Voorwoord Inleiding
05 07
Organisatie Personeel, vorming en middelen
11 21
01
02
Milieuhandhavingsrapport 2006 Afdeling Milieu-inspectie
Milieu-inspectieprogramma 2006
MI
33
03
Specifieke handhavingscampagnes Routinecontroles
39 81
04
05
06
07
08
09
10
11
Reactieve controles 93 Voortgangscontrole en eigen initiatief 109
Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden 113 Samenwerking en overleg 125
Internationale context 135 Bijlagen 145
Met enige vertraging - waarvoor onze verontschuldigingen - hebben wij het genoegen om U dit Milieuhandhavingsrapport 2006 voor te stellen.
Voorwoord In 2006 is, in het kader van BBB (Beter Bestuurlijk Beleid), de operationalisering gestart van MI als afdeling van het departement LNE (Leefmilieu, Natuur en Energie), dat op zijn beurt een pijler is van het beleidsdomein met dezelfde naam. Zijn er voor MI geen fundamentele wijzigingen opgetreden – op de bijkomende opdracht van het ketentoezicht op afvalstoffen en de oprichting van een nieuwe dienst Toezicht zwarerisicobedrijven na – dan is het toch zo dat een aantal ‘kinderziekten’ van de vermelde reorganisatie, mede aan de basis liggen van de laattijdige verschijning van dit rapport. U vindt hier tevens de resultaten van het ambitieuze MIP (milieu-inspectieprogramma) 2006, het tiende inspectie-jaarprogramma van MI. Het planmatig uitvoeren van controles is voor MI een basiskeuze, die de algehele werking en organisatiestructuur van de afdeling determineert. Mogen wij hier uw welwillende aandacht vestigen op enkele van de vele in extenso besproken belangrijke thema’s: • de GPBV (Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging) – richtlijn van de EU, is sedert een aantal jaren één van de prioriteiten van MI, gelet op de geviseerde potentieel (zwaar) milieubelastende bedrijven. De in 2006 uitgevoerde, zeven uitgebreide (meerdere dagen door een team van milieu-inspecteurs) controles, leidden tot twee processen-verbaal, zeven aanmaningen en drie raadgevingen. Het is dan ook voor de hand liggend dat diepgaande en gespecialiseerde GPBV-controles een noodzaak zijn. • wat de Seveso-inspecties betreft, was de blikvanger voor 2006 een brand in een raffinaderij, die in dit rapport uitgebreid aan bod komt. • eind augustus 2006 werd MI uit Duitsland aangesproken over een milieuschandaal aldaar, met zogenaamde PFT’s (perfluortensiden) die afkomstig zouden zijn uit het Vlaams Gewest. Alras werd MI een spil in een gerechtelijk onderzoek, dat nog steeds voortduurt en werden aan de minister van Leefmilieu enkele beleidsaanbevelingen overgemaakt. • de lozing van afvalwater dat gevaarlijke stoffen bevat, is sedert jaren een aandachtspunt voor MI. In 2006 ging de bijzondere aandacht naar broomhoudende vlamvertragers (persistente stoffen, welke bioaccumuleerbaar zijn en hormoonverstorende effecten kunnen vertonen). Deze actie van MI had reeds als resultaat dat er verschillende bedrijven, die deze stoffen loosden, overschakelden op broomvrije vlamvertragers, of dat alle afvalwater volledig opgevangen / afgevoerd wordt naar een erkende verwerker of naar de producent voor herwinning van het basisproduct. Tot daar een kleine greep uit het hier voorliggend rapport. Wij hopen dat voorgaande u zal aanzetten tot een aandachtige lectuur en u er zal van overtuigen dat een correcte en professionele handhaving door MI, het onontbeerlijke sluitstuk is van een resultaatgericht leefmilieubeleid.
Dr. Sc. Robert Baert Inspecteur-generaal Afdelingshoofd
De afdeling Milieu-inspectie (MI) bericht jaarlijks in het milieuhandhavingsrapport over de organisatie, uitvoering, voortgangscontrole en resultaten van haar milieu-inspecties. Dit rapport is daarmee uitgegroeid tot een belangrijke schakel bij de volledige implementatie van de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten (2001/331/EG).
Inleiding Dat dit rapport noodzakelijk is, wordt al duidelijk in de omschrijving van het doel van de aanbeveling: er zouden milieu-inspecties in de lidstaten moeten worden uitgevoerd volgens minimumcriteria met betrekking tot de organisatie, uitvoering, voortgangscontrole en bekendmaking van de resultaten van de inspecties, om in alle lidstaten de naleving van de communautaire milieuwetgeving kracht bij te zetten en bij te dragen tot een meer consequente uitvoering en handhaving daarvan. De aanbeveling stelt bovendien dat de verslaggeving over inspectieactiviteiten een belangrijke manier is om, door middel van transparantie, de betrokkenheid van burgers, ngo’s en andere belanghebbenden bij de uitvoering van milieuwetgeving te garanderen. Er wordt tevens vermeld dat de verslaggeving toegankelijk moet worden gemaakt overeenkomstig de Richtlijn inzake de vrije toegang tot milieu-informatie. Dit milieuhandhavingsrapport probeert zo goed mogelijk de indeling van de aanbeveling te volgen en bestaat daarom uit drie grote delen. Deel 1: organisatie van de afdeling en de daarbij gebruikte middelen Het milieuhandhavingsrapport start met een beschrijving van de organisatie van de afdeling (hoofdstuk 1) én met een rapportering over de gebruikte personele en financiële middelen (hoofdstuk 2). Deel 2: uitvoering, voortgangscontrole en resultaten van de milieu-inspecties Alle milieu-inspecties worden uitgevoerd op basis van een milieu-inspectieprogramma. Dit planmatig werken is een basisbeginsel van de aanbeveling. Zo vermeldt de aanbeveling onder andere dat om de doeltreffendheid van het inspectiesysteem te garanderen, de lidstaten erop toe moeten zien dat milieu-inspectieactiviteiten van tevoren worden gepland. Eerst wordt in hoofdstuk 3 aangegeven hoe er jaarlijks een milieu-inspectieprogramma wordt opgesteld en hoe dat in overeenstemming is met de definities van de indeling van milieu-inspecties in deel II en met de principes over het opstellen van milieu-inspectieprogramma’s in deel IV van de aanbeveling. Daarna wordt voor elk onderdeel van het milieu-inspectieprogramma gerapporteerd over de uitvoering, de voortgangscontrole en de resultaten. Die onderdelen zijn: • specifieke handhavingscampagnes (hoofdstuk 4); • routinecontroles (hoofdstuk 5); • reactieve controles (hoofdstuk 6); • eigen initiatief en voortgangscontrole (hoofdstuk 7). Hoofdstuk 8 sluit dit deel af met een volledige rapportering over de strafrechtelijke en administratiefrechtelijke afhandeling van alle controles. Deel 3: samenwerking en overleg Het milieuhandhavingsrapport besluit met een overzicht van de intra-, inter- en supragewestelijke samenwerking. Het hoofdstuk ‘Samenwerking en overleg’ spitst zich toe op de diverse samenwerkingsverbanden binnen de landsgrenzen en het hoofdstuk ‘Internationale context’ geeft een overzicht van de diverse contacten op Europees niveau en soms ver daarbuiten.
Inhoud
Voorwoord Inleiding
5
7
1 Organisatie
11
Situering van MI 11 Interne structuur 12 Opdracht 14 Bevoegdheden 14 Beleid en strategie 15 Openbaarheid van bestuur 16 Integrale kwaliteitszorg 17
2 Personeel, vorming en middelen
21
Personeel 21 Vormingsactiviteiten 22 Werkingsmiddelen 24 Aanwending van de kredieten 26
3 Milieu-inspectieprogramma 2006
33
Opstellen van een MIP 33 Inhoud van het MIP 2006 34
4 Specifieke handhavingscampagnes
39
Geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (GPBV) 39 Zwarerisicobedrijven 42 Cadmiumplan 45 Perfluortensiden (PFT) 46 Afval 49 Bodem en Grondwater 56 Geluid en Trillingen 58 GGO’s 59 Lucht 61 Ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen 72 Water 74
5 Routinecontroles
81
Routinemonsternames 81 Routinemetingen 85 Routinecontroles exploitatie 89
6 Reactieve controles
93
Klachten 93 Meldingen van voorvallen 98 Evaluatieverslagen 100 Kantschriften 101 Adviesverlening 102 Evaluatie werkplannen 104 Vragen vanuit het Vlaams Parlement 104 Hoog toezicht 105 Draaiboek wintersmog 105
7 Voortgangscontrole en eigen initiatief
109
Voortgangscontrole van een dossier 109 Eigen initiatief 111
8 Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden
113
Inspecteren 113 Processen-verbaal 114 Maatregelen nemen 114 Strafrechtelijke afhandeling 121
9 Samenwerking en overleg
125
Samenwerking met gemeentelijke Vlarem-toezichthoudende ambtenaren 125 Samenwerking met de gerechtelijke instanties 126 Samenwerking in het kader van de veiligheid van de voedselketen 127 Samenwerking met VMM 128 Samenwerking met OVAM 129 Samenwerking rond afvaltransporten 129 Afstemming monitorings- en handhavingstaken 130 Nota crisismanagement 130 Samenwerking met de afdeling van het Toezicht op de Chemische Risico’s 132 Samenwerking met andere gewesten 132 Beleid 132
10 Internationale context
135
IMPEL 135 Andere 139
11 Bijlagen
145
Contactpersonen binnen MI 145 MI in de pers 146 Contactpersonen samenwerking, overleg en regelgevende initiatieven 148 Gebruikte afkortingen 149 Adressen 151
Binnen het Vlaamse Gewest is MI hét handhavingsorgaan van de milieuhygiënewetgeving. Dit hoofdstuk start daarom met de situering van MI binnen de Vlaamse Overheid. Daarna wordt de aandacht volledig gericht op MI en volgt er een omschrijving van de opdracht, de bevoegdheden en de werking van de afdeling. MI vangt de omvangrijke opdracht en de veelheid en complexiteit van de regelgeving op door een dubbele interne structuur: naast de klassieke verticale structuur werd ook een horizontale structuur opgezet in de vorm van werkgroepen per milieucompartiment. Verder in dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het beleid en de strategie van MI en van een permanent streven naar kwaliteitsborging en -verbetering.
Organisatie Situering van MI De reorganisatie van de Vlaamse overheid in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid (BBB) heeft de Vlaamse administratie in 2006 grondig veranderd. Tot 1 april 2006 was MI een van de acht afdelingen van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (Aminal). Sinds 1 april maakt MI deel
uit van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE). De situering binnen het departement LNE en de plaats van het departement binnen het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie worden gevisualiseerd in de organogrammen.
Beleidsdomein LNE
Departement LNE Secretaris-generaal
Minister Kabinet
Technische comités
Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (MiNa-raad)
Departement Leefmilieu, Natuur en Energie
Vlaams Energieagentschap (VEA)
Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM)
Vlaamse Milieumaatschappij (VMM)
Interne Controle Ministerie LNE
Algemene Zaken, Communicatie en Juridische Dienst
Milieu-integratie en -subsidiëringen
Centraal Databeheer
Algemeen directeur Coördinator Milieuhygiëne
Managementondersteunende Diensten
Milieuvergunningen
Milieu-, Natuur- en Energiebeleid
Milieu-inspectie
Internationaal Milieubeleid
Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid
Ministerie LNE
Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO)
Secretariaat-generaal
Vlaamse Landmaatschappij (VLM)
Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt (VREG)
Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen
Organisatie • 11
Interne structuur De organisatiestructuur van de afdeling Milieu-inspectie onderging in 2006 belangrijke wijzigingen door BBB, de reorganisatie van de Vlaamse Overheid. De klassieke verticale structuur van de afdeling, met een buitendienst per Vlaamse provincie en een Hoofdbestuur in Brussel, werd aangevuld met een nieuwe dienst, Toezicht zwarerisicobedrijven. Het Hoofdbestuur vervult een sturende en ondersteunende taak en waakt over de planning, de diepgang, de uniforme uitvoering, de afstemming en de integratie van de handhavingscampagnes. Het Hoofdbestuur is ook verantwoordelijk voor de voorbereiding, de formulering en de evaluatie van het handhavingsbeleid. De buitendiensten staan in hoofdzaak in voor de inspecties, het nemen van de maatregelen en de verdere voortgangscontrole van de bedrijfsdossiers, en verzekeren de coördinatie van een aantal activiteiten. Belangrijk is ook de terugkoppeling van de ervaringen op het terrein. De belangrijkste taak van Toezicht zwarerisicobedrijven is de planmatige en systematische controle van de zogenaamde Sevesobedrijven. Een aantal stafmedewerkers staan in voor de administratieve ondersteuning van de afdeling (personeel, logistiek, financiën, ICT).
Brussel
Daarnaast is er nog de horizontale structuur van de afdeling, die zijn oorsprong vond in de confrontatie met een veelheid en diversiteit aan regelgeving, te controleren activiteiten en te controleren bedrijven. Die bestaat uit werkgroepen per milieucompartiment. Eind 2006 waren er zes werkgroepen actief: Afval, Bodem en Grondwater, Geluid en Trillingen, Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO’s), Lucht en Water. Een GPBV-kernteam bundelt de expertise van de diverse werkgroepen bij de uitvoering van GPBV-controles. Een werkgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de buitendiensten en één of twee vertegenwoordigers van het Hoofdbestuur, die fungeren als gangmaker. Bij de samenstelling van de werkgroepen is rekening gehouden met de ervaring en de specialismen van de betrokkenen. Het GPBV-kernteam is samengesteld uit het diensthoofd van het Hoofdbestuur, werkgroepgangmakers, een afgevaardigde van Toezicht zwarerisicobedrijven en een teamlid van elke buitendienst.
Antwerpen
Limburg
Verticale structuur van MI Afdelingshoofd
Hoofdbestuur
Buitendienst Antwerpen
Buitendienst Limburg
Toezicht zwarerisicobedrijven (Seveso)
Buitendienst Oost-Vlaanderen
12 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Buitendienst Vlaams-Brabant
Buitendienst West-Vlaanderen
Sinds de reorganisatie van de Vlaamse overheid in het kader van BBB, werd de werkgroep Afval uitgebreid met een Ketenteam. Dit team wordt gevormd door zes ex-OVAM-personeelsleden die MI kwamen vervoegen om de controle te verzekeren op de ophaling en het vervoer van afvalstoffen. Een taak die ervoor door OVAM werd waargenomen. Het ketenteam is, naar analogie met de klassieke werkgroepwerking, verspreid over elke buitendienst en het Hoofdbestuur met het verschil dat ketenteamleden provinciegrensoverschrijdend toezicht uitoefenen. De werkgroepwerking moet garant staan voor een gecoördineerde en uniforme aanpak in het hele Vlaamse Gewest. Op de buitendiensten blijven de leden van een werkgroep ook deelnemen aan de specifieke handhavingscampagnes, de routinecontroles, de reactieve controles en de voortgangscontroles. Zij hebben tevens een ondersteunende rol ten opzichte van hun collega’s, als specialisten in het milieucompartiment van hun werkgroep.
Oost-Vlaanderen
Vlaams-Brabant
West-Vlaanderen
Horizontale structuur van MI Afdelingshoofd
Hoofdbestuur
Toezicht zwarerisicobedrijven (Seveso)
GPBV GEÏNTEGREERDE PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING Werkgroepen AFVAL
BODEM & GRONDWATER
Buitendienst Antwerpen
GELUID & TRILLINGEN
Buitendienst Limburg
GENETISCH GEMODIFICEERDE ORGANISMEN EN PATHOGENEN
Buitendienst Oost-Vlaanderen
Buitendienst Vlaams-Brabant
LUCHT & GEUR
WATER
Buitendienst West-Vlaanderen
Organisatie • 13
Opdracht In het kader van het Milieuvergunningsdecreet en Vlarem I oefenen de toezichthoudende ambtenaren van MI toezicht uit op de hinderlijke inrichtingen van klasse 1 en hoog toezicht op de inrichtingen van klasse 2 en 3. Die bevoegdheid wordt nog aangevuld met toezichtsbevoegdheden uit meerdere aanverwante milieuhygiënewetgevingen. Dat geheel geeft MI in Vlaanderen een unieke opdracht. Door de reorganisatie van de Vlaamse overheid in het kader van BBB speelt de afdeling nu ook een sleutelrol in het ketentoezicht op afvalstoffen. Daardoor werd ook de uitvoering van controles op het transport van afvalstoffen een belangrijk actiepunt van de afdeling. MI streeft voortdurend naar een verhoging van de kwaliteit van de handhaving. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan een doelmatig, deskundig, uniform, geïntegreerd en sturend optreden over heel Vlaanderen en wil MI een voorbeeldfunctie vervullen voor de lokale overheden. Het hoog toezicht wordt op die manier niet enkel casueel maar ook systematisch ingevuld. Naast MI zijn er ook vele andere actoren betrokken bij de handhaving van de milieuhygiënewetgeving. Daarbij o.a. de burgemeesters, de door de gemeenten aangewezen agenten van de Lokale Politie en technische ambtenaren van de gemeenten die in het bezit zijn van een bekwaamheidsbewijs, de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen (ALBON), de afdeling Toezicht Volksgezondhied (TOVO) van het Agentschap Zorg en Gezondheid, de reguliere politiediensten (Federale en Lokale Politie) en de gerechtelijke instanties. Elke actor heeft zijn eigen rol, opdracht en inbreng. Om de handhaving in haar geheel te laten slagen, moeten die instanties constructief samenwerken. Die samenwerking moet tevens worden gezien in het kader van de integrale benadering van het handhavingsbeleid. Om daaraan invulling te geven wordt aan netwerkvorming gedaan. De samenwerking die in dat netwerk ontstaat, genereert een synergetisch effect met het oog op een meer efficiënte en doelmatige handhaving van de milieuhygiënewetgeving. Doordat de Europese integratie en de mondialisering voortdurend sterker worden, bevindt ook de milieuhandhaving zich steeds meer in een internationale context. MI heeft daarom ook als taak internationale contacten te leggen en actief deel te nemen aan internationale vernieuwingen en tendensen. Voor de beleidsvoorbereiding en beleidsevaluatie heeft MI de opdracht om de Vlaamse minister van Leefmilieu te adviseren over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regelgeving. Daarvoor koppelt MI haar ervaringen op het terrein terug naar de beleidsmakers. Tot slot heeft MI de opdracht haar optreden en aanpak op geregelde tijdstippen kenbaar te maken en toe te lichten. Met die transparantie beoogt MI een voldoende breed maatschappelijk draagvlak voor de handhaving te creëren en te behouden.
14 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Bevoegdheden MI houdt toezicht op de volgende milieuhygiënewetgevingen (of delen ervan) die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest: - het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Belgisch Staatsblad, 17 september 1985) en de uitvoeringsbesluiten Vlarem I van 6 februari 1991 en Vlarem II van 1 augustus 1995; - het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (Belgisch Staatsblad, 3 juni 1995), inzonderheid titel III van 19 april 1995 betreffende bedrijfsinterne milieuzorg (Belgisch Staatsblad, 4 juli 1995); - het decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen van 22/12/2006 (Belgisch Staatsblad, 29 december 2006); - het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake grondwaterbeheer (Belgisch Staatsblad, 5 juni 1984); - het decreet van 2 juli 1981, gewijzigd bij het decreet van 20 april 1994, betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (Belgisch Staatsblad, 29 april 1994) (de wet van 22 juli 1974 op de giftige afval is opgeheven voor het Vlaamse Gewest, met uitzondering van artikel 1 en 7) en het uitvoeringsbesluit Vlarea van 5 december 2003; - het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (Belgisch Staatsblad, 29 april 1995) en het uitvoeringsbesluit Vlarebo van 5 maart 1996; - de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging (Belgisch Staatsblad, 14 januari 1965); - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging (Belgisch Staatsblad, 1 mei 1971); - de wet van 18 juli 1973 op de geluidshinder (Belgisch Staatsblad, 14 september 1974) en het koninklijk besluit van 24 februari 1977 betreffende elektronisch versterkte muziek (Belgisch Staatsblad, 26 april 1977); - de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende straling, infrasonen en ultrasonen (Belgisch Staatsblad, 26 november 1985); - het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (Belgisch Staatsblad, 16 juni 2001); - de Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de
De bestaansreden van MI is het toetsen en bevorderen van de kwaliteit van het milieuhygiënebeleid en de uitvoering ervan, teneinde de milieukwaliteit te behouden en daar waar nodig te verbeteren en zo nodig hinder, schade en zware ongevallen te voorkomen
Europese Gemeenschap (Publicatieblad van de Europese Unie, L 30, 6 februari 1993); - de Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (Publicatieblad van de Europese Unie, L 244, 29 september 2000); - de Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van de gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (Publicatieblad van de Europese Unie, L 273, 10 oktober 2002); - de Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 97/117/EEG (Publicatieblad van de Europese Unie, L 158, 30 april 2004).
Beleid en strategie MI heeft al enkele jaren de missie, visie en waarden van haar organisatie en haar medewerkers duidelijk vastgelegd. De verdere optimalisatie van de structuur en de werking van MI worden daardoor gestuurd. Er werd vertrokken van de bestaansreden van MI: het toetsen en bevorderen van de kwaliteit van het milieuhygiënebeleid en de uitvoering ervan, teneinde de milieukwaliteit te behouden en daar waar nodig te verbeteren en zo nodig hinder, schade en zware ongevallen te voorkomen. De missie (waar staan we nu?) is een verdere uitdieping van die bestaansreden: wij als afdeling Milieu-inspectie toetsen
en bevorderen de kwaliteit van het milieuhygiënebeleid en de uitvoering ervan teneinde de milieukwaliteit te behouden en daar waar nodig te verbeteren en zo nodig hinder, schade en zware ongevallen te voorkomen. Wij doen dit door: - toezicht te houden; - ambtshalve controles uit te voeren; - opsporingen te doen; - maatregelen te nemen; - de handhaving van het milieuhygiënebeleid uit te dragen naar gemeenten, provincies en andere handhavingsactoren; - bij te dragen tot beleidsformulering en beleidsevaluatie door terugkoppeling van onze ervaringen vanuit het veld; - een actieve inzet in het Europees IMPEL-milieuhandhavingsnetwerk. Om aan te geven hoe de medewerkers zich willen gedragen, werden volgende waarden vastgelegd. Wij willen loyale, ondernemende en tevreden medewerkers zijn die: - dicht staan bij de klant en duidelijk maken wat ze doen; - vlot inzetbaar en aanspreekbaar zijn; - snel, dynamisch en realistisch op uitdagingen ingaan; - resultaatgericht en geïntegreerd samenwerken; - door hun visie, creativiteit en deskundigheid een stap voor blijven; - steeds willen verbeteren en houden van hun job; - een gezonde ecologische reflex hebben; - een correcte handhavingsreflex vertonen. De visie geeft aan welke organisatie MI wil zijn: de afdeling Milieu-inspectie wordt dé organisatie die instaat voor een doelmatig, deskundig, uniform, integraal en sturend handhavingsbeleid van de milieuhygiënewetgeving. Om van de huidige toestand (missie) naar de gewenste situatie (visie) te komen, zijn een aantal strategische acties nodig. MI heeft de volgende kritische succesfactoren geïdentificeerd om die overgang succesvol te laten verlopen.
Organisatie • 15
Een bedrijfscultuur van voortdurende verbetering creëren waarin iedereen: - achter de visie, missie en waarden staat en ze ook uitdraagt; - samenwerkt en aantoont dat onze organisatie meer is dan de som van de samenstellende delen; - samenwerkt met alle actoren op internationaal, Europees, federaal, gewestelijk en lokaal vlak; - de integratie van het milieu en de coherentie van de milieuzorg in de andere beleidssectoren nastreeft; - zich gewaardeerd voelt en initiatieven neemt; - beschikt over de juiste en relevante informatie; - zich permanent en doelgericht bijschoolt; - de middelen doelmatig inzet; - de regelgeving op een correcte wijze uitvoert. De handhaving als onontbeerlijke schakel in de reguleringsketen moet voldoende sterk zijn. Daarom moet: - een eenvormige en geïntegreerde milieuhygiënewetgeving met goede technische normen voorhanden zijn; - de vergunningverlener de regelgeving correct en volledig implementeren met als resultaat hanteerbare en inzichtelijke vergunningen; - de complementariteit tussen de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving worden gerealiseerd; - met het opstellen en de implementatie van een handhavingsstrategie worden gestart. Wat de handhaving zelf betreft, moet: - de maatschappelijke en politieke legitimatie voldoende groot zijn; - binnen de administratie, handhaving naast en niet onder beleidsvoorbereiding en/of -uitvoering staan; - de slagkracht, autonomie en onafhankelijkheid van MI in het algemeen en de toezichthoudend ambtenaar in het bijzonder worden gevrijwaard. De strategische doelstellingen (op lange termijn) van MI zijn als volgt omschreven: - inspecteren; - maatregelen nemen; - beleidsuitvoering; - beleidsformulering en beleidsevaluatie; - actieve inzet in het Europees IMPEL-handhavingsnetwerk; - permanente vorming. Op basis van die strategische doelstellingen en de jaarlijkse doelstellingen van het departement worden elk jaar operationele doelstellingen (op korte termijn) opgesteld voor de hele afdeling. Die worden op hun beurt in cascade doorvertaald naar persoonlijke doelstellingen die worden opgenomen in een persoonlijk planningsdocument voor alle personeelsleden. Om al die doelstellingen te realiseren geeft MI uitvoering aan zes directe processen. Het omvangrijkste proces is het sleutelproces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’. Het is onderverdeeld in zeven deelprocessen. Dat proces werd volledig in kaart gebracht en voorzien van een procedurehandboek. In de loop van 2007 werden strategische, operationele en personeelsplannen uitgewerkt voor de afdeling. Die zullen in de toekomst de structuur en de werking van MI sturen. 16 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
LIJST VAN DE DIRECTE PROCESSEN Proces Beschrijving P01
Inspecteren en maatregelen nemen
P01.1
- Dossiervoorbereiding
P01.2
- Verplaatsing + vaststellingen op het terrein
P01.3
- Inspectieverslag + beoordeling vaststellingen
P01.4
- Verslaggeving aan Openbaar Ministerie
P01.5
- Maatregelen nemen overeenkomstig het MI-instrumentarium
P01.6
- Rapportering (intern/extern)
P01.7
- Dossieropvolgingssysteem
P02
Milieu-inspectieprogramma (MIP)
P03
Opdrachten aan externe deskundigen
P04
Beleidsformulering en -evaluatie
P05
Uitdragen handhaving milieuhygiënewetgeving naar gemeenten,
provincies en andere handhavingsactoren
P06
Intra-, inter- en supragewestelijke samenwerking met
andere (milieu)actoren
Openbaarheid van bestuur Het Verdrag van Aarhus (verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden) en de Europese richtlijn met betrekking tot toegang van de burger tot milieuinformatie vormen de basis voor de Vlaamse regelgeving in verband met openbaarheid van bestuur. Het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur (van kracht sedert 1 juli 2004) zet de toegang tot milieu-informatie om in Vlaamse regelgeving. Een besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2005 vult het decreet verder aan en regelt de actieve verspreiding van milieu-informatie door de overheid. Dit besluit werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 november 2005 en trad in werking op 1 januari 2006. MI heeft niet gewacht op de regelgeving in verband met de actieve verspreiding van milieu-informatie en publiceert al vele jaren een milieu-inspectieprogramma en een milieuhandhavingsrapport. Beide documenten zijn, naast de papieren versie, sinds enkele jaren ook raadpleegbaar op internet. Het is daarbij belangrijk dat het milieuhandhavingsrapport uitvoerig rapporteert over de uitvoering van en de bekomen resultaten bij de diverse inspectie-activiteiten. MI geeft ook invulling aan de bepalingen in verband met de passieve openbaarheid van bestuur. Elke administratieve overheid is verplicht om aan iedereen die erom verzoekt de gewenste bestuursdocumenten (op enkele uitzonderingen na, zoals een proces-verbaal van overtreding) openbaar te maken door er inzage in te verlenen, uitleg over te verschaffen, een afschrift van te overhandigen of een exemplaar van uit te lenen.
Aanvragen tot openbaarmaking moeten schriftelijk worden ingediend bij de administratieve overheid die over de bestuursdocumenten beschikt. Ook bestuursdocumenten over milieu-informatie vallen onder die bepalingen. In de loop van het werkjaar 2006 ontving MI acht schriftelijke aanvragen tot openbaarmaking van bestuursdocumenten uit milieudossiers. Op één na werden al die verzoeken ingewilligd. Ook in het kader van de wetgeving op de overheidsopdrachten is de opdrachtgever verplicht om bepaalde informatie kenbaar te maken. In 2006 ontving MI eveneens twee aanvragen voor het verkrijgen van de gemotiveerde toewijzingsbeslissing bij de gunning van een overheidsopdracht. Beide aanvragen werden door MI ingewilligd.
Integrale kwaliteitszorg De Vlaamse Overheid streeft voortdurend naar een zo goed mogelijke uitbouw van haar dienstverlening. Dit veronderstelt een organisatiecultuur waarin een permanente zorg voor kwaliteit en kwaliteitsverbetering centraal staat. Ook MI doet hieraan mee en heeft daarbij aandacht voor zowel de eigen kwaliteit als voor de kwaliteit van externe dienstverleners.
Afhandeling van vaststellingen Al bij het opstellen van de staalkaart van de afdeling werd het belangrijkste proces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’ in kaart gebracht en voorzien van een eerste procedurehandboek. In de loop van de voorbije jaren werden bijkomende documenten aangemaakt, die zorgen voor een verdere verhoging van de kwaliteit en uniformiteit van het optreden van MI, en dat zowel voor de strafrechtelijke als voor de administratiefrechtelijke afhandeling van vaststellingen. Deze documenten worden dagelijks in de praktijk gebruikt door alle toezichthoudende ambtenaren. Het handhavingsinstrumentarium geeft de algemene principes van het optreden van MI aan en visualiseert in diverse stroomschema’s hoe er in elke fase van een dossier opgetreden wordt.
de aanmaning en de dwangmaatregel tot het voorstel voor de schorsing of opheffing van een vergunning). Liefst 39 verschillende documenten worden in detail beschreven. Het handhavingsinstrumentarium en de beide codes van goede praktijk worden door MI beschouwd als een kwaliteitshandboek. Ze worden dagelijks door de toezichthoudende ambtenaren gebruikt bij de afhandeling van vastgestelde inbreuken en bij het nemen van maatregelen. De diensthoofden en het afdelingshoofd zijn daarbij aangewezen als kwaliteitsverantwoordelijken.
MI-onderrichtingen MI gebruikt ook interne onderrichtingen om de kwaliteit en/of de uniformiteit bij het uitvoeren van inspecties en bij de beoordeling van vaststellingen te verhogen. In de loop van 2006 werden negen dergelijke onderrichtingen opgesteld en geïmplementeerd. Een overzicht is gegeven in de bijgaande tabel.
Kwalitatieve uitvoering van monsternames en metingen Het deelproces ‘Vaststellingen op het terrein’ vormt een belangrijk onderdeel van het proces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’. Eén van de vele facetten binnen dit deelproces is het uitvoeren van monsternames en metingen. In 2001 werd gestart met het opstellen van een kwaliteitshandboek voor deze monsternames en metingen. De monsternames en metingen van afvalwater kwamen het eerst aan bod. Naast een algemene procedure voor het documentenbeheer, werden vier procedures uitgeschreven voor de monstername van water met schepmonsters of (tijds- of debietsproportionele) mengmonsters, het gebruik van recipiënten en conserveringsmiddelen, de meting ter plaatse van pH en temperatuur, en de meting ter plaatse van het debiet. Daarnaast werd ook een werkvoorschrift voor de bediening, de kalibratie en het onderhoud van de pH-meter opgesteld, samen met de bijhorende formulieren.
De Code van goede praktijk voor het proces-verbaal beschrijft in detail de balk ‘Maak aanvankelijk of navolgend proces-verbaal’ van het eerste stroomschema van het handhavingsinstrumentarium (zie stroomschema). De code van goede praktijk heeft als doel te komen tot een kwaliteitsverbetering en een grotere uniformiteit van de processen-verbaal van MI. De ‘Prioriteitennota Vervolgingsbeleid Milieurecht in het Vlaamse gewest’ die op 30 mei 2000 door de Commissie Vervolgingsbeleid werd goedgekeurd, werd erin geïmplementeerd.
In opdracht van MI werden door VITO ook procedures voor de bemonstering van afvalstoffen uitgewerkt. Een eerste procedure beschrijft algemene kernbegrippen inzake afvalbemonstering. Voor enkele specifieke afvalstromen werd de praktische uitvoering van de monstername beschreven in drie aparte procedures: de bemonstering van poeder- en korrelvormige vaste afvalstoffen, de bemonstering van afval aanvaard op stortplaatsen en de bemonstering van vloeibare en viskeuze afvalstoffen. Een aantal noodzakelijke documenten werden als formulier opgenomen, zoals bijvoorbeeld het monsternemingsformulier. In mei 2004 keurde de stafvergadering de definitieve versie van het kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen van afvalstoffen goed en besliste tot volledige implementatie vanaf 1 juni 2004.
De Code van goede praktijk voor de administratiefrechtelijke afhandeling legt de vorm en de inhoud vast van de documenten die in de stroomschema’s van het handhavingsinstrumentarium voorkomen (van het inspectieverslag over
In 2006 liet MI opnieuw een interne audit uitvoeren om de implementatie van de procedures voor monstername en meting op te volgen. Het was opnieuw duidelijk dat er sinds de invoering van het kwaliteitshandboek een duidelijke kwali-
Organisatie • 17
Lijst van de MI-onderrichtingen in 2006
De bemonstering van afval op een stortplaats volgens de afgesproken procedures
teitsverbetering was. De resterende aandachtspunten werden in de werkgroepen Afval en Water uitgebreid besproken en dit resulteerde in een actieplan met corrigerende en remediërende maatregelen. Het actieplan werd goedgekeurd door de staf en geïmplementeerd door alle toezichthoudende ambtenaren. MI vraagt dat ook de laboratoriumcontractanten op dezelfde hoogstaande kwalitatieve wijze monsternames en metingen uitvoeren. Daarom liet MI in 2006 een audit uitvoeren van het laboratorium dat monsternames en metingen van afvalstoffen uitvoert in opdracht van MI. De bedoeling van de audit was om te controleren of het extern laboratorium de monstername van vast en vloeibaar afval uitvoert conform het kwaliteitshandboek monsternames en metingen van Milieu-inspectie. De auditopmerkingen werden aan het extern laboratorium voorgelegd. Dit resulteerde ook hier in een actieplan met corrigerende en remediërende maatregelen, dat finaal door de labocontractant werd geïmplementeerd. De effectiviteit hiervan zal bij een volgende audit worden gecontroleerd.
18 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Nummer
Datum
Onderwerp
MI 2006/01
12 januari
Codering van handhavingsactiviteiten en identificatie van monsters en metingen
MI 2006/02
16 januari
Draaiboek Mid Term Review – Cross compliance
MI 2006/03
26 januari
Actualisering prioriteitenlijst
MI 2006/04
26 januari
Beoordelingstermijn werkplannen afvalverwerkende bedrijven
MI 2006/05
30 juni
Richtlijn i.v.m. beoordeling van de analyseresultaten gerapporteerd binnen het bestek Aminal/MI/2002/Afval
MI 2006/06
6 juni
Permanentiedraaiboek oproepen en voorvallen
MI 2006/07
10 oktober
Derde addendum bij MI 2002/06 - richtlijn i.v.m. de beoordeling van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de lozing van bedrijfsafvalwater (lijst fenolen)
MI 2006/08
20 december
Kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen (memo + nieuw werkvoorschrift)
MI 2006/09
21 december
Draaiboek Wintersmog
Voorbeeld van een stroomschema van het handhavingsinstrumentarium Begin
Risico ernstig dreigend gevaar?
Nee
Vergunning (melding) Nee
Ja
Ja
Voorwaarden nageleefd?
Ja
Voorwaarden toereikend?
Nee
Ja Einde
Nee
Maak aanvankelijk of navolgend proces-verbaal
2
3
Afweging van de toe te passen middelen
5
4
Dwangmaatregelen / administratieve rechtshandelingen
9
6
7
8
Organisatie • 19
In het eerste deel van dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het personeel van MI. Het beperkte personeelsbestand leidt ertoe dat MI er na vijftien jaar nog steeds niet in geslaagd is om alle klasse 1-inrichtingen in Vlaanderen ten minste eenmaal te controleren. Verder in dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de inspanningen die MI levert voor de voortdurende vorming van de medewerkers, een overzicht van de diverse werkingsmiddelen van MI en een overzicht van de aanwending van de kredieten waarover MI beschikt.
Personeel, vorming en middelen Personeel In het kader van BBB werd MI sinds 1 april 2006 een aantal bijkomende toezichts- en handhavingstaken toebedeeld. Meer bepaald berust het toezicht op de afvalstoffenregelgeving met inbegrip van het toezicht op de in- en uitvoer van afvalstoffen in en uit het Vlaamse Gewest en de zeehavencontroles, nu integraal bij MI. MI ziet haar activiteiten bijgevolg uitgebreid naar transportcontroles van afvalstoffen over het land en water. Voor deze bijkomende taak zijn er 6 personeelsleden van OVAM overgekomen naar MI. Daardoor telde MI eind 2006
124 personeelsleden. Het aantal VTE steeg met 5,6 eenheden naar 115,1 in 2006. Bij het berekenen van het aantal VTE werd rekening gehouden met loopbaanonderbreking en andere vormen van deeltijds werken. De ambtenaren van de niveaus A en B zijn toezichthoudende ambtenaren (92,2 VTE). De ambtenaren van de niveaus C en D hebben een ondersteunende administratieve functie (22,9 VTE). De cijfers zijn een weergave van de situatie op 31 december 2006.
Aantal personeelsleden A2A Stafdienst
A2
1
A1
B2
B1
C2
2
C1
D2
D1
Totaal
2
1
1
7
Hoofdbestuur
9
9
Toezicht zwarerisicobedrijven
11
11
1
Buitendienst Antwerpen
10
7
10
1
4
10
1
5
Buitendienst Vlaams-Brabant
6
1
Buitendienst West-Vlaanderen
13
Buitendienst Limburg 1
Buitendienst Oost-Vlaanderen
Totaal
1
2
A2A
A2
1
1
1
4
1
1
5
1
22 20
2
20 16
2
2
1
1
1
3
19
10
9
124
71
3
22
3
A1
B2
B1
C2
3
Aantal beschikbare VTE
Stafdienst
1,0
2,0
C1
D2
D1
Totaal
2,0
1,0
1,0
7,0
Hoofdbestuur
9,0
9,0
Toezicht zwarerisicobedrijven
10,8
10,8
1,0
Buitendienst Antwerpen
7,8 9,0
Buitendienst Limburg 1,0
5,1 1,0
9,2
1,0
4,8
Buitendienst Vlaams-Brabant
6,0
1,0
5,0
Buitendienst West-Vlaanderen
13,0
Buitendienst Oost-Vlaanderen
Totaal
1,0
2,0
66,8
3,0
1,0
3,5
1,0
1,0
3,2
1,0
1,0
1,0
17,9 17,7
2,0
19,0
2,0
2,0
16,0
2,0
17,7
8,0
115,1
1,0
1,0
0,7
19,4
3,0
8,9
3,0
Personeel, vorming en middelen • 21
Verdeling van het MI-personeel per niveau
Evolutie van het aantal VTE bij MI 120
100 Niveau A 60% Niveau B 20% Niveau C 10% Niveau D 10%
80
60
40
20
0 1995
1996
1997
#VTE totaal
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
#VTE toezichthoudend ambtenaar
Vormingsactiviteiten MI-jaarvergadering
Specifieke opleidingen voor MI
Op 23 maart 2006 vond in Hasselt de vijfde MI-jaarvergadering plaats. Deze jaarvergadering is opgevat als een vormingsactiviteit voor alle personeelsleden van MI, maar daarenboven een ideaal instrument om in een ontspannen sfeer contacten te leggen tussen collega’s, ervaringen uit te wisselen en de groepsgeest te bevorderen. Voor het houden van het educatief gedeelte werd gekozen voor het recent gebouwde Vlaams Administratief Centrum te Hasselt. Na de traditionele verwelkoming lichtte het afdelingshoofd het programma toe. Dit bestond uit de voorstelling van interessante cases door toezichthoudende ambtenaren van de verschillende buitendiensten, waarbij telkens de opeenvolging van handhavingsacties in een dossier werd overlopen.
Net zoals vorige jaren organiseerde MI ook in 2006 zelf een aantal interne opleidingen voor haar ambtenaren. In het najaar organiseerde MI een toelichting bij de gewijzigde Vlarembepalingen voor stortplaatsen. De criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen zijn ingrijpend gewijzigd met de implementatie van een Europese beschikking hierover. MI deed een beroep op een specialist ter zake van OVAM die achtereenvolgens de huidige situatie en het Europese kader schetste en daarna het complexe wijzigingsbesluit van 12 mei 2006 toelichtte. Tot slot werden nog enkele knelpunten opgesomd die met het nieuwe besluit opdoken. Toezichthoudende ambtenaren die concrete vragen hadden, kregen ook de gelegenheid die te stellen.
De buitendienst Limburg gaf toelichting over de verschillende aspecten die aan bod kwamen bij een GPBV-controle in een chemisch bedrijf. De case van de buitendienst Antwerpen handelde over het opleggen van dwangmaatregelen door MI in een Seveso-bedrijf in de Antwerpse haven. De buitendienst Oost-Vlaanderen behandelde een tankbreuk in een olieopslagplaats, met een beschrijving van de onmiddellijke maatregelen die werden genomen om de verontreiniging in te dijken en de verdere opvolging van deze zaak door MI. In de case van de buitendienst Vlaams-Brabant kwamen verschillende procedures aan bod die hebben geleid tot de stopzetting van een asfaltbedrijf. De geurhinder door een verfbedrijf en het optreden van MI tegen dit bedrijf waren het onderwerp van de case van de buitendienst West-Vlaanderen. De verschillende uiteenzettingen werden op een boeiende en leerrijke wijze gebracht.
De opleiding ‘Dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie zijn bestemd’ werd georganiseerd ter verduidelijking van de Verordening (EG) Nr. 1774/2002. De Europese overheid hecht heel veel belang aan de toepassing van deze verordening en vraagt de lidstaten om opleidingen te organiseren voor alle betrokken ambtenaren. Het FAVV nam de organisatie ervan in handen en het opleidingsprogramma werd samengesteld in de schoot van de Commissie Dierlijke Bijproducten, waarvan MI deel uitmaakt. Alle toezichthoudende ambtenaren namen deel aan deze opleiding. Na een inleiding op de verordening werden de toegestane gebruiksmogelijkheden en verwijderingsmethoden van dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie zijn geschikt, toegelicht. Vervolgens werd de bevoegdheidsverdeling inzake deze materie verduidelijkt. De namiddag werd besteed aan de gewestelijke aspecten van de regelgeving, met bijzondere aandacht voor de bevoegdheden van de gewestelijke milieuautoriteiten. De opleiding werd verzorgd door specialisten van de gewestelijke en federale overheid.
Na het slotwoord van het afdelingshoofd gaf de secretarisgeneraal van het departement LNE een korte toelichting over de reorganisatie in het kader van het project Beter Bestuurlijk Beleid. Tenslotte werd er nog een korte rondleiding voorzien in het Vlaams Administratief Centrum en kon iedereen kennismaken met de inplanting van de werkplekken in een landschapskantoor. De jaarvergadering werd afgesloten met een etentje en een gezellig samenzijn. 22 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Naar aanleiding van de nieuwe handhavingstaken die MI werden toebedeeld na de operatie BBB inzake afvaltransporten, werd ook een algemene opleiding georganiseerd met als thema ‘Vervoer van afvalstoffen’. Tijdens de voormiddag werd de Vlaamse afvaltransportregelgeving voorgesteld en aansluitend
Een toezichthoudend ambtenaar geeft een voorstelling van een interessante case tijdens de MI-jaarvergadering
Naar aanleiding van de nieuwe handhavingstaken, organiseerde MI een opleiding over het vervoer van afvalstoffen
werden de toehoorders wegwijs gemaakt in de ingewikkelde structuur van de toen geldende Europese verordening 259/93 inzake de internationale overbrenging van afvalstoffen. Vervolgens werd de nieuwe verordening 1013/2006, die van kracht zou worden vanaf 12 juli 2007 toegelicht. Een kort filmpje over illegale afvalverwijderingspraktijken van afgedankte elektrische en elektronische apparaten in Azië toonde de noodzaak aan van een gedegen handhaving van de internationale afvaloverbrengingsregelgeving. De opleidingssessie werd afgesloten met een enthousiast betoog van een Nederlandse collega handhaver wiens zeer praktijkgebaseerde toelichting, geïllustreerd met een groot aantal foto’s, de handhaving van de verordening concreet gestalte gaf.
de hand van praktische voorbeelden overlopen en toegelicht. Aan de hand van deze opleiding konden de geïnteresseerde toezichthoudende ambtenaren meer te weten komen over de werkwijze van de werkgroep GGO’s.
Tijdens de voorbereiding van havencontroles kijken de toezichthoudende ambtenaren de exportdocumenten in die bij de douane-verificatiekantoren op de kaaien worden afgeleverd. Deze ‘papieren’ documenten zullen echter op korte termijn verdwijnen en plaatsmaken voor een digitaal aangiftesysteem, ‘paperless douane en accijnzen’ of ‘PLDA’. Een beperkte groep toezichthoudende ambtenaren, met name degenen die geregeld havencontroles uitvoeren, kregen daarom in juni een introductie-opleiding in deze materie. Tijdens deze opleiding werd de stand van zaken van het digitale systeem toegelicht, de algemene werking ervan, alsook de gebruikte douanecodes. De deelnemers kregen ook een aanzienlijke hoeveelheid documentatie mee naar huis. In oktober 2006 organiseerde MI een opleiding ‘GGO’s’, over de Vlarem-procedures en -voorwaarden met betrekking tot het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde en pathogene organismen. Deze opleiding bestond uit drie luiken. In een eerste luik lichtte de afdeling Milieuvergunningen de wetgeving en de vergunnings- en toelatingsprocedures toe. Vervolgens lichtte de Sectie Biotechnologie en Bioveiligheid van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid (WIV-SBB) toe hoe een risicoanalyse moet worden opgesteld om het correcte inperkingsniveau te kunnen bepalen. Tot slot werden, eveneens door het WIV-SBB, alle inperkingsvoorwaarden aan
Al deze opleidingen kaderden volledig in de strategische doelstelling ‘permanente vorming’ van MI: doelgerichte bijscholing organiseren voor de medewerkers van MI, zodat de afdeling dé organisatie wordt die instaat voor een doelmatig, deskundig, uniform, integraal en sturend handhavingsbeleid van de milieuhygiënewetgeving. ing.
Individuele vorming De medewerkers van MI maken ook gebruik van het vormingsaanbod van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Vaak is het deelnemen aan een dergelijke opleiding een ontwikkelingsgerichte jaarafspraak voor het personeelslid. Informaticaopleidingen komen daarbij frequent voor, maar ook andere vormingssessies worden gevolgd (PLOEG-opleidingen, opleidingen voor stagiairs, …). Daarnaast namen heel wat personeelsleden deel aan externe studiedagen of symposia, zowel in het binnenland als buiten de grenzen. Het doel daarbij is de evolutie binnen de betrokken milieusector op de voet te volgen en daarna de informatie binnen MI te verspreiden zodat de toezichthoudende ambtenaren er gebruik van kunnen maken bij de uitvoering van hun diverse opdrachten.
Voordrachten door MI MI gaat geregeld in op externe vragen om haar expertise ter beschikking te stellen en informatie te verstrekken. Hierna volgt een overzicht van de voordrachten en lessen die toezichthoudende ambtenaren van MI in 2006 gegeven hebben. Algemene werking - ‘Werking, organisatie, bevoegdheden en taken van de afde-
Personeel, vorming en middelen • 23
Werkingsmiddelen ling Milieu-inspectie’, lezing in het kader van een opleiding van vakbondsafgevaardigden van ACOD, georganiseerd door ACOD in Brussel;
De toezichthoudende ambtenaren van MI beschikken over heel wat middelen om hun taken efficiënt en effectief uit te voeren.
- ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie’, lezing in het kader van de opleiding milieucoördinator type B, georganiseerd door het opleidingscentrum Syntra in Hasselt;
Bij de voorbereiding van een inspectie kan een toezichthoudend ambtenaar gebruik maken van het papieren dossier dat op elke buitendienst aanwezig is. Daarin wordt alle informatie over een bedrijf verzameld. Dit gaat dan ondermeer over vergunningsbesluiten (en eventueel geweigerde vergunningen), verslagen van vroeger uitgevoerde inspecties, analyse- en meetresultaten van reeds uitgevoerde technische controles (bv. monsternames van afvalwater, metingen van luchtemissies, …), opgestelde processen-verbaal, documenten die opgesteld werden in het kader van de administratiefrechtelijke afhandeling van een dossier (raadgevingen, aanmaningen, dwangmaatregelen, …), en briefwisseling (met bedrijf, gemeente, parket, klagers, …).
- ‘Het milieuhygiënebeleid in Vlaanderen’, lezing in het kader van de opleiding milieucoördinator niveau A georganiseerd door Lucina in Lubbeek; - ‘Het milieuhygiënebeleid in Vlaanderen’, lezing in het kader van de opleiding preventieadviseur niveau 1 georganiseerd door Lucina in Lubbeek; - ‘Het Seveso II-inspectiesysteem’, lezing in het kader van een studiedag georganiseerd door ERM in Antwerpen; - ‘Het Seveso II-inspectiesysteem’, lezing in het kader van het forum van hogedrempelbedrijven georganiseerd door de dienst Veiligheidsrapportering in Affligem.
Specifieke handhavingsexpertise - ‘Afvalwaterproblematiek en monstername’, lezing in het kader van een opleiding voor milieuambtenaren en politie, georganiseerd door het Opleidings- en vormingsinstituut voor overheidspersoneel in Puurs; - ‘Specifieke brandpreventievereisten in Vlarem’, lezing in het kader van een studiedag ‘Brandpreventie in overheidsgebouwen’, georganiseerd door Prebes in Leuven; - ‘Gevaarlijke producten: vaststellingen en valkuilen’, lezing in het kader van studiedag georganiseerd door Enviro Consult in Sint-Niklaas; - ‘Recente wijzigingen in de Seveso II-richtlijn’, lezing in het kader van een studiedag georganiseerd door M-Tech in Herentals; - ‘Ervaringen met de checklijst diesel’, lezing in het kader van een symposium georganiseerd door de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s van de FOD WASO in Keerbergen; - ‘Beheersystemen omgevingsveiligheid’, lezing in het kader van een opleiding georganiseerd door EHSAL in Brussel; - ‘Tankkeuringen: vaststellingen en valkuilen’, lezing in het kader van een studiedag georganiseerd door Prebes in SintNiklaas. Internationale deelname - ‘Reducing the levels of brominated flame retardants in emissions of industrial waste water: the enforcement approach’, lezing in het kader van Dioxin 2006, het 26e internationaal symposium over gehalogeneerde persistente organische polluenten, in Oslo (Noorwegen); - ‘Solving odour problems with the support of the neighbourhood’, lezing in het kader van WEF/A&WMA Odors and Air Emissions 2006 in Hartford (Connecticut), Verenigde Staten.
24 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
De toezichthoudende ambtenaren kunnen bij de voorbereiding van de inspecties ook gebruik maken van diverse andere documenten (door raadpleging van informatie bij andere entiteiten en/of door raadpleging van databanken via internet): integraal milieujaarverslag, milieu-effectrapporten, veiligheidsrapporten, decretale milieu-audits, meldingen van afvoer van afvalstoffen, meetresultaten allerhande, … . Elke dienst beschikt bovendien over een beperkte bibliotheek met publicaties over de handhaving van de milieuhygiënewetgeving en boeken die het mogelijk maken om de evolutie in de gebruikte technieken en in de (handhaving van de) milieuhygiënewetgeving te volgen. Daarnaast gebruiken de toezichthoudende ambtenaren steeds meer het elektronisch dossieropvolgingssysteem van MI, waarmee op een eenvoudige manier een overzicht kan bekomen worden van de verschillende documenten die bij MI aanwezig zijn over het betrokken bedrijf. Een administratief gedeelte van dit systeem bestaat uit het registreren van binnenkomende post: vergunningen, klachten, vragen van parketten en analyseresultaten van monsternemingen. In uitbreiding hierop worden recent een aantal gegevens bijgehouden over lozingssituaties bij bedrijven, gegevens aangaande productie of verwerking van afval en vergunningssituatie (rubrieken). Daarnaast worden gegevens bijgehouden over de handhavingsactiviteiten van de afdeling: inspecties, processen verbaal, onderrichtingen en monsternemingen. Een laatste deel omvat algemene informatie rond vergunningsplichtige bedrijven, gemeentes, parketten, laboratoria, ... Op deze manier wordt een beeld gecreëerd van de milieusituatie van een vergunningsplichtig bedrijf. Aan de databank worden verschillende documenten gekoppeld: vergunningsbesluiten en arresten van de Raad van State, inspectieverslagen, processen-verbaal en aanmaningen. In een volgende stap zal ook andere briefwisseling ingescand worden om een stap dichter bij elektronische dossiers te komen. Dit gebeurt reeds sporadisch bij belangrijke dossiers. Analyseresultaten van metingen en bemonsteringen uitgevoerd door
De toezichthoudende ambtenaren beschikken over speciaal uitgeruste dienstwagens
Voor het zelf uitvoeren van metingen op het terrein beschiiken de toezichthoudende ambtenaren ondermeer over pH- en temperatuurmeters
toezichthoudende ambtenaren van de afdeling worden via een aparte Excel-toepassing overgemaakt aan de afdeling en rechtstreeks in het systeem geïmporteerd.
Voor het zelf uitvoeren van metingen op het terrein beschikken de toezichthoudende ambtenaren ondermeer over pH- en temperatuurmeters, geluidsmeters, trillingsmeters, radioactiviteitsmeters, gasdetectiemeters (met inbegrip van het bewaken van de explosieveiligheid) en PAK-markers. MI zorgt voor het onderhoud en desgevallend de ijking van deze toestellen. Om bepaalde situaties vast te leggen (bv. ter illustratie van beschrijvingen in een proces-verbaal) beschikt elke dienstwagen ook over een fototoestel.
In de rapporteringsmodules kunnen de routineactiviteiten en de geplande en reactieve controles van de afdeling opgevolgd worden. Op deze manier kan zowel de milieu-historiek van een bedrijf geschetst worden, als alle handhavingsactiviteiten van de afdeling in een bepaalde sector of periode. Het systeem wordt ook meer en meer gebruikt om de planning van de handhavingsactiviteiten voor te bereiden. Door een goed overzicht te maken van de activiteiten met een welbepaalde milieu-impact bij de bedrijven, kunnen vooral routinecontroles, maar ook sectorgerichte projecten beter voorbereid en gepland worden. De selectie van bedrijven in bepaalde sectoren gebeurt eenvoudig op basis van de rubrieken uit de vergunningsbesluiten. De planning en tijdsbesteding gebeurt in combinatie met de resultaten van een tijdsregistratie, waardoor een redelijke inschatting kan gemaakt worden van de te verwachten personeelsinzet bij bepaalde projecten of acties. Voor de uitvoering van de inspecties beschikken de toezichthoudende ambtenaren van MI over heel wat materieel en over dienstwagens die speciaal werden uitgerust. In elke dienstwagen is een scheidingswand aangebracht zodat propere en mogelijk gecontamineerde (gebruikt bemonsteringsmaterieel en genomen monsters) items gescheiden kunnen vervoerd worden. Bovendien is elke dienstwagen voorzien van een koelbox, waarmee genomen monsters gekoeld en in het donker kunnen vervoerd worden tussen de plaats van monstername en het laboratorium. Om de goede werking van de afdeling te waarborgen beschikt MI over een aantal kredieten die haar in de mogelijkheid stellen de noodzakelijke aankopen te realiseren. Onder de noemer ‘algemene werkingskosten’ besteedde MI in 2006 een bedrag van 204.017,80 euro aan het onderhoud, het brandstofverbruik, de herstellingskosten en het leasen van dienstwagens.
Voor het uitvoeren van monsternames van water, afval en bodem beschikken de toezichthoudende ambtenaren over materieel voor: - het verkrijgen van toegang tot plaatsen waar de monsters moeten genomen worden: pince, kleine haken voor riooldeksels, grotere haken met handvat, koevoet, touw, toortslamp, koperen vatensleutel, … - het nemen van de monsters: schepstokken, scheppotten, grondboren (Edelmanboor, Gutsboor), handschepjes, spades, steekhevels, bemonsteringsscheppen met steel, stangbediende vloeistoflagenmonsternemers, steekmonstersets, … - het verzamelen van de monsters: emmers, homogenisatieschalen, … - het verdelen van de monsters: meer dan 10 verschillende recipiënten, al dan niet met conserveringsmiddelen, om de genomen monsters te vervoeren in omstandigheden die wijzigingen in de samenstelling van het monster zoveel mogelijk voorkomen; - het verpakken en verzegelen van de monsters: plastic zakken, verzegeldraad, plastic zegels, monsternummerkaartjes, verzegeltang, … Voor de persoonlijke bescherming tijdens de inspecties beschikken de toezichthoudende ambtenaren over veiligheidssschoenen, veiligheidsbril, helm, oordopjes, stofmaskers, oogspoelvloeistof, ontsmettende gel voor de handen, plastic wegwerphandschoenen, werkhandschoenen en wegwerpoveralls. Ook diverse meettoestellen kunnen gebruikt worden voor de persoonlijke bescherming van de toezichthoudende ambtenaren. Mocht er dan toch iets misgaan, dan kan elke toezichthoudend ambtenaar zijn of haar GSM gebruiken om dadelijk hulp op te roepen.
Personeel, vorming en middelen • 25
MI sloot ook overeenkomsten af om emissiemetingen op schoorstenen uit te voeren
MI liet een audit van het kwaliteitshandboek uitvoeren door externe auditors
Aanwending van de kredieten Laboratoriumkosten Bij ‘specifieke werkingskosten’ gebruikte MI 55.677,03 euro voor: - abonnementen op publicaties over de handhaving van de milieuhygiënewetgeving en de aankoop van boeken die noodzakelijk zijn om de evoluties in de (handhaving van de) milieuhygiënewetgeving te volgen; - abonnementen en gesprekskosten van de GSM-toestellen; - onderhoud en ijking van inspectiematerieel; - veiligheidsuitrusting van de dienstwagens voor de bescherming van de toezichthoudende ambtenaren; - aankoop van beschermkledij voor de toezichthoudende ambtenaren.
Ter ondersteuning van haar sleutelproces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’ sluit MI overeenkomsten af met erkende laboratoria voor het meten, bemonsteren en analyseren van allerhande stoffen en emissies.
Ten slotte werd voor 2006 een bedrag van 7.492,05 euro besteed voor de aankoop van duurzaam materieel: lampen, koelbox, apparatuur voor het meten van trillingen, …
Naast de hierboven vermelde algemene overeenkomsten werden nog enkele overeenkomsten afgesloten voor een aantal specifieke dossiers.
In 2005 werd voorzien in de vervanging van 11 afgeschreven dienstwagens van het wagenpark van MI en werden er reeds 4 wagens geleverd. In 2006 werden de overige 7 nieuwe dienstwagens geleverd en werden er 3 bijkomende dienstwagens aangekocht. De nieuw aangekochte dienstwagens werden uitgebouwd volgens de normen opgesteld in het kwaliteitshandboek monsternames en metingen. De aankoop en uitrusting van deze dienstwagens kostte 171.981,40 euro. Bij de afhandeling van een inspectie beschikt de toezichthoudend ambtenaar over een kwaliteitshandboek voor het opstellen van inspectieverslagen, administratieve en strafrechtelijke documenten (zoals ook al beschreven in het hoofdstuk ‘Organisatie’). Dit kwaliteitshandboek wordt ondersteund door standaarddocumenten, die deels automatisch worden ingevuld en deels verder moeten worden aangevuld in functie van de specifieke situatie. Alle toezichthoudende ambtenaren beschikken daarvoor over een PC (meestal draagbare PC’s) en een printer.
26 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Voor de meting, monstername en analyse van afvalwater, koelwater en oppervlaktewater enerzijds en afvalstoffen, bodem, grondwater en meststoffen anderzijds werden per provincie overeenkomsten afgesloten met erkende laboratoria. Om emissiemetingen uit te voeren op de schoorsteen van verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties sloot MI met twee laboratoria een contract af.
Specifieke handhavingsstudies In bepaalde omstandigheden is het noodzakelijk bijkomende studies te laten verrichten door gespecialiseerde laboratoria of deskundigen. Zo kunnen bijvoorbeeld niet-courante analyses worden uitgevoerd of kan de milieu-impact van een specifiek bedrijf worden onderzocht. De studies worden uitgevoerd ter advisering en ter voorlichting van MI. Naast de studies die specifiek gericht zijn op één of meerdere bedrijven, werden ook een aantal algemene handhavingstudies uitgevoerd. Laboratorium- en studiekosten worden vastgelegd op één begrotingsartikel namelijk 16111262. Het totale beschikbare vastleggingskrediet voor 2006 bedroeg 2.189.000 euro en werd voor 99,95% vastgelegd. Het ordonnanceringskrediet bedroeg 2.189.000 euro en werd voor 87,35 % uitbetaald.
Overzicht van de laboratoriumkosten (bedrag in euro) Afvalwater, koelwater en oppervlaktewater Perceel Antwerpen
141.989,31
Perceel Limburg
105.457,65
Perceel Oost-Vlaanderen
157.951,04
Perceel Vlaams-Brabant
98.765,04
Perceel West-Vlaanderen
148.980,36
Totaal
660.143,40
Bodem, afvalstoffen, meststoffen en grondwater 111.040,90
Perceel Antwerpen
89.293,57
Perceel Limburg
117.742,30
Perceel Oost-Vlaanderen Perceel Vlaams-Brabant
75.769,85
Perceel West-Vlaanderen
106.153,38
Totaal
500.000,00
Luchtemissiemetingen Ad hoc emissiemetingen lucht perceel I
238.915,45
Ad hoc emissiemetingen lucht perceel II
89.122,85
Emissiemetingen te Gent vóór en na sanering
15.730,00
Totaal
343.768,30
Specifieke dossiers 6.959,98
Bemonstering en analyse gehalogeneerde koolwaterstoffen Analyse en inventarisatie van broomhoudende vlamvertragers
47.579,62
Beproeven koelinstallaties
39.983,19 5.639,00
Dioxinen en furanen in afvalwater
78.023,22
Bemonsteren en analyse GGO’s
653,00
Chemische analyse van vier monsters
31.157,50
PFT in bedrijfsafvalwater en slib Totaal
209.995,51
Algemeen Totaal
1.713.907,21
Overzicht van de specifieke handhavingsstudies (bedrag in euro) Geuronderzoeken Geuronderzoek te Zoutleeuw
47.701,83
Geuronderzoek te Bree
47.296,48
Totaal
94.998,31
Veiligheidsonderzoeken 14.665,20
Veiligheidsonderzoek te Herent Camera-onderzoeken
1.143,74
Camera-onderzoek te Staden
726,00
Camera-onderzoek te Dendermonde
786,50
Camera-onderzoek te Sint-Truiden Totaal
2.656,24
Geluids- en trillingsonderzoeken Geluidsonderzoek te Oostende
5.445,00
Geluids- en trillingsonderzoek te Roeselaere
8.136,04
Geluidsonderzoek te Hulsthout
5.396,60
Totaal
18.977,64
Algemene handhavingsstudies Audit van het MI-kwaliteitshandboek
14.774,10
Milieurelevantie en vermogensvoordeel bij overschrijding van emissiegrenswaarden
71.486,80 39.107,20
Beoordeling attesten koelinstallaties
PCB-depositiemetingen
1.137,40
Beoordeling tankopslag
169.400,00
Risico-inschatting bedrijven dierlijke bijprodukten
33.154,00
Huur ultrasone debietmeter
13.636,70
Totaal
342.696,20
Algemeen Totaal
473.993,59
Personeel, vorming en middelen • 27
Stafdienst en Hoofdbestuur • V.l.n.r.: Greta De Maesschalck, Louis Daens, Chris Van Baelen, Bart Palmans, Tanja Verschaeren, Hans Delcourt, Koen Mandonx, Martine Blondeel, Daisy Van Calster, Robert Baert, Geert Keppens, Peter Schryvers, Hedwig Stylemans, Paul Cuypers, Ontbreekt: Guy Corbeel.
Toezicht zwarerisicobedrijven • V.l.n.r.: Marc Van Kerckvoorde, Christel Gernay, Inge Dils, Jo De Baerdemaeker, André Goossens, Leentje Timmerman, Wilfried Van den Acker, Ingrid Roels, Nele Loos, Gwenny Vanhaecke, Inge Delvaux, Christof De Pauw, Wilfried Biesemans, Philip Tanghe.
28 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Buitendienst Antwerpen • V.l.n.r.: Monique Dirickx, Anja Van der Auwera, Ann Van Deun, Michael Allison, Hilde Slosse, Ludo Segers, Els De Jonghe, Jos Moeskops, Domien De Reyer, Chris Tackaert, Ann Devisschere, Wim Vermetten, Lief Mannaerts, Jan Valckx, Diane Haelwaeters, An Van Steenbergen, Veerle Wiercx, Anne Colman, Linda Van Geystelen, An Swinnen, Hendrik Meulemans. Ontbreekt: Ilse Colman.
Buitendienst Limburg • V.l.n.r.: Jan De Paep, Peter Brien, Rachelle Bervoets, Peter Schoups, Johan Ballings, Rudi Rademaekers, Jos Tits, Ann Janssens, Peggy Cloostermans, Kaat Vanmeeren, Tom Maes, Irène Poelmans, Filip Moers, Freddy Noels. Ontbreken: Guido Gerits, Tom Nuyts, Sybille Vanderhenst, Josée Vanthienen.
Personeel, vorming en middelen • 29
Buitendienst Oost-Vlaanderen • V.l.n.r.: Steven Overmeire, Luc Verhaeven, Eric Ryckaert, Pieter Van Cauwenberge, Greet De Wandeler, Els Van Bever, Peter Permanne, Marian Lagrou, Peter Wesemael, Jef Algoet, Lieve Joos, Dony Vandormael, Carine Baert, Myriam Macharis, Frank Verslype, Carmen Bauwens, Wilfried Van Vaerenbergh, Paul Van Gijseghem, Frans Van der Cruyssen. Ontbreekt: Gert Govaerts
Buitendienst Vlaams-Brabant • V.l.n.r.: Jef Feyaerts, Dirk Crivits, Mathy De Preter, Carine Holsbeekx, Patrick Bergen, Mia Moens, Christophe Bervoets, Liesbet Rommens, Marc Vanthienen, Philippe Verbecq, Gert Van de Cauter. Ontbreken: Robert Dupont, Wilfried Nijs, Tina Poels, Christiane Reinquin, Theo Strobbe,
30 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Buitendienst West-Vlaanderen • V.l.n.r.: Robrecht Pillen, Danny Deygers, Peter De Neve, Georges Van de Walle, Joke Lahousse, Johan Corveleyn, Marc Sevenant, Geert Van Landschoot, Philip Tanghe, Marc De Vos, Roland Loontiens, Karel Vandamme, Godelieve Martens, Guido Gheysen, Wim Delaere, Jeannine Tassyns. Ontbreken: Karel Debeuf, Liliane Glibert, Godelieve Lust, Henri Trypsteen.
Personeel, vorming en middelen • 31
Het milieu-inspectieprogramma (MIP) 2006 was het tiende jaarprogramma dat MI opstelde. Het planmatig uitvoeren van controles is voor MI een basiskeuze, die invloed heeft op de hele werking en organisatiestructuur van de afdeling. In het MIP wordt het kader geschetst waarbinnen MI opereert en worden de opties en randvoorwaarden van het programma toegelicht. Het hoofdbestanddeel is een bundeling van de controles voor een volledig werkjaar. Het programma omvat alle activiteiten van de afdeling die passen in het proces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’, verder inspectieactiviteiten genoemd. Op die manier probeert MI haar aanpak af te stemmen op de Europese vereisten inzake de inspectie van risicovolle en sterk milieubelastende bedrijven en wordt invulling gegeven aan de strategische doelstellingen van de afdeling.
Milieuinspectieprogramma 2006 Opstellen van een MIP Waarom een milieu-inspectieprogramma? MI is er al geruime tijd van overtuigd dat handhaving het best op een planmatige wijze kan worden aangepakt. In haar milieuinspectieprogramma probeert MI al haar inspectieactiviteiten in kaart te brengen en te begroten qua budget en personeelsinzet. Daarvoor heeft ze verschillende redenen. De uitdaging waar de Vlaamse handhavers voor staan, is ervoor te zorgen dat het toezicht op de naleving van de milieuwetgeving evolueert van toevalstreffers naar een planmatige handhaving. Uitwerking kan via jaarprogramma’s voor de handhaving, waarin de prioriteiten voor een bepaald werkjaar worden vastgelegd en de handhavingsacties worden gepland. Essentieel is dat alle handhavingsacties worden uitgevoerd op basis van een diepgaand inzicht. Er is ook de algemene Europese trend naar een meer systematische, planmatige en gecoördineerde handhaving. Die trend werd in 2001 bevestigd in de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten (2001/331/EG). In de aanbeveling gaat veel aandacht naar het opstellen van milieu-inspectieprogramma’s door de lidstaten, waaruit moet blijken dat alle milieu-inspectieactiviteiten van tevoren worden gepland. Bovendien zouden dergelijke programma’s openbaar moeten worden gemaakt. De programma’s mogen op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau worden opgesteld, maar de lidstaten moeten ervoor zorgen dat de programma’s toepasselijk zijn op alle milieu-inspecties van de gecontroleerde installaties op hun grondgebied. De milieu-inspectieprogramma’s moeten passen bij de inspectietaken van de instanties in kwestie. Er moet rekening worden gehouden met de aard van de gecontroleerde installaties, de
risico’s en de milieueffecten van emissies en lozingen, en de relevante beschikbare informatie over specifieke locaties of types van gecontroleerde installaties. De meeste van de in de aanbeveling opgesomde richtlijnen inzake milieu-inspectieprogramma’s worden in het MIP toegepast.
Doelstellingen van het MIP De doelstellingen van het MIP bevinden zich op verschillende niveaus. Op het niveau van de organisatie heeft het programma een doelmatige, deskundige, uniforme, integrale en sturende aanpak van de controles tot doel. Een tweede belangrijke doelstelling richt zich op het vlak van de effectiviteit van de controles. Het programma voorziet in diepgaande en zo mogelijk geïntegreerde controles bij klasse 1-inrichtingen die (potentieel) sterk milieubelastend zijn of die ernstige risico’s voor de omgeving inhouden. Bij de selectie van de bedrijven of bedrijfssectoren wordt rekening gehouden met hun milieureputatie en -verleden. De beheersing van het werkvolume en de werkdruk is een derde belangrijke doelstelling voor het opmaken van een jaarprogramma. MI wordt immers geconfronteerd met een groot aantal en een grote diversiteit aan te controleren inrichtingen. Een goed jaarprogramma moet prioriteiten leggen en daardoor helpen om het werkvolume en de werkdruk te beheersen.
Totstandkoming van een MIP Aan de opmaak van een MIP voor een werkjaar wordt het hele jaar dat eraan voorafgaat, gewerkt. Bij het opstellen van de begrotingsvoorstellen in het voorjaar wordt een eerste aanzet
Milieu-inspectieprogramma 2006 • 33
De bedrijven of sectoren die geselecteerd worden bij de uitvoering van specifieke handhavingscampagnes, zijn potentieel sterk milieubelastend of risicovol
gegeven. Het echte werk begint in de zomerperiode. Dan stellen de werkgroepen projecten, acties en handhavingsstudies (specifieke handhavingscampagnes) voor en geven ze aan de hand van een aantal criteria hun voorkeuren aan. In dezelfde periode werden ook aan een aantal externe handhavingsinstanties (ANRE*, APSG*, OVAM, VLM, FAVV, VMM, de afdeling Water*, VVSG als vertegenwoordiger van de gemeentelijke handhavers (*toenmalige naam)) gevraagd om prioriteiten en suggesties te formuleren. Na de zomer bundelen de werkgroepen en het Hoofdbestuur alle interne en externe voorstellen tot een ontwerpdocument. Dat ontwerpdocument wordt besproken op een MI-planningsseminarie waaraan naast de staf en het Hoofdbestuur ook twee toezichthoudende ambtenaren van elke dienst deelnemen. Die ruime delegatie op het seminarie vergroot de betrokkenheid van de diverse diensten en personeelsleden van MI bij de opmaak en de uitvoering van het MIP. Na het planningsseminarie werkt het Hoofdbestuur de voorstellen verder uit en begroot zowel de nodige personeelsinzet als het nodige budget. Het MIP wordt daarna definitief aanvaard door de staf en ter goedkeuring voorgelegd aan de secretaris-generaal en de minister. Het MIP 2006 houdt voor het eerst rekening met de nieuwe structuur van de Vlaamse overheid, die het gevolg is van de operatie ‘Beter Bestuurlijk Beleid’ (BBB) die op 1 april 2006 voor het beleidsdomein LNE officieel van start ging. Zelfs al was de situatie in 2005 nog onduidelijk, toch werd tijdens de opmaak van het MIP al rekening gehouden met de invulling van nieuwe toezichtstaken en nieuwe personeelsleden die werden overgedragen vanuit OVAM. Het MIP 2006 was, net zoals voorgaande programma’s, een zeer ambitieus en maximalistisch ingevuld jaarprogramma dat werd beschouwd als een uitdaging voor de hele afdeling. Voor
34 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
de uitvoering werden daarom alle diensten en personeelsleden van MI maximaal geresponsabiliseerd.
Inhoud van het MIP 2006 Zoals u al kon lezen in het eerste hoofdstuk is de bestaansreden van MI ‘het toetsen en bevorderen van de kwaliteit van het milieuhygiënebeleid en de uitvoering ervan, om de milieukwaliteit te behouden en daar waar nodig te verbeteren en zo nodig hinder, schade en zware ongevallen te voorkomen’. Die bestaansreden wordt vertaald in een aantal opdrachten. De belangrijkste daarvan zijn ‘inspecteren’ en ‘maatregelen nemen’, samen het kernproces van de handhaving. Daarom vormen beide de essentie van het MIP.
Inspectieactiviteiten In het MIP 2006 werd geprobeerd om de inspectieactiviteiten van MI te begroten qua middelen en tijd. Die activiteiten zijn echter zeer talrijk, complex en verscheiden. Ze werden gegroepeerd volgens hun aard en oorsprong. De verschillende inspectieactiviteiten worden hieronder gedefinieerd en komen daarna uitgebreider aan bod in de vier volgende hoofdstukken van dit rapport. Specifieke handhavingscampagnes Specifieke handhavingscampagnes zijn inspectieactiviteiten die op een geplande en gecoördineerde manier worden uitgevoerd. De groep werd nog verder onderverdeeld in projecten, acties en handhavingsstudies. Projecten zijn eenmalige en vernieuwende initiatieven met een goed afgelijnde inhoud en een duidelijk begin en einde. Bij de projecten spelen de werkgroepen een hoofdrol. Via de aanwezige expertise in de werkgroep en eventueel door externe
Routinebemonstering van grond
Debietsmeting tijdens een routinemonstername van afvalwater
deskundigen aan te trekken, worden de controles op een hoger niveau gebracht. De bedrijven of sectoren die worden geselecteerd, zijn potentieel sterk milieubelastend of risicovol.
milieucompartimenten op elkaar af te stemmen en te laten resulteren in geïntegreerde controles.
Bij een aantal projecten wordt geopteerd voor een aanpak met ankerpunten op de buitendiensten. De ankerpunten bouwen in team de nodige expertise op, voeren de inspecties zelf uit (al dan niet samen met de dossierhouder) en geven de nodige bijstand en terugkoppeling aan de dossierhouders. Acties zijn gecoördineerde opdrachten in een bepaalde sector. Een actie wordt gedefinieerd door de werkgroepen en is vooral uitvoerend. Er wordt duidelijk vastgelegd wie een actie coördineert en wie de nodige ondersteuning moet bieden. Ook bij een aantal acties wordt geopteerd voor een aanpak met ankerpunten op de buitendiensten. Handhavingsstudies worden gebruikt als het wenselijk is het handhavingswerk van MI te laten ondersteunen door wetenschappelijk onderzoek. MI onderscheidt de volgende soorten onderzoeken: opdrachten in het kader van projecten of acties (waaronder dossiergebonden opdrachten ter advisering en ter voorlichting van de toezichthoudend ambtenaar) en de meer algemene sectorgebonden onderzoeken. Het MIP 2006 houdt ook rekening met de verdere afhandeling van projecten uit de vorige jaren. Een aantal van die projecten had immers een looptijd van langer dan een jaar of werd om de ene of andere reden niet binnen de geplande termijn afgerond. Bij de specifieke handhavingscampagnes streeft MI naar de aanpak van sectoren met een hoge milieurelevantie, een evenwichtige spreiding van de dossiers over de buitendiensten en een uniforme strategie voor het Vlaamse Gewest. Bij de keuze van de sectoren bieden de Europese richtlijnen (bv. GPBVrichtlijn, Seveso II-richtlijn) een leidraad. MI probeert bovendien de activiteiten in de verschillende
Routinecontroles Routinecontroles vormen de basis voor de aanwezigheidspolitiek op het terrein en zorgen ervoor dat de kans op controle niet verbonden is aan bijvoorbeeld een campagne of een klacht. De activiteiten worden gecoördineerd door de buitendiensten. Een aantal routineopdrachten hebben betrekking op één milieucompartiment. De routinemonsternames (afvalstoffen, bodem, grondwater, mest en afvalwater) en routinemetingen (lucht, geluid en trillingen) zijn typische voorbeelden. Andere routineopdrachten hebben betrekking op de exploitatie van hinderlijke inrichtingen in het algemeen. De controle naar aanleiding van een weigeringsbesluit en de controle van bijzondere vergunningsvoorwaarden zijn slechts twee voorbeelden. Het is de toezichthoudend ambtenaar die in samenspraak met het diensthoofd en overeenkomstig de gestelde prioriteiten of andere gemaakte afspraken beslist of een bepaalde controle wordt uitgevoerd. De routineactiviteiten omvatten ook het onderdeel ‘controle op de zelfcontrole’. De milieuregelgeving bevat belangrijke bepalingen inzake zelfcontrole. De aangeleverde gegevens en de wijze en frequentie waarop de zelfcontrole wordt uitgevoerd door de bedrijven, worden door MI geverifieerd. Reactieve controles Reactieve controles worden uitgevoerd naar aanleiding van een beroep dat wordt gedaan op MI. Aangezien dat optreden gekoppeld is aan een externe oproep, is het bijzonder moeilijk om reactieve controles effectief te plannen. Het MIP doet aan de hand van de gegevens van de voorgaande jaren een poging om de tijd in te schatten die nodig is voor het optreden bij de ontvangst van een klacht, een melding van een
Milieu-inspectieprogramma 2006 • 35
voorval, een vraag om een evaluatieverslag bij een proefvergunning, een kantschrift van het parket, een parlementaire vraag, een vraag om adviesverlening (een dossier voor investeringsaftrek, de registratie als EMAS-locatie, … ) en voor het hoog toezicht. De reactie die wordt gegeven op het appel en de termijn waarbinnen wordt gereageerd, worden in belangrijke mate bepaald door de prioriteitenlijst. Voortgangscontrole en eigen initiatief Tijdens een inspectie worden allerhande vaststellingen gedaan, die steeds moeten worden getoetst aan de vigerende regels. De beoordeling van alle informatie en de verdere afhandeling van vastgestelde overtredingen vragen veelal veel meer werk en tijd dan de eigenlijke inspectie ter plaatse. Uit de cijfers van de vorige milieuhandhavingsrapporten kan worden afgeleid dat een inspectie in ongeveer 6% van de gevallen aanleiding geeft tot het opstellen van een proces-verbaal. Tegelijkertijd wordt ook de administratiefrechtelijke afhandeling van een dossier gestart, om zo te komen tot een sanering van de vastgestelde tekortkomingen. Het handhavingsinstrumentarium en de codes van goede praktijk vormen daarbij de leidraad. Aangezien de voortgangscontrole erg dossiergebonden is, is het moeilijk om bij elk van de inspectieactiviteiten een goede inschatting te maken van de nodige tijd. Daarom werd er bij de opmaak van het MIP voor geopteerd om bij de inschatting van de benodigde tijd voor een inspectieactiviteit alleen de volgende deelprocessen te beschouwen: dossiervoorbereiding, verplaatsing en vaststellingen ter plaatse, inspectieverslag en beoordeling vaststellingen, verslaggeving aan het Openbaar Ministerie, geven van een eerste aanmaning en rapportering (intern en extern). De tijd die nodig is voor alle verdere voortgangscontrole werd globaal begroot. Er is eveneens in een deel ‘eigen initiatief’ voorzien, omdat het erg belangrijk is dat het MIP ook tijd reserveert voor de zogenaamde ambtshalve controles op eigen initiatief van de toezichthoudend ambtenaar. De voorbehouden tijd voor voortgangscontrole en eigen initiatief is als een apart item na de inspectieactiviteiten vermeld.
Tijdsbesteding Aangezien al de inspectieactiviteiten werden opgenomen, werd bij de opmaak van het MIP de tijd die nodig is voor de activiteiten zo zorgvuldig mogelijk ingeschat.
MI ging daarbij uit van de tijdsregistratie die de hele afdeling in het najaar van 1998 heeft uitgevoerd. Een belangrijke conclusie van die tijdsregistratie was dat een toezichthoudend ambtenaar van een buitendienst gemiddeld zo’n 88% van zijn of haar tijd besteedt aan de directe processen en dat het proces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’ veruit het belangrijkste aandeel heeft met 77,5%.
36 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Dat laatste proces maakt het onderwerp uit van dit MIP, maar ook een aantal activiteiten van de andere directe processen zijn opgenomen in het MIP. Daarom wordt het aantal VTE dat beschikbaar is voor het MIP vastgelegd op 88% van het aantal VTE aan toezichthoudende ambtenaren, verminderd met een aantal dagen die worden besteed aan werkgroepvergaderingen, de voorbereiding en debriefing daarvan, de redactie van het milieuhandhavingsrapport en de voorbereiding van het MIP van het volgende werkjaar.
Plannen en prioriteiten De grote verscheidenheid en vooral het zeer grote aantal van de te controleren inrichtingen maken het werkvolume van MI zeer groot. Het opstellen van een MIP is een manier om het werkvolume en de werkdruk beter te beheersen. De ervaring leert echter dat, hoe nauwgezet een plan ook wordt opgemaakt, het werkvolume en de werkdruk te groot blijven. Er moeten dus prioriteiten worden gesteld en die prioriteiten maken deel uit van het MIP. Bij het opstellen van een prioriteitenlijst worden de activiteiten gerangschikt volgens hun belangrijkheid en dringendheid door ze te toetsen aan verschillende criteria. Al in 1998 heeft MI die toetsing uitgevoerd. Eind 2002 en begin 2006 werd de prioriteitenlijst geactualiseerd. De toetsing heeft geleid tot een prioriteitenlijst waarin de taken en opdrachten worden ingedeeld in de volgende groepen: - hoogste prioriteit: taken en opdrachten die dadelijk moeten worden uitgevoerd; totdat die taak of opdracht is uitgevoerd, worden andere taken en opdrachten uitgesteld; - zeer hoge prioriteit: taken en opdrachten die zeker moeten worden uitgevoerd binnen de vastgestelde termijnen; - hoge prioriteit: taken en opdrachten die moeten worden uitgevoerd; eventueel kunnen ze worden uitgesteld; - niet prioritair: taken en opdrachten die door tijdsgebrek niet altijd kunnen worden uitgevoerd. De uitvoering van specifieke handhavingscampagnes behoort tot de groep met zeer hoge prioriteit. Een gevolg kan zijn dat minder prioritaire taken of opdrachten (bv. sommige reactieve controles of routinecontroles) niet geheel volgens de planning kunnen worden uitgevoerd. Plannen opmaken en prioriteiten stellen heeft ook te maken met de mogelijkheid om in te spelen op de actualiteit. Als er zich crisissen voordoen, er andere incidentele inspecties nodig zijn, of als vernieuwde (politieke) inzichten dringende actie noodzakelijk maken, betekent dat automatisch dat de prioriteiten afgewogen moeten worden en dat andere activiteiten uit het MIP niet kunnen worden uitgevoerd.
Overzicht van het MIP 2006 De tabel op de volgende bladzijde geeft een overzicht van de diverse items die werden opgenomen in het MIP 2006. Meer informatie over de uitvoering vindt u in de volgende vier hoofdstukken.
OVERZICHT VAN HET MIP 2006 Aard
Thema GPBV Veiligheid
Projecten
Geluid Bodem en Grondwater
Acties
- Wetgeving geluid - Methodiek voor het vaststellen van bodemverontreiniging - Controle van grondwaterwinningen
Lucht
- Sectoraal geuronderzoek mestverwerking/compostering - Fijn stof (PM10): diffuse emissies en ‘hot spots’ - Damprecuperatie fase 1
Veiligheid
Handhavingscampagnes vorige jaren
- Ontwikkeling, verfijning en actualisering inspectie-instrumenten - Inspectiefrequentie: test en evaluatie van de E-index
- Controle op het gebruik van ozonafbrekende stoffen - Inspecties afvalverwerkende bedrijven
Water
Handhavingsstudies
Specifieke handhavingscampagnes Routine
- Geïntegreerde controle van GPBV-bedrijven uit de chemie- en galvanosector
Afval
GGO
Geluid
- Controle van het ingeperkt gebruik van GGO’s of pathogene organismen - Controle van RWZI’s - Industriële lozingen met impact op de waterkwaliteit - Voedingsbedrijven onder richtlijn 91/271 - Lozing van gevaarlijke stoffen - Gebruik en lozing van broomhoudende vlamvertragers - Lozingen van overtollig drainwater bij serrebedrijven - Uitvoeren van de acties m.b.t. water van het Actieplan Cadmium - Seveso II-handhavingsysteem - Veiligheidsonderzoeken - Controle benzinestations - Geluids- en trillingsonderzoeken - Kwaliteitscontrole van akoestische onderzoeken
Afval
- Controles in het kader van de overeenkomst dierlijke bijproducten - Controles op de afwerking van stortplaatsen - Controle op stortverboden
Lucht
- VOS documenten grafische sector - Controle van de zelfcontrole - Geuronderzoek Budingen-Zoutleeuw - Geuronderzoek Bree - Biomassa- en houtafvalverbranding - Uitvoeren van de acties m.b.t. lucht van het Actieplan Cadmium - Acties ter beperking van emissie en verspreiding van zware metalen naar de lucht
Veiligheid GGO MI Veiligheid Lucht
MI
- Beoordelingskader tankopslag (milieu)gevaarlijke stoffen - Methode-ontwikkeling: monstername en analyse van GGO’s en pathogene organismen - Milieurelevantie en vermogensvoordeel bij overschrijding van emissiegrenswaarden - Kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen - Beoordelingsinstrument beheersing milieurisico’s - Diffuse VOS emissies grafische sector - Ontwikkeling methodologieën geuronderzoeken - Systematiek controle van de zelfcontrole lucht - Geuronderzoek Beersel - Emissiebeperking dioxineachtige PCB’s - Uitdragen van de handhaving naar de lokale overheden
Water
- Camera-inspecties in riolen en leidingen - Routinemonsters afvalwater
Geluid
- Ad hoc geluids- en trillingsmetingen
Afval
- Routinemonsters afvalstoffen, bodem, grondwater en mest
Lucht
- Routine-emissiemetingen lucht - Immissiemetingen lucht
Exploitatie
Reactieve controles
Titel
- Weigeringsbesluiten - Bijzondere voorwaarden - Controle van de zelfcontrole - Klachten - Voorvallen - Evaluatieverslag proefvergunning - Evaluatie werkplan - Rapportering kantschriften - Adviesverlening (PWZI, investeringsaftrek, EMAS, …) - Parlementaire vragen - Hoog toezicht
VOORTGANGSCONTROLE en eigen initiatief
Milieu-inspectieprogramma 2006 • 37
De specifieke handhavingscampagnes zijn de inspectieactiviteiten die op een geplande en gecoördineerde manier worden uitgevoerd. Die campagnes worden in het MIP onderverdeeld in projecten, acties, handhavingsstudies en verdere afhandeling van de specifieke handhavingscampagnes van de voorbije jaren. Dit hoofdstuk rapporteert over de activiteiten per thema.
Specifieke handhavingscampagnes Geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (GPBV) GPBV-richtlijn GPBV staat voor ‘geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging’, in het Engels IPPC of ‘integrated pollution prevention and control’. Een GPBV-inspectie is uitgebreider, diepgaander en meer divers dan de totnogtoe gehanteerde traditionele mono- of multidisciplinaire aanpak. Bij GPBV wordt naast de klassieke aanpak (bestrijding van verontreiniging) ook de klemtoon gelegd op enerzijds de geïntegreerde aanpak en anderzijds op de preventieve aanpak. Bovendien komen nieuwe thema’s aan bod (grondstoffen, energie, evaluatie toepassing BBT, impact van de emissies op het halen van de milieukwaliteitsnormen,…). Om dergelijke complexe en omvangrijke controles uit te voeren is het niet alleen belangrijk om over voldoende tijd te beschikken, maar is het van cruciaal belang te beschikken over sterk gespecialiseerde toezichthoudende ambtenaren met de nodige kennis, expertise en handhavingsvaardigheden. Een GPBVinspectie is niet het werk van één persoon, maar het werk van een team van specialisten, elk in zijn/haar milieucompartiment. Om daaraan uitvoering te geven werd begin 2004 binnen MI een GPBV-kernteam opgericht. Dat kernteam bestaat uit vertegenwoordigers van het Hoofdbestuur, een vertegenwoordiger van de dienst Toezicht zwarerisicobedrijven en een vertegenwoordiger per buitendienst. Het team werd tot november 2006 geleid door het diensthoofd van het Hoofdbestuur.
Om de nieuwe aandachtspunten te accentueren wordt verwezen naar de overwegingen en artikelen die opgenomen zijn in de richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (verschenen in het Europees Publicatieblad nr. L257 van 10 oktober 1996). Die richtlijn bevat voor MI belangrijke artikelen en doelstellingen. Samengevat zijn de doelstellingen van de richtlijn de volgende: - voorafgaande vergunningsprocedure; - hoog beschermingsniveau bereiken voor mens en milieu in zijn geheel; - de verontreiniging bij voorrang bestrijden aan de bron; - voorzichtig beheer van natuurlijke hulpbronnen (bv. grondstoffen); - duurzame ontwikkeling bevorderen; - BBT toepassen; - energie op doelmatige wijze gebruiken; - geïntegreerde aanpak i.p.v. afzonderlijke initiatieven per milieucompartiment; - voorkomen en, indien mogelijk, tot een minimum beperken van emissies naar de lucht, het water en de bodem; - naleven van milieukwaliteitsnormen; - minimale grensoverschrijdende verontreiniging; - ontstaan van afvalstoffen voorkomen, zoniet ze nuttig toepassen of, wanneer het technisch en economisch onmogelijk is, verwijderen; - nodige maatregelen treffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken; - voorzien van maatregelen voor andere dan normale bedrijfsomstandigheden zoals opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, en definitieve bedrijfseindiging; - vergunningsvoorwaarden moeten geregeld worden getoetst en bijgesteld. Specifieke handhavingscampagnes • 39
MI ging in 2006 verder met GPBV-controles van chemiebedrijven
Doelstellingen van het GPBV-project Zowel chemiebedrijven als galvanobedrijven zijn potentieel (zwaar) milieu¬belastend en gevat door de GPBV-richtlijn, bijvoorbeeld vanwege hun grote aandeel in de lozing van gevaarlijke stoffen, belangrijke emissies naar de lucht, de productie van afvalstoffen en de opslag van gevaarlijke stoffen. In 2006 werd dan ook geopteerd om, in navolging van de vorige projecten in 2004 en 2005, de chemiesector verder te controleren met de in 2005 geoptimaliseerde handleiding. In de drie provincies waar voldoende GPBV-chemiebedrijven gevestigd zijn, werden dan ook 2 geïntegreerde controles per provincie gepland. De twee andere provincies startten met een nieuwe sector, namelijk de galvanosector waarvoor ze een handleiding op basis van de Vlaamse milieuwetgeving en de relevante Europese BBT-studies of BREFs (Best Available Techniques Reference Documents) opstelden. Na het opstellen van de nieuwe handleiding werd in beide provincies een geïntegreerde inspectie gepland. Bij de selectie van de bedrijven is het de bedoeling om een zo groot mogelijke homogeniteit, zowel naar aard van productie als naar omvang van het bedrijf, na te streven. Het doel is het uitvoeren van geïntegreerde en diepgaande controles, met een zo groot mogelijke uniformiteit bij het uitvoeren van controles en bij de verdere afhandeling. Bij de geïntegreerde controle komen de volgende aspecten aan bod: vergunningstoestand, milieuzorgsysteem, wettelijke bepalingen, BBT en milieukwaliteitsnormen. De diverse milieuthema’s komen aan bod. Aandachtspunten zijn: - preventie (algemeen en geïntegreerd): doorlichting van de processen en inventarisatie van de productstromen; preventieve maatregelen onder normale bedrijfsomstandigheden en onder andere omstandigheden zoals opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve stopzetting; preventie van ongevallen; - afvalwater: controle van de lozing d.m.v. schepmonsters en debietsproportionele mengmonsters (na inventarisatie van de ‘lozingsvergunning’ en rekening houdend met de mogelijke verontreiniging bij het ontstaan van het afvalwater),
40 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
controle van de uitvoering van de zelfcontrole; - afval: nagaan welke afvalstoffen ontstaan, in welke hoeveelheden, wat er intern mee gebeurt, hoe en naar waar ze afgevoerd worden; daarbij worden eventueel monsternames van de afvalstoffen uitgevoerd; - lucht: controle van de zelfcontrole, zowel voor de stookinstallaties als voor de procesemissies, eventueel aangevuld met eigen metingen; aandacht voor de keuring van apparatuur, meetmethoden en procedures; - veiligheid: controle van de opslag van gevaarlijke stoffen en van de relevante keuringsattesten, voor niet-Sevesobedrijven aangevuld met een controle van de veiligheid van het proces (a.d.h.v. de controle van de veiligheidsstudies), beheersing van ongevallen. Al deze aspecten worden systematisch overlopen in de GPBVhandleiding.
Opmaak van een nieuwe handleiding voor de galvanosector In het voorjaar en de zomerperiode van 2006 werd, door de kernteamleden van de twee betrokken buitendiensten, de bestaande handleiding voor de chemiesector en de toelichting hierbij, grondig herzien en aangepast aan de noden voor een GPBV-controle van een galvanobedrijf. Tijdens deze herziening werd de inspectieaanpak behouden maar werd de handleiding aangepast aan de specifieke productieprocessen en potentiële emissies die beschreven staan in de volgende beschikbare BREFs: - Ferrous Metals Processing Industry - Surface Treatment of Metals and Plastics. Na een eerste evaluatieronde door de werkgroepgangmakers van het Hoofdbestuur kon deze handleiding in de tweede helft van 2006 in de praktijk getest worden. Door onvoorziene omstandigheden kon slechts één controle bij een galvanobedrijf plaatsvinden. De geïntegreerde controles bij galvanobedrijven en het testen van de handleiding zal dan ook verdergezet worden in 2007.
De meest markante vaststellingen worden in een beoordelingsverslag aan de exploitant meegedeeld
Inspectieaanpak MI startte met de selectie van de te controleren bedrijven. Om de administratieve last voor de betrokken bedrijven te beperken, werd daarbij overlegd met de afdeling Milieuvergunningen, zodat er rekening kon gehouden worden met hun GPBV-bevraging.
Tijdens de volgende inspectiedagen kwamen de verschillende milieuthema’s aan bod en was het essentieel dat de juiste personen en documenten op het bedrijf aanwezig waren. Hier waren ook telkens MI-specialisten van de desbetreffende milieudiscipline aanwezig.
Voorafgaand aan de eigenlijke GPBV-inspectie werd gestart met die controles die best onaangekondigd gebeuren, voornamelijk monsternames en metingen. Deze controles werden voldoende op voorhand uitgevoerd zodat het bedrijf tijdens de GPBV-inspectie met de resultaten ervan geconfronteerd kon worden.
De meest markante vaststellingen en conclusies werden na afloop van de inspectie en na beoordeling van de vaststellingen in een beoordelingsverslag aan de exploitant meegedeeld. Als er (dreigende) tekortkomingen werden vastgesteld, nam MI de nodige strafrechtelijke en administratiefrechtelijke maatregelen (raadgevingen, aanmaningen, processen-verbaal en voorstellen krachtens artikel 45 van Vlarem I tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden, deze laatste gericht aan de afdeling Milieuvergunningen als adviesverlenende instantie). Een voorstel tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden gebeurt bij specifieke lokale situaties indien blijkt dat er strengere voorwaarden noodzakelijk zijn dan de reeds opgelegde algemene, sectorale en bijzondere voorwaarden.
Een GPBV-inspectie startte steeds met een grondige voorbereiding. Alle beschikbare informatie (vergunningsaanvragen, vergunningsbesluiten, milieuverslagen, resultaten van de zelfcontrole, MER’s, VR’s, decretale audits, enz… ) wordt hiervoor geconsulteerd. Wegens het uitgebreide en sterk bevragende karakter van de inspecties werden deze op voorhand schriftelijk aangekondigd. Het bedrijf werd zo op de hoogte gebracht van de doelstelling van de inspectie en kreeg ook een inhoudstabel van de handleiding toegestuurd, zodat het zich grondig kon voorbereiden. Tegelijkertijd werd het bedrijf gevraagd om tijdens de eerste inspectiedag een korte toelichting te geven over het gebruikte productieproces. De verantwoordelijke voor het uitvoeren van de GPBV-inspecties was het GPBV-kernteamlid, dat de inspecties samen met de dossierhouder uitvoerde. Om de inspecties de nodige diepgang te geven liet het kernteamlid zich voor de verschillende specifieke disciplines bijstaan door het betrokken werkgroeplid of de respectievelijke werkgroepgangmaker. De eerste inspectiedag startte MI steeds met een toelichting van de doelstellingen van een GPBV-controle. Vervolgens werd het productieproces door het bedrijf toegelicht. Daarna volgde een rondgang op het bedrijfsterrein om de vergunningstoestand na te gaan. De eerste inspectiedag werd afgesloten met een gezamenlijke opmaak van de planning van de komende inspectiedagen.
Genomen maatregelen MI voerde in 2006 zeven GPBV-controles uit, stelde daarbij twee processen-verbaal op, zeven aanmaningen en 3 raadgevingen. Uit die gegevens blijkt duidelijk dat diepgaande en gespecialiseerde GPBV-controles meer dan nodig zijn. In 2007 wordt dit project zowel in de sector van de chemiebedrijven als in de sector van de galvanobedrijven voortgezet. Zo worden in de buitendiensten Antwerpen, Limburg en Oost-Vlaanderen opnieuw telkens twee chemiebedrijven gecontroleerd. In de buitendiensten Vlaams-Brabant en WestVlaanderen wordt ervoor geopteerd om samen drie bedrijven te controleren uit de galvanosector. Een evaluatie van de handleiding van de galvanosector is gepland na het uitvoeren van een relevant aantal controles. Daarnaast zal MI in 2007 voor de varkens- en pluimveesector een onderzoek uitvoeren naar de opportuniteit van het uitvoeren van GPBV-controles in 2008. Dit onderzoek moet
Specifieke handhavingscampagnes • 41
Het grootste deel van de activiteiten in verband met omgevingsveiligheid stond in 2006 in het teken van de preventie van zware ongevallen
Door de hoge industrialisatiegraad telt Vlaanderen een groot aantal Sevesobedrijven
tevens informatie leveren voor een eventuele offertevraag voor de opmaak van een handleiding voor GPBV-controles in deze sector.
werd een inspectieteam opgericht met alle betrokken inspectiediensten, op basis van gelijkwaardigheid en met behoud van alle bevoegdheden. Op die manier zijn er per gewest twee inspectiediensten bevoegd voor een bepaalde inrichting: de gewestelijke milieu-inspectie (MI in Vlaanderen) en de federale inspectiedienst die bevoegd is voor de bescherming van de werknemers.
Gelet op de beperkte beschikbare middelen wordt het aantal te controleren bedrijven in 2007 beperkt tot negen. In Vlaanderen worden er naar schatting 1.100 GPBV-bedrijven geëxploiteerd. Een tiental GPBV-bedrijfscontroles op jaarbasis zijn slechts een druppel op een hete plaat.
Zwarerisicobedrijven Het grootste deel van de activiteiten in verband met omgevingsveiligheid stond in 2006 in het teken van de preventie van zware ongevallen. Daarnaast was er ook aandacht voor de controle van benzinestations.
De belangrijkste taak van het inspectieteam is de uitbouw van een inspectiesysteem dat voldoet aan de gestelde eisen: een inspectieprogramma voor álle Seveso II-inrichtingen, een rapport van elke inspectie en terugkoppeling naar de bedrijfsleiding. De inspectieteams hebben ook taken inzake ongevallenonderzoek, de rapportering daarvan aan de Europese Commissie en het opleggen van een exploitatieverbod volgens bestaande regelgeving als blijkt dat de exploitant duidelijk onvoldoende maatregelen heeft getroffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen voor mens en milieu te beperken.
Het doel van die richtlijn is de realisatie van een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu. Omdat volgens de Europese Unie verschillen in de regelingen voor inspecties door de bevoegde autoriteiten tot verschillende beschermingsniveaus kunnen leiden, stelt de richtlijn ook hoge eisen aan de inspectie door de overheid.
Twee reeksen van drempelwaarden voor tien categorieën van gevaarlijke stoffen en voor een aantal benoemde stoffen bakenen het toepassingsgebied van het Samenwerkingsakkoord af. Daardoor ontstaan drie groepen van bedrijven: - inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden beneden de eerste drempel, de zogenaamde drempel 0-inrichtingen: deze bedrijven vallen niet onder het toepassingsgebied; - inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden tussen de eerste en de tweede drempel, de zogenaamde lagedrempelinrichtingen of drempel 1-inrichtingen: deze bedrijven vallen onder het toepassingsgebied met een aantal verplichtingen, zoals kennisgeving, algemene zorg- en aantoonplicht en preventiebeleid zware ongevallen; - inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden boven de tweede drempel, de zogenaamde hogedrempelinrichtingen of drempel 2-inrichtingen: deze bedrijven vallen onder het toepassingsgebied met een aantal extra voorschriften, zoals veiligheidsrapport en veiligheidsbeheersysteem.
Het Samenwerkingsakkoord vertaalt de vereisten van de richtlijn naar de Belgische situatie met gedeelde bevoegdheden voor de federale staat (arbeidsbescherming) en de gewesten (bescherming van de omgeving, mens én milieu). Per gewest
Door de hoge industrialisatiegraad telt Vlaanderen een groot aantal Sevesobedrijven. Bovendien is dat aantal variabel, bijvoorbeeld door wijzigingen van bedrijfsstructuren of van de aanwezige gevaarlijke stoffen. Daarom blijft verdere inventari-
Uitvoering van het Samenwerkingsakkoord Op 26 juni 2001 werd het Samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn (verder kortweg Samenwerkingsakkoord) van kracht. Daarmee werd in belangrijke mate de omzetting van de zogenaamde Seveso II-richtlijn gerealiseerd.
42 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Inspectietype
Omschrijving
Controle van de Seveso-status
- nagaan of bedrijf onder toepassingsgebied valt - afstemming vergunningstoestand op reële toestand
Initiële controle
- - - -
Controle van technische maatregelen Controle van organisatorische systemen en van het beheersysteem
- evaluatie van de bedrijfsinterne systemen - toetsing aan vereisten (wettelijk, ervaringsgegevens, bedrijfsspecifiek)
Verificatie veiligheidsrapport (VR)
- controle van de getrouwheid van de informatie in het VR
Onderzoek van specifieke risico’s
- diepteonderzoek van een of meer systemen
Veiligheidsonderzoek
- opdracht aan VR-deskundige: beoordeling van de getroffen en de nodige maatregelen voor omschreven problematiek
Ongevalsonderzoek
- systematische oorzaken- en gevolgenanalyse - bepaling van aanvullende maatregelen (herstel, voorkoming herhaling)
Voortgangscontrole
- toetsing naleving gegeven onderrichtingen
toelichting bij het Samenwerkingsakkoord eventueel controle van de Seveso-status controle belangrijkste voorwaarden i.v.m. omgevingsveiligheid controle stand preventiebeleid en veiligheidsrapport
satie van de Sevesobedrijven en de bepaling van de Sevesostatus belangrijk. Daarbij moet grote aandacht worden besteed aan ecotoxische producten, aangezien steeds meer bestaande producten worden ingedeeld als ecotoxisch (bv. biociden), en aangezien door de wijziging van de Seveso II-richtlijn en het Samenwerkingsakkoord de drempels voor de ecotoxische stoffen zullen verlagen. MI verwacht daardoor een belangrijke toename van Sevesobedrijven.
Seveso II-inspectieprogramma Opmaak van het inspectieprogramma Jaarlijks wordt in onderling overleg door de Seveso-inspecteurs van beide bevoegde inspectiediensten een ontwerpinspectieprogramma opgesteld voor het volgende werkjaar. Daarbij worden het doel en de reikwijdte van de inspecties en de inspectiedienst die belast is met de inspecties vastgelegd. Zowel gezamenlijke inspecties als controles door één inspectiedienst zijn mogelijk. Het is van groot belang dat het doel en de reikwijdte van de inspecties goed worden vastgelegd. De inspecties moeten immers door onderzoek van de bedrijfsinterne systemen een totaalbeeld geven van de risico’s van de bedrijven en de beheersing ervan. Met de beschikbare inspectiecapaciteit is het echter niet mogelijk per inspectie voldoende tijd te voorzien om alle bedrijfsinterne systemen te onderzoeken en dat totaalbeeld te verkrijgen. Daarom worden voor elke inspectie doel en reikwijdte vastgelegd, en wordt een deelaspect gecontroleerd. In de loop der jaren wordt door de uitvoering van de jaarprogramma’s het totaalbeeld verkregen. Voor de inhoudelijke afbakening (doel en reikwijdte) van de inspecties zijn negen inspectietypes gedefinieerd. Bij het vastleggen van het inspectieprogramma per bedrijf wordt rekening gehouden met de beschikbare gegevens: vergunningen, kennisgeving, veiligheidsrapporten, gegevens uit eerdere inspecties, milieu- en veiligheidstechnische voorgeschiedenis, belangrijke wijzigingen, voorvallen in het betrokken bedrijf of in vergelijkbare bedrijven. Er wordt over gewaakt dat de verschillende bedrijfsinterne systemen aan bod komen
(technisch, organisatorisch, beheer). Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de installaties met het grootste risico, aan de systemen die ontoereikend of onvoldoende performant zijn en aan de verantwoordelijkheidszin van de bedrijfsleiding. Een belangrijk kenmerk van het inspectieprogramma is het dynamische karakter ervan: als de actualiteit dat vereist (wijzigingen, voorvallen, nieuwe inzichten …) wordt het programma aangepast. Uitvoering van het inspectieprogramma Voor de voorbereiding en uitvoering van de geprogrammeerde (gezamenlijke) inspecties maken de betrokken toezichthoudende ambtenaren de nodige concrete afspraken. Ook de MI-dossierhouders worden uitgenodigd voor de inspecties. In 2006 voerde het elfkoppige Sevesoteam van MI 261 inspecties in 215 bedrijven uit, het merendeel daarvan samen met de collega’s van de afdeling van het Toezicht op de Chemische Risico’s. Meer concreet betekenen die cijfers dat MI in 2006 bij 70 % van de bekende lagedrempelinrichtingen en bij 86 % van de bekende hogedrempelinrichtingen een deelaspect van de veiligheidsproblematiek onderzocht. Bij het aantal inspecties moeten een aantal kanttekeningen worden geplaatst. Eén inspectie kan bestaan uit verschillende inspectietypes. Zo kan bijvoorbeeld een onderzoek van een specifiek risico worden gecombineerd met de voortgangscontrole van de actieplannen naar aanleiding van eerdere controles. Eén inspectie kan eveneens gespreid zijn over verschillende dagen. Inspectietypes als ‘controle van organisatorische systemen’ en ‘veiligheidsonderzoek’ omvatten een dusdanig diepgaand onderzoek dat er heel wat tijd voor vereist is. Als principe geldt dat er na elke inspectie vanwege de inspectiediensten een handhavingsbrief vertrekt naar het bedrijf. Controles door het Seveso-team Aantal gecontroleerde drempel 2-inrichtingen
97
Aantal gecontroleerde drempel 1-inrichtingen
104
Aantal gecontroleerde drempel 0-inrichtingen
14
Totaal aantal gecontroleerde inrichtingen
215
Aantal uitgevoerde inspecties
261
Specifieke handhavingscampagnes • 43
Voor MI kan het daarbij gaan om raadgevingen en aanmaningen, zowel op basis van het Samenwerkingsakkoord als op basis van het Milieuvergunningsdecreet, afhankelijk van de problematiek en van de effectiviteit van de handhaving. In 2006 stelde MI naar aanleiding van de inspecties tien processen-verbaal op: acht in het kader van het Milieuvergunningsdecreet en twee in het kader van het Samenwerkingsakkoord. De aard van de tekortkomingen was zeer divers: geen vergunning (1), overschrijding van vergunde hoeveelheden (1), niet naleven van bijzondere voorwaarden i.v.m. veiligheid (3), onvolkomen periodieke onderzoeken van tanks (1) en elektrische installaties (4).
De verdeling van de inspecties over de verschillende inspectietypes wordt in bijgaande grafiek weergegeven. Duiding bij de afbakening van de inspectietypes vindt u in vorige tabel. De meest opvallende vaststelling is het zeer grote aantal voortgangscontroles. Bij 135 inspecties in 122 bedrijven was de voortgangscontrole van de openstaande actiepunten een belangrijk thema. Die constatering illustreert treffend het belang dat MI hecht aan voortgangscontrole. Ook het vermelden waard is de evenwichtige spreiding over de controle van de verschillende bedrijfsinterne systemen in verband met de technische en organisatorische aspecten en de onderzoeken van specifieke risico’s. De aandacht voor de verdere inventarisatie van Sevesobedrijven blijkt eveneens uit de grafiek.
Seveso-inspecties in 2006 Controle Sevesostatus
Initiële controle
Controle technische maatregelen
Controle organisatorische systemen
Verificatie VR
Onderzoek specifieke risico's
Veiligheidsonderzoek
Ongevalsonderzoek
Voortgangscontrole Ander type 0
10 Drempel 0
Drempel 1
20
30
40
50
60
70
Drempel 2
Verdeling van de Seveso-inspecties over de verschillende groepen van bedrijven
Verdeling van de geïnspecteerde Sevesobedrijven over de verschillende groepen
Drempel 0 5%
Drempel 0 7%
Drempel 1 44%
Drempel 1 48%
Drempel 2 51%
Drempel 2 45%
44 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
In 2006 werd de nadruk gelegd op de controle van bezinestations die voor 1 januari 2005 aan een aantal eisen moesten voldoen
Het ‘Actieplan cadmium’ behandelt zowel het cadmiumdossier Noorderkempen als andere ‘hot spots’ in Vlaanderen
Net als de voorbije jaren is het opvallend dat heel wat bedrijven nog steeds problemen hebben met de keuring van de elektrische installaties. MI stelde vast dat heel wat elektrische installaties in gebruik waren waarvoor geen geldig of positief keuringsattest kon worden voorgelegd. Bij tankopslag van gevaarlijke producten blijkt het volgen van de (verplichte) keuringsfrequenties een weerkerend probleem. Van een andere en misschien wel fundamentelere aard is de problematiek van de risicostudies. Nog steeds slagen lang niet alle bedrijven erin een goed gedocumenteerde risicostudie uit te voeren waarin de risico’s van zware ongevallen op een systematische manier worden geïdentificeerd, geanalyseerd en geëvalueerd. Ook stellen de exploitanten nog in te veel gevallen actieplannen op zonder streefdata of verantwoordelijken, of respecteren ze de vooropgestelde uitvoeringstermijnen voor de acties niet.
Op basis van een geactualiseerde inventaris werden al de benzinestations die in aanmerking kwamen aan een snelle screening onderworpen. Daarbij werd nagekeken of de tankpiste vloeistofdicht was uitgevoerd en de nodige opvangvoorzieningen aanwezig waren om bodemverontreiniging te vermijden. Van de gescreende benzinestations werden er 122 geselecteerd voor een uitgebreide controle. Daarvoor gebruikte MI een checklijst waarin alle toepasselijke milieuvoorwaarden aan bod komen.
Blikvanger voor 2006 was een brand in een raffinaderij waarover verder in dit rapport wordt gerapporteerd. Daarnaast werden nog verschillende ongevallen en incidenten onderzocht: een overvulling van een tank, een accidentele lozing van chloorbenzeen in de riolering, een brand in een elektriciteitscabine, een explosie en brand in een reactor, een explosie en brand aan een warmtewisselaar, … . Wanneer er zich een ongeval voordoet, doet het inspectieteam de eerste vaststellingen ter plaatse (feiten, getroffen noodmaatregelen, …) en geeft het bedrijf de opdracht het ongeval te onderzoeken (oorzaken, gevolgen voor mens en milieu, …). Het bedrijf moet dan op basis van de onderzoeksresultaten een actieplan opstellen met maatregelen om herhaling van het ongeval te voorkomen, en maatregelen voor herstel en schoonmaak van het milieu. Tijdens diverse voortgangscontroles volgt het inspectieteam dan de uitvoering van het actieplan.
Op het einde van 2006 zijn er 44 van de gecontroleerde benzinestations gestopt nadat de exploitanten op de hoogte gebracht werden van de eisen van de milieuwetgeving. Bij 28 benzinestations zijn de nodige aanpassingen uitgevoerd of zijn de aanpassingswerken nog bezig. Voor 50 benzinestations is de aanmaningstermijn nog niet verstreken. Vaak zijn bodemsaneringen en bouwvergunningen bijkomende factoren die de procedure naar een volledige regularisatie sterk beïnvloeden.
Cadmiumplan De cadmiumproblematiek in de Noorderkempen is reeds lang gekend. Begin 2006 werden de resultaten van een nieuw onderzoek gepubliceerd. Dit onderzoek toonde voor het eerst aan dat er een associatie bestaat tussen het risico op kanker en de blootstelling aan cadmium. Wonen in een gebied met een hoge blootstelling aan cadmium betekent, volgens de studie, een bijna 4 keer hoger risico op longkanker (bron: http://oncology. thelancet.com, 16/01/2006).
Controle van benzinestations
Het Actieplan cadmium
Sinds 1997 loopt een actie waarvan het uiteindelijke doel is om alle benzinestations in Vlaanderen aan een controle te onderwerpen. In 2006 werd de nadruk gelegd op de benzinestations die volgens Vlarem II vóór 1 januari 2005 moesten voldoen aan een aantal constructie- en uitrustingsvereisten, zoals een vloeistofdichte piste, een koolwaterstofafscheider, lekdetectie en overvulbeveiligingen.
De resultaten van dit onderzoek waren mede de aanleiding tot het opstellen van een ‘Actieplan cadmium’. Talrijke Vlaamse administraties werkten daarvoor samen en op 13 februari 2006 stelde de Vlaamse minister voor Leefmilieu het ‘Actieplan cadmium’ voor. Dit document had als doelstelling een overzicht te geven van de cadmiumproblematiek in Vlaanderen én een overzicht te geven van de maatregelen die genomen worden om dit probleem op te lossen.
Specifieke handhavingscampagnes • 45
Het ‘Actieplan cadmium’ behandelt zowel het cadmiumdossier Noorderkempen als andere ‘hot spots’ in Vlaanderen. Voor elk van deze locaties werd eerst de actuele situatie beschreven, op basis van de kennis en de ervaring van de betrokken administraties. Vervolgens werd er per milieucompartiment een overzicht gegeven van de in het verleden reeds uitgevoerde maatregelen en de toen nog lopende acties. Tenslotte bevat het document een aantal nieuwe, bijkomende maatregelen die een antwoord geven op de vele vragen die er bij de bevolking leven naar aanleiding van de hierboven vermelde studie. MI was verantwoordelijk voor de uitvoering van 11 van de in totaal 41 acties van het actieplan.
Uitvoering door MI Zes acties van het cadmiumplan hielden een verscherpt toezicht door MI in op de luchtemissies van acht betrokken bedrijven. MI inventariseerde daarom alle bestaande emissiegegevens van deze bedrjiven, zowel geleide als diffuse, voor de periode 2002-2005. MI gebruikte hiervoor zowel eigen meetgegevens als zelfcontrolemeetresultaten van de betrokken bedrijven. Deze informatie werd verder aangevuld met gegevens uit eventuele processen-verbaal en uit aanmaningen. Tenslotte stelde MI ook een overzicht op van de saneringsmaatregelen die elk bedrijf in het verleden reeds had uitgevoerd. Ontbrekende informatie werd aangevuld via bijkomende emissiemetingen in opdracht van MI. Er werden elf schouwen, verdeeld over zes van de acht bedrijven, bemonsterd. Alle meetresultaten voldeden ruimschoots aan de emissiegrenswaarde voor cadmium. MI controleerde daarnaast de zelfcontroleverplichtingen en -resultaten met betrekking tot de luchtemissies van de betrokken bedrijven. Ook hier werden geen onvolkomenheden noch overschrijdingen vastgesteld. Na analyse van alle beschikbare meetgegevens in de omgevingslucht voor de periode 2002-2005 stelde MI vast dat er twee probleemgebieden waren voor cadmium in PM10-stof en neervallend stof, namelijk Hoboken en Beerse. MI had echter, nog voor er van het cadmiumplan sprake was, reeds stofactieplannen opgelegd aan de twee betrokken bedrijven uit Beerse. Het cadmiumplan voorzag daarom twee acties waarbij MI de verdere uitvoering van die stofactieplannen moest controleren en opvolgen. Eind 2006 was driekwart van de concrete stofbeheersende maatregelen bij beide bedrijven gerealiseerd. Het betrokken non-ferrobedrijf in Hoboken was ook reeds langer op vraag van MI bezig met de aanpak van haar diffuse emissies, dit via meerdere studies, via een eigen meetnet in de omgevingslucht en via talrijke maatregelen. Drie acties van het cadmiumplan waren specifiek op de afvalwaterproblematiek gericht. MI voerde in dit kader bij vier bedrijven (twee hoorden tot dezelfde site) een onderzoek uit naar de waterhuishouding om zo te kunnen beoordelen of er een gemotiveerd voorstel kon opgesteld worden om de lozingsvergunning aan te passen in functie van de toepassing van BBT.
46 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
MI voerde bij vier bedrijven een onderzoek uit naar de waterhuishouding om zo te kunnen beoordelen of er een gemotiveerd voorstel kon opgesteld worden om de lozingsvergunning aan te passen in functie van de toepassing van BBT
Bij dit onderzoek inventariseerde MI de bestaande emissiegegevens van deze bedrijven (periode 2002-2005). MI gebruikte daarvoor zowel eigen meetgegevens als zelfcontrolemeetresultaten van de betrokken bedrijven. Om een volledig beeld te verkrijgen van de afvalwaterproblematiek voerde MI bij één van deze bedrijven ook bijkomend een afvalwatermeetcampagne uit. Uiteindelijk bezorgde MI voor twee van de vier bedrijven een voorstel aan de collega’s van de afdeling Milieuvergunningen met de vraag om dit aan de vergunningverlenende overheid door te geven. MI zorgde in 2006 voor de volledige uitvoering van de acties waarvoor de afdeling verantwoordelijk was. Dit leverde een duidelijke inventaris van de cadmiumproblematiek in Vlaanderen en initieerde mede tal van maatregelen die er voor moeten zorgen dat de huidige geleide en diffuse uitstoot naar water en lucht van cadmium verder teruggedrongen wordt.
Perfluortensiden (PFT) Situering In het voorjaar van 2006 werd de Duitse deelstaat NoordrijnWestfalen opgeschrikt door alarmerende berichten over hoge gehaltes van perfluortensiden (PFT) in de Rijn en enkele van haar bijrivieren die het omliggende gebied van drinkwater voorzien. Duitse onderzoekers stelden vast dat de verontreiniging uitspoelde uit afvalslibs die via een Duits slibverwerkend bedrijf waren terechtgekomen op lokale landbouwpercelen. Minstens een deel van de slibs waren ingevoerd vanuit het Vlaamse Gewest. Dit milieuschandaal stond eind augustus 2006 zeer hoog op de politieke agenda van Noordrijn-Westfalen. De Duitse milieuadministraties spraken MI aan over deze zaak en ook de Vlaamse minister van Leefmilieu uitte zijn bezorgdheid. Hij vroeg MI te vragen om na te gaan of er ook PFT waren terechtgekomen op Vlaamse landbouwgronden en of er zo ook waterwingebieden werden verontreinigd.
MI stelde daarop in samenspraak met de afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu en Gezondheid, OVAM, VMM, VLM en FAVV een plan van aanpak op en coördineerde de uitvoering ervan. Het plan omvatte twee sporen. Enerzijds werd nagegaan in welke mate het onderzoek naar de herkomst en de samenstelling van de uitgevoerde slibstromen kon bijdragen tot het antwoord op de vragen van de minister. Anderzijds werd onderzocht in welke Vlaamse bedrijven en bedrijfssectoren relevante hoeveelheden PFT worden aangewend in de productieprocessen en in welke mate deze stoffen aanwezig zijn in het geloosde afvalwater en de afgevoerde slibs. PFT, waarvan PFOA (perfluoroctaanzuur) en PFOS (perfluoroctaansulfonaat) de meest toxische zijn, blijken wijd verspreide verbindingen te zijn met tal van toepassingen. Het zijn chemisch heel stabiele verbindingen met een groot aantal nuttige eigenschappen. Ze zijn tegelijkertijd water-, vuil- en vetafstotend en hebben antistatische eigenschappen. Hun oppervlakteactieve eigenschappen maken ze geschikt als uitvloeier voor bijvoorbeeld pesticiden en als brandbestrijdingsmiddel. Omwille van deze eigenschappen worden de verbindingen gebruikt in de textiel-, papier- en verfindustrie, de metaaloppervlaktebehandeling, de brandbestrijding, de fotografische industrie en vele andere. Sinds het begin van de jaren 2000 groeit de bezorgdheid over deze veelgebruikte verbindingen. PFT zijn moeilijk afbreekbare verbindingen, stapelen zich op in weefsels van organismen en zijn schadelijk voor het milieu. De eco-toxiciteit ervan wordt nog steeds onderzocht. MI nam in het kader van dit onderzoek 98 water- en 83 slibmonsters die werden geanalyseerd door het referentielaboratorium van VITO. De bestemming van de PFOA of PFOS-houdende slibs werd gecontroleerd.
Spoor 1: terugtracering van uitgevoerde slibstromen MI voerde een onderzoek uit naar de herkomst van de naar Duitsland uitgevoerde slibstromen via twee bedrijven die beschikten over een ‘kennisgeving’, zeg maar een uitvoermachtiging, die hen toeliet om ‘slib uit bedrijfsafvalwater- en slibbehandeling’ met EURAL-code 02 03 05, uit te voeren. Dit is de code voor afval van de bereiding en verwerking van fruit, groente, granen, spijsolie, cacao, koffie, thee en tabak, de productie van conserven, de productie van gist en gistextract en de bereiding en fermentatie van melasse, meer bepaald slibs afkomstig van afvalwaterbehandeling ter plaatse. Uit het onderzoek bij één van de kennisgevers, die geen afvalverwerkingsinrichting exploiteert maar enkel regelingen treft voor inzameling en vervoer, is gebleken dat deze tussenhandelaar ernstige inbreuken had gepleegd tegen een aantal bepalingen van de geldende Vlaamse afvalstoffenregelgeving en de Europese Verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA-verordening). Zo werden er onder meer afvalstoffen uitgevoerd waarvoor de goedgekeurde kennisgeving niet gold en werden transportdocumenten ontdubbeld waardoor afvalstoffen op papier via een opslagbedrijf passeer-
MI voerde een onderzoek uit naar de herkomst van de naar Duitsland uitgevoerde slibstromen
den maar in werkelijkheid rechtstreeks van producent naar verwerker werden vervoerd. MI stelde hiervoor een procesverbaal op. OVAM ging ook in op onze vraag om het bedrijf te schrappen uit het register van erkende overbrengers en om de goedkeuring voor de kennisgeving in te trekken. De beslissingen van OVAM werden bevestigd door de Raad van State. De kennisgever werkte samen met twee bedrijven uit de provincie Antwerpen die, uitgebaat door dezelfde persoon, hun activiteiten ontplooiden in aangrenzende loodsen. In de eerste loods werden afvalstoffen van diverse producenten verzameld alvorens ze werden uitgevoerd naar Duitsland. In de andere loods werden afvalstoffen van diverse producenten verzameld om ze te drogen en vervolgens af te voeren voor verbranding (voornamelijk in Waalse cementovens). MI verbaliseerde de exploitant wegens het niet naleven van de milieuvergunningsregelgeving. Van 20 geanalyseerde getuigemonsters (afkomstig van slibs van 17 bedrijven die toekwamen in deze twee loodsen) waren er 12 waarin variërende hoeveelheden PFOS en PFOA (tussen 0,1 en 1,5 mg/kg) werden aangetroffen. Deze concentraties zijn laag in vergelijking met de concentraties die de Duitse overheid heeft gemeten op een monster waarop de naam van een Vlaams bedrijf werd gevonden (24 mg/kg PFOA en 223 mg/kg PFOS). Het onderzoek van MI heeft enkel vermoedens doen ontstaan dat PFT-houdende afvalstoffen via bovenstaande bedrijven naar Duitsland kunnen zijn uitgevoerd, maar heeft daartoe nog geen bewijzen geleverd. Omwille van het gerechtelijk onderzoek dat hieromtrent loopt, kan hierover niet meer worden bericht. De PFT-houdende slibs die via deze bedrijven werden verwerkt, kwamen volgens onze informatie niet terecht in andere verwerkingskanalen die slib verwerken tot secundaire grondstof.
Specifieke handhavingscampagnes • 47
Afvalwater
Slib 4
PFT
4
PFT
PFOA PFOS
1
5
8
PFOA PFOS 1
5
8
Het aantal bedrijven uit PFT-gebruikende sectoren in wiens afvalwater of slib PFOS, PFOA of andere PFT werden aangetroffen
Spoor 2: onderzoek slibstromen van PFOS/PFOA gebruikende sectoren Naast het onderzoek van de uitgevoerde stromen, werd ook een tweede spoor onderzocht. Sectoren en bedrijven die relevante hoeveelheden PFOA / PFOS aanwenden in hun productieprocessen en waarvan werd verwacht dat ze relevante hoeveelheden van deze stoffen zouden emitteren, werden geïnventariseerd. MI nam bij 53 bedrijven uit deze sectoren afvalwater- en/of slibmonsters en liet de concentratie PFT ervan bepalen door VITO. Naast twee producenten van fluorhoudende, organische verbindingen werden bij nog 30 bedrijven PFT aangetroffen in hetzij het afvalwater, hetzij het slib in concentraties variërend van 0,2 µg/l tot 355 µg/l in het afvalwater en van 0,1 mg/kg tot 25 mg/kg in het slib. Dit bevestigt het verspreid gebruik van PFT in deze industriële sectoren. Bij 19 van de 27 bedrijven waar PFOS of PFOA werd aangetroffen, werden zowel het afvalwater als het waterzuiveringsslib bemonsterd. In een niet verwaarloosbaar aantal gevallen werd een component gemeten in één medium (water of slib), terwijl die niet werd gedetecteerd in het andere medium (resp. slib of water). Het voorkomen van PFT-emissies in het milieu mag daarom niet enkel gericht zijn op een normering van PFT in het bedrijfsafvalwater. MI ging tijdens de bedrijfsinspecties ook na of de betrokken bedrijven al dan niet PFT gebruikten in hun productieproces. Niet elke exploitant bleek zich te realiseren dat bepaalde gebruikte producten PFT bevatten. Uiteindelijk meldden 23 van de 53 exploitanten van bedrijven die als potentiële gebruikers van PFT werden beschouwd, ook effectief PFT aan te wenden in hun productieproces. Bij elk van deze bedrijven, op één na, werden PFT gedetecteerd in de genomen monsters. Het bedrijf dat een uitzondering vormde op deze regel produceert airconditioningsapparatuur en gebruikt daarbij op jaarbasis een zeer geringe hoeveelheid PFT (5 liter). Exploitanten van dertig bedrijven uit de geviseerde sectoren beweerden dat geen PFT wordt gebruikt in hun bedrijf. Bij drie ervan werd desondanks toch PFOA aangetroffen in het slib, weliswaar in zeer lage concentraties (0,01 mg/kg tot 0,90 mg/ kg droge stof). In het afvalwater van 2 bedrijven werd PFOS aangetroffen (1 µg/l en 2,3 µg/l) en in het afvalwater van één
48 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
bedrijf PFOA (5,6 µg/l). MI heeft 15 bedrijven in wiens afvalwater PFT werden gemeten, aangemaand om de organische fluorverbindingen die in hun productieproces worden gebruikt te inventariseren, een bijkomende analyse uit te voeren op de aanwezigheid van PFT’s in het afvalwater en het slib, te rapporteren over mogelijke alternatieven voor deze producten, MI in kennis te stellen van de maatregelen die zullen genomen worden om de lozing van PFT-houdend afvalwater stop te zetten en tenslotte de voorgestelde maatregelen ook effectief uit te voeren binnen een redelijke termijn. MI ging ook na of bedrijven uit de potentieel PFT-emitterende sectoren voorkwamen op de lijst van de 188 door OVAM verleende gebruikscertificaten voor het gebruik van slib als secundaire grondstof als meststof of bodemverbeterend middel. Slechts twee zo’n bedrijven kwamen voor op de lijst. Het slib van beide bedrijven bevatte 0,04 mg PFT/kg ds, andere dan PFOA of PFOS. Geen van de bedrijven waar de aanwezigheid van PFOA / PFOS werd aangetoond in het bemonsterde zuiveringsslib of afvalwater, voert zijn slibs rechtstreeks op landbouwgronden. Twee bedrijven voerden slibs af naar een composteringsbedrijf.
Slibs afkomstig van slibverwerkingsinstallaties MI nam slibmonsters bij 7 slibverwerkende bedrijven in het Vlaamse Gewest. Bij 6 bedrijven werden PFOS of PFOA aangetroffen in hetzij het afvalwater (PFOS: 1,78 – 9,98 µg/l; PFOA: 1,35 – 36,44 µg/l), hetzij het slib (PFOS: 1,78 – 17,97 mg/kg ds; PFOA: 0,27 – 21,08 mg/kg ds). Bij het slibverwerkend bedrijf waar geen PFOS/PFOA werd gevonden, mat MI wel 0,89 µg/l van een andere PFT. De meeste slibverwerkende bedrijven voeren het geconditioneerde slib af zowel voor verwijdering als voor nuttige toepassing (compostering). In de meeste gevallen volgens een interne procedure. Via 2 van de 4 bedrijven waar PFOS/PFOA werd gemeten in het slib, is gecontamineerd slib ook zeer waarschijnlijk terechtgekomen op Duitse landbouwpercelen via het Duitse slibverwerkend bedrijf.
MI bemonsterde heel wat slibs en liet deze analyseren op PFT
MI kon niet besluiten dat het oppervlaktewater via afspoeling van landbouwgronden werd verontreinigd met PFT’s
Afval Omdat een deel van de verwerkte (ongevaarlijke) slibstromen ook werd afgevoerd naar Vlaamse composteringsbedrijven, nam MI ook monsters van het compost van 4 composteringsbedrijven die ook organisch-biologische afvalstoffen (waaronder organisch-biologische slibs) aanvaarden. In het product van twee van hen werd PFOS aangetroffen, zij het in concentraties die 1000 tot 10000 keer lager lagen dan de concentraties die zijn aangetroffen in het Vlaamse slibmonster dat in Duitsland werd geanalyseerd. Via het compost en de bodemverbeteraar kunnen perfluorverbindingen in zeer lage concentraties op landbouwgronden zijn terechtgekomen.
Beleidssuggesties Samenvattend kon MI de minister meedelen dat er geen indicaties waren dat PFOA- of PFOS-houdende slibs op Vlaamse landbouwgronden zijn terechtgekomen. Uit de informatie die beschikbaar was, kon ook niet worden afgeleid dat het oppervlaktewater via afspoeling werd verontreinigd met deze contaminanten. In het rapport waarmee MI de minister inlichtte over de uitvoering van het plan van aanpak inzake de verspreiding van perfluorverbindingen in het Vlaams Gewest, gaf MI ook de volgende vier beleidssuggesties ter overweging om te voorkomen dat perfluorverbindingen nog ongecontroleerd zouden terechtkomen in het milieu: - het nemen van maatregelen voor het beperken van het gebruik van PFOS-bevattend blusschuim; - het invoeren van afvalwaterlozingsnormen voor individuele perfluorverbindingen; - een beperking van de nuttige toepassing van slibs uit nietvoedingsindustrie; - het nemen van maatregelen om te vermijden dat te verwijderen slibs worden verwerkt op sites waar ook slibs kunnen terechtkomen voor nuttige toepassing.
De werkgroep Afval vulde in 2006 haar coördinerende rol bij de handhaving van de verwijdering en verwerking van afvalstoffen voornamelijk in door de uitvoering van projecten in de sector van de verwerkers van afvalstoffen en door acties bij stortplaatsen, slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten. Na de implementatie van BBB en de daarbij horende overheveling van bevoegdheden van OVAM naar MI ging er ook bijzondere aandacht naar controles van afvaltransporten, zowel langs de weg als in de havens.
Controles bij verwerkers van afvalstoffen De overbrenging en verwerking van afvalstoffen is een substantiële kost voor producenten, overbrengers en verwerkers van die afvalstoffen. Het risico is reëel dat om economische redenen afvalstoffen onzorgvuldig of illegaal worden verwijderd. Dit kan leiden tot milieuhinder of -schade, tot illegaal verkregen vermogensvoordeel of tot ontduiking van heffingen op de verwijdering van afvalstoffen. MI voerde in 2005 doorgedreven controles uit bij 74 afvalverwerkende bedrijven. De naleving van de bepalingen van het Milieuvergunningsdecreet en het Afvalstoffendecreet werden gecontroleerd met de volgende klemtonen: een grondige inspectie van de naleving van de rubriek 2-voorwaarden, het nagaan van de volledigheid en doeltreffendheid van het goedgekeurd werkplan, een uitgebreide bevraging over de aanvaardingsprocedure van de afvalstromen, een doeltreffende controle op registratie en de traceerbaarheid van de aangeboden en afgevoerde afvalstoffen en tenslotte de controle op verdunning/menging van de afvalstoffen. In 2006 zette MI dit project verder met de inspectie van 37 bedrijven. Hieronder bevonden zich 8 bedrijven die schroot en/ of voertuigwrakken verwerkten (waaronder 3 erkende centra voor de depollutie van voertuigwrakken), 20 bedrijven voor de opslag en de sortering of de behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen, een bedrijf voor de opslag en de verwerking van gevaarlijke afvalstoffen, twee verwerkers van afgedankte elektrische en elektronische apparaten, een composteerbedrijf, een scheidings- en vergistingsinstallatie, twee verwerkers van
Specifieke handhavingscampagnes • 49
MI voerde in 2006 doorgedreven controles uit bij 37 afvalverwerkende bedrijven, waaronder 8 bedrijven die schroot en/of voertuigwrakken verwerkten
9 exploitanten konden geen werkplan voorleggen
vloeibare afvalstoffen, een verwerker van afgedankte olie en een producent van straatmeubilair uit kunststofafval. Twee van hen werkten zonder enige vorm van milieuvergunning.
zes dossiers oordeelde de toezichthoudend ambtenaar dat de exploitant over onvoldoende informatie beschikte over de steekproefsgewijs gecontroleerde, aangevoerde afvalstoffen.
Het werkplan Vlarem II verplicht iedere exploitant van een activiteit die is ingedeeld als een afvalverwerkende activiteit (rubriek 2 van de indelingslijst) tot het opstellen van een specifiek document dat ‘werkplan’ heet. De inhoud van het document is bepaald in Vlarem II. Het werkplan omvat een overzichtelijke en duidelijke handleiding voor de exploitatie, een beschrijving van de organisatie van de aanvoer, de verwerking en de afvoer van de afvalstoffen, de verwerkingswijze van de aangevoerde afvalstoffen indien de inrichting (tijdelijk) buiten werking is, het afwateringsplan en een beschrijving van de maatregelen voor het opvangen van storingen of ongewenste neveneffecten en het voorkomen van hinder. Een richtlijn voor het opstellen van een werkplan staat ter beschikking van de exploitanten op de website van MI.
Formele aanvaardingsprocedures werden aangetroffen bij 23 van de 37 bedrijven. Dergelijke procedures moeten beschrijven waar de afvalstoffen in ontvangst worden genomen, welke controles erop gebeuren vooraleer wordt beslist of ze al dan niet worden aanvaard en hoe wordt omgesprongen met geweigerde partijen. MI stelde vast dat in 5 bedrijven de eigen aanvaardingsprocedures met de voeten werden getreden. Bij 7 inspecties werden afvalstoffen aangetroffen waarvoor het bedrijf niet was vergund. In 3 gevallen waren bedrijven technisch onvoldoende uitgerust om bepaalde aanvaarde afvalstoffen te verwerken en in 2 gevallen was de controle voorafgaand aan de aanvaarding onvoldoende grondig.
Van de 37 geïnspecteerde bedrijven konden 9 exploitanten geen werkplan voorleggen en beschikten er 20 over een goedgekeurd werkplan. In 9 gevallen stemde dit werkplan echter niet meer overeen met de toestand op het terrein of was het inhoudelijk te beperkt. 45% van de 20 goedgekeurde werkplannen voldeden aan de verwachtingen. In 8 dossiers bestond er wel een document dat om uiteenlopende redenen echter nog niet was goedgekeurd door MI. Controle op de aangevoerde afvalstoffen De milieuregelgeving gebiedt de exploitant van een afvalverwerkingsbedrijf veel aandacht te schenken aan de controle op de aangevoerde partijen afvalstoffen. De exploitant van een verwerkingsinstallatie is zelf verantwoordelijk voor de aanvaarde afvalstoffen. Daarom mag de aanvoer ook slechts gebeuren onder toezicht van de exploitant zelf of iemand die hij daartoe aanstelt. In vijf dossiers had de exploitant de naam van zijn afgevaardigde niet doorgegeven aan MI. Vooraleer een exploitant beslist om een partij afvalstoffen te aanvaarden, moet hij genoeg informatie verzamelen om zich ervan te vergewissen dat hij vergund is om de aangeboden afvalstof te verwerken en dat in zijn bedrijf de technische middelen voorhanden zijn om ze te kunnen verwerken. In
50 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Afvalstoffen moeten steeds worden aangevoerd over een in werking zijnde weegbrug met automatische registratie tussen 7 uur en 19 uur. Een weegbrug is een vrij dure investering maar is een belangrijke schakel in de traceerbaarheid van de afvalstoffen. In 5 van de 37 bedrijven is geen weegbrug geïnstalleerd zonder dat hiervoor een afwijking werd verleend in de milieuvergunning. Twee bedrijven voerden afvalstoffen aan buiten de toegelaten uren zonder dat de vergunningverlener hiervoor een afwijking had verleend. In 20 van de geïnspecteerde bedrijven (54%) werden geen opmerkingen geformuleerd over de aanvoer en de aanvaarding van de afvalstoffen. Traceerbaarheid van de verwerkte afvalstoffen Eén van de belangrijke bezorgdheden van de overheid is dat afvalstoffen op een correcte en veilige manier worden verwerkt. Een afvalstof moet kunnen worden gevolgd van bij de plaats van de productie tot op de plaats waar ze wordt verwerkt, hetzij verwijderd, hetzij nuttig toegepast. De verwerkingsbedrijven die werden gecontroleerd, moeten daarvoor beschikken over een voortdurend geactualiseerd verwerkingsregister met de afvalstromen die op het bedrijf werden aanvaard. De overgrote meerderheid van de bedrijven beschikt over een register op computer. Vier bedrijven beschikten niet over een register. In 78 % van de bedrijven werd het register – zoals
In 20 van de geïnspecteerde bedrijven werden geen opmerkingen geformuleerd over de aanvoer en de aanvaarding van de afvalstoffen
Het algemeen verbod op de verbranding van afvalstoffen werd op één bedrijf na overal gerespecteerd
wettelijk bepaald – dagelijks aangevuld. Slechts één op drie bedrijven kon een register voorleggen met alle noodzakelijke gegevens. Onderstaande tabel vermeldt welke gegevens het register moet bevatten en in hoeveel gevallen de registers onvolledig waren.
Afvalstoffen die het bedrijf opnieuw verlaten als afvalstof, moeten opnieuw worden geregistreerd. Dit register mag bestaan uit een verzameling identificatieformulieren. Identificatieformulieren zijn documenten die elk afvaltransport moeten vergezellen. Het afvoerregister kon niet worden voorgelegd in zes dossiers.
Gegevens in verband met de aangevoerde afvalstof
Aantal bedrijven waar dit gegeven niet werd geregistreerd
Eventuele weigering van de partij + reden van de weigering
16 (43 %)
Aard en samenstelling + EURALcode
13 (35 %)
Lokalisatie van de opslag op het terrein
13 (35 %)
Verwerkingswijze van de afvalstof
10 (27 %)
Opmerkingen, storingen, metingen
10 (27 %)
Datum en uur van aanvoer
9 (24 %)
Adres van de producent van de afvalstof
8 (22 %)
Adres van de vervoerder van de afvalstof
8 (22 %)
Hoeveelheid
4 (11 %)
De verwerkers van voertuigwrakken moeten bovendien ook het chassisnummer én de datum van de laatste technische keuring vermelden in het register. Bij drie van de zeven gecontroleerde verwerkers van afgedankte voertuigen ontbraken deze gegevens in het register. Nog steeds blijken de EURAL-codes, die al sinds 1 januari 2002 worden gebruikt, onvoldoende ingeburgerd te zijn. In veel gevallen worden de EURAL-codes (al dan niet bewust) niet correct toegekend. Om de traceerbaarheid van de afvalstoffen na te gaan werd de exploitanten gevraagd om enkele steekproefsgewijs aangeduide afvalstoffen die op het terrein aanwezig waren, terug te vinden in het register. 62% van de exploitanten was in staat om de partijen op het terrein terug te vinden in het register. Bedrijven waar partijen afval worden samengevoegd tot grotere partijen vooraleer ze worden verwerkt, konden slechts bij uitzondering voorleggen uit welke aangevoerde partijen de samengevoegde partij bestond.
De meeste afvalstoffen worden verwerkt in België. 16 van de gecontroleerde bedrijven voeren afvalstoffen uit. Een van de algemene Europese principes in de afvalstoffenregelgeving bestaat erin dat iedere lidstaat zoveel mogelijk zelf instaat voor de verwijdering van haar afvalstoffen. Om hierop enige controle te verwerven moet er, afhankelijk van de aard van de afvalstof en de bestemming ervan, vóór de overbrenging van de afvalstoffen over de grenzen een administratieve procedure (kennisgeving) worden doorlopen. Tegen deze procedure werd één onregelmatigheid vastgesteld. Naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden De milieuvoorwaarden die bedrijven in het Vlaamse Gewest moeten naleven, zijn in Vlarem II samengebracht in verschillende hoofdstukken. Elk van de hoofdstukken bevat de voorwaarden die bij een bepaalde ‘rubriek’ horen van de lijst van potentieel hinderlijke activiteiten. In dit project werden enkel de voorwaarden gecontroleerd die horen bij rubriek 2, die de afvalverwerkende bedrijven omvat. Afvalverwerkers staan van oudsher niet bekend als nette jongens. Stilaan begint het tij te keren. In slechts 14% van de bedrijven laat de algemene zindelijkheid nog te wensen over. De activiteiten in meer dan zeven van de geïnspecteerde bedrijven zijn nog een bron van zeer grote hinder voor de omwonenden. Hinder door trillingen of ongedierte (insecten, knaagdieren, …) blijkt nog slechts marginaal voor te komen. Meestal gaat het om geur- en stofhinder. Stofhinder kan worden voorkomen door de aanleg van een (verplicht) groenscherm rond het bedrijf. Een groenscherm bestaat uit een zone van minstens 5 m breedte met streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen. Bij 46% van de gecontroleerde bedrijven is dit groenscherm niet of onvolledig aanwezig. In ongeveer 32% van de bedrijven is de infrastructuur (uithangbord, omheining, poort, …) niet helemaal uitgevoerd zoals de regelgeving het voorschrijft.
Specifieke handhavingscampagnes • 51
MI inspecteerde in 2006 76 slachthuizen in alle Vlaamse provincies
De milieucoördinator die onder meer als taak heeft te waken over de naleving van de milieuregelgeving en tekortkomingen te rapporteren aan de bedrijfsleiding is in drie bedrijven niet aangesteld. 18 bedrijven doen beroep op een externe milieucoördinator. In de andere gecontroleerde bedrijven is de milieucoördinator een werknemer van het bedrijf. Jaarlijks dient hij of zij een verslag op te stellen. Dit verslag kon in 11 bedrijven niet worden getoond. In vijf bedrijven werden meer afvalstoffen aangetroffen dan was toegelaten in de milieuvergunning. Het algemeen verbod op de verbranding van afvalstoffen werd op één bedrijf na overal gerespecteerd. Er werden op de bedrijfsterreinen nergens verbrandingsresten aangetroffen die konden wijzen op de illegale verbranding van afvalstoffen. Het overleg met de brandweer was niet of onvoldoende gebeurd in 10 bedrijven. Ten slotte lieten zeven bedrijven na om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren. Bij zes bedrijven loopt of liep een beschrijvend bodemonderzoek. Verdunning van afvalstoffen Het vaststellen van verdunningspraktijken is een zeer moeilijke opgave. Bij geen van de geïnspecteerde bedrijven wekte de terreincontrole een vermoeden dat er werd verdund.
Controles in het kader van de overeenkomst dierlijke bijproducten De verantwoordelijkheden die de Europese Verordening (EG) Nr. 1774/2002 over dierlijke bijproducten die niet bestemd zijn voor menselijke consumptie oplegt aan de lidstaten van de Europese Unie, vallen in het federale België gedeeltelijk onder de bevoegdheid van de gewesten, gedeeltelijk is de bevoegdheid federaal. De taken voor de federale staat en de gewesten worden afgebakend in het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2005. MI voerde in 2006 een aantal zeer specifieke inspecties uit bij alle Vlaamse klasse 1-slachthuizen, gericht op de controle van de opslagmodaliteiten van de verschillende stromen dierlijke bijproducten:
52 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
- het categorie 1-materiaal (voornamelijk GRM) moet na de productie onmiddellijk gekleurd worden met een oplossing van methyleenblauw om te vermijden dat het al dan niet toevallig vermengd geraakt met andere categorieën; - elke bak, silo en container moet een duidelijk etiket dragen met de vermelding of hij categorie 1-, 2- of 3-materiaal bevat. Door een duidelijke identificatie voorkomt men toevallige vergissingen; - alle dierlijk afval moet gekoeld opgeslagen worden om van bij de bron de potentiële geurhinder maximaal te beperken. MI inspecteerde in 2006 76 slachthuizen in alle Vlaamse provincies. Aangezien deze bedrijven in de loop van 2004 en 2005 al waren geïnspecteerd, was het aantal vastgestelde overtredingen beperkt. Toch werden nog 20 aanmaningen en 2 processen-verbaal geschreven omwille van het niet gekoeld opslaan van een deel van de dierlijke bijproducten, het nalaten om GRM te kleuren of het onvoldoende identificeren van de recipiënten waarin de dierlijke bijproducten werden verzameld. MI ervaart dat het gekoeld opslaan van dierlijke bijproducten en het kleuren van GRM vaak achterwege blijft als de controles langere tijd uitblijven. Dit is vooral het geval in kleinere slachthuizen. MI heeft in 2006 ook bij 13 Vlaamse verwerkers van dierlijke bijproducten het verwerkingsproces gecontroleerd. Er werden in totaal 86 monsters genomen van de eindproducten bij de verwerkers van dierlijk afval. Elk monster bestaat uit 5 deelmonsters waarop de voorgeschreven microbiële analyses die de aanwezigheid van Salmonella en Enterobacteriaceae kunnen aantonen, werden uitgevoerd. 74 monsters waren microbieel zuiver. In 12 monsters van 8 bedrijven werd een Salmonellacontaminatie aangetroffen in minstens 1 van de 5 deelmonsters. De standaardprocedure binnen MI bestaat erin bevestiging van het resultaat te vragen aan het labo, een proces-verbaal op te stellen en een aanmaning te richten tot de exploitant. Het bedrijf wordt tegelijkertijd meegedeeld om de bemonsterde partij op het bedrijf te houden indien ze zich daar nog bevindt, en onmiddellijk over te gaan tot een nieuwe bemonstering. MI eist dat de bemonsterde partij het bedrijf niet verlaat vooraleer de resultaten van de analyse bekend zijn. Tenslotte, indien het resultaat bevestigd wordt, vraagt MI het bedrijf om de bemonsterde partij te laten hersteriliseren onder toezicht van MI.
De controle op de uitvoer van afval spitst zich toe op de uitvoer via zeecontainers
17% van de gecontroleerde zendingen uit Vlaanderen was verboden of beschikte niet over een correcte kennisgeving
Het aantal Salmonella-positieve monsters lag merkwaardig hoog. Slechts twee tegenanalyses in opdracht van de exploitant bevestigden de positieve resultaten van MI. Bovendien was het ongewoon dat de besmetting in meer dan de helft van de gevallen in vetmonsters werd aangetroffen. Vet wordt immers meestal opgeslagen op een temperatuur van 60°C om het vloeibaar te houden. Op deze temperatuur zouden Salmonellabacteriën niet kunnen overleven. Bedrijven concludeerden nogal snel dat de oorzaak zou zijn gelegen in een onzorgvuldige bemonstering door het laboratorium dat daarvoor was aangeduid.
(BIM), de federale Leefmilieu-inspectie (FLI), de Douane en de Scheepvaartpolitie. Sinds de reorganisatie van de Vlaamse Overheid (BBB) is de rol van OVAM bij deze controles overgenomen door MI.
MI liet daarop onderzoeken wat de oorzaak kon zijn van de positieve resultaten. Een typering van de Salmonella-soort voor de verschillende monsters wees uit dat het telkens om Salmonella anatum ging, een soort die zich anders schijnt te gedragen dan andere Salmonella species en daardoor niet wordt gedetecteerd op alle voorgeschreven voedingsbodems die voor dit soort analyses worden gebruikt. Salmonella anatum blijkt ook een zeer hittebestendige soort te zijn, een resistentie die sterk toeneemt naarmate het watergehalte verder afneemt beneden 2%. Een bijkomende oorzaak voor de tegenstrijdige resultaten kan de tijdsduur zijn tussen de monsterneming en de analyse. Indien de Salmonellakiemen slechts in zeer lage concentraties aanwezig zijn is een analyse binnen de 24 uren aangewezen. Blijft de vraag hoe de plotse opstoot van deze Salmonella anatum tot stand gekomen is.
Controles op uitgevoerde afvalstoffen in de havens De uitvoer van afvalstoffen naar derdewereldlanden wordt geregeld in de Europese Verordening 259/93 betreffende de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen in, naar en uit de Europese Unie. Exporteurs van afvalstoffen moeten rekening houden met een aantal maatregelen, gaande van een eenvoudige informatieplicht, over een specifieke uitvoertoelating of ‘kennisgeving’ voor de meeste groene-lijstafvalstoffen, tot een volledig uitvoerverbod voor gevaarlijk afval. De controle op de uitvoer van afval gebeurt o.a. aan de grenzen van de Europese Unie, in Vlaanderen gaat daarbij de grootste aandacht naar de havens van Antwerpen en Zeebrugge. Tot april 2006 werden deze controles georganiseerd door OVAM, de milieu-inspectie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
De controle op de uitvoer van afvalstoffen spitst zich toe op de uitvoer via zeecontainers. Deze worden met afval gevuld op de meest uiteenlopende locaties in Vlaanderen, zowel bij gekende afvalverwerkers als bij particulieren. In de havens worden de containers vervolgens op het schip geladen, en de bijhorende documenten worden afgeleverd aan scheepsagenten en douanekantoren. De eerste moeilijkheid voor de toezichthoudende ambtenaren is om uit het gigantische aantal containers dat via de havens verscheept wordt, nét die containers te selecteren die problematische afvalstoffen bevatten. De toezichthoudende ambtenaren maken een selectie op basis van de gegevens die vermeld staan op de douanedocumenten. De verdachte containers worden vervolgens op de kaai geopend. Indien blijkt dat de lading, de bestemming of de wijze van verwerking niet in orde zijn, dan blokkeert de Scheepvaartpolitie de hele partij en begint MI aan een onderzoek. Dit resulteert meestal in het terugzenden van de containers naar de plaats van lading. Vervolgens zoekt MI grondig uit wie verantwoordelijk was voor deze illegale zending. In 2006 voerde MI acht havencontroles uit, waarvan vijf in de Antwerpse haven en drie in Zeebrugge. Naast deze georganiseerde, geplande controles verleende MI ook geregeld technische assistentie in dossiers waarbij de Scheepvaartpolitie of de Douane zelf verdachte containers hadden geselecteerd, zoals geregeld gebeurt bij de (verboden) uitvoer van CFK-houdende koelkasten naar Afrika. Tenslotte nam MI ook éénmaal deel aan een containercontrole op de binnenvaart. Vaststellingen MI inspecteerde van mei tot december 2006 in totaal 71 containerpartijen. Een eerste schifting wees uit dat de helft daarvan (36) afkomstig was uit andere gewesten of lidstaten. Deze dossiers werden, afhankelijk van de herkomst van het afval, bezorgd aan de Brusselse, Waalse of federale collega’s. De meest geïnspecteerde afvalstoffen van Vlaamse herkomst
Specifieke handhavingscampagnes • 53
Havencontroles: totaal gecontroleerde partijen 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0 Antwerpen
Het gros van de afvalpartijen vertrekt richting AziĂŤ, met China en India op kop
Zeebrugge
Kallo
geen afval
AEEA
papier
kabelafval
elektroschroot
kunstof
schroot
)BWFODPOUSPMFT HFDPOUSPMFFSEF QBSUJKFO BGLPNTUJH VJU 7MBBOEFSFO
waren ferro- en non-ferroschroot (14), papier (6) en kunststof (4). In 6 van de 35 gevallen bleek de containerinhoud niet uit afval te bestaan, maar uit tweedehandsgoederen zoals gebruikte banden of huisraad. Het aantal illegale transporten blijft hoog: 17% van de gecontroleerde zendingen uit Vlaanderen was verboden of beschikte niet over een (correcte) kennisgeving. Voor het totaal van 71 partijen uit binnen- en buitenland lag dit cijfer zelfs op 32%. Het gros van de afvalpartijen vertrekt richting AziĂŤ, met China (schroot, elektroschroot, kunststof) en India (kunststof) op kop. MI concentreerde haar controles dus in de eerste plaats op deze bestemmingen, en minder op Afrika en het Midden-Oosten.
4DISPPU
,VOTUTUPG
1BQJFS
*O PSEF
MI voerde in 2006 relatief weinig controles uit op de uitvoer van kabelafval naar China. Sinds China eind 2004 besliste om geen elektronisch afval – waaronder kabelafval – meer te aanvaarden zonder kennisgeving werd de uitvoer van kabels beschouwd als een ‘probleemstroom’, maar sindsdien hebben de meeste exporteurs hun handel geregulariseerd. De uitvoer naar China van ander elektroschroot, zoals gedemonteerde en/ of geplette PC’s, printers en andere huishoudelijke elektronica, lijkt ondertussen toe te nemen. Alle (!) door MI gecontroleerde partijen bleken illegaal te zijn. Containerpartij met elektroschroot In juni 2006 ontving MI een melding van de Scheepvaartpolitie dat in de haven van Zeebrugge drie containers klaar stonden voor verscheping naar China. Volgens de politie waren deze containers geladen met een mengsel van kunststof, metaal, kabeltjes, printplaten, rubber en textiel. De producent bleek een Vlaamse afvalverwerker te zijn. MI kwam met het bedrijf overeen om de containers terug te sturen naar de laadplaats en daar onder toezicht leeg te storten. Het onderzoek bij de producent wees uit dat het afval afkomstig was van het vershredderen van voertuigen. De producent, die zelf een shredderinstallatie had, beschikte over een kennisgeving om kabelafval uit te voeren naar China. Het kennisgevingsdossier suggereerde dat het zou gaan over lange stukken kabels, die in China handmatig gesplitst werden in kunststof en metaal, en vervolgens gerecycleerd. Uit een monster dat MI nam van deze partij, bleek dat slechts 60 Ă 65% van de partij uit stukjes kabel bestond en op een
54 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
&MFLUSPTDISPPU
"&&"
,BCFMBGWBM
(FFO BGWBM
*MMFHBBM
"ENJOJTUSBUJFWF JOCSFVL
Havencontroles: totaal gecontroleerde partijen 30
25
20
15
10
5
0 Schroot In orde
Kunststof
Papier
Elektroschroot Administratieve inbreuk
AEEA
Kabelafval
Geen afval
Illegaal
eenvoudige wijze gerecycleerd kon worden. MI stelde dus vast dat de lading niet overeen kwam met de beschrijving in de kennisgeving, en twijfelde ernstig aan de mogelijkheid om de 35 Ă 40% andere items in de partij ook nuttig te kunnen toepassen in China. Op verzoek van MI trok OVAM haar goedkeuring voor deze kennisgeving in. Uitvoer van voertuigwrakken De uitvoer van tweedehandsvoertuigen naar Afrika is een belangrijke en groeiende havenactiviteit. Naar schatting 400.000 voertuigen verlaten de Europese Unie jaarlijks via de terminals te Antwerpen (zowel linker- als rechteroever), en in
MI voerde in 2006 controles uit op de uitvoer van voertuigwrakken
MI controleerde 287 vrachtwagens, waarvan er 117 met afval geladen waren
mindere mate te Zeebrugge. Een fractie van deze voertuigen wordt beschouwd als wrak en valt dus onder de exportban die geldt voor alle gevaarlijke afvalstoffen naar niet-OESO-landen. MI voerde in 2006 één gerichte controle uit op een Antwerpse autoterminal en nam op twee andere terminals deel aan een testinspectie in het kader van een studie rond deze problematiek, in opdracht van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. MI leerde uit deze inspecties dat de kwaliteit van de uitgevoerde voertuigen verbeterd is ten opzichte van begin jaren 2000. Het grootste probleem lijkt de uitvoer van geaccidenteerde wagens, en in toenemende mate, het laden van tweedehandsvoertuigen met afgedankte PC’s, monitoren en CFK-houdende koelkasten.
troleerde afvalstromen waren schroot, organisch-biologisch afval (slibs, filterkoeken, compost, …), papierafval, gemengd bedrijfsafval en houtafval. Het gros van deze afvaltransporten was nationaal, slechts 10% was grensoverschrijdend. Bij 27% van de gecontroleerde afvaltransporten stelde MI een overtreding vast op de afvalstoffenwetgeving. De meest voorkomende overtreding was een ontbrekend of gebrekkig ingevuld identificatieformulier. In mindere mate stelde MI vast dat het transport gebeurde door een niet-erkende overbrenger of een niet-geregistreerde vervoerder.
MI neemt sinds september 2006 deel aan het IMPEL/TFS Endof-Live-Vehicles Project, dat als doel heeft om in alle lidstaten een standaardinspectiemethode voor tweedehandsvoertuigen toe te passen. U kan hierover verder in dit rapport meer lezen.
Gecontroleerde wegtransporten 100 90 80 70
Afvaltransportcontroles langs de weg Afvalstoffen moeten op elk moment traceerbaar zijn. Wanneer een vrachtwagen geladen met afvalstoffen onderweg wordt opgehouden moet het voor de toezichthoudend ambtenaar onmiddellijk duidelijk zijn waar het afval vandaan komt, waar het zal worden verwerkt en, belangrijker nog, wat de juiste inhoud van de lading is. Sinds april 2006, met de operatie BBB, heeft MI ook de controles van afvaltransporten op de baan overgenomen van OVAM. Deze wegcontroles verliepen in 2006 steeds in samenwerking met de federale of lokale politiediensten. In 2006 heeft MI samen met de politiediensten zeven wegcontroles uitgevoerd. De meeste van deze wegcontroles waren verspreid over verschillende locaties in eenzelfde regio. Dit was bijvoorbeeld het geval met de grootschalige controle die in september werd georganiseerd door de gerechtelijke politie van Kortrijk, waar tien verschillende controlepunten werden opgezet. Bij vier van de zeven controles werden vrachtwagens door motoragenten uit het verkeer geplukt, in de andere gevallen werd er gebruik gemaakt van wegblokkades. In totaal controleerde MI op die manier 287 vrachtwagens, waarvan er 117 met afval geladen waren. De meest gecon-
60 50 40 30 20 10 0 schroot organisch- papier biologisch overtreding
gemengd
hout
bouw- chemisch- andere en sloop organisch
product
leeg
geen overtreding
Aard van de overtredingen tijdens wegcontroles
identificatieformulier 23% overbrenger 4% houderschapsverklaring 3% vervoerder 2% verpakking 2% kennisgeving 1%
Specifieke handhavingscampagnes • 55
Houtbehandelingsinstallatie bij een van de gecontroleerde bedrijven
De meest voorkomende tekortkomingen waren het niet naleven van de preventieve maatregelen ter bescherming van de bodem en het ontbreken van een oriënterend bodemonderzoek
Bodem en Grondwater De werkgroep Bodem en Grondwater coördineert binnen MI de activiteiten rond de controles op grondwaterwinningen en het bestrijden van bodem- en grondwaterverontreiniging. In 2006 omvatte dit onder meer het verderzetten van de controles van grondwaterwinningen bij diverse bedrijven en het verder uitwerken van een methodiek voor het vaststellen van bodemverontreiniging.
Methodiek voor het vaststellen van bodemverontreiniging Het doel van dit project was de methodiek die in 2005 werd ontwikkeld, verder uit te werken en op punt te stellen. MI richt zich op potentieel bodemverontreinigde hinderlijke inrichtingen en controleert de preventieve maatregelen ter bescherming van de bodem. Er werden tien bedrijven geselecteerd uit de sectoren houtbehandeling of metaalbewerking. De inspecties werden uitgevoerd aan de hand van de in 2005 opgestelde lijst met alle preventieve maatregelen ter bescherming van de bodem en het grondwater die zijn opgenomen in het Milieuvergunningsdecreet en Vlarem I en II. Deze lijst bleek een handig instrument te zijn om het risico op bodemverontreiniging bij een bedrijf na te gaan. Tijdens de inspectie werd er niet enkel gelet op de houtbehandelings- of metaalbewerkingsinstallatie maar controleerde MI alle mogelijke risicoplaatsen of -activiteiten. Bij drie van de tien bedrijven nam MI op de plaatsen waar er risico was op bodemverontreiniging of op plaatsen met vermoedelijke bodemverontreiniging, monsters van de bodem. De analyseresultaten werden getoetst aan de bodemsaneringsnormen (bijlage 4) en de achtergrondwaarden voor de bodemkwaliteit (bijlage 6) van Vlarebo. Bij één bedrijf was er een overschrijding van de achtergrondwaarden. MI bracht OVAM hiervan op de hoogte. De afhandeling van de controles gebeurde op basis van het MI-handhavingsinstrumentarium. MI maande vier van de tien bedrijven aan om maatregelen te treffen om bodemverontreiniging te voorkomen. Een bedrijf werd geverbaliseerd. De meest voorkomende tekortkomingen waren het niet naleven van de preventieve maatregelen ter bescherming van de bodem
56 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
(opslag van gevaarlijke producten buiten de inkuiping, ontbreken van een inkuiping en geen lekdetectie) en het ontbreken van een oriënterend bodemonderzoek.
Controle van grondwaterwinningen Zowel de industrie en de landbouw als de drinkwatermaatschappijen en de huishoudens pompen grote hoeveelheden grondwater op. Het duurzaam omspringen met de grondwaterreserves is zeer belangrijk. Daarom zette MI het project, opgestart in 2005, verder waarbij de grondwaterwinning van zestig bedrijven uit verschillende sectoren aan een grondige controle werd onderworpen. Om deze bedrijven te selecteren, gebruikte MI de volgende criteria: - grondwaterwinningen met een groot debiet, met inbegrip van een steekproef bij de drinkwatermaatschappijen; - mogelijks klasse 1 ingedeelde grondwaterwinningen die slechts klasse 2 vergund zijn; - bedrijven of sectoren met een twijfelachtige reputatie wat de winning van grondwater betreft; - grondwaterwinningen die vergund waren door het Mijnwezen en die tot op heden nog niet beschikken over een hernieuwde vergunning. De inspecties werden uitgevoerd aan de hand van een voor dit project opgestelde checklijst. Tijdens de controle was er aandacht voor de kwantiteit en de kwaliteit van het grondwater. Naast het opgepompte volume en de vergunningstoestand controleerde MI ook het gebruik van het grondwater, de administratieve verplichtingen zoals debietregistratie en peilregistratie, de bijzondere voorwaarden, het herboren of wijzigen van bestaande putten, de buiten dienst gestelde grondwaterwinningen en de uitrusting van de peilput en de boorput. Hierbij werden peilmetingen uitgevoerd en er werden monsters van het grondwater genomen. Bij negen bedrijven werden in opdracht van MI debietmetingen uitgevoerd met behulp van een draagbare ultrasone debietmeter. Wat de kwantiteit van het opgepompte grondwater betreft, liet de debietmeting en debietregistratie bij heel wat bedrijven te wensen over. Vier bedrijven pompten een te hoog debiet op,
Vaststellingen bij grondwaterwinningen: hoe het niet moet en hoe het wel kan….
vier debietmeters waren niet correct geïnstalleerd en 23 bedrijven beschikten niet over een correct geijkte debietmeter. Ook wat de peilmetingen en peilregistratie betreft, waren er heel wat tekortkomingen. Veertien bedrijven beschikten niet over het verplichte aantal peilputten en vijftien voerden te weinig of onvolledige peilmetingen uit. De zelfcontrole van de exploitant op de kwaliteit van het grondwater vertoonde eveneens heel wat tekortkomingen. Zo stelde MI bij 23 bedrijven vast dat zij te weinig of onvolledige
analyses van het grondwater lieten uitvoeren en bij één bedrijf werd gepompt onder het toelaatbaar afpompingsniveau. Bij 20 bedrijven waren de putten onvoldoende afgewerkt. Bij 13 bedrijven waren de oude putten niet correct buiten dienst gesteld. Tot slot beschikten vijf bedrijven over niet volledig vergunde grondwaterwinningen. In het totaal verbaliseerde MI zeven bedrijven, en 47 van de 60 gecontroleerde bedrijven werden door MI aangemaand om de vastgestelde tekortkomingen te saneren. Zes bedrijven ontvingen een raadgeving.
Specifieke handhavingscampagnes • 57
De werkgroep behandelde in 2006 een aantal klachten over geluid en trillingen
De werkgroep vatte de geldende wetgeving samen in enkele korte en verduidelijkende nota’s
Geluid en Trillingen De werkgroep behandelde in 2006 zoals gebruikelijk een aantal klachten over geluid en trillingen. Voorbeelden hiervan zijn terug te vinden verder in dit rapport, in het deel ‘Routinemetingen’. Ook onderzocht de werkgroep weer een aantal akoestische onderzoeken van erkende deskundigen.
Hieronder worden twee dergelijke nota’s besproken waarin de werkgroep een antwoord gaf op de moeilijkheden waarmee de toezichthoudende ambtenaren geconfronteerd werden wanneer ze te maken hadden met de beoordeling van het specifieke geluid en van VAO’s.
De werkgroep ervaart al geruime tijd dat de huidige wetgeving ter bestrijding van geluidshinder moet worden bijgewerkt. Daarom nam de werkgroep in 2004 zelf het initiatief om een voorstel op te stellen tot aanpassing van de wetgeving ‘geluid’ in Vlarem II. Dit voorstel werd in de loop van 2005 aan de bevoegde instanties bezorgd. De werkgroep ontving echter geen feedback hierover, en neemt dus aan dat de huidige wetgeving nog enige tijd zal blijven gelden.
Het specifieke geluid, in open lucht, van ingedeelde inrichtingen De werkgroep stelde een nota op die aan de toezichthoudende ambtenaren moet toelaten om geluid in open lucht op een correcte manier te toetsen aan de normen. Voor nieuwe inrichtingen worden de normen afgeleid uit de richtwaarden of uit het oorspronkelijke omgevingsgeluid (OOG). Om het OOG te bepalen moet er in feite gedurende een volledige beoordelingsperiode gemeten worden, maar omdat er in praktijk slechts over een kortere periode kan gemeten worden, moet de keuze van het OOG-niveau telkens verantwoord worden.
Het probleem situeert zich op twee vlakken. Ten eerste maakt Vlarem een onderscheid tussen twee soorten normen: de milieukwaliteitsnormen (MKN) en normen voor het specifieke geluid (SGN) van ingedeelde inrichtingen. De milieukwaliteitsnormen verwijzen naar geluidsniveaus die 95% van de tijd overschreden worden. Deze normen zijn enkel representatief voor de allerlaagste geluidsniveaus, en dus niet geschikt voor het beoordelen van geluidshinder. Daarentegen wordt de akoestische grootheid die hinder karakteriseert en aan de SGN gekoppeld is, niet gedefinieerd in Vlarem. De toezichthoudend ambtenaar moet telkens zelf de gepaste grootheid bepalen die representatief is voor de hinder. Ten tweede worden in praktijk de wettelijk verplichte akoestische onderzoeken door elkaar gehaald: het zogenaamde volledig akoestisch onderzoek (VAO) en het beperkt akoestisch onderzoek (BAO). Men veronderstelt geregeld dat er een hiërarchie bestaat tussen deze onderzoeken, maar dit is niet het geval. Het BAO is het onderzoek van het toezicht (dus door MI), terwijl het VAO opgelegd kan worden in het kader van beleidsbepaling en vergunningsverlening. Omdat de wetgeving allerhande interpretaties toelaat die niet in overeenstemming zijn met het basisartikel, artikel 22 van het Milieuvergunningsdecreet, besloot de werkgroep om de geldende wetgeving samen te vatten in enkele korte en verduidelijkende nota’s.
58 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Het specifieke geluid (SGN) van de inrichting, dat samenhangt met de zogenaamde ‘relevante waarde’, moet altijd getoetst worden aan de normen die uit de richtwaarden worden afgeleid. De gekozen grootheid moet representatief zijn voor de hinder en dus voor de hoogste geluidsniveaus. Hierbij moet de toezichthoudend ambtenaar rekening houden met alle bronnen van hinder in de inrichting. De meest logische keuze van de grootheid is het LAeq,T met als ‘T’ een periode die representatief is voor de maximale hinder. De toetsing van het specifieke geluid komt in de beoordeling steeds vóór de toetsing van het maximale niveau (LAmax), dat verwijst naar niet stabel geluid (intermitterend, fluctuerend, …). Lokalen met dansgelegenheid De werkgroep stelde ook een nota op als leidraad voor toezichthoudende ambtenaren bij de beoordeling van akoestische onderzoeken van dancings. Deze onderzoeken worden door de vergunningverlener opgelegd in de milieuvergunning. Al deze dancings zijn echter klasse 2-inrichtingen. Volgens Vlarem II moet een lokaal met dansgelegenheid uiterlijk 10 dagen vóór de ingebruikname een volledig akoestisch onderzoek (VAO) laten uitvoeren. Uiteraard is het onmogelijk om een VAO uit te voeren onder representatieve omstandigheden, met een beschrijving van de bestaande akoestische situatie, als de
MI controleert bij bedrijven met GGO’s en pathogene organismen of de vergunningstoestand correct is en of de inperkingsvoorwaarden worden toegepast
Het niet correct opslaan van risicohoudend medisch afval is een vaak voorkomende tekortkoming
activiteiten zelf nog niet zijn opgestart. Daarom wordt er in de praktijk met simulaties gewerkt. De geluidshinder van dancings wordt vooral veroorzaakt door de muziek, het publiek en eventueel, als de dancing een eigen parking heeft, het lawaai op die parking. De meeste VAO’s beperken zich tot simulaties van de hinder veroorzaakt door de muziekinstallatie, aangezien dit de voornaamste lawaaibron is. Het is echter van groot belang dat ook het openen en sluiten van de deuren, als ‘incidenteel geluid’, wordt opgenomen in de simulatie.
men (bv. bacteriën en virussen), planten en dieren waarvan het genetisch materiaal (DNA) op kunstmatige wijze wordt gemanipuleerd. Pathogene organismen zijn micro-organismen die een ziekte kunnen verwekken bij mensen, dieren of planten.
Er bestaan drie gebruikelijke methoden om het specifieke geluid van een inrichting te bepalen. De eenvoudigste manier is om, op plaatsen waar hinder mogelijk is zoals aan de dichtst bijgelegen woningen, het residueel geluid te meten en dit logaritmisch van het omgevingsgeluid af te trekken. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met andere bronnen van geluidshinder, zoals drukke verkeerswegen. Een tweede methode is om zo dicht mogelijk bij de dancing te meten. Tenslotte kan ook gebruik gemaakt worden van emissiemetingen en een computermodel. De gebruikte methode en berekeningen moeten in elk geval in het rapport opgenomen worden. De in de simulatie gebruikte geluidsbronnen moet volgens een ‘worst case’ scenario opgesteld worden, in het bijzonder wanneer optredende muziekanten hun eigen - niet genormeerde - geluidsinstallatie gebruiken, die niet noodzakelijk voldoet aan de Vlarem-normen. Er moet gesimuleerd worden met verschillende soorten geluid (witte ruis, rode ruis, ...) met bijzondere aandacht voor muziek met veel laagfrequent geluid. De gebruikte controlemicrofoon moet dan daar opgesteld worden waar de grootste hinder naar buiten treedt. Hierbij moet men rekening houden met de isolatie van de verschillende muren, wanden en dak.
GGO’s Het manipuleren van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) en pathogene organismen kan bepaalde risico’s voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu met zich meebrengen. De term GGO’s is een verzamelnaam voor micro-organis-
Wetgeving De wetgeving is gebaseerd op de Europese Richtlijn 98/81/EEG van 26 oktober 1998 inzake het ingeperkt gebruik van GGO’s. De richtlijn werd in 2004 in Vlarem geïmplementeerd. Net zoals sommige andere Europese lidstaten en de beide andere gewesten in België heeft Vlaanderen ervoor geopteerd om het toepassingsgebied van de nieuwe bepalingen uit te breiden zodat ook pathogene organismen onder die reglementering vallen. Het principe van die wetgeving komt erop neer dat een inrichting, die GGO’s of pathogene organismen aanmaakt of onderzoekt, een risicoanalyse moet maken van haar activiteiten. Op basis van die risicoanalyse wordt het bedrijf ingedeeld in een van de vier risicoklassen. Aan elk risiconiveau zijn een aantal maatregelen verbonden om te verhinderen dat mens en leefmilieu worden blootgesteld aan die organismen. Naarmate het risiconiveau stijgt, zijn er meer en stringentere inperkingsmaatregelen vereist. Gezien de specificiteit van elk onderzoek met GGO’s of pathogene organismen moeten inrichtingen, naast een milieuvergunning, voor elke verschillende activiteit een toelating aanvragen bij de afdeling Milieuvergunningen. MI controleert of de vergunningstoestand correct is en of de inperkingsvoorwaarden, opgelegd in de wetgeving en in de toelating worden toegepast.
Inspectiecampagne In navolging van de inspectiecampagne in 2005, controleerde MI in 2006, in eerste instantie, opnieuw de inperkingsmaatregelen bij 19 inrichtingen, waar de gebruiker zijn activiteiten kenbaar had gemaakt en een toelating verkregen had. Om uniforme en diepgaande controles mogelijk te maken, gebruikte MI voor de inspectie van deze inrichtingen de bestaande
Specifieke handhavingscampagnes • 59
checklijst met alle geldende inperkingsmaatregelen per type van activiteit en per risiconiveau. Ook de afdeling Toezicht Volksgezondheid (ToVo) van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, is bevoegd om toezicht uit te voeren bij inrichtingen waar ze adviesbevoegdheden hebben, zoals o.a. de inrichtingen waar activiteiten met GGO’s of pathogene organismen plaatsvinden. MI deelde begin 2006 aan ToVo mee welke inrichtingen in 2006 zouden gecontroleerd worden. ToVo kon hiermee rekening houden tijdens de opmaak van hun planning. Op die manier kon vermeden worden dat hetzelfde bedrijf kort na elkaar door beide afdelingen gecontroleerd zou worden.
De werkgroep verduidelijken
Volgende aspecten werden bij een inspectie nagegaan: - zijn alle afzonderlijke activiteiten vergund en toegelaten? - is er een juiste inschatting van het risiconiveau? - worden de inperkingsmaatregelen opgelegd in de milieuwetgeving of de toelating correct toegepast? - neemt de gebruiker alle nodige maatregelen om schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu te voorkomen? Bij 12 van de 19 bedrijven stelde MI tekortkomingen vast op de geldende inperkingsmaatregelen zonder dat er rechtstreeks gevaar voor de menselijke gezondheid en het milieu was. MI maande de exploitant aan alle verplichtingen na te komen. Vaak voorkomende tekortkomingen waren o.a.: het niet correct opslaan van het risicohoudend medisch afval (RMA), het niet valideren van afdodingsmethoden, het onvoldoende beschikken over vereiste procedures, het niet correct gebruiken van de recipiënten voorzien voor RMA, afwezigheid van registers met alle organismen, geen verplichte controle uitgevoerd van de microbiële veiligheidskast … . In een tweede deel van de inspectiecampagne werden 16 inrichtingen gecontroleerd die vermoedelijk activiteiten uitvoeren met GGO’s of pathogene organismen, maar die hiervoor geen toelating, noch een milieuvergunning hebben aangevraagd. Van de 16 gecontroleerde bedrijven bleken er 13 effectief met pathogene organismen of met GGO’s te werken. Het betrof voornamelijk ziekenhuizen en klinische laboratoria maar ook enkele onderzoekslabo’s. MI verbaliseerde 10 van de 13 niet-vergunde inrichtingen, de overige drie hadden ondertussen al een aanvraag voor een toelating ingediend of konden al een risicobeoordeling (de basis om de toelating te bekomen) voorleggen. MI maande alle inrichtingen aan om zich zo snel mogelijk te regulariseren door een vergunningsaanvraag in te dienen. In de komende jaren plant MI nog gelijkaardige inspectiecampagnes.
Methodeontwikkeling: monstername en analyse van GGO’s en pathogene organismen Om te kunnen nagaan in hoeverre de inperkings- en andere beschermingsmaatregelen effectief leiden tot een optimale bescherming van het leefmilieu en de menselijke gezondheid moeten monsters kunnen genomen worden van de afgezo-
60 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
De werkgroep Lucht coördineert de activiteiten rond het bestrijden van luchtverontreiniging en geurhinder
gen gassen, het afvalwater, het afval, de infrastructuur, … en moeten deze monsters geanalyseerd kunnen worden op de aanwezigheid van deze organismen. Omdat dit momenteel nog niet mogelijk is, liet MI in 2006 een handhavingsstudie starten met als doel deze methoden te ontwikkelen en te beschrijven. In deze studie komen volgende aspecten aan bod: - mogelijke wegen van vrijstelling van deze organismen in het milieu (bv. via het afvalwater, via het afval, via de lucht, via contactoppervlakken, via andere wegen) en het risico op vrijstelling via de verschillende routes; - methoden om de verschillende wegen te bemonsteren; - methoden om enerzijds de monsters te analyseren op de aanwezigheid van GGO’s of pathogene organismen en anderzijds, indien de mogelijkheid zich biedt, de monsters kwalitatief te analyseren; - interpretatie van de resultaten: welke schadelijke gevolgen heeft de vrijstelling van GGO’s en pathogene organismen voor het leefmilieu en de menselijke gezondheid, en welke criteria kunnen hieraan gekoppeld worden? Het rapport van deze studie wordt in de loop van 2007 verwacht.
De werkgroep vatte de geldende wetgeving samen in enkele korte en verduidelijkende nota’s
MI moet uitmaken of de geurhinder aanvaardbaar is en of het bedrijf alle mogelijke maatregelen genomen heeft om de geuruitstoot te beperken
Lucht De werkgroep Lucht coördineert binnen MI de activiteiten rond het bestrijden van luchtverontreiniging en geurhinder. In 2006 werden twee nieuwe geuronderzoeken gestart en twee lopende onderzoeken afgewerkt. De in 2005 gestarte onderzoeken en metingen i.v.m. PCB-emissies en -deposities afkomstig van schroot- en PCB-afvalverwerkende bedrijven en i.v.m. VOS-emissies door bedrijven in de grafische sector werden in 2006 afgerond en leidden tot verdere acties. Verder coördineerde de werkgroep Lucht de uitvoering van de acties van MI van het Cadmiumplan van de Vlaamse minister van Leefmilieu en breidde ze deze acties uit tot alle zware metalen die in verhoogde concentraties in de omgevingslucht voorkomen. De werkgroep zorgde ook voor een gecoördineerde aanpak van de fijn-stof-problematiek in de verschillende Vlaamse hot spot-gebieden, dit in overleg met andere afdelingen van het departement LNE en met VMM. In 2006 organiseerde MI ook een grootschalige meetcampagne bij houtafvalverbrandingsinstallaties omwille van de vanaf 2006 geldende nieuwe Vlaremvoorwaarden voor deze inrichtingen. Daarnaast werkte de werkgroep Lucht ook verder aan de optimalisatie en de uitbreiding van het MI-instrumentarium: de handleiding voor de controle van de zelfcontrole lucht werd gefinaliseerd. De evaluatiestudie met als doel het instrument ‘geuronderzoek’ in de toekomst efficiënter te hanteren, werd verdergezet. Ook aan de handleiding voor de aanpak van geurklachten door de toezichthoudende ambtenaren werd verder gewerkt. De werkgroep Lucht was ook actief betrokken bij het opstellen van een referentiemethodiek voor snuffelmetingen.
Geuronderzoeken Klachten over geurhinder komen nog steeds zeer frequent voor. Bij gebrek aan duidelijke criteria rond de aanvaardbaarheid van geurhinder is de beoordeling van geurproblemen nog altijd een subjectief gegeven. De intensiteit waarbij de geur als hinderlijk wordt ervaren, kan immers heel erg variëren van persoon tot persoon. Rond heel wat bedrijven blijft ook na de uitvoering van initiële saneringen geur waarneembaar. MI moet in dat geval kunnen uitmaken of de geurhinder al dan niet aanvaardbaar is en of het bedrijf alle mogelijke maatregelen heeft genomen om de geuruitstoot te beperken. Hiervoor is vaak externe ondersteuning noodzakelijk. In industriezones liggen soms verschillende potentiële geuremittoren dicht bij elkaar, wat het niet gemakkelijk maakt om het aandeel van die bronnen tot de waargenomen geur(hinder) vast te stellen. Met een geuronderzoek lukt dat wel en wordt het mogelijk om gerichte geurbeperkende maatregelen af te dwingen. Geurstudies in opdracht van MI bestaan meestal uit een omgevingsonderzoek en een bronnenonderzoek. Bij het omgevingsonderzoek worden de geuremissie en de hinderlijkheid van de verschillende bronnen bepaald, door een combinatie van geurwaarnemingen (snuffelmetingen), telefonische enquêtering van mensen in de omgeving, het bijhouden van een geurdagboek door de omwonenden en modelberekeningen. Tijdens het bronnenonderzoek worden er zoveel mogelijk vaststellingen binnenin de bedrijven gedaan, onder meer via een doorlichting van de relevante processen en de uitvoering van emissiemetingen met olfactometrische en/of chemische analyse. Ook de reeds uitgevoerde en nog haalbare bijkomende emissiebeperkende maatregelen worden geëvalueerd.
Specifieke handhavingscampagnes • 61
Vanaf juni 2005 ontving MI veel klachten in verband met de geurhinder van het mestcomposteringsbedrijf
Een bedrijf dat droge voeding voor huisdieren produceert, gaf aanleiding tot heel wat geurhinder
Hieronder wordt de stand van zaken beschreven van twee geuronderzoeken die in 2006 in opdracht van MI in Limburg en Vlaams-Brabant werden gestart. Beiden betreffen omgevingsonderzoeken rond bedrijven in de bio-industrie: mestverwerking, veeteelt, het kweken van varkens en kippen en de teelt van champignons. PRG Odournet uit Gent voerde deze onderzoeken uit. De in 2005 gestarte geurstudies in Beersel en bij een petfoodbedrijf in Vlaams-Brabant werden midden 2006 door VITO voltooid en de resultaten worden hieronder beschreven. Het ging in alle bovenstaande gevallen om bedrijven of industriezones waarover MI reeds meerdere jaren geurklachten ontving.
In het najaar van 2005 besliste MI om een geurstudie te laten uitvoeren met als doelstelling een duidelijk beeld te krijgen over het aandeel van de verschillende bedrijven in de waargenomen geur evenals over de frequentie en de ernst van de hinder. Het was de bedoeling om aanvaardbaarheidscriteria voor deze geurhinder af te leiden om zo de hinderlijkheid van de geur te kunnen beoordelen. In mei 2006 is de geurstudie van start gegaan. Tegen het einde van het jaar was het onderzoek volledig uitgevoerd. PRG Odournet rapporteerde begin 2007.
De onderzoeken die MI in 2005 startte om haar instrumentarium voor de aanpak van geurproblemen te verbeteren, werden door VITO verder uitgevoerd in 2006. Het betreft de optimalisatie van het instrument ‘geuronderzoek’ enerzijds en de opmaak van een handleiding voor de aanpak van geurklachten door toezichthoudende ambtenaren van MI anderzijds. Daarnaast ontwikkelt VITO in het kader van haar taken als referentielaboratorium een standaardmethode voor het uitvoeren van snuffelmetingen. De drie opdrachten worden hieronder kort toegelicht. Geuronderzoek rond enkele bedrijven in de bio-industrie in Bree Begin 2005 leverde de Bestendige Deputatie een overnamebesluit af aan een Limburgs bedrijf waardoor dit bedrijf over een milieuvergunning voor mestverwerking beschikt. Er volgden nog een aantal uitbreidingen, o.a. voor het co-composteren van organisch-biologisch afval. Het mestverwerkingsbedrijf is gelegen op een site waar zich tevens een champignonkwekerij en een bedrijf voor het enten van cocosmateriaal met biomateriaal bevinden. Bovendien zijn in de onmiddellijke omgeving van deze site ook een aantal veeteeltbedrijven gevestigd. Vanaf juni 2005 begonnen bij de MI massaal klachten binnen te lopen in verband met geurhinder afkomstig van het mestcomposteringsbedrijf. De klachten situeerden zich vooral in een wijk oostelijk- noordoostelijk gelegen van het mestverwerkingsbedrijf. Ten westen van het bedrijf zijn slechts een beperkt aantal woningen gelegen. In twintig maanden tijd ontving MI meer dan 300 klachten.
62 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Het geuronderzoek bestond uit een aantal deelonderzoeken. Het eerste onderdeel bestond uit een verkennend bezoek aan de bedrijven en de omgeving, gevolgd door een klachteninventarisatie en -analyse, snuffelmetingen, het bijhouden van geurdagboeken en een telefonische enquêtering van omwonenden. De aanvaardbaarheid van de veroorzaakte geurhinder werd beoordeeld en mogelijke reductiescenario’s werden berekend. De studie bevestigt dat de omgeving gehinderd wordt door geur. Het mestverwerkingsbedrijf wordt in de studie als hoofdbron voor de geurhinder in de omgeving aangewezen. Bij de snuffelmetingen beoordeelden de ervaren waarnemers de geur van het mestverwerkingsbedrijf in de meeste gevallen als onaangenaam tot zeer onaangenaam. Een aantal belangrijke conclusies uit de studie zijn onder andere dat de luchtzuiveringsinstallatie niet voldoende groot gedimensioneerd is wanneer meerdere tunnels tegelijk in afkoelfase zijn d.m.v. geforceerde beluchting. Verder moet de procesvoering geanalyseerd worden om na te gaan of wijzigingen in het productieproces ter vermindering van geuremissies niet elders in het proces zorgen voor een toename hiervan. Een ander belangrijk aandachtspunt voor het mestverwerkingsbedrijf is het niet overschrijden van de maximale capaciteit teneinde geuruitstoot naar de omgeving toe te beperken. Er wordt o.a. aanbevolen om de luchtzuiveringsinstallatie frequenter te laten opvolgen en controleren. Een beter bedrijfsbeheer zou ook de kansen op calamiteiten moeten verminderen. Het feit dat bij elke snuffelmeting de geur van het mestverwerkingsbedrijf waarneembaar was en niet de geur van de biofilter wijst erop dat ook de diffuse emissies uit de gebouwen belangrijk zijn in het geheel van geuremissies waardoor het mestverwerkingsbedrijf wordt aanbevolen om de diffuse emissies te kwantificeren en aan te pakken. De studie wijst erop dat er
Na het onderzoek van VITO maande MI het bedrijf aan om bijkomende geurreducerende maatregelen te nemen
Meting van de geuremissie bij het compostbedrijf
vanuit het bedrijf inspanningen geleverd moeten worden op het vlak van management door o.a. training van het personeel, interne communicatie, het opbouwen van een goede relatie met de buurtbewoners en het opstellen van een onderhoudsprogramma. Verder zouden maatregelen kunnen genomen worden op organisatorisch en logistiek vlak teneinde klachtengolven als gevolg van calamiteiten zoals die zich in het verleden voordeden, te vermijden.
beperken. De exploitant verving gaskappen van de opslag- en vergistingtanks en plaatste een nieuwe gaswasser. MI ontving daarna geen geurklachten meer. MI stelde vast dat het bedrijf medio 2006 de aanvoer van dierlijke mest- en afvalstoffen op beperkte schaal hervatte. Omdat MI wenst dat het geuronderzoek doorgaat onder normale bedrijfsomstandigheden, wordt het onderzoek pas verder gezet nadat de aanvoer terug volledig genormaliseerd is.
Uit de studie alsook uit de vele eigen vaststellingen van MI blijkt dat het mestverwerkingsbedrijf, ondanks reeds geleverde inspanningen, onvoldoende maatregelen heeft getroffen om de buurt niet te hinderen door geur. MI stelde een proces-verbaal van overtreding op en maande het bedrijf aan om hogervermelde aanbevelingen op te volgen.
Petfood bedrijf Een bedrijf dat droge voeding voor huisdieren produceert, gaf aanleiding tot heel wat geurhinder. MI oordeelde dat de hinder buiten proportie was en het bedrijf reageerde daarop door een zuiveringsinstallatie te plaatsen die de geurhoudende componenten in de schoorsteen oxideert. Na de opstart van deze zuiveringsinstallatie ontving MI nog steeds geurklachten. Om de werking van de installatie te evalueren en de impact van de restemissie op de omgeving te bepalen, liet MI een geuronderzoek uitvoeren door VITO. De studie liep van mei 2005 tot juni 2006.
Vergistingsinstallatie MI stelde van bij het opstarten van een vergistinginstallatie voor dierlijke mest en afvalstoffen met biogasvalorisatie geregeld geurhinder vast en ontving hierover tal van geurklachten. Na een gerechtelijke actie en een defect aan een gasmotor besliste het bedrijf om de aanvoer van mest en afvalstoffen tijdelijk te staken. De vergisting ging op beperkte schaal verder zodat toch nog geurhinder in de omgeving van het bedrijf optrad. MI besliste begin 2006 om een geuronderzoek te laten uitvoeren door een erkende deskundige om de ervaren geurhinder beter te kunnen evalueren. Vanwege mogelijke geurinterferenties van een naastliggende varkens- en kippenkwekerij dienden de emissies van deze stallen mee te worden geïnventariseerd.
Het geuronderzoek bestond enerzijds uit emissiemetingen en olfactometrie om het geurverwijderingsrendement te bepalen en de geuremissies te kwantificeren. Anderzijds beoordeelde VITO aan de hand van verspreidingsberekeningen en rekening houdend met de geografische ligging van het bedrijf de aanvaardbaarheid van de gemeten geuremissies.
Het geuronderzoek startte met verkennende onderzoeken van de betrokken bedrijven, gevolgd door het uitvoeren van snuffelmetingen. MI hoopt zo de geursituatie in kaart te brengen. VITO gebruikt hiervoor een wiskundig berekeningsmodel. Ook gebeurde er een uitgebreid buurtonderzoek. VITO deed een klachteninventarisatie, en een telefonische hinderenquête en vroeg een selecte groep buurtbewoners om hun geurwaarnemingen te registreren in een dagboek. Dit geeft een goed beeld van hoe de mensen de leefkwaliteit in hun buurt ervaren.
Tijdens het onderzoek onderscheidde men twee groepen producten: standaardproducten en premiumproducten. Bij de premiumproducten verwachtte men de hoogste geuruitstoot. Het geurverwijderingsrendement van de zuiveringsinstallatie varieerde tijdens de metingen tussen 98,1% en 74,9%. Voor de verspreidingsberekeningen voorzag VITO twee scenario’s. Scenario één gaf de immisieconcentratie weer bij de reële schoorsteenhoogte van 43 m. In scenario twee corrigeerde VITO de schoorsteenhoogte naar 20 m. De reden hiervoor was dat de inwoners in de woonwijk ten westen van het bedrijf op een heuvel zo’n 15 tot 30 m hoger dan het bedrijf wonen zodat de schoorsteen ten opzichte van deze woonwijk slechts een ‘relatieve’ hoogte van 13 tot 28 m heeft.
Nadat de exploitant weet kreeg van dit onderzoek voerde hij spontaan optimalisatiewerken uit om de geuremissies te
Uit het onderzoek bleek dat bij deze relatieve schoorsteenhoogte van 20 m en bij productie van premiumproducten,
Specifieke handhavingscampagnes • 63
Het olieverwerkend bedrijf volgde de werking van de geurreducerende maatregelen nauwgezet op
De metaalgieterij veroorzaakte geen overmatige geurhinder
sprake kon zijn van onaanvaardbare geurhinder. Tijdens de productie van standaardproducten was er, volgens het verspreidingsmodel althans, geen sprake van onaanvaardbare hinder. Desondanks namen de medewerkers van VITO tijdens hun experimenten een sterke geur van het bedrijf waar. Hieruit leidde VITO af dat het gehanteerde verspreidingsmodel niet steeds de reële situatie berekende. Daarop maande MI het bedrijf aan om bijkomende geurreducerende maatregelen te nemen.
ning, de werking van de geurreducerende maatregelen nauwgezet op. Bij het composteringsbedrijf stelde MI een proces-verbaal op aangezien het geuronderzoek uitwees dat het bedrijf onaanvaardbare geurhinder veroorzaakte. Het bedrijf paste, na aanmaning, de composteringsmethode aan. Nu respecteert het de bepalingen van de BBT-studie over composteer- en vergistinginstallaties.
Het bedrijf stelde een actieplan op. Het verving in eerste instantie de standaardkatalysatoren van de zuiveringsinstallatie door katalysatoren met een dubbel zo hoog rendement. In de loop van 2007 zal het bedrijf een bijkomende zeolietfilter plaatsen. Na al deze aanpassingen zal het bedrijf bijkomende metingen laten uitvoeren om het rendement van de genomen geurverwijderingsmaatregelen te bepalen. Industriezone Beersel Sinds enkele jaren ontving MI geregeld klachten over geurhinder van drie bedrijven: een composteringsbedrijf, een metaalgieterij en een olieverwerkend bedrijf. De bedrijven bevinden zich vlakbij elkaar op een industrieterrein. De geurklachten konden telkens toegewezen worden aan de bedrijfsactiviteiten van één van de drie betrokken bedrijven. Na het doorvoeren van geurreducerende maatregelen bij twee van de drie bedrijven, ontving MI nog steeds geregeld klachten over geurhinder. Daarom voerde VITO in opdracht van MI een geuronderzoek uit om de geuremissies en de oorzaak hiervan alsook de impact op de omgeving te bepalen en indien nodig aan te sturen op (bijkomende) geurreducerende maatregelen bij de verschillende bedrijven. Het geuronderzoek, dat liep in de periode van juni 2005 tot mei 2006, bestond enerzijds uit een omgevingsonderzoek om de aard, de omvang en de intensiteit van de geurpluimen in kaart te brengen en anderzijds uit een bronnenonderzoek om de bijdrage van de verschillende potentiële geurbronnen te kwantificeren. Verder toetste VITO de resultaten van de studie aan aanvaardbaarheidscriteria voor geur en stelde VITO in het onderzoek, waar nodig, geurreducerende maatregelen voor. Eén bedrijf veroorzaakt geen overmatige hinder. MI oordeelde dat bijgevolg geen bijkomende geurreducerende maartregelen vereist waren. Het olieverwerkende bedrijf volgde, na aanma-
64 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Geurmethodologie Optimalisatie van het instrument ‘geuronderzoek’ Na bijna tien jaar ervaring met het instrument ‘geuronderzoek’ voor de handhaving van complexe geurproblemen, besloot MI deze methodologie voor eigen intern gebruik verder te optimaliseren in functie van het te behalen resultaat, namelijk de sanering van onaanvaardbare geurhinder. Daarom gaf MI aan VITO eind 2005 de opdracht om een tiental MI-geuronderzoeken, die enkele jaren geleden werden uitgevoerd, door te lichten in functie van de bereikte saneringsresultaten. De beoordeling betreft de totaalaanpak, namelijk zowel de geurstudie zelf en haar onderdelen als het handhavingsproces achteraf. De opdracht moet resulteren in aanbevelingen voor de optimalisatie van het geuronderzoek zelf en van de handhavingsaanpak van MI op basis van de resultaten van het geuronderzoek. Het eindrapport was op het einde van 2006 nog niet beschikbaar. Voorlopige conclusies van het onderzoek geven aan dat er minstens drie bedrijven zijn (van de 28 via MI-geuronderzoeken onderzochte bedrijven) waarvoor het geurhinderprobleem nog steeds (in meer of mindere mate) aanwezig is en dat er vijf (van de 28) bedrijven zijn waarvoor twijfel bestaat over de aanvaardbaarheid van de resterende geurhinder. Uit voorlopige aanbevelingen van het onderzoek blijkt dat o.a. het laten uitvoeren van een na-evaluatie na sanering een positieve invloed heeft op het komen tot een succesvolle oplossing bij geurproblemen. Verder blijkt uit het onderzoek dat deze naevaluatie in de praktijk zelden gebeurt, noch door de bedrijven noch door MI. Daardoor is het in veel gevallen moeilijk om de aanvaardbaarheid van resterende geurhinder na sanering n.a.v. een MI-geuronderzoek te beoordelen. Op die manier kan ook moeilijk beslist worden of het geurdossier kan afgesloten worden of dat er verdere geursanering nodig is.
Het onderzoek van VITO stelt dat MI best deze na-evaluatie oplegt aan het bedrijf via de aanmaning tot geursanering die volgt uit de resultaten van het MI-geuronderzoek. Dergelijke na-evaluatie na sanering kan in de praktijk gebeuren door een erkend deskundige via snuffelmetingen rond het bedrijf of olfactometrie aan de belangrijkste emissiepunten, gevolgd door modellering en toetsing aan de in de MI-geurstudie afgeleide aanvaardbaarheidscriteria voor geurhinder door dit bedrijf. Opmaak van een handleiding voor de aanpak van geurklachten door toezichthoudende ambtenaren van MI Jaarlijks ontvangt MI honderden klachten over geur(hinder). Sommige van deze klachten vallen niet onder het eerstelijnstoezicht van MI. Sommige klachten zijn terecht, sommige onterecht. Soms is er sprake van een aanvaardbare hinder, soms is het echt onaanvaardbaar. Het is aan de toezichthoudend ambtenaar van MI om de klachten te onderzoeken, de nodige vaststellingen te doen en te oordelen over terechtheid, hinderlijkheid en aanvaardbaarheid. De toezichthoudend ambtenaar dient ook de noodzaak tot bijkomende informatie via een expert, metingen of een geuronderzoek te evalueren. Vervolgens moet hij/zij adequaat optreden om het probleem op te lossen. Om een efficiënte, kwaliteitsvolle en uniforme aanpak van geurklachten door de toezichthoudende ambtenaren van MI te waarborgen is er nood aan een aantal objectieve criteria bij het vaststellen en beoordelen van deze geurklachten en de ermee gepaard gaande hinder. MI gaf daarom eind 2005 de opdracht aan VITO om een kwaliteitshandboek op te maken dat de toezichthoudende ambtenaren van MI een handleiding biedt voor een fasegewijze, doelgerichte en definitieve afhandeling (oplossing) van geurklachten bij ingedeelde inrichtingen klasse 1. Het eindrapport van de opdracht en de handleiding waren op het einde van 2006 nog niet beschikbaar. Ontwikkeling van een standaardmethode voor het uitvoeren van snuffelmetingen MI maakt gebruik van snuffelploegmetingen als één van de basistechnieken om geurhinder te kwantificeren. Om de methodiek van snuffelmetingen op punt te stellen voert het referentielaboratorium VITO in overleg met MI en de afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid sinds het najaar van 2004 een validatie-onderzoek uit. In een eerste fase deed VITO een literatuuronderzoek waarin de verschillende beschikbare methoden beschreven en geëvalueerd werden en waarbij nagegaan werd welke parameters de berekening van de geuremissie en -immissie kunnen beïnvloeden. Halfweg 2005 startte VITO met het experimenteel gedeelte van de validatie-oefening. VITO bouwde hiervoor een lozingssysteem voor geurhoudende componenten. Op terreinen aan de Balendijk in Lommel werden geurlozingen van waterstofsulfide en boterzuur georganiseerd. De geproduceerde
geurpluimen werden tegelijk opgetekend door verschillende snuffelaars, die een verschillende methode voor het uitvoeren van snuffelmetingen gebruikten. Ook voor de verwerking van de resultaten van de snuffelmetingen via modellering werden de verschillende methoden gehanteerd. Op die wijze wil VITO de karakteristieken (randvoorwaarden, betrouwbaarheid...) van de snuffelmethode vastleggen.
Op de terreinen aan de Balendijk in Lommel werden geurlozingen van waterstofsulfide en boterzuur georganiseerd. VITO bouwde hiervoor een lozingssyteem
Deze experimenten werden verder gezet en afgerond in 2006. Alle resultaten werden beoordeeld. De invloed van verschillende parameters op de a.d.h.v. de uitgevoerde snuffelmetingen berekende gemiddelde geuremissies werd bepaald. Het ging ondermeer om de invloed van de berekeningsmethode zelf, de inschatting van de weersomstandigheden bij de berekeningen, het aantal snuffelaars, het aantal snuffelploegmetingen en het gebruikte verspreidingsmodel. In 2007 zal VITO, rekening houdend met de conclusies van de literatuurstudie en de bevindingen op basis van de experimenten, een code van goede praktijk voor het uitvoeren van snuffelmetingen opstellen.
Diffuse VOS-emissies in de grafische sector Hoofdstuk 5.59 van Vlarem II bevat, na de omzetting van de Europese solventemissierichtlijn 1999/13/EG, de sectorale voorwaarden voor activiteiten die gebruik maken van organische oplosmiddelen. De exploitant moet aan de toezichthoudende overheid te allen tijde kunnen aantonen dat voldaan is aan de emissiegrenswaarden of aan de eisen van het equivalente reductieprogramma. Hij moet hiertoe jaarlijks een document opmaken - verder het ‘VOS-document’ genoemd - met een beschrijving van de inrichting, een overzicht van de emissiemetingen, een berekening van de emissies en een toetsing aan de voorwaarden. Dit VOS-document vormt dan ook het belangrijkste aanknopingspunt voor de toezichthoudende overheid bij het handhaven van de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.59 van Vlarem II. MI startte in 2003 een eerste handhavingscampagne m.b.t. deze wetgeving. Het project was oorspronkelijk omschreven als
Specifieke handhavingscampagnes • 65
een controle op de naleving van alle VOS-voorwaarden bij een aantal bedrijven uit de sector illustratiediepdruk, flexografie en rotatiediepdruk. Al gauw bleek dat het project best opgesplitst werd in twee delen. Handleiding voor de controle van VOS-documenten Een eerste project had tot doel een handleiding te ontwikkelen om de VOS-documenten, zoals bedoeld in artikel 5.59.3.2.ยง2 van Vlarem II, op een uniforme en correcte manier te kunnen controleren. Deze handleiding was beschikbaar in 2005. In feite bestaat ze uit verschillende delen: enerzijds een leidraad voor de exploitanten van inrichtingen, ingedeeld in rubriek 59, om een goed gedocumenteerd en onderbouwd VOS-document op te stellen, anderzijds een handleiding met controlevragen voor de toezichthoudende ambtenaren en nog twee ondersteunende documenten met achtergrondinformatie en antwoorden op veelgestelde vragen. MI gebruikte deze handleiding in 2006 bij een eerste reeks van gecoรถrdineerde inspecties bij bedrijven uit de grafische sector. De VOS-documenten, opgemaakt voor het kalenderjaar 2005, werden door de leden van de werkgroep Lucht vanaf april 2006 onderzocht en beoordeeld. Raadgevingen werden verstuurd om ontoereikende VOS-documenten bij te werken conform de handleiding, waarna de bijgewerkte documenten opnieuw werden onderzocht. Bij sommige bedrijven gebeurde een terreinbezoek ter verificatie van de gegevens van het VOS-document of werden emissiemetingen uitgevoerd. Een tiental betrokken bedrijven werd in 2006 wegens tijdsgebrek nog niet bezocht. De ervaring met deze controles is dat er nog veel bijsturing nodig is om een degelijk VOS-document te bekomen en dat er nog heel wat bedrijven zijn die momenteel nog niet voldoen aan de grenswaarden. Ongeveer tien bedrijven voldeden aan de Vlaremvoorwaarden van hoofdstuk 59. Twintig bedrijven die in 2006 nog niet voldeden aan de geleide en diffuse grenswaarden of aan de beoogde reductie werden aangemaand om alle mogelijke maatregelen te nemen om te voldoen tegen eind oktober 2007. MI zal deze controleactie in 2007 onversaagd verderzetten. Bepaling van diffuse VOS-emissies bij bedrijven uit de grafische sector Het gebruik van de handleiding leerde MI dat de bepaling en controle van de diffuse emissies vaak een probleem vormen: meestal vallen de bedrijven en deskundigen terug op een eigen combinatie van berekeningen en indicatieve metingen om deze diffuse emissies in te schatten. De solventemissierichtlijn schrijft een onrechtstreekse bepalingsmethode voor, gebaseerd op massabalansberekeningen. Uit een onderzoek in opdracht van de afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid is gebleken dat deze methode in sommige gevallen zeer onnauwkeurige resultaten oplevert. Er werd daarom een aanzet gegeven tot een andere methodologie, met een rechtstreekse kwantificering van de diffuse emissies via metingen. Ook in Nederland werd in opdracht van VROM een aangepaste methode ontwikkeld waarbij men de emissies per activiteit
66 โ ข Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Het meten van diffuse emissies is wel degelijk mogelijk met een aanvaardbare meetonzekerheid
tracht in te schatten met behulp van kengetallen (emissiefactoren). Hieruit bleek dat de bepaling van de diffuse VOS-emissies met het oog op de toetsing aan de grenswaarden sterk kon worden vereenvoudigd. De beide voornoemde methodes werden nog maar op beperkte schaal uitgetest. Er gebeurde nog geen grondige vergelijking van de resultaten en de haalbare nauwkeurigheid via rechtstreekse metingen t.o.v. de onrechtstreekse bepalingsmethode. MI wenste de methodologie verder uit te werken en toe te passen in de praktijk en schreef daarom een onderzoeksopdracht uit, gericht op de bedrijven binnen de grafische sector. De doelstellingen werden gedefinieerd als het bepalen van de geleide en diffuse VOS-emissie met toetsing aan de emissiegrenswaarden, het in kaart brengen van de bronnen van diffuse VOS-emissies en hun (relatief) belang en het nagaan op welke - liefst vereenvoudigde - wijze ze kunnen worden gekwantificeerd. Dit moest gebeuren via een doorlichting van de bedrijfsactiviteiten die verband houden met oplosmiddelengebruik en via de uitvoering van een aantal metingen, monsternemingen en analyses. Op basis hiervan diende de haalbare nauwkeurigheid van de bepalingsmethoden voor diffuse emissies te worden bepaald. Uiteindelijk moest een werkwijze worden afgeleid die naderhand bruikbaar is voor zowel de bedrijven zelf als voor de toezichthoudende overheid in deze sector en, bij uitbreiding, in gelijkaardige sectoren. De uitvoering van deze opdracht ving in september 2005 aan. De metingen en doorlichtingen werden hoofdzakelijk in de loop van 2006 uitgevoerd bij drie bedrijven uit de sectoren flexografie (Vlarem I rubriek 59.1.3.1) en rotatiediepdruk (Vlarem I rubriek 59.1.3.3). Voor het bepalen van de diffuse emissie maakte men in deze studie gebruik van meerdere meettechnieken: het meten van de geleide emissies aan de ingang en uitgang van de thermische naverbrander; metingen met behulp van een draagbare FIDanalyzer en draagbare debietsmeter; het gebruik van tracergas voor het bepalen van emissiestromen; metingen door middel van passieve samplers en draagbare debietsmeter. Het besluit van dit project is dat het meten van de diffuse emissies wel degelijk mogelijk is en dat deze meetresultaten met een aanvaardbare meetonzekerheid te bepalen zijn.
Belangrijk is wel dat de juiste meettechniek wordt aangewend; niet elke techniek is voor alle types van metingen bruikbaar. Het bepalen van de meest representatieve meettechniek vraagt inzicht en ervaring in ontstaan en gedrag van diffuse emissiestromen. Uit de metingen bij de drie betrokken bedrijven bleek dat de diffuse emissies zich tussen de 40 % en 60 % situeren en dit terwijl de emissiegrenswaarde 20% van de oplosmiddeleninput bedraagt. Een tweede conclusie van deze studie is dat de grootte en de exacte plaatsen van diffuse emissies door de betrokken bedrijven niet voldoende gekend zijn. De conclusies van deze studie zijn in tegenspraak met de tot op vandaag overheersende visie omtrent de diffuse emissies van drukkerijen. Dit project is het eerste dat daadwerkelijk uitgaat van metingen voor het bepalen van de diffuse emissie. Tot op heden worden de diffuse emissies bepaald door berekeningen en/of schattingen. Deze berekeningen, aan MI geleverd door de bedrijven, gaven veel lagere waarden voor de diffuse emissies dan de gemeten waarden. Hieruit volgt dat, met name voor de bepaling van de grootte van de diffuse emissies, twee visies tegenover elkaar staan. MI heeft nu besloten om beide standpunten samen te brengen en tegen elkaar af te wegen in een vervolgproject in 2007. Als controleorgaan wenst MI immers een nauwkeurig en aanvaardbaar controlesysteem ter beschikking te hebben om het naleven van de milieuwetgeving op te volgen.
Controle van de zelfcontrole lucht: uitwerking van een systematische aanpak Vlarem II legt de bedrijven die polluenten in de lucht lozen emissiegrenswaarden op. Bijkomend kan de vergunningverlener nog bijzondere voorwaarden met betrekking tot de luchtemissies in de milieuvergunning inschrijven. Door de Vlarem II-bepalingen moeten bedrijven die in de lucht emitteren regelmatig hun afgassen laten bemonsteren en zelf toetsen aan de opgelegde grenswaarden. De controle van deze zelfcontrole is een belangrijke taak van MI. Bij de interpretatie van de Vlarem-reglementering over luchtemissies kwamen er knelpunten naar boven, zowel bij bedrijven, deskundigen, laboratoria als bij de toezichthoudende ambtenaren. Vooral de interpretatie van Vlarem II in concrete gevallen was moeilijk. Een systematische aanpak van de controle op de zelfcontrole drong zich op. MI koos hiervoor een erkend deskundige lucht in te zetten. De opdracht liep van september 2005 tot mei 2006. MI gaf de externe deskundige de opdracht om een inventaris van alle voor zelfcontrole relevante Vlaamse emissiepunten op te stellen en een meerjarenplanning op te maken voor de controles van de zelfcontrole lucht, zodanig dat alle betrokken bedrijven en emissiepunten i.f.v. hun potentiële milieu-impact op geregelde basis aan bod kwamen. In dit kader moest het studiebureau ook een concept uitwerken om de frequentie van de
Bedrijven die in de lucht emitteren moeten regelmatig hun afgassen laten bemonsteren en zelf toetsen aan de opgelegde grenswaarden
emissiemetingen, die i.o.v. MI door een erkend lab gebeuren, te optimaliseren. Daarnaast moest de deskundige een handleiding opstellen voor de effectieve controle van de zelfcontrole door de toezichthoudende ambtenaren. De gepresenteerde inventaris bundelt 776 bedrijven met 1.799 relevante emissiepunten die potentieel onder de zelfcontroleverplichtingen vallen. Voor de meerjarenplanning heeft de deskundige twee scenario’s uitgewerkt: een ‘as is’ scenario en een ‘gewenst’ scenario. In het ‘as is’ scenario heeft het milieubureau nagegaan wat mogelijk zou zijn met een geoptimaliseerde inzet van de momenteel beschikbare personeelsleden en de huidige budgettaire middelen. In het gewenste scenario valt de beperking van de personeelsinzet en van het budget weg, zodat MI meer mogelijkheden zou hebben om de zelfcontrole te controleren en om emissiemetingen te laten uitvoeren in haar opdracht. De studie poneert dat er in het gewenste scenario over vijf jaar gemiddeld 2,4 voltijdse equivalenten meer nodig zijn. De verhouding tussen het aantal controles van de zelfcontrole lucht ten opzichte van het aantal emissiemetingen in opdracht van MI is ongeveer 40/60. Het gewenste budget van de controlemetingen ligt ca. 60% hoger dan het huidige werkingskrediet. De deskundige heeft de bestaande vragenlijst van MI met betrekking tot de controle van de zelfcontrole lucht, die opgesteld
Specifieke handhavingscampagnes • 67
Diffuse emissies van op- en overslag dragen bij tot verhoogde emissies in de zogenaamde hot spot-zones
was in het kader van de GPBV-controles, verder verfijnd. In functie hiervan analyseerde de opdrachtnemer de knelpunten met betrekking tot de emissiemeetverplichtingen en zocht naar mogelijke verbeteringen. De conclusies van de resulterende knelpuntennota werden opgenomen in de toelichting bij deze vragenlijst. MI zal voor de controles van de naleving van de zelfcontroleverplichtingen lucht vanaf 2007 de opgestelde handleiding gebruiken.
Fijn stof: aanpak van diffuse emissies en ‘hot spots’ De PM10 fractie in stof, het zogenaamde fijn stof, heeft een belangrijke impact op de menselijke gezondheid. Zwevend stof in de lucht kan zowel op indirecte als directe wijze schadelijk zijn voor de mens. Fijn stof kan een drager zijn van onder andere zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen, bestrijdingsmiddelen en dioxines; deze stoffen komen door inademing van stof in het lichaam. Anderzijds is het stof op zich ook schadelijk. Inademing van voornamelijk de fractie PM10 en kleinere deeltjes zou de gezondheid ernstig kunnen beschadigen; deeltjes groter dan 10 µm worden gemakkelijker verwijderd uit het bovenste gedeelte van het ademhalingssysteem door afvang in de neus en in het slijm in de luchtpijp. Daarom nam de Wereld Gezondheids Organistatie (WHO) fijn stof op in de ‘Guidelines for Air Quality’ (2000). De Europese Unie wijdde aan fijn stof een aparte dochterrichtlijn (1999/30/ EG), onderdeel van de kaderrichtlijn luchtkwaliteit (96/62/ EG). De inhoud van de richtlijn werd integraal opgenomen in
68 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Vlarem II (afdeling 2.5.3.). Voor zwevend stof eist de richtlijn het treffen van de nodige maatregelen om zowel de daggemiddelde concentraties van PM10 in de lucht als de jaargemiddelde concentratie te beperken. De daggemiddelde concentraties van PM10 in de lucht mogen, op 1 januari 2005, niet meer dan 35 keer per jaar 50 µg/m³ overschrijden. De jaargemiddelde concentratie PM10 mag niet hoger zijn dan 40 µg/m³. Op heel wat meetposten van VMM waar de immissieconcentraties aan fijn stof in de omgevingslucht worden bepaald zijn er de voorbije jaren overschrijdingen van de EU-grenswaarden vastgesteld. De kaderrichtlijn luchtkwaliteit bepaalt dat bij overschrijden van de grenswaarden er door de lidstaten plannen en programma’s dienen opgesteld en uitgevoerd te worden om te verzekeren dat de grenswaarden tegen de vooropgestelde streefdatum gerespecteerd zullen worden. In opdracht van de Afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid voerde VITO een studie ‘Hot Spots’ uit. Deze studie beoogde de identificatie van de stofemittoren die bijdragen aan de vastgestelde overschrijdingen van PM10 in Vlaanderen. Oostrozebeke, Roeselare, Ruisbroek en de Gentse kanaalzone werden als hot spot-zones bestudeerd. Daarbij is het duidelijk dat, naast een hoge achtergrondconcentratie en de belangrijke bijdrage van het verkeer, ook emissies van hinderlijke inrichtingen een rol spelen. Vooral diffuse emissies van op- en overslagactiviteiten en van de metaalindustrie dragen bij tot de verhoogde emissies in deze zogenaamde hot spot-zones. Vlaanderen stelde een globaal stofplan op in 2005. Actie 63 van het Vlaamse stofplan 2005 omvat voor de bedrijfsactivi-
Slechts één op de vier gecontroleerde houtafvalverbrandingsinstallaties wordt volledig conform de geldende normeringen en meetverplichtingen geëxploiteerd
teiten die uit de studie ‘Hot spots’ als mogelijke bronnen naar voor komen: ‘onderzoek van voorgestelde maatregelen, overleg met de betrokken bedrijven over te nemen maatregelen en vervolgens instrumentenkeuze voor implementatie’. Voorafgaand aan een in 2007 geplande inspectiecampagne rond fijn stof werd door MI in 2006 het nodige voorbereidende werk uitgevoerd. Dit gebeurde in nauw overleg met de Afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid. Er werd een gezamenlijk actieplan opgesteld, dat werd bekrachtigd door de beleidsraad. Vooreerst werden de milieuvoorwaarden geïnventariseerd die kunnen gehanteerd worden om emissiebeperkende maatregelen bij bedrijven af te dwingen. Naast de Vlarem-voorwaarden zijn daarbij ook de BREF ‘Storage and handling of bulk materials’ en buitenlandse wetgeving bekeken (NeR, TA-Luft). Daarnaast werden al een aantal verkennende bedrijfsbezoeken uitgevoerd. Er werd ook een checklijst stofbeheersingsmaatregelen opgesteld die zal gehanteerd worden bij de bedrijfscontroles in 2007. Bij de keuze van de te controleren bedrijven wordt ervoor geopteerd om prioritair de bronnen van potentieel gevaarlijk stof aan te pakken, namelijk de opslag van ertsen, kolen, houtstof,…
Meetcampagne biomassa- en houtafvalverbrandingsinstallaties Door het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 13 februari 2004) worden de grenswaarden en meetverplichtingen inzake luchtemissies voor biomassa- en (hout)afvalverbrandingsinsta llaties niet alleen afhankelijk gesteld van het vermogen van de verbrandingsinstallatie maar ook van de aard van het afval dat
wordt verbrand. Vanaf 28 december 2005 werden, als gevolg van het verstrijken van de overgangstermijn in Vlarem II, deze voorwaarden van kracht. Als controle op het naleven van de gewijzigde regelgeving werd in het MIP 2006 een meetcampagne bij dergelijke verbrandingsinstallaties bij klasse 1-bedrijven opgenomen. De concentratie van verschillende verontreinigende stoffen in de rookgassen werd gemeten. Bij de helft van de installaties werd ook de dioxine-uitstoot bepaald. Simultaan met de emissiemetingen werd er telkens een houtafvalmonster bemonsterd en geanalyseerd. Bovendien werd er nagegaan of voor deze installaties in het voorbije jaar de zelfcontrolemeetverplichtingen werden nageleefd. Begin 2007 waren de resultaten bekend van de emissiemetingen uitgevoerd bij 45 biomassa- en houtafvalverbrandingsinstallaties waarvan 36 met een vermogen kleiner dan 5 MW. Bij de helft van de verbrandingsinstallaties wordt voor één of meerdere parameters een overschrijding van de emissiegrenswaarden met meer dan 30 % gemeten. Het grootste aantal overschrijdingen (20) wordt vastgesteld voor de parameter CO. Ook voor de parameters stof (5) en NOx (4) werd er bij een aantal installaties een overschrijding van de respectievelijke emissiegrenswaarden vastgesteld. Bij 7 van de 22 installaties (31,7 %) waar eveneens een meting op dioxines werd uitgevoerd wordt de emissiegrenswaarde overschreden. Indien overschrijdingen met minder dan 30 % (dit is binnen de toegelaten meetfout) mee in rekening worden gebracht, dan wordt bij 38 van de 45 (84,4 %) gecontroleerde installaties de emissiegrenswaarde voor één of meerdere parameters overschreden.
Specifieke handhavingscampagnes • 69
MI stelde een actieplan op ter beperking van de emissie en de verspreiding van zware metalen
Het optreden van de normoverschrijdingen kan grosso modo worden toegeschreven aan: - een slecht of onregelmatig verloop van het verbrandingsproces (CO-overschrijding); - een onvoldoende uitbouw en/of werking van de filterinstallaties (stofoverschrijdingen); - een slechte kwaliteit van de brandstof of het niet aangepast zijn van de installatie aan deze brandstof (overschrijdingen voor dioxines en zware metalen). Anderzijds tonen de resultaten van de meetcampagne ook aan dat in ongeveer één derde van de installaties houtafval wordt verbrand dat niet voldoet aan de samenstellingscriteria van art. 5.2.3bis.4.14 §1 van Vlarem II voor niet-verontreinigd behandeld houtafval. Overschrijding van deze samenstellingsparameters komt voor bij installaties vergund voor het verbranden van niet-verontreinigd behandeld houtafval, maar ook bij nagenoeg de helft van de installaties die eerder werden vergund voor het verbranden van onbehandeld houtafval. Aangezien deze installaties echter niet zijn vergund en ook niet zijn uitgerust voor het verbranden van verontreinigd houtafval, dienen ofwel de vergunning en de rookgaszuivering van de verbrandingsinstallatie te worden aangepast aan de inzet van verontreinigd houtafval, ofwel dient er een beperking tot het verbranden van enkel onbehandeld en/of niet-verontreinigd behandeld houtafval te worden ingevoerd. Een globale evaluatie die zowel emissiegrenswaarden, kwaliteitseisen voor het ingezette houtafval en zelfcontroleverplichtingen in rekening brengt, leidt tot de conclusie dat slechts één op vier van de gecontroleerde houtafvalverbrandingsinstallaties volledig conform de geldende normeringen en meetverplichtingen wordt geëxploiteerd. Op basis van de resultaten van de meetcampagne stelde MI in totaal 18 processen-verbaal op voor overschrijding van de emissiegrenswaarden. Daarmee samengaand verstuurde MI 29 aanmaningen ingevolge het overschrijden van de emissiegrens-
70 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
waarden en/of de samenstellingscriteria van het houtafval, het niet naleven van de meetverplichtingen en/of het niet conform zijn van de meetplaats. Het strikter toezien op de kwaliteit van houtafval bij de verbrandingsinstallaties van klasse 1-vergunde bedrijven impliceert eveneens een strengere controle op de werkingswijze, de samenstelling van het houtafval en het naleven van de meetverplichtingen bij bedrijven die deze materialen ophalen, verhakselen en verwerken. Daarnaast moeten ook de kleine en middelgrote verbrandingsinstallaties (< 5 MW) bij klasse 2-vergunde bedrijven die worden vergund onder de rubriek van biomassa-afvalverbranding strenger gecontroleerd te worden. Daarom wordt de controleactie in 2007 verder uitgebreid naar deze bedrijven.
Beperking van emissies van cadmium en andere zware metalen naar de lucht Op sommige meetposten van de VMM worden de laatste jaren verhoogde waarden in de omgevingslucht gemeten van zware metalen in totaal zwevend stof, in de PM10-fractie van zwevend stof en in neervallend stof. Opname van zware metalen in het organisme gebeurt via ademhaling en voeding. Zware metalen kunnen ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van levende wezens. Voor een aantal zware metalen zijn er grens-, richt- en/of streefwaarden in de milieuwetgeving opgenomen (Vlarem II en bijlagen, Europese richtlijnen 1999/30/EG en 2004/107/EG). Voor een aantal zware metalen heeft de WHO richtwaarden bepaald met als doel de bevolking te beschermen tegen ongunstige effecten op hun gezondheid. Na het bekend worden in de pers van de bevindingen van een studie waaruit bleek dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de incidentie van kanker en de blootstelling aan cadmium, werd MI begin 2006, samen met andere overheidsinstanties, ingeschakeld om mee te werken aan de opmaak en uitvoering van een cadmiumplan van de Vlaamse minister
MI volgt de maandelijkse metingen van VMM rond ale schrootverwerkende bedrijven en hun stofbeheersingsacties verder op
van Leefmilieu. De werkgroep Lucht fungeerde als coördinator voor MI. Het cadmiumplan moest ervoor zorgen dat de hot spot-gebieden voor cadmium in de omgeving geïnventariseerd en gesaneerd werden. Het plan omvatte talrijke maatregelen, voornamelijk met betrekking tot de milieucompartimenten lucht, water, bodem en grondwater. U kunt hierover eerder in dit hoofdstuk meer lezen. De werkgroep Lucht achtte, naar aanleiding van haar activiteiten in het kader van het cadmiumplan, de tijd rijp om de inventarisatie en maatregelen met betrekking tot het compartiment lucht uit te breiden naar alle zware metalen. Ze stelde daarom begin 2006 een memo op met inventaris van alle heersende normen voor zware metalen in de omgevingslucht, toetste alle gemeten waarden op meetposten en depositiekruiken van VMM en van relevante bedrijven voor de jaren 2002 tot en met 2005 aan deze normen, identificeerde zo knelpuntparameters en -bedrijven en stelde een actieplan voor MI ter beperking van de emissie en de verspreiding van deze zware metalen door deze bedrijven op. Het gaat om een 12-tal bedrijven, vooral gelegen in de provincie Antwerpen, Limburg en Oost-Vlaanderen. Het actieplan bestaat uit meerdere stappen: de inventarisatie van geleide en diffuse emissies en bronnen, handhavingsacties en saneringsmaatregelen voor de periode 2002-2005 voor de knelpuntbedrijven is een eerste stap. Daarna vulde MI ontbrekende emissiegegevens over geleide bronnen via emissiemetingen in eigen opdracht aan. Vanaf april 2006 voerde MI een controle van de zelfcontroleverplichtingen en -resultaten voor het jaar 2005 van deze bedrijven uit, gevolgd door het nemen van de nodige handhavingsacties bij vastgestelde overschrijdingen tijdens de meetcampagnes of in de zelfcontrolegegevens. Een volgende stap was het inschatten van de bijdrage van diffuse emissies tot de verhoogde concentraties in de omgevingslucht. Indien er hierover onvoldoende info beschikbaar was, maande MI de bedrijven aan om hiertoe zelf verspreidingsberekeningen uit te voeren. Waar de concentraties in de
omgevingslucht verhoogd waren en de diffuse emissies een belangrijke bijdrage leverden, maande MI de betrokken bedrijven aan om alle mogelijke BBT-maatregelen te nemen om hieraan te verhelpen, om zelf metingen op en rond het bedrijfsterrein uit te voeren om de diffuse bronnen te achterhalen en om een stofbeheersingssysteem op te zetten. De bedrijven moesten vervolgens alle te nemen maatregelen vastleggen in een actieplan en uitvoeren. MI zal de voortgang van de uitvoering van deze actieplannen in 2007 verder bewaken.
In kort bestek Beheersing van VOS-emissies bij opslag en verlading van benzine - Damprecuperatie fase 1 Afdeling 5.17.4 van Vlarem II bevat de bepalingen inzake de beheersing van VOS bij de opslag en verlading van benzine. De maatregelen zijn beschreven in bijlage 5.17.9 van Vlarem II. Artikel 5.17.1.10 bevat een algemene bepaling inzake het beperken van luchtverontreiniging bij houders voor zeer giftige, giftige, schadelijke of corrosieve vloeistoffen. Alle voorwaarden zijn, na het verstrijken van overgangstermijnen, sinds begin 2005 van kracht. Dit is een van de maatregelen die moet bijdragen tot het halen van de doelstellingen voor VOS uit de NEC-richtlijn. In 2006 stelde MI een checklijst op voor de controle van deze Vlaremvoorwaarden. Daarnaast maakte MI een inventaris van de relevante bedrijven. Er zijn 11 bedrijven geïnventariseerd, waarvan de meeste in de provincie Antwerpen zijn gelegen (6), een 3-tal in Oost-Vlaanderen en telkens een in Limburg en West-Vlaanderen. Omwille van een verschuiving van prioriteiten, onder andere ten gevolge van het Cadmiumplan (zie hiervoor), werden de controles echter niet uitgevoerd. Onderzoek naar de emissie van dioxineachtige PCB’s Binnen de groep van 209 PCB’s zijn er 12 die worden aangeduid als ‘dioxineachtige PCB’s’, omdat ze gelijkaardige toxicologische eigenschappen bezitten als de dioxinen (PCDD/F). Op
Specifieke handhavingscampagnes • 71
enkele plaatsen, vooral nabij schrootverwerkende bedrijven, werden sterk verhoogde gehaltes aan dioxineachtige PCB’s gevonden in neervallend stof en in hoevemelk. De exploitanten van deze installaties werden aangemaand om een actieplan te maken en uit te voeren. Zo installeerden drie bedrijven een nieuwe stofafzuiging op hun shredder. Een bedrijf in Menen nam, gezien haar ligging tegen het stadscentrum, de meest verregaande maatregelen: een verstrengd acceptatiebeleid voor schrootafval werd ingevoerd, een nieuwe veegwagen werkt continu, een van de twee shredders werd voorzien van een nieuwe afzuiging, verschillende machines werden omkast en transportbanden werden overkapt, stofafzuiging werd aangebracht op verschillende kritische punten, de opvang en de opslag van het cyclonenstof gebeuren volledig gesloten, voor de verwerking van shredderafval werd overgeschakeld van een droog naar een nat procédé, stofrijke producten worden beneveld,… Het effect van de genomen maatregelen op de verontreiniging van de omgeving wordt stilaan zichtbaar in de lagere PCB-depositiemeetwaarden van VMM. Het bedrijf plant in 2007 nog een aantal bijkomende maatregelen. MI volgt de maandelijkse meetresultaten van VMM rond alle schrootverwerkende bedrijven en hun stofbeheersingsacties verder nauwgezet op. In 2006 liet MI ook zelf, gedurende drie periodes van één maand, depositiemetingen uitvoeren van dioxineachtige PCB’s en merker-PCB’s windop- en -afwaarts van een schrootverwerkend bedrijf met shredder en smeltoven, een bedrijf dat PCB-houdende apparaten decontamineert en een bedrijf voor opslag van PCB-houdend afval. Bij evaluatie van de meetresultaten op basis van de meteogegevens blijkt dat in alle gevallen de hoger beladen depositiekruiken windafwaarts van de potentiële bron teruggevonden worden. Op deze locaties zijn de depositiemeetwaarden voor dioxineachtige PCB’s matig verhoogd tot verhoogd indien deze waarden vergeleken worden met de huidige VMM-drempelwaarden. Omwille van hun gemeten invloed op de omgeving, legde MI deze bedrijven op om de nodige maatregelen te nemen.
Ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen Volgens het op 19 september 2003 door de Vlaamse Regering goedgekeurde Milieubeleidsplan 2003-2007 (MINA-plan 3) moeten de emissies van ozonafbrekende stoffen vanuit Vlaanderen worden verminderd met ten minste 70% ten opzichte van de emissies in 1999. Om die vermindering te realiseren dient men zich prioritair te richten op die activiteiten waar die stoffen nog het meest worden ingezet. In 2006 was dit bij de opwekking van koude (koelgassen) en bij de bestrijding van ongedierte (methylbromide). Omdat de emissie van koelgassen bijdraagt tot de globale opwarming van de aarde, of het nu om ozonafbrekende stoffen gaat of gefluoreerde broeikasgassen, kan het terugdringen van de koelgasverliezen die ontstaan
72 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
In 67 van de 78 gecontroleerde bedrijven werden koelinstallaties aangetroffen die niet lekdicht zijn
bij de opwekking van koude bijdragen én tot de bescherming van de stratosferische ozonlaag én tot de bestrijding van het broeikaseffect.
Koelinstallaties In 2006 controleerde MI 78 bedrijven die koelinstallaties gebruiken. Een professionele koeltechnicus stond de toezichthoudend ambtenaar bij om steekproefsgewijs een aantal koelinstallaties te onderzoeken op de aanwezigheid van koelgaslekken. In 67 van de 78 bedrijven werden koelinstallaties aangetroffen die niet lekdicht zijn. Van de 272 geteste koelinstallaties bleken er 161 (= 59%) niet lekdicht. Hoewel elke installatie slechts gedeeltelijk werd getest, werden in totaal 385 koelgaslekken opgetekend. Niet lekdichte koelinstallaties veroorzaken in de regel koelgasemissies via meerdere onderdelen. De onderdelen die aanleiding geven tot lekken, zijn deze die het eigenlijke koelmiddelcircuit afscheiden van de omgeving met behulp van niet-permanent gasdichte componenten, zoals kranen, ventielen en pakkingen. Exploitanten zijn wettelijk verplicht per installatie een logboek bij te houden als de koelmiddelinhoud van de installatie meer dan 3 kg bedraagt en als het koelmiddel een ozonafbrekende stof of een gefluoreerd broeikasgas is. In 60 van de 78 bedrijven (= 77%) bleek het logboek - als het al aanwezig was - niet alle verplichte informatie te bevatten (gegevens over de technische kenmerken van de koelinstallatie, de werkzaamheden verricht aan de installatie, de storingen die aanleiding kunnen geven tot lekken, alle koelgasbijvullingen, de rapportering over de controle van de lekdichtheid en de periodes dat de installatie buiten bedrijf werd gesteld). Het was dan ook eerder de uitzondering dan de regel dat de toezichthoudend ambtenaar zich een volledig beeld kon vormen van het jaarlijkse relatieve lekverlies van de installaties (slechts voor 39 van de 387 als relevant beschouwde koelinstallaties, of 10%). Exploitanten zijn ook verplicht alle maatregelen te nemen die overeenkomstig de beste beschikbare technieken haalbaar zijn, om het individuele lekverlies van hun koelinstallaties te beperken tot ten hoogste 5% per jaar. Het risico is reëel dat, als de toezichthoudend ambtenaar het jaarlijkse relatieve lekverlies niet kan inschatten vanwege onvolkomen gegevensbeheer door het bedrijf, de exploitant dat evenmin kan. Dit heeft als
Jaar
Koelgroepen getest i.o.v. MI
Lekverliezen berekend door MI
Percentage koelinrichtingen nog nooit gecontroleerd
Aantal installaties
Niet lekdicht
Aantal installaties
Gemiddeld lekverlies
2006
272
59%
38
94%
69%
2005
238
68%
65
98%
69%
2004
130
68%
29
101%
69%
2003
123
59%
25
124%
80%
resultaat dat de exploitant niet gesensibiliseerd of gealarmeerd wordt door opeenvolgende koelgasbijvullingen omdat ze eenvoudigweg niet worden geregistreerd en geëvalueerd, laat staan voldoende aandacht krijgen, en dat installaties gedurende maanden, zo niet jaren, koelgas uitstoten zonder dat de exploitant actie onderneemt om het koelgaslek te laten dichten. Zonder enige (pseudo-)correctieve maatregelen, zoals het geregeld bijvullen met koelgas, zal de koelinstallatie op lange termijn stilvallen wegens gebrek aan koelmiddel, met verlies aan operationele capaciteit, mogelijk productverlies en ontstaan van afval. Zulke storingen alarmeren de exploitant wel degelijk en zijn een dagelijks aandachtspunt. De exploitant neemt op dat ogenblik dan ook onmiddellijk maatregelen. De kosten die zulke storingen met zich meebrengen zijn immers niet te verwaarlozen. De koeltechnicus die werkt in opdracht van de exploitant zal de door de exploitant zo nagestreefde bedrijfszekerheid en beschikbaarheid van de installatie veilig stellen door dat type van calamiteit zo elegant mogelijk te voorkomen: door geregelde koelgasbijvullingen. Deze handelwijze is in strijd met de wet. Immers, Vlarem II legt op dat koelinstallaties moeten worden onderhouden volgens een code van goede praktijk, en die schrijft onder andere voor dat er nooit koudemiddel mag worden toegevoegd vóór alle lekken zijn gedicht. De praktijk dat een exploitant zich volledig afzijdig opstelt ten opzichte van het goede operationele beheer van zijn koelinstallaties en dit blindelings bij een koeltechnisch bedrijf laat, stemt evenzeer tot nadenken. Zuiver bedrijfseconomische criteria kunnen bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat de structurele sanering van koelgaslekken wordt uitgesteld, of dat de specifieke essentiële ervaring met de koelinstallaties verdwijnt met het koeltechnisch bedrijf. MI verbaliseerde één van de 78 gecontroleerde bedrijven, omdat het bedrijf onvoldoende gevolg had gegeven aan eerdere aanmaningen. Het liet na zijn logboek te voorzien van de wettelijk voorziene informatie, de verplichte instructiekaarten voor de koelinstallaties waren nog steeds niet aangebracht en de voorgeschreven periodieke lekdichtheidstesten waren niet uitgevoerd.
MI stuurde 74 van de 78 gecontroleerde bedrijven een aanmaning, de andere vier kregen enkel een raadgeving in hun postbus. Alle aanmaningen hadden tot doel de exploitanten aan te zetten de exploitatie van hun koelinstallatie verenigbaar te maken met de milieuvoorschriften binnen een aanvaardbare termijn. Alle raadgevingen reikten de exploitanten aandachtspunten aan om hun exploitatie milieutechnisch beter te maken. Typische onderrichtingen zijn: logboeken aanleggen of opstellen zoals door Vlarem voorgeschreven is; koelgaslekken dichten; periodieke controles op lekdichtheid uitvoeren; een onderhoudsprogramma opstellen en uitvoeren conform een code van goede praktijk; de verplichte instructiekaarten aanbrengen bij de installaties; voortaan eerst koelgaslekken dichten vooraleer nog koelmiddel bij te vullen; de verplichte druk- en constructieattesten ter beschikking houden en maatregelen voorstellen om de relatieve lekverliezen te beperken. Eind 2006 hadden de meeste exploitanten de instructies opgevolgd.
Bemonstering MI heeft in tien bijkomende bedrijven ook monsters genomen van de koelgassen in de gebruikte koelinstallaties. 20 koelgasmonsters werden geanalyseerd. In tien monsters werden sporen verboden koelmiddelen teruggevonden. Beide monsters van een slachthuis in Limburg vertoonden niet verwaarloosbare concentraties van het verboden CFK 12. Dit leverde het slachthuis een proces-verbaal en een aanmaning op.
Niet-koeltoepassingen Het gebruik van ozonafbrekende stoffen voor andere toepassingen dan voor koeling wordt in hoofdzaak gereglementeerd door de Europese Verordening (EG) nr. 2037/2000. Die Europese regelgeving is rechtstreeks toepasselijk in België, en dus ook in Vlaanderen. Het decreet van 30 april 2004 tot wijziging van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging en van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, implementeert in Vlaanderen de juridische basis voor de handhaving en legt tevens de strafbepalingen vast die staan op de niet-naleving van die voorschriften waarvoor het Vlaamse Gewest bevoegd is.
Specifieke handhavingscampagnes • 73
In 10 van de 20 geanalyseerde monsters werden sporen van verboden koelmiddel gevonden
Opslag van de spuitbussen met verboden drijfgassen
Het gebruik van methylbromide-gifgas is sinds 1 januari 2006 totaal verboden behalve voor containerbehandeling (‘quarantainedoeleinden of toepassingen voorafgaand aan het vervoer’), en voor kritisch gebruik. Als kritisch gebruik in België was enkel de behandeling van bloemmolens nog toegestaan. MI heeft geen indicatie bekomen dat methylbromide nog werd gebruikt voor grondontsmetting, een toepassing die in het verleden voor honderden tonnen gifgasemissie per jaar zorgde. In 2006 detecteerde MI geen bedrijven waar nog brandbestrijdingssystemen in dienst waren op basis van halon.
grote voedingsbedrijven en de controle van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s).
MI onderschept frigo’s en spuitbussen met verboden gassen MI stelde proces-verbaal op tegen een bedrijfsvoerder in OostVlaanderen die honderden kleine frigo’s invoerde uit China met daarin verboden blaasmiddel in de thermische isolatie. Die frigo’s mogen niet op de markt worden gebracht, zodat de bedrijfsvoerder zich geconfronteerd zag met een situatie waar hij geen legale nuttige toepassing meer had voor die frigo’s. Ook de wederuitvoer van de frigo’s was verboden. De bedrijfsvoerder weigerde zijn lading, die van rechtswege het statuut van afval had aangenomen, regulier te verwijderen zoals het Afvalstoffendecreet het nochtans voorschrijft. Uiteindelijk zijn alle gerecupereerde frigo’s afgevoerd naar een vergunde verwerker en zijn ze daar vernietigd. Na tips uit binnen- en buitenland bemonsterde MI in een bedrijf in Limburg een partij spuitbussen. Twee van de drie types spuitbussen bleken verboden drijfgas te bevatten, wat maakt dat deze spuitbussen niet mochten worden ingevoerd of uitgevoerd, noch op de markt worden gebracht. Ook deze bedrijfsvoerder zag zich geconfronteerd met een lading waar hij geen legale nuttige toepassing meer voor had. Deze bedrijfsvoerder was snel bereid zijn partij illegale spuitbussen regulier te laten verwijderen.
Water De werkgroep Water bundelt binnen MI de handhavingsexpertise in verband met afvalwater. In 2006 ging de aandacht, naast de klassieke routinemonsternames, voornamelijk naar de controle van de lozing van gevaarlijke stoffen, de lozingen van
74 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Lozing van gevaarlijke stoffen Bij de lozing van bedrijfsafvalwater worden de stoffen die behoren tot families of groepen van stoffen, vermeld in lijst I en II van bijlage 2C van Vlarem I (= zwarte en grijze lijst), als gevaarlijke stoffen beschouwd. Die stoffen mogen alleen worden geloosd boven de milieukwaliteitsnorm tenzij in de milieuvergunning specifieke emissiegrenswaarden zijn vastgelegd. Voor de beoordeling van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de lozingen van bedrijfsafvalwater hanteert MI al enige jaren een interne richtlijn die onder andere rekening houdt met detectiegrenzen, meetfouten en matrixeffecten. Het doel is een uniforme interpretatie bij de beoordeling van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de lozing van bedrijfsafvalwater. MI oordeelde dat de lozing van gevaarlijke stoffen bij een ruime selectie van bedrijven verder actief moest worden onderzocht. In 2006 ging er bijzondere aandacht naar broomhoudende vlamvertragers, minder vluchtige halogeenkoolwaterstoffen en dioxines en furanen bij afvalverbrandingsinstallaties. Broomhoudende vlamvertragers Gebromeerde vlamvertragers zijn stoffen die tijdens het productieproces worden toegevoegd aan allerlei producten, zoals elektrisch en elektronisch materiaal, bouwmaterialen en textielwaren, met als doel de ontvlambaarheid van die producten te verminderen. De stoffen zijn persistent en kunnen bioaccumuleerbaar zijn. Er zijn ook hormoonverstorende effecten bekend. Bij verbranding kunnen gebromeerde dioxinen en furanen vrijkomen. In de lijst van bijlage 2C van Vlarem I worden die producten gecatalogeerd als persistente, bioaccumuleerbare organische halogeenverbindingen (zwarte lijst stoffen). Na de diverse onderzoeken en controles van de voorbije jaren, liet MI opnieuw verschillende afvalwaters van textielbedrijven, producenten van plastic en afvalwaterverwerkers bemonsteren en analyseren op polybroomdifenylethers (PBDE), hexabroomcyclododecaan (HBCD), tetrabroombisphenol A (TBBA) en andere broomhoudende verbindingen (pentabroomtolueen, pentabroomethylbenzeen, pentabroombenzylalcohol, 1,2-
De werkgroep Water bundelt binnen MI de handhavingsexpertise in verband met afvalwater
In 2006 ging er bijzondere aandacht naar broomhoudende vlamvertragers, minder vluchtige halogeenkoolwaterstoffen en dioxines en furanen
bis(2,4,6-tribroomfenoxy)ethaan, tris(2,3-dibroompropyl)isocy anuraat en decabroomdifenylethaan.
dan ook een proces-verbaal op en maande het bedrijf aan om op korte termijn een saneringsplan op te maken met als doel de lozing van brandvertragers te beëindigen. Het bedrijf stelde hierop een uitvoerig actieplan op. Dit plan was vooral gericht op het nemen van preventieve maatregelen, om te voorkomen dat broomhoudende brandvertragers in het milieu zouden worden vrijgesteld. In deze context onderschreef het bedrijf eveneens het vanuit de broomsector geïnitieerde VECAP-programma (Voluntary Emission Control Action Program). Ook werd gestart met een specifieke periodieke opleiding van het personeel van de betrokken afdeling.
Gespreid over twee monsternamecampagnes nam MI 75 monsters. Bij 21 van deze monsters werd minstens één component met een gehalte van meer dan 5 µg/l vastgesteld. MI maande de betrokken bedrijven aan om nog meer gegevens te verzamelen en om de lozing van die stoffen te beëindigen. In de milieuvergunning van een textielbedrijf werd de verdere lozing van die stoffen al verboden. MI liet bij de genomen monsters ook een analyse uitvoeren van antimoon. De resultaten bevestigen dat deze stof geregeld samen met brandvertragers gebruikt en geloosd wordt. MI zal in 2007 verder onderzoek laten uitvoeren naar het gebruik en de lozing van broomhoudende vlamvertragers. Naast een inventarisatiefase in nieuwe sectoren zullen er opnieuw diverse monsternames en analyses worden uitgevoerd. VITO is ondertussen ook gestart met een werkgroep zodat binnenkort meerdere laboratoria in staat zouden moeten zijn om de analyses van broomhoudende brandvertragers uit te voeren. Ondertussen meldden al verschillende bedrijven dat er zal overgeschakeld worden op broomvrije brandvertragers of dat alle afvalwater volledig opgevangen zal worden om afgevoerd te worden naar een erkende verwerker of naar de producent voor herwinning van het basisproduct. Eén belangrijke lozer is ondertussen ook reeds volledig gestopt. Reductie van de lozing van broomhoudende vlamvertragers bij een chemisch bedrijf In het kader van de hierboven vermelde controles naar het gebruik en de lozing van broomhoudende vlamvertragers nam MI in de herfst van 2005, in samenwerking met het referentielaboratorium VITO, monsters van het geloosde bedrijfsafvalwater bij een chemisch bedrijf. In dit bedrijf worden onder meer compounds geproduceerd voor de tapijtindustrie. MI stelde vast dat het bedrijf BDE 209, een broomhoudende brandvertrager, loost in een concentratie van 66 ppb. Dit resultaat werd bevestigd door het resultaat van de tegenanalyse, uitgevoerd in opdracht van het bedrijf. De milieuvergunning van dit bedrijf vermeldt een expliciet lozingsverbod voor broomhoudende brandvertragers. MI stelde
Na het nemen van de eerste corrigerende maatregelen gaf het bedrijf opdracht aan een erkend laboratorium om het geloosde bedrijfsafvalwater maandelijks te analyseren op broomhoudende brandvertragers. Uit deze monitoring bleek snel dat de concentratie aan broomhoudende brandvertragers in het geloosde effluent sterk was gereduceerd. Het resterende gehalte aan BDE 209 bleek tot een concentratie in de grootteorde van 1 ppb te zijn gedaald. Ter verificatie van deze positieve bedrijfsresultaten nam MI in juni en oktober 2006 zelf opnieuw monsters van het geloosde effluent. De analyseresultaten bevestigden de eerder gerapporteerde gunstige bedrijfsresultaten. MI kan dan ook besluiten dat de genomen preventieve maatregelen effectief hebben geleid tot een aanzienlijke reductie van de geloosde hoeveelheden broomhoudende brandvertragers. Volgens het bedrijf is het niet meer mogelijk de laatste restconcentraties verder te reduceren. Ondanks het feit dat de gemeten concentraties aan BDE 209 zeer gering zijn, heeft het bedrijf - gelet op het strikte lozingsverbod opgelegd in de milieuvergunning - stappen gezet om vooralsnog een beperkte lozingsnorm te bekomen. Dioxinen en furanen Bij de omzetting van de Europese richtlijn ‘afvalverbranding’ kwamen er in Vlarem II diverse nieuwe bepalingen over de lozing van afvalwater van de rookgasreiniging van afvalverbrandingsinstallaties. Die bepalingen werden voor bestaande installaties eind 2005 van kracht. Een belangrijke nieuwe bepaling handelt over de lozing van dioxinen en furanen. Na de eerste verkennende metingen in 2005, zette MI in 2006 de controle van die bepalingen bij huisvuilverbrandingsin-
Specifieke handhavingscampagnes • 75
Het bedrijf gaf de opdracht aan een erkend laboratorium om het geloosde bedrijfsafvalwater maandelijks te bemonsteren: de concentratie aan broomhoudende vlamvertragers in het effluent daalde snel
Slechts in 20 van de 266 monsters werden sporen van minder vluchtige halogeenkoolwaterstoffen gevonden
stallaties verder. Daarnaast werden ook monsters genomen bij afvalverwerkende bedrijven. Bij alle installaties (negen in totaal) liet MI een monster van de lozing van het afvalwater analyseren op dioxinen en furanen. De gevonden concentraties lagen ver beneden de normwaarde van 0,3 ng TEQ/l, behalve bij één huisvuilverbrandingsinstallatie waar een licht verhoogde waarde werd gevonden (binnen de meetonzekerheid). De tegenanalyse in opdracht van het bedrijf, de resultaten van de zelfcontrole en een nieuwe controle van MI (begin 2007) bevestigden deze verhoogde waarde echter niet. MI blijft echter waakzaam en zal nog verder deze controles uitvoeren.
aanwezigheid van een van de betrokken parameters gedetecteerd worden, telkens in zeer lage gehaltes. MI hoefde dan ook geen verdere actie te ondernemen.
Voortgangscontroles van vorige jaren MI voert al meerdere jaren controles uit naar de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de lozing van bedrijfsafvalwater. Daarbij was er de afgelopen jaren bijzondere aandacht voor MAK’s, PAK’s, totaal-fosfor en vluchtige halogeenkoolwaterstoffen. Bij de bedrijven waar MI tijdens deze campagnes een verhoogde waarde voor een van de betrokken stoffen vaststelde, voerde MI in 2006 een nieuwe controle uit, als check van de reeds gerealiseerde saneringen. Daarbij bleek al 61% van de 121 gecontroleerde bedrijven in orde te zijn. MI zal de resterende saneringen bij de andere bedrijven verder volgen. Minder vluchtige halogeenkoolwaterstoffen Naar analogie met de campagnes van de voorbije jaren, ging er in 2006 bijzondere aandacht naar de aanwezigheid van minder vluchtige halogeenkoolwaterstoffen in de lozing van bedrijfsafvalwater. Onder de minder vluchtige halogeenkoolwaterstoffen worden de multiple gechloreerde benzenen en benzeenverbindingen met chloor- en nitrosubstituenten gerekend. Ze hebben de neiging tot bioaccumulatie in menselijk of dierlijk weefsel. Enkele trichloorbenzenen zijn opgenomen in de lijst van de potentiële zwarte lijst stoffen van de Europese richtlijn betreffende de verontreiniging van het aquatisch milieu door gevaarlijke stoffen (76/464/EEG) wegens hun toxiciteit en hun moeilijke biologische afbreekbaarheid. Al deze stoffen zijn specifieke solventen met beperkte toepassing en gebruik in herbiciden. MI liet in 2006 op 266 monsters van bedrijfsafvalwater, afkomstig van 167 bedrijven, de minder vluchtige halogeenkoolwaterstoffen analyseren. Slechts in 20 monsters kon de
76 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Voedingsbedrijven onder Richtlijn 91/271/EEG De Europese Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater legt in artikel 13 §1 de volgende verplichting op: ‘De lidstaten zorgen ervoor dat biologisch afbreekbaar industrieel afvalwater van installaties van de in bijlage III genoemde bedrijfstakken (vnl. voedingsbedrijven en aanverwante sectoren) dat niet via stedelijke afvalwaterzuiveringsinstallaties in ontvangende wateren wordt geloosd, uiterlijk op 31 december 2000 vóór de lozing voldoet aan de voorwaarden die in voorafgaande voorschriften en/of bijzondere vergunningen door de bevoegde autoriteit of instantie zijn vastgesteld, als het lozingen betreft van installaties die ten minste 4.000 i.e. vertegenwoordigen.’ Dat artikel werd overgenomen in Vlarem II. Daarom startte MI in 2001 met de inventarisatie van die bedrijven en voerde ze bij de bedrijven in kwestie extra controles uit in het kader van de routinemonsternames. Die controles werden uitgediept en gecoördineerd vanaf 2002: bij 87 bedrijven neemt MI jaarlijks minstens drie afvalwatermonsters om na te gaan of de bedrijven tijdens het volledige jaar aan alle bepalingen voldoen. Zo werd die actie ook in 2006 uitgevoerd gedurende het hele jaar. De spreiding in de tijd zorgde voor een betere controle van de bedrijven met een seizoensgebonden activiteit. Hiertoe behoren heel wat groenteverwerkers. In het kader van die actie werden in 2006 bij de 87 betrokken bedrijven niet minder dan 249 afvalwatermonsters genomen en geanalyseerd. Bij de evaluatie van de resultaten bleek de positieve tendens van de voorbije jaren zich verder te zetten. Op basis van een beperkt aantal resultaten bleek in 2001 dat 64% van de bedrijven in kwestie aan de lozingsnormen voldeed. In 2002 zakte dat percentage tot 57%, waarschijnlijk mede veroorzaakt door de intensievere controle. Het percentage steeg echter tot 78% in 2003 en bleef in 2004 stabiel op 76%. In 2005 steeg het percentage bedrijven dat voldoet aan de normering tot 81 %, om in 2006 nog lichtjes te stijgen naar 82%.
82% van gecontroleerde voedingsbedrijven voldeed aan de lozingsnormen
MI kon na eigen monsternames besluiten dat het afvalwaterprobleem van de kippenslachterij was opgelost
Uit de gegevens van de individuele bedrijfscontroles kan worden afgeleid dat er in 2006 nog steeds saneringen uitgevoerd worden of noodzakelijk zijn. Er waren 14 bedrijven waarbij overschrijdingen van de normen genoteerd werden. Ze zijn te wijten aan een niet afdoende tertiaire zuivering waarbij ofwel de stikstofverwijdering onvoldoende ruim gedimensioneerd is ofwel de fosforverwijdering nog onvoldoende toegepast wordt. Verder wordt ook geregeld een ernstige slibuitspoeling vastgesteld en zijn enkele bedrijven hun waterzuiveringsinfrastructuur nog aan het aanpassen.
aan de waterzuiveringsinstallatie en de resultaten weer enige tijd binnen aanvaardbare normen kwamen. In maart 2006 liep de zaak echter totaal verkeerd toen er een breuk ontstond in de aanzuigleiding van het afvalwater uit de nabezinkingsvijver. Hierdoor kwamen grote hoeveelheden zwaar verontreinigd slib via de venturi in een nabijgelegen beek terecht, met alle gevolgen van dien.
In de aardappelsector waren vijf bedrijven nog ver verwijderd van de fosfornorm omdat pyrofosfaat gedoseerd wordt in de productie. Die bedrijven slagen er voorlopig (nog) niet in om de strenge fosforeisen te halen. Een aardappelverwerkend bedrijf is er ondertussen wel in geslaagd om de fosfornorm te respecteren. De vroegere problemen bij groenteverwerkers zijn in 2006 opgelost door het versoepelen van de normen voor N en P voor de schepmonsters. Er werden tevens normen voor jaargemiddelde concentraties ingevoerd. In de zuivelsector waren er vier bedrijven met diverse problemen waardoor de normen niet behaald werden. Tevens waren er twee slachthuizen, een suikerraffinaderij, een wasserij en een gelatinebdrijf die om diverse redenen de lozingsnormen overschreden. MI verbaliseerde de overschrijdingen van de lozingsnormen en verstuurde de nodige aanmaningen aan de betrokken exploitanten zodat de noodzakelijke saneringen binnen een redelijke termijn verder worden uitgevoerd. We blijven deze saneringen van nabij volgen. Afvalwatersanering bij een industriële kippenslachterij MI bemonstert, in het kader van de controles bij bedrijven die vallen onder de richtlijn 91/271/EEG, reeds enkele jaren geregeld het afvalwater van een grote kippenslachterij in Oost-Vlaanderen. Aangezien er dagelijks meerdere tienduizenden kippen geslacht worden, is het duidelijk dat hierbij een aanzienlijk afvalwaterprobleem kan optreden. Inderdaad werd in het verleden reeds herhaaldelijk vastgesteld dat het geloosde bedrijfsafvalwater te zwaar belast is met stikstof, terwijl ook de CZV-waarde geregeld boven de norm steeg. MI stelde dan ook een proces-verbaal op en verstuurde een aanmaning naar het bedrijf, waarna het bedrijf wat ‘sleutelde’
Dit incident was mede de aanleiding om een grondige sanering op te leggen aan het bedrijf. De gemeente belegde een reeks vergaderingen waarbij de gezamelijke administraties van gemeente, VMM en MI de ernst van de situatie aan het bedrijf duidelijk gemaakt hebben. Het bedrijf moest kiezen tussen het uitvoeren van een grondige sanering of het afvoeren en extern laten behandelen van het afvalwater. Dit laatste zou uiteraard een grote meeruitgave betekenen voor de kippenslachter. Het bedrijf koos natuurlijk voor de eerste oplossing en besloot zich continu te laten begeleiden door een bekwaam studiebureau. MI eiste hierbij bovendien een dagelijkse rapportering van de geleverde inspanningen en de resultaten. Het studiebureau heeft dan de bestaande waterzuivering grondig doorgelicht en ondermeer de vervanging van enkele technische onderdelen geadviseerd, naast ook een betere dosering van de gebruikte chemicaliën. Dagelijks analyseerde het bedrijf enkele kritische parameters en kreeg MI ook de resultaten doorgemaild. Al na korte tijd bleek dat er een geleidelijke verbetering was van de geloosde stikstofhoeveelheid en van de CZV. Uiteraard nam MI ook zelf monsters van het afvalwater, en in oktober van vorig jaar kon eindelijk besloten worden dat het afvalwaterprobleem van de kippenslachterij was opgelost.
Controle van RWZI’s MI ging voor de controle van RWZI’s in 2006 verder op het ondertussen gekende elan en onderscheidde daarbij opnieuw twee gebieden: enerzijds was er de verdere (jaarlijkse) voortgangscontrole van de naleving van de emissievoorwaarden, en anderzijds werd er aandacht besteed aan de aanvoer en de aanvaarding van afvalstoffen, voornamelijk septisch materiaal. Naleving van de emissievoorwaarden MI controleert de naleving van de emissievoorwaarden bij RWZI’s op basis van de zelfcontrole (zoals voorgeschreven door
Specifieke handhavingscampagnes • 77
MI controleerde bij de RWZI’s ook de aanvoer van septisch materiaal
MI ontving van VMM een lijst van industriële lozingen die een (grote) impact hebben op de waterkwaliteit
In kort bestek Vlarem II). De aanmaningen van de voorbije jaren resulteerden in een volledige uitvoering van het verplichte zelfcontroleprogramma: de juiste parameters werden met de juiste frequentie bepaald, op basis van debietsproportionele monsternames. Ook de resultaten van het zelfcontroleprogramma werden geëvalueerd. Het aantal installaties met blijvende problemen lijkt echter steeds te dalen. Daarnaast stelde MI incidentele en in de tijd beperkte overschrijdingen vast bij enkele RWZI’s. De doelstelling van MI is om alle installaties zo snel mogelijk alle normen te laten naleven, ook de installaties die momenteel nog worden gerenoveerd. MI probeert de renovatie van die installaties te bespoedigen. Aanvoer en aanvaarding van afvalstoffen De voortgangscontrole door MI van de aanvoer en aanvaarding van afvalstoffen, waaronder septisch materiaal, op RWZI’s resulteerde in een duidelijke en eenvormige procedure voor de aanvaarding van afvalstoffen: alle RWZI’s gebruiken momenteel dezelfde procedure en die procedure wordt niet alleen voor septisch materiaal maar ook voor alle andere afvalstoffen toegepast. Die procedure werd in de werkplannen van de RWZI’s opgenomen. MI controleerde de effectieve implementatie van de procedures in het werkplan en had daarbij vooral aandacht voor de verplichte visuele controle bij de aanvaarding van afvalstoffen. Die visuele controle is een belangrijk element bij het detecteren van verdachte ladingen. MI maakte in het verleden ook afspraken rond de voortgangscontrole van geweigerde ladingen septisch materiaal. Die afspraken werden in 2006 verder gevolgd: bij de weigering door de bevoegde afgevaardigde van Aquafin wordt ook MI dadelijk op de hoogte gesteld. MI probeert dan zo snel mogelijk een controle bij de ruimer uit te voeren om enerzijds de oorsprong van de lading en anderzijds de bestemming van de geweigerde lading na te gaan. Deze controles zullen onverminderd worden voortgezet.
78 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Industriële lozingen met impact op waterkwaliteit Als input bij het opstellen van het MIP 2006 ontving MI van VMM een aantal voorstellen en suggesties, resulterend uit een bevraging van de relevante betrokken personen en diensten van de afdeling Meetnetten en Onderzoek. Daarbij selecteerde VMM 39 bedrijven waarbij het hen opportuun leek deze (opnieuw) te onderwerpen aan een controle van de naleving van de lozingsvoorwaarden. Deze selectie was gebaseerd op een aantal terugkerende of blijvende problemen met betrekking tot de waterkwaliteit, die met een aan grote zekerheid grenzende waarschijnlijkheid waren toe te schrijven aan industriële lozingen. De bedrijven die door VMM werden meegedeeld, staan op de MI-planning van de routinemonsternames en de lozing van hun afvalwater wordt normaliter reeds jaarlijks één of meerdere malen gecontroleerd. Naar aanleiding van de vraag van VMM werden heel wat extra monsternames uitgevoerd, bij 12 bedrijven werd zelfs een monsternamecampagne uitgevoerd. Bij 77% van de gecontroleerde bedrijven stelde MI geen of slechts incidentele overschrijdingen vast. In enkele gevallen lijkt het duidelijk dat het feit dat een waterloop niet voldoet aan de milieukwaliteitsnormen geen gevolg is van het niet naleven van de lozingsvoorwaarden, maar wel een gevolg is van de parameters en de concentraties die vermeld worden in deze lozingsvoorwaarden. Deze informatie werd bezorgd aan de adviesverlenende instanties afdeling Milieuvergunningen en VMM. Negen bedrijven vertoonden structurele tekortkomingen. MI stelde processen-verbaal op en verstuurde aanmaningen naar deze bedrijven. MI volgt de sanering van deze problemen verder op. Camera-inspecties van riolen en leidingen MI laat geregeld camera-inspecties uitvoeren van riolen en leidingen om na te gaan of er geen onbekende (illegale?) aansluitingen zijn op de riolering. Deze onderzoeken kunnen ook gebruikt worden om bij gescheiden stelsels na te gaan of de regenwaterafvoer en de afvoer van bedrijfsafvalwater inderdaad op de juiste riolering zijn aangesloten. MI gebruikt voor deze
MI laat camera-inspecties uitvoeren van riolen en leidingen om na te gaan of er geen onbekende aansluitingen zijn
MI controleerde bij 21 serres of ze geen drainwater loosden
onderzoeken niet enkel de klassieke rioolcamera, maar ook kleinere (duw)camera’s waarmee ook een controle in kleinere leidingen kan uitgevoerd worden.
force, een voorstel opstellen voor de uitvoering van de verdere controles bij tuinbouwbedrijven.
In 2006 werden (riool)camera-inspecties uitgevoerd in Staden, Dendermonde en Sint-Truiden. In het hoofdstuk ‘Voortgangscontrole en eigen initiatief’ kan u het verslag van een dergelijke inspectie lezen. Lozingen van overtollig drainwater bij serrebedrijven Op basis van de resultaten van het MAP-meetnet en van het oppervlaktewatermeetnet van VMM werd het de laatste jaren steeds duidelijker dat ook de glastuinbouw een (aanzienlijke) impact heeft op de kwaliteit van sommige waterlopen. Zo kon men o.a. in regio’s met veel glastuinbouw vaststellen dat bepaalde nitraatpieken niet konden verklaard worden vanuit de gebruikelijke landbouwpraktijk en zeer waarschijnlijk veroorzaakt werden door (illegale) lozingen van drainwater van serres. Op initiatief van de Vlaamse minister van Leefmilieu richtte VLM een taskforce ‘Tuinbouw nitraatproblematiek’ op. Deze taskforce bestaat uit vertegenwoordigers van de leefmilieu- en landbouwadministratie, de landbouworganisaties, de groenteveilingen, de diepvriesgroentebedrijven en wetenschappers. De voornaamste doelstelling van deze taskforce is na te gaan hoe kan worden ingegaan op de uitdaging om de nitraatconcentratie ook in de tuinbouwgebieden te verminderen. MI neemt deel aan deze taskforce en aan de bijhorende subwerkgroep ‘Drainwater/restdrain’. In de marge van deze vergaderingen ontving MI informatie over de belangrijkste probleempunten van het MAP-meetnet, die waarschijnlijk veroorzaakt worden door lozingen van de tuinbouw. Na een inventarisatie van mogelijk betrokken tuinbouwbedrijven controleerde MI eind 2006-begin 2007 21 serres (waarvan 15 in de provincie Antwerpen). Bij vijf van deze bedrijven werden indicaties gevonden dat er (soms) restdrain geloosd wordt, bij andere bedrijven was dit veel moeilijker vast te stellen of was er geen restdrain. MI zal in de loop van 2007 de vaststellingen evalueren en zal daaruit, rekening houdend met de verdere wettelijke evoluties en de besluiten van de task-
Milieurelevantie en vermogensvoordeel bij overschrijding van emissiegrenswaarden Bij de vaststelling van een overschrijding van emissiegrenswaarden (zowel bij de lozing van afvalwater als bij de emissie van rookgassen) stelt MI een proces-verbaal op. In deze processen-verbaal omschrijft MI de milieurelevantie (of milieuimpact) van de vastgestelde overschrijding en geeft zij een eerste inschatting van het vermogensvoordeel dat het bedrijf bekomen heeft door niet te zorgen voor het naleven van de vergunningsvoorwaarden. Om de kwaliteit van deze processen-verbaal verder te optimaliseren en om de procureur des Konings bijkomende informatie te bezorgen over de milieurelevantie en het vermogensvoordeel bij een vastgestelde overschrijding van de emissiegrenswaarde wil MI beschikken over een handleiding, die verder technisch en wetenschappelijk onderbouwd is. MI gunde hiervoor eind 2006 een opdracht aan een extern studiebureau. Deze opdracht loopt tot eind 2007.
De milieu-impact van een vastgestelde overtreding wordt beschreven in het proces-verbaal
Specifieke handhavingscampagnes • 79
Routinecontroles vormen de basis voor de aanwezigheidspolitiek op het terrein en zorgen ervoor dat de kans op controle niet verbonden is aan bijvoorbeeld een campagne of een klacht. In het eerste deel van dit hoofdstuk wordt in detail ingegaan op de monsternames en metingen, telkens per milieuhygiënische sector. Heel wat monsternames en metingen worden door de toezichthoudende ambtenaren zelf uitgevoerd. De andere monsternames en metingen én alle analyses worden uitgevoerd door erkende laboratoria. Vervolgens worden de andere routineopdrachten besproken. Die hebben betrekking op de exploitatie van hinderlijke inrichtingen in het algemeen, bijvoorbeeld bij weigering van een vergunning, een vergunning met bijzondere voorwaarden of zelfcontrole. Alle onderwerpen worden geïllustreerd met een of meer reële dossiers.
Routinecontroles Routinemonsternames Een toezichthoudend ambtenaar kan met de eigen zintuigen heel wat vaststellingen doen, maar in veruit de meeste gevallen is het noodzakelijk om monsters te nemen voor een correcte en volledige technische vaststelling of om de juiste graad van verontreiniging of niet-conformiteit met de regelgeving te bepalen. In de onderstaande tabel wordt duidelijk dat er in 2006 heel wat monsters werden genomen. Rekening houdend met het feit dat elk monster geanalyseerd wordt op verschillende parameters, betekent dit dat er vele duizenden analyses werden uitgevoerd.
Overzicht van het aantal routinemonsternames Aantal monsternames Afval
647
Bodem
89
Grondwater
26
Water
1.991
Totaal
2.753
Het aantal routinemonsternames werd voor de voorbije acht jaar uitgezet in de onderstaande grafiek. Na een jarenlange daling van het aantal monsternames, is er sinds 2004 een duidelijke stijging vast te stellen.
Evolutie van de monsternames 4000
grondwater bodem
Routinemonsternames in 2006
3500
afval water
3000 afval 24%
2500
bodem 3%
2000
grondwater 1%
1500
water 72%
1000
500
0 1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
Routinecontroles • 81
In totaal analyseerden erkende laboratoria voor MI 1.991 watermonsters
Het influent van de waterzuivering van het textielveredelingsbedrijf
Routinemonsternames water De routinemonsternames van afvalwater worden steeds op voorhand gepland. Eind 2005 werd een planning opgesteld voor de in 2006 uit te voeren afvalwatercontroles. Er werd verder gewerkt met een basisfrequentie, zoals in de voorbije vijf jaar. De basisfrequentie is de minimale frequentie waarmee een bedrijf zal worden gecontroleerd.
Resultaten afvalwatercontroles Totaal Gecontroleerde bedrijven
814
- met steekproef
600
- met uitgebreide controle Aantal monsters
De regels voor het bepalen van die basisfrequentie werden vastgelegd op basis van het debiet van de lozing, de bestemming van de lozing (RWZI of oppervlaktewater) en het al dan niet aanwezig zijn van gevaarlijke stoffen in het effluent. Die regels worden jaarlijks geëvalueerd en eventueel aangepast, en houden rekening met het beschikbare budget en personeel. De reële monsternamefrequentie houdt behalve met die basisfrequentie ook rekening met de voorgeschiedenis van een bedrijf. De routinematige afvalwatercontroles vallen in grote lijnen uiteen in twee categorieën. Enerzijds voert MI een aanwezigheidspolitiek door steekproeven uit te voeren. Dat zijn onaangekondigde afvalwatercontroles waarbij een schepmonster van het op dat ogenblik geloosde afvalwater wordt genomen. Die controles vinden zowel tijdens als buiten de diensturen plaats (ook in het weekend). Anderzijds besteedde MI in 2006 opnieuw heel wat aandacht aan debietsproportionele monsternamecampagnes. Daarbij plaatst MI via een erkend laboratorium zelf een monsternametoestel en wordt de lozing gedurende één of enkele weken continu gevolgd. Dergelijke langdurige monsternamecampagnes zijn een belangrijk instrument bij de beoordeling van probleemlozingen. Naast de routinematige afvalwatercontroles werden ook heel wat monsternames en analyses uitgevoerd in het kader van specifieke handhavingscampagnes en in mindere mate bij reactieve controles. In totaal analyseerden erkende laboratoria voor MI 1.991 watermonsters. Voor de monsternames en de analyses gebruikte MI een bedrag van 623.053,19 euro. De onderstaande tabel geeft de resultaten van de afvalwatercontroles voor het werkjaar 2006 in cijfers weer. 26% van de gecontroleerde bedrijven werd uitgebreid gecontroleerd, met meer dan twee monsternames. Bij 12,7% van de gecontroleerde bedrijven werden in 2006 één of meer overtredingen vastgesteld.
82 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Bedrijven een of meermaals in overtreding
214 1.991 103
Bedrijven met een of meer aanmaningen
96
Bedrijven waarin een sanering is doorgevoerd
74
Routinemonsternames bij een textielveredelingsbedrijf Een West-Vlaams textielveredelingsbedrijf heeft een milieuvergunning voor het lozen van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater. In 2005 nam MI monsters van het geloosde bedrijfsafvalwater. Uit de analyseresultaten bleken overschrijdingen van de lozingsnormen voor diverse parameters. MI stelde procesverbaal op. In januari 2006 nam MI opnieuw een monster van het geloosde bedrijfsafvalwater. Uit de beproevingsverslagen bleek dat de opgelegde lozingsnormen nog steeds overschreden werden en dat de toestand sinds de vorige vaststellingen nog niet gewijzigd was. De afvalwaterzuiveringsinstallatie van het type ‘Unitank’ was dus nog niet geoptimaliseerd. MI bracht de milieucoördinator op de hoogte. In april voerde MI een nieuwe controle uit en nam opnieuw een monster van het geloosde bedrijfsafvalwater. Uit de analyseverslagen bleek dat de opgelegde lozingsnormen nog voor sommige parameters overschreden werden: AOX (adsorbeerbare organohalogenen), bezinkbare stoffen en antimoon. Het feit dat de overschrijdingen voor het debietsgebonden mengmonster nog hoger waren dan voor het schepmonster wees er op dat er op sommige ogenblikken door het bedrijf afvalwater geloosd werd met grote normoverschrijdingen, vermoedelijk wegens slibuitspoeling. Dit toonde in ieder geval aan dat de afvalwaterzuiveringsinstallatie nog niet geoptimaliseerd werd en dat de aanmaningen van MI klaarblijkelijk nog niet werden opgevolgd.
gen in het kader van de heffingen alle belang bij heeft om zo proper mogelijk bedrijfsafvalwater te lozen. Uiteindelijk bleek dat het bedrijf sinds mei 2006 niet langer (sterk vervuild) afvalwater van een zusterbedrijf in de waterzuiveringsinstallatie verwerkte, maar voortaan afvoerde naar een externe verwerker. Bovendien werd er volgens de milieucoördinator geregeld slib uit de waterzuiveringsinstallatie verwijderd, om de slibbelasting te verlagen, wat een gunstig effect had op de werking van de waterzuiveringsinstallatie. De in de aanmaning van mei 2006 gevraagde haalbaarheidsstudies van huidige en nieuwe effluentnormen werden tijdig aan MI bezorgd. De conclusies van de studie bevestigen de zienswijze van MI wat betreft de haalbaarheid van de huidige lozingsnormen: deze kunnen ‘in normale omstandigheden’ gehaald worden. Bij belangrijke afwijkingen van de normale condities, zoals hogere vuilvracht (door bv. de aanvoer van afvalwater van het zusterbedrijf) en vooral hogere slibgehaltes in de beluchting (door bv. het niet tijdig afvoeren van slib) kunnen er problemen optreden met het halen van de lozingsnorm voor één of meerdere parameters. Vooral de concentratie aan zwevende stoffen is belangrijk, daar deze bij te hoge waarden ook aanleiding geeft tot te hoge waarden voor andere parameters.
Routinemonsternames van MI hebben geleid tot een daadwerkelijke sanering van het afvalwaterprobleem
De lopende milieuvergunning bevatte een bijzondere voorwaarde waardoor het bedrijf een evaluatierapport moest opstellen met analyses van de influenten en effluenten en met een evaluatie van de haalbaarheid van de van toepassing zijnde lozingsnormen. Bovendien moest het bedrijf onderzoeken of er geen betere effluentkwaliteiten konden worden gerealiseerd en of de bestaande lozingsnormen niet konden verstrengd worden. MI stelde vast dat het bedrijf bijna vier maanden te laat een summier rapport opstelde, dat zeker niet beantwoordde aan wat in de bijzondere voorwaarde gevraagd werd. Het rapport bevatte geen analyses van influenten, geen evaluatie van alle technieken om betere effluentkwaliteiten te behalen en geen actuele kosten-batenanalyse. Het rapport bestede bovendien geen aandacht aan brongerichte maatregelen. MI stelde opnieuw een proces-verbaal op en maande de exploitant aan om een evaluatierapport door een erkend deskundige water te laten opmaken tegen uiterlijk 1 augustus 2006. In juni nam MI opnieuw een monster van het geloosde bedrijfsafvalwater. Op het ogenblik van de monsterneming werden er ook monsters genomen in het kader van de milieuheffingen op het bedrijfsafvalwater. Uit de analyseresultaten bleek dat de opgelegde lozingsnormen gerespecteerd werden. Dit is niet verwonderlijk, aangezien het bedrijf er tijdens monsternemin-
Opvallend in heel deze problematiek is dat door een goede bedrijfsvoering en opvolging van de waterzuiveringsinstallatie de problemen met betrekking tot het overschrijden van de lozingsnormen kunnen opgelost worden (wat in feite aangetoond wordt door het feit dat de resultaten goed zijn als er monsternemingen gebeuren in het kader van de heffingen). Hier wringt echter ook het schoentje: het bedrijf beschikt blijkbaar niet eens over enkele eenvoudige en relatief goedkope instrumenten om zelf enkele cruciale controles op de goede werking van de waterzuiveringsinstallatie uit te voeren. Er dient steeds beroep gedaan te worden op externe laboratoria, wat relatief duur is, met als gevolg dat deze zo weinig mogelijk worden ingeschakeld, zodat men ook weinig weet over de goede bedrijfsvoering van de waterzuiveringsinstallatie. Volgens MI is het bedrijf hier in gebreke. Er moeten meer middelen aangewend worden om een regelmatige en degelijke opvolging van de waterzuiveringsinstallatie uit te voeren. De metingen en waarnemingen dienen bijgehouden te worden in een logboek, zodat bij eventuele storingen of bij slechte resultaten, kan nagegaan worden wat de mogelijke oorzaken van de problemen zijn geweest. Het bedrijf holt steeds achter de feiten aan, en laat alles een beetje op zijn beloop totdat er door extern toezicht problemen gesignaleerd worden. Het bedrijf heeft ondertussen een actieprogramma opgestart waarbij de waterzuiveringsinstallatie dagelijks opgevolgd wordt. Aanvankelijk zullen de analyses nog door een extern labo gebeuren, maar geleidelijkaan zal geïnvesteerd worden in apparatuur om de analyses intern te kunnen uitvoeren. Er werden reeds bijkomende debietmeters geïnstalleerd om de invloed van bepaalde deelstromen beter te kunnen inschatten.
Routinecontroles • 83
Op de effluentstroom werd een turbiditeitsmeter geplaatst om vlugger te kunnen reageren op eventuele problemen. Het bedrijf sloot tenslotte een contract af met een externe deskundige op het vlak van waterzuiveringsinstallaties om de actiepunten van de studie in praktijk uit te werken.
Routinemonsternames afvalstoffen, bodem en grondwater In tegenstelling tot de routinemonsternames van afvalwater bestond voor de bemonstering van afval, bodem en grondwater begin 2006 nog geen basisfrequentie waarmee bepaalde afvalproducerende of -verwerkende bedrijven bemonsterd worden. In de loop van het jaar werd er, rekening houdend met het beschikbare budget, wel een planning opgesteld met streefcijfers voor de in 2006 uit te voeren afvalstoffencontroles. Deze planning hield rekening met de risico’s en de capaciteit van de betrokken bedrijven. Gemiddeld neemt een toezichthoudend ambtenaar in de loop van een kalenderjaar een achttal monsters van afvalstoffen, bodem of grondwater. De redenen om over te gaan tot bemonstering zijn van uiteenlopende aard. Bij afvalverwerkende bedrijven worden binnenkomende partijen afvalstoffen geregeld bemonsterd om na te gaan of ze voldoen aan de aanvaardingscriteria. Afvalstromen die voorbestemd zijn om, eventueel na een voorbehandeling, als secundaire grondstof aangewend te worden, worden bemonsterd om te controleren of de samenstelling voldoet aan de voorgeschreven normen. Partijen uitgegraven bodem in grondreinigingsbedrijven, tussentijdse opslagplaatsen of opvulgronden bij groeven en graverijen worden bemonsterd en geanalyseerd om de legaliteit van de bestemming ervan te controleren. Niet-geïdentificeerde recipiënten op een bedrijf worden bemonsterd om na te gaan of de inhoud ervan geen gevaarlijke afvalstoffen bevat. Bij klachten over stofneerslag van een bedrijf worden de afgezette deeltjes bemonsterd om de schadelijkheid ervan te controleren. Bij eindproducten van verwerkers van dierlijke afvalstoffen wordt de microbiële zuiverheid gecontroleerd. Overzicht van de geanalyseerde parameterpakketten Pakket
Aantal
Aanvaardingscriteria categorie 1-stortplaatsen
61
Aanvaardingscriteria categorie 2-stortplaatsen
15
Aanvaardingscriteria categorie 3-stortplaatsen
8
Samenstellingscriteria afgewerkte olie Vlarebo-parameters - bodem
3 176
Vlarebo-parameters - grondwater
23
Vlarea-parameters - meststof /bodemverbeterend middel
51
Vlarea-parameters - niet-vormgegeven bouwstof
147
Eindproducten verwerkers HRM
4
Eindproducten verwerkers LRM
86
Extra parameters grondwater
26
Te verbranden houtafval
72
84 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
MI bemonstert een partij aangevoerde grond die in de groeve gestort werd
Naast de routinemonsternames worden ook monsters genomen bij de uitvoering van gecoördineerde projecten en acties. Toezichthoudende ambtenaren hebben de mogelijkheid om één of meerdere analysepakketten aan te vragen voor een monster. Uiteraard bestaat de mogelijkheid om voor elk individueel monster specifieke parameters te laten analyseren. Indien zeer specifieke, gevaarlijke of grote aantallen monsters moeten worden genomen, kunnen toezichthoudende ambtenaren hiervoor beroep doen op de MI-labocontractant. In 2006 werden in totaal 647 afvalmonsters geanalyseerd, 89 van bodem en 26 van grondwater. Voor de monsternames en analyses werd een bedrag van 484.148,04 euro besteed. Routinemonstername bij een groeve De exploitant van een groeve, horende bij een steenbakkerij, beschikt over een milieuvergunning voor het opvullen van zijn groeve met niet-verontreinigde uitgegraven bodem. Dit houdt in dat de aangevoerde opvulgrond inzake verontreiniging dient te voldoen aan de normen voor vrij gebruik van uitgegraven bodem, zoals bepaald in Vlarebo. MI bemonsterde een partij extern aangevoerde opvulgrond die in de groeve gestort werd. Tegelijkertijd vroeg MI aan de exploitant om de bemonsterde partij voorlopig onaangeroerd te laten liggen tot de analyseresultaten bekend waren. Uit de analyseresultaten bleek een overschrijding van de normen voor enkele polycyclische aromatische koolwaterstoffen. MI stelde hiervoor een proces-verbaal op en maande de exploitant aan om de bemonsterde partij af te voeren naar een erkend grondreinigingscentrum en hiervan de bewijzen te leveren. De exploitant gaf gevolg aan de aanmaning en voerde de verontreinigde grond af. MI ontving hierover de nodige bewijsstukken. Via het aanvoerregister van de groeve kon de herkomst van de bemonsterde partij opvulgrond achterhaald worden.
&WPMVUJF WBO EF NFUJOHFO
HFMVJE
UJKE
MVDIU
MI sluit overeenkomsten af met erkende laboratoria voor het uitvoeren van emissiemetingen op schoorstenen van verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties
Routinemetingen Net zoals monsternames zijn ook metingen noodzakelijk om een efficiënte controle mogelijk te maken of om de juiste graad van verontreiniging of overtreding te bepalen. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal uitgevoerde metingen. Overzicht van het aantal routinemetingen Aantal metingen Lucht Geluid en trillingen Totaal
113 30 143
Bij lucht wordt het aantal meetdagen opgegeven. De in de lucht geloosde stoffen worden gemeten door een erkend laboratorium op verzoek van en onder toezicht van de toezichthoudend ambtenaar. Op één dag worden er verschillende parameters gemeten en verschillende monsters genomen. Bij geluid en trillingen wordt het aantal geluids- en trillingsmetingen opgegeven. Daarbij moet worden opgemerkt dat een geluidsmeting verschillende uren kan duren. Een beperkt akoestisch onderzoek dat door MI wordt uitgevoerd, kan verschillende geluidsmetingen behelzen. Het aantal routinemetingen lucht, geluid en trillingen van de voorbije acht jaar werd uitgezet in de onderstaande grafiek. Het aantal luchtmetingen nam sinds 2000 beduidend toe nadat een contract werd afgesloten met erkende laboratoria lucht, waardoor het voor een toezichthoudend ambtenaar administratief eenvoudiger werd om emissiemetingen te laten uitvoeren. In 2005 werden minder luchtmetingen uitgevoerd. De reden hiervoor is de overstap van driedaagse naar ééndaagse metingen voor installaties met een potentiel beduidende dioxine-uitstoot en de verschuiving van metingen bij afvalverbrandingsinstallaties naar het voorjaar van 2006 omdat de nieuwe regelgeving voor deze installaties pas op het einde van 2005 van kracht werd.
Routinemetingen lucht In september 2004 sloot MI een nieuw contract af met erkende laboratoria voor het uitvoeren van emissiemetingen op de
schoorsteen van verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties. De opdracht liep één jaar met de mogelijkheid om drie keer voor één jaar te verlengen. De opdracht is opgedeeld in twee percelen, die elk aan een ander laboratorium werden toegewezen. De belangrijkste nieuwigheid is de aparte post voorzien voor de bepaling van individuele organische stoffen behorend tot de groepen van de aromatische koolwaterstoffen, de ketonen, de esters en de alifatische halogeenkoolwaterstoffen. Hiermee trachtte MI in te spelen op de verhoogde aandacht voor emissies van VOS, na de omzetting van de Europese solventrichtlijn naar Vlarem-wetgeving. Perceel I is specifiek gericht op de uitvoering van emissiemetingen bij installaties met een potentieel beduidende dioxineuitstoot. Het gaat daarbij om metingen met inbegrip van een dioxinebepaling. Perceel II omvat vier soorten type-metingen, met elk een specifiek pakket parameters. De metingen gebeuren voor beide percelen op één meetdag. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de mogelijke metingen. Op vraag van MI kunnen ook andere parameters bij andere types installaties worden gemeten.
Overzicht van de mogelijke luchtemissiemetingen Parameters - referentie: rookgasdebiet, temperatuur/druk, zuurstofgehalte, CO2-gehalte, watergehalte - rookgassamenstelling (een selectie van de volgende parameters wordt gemeten naar gelang van perceel en type): stof, CO, SO2, NOx, HCl, HF, zware metalen in de stoffractie en in de gasfase, totaal koolwaterstoffen (FID-meting), aromatische koolwaterstoffen, ketonen, esters, alifatische halogeenkoolwaterstoffen, dioxinen en furanen Perceel I verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties waarvan verondersteld wordt dat in de afgassen dioxinen aanwezig zijn Perceel II verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties waarvan verondersteld wordt dat in de rookgassen geen significante hoeveelheid dioxinen aanwezig is Type installaties 1. grote verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties 2. installaties met potentieel significante emissies van verzurende verbindingen 3. verbrandingsinstallaties, gevoed met biomassa en naverbrandingsinstallaties 4. installaties met potentieel significante emissies van vluchtige organische stoffen
Routinecontroles • 85
Hierdoor is het voor MI mogelijk op eenvoudig verzoek emissiemetingen te laten uitvoeren op een installatie naar keuze. Op die manier kan vlot worden ingespeeld op acute vragen en komen nieuwe bedrijven en installaties gemakkelijker aan bod. De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal installaties waar MI in het kader van deze contracten in 2006 emissiemetingen liet uitvoeren. Overzicht van het aantal luchtemissiemetingen Aantal installaties Perceel I (met dioxinemetingen)
49
Perceel II
Totaal
gemeten individuele organische stoffen gerangschikt onder de koolwaterstoffen. Overschrijdingen werden voornamelijk genoteerd voor CO, stof, koolwaterstoffen, HF, NOx en dioxines. Overzicht van het aantal overschrijdingen van de emissiegrenswaarden per verontreinigende stof. Perceel I Parameter
Perceel II Type 1
Type 2
Type 3
Type 4
Stof
1
0
2
5
-
CO
6
0
1
10
-
SO2
0
0
1
0
-
NOx
3
0
0
1
-
KWS
1
0
0
4
2
- type 1
6
HCl
0
0
0
-
-
- type 2
21
HF
0
0
3
-
-
- type 3
22
Zware metalen
1
0
0
-
-
- type 4
15
Hg
0
0
-
-
-
PCDD/PCDF
5
-
-
-
-
113
Binnen perceel I gebeurden in 2006 20 van de 49 meetcampagnes bij houtafvalverbrandingsinstallaties. De reden hiervoor is de grootscheepse meetcampagne die werd uitgevoerd n.a.v. de nieuwe Vlaremregelgeving die voor deze sector van kracht werd vanaf begin 2006. Hierover kunt u eerder in dit rapport meer lezen. Daarnaast werden ook tien schouwen uit de ferro- en non-ferro-industrie gemeten. Deze emissiemetingen gebeurden in de uitvoering van het Cadmiumplan van de Vlaamse minister van Leefmilieu. Meer info over de activiteiten van MI in het kader van dit Cadmiumplan kunt u eerder in dit rapport vinden. In 2006 kwamen ook acht emissiepunten van crematoria, twee shredders, drie afvalverbrandingsinstallaties, twee chemiebedrijven, drie vetverbrandingsinstallaties en één schouw van een glasproducerend bedrijf aan bod.
Alle overschrijdingen voor HF, twee overschrijdingen voor stof en één overschrijding voor SO2 en voor CO situeren zich bij de steenbakkerijen. CO, koolwaterstoffen, NOx en dioxines zijn vooral een probleem van de houtafvalverbrandingssector. Voor alle dioxine-, drie van de zeven KWS-, 16 van de 17 CO- en één van de vier NOx-overschrijdingen waren houtafvalverbrandingsinstallaties verantwoordelijk. Daarnaast zijn er nog overschrijdingen voor koolwaterstoffen in de chemie- en de grafische sector en voor NOx en stof bij vetverbranding. Opvallend is het feit dat er geen overschrijdingen zijn gemeten bij de acht emissiepunten van de crematoria. Ook bij de ferro- en de non-ferro-industrie werd, op het zware metaal arseen op één individuele schouw na, op geen enkel van de 18 emissiepunten een overschrijding genoteerd.
Binnen perceel II gebeurden er in 2006 zes type 1-metingen, vier ervan op schouwen in de ferro- sector in het kader van het Cadmiumplan. Om dezelfde reden situeerden zich ook bij de type 2-metingen vier van de 21 metingen in de ferro- en nonferro-industrie. De meerderheid van de type 2-metingen, nl. 11 van de 21, gebeurden traditiegetrouw in de keramische sector. Dit is te verklaren door de permanente aandacht die MI aan deze sector besteedt.
Bij installaties waar uit de resultaten van de metingen bleek dat de emissiegrenswaarden niet werden nageleefd, stelde MI een proces-verbaal op en werden de nodige aanmaningen gegeven om maatregelen te nemen zodat de grenswaarden zo snel mogelijk worden gerespecteerd. In enkele gevallen werd de werking van de installatie vrijwillig of gedwongen stopgezet.
16 van de 22 type 3-metingen gebeurden bij houtafvalverbrandingsinstallaties. Daarnaast kwamen chemiebedrijven en stookinstallaties aan bod. Naverbranders werden gemeten volgens type 4. Zes van de 15 naverbranders die in 2006 gemeten werden, situeerden zich in de grafische sector, twee in de textielindustrie en drie in de chemie. Dit laatste heeft te maken met de werkzaamheden van het kernteam GPBV dat ook in 2006 de chemiesector als doelgroep koos. De onderstaande tabel geeft per verontreinigende stof een overzicht van het aantal beduidende overschrijdingen van de emissiegrenswaarden die tijdens de voornoemde metingen in 2006 werden vastgesteld. Voor de type 4-metingen worden de
86 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Routinemetingen lucht in een schrootverwerkend bedrijf In de zomer van 2004 liet MI emissiemetingen uitvoeren op de schouw van de shredderinstallatie in een schrootverwerkend bedrijf. Dit gebeurde naar aanleiding van de resultaten van depositiemetingen in de buurt van het bedrijf die verhoogde waarden voor dioxineachtige PCB’s aantoonden. Gelijktijdig met de metingen nam MI een vijftal monsters van het stof dat zich op het terrein omheen de shredder bevond. Uit de emissiemetingen bleek dat de norm voor de uitstoot van stof met een factor vijf werd overschreden. De metingen registreerden ook verhoogde waarden voor dioxineachtige PCB’s. De analyseresultaten van de terreinstofmonsters wezen uit dat er verspreid over het terrein stof aanwezig was met duidelijk verhoogde concentraties aan dioxineachtige PCB’s.
MI liet emissiemetingen uitvoeren op de schouw van deze shredderinstallatie
Het bedrijf verbrandt houtafval om stoom te produceren voor gebruik in de productie van polystyreenvoorwerpen
Op basis van de vaststellingen stelde MI een proces-verbaal op en maande de exploitant aan om een aangepast stofbeheersingsbeleid te hanteren om de verspreiding van PCB-houdend stof naar de omgeving te verminderen, en het PCB-houdend cycloonstof van de shredder met de nodige omzichtigheid te manipuleren. MI maande het bedrijf ook aan om in de toekomst een streng en goed georganiseerd schrootacceptatiebeleid te voeren.
een dioxinefilter en een zwaardere ventilator en schakelde ondertussen over op onbehandeld houtafval om de risico’s op normoverschrijdingen te minimaliseren.
Om te kunnen voldoen aan de emissiegrenswaarden en om de diffuse verspreiding van stof in te dijken ging het bedrijf in december 2005 over tot een volledige vernieuwing van de stofcaptatie van de shredder, met vervanging van de bestaande cyclonen. Tegelijk werd ook het ganse bedrijf grondig gerenoveerd. Men ging over tot herschikking van de opslag van de afvalstoffen en vernieuwing van de vloeistofdichte vloeren. Terwijl de opslag van het shredderafval vroeger in open lucht plaatsvond, gebeurde dit na de sanering grotendeels in overdekte zones, bestaande uit verschillende metalen loodsen die gefaseerd werden gebouwd en aan één zijde open zijn. Er werd ook een aparte, overdekte ruimte voorzien voor de opvang van het cycloonstof. MI liet in de zomer van 2006 ter controle van het saneringseffect opnieuw emissiemetingen uitvoeren op de schouw van de vernieuwde shredderinstallatie. Hieruit bleek dat de emissiegrenswaarde voor de parameter stof nu ruim gerespecteerd wordt. Ook de gemeten concentraties aan dioxineachtige PCB’s waren laag. De meetpost die in de buurt van het shredderbedrijf depositiemetingen uitvoert van dioxineachtige PCB’s vertoonde in november en december 2006 voor het eerst aanzienlijk gunstiger meetresultaten dan voorheen. Emissiemeting bij een kunststoffenverwerkingsbedrijf Sedert 2002 verbrandt een kunststoffenverwerkingsbedrijf in West-Vlaanderen niet-gevaarlijk behandeld houtafval in een nieuw vergunde houtafvalverbrandingsinstallatie om stoom te produceren voor gebruik in de machines voor de productie van polystyreenvoorwerpen. In 2002 werden emissiemetingen uitgevoerd en bleek dat de norm voor gas- en dampvormige organische stoffen, voor stof en voor dioxines overschreden werd, waarop MI een proces-verbaal opstelde. Het bedrijf plaatste eind oktober 2003
Bij een controlemeting in februari 2006 in opdracht van MI werd echter opnieuw vastgesteld dat de dioxinefilter buiten werking was. MI nam ook een monster van het houtafval dat voor verbranding werd aangewend. Uit het analyserapport bleek dat de emissienormen voor dioxine en ook voor CO en in mindere mate voor NOx overschreden werden. Bovendien bleek dat het houtafval dat werd verbrand, niet voldeed aan de samenstellingsvoorwaarden voor niet verontreinigd behandeld houtafval. Op 24 maart 2006 stelde MI vast dat er nog steeds op niet verontreinigd behandeld houtafval gestookt werd, ondanks het feit dat de dioxinefilter nog steeds niet hersteld was. Aangezien bij het uitvallen van de dioxinefilter de emissienorm voor dioxines niet kan worden gehaald bij verbranding van niet verontreinigd behandeld houtafval, diende de de exploitant de nodige maatregelen te nemen om de installatie te wijzigen of zelfs buiten werking te stellen zodat aan de emissiegrenswaarden kon worden voldaan. Daarom gaf MI de exploitant mondeling het bevel om onmiddellijk over te schakelen op onbehandeld houtafval om het risico op emissienormoverschrijdingen zo minimaal mogelijk te maken, en na herstel van de filterinstallatie, gedurende 3 dagen een nieuwe emissiemeting uit te voeren bij verbranding van niet verontreinigd behandeld houtafval. Uit het meetrapport van deze emissiemetingen op de houtafvalverbrandingsinstallatie bleek dat aan de wettelijke emissiegrenswaarden werd voldaan voor al de gemeten parameters (CO, SO2, NOx, stofgehalte, HCl en dioxinen en furanen). Het bedrijf kon echter geen facturen voorleggen voor de aankoop in 2005 van actief kool om te doseren in de dioxinefilter. MI vermoedde dan ook dat er weinig of geen actief kool verbruikt werd in 2005, en de dioxinefilter dus gedurende een langere periode buiten werking was geweest. De kans is dan ook groot dat de emissiegrenswaarden voor dioxines (en furanen) gedurende die periode overschreden werden. In oktober 2006 stelde MI vast dat de dioxinefilter opnieuw buiten werking was. De exploitant verklaarde dat er onmiddellijk nadat het defect vastgesteld werd, overgeschakeld werd op
Routinecontroles • 87
5SJMMJOHFO FO MBBHGSFRVFOU HFMVJE CJK FFO NFUBBMWFSXFSLFS
E# GBTF
GBTF
GBTF
CFPPSEFMJOHTUJKE (FMVJETOJWFBV
5SJMMJOHTOJWFBV
Geluids- en trillingsmetingen in de woning van de klager
onbehandeld houtafval (= zuiver hout), wat werd aangetoond aan de hand van een factuur van de houtleverancier. MI stelde opnieuw proces-verbaal op. De exploitant besliste uiteindelijk om definitief over te schakelen op onbehandeld houtafval, wat voor hem economisch interessanter is omdat de kosten voor metingen en monsternemingen in het kader van de zelfcontrole aanzienlijk verminderen, en ook de dure werkings- en onderhoudskosten van de dioxinefilter niet meer nodig zijn.
Routinemetingen geluid en trillingen Geluidsmetingen worden bijna uitsluitend uitgevoerd naar aanleiding van klachten. Voor de afhandeling van dergelijke klachten beschikt MI over een aantal toezichthoudende ambtenaren, gespecialiseerd in de discipline geluid, en over moderne meetapparatuur. Een geluidsmeter meet steeds een totaal niveau. Dat betekent dat niet alleen het gezochte specifieke geluid wordt gemeten, maar ook alle stoorgeluiden. Om een beoordeling van het specifieke geluid mogelijk te maken, bestaat de kunst erin die niveaus uit elkaar te houden. Dat is niet altijd een eenvoudige opgave. Bij de behandeling van klachten over trillingen kan het soms nog ingewikkelder zijn. Dit blijkt uit onderstaand voorbeeld. Klachtbehandeling over laagtonaal geluid De laatste jaren wordt MI meer en meer geconfronteerd met klachten over laagtonaal geluid. Alhoewel het gehoor van de mens minder gevoelig is voor geluiden binnen het frequentiegebied van 1 Hz tot 500 Hz kunnen sommige personen deze geluiden toch goed waarnemen en als hinderlijk ervaren. Het hierbij toegelichte voorbeeld heeft betrekking op mechanische trillingen die de bodem en bouwmaterialen in resonantie brengen en op hun beurt geluid genereren binnen de woningen. De klachten melden vaak een versterking van het geluidsniveau op de verdiepingen van de woning.
Overdracht van trillingen door de bodem
88 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Na het opstarten van een nieuwe inrichting voor de fabricatie van betonbouwmaterialen in het centrum van West-Vlaanderen, ontving het stadsbestuur meerdere klachten van buurtbewoners. De klachten hadden betrekking op laagtonaal geluid hoorbaar binnen de woningen van de buren en een volledige afwezigheid van communicatie tussen het bedrijf en de buren. De nieuwe inrichting is gelegen op circa 250 m van de woningen van de klagers. De klachten deden zich ‘s nachts voor, tussen 5 uur en 7 uur, en zorgden ervoor dat de buurtbewoners vroegtijdig ontwaakten. Bij het opstellen van de machines van de nieuwe inrichting had het bedrijf de BBT toegepast. In de omgeving van de inrichting was in openlucht geen geluidshinder waarneembaar en het systeem ‘massa - veer - massa’ was toegepast om de voortplanting van trillingen te voorkomen. MI voerde een akoestisch onderzoek uit in het huis van een klager. Om deze metingen uit te voeren, stelde MI een erkend deskundige in de discipline geluid aan om in twee meetpunten trillings- en geluidsmetingen gelijktijdig uit te voeren. Op basis van de informatie van de klager werd ĂŠĂŠn meetpunt opgesteld in de kelder en ĂŠĂŠn in de woonkamer. Gedurende een maand werden afwisselend de horizontale en verticale trillingsniveaus gemeten in een hoek en in het midden van de lokalen, samen met de geluidsniveaus. De uitgevoerde metingen toonden aan dat er geen sprake kon zijn van trillingshinder maar wel van geluidshinder. In het trillings- en geluidspatroon konden drie fasen onderscheiden worden. De eerste en derde fase vertoonden een tonaal karakter bij twee verschillende tertsbanden. In de woonkamer werden relevante geluidsniveaus van 26 dB(A) gemeten. Rekening houdend met een correctiefactor voor tonaal geluid van 5 dB(A) komt dit neer op een specifiek geluid van 31 dB(A). MI toetste de meetresultaten aan de richtwaarden van Vlarem van toepassing op geluid ‘binnenshuis’ en bij inrichting met een gemene muur en/of vloer met de wooneenheid. De richtwaarde voor de dagperiode bedraagt 33 dB(A), avondperiode 28 dB(A) en nachtperiode 28 dB(A). Vlarem geeft geen normen voor laagtonaal geluid binnen in huis.
&WPMVUJF WBO IFU BBOUBM WFSHVOOJOHFO NFU QSJPSJUBJSF CJK[POEFSF WPPSXBBSEFO
&WPMVUJF WBO IFU BBOUBM XFJHFSJOHTCFTMVJUFO
HFNFFOUFO NFU
Hierop maande MI het bedrijf aan om een saneringsplan op te stellen en de externe communicatie met de omwonenden te verbeteren. Inmiddels heeft het bedrijf de buurtbewoners betrokken bij de waarneming en de rapportering van de hinder. Het bedrijf wenst zo het verband vast te leggen tussen de productieactiviteiten en de ervaren hinder. Tevens heeft het bedrijf twee erkende deskundigen aangesteld in de discipline geluid. Samen met de machinebouwer onderzoeken zij de trillingen die oorzaak zijn van de hinder. Het saneringplan wordt verwacht tegen juni 2007.
Routinecontroles exploitatie
Het aantal weigeringsbesluiten werd voor de voorbije acht jaar uitgezet in bovenstaande grafiek. In 2006 stijgt het aantal ontvangen weigeringsbesluiten terug tot op het niveau van de jaren 2000-2004 na een daling in 2005.
Bijzondere voorwaarden Heel wat milieuvergunningen bevatten bijzondere voorwaarden. De aandacht van MI gaat prioritair naar de bedrijven waarvoor in de vergunning een saneringsplan, studies of metingen werden opgelegd. Andere bijzondere voorwaarden komen voornamelijk aan bod tijdens routinecontroles of als het bedrijf wordt gecontroleerd in het kader van een specifieke handhavingscampagne. Vergunningen met prioritaire bijzondere voorwaarden
Naast de routinemonsternames en routinemetingen zijn er heel wat routinecontroles die betrekking hebben op de exploitatie van hinderlijke inrichtingen in het algemeen. De controle naar aanleiding van een besluit tot weigering van een vergunning, de controle van bijzondere vergunningsvoorwaarden en de controle van de zelfcontrole zijn voorbeelden die hier worden aangegeven. In verband met die opdrachten geldt voor MI de volgende resultaatgerichte doelstelling: ‘De controle uitvoeren van elke klasse 1-inrichting waarvoor: - de vergunning geheel of gedeeltelijk werd geweigerd (zowel in eerste aanleg als in beroep) binnen maximaal drie maanden na ontvangst van de beslissing; - in de vergunning een saneringsplan, studies of metingen werden opgelegd, binnen een termijn van maximaal zes maanden na de in de vergunning opgelegde dwingende uitvoeringstermijn van de verplichting.’
Weigeringsbesluiten Zoals aangegeven in de bovenstaande inleiding ligt een van de prioriteiten van MI bij het systematisch controleren van weigeringsbesluiten. Weigeringsbesluiten Aantal ontvangen
338
Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties
391
Aantal ontvangen Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties
861 1.257
Het aantal milieuvergunningen met prioritaire bijzondere voorwaarden werd voor de voorbije zes jaar uitgezet in onderstaande grafiek. Jaarlijks ontvangt MI gemiddeld meer dan 800 vergunningen met prioritaire bijzondere voorwaarden. Dit cijfer blijft nagenoeg constant en blijkt een weerspiegeling te zijn van een reeks belangrijke voorwaarden in de milieuvergunningen die niet opgenomen zijn onder de standaard algemene voorwaarden van het Vlarem. Beoordeling en goedkeuring van een geluidsstudie van een distributiebedrijf De bestendige deputatie had in de bijzondere voorwaarden van de vergunning van een klasse 2-bedrijf een geluidsstudie opgelegd, goed te keuren door MI. In dit distributiebedrijf worden stukgoederen overgeslagen vanuit vrachtwagens naar een magazijn en omgekeerd. De tijdsduur voor een laad- of loscyclus hangt af van de grootte van de vrachtwagen en schommelt tussen 15 en 45 minuten. Volgende geluidsemitterende activiteiten in open lucht hebben een invloed op het geluidsklimaat in de buurt: vrachtwagenbewegingen, losmaken/bevestigen van schutpalen op de vrachtwagen evenals manipulaties en bewegingen met transpalet en elektrisch aangedreven heftruck. Het terrein in kwestie paalt
Routinecontroles • 89
Dit distributiebedrijf moest volgens de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning een akoestisch onderzoek laten uitvoeren
De Vlaamse milieuhygiënewetgeving bevat heel wat verplichtingen inzake het meten en registreren van bedrijfseigen gegevens
Controle op de zelfcontrole zijdelings aan een woning bij een onderlinge afstand van 15 meter. Zowel de woning als het distributiebedrijf zijn gelegen in een woongebied volgens het gewestplan. De derde versie van het ingestuurde rapport van het akoestisch onderzoek met bijhorend saneringsvoorstel werd uiteindelijk door MI goedgekeurd. Hoewel er meetgegevens voor het equivalent geluid van heftruckbewegingen en -manipulaties in open lucht beschikbaar waren in de voorgaande rapportering, was er geen toetsing uitgevoerd aan de milieukwaliteitsnormen en richtwaarden van bijlagen 2.2.1 en 4.5.4 van Vlarem II. Op basis van deze beschikbare meetwaarden voor het equivalent geluid kon in elk geval worden geconcludeerd dat het basiscriterium van 45 dB(A) overdag volgens Vlarem II ruimschoots werd overschreden. Voor deze overschrijding afkomstig van manipulaties en bewegingen met de heftruck was een saneringsplan noodzakelijk. Voorts was er niet voldaan aan de vereiste dat het onderzoek had plaatsgevonden onder representatieve en in de tijd reproduceerbare bedrijfstoestanden. Er waren namelijk geen meetgegevens beschikbaar over manipulaties met transpalet noch over containervrachtwagens waarbij de heftruck binnenrijdt met behulp van een laadhelling. De initiële verslaggeving voldeed dus niet om in toepassing van artikel 22 van het milieuvergunningsdecreet te oordelen in hoeverre de geldende geluidsvoorwaarden onder alle bedrijfstoestanden worden nageleefd en de geluidshinder voor de buurt tot een minimum wordt beperkt. Na bijsturing en aanvulling van het akoestisch onderzoek legde de geluidsdeskundige een vrij streng saneringsvoorstel voor. Volgens dit saneringsvoorstel moest elke overslag van goederen binnen het magazijn worden uitgevoerd in plaats van in open lucht. Om de overslag binnen het magazijn mogelijk te maken, diende aan opslagruimte en -capaciteit te worden ingeleverd. Sinds de uitvoering van dit saneringsplan waarvan alle maatregelen van organisatorische aard waren, heeft MI geen klachten over geluidshinder meer ontvangen.
90 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
De Vlaamse milieuhygiënewetgeving bevat heel wat verplichtingen inzake het meten en registreren van bedrijfseigen gegevens. Veel van die metingen en registraties dienen als eerstelijnscontrole van zowel de procesvoering als van de naleving van de geldende voorwaarden. De meest voor de hand liggende voorbeelden zijn de eigen emissiemetingen (lucht, afvalwater,…), maar ook bijvoorbeeld de controle op inkomende afvalstoffen, de onderzoeken van compressoren en de beproevingen van houders voor gevaarlijke stoffen kunnen onder de noemer zelfcontrole worden gecatalogiseerd. Het toewijzen van een dergelijke verplichte zelfcontrole aan de exploitant past volledig in het concept van milieubeheer- en milieuzorgsystemen, die in de bedrijfswereld een toenemend belang krijgen. Zelfcontrole heeft in elk geval meerdere functies waaronder als belangrijkste: - controle op de naleving van de voorwaarden; - beschikbaarheid van milieu-informatie voor de overheid (toezicht, emissie-inventarisatie …) en de bevolking; - kwaliteitsbewaking van de bedrijfsvoering van het (zuiverings)proces en stimulans voor voortdurende procesoptimalisatie; - proactieve maatregel om het milieu zo veel mogelijk te beschermen. In de praktijk wordt een enorme verscheidenheid vastgesteld qua naleving van de zelfcontroleverplichtingen. Dat kan gaan van een strikte uitvoering, kwaliteitsbewaking en rapportering tot een totaal gebrek aan kennis over die vereisten. Bovendien merkt MI dat bij bedrijven of sectoren waar ze in het verleden veel aandacht heeft geschonken aan de controle op de zelfcontrole, bijvoorbeeld door middel van emissiemetingen in eigen opdracht, er een duidelijk toegenomen aandacht is voor die verplichting. De zelfcontrolegegevens zijn voor MI ook relevant bij de opmaak van het jaarlijkse MIP, als een van de selectiecriteria bij de keuze van te controleren bedrijven of bedrijfssectoren. De inspecties zullen vaak gepaard gaan met metingen of onderzoeken in eigen opdracht en onder de omstandigheden die MI
Na verschillende aanmaningen van MI voerde dit asfaltproducerend bedrijf correct de zelfcontrole van de luchtemissies uit
zelf bepaalt. Resultaten van dergelijke controles durven wel eens aanzienlijk af te wijken van de ter inzage liggende zelfcontroleresultaten. Controles van de zelfcontrole Specifieke inspecties voor het project in verband met zelfcontrole lucht Andere inspecties Totaal
111 39 150
Zelfcontrole lucht bij een asfaltproducerend bedrijf Een erkend labo voerde in opdracht van MI emissiemetingen uit op de schouw van een asfaltcentrale. Op basis van de gemeten massastromen zou het bedrijf maandelijks de emissies van CO, SO2 en NOx moeten meten. Na een controle door MI van de zelfcontrolegegevens van het bedrijf, kreeg het bedrijf in 2003 dan ook een aanmaning om aan deze voorwaarde te voldoen. In eerste instantie trachtte het bedrijf onder deze verplichte metingen uit te komen door aan te voeren dat de emissies afhangen van de geproduceerde materialen en verwerkte producten, dat de emissies nooit constant zijn en dat deze metingen veel kosten en weinig bijdragen aan het milieu. MI antwoordde hierop dat de voorheen verstuurde aanmaning gehandhaafd bleef.
te MI duidelijk de volgehouden redeneringen van het bedrijf, met name de moeilijke economische tijden, de onvoorspelbaarheid van de productie en de goede meetresultaten. Indien er nu geen gevolg zou gegeven worden aan de aanmaning, zou MI overgaan tot het nemen van dwangmaatregelen. Na het aanstellen van een nieuwe interne milieucoördinator bij het moederbedrijf eind 2005, ontving MI van het bedrijf een aantal meetrapporten door erkende labo’s en de vraag om te vergaderen over de verplichte zelfcontrole. Er werd overeengekomen dat het bedrijf gedurende negen maanden per jaar metingen zal uitvoeren, en dat tijdens de jaarlijkse rustperiodes er niet gemeten wordt. In 2006 voerde het bedrijf de zelfcontrolemetingen uit zoals MI het vroeg. Ingevolge de opgestelde processen-verbaal stelde het parket aan het bedrijf voor om als minnelijke schikking het bedrag van 2.500 euro te betalen. Het bedrijf heeft de minnelijke schikking aanvaard.
In april 2004 bezorgde het bedrijf aan MI amper drie meetrapporten, waarvan één door een erkend labo en beide anderen door een erkende MER-deskundige, die echter geen erkenning had als meetlabo. Omdat het bedrijf de zelfcontroleverplichting onvoldoende naleefde, ging MI over tot de opstelling van een proces-verbaal en maande ze de exploitant nogmaals aan om de voorgeschreven zelfcontrolefrequentie op te volgen en de metingen te laten uitvoeren door een erkend labo. Ondertussen werden tijdens drie metingen door erkende laboratoria, waarvan één meting in opdracht van MI, normoverschrijdingen vastgesteld. In april 2005 verbaliseerde MI het bedrijf nogmaals omwille van de vastgestelde overtredingen. MI maande het bedrijf voor de laatste maal aan om de zelfcontrole van de luchtemissies uit te voeren zoals voorgeschreven. In haar aanmaning ontkracht-
Routinecontroles • 91
Reactieve controles worden uitgevoerd naar aanleiding van een beroep dat wordt gedaan op MI. De reactieve controles kunnen in een aantal groepen worden onderverdeeld. Er wordt onder andere opgetreden bij de ontvangst van een klacht, een melding van een voorval, een vraag voor het maken van een evaluatieverslag bij een proefvergunning, een kantschrift van het parket, een vraag van het parket om technische expertise, een verzoek om adviesverlening, een parlementaire vraag, een verzoek om hoog toezicht en bij de vaststelling van wintersmog. Enkele reële dossiers illustreren de verschillende mogelijkheden. Gezien het grote werkvolume en de hoge werkdruk is het onmogelijk om op elk appel te reageren, zodat elk appel zeker niet altijd zal leiden tot een inspectie ter plaatse. Elk dossier wordt daarom getoetst aan de prioriteitenlijst.
Reactieve controles Klachten MI ontvangt jaarlijks heel wat milieuklachten uit de meest diverse hoeken: particulieren, bedrijven, gemeente- en provinciebesturen, parlementsleden, het kabinet van de Vlaamse minister van Leefmilieu, andere Vlaamse of federale overheidsdiensten (bv. FAVV), het departement LNE, afdeling Milieuvergunningen, milieuverenigingen, Aquafin en Vlaamse openbare instellingen, zoals OVAM, VLM en VMM. Ook anonieme klachten worden behandeld. MI ontvangt ook heel wat vragen en klachten die niet voor haar bestemd zijn. Gelet op de veelheid aan en de complexiteit van de milieuregelgeving is het blijkbaar niet altijd evident welke overheidsdienst een vraag of klacht kan of moet behandelen. Hierna volgen een aantal algemene richtlijnen. Welke vragen en klachten worden door MI behandeld? Klachten over klasse 1-bedrijven die milieuhinder veroorzaken of over klasse 2- en klasse 3-bedrijven die zware milieuhinder veroorzaken én waar de lokale overheid niet optreedt, worden door MI behandeld. Een bedrijf kan onder meer de volgende vormen van milieuhinder veroorzaken: - geur-, stof- en lichthinder; - luchtverontreiniging (rook of uitwasemingen); - geluids- en trillingsoverlast; - bodem- en grondwaterverontreiniging; - verontreiniging van oppervlaktewater; - onzorgvuldig omgaan met afvalstoffen; - tekortkomingen met betrekking tot de veiligheid van de omgeving; - het niet-naleven van vergunningsvoorwaarden. Welke vragen en klachten worden NIET door MI behandeld? MI ontvangt geregeld heel wat vragen of klachten die door andere overheidsdiensten worden behandeld. Hierna volgt een overzicht, waarbij telkens de instantie aangegeven is die de vraag of klacht wel behandelt.
In de sector milieuhygiëne - klachten over klasse 2- en klasse 3-bedrijven die milieuhinder veroorzaken: de gemeentelijke milieudienst; - vragen over de milieuvergunningsklasse (1, 2 of 3) van een bepaald bedrijf: de gemeentelijke milieudienst (de gemeente heeft een openbaar register); - vragen over de inhoud van een bepaalde milieuvergunning: de gemeentelijke milieudienst (álle milieuvergunningen liggen bij de gemeente vrij ter inzage voor het publiek); - vragen over de interpretatie van de wetgeving: afdeling Milieuvergunningen van LNE; - historische bodemverontreiniging: OVAM; - verlaten bedrijfsterreinen: OVAM; - achterlaten van afval: - algemeen: Lokale Politie - aan wegen: afdelingen Wegen en Verkeer (Agentschap Infrastructuur) - aan waterwegen: Waterwegen en Zeekanaal nv, nv De Scheepvaart en het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust; - in bossen of natuurgebied: Agentschap voor Natuur en Bos; - verbranden van huishoudelijk afval door particulieren: Lokale Politie; - mestproblematiek (bv. uitrijden van mest in een niet toegestane periode): de Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij; - sproeistoffen: de dienst Pesticiden en Meststoffen van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu; - gezondheidsklachten die in verband staan met hinderlijke inrichtingen: de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Agentschap Zorg en Gezondheid (vroegere Gezondheidsinspectie). In andere sectoren - bouwovertredingen: dienst Stedenbouw van de gemeente / Agentschap Inspectie Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed;
Reactieve controles • 93
Stroomschema voor de behandeling van milieuklachten
Milieuklacht
Niet ingedeeld Niet MI - bevoegdheid Vrije veld
Dossier overmaken aan gemeente of bevoegde overheid
Ja
Einde
Nee Klasse 1 + Kabinet + Ombudsman + Klachtenmanager
Klasse 2/3 Klasse- en prioriteitsbepaling Burgemeester vragen om een onderzoek in te stellen binnen een termijn van 1 maand + ontvangstmelding
Ontvangstmelding (binnen de 14 dagen)
Burgemeester onderneemt actie?
Ja
Klager inlichten
Einde
Klager inlichten
Einde
Klager inlichten
Einde
Nee
Is dossier/klacht nog relevant?
Nee
Ja
MI behandelt klacht zelf = hoog toezicht
Klasse 2/3
Klasse 1
Ja
Zware hinder?
Nee Herinnering aan burgemeester om klacht te behandelen binnen een termijn van 1 maand
Eerste behandeling volgens instrumentarium binnen de opgelegde streefdatum
Burgemeester onderneemt actie?
6
Ja
Eventueel opvolging Nee
Klasse 1
Einde
Klasse 2/3 Einde
94 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Dossier overmaken aan Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu
Einde
Klachten per milieucompartiment in 2006 &WPMVUJF WBO IFU BBOUBM LMBDIUFO
Geur 28%
Lucht 8%
Exploitatie 21%
Bodem en grondwater 3,5%
Geluid 18%
Mest 1%
Lozing 10%
Veiligheid 1%
Afval 9%
Licht 0,5%
- overtredingen in natuurgebieden: Agentschap voor Natuur en Bos; - overtredingen in bossen: Agentschap voor Natuur en Bos; - brand of calamiteit: Brandweer, Civiele Bescherming.
Behandeling van milieuklachten Voor de behandeling van klachten heeft MI reeds in 2002 een interne procedure vastgelegd die vertaald werd in een interne onderrichting. De tekst van de onderrichting werd in de loop van 2004 geactualiseerd en uitgebreid met een codesysteem om de verschillende klachtendeelstromen te kunnen kwantificeren. De nieuwe onderrichting werd vanaf het kalenderjaar 2005 toegepast. Milieuklachten worden behandeld volgens een aantal afspraken die rekening houden met de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe procedure: - een goede voortgangscontrole van de aan de lokale overheden gemelde klachten; - een invulling van het begrip hoog toezicht; - een goede communicatie met de klagers, de gemeente, de klachtenmanager van LNE en de Vlaamse Ombudsdienst. Hierna wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste afspraken voor de behandeling van klachten. Een milieuklacht die gaat over een niet ingedeelde inrichting, een vrij velddelict of een wetgeving waarvoor MI niet bevoegd is, wordt onmiddellijk doorgestuurd naar de burgemeester of naar de bevoegde dienst. Milieuklachten over hinderlijke inrichtingen worden afhankelijk van de klasse verschillend behandeld. Klachten over klasse 1-bedrijven (inclusief klachten via het kabinet, de klachtenmanager van LNE en de Vlaamse Ombudsdienst) worden door MI behandeld binnen drie maanden na ontvangst van de klacht volgens interne procedures die het uitvoeren van inspecties, het eventueel opstellen van processen-verbaal en het geven van aanmaningen, omvatten. Een klacht over een klasse 2- of 3-bedrijf wordt, ook als de klager beweert dat de gemeente niet of onvoldoende optreedt, onmiddellijk ter behandeling doorgestuurd naar de burgemees-
ter. MI vraagt de burgemeester om binnen een termijn van één maand een onderzoek in te stellen. Als de burgemeester niet of onvoldoende antwoordt en er is geen zware hinder, dan stuurt MI een herinnering aan de burgemeester om nogmaals de klacht te onderzoeken. Als de burgemeester opnieuw niet of onvoldoende antwoordt, worden de klager, de minister en de Vlaamse Ombudsdienst hiervan op de hoogte gebracht. De klacht wordt dan ook als afgehandeld beschouwd door MI. Pas als de burgemeester niet of onvoldoende antwoordt, en als uit de klacht blijkt dat er zware hinder is, onderzoekt MI in het kader van haar hoog toezicht zelf de klacht, als die nog relevant is. MI ontvangt jaarlijks heel wat klachten en voert veel inspecties uit om de klachten te beoordelen en in voorkomend geval de vaststellingen verder te volgen. Klachten Aantal ontvangen
2.036
Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties
2.576
Al verschillende jaren ontvangt MI meer dan 2.000 klachten per jaar. Het aantal klachten is in 2006 terug gestegen ten opzichte van de vermindering in 2005 en situeert zich opnieuw op het niveau van 2004. De klachten worden opgedeeld per milieucompartiment. Een klacht kan soms meerdere thema’s omvatten. Daardoor kan één klacht binnen verschillende compartimenten worden ondergebracht. In de volgende grafiek wordt de verdeling van de klachten per milieucompartiment voorgesteld. Hieruit kan worden afgeleid dat de meeste
klachten per milieucompartiment Geur
829
Geluid
417
Exploitatie
409
Afval
273
Lucht
226
Lozing
169
Bodem en grondwater
79
Mest
27
Veiligheid
28
Licht
17
Totaal
2.474
Reactieve controles • 95
&WPMVUJF WBO EF LMBDIUFO QFS NJMJFVDPNQBSUJNFOU
-JDIU
#FESJKWFO NFU LMBDIUFO JO 7FJMJHIFJE
.FTU ,MBTTF
#PEFN FO HSPOEXBUFS
,MBTTF
-P[JOH
,MBTTF
-VDIU
/JFU JOHFEFFMEF JOSJDIUJOHFO
"GWBM
,MBTTF POCFLFOE
&YQMPJUBUJF (FMVJE
(FVS
klachten handelen over de milieucompartimenten geur, geluid en exploitatie. Meer dan twee derde van alle klachten worden gecatalogiseerd onder die drie thema’s. We stellen echter vast dat ten opzichte van 2005 het aantal geurklachten is toegenomen en het aantal geluidsklachten verminderd is.
Aantal klachten
Aantal betrokken bedrijven
Klasse 1
1.473
589
Klasse 2
259
201
Klasse 3
62
52
Niet-ingedeelde inrichtingen
189
123
Klasse onbekend
53
30
2.036
995
Totaal
Uit onderstaande tabel blijkt dat MI heel wat klachten ontvangt over hinder die niet afkomstig is van klasse 1-inrichtingen. De toepassing van het stroomschema voor de behandeling van milieuklachten leidt tot volgende vaststellingen en conclusies. Klachten over klasse 1-inrichtingen worden behandeld door MI. Dit houdt in dat zowel de inspecties, de getroffen maatregelen als de voortgangscontroles zo uniform mogelijk worden uitgevoerd. MI kan bovendien op een efficiĂŤnte wijze gebruik maken van de middelen die zij ter beschikking heeft, zoals het uitvoeren van eigen snuffelmetingen, het laten uitvoeren van emissiemetingen of geurstudies, het zelf meten met hoogwaardige toestellen van geluid of trillingen, het nemen van monsters van afvalwater of afvalstoffen. Klachten bij MI ingediend over klasse 2- en 3-inrichtingen worden voor verdere behandeling doorgestuurd naar de burgemeester. We stellen vast dat klachten waarbij de klager beweert dat de gemeente niet optreedt toch vaak onderzocht worden
96 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
door de burgemeester nadat MI hem/haar hierom schriftelijk heeft verzocht, desnoods na het sturen van een herinnering indien binnen de maand hierover geen antwoord werd bekomen. Gelet op de bevoegdheid van de burgemeester is MI niet meer betrokken bij het verder verloop van dit onderzoek noch bij de opvolging van eventuele saneringsmaatregelen. Het hoog toezicht wordt door MI ingevuld door enkel die klachten over klasse 2-en 3-inrichtingen zelf te behandelen waar de burgemeester niet of onvoldoende optreedt en waarbij uit de klacht blijkt dat er sprake is van zware hinder. Sanering van een bedrijf na klachten over geluidshinder MI kreeg aanhoudend klachten vanwege ĂŠĂŠn buur over o.m. geluidshinder door een grondreinigingsbedrijf, gelegen in industriegebied. De grenswaarde voor geluid voor een nieuwe inrichting tijdens de dag bedraagt 55 dB(A). MI voerde twee informatieve geluidsmetingen uit ter hoogte van de woning van de klager, waarbij overschrijdingen van de geluidsnormen werden vastgesteld. MI maande de exploitant aan een volledig akoestisch onderzoek uit te voeren. Uit het onderzoek bleek dat de belangrijkste geluidsbronnen een wiellader, een hydraulische kraan, een trommelzeef en een grondkeermachine waren. Het gemeten geluid bedroeg 59 Ă 61 dB(A). De geluidsdeskundige stelde een saneringsplan op. Na ontvangst van de stedenbouwkundige vergunning bouwde het bedrijf een geluidsmuur van 65 m lang en 4 m breed met een kostenplaatje van 75.000 euro. Het gemeten geluid bedraagt nu minder dan 55 dB(A), zodat het grondreinigingsbedrijf nu wel voldoet aan de grenswaarden voor geluid. MI krijgt geen klachten meer over geluidshinder. Sanering geurproblematiek afvalverwerking MI stelde proces-verbaal op lastens een afvalverwerkend bedrijf in West-Vlaanderen, wegens het overschrijden van de normen voor lozing van het bedrijfsafvalwater afkomstig van de afvalwaterzuivering. Deze installatie was tevens oorzaak van herhaalde geurklachten in de omgeving van het bedrijf.
De geluidsmuur zorgde voor een voldoende sanering van het geluidsprobleem
De geuroverlast verminderde door de overkapping van de bufferbekkens van de waterzuivering
Behandeling van klachten in het kader van het Klachtendecreet Ondermeer als gevolg van de gegeven aanmaningen voerde een erkend deskundige in opdracht van het bedrijf een studie uit m.b.t. de aanpassing van de biologische waterzuivering. Op basis van de aanbevelingen uit deze studie voerde het bedrijf in 2006 een aantal maatregelen door om een betere werking van de waterzuivering te garanderen en problemen inzake geuroverlast en overschrijding van de lozingsnormen in de toekomst maximaal te beperken. Het ging onder meer over: - compartimenteren van de bedrijfshallen om het behandelen van met geur beladen luchtstromen afkomstig van bepaalde activiteiten mogelijk te maken; - overdekken van de twee grote bufferbekkens van de waterzuivering; - behandelen van de afgezogen lucht uit de hallen en de overkapte bufferbekkens via een luchtwasser (in werking sedert begin november 2006); - uitbreiden van de waterzuivering met een fysico-chemische installatie (pijpenflocculator) gevolgd door een flotatie-unit met als belangrijkste doelstelling de verwijdering van zware metalen uit het biologisch effluent (ingebruikname in januari 2007). Uit de maandelijkse opvolgingsrapporten blijkt dat, door combinatie van bovenvermelde maatregelen, de kwaliteit van het geloosde afvalwater beduidend is verbeterd ten opzichte van begin 2006. Door ingebruikname van de flotatie-unit wordt het bedrijfsafvalwater vanaf 2007 binnen de opgelegde normen geloosd. Bovendien worden er sedert de overdekking van de beluchtingsbekkens, de luchtafzuiging van de bedrijfshallen en de ingebruikname van de gaswasser geen geurklachten meer geregistreerd.
Een klacht in het kader van het Klachtendecreet is een manifeste uiting van een ontevreden burger die bij de overheid klaagt over een door diezelfde overheid (al dan niet) verrichte handeling of prestatie. Klachten die onder dit decreet vallen en die aanvankelijk gericht zijn aan de Vlaamse Ombudsdienst of de klachtenmanager, worden door die diensten aanvankelijk doorverwezen naar de ambtenaar die het dossier behandelt of naar diens directe chef. Als het probleem op het niveau van de dienst niet wordt opgelost, kan de klager zich richten tot de klachtenmanager van LNE. De klacht wordt er geregistreerd en behandeld conform de richtlijnen van het Klachtendecreet: de klachtenmanager bevestigt de ontvangst van de klacht binnen de tien kalenderdagen en handelt de klacht af binnen 45 kalenderdagen. Hiertoe vraagt de klachtenmanager een ontwerp van antwoord aan het hoofd van de afdeling in kwestie. Als de klager niet tevreden is met het antwoord van de klachtenmanager, kan hij nog terecht bij de Vlaamse Ombudsdienst, die volgens dezelfde procedure een onderzoek kan instellen: de klacht wordt bezorgd aan het afdelingshoofd, het afdelingshoofd stelt een onderzoek in en rapporteert aan de Vlaamse Ombudsdienst en die laatste bezorgt de klager een antwoord. In 2006 behandelde MI 6 vragen van de klachtenmanager van LNE en 12 vragen van de Vlaamse Ombudsdienst. Een overzicht wordt gegeven in de volgende tabellen.
Uit wat voorafgaat blijkt dat het bedrijf sedert de opmaak van het proces-verbaal belangrijke inspanningen heeft geleverd om de gegeven aanmaningen na te leven en om zowel de lozingsproblematiek als de geurhinder aan te pakken.
Reactieve controles • 97
Meldingen van voorvallen Elke exploitant heeft bij de uitbating van zijn bedrijf de plicht alle nodige maatregelen te treffen om de buurt te beschermen tegen de risico’s voor en de gevolgen van ongevallen. Dat betekent onder andere dat de noodzakelijke interventiemiddelen moeten worden voorzien en dat bij hinder, schade of gevaar daartoe onmiddellijk alle nodige maatregelen moeten worden getroffen. Eventueel opgetreden verontreiniging moet op verantwoorde wijze ongedaan worden gemaakt. Ondanks alle mogelijke preventieve maatregelen gebeuren er echter nog steeds onvoorziene emissies die tot hinder kunnen leiden. Soms escaleren deze voorvallen in die mate dat er ook schade wordt berokkend aan de mensen en het milieu in de omgeving van het bedrijf. Naast de zorgplicht rust er ook een meldingsplicht op de exploitant: de voorvallen en de genomen maatregelen moeten worden gemeld bij de burgemeester en MI. Als er een voorval heeft plaatsgevonden zal MI, als dat relevant is, er zich van vergewissen of inderdaad de nodige gevolgbeperkende maatregelen werden getroffen.
De afgezogen lucht wordt sinds november 2006 behandelt in deze luchtwasser Lijst van de in 2005 behandelde dossiers van de Vlaamse Ombudsdienst Nummer
Omschrijving
2003-0512
Onvergunde stalling van vrachtwagens
Klasse 2
2004-0493
Exploiteren van een niet vergunde inrichting en milieuhinder
2
2004-0558
Geluidshinder van een luchthaven (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)
1
2004-0864
Geurhinder van een garage (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)
2
2005-0391
Geurhinder van een compostverwerkend bedrijf
1
2005-0623
Geluidshinder van een feestzaal
2
2005-0689
Stofhinder van een palettenfabriek (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)
1
2005-0824
Geurhinder van een veevoederbedrijf
1
2005-0914
Geluidshinder van een betonbedrijf (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)
1
2006-0291
Geluidshinder van een betonbedrijf (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)
1
2006-0452
Geurhinder van een brasserie/taverne
3
2006-0851
Stofhinder van een afvalverwerkend bedrijf
1
In 2006 werden er in totaal 1.097 voorvallen gemeld bij MI. Deze voorvallen zijn niet beperkt tot ‘ongevallen’ in de enge betekenis van het woord. De exploitant moet onder andere ook melden wanneer de zuiveringsinstallaties uitvallen of wanneer een norm wordt overschreden. Meldingen van voorvallen
Lijst van de in 2005 behandelde vragen van de klachtenmanager van AMINAL Nummer
Omschrijving
Klasse
2005-0689
Stofhinder door een palettenfabriek
1
2005-0753
Geluidshinder van een grondverzetbedrijf
2
2006-0307
Afhandeling van een PWZI-dossier
2006-0429
Uitbaten zonder vergunning van een werkplaats voor de bouw van boven- en ondergrondse stookolietanks
2
2006-0511
Niet reglementair verwijderen van asbestafval (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)
2
2006-0636
Uitblijven van maatregelen op het gebied van geluidshinder
1
98 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Aantal ontvangen meldingen Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties
1.097 86
Seveso-bedrijven moeten bovendien, volgens de bepalingen van het Samenwerkingsakkoord, bij een zwaar ongeval het interne noodplan in werking zetten en de dienst 100 en het Coördinatie- en Crisiscentrum van de regering (CGCCR) verwittigen. Het CGCCR meldt door aan een aantal instanties, waaronder de bevoegde inspectiediensten die dan ter plaatse kunnen gaan om te controleren of de nodige noodmaatregelen werden getroffen. Chemisch bedrijf is oorzaak dioxinebesmetting Begin 2006 verschenen in de pers een aantal berichten over een besmetting van veevoeder door dioxines. De oorzaak van deze besmetting bleek niet onmiddellijk bekend te zijn. Op 30 januari 2006 ontving MI een melding van een Limburgs chemisch bedrijf met de mededeling dat de oorzaak van de vastgestelde dioxinebesmetting in hun bedrijf werd gevonden. Eind 2005 werd met dioxine vervuild zoutzuur geleverd aan een dochteronderneming die dit zoutzuur aanwendt in het productieproces van gelatine. De dioxinevervuiling werd veroorzaakt door een defect aan filters in de zoutzuurafdeling, waardoor gedurende drie weken ongezuiverd zoutzuur het bedrijf verlaten heeft. MI voerde onmiddellijk na de melding een onderzoek uit in het chemisch bedrijf waaruit bleek dat het tijdelijk defect aan
Defecte filters in dit bedrijf leidden tot een besmetting van veevoeders met dioxine
de zoutzuurfilters niet heeft geleid tot extra emissies naar de lucht, het water of de bodem. De controle op de kwaliteit van het zoutzuur, wat beschouwd wordt als een product, valt niet onder de bevoegdheid van MI maar is een federale bevoegdheid. Om een eerste indruk te krijgen van de dioxine-emissies door het bedrijf nam MI monsters van het geloosde afvalwater en van de geproduceerde afvalstoffen. Ondertussen vroeg MI aan het bedrijf de resultaten op van uitgevoerde zelfcontroles inzake dioxines. Het bedrijf was ervan op de hoogte dat enkele van hun productieprocessen aanleiding gaven tot de vorming van dioxines, maar toonde ook aan dat er maatregelen werden genomen om emissies van dioxines te voorkomen of te beperken. De gevormde dioxines kwamen grotendeels in de afvalstoffen terecht, wat ook bleek uit de analyseresultaten van de door MI genomen monsters. De analyse van het geloosde bedrijfsafvalwater toonde nog een restgehalte aan dioxines aan, welliswaar beneden de in de Europese BBT-studie vermelde referentiewaarde. Omdat het belangrijk is de totale impact te kennen op het leefmilieu van de dioxinevorming in de productieprocessen, maande MI het bedrijf aan om hierover een rapport te laten opstellen door een erkende milieudeskundige ‘lucht’ en een erkende milieudeskundige ‘water’. Dit rapport moest een inventarisatie omvatten van de huidige bronnen van dioxine-emissies
Onvoldoende beveiliging tegen brand van de afsluiters en slechte ergonomie voor de bediening van de afsluiters waren mede oorzaak van de brand
bij de verschillende productie-eenheden met vermelding van de beschikbare meetwaarden per bron en per emissiepunt, alsook de reeds genomen en nog te nemen maatregelen om de uitstoot van dioxines te verminderen. Het onderzoek dat het bedrijf daarna liet uitvoeren gaf een totaalbeeld van de potentiële dioxinebronnen, en toonde aan op welke wijze de dioxine-uitstoot naar het leefmilieu voorkomen werd. In één productieeenheid zorgt een restgasincinerator voor de verwijdering van dioxines; in een andere afdeling zijn actief koolfilters geplaatst om de restgassen verder te zuiveren en te voorkomen dat deze geloosd worden in de atmosfeer. MI liet in 2006 zelf emissiemetingen uitvoeren op enkele relevante emissiepunten. Uit de meetresultaten bleek dat de dioxine-uitstoot onder controle is. In Vlarem zijn voor deze inrichtingen geen emissiegrenswaarden of richtwaarden vastgelegd, maar de gevonden waarden voldeden aan de strenge normen die gelden voor huisvuilverbrandingsovens. Brand in een raffinaderij Op 6 juni 2006 brak er omstreeks 10.00 uur brand uit in de visbreaker-eenheid van een raffinaderij in Antwerpen. De brand was hevig en woedde gedurende 45 minuten. In de installatie bevond zich een zware fractie van het raffinageproces. Grote hoeveelheden van dit product ontsnapten uit de installatie. Het grootste deel hiervan brandde op en verdween met de impo-
Reactieve controles • 99
Bij controle in de opslagplaatsen bleek dat de goederen soms opgeslagen werden zonder aanduiding van de gevarenklasse en zonder rekening te houden met de afstandsregels
Evaluatieverslagen sante rookpluim, een deel bleef op de grond liggen ter hoogte van de brand. Er waren geen giftige producten bij de brand betrokken, enkel P3/P4-product. Het bedrijf legde de eenheid volgens de noodstopprocedure op een gecontroleerde wijze stil en stelde het intern noodplan in werking waarbij het bedrijf gedeeltelijk ontruimd werd. Het bedrijf verwittigde onmiddellijk het CGCCR en alarmeerde de stadsbrandweer, de hulpdiensten en het CLW. Ook de gemeenten Beveren en Zwijndrecht werden geïnformeerd. Omstreeks 11.00 uur hadden de stads- en de bedrijfsbrandweer de brand onder controle. Door de brand werd er vrij zware schade aan de installatie toegebracht (isolatie kapot, pijpen, pompen en procesapparatuur zwartgeblakerd, verlichting vernield, elektrische bekabeling weggebrand, installatie besmeurd met product, verschillende lekken, …). Voordat de installatie opnieuw in dienst werd gesteld, moesten de nodige inspecties en controles verzekeren dat de installatie onder voor de omgeving veilige omstandigheden kon worden geëxploiteerd. MI maande de exploitant aan om daarvan een verslag te bezorgen vooraleer de betrokken installatie opnieuw op te starten. Ook maande MI de exploitant aan om de resultaten van het ongevalsonderzoek te bezorgen en om een actieplan op te stellen om de gevolgen van de brand te herstellen en herhaling van het incident te voorkomen. Bij verschillende voortgangscontroles ging MI de uitvoering van het actieplan na. Daarbij voerde ze verificaties uit om na te gaan of alle nodige inspecties en controles werden verricht om te verzekeren dat de installatie onder voor de omgeving veilige omstandigheden kon worden geëxploiteerd. De oorzaak van de brand bleek een combinatie van verschillende factoren: onvoldoende bewustzijn van de risico’s bij de uitgevoerde manipulaties, onvoldoende beveiliging tegen brand van de aanwezige afsluiters en slechte ergonomie voor de bediening van de afsluiters.
100 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Een vergunning op proef kan worden verleend voor een termijn van ten hoogste twee jaar. Ter uitvoering van artikel 40 van Vlarem I maakt MI voor elke vergunning op proef een evaluatieverslag. Dat verslag wordt bezorgd aan de vergunningverlenende overheid die een definitieve beslissing neemt. Evaluatieverslagen bij proefvergunningen Aantal verslagen
29
Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties
66
Evaluatieverslag na proefvergunning omwille van aanhoudende geurhinder Een producent van houten deuren en kastonderdelen veroorzaakte al jarenlang geregeld geurhinder. De bron hiervan was het gebruik van solventhoudende producten bij het aankleuren en/of vernissen van de eindproducten. Na een proces-verbaal en aanmaningen door MI plaatste de exploitant in het verleden reeds actief koolfilters op de uitlaten van de kleur- en vernismachine. De achillespees van deze end-of-pipe oplossing bleek evenwel steevast de tijdige verversing van de actief kool te zijn. Om de werkingskost zoveel mogelijk te drukken, stelde de exploitant de verversing van de actief kool immers steeds veel te lang uit, telkens met geurhinder voor de omgeving, en dus klachten tot gevolg. Naar aanleiding van een milieuvergunningsaanvraag in 2004 (die werd ingediend na een aanmaning door MI) verleende de Bestendige Deputatie voor de kleur- en vernismachine dan ook slechts een vergunning op proef voor een termijn van 2 jaar. Als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat in samenwerking met een erkend milieudeskundige een saneringsplan voor de kleur- en vernisactiviteit moest worden opgesteld, en dat dit plan ter goedkeuring moest worden voorgelegd aan MI. De exploitant zette hierop zijn zoektocht naar oplossingen verder, waarbij de aandacht voornamelijk geconcentreerd werd op een brongerichte aanpak, met name het zoveel mogelijk vervangen van solventhoudende door watergedragen producten. Voor de bestaande vernismachine slaagde de exploitant er uiteindelijk in om volledig over te schakelen op watergedragen producten, waardoor op deze machine geen end-of-pipe
&WPMVUJF WBO IFU BBOUBM LBOUTDISJGUFO
MI stelde onder andere vast dat de debietmeters van de diepe boorputten terugliepen
behandeling meer nodig is om de (geleide) emissiegrenswaarde te respecteren. Voor de activiteiten op de bestaande kleurmachine bleek het met de huidige stand van de techniek evenwel niet mogelijk te zijn om volledig op watergedragen producten over te schakelen. Met name het aankleuren en afwerken van massief eik bleek een onaanvaardbare kwaliteit op te leveren. Het bedrijf opteerde er uiteindelijk voor om de bestaande kleurmachine te behouden voor alle afwerkingen waarbij het gebruik van solventhoudende producten (voorlopig?) niet kan vermeden worden. Voor de overige afwerkingen kocht het bedrijf een nieuwe vernismachine aan. Deze nieuwe machine laat het gebruik van producten met een (sterk) verlaagd solventgehalte toe. Het gevolg van deze maatregelen is een drastische vermindering van het solventverbruik. Waar het jaarlijks solventverbruik in 2004 nog bijna 47.000 kg bedroeg, zou dit volgens de huidige inschatting nog slechts een 12.000 kg zijn, of dus een reductie met 74% en dit bij een gelijkblijvend verbruik aan vaste stof. Door het sterk verminderde solventverbruik is ook de toepassing van actief koolfilters als end-of-pipe oplossing, welke in ieder geval nodig blijft bij de bestaande kleurmachine, een betere economisch haalbare oplossing geworden. Door de aanzienlijk lagere belasting daalt immers de noodzakelijke verversingsfrequentie, en dus de werkingskost, evenredig. Een goede opvolging van de actief koolfilters blijft evenwel noodzakelijk. In dit verband stelde MI een controleerbare opvolgingsmethodiek voor, die in samenspraak met de erkende milieudeskundige verder verfijnd werd. Gelet op de inspanningen die door de exploitant tijdens de proefperiode geleverd werden, stelde MI uiteindelijk een positief evaluatieverslag op, waarin toch voorbehoud werd gemaakt met betrekking tot de bestaande kleurmachine. MI stelde een aantal bijzondere milieuvoorwaarden met betrekking tot de opvolging van de actief koolfilters voor, ondermeer de eerder vermelde opvolgingsmethodiek. In november 2006 verleende de Bestendige Deputatie de definitieve vergunning voor de bestaande kleur- en vernismachine. De door MI voorgestelde bijzondere milieuvoorwaarden werden effectief in deze vergunning opgenomen.
Illegaal oppompen grondwater In de loop van 2005 en 2006 stelde MI vast dat een groenteverwerkend bedrijf illegaal grondwater oppompte en dat de voorwaarden van de milieuvergunning voor het onderdeel grondwaterwinning niet werden nageleefd. MI stelde onder andere vast dat de debietmeters van de diepe boorputten terugliepen of dat er grondwater opgepompt werd terwijl de debietmeters niets registreerden. MI stelde dus proces-verbaal op en vroeg in toepassing van artikel 47 van Vlarem I aan de Bestendige Deputatie om de milieuvergunning op te heffen. Naar aanleiding van deze vraag tot opheffing hield de Bestendige Deputatie een hoorzitting. Het bedrijf beloofde tijdens deze hoorzitting om nieuwe debietmeters te plaatsen en de andere vergunningsvoorwaarden strikt na te leven. In opvolging van deze hoorzitting vroeg de Bestendige Deputatie aan MI om na te gaan of de gevraagde aanpassingen werden uitgevoerd. Tijdens een inspectie stelde MI vast dat de gevraagde debietmeters werden geplaatst en uiteindelijk besliste de Bestendige Deputatie om de milieuvergunning niet op te heffen. Gezien de milieuvergunning voor het onderdeel grondwater ook vervallen was, werd door de Bestendige Deputatie slechts een proefvergunning verleend voor 1 jaar. Na het verlopen van deze proefperiode zal MI terug een evaluatieverslag moeten opstellen.
Kantschriften Als een parket vragen heeft bij een proces-verbaal van MI of als het parket de stand van zaken wil kennen in de administratiefrechtelijke afhandeling die volgt op een proces-verbaal van MI, gebeurt dat in de vorm van een kantschrift. Daarnaast kunnen de toezichthoudende ambtenaren, na gemotiveerd verzoek van het parket, als technisch expert deelnemen aan een onderzoek onder leiding van een magistraat of een officier van gerechtelijke politie, voorzover dat de planmatige handhaving niet te sterk doorkruist. In 2006 gebeurden daarvoor 45 afstappingen.
Reactieve controles • 101
Ontvangen kantschriften
bij prioritaire processen-verbaal
bij andere processen-verbaal
Antwerpen
15
31
Brugge
3
2
Brussel
19
30
Dendermonde
29
80
Gent
9
65
Hasselt
25
95
Ieper
9
21
Kortrijk
12
65
Leuven
17
21
Mechelen
6
24
Oudenaarde
8
24
Tongeren
11
44
Turnhout
0
13
Veurne
4
0
Totaal
167
515
Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties
88
254 De geurhinder afkomstig van het drogen van gistcelwanden wordt maximaal beperkt door het maskeren van de luchtemissiestromen
Kantschriften omtrent geurhinder Bij een bedrijf dat natuurlijke producten droogt, ontstonden in de loop van 2005 klachten over geurhinder. Bij deze drogerij worden verschillende producten gedroogd die gebruikt worden als basis voor veevoeders. Aanvankelijk werd in de jaren zestig luzerne gedroogd, medio jaren zeventig werd overgeschakeld naar meer maïsgerelateerde producten en sinds 2004 droogt het bedrijf meer en meer restgist. Restgist is een product dat afkomstig is van de aanmaak van gist en bestaat voornamelijk uit gistcelwanden. Bij het drogen van restgist ontstaat een heel specifieke geur die sinds 2005 aanleiding geeft tot tientallen klachten bij MI. MI stelde een aanvankelijk proces-verbaal op en maande het bedrijf aan een geurstudie te laten uitvoeren door een erkend deskundige in de discipline lucht. Een eerste rapport wees uit dat de klachten over geurhinder gegrond waren en dat een sanering zich opdrong. Er bood zich echter geen eenvoudige oplossing aan om de luchtemissiestromen zodanig te zuiveren dat zich geen geurhinder meer zou voordoen. Een complexe studie op basis van pilootproeven drong zich op, maar dit vergde het verderzetten van de activiteit die de geurhinder veroorzaakte, namelijk het drogen van gistcelwanden. Het aantal klachten nam bijgevolg niet af. Via navolgende processen-verbaal hield MI het parket op de hoogte van de stand van zaken. Na zekere tijd kreeg MI de indruk dat het overmaken van de eindconclusie van de studie met de beslissing op welke manier tot sanering zou worden overgegaan, uitbleef. MI maakte deze informatie over aan het parket, dat op basis van artikelen 35 en 38 Wetboek van Strafvordering besliste om de droger die de geurhinder veroorzaakte in beslag te nemen en te verzegelen. Via een kantschrift werd MI gevraagd om bijstand te leveren voor de inbeslagname en verzegeling.
102 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Kort daarna maakte het bedrijf de eindconclusie dan toch over, waarop het parket besliste om tot ontzegeling over te gaan. Aan de ontzegeling wilde het parket voorwaarden koppelen en daarvoor deed het via een kantschrift beroep op de technische expertise van MI. MI stelde voor om tot ontzegeling over te gaan mits het bedrijf onverwijld de procedures zou doorlopen om de nodige vergunningen te bekomen voor de bouw van de sanering. Het bedrijf moest in afwachting de geur afkomstig van het drogen van gistcelwanden maximaal maskeren, de buurt inlichten over een stand van zaken en de inrichting waar de gistcelwanden gedroogd worden volledig onderwerpen aan de vereisten van de Vlaremwetgeving. Het bedrijf voldeed aan deze voorwaarden en doorloopt momenteel nog de procedures om de nodige vergunningen voor de realisatie van de sanering te bekomen. De geurhinder afkomstig van het drogen van gistcelwanden wordt maximaal beperkt door het maskeren van de luchtemissiestromen.
Adviesverlening Het overgrote deel van de vragen om adviesverlening zijn een gevolg van de regelgeving over private waterzuiveringsinstallaties (PWZI’s). Daarnaast zijn er adviesvragen in het kader van EMAS-registraties.
Adviesverlening PWZI’s Het Vlaams Parlement heeft met de programmadecreten van 20 december 1996, 19 december 1998, 22 december 2000 en 19 december 2003 beslist dat particulieren die zelf hun afvalwater zuiveren een vrijstelling van de afvalwaterheffing kunnen genieten. Een van de voorwaarden die daarvoor moeten worden vervuld, is de bouw en de exploitatie van een PWZI volgens een
Na een evaluatierapport van MI werd het verplicht advies van MI bij PWZI’s geschrapt
code van goede praktijk. Voor de burgemeester hiervoor een attest aan de burger kan uitreiken, moet aan MI advies worden gevraagd. De cijfers over de uitgebrachte adviezen worden in de bijgevoegde tabel vermeld. Opmerkelijk is dat er opnieuw een stijging was van het aantal adviesaanvragen, ondanks het feit dat er in 2005 reeds een verdubbeling werd opgetekend én dat MI door een wijziging van de regelgeving (zie hieronder) in 2006 slechts gedurende de eerste jaarhelft adviesaanvragen ontving. Bij de voorbereiding en de uitvoering van de controles voor het opstellen van de adviezen deed MI sinds 1997 heel wat praktijkervaring op. Die gegevens werden in september 1999 met het oog op de terugkoppeling naar het beleid gebundeld en als een uitgebreid verslag bezorgd aan de Vlaamse minister van Leefmilieu. In de loop van 2000 stelde MI twee concrete voorstellen tot decreetswijziging voor aan de minister. Met het programmadecreet van 22 december 2000 werd de wetgeving opnieuw aangepast: vanaf 2001 volstaat een attest dat vijf jaar geldig is en zal de vrijstelling automatisch gebeuren. Bovendien krijgen alle zelfzuiveraars die aan de huidige kwaliteitsnormen Antw. Ontvangen aanvragen
Limb.
voldoen een vrijstelling, onafhankelijk van hun woonplaats (tenzij de particuliere waterzuiveringsinstallatie werd aangelegd nadat de woning al aansluitbaar was op een RWZI). Tevens wordt het begrip gecertificeerde zuiveringsinstallatie ingevoerd. Eind 2004 zorgde het programmadecreet van 24 december 2004 opnieuw voor enkele aanpassingen aan de regelgeving. Het advies van MI bleef echter een verplichting. MI stelde in de loop van 2005 een evaluatierapport op met een overzicht van de bevindingen en knelpunten en zond dit rapport, als terugkoppeling van de ervaringen op het terrein, naar de minister. Dit rapport initieerde de opname van nieuwe wijzigingen in een verzameldecreet, dat in de loop van 2006 werd besproken. Door de goedkeuring van dit decreet werd het verplicht advies van MI geschrapt, zodat de gemeenten de eigen vaststellingen dadelijk kunnen gebruiken voor het verlenen van het attest aan de burgers. De meeste gemeenten deden deze vaststellingen al in het kader van de subsidiëring van deze installaties of in het kader van hun toezichtstaken bij klasse 3-inrichtingen.
Oost-Vl.
Vl.-Brab.
West-Vl.
Totaal
170
26
207
79
407
889
2
0
5
5
0
12
Onderzochte aanvragen
168
26
202
74
407
877
Advies gunstig
163
26
193
71
362
815
Advies ongunstig (constructie)
2
0
6
1
21
30
Advies ongunstig (exploitatie)
3
0
3
2
24
32
Onvolledige aanvragen
76
13
43
35
95
262
Anaëroob bacteriefilter
0
0
8
1
0
9
Gedraineerde zandfilter/filtratiebed
0
0
3
1
0
4
Ondergedompeld filter
10
0
14
3
0
27
Actief slibsysteem
60
1
119
26
296
502
5
0
1
0
1
7
17
12
14
8
15
66
Aëroob bacteriefilter of oxidatiebed
Biorotor Plantensystemen
Reactieve controles • 103
Adviesverlening EMAS Verordening (EG) nr. 761/2001 van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem is beter bekend als de EMAS II-verordening. Daarbij staat EMAS voor ‘Eco Management and Audit System’. EMAS II is de opvolger van een eerdere EMAS-verordening (nr. 1826/93) en heeft als doel de gestage verbetering van de milieuprestaties van organisaties te bevorderen door: - milieubeheersystemen te ontwikkelen en te gebruiken; - de prestaties van dergelijke systemen stelselmatig objectief en periodiek te beoordelen; - het publiek over de milieuprestaties te informeren en bij een open dialoog te betrekken; - de werknemers actief in de organisatie te betrekken. In tegenstelling tot zijn voorganger heeft EMAS II een toepassingsgebied dat niet beperkt is tot industriële activiteiten. De nieuwe verordening werd geïmplementeerd door een wijziging van de titel bedrijfsinterne milieuzorg van het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. LNE is de instantie die bevoegd is voor de registratie van organisaties en voor de schrapping, de weigering en de schorsing van de registraties. De afdeling Milieuvergunningen zorgt voor de concrete uitvoering. Conform artikel 6 van de verordening wordt MI bij elke vraag tot registratie van een industriële activiteit geconsulteerd. MI onderzoekt aan de hand van een aantal criteria of de organisatie voldoet aan de relevante wettelijke milieuvoorschriften en deelt haar bevindingen mee aan de afdeling Milieuvergunningen. In de loop van 2006 ontving MI twee vragen over een EMAS-registratie. Gezien de bevindingen tijdens de controles van de bedrijven, had MI geen bezwaren tegen de registratie.
Evaluatie werkplannen Artikel 5.2.1.3. van Vlarem II bepaalt dat de exploitant van een inrichting waar de activiteit ‘verwerking van afvalstoffen’ wordt beoefend, bij de aanvang van de activiteiten moet beschikken over een werkplan dat moet goedgekeurd zijn door de toezichthoudende overheid. Dit artikel vermeldt ook welke onderdelen de exploitant moet verduidelijken in zijn werkplan. Voor stortplaatsen komen daar nog een groot aantal punten bij, zoals vermeld in artikel 5.2.4.2.1.§1 van Vlarem II. MI streeft ernaar om binnen de vier weken na de ontvangst van een goed te keuren werkplan een antwoord te bezorgen aan de exploitant. Dit antwoord kan een goedkeuring van het werkplan zijn, maar ook een vraag tot verdere verduidelijking van enkele items. Uitzonderlijk kan deze termijn verlengd worden tot uiterlijk drie maand na indienen van het werkplan door de exploitant. MI heeft een interne procedure uitgewerkt voor behandeling en beoordeling van deze werkplannen. Essentieel is dat niet alleen de formele volledigheid van het ingediende werkplan moet worden nagegaan, maar ook de inhoudelijke volledigheid. Het
104 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Elke inrichting voor de verwerking van afvalstoffen moet beschikken over een werkplan, dat door de toezichthoudende overheid is goedgekeurd
is inderdaad duidelijk dat het werkplan een nuttig en krachtig handhavingsinstrument is voor de toezichthoudend ambtenaar bij zijn toekomstige controles op het terrein. De toestand op het terrein moet dan ook steeds weerspiegeld zijn in het goedgekeurde werkplan, zoniet moet de uitbater een vraag tot aanpassing van het werkplan overmaken. Ook is het denkbaar dat een toezichthoudend ambtenaar vaststelt dat een bepaalde bedrijfsvoering onvoldoende is beschreven in het werkplan; het logische gevolg is dan dat hij of zij het bedrijf aanmaant om die aspecten verder uit te diepen. Deze aanvragen tot aanpassing worden dan op dezelfde wijze behandeld als een nieuw ingediend werkplan. In de loop van 2006 werden er voor de 5 Vlaamse provincies samen 235 dergelijke aanvragen ter behandeling aan de MI overgemaakt. Dat het beoordelen en opvolgen van die werkplannen een aanzienlijke werklast inhoudt binnen het takenpakket van de toezichthoudend ambtenaar hoeft dus geen betoog.
Vragen vanuit het Vlaams Parlement MI geeft elk jaar heel wat input bij het beantwoorden van diverse vragen vanuit het Vlaams Parlement. Het betreft hierbij schriftelijke vragen, vragen om uitleg en interpellatieverzoeken. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de behandelde vragen. Het aantal inspecties dat daarvoor werd uitgevoerd, is steeds zeer laag (of nihil) aangezien de dossiers bij MI meestal goed bekend zijn en omdat er normaliter weinig tijd beschikbaar is tussen het stellen van de vraag en het meedelen van het antwoord. Input bij vragen vanuit het Vlaams Parlement Aantal behandelde schriftelijke vragen Aantal behandelde vragen om uitleg
17 4
Overzicht van de behandelde vragen vanuit het Vlaams Parlement Datum
Onderwerp
Aard
Nr.
11/01/06
Steden en gemeenten - Ondersteuningsbeleid
Schriftelijke vraag
212
11/01/06
Vlaamse overheid - Audits en beheersovereenkomsten
Schriftelijke vraag
213
11/01/06
Communicatie en informatie - Visie en initiatieven
Schriftelijke vraag
214
20/01/06
Afvaltransport naar derde wereld
Schriftelijke vraag
236
25/01/06
Niet-vergunningsplichtige bedrijven in woonzones - Geluidsnormen
Schriftelijke vraag
251
01/02/06
Nikkelvervuiling Gent-Zuid
Schriftelijke vraag
260
03/02/06
Ontwerpen van decreet - Externe adviezen
Schriftelijke vraag
272
20/02/06
Zoutzuurgebruik PB Gelatines - Milieuvergunning
Schriftelijke vraag
301
06/03/06
Het bestrijden van lichthinder
Vraag om uitleg
801
30/03/06
Afvaltransporten naar de derde wereld - Controles (2)
Schriftelijke vraag
396
06/04/06
Stort Ramsel (Herselt) - Stand van zaken
Schriftelijke vraag
403
11/05/06
Asbeststort Neerijse - Voorzorgsmaatregelen
Schriftelijke vraag
460
31/05/06
Rioolwaterzuiveringsslib - Gebruik in de landbouw
Schriftelijke vraag
484
01/08/06
Brand klasse 1-stort Mendonk - Informatieverstrekking
Schriftelijke vraag
553
20/09/06
Inter Ferry Boats Borgerhout - Milieuvergunning
Schriftelijke vraag
589
20/10/06
Gemeentegronden Schelle - Bodemverontreiniging
Schriftelijke vraag
29
24/10/06
Toezichtsregels zwembaden op campings
Vraag om uitleg
80
16/11/06
Studieopdrachten - Overzicht
Schriftelijke vraag
72
22/11/06
Overheidsopdrachten - Consultancybureaus
Schriftelijke vraag
78
14/12/06
De milieucontroles van MI
Vraag om uitleg
226
21/12/06
Afbouw pesticiden
Vraag om uitleg
240
Hoog toezicht
Draaiboek wintersmog
Artikel 58 van Vlarem I bepaalt dat de door de minister aangestelde ambtenaren van niveau 1 en 2 van MI gelast zijn met het toezicht op de inrichtingen van klasse 1 en met ‘hoog toezicht’ over de inrichtingen van klasse 2 en 3. In de milieuwetgeving is echter geen definitie van ‘hoog toezicht’ terug te vinden. ‘Hoog toezicht’ wordt door MI niet geïnterpreteerd als ‘in de plaats treden van degene die in gebreke blijft’. De afdeling beschikt immers in haar huidige vorm slechts over een 90-tal toezichthoudende ambtenaren, die bij voorkeur worden ingezet om preventieve controleacties uit te voeren bij klasse 1-inrichtingen.
In periodes van ongunstige meteorologische omstandigheden kan de luchtverontreiniging tijdelijk sterk toenemen (‘smog’), met nadelige gevolgen voor mens en milieu. Vlarem II voorziet in een regeling waarbij de meest luchtvervuilende bedrijven bij smog maatregelen moeten nemen om hun uitstoot van schadelijke stoffen naar de lucht te verminderen. MI kreeg hierbij naast haar taak van toezichthouder op de uitvoering van die maatregelen, ook de rol van boodschapper toegewezen. MI moet de exploitanten van de bedrijven waarschuwen indien wintersmog optreedt. Wanneer de wintersmogperiode effectief wordt afgekondigd moet MI hen alarmeren en hen vragen om maatregelen te nemen. Ook bij het einde van de smogperiode, moet MI de bedrijven verwittigen om de maatregelen stop te zetten. De bedrijven moeten dan binnen de twee maanden aan MI alle informatie geven om de effectiviteit van de genomen maatregelen te kunnen evalueren. Daarnaast moet MI ook de andere gewesten, de buurlanden en de pers inlichten.
Verder kan MI de uitvoering van het toezicht door de gemeentelijke overheden niet afdwingen, aangezien ze geen hiërarchische bevoegdheid heeft over die overheden. Om een degelijke invulling te geven aan ‘hoog toezicht’, heeft MI een procedure uitgewerkt en ingevoerd om het eerstelijnstoezicht door de gemeenten van dichtbij te volgen (hierover kan u meer lezen in het deel ‘Klachten’, bij het begin van dit hoofdstuk) en om in ernstige gevallen, waarbij de gemeente manifest weigert om op te treden, toch te zorgen voor de handhaving van de milieuwetgeving.
De vertaling van die Vlarem-bepalingen naar een praktisch werkbare regeling voor MI, met uitgeschreven procedures en gestandaardiseerde waarschuwings- en alarmberichten naar
Reactieve controles • 105
alle bovenvermelde betrokkenen, resulteerde in het ‘Draaiboek wintersmogperiodes’. In 2006 werd dit draaiboek geactualiseerd voor gebruik in de winter van 2006-2007. Vlarem maakt een onderscheid tussen een ‘waarschuwingsfase’ en een ‘alarmfase’. De waarschuwingsfase gaat in wanneer de uurgemiddelde meetwaarde voor NOx of de glijdende daggemiddelde meetwaarde voor SO2 een bepaalde drempelwaarde overschrijdt. De meetwaarden zijn de concentraties van deze stoffen in de omgevingslucht. Ze worden door VMM continu gemeten bij 35 meetposten verspreid over het Vlaams grondgebied. Ook voor het afkondigen van de alarmfase staat er een drempelwaarde in Vlarem. Opdat bij alarm de genomen maatregelen werkelijk effectief zouden zijn is het belangrijk dat vooral de bedrijven die in de zone van de smog gelegen zijn, maatregelen nemen. Daarom werd Vlaanderen in zeven zones verdeeld, waaronder twee aparte zones voor de havengebieden van Antwerpen en Gent. Waarschuwingsfase of alarmfase gaan in op het moment dat er bij minstens twee meetposten in één zone een overschrijding van de drempelwaarde is. Alleen de bedrijven van die zone moeten bij alarm maatregelen nemen. De toezichthoudend ambtenaar van wacht van het Hoofdbestuur volgt daarom in het kader van zijn/haar permanentieopdracht, de evolutie van de gemeten concentraties bij de Vlaamse meetpunten op de webstek van IRCEL. Van VMM die het Vlaams meetnet beheert, ontvangt de toezichthoudend ambtenaar dagelijks per elektronische post een meetrapport voor alle meetposten. Alleen de grootste emittoren moeten bij alarm hun bijdrage in de luchtverontreiniging door maatregelen verminderen. De wintersmogbedrijven worden elk jaar op 1 oktober geselecteerd op basis van de in het emissiejaarverslag van het voorgaande jaar gerapporteerde jaarvrachten. Voor de winter van 20062007 zijn er 37 wintersmogbedrijven. Het zijn in hoofdzaak elektriciteitscentrales, metallurgische bedrijven, steenbakkerijen, raffinaderijen en grote chemische bedrijven. Op de kaart ziet u de ligging van de wintersmogbedrijven en de meetposten, en de indeling van Vlaanderen in zones. De wintersmogbedrijven moeten bij alarm hun productie- en verbrandingsprocessen die luchtverontreiniging veroorzaken tijdelijk beperken, uitstelbare luchtverontreinigende activiteiten tijdelijk opschorten en het opstarten van bepaalde processen die met een extra emissie zouden gepaard gaan, uitstellen. Daarnaast moeten ze tijdelijk overschakelen naar zwavelarme brandstof en, indien mogelijk, naar aardgas. De exploitanten moeten binnen de 24 uur per fax aan MI melden welke maatregelen ze precies hebben genomen. MI voert het toezicht hierop uit.
106 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
ZONE KUST
MEETSTATIONS
● Telemetrisch Meetnet ■ Meetnet Specifieke Studies
EMITTOREN
WINTERSMOGPERIODES Vlarem II afdeling 4.4.5
ZONE WEST ZONE NOORD ZONE OOST
● Bedrijven (2006-2007)
ZONE CENTRUM
■ Electriciteitscentrale
HAVENS
▲ Raffinaderijen
BRUSSEL
Wintersmog: liggingsplan van de zones, meetstations en emittoren
Reactieve controles • 107
Om saneringen daadwerkelijk te realiseren en om de geloofwaardigheid van de handhaving hoog te houden, is een kordate en doortastende voortgangscontrole van de opgelegde maatregelen tot op het ogenblik dat de gewenste sanering is bereikt, een absolute noodzaak. In dit hoofdstuk wordt ook aandacht besteed aan het eigen initiatief. Naast tal van geplande inspectieactiviteiten, worden er immers ook nog ambtshalve controles op eigen initiatief van de toezichthoudend ambtenaar uitgevoerd. Dat zowel voortgangscontrole als eigen initiatief een belangrijk deel uitmaken van het sleutelproces ‘inspecteren en maatregelen nemen’, getuigt de tijd die daaraan besteed wordt, namelijk 30%.
Voortgangscontrole en eigen initiatief Voortgangscontrole van een dossier Voor de voortgangscontrole van vastgestelde tekortkomingen maakt MI efficiënt en effectief gebruik van het handhavingsinstrumentarium, om de eigen afhandelingbevoegdheden te maximaliseren. Zo moeten opgelegde onderrichtingen aanleiding geven tot daadwerkelijke saneringen. In de gevallen waarin de opgelegde onderrichtingen (veelal aanmaningen) niet leiden tot de beoogde saneringen, zal MI overgaan tot administratieve rechtshandelingen (dwangmaatregelen, bevelen) of tot een voorstel aan de vergunningverlenende overheid tot het nemen van administratieve sancties (schorsen of opheffen van de vergunning). In voorkomend geval kan MI ook een voorstel indienen tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden.
Het principe van de hinderbeheersing zoals omschreven in art. 4.1.3.2 van Vlarem II, waarin staat dat de exploitant als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen moet treffen om de buurt niet te hinderen door geur, rook, stof, geluid, enz., werd door deze groep van mensen getoetst aan de werksituatie van het bedrijf. In een eerste stap werden alle klachten van de buren geïnventariseerd. Vervolgens werden de oorzaken van de klachten onderzocht en tot slot werd er een concreet actieplan opgesteld. Er werden ook afspraken gemaakt over communicatie met de buren. Een half jaar later zijn er geen klachten meer over hinder veroorzaakt door het bedrijf. Deze duurzame oplossing is gerealiseerd door samenwerking van MI met de gemeente, de klagers, de milieucoördinator en de exploitant.
Hierna volgen een aantal voorbeelden uit de praktijk. Een staalverwerkend bedrijf veroorzaakt geluids-, geur- en stofhinder Het bedrijf bewerkt staalplaten. De platen worden gezandstraald en nadien wordt er een beschermende coating aangebracht. Het bedrijf ligt aan de rand van een industriegebied en grenst aan een woongebied. In het verleden was er hinder voor de buurtbewoners: lawaai, geur van solventen en stofemissies. MI gaf aanmaningen en maakte afspraken met het bedrijf, maar toch bleef de hinder onaanvaardbaar. De belangrijkste oorzaak van de hinder was de milieuonvriendelijke bedrijfsattitude. De bedrijfsleiding wou niet toegeven dat de activiteiten belangrijke hinder veroorzaakten. Om uit de impasse te komen deed MI beroep op de exploitant, de milieucoördinator, de milieuschepen en de milieuambtenaar van de gemeente, en de vertrouwenspersoon van de klagers.
Voortgangscontrole bij een Sevesobedrijf Een bedrijf in de provincie Limburg dat kunststofafval recycleert, is een Sevesobedrijf omwille van de aanwezigheid van meer dan 10 ton zeer giftige stoffen. Tijdens de initiële inspectie in 2002 stelde MI vast dat er niet aan de verplichtingen voldaan werd van het Samenwerkingsakkoord betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De onderneming had haar preventiebeleid voor zware ongevallen nog niet uitgewerkt en nog geen risicostudies uitgevoerd. Voor de veiligheidskritische, operationele en onderhoudstaken waren geen instructies voorhanden. Naast deze organisatorische tekortkomingen stelde MI ook diverse technische gebreken vast. De wettelijk vereiste periodieke onderzoeken van de opslagtanks waren niet uitgevoerd. De inkuiping van de opslagtanks was niet vloeistofdicht en kon de inhoud van de opslagtanks niet opvangen. De lospiste
Voortgangscontrole en eigen initiatief • 109
Het bedrijf grenst aan een woongebied en veroorzaakte daar geluids-, geuren stofhinder
Het bedrijf stelde een actieplan op waarvan MI de effectieve uitvoering tijdens voortgangscontroles verifieerde
voor de vrachtwagens was evenmin vloeistofdicht uitgevoerd. Het bedrijf beschikte niet over de nodige opvangvoorzieningen voor verontreinigd bluswater en er waren geen drukbeveiligingen voorzien op de opslagtank.
Olieverontreiniging van een oppervlaktewater In 2004 ontving MI een eerste klacht over olieverontreiniging van een oppervlaktewater in de Kempen, waarbij een olielaag werd aangevoerd via een baangracht die in de beek uitmondt. De olieverontreiniging deed zich steeds voor bij hevige regenval. De klagers wezen naar een brandstoffendepot, waarop MI ter plaatse ging. Het brandstoffendepot loost zijn afvalwater langs olie- en vetafscheiders in deze gracht. Dit afvalwater bestaat uit hemelwater van het ganse terrein en van de inkuiping van het tankenpark.
MI maande het bedrijf aan de nodige maatregelen te nemen om de vastgestelde tekortkomingen weg te werken. Het bedrijf stelde een actieplan op waarvan MI de effectieve uitvoering tijdens voortgangscontroles in de daaropvolgende jaren verifieerde. De onderneming pakte het nemen van de nodige correctieve acties op een systematische en grondige manier aan en startte met het uitvoeren van de risicostudies van de installaties. De onderneming identificeerde alle gevaren en evalueerde de risico’s voor zware ongevallen. Dit resulteerde in een lijst van veiligheidskritische maatregelen die al genomen waren en in een aantal aanbevelingen om de restrisico’s voor zware ongevallen tot een aanvaardbaar niveau te herleiden. In deze aanbevelingen zaten ook de eerder genoemde technische tekortkomingen vervat. De aanbevelingen werden in een actielijst opgenomen en het bedrijf volgde de uitvoering ervan. Op deze manier kon het bedrijf aantonen dat alle nodige en voldoende maatregelen getroffen waren om de risico’s voor zware ongevallen te beperken.
De exploitant stelde dat de verontreiniging niet van zijn bedrijf afkomstig was, en hij wees op de vele inspanningen die hij had gedaan om zich in regel te stellen met de Vlaremwetgeving. De gemeentelijke milieudienst en MI beslisten na onderzoek echter dat andere bedrijven niet de oorzaak van de verontreiniging konden zijn. MI nam een monster van de lozing.
Het bedrijf leverde ook inspanningen om het preventiebeleid uit te werken en de nodige instructies op te stellen. Om de tekortkomingen betreffende de inkuipingen en de opslagtanks weg te werken, besloot het bedrijf een nieuwe dubbelwandige opslagtank te plaatsen. Hiervoor vroeg het de nodige milieuvergunning aan.
In maart 2006 maande MI de exploitant aan om een grondige studie uit te voeren en een actieplan met uitvoeringstermijnen op te stellen door een erkend deskundige. Deze studie bestaat uit het onderzoek van alle mogelijke oorzaken op het terrein die doorsijpelen van olie in het afvalwater veroorzaken.
Het nemen van de nodige correctieve acties bij dit bedrijf was een moeizaam proces, maar uiteindelijk is een preventiebeleid uitgewerkt dat geënt is op de organisatie van de onderneming. MI zal dit preventiebeleid bij volgende inspecties verder doorlichten. Inmiddels heeft MI nagegaan hoe de noodplanning is georganiseerd en heeft de verbeterpunten aan het bedrijf bezorgd.
110 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
MI maande de exploitant van het brandstoffendepot aan om geen olie meer te lozen. In 2005 nam de exploitant wel een reeks maatregelen zoals het reinigen van olie-en vetafscheiders, het plaatsen van schotten en coalescentiematten in bijkomende bufferputten en het inzetten van een mobiele zuiveringsinstallatie, maar geen van deze maatregelen waren bij hevig regenweer afdoende.
De deskundige stelde vast dat er te veel water langs de olie-en vetafscheiders kwam. Hij stelde voor om twee tanks van het tankenpark als buffer te gebruiken: het hemelwater komt in de eerste tank, gaat dan naar een tweede buffertank en van daaruit wordt het met het juiste debiet geleid naar de olie- en vetafscheiders. Sinds 1 juni 2006 is het nieuwe systeem in werking, zodat het oppervlaktewater nu olievrij is.
Zicht op de nieuwe olie- en vetafscheider van het bedrijf
MI voerde een inspectie uit van het rioleringsnet met behulp van een rioolcamera
Eigen initiatief Dat een toezichthoudend ambtenaar bij de uitvoering van zijn geplande activiteiten in het veld wel eens wordt geconfronteerd met onvoorziene (potentiële) milieumisdrijven die een risico (kunnen) betekenen voor mens en milieu is duidelijk. Zo kan de toezichthoudend ambtenaar onder meer de volgende situaties vaststellen: een illegale afvalwaterlozing, bodemverontreiniging, verdachte rookpluimen uit een schoorsteen, acute geur-, licht-, geluid- en trillingshinder, illegaal achterlaten of verbranden van afval en een op het eerste gezicht onzorgvuldige of onveilige uitbating van een bedrijf. Bij het waarnemen van dergelijke onvoorziene omstandigheden kan de toezichthoudend ambtenaar niet doen alsof er niets aan de hand is. Een (onmiddellijk) optreden op eigen initiatief is hier op zijn plaats. Elke toezichthoudend ambtenaar krijgt hiervoor een deel van zijn of haar beschikbare tijd toegewezen. Hierna volgt een voorbeeld. Rioolcamera-onderzoek in een fruitveiling Tijdens een routinebemonstering van het bedrijfsafvalwater van een fruitveiling hoorde de toezichthoudend ambtenaar het geluid van fel stromend water, terwijl het debiet van het geloosde water in de meetgoot slechts zeer beperkt was. Samen met de interne milieucoördinator van het bedrijf legde MI enkele inspectieputten open voor een nader onderzoek. Uit de vaststellingen bleek dat het voorgelegde rioleringsplan niet correct was.
De rioolcamera-inspectie startte met een onderzoek van de openbare riolering. Tijdens de inspectie kon MI op een beeldscherm de waarnemingen opvolgen. Op de beelden merkte men een aanzienlijke, constante waterstroming op die afkomstig was van de terreinen van de veiling, terwijl er via de meetgoot nagenoeg geen water geloosd werd. Verder onderzoek met de rioolcamera in de richting van de meetgoot toonde aan dat de vastgestelde lozing afkomstig bleek te zijn van een aansluiting in een toezichtsput tussen de openbare riolering en de meetgoot. Aangezien het al enkele dagen niet geregend had en het water duidelijk verontreinigd was, concludeerde MI dat het aangetroffen water bedrijfsafvalwater was en dat het dus via de meetgoot moest geloosd worden. MI stelde een proces-verbaal op en maande het bedrijf aan om al het bedrijfsafvalwater te lozen via de meetgoot en de juiste situatie weer te geven op een rioleringsplan. Verder moest het bedrijf ook nog een haalbaarheidsstudie opmaken over de scheiding van hemelwater en afvalwater, zoals opgelegd in de bijzondere voorwaarde in de milieuvergunning. Twee maanden later liet het bedrijf weten een adviesbureau te hebben aangesteld om een integrale aanpak van de afvalwaterproblematiek uit te werken.
MI besloot een inspectie uit te voeren van het interne rioleringsnet met behulp van een rioolcamera, om zo te kunnen controleren of er eventueel illegale aansluitingen aanwezig waren tussen de meetgoot en de openbare riolering. De regelgeving in Vlarem II stelt dat alle bedrijfsafvalwater dient geloosd te worden via de meetgoot. De lozing van bedrijfsafvalwater dat niet via de meetgoot passeert is illegaal: men ontwijkt immers de controle op deze afvalwaterstroom en ontduikt op deze wijze ook de afvalwaterheffingen.
Voortgangscontrole en eigen initiatief • 111
‘Het werk van een toezichthoudend ambtenaar begint pas als de inspectie is afgelopen’. Het is een ietwat boude bewering die meer dan een grond van waarheid bevat. Tijdens een inspectie worden allerhande vaststellingen gedaan die steeds moeten worden getoetst aan de geldende regels. De beoordeling van alle informatie en de verdere afhandeling van vastgestelde overtredingen kan veel meer werk en tijd vragen dan de eigenlijke inspectie ter plaatse. Voor de afhandeling van de vaststellingen beschikt MI over het handhavingsinstrumentarium. Na de vaststelling van een overtreding stelt MI een proces-verbaal op en verstuurt dat naar de procureur des Konings. Tegelijkertijd dwingt MI een sanering af via de administratiefrechtelijke afhandeling. MI gebruikt hierbij een kwaliteitshandboek, om zo te komen tot een uniforme, vlugge en correcte dossierafhandeling.
Straf- en administratiefrechtelijk optreden Inspecteren Het grootste aantal inspecties wordt uitgevoerd tijdens de normale werkuren. Aanvullend wordt er ook ’s avonds, ’s nachts en in het weekend geïnspecteerd, aangezien milieuvervuiling geen ‘nine to five’-aangelegenheid is. Van iedere inspectie wordt een inspectieverslag opgemaakt. In veel gevallen is het noodzakelijk monsters te nemen of metingen te doen om een efficiënte controle mogelijk te maken of om de juiste graad van verontreiniging of overtreding te bepalen. Over de opzet en de resultaten van de inspecties wordt uitgebreid gerapporteerd in de vorige delen van dit rapport. Het behoort ook tot de opdracht van MI om een 24-uurpermanentie te verzekeren. Per provincie is minstens één toezichthoudend ambtenaar van permanentie. Die ambtenaar kan via zijn gsm worden opgeroepen door de Vlaamse minister van Leefmilieu, de hiërarchische oversten, de gerechtelijke overheden, zoals de procureurs des Konings of de onderzoeksrechters en het Crisiscentrum van de Regering (CGCCR). Het Hoofdbestuur staat in voor de smogpermanentie: tijdens periodes
van wintersmog volgt zij dag en nacht de ontwikkeling van de luchtkwaliteit (NOx en SO2) en start ze, met ondersteuning van de provinciale buitendiensten, de nodige acties op. De inspecteurs van wacht en de diensthoofden beschikken over de nodige logistieke uitrusting om een oproep ogenblikkelijk te beantwoorden en zich ter plaatse te begeven. Ze beschikken over een gsm en over een dienstwagen met een basispakket van materiaal om zelf monsters te nemen of metingen te verrichten. De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal inspecties en gecontroleerde bedrijven in 2006. Aantal uitgevoerde inspecties Tijdens de diensturen
8.168
’s Avonds (van 17 uur tot middernacht)
2.399
’s Nachts (van middernacht tot 8 uur)
1.253 698
In het weekend (zaterdag, zondag en officiële feestdagen)
12.518
Totaal
5.481
Aantal gecontroleerde bedrijven
&WPMVUJF WBO EF VJUHFWPFSEF JOTQFDUJFT
6JUHFWPFSEF JOTQFDUJFT JO
*O IFU XFFLFOE hT /BDIUT
hT "WPOET 5JKEFOT EF EJFOTUVSFO
5JKEFOT EF EJFOTUVSFO T "WPOET
(FDPOUSPMFFSEF CFESJKWFO
T /BDIUT
*O IFU XFFLFOE
Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden • 113
Na een terugval van het aantal inspecties in 2005 voerde MI in 2006 weer meer inspecties uit, zelfs meer dan in 2004. Blijkbaar hebben de factoren die in 2005 hebben bijgedragen tot een daling van het aantal inspecties (lagere personeelsbezetting, de invoering van een dossierrotatie en de beslissing tot uitvoering van inspecties met twee toezichthoudende ambtenaren) in 2006 veel minder invloed gehad. MI schat dat er enkele tienduizenden klasse 1-bedrijven zijn in Vlaanderen. Het totale aantal inspecties toont aan dat jaarlijks slechts een klein deel van de Vlaamse bedrijven effectief wordt gecontroleerd. Eén bedrijfscontrole kan zowel één, meer, als alle milieudisciplines omvatten: afvalwater, lucht, geluid, afval, veiligheid, bodem en grondwater, ggo’s, GPBV, … Eén bedrijfscontrole betekent dus zeker niet altijd dat alle milieuaspecten van een bedrijf worden gecontroleerd. Het gegeven dat een bedrijf een geringe kans loopt op controle, sluit evenwel helemaal niet uit dat een bedrijf zelfs meermaals per jaar wordt gecontroleerd, bijvoorbeeld bij een geurklacht of een nieuwe vergunning, voor een monstername van afvalwater of een meting van de luchtemissies en voor de voortgangscontrole van een lopende sanering. Aspecten zoals milieu-impact, klachtmeldingen, nieuwe vergunningen, preventieve inspectiecampagnes, monsternames, voortgangscontroles en saneringen spelen hierin een belangrijke rol.
Processen-verbaal Een aanvankelijk proces-verbaal wordt opgesteld na de vaststelling van een overtreding van de milieuhygiënewetgeving en wordt verstuurd naar de procureur des Konings. In één proces-verbaal kunnen verschillende overtredingen worden opgenomen. Bij het overzicht wordt er een onderscheid gemaakt tussen het Milieuvergunningsdecreet en andere wetgeving. Binnen het Milieuvergunningsdecreet maken we verder een onderscheid tussen het ontbreken van een (volledige) vergunning en het niet-naleven van de voorwaarden. In de onderstaande tabel is de som van de laatste drie rijen daarom groter dan het getal in de eerste rij. Sinds de prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse gewest op 30 mei 2000 werd goedgekeurd door de Commissie Vervolgingsbeleid (verder prioriteitennota genoemd), en de code van goede praktijk voor het proces-verbaal op 11 december 2000 werd aangepast en vanaf 1 januari 2001 van kracht werd, kan MI in een proces-verbaal melding maken van het prioritaire karakter van een overtreding volgens de criteria die in de prioriteitennota zijn opgenomen. De prioriteitennota vermeldt daarover onder andere dat als de administratie een proces-verbaal opmaakt voor de prioritaire misdrijven, ze daarin ter informatie van het parket uitdrukkelijk melding maakt van het prioritaire karakter en aangeeft waarom het gewenste onderzoek en de eventuele strafrechtelijke vervolging
114 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
volgens haar prioritair zijn. De aanmerking van een strafrechtelijke overtreding als prioritair heeft tot gevolg dat op de meest doeltreffende manier moeten worden opgetreden, zowel strafrechtelijk als administratiefrechtelijk. Aanvankelijke processen-verbaal Totaal aantal
516
Aantal prioritaire processen-verbaal
202 (39 %)
Aantal niet-prioritaire processen-verbaal
314 (61 %)
Wegens geen of gedeeltelijke vergunning
135
Wegens niet-naleven van voorwaarden
417 78
Andere wetgeving (Afvalstoffendecreet, Bodemsaneringsdecreet, Meststoffendecreet …)
In de onderstaande grafiek is voor de voorbije acht jaar een vergelijking gemaakt tussen de verschillende overtredingen die aanleiding geven tot de opmaak van een proces-verbaal. Die grafiek toont aan dat het aantal processen-verbaal dat wordt opgemaakt wegens het ontbreken van een milieuvergunning procentueel gezien afneemt in vergelijking met het aantal processen-verbaal wegens het niet-naleven van de vergunningsvoorwaarden. Dat getuigt ervan dat de bedrijven de vergunningsplicht steeds meer naleven, maar daarom nog niet voldoen aan alle milieuvergunningsvoorwaarden. Naast de aanvankelijke processen-verbaal worden ook heel wat navolgende processen-verbaal opgesteld. Daarmee worden aanvullende inlichtingen over een aanvankelijk proces-verbaal aan de procureur des Konings bezorgd. Dat gebeurt op eigen initiatief of na een kantschrift van het parket. Zo worden gegevens verstrekt over de administratiefrechtelijke voortgangscontrole door MI, wordt een verklaring van de strafrechtelijk verantwoordelijke van het bedrijf doorgestuurd of wordt gemeld dat feiten opnieuw werden vastgesteld. Als het bedrijf na een aanmaning van MI aan alle voorschriften voldoet, wordt dat eveneens gemeld. Per aanvankelijk proces-verbaal worden gemiddeld anderhalf navolgende processen-verbaal verstuurd. Navolgende processen-verbaal Totaal aantal
764
Maatregelen nemen Maatregelen nemen in het kader van de administratiefrechtelijke afhandeling van een vastgestelde overtreding is de belangrijkste activiteit van een toezichthoudend ambtenaar. De administratiefrechtelijke afhandeling start normaliter met het geven van aanmaningen om de vastgestelde tekortkomingen te doen verhelpen en te komen tot een daadwerkelijke sanering. Als de aanmaningen niet tot het vooropgestelde resultaat leiden, moet MI beoordelen welke volgende stappen kunnen wor-
&WPMVUJF WBO EF SBBEHFWJOHFO BBONBOJOHFO FO TBOFSJOHFO
Evolutie van de opgestelde processen-verbaal
100%
80%
60% 40% 20%
0% 1999
2000
2001
Wegens geen vergunning
2002
2003
Wegens niet naleven van de voorwaarden
2004
2005
2006 Andere wetgeving
den gezet. Die beoordeling is aangepast aan het specifieke dossier om de overtreding zo efficiĂŤnt en effectief mogelijk te laten ophouden. Dit kan leiden tot het toepassen van administratieve rechtshandelingen, zoals het opleggen van dwangmaatregelen. Hieronder wordt verstaan: het bevelen van de stopzetting van een activiteit, het verzegelen van de toestellen en het opleggen van de onmiddellijke of de voorlopige sluiting van de inrichting. De beoordeling kan ook leiden tot het voorstellen van administratieve sancties aan de vergunningverlenende overheid. MI kan vragen de vergunningsvoorwaarden te wijzigen of aan te vullen, de vergunning te schorsen of op te heffen.
Soorten maatregelen Raadgevingen en aanmaningen MI kan tijdens een inspectie vaststellingen doen die op dat ogenblik geen overtreding zijn, maar die erop wijzen dat er in de toekomst wel een overtreding kan ontstaan. Dat kan bijvoorbeeld omdat de inwerkingtreding van nieuwe of aangepaste wetgeving nadert of omdat de toezichthoudend ambtenaar vanuit zijn expertise oordeelt dat installaties zouden kunnen falen. In dat geval wordt geen proces-verbaal opgesteld, maar kan een raadgeving aan de exploitant worden verstuurd, om er zo voor te zorgen dat de situatie van conformiteit met de wetgeving ook in de toekomst blijft bestaan. Bij de vaststelling van overtredingen van de geldende wetgeving wordt de exploitant normaliter aangemaand om de toestand te saneren en om alle toepasselijke bepalingen in wetten, decreten, besluiten en vergunningen na te leven. Raadgevingen en aanmaningen Zonder proces-verbaal
1.229
Gesaneerd
1.402
Na proces-verbaal
458
Gesaneerd
538
In vele gevallen volstaat een aanmaning om te komen tot de nodige saneringen. Een sanering wordt pas geteld nadat alle deelaanmaningen tot het gewenste resultaat hebben geleid. In de onderstaande grafiek zijn, voor de voorbije acht jaar, de sa-
3BBEHFWJOHFO FO BBONBOJOHFO [POEFS QSPDFT WFSCBBM
(FTBOFFSE [POEFS QSPDFT WFSCBBM
"BONBOJOHFO OB QSPDFT WFSCBBM
(FTBOFFSE OB QSPDFT WFSCBBM
neringen naast de raadgevingen en aanmaningen geplaatst. Bij beide is een onderscheid gemaakt tussen die met en die zonder proces-verbaal. Het aantal aanmaningen na proces-verbaal en de daarbij behorende saneringen is in 2006 na een dalende trend van de voorgaande jaren voor het eerst opnieuw licht gestegen. Het aantal raadgevingen en aanmaningen zonder proces-verbaal blijft in 2006 stijgen ten opzichte van de voorgaande jaren. Vraag tot optreden van de burgemeester Naast de toezichthoudende ambtenaren van MI hebben ook de burgemeesters een belangrijke rol gekregen bij de handhaving van de milieuhygiĂŤnewetgeving. Zo vervullen ze onder meer een sleutelrol bij het opleggen van dwangmaatregelen, ook voor een klasse 1-inrichting. Als een klasse 1-inrichting in exploitatie is zonder of deels zonder vergunning kan MI de burgemeester voorstellen de stopzetting van de activiteiten te bevelen, toestellen te verzegelen of de inrichting te sluiten. MI stuurt geregeld adviezen en voorstellen voor het toepassen van dwangmaatregelen naar burgemeesters. Vraag tot optreden van de burgemeester Vragen aan de burgemeester
40
Opgetreden door de burgemeester of gesaneerd door exploitant
43
MI-dwangmaatregelen Als MI de burgemeester voorstelt om de stopzetting van de activiteiten te bevelen, toestellen te verzegelen of de inrichting te sluiten ĂŠn als de burgemeester niet of onvolkomen optreedt, kan MI zelf die maatregelen treffen. Ook als een inrichting geĂŤxploiteerd wordt in strijd met de vergunningsvoorwaarden en de exploitant weigert gevolg te geven aan gegeven aanmaningen, kan MI zelf dwangmaatregelen opleggen. Administratieve sancties Als de exploitant de bepalingen van het Milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, of de vergunningsvoorwaarden niet naleeft, kan de bevoegde overheid de vergunning geheel of gedeeltelijk schorsen of opheffen. Dat kan gebeuren op voorstel van een toezichthoudend ambtenaar. Die ambtenaar kan ook een voorstel indienen tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden.
Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden • 115
Overzicht van de MI-dwangmaatregelen en de door MI voorgestelde administratieve sancties
MI-dwangmaatregelen (voortgangscontrole van vorige jaren) Activiteit van het bedrijf
Datum
Omschrijving dwangmaatregel
Situatie eind 2006
Betoncentrale
29/01/03
Stopzetting van de activiteiten
Nog steeds geen definitieve uitspraak door Rechtbank - activiteiten afgebouwd tot beperkte exploitatie
Helihaven
6/02/03
Stopzetting van de activiteiten
Nog geen nieuwe uitspraak van minister
Landbouwbedrijf
17/04/03
Naleving van het aantal vergunde varkens
Beroep tegen dwangmaatregel lopende bij minister
Houtbewerking
25/10/04
Aanvoer van houtafval stopzetten en niet-vergunde opslag houtafval afvoeren
Bedrijf is gestopt en gesaneerd
Benzinestation
27/11/04
Stopzetting van de activiteiten
Sanering uitgevoerd
Benzinestation
27/04/05
Stopzetting opslag en verdeling van brandstoffen voor motorvoertuigen
Benzinestation tijdelijk buiten dienst in afwachting van de sanering
Transportbedrijf
30/04/05
Stopzetting van de activiteiten
Bedrijf heeft vergunning in beroep bekomen
Benzinestation
24/08/05
Stopzetting van de activiteiten
Activiteiten stopgezet
Benzinestation
14/09/05
Stopzetting verdeling benzine onder gebouw
Activiteiten stopgezet
Benzinestation
10/10/05
Stopzetting van de activiteiten
Activiteiten stopgezet
Benzinestation
8/11/05
Stopzetting van de activiteiten
Activiteiten stopgezet
Benzinestation
24/11/05
Stopzetting van de activiteiten
MI heeft inrichting verzegeld
Benzinestation
5/12/05
Stopzetting van de activiteiten
Activiteiten stopgezet
MI-dwangmaatregelen (nieuw in 2006) Activiteit van het bedrijf
Datum
Omschrijving dwangmaatregel
Situatie eind 2006
Benzinestation
17/05/06
Stopzetting van de activiteiten
Activiteiten stopgezet
Benzinestation
17/10/06
Stopzetting van de activiteiten
Beroep aangetekend, nog geen uitspraak
Benzinestation
30/10/06
Stopzetting van de activiteiten
Beroep aangetekend, nog geen uitspraak
Aluminiumveredeling
20/11/06
Bevel tot sluiting met ingang van 29/11/2006 en verzegeling op 29/11/2006
Op 05/12/2006 ontzegeling op bevel van de correctionele rechtbank na uitspraak over het eenzijdig verzoekschrift bij volstrekte noodzakelijkheid van de exploitant
Benzinestation
28/11/06
Stopzetting van de activiteiten
Activiteiten stopgezet
Benzinestation
19/12/06
Stopzetting van de activiteiten
Beroep aangetekend, nog geen uitspraak
Voorstellen tot schorsing of opheffing van de milieuvergunning (voortgangscontrole van vorige jaren) Activiteit van het bedrijf
Datum
Omschrijving voorstel
Situatie eind 2006
Bouw- en sloopafval
18/12/02
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot opheffing van de milieuvergunning
Proefvergunning afgeleverd op 20/02/2006
Vleesverwerking
20/01/03
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot schorsing van de milieuvergunning
Geen uitspraak van de Bestendige Deputatie. Voorstel aan de minister tot schorsing van de milieuvergunning
Steenbakkerij
7/02/03
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot volledige schorsing van de milieuvergunning
Activiteiten stopgezet
Slachthuis
7/04/03
Voorstel aan de minister tot schorsing van de milieuvergunning
Toestand gesaneerd - verzoek tot schorsing zonder voorwerp
Oppervlaktebehandeling metalen
20/11/03
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot gedeeltelijke schorsing van de milieuvergunning (grote beitserij)
Nieuw dossier wordt opgebouwd na heropstart bedrijf
Tankcleaning
25/11/03
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot gedeeltelijke schorsing van de milieuvergunning (deel interne cleaning)
Bestendige Deputatie besliste om geen gevolg te geven
Afvalverwerker
19/10/04
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot schorsing van de milieuvergunning
Nog geen uitspraak
Raffinaderij
13/06/05
Schorsing van de milieuvergunning
Alles hervergund, behalve drie opslagtanks, waarvan ĂŠĂŠn in exploitatie zonder vergunning (beroep lopende tegen weigering)
Veeteeltbedrijf
26/08/05
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot opheffing van de milieuvergunning
Bestendige Deputatie heeft bijzondere voorwaarden aan de vergunning toegevoegd. Sanering is gestart
Steenbakkerij
21/09/05
Voorstel aan Bestendige Deputatie tot gedeeltelijke opheffing van de milieuvergunning (veldbrandovens)
Exploitant heeft uitbating veldbrandovens zelf stopgezet - verzoek tot schorsing zonder voorwerp
Autoafbraak
20/10/05
Schorsing van de milieuvergunning
Procedure nog lopende, burgemeester werd verzocht op te treden, nog geen antwoord
Drukkerij
25/10/05
Voorstel aan de gemeente tot gedeeltelijke opheffing van de milieuvergunning (aspect lozing van bedrijfsafvalwater)
Vergunning afgeleverd op 10/10/2006
116 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Voorstellen tot schorsing of opheffing van de milieuvergunning (nieuw in 2006) Activiteit van het bedrijf
Datum
Omschrijving voorstel
Situatie eind 2006
Recuperatie TL- lampen
19/01/06
Voorstel aan de minister tot schorsing van de milieuvergunning
Vergunning inmiddels vervallen (uitspraak minister na vernietiging Raad van State)
Vleesverwerking
19/01/06
Voorstel aan de minister tot schorsing van de lozingsvergunning
Herinneringsverzoek verstuurd op 31/08/2006 - nog geen uitspraak
Afvalverwerking
24/03/06
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot schorsing van de milieuvergunning
Herinneringsverzoek verstuurd op 27/11/2006 - nog geen uitspraak
Afvalverwerker
4/05/06
Vraag aan Bestendige Deputatie om vergunning op te heffen
Hoorzitting, nog geen uitspraak
Afvalverwerker
12/05/06
Voorstel aan burgemeester om vergunning op te heffen
Nog geen uitspraak
Productie tensiden
31/07/06
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot schorsing van de milieuvergunning
Herinneringsverzoek verstuurd op 27/11/2006 - nog geen uitspraak
Groente-verwerker
29/08/06
Vraag aan Bestendige Deputatie om vergunning op te heffen
Hoorzitting en bijkomende vraag aan MI gesteld of situatie in orde is
Afvalverwerking
7/11/06
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot schorsing van de milieuvergunning
Nog geen uitspraak
Voorstellen tot wijziging of aanvulling van de milieuvergunningsvoorwaarden (voortgangscontrole van vorige jaren) Activiteit van het bedrijf
Datum
Omschrijving voorstel
Situatie eind 2006
Luchthaven
14/12/01
Voorstel aan de minister tot aanvulling van de vergunningsvoorwaarden voor geluidsnormen
Milieuvergunning afgeleverd door de minister met een aantal bijzondere voorwaarden i.v.m. geluid
Chemiebedrijf
1/02/05
Voorstel aan AMV: aanpassen lozingsvergunning, opleggen van een haalbaarheidsstudie waterverbruik
Nog geen uitspraak
Productie farmaca
4/02/05
Voorstel aan AMV: verbeteren veiligheidsvoorzieningen, uitvoeren energieaudit
Voorstellen zijn integraal opgenomen in de nieuwe milieuvergunning
Productie fijnchemicaliĂŤn
4/02/05
Voorstel aan AMV: verbeteren veiligheidsvoorzieningen, optimaliseren productieproces, onderzoek recuperatie VOS en alternatieve transportmiddelen
Nog geen uitspraak
Productie tensiden
9/09/05
Voorstel aan AMV: wijzigen productiemethode, scheiden afvalwaterstromen, aansluiten op riolering, onderzoek alternatieve transportmiddelen
Een van de vier voorstellen is opgenomen in de nieuwe milieuvergunning
Voorstellen tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden (nieuw in 2006) Activiteit van het bedrijf
Datum
Omschrijving voorstel
Situatie eind 2006
Verwerking van citroenzuur
27/01/06
Voorstel aan AMV: verplichten tot aanwenden koelwater in gesloten systeem;.omvorming semi-open naar gesloten opslagplaats voor citrogips
Nog geen uitspraak
Non-ferro
24/07/06
Voorstel aan AMV: aanpassen lozingsvoorwaarden in functie van BBT
Nog geen uitspraak
Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden • 117
De MI-aanmaningen leidden tot een sanering van de lozing van bedrijfsafvalwater, o.a. door een aanpassing van de waterzuiveringsinstallatie
Na de vraag aan de burgemeester besliste de exploitant om de illegale grondwaterwinning stop te zetten
Voorbeelden van genomen maatregelen Sanering lozing bedrijfsafvalwater na aanmaningen Door het nemen van een aantal schepmonsters en het uitvoeren van een monsternamecampagne van het afvalwater bij een lakkerij stelde MI een systematische overschrijding vast van de lozingsnormen voor sulfaten en zink. De analyse toonde ook aanzienlijke concentraties aan van het zware metaal boor en van nitriet. Deze stoffen zijn opgenomen als zogenaamde grijze-lijststoffen in de lijst van de gevaarlijke stoffen voor lozing in het aquatisch milieu, en mogen enkel geloosd worden via het afvalwater indien daartoe een lozingsnorm is vastgelegd in de milieuvergunning. Dit laatste was niet het geval. MI verbaliseerde het bedrijf en maande hen aan om de werking van de huidige waterzuiveringsinstallatie te laten onderzoeken door een milieudeskundige erkend in de discipline water. Indien zou blijken dat er aanpassingen vereist waren om aan de lozingsnormen voor zink en sulfaten te voldoen, moest het bedrijf MI een saneringsplan bezorgen met realistische uitvoeringstermijnen. Voor wat betreft de parameters nitriet en boor maande MI het bedrijf aan in eerste instantie de lozing van deze stoffen zoveel mogelijk te voorkomen door toepassing van de best beschikbare technieken, en op deze manier de lozing van deze stoffen te beëindigen. Indien na onderzoek zou blijken dat deze maatregelen onvoldoende zijn om deze stoffen te lozen in concentraties kleiner dan de milieukwaliteitsnorm, dan moeten deze stoffen genormeerd worden in de milieuvergunning. Op basis van het onderzoeksrapport over de waterzuiveringsinstallatie werkte het bedrijf een saneringsplan uit voor deze probleemparameters. Dit gaf aanleiding tot volgende resultaten. Het gehalte aan nitriet en boor in het afvalwater werd teruggedrongen tot concentraties die lager zijn dan de milieukwaliteitsnormen door een sanering aan de bron, namelijk door het gebruik van alternatieve producten in bepaalde proces- en ontvettingsbaden. Het gehalte aan zink en sulfaten in het afvalwater werd verlaagd door een aanpassing en uitbreiding van de waterzuivering. Het sulfaatgehalte in het afvalwater werd verlaagd door het uitwerken van een alternatief procédé voor de regeneratie van de ionenwisselaar. Om het gehalte aan zink in het afvalwa-
118 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
ter te verminderen werd de waterzuivering in eerste instantie uitgebreid met een adsorptiebed, wat echter onvoldoende bleek als sanering. Het bijplaatsen van een bijkomende ionenwisselaar gaf wel goede resultaten. Na deze aanpassingen werd ter controle een nieuwe monsternamecampagne voor het afvalwater gehouden. Hieruit bleek dat voldaan werd aan alle lozingsnormen en de sanering bijgevolg tot het gewenste resultaat heeft geleid. Sanering na vraag aan burgemeester Een kalverbedrijf in het Hageland gebruikte kwalitatief hoogwaardig grondwater om mestkalveren van drinkwater te voorzien. Het gewonnen grondwater kwam van een gespannen (artesische) watervoerende laag die gevoelig is voor overexploitatie, wat de waterkwaliteit doet achteruitgaan. Dit kwam toevallig aan het licht bij de behandeling van een milieuvergunningaanvraag voor een grondwaterwinning. Uit de boorstaat, bijgevoegd bij de milieuvergunningsaanvraag bleek dat er was geboord tot op een diepte van 160 m. Uit onderzoek bleek echter dat er een terugslagklep was geplaatst bijna halverwege de boorput op 68 m diepte. De vergunningverlener weigerde de vergunning te verlenen en argumenteerde dat de grondwaterreserves uit deze kwetsbare watervoerende laag bij voorbaat moesten worden voorbehouden voor hoogwaardige toepassingen zoals openbare drinkwatervoorziening en voedingsnijverheid. MI stelde proces-verbaal op omdat de exploitant de illegale grondwaterwinning bleef in dienst houden. MI maande de exploitant aan om de diepe put op deugdelijke wijze te dempen. De exploitant vroeg opnieuw een milieuvergunning aan voor het winnen van 3.500 m³/jaar grondwater, ditmaal van op een diepte van circa 40 m. Het College van Burgemeester en Schepenen leverde ditmaal wel een milieuvergunning af. Een boorfirma realiseerde een nieuwe boorput met een diepte van 42 m. Het parket van de procureur des Konings nam aan dat de exploitant zich in regel had gesteld en besloot om de exploitant niet te vervolgen. Tijdens een controle op het bedrijf stelde MI
De varkenshouder verwerkte in uiterst onhygiënische omstandigheden vervallen voedingswaren en afvalstoffen van de voedingsindustrie tot brijvoeder: MI stopte deze wanpraktijken
De varkenshouder dumpte 120 ton vervallen slagroomspuitbussen en conserven
echter vast dat de exploitant nog steeds de illegale grondwaterwinning gebruikte om de mestkalveren van drinkwater te voorzien. De exploitant gaf als reden op dat het freatische grondwater niet geschikt was voor de productie van kwalitatief hoogstaand kalfsvlees. Het freatische grondwater is van nature sterk ijzerhoudend wat leidt tot roodverkleuring van kalfsvlees waardoor de marktprijs gevoelig daalt. Bijgevolg nam de exploitant de nieuwe, minder diepe boorput niet in gebruik.
Begin mei 2005 was voor MI de maat vol en werd met een nieuwe dwangmaatregel de varkenshouder verplicht om de verwerking van afvalstoffen tot veevoeder met ingang van 1 juni 2005 volledig stop te zetten. In de loop van mei 2005 stelde MI nog vast dat de varkenshouder circa 120 ton vervallen conserven en slagroomspuitbussen die eerder in beslag waren genomen door het Federaal Voedselagentschap bij een oude boerderij in de omgeving had gedumpt. Omdat hij in dezelfde onhygiënische omstandigheden afval bleef verwerken tot veevoeder verzegelde MI op 7 juni 2005 de menginstallatie van de varkenshouder.
MI vroeg daarop aan de procureur des Konings om de beslissing tot buiten vervolging stelling in heroverweging te nemen. De procureur des Konings stelde aan de exploitant een minnelijke schikking voor van 1.000 euro die deze ook betaalde. Tijdens een controle in het najaar van 2006 stelde MI vast dat de illegale grondwaterwinning nog steeds in exploitatie was. Opnieuw stelde MI een proces-verbaal op. Ditmaal vroeg MI aan de burgemeester om de illegale grondwaterwinning stop te zetten. In eerste instantie vroeg de burgemeester schriftelijk aan de exploitant om tegen een welbepaalde datum een einde te stellen aan de illegale grondwaterwinning. Bij een tussentijdse controle stelde de burgemeester vast dat de exploitant nog steeds volhardde in de boosheid. Na het verstrijken van het ultimatum ging MI, samen met de burgemeester en de milieuambtenaar ter plaatse. Na enig overleg besloot de exploitant geheel zelfstandig de illegale grondwaterwinning stop te zetten. Op vraag van de exploitant ontmantelde en verzegelde een medewerker van de technische dienst de illegale grondwaterwinning. De exploitant schakelde over naar leidingwater zodat het dierenwelzijn gegarandeerd blijft. Ambtshalve verwijdering van afval bij een varkenshouder Na een lange voorgeschiedenis van processen-verbaal, aanmaningen en een dwangmaatregel waarbij een gedeeltelijke stopzetting van de activiteiten werd opgelegd, bleef een varkenshouder uit de Kempen in het voorjaar van 2005 doorgaan met allerlei vervallen voedingswaren en afvalstoffen van de voedingsindustrie in uiterst onhygiënische omstandigheden te verwerken tot brijvoeder. Het brijvoeder dat in een loods werd aangemaakt vervoerde de varkenshouder met citernes naar een tiental varkensstallen die hij in de omgeving exploiteerde.
Kort na de verzegeling stelde de Rechtbank van Koophandel een voorlopige bewindvoerder aan die de verzorging van de circa 7.000 varkens in de diverse stallen op zich nam. Eind september 2005 werd de varkenshouder uiteindelijk failliet verklaard. De zaak was daarmee nog niet definitief afgehandeld omdat in de loods waar vroeger het brijvoeder werd aangemaakt nog ongeveer 1.500 ton voedingsafval lag. Bij een oude boerderij in de omgeving lagen ook nog altijd de 120 ton vervallen slagroomspuitbussen en conserven die de varkenshouder daar gedumpt had. Daarom vroeg MI in januari 2006 aan de OVAM om de achtergelaten afvalstoffen ambtshalve te verwijderen. In de loop van juni en september 2006 ruimde de OVAM al de afvalstoffen van de failliet verklaarde varkenshouder ambtshalve op (totale kostprijs bijna 300.000 euro). Sanering na dwangmaatregel Een anodisatiebedrijf, gevestigd in de Brusselse Zuidrand, valt onder toepassing van de EG richtlijn 96/61/EG over geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, omdat de gezamenlijke inhoud van de behandeling- en spoelbaden meer dan 30m³ is. De opeenvolgende exploitanten van dit bedrijf weigerden om zich in regel te stellen met de milieuwetgeving. In totaliteit verbaliseerde MI de diverse exploitanten meer dan 20 keer. Het strafonderzoek bij het parket van de procureur des Konings te Brussel is nog lopende. MI liet niet na om de exploitanten telkens opnieuw aan te manen om zich in regel te stellen. Dit bleef echter zonder gevolg.
Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden • 119
Het bedrijf loosde afvalwater met zeer lage ‌
‌ en zeer hoge pH
Omdat de huidige exploitant niet of onvoldoende investeerde in de bescherming van het leefmilieu en omdat MI geen positieve signalen ontving dat dit in de toekomst wel zou gebeuren, verzocht MI aan de bestendige deputatie om de vergunning op te heffen. Omdat een beslissing uitbleef werd eenzelfde verzoek gericht aan de hogere overheid. De verantwoordelijke minister voor Leefmilieu trok begin 2005 alle milieuvergunningen van het bedrijf in. In uitvoering hiervan besliste de burgemeester om de stopzetting van alle activiteiten te bevelen met ingang van mei 2005, maar de exploitant vocht deze beslissing aan bij de Raad van State.
die gelijkstaat met het verkrijgen van een exploitatie zonder milieuvergunningen af te wijzen op grond van de afwezigheid van een wettig belang. Omdat het stopzettingbevel van november 2006 voluit bleef bestaan, kon het bedrijf in feite niet meer exploiteren. Maar ook daarna bleef de exploitant volharden in de boosheid en hij verklaarde dat hij niet zinnens was om vrijwillig te stoppen. Tenslotte verzegelde MI een aantal onmisbare onderdelen van installaties waardoor productie uitgesloten is.
Niettegenstaande dit hoogste administratieve rechtscollege de exploitant zowel bij hoogdringendheid als in kortgeding in het ongelijk had gesteld, zette de exploitant de uitbating van de inrichting onverstoord verder. MI verzocht de burgemeester bij herhaling om de inrichting effectief te sluiten, maar deze ging hier niet op in. Omdat MI van oordeel was dat het verderzetten van de bedrijfsactiviteiten schade toebracht aan het leefmilieu, beval MI eind november 2006 de sluiting van de inrichting volgens artikel 38 van het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985. Krachtens dit bevel kreeg de exploitant acht kalenderdagen om de stillegging op bevredigende wijze uit te voeren. Aangezien de exploitant geen gevolg gaf aan dit bevel, verzegelde MI de inrichting eind november 2006. Nadat de exploitant bij eenzijdig verzoekschrift bij volstrekte noodzakelijkheid op grond van artikel 584 van het gerechtelijk wetboek naar de correctionele rechtbank was gestapt, besliste de rechter om het bevel van MI te schorsen en beval de opheffing van de verzegeling. De Voorzitter van de Rechtbank van Eerste aanleg stoelde zijn beslissing op het feit dat er uitgaande van het bedrijf nog een vordering tot vernietiging bij de Raad van State hangende was en dat de eindbeslissing hierover nog niet was gekend. Na betekening van dit vonnis ging MI onmiddellijk over tot ontzegeling. Daarbij werd vastgesteld dat enkele van de zegels waren verbroken en dat de activiteiten onverminderd werden voortgezet. Het Vlaamse Gewest besliste om een dagvaarding derdenverzet neer te leggen bij de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De Voorzitter besliste, analoog met eerdere rechtspraak van de Raad van State, elke vordering
120 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
In tussentijd diende de exploitant een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in die de vergunningverlener ontvankelijk en volledig verklaarde in december 2006. Midden maart 2007 besliste de vergunningverlener bij gemotiveerde beslissing om de milieuvergunning te weigeren. Steenbakkerij stopt haar activiteiten na vraag van MI om de vergunning te schorsen Een steenbakkerij in de Rupelstreek beschikt over een machtiging van de gouverneur om de aanhorigheden van de kleigraverij te exploiteren. Die machtiging wordt beschouwd als een milieuvergunning. De exploitant voldeed echter niet aan de Vlarem II-voorwaarden omdat er geen geleid afvoerkanaal was waarin de rookgasemissies van de steenbakovens kunnen worden gemeten. MI stelde proces-verbaal op en gaf aan de exploitant meerdere aanmaningen. De exploitant gaf geen gevolg aan deze aanmaningen. Daarop vroeg MI aan de Bestendige Deputatie om de milieuvergunning te schorsen. Ondertussen vroeg de exploitant aan de Minister van Leefmilieu een afwijking aan voor het niet uitvoeren van de luchtemissiemetingen overeenkomstig de Vlaremvoorwaarden. De minister weigerde de afwijking. In zijn besluit wees de minster op de mogelijkheid om emissies op een andere manier te bepalen door een deskundige. De Bestendige Deputatie schortte haar uitspraak op teneinde de exploitant de kans te geven gebruik te maken van de alternatieve bepalingswijze voor het meten van de luchtemissies. De exploitant bezorgde het rapport aan de bestendige deputa-
MI verzegelde uiteindelijk de inrichting
De steenbakkerij stopte haar activiteiten na een vraag van MI om de vergunning te schorsen
tie. De deskundige besloot dat voor de parameters waterstoffluoride en zwaveldioxide de huidige emissiegrenswaarden worden gerespecteerd. Hij stelde echter dat de exploitant de strengere emissiegrenswaarden voor die parameters die van toepassing worden in 2010 niet zal respecteren. De steenbakkerij heeft haar activiteiten vrijwillig stopgezet.
Na het opstarten van de waterzuiveringsinstallatie verbaliseerde de toezichthoudend ambtenaar van MI het bedrijf opnieuw meermaals voor gelijkaardige feiten tussen 2000 en 2006. Systematisch riep de exploitant een technisch defect aan zijn waterzuiveringsinstallatie in als verschoningsgrond voor de vastgestelde inbreuken. Deze meldingen gebeurden nooit spontaan en steeds laattijdig wat aantoont dat de exploitant verzaakte aan de volgens Vlarem opgelegde informatieplicht.
Strafrechtelijke afhandeling Hoewel MI de parketten al jaren vraagt naar een accurate terugkoppeling van de beslissingen over de processen-verbaal, ontvangt MI nog steeds onvoldoende informatie over het gevolg dat aan de processen-verbaal wordt gegeven. Dat wordt mee beĂŻnvloed door het feit dat een beslissing over een proces-verbaal soms jaren na de vaststelling van de overtreding kan worden genomen of omdat een beslissing kan handelen over een of meerdere processen-verbaal. MI dringt daarom nog steeds aan op een effectieve strafrechtelijke afhandeling en op een vlotte doorstroming van informatie vanuit de parketten. In dit rapport wordt geen overzicht gegeven van de bij MI binnengekomen informatie maar verwijst MI naar de FOD Justitie voor een volledig overzicht. In geval van seponering wegens opportuniteitsredenen van misdrijven die door de toezichthoudend ambtenaar in het proces-verbaal als prioritair worden beschouwd, kan de administratie een met redenen omkleed verzoek tot heroverweging richten aan het parket. In 2006 verstuurde MI 12 dergelijke verzoeken tot heroverweging. Verzoek tot heroverweging na seponering Tussen 1991 en 1995 verbaliseerde MI meermaals een kartonfabriek in het Pajottenland wegens het overtreden van de lozingsnormen voor bedrijfsafvalwater. Dit was aanleiding voor het bedrijf om over te gaan tot de bouw van een volledig nieuwe waterzuiveringsinstallatie. Het openbaar ministerie besliste na de voltooiing van deze bouwwerken om alle correctionele milieudossiers te seponeren omdat de illegale toestand was geregulariseerd.
Het aantal ingeroepen technische defecten deed MI besluiten dat deze niet incidenteel, maar structureel van aard waren. Ze vormden een indicatie van een uiterst onzorgvuldige bedrijfsvoering wat een schending van het in Vlarem geponeerde zorgvuldigheidsbeginsel betekende. MI lichtte het parket hiervan in en vroeg om het dossier te heroverwegen. Het openbaar ministerie volgde dit voorstel, heropende alle correctionele milieudossiers en stelde het bedrijf voor om een aanzienlijk bedrag als minnelijke schikking te betalen ter beteugeling van de gepleegde milieumisdrijven. Vermeldenswaard is het feit dat de bedrijfsleiding door het optreden van MI en van het parket, besliste om de lozing van bedrijfsafvalwater volledig te stoppen. De ombouw van het geĂŤxploiteerde watercircuit naar een gesloten systeem leverde uiteindelijk een belangrijke kostenbesparing op voor het bedrijf en milieuwinst voor de samenleving. Hoge minnelijke schikking voor een gieterij Een gieterij die zich specialiseerde in gietstukken uit hoogwaardige legeringen voor de chemische industrie, produceerde aanzienlijke hoeveelheden gieterijzand. Destijds was dit een afvalstof die diende afgevoerd naar een vergunde stortplaats. Tussen 1996 en 2005 dumpte het bedrijf om louter economische reden (hoge afvoer- en stortkosten zouden het voortbestaan van de gieterij in het gedrang brengen) echter al het geproduceerde gieterijzand illegaal aan de achterzijde van haar bedrijfsterrein. MI verbaliseerde deze overtreding meermaals en maande de exploitant aan om deze afvalstof op legale wijze te verwijderen. Een wijziging van de milieuwetgeving maakte dat dit gieterijzand opeens kon toegepast worden als niet-vormgegeven
Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden • 121
De waterzuivering van de kartonfabriek vertoonde heel wat tekortkomingen: ook het parket volgde dit dossier op
Het parket stelde de exploitant voor om een minnelijke schikking van 20.000 euro te betalen
bouwstof. Daarna voerde de exploitant al het illegaal gestorte gieterijzand op rechtmatige wijze en tegen betaling af.
drijfsafvalwater zodanig te zuiveren dat het kon lozen op een nabijgelegen waterloop. Ook het ongezuiverde bedrijfsafvalwater bevat deze zwavelverbindingen zodat er voornamelijk aan een zeefbocht van het egalisatiebekken geurhinder ontstond.
Het optreden van MI vormde voor het bedrijf de directe aanleiding voor het ontwikkelen van een nieuw recyclagesysteem om het geproduceerde gieterijzand bijna volledig te hergebruiken. Dit leidde tot een duurzamer gebruik van grondstoffen, tot een belangrijke daling van de afvalproductie, en tot een kostenbesparing. Door aan de exploitant een voorstel te doen tot het betalen van een minnelijke schikking van 20.000 euro geeft het openbaar ministerie duidelijk aan dat het illegaal achterlaten van dergelijke hoeveelheden afvalstoffen maatschappelijk in Vlaanderen onaanvaardbaar is! Gents textielbedrijf effectief veroordeeld wegens geurhinder voor omwonenden Het Gents textielbedrijf is gelegen in een dichtbewoonde volksbuurt en is sinds de oprichting van MI onder andere gekend voor geurhinder. Deze hinder is afkomstig van een groot aantal kleine emissiepunten in de verschillende verfafdelingen van het bedrijf. Door het kleuren, fixeren en het drogen van textiel ontstaan vluchtige zwavelhoudende afbraakstoffen en azijnzuur. De Bestendige Deputatie van Oost Vlaanderen legde in 1995 als bijzondere voorwaarde bij een uitbreiding van de milieuvergunning een katalytische naverbranding op voor de drooglijnen. Deze naverbranding was in 2000 defect en werd niet meer vervangen. Dit leidde tot een nieuwe reeks van gegronde klachten wegens geurhinder. In 2001 werd een geurstudie uitgevoerd, die in augustus 2002 resulteerde in de plaatsing van een gaswassing op een gedeelte van de emissiepunten. Deze installatie was onvoldoende omdat er nog altijd geurhinder voor omwonenden bleef door de andere emissiepunten. In 2003 werd op het bedrijfsterrein een grote waterzuiveringsinstallatie gebouwd in de onmiddellijke omgeving van een sociale woonwijk. Deze waterzuiveringsinstallatie was opgelegd door de Bestendige Deputatie en kaderde in het gevoerde afkoppelingsbeleid. Het bedrijf werd dus verplicht om zijn be-
122 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
In de milieuvergunning van 2004 werd het bedrijf opgelegd om een geurbeheersplan op te stellen. Het daaruit volgende saneringsplan werd aan MI voorgesteld, maar MI beschouwde dit plan als onvoldoende omdat het enkel maatregelen bevatte voor de geurhinder van de waterzuiveringsinstallatie. Het bedrijf kreeg opnieuw een termijn opgelegd om maatregelen voor te stellen om geurhinder afkomstig van de productie tegen te gaan. MI ontving tussen 2000 en 2006 niet minder dan 79 geurklachten, stelde acht processen-verbaal op en stuurde zes aanmaningen naar het bedrijf. In deze periode voerde MI ook een honderdtal geurinspecties rond dit bedrijf uit. Al deze aanmaningen en processen-verbaal resulteerden begin 2006 in een voorstel van het bedrijf om in de afdeling voor het verven van het textiel andere chemicaliĂŤn te gebruiken en de zwavelhoudende kleurstoffen te vervangen. Daardoor verdween tegen de zomer van 2006 de azijngeur. Door een inkapseling van de zeefbocht aan de waterzuiveringsinstallatie verdween de geurhinder daar ook grotendeels. Voor de vervanging van de kleurstoffen vroeg het bedrijf enig respijt omdat men de kleurechtheid ook met de nieuwe kleurstoffen moest behouden. Een deel van de kleurstoffen die nu worden gebruikt zijn zwavelarm. De volledige vervanging van de zwavelhoudende kleurstoffen zou tegen eind 2007 doorgevoerd zijn. We kunnen nu al stellen dat door het optreden van AMI het aantal klachten wegens geurhinder tot een minimum is teruggevallen. Als veroorzaker van jarenlange geurhinder werd het Gentse textielbedrijf eind 2006 veroordeeld door de Gentse correctionele rechtbank in eerste aanleg tot de betaling van een boete van 412.500 euro. De gedelegeerde bestuurder van het bedrijf werd veroordeeld tot een boete van 13.750 euro. Veroordeling van een groenteverwerkend bedrijf MI stelde, verspreid over verschillende jaren, diverse proces-
Ook bij de waterzuivering van het bedrijf ontstond er geurhinder
Het vermogensvoordeel werd begroot op 1 euro per kubieke meter illegaal opgepompt grondwater
sen-verbaal op ten laste van een groenteverwerkend bedrijf. De overtredingen betroffen onder andere het overschrijden van de lozingsnormen voor afvalwater, sluiklozingen van ongezuiverd afvalwater en het illegaal oppompen van grondwater. Gelet op verschillende overtredingen en inbreuken tegen de milieuwetgeving werd het bedrijf, alsook de afgevaardigde bestuurder en de milieucoördinator, door het parket gedagvaard. De rechtbank van eerste aanleg te Brugge velde op 11 oktober 2004 een vonnis. Zowel de gedelegeerd bestuurder, de milieucoördinator als het bedrijf werden veroordeeld. Daarnaast werd het bedrijf ook veroordeeld tot de bijzondere verbeurdverklaring van het vermogensvoordeel verworven uit het illegaal oppompen van grondwater. Dit vermogensvoordeel werd begroot op 1 euro per kubieke meter illegaal opgepompt grondwater. Het bedrijf tekende beroep aan tegen dit vonnis, waarop het Hof van Beroep te Gent op 23 september 2005 een vonnis velde. De afgevaardigde bestuurder werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden met uitstel en een geldboete van 15.000 euro. Het bedrijf werd eveneens veroordeeld tot een geldboete van 15.000 euro en een bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van 59.668 €, het vermogensvoordeel dat verkregen werd door het plegen van het misdrijf (illegaal oppompen van grondwater). In beroep werd de milieucoördinator vrijgesproken omdat hij geen beslissingsbevoegdheid had en zelf geen investeringen kon doorvoeren. Tegen het arrest van het Hof van Beroep in Gent werd geen cassatieberoep aangetekend. Dit vonnis gold als één van de precedenten voor wat betreft de verbeurdverklaring van het vermogensvoordeel, verworven uit het illegaal oppompen van grondwater. Dit vonnis kreeg in de sector veel weerklank, waardoor de andere groenteverwerkende bedrijven in de loop van 2006 het vergunde debiet voor diep grondwater beter respecteerden.
Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden • 123
MI werkt samen met diverse instanties om te komen tot een optimale handhaving van de milieuhygiënewetgeving. Hieronder worden slechts enkele specifieke onderwerpen beschreven, met de nadruk op de samenwerking die een rechtstreekse impact heeft op de verdeling van toezichtstaken tussen MI en andere instanties en op de strafrechtelijke afhandeling van vastgestelde overtredingen. MI wordt ook geregeld verzocht om mee te werken aan de meest diverse overlegstructuren. Alleen als wordt voldaan aan een aantal randvoorwaarden, kan MI deelnemen aan een dergelijk overleg. Zo moet natuurlijk steeds de onafhankelijkheid van het toezicht en de handhaving zijn gewaarborgd. Bovendien kan de expertise van MI enkel worden gebruikt als dat een reële bijdrage levert aan de verbetering van het leefmilieu en de regelgeving in het algemeen en de handhaving in het bijzonder. Ook hier zou een beschrijving van alle overlegstructuren te ver leiden en worden slechts enkele specifieke overlegorganen beschreven. Als bijlage volgt wel een overzicht van het uitgebreide netwerk van MI-vertegenwoordigers in de diverse organen..
Samenwerking en overleg Samenwerking met gemeentelijke Vlarem-toezichthoudende ambtenaren De Vlaamse wetgever heeft het eerstelijnstoezicht op de milieuhygiënewetgeving bij klasse 2- en 3-inrichtingen toegewezen aan de gemeente. Elke gemeente moet daarvoor technische ambtenaren of agenten van de Lokale Politie aanwijzen, die eerst een bekwaamheidsbewijs moeten verkrijgen. Dat bekwaam¬heids¬bewijs wordt hen uitgereikt nadat ze de speciale Vlarem-opleiding hebben gevolgd en ze geslaagd zijn voor de bijbehorende bekwaamheidsproef. Bij de aanwijzing van de Vlarem-toezichthoudende ambtenaren loopt er heel wat fout. Hoewel de toezichtsbevoegdheid over klasse 2- en 3-inrichtingen al 15 jaar aan de gemeenten is toegewezen, hebben heel wat gemeenten nog steeds geen Vlarem-toezichthoudend ambtenaar aangewezen. Volgens de gegevens van de afdeling Milieuvergunningen was er in 2006 in één op vijf (20,5%) van de Vlaamse gemeenten nog steeds geen Vlarem-toezichthoudend ambtenaar aangewezen. De lichte verbetering tijdens de voorbije jaren (29% in 2001, 27% in 2002, 24% in 2003, 23% in 2004,en 22% in 2005) lijkt daarmee aan te houden. De 63 gemeenten zonder Vlarem-toezichthoudend ambtenaar en hun verdeling over de provincies wordt weergegeven in de figuur op de volgende bladzijde. Er blijkt daarbij een groot verschil te bestaan tussen de verschillende provincies: terwijl in Limburg en Oost-Vlaanderen bijna overal een Vlarem-toezichthoudend ambtenaar werd aangesteld, zijn er nog heel wat ‘leemtes’ in de provincies Antwerpen, Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen. In het voorjaar en het najaar van 2007 wordt er een opleiding ‘Vlarem’ gepland, het is dus te verwachten dat er binnen afzienbare tijd opnieuw een aantal aanstellingen zullen gebeuren.
Bovendien wijst de praktijk uit dat zelfs de aanwijzing van een Vlarem-toezichthoudend ambtenaar geen garantie is voor een effectieve gemeentelijke handhaving. Die ambtenaren worden immers ook belast met het adviseren van vergunningsaanvragen en diverse andere taken. Het optreden van die ambtenaren is vaak afhankelijk van hun persoonlijke engagement en het lokale politieke draagvlak in verband met milieuhandhaving. De lokale handhaving is eveneens afhankelijk van de omvang van de stad of gemeente en van de personeelsbezetting van de gemeentelijke milieudienst. Het is nochtans van het grootste belang dat het toezicht op klasse 2- en 3-inrichtingen effectief uitgevoerd wordt door de Vlarem-toezichthoudende ambtenaren die daarvoor door de gemeente zijn aangewezen. MI heeft daarom geregeld contact met die ambtenaren. De verstandhouding tussen de handhavers van de lokale overheden en MI is doorgaans vrij goed. MI biedt desgevraagd de nodige ondersteuning bij de afhandeling van probleemdossiers. In de contacten van MI met de gemeentelijke handhavers en met de burgemeesters komen de gemeentelijke bevoegdheden geregeld ter sprake. Dat overleg moet ertoe bijdragen dat MI minder tijd moet besteden aan het hoog toezicht op de klasse 2- en 3-inrichtingen en haar volle aandacht kan richten op de klasse 1-inrichtingen.
Samenwerking en overleg • 125
(FNFFOUFO NFU FO [POEFS 7MBSFN UPF[JDIUIPVEFOEF BNCUFOBSFO FJOE
"OUXFSQFO HFNFFOUFO NFU
-JNCVSH
0PTU 7MBBOEFSFO
7MBBNT #SBCBOU
8FTU 7MBBOEFSFO
HFNFFOUFO [POEFS
In 2006 was er met vijf parketten een gestructureerd overleg
Lijst van gemeenten zonder aangewezen Vlarem-toezichthoudend ambtenaar (eind 2006) Antwerpen
Limburg
Oost-Vlaanderen
Vlaams-Brabant
West-Vlaanderen
Arendonk
Bree
Assenede
Affligem
Alveringem
Beerse
Heers
Horebeke
Beersel
Ardooie
Boechout
Herstappe
Knesselare
Bekkevoort
Bredene
Grobbendonk
Voeren
Lede
Bertem
Dentergem
Herenthout
Sint-Gillis-Waas
Bever
Heuvelland
Hoogstraten
Sint-Laureins
Boortmeerbeek
Houthulst
Hove
Zwalm
Diest
Jabbeke
Kontich
Drogenbos
Langemark-Poelkapelle
Lint
Herne
Lo-Reninge
Meerhout
Hoeilaart
Mesen
Merksplas
Kapelle-op-den-Bos
Meulebeke
Oud-Turnhout
Kraainem
Pittem
Ravels
Linkebeek
Ruiselede
Retie
Oud-Heverlee
Spiere-Helkijn
Sint-Amands
Pepingen
Zonnebeke
Vorselaar
Rotselaar
Zuienkerke
Vosselaar
Scherpenheuvel-Zichem
Wijnegem
Tremelo
Samenwerking met de gerechtelijke instanties In het kader van de strafrechtelijke afhandeling van vastgestelde overtredingen bestaat er overleg tussen MI en de diverse gerechtelijke instanties. Daarnaast werkt MI ook mee aan de opleiding van de gerechtelijke stagiairs.
Overleg op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen Contacten met de gerechtelijke arrondissementen worden gelegd op het niveau van de buitendiensten. Die contacten hebben tot doel om via overleg en communicatie te komen tot een efficiĂŤnte voortgangscontrole van de processen-verbaal. In bepaalde gevallen wordt MI ook gevraagd om technische expertise te verlenen. De invulling verschilt van buitendienst tot buitendienst en van
126 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
arrondissement tot arrondissement. De buitendienst kan ook contact opnemen met het parket om overleg te plegen over specifieke dossiers. In 2006 was er met vijf parketten een goed gestructureerd overleg, zowel over specifieke dossiers als over een gestructureerde samenwerking.
Gerechtelijke stagiairs Sedert enkele jaren is een benoeming in de magistratuur mogelijk voor advocaten die minder dan vijf jaar ervaring hebben aan de balie. Ze moeten na minstens een jaar praktijkervaring slagen voor een vergelijkend examen en vervolgens een gerechtelijke stage met succes doorlopen. Die stage duurt anderhalf jaar voor kandidaten voor de functie van parketmagistraat (substituut-procureur des Konings) en drie jaar voor kandidaten voor de functie van rechter.
Op de buitendiensten maken de gerechtelijke stagiairs kennis met de inspecties op het terrein
De Commissie Dierlijk Afval verleent advies over de ophaling en de verwerking van dierlijk afval
Onder leiding van een stagemeester voeren de stagiairs het werk van een parketmagistraat of rechter uit, maar een gedeelte van de stage wordt ook doorgebracht op het terrein bij een aantal zelf gekozen diensten en instellingen. Gewoonlijk valt de keuze op strafinrichtingen, politiediensten en juridische diensten, maar ook minder voor de hand liggende diensten zoals MI zijn mogelijk.
MI vertegenwoordigt LNE in die vergadering, met inbreng van de eigen expertise met betrekking tot dierlijk afval en de handhavingsaspecten die ermee verband houden. In 2006 kwam de Commissie driemaal samen. Tijdens de vergadering van 5 juli werd toelichting verstrekt bij de dioxinecontaminatie bij PB Gelatins en de voorziene maatregelen tegen aviaire influenza. Tevens kwam de verbranding van dierlijk vet en de financiering van de destructie van krengen van landbouwdieren in 2006 aan bod.
Ook in 2006 kozen twee gerechtelijke stagiairs er voor om een deel van hun stage bij MI te doorlopen (één in Vlaams Brabant, één in Limburg ). Op de buitendienst maken ze kennis met de inspecties op het terrein. Tijdens die inspecties komen allerlei aspecten aan bod, zoals diverse monsternames, geluidsmetingen, opstellen van processen-verbaal, volgen van aanmaningen en dwangmaatregelen. De controle van de vergunningstoestand van een bedrijf en de naleving van de algemene, sectorale en bijzondere voorwaarden behoren eveneens tot de gebruikelijke inspectietaken. Uiteraard wordt ook aandacht besteed aan de klachtenbehandeling. De wederzijdse informatie-uitwisseling en de samenwerking tussen de gerechtelijke stagiairs en MI kunnen voor beide partijen een belangrijke meerwaarde vormen. MI verwacht dat die meerwaarde er onder andere in bestaat dat er op de parketten steeds meer magistraten komen die vertrouwd zijn met de milieuwetgeving, zodat er in de toekomst een betere samenwerking en een doelgerichter vervolgingsbeleid tot stand komen.
Samenwerking in het kader van de veiligheid van de voedselketen Commissie Dierlijk Afval De Commissie Dierlijk Afval (CDA) werd opgericht in 1995 met als opdracht advies te verlenen (uit eigen beweging of op verzoek van de minister) over de materie die behandeld wordt in het besluit over de ophaling en de verwerking van dierlijk afval. In de Commissie zetelen drie Vlaamse en twee federale ambtenaren, naast een ruime vertegenwoordiging van de sector van ophalers en verwerkers.
Tijdens de vergadering van 21 juni werd een nota besproken die handelde over het onderscheid landbouwdier/gezelschapsdier en het impact ervan op de krengenfinanciering. Tevens werd toelichting verstrekt bij een ontwerpnota over de inventarisatie van biomassa. De verbranding van dierlijk vet en de problematiek van strenge emissienormen voor afvalverbranding kwamen ook aan bod. De vergadering van 12 december handelde over de kostprijs van de financiering van de ophaling en de verwerking van krengen in 2007, de stand van zaken van het nieuw Besluit Dierlijk Afval en van de verbranding van dierlijk vet. Op 15 december 2006 keurde de Vlaamse Regering een nieuw besluit goed betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval. De Commissie Dierlijk Afval zal in de loop van 2007 opnieuw worden samengesteld.
Overeenkomst Dierlijke Bijproducten De Europese Overheid heeft sinds 1986 een aantal maatregelen genomen om de verspreiding van de gekkekoeienziekte te voorkomen. Een aantal belangrijke maatregelen worden afgedwongen door Verordening 1774/2002 over dierlijke bijproducten die niet bestemd zijn voor menselijke consumptie. Het begrip dierlijke bijproducten is ruim en omvat naast het gekende ‘slachtafval’ ook bvb. huiden, mest, keukenafval van vliegtuigen, voormalige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong, … Zowel gewestelijke als federale overheden zijn bevoegd voor de materie in de verordening. Een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de gewesten was noodzakelijk om ervoor te zorgen dat alle Europese verplichtingen ook werkelijk
Samenwerking en overleg • 127
De Europese overheid hecht zeer veel belang aan de naleving van de verordening 1774/2002
MI vroeg aan VMM om een aantal immissiemetingen uit te voeren rond een categorie 3-stortplaats
uitgevoerd worden. De verantwoordelijkheden en de taken voor de federale staat en de gewesten worden er duidelijk in beschreven. Dit samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2005 verscheen in het Belgisch Staatsblad op 12 december 2005.
vingsmetingen van stof die worden uitgevoerd om uitsluitsel te verkrijgen over de gegrondheid van klachten en om na te gaan of de hinder al dan niet het gevolg is van geleide dan wel van niet-geleide emissies. Immissiemetingen bieden een goed alternatief voor de ‘klassieke’ emissiemetingen die niet toepasbaar zijn in specifieke omstandigheden zoals bij een stortplaats, een sorteerinrichting voor afvalstoffen of bij uitgestrekte terreinen voor de opslag van stuivende stoffen.
In de schoot van deze overeenkomst werd in 2006 de Commissie Dierlijke Bijproducten opgericht om te waken over de goede uitvoering van de overeenkomst. De overheden die hierin zetelen zijn: FAVV (voorzitter), FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, MI, OVAM, VLM-Mestbank, BIM, DPE en OWD. In 2006 is de Commissie viermaal bijeengekomen. De volgende items kwamen in de vergaderingen aan bod: het opstellen van het huishoudelijk reglement, het voorzien in een website met bedrijven die erkend zijn krachtens de verordening 1774/2002, de organisatie van een opleiding over niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten voor alle betrokken ambtenaren, de terugkoppeling van besprekingen van de Werkgroep Dierlijke Bijproducten van de Europese Commissie, de bespreking van tekstvoorstellen voor aanpassing van nieuwe Europese en lokale regelgeving aangaande dierlijke bijproducten en ten slotte het bespreken van praktische knelpunten aangaande de implementatie van de verordening. De Europese overheid hecht zeer veel belang aan de naleving van de verordening 1774/2002 en organiseerde daarom in 2006 drie parallelle workshops verspreid over Europa. MI nam deel aan de sessie die werd georganiseerd in Warschau. In het najaar namen alle toezichthoudende ambtenaren van MI deel aan een van de opleidingssessies die werden gegeven door het FAVV en OVAM.
Samenwerking met VMM MI werkt op het vlak van luchtverontreiniging al geruime tijd samen met de afdeling Meetnetten en Onderzoek van VMM. MI doet beroep op VMM voor het analyseren van eigen monsters van omgevingslucht. Daarnaast voert VMM op vraag van MI omgevingsmetingen uit rond hinderlijke inrichtingen. Dergelijke metingen kunnen nuttig zijn om de naleving van vergunningsvoorwaarden te beoordelen. Klassiek zijn omge-
128 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
In 2006 vroeg MI aan VMM om een aantal immissiemetingen uit te voeren vlakbij een categorie 3-stortplaats en een afvalsorteerbedrijf. In beide gevallen handelde het over asbestmetingen. Aanleiding waren klachten van verontruste buren die MI om uitsluitsel vroegen over de risico’s voor hun gezondheid. In het geval van de categorie 3-stortplaats was ook de gemeente vragende partij voor een onderzoek. VMM stelde VITO aan om de eigenlijke tellingen uit te voeren. Van augustus tot november 2006 volgde VMM de concentratieniveaus op van asbest en minerale vezels op een aantal typische locaties in Vlaanderen. Zowel 24-uurs als 48-uursmonsters zijn daarbij genomen met eenzelfde meetstation als in gebruik is bij het landelijke meetnet zware metalen. Het meetprincipe berust op een bemonsteringspomp die omgevingslucht met een constant en een gekend laag debiet van ±1 m³/u aanzuigt over een PM16-voorafscheider ( 50 mm). PM16 omvat alle aerosoldeeltjes met een aerodynamische diameter beneden 16 µm, d.i. de inhaleerbare fractie PM10 + een grove deeltjesfractie. De vezeltellingen gebeurden door VITO met transmissie-elektronen-microscopie (TEM) uitgerust met beperkte oppervlakte-elektronendiffractie en energiedispersieve X-stralen analyse. VMM nam voldoende voorzorgsmaatregelen om contaminatie op het veld, tijdens transport en bij opslag te voorkomen. VITO analyseerde om en bij de 100 filters afkomstig van zes verschillende meetlocaties. 15 monsternemingen gebeurden vlakbij drukke verkeersaders, 15 in een residentiële omgeving, 30 in de nabijheid van een stortplaats categorie 3 en 30 binnen de invloedssfeer van een mogelijke bron (een afvalverwerkend bedrijf). Aangezien het gezondheidsrisico gerelateerd is met de lengte van de asbestvezels, is een onderscheid gemaakt tussen vezels korter dan 5 µm en vezels langer dan 5 µm. De korte
Het toezicht op de opslag, het aanbod, de inzameling en de verwerking van afvalstoffen wordt door MI uitgevoerd.
MI overlegde met alle betrokkenen i.v.m. transportcontroles
vezels worden als onschadelijk beschouwd, de lange vezels worden verantwoordelijk gesteld voor een nefast gezondheidseffect.
en grensoverschrijdende afvaltransporten. Als uitzondering hierop blijven de controle op de aanvaardingsplichten, op de ophaling van huishoudelijk afval bij de particulier, op de problematiek van PCB-houdende apparaten, op de afgifte van scheepsafvalstoffen en op de milieuheffingen bij OVAM. Om MI toe te laten om haar nieuwe taken goed uit te voeren, engageerde OVAM zich om technische opleidingen te organiseren, zoals de opleiding ‘Afvaltransporten’ die OVAM op 18 december 2006 voor alle toezichthoudende ambtenaren van MI gaf. De uitwisseling van operationele informatie rond specifieke dossiers, die al enkele jaren goed verliep, werd ook in dit samenwerkingsprotocol vastgelegd.
In alle gebieden (stedelijk en landelijk) zijn de verwachtingswaarden als jaargemiddelde concentratieniveaus lager dan 92 V/m³. In de omgeving van mogelijke bronnen zoals het afvalverwerkende bedrijf of de bewuste categorie 3-stortplaats was de concentratie lange (schadelijke) vezels minder dan 88 V/m³. De concentratieniveaus liggen in alle gebieden beduidend lager dan bij voorgaande meetcampagnes van VITO in 1998 en 1999. Deze meetresultaten geven geen aanleiding om strengere emissiebeperkende maatregelen aan het afvalverwerkende bedrijf of aan de stortplaatsexploitant op te leggen, dan deze voorzien in de Vlaremwetgeving.
Samenwerking met OVAM De toezichtsbevoegdheden van OVAM en MI waren begin 2006 nog grotendeels complementair maar overlapten ook gedeeltelijk. MI oefende het toezicht uit op ingedeelde inrichtingen, waar OVAM zich toelegde op de controle van typische afvalstroomregelgeving zoals aanvaardingsplichten, afvaloverbrengingen, meldingen van afvalstromen en heffingen. Deze situatie werd in april 2006, met de herschikking van de Vlaamse Overheid na de operatie BBB, grondig gewijzigd. Het toezicht op en de handhaving van de opslag, het aanbod, de inzameling en de verwerking van afvalstoffen wordt sindsdien uitgevoerd door MI. Tegelijkertijd maakten 6 personeelsleden van OVAM hun overstap naar MI. Voor het uitoefenen van deze nieuwe taken heeft MI uiteraard de inbreng nodig van informatie die enkel bij OVAM beschikbaar is, en andersom moet OVAM in staat zijn om haar beleid te kunnen aanpassen op basis van de inspectieresultaten van MI. Een vlotte samenwerking rond het thema afval was noodzakelijk en werd bezegeld in een samenwerkingsprotocol tussen de twee entiteiten. Naast de handhaving van het afvalstoffendecreet en haar uitvoeringsbesluiten oefent MI nu ook toezicht uit op de Europese verordeningen over dierlijke bijproducten, persistente organische polluenten (POP), ozonafbrekende stoffen
Samenwerking rond afvaltransporten Het controleren van afvalstromen tijdens het transport is een opdracht die door verschillende instanties wordt uitgevoerd. Wegblokkades opzetten en vrachtwagens uit het verkeer pikken is steeds de taak van de politiediensten, terwijl de milieuadministraties het toezicht uitoefenen op de regelgeving over afvalstoffentransport. Tot april 2006 was het meestal OVAM die de politie assistentie verleende tijdens transportcontroles in het Vlaamse gewest. Sinds de reorganisatie van de Vlaamse overheidsadministratie (BBB) organiseren MI en de Federale Politie in onderling overleg de transportcontroles. MI vond het belangrijk dat er van bij het begin overleg plaatsvond met de andere instanties, met als doel de gezamenlijke transportcontroles zo efficiënt en gericht mogelijk te laten verlopen, rekening houdend met ieders bevoegdheden.
Overleg havencontroles Op 13 september 2006 organiseerde MI een overleg over de controle op de in- en uitvoer van afvalstoffen in de havens met de dienst Leefmilieu van de Federale politie, de Scheepvaartpolitie, de Douane, BIM en FLI. Dit overleg verliep in een zeer positieve sfeer: de verschillende aanwezigen stelden hun manier van werken voor, alsook de knelpunten waartegen zij opbotsten tijdens de haveninspecties. Op deze manier kreeg iedereen een beter inzicht in elkaars manier van werken. De
Samenwerking en overleg • 129
MI leidde een werkgroep i.v.m. crisismanagement binnen LNE
deelnemers aan het overleg spraken af om de havencontroles gezamenlijk verder te zetten. Een aantal obstakels bleven op het einde van het overleg onopgelost en zullen in 2007 verder behandeld worden.
Overleg transportcontroles Op 21 november 2006 bracht MI alle instanties bij elkaar die betrokken zijn bij het opzetten van transportcontroles op de baan, met als belangrijke aanwezige de Wegpolitie. Ook dit overleg had als belangrijkste doel om de verschillende partners beter te leren kennen. Op een volgende werkvergadering op 6 december 2006 werden meer concrete afspraken gemaakt: MI zal in 2007 samen met de politie 15 transportcontroles organiseren, die uitsluitend gericht zijn op afvaltransporten. De dienst Leefmilieu van de Federale politie zal hiervoor de politie-eenheden op het terrein stimuleren. FLI boodt aan om ook haar gebezigde ambtenaren in te zetten tijdens deze transportcontroles, in het kader van de samenwerkingsovereenkomst van 1994.
Afstemming monitorings- en handhavingstaken Naast MI zijn binnen het beleidsdomein LNE nog andere actoren betrokken bij de monitoring en de handhaving van de milieuhygiënewetgeving, daarbij ondermeer VMM, OVAM en
130 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
VLM. Elke entiteit met zijn eigen rol, opdracht en inbreng. Om tot een doeltreffende handhaving te komen is een gecoördineerde en integrale benadering van het handhavingsbeleid noodzakelijk. Goede doorstroming van informatie en optimale afstemming van meet- en inspectieprogramma’s tussen deze verschillende entiteiten kan een synergetisch effect genereren en zodoende de efficiëntie en effectiviteit van de handhaving doen toenemen. Onder voorzitterschap van MI werd dan ook een werkgroep met de verschillende actoren opgericht. De resultaten van deze werkgroep werden gebundeld in het document ‘Afstemming monitoring- en handhavingsprogramma’s: overdracht van gegevens tussen afdeling Milieu-inspectie – OVAM – VLM – VMM’. Dit document werd begin 2007 goedgekeurd door de Beleidsraad.
Nota crisismanagement In opdracht van de LNE-Beleidsraad van 12 juni 2006 werd een werkgroep ad hoc samengesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van het departement en de agentschappen, met volgende opdracht: ‘een werkgroep ad hoc, met deelnemers van elke entiteit en onder coördinatie van AMI, werkt de inbreng uit van het beleidsdomein LNE voor het geïntegreerd plan voor crisisma-
Tijdens het overleg met de federale collega’s werd o.a. het inspectieprogrammasysteem geëvalueerd
nagement, zodat er tegen 6 september 2006 door secretarisgeneraal Heirman een document kan worden ingediend bij de Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid.’ De werkgroep kwam samen op 6 juli 2006 en 9 augustus 2006, onder het voorzitterschap van MI. Omwille van de onduidelijkheid over de afbakening van de opdracht (o.a. de definiëring en afbakening van het begrip ‘crisis’) en over de vorm van de bijdrage van het beleidsdomein LNE, opteerde de werkgroep ervoor een inventaris te maken van de crisissituaties die relevant zijn voor het beleidsdomein, en daaruit een aantal knelpunten te destilleren. Eind augustus bezorgde MI een knelpuntennota, die de goedkeuring droeg van alle leden van de werkgroep, aan de secretaris-generaal. In de nota lijnde de werkgroep in eerste instantie het begrip ‘crisis’ af vanuit de bevoegdheden van het beleidsdomein. De focus lag, gelet op de beperkte tijd voor de uitvoering van de opdracht, op de acute en accidentele gebeurtenissen die betrekking hebben op de bescherming van mens en/of milieu en die aanleiding kunnen geven tot gevolgen met een zekere omvang of die een grote aandacht vereisen. Chronische situaties die plots onder de publieke belangstelling komen en daardoor aandacht en een gecoördineerde aanpak vereisen, liet de werkgroep dus buiten beschouwing. De werkgroep stelde een inventaris op van voorvallen die kunnen leiden tot crisissituaties waarbij entiteiten van het beleidsdomein LNE in een bepaalde fase betrokken (kunnen) zijn, zowel vóór een crisis (preventief) als tijdens en na een
crisis (curatief). Tijdens de crisis zijn er meerdere belangrijke taken te onderscheiden: melding, coördinatie, handhavings- en veiligheidsmaatregelen, ondersteuning en communicatie. Voor de verschillende fasen van een crisis schetste de nota aan de hand van enkele voorbeelden hoe de entiteiten van het beleidsdomein LNE kunnen bijdragen aan het crisismanagement. De werkgroep detecteerde een aantal belangrijke knelpunten die haar bevoegdheden overstegen. – er is nood aan coördinatie binnen het beleidsdomein voor crisissen waarbij meerdere entiteiten betrokken zijn zodat de Vlaamse milieu-overheid in consensus kan deelnemen aan crisiscellen op andere bevoegdheidsniveau’s; – de bestaande meldingssystemen zijn ontoereikend. Overleg met de andere bevoegdheidsniveaus (federaal, provinciaal, gemeentelijk) is nodig om de huidige systemen uit te breiden en te verbeteren; – bij voorvallen/ongevallen met louter milieuschade komt de brandweer en/of de Civiele Bescherming tussen. Vlaamse entiteiten kunnen betrokken partij zijn maar zijn niet structureel betrokken bij de federaal geregelde nood- en interventieplanning. Het vergt nader juridisch onderzoek, om de exacte bevoegdheden en daaruitvolgende verantwoordelijkheden van de verschillende overheden duidelijk af te bakenen. Deze problematiek vereist wellicht een overleg op het hoogste niveau (Vlaams minister-president / federaal minister van Binnenlandse Zaken); – de crisiscommunicatie is nog onvoldoende geregeld. Er is geen crisiscommunicatieplan binnen het beleidsdomein.
Samenwerking en overleg • 131
Samenwerking met de afdeling van het Toezicht op de Chemische Risico’s Eerder in dit rapport werd al aangegeven dat de inspecties in het kader van het Samenwerkingsakkoord preventie zware ongevallen (Seveso-inspecties) worden uitgevoerd door een inspectieteam dat is samengesteld uit de gewestelijke milieuinspectie (MI in Vlaanderen) en de federale inspectiedienst bevoegd voor de bescherming van de werknemers. De coördinatie binnen de inspectieteams en de algemene coördinatie worden verzekerd door de afdeling van het Toezicht op de Chemische Risico’s van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Van 10 tot 12 mei 2006 was de afdeling van het Toezicht op de Chemische Risico’s gastheer op een seminarie voor alle Sevesoinspectiediensten. MI nam deel met een ruime delegatie Sevesoteamleden. De belangrijkste doelstelling was de evaluatie van het inspectieprogrammasysteem. Op het seminarie kwamen eveneens uitvoerings- en interpretatieproblemen, de ontwikkeling en herziening van inspectie-instrumenten, de inspectiecampagnes en lessen uit ongevallen aan bod. Tijdens het overleg spraken de inspectiediensten af om gezamenlijk een voorstel uit te werken voor een inspectieprogrammasysteem, uitgaande van ‘inspectiedomeinen’, i.e. de verschillende technische en organisatorische systemen die moeten worden onderzocht in een Sevesobedrijf. Ze kwamen ook overeen te starten met de uitwerking van een geïntegreerd inspectie-instrumentensysteem met instrumenten voor alle inspectiedomeinen. Als eerste instrument in het nieuwe systeem zal het Metatechnisch EvaluatieSysteem (MES) worden geëvalueerd en uitgesplitst over verschillende inspectieniveaus.
van geurdagboeken door de inwoners en het uitvoeren van snuffelmetingen door toezichthoudende ambtenaren en door professionele snuffelploegen. Uit het rapport blijkt dat de industriezone van Moeskroen onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt voor de inwoners van Rollegem. De bedrijven die de grootste impact uitoefenen en de meeste hinder veroorzaken, zijn een diepvriesgroenten en -frietbedrijf, een zeepziederij en een groencompostering. Het rapport besluit met de aanbeveling voor DPE om deze drie bedrijven prioritair aan te pakken. MI besprak begin 2005 de resultaten van het omgevingsonderzoek met DPE. Kort daarop stelde DPE een plan van aanpak op waarmee MI akkoord ging. Concreet voerde DPE in 2005 een grondige inspectie uit bij de drie als prioritair aangeduide bedrijven. Er werden ondermeer metingen uitgevoerd om te bepalen welke chemische stoffen er verantwoordelijk zijn voor de geurhinder. Op basis van de resultaten van deze inspecties en metingen legde DPE een saneringsplan op aan deze bedrijven. Tegelijk liet DPE drie meetstations in de buurt van deze bedrijven plaatsen om de concentratie van de gemeten geurcomponenten in de omgevingslucht te volgen. In het najaar 2005 kwamen MI en DPE samen om de stand van zaken van de sanering te bespreken. Eind 2006 vond een overleg plaats in Moeskroen tussen MI, DPE en het stadsbestuur waarbij de uitgevoerde saneringswerken besproken werden en ter plaatse in de bedrijven bezocht werden. In 2007 zal MI de impact van de geur na sanering, op de bewoners van Rollegem en omgeving evalueren via een omgevingsonderzoek en snuffelmetingen.
Over de samenwerking bij het opstellen en uitvoeren van het Seveso-inspectieprogramma kon u al eerder in dit rapport lezen.
Beleid
Samenwerking met andere gewesten
De uitvoering van het milieubeleid leert dat een geregelde actualisatie van de complexe en zeer uitgebreide milieuregelgeving noodzakelijk is en blijft. De wetgeving moet worden vereenvoudigd en de kwaliteit ervan moet worden verhoogd. Ook als gevolg van de vele wijzigingen en aanvullingen van de regelgeving moeten de verschillende decreten en besluiten voldoende en tijdig op elkaar worden afgestemd.
Sinds 2004 werkt MI samen met haar collega’s van de Waalse Division de la Police de l’Environnement (DPE) om het gewestoverschrijdend geurprobleem in Rollegem (Kortrijk), veroorzaakt door een industriezone gelegen in het noorden van het Waalse Moeskroen, aan te pakken. De inspectiediensten spraken af dat MI in 2004 de impact van de geur op Rollegem en omgeving zou bepalen via een omgevingsonderzoek en dat DPE in 2005 op basis van de resultaten van dit onderzoek heel gericht acties zou ondernemen om de geuremissies door de Waalse bedrijven te verminderen. Het omgevingsonderzoek bestond uit een klachtenanalyse, een telefonische enquêtering van de bevolking, het bijhouden
132 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Technisch Overleg Milieuregelgeving (TOM)
Daarom ontstond begin 2000 het overlegorgaan TOM. TOM staat voor Technisch Overleg Milieuregelgeving. Het is een permanent overlegorgaan voor alle administraties en diensten die betrokken zijn bij de uitvoering en handhaving van het beleid inzake milieuhinderlijke inrichtingen en activiteiten. In TOM zitten vertegenwoordigers van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, de Vlaamse Milieumaatschappij, de Openbare Afvalstoffenmaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij, vertegenwoordigers van andere beleidsvelden van de Vlaamse
Overheid die raakpunten hebben met het milieubeleid en vertegenwoordigers van de lokale overheden via de Vereniging van Vlaamse Provincies (VVP) en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). TOM streeft via zo veel mogelijk consensus tussen zijn leden naar een vanuit technisch en juridisch oogpunt eenvormige en correcte toepassing van de milieuregelgeving. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan oplossingen voor overlappingen, lacunes en tegenstrijdigheden in de regelgeving en de uitvoering en handhaving ervan om zo te komen tot een coherente, resultaatgerichte regelgeving en toepassing ervan. Sinds de start van TOM werden al meerdere knelpunten gesignaleerd, geïnventariseerd en geanalyseerd. TOM legt zijn adviezen ter beslissing voor aan de Vlaamse minister van Leefmilieu. De definitieve TOM-adviezen worden, met de reactie van de Vlaamse minister van Leefmilieu, gepubliceerd op de website www.mina.be/tom.html, onder de link ‘adviezen van TOM en beslissingen van de minister’. Lijst van de gepubliceerde TOM-adviezen op 31 december 2006 Nr.
Onderwerp
A 01
Afvalwaterzuiveringsinstallaties
A 02
Gesynchroniseerde wijzigingen aan de regelgeving
A 03
Afspraak inzake de frequentie van wijzigingen in de milieuregelgeving en inzake een officieuze coördinatie
A 04
Klasse 3 en aktename
A 05
Wijziging aan de vergunningsvoorwaarden
A 07
Gemengde veeteeltinrichtingen
A 09
Vrijstelling van sectorale voorwaarden
A 10
Slapende vergunning
A 11
Het gebruik van niet-verontreinigd puin op de bouwplaats
A 12
Niet-ingedeelde afvalwaterzuiveringen
A 14
Verplaatsbare installaties
A 15
Afvalstromen – verdunning
A 17
Wijziging indelingen
A 18
Bevoegdheid bij wijzigen en aanvullen van een milieuvergunning
A 19
Bevoegdheid bij wijzigen en aanvullen van een milieuvergunning
A 20
Oppervlaktebehandeling van metalen
A 21
Gevaarlijke afvalstoffen
A 23
Wijziging meldingsformulier (derde klasse Vlarem)
A 26
Bevoegde overheid bij melding van een overname
A 27
Thermisch reinigen van voorwerpen: rubricering en emissienormen
A 28
Schorsen en opheffen van een milieuvergunning: bevoegdheid
A 32
Vermijden van pieken in het aantal hernieuwingsaanvragen
Ook MI neemt deel aan het TOM-overleg. Als toezichthoudende overheid is ze vertegenwoordigd in zowel het plenaire overlegorgaan als in tal van ad-hoc werkgroepen. Ze waakt
erover dat tijdens de bespreking van gesignaleerde knelpunten zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de handhavingservaringen, opgedaan in het veld. MI streeft daarbij naar een zo groot mogelijke eenduidigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.
Medewerking aan regelgevende initiatieven Beleidsformulering en beleidsevaluatie door terugkoppeling van de ervaringen uit het veld behoren tot de kernopdrachten van MI. Een van de manieren waarop MI die opdracht probeert te vervullen, is door medewerking te verlenen aan regelgevende initiatieven en zich zo indirect in te schakelen in de beleidscyclus. In het milieuhandhavingsrapport 2005 kon u lezen hoe MI haar bijdrage leverde aan een voorontwerp van milieuhandhavingsdecreet. Kenmerkend aan het voorontwerp is dat het een onderscheid maakt tussen milieumisdrijven die strafrechtelijk gesanctioneerd kunnen worden en milieu-inbreuken die onttrokken worden aan het strafrecht, maar waarvoor een exclusieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Begin 2006 stelde MI in opdracht van het kabinet van de Vlaamse minister van Leefmilieu en in onderling overleg met de afdeling Milieuvergunningen (AMV) een lijst van Vlarembepalingen op waarvan de schending in aanmerking komt voor bestraffing met een exclusieve bestuurlijke geldboete. MI en AMV gingen daarbij uit van volgende omschrijving: ‘Milieu-inbreuk: een gedraging in strijd met een voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van deze titel; deze gedraging: - betreft exclusief een schending van administratieve verplichtingen, - betreft geen emissies, - betreft geen afvaltransporten, - veroorzaakt geen gezondheidsschade of dood, - kan niet strafrechtelijk worden gesanctioneerd overeenkomstig de bepalingen van deze titel, en - moet opgenomen zijn in een lijst te bepalen door de Vlaamse Regering’ Er bestaat geen definitie van de term ‘administratieve verplichtingen’. Het was bijgevolg niet eenvoudig om bepalingen die ‘administratieve verplichtingen’ inhouden, ondubbelzinnig aan te duiden. Om inconsequenties te vermijden, legden MI en AMV een aantal criteria vast waaraan ze de Vlarembepalingen toetsten. In een eerste stap brachten ze zo alle Vlarembepalingen samen die kunnen worden beschouwd als ‘administratieve verplichtingen’. In een volgende stap selecteerden ze uit deze administratieve verplichtingen de bepalingen die worden voorgesteld om te worden gesanctioneerd met een exclusieve bestuurlijke geldboete.
Samenwerking en overleg • 133
Door de verdergaande mondialisering bevindt de handhaving zich steeds meer in een internationale context. MI heeft daarom als taak internationale contacten te leggen en actief deel te nemen aan het tot stand komen van internationale vernieuwingen en tendensen. Een actieve inzet in het Europese netwerk voor de implementatie en handhaving van de milieuhygiënewetgeving (IMPEL) is een deel van de missie van MI. In dit hoofdstuk worden de verschillende bijdragen aan dat netwerk beschreven. Verder stelt MI haar expertise in verband met de handhaving van de milieuhygiënewetgeving ter beschikking van diverse Europese en mondiale organisaties. Ook die bijdragen worden toegelicht.
Internationale context IMPEL Situering Het netwerk van de Europese Unie voor de implementatie en handhaving van de milieuhygiënewetgeving (in het Engels: the European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law, of kortweg IMPEL) is een informeel netwerk van de lidstaten van de Europese Unie (27 landen), de kandidaat-lidstaten (Kroatië, Turkije en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië), Noorwegen en de Europese Commissie. Dat netwerk werd in 1992 opgericht in overeenstemming met het Vijfde Leefmilieuactieprogramma. Het is een informele organisatie waarbinnen afgevaardigden informatie kunnen delen, problemen kunnen bespreken en elkaar praktisch advies kunnen bieden. Op die manier kan belangrijke kennis worden opgedaan en kunnen de beste toepassingsmethoden op het gebied van inspectie, toezicht en handhaving worden uitgewisseld binnen de gehele Europese Unie. Het idee achter de oprichting van het IMPEL-netwerk is te waarborgen dat de relevante Europese richtlijnen systematisch worden uitgevoerd door de lidstaten, en dat hierop adequaat toezicht gehouden wordt. Zonder de juiste middelen om toezicht te houden op de toepassing van de Europese milieuwetgeving is de regelgeving immers zo goed als waardeloos. Alleen als de verschillende lidstaten zowel de motivatie als de middelen hebben om de regels die van toepassing zijn te handhaven, kunnen mensen erop vertrouwen dat het milieu waarin ze leven en werken voortdurend beschermd blijft.
De huidige structuur van IMPEL ziet er als volgt uit: - een plenaire vergadering als beslissingsorgaan, met een vertegenwoordiger per land, eventueel bijgestaand door twee tot drie medewerkers of collega’s; - meerdere ad-hocwerkgroepen en projectteams voor de praktische uitvoering van de goedgekeurde projecten, samengesteld uit vertegenwoordigers van de deelnemende lidstaten en de Europese Commissie, onder rechtstreekse supervisie van de plenaire vergadering; - een nationale coördinator per lidstaat die verantwoordelijk is voor de informatiedoorstroming tussen het netwerk en de lidstaat. Meer informatie over IMPEL vindt u op de volgende website: http://ec.europa.eu/environment/impel/.
Het Europees netwerk voor de implementatie en handhaving van milieuwetgeving werd in 1992 opgericht.
IMPEL werd intussen formeel erkend in het Zesde Leefmilieuactieprogramma én in de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten.
Internationale context • 135
IMPEL bereidt de herziening van de Europese aanbeveling betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties voor
Halfjaarlijkse plenaire vergaderingen In 2006 werden twee plenaire vergaderingen georganiseerd: de 27ste plenaire vergadering in Pörtschach (Oostenrijk) van 31 mei tot 2 juni en de 28ste plenaire vergadering in Espoo (Finland) van 6 tot 8 december. De plenaire vergaderingen vinden telkens plaats in de lidstaat die op dat ogenblik voorzitter is van de EU en ze worden voorgezeten door het gastland en de Europese Commissie. Plenaire vergadering in Pörtschach België was in Pörtschach vertegenwoordigd door de afgevaardigden van de drie gewesten. Alle lidstaten van de EU, de Europese Commissie, Noorwegen, Kroatië, Turkije en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (de laatste vier als waarnemer) waren aanwezig. Volgende definitieve rapporten werden goedgekeurd en zullen op de IMPEL-website gepubliceerd worden: - VOS-workshop in Oostenrijk; - Kwaliteitsindicatoren voor milieu-inspectiediensten; - Inspectan (handleiding bij de controle van leerlooierijen); - Beoordeling van mogelijke illegale toestanden bij grensoverschrijdend transport van afvalstoffen; - Seaport II (controles van grensoverschrijdend transport van afvalstoffen in havens); - Lessen leren uit ongevallen; - Verband tussen de GPBV-richtlijn en andere richtlijnen. Twee parallelle werkvergaderingen vonden plaats. De eerste handelde over ‘De toekomst van IMPEL’, met als conclusies dat
136 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
het IMPEL-actiegebied en de IMPEL-focus best ongewijzigd blijven en dat de legale/informele status van het netwerk moet behouden blijven, met een versterking van het secretariaat. De tweede werkvergadering handelde over ‘Minimumcriteria voor milieu-inspecties: herziening van de Europese Aanbeveling’. Als conclusie werd gesteld dat: - het werkgebied van de Aanbeveling strikter bepaald moet worden; - een aantal definities duidelijker moeten omschreven worden; - een aantal elementen moeten worden meegenomen bij de planning van inspecties (omgevingsrisico van de inrichting, historiek van het al dan niet naleven van de milieuregelgeving, houding van het management, houding van de buren, milieudoelstellingen, nodige flexibiliteit); - de rapportering strikter moet omschreven worden. Een tussentijds verslag van lopende projecten en een voorstel voor een aantal nieuwe projecten werden voorgesteld. Plenaire vergadering in Espoo België was in Espoo vertegenwoordigd door de afgevaardigden van de drie gewesten. Alle lidstaten van de EU, de Europese Commissie, Noorwegen, Kroatië, Turkije en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (de laatste vier als waarnemer) waren aanwezig. Meerdere afgewerkte rapporten werden goedgekeurd en er werd besloten om deze op de IMPEL-website te plaatsen. Een aantal tussentijdse verslagen van lopende projecten werden besproken.
De derde IMPEL-conferentie vond plaats in Riga en had als thema ‘IMPEL in progress for a better environment’
Na een grondige bespreking werden een aantal IMPEL-projecten voor 2007 voorgesteld en gerangschikt in functie van hun belangrijkheid. Een definitief ‘Werkprogramma 2007’ kon echter nog niet vastgelegd worden door de afwezigheid van een IMPEL-budget (omwille van de onzekerheid over de financiële bijdrage van de Europese Commissie). Het Meerjarenwerkprogramma 2007-2010 werd door het IMPEL-secretariaat voorgesteld. Na grondige bespreking werd het voorstel door de plenaire vergadering aanvaard. Het belangrijkste agendapunt betrof de toekomst van IMPEL. In dit kader werd een financiële oplossing gevonden voor het secretariaat in de vorm van een co-financiering door enkele lidstaten, samen met het ter beschikking stellen door Hongarije van een ambtenaar als IMPEL-secretaris. Tevens werd afgesproken om de mogelijkheid te onderzoeken om, in afwachting van de operationalisering van LIFE+, een overbruggingskrediet van de Commissie te ontvangen, ter financiering van de IMPEL-projecten in 2007. Ten slotte zal een ad hoc werkgroep onderzoeken of en hoe de legale status van IMPEL, onder de vorm van een internationale VZW naar Belgisch recht, kan gerealiseerd worden. Deze werkgroep zal ook een eerste voorstel van statuut opstellen. Dit voorstel werd besproken op de eerstvolgende plenaire vergadering in Berlijn.
IMPEL-conferentie Letland In de schoot van het IMPEL-netwerk ging in Riga (Letland) de derde IMPEL-conferentie door van 26 tot en met 29 september
2006. De vorige IMPEL-conferenties vonden plaats in 2000 in Villach (Oostenrijk) en in 2003 in Maastricht (Nederland). Deze derde conferentie kreeg volgend thema mee: ‘IMPEL in progress for a better environment’ en handelde over de implementatie van het milieubeleid en de milieuwetgeving binnen de diverse bevoegde overheden van de EU-lidstaten, de nieuwe EU-lidstaten, de kandidaat EU-lidstaten en Noorwegen. Het doel van deze conferentie was informatie uit te wisselen, van gedachten te wisselen en ervaringen te delen met de vele deelnemers van over gans Europa, om zo de kwaliteit van het dagdagelijkse vergunnings-, inspectie- en handhavingswerk te verbeteren. Om hieraan tegemoet te komen werden zowel plenaire als parallelle sessies en werkwinkels georganiseerd. De conferentie werd geopend en gesloten door de Letse minister van Leefmilieu. Tijdens het programma kwamen o.m. de volgende items aan bod: - IMPEL and new developments; - Workshop on enforcement strategies and approaches; - Workshop on contribution of the IMPEL Network to Better Legislation; - Workshop on Permitting; - Workshop on recently finished IMPEL reports and new fields of work; - Workshop on Networking; - Workshop on Inspection and Enforcement for the future; - Reports from the workshop.
Internationale context • 137
De moeilijkheid voor de toezichthoudend ambtenaar bestaat erin om tijdens een inspectie eenduidig te bepalen of een voertuig een ‘wrak’, dan wel ‘tweedehands’ is
In al deze sessies werd uitgebreid gediscussieerd over nieuwe ontwikkelingen, trends, ideeën, instrumenten, netwerken, capacity building, enz…, en de rol van IMPEL in deze, met als doel de vergunnings- en inspectieaanpak te verbeteren. Tijdens deze sessies werden nog geen IMPEL-standpunten ingenomen. In totaal namen meer dan 200 personen deel aan deze conferentie. Een vertegenwoordiger van MI gaf een presentatie over ‘The inspector’s view on better legislation’.
IMPEL-TFS TFS (Transfrontier Shipments of Waste) is de cluster van IMPEL die werkt rond grensoverschrijdende overbrengingen van afvalstoffen. IMPEL-TFS bestaat uit een informeel netwerk van handhavers (milieuadministraties, douane en politiediensten) van de Europese lidstaten, aangevuld met de toekomstige lidstaten én Noorwegen, Zwitserland en Hong Kong. Het TFS-netwerk stelt zich tot doel om de samenwerking voor een uniforme handhaving van de Europese Verordening 1013/2006 (opvolger van verordening 259/93), betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA), voortdurend te verbeteren. Het uitvoeren van gezamenlijke handhavingsprojecten en het stimuleren van de uitwisseling van kennis en ervaring met de handhaving van de EVOA-verordening dragen hiertoe bij. TFS werd samen met IMPEL opgericht in 1992. Haar informele karakter vervaagde de laatste jaren door het aanstellen van een stuurgroep (met Nederland, Duitsland, Ierland, Polen, VK en Malta), en door het opstellen van een meerjarenprogramma.
138 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Plenaire vergadering in Bonn De jaarlijkse TFS-conferentie liep van 10 tot 12 mei 2006 in Bonn. MI vertegenwoordigde hier het Vlaamse gewest. Deze plenaire vergadering is in de eerste plaats een forum waar handhavers uit verschillende landen elkaar kunnen ontmoeten en problemen bespreken die naar boven komen tijdens inspecties op internationale afvaltransporten. Het belangrijkste agendapunt in Bonn was de voorstelling en adoptie van het Multi Annual Programme (MAP). Het MAP 2006-2010 omvat o.a. het uitwerken van een standaardmethode voor risicoanalyses op afvalstromen, het opstellen van een communicatiestrategie voor TFS, de uitbreiding van de samenwerking van TFS naar andere regio’s (in het bijzonder Azië en Afrika), en het opstarten van een databank met interpretaties van afvalcodes. Tijdens de plenaire vergadering werden de resultaten van de aflopende gezamenlijke projecten voorgesteld: het Seaport II-project en het Destination Verification-project. De conferentie lanceerde ook twee nieuwe projecten: ‘TFS Enforcement Weeks’ en het ‘ELV’-project. MI neemt aan beide projecten deel. End-of-life Vehicles Project De uitvoer van Europese tweedehands-voertuigen naar Afrika of het Midden-Oosten is zeer omvangrijk: we spreken over honderdduizenden auto’s, busjes en vrachtwagens die jaarlijkse Europa verlaten met grote vrachtschepen. Een fractie van deze voertuigen zijn niet meer rijwaardig en worden dus als ‘wrak’ of ‘end-of-life vehicle (ELV)’ beschouwd. Deze voertuigen zijn afval geworden en vallen dus onder de exportban voor gevaarlijke afvalstoffen naar niet-OESO-landen. De moeilijkheid voor de toezichthoudend ambtenaar bestaat
Chileense en Vlaamse milieu-inspecteurs tijdens een van de bedrijfsbezoeken
erin om tijdens een inspectie eenduidig te bepalen of een voertuig ‘wrak’, dan wel ‘tweedehands’ is. Ierland is er de afgelopen jaren in geslaagd om een eenvoudige werkdefinitie uit te denken én met succes toe te passen tijdens havencontroles. Ierland trekt het TFS ELV-project, met als doel een gelijkaardige inspectiewijze in alle lidstaten te promoten. Aangezien Vlaanderen in Antwerpen, Kallo en Zeebrugge over een paar enorme autoterminals beschikt, werkt MI uiteraard ook mee aan dit project. MI nam deel aan de startvergadering op 18 en 19 september 2006 in Dublin. Ierland, België, Tsjechië, Zweden en Nederland spraken hier werkdefinities af voor de controle van tweedehandsvoertuigen en -onderdelen, en er werd een programma opgesteld voor Europese ELV-controles in 2007.
Andere MI geeft training aan Chileense collega’s MI gaf in 2006 uitvoering aan het werkprogramma 2005-2006, rubriek Leefmilieu, van het lopende samenwerkingsprogramma Chili-Vlaanderen. In juni ontving MI een delegatie van 14 Chileense milieu- en gezondheidsinspecteurs uit 13 verschillende regio’s in Chili. De Vlaamse toezichthoudende ambtenaren gaven hun Chileense collega’s gedurende 14 dagen een intensieve en praktijkgerichte opleiding inzake het ontwikkelen en implementeren van handhavingsstrategieën. Zoals in 2005 afgesproken tijdens een werkbezoek in Chili lag het accent van de opleiding voornamelijk op de aspecten planning, inspectie en technische vaststel-
lingen en minder op het aspect handhaving gelet op de grote bevoegdheidsverschillen tussen beide partijen. De opleiding startte met een inleidingsdag, tijdens dewelke de Chileense milieu-inspecteurs wegwijs werden gemaakt in de complexe staatsstructuur en de industrie in Vlaanderen. Zo verzorgde een vertegenwoordiger van VOKA een toelichting, over de Vlaamse en Belgische industrie, en verzorgde MI zelf een toelichting over haar structuur en werking. Een eerste praktische kennismaking met de industriële concentratie in Vlaanderen gebeurde aan de hand van een rondvaart in de Antwerpse haven, waarbij toelichting werd gegeven door o.m. een vertegenwoordiger van Fedichem. Het verdere programma bestond uit een mix van 13 verschillende bedrijfsbezoeken. Zo werden o.a. een slachthuis, een varkenskweker, een verwerker van dierlijk afval, een chemiebedrijf, een waterzuiveringsinstallatie, een cokes- en staalfabriek, een shredderbedrijf, een stortplaats, een champignonkweker en een papierfabriek bezocht. Telkens bestond een bedrijfsbezoek uit 3 pijlers. In eerste instantie kreeg het betrokken bedrijf de mogelijkheid om hun productieproces, de eigen milieuproblematiek en hun aanpak hiervan voor te stellen. Vervolgens gaf de betrokken dossierhouder van MI een toelichting over hoe de specifieke milieuproblematiek bij het betrokken bedrijf werd vastgesteld en gehandhaafd. Tenslotte werd het bedrijfsbezoek afgesloten met een rondgang door het bedrijf om in de praktijk vast te stellen wat eerst theoretisch was besproken. Het merendeel van de bedrijven werd bezocht in het kader van de geurhinder-problematiek, aangezien de Chileense inspec-
Internationale context • 139
teurs, tijdens het werkbezoek aan Chili, aangegeven hadden dat dit één van de grootste problemen is in hun land. Daarnaast werden ook bedrijven bezocht in het kader van andere milieu-aspecten: afvalwater, afval, grondwater, luchtverontreiniging, veiligheidsaspecten, … . Het bezoek aan een papierfabriek in het Waalse Gewest werd in samenwerking met de DPE georganiseerd.
Belgische delegatie (zo’n 30 deelnemers) aanwezig.
De Chileense delegatie bracht ook een bezoek aan VITO voor een toelichting over de rol van VITO als referentielaboratorium en als BBT-kenniscentrum. Er werd daarbij een bezoek gebracht aan het milieulaboratorium, het laboratorium voor geurmetingen en de proefinstallaties voor waterzuivering van Prodem. Er was tevens een illustratie van de monstername van afvalolie.
MI presenteerde de resultaten van een onderzoek dat werd uitgevoerd naar de lozing van broomhoudende brandvertragers (voornamelijk PBDE en HBCD) en het daaraan gerelateerde antimoon via het bedrijfsafvalwater van geselecteerde bedrijven. De selectie van de bedrijven, de analysemethode van de betrokken componenten en de analyseresultaten werden toegelicht. Ook de eerste resultaten van de administratiefrechtelijk en strafrechtelijke afhandeling van de vaststellingen werden gepresenteerd. Tot slot werd ook aangegeven hoe MI dit onderzoek zal voortzetten, daarbij ook rekening houdend met de resultaten van een bevraging die MI in 2005 liet uitvoeren bij meer dan 500 Vlaamse bedrijven.
Tevens kregen de Chileense milieu-inspecteurs een toelichting door VMM over hun meetnetten van de Vlaamse water- en luchtkwaliteit en over hun labo-activiteiten inzake water. Er werd ook tijd gemaakt voor een rondgang door de laboratoria waar een monstername van water werd geïllustreerd. Op de laatste dag werd tijd vrijgemaakt voor een grondige evaluatie van de veertiendaagse training waaruit bleek dat de Chileense inspecteurs bijzonder opgezet en tevreden waren over de ontvangst en de aanpak van de training. Tevens kregen ze, op hun vraag, nog een toelichting over de milieuvergunningsprocedure en de MER- en VR-plicht.
Dioxin 2006 In augustus 2006 nam MI deel aan het 26ste ‘International Symposium on Halogenated Persistent Organic Pollutants’, kortweg DIOXIN 2006. (http://www.dioxin2006.org). Plaats van het gebeuren was Oslo, Noorwegen.
Dit jaarlijkse congres is wereldwijd het belangrijkste forum voor de wetenschappelijke en technologische wereld om de laatste bevindingen rond persistente gehalogeneerde organische verbindingen (met als bekendste voorbeelden dioxinen en furanen, PCB’s en broom- en fluorhoudende organische stoffen) voor te stellen. Alle mogelijke aspecten, zoals de vorming, verspreiding in het milieu, toxicologie, epidemiologie, bemonsterings- en analysemethodes, emissievoorkoming en- beperking en remediëring kwamen tijdens dit congres aan bod via lezingen en postervoorstellingen. In de marge van het congres liep er ook een tentoonstelling van meetapparatuur en technologie. Het symposium werd bijgewoond door een 850 deelnemers uit wetenschappelijke, commerciële, technologische en overheidsmiddens uit tientallen verschillende landen, vooral uit de VS en Japan (beide 15% van de deelnemers), maar ook uit Canada, Europa en andere landen in Azië. Er was een opvallend grote
140 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
MI diende voor de deelname aan dit symposium een paper in, met als titel ‘Reducing the levels of brominated flame retardants in emissions of industrial waste water: the enforcement approach’ en werd gevraagd om dit via een mondelinge presentatie tijdens het symposium voor te stellen.
Deze problematiek is van internationaal belang. Dit wordt ondermeer geïllustreerd door het feit dat liefst vijf aparte sessies van het congres aan broomhoudende verbindingen besteed werden. Op het vlak van de lozing van deze verbindingen in het milieu zijn er echter nog maar weinig meetresultaten beschikbaar, wat de bijdrage van MI bijzonder relevant maakte. Daarnaast kunnen volgende aandachtspunten van het symposium vermeld worden: - een algemene tendens is het dalen van concentraties in mens en milieu van dioxinen en PCB’s en het stijgen van concentraties aan ‘nieuwe POP’s’ zoals broomhoudende brandvertragers en perfluorverbindingen; - Europa lijkt al verder te staan dan de rest van de wereld (zeker de VS) in het beperken van het gebruik van bepaalde broomhoudende brandvertragers (bv. penta-BDE); - er is zeer veel aandacht voor de bepaling, verspreiding, gezondheidseffecten en milieumetingen van gebromeerde brandvertragers; - er zijn maar weinig presentaties waarin vernieuwende emissiebeperkende technieken aan bod komen; - diverse presentaties gaan over de blootstelling aan allerhande POP’s (zowel over de mens als over dieren en planten, (zee)water, lucht, …) en de vastgestelde effecten van deze stoffen op allerhande organismen; - er is heel wat aandacht voor het uitvoeren van reproduceerbare analyses.
EEP-GMO Het Europees Handhavingsproject over GGO’s (Engels: European Enforment Project on GMOs, kortweg EEP) is een Europees netwerk voor de uitwisseling van ervaringen en informatie omtrent de implementatie en handhaving van de (milieu)regelgeving in verband met het gebruik van genetisch gemodificeerde organismen. Geregeld worden conferenties georganiseerd door de deelnemende landen.
van een performant blussysteem en het testen van de volledige luchtdichtheid van de lokalen.
Deelnemers aan het handhavingsproject EEP-GMO
In mei 2006 nam MI voor het eerst deel aan de EEP-conferentie, die plaatsvond in Retz, Oostenrijk. De organisatie lag in handen van het stuurcomité van de EEP en het Oostenrijkse ministerie voor Gezondheid en Vrouwen. De conferentie had als doelstelling toezichthoudende ambtenaren en vergunningverleners uit verschillende lidstaten bij elkaar te brengen om informatie uit te wisselen en te debatteren over de handhaving van de Europese richtlijnen 98/81/EG, over het ingeperkt gebruik van GGO’s, en 2001/18/EG, over de vrijwillige vrijstelling van GGO’s in het milieu. Tijdens plenaire discussies en in werkgroepen werden presentaties en besprekingen gehouden over praktische informatie over algemene procedures, gebruik van checklijsten voor inspecties, methodes voor monstername en richtlijnen voor het bijhouden van registers en logboeken. Daarbij kwamen heel wat ervaringen van toezichthoudende ambtenaren aan bod. Er waren meer dan 50 deelnemers, die afkomstig waren uit 23 landen. Een groot gedeelte van de deelnemers kwamen uit recent tot de Europese Unie toegetreden landen of uit landen die binnenkort tot de EU zullen toetreden en namen voor de eerste maal deel aan deze conferentie
Met ‘clinical trials’ wordt zowel het testen van ‘gene therapy’ als het testen van genetisch gemodificeerde vaccins op levende organismen bedoeld. In deze toelichting ging het enkel over ‘clinical trials’ bij mensen. In Europa worden het grootst aantal ‘clinical trials’ op mensen uitgevoerd in het Verenigd Koninkrijk. De Engelse delegatie gaf dan ook een toelichting over haar ervaringen met het inspecteren van dergelijke onderzoeken, met aandacht voor de verschillende verspreidingsroutes van het gemodificeerde genetische materiaal (via het product, via het subject, via het afval). Tijdens de discussie bleek dat niet alle landende Europese reglementering bij de beoordeling van deze ‘clinical trials’ even rigoureus toepassen. Sommige landen beschouwen dit als een doelbewuste introductie in het milieu terwijl andere landen dit als een ingeperkt gebruik beschouwen. In Vlaanderen worden deze onderzoeken, zoals in het Verenigd Koninkrijk, als ingeperkt gebruik gecatalogeerd. Bijkomende moeilijkheid is dat het risiconiveau van verschillende virale vectoren anders wordt ingeschat in de verschillende landen. Zo past Duitsland de reglementering strikter toe dan het Verenigd Koninkrijk en Vlaanderen. Tenslotte waren er nog toelichtingen door de Zweedse delegatie over het correct gebruik van bioveiligheidskabinetten en hoe deze door de inspectiediensten gecontroleerd kunnen worden, en door de Oostenrijkse delegatie over de controle van een tot laboratorium omgebouwde wagen waarin genetisch gemodificeerde planten werden getest.
Geurconferentie Van 9 tot en met 12 april nam MI deel aan de internationale conferentie ‘WEF/A&WMA Odors and Air Emissions 2006’, die plaatsvond in het Connecticut Convention Center in Hartford (Connecticut), Verenigde Staten. De organisatie lag in handen van de Water Environment Federation (WEF) en de Air & Waste Management Association (A&WMA) en dit in samenwerking met de New England Water Environment Association (NEWEA).
Hier volgt een overzicht van de meest relevante onderwerpen. Tijdens hun presentatie lichtten de Nederlandse en Engelse delegaties toe over welke procedures ze beschikken indien tijdens een inspectie een inbreuk wordt vastgesteld tegen de veiligheidsrichtlijnen. Er volgde een discussie over de rol en rechten welke de verschillende inspectiediensten werden toegewezen in de wetgeving om inbreuken aan te pakken en welke inbreuken aanleiding kunnen geven tot gerechtelijke stappen.
Het congres focuste op recente ontwikkelingen op het vlak van methodes voor het bemonsteren en meten van geuremissies, geurbestrijdingstechnieken, geurbeleid en geurhandhavingsbeleid, instrumenten voor het bepalen van de geurimpact en ontwikkelingen in geurmanagement voor specifieke industriesectoren. Het symposium werd bijgewoond door een 270-tal deelnemers uit wetenschappelijke, commerciële, technologische en overheidsmiddens uit de Verenigde Staten, Canada, diverse Europese landen, Australië, Chili, China en Hong Kong.
In Europa komt een laboratorium met een inperkingsniveau 4 (BSL4 = hoogste en strengste inperkingsniveau) niet vaak voor. In Vlaanderen bestaat er momenteel geen enkel niveau 4laboratorium, maar in het Duitse Hamburg wordt momenteel de bouw van twee dergelijke laboratoria voorbereid. Tijdens de presentatie werd de nadruk gelegd op twee technische vereisten bij de constructie van BSL 4, namelijk de installatie
MI diende voor deelname aan deze conferentie een ‘abstract’ in, getiteld ‘Solving odour problems with the support of the neighbourhood’ en werd gevraagd om een artikel te schrijven voor de Proceedings van de Conferentie en om een mondelinge presentatie tijdens de conferentie te geven.
Internationale context • 141
Jaarlijks organiseert CLEEN inspectiecampagnes i.v.m. de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen en het gebruik van chemicaliën
MI lichtte tijdens haar presentatie toe hoe ze samen met de omwonenden geurproblemen aanpakt. Ze legde uit dat het in industriezones met meerdere geurveroorzakende bedrijven soms moeilijk is om te oordelen welk bedrijf de bron is van de geurhinder waarover er klachten zijn. Ze wees ook op het feit dat er in de Vlaamse milieuwetgeving geen normen voor de aanvaardbaarheid van geurhinder zijn opgenomen waardoor het beoordelen van de impact van geur moeilijk is. Ze toonde aan de hand van een gevalstudie aan dat door buurtbewoners in te schakelen er heel veel waarnemingen verzameld kunnen worden zodat een meer objectief oordeel over de geurbron mogelijk wordt. Ze legde verder uit hoe uit de waarnemingen van de buurtbewoners geurnormen kunnen afgeleid worden die aangepast zijn aan de situatie ter plaatse. Ze besloot dat door het inschakelen van buurtbewoners het dus niet alleen mogelijk was om de geurhinder aan de juiste bron (bedrijf) toe te wijzen maar ook om de aanvaardbaarheid van de geurhinder te beoordelen, twee essentiële stappen voorafgaand aan de eigenlijke handhavingsaanpak van het geurprobleem.
CLEEN - REACH Het Chemical Legislation European Enforcement Network, kortweg CLEEN genoemd, is een groep Europese ambtenaren die alle in hun lidstaat betrokken zijn bij het toezicht op en de handhaving van communautaire wetgeving op chemische stoffen. Jaarlijks kan CLEEN één of meerdere inspectiecampagnes organiseren die zich kunnen toespitsen op de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen en het gebruik van chemicaliën. Deelname aan deze campagnes gebeurt op vrijwillige basis, net als de uitwisseling van informatie. Eén van de streefdoelen van het netwerk is door de inspecties te komen tot een geharmoniseerde handhaving doorheen de Europese Unie met gelijke concurrentievoorwaarden voor alle rechtsonderhorigen. Uit de veldervaringen worden aanbevelingen opgesteld die teruggekoppeld worden naar de Europese Commissie.
142 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
MI levert het CLEEN-focal point voor België. Dit focal point moet de CLEEN-gerelateerde activiteiten in onze lidstaat coördineren en terugkoppelen naar het netwerk. Een bijkomend voordeel van dit netwerk is dat in een lidstaat vastgestelde niet-conformiteiten met de Europese chemische wetgeving soepel doorgespeeld worden naar andere lidstaten die snel kunnen optreden op hun grondgebied. Omdat de CLEEN participanten geacht worden praktische ervaring te hebben met het toezicht op de naleving van de Europese wetgeving op chemicaliën, en omdat een nieuwe verordening inzake de registratie, de beoordeling, de autorisatie en de beperkingen ten aanzien van chemische stoffen op handen was, zijn in juni 2006 de eerste gesprekken gestart tussen de Europese Commissie en CLEEN over de implementatiemogelijkheden van dit lang bediscussieerde wetsontwerp. Verordening 1907/2006 (REACH) werd op 30 december 2006 gepubliceerd. Uiterlijk op 1 december 2008 zal België de strafbepalingen moeten meedelen aan de Europese Commissie die België heeft ingesteld op de niet-naleving van de REACHvoorschriften. MI volgt de voorbereiding van de implementatie in België op.
MJV In maart 2006 vond in Liverpool, Verenigd Koninkrijk, het uitwisselingsprogramma ‘Mutual Joint Visit on Inspections under the Seveso II directive’ plaats. Een MJV is een uitwisselingsprogramma voor Seveso-inspecteurs, onder auspiciën van de Europese Commissie, en heeft de uitwisseling en documentering van ervaringen en goede (inspectie)praktijken als belangrijkste doelstellingen. Tijdens de MJV’s krijgen de Seveso-inspecteurs de kans (inspectie)ervaringen uit te wisselen over de praktische implementatie van de Seveso II-richtlijn. De MJV in Liverpool werd georganiseerd door de ‘Health and Safety Executive’. Deze instantie is in het Verenigd Koninkrijk belast met de implementatie en uitvoering van de Seveso II-
Recente ongevallen in raffinaderijen hebben de mogelijke catastrofale gevolgen van ongevallen in deze installaties nog duidelijk gemaakt
richtlijn. Deze specifieke workshop handelde over het toezicht op olieraffinaderijen. Ook verschillende kandidaat-lidstaten, Zwitserland en zelfs de VS waren vertegenwoordigd. Olieraffinaderijen worden uitgebaat in de meeste Europese Lidstaten. De exploitatie van dergelijke installaties gaat gepaard met een risico op ongevallen met mogelijk verstrekkende gevolgen voor de mens en het leefmilieu. Recente ongevallen in raffinaderijen hebben de mogelijke catastrofale gevolgen van ongevallen in deze installaties nog duidelijk gemaakt (Repsol-Spanje 2003, Conoco-VK 2001, Karlsruhe-Duitsland 2004, BP-Texas, VS). De workshop was opgedeeld in vier thema’s. Elk van deze thema’s werd ingeleid door een aantal presentaties door vertegenwoordigers van deelnemende landen. Vervolgens gingen kleinere discussiegroepen dieper in op het thema, en konden de deelnemers hun standpunten, inspectiestrategieën, wetgeving, … toelichten. De vier thema’s die aan bod kwamen, waren: ‘Learning from Accidents’, ‘Assuring Integrity Management’, ‘Inspection Strategies’ en ‘Human Reliability’. De bijdrage van MI was een presentatie van een gevalstudie over een raffinaderij, waar bij een controle in het kader van het Samenwerkingsakkoord preventie zware ongevallen ernstige tekortkomingen in het veiligheidsbeheersysteem van het bedrijf aan het licht waren gekomen. Dit leidde tot een verzoek tot schorsing van de vergunningen van het bedrijf ingediend bij de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen. U kon over dit dossier al lezen in het Milieuhandhavingsrapport 2005. In de presentatie werd geschetst op welke wijze deze ingrijpende beslissing, die verstrekkende gevolgen had voor de raffinaderij, tot stand is gekomen en op welke wijze het bedrijf erop heeft gereageerd. Deze presentatie kaderde in het thema ‘Human Reliability’. Belangrijkste conclusies van de workshop waren dat de lessen die uit zware ongevallen worden getrokken belangrijker zijn dan de rapporten over die ongevallen en dat niet alleen zware
ongevallen, maar ook bijna-ongevallen en opvallende interventiestrategieën een belangrijke informatiebron vormen voor de preventie van zware ongevallen. Een ander aandachtspunt was dat verouderde installaties een steeds groter wordend probleem vormen voor de veiligheid. MI nam ook deel aan de Mutual Joint Visit die in november 2006 in Den Haag plaatsvond. Tijdens deze bijeenkomst was het de bedoeling om de ‘Tafel van 11’ voor te stellen. Dat is een instrument om de handhaafbaarheid van regelgeving te evalueren dat het Nederlandse ministerie van Justitie ontwikkelde. De ‘Tafel van 11’ is een model voor gedragsanalyse waarmee de wetgever, de beleidsmaker en de handhaver zich een beeld kunnen vormen van de nalevings- en overtredingsmotieven van een bepaalde regel door een bepaalde doelgroep. Het model wordt onder meer gebruikt voor de beoordeling van de naleving van een regel en voor de ontwikkeling van een handhavingsbeleid in Nederland. Kleinere groepen bespraken met behulp van het model een aantal verplichtingen van de Seveso II-richtlijn. De toepassing van het instrument op de specifieke Sevesoregels leidde tot het besluit dat de meer ‘technische’ regels uit de Sevesorichtlijn ook eenvoudiger te formuleren zijn zodat het ook gemakkelijker is om ze na te leven en te handhaven. Vaak zijn deze ‘technische’ regels ook meer in lijn met de technische of chemische achtergrond van de inspecteurs. De aanwezigen beschouwden de ‘Tafel van 11’ als goed een instrument omdat het systeem waarop het gebaseerd is, ook algemeen aanvaard kon worden. Uit de discussies bleek dat er meer aandacht moet worden besteed aan de handhaafbaarheid bij het ontwikkelen van regelgeving. Verder stelden de aanwezigen vast dat er grote verschillen in opleiding van de inspecteurs zijn tussen de verschillende lidstaten. Er is een duidelijke nood aan gemeenschappelijke EU-vereisten voor die opleiding.
Internationale context • 143
Bijlagen Contactpersonen binnen MI Inhoudelijke ondersteuning Stafdienst en Hoofdbestuur
Zwarerisicobedrijven
buitendienst Antwerpen
buitendienst Limburg
buitendienst Oost-Vlaanderen
buitendienst Vlaams-Brabant
buitendienst West-Vlaanderen
Inge Delvaux
Linda Van Geystelen
Freddy Noels
Paul Van Gijseghem
Marc Vanthienen
Roland Loontiens
Hans Delcourt Bart Palmans
Michael Allison
Peter Brien
Gert Govaerts
Robert Dupont
Marc Sevenant
An Van Steenbergen
Tom Nuyts
Steven Overmeire
Patrick Bergen
Jeannine Tassyns
Werkgroep Bodem en Grondwater
Greta De Maesschalck
Hendrik Meulemans
Sybille Vanderhenst
Frank Verslype
Tina Poels
Karel Debeuf
Werkgroep Geluid en Trillingen
Louis Daens
Ludo Segers
Tom Maes
Frans Van der Cruyssen
Koen Mandonx
Henri Trypsteen
Werkgroep GGO’s
Geert Keppens
An Swinnen
Marian Lagrou
Tina Poels
Karel Debeuf
Werkgroep Lucht, Licht en Geur
Martine Blondeel
Jos Moeskops
Peter Schoups
Peter Wesemael
Liesbet Rommens
Geert Van Landschoot
Werkgroep Water
Peter Schryvers
Ann Van Deun
Jos Tits
Wilfried Van Vaerenbergh
Dirk Crivits
Robrecht Pillen
GPBV-kernteam
Martine Blondeel Paul Cuypers Hans Delcourt Greta De Maesschalck Geert Keppens Peter Schryvers
Inge Delvaux Marc Van Kerckvoorde
Lief Mannaerts
Johan Ballings
Frank Verslype
Jef Feyaerts
Wim Delaere
Stafdienst en Hoofdbestuur
Zwarerisicobedrijven
buitendienst Antwerpen
buitendienst Limburg
buitendienst Oost-Vlaanderen
buitendienst Vlaams-Brabant
buitendienst West-Vlaanderen
Informatica
Koen Mandonx Martine Blondeel Peter Schryvers
Wilfried Van den Acker
Jan Valckx
Jos Tits
Luc Verhaeven
Koen Mandonx
Peter De Neve
Materiaal
Chris Van Baelen Tanja Verschaeren
Ilse Colman
Guido Gerits
Dony Vandormael
Theo Strobbe
Johan Corveleyn
Milieuhandhavingsrapport
Peter Schryvers
Wim Vermetten
Tom Maes
Pieter Van Cauwenberge
Marc Vanthienen
Georges Van de Walle
Diensthoofd Werkgroep Afval Ketenteam Afval
Organisatorische ondersteuning
Leentje Timmerman
Bijlagen • 145
146 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Bijlagen • 147
Contactpersonen samenwerking, overleg en regelgevende initiatieven Samenwerking met anderen, overlegstructuren en regelgevende initiatieven
Contactpersonen
Aanpassen van de sectorale regelgeving in het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid
Inge Delvaux Peter Schryvers
Aanpassen van sectorale lozingsnormen en actualiseren van prestatiekenmerken van referentiemeetmethodes
Peter Schryvers Roland Loontiens
Actiegroep ‘Hot spots fijn stof’
Martine Blondeel
Afstemming van monitorings- en handhavingsprogramma’s: MI – OVAM – VLM - VMM
Peter Schryvers Hans Delcourt Martine Blondeel
BBT/EMIS – stuurgroep
Martine Blondeel
Commissie Dierlijk Afval
Paul Van Gijseghem
Commissie Vervolgingsbeleid voor Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening
Robert Baert
Crisismanagement
Inge Delvaux
Handhaving Verordening (EG) 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap
Bart Palmans Hans Delcourt
Handhaving Verordening (EG) 2037/2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen
Paul Cuypers
Icolev (Interne Communicatie Leefmilieu)
Chris Van Baelen
Implementatie Verordening (EG) 1774/2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten
Hans Delcourt
Milieuboot
Chris Van Baelen
Milieuhandhavingsdecreet
Robert Baert Inge Delvaux Peter Schryvers
MINA-plan 3 thema 1 ‘Verdunning van de ozonlaag’: inspectieprogramma
Paul Cuypers
NEC-reductieprogramma (afdeling LHMRG)
Martine Blondeel
Overeenkomst dierlijke bijproducten
Hans Delcourt Paul Van Gijseghem
Overleg afvaltransportcontroles met politie, FLI, DPE en BIM
Bart Palmans Hans Delcourt
Overleg beleid lichthinder
Martine Blondeel
Overleg Cross-compliance tussen ABKL en leefmilieuadministraties
Greta De Maesschalck
Overleg geurbeleid
Martine Blondeel
Overleg met VMM over depositie- en immissiemetingen
Martine Blondeel
Permanente Projectgroep Uitgegraven Bodem
Ingrid Roels
Reductieprogramma voor de lozing van gevaarlijke stoffen
Peter Schryvers
Samenwerking met afdeling Milieuvergunningen voor de erkenning van deskundigen in de discipline geluid en trillingen
Louis Daens
Samenwerking met het FANC
Linda Van Geystelen
Samenwerking met het Voedselagentschap en OVAM
Hans Delcourt Bart Palmans
Samenwerkingscommissie Seveso-Helsinki
Inge Delvaux
Stuurgroep Referentietaken VITO
Peter Schryvers Martine Blondeel
Stuurgroep Reguleringskosten milieubeleidsinstrumenten
Chris Van Baelen
Stuurgroep Vogelgriep
Hans Delcourt
Taskforce Cadmiumplan
Martine Blondeel
Taskforce Tuinbouw nitraatproblematiek
Peter Schryvers
Technisch Overleg Milieuregelgeving (TOM)
Paul Van Gijseghem
VITO-werkgroepen i.v.m. analyse van organische en anorganische parameters in water
Peter Schryvers
Wetgevend proces gefluoreerde broeikasgassen (EU-verordening en EU-richtlijn)
Paul Cuypers
Werkgroep valorisatie van zuiveringsslib in de landbouw
Hans Delcourt
148 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Gebruikte afkortingen Instanties A&WMA ABKL ACOD ALBON ALV Aminal AMV ANRE APSG BIM CGCCR DPE EG EU FANC FAVV FLI FOD IMPEL IRCEL LNE MI NEWEA OESO OVAM OWD TOM TOVO VITO VLM VMM VOKA VROM VVP VVSG WASO WEF WHO WIV
Air & Waste Management Association administratie Beheer en Kwaliteit Landbouwproduktie (van het agentschap ALV) algemene Centrale der Openbare Diensten de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen (van het departement LNE) agentschap voor Landbouw en Visserij (opgeheven) administratie Milieu-, Natuur-, Land en Waterbeheer afdeling Milieuvergunningen (van het departement LNE) (opgeheven) afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie (nu deels vervat in ALBON) (opgeheven) afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg (nu vervat in TOVO) Brussels Instituut voor Milieubeheer Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering Division de la Police de l’Environnement (Wallonië) Europese Gemeenschap Europese Unie Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Federale Leefmilieu-inspectie Federale Overheidsdienst Implementation and Enforcement of Environmental Law Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu departement Leefmilieu, Natuur en Energie afdeling Milieu-inspectie New England Water Environment Association Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Office Wallon des Déchets (Wallonië) Technisch Overleg Milieuregelgeving afdeling Toezicht Volksgezondheid (van het agentschap Zorg en Gezondheid) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieumaatschappij Vlaams Netwerk van Ondernemingen (Nederlands) ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Vereniging van Vlaamse Provincies Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Water Environment Federation World Health Organization Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid
(Milieu)technische termen ARAB BAO BBB BBT BREF BS CDA CLEEN DIN EEP ELV EMAS EURAL EVOA FID GGO GPBV GRM ICT IE
Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming beperkt akoestisch onderzoek Beter Bestuurlijk Beleid (de reorganisatie van de Vlaamse administratie) beste beschikbare technieken (Engels: BAT) best available techniques reference document Belgisch Staatsblad Commissie Dierlijk Afval Chemical Legislation European Enforcement Network Deutsches Institut für Normung European Enforcement Project end-of-life vehicle ecomanagement and audit scheme Europese afvalstoffenlijst Europerse Verordening inzake Overbrenging van Afvalstoffen flame ionization detector genetisch gemodificeerd organisme (Engels: GMO) Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging (Engels: IPPC) gespecificeerd risicomateriaal informatie- en communicatietechnologie inwonerequivalent
Bijlagen • 149
MAP MER MES MINA-plan 3 MIP MJV MKN NEC-richtlijn NeR OG OOG PLDA PLOEG PWZI REACH RG RMA RW RWZI SG SGN TA-luft TEM TEQ TFS VAO Vlarea Vlarebo Vlarem I Vlarem II VR VTE
Mest Actieplan milieueffectrapport Metatechnisch Evaluatiesysteem Milieubeleidsplan 2003-2007 Milieu-inspectieprogramma Mutual Joint Visit milieukwaliteitsnorm National Emission Ceilings richtlijn (Richtlijn 2001/81/EG) Nederlandse emissierichtlijn lucht omgevingsgeluid oorspronkelijk omgevingsgeluid Paperless Douane en Accijnzen Interne prestatiemanagementcyclus van Plannen, Leiding geven, Opvolgen, Evalueren en Gewaardeerd worden van de Vlaamse Overheid private waterzuiveringsinstallatie Registration, Evaluation and Authorization of Chemicals residueel geluid risicohoudend medisch afval relevante waarde rioolwaterzuiveringsinstallatie specifiek geluid normen voor specifiek geluid Technische Anleitung zur Reinhaltung der Luft transmissie-elektronen-microscopie toxische equivalenten Transfrontier Shipments of Waste volledig akoestisch onderzoek besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (dd. 1 juni 1998) besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering (dd. 5 maart 1996) besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (dd. 6 februari 1991) besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (dd. 1 juni 1995) veiligheidsrapport voltijds equivalent
Stoffen en parameters AOX BZV CFK CZV DNA HBCD MAK PAK PBDE PCB PCDD PCDF penta-BDE PFOA PFOS PFT pH PM10 POP TBBA VOS
adsorbeerbare organohalogenen biologische zuurstofvraag (Engels: BOD) chloorfluorkoolstofverbinding chemische zuurstofvraag (Engels: COD) desoxyribonucleïnezuur hexabroomcyclodecaan monocyclische aromatische koolwaterstoffen polycyclische aromatische koolwaterstoffen polybroomdifenylethers polychloorbifenyl(en) polychloor-dibenzo-paradioxinen (kortweg dioxinen) polychloor-dibenzo-furanen (kortweg furanen) pentabroomdifenylether perfluoroctaanzuur perfluoroctaansulfonaat perfluortensiden zuurtegraad stofdeeltjes met een aërodynamische diameter kleiner dan 10 µm (fijn stof) persistente organische polluenten tetrabroombisfenol A vluchtige organische stoffen
150 • Milieuhandhavingsrapport 2006 van de afdeling Milieu-inspectie
Adressen Afdelingshoofd Dr. Sc. Robert Baert, inspecteur-generaal Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 83 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie@lne.vlaanderen.be Hoofdbestuur diensthoofd: NN. Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 83 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie@lne.vlaanderen.be Toezicht Zwarerisicobedrijven diensthoofd: Dr. Sc. Inge Delvaux Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 89 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie@lne.vlaanderen.be Buitendienst Antwerpen diensthoofd: Lic. Linda Van Geystelen nieuw adres sinds 14 mei 2007 Lange Kievitstraat 111-113 bus 62 2018 Antwerpen Tel.: 03-224 64 25 Fax: 03-224 64 28 e-mail: milieu-inspectie.ant@lne.vlaanderen.be Buitendienst Limburg diensthoofd: ir. Freddy Noels Koningin Astridlaan 50 bus 5 3500 Hasselt Tel.: 011-74 26 00 Fax: 011-74 26 29 e-mail: milieu-inspectie.lim@lne.vlaanderen.be Buitendienst Oost-Vlaanderen diensthoofd: ir. Paul Van Gijseghem Apostelhuizen 26k 9000 Gent Tel.: 09-235 58 50 Fax: 09-235 58 79 e-mail: milieu-inspectie.ovl@lne.vlaanderen.be Buitendienst Vlaams-Brabant diensthoofd: Ing. Marc Vanthienen Waaistraat 1 bus 2 3000 Leuven Tel.: 016-21 11 50 Fax: 016-21 11 51 e-mail: milieu-inspectie.vbr@lin.vlaanderen.be Buitendienst West-Vlaanderen diensthoofd: ir. Roland Loontiens Koningin Astridlaan 29 bus 4 8200 Brugge Tel.: 050-40 42 11 Fax: 050-39 15 12
Bijlagen • 151
Uitgave Vlaamse Overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-inspectie Verantwoordelijke uitgever Dr. Sc. Robert Baert Inspecteur-generaal Afdelingshoofd Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 BRUSSEL Eindredactie ir. Peter Schryvers Depotnummer D/2007/3241/305 Opmaak & Druk Vlaamse Overheid: BZ - Facilitair Management - Digitale Drukkerij
Dit rapport is ook beschikbaar op www.milieu-inspectie.be. Š Vlaamse Overheid