RAAD VOOR BETWISTINGEN INZAKE STUDIEVOORTGANGSBESLISSINGEN
JAARVERSLAG - verslag over de werkzaamheden 2008 -
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
2
Inhoudstafel Inhoudstafel ................................................................................................................ 3 1.
Inleidende beschouwingen .................................................................................. 5 1.1. Inleiding........................................................................................................ 5 1.2. Bevoegdheid en –uitbreiding........................................................................ 5 1.3. Secretariaat .................................................................................................. 7 1.4. Op stapel staande veranderingen ................................................................ 8
2.
Samenstelling van de Raad................................................................................. 9
3.
Statistische gegevens en toelichting.................................................................. 10 3.1. Verzoekschriften en zittingsdagen.............................................................. 10 3.2. Verzoekende partijen ................................................................................. 12 3.3. Voorwerp van het verzoekschrift ................................................................ 16 3.4. Uitspraken .................................................................................................. 17 3.5. Bijstand door een raadsman ...................................................................... 21 3.6. Schorsing van de werkzaamheden ............................................................ 23 3.7. Ordetermijn van 15 kalenderdagen ............................................................ 23
4.
Overzicht en analyse van de beslissingen van de Raad ................................... 25 4.1. Ontvankelijkheid ......................................................................................... 25 4.1.1. Tijdigheid van het verzoekschrift ......................................................... 25 4.1.2. Naleving van vormvoorschriften .......................................................... 28 4.1.3. Regelmatig ingesteld en uitgeput intern beroep .................................. 31 4.1.4. Ontvankelijkheid inzake bevoegdheid van de Raad naar voorwerp van het verzoekschrift .............................................................................................. 35 4.1.5. Onontvankelijkheid op grond van afstand van beroep ........................ 38 4.1.6. Onontvankelijkheid wegens gebrek aan belang .................................. 39 4.1.7. Onontvankelijkheid wegens het niet naleven van de taalvoorschriften 40 4.1.8. De verhouding tussen initiële studievoortgangsbeslissing en de beslissing op intern beroep................................................................................ 40 4.2. Gegrondheid............................................................................................... 42 4.2.1. Beroep tegen een examenbeslissing .................................................. 47 4.2.2. Beroep tegen een examentuchtbeslissing .......................................... 69 4.2.3. Beroep in verband met de toekenning van een bewijs van bekwaamheid .................................................................................................... 71 4.2.4. Beroep in verband met de toekenning van een vrijstelling .................. 71 4.2.5. Beroep tegen een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld ............................................................. 73 4.2.6. Beroep in verband met het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking ................................................................................ 73 4.3.
Cassatieberoep bij de Raad van State ....................................................... 75
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
3
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
4
1. Inleidende beschouwingen 1.1. Inleiding 1. Voorliggend document brengt verslag uit over de werking van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen1 gedurende het jaar 2008, het vierde werkjaar van de Raad. In dit verslag worden de zaken die ingeleid werden tijdens het werkjaar 2008, toegelicht. Tijdens het werkjaar 2008 werden 77 zaken ingeleid. Na behandeling van de zaken worden de uitspraken, zoals decretaal bepaald, geanonimiseerd gepubliceerd op de website van de Raad met aanduiding van het rolnummer. De besluiten waarnaar in voorliggend verslag worden verwezen, zijn dan ook te raadplegen op http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/Raad/. Daarnaast wordt ook het jaarverslag op deze website gepubliceerd. 2. Het jaarverslag is opgebouwd uit vier verschillende hoofdstukken. Het eerste inleidende hoofdstuk informeert over de reeds doorgevoerde bevoegdheidsuitbreiding van de Raad (1.2.), de werking van het secretariaat (1.3.) en de op stapel staande wijzigingen aan regelgeving met betrekking tot de Raad (1.4.). Het tweede hoofdstuk behandelt de samenstelling van de Raad. Het derde hoofdstuk verstrekt statistische gegevens over de Raad met de nodige bijhorende toelichting. Het vierde hoofdstuk gaat ten slotte dieper in op de beslissingen van de Raad zelf door zowel de ontvankelijkheid als de gegrondheid van de verschillende zaken van het werkjaar 2008 te analyseren.
1.2. Bevoegdheid en –uitbreiding 3. Krachtens artikel II.1, 15°bis van het Aanvullingsdecreet2 kan de Raad uitspraak doen over betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. De volgende studievoortgangsbeslissingen kunnen derhalve voorwerp uitmaken van een beroep bij de Raad: a) een examenbeslissing, dit is elke beslissing die, al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel; 1
Hierna kortweg Raad genoemd. Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 10 juni 2004. 2
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
5
b) een examentuchtbeslissing, zijnde een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten; c) de toekenning van een bewijs van bekwaamheid, dat aangeeft dat een student op grond van eerder verworven competenties of eerder verworven kwalificaties bepaalde competenties heeft verworven; d) de toekenning van een vrijstelling, zijnde de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; e) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld; f) het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet3. 4. Daarnaast kan de Raad krachtens artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet vanaf het academiejaar 2008-2009 eveneens uitspraak doen over beslissingen in verband met het leerkrediet die door het instellingsbestuur of door de stuurgroep Databank Hoger Onderwijs genomen zijn op grond van de procedure, zoals vastgelegd in artikel 113quater van het Structuurdecreet4. Artikel 113quater van het Structuurdecreet bepaalt dat de hoger onderwijsinstellingen en de stuurgroep een procedure moeten opstellen betreffende de melding en behandeling van verzoeken tot rechtzetting van materiële vergissingen en onjuistheden die de grondslag vormen voor een studievoortgangsbeslissing, een weigering tot inschrijving als vermeld in artikel 48 van het Financieringsdecreet5, of de vaststelling, vermeerdering of vermindering van het leerkrediet. Artikel 48 van het Financieringsdecreet stelt dan weer dat een hogeschool of universiteit de inschrijving van een student kan weigeren als hij een leerkrediet heeft dat kleiner of gelijk is aan nul. Daarop bestaat een uitzondering: een instelling kan een student met een leerkrediet kleiner dan of gelijk aan nul niet weigeren voor de inschrijving voor een initiële masteropleiding als de student voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor deze masteropleiding, vermeld in de artikelen 11 tot en met 13 van het Flexibiliseringsdecreet, en nog niet eerder een masterdiploma behaalde. Ook in deze geschillen beoordeelt de Raad of de bestreden vermeldingen in overeenstemming zijn met de decretale en reglementaire bepalingen en, desgevallend, met de van toepassing zijnde onderwijs- en examenreglementen.
3
Decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen, B.S. 12 oktober 2004. 4 Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 14 augustus 2003. 5 Decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen, B.S. 26 juni 2008.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
6
De behandeling van een verzoekschrift door de Raad leidt tot: - de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of ongegrondheid ervan, of - tot de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen beslissing. In dat geval brengt het instellingsbestuur of de door de stuurgroep aangewezen persoon de bestreden vermelding onverwijld in overeenstemming met de dragende redenen die hebben geleid tot de uitspraak van de Raad.
1.3. Secretariaat 5. Karla Van Lint was in 2008 aangesteld als secretaris van de Raad. Mede gelet op de aanbevelingen van de Raad in zijn jaarverslag van 2007 met betrekking tot de toenemende werklast voor het secretariaat, vervoegde Eddie Clybouw haar vanaf november 2008 als secretaris. Het secretariaat werd praktisch ondersteund door Patricia Coekaerts. 6. Naast de eigenlijke ondersteuning van de Raad kreeg het secretariaat het afgelopen werkjaar eveneens verschillende informatievragen te verwerken. De vragen werden telefonisch of elektronisch aan de Raad gesteld. Het aantal vragen neemt elk werkjaar exponentieel toe. Het betreft onder meer vragen van studenten die het instellen van een procedure overwegen en die het secretariaat contacteren voor bijkomende concrete vragen over de rechtsgang. Studenten informeren vaak over het verloop van het intern beroep. De interne beroepsprocedure wordt geregeld in de onderwijs- en examenreglementen van de instellingen. Het secretariaat geeft de studenten dan ook het advies om nauwkeurig de in het reglement opgenomen procedure te volgen en zonodig de ombudsdienst of studentencoördinator te raadplegen. Daarnaast stellen de studenten vrij veel vragen over de bevoegdheid van de Raad. Het secretariaat verwijst naar de decretaal omschreven bevoegdheid en geeft duidelijk aan dat het de Raad zelf is die uiteindelijk beslist of een verzoek als ontvankelijk wordt beschouwd. Ten slotte informeren studenten naar inhoudelijke aspecten en de kans die ze hebben om succesvol een beroep bij de Raad in te stellen. Naar aanleiding van dergelijke vragen wordt de studenten aangeraden om de reeds gepubliceerde besluiten van de Raad te raadplegen. Vragen van onderwijsinstellingen over de gang van zaken en de bevoegdheid van de Raad werden tijdens het werkjaar 2008 slechts sporadisch meer gesteld. Het toenemende aantal vragen van studenten enerzijds en het afnemende aantal vragen van de instellingen anderzijds wijzen er allebei op dat de Raad zijn plaats in het hoger onderwijslandschap heeft ingenomen. Studenten lijken weet te krijgen van het bestaan van het administratief rechtscollege, terwijl de onderwijsinstellingen stilletjes aan vertrouwd raken met de werking van de Raad.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
7
1.4. Op stapel staande veranderingen 7. Onderwijsdecreet XIX ligt op dit ogenblik voor in het Vlaams Parlement. Het ontwerpdecreet bevat een aantal bepalingen dat wijzigingen aanbrengt in de werking en de bevoegdheid van de Raad.6 Het ontwerpdecreet betreffende het onderwijs XIX voorziet ten eerste dat vanaf het academiejaar 2009-2010 ook de initiële studievoortgangsbeslissingen verplicht de mogelijkheid tot intern beroep bij de onderwijsinstelling en de bijhorende modaliteiten zullen moeten vermelden.7 Het ontwerpdecreet voorziet ten tweede in een bevoegdheidsuitbreiding van de Raad met de volgende definitie: “g) het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven;”.8 Ten slotte schaft het ontwerpdecreet de verplichting af om – na vernietiging van een eerste studievoortgangsbeslissing van een instelling door de Raad – bij de aanvechting van een nieuwe ongunstige instellingsbeslissing, genomen in opvolging van de uitspraak van de Raad, de interne procedure nogmaals te doorlopen.
6
Parl. St. Vl. Parl. 2008-09, nr. 2159/1. Zie daarvoor ook de randnummers 47 e.v. 8 Zie daarvoor randnummer 56. 7
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
8
2. Samenstelling van de Raad 8. Tijdens het werkjaar 2008 was de Raad samengesteld uit de volgende leden: Voorzitter:
de heer Marc Boes
Plaatsvervangend voorzitter:
de heer Jean Dujardin en mevrouw Kaat Leus
Werkend bijzitter:
de heer Luc Van de Velde mevrouw Jacqueline Hellemans
Plaatsvervangend bijzitter:
mevrouw Christiane Vanvinckenroye de heer Henri Verhaaren de heer Jan Geens de heer Daniël Cuypers
9. Voor wat betreft een concrete betwisting wordt de Raad – voorzitter en twee bijzitters – samengesteld in functie van de beschikbaarheid van de leden. Wanneer een lid verbonden is aan een bepaalde instelling, zetelt hij in ieder geval niet in die zaken waar zijn instelling betrokken partij is. Ook tijdens het vierde werkjaar hebben de betrokken partijen geen leden gewraakt.9 Wel heeft in 2008 voor het eerst een zetelende voorzitter zich tijdens de zitting om hem eigen redenen teruggetrokken uit de zaak, waarna een andere voorzitter het voorzitterschap overnam en de zitting verder gezet werd.10 10. De heer Daniël Cuypers heeft de Raad tijdens het werkjaar 2008 als nieuw lid vervoegd.11 Na zijn eedaflegging bij de vrederechter van Sint-Joost-ten-Node op datum van dinsdag 9 september 2008 heeft hij effectief geparticipeerd aan de werking van de Raad.
9
Cf. art. II.33 Aanvullingsdecreet. R. Stvb. nr. 2008/010. 11 Besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juni 2004 houdende benoeming van de leden van de Raad voor betwistingen over studievoortgangsbeslissingen bevoegd voor het hoger onderwijs. 10
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
9
3. Statistische gegevens en toelichting 3.1. Verzoekschriften en zittingsdagen 11. In 2008 werden 77 verzoekschriften ingediend en geregistreerd. In juli en oktober – dit is net na het afronden van de eerste respectievelijk de tweede zittijd en rekening houdend met het daarop aansluitend verplicht doorlopen van de interne beroepsprocedure in de onderwijsinstelling zelf – werden logischerwijs de meeste verzoekschriften bij de Raad ingediend. In juli waren het er 33, terwijl het in oktober om 18 verzoekschriften ging. Aantal ingediende verzoekschriften per m aand 33
18
5
de ce m be r
no ve m be r
0 ok to be r
au gu st us
ju li
ju ni
se pt em be r
2
1
m ei
2
ap ril
m aa rt
1
fe br ua ri
ja nu ar
i
1
6
5
3
12. Het aantal verzoekschriften is in de vier jaar sinds de oprichting van de Raad relatief beperkt gebleven. In 2007 was er wel een sterke stijging ten opzichte van de werkjaren 2005 en 2006. Ten opzichte van het werkjaar 2007 is het aantal verzoekschriften in 2008 dan weer lichtjes gedaald. Overzicht van het aantal verzoekschriften over de periode 2005-2008 100 80 60 40 20 0 aantal
2005
2006
2007
2008
48
43
89
77
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
10
13. De Raad heeft in 2008 78 verzoekschriften behandeld en dat tijdens 23 verschillende zittingsdagen. Op de eerste zittingsdag van januari 2008 werd nog een in 2007 geregistreerd en uitgesteld verzoekschrift behandeld.12 Twee verzoekschriften werden in 2008 uitgesteld en behandeld op een latere zittingsdag: - het verzoekschrift nr. 2008/022 werd uitgesteld op de zitting van 31 juli en behandeld op de zitting van 25 september; - het verzoekschrift nr. 2008/028 werd uitgesteld op de zitting van 31 juli en behandeld op de zitting van 7 augustus. Aantal zittingsdagen en behandelde verzoekschriften per zittingsdag
zittingsdag dinsdag 22 januari 2008 dinsdag 11 maart 2008 dinsdag 8 april 2008 dinsdag 6 mei 2008 dinsdag 10 juni 2008 donderdag 19 juni 2008 dinsdag 8 juli 2008
rolnummers aantal zaken 2008/001 - 2007/084 2 2008/002 - 2008/003 - 2008/004 3 2008/005 1 2008/006 - 2008/007 2 2008/008 1 2008/010 - 2008/009 - 2008/011 3 2008/012 1 2008/013 - 2008/016 - 2008/021 - 2008/034 donderdag 31 juli 2008 - 2008/037 - 2008/038 6 2008/014 - 2008/018 - 2008/028 - 2008/031 - 2008/42 donderdag 7 augustus 2008 5 2008/032 - 2008/033 - 2008/040 - 2008/015 donderdag 14 augustus 2008 - 2008/025 - 2008/026 6 woensdag 20 augustus 2008 2008/019 - 2008/020 - 2008/027 - 2008/039 4 2008/017 - 2008/029 - 2008/035 - 2008/036 donderdag 21 augustus 2008 - 2008/046 5 2008/023 - 2008/024 - 2008/030 - 2008/041 - 2008/043 - 2008/044 - 2008/045 vrijdag 22 augustus 2008 2008/047 8 dinsdag 2 september 2008 2008/048 1 donderdag 25 september 2008 2008/022 - 2008/049 - 2008/050 3 dinsdag 21 oktober 2008 2008/052 - 2008/056 - 2008/057 3 woensdag 22 oktober 2008 2008/051 - 2008/053 - 2008/054 - 2008/055 4 2008/058 -2008/060 - 2008/062 - 2008/063 woensdag 29 oktober 2008 - 2008/066 5 vrijdag 31 oktober 2008 2008/059 - 2008/061 - 2008/064 - 2008/065 4 2008/067 - 2008/068 - 2008/069 - 2008/070 vrijdag 7 november 2008 - 2008/071 5 donderdag 13 november 2008 2008/072 1 dinsdag 25 november 2008 2008/073 - 2008/074 - 2008/075 3 vrijdag 12 december 2008 2008/076 - 2008/077 2 23 zittingsdagen 78 beroepen
12
R. Stvb. nr. 2007/084.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
11
3.2. Verzoekende partijen 14. De 77 verzoekschriften die de Raad in 2008 ontving, werden door 65 verschillende personen ingediend. Tijdens het werkjaar 2007 werden – ter vergelijking – de 89 verzoekschriften ingediend door 75 verschillende verzoekende partijen. Een aantal studenten diende met andere woorden meerdere malen een verzoekschrift in. Voor elk nieuw verzoekschrift van hen werd uiteraard steeds een nieuwe zittingsdag vastgelegd. Het betrof meestal studenten die na een vernietigingsbeslissing van de Raad niet akkoord gingen met de nadien genomen nieuwe beslissing van de onderwijsinstelling of studenten die na een niet ontvankelijk verzoekschrift of een verzoekschrift zonder voorwerp een volgende keer de zaak toch ten gronde poogden voor te leggen aan de Raad. In 2008 dienden 5 studenten telkens 2 verzoekschriften in; 2 studenten dienden elk 3 verzoekschriften in; en 1 student diende zelfs 4 verzoekschriften in. Onderstaande tabel geeft een overzicht weer van de verzoekschriften die in 2008 werden ingediend door éénzelfde student. Telkens wordt per student verduidelijkt wat de opeenvolgende besluiten zijn van de Raad. Aantal terugkerende zaken en bijhorende uitspraak
rolnummers 1 2 3 4 5
015 - 074 009 - 031 043 - 048 052 - 077 058 - 076
6 008 - 033 - 062 7 011 - 049 - 050 8 006 - 007 - 010 - 039
beslissingen éénmaal onontvankelijk - éénmaal deels ontvankelijk en niet gegrond éénmaal gegrond - éénmaal onontvankelijk éénmaal zonder voorwerp - éénmaal onontvankelijk tweemaal gegrond 13 tweemaal gegrond éénmaal onontvankelijk - éénmaal zonder voorwerp - éénmaal deels onontvankelijk en ongegrond driemaal ongegrond éénmaal onontvankelijk - éénmaal deels gegrond - éénmaal ongegrond - éénmaal deelsontvankelijk en ongegrond
13
Deze zaak werd vervolgens voor een derde keer behandeld en dat op een zittingsdag in januari 2009. De Raad besliste dat het beroep met rolnummer nr. 2009/001 ongegrond was.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
12
15. Bij de Raad werden in 2008 34 verzoekschriften (44 %) ingediend door mannen en 43 verzoekschriften (56 %) door vrouwen.
Verdeling m an-vrouw
Man 44% Vrouw 56%
16. Voor het vierde jaar op rij komt het grootste aantal verzoekende partijen uit de provincie Antwerpen. Twee studenten die in het buitenland wonen – in Nederland en in Groot-Brittannië – hebben in 2008 een verzoekschrift ingediend bij de Raad.
Aantal verzoekschriften per provincie woonplaats student 35 30 25 20 15 10 5 0
A antal
A ntwerpen
B russels Ho o fdstedelijk gewest
WestVlaanderen
Limburg
Luik
Oo stVlaanderen
Vlaams-B rabant
buitenland
31
2
8
8
1
18
7
2
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
13
17. Ook voor het vierde jaar op rij zijn het overwegend hogeschoolstudenten (67 %) die een verzoekschrift indienen bij de Raad. Voor de eerste keer werd er een beroep aangetekend tegen een beslissing van een validerende instantie14.
Verhouding hogescholen - universiteiten Validerende instantie 1% Universiteit 32%
Hogeschool 67%
In onderstaande tabel met betrekking tot het overzicht van het aantal verzoekschriften ingediend door hogeschool- of universiteitsstudenten over de periode 2005-2008 is het verzoekschrift tegen een beslissing van een validerende instantie15 niet opgenomen. Overzicht van het aantal verzoekschriften ingediend door hogeschool- of universiteitsstudenten over de periode 2005-2008 80 60 40 20 0
hogescholen
universiteiten
2005
35
13
2006
33
10
2007
58
31
2008
51
25
14
De validerende instantie is de instantie op het niveau van de associatie die het bewijs van bekwaamheid toekent. 15 R. Stvb. nr. 2008/068.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
14
18. De verzoekende partijen bevinden zich in verschillende stadia van hun studieloopbaan. Bijgevolg kwamen in 2008 verschillende studiegebieden in de verzoekschriften aan bod: Overzicht verzoekschriften per studiegebied
studiegebied hogeschool
soort opleiding
Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst
Academisch gerichte bachelor Professioneel gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Master Specifieke lerarenopleiding Professioneel gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Professioneel gerichte bachelor Master Professioneel gerichte bachelor Professioneel gerichte bachelor Professioneel gerichte bachelor
1 1 1 1 1 7 2 7 3 1 24 2
Academisch gerichte bachelor Basisopleiding 2e cyclus Basisopleiding 2e cyclus Master Schakelprogramma Basisopleiding 2e cyclus Academisch gerichte bachelor Aanvullende opleiding GAS Basisopleiding 2e cyclus Master Schakelprogramma Academisch gerichte bachelor Master Master Academisch gerichte bachelor Voorbereidingsprogramma Academisch gerichte bachelor Basisopleiding 2e cyclus
1 1 4 1 1 1 1 1 1 1 1 5 1 1 1 1 1 1
Master
1
Gezondheidszorg Handelswetenschappen en bedrijfskunde Industriële wetenschappen en technologie Onderwijs Sociaal-agogisch werk
aantal
universiteit Bewegings- en revalidatiewetenschappen Diergeneeskunde Economische en toegepaste economische wetenschappen Gecombineerde studiegebieden Geneeskunde Geschiedenis Politieke en sociale wetenschappen Psychologie en pedagogische wetenschappen
Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen Sociale gezondheidswetenschappen Taal- en letterkunde Tandheelkunde Wetenschappen
validerende instantie Handelswetenschappen en bedrijfskunde
Voor het vierde jaar op rij kwamen in 2008 de meeste verzoekende partijen, voor wat betreft de hogescholen, uit het studiegebied ‘onderwijs’ (31,2 %). Het feit dat enerzijds in het studiegebied ‘onderwijs’ stages essentieel zijn en anderzijds stagebeslissingen een omvangrijke categorie vormen van de betwiste studievoortgangsbeslissingen voor de Raad, lijkt hiervoor een verklaring te zijn. Voor wat de universiteiten betreft stellen in het werkjaar 2008 – net zoals tijdens het werkjaar 2007 – vooral studenten uit het studiegebied ‘rechten, notariaat en criminologische wetenschappen’ en het studiegebied ‘economische en toegepaste economische wetenschappen’ een beroep in bij de Raad.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
15
3.3. Voorwerp van het verzoekschrift 19. Uit onderstaande tabel blijkt dat in 2008 de verzoekschriften hoofdzakelijk tegen loutere theorieopleidingsonderdelen – met name in 26 zaken – en tegen loutere stagebeslissingen – in 21 zaken – werden ingesteld. Dit ligt in de lijn van het werkjaar 2007. Aantal verzoekschriften per soort opleidingsonderdeel
soort opleidingsonderdeel praktijk proefschrift stage theorie praktijk + stage proefschrift + stage theorie + stage volledige opleiding
aantal 10 8 21 26 1 2 2 7
20. Onderstaand diagram maakt duidelijk dat in het werkjaar 2008 in 76,6 % van de zaken examenbeslissingen het voorwerp uitmaakten van een geschil voor de Raad. Daarnaast werden ongeveer in dezelfde mate vooral betwistingen door de Raad behandeld met betrekking tot examentuchtbeslissingen (3,9 %), studievoortgangsbewakingsmaatregelen (5,2 %) en toekenningen van vrijstellingen (6,5 %). Wat daarnaast opvalt, is dat voor het eerst 4,2 % van de verzoekschriften handelden over het studieprogramma, een bevoegdheid waarvoor de Raad alsnog niet bevoegd is. In 2008 behandelde de Raad ten slotte voor het eerst een betwisting over de toekenning van een bewijs van bekwaamheid. Betwistingen studievoortgangsbeslissingen 2008 1,3% 1,3% 1,3%
3,9%
6,5% 5,2% 3,9%
76,6%
Examenbeslissing Examentuchtbeslissing Maatregel studievoortgangsbew aking/w eigering inschrijving - art 52 flex Toekenning vrijstelling Toekenning bew ijs van bekw aamheid (EVC) art. 51 flex - evc/evk rechtstreeks diplomering Toekennig vrijstelling - studieprogramma studieprogramma
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
16
Zoals blijkt uit onderstaand overzicht zijn er over de vier werkjaren heen sinds de oprichting van de Raad geen grote verschuivingen in de verhouding qua types behandelde studievoortgangsbeslissingen. De hoofdmoot van de betwistingen betrof examenbeslissingen. De laatste drie werkjaren maken examenbeslissingen het voorwerp uit van telkens ongeveer 75 % van alle verzoekschriften. Wat de examentuchtbeslissingen, de studievoortgangsbewakingsmaatregelen en de toekenningen van vrijstellingen betreft, zijn de absolute aantallen te klein om echt van een procentuele discrepantie te kunnen spreken tussen de verschillende werkjaren. Net zoals in het werkjaar 2007 werden in 2008 telkens ongeveer een vijftal van dergelijke studievoortgangsbeslissingen door de Raad behandeld. Verhouding soorten studievoortgangsbeslissingen over de periode 2005-2008
studievoortgangsbeslissing
2008 %2008 2007 %2007 2006 %2006 2005 %2005
één decretaal gedefinieerde studievoortgangsbeslissing examenbeslissing
59
76,6%
68
76,4%
32
74,4%
38
79,2%
examentuchtbeslissing
3
3,9%
5
5,6%
1
2,3%
1
2,1%
maatregel studievoortgangsbewaking/weigering inschrijving - art 52 flex
4
5,2%
6
6,7%
4
9,3%
6
12,5%
8
9,0%
2
4,7%
2
4,2%
toekenning vrijstelling toekenning bewijs van bekwaamheid (EVC)
5
6,5%
1
1,3%
schakel- en/of voorbereidingsprogramma
-
-
1
1,1%
-
-
-
-
overige art. 51 flex - evc/evk rechtstreeks diplomering
1
1,3%
-
-
1
2,3%
-
-
studieprogramma
3
3,9%
-
-
1
1,1%
-
-
-
-
-
-
-
-
3
7,0%
-
-
1
1,3%
-
-
-
-
1
2,1%
77
100%
89
100%
43
100%
48
100%
meerdere studievoortgangsbeslissingen maatregel studievoortgangsbewaking/weigering inschrijving - art 52 flex + toekennen vrijstelling examenbeslissing + examentuchtbeslissing toekenning vrijstelling + examenbeslissing toekennig vrijstelling + studieprogramma totaal aantal zaken
3.4. Uitspraken 21. In 2008 verklaarde de Raad in totaal 55 beroepen ontvankelijk en deels ontvankelijk. In 19 zaken ervan besliste de Raad dat het beroep van de verzoekende partij volledig gegrond was en in 2 zaken dat het beroep deels gegrond was. Telkens – 21 keer in totaal – ging de Raad over tot het vernietigen van de betwiste studievoortgangsbeslissing.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
17
In 17 zaken heeft de Raad zich niet moeten uitspreken over de grond van de zaak wegens onontvankelijkheid van het beroep. Ook in de 5 zaken waarvan het beroep in de loop van de procedure zonder voorwerp werd, sprak de Raad zich niet over de grond van de zaak uit. In 34 zaken besloot de Raad om het beroep van de verzoekende partij ongegrond te verklaren. In deze – in totaal 56 – zaken bleef de initiële studievoortgangsbeslissing gehandhaafd.
Ontvankelijkheid - gegrondheid 2008 35 30 25 20 15 10 5 0
aantal
volledig ontvankelijk - volledig gegrond
16
volledig ontvankelijk - niet gegrond
29
volledig ontvankelijk - deels gegrond
2
deels ontvankelijk - volledig gegrond
3
deels ontvankelijk - niet gegrond
5
niet ontvankelijk
17
niet van toepassing - zonder voorw erp
5
Omgezet in percentages verklaarde de Raad in 2008 in totaal 71,5 % beroepen ontvankelijk en deels ontvankelijk. In 27,3 % van alle ingediende en geregistreerde zaken in 2008 ging de Raad over tot het vernietigen van de betwiste studievoortgangsbeslissing. Tijdens het werkjaar 2007 waren 84,2 % van de beroepen ontvankelijk en werden 38,2 % van alle betwiste studievoortgangsbeslissingen door de Raad vernietigd. In 22,1 % van de zaken heeft de Raad zich in 2008 niet moeten uitspreken over de grond van de zaak wegens onontvankelijkheid van het beroep. Dit is een merkwaardige stijging – bijna een verdrievoudiging – ten opzichte van het werkjaar 2007. In het kader van de analyse van de beslissingen van de Raad wordt hierop verder ingegaan onder ‘4.1. Ontvankelijkheid’. Ook in de 6,5 % van de zaken waarvan het beroep in 2008 in de loop van de procedure zonder voorwerp werd, sprak de Raad zich niet over de grond van de zaak uit. Hier is dan weer een stelselmatige daling te zien doorheen de vier voorbije werkjaren van de Raad. In 44,2 % van de zaken van 2008 besloot de Raad om het beroep van de verzoekende partij ongegrond te verklaren. In 2007 was dat nog 46 %.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
18
Uiteindelijk bleef in totaal in 72,7 % van de zaken tijdens het werkjaar 2008 de initiële studievoortgangsbeslissing gehandhaafd. In 2007 bleven slechts 61,8 % van de betwiste studievoortgangsbeslissingen gehandhaafd. Overzicht van de ontvankelijkheid en gegrondheid over de periode 2005 – 2008 ontvankelijkheid - gegrondheid
2008 % 2008 2007 % 2007 2006 % 2006 2005 % 2005
volledig ontvankelijk - volledig gegrond volledig ontvankelijk - niet gegrond
16 29
20,8% 37,7%
30 40
33,7% 44,9%
17 15
39,5% 34,9%
2 26
4,2% 54,2%
volledig ontvankelijk - deels gegrond deels ontvankelijk - gegrond deels ontvankelijk - niet gegrond niet ontvankelijk
2 3 5 17
2,6% 3,9% 6,5% 22,1%
4 0 1 7
4,5% 0,0% 1,1% 7,9%
1 0 0 6
2,3% 0,0% 0,0% 14,0%
7 0 1 6
14,6% 0,0% 2,1% 12,5%
niet van toepassing (zonder voorwerp - uitgesteld)
6,5% 5 77 100,0%
7 7,9% 89 100,0%
4 9,3% 43 100,0%
6 12,5% 48 100,0%
22. Bovenstaande cijfers werken uiteraard door in de verhoudingen wat betreft de ontvankelijke zaken. Van de in totaal 55 beroepen die in 2008 ontvankelijk verklaard werden, heeft de Raad er 21 gegrond bevonden. De Raad heeft met andere woorden in 2008 in 38,2 % van alle ontvankelijke zaken de betwiste studievoortgangsbeslissing vernietigd.
Alle ontvankelijke zaken en hun gegrondheid 2008
9% 5% 29%
4%
53% volledig ontvankelijk - volledig gegrond
volledig ontvankelijk - deels gegrond
volledig ontvankelijk - niet gegrond
deels ontvankelijk - volledig gegrond
deels ontvankelijk - niet gegrond
23. Uit de voorliggende cijfers blijkt dat – rekening houdend met alle ingediende en geregistreerde verzoekschriften – in 2008 een kleine drie op tien studenten een vernietiging van de betwiste studievoortgangsbeslissing voor de Raad bekwamen, terwijl in 2007 dat het geval was voor een kleine vier op tien studenten. Indien enkel de ontvankelijke zaken in het verhaal betrokken worden – dit zijn de zaken waarbij de Raad zich effectief kon buigen over de grond van de betwisting –
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
19
blijkt evenwel duidelijk dat de daling van de gegrond verklaarde zaken in 2008 ten opzichte van het werkjaar 2007 helemaal niet zo sterk is. In 2008 werd immers in 38,2 % van de ontvankelijke beroepen de betwiste studievoortgangsbeslissing vernietigd. In 2007 bedroeg het percentage 45,3 %. Gelet op het kleine verschil tussen de werkjaren 2007 en 2008 voor wat betreft de ontvankelijke verzoekschriften, is alvast duidelijk dat de Raad niet strenger geworden is in zijn uitspraken ten gronde. Dit blijkt ook uit de analyse van de beslissingen van de Raad onder hoofdstuk 4. De meest verrassende stijging bevindt zich immers bij de onontvankelijke zaken. In 2008 waren 22,1 % van alle ingediende verzoekschriften onontvankelijk, terwijl in 2007 dat er slechts 7,9 % waren. Wellicht zal daarnaast de preventieve werking en draagwijdte van de beslissingen van de Raad wel een rol spelen. De onderwijsinstellingen houden immers reeds op voorhand rekening met de beslissingen van de Raad en stellen de initiële studievoortgangsbeslissingen zorgvuldiger en nauwkeuriger op, wat dan weer enerzijds leidt tot een afname van de beroepen bij de Raad en anderzijds, wanneer toch een verzoekschrift bij de Raad wordt ingediend, dit iets minder snel leidt tot de vernietiging van de studievoortgangsbeslissing. Overzicht van de ontvankelijke zaken en hun gegrondheid over de periode 2005 – 2008 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
volledig ontvankelijk volledig gegrond
volledig ontvankelijk niet gegrond
volledig ontvankelijk deels gegrond
deels ontvankelijk gegrond
deels ontvankelijk - niet gegrond
2005
5,6%
72,2%
19,4%
0,0%
2,8%
2006
51,5%
45,5%
3,0%
0,0%
0,0%
2007
40,0%
53,3%
5,3%
0,0%
1,3%
2008
29,1%
52,7%
3,6%
5,5%
9,1%
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
20
3.5. Bijstand door een raadsman 24. In 2008 lieten de studenten zich in 19 zaken bijstaan door een advocaat en in 15 zaken door een andere raadsman (vb. familielid). De onderwijsinstellingen deden in 35 van de 77 zaken een beroep op een advocaat.
Raadsm an student
aantal
advocaat
andere raadsman
geen raadsman
19
15
43
Raadsm an instelling
aantal
ja
neen
35
42
25. In 7 van de 21 zaken waarin de Raad in 2008 het beroep volledig of deels gegrond verklaarde en bijgevolg de betwiste studievoortgangsbeslissing vernietigde, deed de student een beroep op een advocaat. Bij 4 van de gegronde zaken werd de student bijgestaan door een andere raadsman (bv. een familielid). Dat betekent dat in de meerderheid van de zaken waarin de student de vernietiging van de studievoortgangsbeslissing bekwam, met name in 10 zaken, er geen beroep werd gedaan op een advocaat of andere raadsman. Dit toont met andere woorden minstens aan dat een student niet noodzakelijk beroep dient te doen op een advocaat om gedegen de rechtsgang af te handelen. In diezelfde 21 zaken waarin de Raad in 2008 het beroep volledig of deels gegrond verklaarde, lieten de onderwijsinstellingen zich 12 keer bijstaan door een advocaat. In de zaken waar de instelling geen beroep deed op een advocaat, werd de onderwijsinstelling vaak vertegenwoordigd door een jurist van de instelling zelf.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
21
Daarnaast is meestal ook een personeelslid van de onderwijsinstelling die vertrouwd is met het specifieke dossier op de zitting aanwezig. Voor de Raad is de inbreng ter zitting van deze laatste vaak relevant gebleken. Raadsman verzoekende partij – ontvankelijkheid – gegrondheid
raadsman student advocaat
ontvankelijkheid volledig ontvankelijk
deels ontvankelijk
andere raadsman
niet ontvankelijk nvt (zonder voorwerp) volledig ontvankelijk
deels ontvankelijk
geen raadsman
niet ontvankelijk volledig ontvankelijk
deels ontvankelijk niet ontvankelijk nvt (zonder voorwerp)
gegrondheid volledig gegrond deels gegrond niet gegrond volledig gegrond niet gegrond
aantal 5 0 6 2 1 3 2 3 0 5 1 1 5 8 2 18 3 9
volledig gegrond deels gegrond niet gegrond volledig gegrond niet gegrond volledig gegrond deels gegrond niet gegrond niet gegrond
3 77
Raadsman verwerende partij – ontvankelijkheid – gegrondheid
raadsman instelling ontvankelijkheid ja volledig ontvankelijk deels ontvankelijk
neen
niet ontvankelijk nvt (zonder voorwerp) volledig ontvankelijk
deels ontvankelijk niet ontvankelijk nvt (zonder voorwerp)
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
gegrondheid volledig gegrond niet gegrond volledig gegrond niet gegrond
volledig gegrond deels gegrond niet gegrond volledig gegrond niet gegrond
aantal 10 9 2 3 8 3 6 2 20 1 2 9 2 77
22
3.6. Schorsing van de werkzaamheden 26. De onderwijsinstellingen kunnen op basis van artikel II.40 van het Aanvullingsdecreet een schorsing van de werkzaamheden aanvragen van de beroepen die in juli of augustus worden geregistreerd omwille van een gestaafde onderbezetting van de instelling ten gevolge van de jaarlijkse vakantie van het personeel. Het Aanvullingsdecreet laat een schorsing van ten hoogste 21 kalenderdagen toe. In 2008 hebben 12 hogescholen en 2 universiteiten om een schorsingsperiode verzocht. De Raad neemt in deze een redelijke houding aan en is meestal bereid om het verzoek in te willigen. De Raad meldt evenwel uitdrukkelijk aan de onderwijsinstelling dat gelet op de ordetermijn van 15 kalenderdagen om een uitspraak te doen, bij het vaststellen van de procedurekalender en de termijnen voor het indienen van de antwoord- en wederantwoordnota wel rekening wordt gehouden met de dagen die reeds verstreken zijn vooraleer de schorsingsperiode aanvangt. Studenten moeten ten slotte zo nodig tijdig een tweede zittijd kunnen voorbereiden. De Raad wenst dan ook bij voorkeur alle zaken te behandelen ten laatste in de eerste helft van augustus. Als schorsingsaanvragen betrekking hebben op termijnen die nog lopen na de eerste week van augustus, worden deze daarom doorgaans ingekort.
3.7. Ordetermijn van 15 kalenderdagen 27. De Raad spreekt zich uit binnen een korte ordetermijn van vijftien kalenderdagen. Deze termijn gaat in de dag na die waarop het beroep werd ingeschreven in het register. Vermits het om een ordetermijn gaat, is het overschrijden van deze termijn zonder gevolg wat de geldigheid van de uitspraak betreft. De Raad stelt evenwel – voor zover mogelijk – steeds deze ordetermijn voorop wanneer een zittingsdag wordt vastgesteld. In de drukke periodes, dit is na de juni- en de septemberzittijd, worden de zaken om praktische redenen wel op vooraf bepaalde zittingsdagen gebundeld. Als een aanvraag tot schorsing van de werkzaamheden in juli of augustus wordt toegekend, wordt de termijn geschorst – wat in de praktijk een verlenging betekent – met ten hoogste 21 kalenderdagen. Verder wordt een enkele keer de termijn in beperkte mate verlengd wanneer een goede rechtsbedeling en het belang van beide partijen dit vereisen. Tijdens het werkjaar 2008 werden 17 zaken binnen de ordetermijn behandeld en bij 4 zaken werd de ordetermijn slechts één dag overschreden. Globaal genomen kan bijgevolg gesteld worden dat iets meer dan een vierde van de zaken binnen de ordetermijn werd behandeld. De overige zaken die buiten de periode juli-augustus geregistreerd werden, werden ongeveer binnen de drie weken afgehandeld. In juli en augustus werd de ordetermijn met ten hoogste 22 dagen verlengd.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
23
Enkel in de zaak met rolnummer 2008/022 lijkt de ordetermijn op het eerste zicht ruim overschreden, met name met 56 dagen. Dit heeft evenwel te maken met het feit dat de student in kwestie uitzonderlijk een tweede examenkans kreeg, waarna de Raad in zijn besluit louter vaststelde dat gezien het feit dat de student verklaarde geen verdere stappen te willen ondernemen, het beroep zonder voorwerp werd. De effectieve termijn waarbinnen de Raad tijdens het werkjaar 2008 tot een besluit kwam, is met andere woorden redelijk te noemen. In functie van de rechtsbescherming van de student is de rechtsbedeling voor de Raad uiterst snel te noemen.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
24
4. Overzicht en analyse van de beslissingen van de Raad 28. In dit vierde hoofdstuk wordt achtereenvolgens dieper ingegaan op de redenen, argumenten en motieven waarom de Raad de verschillende zaken al dan niet ontvankelijk (4.1.) en/of gegrond (4.2.) verklaard heeft.
4.1. Ontvankelijkheid 29. De Raad onderzoekt ambtshalve de ontvankelijkheid van de verzoekschriften, vermits dit de openbare orde raakt. Vaak betwisten ook de onderwijsinstellingen de ontvankelijkheid van het beroep. In een aantal andere zaken meldt de instelling dan weer uitdrukkelijk dat zij zich wat de ontvankelijkheid van het verzoek betreft naar de wijsheid van de Raad zal gedragen. Indien tijdens de zitting reeds blijkt dat een zaak overduidelijk als onontvankelijk moet worden beschouwd, gaat de Raad doorgaans tijdens de zitting niet verder op de grond van de zaak in. Dit is het geval indien er geen intern beroep is ingesteld, wanneer de beroepstermijn van vijf kalenderdagen duidelijk niet werd gerespecteerd of indien het verzoekschrift niet werd ondertekend. 30. Tijdens het werkjaar 2008 werden 17 van de 77 beroepen door de Raad onontvankelijk verklaard. Dit is een opmerkelijke stijging ten opzichte van 2007, waarin slechts 7 van de 89 beroepen onontvankelijk waren. Daarnaast heeft de Raad in 2008 zich niet over de grond van de zaak moeten uitspreken in 5 andere beroepen, omdat het beroep in de loop van de procedure zonder voorwerp werd.16 31. Ingedeeld volgens de verschillende gronden van onontvankelijkheid die zijn ingeroepen tijdens dit werkjaar worden hierna de belangrijkste besluiten van de Raad weergegeven en geanalyseerd. Achtereenvolgens worden de tijdigheid van het verzoekschrift (4.1.1.), de naleving van de vormvoorschriften (4.1.2.), de regelmatigheid van het intern beroep (4.1.3.), de (on)bevoegdheid naar voorwerp (4.1.4.), afstand van het beroep (4.1.5.), het belang (4.1.6.) en de taalvoorschriften (4.1.7.) besproken. Ten slotte wordt kort ingegaan op de visie van de Raad over de verhouding tussen de initiële studievoortgangsbeslissing en de beslissing op intern beroep (4.1.8.).
4.1.1. Tijdigheid van het verzoekschrift 32. De Raad gaat ambtshalve na of een verzoekschrift binnen de decretaal bepaalde vervaltermijn van vijf kalenderdagen is ingediend. Deze vervaltermijn gaat in de dag na die van kennisname van de beslissing op intern beroep of, in voorkomend geval,
16
Zie hiervoor ook de grafiek ‘Ontvankelijkheid-gegrondheid 2008’ en de tabel ‘Overzicht van de ontvankelijkheid en gegrondheid over de periode 2005 – 2008’ in randnummer 21.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
25
na het verstrijken van de termijn van vijftien kalenderdagen die ingaat op de dag na deze waarop het intern beroep is ingesteld.17 De datum van kennisname van de beslissing op intern beroep is bijgevolg beslissend voor de aanvang van de vervaltermijn van vijf kalenderdagen. Hoewel dit eventuele discussie over de tijdigheid van het verzoekschrift kan vermijden, voegt de verwerende partij in meerdere zaken geen bewijs van aangetekende zending van de beslissing op intern beroep toe aan het dossier.18 De Raad neemt ten slotte aan dat de verzoekende partij kennis heeft kunnen nemen van de beslissing op intern beroep de dag nadat de beslissing op intern beroep (aangetekend) verstuurd is.19 Is dat niet het geval, dan is het aan de verzoekende partij om – bijvoorbeeld aan de hand van een afgiftebewijs – te bewijzen dat de kennisname later is gebeurd. Een weekend of wettelijke feestdag verplaatst automatisch de datum van kennisname tot de eerstvolgende werkdag waarop de postdiensten open zijn.20 Indien evenwel de verzoekende partij intern beroep aangetekend heeft, maar de onderwijsinstelling geen interne beroepsbeslissing heeft uitgesproken, begint de vervaltermijn van vijf kalenderdagen pas te lopen na het verstrijken van een termijn van vijftien kalenderdagen ingaand de dag na het instellen van het intern beroep.21 De student kan in deze rechtstreeks naar de Raad stappen, maar het is dus niet zo dat in dat geval de beroepstermijn niet zou ingaan. Na afloop ervan verliest de student immers zijn recht op beroep bij de Raad. 33. Om vast te stellen of een verzoekschrift tijdig werd ingediend, dient daarnaast rekening te worden gehouden met de poststempel van de ter post aangetekende brief. De datum van registratie door het secretariaat van de Raad is in deze niet relevant. Een weekend of wettelijke feestdag verlengt automatisch de termijn om een verzoekschrift in te dienen bij de Raad tot de eerstvolgende werkdag waarop de postdiensten open zijn.22 23 34. De besluiten van de Raad standaardformule het tijdspad weer.
geven
telkens
volgens
een
gebruikelijke
35. Terwijl in 2007 slechts in één zaak het beroep onontvankelijk werd verklaard omdat de termijn om een verzoekschrift in te dienen bij de Raad werd overschreden, waren er tijdens het werkjaar 2008 drie zaken waarin het verzoekschrift te laat werd ingediend.24
17
Art. II.24, eerste lid Aanvullingsdecreet. O.m. R. Stvb. nr. 2008/035, nr. 2008/036, nr. 2008/058, nr. 2008/060, nr. 2008/065, nr. 2008/067 en nr. 2008/075. 19 Bv. R. Stvb. nr. 2008/002. 20 Bv. R. Stvb. nr. 2008/021. En dit naar analogie met de (wel) decretaal vastgelegde regels voor het instellen van een beroep bij de Raad. 21 R. Stvb. nr. 2008/045. 22 Artikel II.24, tweede lid Aanvullingsdecreet. 23 O.m. R. Stvb. nr. 2008/006, nr. 2008/021, nr. 2008/025, nr. 2008/040 en nr. 2008/072. 24 R. Stvb. nr. 2008/005, nr. 2008/047 en nr. 2008/048. 18
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
26
36. In een andere zaak aanvaardde de Raad dat de kennisgeving van de beslissing op intern beroep onregelmatig was gebeurd, doordat de aangetekende brief geadresseerd was aan een andere advocaat op hetzelfde kantooradres dan diegene die de student vertegenwoordigde. De Raad aanvaardde bijgevolg een latere datum als datum van kennisname in plaats van de gebruikelijke dag nadat de beslissing op intern beroep aangetekend verstuurd is, waardoor het beroep alsnog ontvankelijk was.25 37. Ook dit werkjaar heeft de Raad opnieuw verschillende verzoekschriften – 6 in totaal26 – die na de vervaltermijn werden ingesteld, toch ontvankelijk verklaard omdat de beroepsmogelijkheid en/of de beroepsmodaliteiten niet, onvolledig of onjuist waren vermeld in de beslissing op intern beroep, hoewel het decretaal verplicht is om zowel de beroepsmogelijkheden als de beroepsmodaliteiten te vermelden27. In dat geval gaat de beroepstermijn niet in en beschikt de student onbeperkt over de mogelijkheid om een beroep bij de Raad in te stellen. Dit valt uiteraard te betreuren, enerzijds omdat het recht op verdediging van de student geschaad wordt en anderzijds omdat de onderwijsinstelling steeds een mogelijke procedure boven het hoofd hangt wat de rechtszekerheid in geen geval ten goede komt. De Raad heeft in zijn besluiten verduidelijkt welke specifieke beroepsmodaliteiten noodzakelijk in de interne beroepsbeslissing vermeld dienen te worden: de mededeling dat het verzoekschrift bij een ter post aangetekende brief en binnen een beroepstermijn van vijf kalenderdagen bij de Raad moet zijn ingediend28 en de vermelding van de adresgegevens van de Raad29. In een zaak wierp de verzoekende partij op dat de beroepsmodaliteiten ook de dagtekening, ondertekening en inhoud van het verzoekschrift moeten inhouden. De Raad besloot evenwel het volgende: -
hoewel de ondertekening van het verzoekschrift een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste is, ligt deze vormvereiste volgens de Raad besloten in de melding van de beroepsmodaliteit dat het beroep bij de Raad schriftelijk moet gebeuren. Uiteraard gaat een dergelijk schrijven uit van de verzoekende partij of van zijn raadsman, wat precies blijkt uit de handtekening. Bijgevolg moet deze modaliteit niet verplicht vermeld worden in de interne beroepsbeslissing;
-
vermits het een verplichte beroepsmodaliteit uitmaakt om te vermelden dat het beroep ingesteld moet worden bij aangetekend schrijven en het beroep aldus
25
R. Stvb. nr. 2008/042. R. Stvb. nr. 2008/034, nr. 2008/037, nr. 2008/044, nr. 2008/066, nr. 2008/068 en nr. 2008/073. 27 Art. II.7 Aanvullingsdecreet juncto art. 35 Openbaarheidsdecreet van 26 maart 2004. 28 R. Stvb. nr. 2008/048. De Raad verwijst naar relevante rechtspraak van de Raad van State (R.v.St., Perneel, nr. 92.531, 23 januari 2001 en R.v.St., Mahieu, nr. 184.410, 23 juni 2008). 29 R. Stvb. nr. 2008/073. De Raad is in deze – gelet op de uiterst korte vervaltermijnen en de rechtsbescherming van de studenten – strenger dan de Raad van State die de vermelding van het adres van de beroepsinstantie niet als een verplichte beroepsmodaliteit beschouwt (R.v.St., Remy, nr. 102.685, 21 januari 2002). 26
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
27
dagtekening verkrijgt door afgifte ter post, is volgens de Raad (de vermelding van) een afzonderlijke dagtekening op het verzoekschrift zelf niet vereist; -
omdat een verzoekschrift ondenkbaar is zonder inhoud, hoeft dit ook niet expliciet te worden vermeld als beroepsmodaliteit bij de betekening van de interne beroepsbeslissing.30
Op de website van de Raad staat daarom ten behoeve van de onderwijsinstellingen een voorbeeld van een standaardformulering om de beroepsmogelijkheden in een beslissing op intern beroep te vermelden.31 De Raad bevestigt ten slotte nogmaals dat de verplichte vermelding van de beroepsmogelijkheden en –modaliteiten enkel geldt voor de interne beroepsbeslissingen en dus niet voor de initiële studievoortgangsbeslissingen.32 Vanaf het academiejaar 2009-2010 zal daar – gelet op het ontwerpdecreet betreffende het onderwijs XIX – wellicht verandering in komen.33 Ook de initiële studievoortgangsbeslissingen zullen dan verplicht de mogelijkheid tot intern beroep bij de onderwijsinstelling en de bijhorende modaliteiten moeten vermelden. 38. De decretale verplichting om uitdrukkelijk in de interne beroepsbeslissing de beroepsmodaliteiten waaronder de strikte vervaltermijn te vermelden, helpt de studenten desalniettemin om hun beroep binnen de decretaal bepaalde vervaltermijn in te stellen. 39. Het al dan niet overschrijden van de vervaltermijn om intern beroep aan te tekenen, heeft ook dit werkjaar meermaals aanleiding gegeven tot dispuut. Op de tijdigheid van het intern beroep wordt evenwel onder punt 4.1.3 verder ingegaan.
4.1.2. Naleving van vormvoorschriften 40. Indien er een betwisting bestaat over de naleving van bepaalde vormvereisten die niet op straffe van nietigheid worden voorgeschreven, gaat de Raad telkens na in hoeverre de rechten van verdediging werden gerespecteerd. De Raad wil immers, gelet op de intenties van de decreetgever, een strikt formele rechtsgang vermijden. Toch leidt het niet naleven van deze vormvoorschriften tot een zwaardere bewijslast voor de student of instelling die de betreffende vormvoorschriften niet heeft nageleefd. Het niet naleven van de vormvereisten geeft ten slotte alleen dan aanleiding tot een sanctie wanneer het doel dat door die voorschriften wordt nagestreefd, niet bereikt wordt.34 Zo heeft het tegelijkertijd overmaken van een kopie van het verzoekschrift bij aangetekend schrijven aan de onderwijsinstelling35 volgens de Raad tot doel de verwerende partij onmiddellijk op de hoogte te brengen van het beroep en haar in de 30
R. Stvb. nr. 2008/048. http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/Raad/ 32 R. Stvb. nr. 2008/008 en nr. 2008/068. 33 Parl. St. Vl. Parl. 2008-09, nr. 2159/1. 34 R. Stvb. nr. 2008/053. 35 Cf. art. II.24, § 3, eerste lid Aanvullingsdecreet. 31
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
28
gelegenheid te stellen haar verweer voor te bereiden. Bovendien stelt de Raad dat rekening houdend met de korte termijn waarbinnen de procedure voor de Raad haar beslag moet krijgen, het van belang is dat in deze zo weinig mogelijk wordt afgedaan van de termijnen waarover de partijen moeten beschikken. Ten slotte is het de plicht van de verzoekende partij een kopie mee te delen aan de verwerende partij en bijgevolg niet de verantwoordelijkheid van de verwerende partij om een kopie aan de verzoekende partij te vragen.36 Toch oordeelde de Raad telkens dat, hoewel de verzoekende partij nagelaten had om tegelijkertijd een kopie van het verzoekschrift bij aangetekend schrijven over te maken aan de onderwijsinstelling, de verwerende partij wel tijdig heeft kunnen kennisnemen van het verzoekschrift en zich naar behoren heeft kunnen verdedigen.37 Uitzonderlijk heeft de Raad een laattijdig ingediende antwoordnota38 of wederantwoordnota39 in overeenstemming met artikel II.32, § 3, tweede lid van het Aanvullingsdecreet uit de procedure geweerd. De Raad heeft in het eerste geval evenwel wel rekening gehouden met de stukken die door de verwerende partij aan de Raad zijn bezorgd voor zover deze reeds bekend waren voor de verzoekende partij voorafgaand aan het indienen van het verzoekschrift.40 Doorgaans stellen deze voorschriften echter geen probleem. In een zaak vroeg de verwerende partij ter zitting om de wederantwoordnota uit de procedure te weren wegens het laattijdig ontvangen ervan. Vermits artikel II.32, § 3 Aanvullingsdecreet enkel voorschrijft dat een buiten de gestelde termijn aan de Raad overgemaakte wederantwoordnota uit de procedure wordt geweerd, de Raad de wederantwoordnota tijdig had ontvangen en omdat verwerende partij niet aantoonde in welke mate haar rechten van verdediging waren geschonden, was de Raad van oordeel dat de verwerende partij zich naar behoren had kunnen verdedigen.41 Daarnaast aanvaardde de Raad ook dat de verzoekende partij in de loop van de procedure en dus na het indienen van het verzoekschrift aanvullende documenten die reeds in haar bezit waren op het ogenblik dat het beroep werd ingediend, aan het dossier toevoegde, hoewel in principe verzoekende partij naderhand slechts bijkomende overtuigingsstukken aan het dossier kan toevoegen voor zover deze bij de opmaak van het verzoekschrift nog niet aan verzoekende partij bekend zijn42. Bovendien maakte de verwerende partij geen bezwaar tegen het vooralsnog indienen van deze documenten.43 De Raad beslist in dergelijke gevallen over het al dan niet weren van naderhand neergelegde overtuigingsstukken uit de procedure, zoals gesteld, steeds in functie van de rechten van verdediging.
36
R. Stvb. nr. 2008/053. R. Stvb. nr. 2008/006 en nr. 2008/053. 38 R. Stvb. nr. 2008/073. 39 R. Stvb. nr. 2008/005. 40 R. Stvb. nr. 2008/073. 41 R. Stvb. nr. 2008/077. 42 Art. II.25, § 1, tweede lid Aanvullingsdecreet. 43 R. Stvb. nr. 2008/073. 37
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
29
Indien de partij bijkomende stukken tijdens de zitting wenst neer te leggen, vraagt de Raad aan de tegenpartij of zij hiertegen bezwaar heeft. Dit wordt vervolgens op het proces-verbaal genoteerd. Ten slotte heeft de Raad één keer een vermanende vingerwijzing naar de betrokken onderwijsinstelling in zijn besluit opgenomen: “In deze zaak heeft de verwerende partij bij de voorbereiding ervan op gebrekkige wijze meegewerkt en pas tijdens de zitting en met enige moeite zijn een aantal belangrijke punten opgehelderd kunnen worden.”.44 41. Slechts één vormvereiste wordt decretaal uitdrukkelijk op straffe van onontvankelijkheid voorgeschreven, met name de ondertekening van het verzoekschrift door de verzoekende partij of haar raadsman.45 Het ontbreken ervan kan niet op een andere wijze worden gecompenseerd.46 De Raad heeft bijgevolg in deze geen enkele appreciatiebevoegdheid. De Raad heeft dan ook verschillende malen het beroep onontvankelijk verklaard omwille van het ontbreken van de handtekening.47 Anderzijds beschouwt de Raad een verzoekschrift voldoende duidelijk identificeerbaar en regelmatig ondertekend, indien de bij het verzoekschrift toegevoegde brief door de verzoekende partij werd ondertekend en deze expliciet verwijst naar het bijhorende verzoekschrift, hoewel het verzoekschrift zelf niet ondertekend werd. De Raad beschouwt de brief en het verzoekschrift als één geheel.48 Ten slotte kan een onontvankelijk verzoekschrift – zolang dezelfde strenge lopende beroepstermijn niet is verstreken – wel vervangen worden door een nieuw en deze maal wel ondertekend verzoekschrift, dat uitdrukkelijk de intrekking van het eerdere verzoekschrift bevestigt.49 Zo verving het verzoekschrift nr. 2008/048 het niet ondertekende verzoekschrift, ingesteld onder rolnummer 2008/043. Evenwel oordeelde de Raad dat het tweede beroep niet tijdig binnen de vervaltermijn was ingesteld.50 42. Het verzoekschrift kan ook rechtsgeldig ingediend en ondertekend worden door de raadsman van de verzoekende partij, bijvoorbeeld door diens ouders. De raadsman kan ook de student vertegenwoordigen op de zitting, los van het feit of de raadsman het verzoekschrift al dan niet in plaats van de student ondertekend heeft. Daarvoor legt de raadsman telkens ten laatste ter zitting een schriftelijke machtiging voor. Dit hoeft niet indien het een advocaat betreft of indien de student, samen met de raadsman, ter zitting verschijnt.51
44
R. Stvb. nr. 2008/042. Art. II.24, § 2, tweede lid Aanvullingsdecreet. 46 R. Stvb. nr. 2008/071 met verwijzing naar R.v.St., nv I-21 Belgium, nr. 141.559, 3 maart 2005. 47 R. Stvb. nr. 2008/015, nr. 200/017, nr. 2008/021, nr. 2008/024, nr. 2008/029 en nr. 2008/071. 48 R. Stvb. nr. 2008/041 en nr. 2008/077. 49 Art. II.26 Aanvullingsdecreet. 50 R. Stvb. nr. 2008/048. 51 Art. II.39 Aanvullingsdecreet. 45
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
30
Dit wordt steeds ambtshalve door de Raad nagegaan. Het voorschrift stelde tot op vandaag nog geen probleem.52 43. De procedure voor de Raad kent de techniek niet van uitspraak bij verstek met de mogelijkheid om verzet aan te tekenen. Ingeval van regelmatige oproeping belet de procedure niet dat in afwezigheid van één of beide partijen een beslissing wordt genomen. In 2008 is in 18 van de 77 zaken de verzoekende partij niet komen opdagen tijdens de zitting en in 4 zaken was de instelling niet vertegenwoordigd.53 Dit is een duidelijke stijging ten opzichte van het werkjaar 2007 waar in 11 van de 89 zaken de verzoekende partij niet aanwezig was tijdens de zitting en slechts in 1 zaak de instelling niet vertegenwoordigd was. De redenen daarvoor zijn moeilijk te achterhalen en wellicht divers, met uitzondering van een aantal zaken waarvan het een niet ondertekend verzoekschrift betrof54, terwijl in enkele andere zaken het verzoekschrift werd ingetrokken55 of vervangen56 en bijgevolg zonder voorwerp werd.
4.1.3. Regelmatig ingesteld en uitgeput intern beroep 44. De Raad heeft in een besluit de ratio van de interne beroepsprocedure benadrukt: “Het nut van een interne procedure is dat op een snelle en doeltreffende manier eventuele fouten kunnen worden rechtgezet, en een dergelijke procedure is in het voordeel zowel van de verzoekende partij als van de instelling. De verzoekende partij moet deze procedure instellen volgens de voorschriften van het procedurereglement ter erkenning van eerder verworven competenties van de [instelling], als zij de mogelijkheid wil blijven behouden om een verder beroep in te stellen bij de Raad. Het instellen van een ontvankelijk intern beroep is bijgevolg een voorwaarde voor het instellen van een verder beroep bij de Raad, ook al is dat laatste beroep tevens gericht tegen de originele studievoortgangsbeslissing en niet enkel tegen de beslissing op intern beroep.”.57 45. De Raad gaat telkens ambtshalve na of een intern beroep werd ingesteld. Een beroep bij de Raad is krachtens artikel II.15 Aanvullingsdecreet zonder meer onontvankelijk indien het intern beroep niet is ingesteld.58
52
R. Stvb. nr. 2008/016 en nr. 2008/038. Verzoekende partij was niet aanwezig tijdens R. Stvb. nr. 2008/008, nr. 2008/010, nr. 2008/011, nr. 2008/013, nr. 2008/014, nr. 2008/015, nr. 2008/022, nr. 2008/024, nr. 2008/038, nr. 2008/039, nr. 2008/043, nr. 2008/047, nr. 2008/049, nr. 2008/050, nr. 2008/066, nr. 2008/071, nr. 2008/072 en nr. 2008/074. De verwerende partij was afwezig tijdens R. Stvb. nr. 2008/013, nr. 2008/014, nr. 2008/022 en nr 2008/071. 54 R. Stvb. nr. 2008/015, nr. 2008/024, nr. 2008/043 en nr. 2008/071. 55 R. Stvb. nr. 2008/013, nr. 2008/014 en nr. 2008/022. 56 R. Stvb. nr. 2008/043. 57 R. Stvb. nr. 2008/068. 58 R. Stvb. nr. 2008/008, nr. 2008/046 en nr. 2008/051. 53
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
31
46. Zoals de decreetgever bij de wijze waarop het verzoekschrift wordt ingediend overdreven formalisme heeft willen verhinderen, geldt dit naar analogie ook wat het instellen van het intern beroep betreft. De Raad stelt daarom steeds dat in het geval dat de verzoekende partij voor een vorm van beroep kiest die niet door het reglement wordt bepaald, zij wel de bewijslast draagt dat het beroep (1) tijdig, (2) volledig en (3) naar behoren ter kennis is gebracht van de instelling. 47. Meerdere besluiten behandelen de regelmatigheid van het interne beroep dat werd ingesteld door de verzoekende partij. Als de vraag over de regelmatigheid van het intern beroep zich stelt, verklaart de Raad deze beroepen wel ontvankelijk en onderzoekt de Raad dit telkens bij de ‘grond’ van de zaak, wat in voorkomend geval kan leiden tot een ongegrond beroep. De Raad hanteert in zijn besluiten de volgende formulering: ‘Of het besluit op intern beroep, dit beroep, terecht onontvankelijk heeft verklaard wordt hierna bij de beoordeling van de grond van de zaak onderzocht.’ Vooral het tijdig instellen van het intern beroep blijft een heikel punt. Studenten overtreden meermaals de decretaal ingestelde termijn van vijf kalenderdagen ingaand, ingeval van een examenbeslissing, de dag na de proclamatie.59 Onder proclamatie kan de officiële mededeling van de resultaten zoals bepaald door de instelling verstaan worden.60 Dit heeft uiteraard te maken met het feit dat in de initiële studievoortgangsbeslissingen studenten niet uitdrukkelijk op hun beroepsmogelijkheid en de vervaltermijn worden gewezen. Het betreft bovendien een uiterst korte termijn. Bovendien maken de studenten vaak eerst een afspraak met de ombudsman waardoor de termijn om alsnog intern beroep aan te tekenen, verlopen is. Uit de ingediende verzoekschriften blijkt dat studenten niet altijd goed worden ingelicht over de beroepsmogelijkheden en de te volgen procedure. Als de onderwijsen examenregeling evenwel hieromtrent duidelijk is, meent de Raad dat de student geacht wordt kennis te hebben of redelijkerwijs kennis had kunnen nemen van de te volgen procedure.61 In het ontwerponderwijsdecreet XIX lijkt de decreetgever in deze, zoals reeds gesteld, tussen te zullen komen door ook voor de initiële studievoortgangsbeslissingen de verplichting op te leggen om de beroepsmodaliteiten in de beslissing zelf te vermelden. 48. Ook tijdens het werkjaar 2008 onderzocht de Raad in verschillende zaken de al dan niet regelmatigheid van het intern beroep. In een zaak was het intern beroep volgens de Raad niet rechtsgeldig ingesteld bij gebrek aan een regelmatig voorwerp, omdat geen initiële beslissing van het bevoegde orgaan voorhanden was maar louter een advies van een docent. Bovendien behoorde de verzoekende partij gelet op een e-mail daaromtrent in deze te weten wie het bevoegde orgaan was om een aanvraag tot vrijstelling aan te
59
Artikel II.13 Aanvullingsdecreet. Bv. R. Stvb. nr. 2008/003. 61 R. Stvb. nr. 2008/008. 60
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
32
richten, voor zover zij dit al niet behoorde te weten na lezing van het onderwijsreglement.62 In een andere zaak wierp de verwerende partij ook op dat het intern beroep foutief was ingesteld en gericht was aan de verkeerde instantie. De Raad stelde dat gezien het intern beroep als ontvankelijk werd beschouwd, geconcludeerd kon worden dat het intern beroep wel degelijk als regelmatig moest worden beschouwd.63 In nog een andere zaak beschouwde de Raad het beroep ontvankelijk, hoewel het intern beroep formeel enkel werd ingesteld tegen de eindbeslissing van de jury inzake het eindwerk, terwijl het beroep bij de Raad betrekking had op de beslissing van de examencommissie. De Raad meende evenwel dat de verzoekende partij geacht moest worden in het intern beroep tevens te zijn opgekomen tegen de beslissing van de examencommissie, enerzijds gelet op de beslissende invloed van het resultaat voor het eindwerk op de beslissing van de examencommissie en anderzijds omdat de interne beroepsinstantie zelf het intern beroep opgevat had als mede gericht tegen de beslissing van de examencommissie.64 Een vraag tot feedback kan niet geïnterpreteerd worden als strekkende tot het instellen van intern beroep. De Raad tikte de instelling wel op de vingers door te stellen dat het “het wel [mag] bevreemden dat de verwerende partij pas in staat was om op 10 september 2008 voor een feedback te zorgen”, terwijl de verzoekende partij daar reeds op 4 juli om verzocht had.65 De Raad stelde ook dat een bericht voldoende herkenbaar moet zijn als een klacht.66 In casu stelde de Raad bovendien dat het niet onredelijk was van de instelling om een e-mail niet als een intern beroep te beschouwen, zeker omdat de verzoekende partij daarna een door haar effectief als zodanig betitelde formele klacht had ingediend en daardoor zelf de indruk wekte dat de voorgaande e-mail niet als een intern beroep bedoeld was. 49. In andere zaken behandelde de Raad specifiek de al dan niet tijdigheid van het intern beroep. De Raad aanvaardde de mogelijkheid tot elektronisch raadplegen van de resultaten via het intranet van de instelling, na een voorafgaande mededeling via e-mail van deze mogelijkheid, als een officiële mededeling van de examenbeslissingen die bijgevolg de interne beroepstermijn een aanvang laat nemen.67 De plechtige proclamatie, de dag na de proclamatie, is enkel bedoeld om de geslaagde studenten hun graden mee te delen en diploma’s te overhandigen, waardoor deze zonder belang is wat betreft de berekening voor de termijn van het intern beroep.68 62
R. Stvb. nr. 2008/011. R. Stvb. nr. 2008/038. 64 R. Stvb. nr. 2008/053. 65 R. Stvb. nr. 2008/054. 66 R. Stvb. nr. 2008/074. 67 R. Stvb. nr. 2008/003 en nr. 2008/004. 68 R. Stvb. nr. 2008/045. 63
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
33
De dag dat aan de student kennis werd gegeven van de studievoortgangsbeslissing is relevant voor de termijn voor het instellen van het intern beroep en niet de datum dat hij inzage kon nemen van zijn dossier of kennis had van de eventuele onregelmatigheid van de beslissing.69 In een zaak beschouwde de Raad het intern beroep op grond van het vertrouwensbeginsel toch als regelmatig ingesteld, hoewel het intern beroep wel degelijk laattijdig was: “De Raad stelt dat - daargelaten de vraag of het resultaat van de stage door de verzoekende partij samen kan worden aangevochten als deel van het geheel met de eindbeslissing - in ieder geval moet worden vastgesteld dat bij verzoekende partij door de begeleidend docent -vertrouwenspersoon- het vertrouwen is gewekt dat zij het cijfer alsnog kon aanvechten na de tweede zittijd en dus op het ogenblik van de eindbeslissing over het al dan niet geslaagd zijn.”.70 In een andere zaak waar de interne beroepsbeslissing bij aangetekend schrijven aangeboden werd op het vorige domicilieadres van de verzoekende partij, oordeelde de Raad dat, vermits de verzoekende partij niet naar genoegen van recht bewees dat zij haar nieuw adres gemeld had, de instelling de bestreden interne beroepsbeslissing terecht gestuurd heeft naar het haar bekende adres. Bovendien geldt wat de kennisgeving van een aangetekend schrijven betreft en dus inzake het aanvangen van de beroepstermijn het volgende: “Het is deze aanbieding die de termijn van intern beroep deed ingaan, niet de feitelijke kennisneming ervan door de verzoekende partij. Belanghebbenden kunnen de termijn niet op een latere datum doen ingaan door de kennisneming van de te bestrijden beslissing uit te stellen.”.71 Ten slotte stelde de Raad in een zaak vast dat de voorgeschreven termijn voor de interne beroepsprocedure – “een termijn van vijf werkdagen met uitzondering van de zaterdagen” – niet strookt met de decretale vervaltermijn van vijf kalenderdagen zoals bepaald in artikel II.13, tweede lid van het Aanvullingsdecreet. Het verzoekschrift was desalniettemin ruim laattijdig ingesteld.72 50. De procedures op intern beroep zijn zeer verscheiden en vaak ook complex uitgewerkt. De decreetgever geeft autonomie aan de instellingen met uitzondering van de beroepstermijnen. De Raad heeft reeds in zijn vroegere uitspraken bepaald dat niets de instelling ervan weerhoudt om een intern beroep in een getrapte wijze in te stellen waarbij het dossier opnieuw doorverwezen wordt naar de initieel ingestelde examencommissie voor het nemen van een nieuwe beslissing ten gronde. In een zaak betwiste de verwerende partij het belang van de verzoekende partij omdat de laatste verkregen had wat ze vroeg, met name de doorverwijzing naar de initiële examencommissie met de vraag om een nieuwe examenbeslissing te nemen. 69
R. Stvb. nr. 2008/055 en nr. 2008/066. R. Stvb. nr. 2008/052. 71 R. Stvb. nr. 2008/072. De Raad verwees tevens naar R.v.St., Mannaert, nr. 178.742, 21 januari 2008, randnummer 9. 72 R. Stvb. nr. 2008/068. 70
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
34
De Raad beschouwde de doorverwijzing echter niet als het afsluiten van het intern beroep: “De Raad heeft reeds in zijn vroegere uitspraken bepaald dat niets de instelling ervan weerhoudt om een intern beroep in een getrapte wijze in te stellen […]. Deze nieuwe examenbeslissing maakt echter deel uit van de interne beroepsprocedure en bijgevolg dient deze examencommissie binnen de beroepstermijn van 15 kalenderdagen, […], ingeval van een gegrond intern beroep een nieuwe definitieve examenbeslissing te nemen die de oorspronkelijke beslissing op gemotiveerde wijze bevestigt of herziet. De Raad is van oordeel dat verzoekende partij wel degelijk belang heeft bij het instellen van voorliggend beroep. De beroepstermijn van 15 kalenderdagen is ingesteld met het oog op rechtzekerheid. Door het expliciet bepalen in de beslissing op intern beroep dat een nieuwe beslissing pas dient te worden genomen buiten de gestelde termijn van 15 kalenderdagen, wordt dit recht van verzoekende partij geschonden.”.73 Bijgevolg beschikt de verzoekende partij over de mogelijkheid om rechtstreeks de stap naar de Raad te zetten, indien er geen interne beroepsbeslissing genomen werd. De verzoekende partij dient in een dergelijk geval er evenwel rekening mee te houden dat de termijn van vijf kalenderdagen om beroep in te stellen bij de Raad sowieso aanvangt na het verstrijken van de termijn van 15 kalenderdagen na het instellen van het intern beroep. Ten slotte is het niet in tegenspraak met bovenstaande om te stellen dat een buiten de termijn van 15 kalenderdagen genomen beslissing op intern beroep wel nog als een rechtmatige beslissing op intern beroep beschouwd kan worden, waartegen beroep bij de Raad openstaat. De Raad heeft zich hieromtrent nog niet expliciet uitgesproken.
4.1.4. Ontvankelijkheid inzake bevoegdheid van de Raad naar voorwerp van het verzoekschrift 51. Bevoegdheidskwesties raken de openbare orde. De Raad gaat bijgevolg ambtshalve na of de ingestelde beroepen binnen zijn bevoegdheid vallen. Ook de instellingen roepen meermaals de onontvankelijkheid van een verzoek in op grond van de onbevoegdheid van de Raad naar voorwerp. 52. Meerdere zaken betreffen een betwisting over de kwalificatie van een bepaalde beslissing als studievoortgangsbeslissing. De Raad is immers enkel bevoegd voor het beoordelen van studievoortgangsbeslissingen. Artikel II.1, 15° bis van het Aanvullingsdecreet bepaalt limitatief wat een studievoortgangsbeslissing is. Indien daar discussie over bestond, preciseerde de Raad of het een examenbeslissing betrof74, een examentuchtbeslissing75, de toekenning van een 73
R. Stvb. nr. 2008/034. R. Stvb. nr. 2008/008 en nr. 2008/065. 75 R. Stvb. nr. 2008/009. 74
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
35
bewijs van bekwaamheid, de toekenning van een vrijstelling76, een beslissing over het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma of het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking zoals bepaald in artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet77. 53. Indien nodig verduidelijkte de Raad in zijn besluiten daarenboven de omvang van de verschillende decretale studievoortgangsbeslissingen. Een examenbeslissing betreft een ‘eindoordeel’ over het al dan niet geslaagd zijn voor één of meerdere opleidingsonderdelen. Een mededeling van de resultaten van de semesterexamens met de vermelding van voorbehoud van een definitieve vaststelling door de examencommissie is derhalve geen eindoordeel.78 In een andere zaak stelde de Raad dat de beslissing van de examencommissie om een examen in te trekken, geen eindoordeel inhoudt. De Raad voegde er evenwel nadrukkelijk het volgende aan toe: “De Raad merkt evenwel op dat er heel wat twijfel bestaat over de wettelijkheid van de aangevochten beslissingen die uiteraard bij een ander rechtscollege kunnen worden aangevochten. De Raad merkt verder op dat zo de verzoekende partij nog geen examen afgelegd heeft over het betrokken opleidingsonderdeel dit te wijten is aan de verwerende partij begane onregelmatigheden. Men kan het de verzoekende partij niet kwalijk nemen dat zij het examen niet eerder heeft afgelegd rekening houdend hiermee.”.79 Niet alleen de toekenning, maar ook de weigering van een vrijstelling voor een opleidingsonderdeel is wel degelijk als een studievoortgangsbeslissing die tot de bevoegdheid van de Raad behoort, te beschouwen.80 In een andere zaak vroeg de verzoekende partij om, gelet op artikel 51 van het Flexibiliseringsdecreet, rechtstreeks een diploma te bekomen op basis van een eerder verworven kwalificatie. De Raad stelde dat het voorwerp van dit verzoekschrift beschouwd kon worden als een verzoek tot toekenning van een vrijstelling, zijnde een vrijstelling voor alle opleidingsonderdelen van de betreffende opleiding. De Raad beschouwde zich met andere woorden bevoegd.81 54. Daarnaast beschikt de Raad – vanaf het academiejaar 2008-2009 – ook over de bevoegdheid krachtens artikel II.15, derde lid van het Aanvullingsdecreet om te oordelen over beslissingen genomen door een instellingsbestuur of door de stuurgroep Databank Hoger Onderwijs die een invloed hebben op het leerkrediet. Tijdens het werkjaar 2008 werden evenwel nog geen verzoekschriften aangaande het leerkrediet bij de Raad aanhangig gemaakt.
76
R. Stvb. nr. 2008/049. R. Stvb. nr. 2008/073. 78 R. Stvb. nr. 2008/008. 79 R. Stvb. nr. 2008/031. 80 R. Stvb. nr. 2008/006, nr. 2008/010 en nr. 2008/011. De Raad verwees ook naar R.v.St. nr. 182.124, 17 april 2008. 81 R. Stvb. nr. 2008/050. 77
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
36
55. Ten slotte verduidelijkte de Raad in verschillende besluiten de grenzen van zijn bevoegdheid ten opzichte van het gevraagde in het verzoekschrift. De Raad is op grond van artikel II.22 Aanvullingsdecreet bevoegd om in geval van een vernietiging van de onrechtmatig genomen studievoortgangsbeslissing het bestuur te bevelen een nieuwe beslissing te nemen onder de door de Raad gestelde voorwaarden. De Raad stelde zich evenwel niet bevoegd voor een in algemene termen gesteld bevel zoals de vraag van een verzoekende partij “om op een rechtmatige wijze te worden gequoteerd”.82 De Raad herhaalde meermaals dat, gelet op artikel II.21, tweede lid van het Aanvullingsdecreet, het de Raad niet toekomt zijn appreciatie in de plaats te stellen van die van de instelling en dat de Raad enkel een beslissing kan vernietigen in de mate dat ze niet reglementair is genomen of kennelijk onredelijk is. In de mate dat een verzoekende partij de Raad vroeg om de toekenning van een minimum resultaat op te leggen aan de instelling, was het beroep niet ontvankelijk.83 De Raad beschikt eveneens niet over de bevoegdheid om verzoekende partij als geslaagd te verklaren.84 Noch beschikt de Raad over de bevoegdheid om “een voor verzoekende partij ‘gunstige uitspraak’ te vellen in de zin van een inschrijving in het eerste jaar bachelor […] van verwerende partij, al dan niet onder strikte voorwaarden”.85 Ten slotte beschikt de Raad niet over de bevoegdheid om een besluit te vellen over de vraag tot herziening van een toegekende quotering voor het betrokken opleidingsonderdeel.86 56. Een beslissing tot weigering van een gecombineerde inschrijving raakt in de ruime zin de studievoortgang van de student. Een gecombineerde inschrijving is een inschrijving waarbij aan een student een geïndividualiseerd traject wordt toegestaan met een studieprogramma samengesteld uit opleidingsonderdelen van twee verschillende jaren. De decreetgever voorziet expliciet in de mogelijkheid dat instellingen dit kunnen toestaan. Het betreft evenwel geen recht van de student. De Raad is van oordeel dat “deze weigeringsbeslissing niet kan beschouwd worden als een maatregel van studievoortgangsbewaking zoals voorzien in artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet. Deze maatregelen betreffen enkel studenten die reeds een poging hebben gedaan om een bepaald opleidingsonderdeel af te werken maar daarin gefaald hebben.”. De Raad was derhalve niet bevoegd en kon zich niet ten gronde over deze studievoortgangsbeslissing uitspreken.87 Dit geldt ook voor beslissingen tot vaststelling van het studieprogramma88 en het uit de samenstelling van het opleidingsprogramma voortvloeiend samengestelde deliberatiepakket89. De decreetgever lijkt rekening te zullen houden met de stelling van de Raad dat dergelijke beslissingen in feite, zij het niet in rechte, studievoortgangsbeslissingen 82
R. Stvb. nr. 2008/012. R. Stvb. nr. 2008/062. 84 R. Stvb. nr. 2008/069. 85 R. Stvb. nr. 2008/072. 86 R. Stvb. nr. 2008/074. 87 R. Stvb. nr. 2008/070. 88 R. Stvb. nr. 2008/007. 89 R. Stvb. nr. 2008/039. 83
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
37
zijn. Het voorontwerp van onderwijsdecreet XIX breidt de bevoegdheid van de Raad dan ook uit met de volgende definitie: “g) het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven;”.90 57. Daarnaast wees de Raad ook op het gezag van gewijsde van zijn beslissingen, waardoor een opleidingonderdeel niet opnieuw het voorwerp van een beslissing van de Raad kon uitmaken, wanneer de Raad in een vroegere beslissing reeds geoordeeld had dat het beroep ongegrond was91 of waar de verzoekende partij op dat ogenblik afstand had gedaan van haar beroep92. 58. Ten slotte begrijpt of leest de Raad het verzoekschrift wat betreft de ontvankelijkheid meestal in het voordeel van de student in het geval dat het verzoekschrift geen duidelijke omschrijving van het voorwerp inhoudt.93 Eventueel verduidelijkt de verzoekende partij in haar mondelinge toelichting tijdens de zitting het voorwerp.94
4.1.5. Onontvankelijkheid op grond van afstand van beroep 59. De verzoekende partij kan uitdrukkelijk afstand nemen van haar beroep. Haar beroep wordt dan zonder voorwerp verklaard. Afstand van beroep kan niet vermoed worden, maar dient volgens de Raad uitdrukkelijk te gebeuren. Het betreft bijvoorbeeld studenten die in de loop van de procedure met de instelling tot een onderhandelde oplossing zijn gekomen, studenten die ondertussen geslaagd verklaard zijn of studenten die zich ingeschreven hebben in een andere instelling en/of opleiding en bijgevolg een verdere behandeling niet langer nodig achten. 60. Tijdens het werkjaar 2008 werden in 5 van de 77 zaken de beroepen zonder voorwerp verklaard. In twee zaken trok de verzoekende partij haar verzoekschrift in omdat ze niet vooraf een intern beroep had ingesteld.95 In een andere zaak bleek dat de verwerende partij tijdens de procedure de verzoekende partij te kennen gaf dat zij alsnog een tweede examenkans voor het betreffende opleidingsonderdeel (een stage) kreeg. In principe was dit niet mogelijk omdat het om een permanente evaluatie ging, maar ten gevolge van een materiële vergissing werd evenwel op de examenbeslissing aangeduid dat een tweede examenkans toch mogelijk was voor het opleidingsonderdeel. De Raad stelde de zaak uit tot na de tweede examenperiode, waarna de verzoekende partij geen
90
Parl. St. Vl. Parl. 2008-09, nr. 2159/1. R. Stvb. nr. 2008/001 en nr. 2008/039. 92 R. Stvb. nr. 2008/062. 93 R. Stvb. nr. 2008/074. 94 R. Stvb. nr. 2008/073. 95 R. Stvb. nr. 2008/013 en nr. 2008/014. 91
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
38
verdere stappen wenste te ondernemen, wellicht omdat ze geslaagd verklaard werd voor het betwiste opleidingsonderdeel.96 In nog een andere zaak deed de verzoekende partij afstand van haar beroep met de vraag dat de examens tijden de tweede examenperiode conform de mogelijkheden van het onderwijs- en examenreglement konden doorgaan. De instelling garandeerde de nodige rechtsbescherming.97 Ten slotte werd één zaak zonder voorwerp omdat het niet ondertekende verzoekschrift vervangen werd door een nieuw verzoekschrift.98
4.1.6. Onontvankelijkheid wegens gebrek aan belang 61. In verschillende zaken werd door de instelling een gebrek aan belang ingeroepen. Voor zover deze vraag ook de bevoegdheid van de Raad aanbelangt, onderzoekt de Raad deze vraag ook ambtshalve. 62. De Raad oordeelde in een zaak dat de student zijn belang behield, ondanks het feit dat hij een delibereerbaar cijfer op het betreffende opleidingsonderdeel had gekregen, omdat hij geen 10/20 behaalde en dus op grond van artikel 33, § 2 Flexibiliseringsdecreet niet in aanmerking kwam voor een creditbewijs.99 Meer nog, in een andere zaak stelde de Raad dat, zelfs als een student een creditbewijs voor het betreffende opleidingsonderdeel behaalde en toch niet in aanmerking kwam voor het toekennen van een graad van onderscheiding, het behalen van een hoger cijfer een voldoende belang voor de verzoekende partij inhield. Te meer omdat het examenresultaat van elk opleidingsonderdeel op het diplomasupplement vermeld wordt en artikel 72 Flexibiliseringsdecreet bovendien bepaalt dat ook het creditbewijs de eindbeoordeling dient te vermelden.100 In een andere zaak betwiste de verwerende partij het belang van de verzoekende partij omdat de laatste verkregen had wat ze vroeg, met name de doorverwijzing naar de initiële examencommissie met de vraag om een nieuwe examenbeslissing te nemen. De Raad beschouwde de doorverwijzing echter niet als het afsluiten van het intern beroep: “De Raad heeft reeds in zijn vroegere uitspraken bepaald dat niets de instelling ervan weerhoudt om een intern beroep in een getrapte wijze in te stellen […]. Deze nieuwe examenbeslissing maakt echter deel uit van de interne beroepsprocedure en bijgevolg dient deze examencommissie binnen de beroepstermijn van 15 kalenderdagen, […], ingeval van een gegrond intern beroep een nieuwe definitieve examenbeslissing te nemen die de oorspronkelijke beslissing op gemotiveerde wijze bevestigt of herziet.
96
R. Stvb. nr. 2008/022. R. Stvb. nr. 2008/033. 98 R. Stvb. nr. 2008/043. Cf. randnummer 41. 99 R. Stvb. nr. 2008/019. 100 R. Stvb. nr. 2008/064. 97
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
39
De Raad is van oordeel dat verzoekende partij wel degelijk belang heeft bij het instellen van voorliggend beroep. De beroepstermijn van 15 kalenderdagen is ingesteld met het oog op rechtzekerheid. Door het expliciet bepalen in de beslissing op intern beroep dat een nieuwe beslissing pas dient te worden genomen buiten de gestelde termijn van 15 kalenderdagen, wordt dit recht van verzoekende partij geschonden.”.101 In een zaak bleek de examencommissie noch de interne beroepsinstantie bevoegd om te beslissen over de aanvraag van de verzoekende partij om een inhaalstage te doen. De Raad besloot dat de verzoekende partij geen belang had bij de nagestreefde vernietigingen: “Normaal zouden de bestreden beslissingen vernietigd moeten worden, maar dan zouden de genoemde organen enkel kunnen vaststellen dat zij niet bevoegd zijn om de aanvraag voor een inhaalstage te onderzoeken, en de aanvraag dus moeten afwijzen.”.102
4.1.7. Onontvankelijkheid taalvoorschriften
wegens
het
niet
naleven
van
de
63. Tijdens het werkjaar 2008 werden enkele verzoekschriften van buitenlandse studenten behandeld die in een anderstalige opleiding waren ingeschreven.103 De taal van de procedure van de Raad is het Nederlands.104 De taalregeling houdt concreet in dat aan de verzoekende partij gevraagd wordt om de specifieke proceduredocumenten in het Nederlands op te stellen. De Raad is van oordeel dat een vertaling van het verzoekschrift in de loop van de procedure de rechten van verdediging niet schendt en ook geen reden is om het beroep niet ten gronde te behandelen. Indien de verwerende partij de vreemde taal waarin het verzoekschrift is opgesteld, zelf niet als onontvankelijkheidsgrond opwerpt, gaat de Raad ervan uit dat diens rechten van verdediging niet zijn geschaad.
4.1.8. De verhouding tussen initiële studievoortgangsbeslissing en de beslissing op intern beroep 64. De Raad stelt dat het inherent is aan de procedure, zoals deze werd uitgewerkt in artikelen II.21 tot en met artikel II.23 van het Aanvullingsdecreet, dat de beslissing op intern beroep samen met de initiële studievoortgangsbeslissing voorwerp uitmaakt van het beroep bij de Raad. Soms is een beroep gericht tegen uitsluitend de initiële studievoortgangsbeslissing of uitsluitend tegen de beslissing op intern beroep. In de meeste verzoekschriften 101
R. Stvb. nr. 2008/034. R. Stvb. nr. 2008/044. 103 R. Stvb. nr. 2008/005 en nr. 2008/075. 104 Artikel 14 van het Huishoudelijk Reglement. 102
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
40
worden evenwel beide beslissingen aangehaald. Tot nu vernietigt de Raad in voorkomend geval beide beslissingen als dit uitdrukkelijk in het voorwerp wordt aangeduid. De Raad van State erkent expliciet deze keuze van de Raad om – ongeacht het principe van de devolutieve werking van een werkelijk georganiseerd administratief beroep – én de eindbeslissing op intern beroep én de initiële studievoortgangsbeslissing te vernietigen.105 Ingeval een nieuwe beslissing dient genomen te worden, vermeldt de Raad in zijn besluit dat deze door de binnen de instelling ‘bevoegde instantie’ moet worden genomen. Dit kan al naargelang het reglement voorschrijft een specifiek daartoe opgerichte interne beroepsinstantie zijn of de examencommissie die ook de initiële examenbeslissing heeft genomen. 65. Een aantal instellingen past wel het principe van de devolutieve werking op het intern beroep toe. Dit betekent dat de beslissing van het werkelijk georganiseerd administratief beroep volledig in de plaats komt van de initiële studievoortgangsbeslissing en aldus diens materiële rechtskracht ontneemt. Desgevallend kan enkel de interne beroepsbeslissing het voorwerp uitmaken van een beroep bij de Raad. In een zaak beperkte de verzoekende partij daarom in de loop van de procedure het initiële beroep tegen de studievoortgangsbeslissing én de interne beroepsbeslissing tot enkel de beslissing op intern beroep.106
105 106
R.v.St., Jacobs, nr. 190.520, 17 februari 2009. R. Stvb. nr. 2008/002.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
41
4.2. Gegrondheid 66. Zoals gesteld in randnummer 23 blijven algemeen genomen de uitspraken ten gronde van de Raad in de lijn liggen van de voorbije werkjaren. 21 van de in totaal 55 ontvankelijke beroepen leidden in 2008 immers tot een vernietiging van de aangevochten studievoortgangsbeslissing. Met een percentage van 38,2 % gegronde zaken blijken toch heel wat studenten gehoor te vinden bij de Raad. De in de voetnoot aangeduide gegronde107 en deels gegronde108 besluiten zijn te raadplegen op basis van de rolnummers op de website van de Raad. 67. Ingedeeld volgens de verschillende types van studievoortgangsbeslissingen worden hierna de belangrijkste besluiten ten gronde van de Raad weergegeven en geanalyseerd. Achtereenvolgens worden de beroepen tegen examenbeslissingen (4.2.1.), tegen examentuchtbeslissingen (4.2.2.), in verband met toekenningen van een bewijs van bekwaamheid (4.3.3.), in verband met toekenningen van een vrijstelling (4.2.4.), tegen beslissingen over het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma (4.2.5.) en in verband met het opleggen van maatregelen van studievoortgangsbewaking (4.1.6.) besproken. 68. Eerst worden echter enkele algemene overwegingen uiteengezet. REIKWIJDTE VAN DE BEVOEGDHEID VAN DE RAAD 69. Bij heel wat studenten bestaat nog steeds onduidelijkheid over de precieze bevoegdheid van de Raad. De decreetgever heeft de reikwijdte van de bevoegdheid van de Raad bij de beoordeling ten gronde van de studievoortgangsbeslissingen echter duidelijk omlijnd: “De Raad stelt zijn appreciatie betreffende de waarde van een kandidaat niet in de plaats van die van het bestuur of enig orgaan dat werkt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur.”.109 De Raad als administratief rechtscollege beperkt zich derhalve tot de legaliteitstoets, i.e. de conformiteit met de rechtsregels. Daarnaast toetst de Raad de opportuniteit van de bestuursbeslissing slechts marginaal. De Raad onderzoekt enkel of de beslissing kennelijk (on)redelijk is. De Raad kan bijgevolg niet in de plaats treden van de onderwijsinstelling en een nieuwe studievoortgangsbeslissing nemen. Via een gebruikelijke omschrijving worden de partijen in de meeste besluiten nog eens expliciet op deze beperkte bevoegdheid van de Raad gewezen. 70. Enkele voorbeelden uit de rechtspraak met betrekking tot verschillende soorten studievoortgangsbeslissingen:
107
R. Stvb. nr. 2008/001, nr. 2008/002, nr. 2008/009, nr. 2008/012, nr. 2008/016, nr. 2008/026, nr. 2008/027, nr. 2008/028, nr. 2008/034, nr. 2008/040, nr. 2008/052, nr. 2008/053, nr. 2008/056, nr. 2008/058, nr. 2008/059, nr. 2008/067, nr. 2008/069, nr. 2008/076, nr. 2008/077. 108 R. Stvb. nr. 2008/006 en nr. 2008/060. 109 Artikel II.21, tweede lid Aanvullingsdecreet.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
42
“De Raad herinnert eraan dat het hem niet toekomt zijn appreciatie over de verdiensten van een student in de plaats te stellen van die van het of de bevoegde organen van de onderwijsinstelling, maar wel erop toe te zien dat de evaluatie op wettelijke wijze tot stand gekomen en binnen de grenzen van de redelijkheid ligt.” (examenbeslissing).110 “De Raad herinnert eraan dat hij niet zelf dient te oordelen of er al dan niet examenfraude werd gepleegd, maar enkel of de verwerende partij, op grond van de gegevens van het dossier, redelijkerwijze tot de conclusie is kunnen komen dat de verzoekende partij fraude gepleegd heeft.” (examentuchtbeslissing).111 “Zoals reeds gezegd behoort het niet tot [de] bevoegdheid van de Raad om zijn beoordeling hieromtrent in de plaats te stellen van het universiteitsbestuur. De Raad is in de uitoefening van het hem opgedragen toezicht enkel bevoegd om na te gaan of de beslissingen van het bestuur regelmatig zijn en dit bestuur in redelijkheid tot die beslissingen is kunnen komen.” (vrijstellingsbeslissing).112 71. Uit de ingediende verzoekschriften blijkt echter nog steeds dat studenten effectief van de Raad verwachten dat deze in de plaats van de onderwijsinstelling een studievoortgangsbeslissing zal nemen. Studenten zijn soms ook verontwaardigd dat ze na het bekomen van de vernietiging van de aangevochten studievoortgangsbeslissing, bij wijze van spreken opnieuw aan hun lot overgelaten worden in handen van de instelling. 72. De praktijk leert evenwel dat de onderwijsinstellingen de besluiten van de Raad die met gezag van gewijsde zijn genomen, nauwkeurig opvolgen. Dit betekent echter niet dat de student altijd geslaagd verklaard wordt. In overeenstemming met het genomen besluit kan het resultaat ook het volgende zijn: een duidelijke(re) motivering van de genomen studievoortgangsbeslissing, een nieuwe examenkans, een bijkomende stage, een nieuwe inschrijving, een anders samengestelde jury, een andere beoordelingswijze, een betere begeleiding, etc. 73. De opvolging van de besluiten gebeurt echter niet systematisch omdat de Raad slechts sporadisch wordt ingelicht over het gevolg dat door de instelling aan de beslissing wordt gegeven. Het volgende werkjaar zal de Raad trachten nauwgezet alle vernietigde besluiten op te volgen. De instellingen worden met ingang van het werkjaar 2009 immers in het begeleidende schrijven bij de kennisgeving van het besluit uitdrukkelijk verzocht hieromtrent te rapporteren. 74. De verzoekschriften die aan de Raad worden voorgelegd, vereisen veelal een beoordeling op grond van een appreciatie van de feiten waarbij de Raad binnen zijn marginaal toetsingsrecht de beslissing toetst op haar ‘kennelijke (on)redelijkheid’.
110
R. Stvb. nr. 2008/038. Zie ook R. Stvb. nr. 2008/016, nr. 2008/020, nr. 2008/025, nr. 2008//035, nr. 2008/036, nr. 2008/042, nr. 2008/060, nr. 2008/065 en nr. 2008/077. 111 R. Stvb. nr. 2008/012. 112 R. Stvb. nr. 2008/006.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
43
Oordelen dat de instelling bij het nemen van een studievoortgangsbeslissing manifest onredelijk heeft gehandeld, gebeurt echter slechts uitzonderlijk.113 Een beslissing kan naar het oordeel van de Raad streng zijn, maar daarom nog niet als onredelijk beschouwd worden. Zo stelde de Raad bijvoorbeeld het volgende: “Het staat elke examinator vrij om te bepalen op welke wijze het betrokken opleidingsonderdeel geëvalueerd wordt, mits (1) geen hogere regel een dwingende wijze van evaluatie oplegt, en (2) de door hem of haar bepaalde wijze van evaluatie niet kennelijk onredelijk is. Dat er geen afronding gebeurt naar boven toe, met andere woorden, dat er steeds naar beneden wordt afgerond, is ongetwijfeld een zeer strenge vorm van evaluatie, maar is daarom nog niet kennelijk onredelijk.”.114 Het gebeurt dat een onderwijsinstelling na een (of meerdere) vernietiging(en) de studievoortgangsbeslissing grondiger motiveert, waarna de Raad uiteindelijk dient vast te stellen dat de aangevochten studievoortgangsbeslissing niet (langer) manifest onredelijk is. Dit is voor de betrokken student vanzelfsprekend zeer teleurstellend. EEN NIEUWE BESLISSING ONDER DOOR DE RAAD GESTELDE VOORWAARDEN 75. De Raad is bevoegd om in geval van een vernietiging de onderwijsinstelling te bevelen een nieuwe beslissing te nemen onder de door de Raad gestelde voorwaarden.115 Zo kan de Raad bijvoorbeeld voorwaarden inzake de organisatie van het examen of inzake de motieven die bij het nemen van de studievoortgangsbeslissing moeten worden betrokken, verbinden aan het nemen van een nieuwe beslissing. Bijgevolg neemt de Raad in verschillende besluiten overwegingen op in het licht waarvan een nieuwe beslissing moet worden genomen. Specifieke voorwaarden worden meestal in het dispositief van het besluit opgenomen. Bovendien stelt de Raad, indien een beslissing wordt vernietigd, telkens een vrij korte termijn vast waarbinnen een nieuwe beslissing moet worden genomen. Enkele voorbeelden uit de rechtspraak: “Het bevoegde orgaan van de verwerende partij zal een nieuwe beslissing nemen uiterlijk op 21 november 2008, nadat de verzoekende partij op een datum te bepalen in gemeenschappelijk overleg maar niet later dan 14 november 2008, inzage zal hebben kunnen nemen van alle stukken in verband met de examenbeslissing over het onderdeel […].”.116 “De bevoegde instanties zullen uiterlijk op 4 februari 2008 een nieuwe beslissing nemen over de wijze waarop de verzoekende partij de ontbrekende derde stageweek kan doen.”.117
113
R. Stvb. nr. 2008/027. R. Stvb. nr. 2008/019. 115 Art. II.22 Aanvullingsdecreet. 116 R. Stvb. nr. 2008/069. Zie bv. ook R. Stvb. nr. 2008/040 en nr. 2008/059. 117 R. Stvb. nr. 2008/001. 114
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
44
“Het bevoegde orgaan neemt een nieuwe beslissing, uiterlijk op 26 juni 2008 waarbij het zal dienen vast te stellen dat de beslissing om het examen van 20 maart 2008 nietig te verklaren, wat betreft de verzoekende partij, geen rechtsgrond kan vinden in afdeling 6 van het examenreglement van de verwerende partij.”.118 “De bevoegde instantie neemt uiterlijk op 27 augustus 2008 een nieuwe beslissing, waarbij voor de evaluatie van de prestaties van de verzoekende partij voor het opleidingsonderdeel […] geen rekening zal worden gehouden met het oordeel van haar medestudenten.”.119 BEVEL TOT VOORLOPIGE INSCHRIJVING 76. De Raad kan in een vernietigingsbesluit, zo hij dit op grond van de aangedragen feiten kennelijk noodzakelijk acht, tevens aan de onderwijsinstelling bevelen om in afwachting van een nieuwe beslissing de student voorlopig in te schrijven, alsof er geen nadelige studievoortgangsbeslissing was genomen.120 77. Ook tijdens het werkjaar 2008 werd deze vraag slechts uitzonderlijk door de verzoekende partij gesteld. Het blijkt immers dat studenten zich vaak reeds in een andere instelling ingeschreven hebben. In een zaak vroeg de verzoekende partij het volgende: “Verzoekende partij eist in ondergeschikte orde dat het door hem ingediend werk voor het opleidingsonderdeel […] opnieuw beoordeeld wordt door andere bevoegde docenten en dat in afwachting daarvan verzoekende partij toegelaten wordt om zich in te schrijven voor het derde jaar bachelor in de Architectuur.”.121 De Raad oordeelde evenwel als volgt: “Gelet op het hiervoor besliste is er geen aanleiding om in te gaan op verzoek van verzoekende partij om ingeschreven te worden in het derde jaar bachelor, daar niet vaststaat dat verzoekende partij zal slagen voor het opleidingsonderdeel […].”.122 OPROEPEN VAN GETUIGEN 78. De Raad beoordeelt soeverein of hij al dan niet ingaat op een vraag om getuigen te horen.123 Enkel wanneer een getuigenis noodzakelijk is om tot een beslissing te komen, wordt een verzoek ingewilligd. De Raad kan, ingeval hij het noodzakelijk acht om tot een beslissing te komen, ook zelf getuigen oproepen om de zaak verder te kunnen onderzoeken.
118
R. Stvb. nr. 2008/009. R. Stvb. nr. 2008/027. 120 Art. II.22, in fine Aanvullingsdecreet. 121 R. Stvb. 2008/069. 122 Ibid. 123 Art. II.34 Aanvullingsdecreet. 119
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
45
79. Het afgelopen werkjaar heeft de Raad het in geen enkel geval noodzakelijk geacht om in te gaan op een vraag tot getuigenverhoor. In één zaak werd door de verzoekende partij wel expliciet aan de Raad gevraagd om een deskundige te laten aanstellen die een onderzoek diende te voeren naar de beoordeling van het examen. De Raad is niet op het verzoek ingegaan: “In zoverre de vraag van de verzoekende partij tot de aanstelling van een onafhankelijke deskundige begrepen moet worden als een formeel verzoek om een deskundige aan te stellen, wordt dit verzoek afgewezen omdat de verzoekende partij niet aanduidt (1) dat er zodanige gebreken zijn in de beoordeling van haar examens dat een deskundige moet worden aangesteld, (2) welke precieze punten die deskundige dan wel zou moeten onderzoeken.”.124 VOORWERP EN MIDDELEN 80. Artikel II.37 van het Aanvullingsdecreet bepaalt dat de Raad op alle opmerkingen van de partijen die de aan het geschil te geven oplossing kunnen beïnvloeden, antwoordt. Wanneer een beslissing wordt vernietigd, volstaat in principe dat het middel dat tot de vernietiging leidt, beantwoord wordt. Zo stelde de Raad bijvoorbeeld het volgende: “In het derde onderdeel klaagt de verzoekende partij over de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat een wijziging in de manier van examineren duidelijk had moeten worden aangekondigd, en niet volstaan kon worden met een mondelinge toelichting. Het onderdeel, al ware het gegrond, kan niet leiden tot een ruimere vernietiging dan het tweede gegrond bevonden onderdeel, zodat de verzoekende partij geen belang heeft bij dit onderdeel.”.125 81. Middelen die voor het eerste maal in het kader van de procedure voor de Raad worden aangehaald en dus geen voorwerp waren in het intern beroepschrift, kunnen niet meer bij de Raad aanhangig worden gemaakt. Het intern beroep dient immers te zijn uitgeput. Dat wil zeggen dat de onderwijsinstelling in het kader van het intern beroep ten minste de kans moet hebben gekregen om zich op alle aangehaalde middelen te verdedigen. Nieuwe middelen zijn derhalve enkel ontvankelijk indien ze voortbouwen op informatie die pas tijdens of na het intern beroep ter kennis gekomen is van de student. Zo stelde de Raad bijvoorbeeld het volgende: “In een vierde middel stelt de verzoekende partij dat zij gediscrimineerd is, omdat het examen over het opleidingsonderdeel […] in de eerste zittijd uitsluitend schriftelijk was, en in de tweede zittijd schriftelijk en mondeling. De verwerende partij stelt dat het middel niet ontvankelijk is, omdat het niet werd opgeworpen in het interne beroep. Het blijkt dat de verzoekende partij in haar intern beroep over dit verschil in examenvorm geen klacht heeft geformuleerd, terwijl er geen reden is waarom zij dit niet had kunnen doen. 124 125
R. Stvb. nr.2008/065. R. Stvb. nr.2008/059.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
46
De klacht betreft evenmin de openbare orde, er is dus geen reden waarom die pas voor het eerst in het beroep voor de Raad kon worden geformuleerd. Het middel is niet ontvankelijk.”.126 82. De schending van de rechten van verdediging kan ook ingeroepen worden ten aanzien van argumenten die pas in de wederantwoordnota worden opgeworpen: “Met de inhoudelijke kritiek die voor het eerst geformuleerd werd in de wederantwoordnota kan geen rekening worden gehouden omdat die niet het voorwerp van tegenspraak is geweest en omdat er geen reden is waarom deze inhoudelijke kritiek niet reeds eerder in de procedure had kunnen worden geformuleerd.”.127
4.2.1. Beroep tegen een examenbeslissing 83. Net zoals in de voorbije werkjaren waren tijdens het werkjaar 2008 examenbeslissingen het voorwerp van de meeste beroepen voor de Raad (58 beroepen). In 18 gevallen werden de examenbeslissingen vernietigd.128 De verschillende middelen die aanleiding gaven tot de specifieke rechtspraak van de Raad tijdens 2008 worden hierna besproken. SAMENSTELLING VAN DE EXAMENCOMMISSIE 84. In verschillende zaken werd de regelmatigheid van de samenstelling van de examencommissie betwist. De Raad gaat telkens na of de in het onderwijs- en examenreglement bepaalde regeling werd nageleefd en of de samengestelde jury voldoende representatief is.129 Zo stelde de Raad bijvoorbeeld het volgende: “In haar derde middel klaagt de verzoekende partij erover dat de jury die het eindwerk beoordeelde anders was samengesteld in de tweede zittijd. Het middel is niet gegrond omdat, zoals de verwerende partij terecht stelt, er geen regel is die voorschrijft dat de jury op dezelfde wijze dient te zijn samengesteld. Verder kan worden opgemerkt dat de voorzitter van de examencommissie alleen betrokken is bij de mondelinge beoordeling van het eindwerk, zodat het feit dat er een andere persoon de examenjury voorzit op zichzelf niet in strijd is met enig beginsel van behoorlijk bestuur.”.130 ONPARTIJDIGHEID EN OBJECTIVITEIT 85. Studenten vragen meermaals de vernietiging van een studievoortgangsbeslissing op grond van partijdigheid of vooringenomenheid van de examencommissie, de docent of de interne beroepscommissie. Uit de rechtspraak blijkt dat het aantonen 126
R. Stvb. nr.2008/061. Zie bv. ook R. Stvb. nr. 2008/065. R. Stvb. nr. 2008/012. 128 R. Stvb. nr. 2008/001, nr. 2008/016, nr. 2008/026, nr. 2008/027, nr. 2008/028, nr. 2008/034, nr. 2008/040, nr. 2008/052, nr. 2008/053, nr. 2008/056, nr. 2008/058, nr. 2008/059, nr. 2008/060, nr. 2008/067, nr. 2008/069, nr. 2008/074, nr. 2008/076 en nr. 2008/077. 129 R. Stvb. nr. 2008/061. 130 R.Stvb. nr. 2008/053. Zie ook R. Stvb. nr. 2008/061. 127
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
47
van mogelijke partijdigheid uiterst moeilijk is. De Raad gaat er immers van uit dat aan de hoedanigheid van examinatoren een vermoeden van deskundigheid en objectiviteit kleeft. Enkele voorbeelden uit de rechtspraak: “Verzoekende partij beklaagt er zich vervolgens over dat de toegepaste deliberatiegegevens discriminerend zijn en de deliberatie geschiedt op basis van favoritisme. Ter ondersteuning van dit middel beweert verzoekende partij dat de deliberatieregels niet voor alle studenten op dezelfde wijze worden toegepast. Van het beweerde gebrek aan eenvormige toepassing van de deliberatieregels worden echter geen concrete gevallen voorgelegd die de Raad van het beweerde gebrek zou kunnen overtuigen.”.131 “Zelfs als een van de twee docenten niet aanwezig was op het contactmoment, dan is dat nog geen bewijs van partijdigheid of van ongelijke behandeling, en van de overige feiten brengt de verzoekende partij geen enkel bewijs bij.”.132 “Verzoekende partij beklaagt er zich in een tweede middel over dat tijdens het evaluatiegesprek sommige juryleden uitlatingen hebben gedaan waaruit een vooringenomenheid zou blijken en dat daardoor de verzoekende partij verbaal blokkeerde en niet normaal kon presteren. De Raad beseft dat niet elk gezegde van vooringenomenheid getuigt en dat de reactie van betrokkene in sommige gevallen als een criterium van weerbaarheid kan worden beschouwd. Het middel is niet gegrond.”.133 “Onder de indruk van die onterechte bejegening heeft haar reactie, in aanwezigheid van de betrokken personen, volgens [verzoekende partij] ook geleid tot vooringenomenheid jegens haar. De Raad herinnert eraan dat het hem niet toekomt zijn appreciatie over de verdiensten van een student in de plaats te stellen van die van het of de bevoegde organen van de onderwijsinstelling, maar wel erop toe te zien dat de evaluatie op wettelijke wijze is tot stand gekomen en binnen de grenzen van de redelijkheid ligt. De door de verwerende partij bijgebrachte stageverslagen bevatten een aantal – meer dan één – negatieve punten, en in het licht daarvan kan niet gesteld worden dat de betwiste evaluatie op onregelmatige wijze is tot stand gekomen of kennelijk onredelijk is. Hetzelfde geldt voor de weigering tot herkansing.”.134 RECHT OM GEHOORD TE WORDEN 86. In verschillende zaken werd door de studenten de klacht geformuleerd dat zij voorafgaand aan of in het kader van de interne beroepsprocedure onvoldoende werden gehoord. 131
R. Stvb. nr. 2008/058. Zie ook R. Stvb. nr. 2008/076. R. Stvb. nr. 2008/069. 133 R. Stvb. nr. 2008/026. 134 R. Stvb. nr. 2008/030. 132
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
48
De hoorplicht impliceert dat de student de mogelijkheid wordt geboden om met kennis van zaken zijn standpunt kenbaar te maken. De Raad is evenwel van oordeel dat het ‘recht op gehoor’ niet is geschonden wanneer de student vooraf alle nuttige gegevens en argumenten heeft kunnen bijbrengen en bijgevolg het schriftelijk dossier voldoende informatief is: “De verzoekende partij klaagt er op de eerste plaats over dat zij niet gehoord werd in het kader van het intern beroep hoewel haar raadsman daar uitdrukkelijk om verzocht had. In de regel kan geen beslissing die voor de bestemmeling ervan bijzonder belastend is genomen worden zonder dat de betrokkene vooraf werd gehoord. Het horen van de betrokkene kan achterwege blijven wanneer die vooraf alle nuttige gegevens en argumenten heeft kunnen bijbrengen (R.v.St., Martens, nr. 67.691, 8 augustus 1997, R.W., 1998-99, 644; CVBA Andersen Consulting, nr. 77.153, 24 november 1998). Gelet op het uitvoerige interne beroepsschrift moest de interne beroepsinstantie in dit geval de verzoekende partij en haar raadsman niet horen. De klacht is ongegrond.”.135 Volgens de Raad is ook niet vereist dat het horen confronterend moet verlopen: “Het horen door een orgaan van actief bestuur, zelfs in het kader van een administratieve beroepsprocedure, veronderstelt niet dat alle personen die op een of andere wijze gehoord worden, met elkaar geconfronteerd worden, of dat zij van elkaars standpunten kennis moeten hebben en daar tegenspraak over moeten voeren. De verzoekende partij had het recht te worden gehoord over haar klacht, die betrekking had op het examen voor het opleidingsonderdeel […] en heeft met kennis van zaken haar standpunt in verband met die klacht kunnen uiteenzetten. Het horen heeft tot doel de beroepsinstantie voor te lichten, en het staat deze vrij, zoals elk orgaan van actief bestuur, zich daarnaast te laten inlichten door andere personen.”.136 87. Met betrekking tot het niet uitnodigen van de raadsman van de student voor de vergadering van de interne beroepsinstantie oordeelde de Raad het volgende: “Verzoekende partij doet voorafgaandelijk opmerken dat haar rechten van verdediging werden geschonden door het feit dat, ondanks het uitdrukkelijke verzoek, de verwerende partij heeft nagelaten advocaat […] te verwittigen van de vergadering van de Interne Beroepscommissie tijdens welke het beroep van verzoekende partij zou worden behandeld. Verwerende partij ontkent niet dat advocaat […] niet werd verwittigd. Uit de voorgelegde stukken blijkt echter dat tijdens de vergadering van de Interne Beroepscommissie van 18 september 2008 verzoekende partij werd bijgestaan door .[…], vertrouwenspersoon van verzoekende partij en getuige tijdens de herexamens. De Raad stelt vast dat verzoekende partij wel degelijk heeft kunnen rekenen op bijstand tijdens de vergadering van de Interne Beroepscommissie. In voorliggend geval is de Raad van oordeel dat de raadsman door verzoekende
135 136
R. Stvb. nr. 2008/042. R. Stvb. nr. 2008/059.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
49
partij zelf werd verwittigd en is daarom van oordeel dat niet-uitnodigen van de raadsman niet als een doorslaggevend gebrek kan worden aanzien.”.137 MOTIVERINGSPLICHT 88. Elke individuele studievoortgangsbeslissing van een onderwijsinstelling, waaronder een examenbeslissing, en in voorkomend geval de beslissing op intern beroep dient uitdrukkelijk gemotiveerd te worden. De redenen op grond waarvan de beslissing is genomen (materiële motiveringsplicht), dienen in beginsel in de beslissing zelf te zijn opgenomen (formele motiveringsplicht). Dit middel (formele en materiële motiveringsplicht) maakt voorwerp uit van de meeste verzoekschriften. Of een motivering afdoende is, m.a.w. toelaat om na te gaan op grond van welke juridische en feitelijke gegevens de beslissing is tot stand gekomen, hangt samen met de aard van de genomen beslissing. 89. Een strenge studievoortgangsbeslissing – hoewel op zich niet onredelijk – vergt een grondige motivering. Een gebrekkige motivering leidt bijgevolg tot vernietiging van de beslissing: “De Raad stelt vast dat de 7 op 20 die werd verleend het gevolg is van een mathematische berekening doch dit neemt niet weg dat er een zodanige discrepantie bestaat tussen enerzijds de tussenbeoordelingen op de stageplaatsen en anderzijds de toegekende deelonvoldoendes zonder dat daarvoor een afdoende motivatie wordt gegeven. […] Een afdoende motivatie is des te meer vereist omdat precies de twee onvoldoendes behaald tijdens de tweede stageperiode (9 en 9,5) worden bestraft met vier minpunten, terwijl het gewogen gemiddelde 12,03 op 20 bedraagt en bovendien tijdens de laatste stageperiode geen enkel onvoldoende werd behaald.”.138 In twee zaken vernietigde de Raad de strenge beslissing, genomen door de onderwijsinstelling na een eerder vernietigingsbesluit van de Raad, omdat de motivering opnieuw niet afdoende was: “Door aldus te handelen heeft verwerende partij de motieven van de vernietigingsbeslissing van de Raad miskend en gaat zij voorbij aan de gerechtvaardigde verwachting – en het recht – van verzoekende partij te weten om welke precieze redenen op het einde van haar studies de betwiste verstrekkende beslissing werd genomen.”.139 “De Raad kan niet anders dan herhalen dat wanneer er een dergelijke discrepantie bestaat tussen de toegekende score en de beoordelingen door de stagementoren, de individuele quoteringen grondig en afdoende moeten gemotiveerd worden. Dit klemt des te meer daar de score sterk werd beïnvloed door de louter rekenkundige toepassing van de penalisatieregel.”.140 90. Indien een stage het voorwerp uitmaakt van een betwisting, vraagt de Raad ook voor deze examenbeslissingen een grondige motivering, vermits een dergelijke 137
R. Stvb. nr. 2008/062. R. Stvb. nr. 2008/052. 139 R. Stvb. nr.2008/076. 140 R. Stvb. nr. 2008/077. 138
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
50
examenbeslissing enerzijds doorgaans op basis van verschillende deelscores tot stand komt en waarbij anderzijds meestal meerdere personen (zoals mentoren en stagebegeleiders) betrokken zijn: “Wat de in het verzoekschrift aangehaalde schending van de motiveringsplicht betreft, stelt de Raad vast dat de verwerende partij enkel de behaalde deelscores die door verschillende stafleden werden gegeven aangeeft, maar waar elke motivatie voor ontbreekt, wat ingeval van praktijkopleiding en stages waar competenties worden beoordeeld, noodzakelijk is. Voorts wordt op geen enkele wijze aan de hand van de stukken aangetoond dat de student vooraf kennis had van de evaluatiecriteria van het betrokken opleidingsonderdeel noch kennis had van de evaluatieprocedures en de namen van de evaluatoren en de wijze waarop de totaalscore zou worden toegekend.[…] Bij gebrek aan formele en materiële motivering en het feit dat de student niet vooraf op de hoogte was van de criteria en procedures, zoals tijdens de zitting is gebleken, stelt de Raad dat in het voorliggende geval een herevaluatie dient te gebeuren.”.141 “Verwerende partij wijst erop dat het onderwijs- en examenreglement bepaalt dat het examencijfer op het niveau van de module (cluster) niet noodzakelijk de rekenkundige, gewogen som is van de scores op partimniveau, maar de uitdrukking is van de beheersingsgraad van de beoogde competenties op een totaal van 20 punten. Het onderwijs -en examenreglement bepaalt verder in artikel 84 in fine dat bij afwijking van die rekenkundige gewogen som het moduleteam via haar voorzitter een cijfer én een motivering voorstelt; In voorliggend geval heeft de examencommissie, op basis van de deelresultaten, o.m. van de zwakke score voor het eindwerk, verzoekende partij voor het opleidingsonderdeel “Klinisch Onderwijs 6”, de globale score van 9/20 toegekend. De Raad is van oordeel dat uit de voorgelegde stukken en de mondelinge toelichting tijdens de hoorzitting onvoldoende elementen kunnen worden gehaald die de globale score van 9 op 20 afdoende motiveren.”.142 Gaat het echter om een zuiver kennisexamen, dan kan de mededeling van een cijfer, en in voorkomend geval de deliberatiecriteria, een voldoende motivering zijn: “De evaluatie van het schriftelijke examen is gemotiveerd weergegeven in de beslissing op intern beroep, en de verzoekende partij toont niet aan dat deze evaluatie kennelijk onredelijk is, laat staan onrechtmatig.”.143 91. Wanneer het een facultatieve bevoegdheid van de onderwijsinstelling betreft (vb. de keuze om al dan niet te delibereren), dient de instelling niet te motiveren waarom zij ervoor geopteerd heeft om deze bevoegdheid niet uit te oefenen: “In zoverre de verzoekende partij erover klaagt dat niet werd geantwoord waarom zij met het behaalde resultaat toch niet gedelibereerd kon worden, is het middel […] in ieder geval niet gegrond, nu de examencommissie noch de
141
R. Stvb. nr. 2008/040. R. Stvb. nr. 2008/058. 143 R. Stvb. nr. 2008/065. 142
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
51
interne beroepsinstantie niet dienen te motiveren waarom een facultatieve bevoegdheid niet werd uitgeoefend.”.144 De Raad stelt daarentegen dat in het geval de instelling haar discretionaire bevoegdheid effectief heeft uitgeoefend, zij wel degelijk dient aan te tonen op welke wijze dit is gebeurd: “De door de verzoekende partij in een van haar stukken geciteerde tekst van de Algemene Onderwijsregeling voorziet in de mogelijkheid van een deliberatie, dat wil zeggen een voor de student gunstige beslissing ondanks de onvoldoende, maar niet in een automatisch gunstige beslissing voor de student. Ter zitting is gebleken dat de onderwijscommissie gedelibereerd heeft over het resultaat van de verzoekende partij. Evenwel wordt geen enkel motief opgegeven waarom het resultaat van de verzoekende partij niet geslaagd was. Wanneer een examencommissie beschikt over een discretionaire bevoegdheid, behoeft zij uit te leggen op welke wijze zij deze bevoegdheid heeft uitgeoefend. Dat is hier niet gebeurd.”.145 De uitoefening van een facultatieve bevoegdheid dient eveneens gemotiveerd te worden, indien blijkt dat de examencommissie op algemene wijze van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt: “De bepaling van artikel 51§6 van de Onderwijsregeling moet gelezen worden in functie van de ook in die bepaling opgenomen zinsnede ‘Voor de opleidingsonderdelen waarvoor een student een onvoldoende heeft behaald, kunnen de volgende deliberatiecriteria, per inschrijvingsprogramma, worden gehanteerd:” (onderstreping toegevoegd), waaruit volgt dat het toepassen van de genoemde deliberatiecriteria voorkomt als een facultatieve bevoegdheid van de examencommissie. Het niet uitoefenen van een facultatieve bevoegdheid dient niet gemotiveerd te worden. Dit zou alleen anders zijn wanneer een examencommissie wel, op algemene wijze, van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, maar daarvan ligt hier geen bewijs voor.”.146 92. Aan de motiveringsplicht kan worden voldaan door in de studievoortgangsbeslissing zelf te verwijzen naar (een beoordeling in) andere documenten, indien een aantal voorwaarden zijn vervuld: “De verplichting tot formele motivering slaat op de eigenlijke beslissing, niet op de mededeling ervan aan de verzoekende partij, al verdient het natuurlijk aanbeveling dat de eigenlijke beslissing met inbegrip van de motivering als zodanig wordt meegedeeld. Stuk 5 van de verwerende partij is een beoordeling van het opleidingsonderdeel […]. De bestreden beslissing verwijst uitdrukkelijk naar deze beoordeling. Aan de motiveringsplicht kan worden voldaan door verwijzing naar andere documenten, voor zover deze documenten gevoegd zijn bij de eigenlijke beslissing, de beslissing in overeenstemming is met de strekking van deze documenten, en het beslissende orgaan ervan blijk geeft haar eigen beoordelingsbevoegdheid te hebben gebruikt. Aan deze eisen is
144
R. Stvb. nr. 2008/065. R. Stvb. nr. 2008/016. 146 R. Stvb. nr. 2008/053. 145
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
52
voldaan, nu de examencommissie handelende als orgaan van intern beroep verwijst naar de beoordeling, en gelet daarop het cijfer (8/20) bevestigt.”.147 93. Vermits een gebrekkige motivering de beslissing op zich niet onregelmatig maakt, kan een gebrekkige motivering bij het nemen van een nieuwe beslissing (of zelfs reeds in het kader van het intern beroep) steeds rechtgezet of aangevuld worden. RECHT OP INZAGE EN RECHT OP AFSCHRIFT 94. Het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur is eveneens van toepassing op de onderwijsinstellingen. De openbaarheid van bestuur impliceert onder andere dat studenten inzage kunnen vragen van hun schriftelijk examen. Elke onderwijsinstelling legt autonoom in haar onderwijs- en examenreglement de procedure, termijn en tijdstip vast voor het inzagerecht. 95. De Raad van State is evenwel van oordeel dat de rechten van verdediging niet zijn geschonden als pas tijdens de procedure voor de Raad van State zelf inzage is verleend in bepaalde verantwoordingsstukken van examens zoals puntenverdeling, examenvragen, verbeterde kopijen. Ook de Raad heeft in de eerste plaats gesteld dat de late mededeling van verantwoordingsstukken ter motivering van een studievoortgangsbeslissing geen reden is om de aangevochten beslissing te vernietigen, op voorwaarde dat de beoordeling van het opleidingsonderdeel in rechte verantwoord wordt door de motieven uit deze verantwoordingsstukken, de verzoekende partij ten laatste in het kader van de procedure voor de Raad kennis heeft van kunnen nemen en ook tegenspraak heeft kunnen voeren.148 De Raad bevestigde deze stelling impliciet als volgt: “Het middel moet echter betrokken worden op de eigenlijke beslissing van de examencommissie, […]. Die beslissing vermeldt behalve het eigenlijke resultaat ook de motivatie ervan (niet geslaagd voor alle onderdelen, artikel 51§8 van de Onderwijsregeling). Die motivering is summier maar afdoende. Ook al kan het wenselijk zijn de eigenlijke beslissing van de examencommissie als zodanig aan de student mee te delen, dit moet beoordeeld worden in functie van de praktische haalbaarheid, en het spreekt vanzelf dat de student recht heeft op inzage van de eigenlijke beslissing. Het middel is niet gegrond.”.149 In een recenter besluit heeft de Raad deze stelling genuanceerd door te stellen dat een gebrek tot tijdige inzage in de motivering van een beslissing de rechten van verdediging van de student bij de voorbereiding van het intern beroep kan schaden: “Zonder inzage in de motivering die te vinden is in stuk 5 van de verwerende partij en waarvan hiervoor werd vastgesteld dat ze reeds op 17 september 2008 aanwezig had moeten zijn, kon de verzoekende partij haar standpunt in het kader van het intern beroep niet naar behoren voorbereiden.”.150 147
R. Stvb. nr. 2008/069. R. Stvb. nr. 2005/022. 149 R. Stvb. nr. 2008/053. 150 R. Stvb. nr. 2008/069. 148
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
53
96. De Raad heeft zich nog niet uitdrukkelijk uitgesproken over het feit of naast het recht op inzage ook de afgifte van een kopie een verplichting inhoudt voor de instelling.151 BEGELEIDING EN FEEDBACK 97. Een degelijke begeleiding is een essentieel onderdeel van kwalitatief onderwijs. Uit de bij de Raad ingediende verzoekschriften blijkt dat voornamelijk in het kader van stages of ingeval van het eindwerk studenten een gebrekkige begeleiding als middel opwerpen. Gebreken in de begeleiding kunnen echter op zich niet verantwoorden waarom de evaluatie niet zou beantwoorden aan de waarde van de prestaties van de student. Een gebrekkige begeleiding leidt daarom niet onmiddellijk tot de consequentie dat de quotering voor het betrokken opleidingsonderdeel onregelmatig of kennelijk onredelijk zou zijn. Een middel, gebaseerd op een gebrekkige begeleiding, kan dan ook enkel in uitzonderlijke omstandigheden tot vernietiging van de examenbeslissing aanleiding geven wanneer een directe relatie tussen beide kan worden aangetoond: “De verzoekende partij klaagt in de eerste plaats over onvoldoende begeleiding en slechte communicatie met de promotor van zijn masterproef. Ook al zouden de klachten daaromtrent in feite juist zijn – zij worden betwist door de verwerende partij – de Raad is enkel bevoegd om kennis te nemen van klachten gericht tegen studievoortgangsbeslissingen, niet van klachten die te maken hebben met slechte begeleiding of gebrek aan communicatie. Op zichzelf zijn dergelijke klachten niet van aard om de gegeven evaluatie te beïnvloeden, tenzij mogelijk in zeer uitzonderlijke omstandigheden die hier niet aanwezig zijn.”.152 Dit is vaststaande rechtspraak van de Raad. Dit lijkt ook begrepen te worden door de studenten, vermits tijdens het afgelopen werkjaar een gebrekkige begeleiding beduidend minder als (enige) vernietigingsgrond wordt ingeroepen. De Raad heeft wel al in een besluit de onderwijsinstelling expliciet gevraagd om een student gezien de omstandigheden beter te begeleiden wanneer deze het betreffende opleidingsonderdeel zou hernemen: “De Raad stelt vast dat de verzoekende partij, die deze opleiding volgt in het kader van een VDAB project, en die inderdaad met moeilijke familiale omstandigheden geconfronteerd wordt, op alle andere opleidingsonderdelen waarvoor zij niet vrijgesteld was, goede tot zeer goede resultaten heeft behaald. De Raad neemt aan dat de verwerende partij haar zo goed als mogelijk zal begeleiden, zodat zij ook voor het opleidingsonderdeel […] kan slagen.”.153
151
In een zaak kwam het recht op afschrift van de studievoortgangsbeslissing wel ter sprake. Vermits de Raad de betwiste studievoortgangsbeslissing vernietigde op grond van de schending van de motiveringsplicht, sprak de Raad zich hier evenwel niet uitdrukkelijk over uit (R. Stvb. nr. 2008/069). 152 R. Stvb. nr. 2008/018. 153 R. Stvb. nr. 2008/030.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
54
DE GEHANTEERDE DELIBERATIE- EN EVALUATIECRITERIA EN METHODES 98. Vaak betwist de student de evaluatiemethode en/of het deliberatiesysteem. De Raad gaat desgevallend na of de beoordeling conform het onderwijs- en examenreglement is gebeurd en of de beoordeling de toets van de redelijkheid kan doorstaan. De toepassing van afrondingsregels 99. De Raad heeft reeds vroeger154 gesteld dat ingeval de quotering gebaseerd is op verschillende deelresultaten en een methode wordt gehanteerd waarbij opeenvolgende afrondingen worden toegepast om het globaal resultaat te berekenen, deze als kennelijk onredelijk en dus als onwettig moet worden beschouwd. De toepassing van afrondingsregels heeft ook tijdens het werkjaar 2008 tot specifieke rechtspraak geleid. Het afronden van de eindbeoordeling is niet onredelijk, op voorwaarde dat het eindresultaat niet het gevolg is van twee of meer afrondingen: “Het beroep is op de eerste plaats gericht tegen de afronding van het resultaat voor het opleidingsonderdeel […] van 8,25/20 naar 8/20, waardoor, zo stelt de verzoekende partij, zij niet kon worden gedelibereerd. De verwerende partij verwijst naar artikel […], dat bepaalt dat de beoordeling per opleidingsonderdeel wordt uitgedrukt in een “geheel examencijfer” op twintig. Deze bepaling kan begrepen worden in die zin dat het resultaat van een beoordeling uitsluitend in gehele getallen worden uitgedrukt, dus zonder cijfers na de komma. Een dergelijke bepaling is op zichzelf niet onredelijk, op voorwaarde dat, zoals de Raad al eerder beslist heeft, het eindresultaat niet het gevolg is van twee of meer opeenvolgende afrondingen. Het blijkt niet dat dat hier het geval is. Ook al bevat de genoemde bepaling geen afrondingsregel, de afronding van 8,25 naar 8 is evenmin kennelijk onredelijk.”.155 Het onderwijs- en examenreglement kan afzien van de gebruikelijke toepassing van de afrondingsregels. Indien een onderwijsinstelling een dergelijke in het reglement opgenomen afwijking in een concreet geval toepast, moet ze de afwijking alleszins grondig motiveren: “Verzoekende partij beweert dat bij de omzetting het rekenkundig gemiddelde van 9,75/20 werd afgerond naar beneden […] Verwerende partij wijst erop dat het onderwijs- en examenreglement bepaalt dat het examencijfer op het niveau van de module (cluster) niet noodzakelijk de rekenkundige, gewogen som is van de scores op partimniveau, maar de uitdrukking is van de beheersingsgraad van de beoogde competenties op een totaal van 20 punten. Het onderwijs -en examenreglement bepaalt verder in artikel 84 in fine dat bij afwijking van die rekenkundige gewogen som het moduleteam via haar voorzitter een cijfer én een motivering voorstelt. 154 155
R. Stvb. nr. 2006/023. R. Stvb. nr. 2008/067.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
55
In voorliggend geval heeft de examencommissie, op basis van de deelresultaten, o.m. van de zwakke score voor het eindwerk, verzoekende partij voor het opleidingsonderdeel “Klinisch Onderwijs 6”, de globale score van 9/20 toegekend. De Raad is van oordeel dat uit de voorgelegde stukken en de mondelinge toelichting tijdens de hoorzitting onvoldoende elementen kunnen worden gehaald die de globale score van 9 op 20 afdoende motiveren.”.156 De Raad acht het feit dat de instelling in afwijking van de gebruikelijke afrondingsregels steeds naar beneden afrondt, ongetwijfeld een zeer strenge vorm van evaluatie, maar daarom nog niet kennelijk onredelijk: “De verzoekende partij stelt in een eerste middel dat de afronding van het cijfer 9,8/20 naar 9/20 een schending is van het gelijkheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, daar de normale afrondingsregel, die trouwens voor ander opleidingsonderdelen wordt toegepast, voorhoudt dat een cijfer van 5 of meer na de komma naar boven wordt afgerond. Het staat elke examinator vrij om te bepalen op welke wijze het betrokken opleidingsonderdeel geëvalueerd wordt, mits (1) geen hogere regel een dwingende wijze van evaluatie oplegt, en (2) de door hem of haar bepaalde wijze van evaluatie niet kennelijk onredelijk is. Dat er geen afronding gebeurt naar boven toe, met andere woorden, dat er steeds naar beneden wordt afgerond, is ongetwijfeld een zeer strenge vorm van evaluatie, maar is daarom nog niet kennelijk onredelijk. Dat een examinator niet op dezelfde wijze evalueert, met inbegrip van de afronding van de resultaten, als andere examinatoren houdt op zichzelf geen schending van het gelijkheidsbeginsel in. Daar elke examinator, binnen de grenzen die de regelgeving laat, zelf bepaalt hoe geëvalueerd wordt, hoeft hij of zij ook niet te verantwoorden waarom zijn of haar wijze van evaluatie verschilt van die van een of meer andere examinatoren. Er is dus evenmin sprake van schending, in dit verband, van het redelijkheidsbeginsel.”.157 Bovendien stelt de Raad dat een bepaalde afrondingsregel, hoe streng ook, als een algemeen bindende bepaling zonder ruimte voor appreciatie kan worden opgelegd: “In een derde middel houdt de verzoekende partij voor dat de bestreden beslissing ten onrechte een blinde toepassing gemaakt heeft van een nietbindende beleidsbepaling. De verzoekende partij kwalificeert ten onrechte de betwiste afrondingsregel als een niet- bindende bepaling. Hiervoor werd gesteld dat elke examinator binnen de grenzen die de regelgeving hem of haar laat, de wijze van evaluatie mag bepalen, en dat is hier ook gebeurd. Uit niets blijkt dat de wijze waarop de betrokken examinator de wijze van evaluatie heeft bepaald, ruimte liet voor appreciatie, met andere woorden als niet bindend moest worden beschouwd.”.158
156
R. Stvb. nr. 2008/058. R. Stvb. nr. 2008/019. 158 R. Stvb. nr. 2008/019. 157
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
56
De toepassing van evaluatie- en deliberatiecriteria 100. De Raad is van oordeel dat de onderwijsinstelling voor elke concrete examenbeslissing duidelijk moet vermelden welke evaluatie- en deliberatiecriteria desgevallend gehanteerd zijn: “Na inzage van de stukken door de verwerende partij meegedeeld, acht zij artikel 51, §10 van de Onderwijsregeling van de verwerende partij geschonden, doordat niet per student is vermeld de wijze van beslissing en de deliberatiecriteria. Zij stelt dat zij onmogelijk kan nagaan of rekening werd gehouden met de deliberatiecriteria van artikel 51 §6 van de Onderwijsregeling (“- enkel examenresultaten van opleidingsonderdelen met 7 of meer op 20 worden gedelibereerd”). […] Het oorspronkelijke middel is niet gegrond, nu uit de door de verwerende partij meegedeelde stukken 3, 4 en 5 blijkt (1) wie er aanwezig was op de deliberatie, (2) wie gedelibereerd heeft over de verzoekende partij, en (3) welke deliberatiecriteria werden gehanteerd.”.159 “Het verwijt dat ten onrechte evaluatiecriteria zouden zijn gehanteerd die betrekking hebben op modeltraject 3 (derde jaar) is niet gegrond. Uit de door de verwerende partij meegestuurde stukken 15 en 16 blijkt dat ook in modeltraject 2 bepaalde attitudes verworven moeten zijn die de verzoekende partij blijkens de stageverslagen in meer of mindere mate niet bereikt heeft. Ten slotte stelt de verzoekende partij dat ze ondanks de tekorten gedelibereerd had moeten worden. Het mag bevreemden dat het examenreglement van verwerende partij geen bepalingen bevat over deliberatiecriteria, maar het valt hoe dan ook niet aan te nemen dat een student die een tekort heeft voor twee opleidingsonderdelen die samen goed zijn voor 17 van de 60 studiepunten, toch nog gedelibereerd zou worden.”.160 101. Ingeval de onderwijsinstellingen penalisatieregels die verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de student, toepast, dienen ze dit afdoende te motiveren: “Een afdoende motivatie is des te meer vereist omdat precies de twee onvoldoendes behaald tijdens de tweede stageperiode (9 en 9,5) worden bestraft met vier minpunten, terwijl het gewogen gemiddelde 12,03 op 20 bedraagt en bovendien tijdens de laatste stageperiode geen enkel onvoldoende werd behaald.”.161 De kennisgeving van afrondingsregels, evaluatie- en deliberatiecriteria 102. Afrondings- en penalisatieregels kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de student. Bijgevolg moeten volgens de Raad de quoteringscriteria, de daarbij horende afrondingsregels en eventuele penalisatieregels voorafgaandelijk op permanente en schriftelijke wijze door de instelling worden meegedeeld: “Uit de voorgelegde stukken blijkt niet dat de quoteringscriteria en de daarbij horende afrondingsregels en de eventuele penalisatie schriftelijk aan de studenten werden ter kennis gebracht. 159
R. Stvb. nr. 2008/053. R. Stvb. nr. 2008/041. 161 R. Stvb. nr. 2008/052. 160
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
57
De Raad is van oordeel dat vanuit de zorg voor een goed bestuur dergelijke belangrijke elementen van de examenverrichtingen met verstrekkende gevolgen, aan de studenten moeten worden meegedeeld op een zodanige wijze dat die evaluatie-elementen permanent kunnen worden geraadpleegd en de communicatie niet afhangt van het al dan niet aanwezig zijn tijdens een college.”.162 De Raad acht een bekendmaking van de afrondingsregels via de elektronische leeromgeving ruim vóór het examen afdoende: “In een tweede middel stelt de verzoekende partij dat de toepassing van de afrondingsregel kennelijk onredelijk is en strijdig met het vertrouwensbeginsel. Niet betwist wordt dat de in het geding zijnde afrondingsregel bekendgemaakt werd via de elektronische leeromgeving op 19 december 2007, dit is ruim vóór het examen werd afgenomen. De verzoekende partij houdt wel voor dat dit te laat is, maar het wordt niet betwist dat zij verplicht was het opleidingsonderdeel te volgen en daar examen over af te leggen. Zo die informatie beschikbaar geweest zou zijn voor het begin van het academiejaar, en ook op de ECTS fiche, dan zou dit niets veranderd hebben, daar ook in dat geval de verzoekende partij niet ervoor zou hebben kunnen kiezen het opleidingsonderdeel niet te volgen. Voor zover de bekendmaking, zoals de verzoekende partij beweert, in strijd zou zijn met het Onderwijs- en Examenreglement, volgt uit het voorgaande dat die strijdigheid in dit geval aan de verzoekende partij geen nadeel berokkend heeft. De verzoekende partij licht niet nader toe, in dit middel, waarom de afrondingsregel kennelijk onredelijk is.”. 163 103. De Raad is van oordeel dat de onderwijsinstellingen eveneens duidelijk moeten communiceren welke evaluatie- en deliberatiecriteria gehanteerd zullen worden: “Voorts wordt op geen enkele wijze aan de hand van de stukken aangetoond dat de student vooraf kennis had van de evaluatiecriteria van het betrokken opleidingsonderdeel noch kennis had van de evaluatieprocedures en de namen van de evaluatoren en de wijze waarop de totaalscore zou worden toegekend.[…] Bij gebrek aan formele en materiële motivering en het feit dat de student niet vooraf op de hoogte was van de criteria en procedures, zoals tijdens de zitting is gebleken, stelt de Raad dat in het voorliggende geval een herevaluatie dient te gebeuren.”.164 Deliberatie: een facultatieve bevoegdheid 104. Artikel 36 van het Flexibiliseringsdecreet laat de mogelijkheid aan de examencommissie van de onderwijsinstellingen om studenten globaal geslaagd te verklaren ingeval ze van oordeel zijn dat de student de doelstellingen van de opleiding globaal heeft verwezenlijkt, ook al heeft de student niet voor elk opleidingsonderdeel een creditbewijs verworven. Deze mogelijkheid tot deliberatie betreft een facultatieve bevoegdheid van de instelling. 162
R.Stvb. nr. 2008/060. R. Stvb. nr. 2008/019. 164 R. Stvb. nr. 2008/040. 163
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
58
Zoals reeds hoger vermeld in randnummer 91 moet de instelling niet motiveren waarom ze ervoor kiest om deze bevoegdheid niet uit te oefenen. Ingeval de instelling haar discretionaire bevoegdheid daarentegen wel heeft uitgeoefend, dient zij wel degelijk aan te tonen op welke wijze de deliberatie is gebeurd. De uitoefening van een facultatieve bevoegdheid dient ook gemotiveerd indien blijkt dat de examencommissie op algemene wijze van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Deliberatie en schending van het gelijkheidsbeginsel 105. De Raad stelt dat een verschillend studiepakket kan leiden tot een verschillende beoordeling: “Verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van het gelijkheidsbeginsel door het feit dat een met name genoemde medestudent die zich, volgens verzoekende partij, in dezelfde onderwijssituatie bevond, als geslaagd werd geproclameerd terwijl verzoekende partij niet geslaagd werd verklaard. Verwerende partij betwist het relaas van verzoekende partij en beweert dat de onderwijssituatie van de beide studenten niet identiek was en de examencommissie daardoor tot een verschillend eindresultaat is gekomen. Uit de vermeldingen van de beide partijen blijkt dat de verzoekende partij en de medestudent tijdens de bacheloropleiding niet hetzelfde traject hebben gevolgd. Zo behaalde verzoekende partij in 2005-2006 een credit voor het opleidingsonderdeel […] (5 studiepunten) terwijl de medestudent die geen credit had behaald voor […], in 2006-2007 twee van de vier nieuwe opleidingsonderdelen […] diende te volgen (telkens van 5 studiepunten). Vervolgens startte de medestudent een jaar eerder in de eerste kandidatuur […] en slaagde in dat jaar voor het opleidingsonderdeel […] (7 studiepunten). Op zicht van de hierbovenvermelde opleidingsonderdelen is er een verschillend studiepakket voor de beide studenten en de examencommissie en de Interne Beroepscommissie hebben daaruit een verschillende beoordeling gehaald inzake de behaalde competenties. […] De Raad stelt dat in voorliggend geval de motivering van de verschillende beoordeling door de examencommissie, en daarna door de Interne Beroepscommissie, niet als onredelijk kan worden beschouwd.”.165 Deze zaak is opmerkelijk omdat ze aangeeft dat flexibilisering in combinatie met de mogelijkheid van deliberatie soms tot nogal flagrante situaties aanleiding kan geven. De student kon de master starten ondanks het feit dat hij nog niet was geslaagd voor een opleidingsonderdeel uit het bachelorprogramma. Intussen was de student ook volledig geslaagd voor het masterprogramma van de betreffende opleiding. De examencommissie verantwoordelijk voor de uitreiking van het bachelordiploma weigerde hem echter te delibereren voor het ene opleidingsonderdeel waardoor de student ook zijn masterdiploma niet kon worden toegekend. Het onderwijsreglement gaf aan de examencommissie van de bacheloropleiding de discretionaire bevoegdheid om al dan niet te delibereren rekening houdend met de specifieke situatie van de student. In voorkomend geval werd in tegenstelling tot de medestudent de student echter niet globaal gedelibereerd. De motivering van de 165
R.Stvb. nr. 2008/063
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
59
instelling naar aanleiding van de interne procedure was evenwel volgens de Raad grondig en afdoende. Dergelijke situaties zijn niet mogelijk wanneer voor een volledig creditsysteem wordt geopteerd, welk zo blijkt uit de bij de Raad ingediende dossiers toch meer en meer ingang vindt. Verhouding tussen deelscores en globale scores 106. De berekening van een globale score op basis van deelresultaten geeft ook dit werkjaar vaak aanleiding tot betwisting. Heel wat instellingen laten na duidelijke regels hierover kenbaar te maken wat tot gevolg heeft dat studenten het uiteindelijk verkregen resultaat niet begrijpen. Instellingen kunnen deze regels evenwel autonoom bepalen. Dit moet niet noodzakelijk het rekenkundig bereikte resultaat te zijn: “De verzoekende partij klaagt er op de eerste plaats over dat er geen duidelijkheid is over de wegingsfactor van de twee delen van het betrokken opleidingsonderdeel. Uit de stukken die door de verwerende partij werden meegedeeld blijkt dat het eerste deel, waar de verzoekende partij 8/20 behaalde, een wegingsfactor 3 heeft, en het tweede deel, waar de verzoekende partij 14/20 behaalde, een wegingsfactor 1. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat die verhouding onterecht is. Het totale resultaat, 9,5/20 is derhalve een correcte weergave van het resultaat voor het opleidingsonderdeel in zijn geheel.”.166 “In zoverre de verzoekende partij het relatieve gewicht van elk van de drie delen waarop de evaluatie gebeurt, betwist, stelt de Raad vast dat het aan de onderwijsinstelling toekomt om dat relatieve gewicht te bepalen. De verzoekende partij voert verder geen enkel specifiek argument aan waaruit zou blijken dat het relatieve gewicht van elk onderdeel kennelijk onredelijk zou zijn.”.167 De onderwijsinstellingen dienen wel te motiveren hoe uiteindelijk een globaal cijfer tot stand komt: “Wat de in het verzoekschrift aangehaalde schending van de motiveringsplicht betreft, stelt de Raad vast dat de verwerende partij enkel de behaalde deelscores die door verschillende stafleden werden gegeven aangeeft, maar waar elke motivatie voor ontbreekt, wat ingeval van praktijkopleiding en stages waar competenties worden beoordeeld, noodzakelijk is.”.168 Correcte informatie verschaffen over behaalde tussenscores is een belangrijk begeleidingsinstrument maar maakt een beslissing op zich niet onregelmatig: “Op de tweede plaats voert de verzoekende partij aan dat de informatieplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel werden geschonden doordat haar de tussentijdse scores niet werden meegedeeld. Gebreken die verband hebben met het bekendmaken van informatie die van belang is voor de te nemen
166
R. Stvb. nr. 2008/016. R. Stvb. nr. 2008/065. 168 R. Stvb. nr. 2008/040. 167
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
60
beslissing oefenen op zichzelf geen invloed uit op de geldigheid van die beslissing, en in zoverre is de klacht ongegrond.”.169 Voornamelijk in het kader van stages blijft de verhouding tussen de enerzijds door de stagementoren toegekende tussenscores en de uiteindelijk door de stagebegeleiders en de docent van de opleiding toegekende eindresultaat voor heel wat onbegrip zorgen: “De stageverslagen waarnaar de verzoekende partij verwijst zijn de stageverslagen van de mentoren, en die zijn doorgaans, zij het niet altijd, eerder positief. Het verslag van de klaspedagoog bevat een groot aantal leerpunten, naast een zeer beperkt aantal positieve punten, en hoewel op dit formulier geen evaluatie is aangebracht, kan niet gesteld worden dat dit een voor de verzoekende partij positieve beoordeling is. De stagelector heeft eenmaal een evaluatie goed gegeven, eenmaal een evaluatie voldoende, maar in de beoordeling van de didactische stage scoort de verzoekende partij telkens op de grens tussen voldoende en onvoldoende, op één uitzondering na, waar ze voldoende haalt. Het besluit van dit verslag is een voldoende voor sommige aspecten en een onvoldoende voor andere aspecten. In het licht van deze gegevens kan niet gesteld worden dat de betwiste evaluatie onregelmatig of kennelijk onredelijk zou zijn: er zijn voldoende draagkrachtige motieven en de evaluatie is niet onzorgvuldig gebeurd. De klacht is niet gegrond.”.170 Invloed van de evaluatie van voorgaande jaren 107. Het is vaste rechtspraak171 van de Raad dat zowel in positieve als in negatieve zin geen rechtsgevolgen kunnen geput worden uit eerder behaalde evaluaties: “De verzoekende partij klaagt er nog over dat bij het evalueren van de stage ook rekening werd gehouden met de stage van het vorige academiejaar, wat onwettig is. De verwerende partij antwoordt dat de verwijzing naar de stage van het vorige academiejaar enkel beoogde de evolutie van de verzoekende partij na te gaan. Bij de bespreking van het derde middel is gebleken dat de evaluatie van de stage verantwoord kan worden op grond van de prestaties van de verzoekende partij in het lopende academiejaar. Het blijkt niet dat de verwijzing naar de stage van het vorige academiejaar de evaluatie van de stage van het lopende jaar heeft beïnvloed. Ook deze klacht is niet gegrond.”.172 “Gelet op het geheel van deze gegevens m.b.t. dit opleidingsonderdeel kan niet gesteld worden dat de evaluatie van de prestaties van de verzoekende partij onregelmatig of kennelijk onredelijk is. Ook het gegeven dat zij in de vorige jaren wel goede resultaten behaald heeft voor vergelijkbare opleidingsonderdelen leidt niet tot de conclusie dat, om die
169
R. Stvb. nr. 2008/042. R. Stvb. nr. 2008/042. 171 R. Stvb. nr. 2008/057. 172 R. Stvb. nr. 2008/042. 170
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
61
reden, de evaluatie die zij dit jaar gekregen heeft onregelmatig of kennelijk onredelijk zou zijn.”.173 Ook bij de beoordeling van een masterdiploma kan de examencommissie geen rekening houden met de resultaten die behaald werden in de bacheloropleiding en waarvoor de student reeds een bachelordiploma verkregen heeft: “Verzoekende partij is op 11 september 2008 geproclameerd als bachelor in de rechten op voldoende wijze. Daaruit blijkt dat de behaalde resultaten voor de derde bachelor werden verrekend bij de toekenning van de graad van bachelor. Vervolgens, bij beslissing van de gradencommissie van 12 september 2008 werd bij de beraadslaging en het toekennen van het eindresultaat opnieuw het resultaat van de derde bachelor in rekening gebracht samen met de resultaten van het eerste masterjaar en de resultaten van de derde licentie, hoewel het resultaat van de derde bachelor reeds definitief zijn beslag heeft gekregen en geresulteerd heeft in de toekenning van het bachelordiploma. Uit artikel 39 van het onderwijs en examenreglement kan niet worden afgeleid dat punten die reeds werden gehonoreerd bij de toekenning van een diploma opnieuw kunnen worden meegerekend voor de daaropvolgende cyclus die op zijn beurt aanleiding geeft tot een ander diploma. Er valt immers niet in te zien hoe nog rechtsgevolgen kunnen worden verleend aan resultaten die definitief hun beslag hebben gekregen doordat zij reeds met een diploma zijn gehonoreerd.”.174 Groepswerken/peerassessment 108. Ingeval een student de evaluatiemethode betwist, betreft het in een aantal gevallen ook een groepsbeoordeling of een vorm van peerassessment (evaluatie door gelijkgezinden, in voorkomend geval door medestudenten). Een examenbeslissing zal in principe nooit uitsluitend gebaseerd worden op een beoordeling door medestudenten, maar in meerdere dossiers blijkt dit onderdeel wel een doorslaggevende rol te spelen in de eindbeoordeling. Op zich heeft deze vorm van evaluatie als onderdeel van een globalere evaluatiemethode zijn verdiensten, maar ze vereist vanzelfsprekend een uitermate strenge opvolging van de kwaliteit van de evaluatie. In bepaalde gevallen kunnen omstandigheden leiden tot een onbetrouwbaar resultaat: “Haar klacht wordt in het intern beroep verworpen met de volgende overweging: “[…] - De beoordeling van de medestudenten (geen punten!) unaniem negatief was juist omwille van het meestal afwezig zijn en niet willen samenwerken.” Deze feitelijke beweringen worden niet ondersteund door enig gegeven uit het dossier en worden tegengesproken door de verzoekende partij, zoals hiervoor aangegeven, op een wijze die overtuigt. Dit gebrek in de feitelijke motieven die determinerend zijn, volstaat om de aangevochten beslissingen als onwettig te beschouwen.”.175 173
R. Stvb. nr. 2008/020. R. Stvb. nr. 2008/056. 175 R. Stvb. nr. 2008/028. 174
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
62
“De verwerende partij ontkent niet dat sommige van haar medestudenten zich zeer onbetamelijk gedragen hebben jegens de verzoekende partij. Zij stelt dat zij alles gedaan heeft wat zij kon om dat te verhelpen, en stelt verder dat de verzoekende partij zelf verzuimd heeft om gebruik te maken van de mogelijkheden die de verwerende partij haar aanbood. De door de verzoekende partij voorgelegde mails spreken voor zich; de inhoud daarvan gaat de grenzen van het betamelijke vèr te buiten. Ook al merkt de verwerende partij terecht op dat de verzoekende partij nagelaten heeft om gebruik te maken van een aantal mogelijkheden om deze situatie te bespreken, de onbeschofte taal en inhoud van deze mails hadden voor de verwerende partij duidelijk moeten maken dat in dit geval evaluatie door peer assessment in het geheel niet betrouwbaar kon zijn, en dat zij in dit bijzonder geval de prestaties van de verzoekende partij op een andere wijze had moeten evalueren, meer bepaald zonder rekening te houden met het element peer assessment. Deze onbetrouwbaarheid wordt bevestigd doordat zij als enige van een groep van tien zoals ter zitting erkend niet geslaagd was voor dit opleidingsonderdeel.”.176 ORGANISATIE VAN DE EXAMENS 109. De organisatie van de examens wordt door decreetgever overgelaten aan autonomie van de instellingen die daarvoor wel nauwgezet de in het onderwijsexamenreglement opgelegde regels dienen te volgen. Essentieel zijn ondermeer wijze waarop de vorm van de examens wordt bepaald en bekendgemaakt en periodes waarbinnen de examens worden afgelegd.
de en de de
110. Een niet reglementair gewijzigde examenvorm kan tot vernietiging van de examenbeslissing leiden: “In een tweede middel klaagt de verzoekende partij erover dat de examenvorm van de juni zittijd naar de septemberzittijd ten onrechte gewijzigd werd van mondeling naar schriftelijk. De verwerende partij antwoordt dat de examenvorm, conform artikel 50 § 1 van het hiervoor genoemde reglement, bij de aanvang van het opleidingsonderdeel via de studiefiche meegedeeld wordt. […] Uit de studiefiche blijkt dat het examen in de eerste zittijd deels mondeling is met schriftelijke voorbereiding (14 punten op 20) en deels paper met presentatie (6 punten op 20), en dat het examen in de tweede zittijd afhankelijk van de tekorten mondeling en/of een paper omvat. Ter zitting is gebleken dat de verzoekende partij het hele examen moest afleggen, met inbegrip dus van het mondelinge gedeelte. Er kunnen steeds omstandigheden zijn die met zich meebrengen dat van de meegedeelde examenvorm wordt afgeweken, maar in deze zaak maakt de verwerende partij geen melding van enige omstandigheid die kon verantwoorden dat het examen alleen schriftelijk zou worden afgenomen.”.177
176 177
R. Stvb. nr. 2008/027. R. Stvb. nr. 2008/067.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
63
‘In het tweede onderdeel klaagt de verzoekende partij erover dat zij niet bij het beantwoorden van alle vragen gebruik heeft mogen maken van de cursus, de rechtspraak en de cursusnota’s, terwijl het een open boek examen was, waarbij het gebruik van die materialen niet alleen toegestaan was maar zelfs vereist. De verwerende partij stelt daartegenover dat het gebruik van al die materialen alleen toegestaan was bij de schriftelijke voorbereiding, maar niet wat betreft de zogenaamde bijvragen, en wat de vierde vraag betrof, beperkt was tot het gebruik van de wetteksten, gelet op de finaliteit van die vraag. Uit de verklaring van de examinator (stuk 4 van de verwerende partij) blijkt dat de verzoekende partij ook tijdens het mondeling examen, voor het beantwoorden van de derde vraag, een relevant arrest mocht raadplegen. De studiewijzer 2007-08, van toepassing op deze zaak, door de verzoekende partij bijgebracht, bevat voor het examen van het opleidingsonderdeel […] een overigens zeer gedetailleerde toelichting, waaruit niet kan worden afgeleid of het gebruik van het materiaal tijdens het mondeling examen al dan niet toegestaan is. Daar de examinator zelf erkent dat, minstens voor het beantwoorden van de derde vraag, een deel van het materiaal mocht gebruikt worden, kan daaruit eerder afgeleid worden dat studenten ervan mochten uitgaan dat het materiaal ook bij het mondeling examen gebruikt mocht worden. Het onderscheid tussen bijvragen en nieuwe vragen, of nog een andere finaliteit van een vierde vraag (waar de toelichting in de examenwijzer overigens niet over rept) is van die aard dat als de examinator daarvan het al dan niet gebruiken van materiaal tijdens het mondeling examen wilde laten afhangen, het in de toelichting had moeten worden aangegeven. Het onderdeel is gegrond.”.178 De instemming van de student is in deze niet relevant: “Dat de verzoekende partij ingestemd heeft met een schriftelijk examen, ontneemt haar niet het recht achteraf de onregelmatigheid van deze examenvorm in te roepen, nu redelijkerwijze van een student niet kan worden verwacht dat hij zich formeel verzet tegen een niet reglementaire examenvorm waarvoor ook geen afdoende motivering wordt gegeven vooraleer het examen werd afgenomen.”.179 111. Ook een niet reglementair bekendgemaakte (gewijzigde) examenvorm kan tot vernietiging van de examenbeslissing leiden. De Raad verwacht van de studenten evenwel enige flexibiliteit: “Op de derde plaats klaagt de verzoekende partij dat zij niet behoorlijk werd geïnformeerd over de datum van de mondelinge verdediging van de masterproef, 29 mei 2008. De verzoekende partij was aanwezig op de mondelinge verdediging, en toont niet aan dat zij door een laattijdige bekendmaking van de datum niet in staat geweest is zich naar behoren te verdedigen. Ook deze klacht is niet gegrond.”.180
178
R. Stvb. nr. 2008/059. R. Stvb. nr. 2008/067. 180 R. Stvb. nr. 2008/018. 179
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
64
“Verzoekende partij wijst er vervolgens op dat de voorziene uurregeling voor het examen […] werd gewijzigd en dat voor verzoekende partij het beginuur voor het examen werd gepland om 9.30 u. in de plaats van om 8.30 u. Verwerende partij doet opmerken dat de wijziging van de uurregeling door de docente per mailbericht twee dagen op voorhand werd meegedeeld. Verzoekende partij verbleef toen niet op haar domicilieadres waar de PC is geïnstalleerd en heeft bijgevolg het bericht niet gelezen. De Raad merkt op dat het wijzigen van een examenregeling voor de examinandi belangrijk kan zijn vooral wanneer, zoals in dit geval, de examinandus daar pas kennis van krijgt op het moment dat hij zich op het voorziene uur voor het examen aanbiedt. In voorliggend geval kan de verwerende partij geen gebrek worden verweten daar het niet uitzonderlijk is dat beperkte wijzigingen aan het examenrooster worden aangebracht, inzonderheid wat de uurregeling betreft. Om die reden is het aan de examinandi aan te raden dat zij zich organiseren om tot het laatste moment kennis te kunnen krijgen van eventuele wijzigende berichten. De Raad is van oordeel dat het uitstellen van het voorziene beginuur van het examen van 8.30 u. tot 9.30 u. en het uiteindelijke begin van het examen om 10.15 u. misschien niet bevorderlijk is voor de examensfeer, maar toch niet van dien aard is dat het examenresultaat daardoor ingrijpend zou worden vertekend. Het middel is niet gegrond.”.181 “In een tweede middel klaagt de verzoekende partij erover dat de mail van het faculteitssecretariaat van 8 juli 2008 waarbij gemeld werd dat voor de mondelinge examens ingeschreven kon worden vanaf 16 juli 2007, niet gemeld werd dat de inschrijvingen werden afgesloten op 1 augustus 2008. Een inschrijving voor schriftelijke examens was niet vereist. Toen de verzoekende partij op 4 augustus 2008 controleerde of haar broer haar had ingeschreven voor een ander examen (dat mondeling werd afgenomen), stelde zij vast dat dat wel was gebeurd, maar ook dat zij zich had moeten inschrijven voor het examen voor het opleidingsonderdeel […], wat zij niet had gedaan en ook niet aan haar broer had gevraagd, daar zij in de veronderstelling verkeerde dat het een schriftelijk en geen mondeling examen was. En blijkbaar aanvaardt de verwerende partij geen laattijdige inschrijvingen. Uit stuk 7 van het dossier van de verwerende partij blijkt dat het examen over dit opleidingsonderdeel deels mondeling is zodat de verzoekende partij had dienen te weten dat zij zich voor dit opleidingsonderdeel moest registreren. Zij was klaarblijkelijk van mening dat dit niet noodzakelijk was omdat zij dacht dat het weerom een schriftelijk examen zou zijn zoals in de eerste zittijd. In die omstandigheden is het gebrek in de bekendmaking namelijk het niet vermelden van de einddatum van de registratie niet van aard om de onwettigheid van de weigering tot deelneming aan het examen met zich mee te brengen.”.182
181 182
R. Stvb. nr. 2008/062. R. Stvb. nr. 2008/061.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
65
STAGEBEOORDELINGEN 112. Zoals elke werkjaar hebben een groot deel examenbeslissingen een stagebeoordeling als voorwerp.183
van
de
betwiste
De beslissingen van de Raad vereisen veelal een grondige doorlichting van de feiten waarbij ook het relaas tijdens de zitting van beide partijen noodzakelijk blijkt om tot een beslissing te komen. Een aantal voorbeelden zijn reeds hoger geciteerd. Hierna volgen nog enkele specifieke voorbeelden uit de rechtspraak. De grieven van studenten hebben onder meer te maken met de discrepantie tussen de uiteindelijke quotering door de stagebegeleiders binnen de hogescholen en de stageverslagen van de stagementoren: “In een enig middel beweert verzoekende partij dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de commentaren van de stagementoren en de eindbeoordeling van de stage. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de mentoren inderdaad een aantal positieve elementen hebben naar voren gebracht over de stage van verzoekende partij, maar uit de synthese die de stagebegeleider heeft gemaakt van alle verslagen en commentaren en ook van de eigen bevindingen blijken een aantal tekorten die aanleiding hebben gegeven tot de negatieve evaluatie. Uit de verklaringen van verwerende partij, die niet worden tegengesproken door de verzoekende partij, blijkt dat voor de eindbeoordeling de stagehandleiding van de instelling gevolgd werd voor het opmaken van de eindbeoordeling. […] De Raad is in voorliggend geval van oordeel dat de betwiste beslissing voldoende is gemotiveerd en niet als onredelijk kan beschouwd worden.”.184 Daarnaast betwisten studenten de examenbeslissingen op grond van een gebrekkige motivering van de stage185: “In een tweede middel stelt verzoekende partij vragen bij het beoordelingssysteem voor de stage. De verwerende partij verklaart dat de beoordeling van de stage is verlopen volgens de evaluatiecriteria zoals beschreven in de “Stagehandleiding programmajaar 2 van het academiejaar 2007-2008”. Verzoekende partij brengt geen elementen aan waaruit blijkt dat de vastgelegde evaluatiecriteria niet of niet volledig zouden zijn toegepast maar zij betreurt de quotering door de examencommissie van sommige van die criteria.
183
R. Stvb. nr. 2008/001, nr. 2008/013, nr. 2008/014, nr. 2008/015, nr. 2008/022, nr. 2008/023, nr. 2008/024, nr. 2008/026, nr. 2008/029, nr. 2008/030, nr. 2008/033, nr. 2008/034, nr. 2008/035, nr. 2008/036, nr. 2008/037, nr. 2008/038, nr. 2008/041, nr. 2008/042, nr. 2008/043, nr. 2008/044, nr. 2008/045, nr. 2008/052, nr. 2008/062 en nr. 2008/077. 184 R. Stvb. nr. 2008/036. 185 Zie ook randnummer 90, voor wat betreft de motiveringsplicht van examenbeslissingen met een stage als voorwerp.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
66
Zoals gezegd, behoort de toetsing aan de evaluatiecriteria tot de bevoegdheid van de examencommissie, met dien verstande dat de Raad de beoordeling kan vernietigen in geval van onregelmatigheid of manifeste onredelijkheid. In voorliggend geval is de Raad van oordeel dat de examencommissie niet onredelijk heeft gehandeld.”.186 “Verzoekende partij oordeelt dat het tussentijdse evaluatiemoment haar te laat werd meegedeeld om nog tijdig te kunnen remediëren, gegeven de opmerkingen die werden geformuleerd. Voorts meent zij dat het evaluatieverslag en de toegekende scores onvoldoende rekening houden met de opinie van de mentoren. De Raad stelt dat er onvoldoende redenen worden naar voorgebracht om aan te nemen dat de scores niet congruent werden toegekend . Wel in tegendeel moet de Raad vaststellen dat in de evaluatieverslagen, de toegekende scores voldoende werden onderbouwd en dat aan de student gelegenheid werd geboden om zijn standpunt mee te delen. Overigens blijkt niet uit het dossier dat de student onvoldoende op de hoogte zou zijn geweest van de wijze en de criteria waarop de beoordeling tot stand komt.[…] De Raad is van oordeel dat de toegekende resultaten voldoende zijn gemotiveerd en naar redelijkheid verantwoord.”.187 “In een derde middel beweert verzoekende partij dat de examenbeslissing onvoldoende is gemotiveerd en geen rekening houdt met de evaluatie van de stagementoren. De Raad stelt vast dat de motivering van het “Eindjuryverslag […]” summier is en dat op geen enkele wijze te achterhalen is in welke mate door de jury rekening werd gehouden met het stagedossier en de kwaliteit van de gegeven stagelessen. Uit de hoorzitting is ook gebleken dat er voor de verzoekende partij geen stagebezoek door een docent van de hogeschool heeft plaatsgevonden. De Raad merkt verder op dat in de voorgelegde stukken geen proces-verbaal werd neergelegd van de vergadering van de eigenlijke examencommissie die uiteindelijk bevoegd was om de student al dan niet geslaagd te verklaren. Dit middel is gegrond.”.188 De grieven van de studenten hebben eveneens te maken met het stopzetten van de stage. In de volgende zaak is de Raad evenwel van oordeel dat de onmiddellijke stopzetting van de stage niet kennelijk onredelijk is, gelet op verschillende elementen uit het dossier: “De verzoekende partij klaagt er op de eerste plaats over dat de stage ten onrechte werd stopgezet. Dat zou volgens haar alleen maar kunnen omwille van wangedrag of zware inbreuken op het reglement, en dan moet dit nog gemeld worden bij aangetekend schrijven. De verwerende partij verwijst naar pagina 52 van de Algemene Onderwijsregeling, waar te lezen is: “Indien de stagebegeleider en/of mentor menen dat het om pedagogisch-didactische redenen aangewezen is om de stage of leergroepenactiviteiten die curriculair voorzien zijn in het traject 186
R. Stvb. nr. 2008/035. R. Stvb. nr. 2008/032. 188 R. Stvb. nr. 2008/026. 187
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
67
waarvoor de student is ingeschreven te staken, dan meldt hij/zij dit meteen aan het Hoofd van het studiegebied, die zulks na overleg met de opleiding en de ombudspersoon meldt aan de betrokken student. Een omstandig gemotiveerd schriftelijk verslag wordt toegevoegd aan het dossier.” Uit de door de verwerende partij bijgebrachte stukken blijkt dat deze procedure, die niet voorziet in een melding bij aangetekende brief, werd gevolgd, op het overleg met de ombudspersoon na. Dit betreft evenwel geen substantiële formaliteit. De klacht is niet gegrond. Op de tweede plaats betwist de verzoekende partij de stopzetting van de stage op slechts drie dagen van het einde ervan, temeer omdat de mentor geen bezwaar had tegen het verder zetten van de stage. De reden dat de verzoekende partij teveel leerpunten (eufemisme voor negatieve punten) had, ziet zij juist als een reden temeer om de stage verder te zetten, en tenslotte wijt zij de problemen aan het feit dat het een moeilijke en grote klas was. De Raad herinnert eraan […] Uit het verslag blijkt dat de stage werd stopgezet in overleg met de school waar de stage gelopen werd. De verzoekende partij betwist niet op inhoudelijke gronden de opgegeven redenen (leerpunten) voor de stopzetting van de stage. Het oordeel dat die zo talrijk waren dat het verder zetten van de stage geen zin meer had, ook al moesten er nog maar drie dagen stage gedaan worden en ook al had de mentor geen bezwaar tegen het verder zetten van de stage, is niet kennelijk onredelijk. Dat het om een grote en mogelijk ook moeilijke klas gaat, is op zich onvoldoende om de inhoudelijke motivering van de beslissing de stage stop te zetten als kennelijk onredelijk te beschouwen.”.189 Ten slotte hebben de middelen van de studenten betrekking op de al dan niet ongewettigde afwezigheid op stagedagen: “De verzoekende partij klaagt er in de eerste plaats over dat zij een nulscore heeft gekregen wegens haar afwezigheid gedurende de derde stageweek (van 20 tot 24 augustus 2007) van de tweede examenperiode voor het opleidingsonderdeel […] niettegenstaande, volgens haar verklaring, de stagedienst op 20 augustus 2007 telefonisch werd verwittigd dat de verzoekende partij wegens een ongeval niet aanwezig kon zijn en dat er, naar haar zeggen, op 24 augustus 2007 twee doktersattesten in het postvakje van het diensthoofd werden gedeponeerd. […] Ongeacht de vraag of -op dat ogenblik- uitsluitsel kon worden gegeven of de afwezigheid van de verzoekende partij al dan niet gewettigd was, is de Raad van oordeel dat de verwerende partij tekort gekomen is aan wat de verzoekende partij normaliter kon verwachten als antwoord op haar emailbericht, namelijk een concreet tijdig voorstel op haar bereidheid voor het inhalen van de derde stageweek. De reactie van het diensthoofd bij emailbericht, d.d. 10 september 2007, is naar het oordeel van de Raad laattijdig om nog een nuttig effect te kunnen hebben voor de invulling van de inhaalstage. De Raad is van oordeel dat het beroep van verzoekende partij in die mate gegrond is.”.190 189 190
R. Stvb. nr. 2008/038. R.Stvb. nr. 2008/001.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
68
4.2.2. Beroep tegen een examentuchtbeslissing 113. Indien het een beroep tegen een examentuchtbeslissing betreft, gaat de Raad ten gronde na of de zwaarte van de tuchtbeslissing, zijnde een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten, op grond van de gegevens van het dossier niet kennelijk onredelijk is in verhouding tot de ernst van de feiten. De Raad stelde het in een zaak als volgt: “De Raad herinnert eraan dat hij niet zelf dient te oordelen of er al dan niet examenfraude werd gepleegd, maar enkel of de verwerende partij, op grond van de gegevens van het dossier, redelijkerwijze tot de conclusie is kunnen komen dat de verzoekende partij fraude gepleegd heeft. […] Het komt aan de verwerende partij toe te beslissen welke straf moet worden opgelegd op grond van de door haar vastgestelde feiten. Alleen wanneer er een kennelijke wanverhouding zou zijn tussen de ernst van de feiten en de zwaarte van de straf is er sprake van een onrechtmatige beslissing. Het komt de Raad ook toe om na te gaan of de verwerende partij zich niet vergist heeft over de omvang van haar beoordelingsbevoegdheid bij het opleggen van de sanctie.”.191 In casu oordeelde de Raad enerzijds dat verzoekende partij er niet in slaagde om enige inhoudelijke kritiek te formuleren op de feitelijke vaststellingen waaruit blijkt dat ze fraude gepleegd had. Anderzijds stond het volgens de Raad vast dat de interne beroepsinstantie zich vergist had over de omvang van haar discretionaire bevoegdheid. De Raad vernietigde daarom de interne beroepsbeslissing en stelde dat een nieuwe beslissing enkel betrekking kon hebben op het betwiste onderdeel van het opleidingsonderdeel in plaats van op het geheel van het opleidingsonderdeel, vermits het voor de verzoekende partij wel een verschil maakt of zij op alle onderdelen een onvoldoende had behaald – in welk geval ze de evaluatie van alle onderdelen moest overdoen – dan wel slechts voor een of meer onderdelen – in welk geval ze logischerwijze alleen voor die onderdelen opnieuw geëvalueerd had moeten worden. Daarnaast oordeelde de Raad onder meer dat het niet vereist is dat een examentuchtcommissie enkel maar mag zijn samengesteld uit personen die vertrouwd zijn met de materie waarover het gaat: “het volstaat dat zij zich, op grond van de gegevens van de zaak, en met name ook het verweer van de verzoekende partij, een voldoende beeld hebben kunnen vormen van de zaak”. 192 Ten slotte oordeelde de Raad dat de rechten van verdediging van de student aanzienlijk beknot werden omdat de student vóór de tuchthoorzitting geen kennis kreeg van de feiten van de beweerde onregelmatigheid. De Raad meende evenwel dat dit werd rechtgezet in het kader van de interne beroepsprocedure:
191 192
R. Stvb. nr. 2008/012. Ibid.
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
69
“Door evenwel de feiten zelf van de beweerde onregelmatigheid niet mee te delen voor de hoorzitting heeft de verwerende partij onmiskenbaar de rechten van de verzoekende partij om zich met kennis van zaken te verweren aanzienlijk beknot. Er valt niet in te zien waarom de feiten die aan de verzoekende partij ten laste werden gelegd haar niet op voorhand konden worden meegedeeld. Het risico dat zij dan de bewijsvoering zou bemoeilijkt hebben kon mits het nemen van bewarende maatregelen worden opgevangen. De vraag is of deze belemmering van de rechten van de verdediging verholpen kon worden in het kader van de interne beroepsprocedure. Immers, op dat ogenblik was de verzoekende partij op de hoogte van alle relevante feiten, met inbegrip van het verslag van de hoorzitting van 22 mei 2008, en kon zij zich met kennis van zaken verweren, wat zij ook gedaan heeft: dat blijkt uit beroepsschrift en de bijlagen die zij heeft ingediend bij de interne beroepsinstantie. Ook al valt het te betreuren dat de informatie waarover de verzoekende partij beschikte in het kader van de interne beroepsprocedure haar niet eerder werd meegedeeld, dit euvel werd rechtgezet in het kader van de interne beroepsprocedure.”.193 114. In een andere zaak stelde de Raad vast dat de bestreden examentuchtbeslissing geen correcte wettelijke grondslag in het examenreglement van de onderwijsinstelling had, vermits de bestreden beslissing een rechtsgrond vond in een bepaling van het examenreglement van toepassing op studenten die zelf onregelmatigheden hebben gepleegd, terwijl in dat geval de onderwijsinstelling niet eens beweerd had dat de verzoekende partij betrokken partij was in de gepleegde onregelmatigheid. Het betroffen examenvragen die reeds voor het examen tussen studenten circuleerden. Bijgevolg werd de betwiste examentuchtbeslissing – de beslissing om het examen nietig te verklaren en opnieuw te laten afleggen – voor wat betreft de verzoekende partij vernietigd. Voor wat de studenten betrof die de examentuchtbeslissing niet hadden aangevochten, merkte de Raad op dat deze definitief was geworden. De Raad suggereerde de onderwijsinstelling wel dat niets haar belette om haar examenreglement voor dergelijke situaties aan te passen.194 Ten overvloede merkte de Raad op, dat zelfs als de verwerende partij meende de bestreden beslissing te kunnen nemen, zij in ieder geval (1) redelijke inspanningen moest doen om na te gaan welke studenten wel gefraudeerd hadden, en (2) het bewijsaanbod van een student die beweerde niet gefraudeerd te hebben ernstig had moeten nemen.195
193
R. Stvb. nr. 2008/012. De onderwijsinstelling greep deze suggestie evenwel aan om in het lopend geschil haar examentuchtbeslissing te herkwalificeren, wat tot een nieuw besluit van de Raad leidde (R. Stvb. 2008/031) waarin de Raad zijn twijfels over de wettelijkheid ervan uitte. Zie ook randnummer 53. 195 R. Stvb. nr. 2008/009. 194
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
70
4.2.3. Beroep in verband met de toekenning van een bewijs van bekwaamheid 115. Voor het eerst werd er beroep ingesteld bij de Raad tegen de toekenning van een bewijs van bekwaamheid. Het betrof een bekwaamheidsbewijs waarbij slechts 23 van de 109 aangevraagde eerder verworven competenties werden erkend. De Raad heeft het beroep evenwel niet ten gronde kunnen beoordelen, omdat het intern beroep niet tijdig werd ingesteld.196
4.2.4. Beroep in verband met de toekenning van een vrijstelling 116. Een vrijstelling wordt niet van rechtswege toegekend, maar dient expliciet via een geëigende procedure aangevraagd te worden, tenzij het onderwijsreglement het anders voorziet. De Raad oordeelde dan ook dat zolang de verzoekende partij geen vrijstelling heeft verkregen door de onderwijsinstelling, zij verplicht is het examen af te leggen over het desbetreffende opleidingsonderdeel.197 117. Zoals gesteld in randnummer 53, is niet alleen de toekenning, maar ook de weigering van een vrijstelling voor een opleidingsonderdeel een 198 studievoortgangsbeslissing die tot de bevoegdheid van de Raad behoort. 118. Indien de student dit vraagt, moet de onderwijsinstelling ook het al dan niet toekennen van een deelvrijstelling onderzoeken. De Raad oordeelde dan ook dat de bepaling van het onderwijs- en examenreglement van een instelling dat geen deelvrijstellingen toestond, in strijd was met de artikelen 2, 27°, 46 en 49 van het Flexibiliseringsdecreet die stellen dat bij de beoordeling over het al dan niet verlenen van een vrijstelling, de instelling eveneens de mogelijkheid voor deelvrijstellingen moet onderzoeken. Deze bepaling moest volgens de Raad dan ook in het voorliggende geval op basis van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing worden gelaten.199 119. De Raad benadrukt dat de motivering van een weigering tot vrijstelling zich niet uitsluitend mag baseren op de inhoudelijke vergelijking van de cursussen, maar eveneens dient na te gaan in hoeverre de leerresultaten voldoende overeenstemmen.
196
R. Stvb. nr. 2008/068. R. Stvb. nr. 2008/039. 198 R. Stvb. nr. 2008/006, nr. 2008/010 en nr. 2008/011. De Raad verwees ook naar R.v.St. nr. 184.124, 17 april 2008. 199 R. Stvb. nr. 2008/006. Op grond van artikel 159 G.W. is elke rechter immers bevoegd om de bestuurshandelingen van administratieve overheden buiten toepassing te laten wanneer ze niet met de wetten en de rechtsnormen van gelijke of hogere rang overeenstemmen. 197
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
71
Dit principe geldt ook omgekeerd, zodat de onderwijsinstelling zich niet moet beperken tot de vergelijking van de ECTS-fiches van de betrokken opleidingsonderdelen: “Bij het equivalentieonderzoek mag het bestuur ook rekening houden met de resultaten van de vergelijking van de inhoud van de betrokken cursussen.”.200 Zo oordeelde de Raad ook dat het inhoudelijke aspect van een masterproef niet als zodanig verengd kan worden dat bijna elke scriptie die gezondheidspromotie en onderzoek als voorwerp heeft, in principe gelijkwaardig zou zijn aan de scriptie die gemaakt moet worden in de masteropleiding sociaal werk.201 120. Daarbij is de Raad enkel bevoegd om na te gaan of de beslissingen van de onderwijsinstelling regelmatig zijn en of het bestuur in redelijkheid tot die beslissingen is kunnen komen, zonder dat de Raad zijn beoordeling hieromtrent in de plaats mag stellen van het bestuur.202 Zo oordeelde de Raad met betrekking tot beslissingen betreffende vrijstellingen het volgende: “De door de instelling ingeroepen beslissende reden om de gevraagde vrijstelling te weigeren namelijk dat de verzoekende partij zich in de derde licentie heeft ingeschreven op basis van haar slagen in de tweede licentie en niet op basis van haar […] diploma kan redelijkerwijze niet verklaren waarom de gevraagde vrijstelling geweigerd werd. Het is kennelijk onredelijk, en in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat studenten die zich op basis van het .[…] diploma rechtstreeks inschreven voor de derde licentie klinische psychologie wel vrijgesteld werden van het volgen van dit opleidingsonderdeel, terwijl de verzoekende partij die exact hetzelfde diploma heeft gehaald, niet van dat opleidingsonderdeel wordt vrijgesteld.”.203 “In een zesde middel voert verzoekende partij aan dat de weigering om een deelvrijstelling toe te staan kennelijk onredelijk is. […] De Raad doet bovendien opmerken dat uit de voorgelegde stukken en de toelichting tijdens de hoorzitting gebleken is dat de reden waarom geen deelvrijstelling wordt toegestaan, niet gelegen is in het feit dat er geen overlappingen tussen de beide opleidingsonderdelen zouden zijn, maar gelegen is in het verschillend niveau van de betrokken opleidingsonderdelen. Het opleidingsonderdeel “Monetaire Economie en Beleid” bevindt zich op het basisniveau terwijl het opleidingsonderdeel “Monetair Beleid” zich op een gevorderd niveau bevindt.”.204 121. Ten slotte begreep de Raad in een andere zaak de vraag van verzoekende partij om, gelet op artikel 51 van het Flexibiliseringsdecreet, rechtstreeks een diploma te bekomen op basis van een eerder verworven kwalificatie als een verzoek tot
200
R. Stvb. nr. 2008/006. Zie ook R. Stvb. nr. 2008/010 en nr. 2008/050. R. Stvb. nr. 2008/049. 202 R. Stvb. nr. 2008/006. 203 R. Stvb. nr. 2008/002. 204 R. Stvb. nr. 2008/010. 201
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
72
toekenning van een vrijstelling, zijnde een vrijstelling voor alle opleidingsonderdelen van de betreffende opleiding.205
4.2.5. Beroep tegen een beslissing waarbij het volgen van een schakelen/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld 122. De Raad heeft tijdens het werkjaar 2008 geen enkel beroep moeten behandelen tegen een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd.
4.2.6. Beroep in verband met het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking 123. Een onderwijsinstelling kan aan een student die een diploma wenst te behalen en ingeschreven is met een diplomacontract, maatregelen van studievoortgangsbewaking opleggen, indien de student na één academiejaar niet slaagde voor ten minste 50% van de studiepunten waarop het betreffende diplomacontract betrekking heeft.206 Deze studievoortgangsbewakingsmaatregelen houden het opleggen van bindende voorwaarden in voor de inschrijving die evenwel niet strenger mogen zijn dan de evaluatie- en/of deliberatiecriteria die in de instelling algemeen gelden.207 124. Daarnaast kan de instelling de inschrijving van een student weigeren onder de vorm van een studievoortgangsbewakingsmaatregel, indien voorheen zonder positief resultaat bindende voorwaarden voor de inschrijving werden opgelegd. Uitzonderlijk kan een student ook geweigerd worden wanneer uit de gegevens van het dossier manifest blijkt dat het opleggen van dergelijke bindende voorwaarden geen positief resultaat zal opleveren.208 De Raad stelde hierover het volgende: “De instelling kan inzake studievoortgangsbewaking een student weigeren voor het sluiten van een diplomacontract ingeval zij van oordeel is dat, gelet op het studieverleden, het opleggen van verdere studievoortgangsbewakingsmaatregelen geen positief resultaat zal opleveren.”.209 In het geval van een weigeringsbeslissing speelt de regel met betrekking tot het al dan niet geslaagd zijn voor ten minste 50% van de studiepunten niet. Bovendien kan de instelling ook een onder credit- of examencontract ingeschreven student weigeren die zich al tweemaal voor een bepaald opleidingsonderdeel heeft ingeschreven zonder dat hij daarvoor een creditbewijs behaalde.210
205
R. Stvb. nr. 2008/050. Zie ook randnummer 53. Art. 52, § 2 Flexibiliseringsdecreet. 207 Art. 52, § 1, 1° Flexibiliseringsdecreet. 208 Art. 52, § 1, 2°, eerste lid Flexibiliseringsdecreet. 209 R. Stvb. nr. 2008/073 en nr. 2008/075. 210 Art. 52, § 1, 2°, tweede lid Flexibiliseringsdecreet. 206
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
73
125. Zoals hoger omschreven in de randnummers 51 e.v. gaat de Raad steeds ambtshalve na of de door de onderwijsinstelling genomen beslissing tot zijn bevoegdheid behoort. Weigeringen van inschrijving vallen enkel binnen de bevoegdheid van de Raad voor zover ze voldoen aan de strikte omschrijving van maatregelen van studievoortgangbewaking in artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet. Een aantal beroepen zijn tijdens het werkjaar 2008 derhalve onontvankelijk verklaard omdat ze eerder een beslissing tot weigering van een gecombineerde inschrijving211, een beslissing tot vaststelling van het studieprogramma212 en het uit de samenstelling van het opleidingsprogramma voortvloeiend samengestelde deliberatiepakket213 betroffen.214 126. De Raad beschouwde in een zaak de weigeringsbeslissing niet als onredelijk, vermits een motief daartoe, met name dat de verzoekende partij slechts 14 van de 36 ingeschreven bisstudiepunten en 9 van de 14 ingeschreven nieuwe studiepunten had verworven, op zichzelf volstond om de beslissing te verantwoorden.215 Uit dergelijke beroepen blijkt vaak dat de studenten onvoldoende aantonen en motiveren waarom de weigeringsbeslissing kennelijk onredelijk is en waarom ze door een gewijzigde toestand wel degelijk kans maken om te slagen. Zo toonden de door verzoekende partij in een zaak aangebrachte medische attesten wel aan dat de verzoekende partij medische ingrepen onderging en langdurig nabehandeld werd, maar geenszins dat de verzoekende partij daardoor niet in staat was om zich voor te bereiden op en deel te nemen aan de examens of de lessen bij te wonen.216 127. Verzoekschriften in verband met de weigering voor een examencontract zijn dit werkjaar niet bij de Raad ingediend, tevens gelet op de vroegere besluiten van de Raad hieromtrent. De Raad oordeelde immers dat aan een student ingeschreven met een examencontract geen studievoortgangsbewakingsmaatregelen opgelegd kunnen worden.217
211
R. Stvb. nr. 2008/070. R. Stvb. nr. 2008/007. 213 R. Stvb. nr. 2008/039. 214 Voor een uitgebreidere analyse en bespreking, zie randnummer 56. 215 R. Stvb. nr. 2008/073. 216 R. Stvb. nr. 2008/075. 217 R. Stvb. nr. 2005/046. 212
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
74
4.3. Cassatieberoep bij de Raad van State 128. Tegen de besluiten van de Raad is een administratief cassatieberoep bij de Raad van State mogelijk overeenkomstig artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. In 2008 is slechts tegen 2 besluiten, met name tegen de besluiten met rolnummer 2008/006 en 2008/010, een beroep ingeleid bij de Raad van State. In 2007 werden nog 6 cassatieberoepen ingeleid. Het betreft in beide gevallen dezelfde student die het cassatieberoep instelde. In afwachting van de uitkomst van een door de student ingestelde strafrechtelijke procedure, heeft de Raad van State evenwel deze cassatieberoepen opgeschort. 129. Indien de Raad van State een besluit van de Raad vernietigt, wordt de desbetreffende zaak van rechtswege opnieuw aanhangig gemaakt bij de Raad.218 De Raad registreert in dat geval van rechtswege de zaak en vraagt de betrokken partij om de voortzetting aangetekend te bevestigen om zo de procedure voor de behandeling van het beroep bij de Raad dat reeds van rechtswege is ingesteld, effectief op gang te brengen. De zaak wordt dan behandeld door een zetel die anders is samengesteld dan de zetel die de door de Raad van State vernietigde beslissing heeft genomen. In 2008 heeft de Raad van State geen hangende cassatieberoepen beslecht, ook niet met betrekking tot de vier besluiten uit het werkjaar 2007 die nog steeds bij de Raad van State aanhangig waren.
218
Art. 51, tweede lid van het K.B. van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State
Jaarlijks verslagboek 2008 – R. Stvb.
75