Skip to main content

Vlaanderen_gepeild_2001_4_verklaringen_voor_etnocentrisme.pdf

Page 1

Etnocentrisme

99

Verklaringen voor etnocentrisme De rol van sociaal kapitaal, sociaal-economische onzekerheid, sociale integratie en gevoelens van discriminatie. Een verkenning.

Dirk Jacobs, Koen Abts, Karen Phalet en Marc Swyngedouw, Instituut voor Politieke Sociologie en Methodologie Katholieke Universiteit Brussel

1. Inleiding In de studie ‘minderheden in Brussel’ (Swyngedouw, Phalet & Deschouwer, 1999) ontwikkelden Phalet en Swyngedouw een interactief en dynamisch model om de integratie en participatie van Turkse en Marokkaanse minderheden in Brussel te bestuderen. Het interactief, dynamisch en comparatief onderzoeksmodel dat zij voorstaan sluit aan bij een meerdimensionale voorstelling van volwaardig burgerschap en schetst een beeld van de sociale, culturele en politieke dimensies van maatschappelijke integratie en participatie van allochtonen. Dit model is uitgetekend voor etnische minderheden en is gebaseerd op de verschillende gangbare deeltheorieën in het domein van de minderheidsstudies. Het ligt in onze bedoeling deze theorie uit te breiden naar de dynamiek die leden van de meerderheidsgroep (met name Vlamingen) kenmerkt met betrekking tot zijn attituden ten aanzien van etnische minderheden (met name etnocentrisme) en deze te koppelen aan het meerdimensionale karakter van het begrip burgerschap. Het vertrekpunt vormt daarbij de stelling dat de mate van integratie en participatie in de samenleving voor de Vlaming van invloed zal zijn op de houdingen die de Vlaming ontwikkelt ten aanzien van etnische minderheden (etnocentrisme). Anders gesteld: in de plaats van het te hebben over de mate van integratie van allochtonen in de samenleving, kijken we nu naar de mate van integratie van autochtonen in de samenleving. We stellen als hypothetisch vertrekpunt dat de houding van autochtonen tegenover allochtonen afhangt van de mate van integratie en participatie van autochtonen in de samenleving. Het cultureel kapitaal (Bourdieu) dat de Vlaming al dan niet bezit en zijn sociaaleconomische positie, wordt bepalend geacht voor zijn integratie en participatie. Integratie en participatie vormen met andere woorden een interveniërende variabele tussen cultureel kapitaal en sociaal economische kapitaal aan de ene kant en etnocentrisme of de houding tegenover etnische minderheden aan de andere kant. In dit stuk willen we, aan de hand van inzichten uit de (internationale) sociaal-wetenschappelijke literatuur, de houdbaarheid van deze redenering theoretisch verder onderzoeken. Het verklaringsmodel voor etnocentrisme dat uit deze exercitie voortvloeit – dat overigens kan afwijken van bovengenoemde hypothese –


100

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

willen we bij wijze van verkenning ook gedeeltelijk toetsen aan de hand van nieuw empirisch materiaal dat verzameld werd in Antwerpen (Abts, 2000). We proberen zo na te gaan in hoeverre het model empirisch staande te houden valt.

2. Wie is in de minderheid? Het lijkt, afgaande op het alledaagse gebruik van de term ‘integratie’ in pers, politiek en wetenschap, wel of het vraagstuk van integratie enkel verband houdt met de vraag of en hoe allochtonen in de samenleving kunnen participeren en functioneren. Hoewel het begrip integratie vooral in de context van allochtonen gebruikt wordt, is het relevant voor alle leden van een samenleving. Het vraagstuk van sociale integratie belangt iedereen aan en hoeft daarom allerminst geëtniseerd te worden. In het geval van allochtonengroepen kent het vraagstuk gewoon een nog wat grotere complexiteit door een aantal additionele dimensies (in vergelijking met autochtonen). In dit stuk willen we het integratievraagstuk expliciet ‘terugvoeren’ naar de autochtonen. Daarbij wensen we het door Phalet en Swyngedouw (1999) voor Turken en Marokkanen ontwikkelde interactief integratiemodel een pendant voor de Belgen geven. Zo zou men bijvoorbeeld laaggeschoolde autochtonen net als Turken en Marokkanen als een minderheidsgroep kunnen beschouwen. In de sociologische betekenis valt, zoals geweten is, het onderscheid meerderheid-minderheid niet noodzakelijk samen met numerieke verhoudingen. Een sociale groep is een minderheidsgroep in relatie tot een referentiegroep wanneer intergroepsrelaties worden gekenmerkt door groepsdominantie (van de referentiegroep) of groepscompetitie (met de referentiegroep in de rol van winnaar). Intergroepsrelaties berusten slechts ten dele op objectieve groepsverschillen in status, middelen en macht, ten dele ook op subjectieve percepties en sociale constructies in de vorm van groepsidentificaties en wederzijdse beeldvorming tussen groepen (Taylor & Moghaddam, 1984). Vanuit de dynamiek van groepsrelaties liggen groepsgrenzen en groepsverhoudingen tussen meerderheid en minderheden nooit vast maar zij zijn integendeel voorwerp van negotiatie en contestatie (Bourdieu, 1992). Of zoals Bourdieu het treffend verwoordde in een zin die het verdient om tweemaal gelezen te worden: “What is at stake here is the power of imposing a vision of the social world through principles of di-vision which, when they are imposed on a whole group, establish meaning and a consensus about meaning, and in particular about the identity and unity of the group, which creates the reality of the unity and the identity of the group” (Bourdieu, 1991: 221). Culturele of sociale kenmerken zijn niet gegeven. Hoe personen zich indelen bij één of meer groeperingen is een samenspel van persoonlijke voorkeur, sociale context en de institutionele fixatie van identiteiten (Verdery, 1994). Ook de officiële of numerieke meerderheidsgroep – in casu autochtonen – kan zich geminoriseerd voelen. Minorisering als sociaal-psychologische proces staat voor collectieve gevoelens van bedreiging in de eigenheid, rechten of belangen als sociale of culturele groep. Men dient te vermijden te blijven steken in een eenzijdige weergave van hoe structurele machtsongelijkheid en culturele verkaveling tussen minderheden en meerderheid op het terrein worden ervaren en uitgespeeld. Er is meer aan de hand dan uitsluiting en discriminatie


Etnocentrisme

101

als minderheidsprobleem aan de ene kant en vooroordeel en racisme als meerderheidsprobleem aan de andere kant (Billiet, e.a., 1990; Deslé & Martens, 1992). Ook bij de cultureel dominante groep kan er sprake zijn van problemen van uitsluiting en discriminatie. Deze staan ook in verband met de ingenomen houding tegenover de culturele minderheidsgroepen. Sommige onderzoekers spreken in deze over ‘beredeneerd vooroordeel’ bij maatschappelijk kwetsbare autochtone groepen die geconfronteerd worden met een verlies van verworven rechten, sociale netwerken en culturele vanzelfsprekendheden in hun (vaak grootstedelijke) leefomgeving (Billig, Condor, Edwards, e.a., 1988; Verkuyten, 1997) of als gevolg van de relatieve deprivatie die ze ervaren. Er dient recht gedaan te worden aan de complexiteit van de meerderheid-minderheidsrelaties en derhalve ook aandacht besteed te worden aan kansongelijkheid, ervaren discriminatie en het belang van cultuurbehoud en cultuurcontact bij autochtone bevolkingsgroepen. Een perspectief op minderheidsgroepen dient ook rekening te houden met kansenstructuren en machtsongelijkheden die bestaan binnen de cultureel dominante groep. In die zin bestaan er ook autochtone minderheidsgroepen. Ons interesseert hier nu hoe gevoelens van minorisering, discriminatie en de mate van integratie bij autochtonen zich verhouden tot attitudes tegenover allochtonen.

3. Verklaringen van etnocentrisme Hoe moeten we het etnocentrisme van autochtone minderheden duiden? Etnocentrisme is, zoals bekend, een complex van attitudes waarbij een positieve houding tegenover de ingroup samenhangt met een negatieve houding tegenover outgroups. We concentreren ons hier op de negatieve houding tegenover ‘buitenstaanders’ of outgroups en geven dus een beperkte invulling aan etnocentrisme. Mogelijke verklaringen waarom autochtone minderheidsgroepen het etnocentrisme zo graag omarmen kunnen geput worden uit de (sociaal-)psychologie. Sommige psychologische benaderingen brengen etnocentrisme in verband met zelfachting (self-esteem). Deze verklaring staat bekend als de ‘Sociale Identiteits Theorie (SIT). Uit sociaal psychologisch onderzoek blijkt dat een lage status zich psychologisch kan vertalen in een lage zelfachting, wat dan op zijn beurt samenhangt met de behoefte aan een positieve sociale identiteit door de ingroup in positieve zin af te zetten tegen outgroups (Tajfel & Turner, 1986). Volgens de klassieke frustratie-agressie theorie van Dollard (1936) hangt etnocentrisme dan weer samen met het zoeken van een zondebok. Frustratie over het niet kunnen vervullen van alle behoeften uit zich in een verplaatsing van agressie naar vreemde groepen die gemakshalve als de schuldigen voor de eigen frustraties aangewezen kunnen worden. Een meer sociologische verklaring voor het optreden van etnocentrisme bieden de etnische competitie-theorieën (Castles, 1987; Olzak, 1987) die stellen dat etnocentrisme precies ontstaat wanneer autochtone en allochtone groepen met elkaar in competitie treden voor schaarse goederen op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt of woningmarkt. Etnocentrisme helpt dan om de eigen positie in de strijd over de schaarse goederen te legitimeren. Deze interpretatie, die zich laat inspireren door de rational choice benadering, vormt op het eerste gezicht een zeer plausibele verklaring. Empirisch onderzoek wijst echter uit dat er geen rechtstreekse samenhang is tussen etnocentrisme enerzijds en indicatoren van verhoogde competitie op de arbeidsmarkt anderzijds, zoals een stijging van werkloosheid of een daling van de lonen (Wimmer, 2000). Er is niet altijd een rechtstreekse link tussen spanningen op de arbeids- of woningmarkt en etnocentrisme. Het is bovendien onduidelijk of – en zelfs onwaarschijnlijk


102

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

dat – autochtonen en allochtonen wel werkelijk concurrenten zijn voor dezelfde jobs. Er is wellicht eerder sprake van verschillende aanvullende segmenten op de arbeidsmarkt (Wimmer, 2000; Teulings, 1995). Een alternatieve interpretatie bestaat erin dat de etnocentrische houding vanwege autochtonen als een soort van identitaire verdedigingsreflex dienst doet in de snel transformerende wereld. Bepaalde autochtonen zouden zich als het ware vastklampen aan etnocentrisme als makkelijk hanteerbaar wereldbeeld in een snel veranderende omgeving, zeker als zij op sociaal-economisch vlak (dreigen) achteruit (te) gaan. Daarbij hoeft er geen sprake te zijn van een daadwerkelijke competitie met of bedreiging door allochtonen. Zo toont Lindler (1993) aan dat angst voor competitie op de arbeidsmarkt een veel kleinere rol speelde dan een meer algemene angst voor verlies van sociale status en identiteit, als verklaringsgrond voor xenofoob stemgedrag in Zwitserland. Gelijkaardige motieven liggen aan de basis van racistisch hooliganisme in London (Cohen, 1991; Wimmer, 2000). Er is dus vaak wel een verband van etnocentrisme met verlies van identitair prestige en sociaal-economische standing. De sociaal-interactionist Blumer attendeerde hier al vier decennia terug op in zijn groepspositiemodel (Blumer, 1958). We komen later nog terug op het verband tussen etnocentrisme en het verlies van identitair (groeps-)prestige. Heel wat auteurs benadrukken dat onze samenleving sowieso een kern van etnocentrisme in haar dominante ideologie draagt (Blommaert & Verschueren, 1992; Van Dijk, 1993), aangewakkerd door het nationalisme (Balibar & Wallerstein, 1988; Gaspard, 1993). Het westers wereldbeeld kent zo ook impliciete noties van blanke suprematie tegenover niet-blanken (Essed, 1992). Via socialisatie en discursieve praktijken worden de kiemen van het etnocentrisme verder vlot en continu gereproduceerd. Zo wijst Van Dijk op de alomtegenwoordigheid van positieve zelf-presentaties, negatieve voorstellingen van de ‘ander’ en nationalistische retoriek, allen vaak vermengd met de ontkenning van racisme, in de discursieve praktijken binnen de politieke wereld, het bedrijfsleven, de academische wereld, het onderwijs en de media (Van Dijk, 1993). Van Dijk bemerkte verder dat in de verdediging van paternalistische of restrictieve maatregelen tegen vreemdelingen, het discursieve paar van positieve zelf-presentatie en negatieve voorstelling van de ‘ander’, hand in hand gaat met retorische formuleringen van een ‘streng maar rechtvaardig’ beleid en de bewering dat maatregelen ‘voor hun eigen bestwil’ genomen worden. Vertogen over vreemdelingen en allochtonen incorporeren daarbij op een gesofisticeerde manier vaak egalitaristische en humanitaire waarden met mild racisme en etnocentrisme. Met de al dan niet gewilde en subtiele reproductie van (de kiemen van) het etnocentrisme weten de verschillende elites binnen de heersende klasse de lagere klassen te verdelen en zo hun eigen belangen veilig te stellen, zo luidt de neomarxistische, neogramsciaanse interpretatie. Iedereen is volgens de discours-analytische benadering vatbaar voor het etnocentrisme. Op de vraag waarom bepaalde mensen makkelijker vatbaar zijn voor etnocentrisme dan anderen, blijft deze benadering echter het antwoord schuldig. In aansluiting op de discours-analytische benadering van etnocentrisme kan gewezen worden op het belang van de internalisering van bepaalde taboes rond racisme en etnocentrisme en op het belang van sociale normen en sociaal wenselijkheid die de taboes reproduceren. Het is bekend dat groepsdruk, sociale normen (bijvoorbeeld socialisatie vanuit religieuze hoek met nadruk op universele naastenliefde) en sociaal wenselijkheid mensen ervan kunnen weerhouden om etnocentrisme te omarmen. Er kan een taboe rusten op etnocentrisch


Etnocentrisme

103

denken, dat in sterkere of mindere mate doorbroken kan worden. Er kan hierbij als voorbeeld gewezen worden op het belang van politiek voluntarisme en de voorbeeldfunctie van elite-leden naar de ‘gewone’ burgers toe. Zo kan men stellen dat samen met de zogenaamde ‘witte weerbots’ die een wraakreactie zou zijn op positieve maatregelen tegenover de outgroup, een fenomeen bestaat waarbij opinion leaders van het establishment repressieve of discriminerende maatregelen tegenover allochtonen nemen of propageren en zo de drempel bij de achterban om etnocentrisme te omarmen, verlaagd wordt. Met Bourdieu (1998) kan bijvoorbeeld geconstateerd worden dat in België net als in Frankrijk tot nog toe oproepen tot status-quo en inperking van rechten van vreemdelingen aangebracht door traditionele partijen, steevast gevolgd werden door verder electoraal succes van extreem-rechts. Deze vaststelling plaatst de onder politici en commentatoren populaire stelling dat maatregelen die een verbetering van de positie van vreemdelingen nastreven tot een ‘white backlash’ en een groei van extreem-rechts leiden, in een nieuw daglicht (Bourdieu, 1998). Men kan zich afvragen of zich niet eerder een omgekeerde dynamiek heeft voltrokken en de vrees voor een ‘witte weerbots’ geen schoolvoorbeeld van de self fulfilling prophecy vormt. Jacobs (1998) verdedigt in dit licht de stelling dat de centrum-rechtse sociale constructie van de werkelijkheid aangaande vreemdelingen een basis gelegd heeft voor het electorale succes van het Vlaams Blok, een partij die zich als geheel agressief ging profileren als een antimigrantenpartij. De weifelende houding van centrum-links heeft de respectabiliteit van extreem-rechts vermoedelijk enkel versterkt door begrip op te brengen voor wat ‘working class racisme’ genoemd werd. Goedbedoelde pogingen om stemmen aan extreem-rechts te onttrekken en etnocentrisme te bestrijden door een stap terug te zetten in de verdediging van allochtonen, lijken alleen maar contraproductief gewerkt te hebben (Bourdieu, 1998; Jacobs, 1998). Zo zorgde partijpolitieke polarisatie rond het migrantenthema voor groeiende salonfähigkeit van standpunten die voorheen taboe waren en zo ook voor een lagere drempel voor het aanhangen van etnocentrisme (Jacobs, 2000). Het blijft hier echter weerom, net zoals bij de discours-analytische benadering, een open vraag waarom bepaalde mensen sneller geneigd zijn de drempel naar het etnocentrisme te overschrijden dan anderen. Wimmer (2000) presenteerde, in het verlengde van sociaal-psychologisch onderzoek, een interessante verklarende hypothese voor het differentiële optreden van etnocentrisme bij verschillende autochtone leden van de hedendaagse samenleving. Hij koppelt etnocentrisme aan verlies van identitair prestige en sociaal-economische standing. Neerwaarts mobiele individuen kennen volgens hem daarom de grootste kans om op etnocentrisme terug te vallen. Dit is in de eerste plaats een identitaire reflex, maar kan ook niet volledig los gezien worden van een vrees voor verdringing door allochtonen, die aangewakkerd wordt door het latent etnocentrisme in de bredere maatschappij. De neerwaarts mobielen zijn het sterkst aangewezen op solidariteitsmechanismen van de staat en vrezen dat deze afgekalfd kunnen worden en dat hun rechten en privileges ‘als dominante groep’ bedreigd worden door de ‘invasie’ van allochtonen (cfr. Blumer 1958). Sommige politieke krachten spelen op deze beelden in. De neerwaarts mobielen ervaren hun eigen lot in de snelle economische herstructurering als onrechtvaardig en menen in oneerlijke competitie te staan met immigranten – ook al is er in reële zin, zoals reeds eerder aangehaald werd, geen sprake van directe concurrentie door het (ook etnisch) gesegmenteerde karakter van de arbeidsmarkt (of door de zeer penibele toestand van de allochtonen). De spectaculaire groei van de tertiaire sector en de ‘nieuwe economieën’ die een hoge scholingsgraad vereisen en het aanhoudend inkrim-


104

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

pen van de traditionele industriële sectoren, maakt vooral de laaggeschoolden het meest kwetsbaar om dergelijke denkbeelden aan te nemen. Wimmer (2000) wijst erop dat vele studies de sociale verdeling van xenofobe attitudes en extreem rechts stemgedrag documenteren. Neerwaarts mobielen of mensen die denken dat zij in de nabije toekomst achteruit zullen gaan, hebben volgens de hypothese van Wimmer de grootste kans etnocentrisme aan te hangen. Sociaal-economische onzekerheid speelt hier dus een sleutelrol. Al een hele poos geleden stelde Hoffmann-Nowotny (1973) overigens dat de toekomstverwachting van een persoon belangrijker is dan de actuele professionele status om de mate van etnocentrisme te voorspellen.

4. Sociaal kapitaal Aan de hypothese van Wimmer dat vooral neerwaarts mobiele mensen of mensen die vrezen achteruit te zullen gaan gevoelig zijn voor etnocentrisme, kan theoretisch nog een dimensie toegevoegd worden. Het zal wellicht niet zo zijn dat alle mensen die gebukt gaan onder neerwaartse mobiliteit en subjectieve sociaal-economische onzekerheid een toename van etnocentrisme zullen kennen. Men zou kunnen veronderstellen dat vooral mensen met een zwakke sociale inbedding de eerste ‘slachtoffers’ zullen worden. Pas wanneer zich in situaties van vrees voor neerwaartse mobiliteit en uitsluiting zogenaamde identitaire angsten (Wieviorka, 1996) ontwikkelen die niet getemperd kunnen worden omdat men nog nauwelijks in sociale netwerken participeert en daaruit geen steun kan putten, is de kans groot dat men dit wil compenseren door middel van etnocentrisme. Deze hypothese brengt ons bij het gegeven ‘sociaal kapitaal’, dat tegenwoordig steeds vaker als centraal concept in verklaringsmodellen aangaande verschillende sociale fenomenen, waaronder ook etnocentrisme, opduikt. Recentelijk kent het begrip sociaal kapitaal een grote aantrekkingskracht in de sociale wetenschappen (en daarbuiten). Die populariteit (Decoster, 2000) is met name te danken aan het werk ‘Making Democracy Work’ van Robert Putnam (1993). Putnam hanteert het begrip sociaal kapitaal op een hoog aggregatieniveau (landen, regio’s, gemeenschappen) en duidt ermee de mate van vertrouwen, normen en netwerken aan die gecoördineerde maatschappelijke actie mogelijk maken. Zo hebben regio’s meer of minder sociaal kapitaal naargelang ze beter of slechter in staat zijn burgers vrijwillig te organiseren rond politieke, economische en sociale doelen. Sociaal kapitaal is bij Putnam in eerste instantie het optreden van de wijd verspreide verwachting dat andere burgers normen van wederkerigheid zullen huldigen (Stolle, 1999). Gemeenschappen met een levendig verenigingsleven kennen volgens Putnam een hoog sociaal kapitaal (Komter, Burgers & Engbersen, 2000). In zo’n situaties wordt spontane samenwerking en collectieve actie in een opwaartse spiraal gestimuleerd. Hoe meer wederzijdse kennissen er zijn en hoe groter het aantal lidmaatschappen in organisaties is, des te meer gemeenschapscohesie en collectieve actie er mogelijk is (Decoster, 2000). Voor alle duidelijk dient benadrukt te worden dat het begrip sociaal kapitaal hier eigenlijk in een macroscopische zin gehanteerd wordt, met name als een systeemkenmerk van de hele samenleving.


Etnocentrisme

105

Er is echter ook een (oudere) alternatieve invulling van sociaal kapitaal die in plaats van een hoog aggregatieniveau liever het microvlak hanteert om sociaal kapitaal in te vullen. Sociaal kapitaal wordt dan gedefinieerd als de mogelijkheid van individuen om hulpbronnen te mobiliseren uit de sociale netwerken waar men deel van uitmaakt (Komter, Burgers & Engbersen, 2000). Exemplarisch is de instrumentele invulling van het begrip zoals aangebracht door de Franse socioloog Bourdieu (1989; 1992). Bourdieu definieert sociaal kapitaal als “het geheel van bestaande en potentiële hulpbronnen dat voortvloeit uit het bezit van een meer of minder geïnstitutionaliseerd netwerk van relaties van onderlinge bekendheid en erkentelijkheid – ofwel uit het lidmaatschap van een groep – dat elk van zijn leden de ruggensteun geeft van het collectieve kapitaalbezit, een ‘geloofsbrief’ die hen in ruime zin des woords kredietwaardig maakt” (Bourdieu, 1989). Lidmaatschap brengt met andere woorden instrumentele voordelen mee en mensen zijn daarom voortdurend in de weer om in deze belangrijke hulpbron te investeren (Komter, Burgers & Engbersen, 2000). Portes (1995) omschrijft sociaal kapitaal op vergelijkbare wijze als ‘het vermogen van actoren om voordelen veilig te stellen via hun lidmaatschap in sociale netwerken of andere sociale structuren’. Het dient benadrukt te worden dat sociaal kapitaal niet zomaar uit de lucht komt vallen. Sociale netwerken, de bron van sociaal kapitaal, zijn nimmer gegeven. Ze moeten gebouwd en onderhouden worden. Men moet voortdurend investeren in sociale relaties en netwerken om ze intact te houden. Dit gebeurt zowel op een bewuste als op een onbewuste wijze. Volgens Bourdieu is sociaal kapitaal overigens ook nauw verbonden met cultureel kapitaal (kennis, diploma’s) en economisch kapitaal. Sociale verplichtingen (relaties) zijn onder bepaalde condities bijvoorbeeld ‘omwisselbaar’ tot economisch kapitaal (Decoster, 2000). Cultureel kapitaal kan dan weer toegang tot bepaalde netwerken faciliteren, terwijl omgekeerd bepaalde sociale netwerken ook tot accumulatie van nieuwe kennis en vaardigheden kan leiden. Het grote verschil tussen sociaal kapitaal en de andere kapitaalsvormen is dat sociaal kapitaal een virtueel karakter heeft. Economisch kapitaal staat op de mensen hun bankrekening en omvat hun roerend en onroerend goed. Cultureel kapitaal zit als het ware in de mensen hun hoofd – en volgens Bourdieu ook in hun lichaam(shouding) – en uit zich concreet in diploma’s, (vak)kennis en levensstijl. Sociaal kapitaal heeft daarentegen betrekking op de structuur van sociale relaties (Komter, Burgers & Engbersen, 2000). Het gaat om vormen van verbondenheid die ook ‘verzilverd’ moeten worden. Wie in staat is emotionele, materiële of informatieve hulpbronnen te mobiliseren uit het netwerk waar hij of zij deel van uitmaakt, is beter af dan anderen, zo vatten Komter et alii (2000) het belang van sociaal kapitaal samen. Portes (1998) wijst op de positieve en de negatieve effecten van sociaal kapitaal (Decoster, 2000). Positief is de functie van sociaal kapitaal als bron van sociale controle. Tenminste, indien de sociale controle de naleving van legitieme regels afdwingt, is dit een positief effect. Deze functie van sociaal kapitaal kan ook negatief uitvallen wanneer overdreven sociale controle leidt tot extreem conformisme en onverdraagzaamheid. Een ander positief effect is de rol die netwerken spelen in het vinden van de ‘juiste’ banen, werknemers, partners, vrienden, enzovoort. Een veelheid van contacten – ook al zijn ze vluchtig – verhoogt de kans op het vinden van interessante personen. Intensievere contacten binnen een familie, vriendenkring of gemeenschap vormen dan weer een interessant reservoir om snel betrouwbare


106

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

mensen te vinden en in tijden van (emotionele of materiële) moeilijkheden op terug te vallen. Een negatief effect van sociaal kapitaal kan echter zijn dat de eigen groep beklemmend werkt. Zo kan sociale mobiliteit van ambitieuze mensen soms door een groep geblokkeerd of getemperd worden en kunnen individuen verplicht worden hun verlangens te temperen en aspiraties bij te schaven. Het functioneren op verschillende snelheden kan afgeremd worden. Het mag duidelijk zijn dat in een instrumentele invulling sociaal kapitaal gezien wordt als de toegang tot interactievormen en netwerken die gemobiliseerd kunnen worden voor het realiseren van individuele doelstellingen en collectief handelen (Stolle, 1999). In dat geval interesseren ons in de eerste plaats de effecten van het bezit van sociaal kapitaal voor de netwerkleden. Dat kunnen ook onbewuste of onbedoelde effecten zijn. De ‘Putnamiaanse’ vraag of netwerken bevorderlijk zijn voor veralgemeend vertrouwen binnen de gehele samenleving waarbinnen netwerken actief zijn – en zo ook voor de sociale cohesie en bijvoorbeeld de sterkte van de democratie –, stelt zich in zo’n benadering niet noodzakelijk. Waar Putnam-adepten de focus richten op sociaal kapitaal als een fenomeen dat de gehele gemeenschap ten goede komt, beschouwen volgelingen van auteurs als Bourdieu en Portes sociaal kapitaal veeleer als een hulpbron voor individuen. Meer en meer auteurs gaan de individuele netwerk-georiënteerde benadering combineren met de Putnam-traditie. Vaak wordt daarbij (soms impliciet) de volgende redenering aangehangen: mensen met een hoog sociaal kapitaal (in ‘Bourdieusiaanse’ zin) van weak en strong ties zullen meteen ook een hogere verwachting van abstracte wederkerigheid bij onbekenden en vertrouwen in onbekenden hebben (in ‘Putnamiaanse’ zin). Hun hoge sociaal kapitaal zal bovendien een resem positieve effecten ressorteren, zoals bijvoorbeeld een socialer en democratischer waardenpatroon, wat dan op macro-niveau weer de sociale cohesie en het democratisch gehalte van een samenleving bevordert. Er wordt daarbij een mix gemaakt van (individuele deelname aan) sociale netwerken aan de ene kant en algemeen vertrouwen en abstracte wederkerigheid aan de andere kant in één en dezelfde cluster die dan ‘sociaal kapitaal’ genoemd wordt. Stolle (1999) wees er terecht op dat er echter nood is aan een microtheorie die precies de link – ook causaal – legt tussen aan de ene kant wat zij de ‘structurele’ componenten (de netwerken, de interactie) noemt en aan de andere kant wat zij de ‘culturele’, attitudinale componenten (wederkerigheid, vertrouwen) noemt, (Hooghe, 1999; Jacobs, 2000). Nu wordt die link te vaak als vanzelfsprekend verondersteld en wordt er simpelweg vanuit gegaan dat netwerken, vertrouwen en wederkerigheid één pot nat zijn. Een meer onderbouwde variant probeert de Putnam-redenering dat sociale netwerken (bijvoorbeeld participatie in het verenigingsleven) bevorderlijk zijn voor de sociale cohesie en maatschappelijke integratie dan ook empirisch te toetsen op micro-niveau vooraleer uitspraken te doen over effecten op macro-niveau. Zo wordt bekeken of het klopt dat participatie in het verenigingsleven bevorderlijk is voor de sociale cohesie en maatschappelijke integratie omdat leden van verenigingen een socialer en democratischer waardenpatroon zouden hebben dan diegenen die geen lid zijn (Elchardus, Hooghe & Smits, 2000). De idee is daarbij dat participatie leidt tot bepaalde (positieve) attitudes. Wat kan het nut zijn van het concept sociaal kapitaal in een verklarend model voor etnocentrisme? Laten we beginnen met een koppeling te maken tussen etnocentrisme aan de ene kant en de instrumentele netwerk-georiënteerde opvatting van sociaal kapitaal aan de ande-


Etnocentrisme

107

re kant. Zo zou men kunnen stellen dat mensen met brede sociale contacten (weak ties), familiebanden en vriendschappen (strong ties), met een (grote) deelname aan het verenigingsleven en met een goede ingebedheid in verschillende sociale netwerken door dit alles een groot sociaal kapitaal kunnen genereren. Men kan ervan uitgaan dat mensen de netwerken waarin zij participeren ook individueel als hulpbronnen kunnen aanwenden. Nu kan men als hypothese naar voren schuiven dat mensen met een hoog sociaal kapitaal niet alleen een grotere kans op participatie in de verschillende maatschappelijke velden hebben maar ook een kleinere kans op identitaire angsten (zgn. reflexieve onzekerheid, zie verder) hebben – omdat ze steun kunnen putten uit de eigen sociale relaties – en ten gevolge daarvan ook een kleinere kans zullen hebben om op etnocentrische denkbeelden terug te vallen. Mensen met een laag kapitaal, hebben omgekeerd een hogere kans op identitaire angsten en ten gevolge daarvan een hogere kans op etnocentrische denkbeelden. Zo kan de hypothese van Wimmer die stelt dat vooral neerwaarts mobiele mensen (of mensen die vrezen achteruit te zullen gaan) gevoelig zullen zijn voor etnocentrisme, aangevuld worden door te stellen dat met name dié neerwaarts mobiele mensen etnocentrisch zullen denken die een zwak sociaal netwerk (een laag sociaal kapitaal) hebben en daardoor identitaire angsten ontwikkelen. Het concept sociaal kapitaal wordt naar het voorbeeld van Coleman, en in zijn voetspoor Putnam, momenteel in verklaringsmodellen echter ook gebruikt en opgevat als een cluster van vertrouwen, wederkerigheid en sociale netwerken. Zo wordt verder bouwend op het werk van Putnam vaak verondersteld dat precies de mensen met een hoog sociaal kapitaal (in ‘Bourdieusiaanse’ zin) van weak en strong ties ook een hogere verwachting van abstracte wederkerigheid bij, en vertrouwen in, onbekenden zullen hebben (in ‘Putnamiaanse’ zin) en dat dit samenspel op zijn beurt een resem positieve effecten heeft (zoals een socialer en democratischer waardenpatroon). Een dergelijke opvatting kan ook gebruikt worden in een verklaringsmodel voor etnocentrisme. De cluster van vertrouwen, wederkerigheid en sociale netwerken zou zodoende van invloed zijn op gevoelens ten aanzien van vreemdelingen – en dit, om even op Wimmer terug te komen, bijvoorbeeld ongeacht het feit of men nu al dan niet neerwaarts mobiel is (of denkt te zijn). De redenering is dus dat sociaal kapitaal bestaat uit een mengeling van algemeen vertrouwen, abstracte wederkerigheid en concrete ingebedheid in sociale netwerken en dat een lage mate van sociaal kapitaal sowieso de kans op etnocentrisme vergroot. Omgekeerd, verlaagt een hoge mate van sociaal kapitaal de kans op etnocentrisme. Een logische volgende stap is dan natuurlijk om te gaan zoeken wat de mate van sociaal kapitaal kan verklaren en om het verband te leggen met vormen van economisch of cultureel kapitaal of socio-demografische variabelen als determinanten van sociaal kapitaal. Maar wellicht interessanter is de variant op de ‘sociaal kapitaal’-redenering waarbij netwerken, vertrouwen en wederkerigheid niet meteen a priori als één samenhangende cluster bekeken worden maar de link tussen participatie in netwerken en attitudes geproblematiseerd wordt en empirisch onderzocht wordt. De getoetste hypothese is daarbij dat participatie in het verenigingsleven bevorderlijk is voor een socialer en democratischer waardenpatroon, waaronder bijvoorbeeld een geringere mate van etnocentrisme (Elchardus, Hooghe & Smits, 2000). Een logische volgende stap is ook hier om te gaan zoeken wat die participatie in het verenigingsleven verklaart, waarbij opnieuw te denken valt aan socio-demografische factoren of de invloed van economisch of cultureel kapitaal. Daarnaast wordt ook gekeken


108

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

naar minder klassieke verklarende factoren zoals gezinssituatie, relatiestabiliteit, processen van gezinsuitdunning, tijdsdruk, mogelijkheden tot geografische mobiliteit of – en niet in het minst – het aantal uren dat televisie gekeken wordt (Elchardus, Hooghe & Smits, 2000). Deze benadering wint momenteel flink aan populariteit en het lijkt wel dat ‘sociaal kapitaal’ daarbij verheven werd tot het nieuwe centrale concept in verklaringsmodellen van etnocentrisme. Het lijkt ook empirisch hard te maken.

5. Anomie? De populariteit van het concept sociaal kapitaal heeft ‘anomie’, in de betekenis van Srole (1956), ter verklaring van etnocentrisme wat naar de achtergrond verschoven. Srole (1956) definieerde anomie tweeledig. Enerzijds refereert het aan het individueel gevoel niet (meer) tot de maatschappij te behoren en anderzijds het in gebreke blijven van identificatiemogelijkheden van het individu met anderen. Srole onderscheidt vijf componenten in het concept anomie: (1) politieke machteloosheid – het gevoel dat leiders onverschillig staan tegenover de behoeften en noden van de bevolking; (2) maatschappelijke machteloosheid – de perceptie van de sociale orde als onvoorspelbaar en ordeloos; (3) ervaring van sociaal-economische achteruitgang – dat de bereikte welstand langzaam verloren gaat; (4) verlies van geïnternaliseerde waarden en normen en gevoel van zinloosheid van het leven; (5) sociaal isolement of het gevoel niet (meer) ondersteund te worden door sociale netwerken (Felling, Peeters & Scheepers, 1986: 116; Billiet & Loosveldt, 1998: 107). Wie verkeert in een toestand van anomie is sociaal gedesoriënteerd en gedesintegreerd. In Srole’s benadering van anomie wordt de aandacht geheel gericht op een cluster van attitudes, waarbij de sociale macrostructuur (ten voordele van de begeleidende subjectieve beleving ervan) grotendeels uit het zicht verdwijnt. Tot voor kort was dit concept ‘anomie’, opgevat als ‘de ervaring van sociale desoriëntatie, morele deregulatie en gebrekkige identificatie’ (Billiet & Loosveldt, 1998: 107) of ‘een subjectief ervaren sociale desintegratie die gepaard gaat met ontoereikende identificatiemogelijkheden’ (Felling, Eisinga & Scheepers, 1986: 63), vaak hét centraal element bij de verklaringen voor etnocentrisme. Het bleek ook empirisch houdbaar. De redenering was dat de mate van anomie – de logische tegenhanger van ‘het gevoel van integratie’ van de autochtoon in de samenleving – van invloed zal zijn op de houdingen die de autochtoon ontwikkelt ten aanzien van etnische minderheden (etnocentrisme). Hoe sterker het gevoel van maatschappelijke integratie, des te minder kans er is op etnocentrisme. Concreet werd anomie geoperationaliseerd als politieke machteloosheid, maatschappelijke machteloosheid, het gevoel zijn eigen lot niet te kunnen bepalen, het gevoel van normloosheid en zinloosheid en het gevoel van sociale isolatie (Billiet, Carton & Huys, 1990). Uiteraard werd dan ook gepoogd in kaart te brengen wat anomie verklaart, waarbij gekeken werd naar de invloed van een resem socio-demografische factoren (zoals leeftijd, geslacht, opleiding, SES, levensbeschouwing) maar ook het lidmaatschap van sociale of culturele organisaties (Billiet & Loosveldt, 1998). Zo hanteerde men eigenlijk de visie dat het cultureel en sociaal kapitaal (dat de autochtoon al dan niet bezit) en zijn/haar (inschatting van) de sociaal-economische positie, bepalend zijn voor de mate van anomie. De mate van anomie beïnvloedt dan weer de mate van etnocentrisme. De mate van anomie valt daarbij inhoude-


Etnocentrisme

109

lijk te parafraseren als het negatief van de sterkte van het ‘gevoel van integratie’ (de positieve beleving van participatie in de verschillende maatschappelijke velden, het gevoel greep te hebben op het eigen leven en omgeving en het ervaren van verbondenheid). Hoe minder groot de anomie – of hoe groter het gevoel van integratie – hoe kleiner de kans op etnocentrisme, zo is de redenering. Daarbij gaat men ervan uit dat deze anomie – dit gevoel van integratie – zich op attitudinaal vlak manifesteert in een cluster van bijvoorbeeld een redelijk veiligheidsgevoel, positief toekomstbeeld, lage gevoelens van politieke machteloosheid, lage mate van utilitair individualisme, interne locus of control en algemeen vertrouwen. Tussen deze variabelen moet er dus een sterke samenhang bestaan. Anomie is in dit model de interveniërende variabele tussen cultureel en sociaal kapitaal en sociaal economische zekerheid aan de ene kant en etnocentrisme of de houding tegenover etnische minderheden aan de andere kant. De schakelidee is dat etnocentrisme als compenserend wereldbeeld omhelsd wordt wanneer men zich geen deelgenoot (meer) voelt van de samenleving. Men kan zich de vraag stellen of een dergelijk gebruik van een concept als anomie aanvaardbaar is, en erger nog, of het concept anomie zoals het momenteel doorgaans ingevuld en geoperationaliseerd wordt theoretisch überhaupt verdedigbaar is. Anomie dreigt een te flexibel, allesomvattende en diffuse allemansvriend, een catch-all concept, te zijn waar eenieder het zijne in kan herkennen. Politieke machteloosheid, maatschappelijke machteloosheid, ervaring van sociaal-economische achteruitgang, verlies van zinvolheid van het leven en sociaal isolement worden als ‘subdimensies’ van anomie beschouwd. Alles wordt op één hoop gegooid en via een tovenaarsspreuk in een handomdraai als een aanvaard ‘overkoepelend’ concept gedefinieerd. Waege spreekt van ‘wetenschappelijke’ mystificatie waarbij concepten als anomie, aliënatie en sociaal kapitaal (wanneer opgevat als een cluster van vertrouwen, wederkerigheid en netwerken) “betekeniskameleons zijn geworden die geen zinvolle wetenschappelijke communicatie kunnen dragen en hoogstens als aanduiders van grote, vaag omlijnde interessevelden kunnen dienen. Als term om een specifiek, empirisch waarneembaar gegeven aan te duiden, zijn deze begrippen door frequent (mis)(ge)bruik betekenisloos geworden” (Waege, 1998: 29). Met één begrip tracht men een complex van fenomenen te vatten. Het is maar zeer de vraag of dit te rechtvaardigen valt. Over de precieze operationalisering van het concept valt dan natuurlijk ook te discussiëren en het is niet echt verwonderlijk dat er geen algemeen aanvaarde meetinstrumenten zijn.

6. De concepten anomie, sociaal kapitaal, integratie en participatie De vaststelling dringt zich op dat zowel de ‘sociaal kapitaal’ benadering als de anomie-benadering in staat zijn om als verklaringsmodel voor etnocentrisme te dienen en op basis van empirisch onderzoek houdbaar en plausibel lijken te zijn. Al lijkt er behoorlijk wat overlap te bestaan tussen aspecten/indicatoren van beide concepten, toch kan men er echter niet omheen dat ze beiden een verschillend verklarend accent leggen. De vraag dringt zich op wat de beste benaderingswijze is. En het lijkt er sterk op dat de keuze voor het ene of het andere model in de literatuur in zekere mate verband houdt met academische modeverschijnselen. Wat is nu een zinnig verklaringsmodel voor etnocentrisme in het licht van al deze mogelijke benaderingswijzen? Vallen de sociaal kapitaal benadering (in de zin van participatie) en de anomie benadering bijvoorbeeld te combineren? In eerste instantie zou ons vertrekpunt de stelling vormen dat de mate van integratie en par-


110

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

ticipatie in de samenleving voor de Vlaming van invloed zal zijn op de houdingen die de Vlaming ontwikkelt ten aanzien van etnische minderheden (etnocentrisme). Het cultureel kapitaal (Bourdieu, 1992) dat de Vlaming al dan niet bezit en zijn sociaal-economische positie, wordt dan bepalend geacht voor zijn integratie en participatie. Integratie en participatie vormen met andere woorden een interveniërende variabele tussen cultureel kapitaal en sociaal economische positie aan de ene kant en etnocentrisme of de houding tegenover etnische minderheden aan de andere kant. De bedoeling hierbij is het sociologisch integratieconcept dat tegenwoordig doorgaans alleen bij de studie van allochtonen gebezigd wordt, nu ook eens voor de studie van autochtonen te hanteren. Belangrijk is uiteraard eerst duidelijk te maken wat we precies met integratie bedoelen en als we hierover ook empirische uitspraken willen doen, hoe we dit zouden kunnen operationaliseren. Integratie, wijst als sociologisch concept in feite op (een ontwikkeling naar) een situatie waarin alle leden van de samenleving optimaal (kunnen) participeren in de verschillende maatschappelijke velden en de samenleving met haar verschillende velden als een eenheid kan functioneren. Er is zowel een receptiekant als een adaptatiekant aan het integratieproces verbonden is. De receptiekant wijst op door de maatschappij – meestal in concreto de overheid maar bijvoorbeeld ook het bedrijfsleven – aangeboden kansen voor individuen en groepen om in verschillende maatschappelijke velden te participeren. De adaptatiekant wijst op de mate waarin individuen of groepen investeren in hun sociale kansen en hoe zij reageren op de sociale situatie waarin zij verkeren. In het proces van insluiting en uitsluiting kruisen objectiviteit en subjectiviteit zich hierbij op complexe wijze. Men kan immers al dan niet objectief participeren in (verschillende velden van) de maatschappij en men kan al dan niet subjectief het gevoel hebben integraal deel uit te maken van die maatschappij en er kan (en zal) interactie plaatsvinden tussen beide fenomenen. Het integratieconcept lijkt conceptueel interessant en handig om een globaal kader te schetsen waarin processen van insluiting en uitsluiting voor het voetlicht kunnen treden, daarbij aandacht te hebben voor objectieve en subjectieve dimensies en waarmee meteen ook iets over sociale cohesie gezegd kan worden. In dit laatste – de band van integratie met sociale cohesie – ligt echter ook z’n zwakte. De sociale component van integratie overlapt met de gangbare opvatting van wat sociaal kapitaal is. Opgenomen zijn in een netwerk vormt enerzijds een definitie van sociaal kapitaal en anderzijds een aspect van wat we ‘objectieve’ integratie – ‘daadwerkelijke (sociale) participatie’ – noemen. Via deze redenering kunnen we overigens ook het ‘klassieke’ verklaringsmodel voor etnocentrisme waarbij anomie centraal staat omsluiten. In dit geval verwijst anomie – te parafraseren als een ‘gevoel van integratie’ – immers op de subjectieve dimensie van integratie. De vaststelling kan dan ook niet anders zijn dan dat er een sterke overlap is tussen de verschillende conceptuele modellen die centraal staan in de verschillende verklaringmodellen voor etnocentrisme. Wel is het zo dat de verschillende concepten andere accenten leggen. Wanneer anomie als sleutelconcept gehanteerd wordt, drukt de aandacht voor de (subjectieve) attitudinale dimensie de objectieve participatie-dimensie op de achtergrond (sociaal kapitaal) en vice versa. Met het sleutelconcept integratie wordt de inclusie uitgebreid naar de verschillende sociale systemen. Andere dimensies (cultuur, politiek) van insluiting dan participatie in sociale netwerken worden opgenomen.


Etnocentrisme

111

7. Objectieve leefstituatie, subjectieve evaluatie en etnocentrisme Om uit de impasse te geraken lijkt het noodzakelijk om in de plaats van te werken met algemene concepten een stap terug te zetten in onze zoektocht naar een verklaringsmodel voor etnocentrisme. Daarom opteren we voor een benadering waar er niet a priori een tussenliggend ‘alles verklarend’-’catch-all’ concept gebruikt wordt. We proberen daarbij zowel aandacht te hebben voor (de invloed van) de adaptatie-kant als de receptiekant van het integratieproces en willen zowel ruimte laten voor invloeden van de objectieve leefsituatie als subjectieve evaluaties van de leefsituatie op het fenomeen etnocentrisme. De voorafgaande theoretische modellen hebben alle gemeen dat ze empirisch neerkomen op wat een padmodel benadering genoemd wordt. Bepaalde attituden, gedragingen en kenmerken komen tot stand onder invloed van voorafgaande kenmerken, gedragingen en attituden. Sommige variabelen fungeren als exogene andere als endogene variabelen in (sub)modellen om etnocentrisme te verklaren. Kenmerkend is ook dat de verschillende theoretische modellen om etnocentrisme te verklaren zogenaamde latente concepten bevatten. Latente concepten zijn kenmerken van (in deze context) individuen die niet rechtstreeks te meten zijn maar die dienen gemeten te worden via manifeste kenmerken. Zowel het concept ‘anomie’ als ‘sociaal kapitaal’ vormen hier een klassiek voorbeeld van. Gebruikmakende van de variabelen die steunen op de in de internationale literatuur aangedragen verklaringmodellen voor etnocentrisme willen we een empirisch toetsbaar en dus verwerpbaar theoretisch model opbouwen. Als uitgangspunt nemen we de objectieve posities en de feitelijke participatie van de respondenten in de verschillende maatschappelijke velden. Zo leiden de (economische) structuurtransformaties sinds de jaren ‘70 volgens Byrne (1999) en Sassen (1990) tot een toenemende stedelijke polarisatie. Een substantiële minderheid valt op meerdere terreinen uit de boot. In een context van gestage ontmanteling van de verzorgingsstaat, toenemende flexibilisering en deregularisering, erosie van het systeem van vastheid van betrekking en een standvastige structurele werkloosheid bij laaggeschoolden kiemt een dreigingssfeer van sociaal-economische marginalisering en (ervaren) bestaansonzekerheid (Bauman, 1998). Niet slechts een ‘klasse’ met beperkte levenskansen, maar ook andere groepen komen steeds meer onder druk te staan. Naast effectief ‘uitgeslotenen’ bestaat er een groep van ‘bedreigde’ of bestaansonzekere mensen aan de rand van de welstellende meerderheid (Swyngedouw, 1992: 28). De hedendaagse bestaansconditie betekent – om Bauman (1998) te parafraseren – ‘leven met veranderlijkheid, verscheidenheid en onzekerheid’ in een voortdurend wijzigend maatschappelijk (consumptie)klimaat. De uitgangsidee is dat de voedingsbodem voor etnocentrisme voortvloeit uit het samengaan van twee factoren: enerzijds een zeer dynamische ‘bedreigende’ – en steeds minder begrijpbare en beheersbare – complexe omgeving en anderzijds een populatie die zeer ontvankelijk is voor deze onzekerheidstimuli en de aangereikte antwoorden ten gevolge van hun sociale, economische en culturele levensomstandigheden. Het vertrekpunt van zo’n tentatief verklaringsmodel vraagt bijgevolg expliciet aandacht voor zowel de objectieve leefsituatie als de begeleidende subjectieve beleving van die leefsituatie om houdingen tegenover migranten te verklaren, zonder a priori de voorkeur aan de ene


112

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

of de andere dimensie te geven, die bijvoorbeeld hetzij de nadruk legt op kapitaalsvormen hetzij op attituden (als tussenliggende concepten). De hedendaagse ervaring van permanente verandering waarbij vanzelfsprekende verworvenheden steeds opnieuw ter discussie worden gesteld kunnen tot gevoelens van machteloosheid, onzekerheid, economische onzekerheid en discriminatie leiden. In zo’n model wordt nagegaan in welke mate een maatschappelijke context an sich en de begeleidende (ongunstige) ervaringen op sociaal (machteloosheid), cultureel (onzekerheid), economisch (economische onzekerheid) en politiek (discriminatie) gebied bijdragen tot het ontwikkelen van negatieve gevoelens tegenover vreemdelingen. Hierbij stelt zich de vraag in welke mate individuen ‘ingeplugd’ zijn op meerdere centrale maatschappelijke subsystemen zoals economie, politiek, onderwijs, vrije tijd of recht. Het culturele, sociale, economische en politieke kapitaal dat men bezit, is evenwel slechts één zijde van de medaille. Elk objectief element heeft in hoofde van diegene die erdoor getroffen wordt een meer subjectieve dimensie. Hoe percipieert, ervaart en evalueert men de eigen sociale, culturele, economische en politieke positie en de (omringende) sociale omgeving? In ons tentatief verklaringsmodel willen we zowel de objectieve als de subjectieve dimensie betrekken.

8. Naar een toetsbaar empirisch model Voor de ontwikkeling en de partiële toetsing van een theoretische model zal gebruik gemaakt worden van het stedelijke survey-onderzoek ‘Antwerpenaren en hun stad’ dat in de periode maart - oktober 1999 werd uitgevoerd door het IPSoM-K.U.Brussel in opdracht van de uitzendgemachtigde lokale Antwerpse televisievereniging ATV vzw (Abts & Swyngedouw, 1999). Dit onderzoek naar het subjectieve welbevinden van de Antwerpenaren in hun stad tracht de ‘subjectieve ervaringswerkelijkheid’ te karteren en na te gaan ‘hoe processen van probleemdefiniëring, beleidsevaluatie en politiek vertrouwen in een specifieke grootstedelijke context plaatsgrijpen’. De interrelatie tussen leefsituatie, subjectief welbevinden en de ervaringswereld van burgers; hun perceptie en definiëring van sociale problemen; de houdingen en het vertrouwen ten aanzien van de lokale overheid in de grootstedelijke ruimte staan erin centraal. De gegevens van dit onderzoek werden verzameld door middel van face-to-face interviews bij een steekproef van de populatie (18- tot 85-jarigen) van de stad Antwerpen. Om analytisch-technische redenen werd gewerkt met een tweetrapssteekproef: 66 onderscheiden statistische sectoren zijn in de steekproef opgenomen. In totaal werden 938 geldige interviews afgenomen. Naar gelang de gehanteerde definitie (Groves, 1989: 140-145 ; Carton, 1999: 144-145) situeert de respons zich ergens tussen ten minste 50% en ten hoogste 64% (Abts, 2000: 19). Analyse met Weight 2.1 (Hajnal, 1995) toont aan dat de steekproefpopulatie representatief (p=.92) is voor de gehele populatie m.b.t. het gecombineerde kenmerk leeftijd-geslacht. Een vergelijking van de resultaten van het stemgedrag bij de gemeenteraadsverkiezingen toont evenwel aan dat de steekproef significant afwijkt van de populatiegegevens. Vlaams Blokstemmers, WOW-kiezers, diegenen die niet zijn gaan stemmen en kiezers die op ‘kleinere’ partijen gestemd hebben, zijn ondervertegenwoordigd. De beleidspartijen zijn daarentegen allen oververtegenwoordigd alsook diegenen die een blanco of ongeldige stem uitbrachten. Om die reden wordt er gewerkt met een gewogen steekproef, waarbij een weegfactor op basis van leeftijd, geslacht en het stemgedrag bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 berekend werd (Abts, 2000).


Etnocentrisme

113

9. Een hypothetisch padmodel en zijn toetsing Het hypothetisch padmodel dat we naar voor schuiven wil zowel aandacht besteden aan de ‘objectieve’ als de ‘subjectieve’ dimensie van integratie zonder een primordialiteit aan één van beide dimensies toe te kennen. We willen nagaan of het empirisch overeind blijft. Hierbij zullen we gebruik maken van de constituerende componenten van de verschillende hierboven besproken theorieën. Hoewel we op theoretische gronden zware vraagtekens geplaatst hebben bij ‘alomvattende’ begrippen als anomie en sociaal kapitaal zullen we desondanks toch nagaan of deze concepten op basis van onze data houdbaar zijn. De opbouw van een padmodel, waarbij de in het model voorafgaande variabelen gebruikt worden om de in het model volgende variabelen te controleren kan niet anders dan op theoretische gronden gebeuren. De volgorde waarin variabelen in het model worden ingebracht heeft gevolgen voor de toetsing van het effect van de betreffende variabelen op de afhankelijke variabele, in casu etnocentrisme. We opteren ervoor om verschillende groepen van variabelen die theoretisch samenhangen, in verschillende stappen gezamenlijk in ons padmodel op te nemen. Een eerste groep van variabelen kunnen we objectieve achtergrondvariabelen noemen. Zij zijn niet gekozen of zijn voor volwassenen gegeven als het resultaat van hun voorgaande levenservaringen. Het betreft hier geslacht, leeftijd en opleiding. Het opleidingsniveau (laag; midden; hoog) vormt de indicator van cultureel kapitaal. De tweede groep objectieve achtergrondkenmerken die de sociale context van de ondervraagden moeten uittekenen, wordt gecatalogeerd onder de verschillende vormen van kapitaal (cfr. Bourdieu). Economisch kapitaal wordt gemeten aan de hand van beroepsstatus (werk; werkloos; andere) en gezinsinkomen (minder dan 45.000 BF; tussen 45.000 en 84.999 BF; 85.000 BF of meer). Deze variabelen worden gezien als afhankelijk van de leeftijd, het geslacht en de opleiding van de respondenten. De derde groep van variabelen, in feite slechts één, wordt gevormd door de levensbeschouwelijke betrokkenheid. In navolging van Waege & Billiet (1998: 29-30) wordt levensbeschouwelijke betrokkenheid geoperationaliseerd aan de hand van levensbeschouwelijke oriëntatie en kerkpraktijk. Volgens Eisinga et alii. (1990) is de relatie tussen levensbeschouwelijke betrokkenheid en etnocentrisme namelijk curvilineair. Naarmate katholieken kerkelijk sterker betrokken zijn, neemt de negatieve houding tegenover migranten af. Bij nietkatholieken neemt de negatieve houding eveneens af naarmate men een meer uitgesproken geloofsovertuiging heeft. Randkerkelijken en mensen zonder levensbeschouwing zouden zich het sterkst afzetten tegen migranten (Billiet, 1995). De geconstrueerde variabele bevat zes categorieën: geen levensbeschouwing, vrijzinnig, anders kerkelijk (protestant, moslim, jood,…), randkerkelijk, kerkelijk (geregeld maar niet wekelijks naar de kerk) en kerks (meermaals per maand tot meer dan wekelijks naar de kerk). We theoretiseren dat levensbeschouwelijke betrokkenheid (gedeeltelijk) functie is van in de twee voorgaande groepen vernoemde variabelen. In ons vierde blok van variabelen worden enerzijds indicatoren van sociaal kapitaal en anderzijds indicatoren van politiek kapitaal in het model ingebracht. Het werd via uiteenlopende indicatoren geoperationaliseerd. Ten eerste of men al dan niet lid is van een vereniging, en zo ja, van één of meerdere soorten verenigingen. Ten tweede werd gepeild naar de mate van sociale contacten met de nabije omgeving (nooit of zelden; tot éénmaal per week; meerdere malen per week of meer). Via vier variabelen wordt nagegaan hoe frequent men


114

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

een praatje maakt met buren, bezoek krijgt of op bezoek gaat bij familie, persoonlijk contact heeft met vrienden of kennissen en hoe vaak men activiteiten buitenhuis samen met anderen doet. Ten derde werd vakbondslidmaatschap als afzonderlijk indicator opgenomen. Politiek kapitaal – of de mate dat men ‘aangesloten’ is op het politieke systeem – werd noodzakelijkerwijs geoperationaliseerd via de variabele ‘politieke belangstelling’ (geen; weinig; tamelijk; (heel) veel). Variabelen als neerwaartse retrospectieve economische mobiliteit, geblokkeerde sociale mobiliteitskansen en gevoelens van in de steekgelaten worden door overheid vormen het vijfde blok in ons model. De eerste twee worden hier gemeten, in het verlengde van Wimmers hypothesen. Het betreft hier telkens een afzonderlijke variabele: de perceptie van de inkomensevolutie de afgelopen vijf jaar (gelijkgebleven, (sterk) vooruit, (sterk) achteruit) en perceptie van de kans om vooruit te komen in de maatschappij (even goede kansen als anderen; betere kansen en minder goede kansen als anderen). We gaan ervan uit dat mensen die dit soort percepties hebben de overheid en zijn sociaal vangnet hiervoor verantwoordelijk zouden kunnen achten. Een zesde blok variabelen wordt gevormd door attituden die dicht aanleunen bij het concept van anomie maar ons inziens daarvan te onderscheiden attituden vormen. Reflexieve onzekerheid verwijst naar het onvanzelfsprekende karakter van het dagdagelijkse leven als gevolg van de confrontatie met een enorme veelheid van handelingsmogelijkheden (Giddens, 1990; 1991; Beck, 1986; Bauman, 1991; 1998). In de hedendaagse ‘decisionistische’ of ‘geïndividualiseerde’ leefwereld krijgt het alledaagse leven en de vormgeving van het zelf het karakter van een reflexief experiment (Giddens, 1991: 173-174). De persoonlijke toekomst blijkt contingent – niet noodzakelijk en open (Laermans, 1993). Individuen moeten hun eigen biografie uitschrijven en hun eigen levensloop voortdurend uittekenen op alle maatschappelijke domeinen (Beck, 1990). Men is genoodzaakt te leren anticiperen op aanhoudende veranderingen in open en complexe omgeving. Deze beslissings- en keuzevrijheid betekent evenwel omgaan met groeiende onzekerheid (Bauman, 1998). Leven onder condities van (schijnbaar ongelimiteerde) vrijheid leidt namelijk tot een onophoudelijke confrontatie met risico’s en het bewustzijn van niet gekozen keuzemogelijkheden. Kiezen is altijd verliezen. Een keuze houdt altijd ‘niet-keuzen’ in. Deze ambivalentie en onzekerheid worden gemeten door vier uitspraken over de ingewikkeldheid van de werkelijkheid en de onzekerheid hoe te handelen en te denken: niet meer weten wat te denken omdat alles tegenwoordig zo ingewikkeld is (complexiteit), het steeds minder weten wat te denken over belangrijke kwesties (ambivalentie), het steeds moeilijker hebben om keuzen te maken (reflexiviteit), het lijkt wel of er geen eenvoudige oplossingen zijn voor vele sociale problemen (onvanzelfsprekendheid). Het construct drukt een persoonsbetrokken onzekerheid uit, als gevolg van (1) een reflexieve benadering van het eigen handelen en (2) het bewustzijn van de contingentie van de sociale werkelijkheid. Het concept internal locus of control omvat de individuele verwachting dat het persoonlijke handelen en het eigen gedrag een bepalende invloed hebben op bedoelde toekomstige resultaten (Rotter, 1965; 1975). In een samenleving, die in aanzienlijke mate een keuzevrijheid van het individu of minstens de capaciteit om zich aan voortdurend wijzigende omstandigheden aan te passen veronderstelt, komen tal van verwachtingen echter meermaals in bot-


Etnocentrisme

115

sing met de (materiële) mogelijkheden en de handelingsruimte waarover mensen beschikken. De feitelijke beslissingsvrijheid en de concrete manier waarop individuen binnen hun leefwereld (kunnen) handelen worden namelijk ten gronde bepaald door de sociaal gelaagde structuur van ongelijke verdeling van sociaal, cultureel en economisch kapitaal. Snelle veranderingen en gemediatiseerde verwachtingen staan zo haaks op de feitelijke mogelijkheden van bepaalde strata. Een ‘nieuwe’ ongelijkheid doemt op die een voedingsbodem voor gevoelens van groeiende machteloosheid kan vormen. De mate van gevoelens van controle op zijn directe omgeving wordt gemeten met drie items die nagaan in welke mate men invloed heeft op de eigen gewenste persoonlijke toekomst: altijd veel bereiken als men zijn best doet (inzet), het gevoel veel invloed te hebben op de dingen (invloed) en alles helemaal in de hand hebben (controle). Economische onzekerheid meet de toekomstverwachtingen met betrekking tot de eigen sociaal-economische positie. Dit construct wordt geoperationaliseerd aan de hand van drie items die de perceptie van de evolutie van het eigen economische kapitaal bevragen: zich minder luxe kunnen veroorloven (luxe), verlies van werk of inkomen (verlies) en financiële zorgen zullen toenemen (zorgen). Bij het concept maatschappelijke gevoelens van discriminatie verschuift de referent bij de evaluatie van de eigen maatschappelijke positie naar externe actoren of systemen, waarbij de ervaren, opgemerkte ongelijkheid doorheen een vergelijken van relatieve posities wordt begeleid door een evaluatie in termen van legitimiteit en rechtvaardigheid. Maatschappelijke discriminatie wordt opgevat als perceptie van feitelijke of vermeende differentiële groepsbehandeling. De discriminatieschaal wordt geconstrueerd aan de hand van vier items die een benadeling van de eigen groep ten aanzien van ‘andere’ groepen in verband met politiecontroles (politie), behandeling door overheid (overheid) en bedrijfsstrategieën in situaties van economische crisis (bedrijf) uitdrukken. Deze groep van attituden lijkt ons gegeven de voorgaand besproken theorieën afhankelijk te zijn van de objectieve context variabelen – inclusief cultureel kapitaal, de mate van levensbeschouwelijke betrokkenheid, het sociaal – en politiek kapitaal en (de subjectieve ervaring van) de mate van sociaal-economische mobiliteit. Als laatste blok ter verklaring van etnocentrisme wensen we de perceptie van de concrete woonomgeving in te brengen. In welke mate men vindt dat de leefsituatie in de buurt verslechterd, ongewijzigd of verbeterd is gedurende de laatste jaren en in hoeverre respondenten zich ‘s avonds veilig of onveilig voelen in de eigen buurt. Elementen die veelvuldig worden aangehaald mediërend tussen persoonlijke kenmerken en etnocentrisme. De afhankelijke variable, de outgroup-dimensie van etnocentrisme, wordt gevormd door drie uitspraken over vreemdelingen: het niet vertrouwen van migranten in het algemeen (vertrouwen), het zich bedreigd voelen in de tewerkstelling (bedreiging) en de verantwoordelijkheid van migranten in de criminaliteitstoename (criminaliteit). De negatieve instelling tegenover een ‘andere’ sociale groep of outgroup vormt het onderzochte construct.


116

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

10. Toetsing van de invloed van de subjectieve dimensie van integratie (naar analogie met het ‘anomie-model’) en van een achterliggend construct ‘sociaal kapitaal’. We kijken eerst via een meetmodel of de vier constructen van de subjectieve dimensie van integratie – internal locus of control, reflexieve onzekerheid, economische onzekerheid en maatschappelijke discriminatie – al dan niet gereduceerd kunnen worden tot één onderliggend construct, (deels) in navolging van het traditionele gebruik van het concept anomie. En zo ja of dit ook theoretisch verantwoordbaar is. In het gepresenteerde meetmodel (tabel 1) worden de indicatoren van de besproken theoretische concepten via een confirmatorische factoranalyse met LISREL 8.30 gezamenlijk en tegelijkertijd in een globaal meetmodel getoetst (Jöreskog & Sörbom, 1993). Een overschouwing van de ladingen laat met uitzondering voor het construct machteloosheid hoge waarden zien – de meeste factorladingen zijn groter dan 0.60. Dit weerspiegelt zich in de substantiële verklaarde variantie van elk van de indicatoren door de achterliggende factoren. Het was verder niet nodig om kruisladingen noch gecorreleerde residu-varianties in het model op te nemen. Theoretische specificiteit en strikt afgebakende betekenisvolle concepten – met als gevolg mindere geldigheid of een beperktere reikwijdte van de concepten – werden in het ‘zuiver’ meetmodel nagestreefd. Theoretisch gezien zijn vooral de relatief lage correlaties tussen de latente variabelen opmerkelijk. Een bewijs te meer dat we met empirisch en theoretisch onderscheiden constructen te maken hebben, die niet meer zo makkelijk tot een beperkter aantal concepten gereduceerd kunnen worden. Ondanks deze lage samenhangen was een meetmodel met een algemene achterliggende tweede-orde-factor voor de vier ‘verklarende’ factoren evenwel randsignificant (passingsmaten: X2=182.12; df=61; RMSEA=0.052; RMR=0.050; GFI=0.96). Blijkbaar maken de vier geconstrueerde concepten mogelijk toch deel uit van een achterliggend algemeen concept. Klassiek zouden sommigen hier van ‘anomie’ durven gewagen, maar we stelden eerder reeds dat we dit een te duister en diffuus begrip vinden. We houden het voorlopig als term op een subjectieve ervaring van uitsluiting als mogelijk onderliggend construct. Gezien de lage correlaties tussen de latente variabelen en omwille van de boven aangehaalde theoretische redenen – een terughoudendheid om alles op één op hoop te gooien als we de samenhang niet inhoudelijk kunnen duiden – verkiezen we echter de variabelen als elk op zichzelf staande te benaderen. Als we een blik werpen op de samenhangen tussen ‘outgroup’ (etnocentrisme) en de vier andere factoren, dan zien we dat deze negatieve gevoelens ten aanzien van vreemdelingen gepaard gaan met een gevoel van machteloosheid, reflexieve onzekerheid, sociaal-economische onzekerheid en gevoelens van discriminatie. Het structurele model met ‘outgroup’ als afhankelijke variabele geeft aan dat bijna 17% van de variantie van de ‘outgroup’-factor door de vier factoren wordt verklaard.


Etnocentrisme

117

Tabel 1: Meetmodel voor de vijf constructen Geobserveerde variabelen

Latente variabelen: gestandaardiseerde coĂŤfficienten (factorladingen)

Betrouwbaarheid

Internal Reflexieve Econo- Discrimi- Negatief locus of onzekermische natie t.a.v. control heid onzekerheid migranten

R2

Inzet Invloed Controle Complexiteit Ambivalentie Reflexiviteit Onvanzelfsprekendheid Luxe verlies inkomen/werk FinanciĂŤle zorgen Politie Overheid Bedrijf Vertrouwen Bedreiging Criminaliteit

0.61 0.45 0.68 -----

---0.72 0.82 0.81 0.66

--------

--------

--------

0.37 0.20 0.46 0.51 0.67 0.66 0.44

---

---

0.73 0.68

---

---

0.53 0.46

--------

--------

0.91 -------

-0.58 0.83 0.70 ----

----0.89 0.81 0.77

0.82 0.34 0.69 0.50 0.80 0.65 0.59

Correlaties tussen latente variabelen

Internal locus of control

Internal locus of control Reflexieve onzekerheid Economische onzekerheid Discriminatie Negatief t.a.v. migranten

Reflexieve onzekerheid

Economische onzekerheid

Discriminatie

Negatief t.a.v. migranten

1 0.16

1

0.34

0.29

1

0.06 -0.15

0.26 0.25

0.30 0.15

1 0.29

1

Passingsmaten: X2 = 212.13; df = 94; RMSEA = 0.045; RMR = 0.046; GFI = 0.96


118

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

In het onderzoek wordt het sociaal kapitaal via uiteenlopende indicatoren gemeten. Ten eerste of men al dan niet lid is van een vereniging, en zo ja, van één of meerdere soorten verenigingen. Ten tweede werd gepeild naar de mate van sociale contacten met de nabije omgeving (nooit of zelden; tot éénmaal per week; meerdere malen per week of meer). Via vier variabelen wordt nagegaan hoe frequent men een praatje maakt met buren, bezoek krijgt of op bezoek gaat bij familie, persoonlijk contact heeft met vrienden of kennissen en hoe vaak men activiteiten buitenhuis samen met anderen doet. Ten derde werd ook vakbondslidmaatschap bevraagd. Met een confirmatorische factoranalyse werd nagekeken of voorgaande variabelen één onderliggend construct ‘sociaal kapitaal’ representeren. Het resultaat is negatief (X2=116,46; df=9; p=0.000; RMSEA=0.113). In tweede instantie werd gepoogd om ‘persoonlijke’ relaties met buren, familie en vrienden enerzijds en ‘inbedding in sociale kaders’ (activiteiten buitenhuis, vakbondlidmaatschap en verenigingsleven) anderzijds in een twee-factorenmodel te passen. Wederom bleek het model niet te fitten (X2=56,93; df=8; p=0.000; RMSEA=0.081). Zelfs na weglating van een aantal indicatoren bleek er geen statistisch-wetenschappelijk aanvaardbaar ‘sociaal kapitaal’ construct uit te tekenen. Om die reden beslissen we dan ook om alle indicatoren afzonderlijk in de analyse op te nemen.

11. Toetsing van een globaal verklarend model De stapsgewijze causale analyse met de verschillende (blokken van) onafhankelijke variabelen doet ons inziens zowel recht aan (aspecten van) de objectieve leefsituatie als de subjectieve belevingen. Omwille van beheersbaarheid en het immense aantal onafhankelijke variabelen in het model wordt de LISREL-benadering verlaten voor een multiple regressie-analyse. Aangezien de te verklaren variabele ‘etnocentrisme’ quasi-metrisch is, kan een meervoudige regressie-analyse toegepast worden, waarbij de n klassen van de categorische variabelen als n-1 dummy’s gecodeerd worden waarbij telkens een klasse als referentiecategorie fungeert (McClendon, 1994: 208). De sterkte van de relatie tussen het behoren tot een categorie van een verklarende variabele en een te verklaren variabele wordt weergegeven door de gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten, die uitdrukken met welke proportie de score van de te verklaren variabele toeneemt of afneemt (uitgedrukt in eenheden standaardafwijking) indien de respondent tot de beschouwde categorie behoort en niet tot de referentiegroep – alle overige categorieën constant blijvend (McClendon, 1994: 211). Tabel 2 bevat de gestandaardiseerde partiële regressiecoëfficiënten (b’s) m.b.t. de verklarende variabelen. De b’s hebben het voordeel dat ze onderling vergeleken kunnen worden, waardoor een oordeel over de belangrijkheid van de effecten mogelijk is.


Geen levensbeschouwing Vrijzinnig Anders kerkelijk Kerkelijk Kerks Ref. Randkerkelijk

.03 -.01

.11 **

Laag inkomen Hoog inkomen Ref. Middelmatig inkomen

.14 ****

Leeftijd

.13 **** -.21 ****

.06 -.04

.15 **** -.21 ****

Opleiding laag Opleiding hoog Ref. Opleiding midden

.03

Werkloos Werkend Ref. noch werkend noch werkloos

.02

Man Ref. Vrouw

-.04 -.06 * -.10 *** -.05 -.02

.03 -.01

.05 -.05

.09 *

.13 *** -.21 ****

.03

-.05 -.06 -.09 *** -.05 -.00

.03 -.01

.06 -.05

.05

.08 ** -.18 ****

.06

-.06 * -.07 * -.10 *** -.07 * -.03 -

.04 -.02

.05 -.03

.07

.08 * -.18 ****

.05

-.05 -.07 * -.07 * -.03 .02

.02 .00

.02 -.03

.06

.06 -.17 ****

.04

Tabel 2: Gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (ß’s) met ‘negatieve houding t.a.v. migranten’ als afhankelijke variabele.

-.03 -.08 * -.05 -.03 -.03

.05 .03

.03 -.03

.04

.07 -.17 ****

.06

Etnocentrisme 119


-.03

.02 -.05

-.01 .03

.01 .10 ***

-.03 -.09 **

.02 -.02

.07 * .02 -.05

Lid vakbond Ref. Geen lid van vakbond

Lid van geen vereniging Lid van meerdere soorten verenigingen Ref. lid van ĂŠĂŠn soort vereniging

Contact buren laag Contact buren hoog Ref. Contact midden

Contact familie laag Contact familie hoog Ref. Contact midden

Contact vrienden laag Contact vrienden hoog Ref. Contact midden

Activiteiten buitenhuis laag Activiteiten buitenhuis hoog Ref. Activiteiten midden

Geen politieke belangstelling Weinig politieke belangstelling Veel politieke belangstelling Ref. matige politieke belangstelling

.09 ** .01 -.07 *

.01 -.02

-.05 -.08 **

.01 .06 *

-.00 .02

.02 -.04

-.02

.08 -.01 -.03

-.01 -.01

-.08 * -.10 **

.03 .02

-.03 .02

.02 -.08 *

-.03 -

.09 * .00 -.03

-.03 .01

-.06 -.11 **

.02 .00

-.07 .01

.01 -.1 2**

.02

120

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw


0.15

0.19

0.21

0.23

0.26

* significant op niveau 0.10; ** significant op niveau 0.05; *** significant op niveau 0.01; **** significant op niveau 0.001

0.14

0.13

0.18

R2

0.18

0.21

0.16

0.12

Adjusted R2

0.14

-.11 ***

-.14 **** .05 .10 ** .08 **

-.06 .02

-.06 -.02

-.02

Subjectief gevoel van veiligheid Ref. subjectief gevoel van onveiligheid

-.14 **** .06 .09 ** .13 ***

-.06 .04

-.05 -.04

-.03

.13 ****

0.13

-.10 *** .05

-.08 * -.07 *

-.00

Eval. Evolutie leefsituatie buurt verslechtering Ref. evolutie verbetering of status quo

Internal locus of control Reflexieve onzekerheid Economische onzekerheid Discriminatie

Gevoelens van in steekgelaten door overheid Nooit of zelden dergelijke gevoelens Regelmatig of vaak dergelijke gevoelens Ref. soms dergelijke gevoelens

Perceptie kans vooruit te komen in maatschappij Minder goede kansen in vgl met anderen Betere kansen in vgl met anderen Ref. Even goede kansen

Perceptie inkomensevolutie laatste 5 jaar: Gevoel (sterk) achteruitgegaan Ref. Gelijkgebleven of (sterk) vooruit

Etnocentrisme 121


122

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

We willen met onze analyse nagaan wat het totale effect is van een bepaalde variabele op de afhankelijke variabele, het outgroup aspect van etnocetrisme. In navolging van King et alii (1994: 173-182) doen we dit door verschillende opeenvolgende modellen te toetsen, waarbij steeds gecontroleerd wordt voor de variabelen uit de voorafgaande stap van de analyse. Hiermee geven we aan dat we er theoretisch van uit gaan dat de variabelen uit de voorgaande stappen ook effectief causaal voorafgaand zijn aan deze van de volgende stappen. De variabelen die in latere stappen worden toegevoegd worden dan gezien als consequenties van de variabelen opgenomen in de voorgaande stappen. De specifieke samenhang tussen de te verklaren variabele en de verklarende variabele wordt uitgezuiverd van het effect van voorafgaande onafhankelijke variabelen. In tabel 2 worden de totale effecten van de verschillende onafhankelijke variabelen op grijze achtergrond afgedrukt. In de regressieanalyses worden geen interactie-effecten opgenomen. We veronderstellen een additief model. Met betrekking tot de houding ten aanzien van migranten blijkt vooreerst het opleidingsniveau van zeer groot belang te zijn (opleidingsniveau partial R2=0.12). Opleidingsniveau verklaart zo’n één tiende van de variantie van de outgroup-variabele. Hoe lager het opleidingsniveau, hoe meer kans tot een negatieve houding t.a.v. migranten. Dit bevestigt andermaal de reeds herhaaldelijk vastgestelde invloed van het onderwijspeil op het etnocentrisme (Billiet, 1993, Pelleriaux & Elchardus, 1999; Hooghe, 1999). Een directe remmende invloed van het onderwijsniveau op een etnocentrische houding zou wellicht geïnterpreteerd kunnen worden als het effect van een langere blootstelling aan antiracistische vertogen in het onderwijs (cfr. Hagendoorn & Mckuee, 1999). Merk op dat onderwijsniveau uitgesproken de grootste geschatte gestandaardiseerde effecten (Beta’s) kent en dus een zeer sterk totaal effect op negatieve houding ten aanzien van migranten heeft. Geslacht blijkt geen significante invloed te hebben. Leeftijd daarentegen heeft een uitgesproken significant effect op negatieve houding. Hoe ouder de Antwerpse respondenten hoe meer uitgesproken de negatieve houding ten aanzien van migranten. Economisch kapitaal, geoperationaliseerd in beroepsstatus (werkende of werkloos) en gezinsinkomen (laag, midden, hoog) blijkt, ingebracht als ons tweede blok variabelen, geen additioneel effect te hebben op de houding ten aanzien van de migranten. Dit duidt erop dat – althans in Antwerpen – de negatieve gevoelens ten aanzien van migranten niet exclusief terug te voeren zijn op economische kwetsbaarheid, maar (relatief) gelijkmatig verspreid zijn over de volwassen bevolking eens men rekening houdt met leeftijd en opleiding. In tegenstelling tot onderzoek van Billiet & Loosveldt (1998) is er opmerkelijk genoeg geen negatief verband met sterkere levensbeschouwelijke betrokkenheid, onze variabele ingebracht als het derde blok. Kerkelijken en kerksen verschillen niet significant van randkerkelijken met betrekking tot houding ten aanzien van migranten. Intense kerkelijke betrokkenheid heeft voor de Antwerpse populatie bijgevolg geen milderend effect voor deze attitude. Anderskerkelijken kenmerken zich daarentegen wel door een minder negatieve houding ten aanzien van outgroups. Vermoedelijk is hier de kleine protestantse Antwerpse gemeenschap verantwoordelijk voor. Haar lange traditie van steun aan immigranten en asielzoekers wordt hier waarschijnlijk in weerspiegeld. Komen we dan aan het blok van de met sociaal kapitaal gerelateerde indicatoren. In tegenstelling tot Putnams thesis in ‘Bowling alone’ kennen respondenten die ingebed zijn in meerdere (soorten) verenigingen geen lager niveau van negatieve houding. Evenmin is het zo dat diegenen die geen lid zijn van verenigingen een hoger niveau zouden kennen van negatieve


Etnocentrisme

123

houding ten aanzien van migranten1. Verder hebben lidmaatschap van vakbond, het al dan niet (veel) contact hebben met buren, het al dan niet veel activiteiten buitenhuis ondernemen samen met anderen en het al dan niet hebben van politieke interesse, geen invloed op de negatieve houding ten aanzien van migranten. Deze bevindingen plaatsen vraagtekens bij de sociaal kapitaal these rond het belang van participatie in het verenigingsleven (Elchardus, Hooghe & Smits, 2000) en sociale inbedding in de buurt. Dat deze zouden leiden tot een betere aanvaarding van de ‘anders zijnde’ medeburgers wordt met ons model en de Antwerpse data niet bevestigd. Met betrekking tot de verklaring van etnocentrische attitudes aan de hand van sociaal kapitaal lijken ‘sterke bindingen’ (familiebanden, vriendschappen) meer van belang. Hoewel dit niet steeds is zoals verwacht. De mate van contact met vrienden is significant. Hoe meer contacten met vrienden hoe lager de negatieve houding ten aanzien van migranten. De hypothese dat contact met vrienden functioneert als sociaal vangnet voor identitaire angsten en een rem op etnocentrisme vormt wordt hierdoor gesteund. Nochtans houdt de hypothese dat strong ties sowieso leiden tot minder etnocentrisme, niet staande. Vele contacten met de familie leiden tot een hogere mate van negatieve houding ten aanzien van migranten. Een hypothese ter verklaring zou er in kunnen bestaan dat een zeer hoge familiale cohesie het ingroup gevoel verhoogt en als gevolg daarvan het negatieve outgroup gevoel zou versterken. De homogene familie als hoeksteen van de homogene ‘natie’ als het ware. Perceptie van neerwaartse retrospectieve economische mobiliteit (inkomensverlies de laatste vijf jaar) en geblokkeerde sociale mobiliteitskansen in vergelijking met anderen blijken, als variabelen in het vijfde blok ingebracht, geen significante invloed te hebben op de houding ten aanzien van migranten. Gevoelens van in de steek gelaten te worden door de overheid daarentegen wel. Zij die nooit of zelden zulke gevoelens hebben, kennen een significant positievere houding ten aanzien van migranten. Merk op dat er geen significant verschil is tussen zij die soms zulke gevoelens hebben of ze vaak hebben. Gecontroleerd voor alle voorgaand besproken variabelen blijken, met uitzondering van ‘reflexieve onzekerheid’, de opgenomen samengestelde variabelen die verwijzen naar ‘ervaringen van desintegratie’ en perceptie van de onmiddellijke leefomgeving, een significante

1. Merk op dat deze conclusie afhankelijk is van de plaats waar het concept ‘lidmaatschap verenigingsleven’ wordt ingepast in het causale padmodel. Wanneer gecontroleerd wordt voor alle in het causaal model opgenomen variabelen wordt het effect van ‘lid van meerdere soorten verenigingen’ significant en duidt het er op dat leden van verschillende verenigingen minder etnocentrisch zouden zijn. Het is nuttig om aan te duiden dat er in dit geval geschat wordt onder controle van alle andere variabelen opgenomen in het padmodel en dat de betreffende variabele als laatste in het causaal model zou gesitueerd zijn. Dit zou betekenen dat de causale orde wordt omgedraaid in vergelijking met de gangbare theorieën. Lidmaatschap van verenigingen zou dan het gevolg zijn van kenmerken zoals contacten met vrienden en familie, het zich (niet) machteloos voelen (locus of control), zich economisch (on)zeker voelen, zich (niet) in de steekgelaten voelen door de overheid, (geen) maatschappelijke discriminatie ervaren, zijn buurt (niet) zien verslechteren en zich (on)veilig voelen. Lidmaatschap vereniging zou dan een output variabele van al deze voorgaande variabelen zijn, wat manifest ingaat tegen de geformuleerde theorieën die stellen dat lidmaatschap juist een (causale) input is, die onder andere democratische waarden stimuleert. Vandaar ook de plaats die de variabele toegekend kreeg in het padmodel.


124

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

directe bijdrage tot de verklaring van de outgroupdimensie van de etnocentrisme-attitude. Etnocentrisme als een soort van identitaire verdedigingsreflex (zie Wimmer, 2000) in een snel veranderende buurt en wereld wordt daarenboven ondersteund door de andere samenhangen. Zo blijken diegenen die zich machteloos (internal locus of control) voelen om de werkelijkheid naar hun hand te zetten, diegenen die veronderstellen in de nabije toekomst economisch achteruit dreigen te gaan (zie Wimmer, 2000) en diegenen die zich door belangrijke maatschappelijke instellingen zoals overheid, politie en bedrijfswereld gediscrimineerd voelen meer ontvankelijk voor negatieve gevoelens van outgroups te zijn. Algemene angst voor het verlies van sociale status, en economische standing of identitair prestige in combinatie met een gevoel van uitsluiting en maatschappelijke desintegratie – in casu geen invloed op de sociale werkelijkheid te kunnen uitoefenen – vormen de ultieme mix voor de negatieve stigmatisering van migranten. Een significant netto-effect van reflexieve onzekerheid op etnocentrisme ontbreekt. Dit is wellicht niet zo verwonderlijk (maar wel in tegenstrijd met hypothesen van Billiet & Loosveldt, 1998) gezien ambivalente gevoelens over de complexiteit van de veranderde maatschappij evenzeer gepaard kunnen gaan met een ‘open’ blik. Het probleem stelt zich dus niet zozeer bij de beleefde complexiteit van de maatschappij als dusdanig. Van de als laatste blok ingebrachte variabelen blijken ‘gepercipieerde’ veranderingen in de woonomgeving, de (vermeende) verslechtering van de leefsituatie in de buurt en onveiligheidsgevoelens samen te hangen met etnocentrische houdingen. Deze effecten komen naar voor gecontroleerd voor zowel de subjectieve als de objectieve dimensie van integratie in de samenleving. Een verstoring van de ‘vanzelfsprekende’ machtsbalans in de buurt of de ‘normale’ leefsituatie lijken een voedingsbodem voor etnisch-geladen spanningen en gevoelens te zijn. Tot slot moet opgemerkt worden dat de proportie verklaarde variantie van de variabele ‘etnocentrisme’ op basis van de besproken onafhankelijke variabelen 21% à 26% bedraagt. Dat is relatief gezien niet slecht maar kan uiteraard stukken beter. Slechts 1/4 tot 1/5 van de werkelijkheid wordt verklaard aan de hand van het geponeerde verklaringsmodel. Als we enkel onze vier constructen van de subjectieve dimensie van integratie – internal locus of control, reflexieve onzekerheid, economische onzekerheid en maatschappelijke discriminatie – hanteren, hebben we een bijna even goed (of, zo u wil, een nog iets slechter) resultaat. Het betreft hier wel een latent model en het is algemeen geweten dat latente modellen hogere verklarende kracht hebben. Dat model lijkt dus een stuk spaarzamer maar is daarom niet noodzakelijk informatiever. Het belangrijke effect van onderwijs dat we terugvonden in het alternatieve model wordt er bijvoorbeeld verhuld. In ons alternatieve model komt de verklarende kracht van reflexieve onzekerheid bovendien te vervallen en treden naast opleiding en leeftijd, ook gevoelens van in de steek gelaten door de overheid, het gevoel van controle over zijn eigen leven (locus of control), maatschappelijke discriminatie, beleving van de leefsituatie van de buurt, en (on)veiligheidsgevoel naar voor die een (relatief) sterk effect op negatieve houding hebben. Minder sterk maar significant zijn levensbeschouwing, contacten met familie en contacten met vrienden als onafhankelijke determinanten. Reflexieve onzekerheid verdwijnt uit het plaatje door opleiding, gezien de grote mate van samenhang met het opleidingsniveau (r= - 0.33). Interessant is dat er een direct effect blijft van de andere attituden ondanks het inbrengen van de andere variabelen. Zonder één centraal concept als tussenliggend niveau te moeten verkiezen – sociaal kapitaal of anomie/attituden – kunnen beide verklarende invalshoeken in confrontatie met de empirische data in één model


Etnocentrisme

125

gehandhaafd worden. Zij het dat ze beide dienen opgesplitst te worden in afzonderlijke componenten en dat overkoepelende diffuse ‘catch all’ concepten dienen vermeden te worden. Bij dit alles blijft er dus ook een directe invloed van onderwijsniveau aanwezig. Deze benaderende oefening levert een aantal interessante bevindingen op, maar mag zeker niet gezien worden als een pasklaar afgerond verklaringsmodel. Dat was ook niet de bedoeling. Een verdere verfijning van de theorieën zijn noodzakelijk. Causale linken waar nu relatief snel overgegaan werd, dienen beter gemotiveerd te worden. Een aantal (sub)hypothesen zouden nog verder moeten onderzocht worden. En ‘last but not least’, hertoetsing op nieuwe andere data is noodzakelijk. Voor een echt alternatief goed sluitend verklaringsmodel is het nog te vroeg. Toch kunnen er voorzichtig een aantal gevolgtrekkingen uit de exercitie geformuleerd worden.

12. Conclusie en discussie Het lag in onze bedoeling de houdbaarheid van de stelling na te gaan dat de mate van integratie en participatie in de samenleving voor de Vlaming van invloed zal zijn op de houdingen die de Vlaming ontwikkelt ten aanzien van etnische minderheden (etnocentrisme). Het cultureel kapitaal (Bourdieu, 1992) dat de Vlaming al dan niet bezit en zijn sociaal-economische positie, zou daarbij bepalend geacht worden voor zijn integratie en participatie. Integratie en participatie vormen met andere woorden een interveniërende variabele tussen cultureel kapitaal en sociaal economische positie aan de ene kant en etnocentrisme of de houding tegenover etnische minderheden aan de andere kant. In dit stuk wilden we, aan de hand van inzichten uit de (internationale) sociaal-wetenschappelijke literatuur, de houdbaarheid van deze redenering theoretisch verder onderzoeken (en eventueel empirisch toetsen). Daarbij kwamen we onvermijdelijk uit op tradities die eveneens een interveniërend concept (als sociaal kapitaal of anomie) als draaischijf hanteren. We merkten dat het interessante perspectieven zijn waarmee een mooi conceptueel verhaal over verklaringen voor etnocentrisme te vertellen valt, waarvan we uit de literatuur weten dat die ook elk met de nodige aannames op zichzelf tot op zekere hoogte empirisch hard te maken zijn. Een kernprobleem bleek echter te zijn dat verklaringsmodellen die of sociaal kapitaal, anomie of integratie (als globale term voor een cluster van attitudes) als draaischijf hanteren, niet tegelijkertijd met elkaar te combineren vallen, wegens overlappend. Er moet telkens een keuze gemaakt worden tussen een benadering die de klemtoon hetzij legt op een ‘objectieve’ vorm van participatie (sociaal kapitaal, integratie) hetzij op een cluster van attitudes (anomie, integratie) de ‘subjectieve’ vorm van participatie. We suggereerden dat een reeks factoren die enerzijds verband houden met elementen van de objectieve, feitelijke leefsituatie (positionering in verschillende maatschappelijke subsystemen en mate van participatie) of anderzijds verband houden met de subjectieve beleving van de leefsituatie (een set van attitudes en de beleving van de ‘objectieve’ wereld rondom) samen en op gelijk niveau in een verklaringsmodel betrokken kunnen worden. Die invalshoek voor het opbouwen van een verklaringsmodel voor etnocentrisme, wensten we bij wijze van verkenning ook gedeeltelijk te confronteren met nieuw empirisch materiaal dat verzameld werd in Antwerpen om zo te proberen nagaan in hoeverre een dergelijke benadering staande te houden valt en perspectieven biedt.


126

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

Onze oefening heeft niet als doel een perfect en helemaal afgerond verklaringsmodel voor negatieve houding ten aanzien van migranten op te leveren. Toch kunnen er voorzichtig een aantal gevolgtrekkingen uit de oefening gedistilleerd worden. Inhoudelijk kan bijvoorbeeld gesteld worden dat er niet per se nood is aan – en het ook niets steeds empirisch aanvaardbaar is om dit te proberen – zeer algemene complexe concepten als interveniërende fenomenen ter verklaring van etnocentrisme. Om verder te komen in het verklaren van etnocentrisme lijkt het ons noodzakelijk om ruimte te creëren voor meer herkenbare enkelvoudige concepten, waarvan de onderlinge band theoretisch gespecifieerd wordt. Deelaspecten van of aspecten aanleunend bij deze globale effecten – contacten met vrienden en familie; locus of control, maatschappelijke discriminatie, economische onzekerheid – blijken samen maar toch als op zichzelf staande fenomenen een betekenisvolle bijdrage te kunnen leveren tot de verklaring van etnocentrisme. Het begrip van wat dit werkelijk betekent, stijgt duidelijk uit boven diffuse begrippen als sociaal kapitaal en anomie. Dit zou kunnen betekenen dat wie wil ingrijpen op het niveau van etnocentrisme kan proberen op deze fenomenen op zichzelf invloed uit te oefenen. Dat kan als een ietwat duidelijkere boodschap gelezen worden door beleidsmakers en maatschappelijke actoren. De bomen komen als het ware weer uit het bos te voorschijn. Dit levert dan ook inhoudelijk een aantal bevindingen op ter discussie. Lidmaatschap van meerdere verenigingen leidt in tegenstelling tot de gangbare opvattingen niet tot positievere gevoelens ten aanzien van minderheden. Inbedding in de buurt en betrokkenheid op de politiek al evenmin. Etnocentrisme is duidelijk geen lage klasse fenomeen (meer) aangezien werkzoekend of niet en laag of hoog inkomen niet relevant blijken ter verklaring van het fenomeen. Gevoelens van in de steek gelaten worden door de overheid en gevoelens van maatschappelijke discriminatie versterken daarentegen significant de negatieve gevoelens. Hetzelfde kan gezegd worden over in de toekomst verwachte economische onzekerheid. Beide effecten gelden bovendien onder controle van belangrijke achtergrondkenmerken. Persoonlijke ‘empowering’ – het individu greep op zijn omgeving laten krijgen – daarentegen blijkt bovenop onderwijsniveau uitermate belangrijk in de bestrijding van etnocentrisme. Tot slot blijkt – en dit is misschien uitsluitend een grootstedelijk fenomeen – dat de perceptie van de evolutie van de kwaliteit van de buurt waarin men woont en het subjectief gevoel van (on)veiligheid een significant effect hebben op de houding tegenover minderheden. Resultaten die aangeven dat de overheid wel degelijk over een aantal handvaten beschikt om een beleid te voeren ter bestrijding van het etnocentrisme.


Etnocentrisme

127

Bibliografie Abts, K. (2000) Evaluatie veldwerkfase survey-onderzoek ‘Antwerpenaren en hun stad’: steekproeftrekking, Interviews, non-respons en representativiteit. Brussel: IPSoMK.U.Brussel bulletin. (1999) 2000/2, 35 p. Abts, K. & M. Swyngedouw. (1999) Codeboek bij het survey-onderzoek ‘Antwerpenaren en hun stad’, Brussel: K.U.Brussel, IPSoM-bulletin 1999/1. Ballibar, E. & Wallerstein, I. (1988) Race, Nation, Class. Ambiguous Identities. London: Verso. Bauman, Z. (1991) Modernity and ambivalence. Cambridge: Polity Press. Bauman, Z. (1998) Leven met veranderlijkheid, verscheidenheid en onzekerheid. Amsterdam: Boom. Beck, U. (1986) Risikogesellschaft. Auf dem Weg in ein andere Moderne. Frankfurt am Main: Suhrkamp.Berry, J. & Sam, D. (1996) Billiet, J., Carton, A. & Huys, R. (1990) Onbekend of onbemind? Een sociologisch onderzoek van Belgen tegenover migranten. Leuven: Departement Sociologie. Billiet, J. & Loosveldt, G. (1998) ‘De houding tegenover migranten en het stemgedrag in Vlaanderen. Evolutie tussen 1989 en 1995 en een verklaringsmodel’, pp.95-118 in Swyngedouw, M., Billiet, J., Carton, A. & Beerten, R. (red.) De (on)redelijke kiezer. Onderzoek naar de politieke opvattingen van Vlamingen. Verkiezingen van 21 mei 1995. Leuven: Acco. Billiet, J., & M. Swyngedouw. (1995) De keuze tussen groen en extreem rechts in Vlaanderen. Sporen van een nieuwe breuklijn. Res Publica 37:247 - 261. Billig, M., Condor, S., Edwards, D. (1988) Ideological dilemmas: A social psychology of everyday. London: Sage. Blommaert, J. & Verschueren, J. (1992) Het Belgische migrantendebat. Antwerpen: Ipra. Blommaert, J. & Martens, J. (1999) Van Blok tot Bouwsteen. Een visie voor een lokaal migrantenbeleid. Leuven: Epo. Bourdieu, P. (1989) Opstellen over smaak, habitus en het veldbegrip. Amsterdam: Van Gennep. Bourdieu, P. (1991) Language and Symbolic Power. Cambridge: Polity Press. Bourdieu, P. (1992) Réponses. Pour une anthropologie réflexive. Paris: Seuil.


128

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

Bourdieu, P. (1998) Contre-feux. Paris: Liber. Brubaker, R. (1990) ‘Immigration, Citizenship and the Nation-State in France and Germany: A Comparative Historical Analy-sis’, International Sociology, 5 (4): 379-407. Byrne, D. (1999) Social exclusion. Buckingham: Open University. Carton, A. (1999) Selectie, training en evaluatie van interviewers binnen een interviewernetwerk. Leuven/Apeldoorn: Garant. Castles, S. (1987) Migration und Rassismus in Westeuropa. Berlin: Express Edition. Cohen, P. (1991) ‘Wir hassen die Menschen, oder: Antirassismus und Antihumanismus’, pp.311-336 in Bielefeld, U. (red.) Das Eigene und das Fremde. Neuer Rassismus in der Alten Welt? Hamburg: Junius. Decoster, K. (2000) Sociaal kapitaal voor politicologen: een contradictio in terminis? PSWPaper 4, Departement Politieke en Sociale Wetenschappen. Antwerpen: UIA. Deslé, E. & Martens, A. (1992) Gezichten van hedendaags racisme. Brussel: VUBPress. Dijk, Van T. (1993) Elite discourse and Racism. Newbury Park: Sage. Dollard, J. (1936) Caste and Class in a Southern Town. Yale. Elchardus, M., Hooghe, M. & Smits, W. (2000) Tussen burger en overheid. Een onderzoeksproject naar het functioneren van het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen. Oorzaken en gevolgen van middenveldparticipatie. Samenvatting van de onderzoeksresultaten. Brussel: VUB. Essed, P. (1992) Alledaags Racisme. Baarn: Ambo. Gaspard, F. (1993) ‘Racisme et nationalité’, pp. 152-158 in Wieviorka, M. (red.) Racisme et modernité. Paris: La Découverte. Giddens, A. (1990) The Consequence of Modernity. Oxford: Polity Press. Giddens, A. (1991) Modernity and Self-Identity: Self and Society in the Late Modern Age. Cambridge: Polity Press. Hagendoorn, L. (1995) ‘Intergroup biases in multiple group systems: the perception of ethnic hierarchies’, European Review of Social Psychology, (6): 199-228. Hagendoorn, L. & Mckuee, S. (eds.) (1999) Education and racism: a cross-national invetnory of positive effects of education on ethnic tolerance. Aldershot: Ashgate Hajnal, I. (1995) Weight 2.1. Leuven: K.U.Leuven.


Etnocentrisme

129

Hofmann-Nowotny, H. (1973) Soziologie des Fremdarbeiterproblems. Eine theoretische und empirische Analyse am Beispiel der Schweiz. Stuttgart: Enke. Hooghe, M. (1999) ‘Cumulatieve participatiepatronen en de democratiserende functie van het verenigingsleven. Het socialisatie- en betrokkenheidseffect van participatie aan vrijwillige verenigingen’, Sociale Wetenschappen, 42 (3): 24-48. Jacobs, D. (1998) Nieuwkomers in de politiek. Het parlementaire debat omtrent kiesrecht voor vreemdelingen in Nederland en België (1970-1997). Gent: Academia Press. Jacobs, D. & Maier, R. (1998) ‘European Identity: Construct, Fact and Fiction’, pp. 13-33 in Gastelaars, M. & de Ruijter, A. (red.) A United Europe. The Quest for a Multifaceted Identity. Maastricht: Shaker. Jacobs, D. (2000) ‘Giving Foreigners the Vote: Ethnocentrism in Dutch and Belgian Political Debates’, pp. 117-138 in ter Wal, J. & Verkuyten, M. (red.) Comparative Perspectives on Racism. Aldershot: Ashgate. Jacobs, M. (2000) ‘Sociaal kapitaal, verenigingsleven en regionale geschiedenis’, Mores. Tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen, 1 (3): 3-10. Jöreskog, K. & D. Sörbom. (1993) Lisrel8: Structural equation modeling with the SIMPLIS command language. Hillsdale: SSI. King, G., Keohane, R., Sidney, V. (1994) Desinging Social Inquiry. Scientific Inference in Qualitative Research. Princeton: Princeton University Press. Komter, A., Burgers, J. & Engbersen, G. (2000) Het cement van de samenleving. Een verkennende studie naar solidariteit en cohesie. Amsterdam: Amsterdam University Press. Laermans, R. (1993) Vlaanderen: een scenario. Structuurplan Vlaanderen. Lindler, W. (1993) ‘Migrationswirkungen, institutionelle Politik und politische Offentlichkeit’, pp. 147-164 in Kälin, W. & Moser, R. (red.) Migrationen aus der Dritten Welt. Ursachen - Wirkungen - Handlungsmöglichkeiten. Bern: Haupt. McAdam, D. (1982) Political process and the development of black insurgency 1930-1970. Chicago: Chicago University Press. McClendon, McKee J. (1994) Multiple regression and causal analysis. Itaca: Peacock Publishers Inc. Nagel, J. (1994) ‘Constructing ethnicity: Creating and recreating ethnic identity and culture’, Social Problems, 41: 152-171


130

Dirk Jacobs, Koen Abts & Karen Phalet, Marc Swyngedouw

Olzak, S. (1993) The Dynamics of Ethnic Competition and Conflict. Stanford: Stanford University Press. Pelleriaux, K. & Elchardus, M. (1999) ‘Verdraagzaamheid in Vlaanderen. Een onderzoek over de evolutie van het etnocentrisme’, Samenleving en politiek, 6 (5): 32-39. Portes, A. (1995) The economic sociology of immigration. New York: The Russel Sage Foundation. Portes, A. (1998) ‘Social capital: its origins and applications in modern sociology’, Annual review of sociology, 24: 1-24. Putnam, R. (1993) Making democracy work: civic traditions in modern Italy. Princeton: Princeton University Press. Rotter, J.B. (1966) Generalized expectancies for internal versus external control of reinforcement. Psychological Monographs, 80: 1-28. Rotter, J.B. (1975) Some problems and misconceptions related to the construct of internal versus external control of reinforcement. Journal of consulting and clinical psychology, 43: 56-67. Sassen, S. (1990) The global city. Princeton: Princeton University Press. Gennip, P. & Laeyendecker, L. (red.) Burgerschap, levensbeschouwing en criminaliteit. Humanistische, katholieke en protestantse visies op de kwaliteit van de huidige samenleving. Amersfoort: Acco. Stolle, D. (1999) ‘Onderzoek naar sociaal kapitaal. Naar een attitudinale benadering’, Tijdschrift voor Sociologie, 20 (3-4): 247-281. Swyngedouw, M. (1992) Waar voor je waarden: de opkomst van Vlaams Blok en Agalev in de jaren tachtig. Leuven: K.U.Leuven, sociologisch onderzoeksinstituut. Swyngedouw, M., Phalet, K. & Deschouwer, K. (1999) Minderheden in Brussel. Sociopolitieke houdingen en gedragingen. Brussel: VUBPress. Tajfel, H. & Turner, J.C. (1986) ‘The social identity theory of ingroup behavior’, pp. 7-24 in Worchel,S. & Austin, W.G. (eds.) Psychology of intergroup relations. Chicago: Nelson Hell Taylor, C. & Moghaddam, F. (1984) Theories of intergroup relations: international socialpsychological perspectives. New York: Praeger. Teulings, C. (1995) ‘Solidariteit en uitsluiting: De keerzijden van een en dezelfde medaille’, pp. 48-73 in Engbersen, G. & Gabriëls, R. (red.) Sferen van integratie. Naar een gedifferentieerd allochtonenbeleid. Meppel: Boom.


Etnocentrisme

131

Verdery, K. (1994) ‘Ethnicity, nationalism and state making: ethnic groups and boundaries past en future’, pp. 35-58 in Vermeulen, H. & Govers, C. (red.) The anthropology of ethnicity. Amsterdam: Het Spinhuis. Verkuyten, M. (1997) Redelijk racisme. Gesprekken over allochtonen. Amsterdam: Amsterdam University Press. Wieviorka, M. (1996) ‘Racisme et exclusion’, pp. 344-353 in Paugam, S. (red.) L’exclusion. L’état des savoirs. Paris: La Découverte. Wimmer, A. (2000) ‘Racism in Nationalised States: A Framework for Comparative Research’, pp. 47-72 in ter Wal, J. & Verkuyten, M. (red.) Comparative Perspectives on Racism. Aldershot: Ashgate. Waege, H. & J. Billiet (1998) Individualisme: een kwestie bij de eeuwwende? in Bral, L. (red.) Vlaanderen gepeild! Brussel: ministerie van de Vlaamse gemeenschap.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vlaanderen_gepeild_2001_4_verklaringen_voor_etnocentrisme.pdf by Vlaanderen-be - Issuu