurt het dat een natuurvereniging ons contacteert omdat ze langs een waterloop een bufferstrook wil aanleggen en de landbouwers hiervoor bereid wil vinden. Dit netwerk is van grote waarde voor het agrarisch natuurbeheer.”
De bedrijfsplanner als netwerker Samenwerking maakt de hele sterkte uit van dit project. De bedrijfsplanners zijn immers ideale netwerkers: ze leggen contacten met vele actoren in het buitengebied en melden ideeën en behoeftes. Ze werken gebiedsgericht en kunnen inspelen op plaatselijke behoeften. Via toelichtingen, de lokale pers en mond-aan-mondreclame krijgt de dienstverlening een gezicht en ontstaat regionale samenwerking met landschapsanimatoren, gemeenten, provincies, landbouworganisaties, natuurverenigingen,… “We zijn een doorgeefluik naar andere
Groot succes De bedrijfsplanners zijn over heel Vlaanderen een groot succes. De boeren appreciëren deze gratis dienstverlening en geven te kennen ook werkelijk nood te hebben aan begeleiding, zo blijkt onder meer uit een enquête die de VLM liet uitvoeren. Momenteel worden de meeste bedrijfsplanners overbevraagd en werken ze met wachtlijsten. Het project loopt eind 2006 af. De partners bekijken of de bedrijfsplanners binnenkort ook op een structurele manier - dus niet louter in een tijdelijk project - aan het werk kunnen.
“Agrarisch natuurbeheer is in” “Natuurlijk had ik al wel gehoord van beheerovereenkomsten en agrarisch natuurbeheer”, zo vertelt Nadine Jorssen uit Vechmaal (Heers). “Maar die informatie was altijd algemeen en theoretisch. Iemand die mee uitzocht wat voor mijn situatie nuttig én werkbaar was, dat sprak me wel aan. De keuze om mij te laten bijstaan door een bedrijfsplanner was dan ook vlug gemaakt. Ik kreeg de coördinaten van bedrijfsplanner Annelies doorgespeeld via een kennis aan het PIBO in Tongeren. Ik heb snel een eerste afspraak gemaakt.” Voor het bedrijf van Nadine kwamen twee beheerovereenkomsten uit de bus: één voor de aanleg van grasbufferstroken en één voor een de aanplant van een heg.”Op de akkers hier in de buurt vormt erosie een probleem. Zelf heb ik daar niet zoveel last van, maar wel de dorpelingen verderop. Zij krijgen bij hevige regenval modder in hun straat en tuin: prettig is anders. De keuze voor een beheerovereenkomst erosie lag dan ook voor de hand. Daarnaast kozen we voor het aanplanten van een nieuwe heg langs één van mijn weides. De bestaande was helemaal verouderd en niet meer te redden.” DAT DE AANPAK VAN DE “Dat de aanpak van de bedrijfsplanners werkt, is voor BEDRIJFSPLANNERS WERKT, IS VOOR mij een uitgemaakte zaak. Deze mensen hebben ervaring en zetten hun schouders onder je dossier. Bovendien brenMIJ EEN UITGEMAAKTE ZAAK. gen ze de administratie en de formaliteiten in orde. Geen wonder dat de bedrijfsplanners hun handen vol hebben. Nadine Jorssen En daar zal niet snel verandering in komen. Agrarisch natuurbeheer is immers in, dat merk ik hier in de regio maar al te goed.”
“
“
Een bewogen jaar
Mestbank 47
voor de Mestbank D
e Mestbank heeft een bewogen jaar achter de rug. De Vlaamse Regering heeft eind juli een beleidsvisie goedgekeurd met de krijtlijnen van een nieuw mestbeleid.
Cruciaal voor de mestproblematiek in Vlaanderen in 2005 was evenwel de veroordeling door het Europese Hof van Justitie van de Vlaamse omzetting van de Nitraatrichtlijn, met in het kielzog de beslissing om gans Vlaanderen tot kwetsbaar gebied te maken. Deze beslissing luidt het begin in van een nieuw mestbeleid voor Vlaanderen, een koerswijziging die zich vanaf 2007 zal doorzetten.
Mestbank 48
Het Europese ‘neen’: een mijlpaal De Nitraatrichtlijn, grondslag voor het mestbeleid Binnen het mestbeleid spelen heel wat Europese richtlijnen en verordeningen een rol. In de eerste plaats is er de Nitraatrichtlijn, de Europese grondslag voor het Vlaamse mestbeleid. Deze richtlijn heeft als doel de waterverontreiniging die wordt teweeggebracht door nitraten uit de landbouw te verminderen en verdere verontreiniging te voorkomen. Sleutelbepalingen van de Nitraatrichtlijn zijn het afbakenen van kwetsbare zones, waarbinnen de lidstaten actieprogramma’s moeten opstellen en het invoeren van een code van goede landbouwpraktijken op het hele grondgebied. Het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten zorgen voor de omzetting van de Nitraatrichtlijn in de Vlaamse wetgeving.
Arrest mondt uit in 100 % kwetsbaar Vlaanderen Op 22 september 2005 velde het Europese Hof van Justitie in Luxemburg een arrest tegen de lidstaat België wegens het niet nakomen van verplichtingen uit de Nitraatrichtlijn (91/676/EEG). Hierin wordt gesteld dat Vlaanderen onvoldoende kwetsbare gebieden heeft aangeduid. Dirk Struyf, afdelingshoofd Mest-
bank: “Vlaanderen knoopte reeds op 16 september 2005 de eerste gesprekken met de Europese Commissie aan over de maatregelen die deze veroordeling met zich meebrengt en het nieuwe actieprogramma van Vlaanderen. Verdere onderhandelingen tussen de Europese Commissie en de Vlaamse overheid in de loop van het najaar hebben geleid tot de beslissing om Vlaanderen 100 % kwetsbaar te maken. Belangrijk is wel dat het arrest voortgaat op de situatie van vóór 1999. De Europese Commissie
“
DE GOEDKEURING VAN DE DEROGATIE VOOR NEDERLAND MOET VLAANDEREN INSPIREREN OM DIT INSTRUMENT OPTIMAAL IN TE ZETTEN, ZIJ HET DAN AANGEPAST AAN DE VLAAMSE SITUATIE.
“
Koen Desimpelaere
erkent dat Vlaanderen verdere acties heeft ondernomen na 1999, zoals het aanduiden van bijkomende kwetsbare gebieden en aanpassingen aan de code van goede landbouwpraktijken en het actieprogramma.”
Derogatie: Nederland inspireert! Een belangrijke beperking in de kwetsbare gebieden is de maximale opbrenging van 170 kg N/ha uit dierlijke mest, inclusief beweiding. De enige mogelijke afwijking op deze norm - om meer dierlijke mest te kunnen toedienen - is een ‘derogatie’, die enkel kan bekomen worden na een stemming door de 25 Europese lidstaten in het Nitraatcomité en een definitieve goedkeuring door Europa. Koen Desimpelaere, Cel Kennis en Beleid, Mestbank: “Een lidstaat kan enkel een derogatie voorleggen aan het Nitraatcomité, nadat zij volledig in overeenstemming is met de bepalingen van de Nitraatrichtlijn. Nederland en Denemarken worden vaak aangehaald als voorbeelden voor Vlaanderen. Deze landen hebben inderdaad een vergelijkbare mestdruk én een Europese goedkeuring voor een derogatie. De goedkeuring voor Nederland moet Vlaanderen inspireren om dit instrument optimaal in te zetten, zij het dan aangepast aan de Vlaamse situatie.”
Mestbank
Een nieuw Vlaams mestbeleid in de maak
49
O
p initiatief van minister van Leefmilieu Kris Peeters heeft de Vlaamse Regering op 22 juli 2005 de visienota ‘Naar een nieuw mestbeleid in Vlaanderen’ goedgekeurd. Deze visienota zal als basis gebruikt worden voor het vernieuwde Mestdecreet en steunt op drie pijlers: 1
Een grotere verantwoordelijkheid voor de veetelers om de dierlijke mest van hun bedrijf op een milieuverantwoorde manier af te zetten.
2
Een grotere vrijheid om te kiezen hoe ze de economische dynamiek van hun bedrijven verder versterken. Groei zal mogelijk zijn door overname van de nutriëntenemissierechten, maar tegelijkertijd wordt bij iedere transactie van de emissierechten een bepaald percentage afgeroomd.
3
kunnen doen om de goede milieuresultaten te halen die de Nitraatrichtlijn voorschrijft. Duidelijk is dat het nieuwe Mestdecreet zal samen sporen met een goede handhaving op basis van klare en rechtszekere regels. Minister Kris Peeters motiveert zijn aanpak als volgt: ”We hebben nog een hele weg te gaan. De resultaten tellen. We zullen samen met de landbouwondernemers stap voor stap streven naar een
Dirk Struyf
“
NA DE VEROORDELING DOOR EUROPA IS DE GOEDKEURING VAN HET VLAAMSE ACTIEPROGRAMMA DOOR DE EUROPESE COMMISSIE EEN EERSTE OPDRACHT VOOR VLAANDEREN.
“
Dirk Struyf
Een nauwgezette opvolging van de kwetsbare zones water en de omkeerbaarheid van deze kwetsbare zones. Deze worden verder afgebakend op basis van de metingen. De kwetsbare gebieden zijn omkeerbaar bij goede meetresultaten.
De Nitraatrichtlijn inspireert het nieuwe beleid en de waterkwaliteit is richtinggevend. De rode draad van de visienota is dat de landbouwers nauw betrokken worden bij de meetresultaten van het oppervlakte- en grondwater. Zij zullen aangespoord worden om actief na te gaan wat ze in hun bedrijfsvoering
De Nitraatrichtlijn inspireert het nieuwe Vlaamse mestbeleid en de waterkwaliteit is daarbij richtinggevend.
Mestbank
Mestdecreet in 2005 verder bijgeschaafd
50
In de loop van 2005 heeft de Vlaamse Regering verschillende wijzigingen aan de mestwetgeving goedgekeurd. Samengevat gaat het over volgende besluiten: 1. Wijzigingen aan het vergoedingenbesluit Het Besluit horizontale vergoedingen, dat de procedure voor uitbetaling regelt; het Besluit grens- en richtwaarden, dat de continuïteit regelt voor de beheerovereenkomst water. 2. Het Wijzigingsbesluit vergunningen Het Wijzigingsbesluit vergunningen, dat een aantal zaken verduidelijkt bij het verplaatsen en samenvoegen van veeteeltinrichtingen, evenals de regels rond mestafzet in het verleden. Voor bepaalde veeteeltinrichtingen, bijvoorbeeld verbonden aan onderzoeksinstellingen of militaire domeinen, is een uitzonderingsmaatregel voorzien. 3. Het Wijzigingsbesluit nutriëntenhalte Het Wijzigingsbesluit nutriëntenhalte met regels voor het toekennen van een nutriëntenhalte aan de ‘speciale veeteeltinrichtingen’ en aan inrichtingen met een late ARAB-vergunning.
optimale toestand van de wateren. In het overleg met de Europese Commissie zal ik ervoor pleiten dat het aanmoedigende en sensibiliserende mestbeleid kan geactiveerd worden in een leefbare economische omgeving, waarbij iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt.” Het Europese arrest werpt een heel nieuw licht op MAP 3, het nieuwe Mestactieplan in wording. Voor Vlaanderen komt het er nu op aan een aanvaardbare aanpak uit te tekenen voor Europa. Dirk Struyf: “Een eerste uitdaging voor 2006 is de goedkeuring van het Vlaamse actieprogramma door de Europese Commissie. Na het nodige beleidsvoorbereidende werk in 2006, zal MAP 3 vanaf 2007 een belangrijke koerswijziging betekenen.”
4. Het Wijzigingsbesluit effluenten Het Wijzigingsbesluit effluenten en uitzondering fosfaatverzadigde gronden, dat het gebruik van de effluenten van mestverwerking met een laag gehalte aan ammoniakale stikstof regelt, alsook het gebruik van bewerkte dierlijke mest en andere meststoffen met een lage inhoud aan stikstof (buiten de kwetsbare gebieden) en verder de afwijking van de strenge fosfaatnorm voor fosfaatverzadigde gronden voor fosfaatverzadigde gronden met een lage bindingscapaciteit voor fosfaat. 5. Het Besluit uitstel/afstel superheffing mestverwerking Het Besluit uitstel/afstel superheffing mestverwerking, dat de mogelijkheid biedt om uitstel van superheffing te verkrijgen aan bedrijven die inspanningen geleverd hebben inzake mestverwerking, maar die nog niet effectief mest hebben verwerkt. Indien ze later voldoende verwerkt hebben, kunnen de bedrijven eveneens opheffing van de superheffing krijgen. 6. Wijziging verwerkingsplicht 2005 en 2006 Op 22 december 2005 heeft de Vlaamse Regering een aantal wijzigingen van de verwerkingsplicht in werking laten treden. De substitutie door pluimveemest blijft ook in 2006 mogelijk en de verwerkingspercentages zijn aangepast voor 2005 en 2006. De nieuwe percentages voor 2005 en 2006 zijn dezelfde als deze voor 2004.
Mestbank 51
Voortgangsrapport zet loep op Vlaams nutriëntenprobleem
“
HET VOORTGANGSRAPPORT 2005 GAAT VERDER DAN DE DECRETALE RAPPORTERINGSVERPLICHTING: HET IS EEN ALLESOMVATTEND RAPPORT OVER DE MESTPROBLEMEN IN VLAANDEREN GEWORDEN. Voor het eerst totaalbeeld
“
Jaarlijks publiceert de Mestbank in de maand september haar Voortgangsrapport. In het licht van de Europese context en van de voorbereiding van MAP 3, heeft het Voortgangsrapport Vlaamse Mestproblematiek 2005 een bijzondere waarde gekregen. Koen Desimpelaere: “Het Mestdecreet verplicht ons om jaarlijks een stand van zaken en een prognose van de mestproblematiek op te maken. Maar dit Voortgangsrapport gaat verder: het is een allesomvattend rapport over de mestproblemen in Vlaanderen geworden. Inspelend op de actualiteit hebben we voor het eerst ruimschoots aandacht gege-
De Sanitel-doorrekening voor de rundveestapel is een nieuw accent in het Voortgangsrapport.
ven aan het Europese beleid. Ook de Sanitel-doorrekening voor de rundveestapel is een nieuw accent. Verder hebben we het samenvoegen en verplaatsen van milieuvergunningen in detail geanalyseerd. Verder werd de problematiek van overbemesting opnieuw belicht.”
Stuurgroep unaniem in aanbevelingen Samen met het Voortgangsrapport zelf werden ook de aanbevelingen van de Stuurgroep overhandigd aan minister Kris Peeters. Uniek in de geschiedenis van de werking van de Stuurgroep is dat in 2005 de aanbevelingen in consensus werden ge-
formuleerd en dat geen enkele aanbeveling een minderheidsstandpunt vertolkt. Er werden in totaal 25 aanbevelingen geformuleerd. “Zes aanbevelingen zijn een ondersteuning van de beleidsvisie die minister Peeters reeds in zijn visienota van juli 2005 naar voor bracht: de aanpak van een nieuw Mestactieplan, de invulling van de nutriëntenemissierechten, een snelle afbakening van de kwetsbare gebieden, verantwoordelijkheid geven aan de landbouwers, een strenge handhaving en een uitbouw van de mestopslagcapaciteit. Andere zijn vernieuwend. Deze aanbevelingen betekenen een belangrijke insteek voor het verder te voeren mestbeleid.”
Mestbank 52
KORT: ENKELE TENDENSEN
Mestoverschot daalt, doelstelling nog niet in zicht De resultaten van het Voortgangsrapport wijzen op een verder dalende trend van het mestoverschot, zeker wat P2O5 betreft, al lijkt de snelheid van de vooruitgang af te nemen. Het mestoverschot in Vlaanderen kende de voorbije jaren een dalende trend. En deze evolutie zette zich ook in 2004 door. Het overschot op de Vlaamse mestbalans bedroeg in 2004 4,5 miljoen kg P2O5 en 18 miljoen kg N. Dit mestoverschot daalde met 1,5 miljoen kg P2O5 en 3 miljoen kg N ten opzichte van 2003. Koen Desimpelaere: “Voor stikstof toont het rapport aan dat verdere inspanningen van de sector noodzakelijk blijven: de monitoring op het terrein wijst erop dat de milieudoelstelling nog niet is bereikt. De verbetering die werd vastgesteld in de nitraatconcentratie in het oppervlaktewater in de periode 20002003, zet zich jammer genoeg niet voort. De eerste resultaten van het grondwatermeetnet in 2004 en 2005 tonen aan dat grondwaterlagen over heel Vlaanderen nog met kwaliteitsproblemen kampen.”
Daling dierlijke mestproductie minder scherp De daling van het aantal dieren sinds 1999 zet zich door in 2004.
De daling is echter minder sterk dan in 2003. De dierlijke mestproductie daalde in 2004 ten opzichte van 2003 met 1,5 miljoen kg P2O5 en
Sanitel-aangifte wordt norm Voor de inventarisatie van 2004 heeft de Mestbank voor het eerst álle rundveegegevens opgevraagd bij het federale Voedselagentschap (FAVV). Het FAVV volgt elk rund in Vlaanderen van geboorte tot sterfte voor sanitaire doeleinden - in de sector gekend als de ‘Sanitel-aangifte’. Dirk Struyf: “De registratie van dieren bij Sanitel blijkt een juister beeld te geven van de aantallen dieren op een rundveebedrijf dan een aangifte bij de Mestbank door de veehouders zelf. Bovendien bieden de Sanitelgegevens het voordeel dat de landbouwer geen dierregister meer hoeft bij te houden en geen aangifte meer hoeft te doen van het aantal runderen bij de Mestbank. De Stuurgroep adviseert ons om de inventarisatie van de rundveestapel enkel via Sanitel te laten verlopen, wat we vanaf 2007 dan ook van plan zijn.”
4 miljoen kg N. Het jaar voordien bedroeg deze daling nog 3 miljoen kg P2O5 en 8 miljoen kg N. De daling in dierlijke mestproductie doet zich voor in nagenoeg alle diergroepen en diercategorieën. Vlaanderen kent grote regionale verschillen in dierlijke mestproductie. De provincie West-Vlaanderen heeft de grootste dierlijke mestproductie voor rundvee, varkens en pluimvee. Oost-Vlaanderen komt op de tweede plaats gevolgd door Antwerpen, Limburg en VlaamsBrabant. West-Vlaanderen herbergt 42 % van de dierlijke mestproductie en zelfs ruim de helft van de varkensmestproductie.
De nutriëntenhalte Bij de inwerkingtreding van MAP 2bis op 30 maart 2000 werd een belangrijke nieuwe brongerichte maatregel ingevoerd: de nutriëntenhalte - dit is de maximaal toegelaten hoeveelheid nutriënten die jaarlijks in een bedrijf door de dieren geproduceerd mag worden. De maatregel is van kracht tot 31 december 2006 bij de huidige regelgeving. Mogelijk zal dit instrument vervangen worden door de ‘nutriëntenemissierechten’ uit de visienota van minister Peeters. De toegekende nutriëntenhalte per 1 augustus 2005 bedraagt 85 779 163 ton P2O5 en 209 762 104 ton N. Wanneer voor bestaande veehouderijen de mestproductie - berekend op basis van de jaarlijkse gemiddelde
Mestbank 53
veebezetting - de nutriëntenhalte overschrijdt, dan wordt een superheffing opgelegd van 0,99 euro per kg N en 0,99 euro per kg P2O5 die teveel wordt geproduceerd. Op 19 april 2004 werd de superheffing nutriëntenhalte voor de eerste maal opgelegd voor het productiejaar 2002 (aanslagjaar 2003). Na bezwaarbehandeling en herberekening in 2005 resulteerde dit in een totaal van 5,2 miljoen euro aan superheffingen.
Overbemesting en onvoldoende mestafzet: status quo De mesttekortbedrijven kunnen mest aanvoeren van mestoverschotbedrijven om te gebruiken op hun percelen. Dit dient te gebeuren binnen de maximale bemestingsnormen uit het Mestdecreet.
Koen Desimpelaere: “Een aantal mesttekortbedrijven gebruikt meer dierlijke mest op hun cultuurgronden dan toegelaten volgens deze normen. Deze overbemesting bedraagt 1,3 miljoen kg P2O5 en 2,5 miljoen kg N, wat nagenoeg even groot is als in 2003.” Anderzijds moeten de mestoverschotbedrijven al de dierlijke mest, die ze niet op hun eigen bedrijf kunnen afzetten, afvoeren naar derden. Indien deze mestoverschotbedrijven dit onvoldoende doen, blijft een gedeelte van de mest achter op het bedrijf. “Aangezien alle mest in principe toch uit de mestopslagplaatsen wordt afgevoerd, kan deze ‘onvoldoende mestafzet’ eveneens als overbemesting worden beschouwd. Deze onvoldoende mestafzet bedroeg 3,4 miljoen kg P2O5 en 11,5 miljoen kg N in 2004, een lichte stijging ten opzichte van 2003.”
De overbemesting bedraagt 1,3 miljoen kg P205 en 2,5 miljoen kg N, wat nagenoeg even groot is als in 2003.
MILIEUVERGUNNINGEN: GEEN VERDERE CONCENTRATIE DOOR SAMENVOEGEN EN VERPLAATSEN Door de wijziging van het Mestdecreet van 28 maart 2003 werd het mogelijk om een inrichting uit te breiden in combinatie met de volledige stopzetting van een andere inrichting: we spreken van samenvoeging. Ook werd de verplaatsing van inrichtingen mogelijk, voor zover deze niet in agrarisch gebied gelegen zijn. In 2004 werden 561 vergunningsaanvragen voor samenvoeging en 41 vergunningsaanvragen voor verplaatsing goedgekeurd. Het overgrote deel van deze samenvoegingen situeert zich in de provincie West-Vlaanderen. In de provincie Antwerpen vonden de meeste verplaatsingen plaats. Op basis van de gegevens over samenvoegingen en verplaatsen van milieuvergunningen, constateert de Mestbank voor 2004 geen verdere concentratie van de dierlijke mestproductie.
Mestbank 54
DE VLM STIMULEERT HET OVERLEG
De Stuurgroep Vlaamse Mestproblematiek Sinds 1992 beschikt het mestbeleid over een adviesorgaan met een unieke samenstelling. De Stuurgroep Vlaamse Mestproblematiek verenigt de landbouworganisaties, de milieubeweging, de sociaal-economische partners, de wetenschappelijke wereld en de administraties. “Dat de Stuurgroep er een actief jaar heeft op zitten, hoeft geen verwondering te wekken”, zo meent Dirk Struyf, voorzitter van de Stuurgroep. “Er werden heel wat adviezen gevraagd vanwege de minister en het Europese arrest heeft de aanbevelingen van de Stuurgroep zeker beïnvloed. Ook in 2006 bij de voorbereiding en de verdere uitwerking van MAP 3, verwacht ik voor de Stuurgroep een drukke agenda.” Mix verzekert voeling Regelmatige feedback van op het terrein en uit wetenschappelijke hoek: het beleid kan niet zonder. Niet in het minst voor het mestbeleid gaat dit op: zo zijn in het verleden MAP 1 en MAP 2 telkens ontstaan vanuit een evaluatie van het oorspronkelijke Mestdecreet. De Stuurgroep Vlaamse Mestproblematiek is opgericht om het beleid te voeden en het meer voeling met de realiteit te geven, met als doel een duurzame oplossing
voor de mestproblematiek. Essentieel bij een dergelijke terugkoppeling is dat zoveel mogelijk belangen gehoord worden. Dirk Struyf zegt hierover: “De samenstelling van de Stuurgroep is bijzonder. Zij vertegenwoordigt de stem van de landbouwsector, maar tevens de visie van de milieubeweging, de wetenschap en de sociaal-economische partners. De maatregelen van het beleid worden dus telkens gewogen op hun socio-economische, maar ook ecologische impact én op hun wetenschappelijke relevantie.” Op één lijn De belangrijkste opdracht van de Stuurgroep is wellicht de advisering van alle door de Vlaamse Regering goedgekeurde ontwerpbesluiten en decreetswijzigingen over de mestproblematiek. Daarnaast heeft de Stuurgroep als taak het gevoerde mestbeleid op regelmatige tijdstippen te evalueren en eventueel met bijkomende voorstellen te komen. Ten slotte onderzoekt de Stuurgroep het Voortgangsrapport in het licht van de doelstellingen van het Mestdecreet en de adviesverlening die hieraan vast hangt. Is het als voorzitter eenvoudig om de sectoren op één lijn te krijgen om zo eenduidige standpunten te kunnen formuleren? Dirk Struyf: “Niet
Mestbank
De Stuurgroep, een evenwichtige mix De Stuurgroep is samengesteld uit 4 ambtenaren met raadgevende stem (waaronder de voorzitter en secretaris): twee ambtenaren van de Mestbank met raadgevende stem, die respectievelijk het voorzitterschap en het secretariaat van de Stuurgroep waarnemen, respectievelijk de heer Dirk Struyf, afdelingshoofd Mestbank, voorzitter van de Stuurgroep, en de heer Erwin Verstuyft, deskundige bij de Mestbank. één ambtenaar op voordracht van de Vlaamse minister van leefmilieu (de heer Hendrik Neven, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie) en één ambtenaar op voordracht van de Vlaamse minister van landbouw (mevrouw Marleen Bas, Ministerie voor Landbouw en Visserij). Zij wonen de vergaderingen eveneens bij met raadgevende stem. Daarnaast zijn er zestien stemgerechtigde leden, waarvan: vier op voordracht van de algemene landbouworganisaties: de heer Guy Depraetere (Algemeen Boerensyndicaat); de heer Albert Bohnen en mevrouw Saartje Degelin (Boerenbond); mevrouw Hilde Maertens (Vlaams Agrarisch Centrum) vier op voordracht van de representatieve organisaties vertegenwoordigd in de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen (SERV): mevrouw Claire Bosch (FEVIA Vlaanderen), de heer Jan Oeyen; mevrouw Sandra Rosvelds; de heer Yvan Dejaegher (BEMEFA) vier op voordracht van de leefmilieubewegingen, vertegenwoordigd in de Milieu- en Natuurraad voor Vlaanderen: de heer Jos Gysels en mevrouw Liesbet Van Laer (Natuurpunt), de heer Jan Turf en mevrouw Saar van Hauwermeiren (Bond Beter Leefmilieu) vier gekozen uit de wetenschappelijke kringen: de heer Jan Bries (Bodemkundige Dienst van België), de heer prof. Georges Hofman (UG), de heer prof. Erik Mathijs (KUL); de heer prof. J.-P. Verbelen (UA)
“
SPREEKT DE STUURGROEP IN ÉÉN STEM, DAN SLAAGT ZE WONDERWEL IN HAAR OPZET. Dirk Struyf
“
alle standpunten worden in consensus naar voren gebracht. Dit is niet vreemd, omdat de mestproblematiek een gevoelig dossier is, waar bijvoorbeeld de landbouwen de milieusector elkaar nogal eens zoek raken. Spreekt de Stuurgroep wél in één stem, dan slaagt ze natuurlijk
wonderwel in haar opzet en wint ze ook aan slagkracht. Betekenisvol is bijvoorbeeld dat de Stuurgroep het afgelopen jaar alle aanbevelingen bij het Voortgangsrapport in volledige consensus heeft geformuleerd. Ook minister Peeters was hierover zeer te spreken.”
55
Mestbank
DE VLM STIMULEERT HET OVERLEG
56
Standpunten op vraag De activiteiten van de Stuurgroep gaan verder dan de opdrachten die het Mestdecreet haar geeft. “De Stuurgroep kan ook zelf voorstellen lanceren voor wijzigingen aan de wetgeving. In moeilijke kwesties stellen zowel de Mestbank als minister Peeters de mening van de Stuurgroep op prijs. Af en toe plaatst de Mestbank nota’s op de agenda en vraagt aan de Stuurgroep haar licht hierover te laten schijnen. In 2005 was dat bijvoorbeeld het geval voor de evaluatie van de controle op de nitraatresidu’s. De minister roept nu en dan zelf de Stuurgroep samen. Zo vroeg hij het afgelopen jaar een standpunt over de vraag van de landbouworganisaties om de uitrijperiode op probleemgronden in kwetsbare gebieden te verlengen.”
“
IN MOEILIJKE KWESTIES STELLEN ZOWEL DE MESTBANK ALS MINISTER PEETERS DE MENING VAN DE STUURGROEP OP PRIJS. Dirk Struyf
“
Het Voortgangsrapport getoetst Hoewel ook dit geen wettelijke verplichting is, betrekt de Mestbank sinds twee jaar de Stuurgroep Vlaamse Mestproblematiek bij de totstandkoming van het Voortgangsrapport. “We vinden het zinvol om de sectoren in de loop van het jaar op de hoogte te houden van onze aanpak en de inhoud van het Voortgangsrapport. De beleidswaarde van dit document valt immers niet te onderschatten. Vóór de zomer maken we de ruwe opbouw van het rapport bekend. De Stuurgroep krijgt de kans om dit concept bij te sturen. Vooraleer het Voortgangsrapport gepubliceerd wordt, komt het nog verscheidene keren op de agenda van de Stuurgroep te staan. Ook al kunnen we niet aan alle opmerkingen tegemoet komen - het opstellen van het Voortgangsrapport blijft een aangelegenheid van de Mestbank - toch houden we er zoveel mogelijk rekening mee. We merken dat de sectoren waarderen dat hun inbreng gevraagd wordt.”
De minister roept nu en dan zelf de Stuurgroep samen.
Mestbank
Een sluitende aanpak van de mesttransporten
57
N
aar aanleiding van de bekendmaking van de controleresultaten van de federale politie in het najaar van 2005 werden onder meer onregelmatigheden bij de mesttransporten aan de kaak gesteld. Hoewel het soms over kleinere inbreuken ging zoals het verkeerd of onvolledig invullen van vervoersdocumenten, werd ook een aantal fraudegevallen vastgesteld. Persconferentie minister Peeters zet de toon Minister Peeters speelde kort op de bal en stelde een vernieuwde aanpak van de mesttransporten voor met een persconferentie op 21 september 2005. Dit gebeurde na overleg met en in aanwezigheid van de Mestbank en ook de landbouworganisaties. Het plan van aanpak van minister Peeters bundelt verschillende maatregelen om de mesttransporten en de mestafzet nog efficiënter en doelgerichter te controleren. Sibylle Verplaetse, Cel Mestafzet, Mestbank: “De minister appelleert hiermee aan de
“
VOOR EEN STRENGERE CONTROLE VAN HET MESTTRANSPORT NAM DE MINISTER EEN AANTAL MAATREGELEN. VERSCHILLENDE HIERVAN IMPLICEREN NIEUWE TAKEN VOOR DE MESTBANK. Sibylle Verplaetse
verantwoordelijkheid van de landbouwers om hun mest correct af te zetten, maar benadrukt dat een strenge en correcte handhaving de sluitsteen is van het nieuwe mestbeleid. In dit plan van aanpak is een belangrijke rol weggelegd voor de Mestbank.” Strengere controles van mesttransport én mestaanwending Voor een strengere controle van het mesttransport nam de minister een aantal maatregelen. Verschillende hiervan impliceren nieuwe taken voor de Mestbank. Geen gekoppelde mestdocumenten meer Het gebrek aan mogelijk contact tussen aanbieder en afnemer bij het opstellen van twee documenten voor één reëel transport (namelijk enerzijds
“
vervoer van veehouder naar transporteur, en anderzijds van transporteur naar mestgebruiker), zal vermeden worden door deze huidige twee vervoersdocumenten samen te smelten in één document. Sibylle Verplaetse: “De Mestbank heeft in 2005 de vereiste aanpassingen van de mestwetgeving en de nodige informatica-technische aanpassingen grotendeels afgerond. Vanaf de eerste helft van 2006 zullen geen gekoppelde documenten meer gebruikt worden.” Administratief onderzoek Op vraag van de minister heeft de Mestbank een administratief onderzoek over het mesttransport uitgevoerd om fraude te detecteren. Dit onderzoek sloeg op de uitrijperiode mest van het voorjaar en het najaar van 2005. Sibylle Verplaetse: “We hebben in het
Mestbank 58
“
IN OKTOBER 2005 ZIJN ER EXTRA CONTROLES UITGEVOERD VAN PERCELEN DIE GELEGEN ZIJN IN GEBIEDEN MET EEN HOGE NITRAATCONCENTRATIE. Sibylle Verplaetse
najaar van 2005 dit onderzoek afgerond en de resultaten voorgelegd aan minister Peeters. Op basis van dit rapport en in samenspraak met de Mestbank en de landbouworganisaties heeft de minister bijkomende maatregelen genomen.” Controlesysteem AGR-GPS In Vlaanderen zal voor de mesttransporten van de grote mestvoerders (klasse C) in de tweede helft van 2006 een controlesysteem verplicht worden met automatische gegevensregistratie en een global position system (AGRGPS). Dit systeem stuurt de gegevens van het uit te voeren mesttransport door naar de Mestbank. Sibylle Verplaetse: “De Mestbank werkt momenteel in opdracht van de minister een sluitend traceersysteem uit naar Nederlands voorbeeld. Het is onze taak de technische vereisten van een sluitend en eenvoudig opvolgingssysteem te bepalen in overleg met de transportsector, alsook een centraal ontvangstsysteem te implementeren en de informatica aan te passen. Ter voorbereiding hebben we in 2005 een grondige marktanalyse van de ‘track
“
and tracing-markt’ gedaan. Tot slot staan we ook in voor de voorbereiding van de aangepaste wetgeving.” Vermelden van percelen Bij de mesttransporten van een door de minister te bepalen doelgroep moeten de percelen waarnaar men de meststoffen brengt, vermeld worden bij de bevestiging van het transport. Sibylle Verplaetse: “Een aangepaste versie van het transportdocument werd in 2005 reeds uitgewerkt. In 2006 moeten de exploitanten die in 2004 overbemest hebben de perceelsbestemming van de extern aangeleverde meststoffen vermelden. De praktische haalbaarheid van deze nieuwe verplichting wordt extra getoetst met een vrijwillige doelgroep. De perceelsvermelding zal van start kunnen gaan bij de aanvang van het nieuwe uitrijseizoen van zodra de wetgeving is aangepast. Vanaf 2006 zal parallel hiermee een gerichte sensibiliseringsactie door de Mestbank uitgevoerd worden.” Voor een strengere controle van de mestaanwending nam de minister volgende maatregelen:
Extra staalnames op maïspercelen In oktober 2005 zijn er extra controles uitgevoerd van percelen die gelegen zijn in gebieden met een hoge nitraatconcentratie en specifiek op percelen met maïs. Indien het nitraatresidu van deze percelen te hoge waarden vertoont, werden de gebruikers ervan op de hoogte gebracht. Bij de aanvang van het volgende uitrijseizoen in 2006 zal er ook strengere opvolging gebeuren rond het correct opbrengen van mest op het land, in het bijzonder het respecteren van de afstandsregels voor bemesting langs waterlopen. Intensief overleg tussen Mestbank en federale politie Het handhavingsbeleid zal regelmatig bijgestuurd worden in overleg met de Mestbank en de federale politie. Johan Decrop, Dienst Handhaving, Mestbank: “De bedoeling is de mankracht en de bevoegdheden van de politiediensten te koppelen aan de technische expertise van de Mestbank. Meer controles, overal controles en een multidisciplinaire aanpak van de fraude: dit zijn de hoofdlijnen van de samenwerking. We hebben het afgelopen jaar met de federale politie al een aantal concrete afspraken gemaakt, zoals het wederzijds uitwisselen van informatie en knelpunten bij controleacties.”
Mestbank 59
Naar een beter traceerbaar mesttransport Om de traceerbaarheid van de mesttrajecten nog te verhogen en de mesttransporteurs en exploitanten van mestopslagplaatsen verder te responsabiliseren, neemt minister Peeters volgende bijkomende maatregelen: infovergaderingen: begin 2006, vóór de start van het nieuwe uitrijseizoen, wijst de Mestbank alle mestvoerders via provinciale toelichtingsvergaderingen éénduidig op hun plichten en verantwoordelijkheden. erkende en éénduidig gelokaliseerde mestopslag: in de loop van 2006 mogen de mestvoerders die gebruik maken van een tussenopslag van mest dit enkel realiseren via door de mestbank erkende mestopslag. aan- en afvoer worden strikt opgevolgd: de aan- en afvoerbewegingen van en naar transporteurs en exploitanten van mestopslagplaatsen zullen strikter worden opgevolgd via jaarbalansen. boetes voor wie het transport niet tijdig bevestigt: het niet tijdig indienen van de transportbevestigingen bij de Mestbank, wordt vanaf 2006 gesanctioneerd met een administratieve geldboete.
Bijkomende maatregelen dringen zich op Het administratief onderzoek werd door de Mestbank in een kort tijdsbestek afgerond. Na de voltooiing van het administratief onderzoek, is minister Peeters met de Mestbank en de landbouworganisaties rond de tafel gaan zitten. Opvallend is dat de grootste problemen met onregelmatigheden bij mesttransporten zich bij een kleine groep betrokkenen voordoen. Om de fraudegevoeligheid van de mestafzet beter in de hand te kunnen houden, kondigde minister Peeters op korte termijn een aantal bijkomende initiatieven aan. Zo komen er maatregelen om de traceerbaarheid van de mesttrajecten te verhogen en de transporteurs en exploitanten van mestopslagplaatsen op hun verantwoordelijkheid te wijzen. Om de impact van de landbouw op de waterkwaliteit te verminderen, wordt ook de overbemesting aangepakt. De minister drijft de controles op, waarbij de focus komt te liggen op controles rond oordeelkundig bemesten bij risicogroepen. De controles in het voorjaar zullen vooral sensibiliserend zijn. Vanaf het najaar van 2006 wordt systematisch gesanctioneerd bij gelijkaardige vaststellingen op het terrein. Ten slotte doet de minister een oproep aan de landbouworganisaties om actief deel te nemen aan de bewustmaking van de landbouwers.
Mestbank
Mestverwerking:
60
Prikkels voor mestverwerking De onzekerheid rond de mestwetgeving laat zich voelen in de sector van de mestverwerking. Nu MAP 3 zich aankondigt, is er op het terrein een grote terughoudendheid merkbaar om verder te investeren in mestverwerking. De Vlaamse Regering heeft in de loop van 2005 nog verschillende aanpassingen van het Mestdecreet en besluiten goedgekeurd om de mestverwerking een duwtje in de rug te geven, zo vertelt Sibylle Verplaetse. “Wie geïnvesteerd heeft in mestverwerking, krijgt uitstel of afstel van de superheffing. Er is een soepelere berekeningsmethode goedgekeurd voor het jaarlijkse verwerkingsaandeel. Verder is de verwerkingsplicht gereduceerd tot op het niveau van 2004. Tot slot heeft men de substitutiemogelijkheid verlengd voor onbepaalde termijn.”
Vlaams Coördinatiecentrum voor Mestverwerking focust op pijnpunten Het Vlaams Coördinatiecentrum voor Mestverwerking (VCM) geldt al negen jaar als het kenniscentrum en aanspreekpunt voor mestverwerking in Vlaanderen. De vzw VCM is een samenwerkingsverband van overheidsdiensten en private organisaties: deze unieke structuur geeft haar de mogelijkheid te functioneren vanuit een breed draagvlak. De Mestbank parti-
cipeert via drie leden en het voorzitterschap in het VCM. Sibylle Verplaetse, voorzitter VCM: “Het VCM wil zich beleidsondersteunend, resultaatgericht en probleemoplossend profileren. Dit doen we onder meer door actuele thema’s en/of knelpunten via diverse werkgroepen uit te werken. In 2005 heeft onze werking zich gefocust op drie belangrijke pijnpunten. Rond de inplanting van mestverwerking hebben we een visietekst opgemaakt die als blauwdruk zal dienen voor een omzendbrief van minister Van Mechelen. Daarnaast hebben we de subsidiemogelijkheden voor mestverwerking bestudeerd en als input overgemaakt aan de ministers Peeters en Leterme. Ook hebben we via een studiedag, waar zowel proactief communiceren als crisiscommunicatie aan bod kwamen, het belang van communicatie met de buurtbewoners onder de aandacht gebracht.”
Nieuwe Europese taken voor Mestbank De Europese Verordening 1774 - voluit Verordening (EG) Nr. 1774/2002 tot vaststelling van gezondheidsvoor-
“
DE VLAAMSE REGERING WIL DE MESTVERWERKING EEN DUWTJE IN DE RUG GEVEN. Sibylle Verplaetse
“
schriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten - is in alle Europese lidstaten van kracht sinds mei 2003. Deze verordening bracht voor de VLM een aantal nieuwe taken met zich mee. Sibylle Verplaetse: “Concreet is de Mestbank gestart met het toekennen van erkenningen aan mestverwerkingsinstallaties en inspecteert ze deze installaties. Verder zijn we ook belast met het erkennen van labo’s in het kader van de vereiste microbiologische analyses.”
Mestbank
stimuleren blijft de boodschap
61
Kloof vergunde versus operationele mestverwerking houdt aan
De Mestbank kent erkenningen toe aan de mestverwerkingsinstallaties en inspecteert ze ook.
In 2005 is de procedure geoptimaliseerd voor het aanvragen tot invoeren en het verkrijgen van de gezondheidscertificaten die het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) verleent op grond van informatie van onder meer de VLM. Verder werden ook de internationale handelsdocumenten geĂŻntroduceerd, die de traceerbaarheid van de transporten moeten verzekeren. Met de andere betrokken overheden in BelgiĂŤ - het Federaal Agentschap
voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV), de federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen (FOD), en de gewestelijke overheidsdiensten - heeft de VLM een overeenkomst opgesteld die op 28 oktober 2005 officieel werd bekrachtigd door de betrokken federale en gewestelijke ministers. Deze overeenkomst is een politiek akkoord dat de taakverdeling tussen de betrokken overheden vastlegt.
Half 2005 was er in Vlaanderen een vergunde mestverwerkingscapaciteit van 3 miljoen ton dierlijke mest, waarvan 1,4 miljoen ton ruwe varkensmest; 0,2 miljoen dikke fractie varkensmest; 0,5 miljoen ton pluimveemest, 65 000 ton kalvergier, 17 000 ton rundveemest en 0,8 miljoen ton gemengde mest. De kloof tussen de vergunde capaciteit, de beschikbare en de werkelijke operationele capaciteit blijft net zoals de vorige jaren groot. Anno 2005 doen er in Vlaanderen ongeveer 92 bedrijven aan mestverwerking. Het merendeel van deze installaties is eerder kleinschalig. Slechts vijf bedrijven hebben op jaarbasis een vergunde capaciteit van 50 000 ton mest of meer. Het vinden van een geschikte locatie, de milieuvoorwaarden opgelegd in de milieuvergunning, de beschikbare technologie, de financiering en de afzet van eindproducten en niet in het minst de onzekere wettelijke context, blijven belangrijke knelpunten.
Mestbank
Gericht sanctioneren
62
“
Accenten in het DE MEER INTENSIEVE controleactieplan CONTROLE OP TRANSPORT - Het handhavingsbeleid van de MestIN SAMENWERKING bank gaat uit van een gericht sanctionerende aanpak, waarbij ook overleg MET DE POLITIEDIENSTEN en sensibilisatie een onmisbare rol EN DE ACTIE MAP-MEETPUNTEN spelen. Er wordt naar een evenwicht VERKLAREN DE OPVALLENDE gezocht tussen planmatige en reactieve controles. Reactieve controles zijn de TOENAME VAN DE INBREUKEN niet ingeplande controles op vraag OP DE VERVOERSREGLEMENTERING van derden zoals de behandeling van klachten, vragen van parketten, vragen EN DE EMISSIE-ARME van andere overheden. AANWENDING. Jaarlijks stelt de Mestbank een con-
“
Johan Decrop
troleactieplan op. Binnen het controleactieplan vormen mestbalanscontroles en doorlichtingen van landbouwbedrijven de basis. De Mestbank selecteert hiervoor jaarlijks de prioritair te controleren bedrijven: dit zijn bedrijven die systematisch teveel nutriënten op hun gronden brengen of jaar na jaar hun nutriënten onvoldoende afzetten. Johan Decrop, Dienst Handhaving, Mestbank: “Jaarlijks leggen we binnen
het controleactieplan één of meerdere specifieke accenten. Rond deze thema’s wordt dan ook een groot deel van het jaar gewerkt. In 2005 nam bijvoorbeeld de controle van de MAP-meetpunten veel van onze tijd in beslag. Dit weerspiegelt zich uiteraard in de verdeling van de overtredingen, die voor een groot deel door de jaarthema’s bepaald wordt.” Sinds 2000 staat de cel controle van de Mestbank eveneens in voor de uitvoering van de door de EU opgelegde controle op de beheerovereenkomsten. Vanaf 2005 werkt de Mestbank samen met het Agentschap voor Landbouw en Visserij aan de controles rond de Nitraatrichtlijn.
Sensibiliseren, responsabiliseren, communiceren Om de impact van de landbouw op de waterkwaliteit te verminderen, is het belangrijk de landbouwers zelf
Controles van de Mestbank: enkele resultaten In 2005 heeft de Mestbank in totaal 2.458 inspecties uitgevoerd. Dit gaf aanleiding tot 413 processen-verbaal, waarvan 269 met een overtreding op het Mestdecreet en 144 met aanvullende informatie in verband met reeds vastgestelde overtredingen. 2005 is het eerste jaar waarin de veebezetting op de percelen met een vergoeding natuur werd gecontroleerd. Johan Decrop: “Tegenover 2004 valt vooral de stijging (5 %) op van de inbreuken tegen de vervoersreglementering en de toename (2 %) van de overtredingen op de regels in verband met emissie-arme aanwending. De meer intensieve controle op transport - in samenwerking met de politiediensten - en de actie MAP-meetpunten verklaren de opvallende toename van de inbreuken op de vervoersreglementering en de emissie-arme aanwending.”
Procentueel overzicht van inbreuken in 2005 10
4 9 17
Aangifte Vervoersreglementering
24 195
38
Overbemesting Niet bewezen mestafzet (MAZ) Lozingen
66
Emissie-arme aanwending Vergunningen UItrijregeling
70 102
Heffingen Register
Mestbank
en breed sensibiliseren
63
0
0
95
61
260
11
796
32
9
69
45
34
37
34
476
Antwerpen
2
1
19
3
0
160
8
0
6
1
71
33
0
19
19
342
Vlaams Brabant
4
0
67
1
0
11
3
1
11
1
0
6
1
21
13
140
44
291
Totaal
Dierbezetting
23
0
Vergoeding natuur
Mapmeetpunten
2
34
Adhoc
Lokale acties
127
9
Niet gekend
Kantschriften
85
1
Melding
Interne vraag
0
11
ECO
29
93
Cross Compliance
96
8
Caplijst
4
60
Aanvankelijk IV
BO
Andere Reden
3
Oost-Vlaanderen
Provincie West-Vlaanderen
Type
Andere Overheden
Vaststellingen door de Mestbank in 2005
Limburg
7
0
75
0
0
16
16
0
20
0
15
55
18
25
Totaal IV A
76
13
350
44
1
281
188
3
92
11
155
234
114
362
0
0
6
25
0
1
28
0
11
0
2
0
0
10
1
6
10
0
1
7
0
1
2
11
0
0
14
0
73
3
0
0
1
1
2
0
0
4
0
1
0
14 32
West-Vlaanderen
Aanvankelijk PV
121 2045 84
Oost-Vlaanderen
21
Antwerpen
0
1
1
Vlaams Brabant
1
2
1
8
0
0
0
1
4
1
3
0
0
11
0
Limburg
1
1
2
15
0
1
5
2
10
1
8
2
2
16
0
66
Totaal PV A
23
4
16
61
0
3
41
4
28
4
24
6
2
52
1
269
1
5
0
2
0
0
7
2
3
2
1
1
0
1
0
25
Oost-Vlaanderen
West-Vlaanderen
38
0
4
4
0
0
0
2
0
2
1
0
0
7
0
58
Antwerpen
2
4
1
2
0
0
1
1
0
0
0
1
0
0
0
12
Vlaams Brabant
2
3
0
3
0
0
0
2
1
1
0
0
0
3
0
15
Limburg
0
3
1
5
0
1
0
7
0
0
12
0
0
5
0
34
Totaal PV N
43
15
6
16
0
1
8
14
4
5
14
2
0
16
0
144
32
372
121
1
285
237
21
124
20
193
242
116
430
Totaal aantal vaststellingen
Navolgend PV
142
122 2458
Aanvankelijke PV: PV op nieuw vastgestelde overtredingen Aanvankelijke IV: Inspectieverslag zonder opmaak PV Navolgend PV: PV op reeds eerder vastgestelde overtredingen.
EÉN HANDHAVINGSDECREET OP KOMST In 2005 werd er druk overlegd over het nieuwe Handhavingsdecreet. Het resultaat is een ontwerp van decreet, dat een eenduidige wetgeving brengt en één vorm van strafbepaling voor alle toezichthouders van de Vlaamse milieuadministratie. De basis van dit decreet is een volledige ontkoppeling van strafrechterlijke en administratieve sancties. Johan Decrop over de gevolgen van deze wetgeving voor de Mestbank: “De Mestbank krijgt met dit ontwerpdecreet een breder gamma van mogelijkheden. De Mestbank zal zelf saneringen kunnen uitvoeren, zelf opdrachten kunnen geven. Het administratieve luik van de boetes verhuist dan weer van de Mestbank naar een extern handhavingscollege. De gevolgen voor onze werking zijn dan ook aanzienlijk. Verder is er een belangrijke rol weggelegd voor de aanmaning, wat perfect aansluit bij de filosofie van de Mestbank “Breed sensibiliserend, gericht sanctionerend.”” Over dit nieuwe decreet werd op 29 juni 2005 ook een open debat gevoerd tijdens een rondetafelgesprek geleid door minister Kris Peeters. Het nieuwe Handhavingsdecreet zal gestoeld zijn op studies van de Katholieke Universiteit Leuven en de Universiteit Gent. Naar verwachting wordt het decreet de tweede helft van 2006 definitief goedgekeurd.
bewust te maken. De Mestbank werkt aan een continue verbetering van de dienstverlening naar de landbouwsector, die niet alleen 38 000 landbouwers omvat, maar ook tussenpersonen zoals mestvoerders, adviseurs, consulenten, e.d. Via gerichte communicatie- en sensibilisatieacties, voorlichtingsmomenten, adviesverlening op het terrein en overleg en dialoog met de landbouworganisaties en intermediairen, benadert de Mestbank deze doelgroepen en betrekt haar bij haar beleid en activiteiten. Sinds 2004 voert de Mestbank een actief doelgroepenbeleid landbouw, dat vooral wordt uitgebouwd rond een tweemaandelijks technisch overleg met de sector. Voor de loketfunctie van de Mestbank
Mestbank
HET DOELGROEPENBELEID LANDBOUW: MOTOR VOOR EEN BETERE DIENSTVERLENING
64
Ongeveer tweemaandelijks zit de Mestbank samen met de organisaties van de landbouwsector. Naast de algemene landbouwfederaties Boerenbond, VAC, ABS en BELBIOR en vakorganisaties van de dierlijke sector (VEPEK, VBK, VEVA), nemen ook de adviesbureaus SBB bedrijfsdiensten en DLV milieuconsult, de mengvoederproducenten (BEMEFA en de Vereniging van Zelfmengers), de mestverwerkers (De Mestverwerkers en het VCM) en de loonwerkers deel aan dit overleg. Jan Kielemoes, procesbegeleider doelgroepenbeleid bij de VLM en doelgroepcoördinator milieu & landbouw voor de ganse milieuoverheid: “De combinatie van belangenorganisaties, vakorganisaties, intermediairen en (hun) adviesverleners geeft dit overleg een breed draagvlak. Deze zijn allen onmisbare partners bij het sensibiliseren van de sector, elk met hun specifieke rol. Via dit overleg willen we de diverse partners informeren over het lopende en het nieuwe beleid en hen ook tijdig op de hoogte brengen van nieuwe acties en initiatieven van de Mestbank. Eventuele knelpunten worden besproken, wederzijdse engagementen worden aangegaan en afspraken worden gemaakt en opgevolgd. Elk overleg behandelt thema’s die inspelen op de actualiteit. Zo stonden in 2005 onder meer de vernieuwingen bij de aangiftecampagne, de sensibiseringsactie rond de MAP-meetpunten,
“
WANNEER ER VANUIT DE SECTOR BELANGRIJKE SIGNALEN WORDEN GEGEVEN VOOR HET BELEID, DAN NEMEN WE DIE MEE NAAR HET OVERLEG MET HET KABINET VAN MINISTER PEETERS. OP DIE MANIER WERKEN WE AAN EEN VERHOOGDE BETROKKENHEID VAN DE SECTOR. Jan Kielemoes
“
de vernieuwde aanpak van de controle van mesttransporten en het Voortgangsrapport op het programma.” En ook het beleid wordt aangekaart. “We lichten nieuwe wetgeving of wetsvoorstellen toe. Wanneer er vanuit de sector belangrijke signalen worden gegeven voor het beleid, dan nemen we die mee naar het overleg met het kabinet van minister Peeters. Op die manier werken we aan een verhoogde betrokkenheid van de sector, een intensievere dialoog en een betere dienstverlening van de overheid naar haar klanten”, aldus Jan Kielemoes. Het doelgroepenbeleid is een overkoepelend opzet van de Vlaamse milieuoverheid, waarbij getimmerd wordt aan een betere dialoog met consumenten, industrie en landbouw. “Als een administratie voorheen al overlegde met haar doelgroepen, deed ze dat vaak afzonderlijk en themagericht: de VMM over water en lucht, de OVAM over afval, de Mestbank over mest, AMINAL over haar thema’s, … Met dit initiatief proberen we de krachten van de administraties per doelgroep te bundelen: een efficiëntere samenwerking die moet leiden tot een beter resultaat. De initiatieven bij de Mestbank maken deel uit van dit breder doelgroepgericht opzet voor de landbouwsector, waarbij het overleg ook open staat voor andere overheidsinstanties.”
naar de landbouw vervullen ook de provinciale afdelingen een onmisbare rol. Hier kunnen de landbouwers rechtstreeks terecht met vragen of voor het afhandelen van dossiers. Over alle provincies heen kloppen jaarlijks ongeveer 7500 landbouwers aan bij de Mestbank met vragen over een specifiek dossier. Bij grote mailings, bijvoorbeeld over de aangifte, het register, de perceelsregistratie, de heffingen,… voorziet de Mestbank sinds eind 1998 een ‘Mest-
Mestbank 65
Overzicht registratie 2005 mĂŠt luik beheerovereenkomsten
bankinfo’ met informatie over het hoe en waarom. De landbouwers hebben zo een duidelijk houvast om hen te helpen bij het invullen van de documenten. Daarnaast geven de voorlichters van de Mestbank, zowel op eigen initiatief als op uitnodiging van een bedrijfsdienst, organisatie of gilde, voorlichtingen over de aanpak van de mestproblematiek in Vlaanderen. Dit kan lokaal gebeuren in een gemeente
of kan provinciaal op grotere schaal georganiseerd worden. Verder werden de voorbije jaren heel wat inspanningen geleverd om nog meer gerichte informatie aan de landbouwers te verstrekken. Zo werd er verder geĂŻnvesteerd in de uitbouw van MIL, het Mest-Internet-Loket. Het systeem laat de landbouwer toe een aantal unieke Mestbankgegevens over zijn bedrijf via het internet te raadplegen.
De Mestbank bezorgt ieder najaar aan de landbouwers informatie over de geldende bemestingsnormen voor het komende productiejaar. Zij berekent het bemestingsregime op basis van de ingediende registraties voor dat jaar en de eventuele aanvragen van de landbouwers voor verhoogde bemesting en derogatie. Om de landbouwers nog beter te informeren over de bemestingsrechten en -plichten op elk perceel, heeft de Mestbank het overzicht uitgebreid met een rubriek over de beheerovereenkomsten met de VLM. In het overzicht van 2005 vonden de landbouwers niet alleen de maximale bemestingshoeveelheden per perceel terug, maar ook de beheerovereenkomsten die eventueel bijkomende beperkingen opleggen. Deze koppeling van gegevens - op informaticatechnisch vlak geen sinecure - was rond op nauwelijks twee maanden tijd. Daardoor kon deze extra dienst worden meegenomen in de registratieoverzichten die eind 2005 aan de landbouwers werden bezorgd.
Mestbank 66
DE VLM EN HAAR PARTNERS
Aandacht voor de MAP-meetpunten: geen eendagsvlieg
Het afgelopen jaar zette de Mestbank in heel Vlaanderen een actie op rond de MAP-meetpunten.
Een oordeelkundige bemesting van de gebruikspercelen komt de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater ten goede. Niet onlogisch dus dat de Mestbank zoveel mogelijk landbouwers wil stimuleren om de juiste bemestingspraktijken toe te passen. Het afgelopen jaar zette de Mestbank in heel Vlaanderen een actie op rond de MAP-meetpunten. Johan Decrop, Dienst Handhaving Mestbank: “We hebben nog werk voor de boeg om alle landbouwers bewust te maken van hun rol in het verhaal. Draagvlak voor deze actie hadden we in elk geval: de hoofdmoot van de deelnemende landbouwers was enthousiast over ons initiatief. Vooral de bedrijfsbezoeken en de persoonlijke contacten werden positief onthaald. Zowel aan de landbouwers als aan de Mestbank nu de uitdaging om het effect van deze actie ook te laten voortduren.”
MAP-meetpunten aan de basis Teveel mest heeft een nefaste invloed op de kwaliteit van de Vlaamse wateren. Het MAP-meetnet van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) meet de kwaliteit van het oppervlaktewater op voor de landbouw relevante meetplaatsen. Deze meetresultaten geven de landbouworganisaties feedback over de gevolgen van de (gewijzigde) bemestingspraktijken op de kwaliteit van het oppervlaktewater. De landbouworganisaties benutten op hun beurt de metingen om hun leden te informeren, te sensibiliseren en te motiveren. Johan Decrop: “Precies deze MAP-meetpunten zijn het onderwerp van ons gerichte en intensieve toezicht in 2005. In elke provincie hebben we in samenspraak met de VMM één VHA-zone geselecteerd met een gemiddeld resultaat tussen 50 en 80 mg nitraat/l - een beperkte overschrijding dus van de nitraatnorm - en die bovendien al meer dan zes keer
Mestbank 67
werd bemonsterd. De redenering is dat in deze gebieden, mits een oordeelkundige bemesting volgens de code van goede landbouwpraktijk, de norm van 50 mg nitraat/l haalbaar is.” Drie speerpunten De actie bestond uit drie luiken: een voorlichtingsvergadering in elke regio, bedrijfsbezoeken door inspecteurs van de Mestbank en een enquête waarbij - direct of indirect - meer dan 1 000 landbouwers betrokken waren. De voorlichtingen werden eind 2004 gehouden, samen met de VMM en het Departement Landbouw en Visserij. “De enquête spitste zich toe op diverse aspecten van bemesting en mestaanwending, zoals het opslaan van mest op een kopakker of het emissiearm aanwenden van mest. We vroegen de landbouwers bijvoorbeeld ook of ze zelf bemesten of ervoor kiezen om dit te laten doen, of ze zelf hun mestbalans opstellen, de mestafzetdocumenten zelf nalezen enzovoort. Ook polsten we naar de kennis van het Mest-Internet-Loket.” Afstandsregels heikel punt Uit de actie van de Mestbank zijn heel wat verbetermogelijkheden naar boven gekomen. “Een belangrijke vaststelling is dat landbouwers geneigd zijn een lagere bemesting bij teelten als vlas, granen en aardappelen te compenseren met overbemesting op andere percelen, vooral grasland en maïs. Overbemesting van bepaalde percelen heeft een belangrijk aandeel in de nitraatvervuiling: deze praktijk moeten we dus tegengaan. Ook de afstandsregels tot de waterlopen blijken een heikel punt: maar liefst 57 % van de landbouwers blijkt deze regels niet te kennen. Verder laat de kwaliteit van de mestopslagen vaak te wensen over.” Dit alles wijst er dus op dat er nog werk aan de winkel is vooraleer het oordeelkundig bemesten door alle landbouwers wordt toegepast. Johan Decrop: “We hebben zelf ook geleerd uit de actie: zo bleek in de provincie Antwerpen dat de intensieve glastuinbouw een aanzienlijke impact kan hebben op
“
DE AFSTANDSREGELS TOT DE WATERLOPEN BLIJVEN EEN HEIKEL PUNT: MEER DAN DE HELFT VAN DE LANDBOUWERS BLIJKT DEZE NIET TE KENNEN.
“
de waterkwaliteit. Een duurzame oplossing voor het drainwater uit deze serres dringt zich dan ook op.” Blijvend aandachtspunt De actie rond de MAP-meetpunten heeft heel wat informatie opgeleverd die de Mestbank nuttig kan gebruiken voor het verder uitstippelen van haar handhavingsbeleid. “Toch stellen we vast dat een eenmalige actie, hoe intensief ook, het gedrag van de landbouwers nog niet blijvend wijzigt. We merkten bijvoorbeeld dat na verloop van tijd gewenning optrad en dat landbouwers na enkele maanden opnieuw onzorgvuldiger omgingen met de afstandregels tot waterlopen en de emissiearme aanwending. Om deze actie een vervolg te geven, plannen we in 2006 een intensieve opvolging van de correcte bemesting op perceelsniveau. We zullen hierbij vooral de bemesting van gemelde transporten controleren. Verstandig bemesten blijft dus onze aandacht hebben, ook de komende jaren.”
Het OC GIS-Vlaanderen aan de vooravond van een nieuwe start
OC-GIS
2
005 betekende voor het OC GISVlaanderen een keerpunt. In het kader van het Beter Bestuurlijk Beleid werd immers beslist dat deze VLM-afdeling vanaf 2006 als extern verzelfstandigd agentschap (EVA) fungeert: het Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen (AGIV). In de aanloop naar dit nieuwe statuut wist het OC GIS-Vlaanderen het afgelopen jaar nog heel wat te realiseren.
69
OC-GIS 70
Bakens voor het Vlaamse geo-databeleid
“
Grijze zone uit te klaren
DE OMZETTING VAN EEN EUROPESE RICHTLIJN GEEFT BINNENKORT EEN OMVATTEND KADER VOOR HET HERGEBRUIK VAN GEODATA. Joris Sanders
Stuurgroep stippelt geo-databeleid uit De beschikbaarheid van betrouwbare geografische informatie is een beleidsprioriteit voor de Vlaamse Regering. Het samenwerkingsverband GIS-Vlaanderen organiseert het gebruik van geografische informatie tussen de Vlaamse overheid, de provincies en de gemeenten. De Stuurgroep GIS-Vlaanderen is het sturend orgaan van dit samenwerkingsverband: zij zet de bakens uit voor het geo-databeleid in Vlaanderen. Dit overlegorgaan is belast met de beleidsvoorbereiding van GISVlaanderen en heeft de belangrijke taak om de ontwikkelingsrichting van GIS-Vlaanderen uit te werken. De Stuurgroep legt de prioritaire projecten voor het OC GIS-Vlaanderen vast, bepaalt de voorwaarden voor verspreiden van de ontwikkelde geo-data en verricht ook heel wat beleidsvoorbereidend werk.
“
Joris Sanders afdelingshoofd OCGISVlaanderen: “Het afgelopen jaar werden in de Stuurgroep enkele essentiële kwesties voor het geo-databeleid aangekaart. Zo besteedde de Stuurgroep volop aandacht aan de ‘grijze zone’: dit zijn de gebruikers die geen lid zijn van GIS-Vlaanderen, maar toch aan gemeentelijke of provinciale dienstverlening doen (brandweer, politie, polders en wateringen, …). Om de wenselijke aanpak en de voorwaarden voor de verwerving van geo-data voor deze instanties uit te klaren, heeft het OC GIS-Vlaanderen in opdracht van de Stuurgroep deze problematiek juridisch onderzocht. Terzelfdertijd is het wachten op de Europese richtlijn rond hergebruik van overheidsinformatie. De omzetting van deze richtlijn naar een Vlaams decreet is lopende, waardoor er binnenkort in Vlaanderen een omvattend kader zal zijn voor het hergebruik van geodata.” Een ander onderwerp waarover de Stuurgroep zich boog, zijn de kerndata - dit zijn data die van fundamenteel belang zijn voor het samenwerkingsverband. Welke data als kerndata beschouwd worden en aan welke voorwaarden moeten ze voldoen (kwaliteit, frequentie van updating, sluitende afspraken met eigenaars, …): de grote lijnen werden uitgezet in 2005. Een eerste voorstel van kerndata werd goedgekeurd door
OC-GIS
Het GRB op volle toeren
71
GRB, de geografische referentie voor Vlaanderen Beheerders die dagelijks op het terrein interventies uitvoeren - technische overheidsdiensten, wegbeheerders en nutsbedrijven - hebben nauwkeurige topografische kaarten nodig. Daarom heeft de Vlaamse Regering in 2001 de opdracht gegeven aan het OC GISVlaanderen om een grootschalig detailplan van Vlaanderen op te maken. Het GRB wordt per gemeente aangemaakt en vormt een geografische referentie waarop allerhande gegevens kunnen worden geënt. Het bestaat uit gebouwen, adressen, percelen, wegen, kortom objecten waaraan informatie kan gekoppeld worden: kadastrale gegevens, bevolkingsgegevens, vergunningen. Gedurende twaalf jaar wordt er gewerkt aan deze basisplannen van alle Vlaamse gemeenten. De voortgang van het GRB is permanent op te volgen via de website van GIS-Vlaanderen (www.gisvlaanderen.be).
Vier GRBeindproducten De uitvoering van het Grootschalig Referentiebestand (GRB) verloopt volgens plan. Het OC heeft het afgelopen jaar 29 nieuwe projecten opgestart. In totaal werkt ze nu aan een zestigtal gemeenten. Van vier gemeenten werd al een eindproduct ter beschikking gesteld: Geetbets, Laakdal, Brasschaat en Gent-Zuid.
“
OOK VOOR DE BURGER HOUDT HET GRB GROTE VOORDELEN IN: DE DIENSTVERLENING VAN DE OVERHEID WORDT ER KWALITATIEF BETER OP EN WINT OOK AAN SNELHEID. Joris Sanders
“
Joris Sanders: “Deze release werd door minister Kris Peeters voorgesteld aan de pers op 9 september 2005 in Brasschaat. Van deze persconferentie maakten we gebruik om te demonstreren dat het gebruik van het GRB de administratieve proces-
sen van de gemeenten behoorlijk vereenvoudigt. Ook voor de burger houdt dit voordelen in: de dienstverlening wordt er immers kwalitatief beter op en wint ook aan snelheid.”
Heffingsregeling voor een sluitende financiering Ook voor de komende jaren denkt het OC de planning van het GRBbusinessplan te kunnen aanhouden. Het uitvoeringskader voor het GRB is nu immers grotendeels vastgelegd. Na de goedkeuring van het GRB-decreet in 2004 werden het afgelopen jaar verschillende uitvoeringsbepa-
Gedurende twaalf jaar wordt er gewerkt aan basisplannen van alle Vlaamse gemeenten.
OC-GIS 72
lingen wettelijk vastgelegd. “Zo zijn de voorwaarden voor toegang tot dit referentiebestand voortaan geregeld via een uitvoeringsbesluit. Ook de heffingsregeling, die de regels vastlegt voor de financiering via de nutsmaatschappijen en vanaf 2006 in werking kan treden, is een belangrijke mijlpaal.” Voor de nabije
toekomst wordt nog een uitvoeringsbesluit verwacht dat een vergoeding vastlegt voor het recupereren van bestaande gegevens voor het GRB en een uitvoeringsbesluit dat de toegang voor derden (anderen dan de deelnemers aan GIS-Vlaanderen en de netbeheerders) regelt.
HET GRB EN DE GEMEENTEN
“Brasschaat werkt sneller dankzij digitale kaart van het Vlaamse Gewest” Een groot deel van de informatie die van belang is voor het gemeentelijke beleid, is verbonden aan een bepaalde plaats in de gemeente. Tot voor kort bestond er in Vlaanderen geen geografische kapstok om deze informatie aan op te hangen, waardoor de informatie-uitwisseling en de afstemming tussen de verschillende diensten niet altijd van een leien dakje liep. Het GRB vult deze behoefte in. In Vlaanderen staat Brasschaat vandaag het verst in het gebruik van het GRB: de gemeente realiseert hierdoor een betere dienstverlening naar de burger. De tijdsbesparing is merkbaar omdat men kaarten en dossiers in de kast kan laten: de informatie is immers bereikbaar via enkele muisklikken. Zo werd in het kader van het PEGASUS-plan Antwerpen onderzocht hoe tram 3 best kon doorgetrokken worden tot het centrum van Brasschaat. Hierbij werd het GRB gebruikt om in functie van de bevolkingsdichtheid geschikte haltes te kiezen. Het GRB was ook het basisplan om de spoorlijnen van de tram nauwkeurig aan te duiden. Hierdoor is een snellere realisatie van de werken mogelijk, met minder hinder voor de bevolking. Het gebruik van het GRB binnen de gemeente laat ook toe om burgers snel informatie te verstrekken.
Bijhouding wordt cruciaal Nu de definitieve GRB-producten worden uitgebracht, is de tijd rijp voor een operationele methode om het GRB bij te houden. Opdat deze dure terreininformatie bruikbaar zou blijven, is het immers noodzakelijk alle gegevens actueel te houden. Joris Sanders: “In 2005 hebben we hiervoor de nodige voorbereidingen getroffen. Onder meer de rol van de gemeenten, de interne organisatie en de meldingsprocedure voor wijzigingen kwamen aan bod. GRBgebruikers die actief zijn in gebieden waarvoor een GRB-product beschikbaar is, of waarvoor een GRB-kartering opgestart is, konden het afgelopen jaar tijdens twee infosessies kennis maken met de ‘voorlopige meldingsprocedure’. Met de registratie van een 25-tal projecten starten we in 2006.” De hoeksteen van de GRB-bijhouding vormen de skeletbestekken, die meer en meer als standaard worden aanzien in de landmeterswereld. Het afgelopen jaar heeft het OC deze bestekken verder ontwikkeld.
OC-GIS
Het Kabels- en Leidingen Portaal is uitgetekend
73
In 2005 werd het Kabel en Leiding Informatie Portaal (KLIP) voorbereid, een opdracht die het jaar voordien op expliciete vraag van minister Peeters bij het OC GIS-Vlaanderen terechtkwam. Dit gebeurde naar aanleiding van de gasramp in Gellingen. Na deze ramp was het voor iedereen duidelijk dat bij grondwerken het beschikken over kabel- en leidinggegevens van groot belang is. In de eerste plaats gaat het om de veiligheid, maar daarnaast kunnen ook de kosten van schade aan leidingen hoog oplopen.
Tot een minimum beperken Joris Sanders: “De bedoeling van het KLIP is ten behoeve van de planaanvraag informatie over de aanwezigheid van kabels en leidingen op straatniveau beschikbaar te maken via een internetloket. Dankzij KLIP zal de kabel- en leidinginformatie die bij de individuele kabel- en leidingbeheerders aanwezig is beter en sneller ontsloten worden. Een planaanvrager, bijvoorbeeld een aannemer van graafwerken of een nutsbedrijf, zal met KLIP op eenvoudige wijze een overzicht krijgen van alle kabel- en leidingbeheerders die in het beoogde werkgebied aanwezig zijn. Schade aan kabels en leidingen moet daardoor
tot een minimum kunnen vermeden worden.” Het OC heeft in 2005, in samenwerking met openbare besturen, aannemers en netbeheerders, de functionaliteiten van het KLIP-portaal vastgelegd. Naar verwachting zal een eerste operationele versie van het KLIP in september 2006 klaar zijn voor lancering. Het project KLIP werd in 2005 al op enkele symposia voorgesteld: ‘Werken in de nabijheid van ondergrondse kabels en leidingen’ (Brussel), op initiatief van de Vlaamse Confederatie Bouw en ‘Geheimen van de Ondergrond’ (Gent), op initiatief van de Stad Gent.
“
HET KLIP MOET TOELATEN SCHADE AAN KABELS EN LEIDINGEN IN DE TOEKOMST TOT EEN MINIMUM TE BEPERKEN. Joris Sanders
“
“Na de gasramp in Gellingen, was voor iedereen duidelijk dat kabelen leidinggegevens broodnodig zijn.”
OC-GIS 74
Elektronische dienstverlening: GIS als wijdverspreid instrument Transparant, toegankelijk en gebruiksvriendelijk Het OC GIS-Vlaanderen maakt beleidsrelevante ruimtelijke informatie online consulteerbaar via elektronische diensten. Met SPIDI (Spatial Information Directory), de metadatabank van GIS-Vlaanderen, kan de gebruiker op zoek gaan naar een bepaalde dataset. Met Geo-Vlaanderen kan hij vervolgens de dataset bekijken en desnoods bevragen. Via GIRAF (Geographical Information Retrieval Application for Flanders), een online ‘shopping’ catalogus, biedt het OC een praktisch medium aan om geselecteerde datasets te bestellen. De elektronische dienstverlening van GIS-Vlaanderen wordt in de eerste plaats uitgebouwd voor de professionele partners van het samenwerkingsverband. Daarnaast wil GIS-Vlaanderen de GIS-producten ook bereikbaar maken voor een breed publiek. Zo levert het samenwerkingsverband een bijdrage aan de uitbouw van een Vlaams e-government. De kruispuntsite Geo-Vlaanderen is hiervan een treffend voorbeeld. En de gebruiksvriendelijkheid zal er in de toekomst alleen maar op vooruitgaan. Joris Sanders: “We willen onze elektronische dienstverlening nog transparanter, toegankelij-
ker en gebruiksvriendelijker maken. De bestaande elektronische diensten Geo-Vlaanderen, SPIDI, GIRAF, FLEPOS en de algemene website worden geïntegreerd. Ze zullen op een transparante en meer logische manier samengebracht worden in de website van GIS-Vlaanderen. In een eerste fase hebben de geo-loketten SPIDI, GIRAF en Geo-Vlaanderen al een nieuwe look gekregen. De overige lo-
“
NAAST DE AFGEWERKTE PRODUCTEN OP CD-ROM OF VIA DE WEBSITE, WILLEN WE OOK DATA EN SOFTWARECOMPONENTEN RECHTSTREEKS TER BESCHIKKING STELLEN VAN DE GEBRUIKERS. Joris Sanders
“
ketten worden één voor één afgewerkt in 2006.”
Webservices zorgen voor kentering Toepassingen (b.v. de geoloketten van Geo-Vlaanderen) die kant-enklaar kunnen gebruikt worden door de eindgebruiker, blijven deel uitmaken van het dienstenaanbod van GIS-Vlaanderen. Toch sloeg het OC GIS-Vlaanderen op het gebied van de elektronische dienstverlening het afgelopen jaar een nieuwe weg in. Het OC trekt voluit de kaart van de webservices, een jonge technologische evolutie in de sector die stilaan de volwassenheid bereikt. Joris Sanders: “Naast de afgewerkte producten die de gebruiker kan bestellen op Cd-rom of via de website van GIS-Vlaanderen, willen we ook data en softwarecomponenten rechtstreeks ter beschikking stellen van de gebruikers, die deze autonoom kunnen inpassen in hun eigen applicaties. Via het internet wordt zo een gebundelde uitwisseling van informatie, diensten en intelligentie tussen computersystemen mogelijk.” Webservices hebben een belangrijk aandeel in de verbetering en optimalisatie van communicatie tussen computers. Voor GIS-Vlaanderen zijn ze daarom een krachtig instrument
OC-GIS Het OC gaat de bestaande geo-loketten verder integreren. 75
om verder invulling te geven aan de opdrachten die haar bij decreet zijn toegewezen. In 2005 heeft het OC de technologie van de webservices voor het eerst toegepast in een testversie van de CRAB-webservice. “Deze webservice werd in de tweede helft van 2005 getest door enkele gebruikers. Deze test had vooral als doel om potentiële gebruikers duidelijk te maken welke de mogelijkheden zijn met dergelijke services. De huidige geoloketten maken al gebruik van deze CRAB-webservice. Voorlopig is ze nog beperkt toegankelijk. In de testfase worden zowel het systeem als de webservice zelf op hun stabiliteit en performantie bekeken.” Het OC GIS-Vlaanderen zal deze geografische service tegen midden 2006 in exploitatie brengen.
Via overleg naar betere GIS-netwerken Het finale doel van GIS-Vlaanderen is te komen tot een gedistribueerd netwerk van data en diensten rond geografische gegevens in Vlaanderen, dat kan communiceren met netwerken in de andere gewesten, het federale niveau, onze buurlanden en Europa. Joris Sanders: “Ook het afgelopen jaar hebben we veel aandacht besteed
aan de samenwerking met andere overheden en initiatiefnemers in de sector. In de schoot van STRATEGIS, het Belgische overlegplatform over geografische informatie, werd via een overeenkomst met het Kadaster een belangrijke doorbraak gecreëerd, waarmee we het inwinnen van kadastrale gegevens voor de toekomst veilig hebben gesteld. Voor het OC GIS-Vlaanderen betekent dit een belangrijke kostenbesparing bij het updaten van datasets.” Ook op Europees vlak, via het Europese GIS-initiatief INSPIRE, heeft het OC GIS-Vlaanderen haar rol als actieve en dynamische partner gespeeld. “In het Europees Parlement wordt momenteel gediscussieerd over een ontwerp GIS-richtlijn die tot doel heeft om te komen tot een betere ondersteuning van het Europees GIS-beleid. De bedoeling is de ruimtelijke gegevens die elke lidstaat bijhoudt, te verzamelen, uit te wisselen en via het internet voor het
publiek toegankelijk te maken. Deze Europese GIS-richtlijn-in-wording impliceert mogelijke wijzigingen van het GIS-decreet en is dus voor de werking van het OC GIS-Vlaanderen van essentieel belang. Door proactief op deze Europese ontwikkelingen in te spelen, willen we de slagkracht van Vlaanderen in de geografische informatiegemeenschap versterken.”
“
VIA EEN OVEREENKOMST MET HET KADASTER WERD EEN BELANGRIJKE DOORBRAAK GECREËERD, WAARMEE HET OC HET INWINNEN VAN KADASTRALE GEGEVENS VOOR DE TOEKOMST VEILIG HEEFT GESTELD. Joris Sanders
“
Onze organisatie in beeld
Organisatie 77
I
n wat voorafging, kon de lezer kennismaken met de inhoudelijke werking en de kernactiviteiten van de VLM. Aan de basis van al deze projecten ligt echter een sterke organisatie en daarover gaat dit hoofdstuk. Zorgen voor vorming en ontplooiing van talenten, voor een kwaliteitsvolle leiding en begeleiding, voor materiĂŤle ondersteuning, voor communicatie - zowel binnen de organisatie als naar buiten toe - voor de nodige budgetten, voor performante informaticasystemen: al deze taken zijn van grote betekenis voor alles wat de VLM aanpakt. Voortaan krijgen deze taken vorm in een vernieuwde organisatie, die de VLM nog meer tot een geoliede machine moet maken.
Organisatie
Organisatiestructuur
78
De VLM is als Extern Verzelfstandigd Agentschap (EVA) werkzaam in het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie. Naast een hoofdkantoor in Brussel, heeft de VLM voor de uitvoering van haar projecten in elk van de vijf provincies een provinciale afdeling. De centrale afdelingen Landelijke Inrichting, Mestbank en Platteland zorgen voor de aansturing van de taken en opdrachten. De ondersteunende afdelingen hebben de algemene
diensten, de informatica en GIS-VLM onder hun vleugels. De provinciale afdelingen verzorgen de uitvoering op het terrein: via deze plaatselijke loketten is de VLM bereikbaar over heel Vlaanderen en toegankelijk voor wie een beroep wil doen op haar diensten. In 2005 kreeg de VLM een nieuwe organisatiestructuur toegemeten, opgebouwd uit afdelingen, diensten en cellen. De afdeling Platteland is een nieuwe afdeling, die op vraag
RAAD VAN BESTUUR Herman Herpelinck, voorzitter Paul Van Snick, ondervoorzitter Frans Cornelis, regeringscommissaris DaniĂŤl Ketels, regeringscommissaris
Relinde Baeten Huub Broers Brenda Bussche Sonja Claes Annie Desmedt Marcel Engelborghs Rudi Gotzen Joris Giebens Jean-Claude Laurent Riet Leynen Dirk Otte Yvan Ottenbourgh Erik Rombaut Jos Rutten Isabelle Vertriest
van minister-president Yves Leterme in de schoot van de VLM werd opgericht. De VLM wordt geleid door een raad van bestuur en een directieraad, die bestaat uit de administrateurgeneraal en zijn adjunct, stafleden en de afdelingshoofden, zowel van de centrale als de provinciale afdelingen. De directieraad kreeg er in 2005 met Paul Van der Sluys - afdelingshoofd van de nieuwe afdeling Platteland - een nieuw gezicht bij.
DIRECTIERAAD ir. Roland de Paepe, gedelegeerd bestuurder ir. Guido Clerx, adjunct-administrateur-generaal, wnd.
Algemene Diensten: Ann De Baerdemaeker Informatica en GIS-VLM: ir. Guido Clerx Platteland: Paul Van Der Sluys Landelijke Inrichting: ir. Griet Celen Mestbank: ir. Dirk Struyf Staflid: ir. Frans Gevaert
Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen* : Joris Sanders
PA Vlaams-Brabant: ir. Nico Bogaert PA West-Vlaanderen: ir. Toon Denys PA Oost-Vlaanderen: ir. Roland Vancauwenberghe PA Antwerpen: Ria Gielis PA Limburg: ir. Renilde Deckers
Organisatie
en leiding
79
ir. Roland de Paepe, gedelegeerd bestuurder ir. Guido Clerx, adjunct-administrateur-generaal, wnd. Woordvoerder en PR Jan Mosselmans Planningsverantwoordelijke ir. Toon Dobbelaere
Staflid ir. Frans Gevaert
Interne dienst veiligheid & preventie Geert Bogaert
Emancipatie-ambtenaar Anita Meesschaert
Algemene Diensten: Ann De Baerdemaeker Informatica en GIS-VLM: ir. Guido Clerx VLM West-Vlaanderen: ir. Toon Denys Platteland: Paul Van Der Sluys
VLM Oost-Vlaanderen: ir. Roland Vancauwenberghe
Landelijke Inrichting: ir. Griet Celen
VLM Antwerpen: Ria Gielis
Mestbank: ir. Dirk Struyf
VLM Limburg: ir. Renilde Deckers
Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen*: Joris Sanders
staf leidende ambtenaren
VLM Vlaams-Brabant: ir. Nico Bogaert
ondersteunende afdelingen
kernafdelingen
provinciale afdelingen
* In 2006 werd het OC GIS-Vlaanderen een Extern Verzelfstandigd Agentschap onder de naam Agentschap voor Geografische Informatie (AGIV)
Organisatie 80
Interne communicatie, motor voor een sterke organisatie Een goede interne communicatie legt de basis voor een krachtige organisatie. Ze leidt ook tot een beter en efficiënter beleid, en daarvan profiteert niet alleen de organisatie zelf. Ann De Baerdemaeker, afdelingshoofd algemene diensten: “Wanneer intern alles gestroomlijnd verloopt, dan plukken ook onze doelgroepen en klanten hiervan de vruchten. Een goede informatiedoorstroming zorgt voor betrokkenheid en voor een actieve bijdrage van alle medewerkers aan de opdracht van de VLM. Dit leidt ook tot een betere dialoog met de partners en een kwaliteitsvolle dienstverlening aan onze klanten. Om die reden gaven we het afgelopen jaar extra veel aandacht aan intern communiceren, met initiatieven zoals een nieuw intranet en een Document Management Systeem.” Het VLM-intranet en het Document Management Systeem dienen niet alleen om informatie efficiënt te verspreiden, maar lenen zich ook tot documentbeheer en gebruik als interactief forum voor competentiegroepen of andere geïntegreerde toepassingen, zoals veelgestelde vragen over juridische aspecten.
Organisatie 81
Nog een nieuw initiatief rond intern communiceren, is de elektronische nieuwsbrief met recente beleidsbeslissingen. “Vroeger legde de informatie over nieuwe wetgeving of regelgeving in wording vaak een hele weg af voor ze bij alle betrokken werknemers terecht kwam. Gaandeweg merkten we dat de informatie wel eens vervaagde, dat nuances verloren gingen of dat niet iedereen de gewenste berichten kreeg. Nu krijgt iedere medewerker wekelijks een bericht met belangrijk nieuws van de wetgever, heet van de naald en rechtstreeks in zijn mailbox. Zonder uiteraard afbreuk te doen aan de bestaande officiële kanalen van berichtgeving binnen de Vlaamse overheid.” Ook een elektronisch agendabeheer via het intranet draagt bij aan de efficiëntie en transparantie binnen de VLM. Guido Clerx, afdelingshoofd
informatica en GIS-VLM: “Vroeger hadden het centrale bestuur én elke provinciale afdeling een eigen systeem voor het inbrengen en communiceren van weekplanningen en agenda’s. Het afgelopen jaar hebben we een uniforme toepassing ontwikkeld die alle medewerkers binnen de VLM toelaat hun agenda te plannen in een centrale databank, vergaderverzoe-
“
ken te lanceren en reservaties te doen. De afdelings- en diensthoofden en de secretariaten hebben zo een zicht op de planning van de medewerkers. We vermijden hierdoor heel wat onnodig opzoekwerk.” Verder werd het afgelopen jaar binnen de VLM uitvoerig gecommuniceerd over het Strategisch Plan. Meer hierover leest u op p 85.
WANNEER INTERN ALLES GESTROOMLIJND VERLOOPT, DAN PLUKKEN OOK ONZE DOELGROEPEN EN KLANTEN HIERVAN DE VRUCHTEN. Ann De Baerdemaeker
“
Organisatie 82
Naar een uniek e-loket voor de VLM
Guido Clerx
De VLM bouwt mee aan het e-government, een initiatief waarmee de Vlaamse overheid werkt aan een betere en geïntegreerde elektronische dienstverlening. Zo werd de afgelopen jaren een aantal websites en e-loketten ontworpen: het Land Management Informatie Systeem (LMIS), het loket recht van voorloop, het loket beheerovereenkomsten, … Bijblijven Guido Clerx: “In de snel veranderende ICT-omgeving is het essentieel voor de VLM om bij te blijven. Daarnaast willen we blijven voldoen aan de talrijke vragen in het kader van het e-government. We hebben daarom nood aan een raamwerk, dat moet toelaten om onze internetprojecten verder uit te bouwen tot een samenhangend geheel. Door te werken met bouwste-
nen en open standaarden dragen we bij aan een duurzame samenwerking met onze partners. We willen hiermee klaar staan voor een integratie met een uniek loket op Vlaams niveau.” De komende vijf jaar zal de VLM de verschillende onderdelen van dit ambitieuze project gefaseerd aanpakken. Onder meer de VLM-website, de bestaande e-loketten, het nieuwe Mest Internet Loket (MIL), het loket recht van voorkoop en diverse teamen projectsites worden geïntegreerd. Toegankelijk web-label Het raamwerk wordt ontworpen volgens de criteria van het ‘toegankelijk web-label’. Dit is een kwaliteitslabel dat de Vlaamse overheid toekent aan overheidswebsites en -webtoepassingen die goed toegankelijk zijn voor personen met een handicap.
De VLM digitaal, met een veilig gevoel De bouw van een e-government voor de VLM gaat gepaard met netwerken en samenwerkingsverbanden, waarbij de uitwisseling van elektronische gegevens hand over hand toeneemt. De beveiliging van al deze gegevens is geen overbodige luxe. Het levert de organisatie niet alleen een goede werking en een positief imago op, maar voorkomt ook financiële verliezen. En ook voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de burger moet de overheid de beveiliging van gegevens kunnen garanderen. Dit VLM-project werd in 2005 onder toezicht van het Agentschap voor Landbouw en Visserij in de steigers gezet. De verdere uitwerking is gepland voor 2006.
Organisatie
Het klachtenbeheer ingeburgerd
83
Wie ontevreden is over de werking of de handelingen van de Vlaamse overheidsdiensten, kan hierover klacht indienen. De bepalingen en procedures hiervoor zijn vastgelegd in het Klachtendecreet. In 2004 heeft de VLM een efficiënt klachtenbeheer geïnstalleerd met een rapporteringssysteem dat voldoet aan de normen van dit decreet. Vanaf 2005 maken alle afdelingen van dit systeem gebruik. Klachten worden beter herkend Waar het eerste jaar het aantal geregistreerde klachten vrij laag bleef, werden in 2005 meer klachten geregistreerd. Ann De Baerdemaeker: “Dat komt omdat de klachten nu beter herkend en dus geregistreerd worden. In de beginperiode werden klachten vaak nog op informele wijze opgelost en bleven op die manier ongeregistreerd. De klachtherkenning is nu ingeburgerd in heel de VLM, mede dankzij een gerichte opleiding die alle medewerkers kregen.” Het doel van het klachtenmanagement is niet enkel klachten te herkennen, maar ook te leren uit de klachtenbehandeling voor de toekomst. “De klachtencoördinator en de Vlaamse ombudsman hebben hun aanbevelingen op papier gezet en daarmee willen we in de toekomst terdege rekening houden. Door deze proactieve aanpak wil de VLM in de toekomst de klachten zoveel mogelijk vóór zijn.” Informatisering van de klachten Naarmate het klachtenbeheer ingang vindt, groeit ook de behoefte aan een geïnformatiseerd klachtensysteem. De VLM heeft een dergelijk systeem
Een blik op de klachten in 2005 Jaarlijks vóór 10 februari brengt de VLM verslag uit over alle klachten van het afgelopen jaar bij de Vlaamse Ombudsdienst. Dit verslag geeft een overzicht van de binnengekomen klachten en een beschrijving van de behandeling van deze klachten. Een bondig overzicht leert dat het gros van de ingediende klachten in 2005 ontvankelijk en gegrond was. De meerderheid van de gegronde klachten werd opgelost of minstens gedeeltelijk opgelost. De klachten kwamen meestal rechtstreeks via de burger binnen, via de telefoon gevolgd door een brief. De meeste klachten waren bestemd voor de Mestbank en gingen over administratieve geldboetes, over de communicatie bij het uitvoeren van staalnamen door erkende labo’s in opdracht van de Mestbank, over de briefwisseling van de Mestbank en over de toegankelijkheid van het MIL- en MTIL-systeem. Er kwamen ook klachten binnen over de beheerovereenkomsten, namelijk over de beslissing tot terugvordering of niet-uitbetaling van de beheersvergoeding. Tevens werd er een aantal klachten over ruilverkaveling geregistreerd. Zowel de klachtencoördinator als de Vlaamse ombudsman heeft hierover zijn aanbevelingen geformuleerd, die de VLM meeneemt in haar werking. Dat de VLM haar klachtenbeheer ter harte neemt, blijkt uit de woorden van Vlaams ombudsman Bernard Hubeau bij de voorstelling van zijn zevende jaarverslag: “Heel wat Vlaamse overheidsdiensten kunnen hun klachtenbehandeling nog verbeteren. Sommige diensten zoals … en de Vlaamse Landmaatschappij leveren goed werk inzake klachtenbehandeling, maar andere diensten investeren er te weinig in”, aldus de ombudsman. Hij wil dat dit verbetert:,,Klachten zijn niet altijd prettig, maar wel nuttig’’.
begin 2006 gelanceerd. Guido Clerx: “De hele weg die de klacht aflegt, van op het moment dat hij wordt geformuleerd tot aan de bundeling bij de klachtencoördinator en het verslag aan de Vlaamse ombudsman, verloopt nu via het informatiesysteem. Doorheen dit hele traject hebben alle dossierbeheerders inzage in de kennisbank die hieraan gekoppeld is.” En ook de komende jaren zal het
accent liggen op een verdere informatisering. “In 2006 zal het informatiesysteem voor klachten worden verbreed naar informatieaanvragen. We zullen dan in staat zijn om externe informatieaanvragen op een analoge manier af te handelen als de klachten. Deze uitbreiding komt tegemoet aan onze registratieplicht van informatieaanvragen in het kader van de openbaarheid van bestuur.”
Organisatie 84
EFFICIËNTIE , EENVOUD EN MAATWERK
SCOOP: de VLM in beweging
De burger stelt hoge eisen aan de dienstverlening van de overheid. SCOOP brengt vernieuwing om hierop een antwoord te bieden.
Het werkingsveld van de VLM neemt alsmaar toe. En ook het VLM-takenpakket dikt aan: de taken worden complexer en beperken zich allang niet meer tot de oorspronkelijke opdrachten. Om in deze boeiende en bewegende omgeving ook als organisatie mee te groeien, lanceerde de VLM het veranderproject SCOOP. Deze denkoefening heeft onder andere een nieuw organisatiemodel en aangepaste overlegstructuren opgeleverd. ”De VLM durft kritisch naar zichzelf te kijken en heeft zelfs de ambitie om de ontwikkelingen een stap vóór te zijn. Deze mentaliteit maakt ons tot een lerende organisatie die haar plaats inneemt in een sterk veranderend beleidsdomein”, zo meent Ann De Baerdemaeker, afdelingshoofd algemene diensten van de VLM. Verandering troef Aanleidingen om een intern veranderproject op te starten, waren er voor de VLM genoeg. “In de eerste plaats stonden we aan de vooravond van het grootscheepse vernieuwingsproject Beter Bestuurlijk Beleid van de
Vlaamse overheid. Daarnaast zorgde de regeringswissel voor een nieuwe koers met andere accenten. En ook vanuit de samenleving vingen we signalen op. Veel van onze thema’s staan immers hoog op de maatschappelijke agenda: inrichting, plattelandsbeleid, recreatie, mestproblematiek, … De burger stelt hoge eisen aan de kwaliteit van zijn leefomgeving en aan de overheid. De nood aan participatie en draagvlak neemt toe, alsook de aandacht voor flexibel, vraaggestuurd en maatgericht werken. Maar ook intern gingen er stemmen op om de hele VLM-organisatie te herbekijken, op een frisse manier en door een andere bril.” Eind 2004 werd de beslissing genomen om het vernieuwingstraject SCOOP op te starten onder begeleiding van een externe consultant. Drie speerpunten SCOOP brengt vernieuwing op drie fronten. In de eerste plaats werd er een nieuw Strategisch Plan uitgedacht, gedragen door het credo “De VLM, uw partner in de open ruimte.” Een tweede opzet was een nieuwe organisatiestructuur en -cultuur voor de VLM. De krachtlijnen van deze twee sporen moesten ten slotte worden doorvertaald naar het beheerscontract met de Vlaamse Regering in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid, wat meteen de derde pijler van de operatie was. “Er werd gestart met een uitvoerige interviewronde, die een goed beeld gaf van de ideeën en initiatieven die binnen de VLM leefden, van onze sterktes en zwaktes. Een nieuwe organisatiestructuur met afdelingen, diensten en cellen werd geboetseerd en voor alle geledingen kwamen er taakomschrijvingen. Fundamenteel is ook het nieuwe concept voor samenwerking, overleg en functionering binnen de organisatie, samengebald in twaalf regels. De aandacht voor een efficiënte vergadercultuur, de relatie tussen centraal bestuur en provincia-
Een nieuw Strategisch Plan
Organisatie
Toon Dobbelaere
2005 - 2009 voor de VLM De VLM heeft in 2005 haar nieuw Strategisch Plan overgemaakt aan minister Kris Peeters. Toon Dobbelaere, staflid VLM: “De planperiode van het vorige Strategisch Plan liep op zijn einde: dit was voor de VLM de aanleiding om zich te herbronnen en haar strategie opnieuw te bekijken. In het sterk evoluerende klimaat van vandaag willen we de slagkracht, de doeltreffendheid en de efficiëntie van onze activiteiten blijven verzekeren. We hadden dus nood aan een nieuwe, toekomstgerichte strategie voor de komende vijf jaar. Maar het Strategisch Plan geeft ook aan hoe de VLM wil bijdragen aan het regeringsbeleid. Het vormt dan ook In het sterk evoluerende klimaat van vandaag wil de VLM de slagkracht, de de ruggengraat voor de beheersovereenkomst die doeltreffendheid en de efficiëntie van haar activiteiten blijven verzekeren. de VLM sluit met de Vlaamse Regering in overeenstemming met het Beter Bestuurlijk Beleid.” Basis van het Strategisch Plan blijft het wettelijke takenpakket van de VLM. “Toch is het plan vernieuwend, omdat het werd afgestemd op de veranderende tijdsgeest, de dynamische maatschappij en het evoluerende beleidskader.” Eigen aan het nieuwe Strategisch Plan is dat het een gedragen document is, waaraan veel VLM-medewerkers uit alle geledingen van de organisatie hebben meegewerkt. “Aan het Strategisch Plan ging een uitgebreide interne consultatieronde vooraf. In feite werd een visie die voorheen al groeide, geformaliseerd en uitgeschreven. Dit resulteerde in negen strategische doelstellingen rond de thema’s platteland, bodembeschermingsbeleid, beheerovereenkomsten, kwaliteitsvolle open ruimte, flankerende maatregelen, grondmobiliteit, mestproblematiek, geografische informatie en doeltreffende organisatie. Met de verfrissende ideeën van deze bottom-up benadering hebben deze doelstellingen ook kunnen vertalen naar operationele doelstellingen en strategische projecten, die het geheel concreet maken.” Nu het Strategisch Plan van de VLM op papier staat, is het niet de bedoeling dat het in de archiefkast verdwijnt. “We willen het plan levendig houden over de ganse levensloop. De concrete uitwerking, vertaling en verfijning ervan zal gebeuren aan de hand van jaarplannen, die rekening houden met de realisaties op het terrein. Rond het Strategisch Plan hebben we ook een intern communicatieplan opgemaakt. Het doel hiervan is het plan dichter bij de medewerkers te brengen en het te vertalen naar hun werksituatie. Immers, slechts als onze missie en visie werkelijk leven bij alle medewerkers, zullen onze doelgroepen de VLM als hun partner in de open ruimte ervaren.”
le diensten en het hanteren van een resultaat- en mensgericht leidinggeven zijn hiervan enkele accenten.” De brug tussen papier en realiteit De nieuwe organisatiestructuur oogt fraai op papier, maar moet dat ook in werkelijkheid worden. “Om het organisatieconcept concreet en werkbaar te maken, hebben we een implementatieplan uitgeschreven. Dit plan legt een aantal stappen en acties vast om het nieuwe organisatieconcept te ondersteunen: een opleidingsplan, een communicatieplan, een personeelsbehoeftenplan, ….” Alles bij mekaar is SCOOP een veelomvattend en intens project geworden, dat veel energie heeft
opgeslorpt. “Toch is SCOOP de moeite meer dan waard geweest, voor de VLM, maar ook voor onze klanten. De meer logische structuur, de efficiëntere dossieropvolging, het maatwerk, de winst aan flexibiliteit, eenvoud, teamwerking, haalbaarheid en uniformiteit zijn troeven die maken dat onze service er alleen maar op kan verbeteren.” De VLM wordt dus meer dan ooit een partner, uw partner in de open ruimte. “De meer logische structuur, de efficiëntere dossieropvolging, het maatwerk, de winst aan flexibiliteit, eenvoud, teamwerking, haalbaarheid en uniformiteit zijn troeven die maken dat onze service er alleen maar op kan verbeteren.”
85
FinanciĂŤle Resultaten
87
FinantiĂŤle resultaten
Financiële resultaten
1 . BA LA NS NA WI NST VER DEL IN G (b e d r ag e n i n d u i z e nd e u r o)
ACTIVA
codes
Boekjaar 2005
Vorig boekjaar
VASTE ACTIVA
20/28
22.879
24.383
II. Immateriële vaste activa
21
2.293
1.613
III. Materiële vaste activa
22/27
20.581
22.752
88
A. Terreinen en gebouwen
22
11.426
11.562
B. Installaties.machines en uitrusting
23
788
790
C. Meubilair en rollend materieel
24
2.443
3.603
E.Overige materiële vaste activa
26
5.924
6.797
IV. Financiële vaste activa
28
5
18
C. Andere financiële vaste activa
284/8
5
18
1. Aandelen
284
5
5
2. Vorderingen en borgtochten in contanten
285/8
0
13
VLOTTENDE ACTIVA V. Vorderingen op meer dan één jaar B. Overige vorderingen VI. Voorraden en bestellingen in uitvoering
155.824
29/58 29 291
153.454
23.508 23.508
3
24.702 24.702
57.643
54.567
A. Voorraden
30/36
57.643
54.567
5. Onroerende goederen bestemd voor verkoop
35
57.643
54.567
VII. Vorderingen op ten hoogste één jaar
40/41
74.542
74.015
A. Handelsvorderingen
40
1.065
219
B. Overige vorderingen
41
73.477
73.796
IX. Liquide middelen
54/58
10
7
X. Overlopende rekeningen
490/1
121
163
TOTAAL DER ACTIVA
20/58
178.703
177.837
PASSIVA
codes
Boekjaar 2005
Vorig boekjaar
EIGEN VERMOGEN
10/15
30.833
30.953
I.
Kapitaal
10
72
72
A. Geplaatst kapitaal
100
III.
Herwaarderingsmeerwaarden
12
11.637
11.637
IV.
Reserves
13
11.212
10.773
A. Wettelijke reserve
130
7
7
B. 2. Andere onbeschikbare reserves
1311
2.404
1.965
Financiële resultaten
1 . BA LA NS NA WI NST VER DEL IN G (b e d r ag e n i n d u i z e nd e u r o)
89
VI.
72
72
C. Belastingvrije reserves
132
3.467
3.467
D. Beschikbare reserves
133
5.334
5.334
Kapitaalsubsidies
15
7.912
8.471
16
3.926
5.258
VOORZIENINGEN EN UITGESTELDE BELASTINGEN VII. A. Voorzieningen voor risico’s en kosten
160/5
3.926
5.258
3. Grote herstellingsen onderhoudswerken
162
825
825
4. Overige risico’s en kosten
163/5
3.101
4.433
SCHULDEN
17/49
143.944
141.626
VIII. Schulden op meer dan één jaar
17
101.638
98.228
IX.
D. Overige schulden
178/9
Schulden op ten hoogste één jaar
42/48
C. Handelsschulden
44
2.575
2.926
440/4
2.575
2.926
45
4.227
3.846
1. Belastingen
450/3
566
530
2. Bezoldigingen en sociale lasten
454/9
3.661
3.316
F. Overige schulden
47/48
33.559
35.477
Overlopende rekeningen
492/3
1.945
1.149
10/49
178.703
177.837
1. Leveranciers E. Schulden m.b.t. belastingen. bezoldigingen en sociale lasten
X.
TOTAAL DER PASSIVA
101.638
98.228
40.361
42.249
Financiële resultaten 90
2. RESU LTAT ENREKE N IN G (b e d r age n i n d u i z e nd e u r o)
KOSTEN
codes
II.
Bedrijfskosten
60/64
A. Handelsgoederen.grond- en hulpstoffen
60
V.
X.
Vorig boekjaar
53.479 2.950
51.677 878
1. Inkopen
600/8
6.026
30.238
2. Wijziging in de voorraad (toename -. afname +)
609
-3.076
-29.360
B. Diensten en diverse goederen
61
10.984
10.929
C. Bezoldigingen.sociale lasten en pensioenen
62
35.987
34.805
D. Afschrijvingen en waardeverminderingen op oprichtingskosten. op immateriële en materiële vaste activa
630
3.822
4.172
E. Waardevermindering op voorraden en handelsvorderingen
631/4
12
0
F. Voorziening voor risico’s en kosten
635/7
-1.332
-119
G. Andere bedrijfskosten
640/8
1.056
1.012
Financiële kosten
65
A. Kosten van schulden
650
0
1
C. Andere financiële kosten
652/9
1
1
VIII. Uitzonderlijke kosten
IX.
Boekjaar 2005
1
1.199
66
E. Andere uitzonderlijke kosten
664/8
Winst van het boekjaar voor belastingen
70/66
Verlies van het boekjaar voor belastingen
66/70
Belastingen op het resultaat B. Regularisering van belastingen en terugneming voorzieningen voor belastingen
67/77 77
2
1.199
2 401
432
38
0
38
TOTAAL DER KOSTEN
2
0 55.118
52.113
XI. Winst van het boekjaar
70/67
439
432
XIII. Te bestemmen winst v/h boekjaar
70/68
439
432
70/69
439
432
RESULTAATVERWERKING A. Te bestemmen winstsaldo 1. Te bestemmen winst van het boekjaar
70/68
2. Te verwerken verlies van het boekjaar
68/70
C. Toevoeging aan het eigen vermogen
439
432 -439
691/2
-432
2. aan de wettelijke reserve
6920
0
0
3. aan de overige reserves
6921
439
432
Financiële resultaten
2. RESU LTAT ENREKE N IN G (b e d r age n i n d u i z e nd e u r o)
OPBRENGSTEN
codes
I.
Bedrijfsopbrengsten
70/74
A. Omzet
70
5.747
3.545
D. Andere bedrijfsopbrengsten
74
46.310
44.892
Financiële opbrengsten
75
B. Opbrengsten uit vlottende activa
751
7
10
C. Andere financiële opbrengsten
752/9
2.845
3.198
IV.
VII. Uitzonderlijke opbrengsten
X.
Boekjaar 2005
Vorig boekjaar
52.057
48.437
2.852
3.208
171
76
468
D. Meerwaarde bij de realisatie van vaste activa
763
11
392
E. Andere uitzonderlijke opbrengsten
764/9
160
76
Belastingen op het resultaat
67/77
B. Regularisering van belastingen en terugneming van voorzieningen voor belastingen
77
TOTAAL DER OPBRENGSTEN
38 38
0 0
55.118
52.113
91
VLM JAAROVERZICHT 2005 Colofon Teksten en coördinatie: Pantarein Vormgeving: CRM Factory Foto’s: Vildaphoto, VLM fotoarchief Verantwoordelijke uitgever: ir. Roland De Paepe, Gulden-Vlieslaan 72, 1060 Brussel Depotnummer: D/2006/6375/01