Uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/253
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2021/253
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 19 mei 2021 diende xxx (hierna: verzoeker) een verzoek in bij het Agentschap Wegen en Verkeer, afdeling Oost-Vlaanderen (hierna: AWV), waarbij werd verzocht om een afschrift te verlenen van het schattingsverslag uit 2016 met betrekking tot het goed gelegen te xxx. Op 8 juni 2021 werd het openbaarheidsverzoek gedeeltelijk ingewilligd door AWV. Met een mail d.d. 15 juni 2021 heeft verzoeker nu beroep ingesteld tegen de voornoemde gedeeltelijke weigeringsbeslissing vanwege AWV. Het beroep werd geregistreerd op 15 juni 2021. Ontvankelijkheid van het beroep Op 19 mei 2021 werd het oorspronkelijk verzoek ingediend. De in beroep aangevochten beslissing van AWV van 8 juni 2021 maakt melding van de beroepsmogelijkheden en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het Bestuursdecreet. Het ingediende beroep van 15 juni 2021 is ingesteld binnen de decretaal voorgeschreven termijn, conform artikel II.48, §1, derde lid van het Bestuursdecreet en is bijgevolg ontvankelijk.
www.vlaanderen.be
Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
De aangevochten beslissing
Op 8 juni 2021 besliste AWV tot de vrijgave van het schattingsverslag voor het pand gelegen te xxx en werd dat als bijlage meegestuurd aan verzoeker. Bepaalde informatie kon evenwel op grond van artikel II.34, 2° en artikel II, 35, 1° van het Bestuursdecreet niet worden meegedeeld en werd daarom onleesbaar gemaakt door AWV.
2.
Inhoud van het beroepschrift
Verzoeker tekent beroep aan tegen de gedeeltelijke weigeringsbeslissing van AWV en argumenteert zijn beroepschrift als volgt: “In eerste instantie dient er opgemerkt te worden dat er in voormelde weigering wordt verwezen naar art.
II.34.2°van het Bestuursdecreet: 2° de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de openbaarmaking instemt; Gezien wij mede- eigenaar zijn, is voormelde zonder voorwerp. Betrokken persoonsgegevens zijn ons uiteraard gekend.
Daarnaast wensen wij er uitdrukkelijk op te wijzen dat wij niet vragen naar het recent opgemaakte schattingsverslag van de Afdeling Vastgoedtransacties. Wij wensen daarentegen wel inzage in het door een onafhankelijke schatter opgemaakte schattingsverslag van het jaar 2016. Gezien wij gedurende 5 jaar door het stilzitten van de administratie geen enkele beweging in voormeld dossier gekregen hebben, wensen wij de toestand/waarde van de gebouwen in het jaar 2016 te kunnen inkijken. Gezien de weigering van de Stad om voormeld schattingsverslag over te maken, wordt er ons onomkeerbare schade toegebracht. Immers, men weigert pas nu formeel de overmaking van dit schattingsverslag zodoende wij geen tegenschatting meer kunnen laten opmaken van de toestand aan het begin van de procedure. Door het blijvend stilzitten van de overheid is de toestand van de gebouwen veranderd hetgeen in ieder geval niet kan verwacht worden van een zorgvuldige overheid. Op deze wijze, door de weigering tot inzage van een schattingsverslag van enkele jaren geleden, wordt er ons een schade toegebracht die geenszins opweegt tegen het vermeend economisch belang van de overheid. Uiteraard behoort de finaal geschatte waarde, zoals hiervoor uiteengezet, tot de essentie van onze vraag. Zonder deze kenbaar te maken, kunnen wij geen kennis krijgen van de waarde aan het begin van de procedure dewelke zoals voormeld zonder meer van belang is voor ons.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/253
pagina 2 van 6
Tot slot wensen wij te wijzen op de vigerende rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State dat stelt dat de uitzondering op het grondwettelijk principe van openbaarheid dient verantwoord te zijn en beperkend moet worden geïnterpreteerd. Er dient een redelijk verband van evenredigheid te bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel hetgeen in deze niet het geval is. Het weigeren om de geschatte waarde kenbaar te maken kan niet redelijk verantwoord worden en er is geen redelijk verband tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. Wij bevinden ons door het 5 jaar stilzitten van de onteigenende overheid in een onomkeerbare toestand waarvan de begintoestand (én de waarde aan het begin van de procedure) enkel kan aangetoond worden o.b.v. van het onafhankelijk uitgevoerde schattingsverslag. Er kan op heden immers geen schatting meer gebeuren van de toestand van 5 jaar geleden.” Verzoeker vraagt daarom naar een afschrift van het volledige schattingsverslag uit 2016.
3.
Standpunt van de beroepsinstantie
Om met kennis van zaken over het beroep te kunnen oordelen, heeft de beroepsinstantie contact opgenomen met AWV om enerzijds het gevraagde document toe te sturen aan de beroepsinstantie en anderzijds AWV in de gelegenheid te stellen om wat meer duiding te verstrekken betreffende dit dossier. De beroepsinstantie mocht van AWV zowel het integrale schattingsverslag ontvangen als het schattingsverslag in de versie zoals die werd overgemaakt aan verzoeker op 8 juni 2021. De beroepsinstantie stelt vast dat de volgende informatie onleesbaar werd gemaakt in het schattingsverslag dat werd toegestuurd aan verzoeker : - De kadastrale gegevens van andere percelen in de buurt van het perceel dat eigendom is van verzoeker (op bladzijde 3 en 5 van het verslag) - Vergelijkingspunten met gelijkaardige bouwgronden in de buurt, met vermelding van kadastrale gegevens en concrete verkoopsprijzen (op bladzijde 14 van het verslag) - De eigenlijke berekening van de geschatte waarde voor het onroerend goed (op de bladzijde 15 en 16 van het verslag) Het komt nu aan de beroepsinstantie toe om te oordelen of de hiervoor vermelde informatie terecht onleesbaar werd gemaakt in het schattingsverslag. -
De kadastrale gegevens van de percelen in de buurt (op bladzijde 3 en 5 van het schattingsverslag)
De beroepsinstantie kon zelf vaststellen dat het hier louter gaat om de kadastrale nummers van de percelen, zonder enige verwijzing naar de eigenaars van die percelen. Die kadastrale nummers op zich zijn niet te bestempelen als een persoonsgegeven, vermist ze niet worden gelinkt aan een natuurlijke persoon. De beroepsinstantie ziet niet in hoe met de loutere vermelding van de kadastrale nummers afbreuk zou worden gedaan aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen. Een kadastraal percelenplan met de vermelding van de kadastrale nummers kan trouwens door iedereen digitaal vrij worden geraadpleegd via CadGIS, aangeboden door de federale overheidsdienst FOD Financiën. Voor het weglaten van de hiervoor vermelde informatie in het schattingsverslag, werd dus door AWV onterecht verwezen naar de toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Het ingestelde beroep, wat betreft dit onderdeel, wordt dan ook als gegrond beschouwd. -
Vergelijkingspunten met gelijkaardige bouwgronden en berekening van de geschatte waarde (weggelaten info op bladzijden 14, 15 en 16 van het schattingsverslag)
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/253
pagina 3 van 6
Na kennisname van het opgevraagde schattingsverslag, is de beroepsinstantie de mening toegedaan dat de weggelaten informatie op de bladzijden 14, 15 en 16 van het schattingsverslag wel degelijk terecht werd afgeschermd bij de openbaarmaking van het schattingsverslag aan verzoeker. Het gaat daarbij om de volgende informatie: - Vergelijkingspunten met gelijkaardige bouwgronden in de buurt, met vermelding van kadastrale gegevens en concrete verkoopsprijzen (op bladzijde 14 van het verslag) - De eigenlijke berekening van de geschatte waarde voor het onroerend goed (op de bladzijde 15 en 16 van het verslag) De beroepsinstantie wijst hiervoor naar de toepassing van zowel artikel II.34, 2° als artikel II.35, 1° van het Bestuursdecreet. Vooreerst bevat het schattingsverslag bij de vergelijkingspunten de concrete verkoopprijzen van andere percelen bouwgrond (gelijkaardig aan het onroerend goed waarvoor het opgevraagde schattingsverslag werd opgesteld), met verwijzing naar kadastrale gegevens. De beroepsinstantie is van oordeel dat het hier gaat om persoonsgegevens die onleesbaar moeten worden gemaakt in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Voormelde decreetbepaling bevat de verplichting om, behoudens toestemming van de betrokkene, een aanvraag af te wijzen als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze bepaling laat niet toe dat gegevens worden verstrekt die de identificatie van derden mogelijk maken, in de mate dat daarmee afbreuk zou worden gedaan aan de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Hoewel het hier om een absolute uitzonderingsgrond gaat waardoor er geen belangenafweging moet plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, vertoont de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet voorziene uitzonderingsgrond niettemin een relatief aspect. De decreetgever was weliswaar van oordeel dat er geen afweging vereist is met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend, maar wijst er desondanks op dat telkens en in concreto geoordeeld moet worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vlaams Parlement, Parl. St. 2017-2018, nr. 1656/1, blz. 58). Artikel 22 van de Grondwet waarborgt uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, net zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dit doet. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond bestaat er precies in om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privéleven te beschermen. De beroepsinstantie merkt op dat bij het onderzoek naar de uitzonderingsgrond met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van informatie in een bestuursdocument die op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft. In casu stelt de beroepsinstantie vast dat het hier bij de vergelijkingspunten in het schattingsverslag gaat om de concrete verkoopprijzen van andere percelen bouwgrond, met verwijzing naar kadastrale gegevens. Door de combinatie van de beide gegevens, wordt de persoonlijke levenssfeer en het privéleven van de betrokken personen wel degelijk geschonden. Het vrijgeven van deze voornoemde gegevens zou wel degelijk een inbreuk uitmaken op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die personen. Het privéleven vormt de kern van de persoonlijke levenssfeer (F. SCHRAM, Het decreet openbaarheid van bestuur. Een juridische analyse in historisch perspectief, Brugge, Vanden Broele, 247; Concl. Adv.Gen. bij HvJ 8 april 2014, nr. C-293/12, Digital Rights Ireland Ltd, nr. 61). Het openbaar maken van deze gegevens heeft aldus betrekking op de kern van een belang – het door artikel 22 van de Grondwet en het door artikel 8 EVRM aan eenieder toegekende recht op eerbiediging van zijn privéleven – dat de uitzonderingsgrond uit artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet wenst te beschermen
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/253
pagina 4 van 6
tegen de openbaarheid van bestuur (RvS, nr. 234.609 dd. 2 mei 2016). De beroepsinstantie is bijgevolg van oordeel dat de openbaarmaking van voormelde gegevens afbreuk zou doen aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene en dat deze gegevens dan ook moeten worden afgeschermd in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Het beroep is op dit punt dan ook ongegrond. Artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet laat echter wel de mogelijkheid dat dergelijke gegevens toch openbaar worden gemaakt, mits toestemming van de betrokken persoon. Het Bestuursdecreet voorziet weliswaar dat, indien de bestuursinstantie dit nalaat, de beroepsinstantie deze instemming aan de betrokkene(n) vraagt, maar gezien de beroepsinstantie niet over de contactgegevens beschikt, wordt hiervan afgezien. Verder is de beroepsinstantie van oordeel dat de concrete verkoopsprijzen voor gelijkaardige bouwgronden, alsook de eigenlijke berekening van de geschatte waarde voor het onroerend goed in het schattingsverslag moeten worden afgeschermd in toepassing van artikel II.35, 1° van het Bestuursdecreet. Artikel II.35, 1° van het Bestuursdecreet voorziet dat een instantie een aanvraag tot openbaarmaking, voor zover die geen betrekking heeft op milieu-informatie, zoals in casu het geval is, afwijst indien ze van oordeel is dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van het economisch, financieel of commercieel belang van de instantie. Deze uitzonderingsgrond heeft tot doel het beleid of de beleidsintenties van de instanties (algemeen belang) en de economische, financiële en commerciële belangen van alle instanties die onder de bevoegdheid van de gehele Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest vallen te beschermen tegen het risico van speculatieve daden die voorkennis van informatie kan meebrengen. In de memorie van toelichting wordt ook aangegeven dat de decreetgever een verdere beperking van deze uitzonderingsgrond niet nodig achtte, gelet op de belangenafweging die voor het inroepen van deze uitzonderingsgrond verplicht is. Door deze belangenafweging zijn het immers alleen maar fundamentele belangen van de overheid die kunnen opwegen tegen de openbaarmaking en bijgevolg beschermd kunnen worden. Na het onderzoek van het dossier is de beroepsinstantie van oordeel dat de vrijgave van de concrete verkoopsprijzen voor gelijkaardige bouwgronden, alsook de eigenlijke berekening van de geschatte waarde voor het onroerend goed in het schattingsverslag, de financiële belangen van AWV schaadt. In casu werd immers voor verscheidene percelen langsheen xxx een schattingsverslag opgemaakt met het oog op de minnelijke aankoop van een deel van de betreffende percelen die onteigend dienen te worden teneinde de heraanleg van xxx te kunnen realiseren. Het schattingsverslag waarop deze beroepsprocedure betrekking heeft, is dus opgemaakt met het oog op de verwerving van een deel van het perceel van beroeper. AWV zal weldra onderhandelingen moeten voeren met de beroeper om het perceel minnelijk aan te kopen, en met verscheidene andere eigenaars langsheen dezelfde baan. Er moet worden vastgesteld dat de openbaarmaking van het schattingsverslag in het huidige stadium de onderhandelingspositie van AWV ongetwijfeld zal aantasten. AWV mag het perceel immers binnen de wettelijke grenzen, tegen zo gunstig mogelijke omstandigheden proberen te verwerven. Er moet worden aangenomen dat de vrijgave van het verslag in kwestie op verzoek van een betrokken eigenaar de onderhandelingsmarge van AWV in ruime mate zal teniet doen. Als een eigenaar tijdens de onderhandelingen de in opdracht van AWV geraamde waarde van hun perceel kent, rest de overheid nog maar weinig ruimte om over de vergoeding te onderhandelen. Het risico is niet ondenkbaar dat AWV een aanzienlijk hogere onteigeningsvergoeding zal moeten betalen om het perceel te verwerven, en dit niet enkel voor het perceel van dit schattingsverslag in kwestie, maar voor alle (delen van) percelen die zij langsheen deze baan wenst te verwerven. Dat de overheid, in casu AWV, hierdoor aldus
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/253
pagina 5 van 6
in haar financiële belangen zal worden geschaad, staat boven elke twijfel. Een in de onteigening betrokken eigenaar met toegang tot het (uitgebreid) schattingsverslag en de schattingsprijs staat immers sterker in zijn onderhandelingspositie met de onteigenende overheid. Bovendien kan dit ook de onderhandelingspositie van de overheid met andere perceeleigenaars compromitteren, en evenzeer de toekomstige onderhandelingspositie van de overheid. De verkoop van het perceel waarop dit schattingsverslag betrekking heeft, kadert immers in een groter project waarbij nog verscheidene andere stukken grond aan- of verkocht moeten worden door AWV. De beroepsinstantie is om voormelde redenen dan ook van oordeel dat de bescherming van het economisch en financieel belang van AWV in casu zwaarder doorweegt dan het recht op informatie in hoofde van verzoeker. Het beroep is voor dit onderdeel (de concrete verkoopsprijzen voor gelijkaardige bouwgronden, alsook de eigenlijke berekening van de geschatte waarde voor het onroerend goed in het schattingsverslag) dan ook ongegrond. Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift d.d. 15 juni 2021 van xxx gericht tegen de gedeeltelijke weigeringsbeslissing van het Agentschap Wegen en, Verkeer, is ontvankelijk en deels gegrond en deels ongegrond. Bijgevolg dient AWV een afschrift te bezorgen aan verzoeker van het opgevraagde schattingsverslag, met vermelding van de kadastrale nummers op de bladzijden 3 en 5 van het schattingsverslag, doch mits weglating van kadastrale gegevens en concrete verkoopsprijzen op bladzijde 14 van het verslag en de eigenlijke berekening van de geschatte waarde voor het onroerend goed op de bladzijden 15 en 16 van het verslag.
Geen toestemming tot hergebruik van bestuursdocumenten In zoverre dit beroep geheel of gedeeltelijk gegrond werd verklaard, geldt dat deze inwilliging van de aanvraag tot openbaarmaking GEEN toestemming inhoudt om het/de gevraagde bestuursdocument(en) te hergebruiken, als vermeld in titel II, hoofdstuk 4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Brussel, 13 juli 2021 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/253
pagina 6 van 6