Advies Wijzigingsdecreet organisatie buitenschoolse opvang en activiteiten Brussel, 20 september 2021
SERV_20210920_wijzigingsdecreet_buitenschools_opvang_ADV.docx Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen Wetstraat 34-36, 1040 Brussel T +32 2 209 01 11 info@serv.be www.serv.be
Wijzigingsdecreet organisatie buitenschoolse opvang en activiteiten
Adviesvraag: Voorontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 3mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvangen de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten, wat betreft de betalingsregeling en de overgangsbepalingen Adviesvrager: Wouter Beke - Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding Ontvangst adviesvraag: 19 juli 2021 Adviestermijn: 30 dagen, verlenging van de adviestermijn toegestaan Decretale opdracht: SERV-decreet 7 mei 2004 art. 11 (overlegfunctie) Goedkeuring raad: 20 september 2021
Contactpersoon: Kristel Bogaerts - kbogaerts@serv.be
De heer Wouter BEKE Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding Ellipsgebouw Koning Albert II laan 35 1030 Schaarbeek, België
contactpersoon Kristel Bogaerts kbogaerts@serv.be
ons kenmerk SERV_BR_20210920_wijzigingsdecreet_buitenschoolse_opvang
Brussel 20 september 2021
Wijzigingsdecreet buitenschoolse opvang en activteiten Mijnheer de minister De organisatie van de opvang en activiteiten voor schoolkinderen is zeer belangrijk vanuit sociaaleconomisch oogpunt omdat het de ouders van schoolgaande kinderen faciliteert om deel te nemen aan de arbeidsmarkt of aan een opleiding. Dit advies evalueert de voorgestelde wijzigingen vanuit dit oogpunt en volgt de lijn van eerdere SERV adviezen over de buitenschoolse opvang en activiteiten (o.a. over het Besluit van de Vlaamse Regering over het lokaal beleid, de samenwerking en de subsidie voor buitenschoolse opvang en activiteiten, het Voorstel van decreet houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten en de Conceptnota “Krachtlijnen voor een nieuwe organisatie voor de opvang en vrije tijd van schoolkinderen”) en het bredere thema van de kinderopvang (zie bijvoorbeeld Advies kinderopvang: olie in het raderwerk van gezin, arbeidsmarkt en samenleving). Voor de SERV draagt dit wijzigingsdecreet niet bij tot meer duidelijkheid en geeft het niet de garanties die de lokale besturen en organisatoren nu nodig hebben om het lokaal samenwerkingsverband vorm te geven. Duidelijkheid over de verdeling van de subsidies en de concretisering van de indicatoren uit artikel 12 van het decreet (bereik kwetsbare gezinnen en bereik kinderen met een specifieke zorgbehoefte) blijft nog steeds uit, ondanks de voorgestelde regeling voor gedeeltelijke oormerking van middelen voor de realisatie van kleuteropvang en lagere schoolopvang en de garanties voor compensaties voor lokale besturen die na de overgangstermijn een aanzienlijke hoeveelheid middelen zouden verliezen. Dit wijzigingsdecreet kan daarom zelfs tot gevolg hebben dat de lokale besturen en organisatoren blijven afwachten om actie te ondernemen tot alle onduidelijkheden zijn weggenomen en er geen verdere wijzigingen meer worden verwacht. Ook mogelijke starters in de sector kunnen afschrikt worden terwijl er net nood is aan meer plaatsen in de kinderopvang en het beroep van begeleider in de kinderopvang een knelpuntberoep is. De SERV staat niet achter het voorstel om de overgangsperiode in te korten. Het is enerzijds niet duidelijk waarom deze inkorting nodig is en anderzijds zal het inkorten van deze periode leiden tot rechtsonzekerheid bij de initiatiefnemers, lagere werkzekerheid voor de medewerkers en dus
een verminderde aantrekkingskracht van de sector. Het zal bijgevolg steeds moeilijker worden om de nodige capaciteit en kwaliteit van de opvang te blijven garanderen. De overgangsperiode tot eind 2027 blijft minimaal noodzakelijk om op lokaal niveau de samenwerking op te starten. Lokale besturen moeten de nodige tijd krijgen en nemen om de opdrachten in het decreet ter harte te nemen, lokaal afstemming van het aanbod te realiseren en alle partners de kans te geven naar elkaar toe te groeien. De lokale besturen worden hier best nadrukkelijk toe opgeroepen. In het decreet zijn tot nu toe geen elementen ingebouwd om lokale besturen, die de decretale bepalingen niet volgen, bij te sturen of te sanctioneren. Dat dient toegevoegd te worden. De huidige initiatiefnemers in de buitenschoolse kinderopvang worden ook zeer kwetsbaar en dreigen een speelbal van de lokale besturen te worden. Op het terrein kan immers worden vastgesteld dat er lokale besturen zijn die (nog) geen samenwerkingsverband uitbouwen, (nog) geen partners uit diverse sectoren samen brengen en (nog) geen afstemming zoeken met het huidig aanbod. Het inkorten van de overgangsperiode zal dit zeker niet oplossen. Het is vooral nodig dat alle losse eindjes van het decreet verbonden worden. Tegelijk maakt de SERV zich grote zorgen over de impact van dit wijzigingsdecreet op het personeel dat momenteel tewerkgesteld wordt bij de private organisatoren, bij overname door de steden en gemeenten of eventuele overgang van de ene private organisator van buitenschoolse kinderopvang naar een andere private organisator in het geval van uitbesteding door de gemeente/steden. De sector van de buitenschoolse opvang heeft nood aan voldoende en voldoende gekwalificeerd personeel. Er moet dan ook vermeden worden dat werkonzekerheid leidt tot ongewild en onnodig personeelsverloop en verlies van talenten. Het is voor de SERV van cruciaal belang dat het personeel aan de slag kan blijven in de sector buitenschoolse opvang en activiteiten. Daarom dringen de Vlaamse sociale partners er uitdrukkelijk op aan dat de Vlaamse overheid maatregelen voorziet voor het organiseren van externe begeleiding en transitiemanagement om de werknemers maximaal opnieuw tewerk te stellen bij de nieuwe werkgevers van de buitenschoolse kinderopvang en de nodige match te voorzien voor het personeel. Als lokale regisseurs dienen de lokale besturen hun verantwoordelijkheid te nemen. Dit impliceert dat zij zich moeten inschakelen in de Vlaamse maatregelen en zich maximaal moeten engageren om een warme overdracht en hertewerkstelling van personeel te faciliteren wanneer de nieuwe samenwerkingsverbanden leiden tot stopzetting van opvanginitiatieven. Voor de overgang van personeel van de ene werkgever naar de andere werkgever gelden de principes van CAO 32bis en de Europese richtlijn 2001/23/EG als uitgangspunt. De SERV blijft ook vaststellen dat dit decreet (nog steeds) geen verrijking van het aanbod kan garanderen maar een verdeling van de schaarste inhoudt. De middelen voor buitenschoolse opvang, die op zich al erg beperkt zijn, moeten herverdeeld worden om de opvangvraag voor zoveel meer kinderen en gezinnen te beantwoorden. Een budgettaire input van andere beleidsdomeinen had hieraan kunnen tegemoet komen. Het decreet werd immers uitgetekend met een financieel groeipad voor ogen. De SERV roept op om, in plaats van het inkorten van de overgangsperiode, werk te maken van duidelijkheid over de concrete financiering van de lokale besturen voor de organisatie van de buitenschoolse opvang en activiteiten en een financieel groeipad, een sturend kader voor de lokale besturen, en de nodige garanties voor het personeel van de aanbieders van buitenschoolse kinderopvang.
De SERV hoopt u hiermee van dienst te zijn geweest en is uiteraard ook bereid tot verdere toelichting en samenwerking.
Hoogachtend
Pieter Kerremans
Ann Vermorgen
administrateur-generaal
voorzitter