RAAD VOOR BETWISTINGEN INZAKE STUDIEVOORTGANGSBESLISSINGEN
JAARVERSLAG - verslag over de werkzaamheden 2009 -
Inhoudstafel Inhoudstafel ................................................................................................................ 2 1. Inleidende beschouwingen .................................................................................. 3 1.1. Inleiding........................................................................................................ 3 1.2. Bevoegdheid en –uitbreiding........................................................................ 3 1.3. Secretariaat .................................................................................................. 6 2. Samenstelling van de Raad................................................................................. 6 3. Statistische gegevens en toelichting.................................................................... 7 3.1. Verzoekschriften en zittingsdagen................................................................ 7 3.2. Verzoekende partijen ................................................................................... 9 3.3. Voorwerp van het verzoekschrift ................................................................ 14 3.4. Uitspraken .................................................................................................. 17 3.5. Bijstand door een raadsman ...................................................................... 20 3.6. Schorsing van de werkzaamheden ............................................................ 21 3.7. Ordetermijn van 15 kalenderdagen ............................................................ 22 4. Overzicht en analyse van de beslissingen van de Raad ................................... 23 4.1. Ontvankelijkheid ......................................................................................... 23 4.1.1. De tijdigheid van het verzoekschrift..................................................... 23 4.1.2. Naleving van vormvoorschriften .......................................................... 26 4.1.3. Het regelmatig instellen en uitputten van het intern beroep ................ 29 4.1.4. De onbevoegdheid van de Raad......................................................... 32 4.1.5. Het niet naleven van de taalvoorschriften ........................................... 34 4.1.6. Gebrek aan belang.............................................................................. 34 4.1.7. Zonder voorwerp ................................................................................. 35 4.1.8. Het gezag van gewijsde van een besluit van de Raad........................ 36 4.1.9. Uitstel van de behandeling van de zaak.............................................. 37 4.1.10. Rechtsmacht interne beroepsinstantie ............................................ 38 4.2. Gegrondheid............................................................................................... 39 4.2.1. Beroep tegen een examenbeslissing .................................................. 41 4.2.2. Beroep tegen een examentuchtbeslissing .......................................... 57 4.2.3. Beroep in verband met de toekenning van een vrijstelling .................. 62 4.2.4. Beroep in verband met het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking ................................................................................ 64 4.2.5. Beroep tegen een beslissing ivm leerkrediet....................................... 65 4.2.6. Beroep tegen een beslissing waarbij het volgen van een schakel en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld. ............................................................ 67 4.3. Cassatieberoep bij de Raad van State ....................................................... 67 5. Opvolging door de instellingen .......................................................................... 73 6. Aanbevelingen van de Raad ............................................................................. 75
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
2
1. Inleidende beschouwingen 1.1. Inleiding 1. Voorliggend document brengt verslag uit over de werking van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen1 gedurende het jaar 2009, het vijfde werkjaar van de Raad. In dit verslag worden de 130 zaken die ingeleid werden tijdens het werkjaar 2009 toegelicht. Na behandeling van de zaken worden de uitspraken, zoals decretaal bepaald, geanonimiseerd gepubliceerd op de website van de Raad met aanduiding van het rolnummer. De besluiten waarnaar in voorliggend verslag worden verwezen, zijn dan ook te raadplegen op http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/Raad/. Daarnaast wordt ook het jaarverslag op deze website gepubliceerd. 2. Het jaarverslag is opgebouwd uit zes verschillende delen. Het eerste inleidende deel informeert over de reeds doorgevoerde bevoegdheidsuitbreiding van de Raad en de werking van het secretariaat. Het tweede deel behandelt de samenstelling van de Raad. Het derde deel verstrekt statistische gegevens over de Raad met de nodige bijhorende toelichting. Het vierde deel gaat ten slotte dieper in op de beslissingen van de Raad zelf door zowel de ontvankelijkheid als de gegrondheid van de verschillende zaken van het werkjaar 2009 te analyseren. In dit deel wordt tot slot ook een stand van zaken gegeven over de bij de Raad van State ingeleide cassatieberoepen en wordt ook geïnformeerd over de opvolging die de instellingen hebben gegeven aan de in 2009 uitgesproken vernietigingsbesluiten. Tot slot worden een aantal aanbevelingen geformuleerd.
1.2. Bevoegdheid en –uitbreiding 3. Krachtens artikel II.1, 15°bis van het Aanvullingsdecreet2 kan de Raad uitspraak doen over betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. De volgende studievoortgangsbeslissingen kunnen derhalve voorwerp uitmaken van een beroep bij de Raad: a) een examenbeslissing, dit is elke beslissing die, al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel; 1
Hierna kortweg Raad genoemd. Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 10 juni 2004. 2
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
3
b) een examentuchtbeslissing, zijnde een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten; c) de toekenning van een bewijs van bekwaamheid, dat aangeeft dat een student op grond van eerder verworven competenties of eerder verworven kwalificaties bepaalde competenties heeft verworven; d) de toekenning van een vrijstelling, zijnde de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; e) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld; f) het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet3. Onderwijsdecreet XIX4 gaf de Raad een nieuwe bevoegdheid: g) het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven. 4. In de werkjaren 2008 en 2009 was de Raad van oordeel dat hij niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen op grond van artikel 51 van het Flexibiliseringsdecreet (rechtstreekse diplomering). Enkel wanneer het kon begrepen worden als een toekenning van vrijstellingen, behandelde de Raad het dossier. Een arrest van de Raad van State met nummer 200.012 van 26 januari 2010 was echter een andere visie toegedaan: “Welnu, uit de hiervoor geciteerde verantwoording van het amendement dat heeft geleid tot artikel 51 van het flexibiliseringsdecreet, blijkt ondubbelzinnig de bedoeling van de indieners van dit amendement dat de beslissing die het instellingsbestuur neemt met toepassing van dit artikel “vatbaar is voor intern beroep in de instelling en voor het beroep bij het nieuwe administratieve rechtscollege (aangezien het gaat om een examenbetwisting in ruime zin)… De indieners beschouwen dergelijke beslissing bijgevolg klaarblijkelijk als een studievoortgangsbeslissing, waarvoor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen bevoegd is. Immers lijkt aangenomen te moeten worden dat het opnieuw om onachtzaamheid gaat, of nog veeleer dat de indieners van het amendement, door gewag te maken van “een examenbetwisting in ruime zin’, zelfs niet de noodzaak zagen om die beslissing nog eens uitdrukkelijk toe te voegen aan de definitie van studievoortgangsbeslissing en dat mocht volstaan met de 3
Decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen, B.S. 12 oktober 2004. 4 Decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX, B.S. 28 augustus 2009.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
4
definitie “examenbeslissing”, die onder meer refereert aan “elke beslissing die, al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor (…) opleiding als geheel” en de definitie van “toekenning van een bewijs van bekwaamheid”, “dat aangeeft dat een student op grond van eerder verworven competenties of eerder verworven kwalificaties bepaalde competenties heeft verworven.” Na verwijzing heeft de Raad een met deze opvatting conforme beslissing genomen. 5. Daarnaast kan de Raad krachtens artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet vanaf het academiejaar 2008-2009 eveneens uitspraak doen over beslissingen in verband met het leerkrediet die door het instellingsbestuur of door de stuurgroep Databank Hoger Onderwijs genomen zijn op grond van de procedure, zoals vastgelegd in artikel 113quater van het Structuurdecreet5. Artikel 113quater van het Structuurdecreet bepaalt dat de hoger onderwijsinstellingen en de stuurgroep een procedure moeten opstellen betreffende de melding en behandeling van verzoeken tot rechtzetting van materiële vergissingen en onjuistheden die de grondslag vormen voor een studievoortgangsbeslissing, een weigering tot inschrijving als vermeld in artikel 48 van het Financieringsdecreet6, of de vaststelling, vermeerdering of vermindering van het leerkrediet. Artikel 48 van het Financieringsdecreet stelt dan weer dat een hogeschool of universiteit de inschrijving van een student kan weigeren als hij een leerkrediet heeft dat kleiner of gelijk is aan nul. Daarop bestaat een uitzondering: een instelling kan een student met een leerkrediet kleiner dan of gelijk aan nul niet weigeren voor de inschrijving voor een initiële masteropleiding als de student voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor deze masteropleiding, vermeld in de artikelen 11 tot en met 13 van het Flexibiliseringsdecreet, en nog niet eerder een masterdiploma behaalde. 6. OD XIX7 zorgde naast de bevoegdheidsuitbreiding ook voor twee andere wijzigingen die betrekking hebben op de procedure: -
-
vanaf het academiejaar 2009-2010 moet ook bij de initiële studievoortgangsbeslissing de mogelijkheid tot het intern beroep bij de onderwijsinstelling en bijhorende modaliteiten vermeld worden; na vernietiging van de onrechtmatig genomen studievoortgangsbeslissing door de Raad vervalt de verplichting om bij de aanvechting van een nieuwe ongunstige studievoortgangsbeslissing genomen in opvolging van de uitspraak van de Raad de interne beroepsprocedure uit te putten vooraleer een beroep bij de Raad in te stellen.
5
Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 14 augustus 2003. 6 Decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen, B.S. 26 juni 2008. 7 Decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX, B.S. 28 augustus 2009.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
5
1.3. Secretariaat 7. Eddie Clybouw en Karla Van Lint waren in 2009 aangesteld als secretarissen van de Raad. Het secretariaat werd praktisch ondersteund door Patricia Coekaerts. Vanaf 1 maart 2010 neemt Sandrine Killemaes de functie over van Eddie Clybouw, die de griffie van de Raad voor Vergunningsbetwistingen gaat leiden. 8. Naast de eigenlijke ondersteuning van de Raad kreeg het secretariaat het afgelopen werkjaar eveneens verschillende informatievragen te verwerken. De vragen werden telefonisch of elektronisch aan de Raad gesteld. Het aantal vragen die aan de Raad worden gesteld los van de ingestelde procedures blijft relatief beperkt. Voorliggend werkjaar waren er wel heel wat inhoudelijke vragen in verband met het leerkrediet en de te volgen procedure. Vragen van onderwijsinstellingen over de gang van zaken en de bevoegdheid van de Raad werden tijdens het werkjaar 2009 slechts sporadisch meer gesteld. Studenten en instellingen zijn stilaan goed op de hoogte van het bestaan en de werking van de Raad. De Raad heeft zijn plaats in het hoger onderwijslandschap duidelijk ingenomen wat merkbaar is aan het sterk gestegen aantal ingeleide beroepen.
2. Samenstelling van de Raad 9. Tijdens het werkjaar 2009 was de Raad samengesteld uit de volgende leden: Voorzitter:
de heer Marc Boes
Plaatsvervangend voorzitter:
de heer Jean Dujardin en mevrouw Kaat Leus
Werkend bijzitter:
de heer Luc Van de Velde mevrouw Jacqueline Hellemans
Plaatsvervangend bijzitter:
mevrouw Christiane Vanvinckenroye de heer Henri Verhaaren de heer Jan Geens de heer Daniël Cuypers
10. Voor wat betreft een concrete betwisting wordt de Raad – voorzitter en twee bijzitters – samengesteld in functie van de beschikbaarheid van de leden. Wanneer een lid verbonden is aan een bepaalde instelling, zetelt hij in ieder geval niet in die zaken waar zijn instelling betrokken partij is. Ook tijdens het vijfde werkjaar hebben de betrokken partijen geen leden gewraakt.8
8
Cf. art. II.33 Aanvullingsdecreet.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
6
3. Statistische gegevens en toelichting 3.1. Verzoekschriften en zittingsdagen 11. In 2009 werden 130 verzoekschriften ingediend en geregistreerd. Wat opvalt is de sterke stijging van het aantal verzoekschriften in april, november en december. Dit is het gevolg van de flexibilisering van het hoger onderwijs en het daaruitvloeiende examensemestersysteem. De vele verzoekschriften die in de zomer werden ontvangen, wijzen er wel op dat het merendeel van de studenten nog steeds het klassiek studietraject ingedeeld per academiejaar volgt. Aantal ingediende verzoekschriften per maand 35
21
19
18
9
8
de ce m be r
no ve m be r
se pt em be r
au gu st us
ju li
ok to be r
4
2
ju ni
m ei
2
ap ril
m aa rt
fe br ua ri
i
3
ja nu ar
5
4
12. In 2009 was er een stijging van het aantal verzoekschriften ten opzichte van het werkjaar 2008. Ten opzichte van het werkjaar 2005 is het aantal verzoekschriften in 2009 zelfs meer dan verdubbeld. Nog nooit werden zoveel verzoekschriften ingediend. Overzicht van het aantal verzoekschriften over de periode 2005-2009 140 120 100 80 60 40 20 0 aantal
2005
2006
2007
2008
2009
48
43
89
77
130
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
7
13. De Raad heeft in 2009 124 zaken behandeld en dat tijdens 33 verschillende zittingsdagen. Aangezien de overige zes verzoekschriften pas in december werden geregistreerd, was het voor de Raad praktisch onhaalbaar deze nog in het werkjaar 2009 te behandelen. Deze dossiers werden in het begin van 2010 op de agenda gezet. De besluiten die de Raad heeft genomen tijdens deze zittingsdagen worden ook toegelicht in voorliggend verslag. Aantal zittingsdagen en behandelde verzoekschriften per zittingsdag
zittingsdag maandag 26 januari 2009 donderdag 19 februari 2009 dinsdag 10 maart 2009 dinsdag 17 maart 2009 donderdag 19 maart 2009 vrijdag 27 maart 2009 donderdag 16 april 2009 maandag 20 april 2009 woensdag 29 april 2009
donderdag 7 mei 2009 woensdag 20 mei 2009 woensdag 17 juni 2009 dinsdag 23 juni 2009 donderdag 2 juli 2009 donderdag 9 juli 2009 donderdag 30 juli 2009 donderdag 6 augustus 2009 donderdag 13 augustus 2009 dinsdag 18 augustus 2009 donderdag 20 augustus 2009 donderdag 3 september 2009 woensdag 7 oktober 2009 woensdag 14 oktober 2009 woensdag 21 oktober 2009 donderdag 22 oktober 2009 donderdag 29 oktober 2009
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
rolnummers 2009/001 - 2009/002 2009/003 2009/004 - 2009/005 - 2009/006 - 2009/007 2009/008 2009/012 2009/013 2009/014 2009/015 2009/009 - 2009/010 - 2009/011 2009/016 2009/018 - 2009/019 - 2009/020 - 2009/021 2009/022 - 2009/023 - 2009/024 - 2009/025 2009/026 - 2009/027 - 2009/028 - 2009/029 2009/030 - 2009/031 - 2009/032 - 2009/034 2009/017 - 2009/033 2009/036 2009/035 2009/037 - 2009/038 2009/039 2009/041- 2009/042 - 2009/050 - 2009/052 2009/053 - 2009/054 - 2009/056 2009/044 - 2009/049 - 2009/057 - 2009/058 2009/060 - 2009/061 - 2009/064 2009/040 - 2009/045 - 2009/046 - 2009/047 2009/048 - 2009/051 - 2009/059 - 2009/062 2009/067 - 2009/068 2009/055 - 2009/063 - 2009/066 - 2009/069 2009/073 - 2009/074 - 2009/076 2009/043 - 2009/065 - 2009/070 - 2009/071 2009/072 - 2009/075
aantal zaken 2 1 5 1 1 1 1 3 1
16 2 1 1 2 1 7 7
10 7 6
2009/077 2009/078, - 2009/079 - 2009/080 2009/081 - 2009/082 - 2009/083 2009/085 - 2009/086 - 2009/087 - 2009/090 2009/084 - 2009/089 - 2009/093 - 2009/088 2009/091 - 2009/092 - 2009/094 2009/095 - 2009/096 - 2009/097
1 3 3 4 7 3
8
donderdag 12 november 2009 dinsdag 17 november 2009 dinsdag 24 november 2009 woensdag 2 december 2009 dinsdag 8 december 2009 donderdag 10 december 2009 vrijdag 18 december 2009 33 zittingsdagen in 2009
2009/098 - 2009/099 - 2009/100 - 2009/101 2009/103 - 2009/104 2009/095 - 2009/102 2009/105 - 2009/106 - 2009/107 - 2009/108 2009/110 - 2009/112 - 2009/116 2009/109 - 2009/111 - 2009/113 - 2009/114 2009/117 - 2009/118 2009/119 - 2009/120 - 2009/121 - 2009/122 2009/123 - 2009/124
4 2 2 4 3 6 6 124
3.2. Verzoekende partijen 14. De 130 verzoekschriften werden door 110 verschillende personen ingediend. Tijdens het werkjaar 2008 werden de 77 verzoekschriften door 65 verschillende personen ingediend. Net zoals de vorige werkjaren waagden een aantal studenten meermaals hun kans bij de Raad. Dit gebeurt wanneer studenten hun verzoekschrift onontvankelijk verklaard zien doordat ondermeer het eerste verzoekschrift niet ondertekend was; naar voorwerp niet correct geformuleerd; er geen intern beroep werd ingesteld. In sommige gevallen kunnen zij dit dan naar aanleiding van een tweede beroep nog tijdig rechtzetten door een regelmatig ingediend verzoekschrift. Het eerste verzoekschrift wordt dan zonder voorwerp of onontvankelijk verklaard. Er zijn ook studenten die na één of meerdere keren een gegrond beroep te hebben ingesteld opnieuw niet tevreden zijn met de nieuwe studievoortgangsbeslissing van de instelling. Dit komt meestal voor wanneer de vernietiging is gebaseerd op een schending van de motiveringsverplichting of een beslissing deels gegrond is verklaard wegens schending van bepaalde rechten van studenten in het kader van het intern beroep vb. het hoorrecht, regelmatige samenstelling van de interne beroepsinstantie… In 2009 dienden 10 studenten telkens 2 verzoekschriften in, 3 studenten dienden elk 3 verzoekschriften in en 1 student diende zelfs 5 verzoekschriften in. De 5 verzoekschriften van één student beoogden telkens hetzelfde doel, het behalen van een bachelor/masterdiploma. Het voorwerp werd telkens op een verschillende wijze ingevuld en geformuleerd. In sommige gevallen heeft de Raad zich onbevoegd verklaard en was het beroep onontvankelijk of slechts gedeeltelijk ontvankelijk. Onderstaande tabel geeft een overzicht weer van de verzoekschriften die in 2009 werden ingediend door éénzelfde student en met hetzelfde voorwerp. Telkens wordt per student verduidelijkt wat de opeenvolgende besluiten zijn van de Raad.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
9
Aantal terugkerende zaken en bijhorende uitspraak rolnummers
beslissingen
1 003 - 012
éénmaal onontvankelijk - éénmaal niet gegrond
2 029 - 031
éénmaal zonder voorwerp - éénmaal gegrond
3 084 - 100
éénmaal gegrond - éénmaal zonder voorwerp
4 086 - 120
tweemaal gegrond
5 093 - 101
éénmaal niet gegrond - éénmaal onontvankelijk
6 095 - 125
éénmaal deels gegrond - éénmaal niet gegrond
7 097 - 114
éénmaal gegrond - éénmaal niet gegrond
8 098 - 116
éénmaal gegrond - éénmaal niet gegrond
9 109 - 111
éénmaal zonder voorwerp - éénmaal gegrond
10 117 - 118 11 009 - 010 - 011
éénmaal onontvankelijk - éénmaal gegrond éénmaal onontvankelijk - éénmaal niet gegrond - éénmaal onontvankelijk
12 091 - 113 - 130
tweemaal gegrond - éénmaal onontvankelijk
13 102 - 119 - 121 013 - 017 - 033 – 035 14 126
tweemaal onontvankelijk - éénmaal niet gegrond gegrond- niet ontvankelijk – deels ontvankelijk en niet gegrond – deels gegrond – onontvankelijk
15. In 2009 werden 71 verzoekschriften ingediend door mannen (55%) en 59 verzoekschriften door vrouwen (45%).
Verdeling man-vrouw
Vrouw 45% Man 55%
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
10
16. Het grootste aantal verzoekende partijen komt uit de provincie Antwerpen. Eén student die in het buitenland woont – in Luxemburg – heeft in 2009 een verzoekschrift ingediend bij de Raad. Ten opzichte van het werkjaar 2008 kan tevens een sterke stijging worden waargenomen in de provincies Oost- en WestVlaanderen.
Aantal verzoekschriften per provincie woonplaats student 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0
A antal
A ntwerpen
B russels Ho o fdstedelijk gewest
West-Vlaanderen
Limburg
Oo st-Vlaanderen
Vlaams-B rabant
buitenland
43
3
23
13
32
15
1
17. De hogeschoolstudenten stellen nog steeds de meeste verzoekschriften in hoewel het verschil steeds kleiner wordt. In verhouding tot het totaal aantal studenten dat ingeschreven is aan hogescholen en universiteiten worden meer beroepen ingesteld door universiteitsstudenten.
Verhouding hogescholen - universiteiten
Hogeschool 53%
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
Universiteit 47%
11
Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal verzoekschriften ingediend door hogeschool- of universiteitsstudenten over de periode 2005-2009. Een uitgesproken stijging doet zich voor bij de universiteitsstudenten. Terwijl de hogeschoolstudenten ten opzichte van het werkjaar 2008 18 verzoekschriften meer indienden, was dit bij de studenten van de universiteit 36.
Overzicht van het aantal verzoekschriften ingediend door hogeschool- of universiteitsstudenten over de periode 2005-2009 80 70 60 50 40 30 20 10 0
hogescholen
universiteiten
2005
35
13
2006
33
10
2007
58
31
2008
51
25
2009
69
61
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
12
18. Zoals ook in andere werkjaren het geval was, kwamen examenbeslissingen van alle verschillende studiegebieden aan bod. Overzicht verzoekschriften per studiegebied
Studiegebied Hogeschool Architectuur
Audiovisuele en beeldende kunst Gezondheidszorg Handelswetenschappen en bedrijfskunde
Industriële wetenschappen en technologie Muziek en dramatische kunst Onderwijs Sociaal-agogisch werk Toegepaste taalkunde Universiteit Economische en TEW
Gecombineerde studiegebieden Geschiedenis Psychologie en pedagogische wetenschappen
Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen
Sociale gezondheidswetenschappen Wetenschappen
soort opleiding Professioneel gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor/master Master Academisch gerichte bachelor Master Professioneel gerichte bachelor Bachelor na bachelor Professioneel gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Master Professioneel gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Professioneel gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Professioneel gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor
aantal 1 1 1 1 2 2 7 2 18 1 1 1 4 3 18 1 1 4
Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor/master Basisopleiding 2e cyclus Master Master na master Master Master/SLO Academisch gerichte bachelor Master Schakelprogramma Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor/master Master na master Voorbereidingsprogramma Master Academisch gerichte bachelor/master
2 2 1 3 1 1 1 5 4 3 16 2 16 1 2 1
Dit jaar kan – net als de vorige werkjaren – een groot aantal verzoekschriften gesitueerd worden in het studiegebied ‘onderwijs’. De stage en de daaruitvloeiende studievoortgangsbeslissingen blijven een knelpunt. Wat nieuw is, is dat een even
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
13
groot aantal te situeren is in het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde. Opvallend daarbij is dat o.a. examentuchtbeslissingen worden aangevochten. Wat de universiteiten betreft, kunnen twee koplopers vastgesteld worden in het studiegebied rechten, notariaat en criminologische wetenschappen: de academische gericht bachelor en de master na master. Een trend die ook in de werkjaren 2007-2008 kon vastgesteld worden.
3.3. Voorwerp van het verzoekschrift 19. In tegenstelling tot de vorige werkjaren, kan een sterke stijging worden vastgesteld bij de betwistingen van de theorieopleidingsonderdelen. De betwistingen rond de stage lijken hun piek achter de rug te hebben. De Raad heeft de voorbije jaren de aandacht gevestigd op de examenbeslissingen rond stage en blijkbaar lijkt dit zijn vruchten af te werpen. Aantal verzoekschriften per soort opleidingsonderdeel
soort opleidingsonderdeel praktijk proefschrift stage theorie praktijk + stage proefschrift + stage theorie + stage theorie + proefschrift theorie + masterproef theorie + voorbereidingsprogramma volledige opleiding herziening leerkrediet uitsluiting 2 de zittijd
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
aantal 11 11 19 63 1 1 4 2 1 1 12 2 2
14
20. Onderstaand diagram toont aan welke soort beslissingen werd aangevochten. Het grootste stuk van de taart betreft nog steeds de examenbeslissingen (70%). Daarna volgen de examentuchtbeslissingen en de maatregelen betreffende de studievoortgangsbewaking, goed voor resp. 13,1% en 6,9 %. Een trend die ook vorig jaar kon vastgesteld worden. Een lichte daling doet zich wel voor bij de betwistingen rond de toekenning van vrijstellingen. Voor de eerste keer werd wel een betwisting rond leerkrediet gevoerd.
Betwistingen studievoortgangsbeslissingen 2009 2,3% 0,8%
1,5%
1,5%
3,8% 6,9%
13,1%
70,0%
Examenbeslissing
Examentuchtbeslissing
Maatregel studievoortgangsbew aking/w eigering inschrijving
Toekenning vrijstelling
art. 51 flex - EVC/EVK rechtstreeks diplomering
Schakel- en/of voorbereidingsprogramma
herziening leerkrediet
studieprogramma
Uit onderstaande gegevens blijkt dat de examenbeslissingen nog steeds de hoofdmoot van de betwistingen uitmaakt doch sinds dit werkjaar kan een eerste maal een daling worden waargenomen (van 76,6 % naar 70 %). Aan deze daling beantwoordt een stijging van de betwistingen rond examentuchtbeslissingen die dit jaar hoger uitvallen (van 3,9 % naar 13,1 %). Andere uitschieters zijn niet waar te nemen, zij het dan dat er voor de eerste maal een betwisting werd gevoerd rond een schakel- en/of voorbereidingsprogramma en rond de herziening van het leerkrediet. In 2008 werd wel een betwisting rond een bewijs van bekwaamheid gevoerd terwijl dit in 2009 niet het geval was. In het werkjaar 2009 werden nog geen betwistingen ten gronde behandeld wat de nieuwe bevoegdheid van de Raad betreft : het weigeren van het opnemen van een opleidingsonderdeel in een diplomacontract. Deze betwistingen konden pas sinds september 2009 worden ingeleid. De bevoegdheidsuitbreiding kan aanleiding geven tot meerdere beroepen, maar is mogelijk nog niet bekend bij de studenten.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
15
Verhouding soorten studievoortgangsbeslissingen over de periode 2005-2009 studievoortgangsbeslissing
2009
2009% 2008 %2008 2007 %2007 2006 %2006 2005 %2005
één studievoortgangsbeslissing Examenbeslissing
91
70,0%
59
76,6%
68
76,4%
32
74,4%
38
79,2%
Examentuchtbeslissing
17
13,1%
3
3,9%
5
5,6%
1
2,3%
1
2,1%
9
6,9%
4
5,2%
6
6,7%
4
9,3%
6
12,5%
5
3,8%
5
6,5%
8
9,0%
2
4,7%
2
4,2%
-
-
1
1,3%
-
-
-
-
-
-
1
0,8%
-
-
1
1,1%
-
-
-
-
3
2,3%
1
1,3%
-
-
1
2,3%
-
-
studieprogramma
2
1,5%
3
3,9%
-
-
-
-
-
-
herziening leerkrediet meerdere studievoortgangsbeslissingen
2
1,5%
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1
1,1%
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
3
7,0%
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1
2,1%
-
-
1
1,3%
-
-
-
-
-
-
130
100%
77
100%
89
100%
43
100%
48
100%
Maatregel studievoortgangsbewaking/weigering inschrijving - art 52 flex Toekenning vrijstelling Toekenning bewijs van bekwaamheid (EVC) Schakel- en/of voorbereidingsprogramma art.51 flex - evc/evk rechtstreeks diplomering
Maatregel studievoortgangsbewaking/weigering inschrijving - art 52 flex + toekennen vrijstelling examenbeslissing + examentuchtbeslissing Toekenning vrijstelling + examenbeslissing Toekenning vrijstelling + studieprogramma Totaal aantal zaken
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
16
3.4. Uitspraken 21. In 2009 verklaarde de Raad 101 beroepen ontvankelijk en deels ontvankelijk. In 45 zaken werd het beroep volledig gegrond verklaard en in drie zaken deels gegrond. 48 keer ging de Raad over tot het vernietigen van de betwiste studievoortgangsbeslissing.
Ontvankelijkheid - gegrondheid 2009 60
50
40
30
20
10
0
aantal
volledig ontvankelijk - volledig gegrond
45
volledig ontvankelijk - niet gegrond
51
volledig ontvankelijk - deels gegrond
3
deels ontvankelijk - niet gegrond
2
niet ontvankelijk
20
nvt - zonder voorw erp - uitgesteld
9
In 20 zaken heeft de Raad zich niet moeten uitspreken over de grond van de zaak wegens onontvankelijkheid van het beroep. Ook in de 8 zaken waarvan het beroep in de loop van de procedure zonder voorwerp werd, sprak de Raad zich niet over de grond van de zaak. In één dossier werd de verdere afhandeling van de zaak geschorst. In 53 zaken besloot de Raad om het beroep van de verzoekende partij ongegrond te verklaren. In 82 zaken bleef de initiële studievoortgangsbeslissing gehandhaafd. Omgezet in percentages verklaarde de Raad in 2009 in totaal 77,6 % beroepen ontvankelijk en deels ontvankelijk. In 36,9 % van alle ingediende en geregistreerde zaken in 2009 ging de Raad over tot het vernietigen van de betwiste studievoortgang. Tijdens het werkjaar 2008 waren 71,5% van de beroepen ontvankelijk en werden 27,3 % van alle betwiste studievoortgangsbeslissingen door de Raad vernietigd. In 15,4 % van de zaken heeft de Raad zich in 2009 niet moeten uitspreken over de grond van de zaak wegens onontvankelijkheid van het beroep. Dit is een kleine daling ten aanzien van het werkjaar 2008 waarbij dit percentage 22,1 % bedroeg.
In 6,9 % van de zaken waarvan het beroep in 2009 in de loop van de procedure zonder voorwerp werd, sprak de Raad zich niet uit over de grond van de zaak. Hier is een kleine stijging waar te nemen ten aanzien van het vorig werkjaar waar het percentage 6,5 % bedroeg. In 40,7 % van de zaken van 2009 besloot de Raad om het beroep van de verzoekende partij ongegrond te verklaren. In 2008 was dat nog 44,2 % en in 2007 was dat nog 46 %. Uiteindelijk bleef in totaal in 63,1% van de zaken tijdens het werkjaar 2009 de initiële studievoortgangsbeslissing gehandhaafd. In 2008 bleven 72,7 % van de beslissingen gehandhaafd. Overzicht van de ontvankelijkheid en gegrondheid over de periode 2005 – 2008
ontvankelijkheid - gegrondheid volledig ontvankelijk - volledig gegrond volledig ontvankelijk - niet gegrond volledig ontvankelijk - deels gegrond deels ontvankelijk - gegrond deels ontvankelijk - niet gegrond niet ontvankelijk niet van toepassing (zonder voorwerp - uitgesteld)
2009
% 2009
45 51 3 0 2 20
34,6% 39,2% 2,3% 0,0% 1,5% 15,4%
9 130
6,9% 100%
2008
% 2008
2007
% 2007
2006
% 2006
2005
% 2005
16 20,8% 29 37,7% 2 2,6% 3 3,9% 5 6,5% 17 22,1%
30 33,7% 40 44,9% 4 4,5% 0 0,0% 1 1,1% 7 7,9%
17 39,5% 15 34,9% 1 2,3% 0 0,0% 0 0,0% 6 14,0%
2 4,2% 26 54,2% 7 14,6% 0 0,0% 1 2,1% 6 12,5%
5 77
7 89
4 43
6 12,5% 48 100%
6,5% 100%
7,9% 100%
9,3% 100%
22. Bovenstaande cijfers werken uiteraard door in de verhoudingen wat betreft de ontvankelijke zaken. Van de in totaal 101 beroepen die in 2009 ontvankelijk verklaard werden, heeft de Raad er 48 gegrond bevonden. De Raad heeft met andere woorden in 2009 in 47,5 % van alle ontvankelijke zaken de betwiste studievoortgangsbeslissing vernietigd.
Alle ontvankelijke zaken en hun gegrondheid 2009 2%
45% 50%
3% volledig ontvankelijk - volledig gegrond
volledig ontvankelijk - deels gegrond
volledig ontvankelijk - niet gegrond
deels ontvankelijk - niet gegrond
23. Uit de voorliggende cijfers blijkt dat voor wat betreft de ontvankelijk verklaarde dossiers in 2009 bijna één op de twee studenten een vernietiging van de betwiste Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
18
studievoortgangsbeslissing voor de Raad bekwamen, terwijl dat in 2008 een kleine drie op tien studenten was. In 2008 bedroeg het percentage 38,2 % terwijl dit in het werkjaar 2009 47,6 % was. Dit kan er alleen maar op wijzen dat studenten niet halsoverkop een beroep instellen bij de Raad maar met gegronde argumenten de regelmatigheid van de door de instelling genomen studievoortgangsbeslissing betwisten. Voor de bespreking van de gegronde zaken kan verwezen worden naar de analyse van de beslissingen van de Raad onder deel 4. Overzicht van de ontvankelijke zaken en hun gegrondheid over de periode 2005 – 2009 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
volledig ontvankelijk volledig gegrond
volledig ontvankelijk niet gegrond
volledig ontvankelijk deels gegrond
deels ontvankelijk gegrond
deels ontvankelijk - niet gegrond
2005
5,6%
72,2%
19,4%
0,0%
2,8%
2006
51,5%
45,5%
3,0%
0,0%
0,0%
2007
40,0%
53,3%
5,3%
0,0%
1,3%
2008
29,1%
52,7%
3,6%
5,5%
9,1%
2009
44,6%
50,5%
3,0%
0,0%
2,0%
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
19
3.5. Bijstand door een raadsman 24. In 53 beroepen deed de student een beroep op een raadsman: 35 beroepen met een advocaat en 18 beroepen met een andere raadsman (vb. een familielid of een ander vertrouwenspersoon). De onderwijsinstellingen deden in 61 van de 130 zaken een beroep op een advocaat. In vergelijking met het werkjaar 2008 deden iets meer studenten beroep op een raadsman (in 2008 was dat 1 op 4 studenten en in 2009 was dat 1 op 3 studenten). Bij de instellingen kan eenzelfde trend waargenomen worden. In ongeveer de helft van de ingestelde beroepen doet men beroep op een advocaat.
Raadsman student
aantal
advocaat
andere raadsman
geen raadsman
35
18
77
Raadsman instelling
aantal
ja
neen
61
69
25. Voor het werkjaar 2009 werden in 13 van de 48 gegronde en deels gegronde zaken door de student toevlucht genomen tot de bijstand van een advocaat en in 8 andere gevallen werd de student bijgestaan door een andere raadsman (een vertrouwenspersoon). Feit is en blijft dat in de meerderheid van de gegronde zaken de student met succes voor zichzelf opkwam.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
20
Onderwijsinstellingen lieten zich in diezelfde 48 dossiers in 19 dossiers bijstaan door een raadsman en in de andere 29 gegronde dossiers niet. Vaak is er wel een personeelslid van de instelling aanwezig die ter zitting het dossier kort schetst. Een inbreng die steeds door de Raad wordt gewaardeerd. Raadsman verzoekende partij – ontvankelijkheid – gegrondheid raadsman student advocaat
ontvankelijkheid volledig ontvankelijk
andere raadsman
deels ontvankelijk niet ontvankelijk nvt (zonder voorwerp) volledig ontvankelijk
geen raadsman
niet ontvankelijk volledig ontvankelijk
deels ontvankelijk niet ontvankelijk nvt (zonder voorwerp uitgesteld)
gegrondheid 2009 volledig gegrond 11 deels gegrond 2 niet gegrond 18 niet gegrond 1 1 2 volledig gegrond 8 niet gegrond 7 3 volledig gegrond 26 deels gegrond 1 niet gegrond 26 niet gegrond 1 16 7 130
Raadsman verwerende partij – ontvankelijkheid – gegrondheid raadsman instelling ontvankelijkheid Ja volledig ontvankelijk
Neen
deels ontvankelijk niet ontvankelijk nvt (zonder voorwerp) volledig ontvankelijk
deels ontvankelijk niet ontvankelijk nvt (zonder voorwerp uitgesteld)
gegrondheid volledig gegrond deels gegrond niet gegrond niet gegrond
volledig gegrond deels gegrond niet gegrond niet gegrond
2009 18 1 24 1 11 6 27 2 27 1 9 3 130
3.6. Schorsing van de werkzaamheden 26. De onderwijsinstellingen kunnen op basis van artikel II.40 van het Aanvullingsdecreet een schorsing van de werkzaamheden aanvragen van de
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
21
beroepen die in juli of augustus worden geregistreerd omwille van een gestaafde onderbezetting van de instelling ten gevolge van de jaarlijkse vakantie van het personeel. Het Aanvullingsdecreet laat een schorsing van ten hoogste 21 kalenderdagen toe. In 2009 hebben 13 hogescholen en 2 universiteiten om een schorsingsperiode verzocht. De Raad is meestal bereid om het verzoek in te willigen rekening houdend met de 21 kalenderdagen. De Raad meldt echter uitdrukkelijk aan de onderwijsinstelling dat gelet op de ordetermijn van 15 kalenderdagen om een uitspraak te doen, bij het vaststellen van de procedurekalender en de termijnen voor het indienen van de antwoord- en wederantwoordnota wel rekening wordt gehouden met de dagen die reeds verstreken zijn vooraleer de schorsingsperiode aanvangt. De Raad wenst bij voorkeur alle zaken te behandelen ten laatste de eerste helft van augustus zodat de zittijd in september niet verstoord wordt. Als schorsingsaanvragen betrekking hebben op termijnen die lopen na de eerste week van augustus, worden deze daarom doorgaans ingekort.
3.7. Ordetermijn van 15 kalenderdagen 27. De Raad spreekt zich uit binnen een ordetermijn van vijftien kalenderdagen. Deze termijn gaat in de dag na die waarop het beroep werd ingeschreven in het register. Vermits het om een ordetermijn gaat, is het overschrijden van deze termijn zonder gevolg wat de geldigheid van de uitspraak betreft. De Raad stelt evenwel – voor zover mogelijk – steeds deze ordetermijn voorop wanneer een zittingsdag wordt vastgesteld. In de drukke periodes worden de zaken om praktische redenen wel op vooraf bepaalde zittingen gebundeld. Als een aanvraag tot schorsing van de werkzaamheden in juli of augustus wordt toegekend, wordt de termijn geschorst met ten hoogste 21 kalenderdagen. Van de 130 behandelde zaken slaagde de Raad erin om 54 zaken ervan binnen de ordetermijn af te handelen. Dit betekent in bijna de helft van de dossiers. De overige zaken die buiten de drukke periode juli-augustus geregistreerd werden, kenden een afhandeling binnen de drie weken. In enkele dossiers werd de ordetermijn ruimschoots overschreden. Dit gebeurt dan doorgaans op vraag van één van de partijen of om andere specifieke redenen waardoor de procedure tijdelijk moet opgeschorst worden. Het afgelopen werkjaar werd in enkele zaken de behandeling van de zaak uitgesteld wegens een hangende strafrechtelijk geding waarover eerst diende uitspraak gedaan te worden. Het is ook organisatorisch soms moeilijk om alle zaken binnen een ordetermijn van 15 kalenderdagen af te handelen. Ondanks dit gegeven doet de Raad er alles aan om de student binnen een redelijke termijn uitsluitsel te geven over zijn of haar verzoekschrift.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
22
4. Overzicht en analyse van de beslissingen van de Raad 4.1. Ontvankelijkheid 28. De Raad onderzoekt ambtshalve de ontvankelijkheid van de verzoekschriften, vermits dit de openbare orde raakt. Indien tijdens de zitting duidelijk blijkt dat een dossier de toets van ontvankelijkheid niet kan doorstaan, gaat de Raad niet verder in op de grond van de zaak. 29. Tijdens het werkjaar 2009 werden 20 van de 130 beroepen volledig onontvankelijk verklaard9. Twee zaken werden dan weer deels onontvankelijk verklaard10. Acht van de 130 dossiers11 kenden geen voorwerp terwijl in één dossier een schorsing van de behandeling van de zaak werd uitgesproken. Deze procedure is nog steeds hangende in afwachting van een strafrechtelijk uitspraak inzake valsheid in geschrifte12. In vergelijking met het werkjaar 2008 is het aantal dossiers dat onontvankelijk werd verklaard verminderd. In het vorige werkjaar was dit 1 op 4,5 dossiers terwijl dit in het jaar 2009 1 op 6,5 dossiers was. 30. De onontvankelijkheid werd uitgesproken op volgende gronden: - een ontijdig ingesteld verzoekschrift; - het niet naleven van de vormvoorschriften; - een onregelmatig ingesteld intern beroep; - de onbevoegdheid van de Raad; - het gebrek aan belang; - de afstand van het beroep; - de uitputting van de rechtsmacht. Ondergaand worden de verschillende gronden nader toegelicht.
4.1.1. De tijdigheid van het verzoekschrift 31. De Raad gaat ambtshalve na of een verzoekschrift binnen de decretaal bepaalde vervaltermijn van vijf kalenderdagen is ingediend. Deze vervaltermijn gaat in de dag na die van de kennisname van de beslissing op intern beroep of, in voorkomend geval, na het verstrijken van de termijn van vijftien kalenderdagen die ingaat op de dag na deze waarop het intern beroep is ingesteld13. En net dat laatste verloopt niet altijd even vlot.
9
R. Stvb. nrs. 2009/003; 009; 011; 016; 017; 040; 064; 069; 073; 075; 077; 079; 085; 089; 101; 102; 117; 119; 126; 130; 007; 029; 078; 080; 099; 100; 108; 109; 115. 10 R. Stvb. nr. 2009/055 en nr. 2009/094. 11 R. Stvb. nrs.2009/007; 029; 078; 080; 099; 100; 108; 109; 115. 12 R. Stvb. nr. 2009/115. 13 Art. II.24, eerste lid Aanvullingsdecreet.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
23
Artikel II.14 tweede lid van het Aanvullingsdecreet14 stipuleert zeer duidelijk dat de beslissing die volgt uit de interne beroepsprocedure aan de student ter kennis moet gebracht worden binnen een termijn van vijftien kalenderdagen, die ingaat op de dag na deze waarop het beroep is ingesteld. De Raad heeft al meermaals vastgesteld dat de instelling zich niet aan deze termijn houdt. Het gevolg daarvan is dat de student op een beslissing van de interne beroepsinstantie wacht en de tijdigheid van het instellen van het beroep bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen uit het oog verliest. Ingeval er uiteindelijk geen beslissing wordt genomen op intern beroep kan de student geen regelmatig extern beroep meer instellen. De vorige werkjaren en ook in 2009 heeft de Raad impliciet aanvaard dat een beroep bij de Raad tegen een beslissing, waarbij de termijn van vijftien dagen werd overschreden, ontvankelijk was voor zover het ingesteld was binnen de vijf kalenderdagen na kennisname van de beslissing op intern beroep. Dit leidt er echter toe dat dergelijke zaken veel langer aanslepen dan de decreetgever in eerste instantie voor ogen had. Een dergelijke toestand is ongewenst en zorgt voor grotere rechtsonzekerheid. De Raad betreurt dit ten zeerste en wil dergelijke toestanden vermijden. 32. Naar aanleiding van enkele zaken die ingeleid werden in november 2009, waar de ingestelde termijn van 15 kalenderdagen om een intern beroep te behandelen dermate werd overschreden, heeft de Raad in haar besluiten een duidelijk standpunt ingenomen15. Naar het oordeel van de Raad dient een student bij het uitblijven van een tijdige beslissing van de interne beroepsinstantie binnen de vervaltermijn van vijf kalenderdagen een beroep in te stellen bij de Raad, tenzij voor het verstrijken van de termijn waarover de interne beroepsinstantie beschikt, deze aan de student meedeelt op welke latere datum zij uitspraak zal doen. In dat geval gaat de termijn van vijf kalenderdagen voor het beroep bij de Raad in de dag na die datum. Met het oog op de rechtszekerheid zal de Raad dit criterium toepassen voor de beroepen die ingediend worden na 1 januari 2010. In de zaken die de rest van het werkjaar 2009 werden ingeleid en waar de termijn werd overschreden werd telkens gewezen op het criterium dat vanaf januari 2010 wordt toegepast maar werd het beroep niettemin ontvankelijk verklaard16. 33. Het is niet ongewoon dat de instelling de ontvankelijkheid ratione temporis betwist en dit zeker als het gaat over het bepalen van de dag van de kennisname van de beslissing van de interne beroepsinstantie via de weg van het aangetekend schrijven. 14
Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 10 juni 2004. 15 R. Stvb. nr. 2009/103 en nr. 2009/104. 16 R. Stvb. nr. 2009/118 en nr. 2009/129.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
24
Het is niet van belang om te verwijzen naar een outprint van de website van de post waar de aangetekende brieven geregistreerd staan aan de hand van de barcode maar het is van belang te kijken naar de dag waarop het aangetekend schrijven door de postbode wordt aangeboden17. Het is deze aanbieding die de termijn van het beroep doet ingaan, niet de feitelijke kennisgeving ervan. Belanghebbenden kunnen de termijn immers niet op een latere datum doen ingaan door de kennisneming van de te bestrijden beslissing uit te stellen18: “Verzoekende partij diende een verzoekschrift in bij de Raad bij aangetekend schrijven van zaterdag 25 juli 2009 tegen een beslissing op intern beroep van 10 juli 2009. De beslissing werd, zoals blijkt uit stuk 1 van verzoekende partij, per aangetekend schrijven van vrijdag 10 juli 2009 door verwerende partij verstuurd. Uit datzelfde stuk bijgebracht door de verzoekende partij, blijkt dat de brief op haar adres werd aangeboden op 13 juli 2009. Het is deze aanbieding die de termijn van het beroep doet ingaan, niet de feitelijke kennisneming ervan door verzoekende partij. Belanghebbenden kunnen de termijn immers niet op een latere datum doen ingaan door kennisneming van de te bestrijden beslissing uit te stellen. De beroepstermijn van vijf kalenderdagen begon te lopen de dag na die van de aanbieding, in casu vanaf dinsdag 14 juli 2009 en verstreek in beginsel op zaterdag 20 juli 2009. Een weekend of een wettelijke feestdag verplaatst automatisch de datum van kennisname tot de eerstvolgende werkdag waarop de postdiensten open zijn.” Naar aanleiding van deze stellingname heeft een student tegen een niet ontvankelijk verklaren van een beroep op grond van de niet tijdigheid een cassatieberoep ingesteld. Het is momenteel nog afwachten welk standpunt de Raad van State zal innemen over dit punt. In afwachting blijft de Raad bij zijn eerder ingenomen standpunt dat niet de feitelijke kennisname maar het aanbieden van de aangetekende zending de beroepstermijn doet lopen. Uit een aantal zaken die werden ingeleid voorliggend werkjaar blijkt dat instellingen de beslissing op intern beroep meer en meer via e-mail aan de studenten bezorgen. Vaak voorziet het reglement dat de mededeling zowel via e-mail als via brief per post wordt bezorgd. In praktijk blijkt dat soms geen brief meer per post wordt verstuurd of de brief pas veel later aan de student wordt bezorgd. Dit heeft in meerdere gevallen tot onduidelijkheid geleid wat de vaststelling van de datum van kennisname betreft. Het Aanvullingsdecreet bepaalt dat de beroepstermijn begint te lopen de dag na deze van de kennisname van de beslissing op intern beroep, zijnde het moment waarop redelijkerwijze kan worden verwacht dat de student van de beslissing kennis heeft genomen. Zo heeft de Raad in een zaak beslist dat gezien er onduidelijkheid was rond de dag van de kennisname van de beslissing op intern beroep per e-mail deze mededeling geen voldoende zekerheid biedt over de datum van de kennisname in tegenstelling tot de mededeling van de beslissing die ook via de post was gebeurd. In dat geval neemt de Raad aan dat de betrokkene kennis heeft kunnen nemen van de beslissing op intern beroep de dag nadat de beslissing verstuurd is per post. 17 18
R. Stvb. nr. 2009/130. R. Stvb. nr 2009/069, 2009/075.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
25
“De Raad stelt dat het examenreglement van de instelling bepaalt dat de beslissing op intern beroep schriftelijk aan de betrokken student ter kennis wordt gebracht. Het Aanvullingsdecreet bepaalt dat de beroepstermijn begint te lopen de dag na deze van de kennisname van de beslissing op intern beroep, zijnde het moment waarop redelijkerwijze kan worden verwacht dat de student van de beslissing kennis heeft genomen. In voorliggend geval wordt niet ontkend dat verwerende partij op 26 februari 2009 de beslissing op intern beroep per e-mail heeft meegedeeld, maar de verwerende partij legt geen elektronisch ontvangstbewijs voor wanneer de verzoekende partij van die mededeling ook effectief kennis heeft genomen. Anders is het met de beslissing die via de post is meegedeeld. In dat geval neemt de Raad aan dat de betrokkene kennis heeft kunnen nemen van de beslissing op intern beroep de dag nadat de beslissing verstuurd is… Er van uitgaande dat de mededeling per e-mail in voorliggend geval geen zekerheid biedt over de datum van de kennisname, moet rekening gehouden worden met de mededeling van de beslissing via de post…19. In andere zaken besliste de Raad als volgt: “…Gezien uit het dossier niet blijkt of de verzoekende partij heeft kunnen kennis nemen van de beslissing per e-mail verstuurd op 29 oktober 2009 en gezien de beslissing ook per aangetekend schrijven van 3 november 2009 werd verstuurd, neemt de Raad aan dat de verzoekende partij kennis heeft kunnen nemen van deze beslissing op 4 november 2009.”.20 “…De Raad stelt vast dat het examenreglement van de instelling bepaalt dat de kennisgeving van de beslissing op intern beroep gebeurt “per e-mail en per aangetekende brief”. Op grond van deze bepaling neemt de Raad aan dat de termijn voor het instellen van een beroep bij de Raad ten vroegste maar ingaat de dag na de aanbieding van de aangetekende brief.”. 21 De datum van kennisname ingeval een beslissing per e-mail wordt verstuurd leidt vaak tot onduidelijkheid. In principe kan verwacht worden dat studenten geregeld hun elektronisch e-mail-verkeer bekijken zeker wanneer zij een beroepsprocedure hangende hebben en het reglement voorziet in een elektronische kennisgeving. Gezien de mogelijke betwistingen die dit tot gevolg kan hebben is het absoluut belangrijk dat het onderwijs- en examenreglement een zeer duidelijke reglementering opneemt. Ingeval zowel een mededeling per post als elektronisch is voorzien moet het reglement best bepalen wat nu de officiële inkennisstelling is.
4.1.2. Naleving van vormvoorschriften 34. Indien er een betwisting bestaat over de naleving van bepaalde vormvereisten die niet op straffe van nietigheid worden voorgeschreven, gaat de Raad telkens na in 19
R. Stvb. nr. 2009/014. R. Stvb. nr. 2009/106. 21 R. Stvb. nr .2009/114. 20
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
26
hoeverre de rechten van de verdediging werden gerespecteerd. De Raad wil immers, gelet op de intenties van de decreetgever, een strikt formele rechtsgang vermijden. 35. Slechts één vormvereiste wordt decretaal uitdrukkelijk op straffe van onontvankelijkheid voorgeschreven, met name de ondertekening van het verzoekschrift door de verzoekende partij of haar raadsman22. Opnieuw diende de Raad verzoekschriften onontvankelijk te verklaren wegens het niet-ondertekenen van het inleidend verzoekschrift23. Dat de aanwezige handtekening opvallend zou afwijken van de handtekeningen die de student op andere stukken zette, kan echter niet leiden tot onontvankelijkheid en ook niet tot opschorting van de procedure wanneer er geen daadwerkelijke klacht wegens valsheid wordt neergelegd24. “……De Raad wijst erop dat, behalve wanneer er aanwijzingen zijn van bedrog, het niet aan hem toekomt om de echtheid te onderzoeken van de handtekening wanneer verzoekende partij, zoals in voorliggend geval, beweert dat zij het beroepsschrift eigenhandig heeft ondertekend. Voor zover de Raad kan nagaan, is er geen klacht neergelegd om het stuk van valsheid te betichten en is het verzoekschrift in de huidige stand van de procedure bijgevolg ontvankelijk wat de vorm betreft.” Een niet-ondertekend exemplaar kan door een ondertekend verzoekschrift vervangen worden met dien verstande dat de vervanging van dit document binnen de decretaal vastgelegde vervaltermijn van vijf kalenderdagen25 gebeurt: “Het niet ondertekend verzoekschrift van 2 oktober 2009 is op grond van artikel II.24 §2 van het Aanvullingsdecreet niet ontvankelijk. De rechtzetting met het ondertekend verzoekschrift van 6 oktober 2009 gebeurde niet binnen de decretaal bepaalde vervaltermijn van vijf kalenderdagen. Het beroep van 6 oktober 2009 werd immers niet tijdig binnen de vijf kalenderdagen na kennisname van de beslissing op intern beroep ingesteld.” 36. De procedure voor de Raad kent de techniek niet van uitspraak bij verstek met mogelijkheid tot het aantekenen van verzet. Ingeval van regelmatige oproeping beletten de procedurevoorschriften niet dat in afwezigheid van één of beide partijen een beslissing wordt genomen. In 2008 is in 18 van de 77 zaken de verzoekende partij niet komen opdagen en in 4 zaken was de instelling niet vertegenwoordigd. In het werkjaar 2009 kan opnieuw een gevoelige stijging worden waargenomen van de zaken waarin de student niet aanwezig was op de zitting. In maar liefst 46 van de 130 zaken was noch een student noch een vertegenwoordiger aanwezig.
22
Art. II.24, §2, tweede lid Aanvullingsdecreet. R. Stvb. nr. 2009/117, nr. 009/119, nr. 2009/126, nr. 2009/129 24 R. Stvb. nr. 2009/121. 25 R. Stvb. nr. 2009/085. 23
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
27
De instelling vonden het in 8 op de 130 zaken niet nodig een vertegenwoordiger of advocaat te sturen. Dit is ongeveer een gelijke trend in vergelijking met het werkjaar 2008. De vraag stelt zich waarom meer en meer studenten het blijkbaar niet nodig achten persoonlijk aanwezig te zijn of een vertegenwoordiger te sturen naar de zitting van de Raad. Feit is dat er dit jaar een heel aantal studenten een zelfde voorwerp van betwisting hadden zodat het niet verwonderlijk zou zijn dat zij hun aanwezigheid niet noodzakelijk achten. Toch kan de Raad er niet genoeg de nadruk op leggen dat de aanwezigheid van de partijen op de zitting van groot belang is aangezien de mogelijkheid zich altijd kan voordoen dat de Raad ter zitting meer verduidelijking vraagt en dat de toelichting van de student doorslaggevend is om tot een bepaald besluit te komen. In de betreffende zaak nam één van de studenten in feite de verdediging op voor 14 andere medestudenten die eenzelfde verzoekschrift hadden ingediend. 37. Artikel II.39 van het Aanvullingsdecreet26 voorziet in de bijstand van een raadsman bij een procedure voor de Raad. Het begrip ‘raadsman’ wordt in artikel II.1, 14° van het Aanvullingsdecreet gedefinieerd als “een advocaat of een deskundige”. De Raad heeft in het verleden reeds aanvaard dat een ouder, mits het voorleggen van een schriftelijke machtiging, ter zitting als raadsman van een verzoekende partij kan optreden27. In een zaak maakte de verzoekende partij bezwaar tegen het optreden van een raadsman die in opdracht van de rector de instelling vertegenwoordigde tijdens de procedure voor de Raad. “Verzoekende partij merkt op dat de antwoordnota niet afkomstig is van de voorzitter, die de instelling als voorzitter van de Raad van bestuur dient te vertegenwoordigen in rechte. Verwerende partij stelt dat de rector de academische leiding heeft en de instelling vertegenwoordigt in alle academische aangelegenheden en derhalve ook in geschillen die verband houden met deze aangelegenheden. De Raad stelt dat het voorliggend beroep duidelijk behoort tot de academische aangelegenheden waarvoor de rector bevoegd is en is van oordeel dat de antwoordnota die door de raadsman namens de rector werd ingediend rechtmatig is.”.28 38. In een zaak riep de verwerende partij de onontvankelijkheid in op grond van het niet duidelijk vermelden van de woonplaats van de verzoekende partij.
26
Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 10 juni 2004. 27 R. Stvb. nr. 2009/062. 28 R. Stvb. nr. 2009/123.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
28
De Raad achtte het beroep wel ontvankelijk omdat in het betreffende geval duidelijk bleek dat de rechten van verdediging niet waren geschonden: “Verwerende partij stelt dat in het verzoekschrift niet duidelijk de woonplaats van de verzoekende partij werd aangegeven en enkel de plaats werd vermeld waar het verzoekschrift is geschreven. Evenmin werd de zetel van het bestuur van de instelling aangeduid. Uit het verzoekschrift en de bijlagen blijkt duidelijk welke instelling het betrof; de niet-vermelding van de zetel van het bestuur heeft in deze de rechten van verdediging niet geschaad. Door de toevoeging van de beslissing op intern beroep, waarop het adres van de verzoekende partij is aangeduid, is de woonplaats van de verzoekende partij voldoende duidelijk, zodat verwerende partij zich naar behoren heeft kunnen verdedigen. “29
4.1.3. Het regelmatig instellen en uitputten van het intern beroep 39. Een beroep bij de Raad kan pas ingesteld worden nadat het intern beroep regelmatig is ingesteld en uitgeput conform de artikelen II.24 en II.13 van het Aanvullingsdecreet30. Ook dit werkjaar behandelen meerdere besluiten de regelmatigheid van het interne beroep dat werd ingesteld door de verzoekende partij.31 Als de vraag over de regelmatigheid van het intern beroep zich stelt, verklaart de Raad deze beroepen wel ontvankelijk en onderzoekt de Raad dit telkens bij de ‘grond’ van de zaak, wat in voorkomend geval kan leiden tot een ongegrond beroep. De Raad hanteert in zijn besluiten de volgende formulering: ‘Of het besluit op intern beroep, dit beroep, terecht onontvankelijk heeft verklaard wordt hierna bij de beoordeling van de grond van de zaak onderzocht.’ Vooral het tijdig instellen van het intern beroep blijft een heikel punt. 40. Onderwijsdecreet XIX heeft ervoor gezorgd dat instellingen vanaf 1 september 2009 ook de initiële beslissing moeten voorzien van de vermelding van beroepsmogelijkheden- en modaliteiten. De ervaring leerde dat studenten niet op de hoogte waren van hun beroepsmogelijkheden en/of niet tijdig genoeg een intern beroep instelden. De Raad heeft reeds eerder verduidelijkt welke specifieke beroepsmodaliteiten noodzakelijk in de interne beroepsbeslissing vermeld dienen te worden: de mededeling dat het verzoekschrift bij een ter post aangetekende brief en binnen een beroepstermijn van vijf kalenderdagen bij de Raad moet zijn ingediend en de vermelding van de adresgegevens van de Raad.
29
R. Stvb. nr. 2009/004 Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 10 juni 2004. 31 R. Stvb. nrs. 2009/002; 012; 042; 043; 044; 049; 053; 063; 082; 089. 30
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
29
De Raad stelt vast dat niet alle instellingen tegemoetkomen aan deze decretale verplichting. Nochtans is dit voor de instellingen eerder nadelig aangezien de decretale termijn om een beroep bij de Raad in te stellen niet begint te lopen en zij derhalve steeds kunnen geconfronteerd worden met een beroep bij de Raad. 41. Het gebeurt nog steeds dat studenten een verzoekschrift bij de Raad indienen zonder eerst de interne beroepsprocedure te hebben aangevat. Het nut van een interne procedure is dat op een snelle en doeltreffende manier eventuele fouten kunnen worden rechtgezet, en dergelijke procedure is in het voordeel zowel van de verzoekende partij als de instelling. Door de interne beroepsprocedure krijgt de student immers de kans om een beter inzicht te verwerven in de motieven die tot de studievoortgangsbeslissing hebben geleid, terwijl de instelling in de mogelijkheid is om de beslissing te heroverwegen, rekening houdend met de elementen die door de student in zijn klacht naar voor zijn gebracht. Gezien het belang van de interne beroepsprocedure, verwondert de Raad zich erover dat er nog steeds studenten zijn die rechtstreeks hun toevlucht bij de Raad zoeken zonder eerst een interne beroepsprocedure aan te vatten32. 42. De wijze waarop de student intern beroep dient in te stellen, kan steeds teruggevonden worden in het onderwijs- en examenreglement van de instelling. Nog te vaak stelt de Raad vast dat de student de opgenomen regeling niet naleeft met als gevolg dat het verzoekschrift onontvankelijk moet verklaard worden wegens het niet instellen van een regelmatig intern beroep. Indien de instelling in haar onderwijs- en examenreglement bepaalt dat het intern beroep tegen een examenbeslissing moet worden ingesteld door middel van een gemotiveerd verzoekschrift dat in tweevoud dient te worden afgegeven op het studentensecretariaat of aangetekend dient te worden verstuurd, is het niet voldoende dat de student een e-mail verstuurt aan de ombudsman waarin een aantal vragen worden gesteld i.v.m. de stage. De inhoud van deze klacht kan volgens de Raad niet begrepen worden als een gemotiveerde klacht tegen een studievoortgangsbeslissing33. In een andere zaak34 oordeelde de Raad als volgt: “Uit artikel 17 van het onderwijs- en examenreglement blijkt dat de student formeel in kennis wordt gesteld van de beslissing in verband met de toekenning van vrijstellingen door middel van het aanbieden van een toetredingsovereenkomst, waarna de student ofwel intern beroep kan aantekenen tegen de studievoortgangsbeslissing in verband met de vrijstellingsaanvraag, ofwel een overeenkomst ondertekent. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat verzoekende partij op 9 november 2009 de toetredingsovereenkomst ondertekend heeft en derhalve geen intern beroep heeft ingediend bij de onderwijsinstelling, terwijl het instellen van een
32
R. Stvb. nr. 2009/079, R. Stvb. nrs. 2009/089 en 2009/102. R. Stvb. nr. 2009/064. 34 R. Stvb. nr. 2009/102. 33
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
30
intern beroep een voorwaarde is voor het instellen van een beroep bij de Raad.” 43. De bepalingen in het onderwijs- en examenreglement zijn derhalve doorslaggevend. Het is uiteraard niet de bedoeling dat de instelling “ambtshalve” in de plaats van de student het intern beroep instelt. Ook niet wanneer het examenreglement in dit verband stipuleert: “Een student die oordeelt dat een examenbeslissing zijn rechten schendt, kan intern beroep aantekenen. Hij kan zich in de eerste instantie informeren bij het departementshoofd. Een formele klacht moet evenwel altijd binnen de in het volgende lid aangegeven termijn in een verzoekschrift gericht worden aan de algemeen directeur.” Ook indien het departementshoofd geen verdere info verschaft over de interne beroepsinstantie is dit voor de student geen vrijgeleide om geen intern beroep in te stellen35. 44. In een dossier36 kwam volgende oordeel van de Raad van State naar boven in zijn arrest nr. 190.520 van 17 februari 2009: “…Een bestuur dat geconfronteerd wordt met de vernietiging van ook de initiële (examen)beslissing, dient eerst een nieuwe initiële (examen)beslissing te nemen. Tegen die nieuwe beslissing moet vervolgens het georganiseerd administratief beroep worden ingesteld. Een dadelijk beroep bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen tegen die (nieuwe) initiële examenbeslissing is derhalve onontvankelijk…” De Raad wijst er volledigheidshalve op dat artikel II.22 §2 van het Aanvullingsdecreet, ingevoerd door artikel V.54 van het Decreet betreffende het onderwijs XIX van 8 mei 200937, heden bepaalt dat na vernietiging van de onrechtmatig genomen studievoortgangsbeslissing door de Raad de verplichting vervalt om bij de aanvechting van een nieuwe ongunstige studievoortgangsbeslissing genomen in opvolging van de uitspraak van de Raad de interne beroepsprocedure uit te putten vooraleer een beroep in te stellen bij de Raad. 45. Ten slotte moet het intern beroep ook zijn ingesteld door een persoon met de vereiste hoedanigheid. De regel is dat een meerderjarige en handelingsbekwame persoon voor zijn rechten opkomt, hetzij zelf hetzij door middel van een aangestelde vertegenwoordiger. Voor wat betreft advocaten oordeelt de Raad dat naar analogie met artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek mag worden vermoed dat zij een volmacht hebben, maar voor andere personen geldt dat vermoeden niet. Zij moeten doen blijken gevolmachtigd te zijn, zo niet is het beroep niet op ontvankelijke wijze ingesteld38.
35
R. Stvb. nr. 2009/077. R. Stvb. nr. 2009/009. 37 Dit decreet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 augustus 2009, en artikel V.54 is blijkens artikel V.67 in werking getreden op 1 september 2009. 38 R. Stvb. nr. 2009/054. 36
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
31
4.1.4. De bevoegdheid van de Raad 46. De bevoegdheden van de Raad staan heel duidelijk opgesomd in artikel II.1.15° bis van het Aanvullingsdecreet. De Raad is bevoegd om te oordelen over een examenbeslissing, een examentuchtbeslissing, de toekenning van een bewijs van bekwaamheid, de toekenning van een vrijstelling, een beslissing over het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma of het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking zoals bepaald in artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet. Daarnaast kan de Raad krachtens artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet vanaf het academiejaar 2008-2009 eveneens uitspraak doen over beslissingen in verband met het leerkrediet die door het instellingsbestuur of door de stuurgroep Databank Hoger Onderwijs genomen zijn op grond van de procedure, zoals vastgelegd in artikel 113quater van het Structuurdecreet van 4 april 2003. Daarnaast kwam er door OD XIX39 een uitbreiding van de bevoegdheden. De Raad is nu ook bevoegd om te oordelen over het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven. 47. De Raad wees er nogmaals op dat hij niet bevoegd is om te oordelen over de herziening van studievoortgangsbeslissingen die door materiële vergissingen zijn aangetast40. De procedure om studievoortgangsbeslissingen die door materiële vergissingen aangetast zijn, worden krachtens artikel II.12 van het Aanvullingsdecreet41 autonoom door de instelling in het onderwijs- en examenreglement bepaald. De beslissing van de instelling om niet in te gaan op de vraag van verzoekende partij tot het bekomen van een aangepaste examenvorm betreft geen eindoordeel over het al dan niet geslaagd zijn voor een opleidingsonderdeel en kan dan ook niet beschouwd worden als een studievoortgangsbeslissing in de zin van artikel II.1.15° bis, a)42. 48. In het werkjaar 2009 werd de Raad geconfronteerd met de bevoegdheidsvraag over de beslissingen genomen op grond van artikel 51 van het Flexibiliseringsdecreet. Artikel 51 voorziet in de mogelijkheid om op grond van een bewijs van bekwaamheid en\of eerder verworven kwalificaties (EVK’s) aan een persoon rechtstreeks het diploma uit te reiken zonder dat een inschrijving is vereist. Ingeval het instellingsbestuur beslist om niet over te gaan tot het uitreiken van het betrokken diploma maar het volgen van bepaalde opleidingsonderdelen voorschrijft, geldt een bijzondere motiveringsplicht en dient in dat geval een substantieel verschil 39
Decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX, B.S. 28 augustus 2009. R. Stvb. nr. 2009/040. 41 Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 10 juni 2004. 42 R. Stvb. nr. 2009/003. 40
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
32
te worden aangetoond tussen de eindcompetenties van de betreffende EVK/bewijs van bekwaamheid en de door de instelling gehanteerde eindcompetenties van de opleiding. De Raad oordeelde dat beslissingen genomen in uitvoering van artikel 51 van het Flexibiliseringsdecreet niet tot de door de decreetgever limitatieve opgesomde bevoegdheden van de Raad behoort43. In het werkjaar 2008 oordeelde de Raad wel dat hij bevoegd was aangezien ze het voorwerp van het verzoekschrift als een verzoek tot toekenning van een vrijstelling beschouwde. In de casus die zich in 2009 aandiende, stelde de Raad uitdrukkelijk dat de beslissing niet beschouwd kan worden als een onderzoek tot het toekennen van vrijstellingen: “Beslissingen genomen in uitvoering van artikel 51 van het Flexibiliseringsdecreet behoren niet tot de door de decreetgever limitatief opgesomde bevoegdheden van de Raad. De Raad is voorts van oordeel dat de voorliggende beslissing van verwerende partij niet beschouwd kan worden als een onderzoek tot het toekennen van vrijstellingen, maar wordt geconcludeerd dat bepaalde eindcompetenties eigen aan de opleiding niet bereikt zijn. Voor het overige wordt toepassing gemaakt van artikel 51, §1, tweede lid waar verwerende partij stelt welk studieprogramma wordt opgelegd met het oog op de nog te verwerven eindcompetenties in de mate dat verzoekende partij het diploma wil verwerven.” Zoals eerder vermeld onder randnummer 4 neemt de Raad van State een ander standpunt in dit verband en is van oordeel dat de Raad wel bevoegd is. De Raad heeft zijn standpunt derhalve aangepast. 49. De Raad is enkel bevoegd voor beroepen tegen studievoortgangsbeslissingen ingesteld door een student, waarbij student in artikel II.1, 15° van het Aanvullingsdecreet wordt gedefinieerd als ‘de persoon ingeschreven in een instelling’. Gezien de decreetgever de belanghebbende partij die een beroep kan instellen bij de Raad expliciet heeft beperkt tot wie de hoedanigheid van student heeft, is de Raad niet bevoegd om kennis te nemen van een beroep ingesteld door andere belanghebbenden zoals een docent44. 50. De Raad heeft zich ook uitgesproken over het feit dat zij niet bevoegd is om uitspraak te doen over eventuele geleden morele en/of financiële schade45. 51. De beslissing van de instelling om niet in te gaan op de vraag van de student om, in uitzondering op het vastgelegde studieprogramma in de studiegids een tweede examenkans te voorzien, betreft geen ‘eindoordeel’ over het al dan niet geslaagd zijn voor een opleidingsonderdeel en kan op zich dan ook niet beschouwd worden als een studievoortgangsbeslissing in de zin van artikel II.1.15° bis, a)46. Ook is de Raad van oordeel dat een beslissing tot weigering van een gecombineerde inschrijving niet beschouwd kan worden als een maatregel van 43
R. Stvb. nr. 2009/017. R. Stvb. nr. 2009/073. 45 R. Stvb. nr. 2009/011. 46 R. Stvb. nr. 2009/055. 44
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
33
studievoortgangsbewaking zoals voorzien in artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet. Deze maatregelen betreffen enkel studenten die reeds een poging gedaan hebben om een bepaald opleidingsonderdeel af te werken maar daarin gefaald hebben. Dit is niet het geval bij een gecombineerde inschrijving. Dit is een inschrijving waarbij aan een student een geïndividualiseerd traject wordt toegestaan met een studieprogramma samengesteld uit opleidingsonderdelen van verschillende jaren47. Het genomen besluit van de Raad in dit verband dateert echter van april 2009. Op dat ogenblik was het onderwijsdecreet OD XIX waarnaar verwezen onder randnummer 46 nog niet in werking. Het weigeren om een opleidingsonderdeel op te nemen in het studieprogramma betreft met ingang van september 2009 een studievoortgangsbeslissing waarvoor de Raad wel degelijk bevoegd is. 4.1.5. Het niet naleven van de taalvoorschriften 52. Huidig werkjaar werd één verzoekschrift van een buitenlandse student ingediend die was ingeschreven in een anderstalige opleiding en zijn verzoek in het Engels had opgesteld.48 De Raad oordeelde wat de door verwerende partij aangehaalde exceptie betreft als volgt: “De Raad merkt op dat elke stap in de procedure voorafgaand aan het extern beroep in het Engels is gevoerd. Zowel de initiële studievoortgangsbeslissing, de interne beroepsbeslissing als de vermelding van de externe beroepsmogelijkheid en –modaliteiten in het onderwijs- en examenreglement zijn door verwerende partij eveneens in het Engels opgesteld. De Raad stelt tevens vast dat verwerende partij alle Engelstalige stukken en beslissingen in haar antwoordnota in voetnoten vertaald heeft naar het Nederlands. De Raad is derhalve van oordeel dat in voorliggend geval verwerende partij geen nadeel heeft ondervonden, en dat de Raad daardoor voldoende is voorgelicht in de taal van de rechtspleging over de argumentatie van de partijen.”
4.1.6. Gebrek aan belang 53. In één dossier is de instelling van mening dat de student zonder een belang een beroep instelt bij de Raad. Volgens de instelling kan de student geen beroep aantekenen tegen een examenbeslissing waarbij aan de student het masterdiploma niet wordt toegekend. Zolang de student niet over een bachelordiploma beschikt kan het masterdiploma niet worden uitgereikt en is het beroep zonder belang.
47 48
R. Stvb. nr. 2009/016. R. Stvb. nr. 2009/096
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
34
De student is van oordeel dat de instelling artikel 24 van het Flexibiliseringsdecreet49 schendt doordat ze geen voorwaarden reglementair heeft bepaald waaronder een student die nog niet in het bezit is van een bachelorsdiploma dat al dan niet rechtstreeks toegang verleent tot de mastersopleiding, tot die masteropleiding toegelaten wordt, terwijl artikel 24 de instellingen daartoe een gebonden bevoegdheidsdelegatie oplegt. De Raad oordeelde hierin als volgt50: “…Overigens blijkt op grond van artikel 11 Flexibiliseringsdecreet als algemene toelatingsvoorwaarde voor een masteropleiding het bezit van een bachelorsdiploma vereist is. Daarvan kan op grond van artikel 24, eerste lid van het Flexibiliseringsdecreet worden afgeweken. Maar artikel 24, tweede lid van het Flexibiliseringsdecreet bepaalt in onvoorwaardelijke termen dat voor het behalen van het aansluitende mastersdiploma het bezit van het diploma van een (onderliggende) bachelorsopleiding noodzakelijk is…” De Raad oordeelde dat het verzoekschrift op dat vlak onontvankelijk is. In een andere zaak oordeelde de Raad eveneens in die zin een antwoord op een exceptie van de verwerende partij dat het beroep onontvankelijk was voorzover het betrekking had op een examenbeslissing waarbij het masterdiploma diende uitgereikt te worden zonder dat de student reeds het bachelordiploma had. “Wat betreft de eerste exceptie, stelt de Raad wat volgt: de verzoekende partij kan hoe dan ook geen masterdiploma verkrijgen zolang ze geen voldoende behaald heeft voor haar masterproef. In de veronderstelling dat de Raad zou bevinden dat de evaluatie van de masterproef op onregelmatige wijze is gebeurd, volgt daaruit niet dat de verzoekende partij dus een voldoende daarvoor zal krijgen. Daarvoor zal dan eerst een nieuwe evaluatie moeten gebeuren, waarvoor nu het resultaat nog niet gekend is. De Raad kan zich dus nog niet uitspreken over het verzoek van de verzoekende partij dat zij zich ondanks het feit dat ze het bachelordiploma nog niet behaald heeft, toch aanspraak zou kunnen maken op het aansluitende masterdiploma. “
4.1.7. Zonder voorwerp 54. Ook in 2009 werden enkele dossiers onontvankelijk verklaard omdat tijdens de procedure een beslissing valt waardoor de rechtspositie van de student niet meer kan verbeteren. Zo kan een student in de loop van de procedure geproclameerd worden als professionele bachelor in de toegepaste informatica. Doordat er geen verbetering van de rechtspositie kan gebeuren, valt de procedure voor de Raad zonder voorwerp51: “Vermits verzoekende partij voor het opleidingsonderdeel met een examenbeslissing van 21 februari 2008 een nieuw en hoger cijfer (15 op20) heeft gekregen en op grond daarvan haar diploma van Bachelor in de 49
Decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen, B.S. 12 oktober 2004. 50 R. Stvb. nr. 2009/094. 51 R. Stvb. nr. 2009/011.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
35
toegepaste informatica heeft behaald, een examenbeslissing waartegen verzoekende partij geen beroep heeft aangetekend, heeft ook voorliggend beroep geen voorwerp meer en kan het niet leiden tot een verbetering van de huidige rechtspositie van verzoekende partij, met name dat zij geproclameerd als professionele bachelor in de toegepaste informatie.” 55. Ook gebeurt het dat de student afstand doet van zijn/haar vordering waarbij de Raad geen reden ziet om het afstand van beroep niet in te willigen52. Dit is het geval wanneer de interne beroepscommissie van oordeel was dat de student aanwezig was tijdens het examen, maar dat het onzeker was of de student het examen heeft afgegeven. De commissie achtte de klacht van de student gegrond en vroeg de examencommissie opnieuw bijeen te komen en de student desgevallend een nieuwe kans te geven voor het afleggen van het examen. De student trok naar de Raad maar deed later afstand van haar beroep omdat zij via e-mail van de instelling de melding kreeg dat het examenexemplaar terecht was en dat ze een creditbewijs behaalde53. De Raad stelt tevens vast dat de student niet altijd motiveert waarom hij/zij afstand doet van het ingestelde beroep. 56. Als een student een verzoekschrift ter vervanging van een eerder ingediend verzoekschrift neerlegt, valt de eerste procedure sowieso zonder voorwerp54. Een ondertekend verzoekschrift dat ter vervanging van een niet-ondertekend verzoekschrift wordt neergelegd, heeft eenzelfde gevolg55. 57. Wanneer een student een tweede verzoekschrift indient, dan wordt meestal afstand gedaan van het eerste verzoekschrift en daarbijhorende procedure. Evenwel is het perfect mogelijk dat de student afstand wil doen van zijn/haar tweede beroep. Dit gebeurt wanneer de Raad een paar dagen eerder dan het ingestelde tweede beroep het eerste beroep ontvankelijk en gegrond verklaarde56.
4.1.8. Het gezag van gewijsde van een besluit van de Raad 58. In één geval diende de Raad het verzoekschrift onontvankelijk te verklaren aangezien hij zijn rechtsmacht reeds had uitgeput ten aanzien van het voorwerp van het beroep57: “In zijn besluit nr. 2008/093 van 22 oktober 2009 heeft de Raad beslist dat het beroep van de verzoekende partij ook gericht was tegen de beslissing van de verwerende partij die werd meegedeeld bij brief van 13 oktober 2009, omdat de verzoekende partij in haar wederantwoordnota haar middelen tegen de beslissing zoals meegedeeld, heeft laten gelden. De Raad stelt ambtshalve 52
R. Stvb. nr. 2009/108, nr. 2009/099, nr. 2009/080, nr. 2009/078. R. Stvb. nr. 2009/007. 54 R. Stvb. nr. 2009/029. 55 R. Stvb. nr. 2009/109. 56 R. Stvb. nr. 2009/100. 57 R. Stvb. nr. 2009/101. 53
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
36
vast dat zijn rechtsmacht, wat betreft de thans bestreden beslissing, heeft uitgeput door zijn besluit van 22 oktober 2009.”
4.1.9. Uitstel van de behandeling van de zaak 59. Wanneer één van de partijen een stavingsstuk als vals bestempeld, kan de Raad niet anders dan oordelen dat de behandeling van de zaak slechts zal verdergezet worden wanneer de Raad zal ingelicht zijn over het gevolg dat aan de betichting van het desbetreffende stuk wordt gegeven58: “In haar nota van wederantwoord en ter zitting beticht de verzoekende partij de beslissing van 16 oktober 2009 van valsheid. Aangezien de verwerende partij dit stuk niet wenst terug te trekken en dit stuk relevant lijkt voor de behandeling van het beroep dient de Raad de verdere behandeling van het beroep op te schorten totdat de bevoegde rechter uitspraak zal hebben gedaan over deze betichting.” 60. De Raad kan bijna niet anders dan een behandeling van de zaak op te schorten indien een student al meermaals een verzoekschrift indiende en ten gevolge van deze procedure in de arresten van de Raad van State moet vaststellen dat de student een strafklacht met burgerlijke partijstelling indiende ten aanzien van een besluit van de Raad. En dit zeker wanneer de partijen naar dergelijke stukken verwijzen en gebruiken ter ondersteuning van de argumenten in een hangende zaak voor de Raad. Uiteraard dient in dergelijk geval de strafprocedure afgewacht te worden, vooraleer de Raad haar oordeel kan vellen59: “De Raad neemt akte van de arresten nr. 193.810 en nr. 193.809, beiden van 4 juni 2009, van de Raad van State die hem door de Raad van State bij aangetekend schrijven van 5 juni 2009 zijn bezorgd. Met beide arresten schorst de Raad van State de verdere afhandeling van beide cassatieberoepen tot na afloop van het door verzoekende partij ingestelde strafgeding. De Raad leest in het overwegende gedeelte van de arresten van de Raad van State dat de strafklacht die verzoekende partij met burgerlijke partijstelling heeft ingediend bij .......... , onderzoeksrechter te Gent, onder meer gericht zou zijn tegen de beslissingen in intern beroep van 13 maart 2008 en 2 juni 2008 van de interne beroepscommissie en tegen de beslissing nr. 2008/010 van 19 juni 2008 van deze Raad. De Raad kan niet anders dan vaststellen dat in de wederantwoordnota van verzoekende partij meermaals wordt verwezen naar voormelde stukken om haar argumentatie gericht tegen de thans bestreden beslissing te ondersteunen en dat tevens verwerende partij van deze stukken gebruik maakt en neerlegt in het administratief dossier. Op basis van de informatie waarover de Raad thans beschikt, blijkt het onduidelijk of voormelde stukken de enige stukken zijn die van valsheid worden beticht, blijkt evenmin wat de draagwijdte van de 58 59
R. Stvb. nr. 2009/115. R. Stvb. nr. 2009/035.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
37
strafklacht is en in welke mate de stukken vereist zijn om tot een besluit te komen. Gelet op het voorgaande kan het onderzoek van de zaak slechts worden voortgezet na afloop van het strafgeding. Bij beschikking van de Raadkamer werd de klacht echter geseponeerd waarbij de student per e-mail de Raad verzocht de procedure verder te zetten en een definitief besluit te nemen over het voorliggend beroep. Op de zitting van 3 februari 2010 werd dit dossier ten gronde behandeld.
4.1.10.
Rechtsmacht interne beroepsinstantie
61. Zoals reeds in het jaarverslag van vorig werkjaar opgemerkt passen enkele instellingen het principe van de devolutieve werking op het intern beroep toe. Dit betekent dat de beslissing van het werkelijk georganiseerd administratief beroep volledig in de plaats komt van de initiële studievoortgangsbeslissing en aldus diens materiële rechtskracht ontneemt. In dat geval kan enkel de interne beroepsbeslissing het voorwerp uitmaken van een beroep bij de Raad. De beslissing op intern beroep komt dan in de plaats van de aangevochten beslissing. Bij heel wat instellingen stellen we echter een getrapte vorm voor waarbij de interne beroepsinstantie vooreerst nagaat of het beroep ontvankelijk al dan niet gegrond is. Zij verwijst het dossier dan opnieuw door naar de bevoegde examencommissie. Die bijzondere examencommissie neemt dan de nieuwe beslissing ten gronde rekening houdend met de overwegingen van de interne beroepsinstantie. Beide vormen van organisatie hebben ongetwijfeld hun voor– en nadelen. De decreetgever heeft het aan de instellingen overgelaten om zelf het intern beroep te organiseren op een wijze die best werkzaam is binnen de instelling. Een intern beroepsinstantie met volle rechtsmacht kan als het ware als een soort kwaliteitsbewakend orgaan fungeren binnen de instelling wat zeker aangewezen kan zijn ingeval men evolueert naar een zuiver creditstelsel zonder deliberatie, waarbij het oordeel van één individuele docent de studievoortgang van een student kan bepalen. Een onafhankelijke instantie zal bij de studenten ook meer vertrouwen inboezemen. Meermaals wordt door studenten de onpartijdigheid van de examencommissie ingeroepen wanneer deze zelfde instantie ook in beroep een nieuwe beslissing dient te nemen. Anderzijds wordt door studenten ook bezwaar geuit tegen een onafhankelijke beroepsinstantie omdat zij van oordeel zijn dat deze in voorkomend geval niet representatief is samengesteld60. Uit de rechtspraak blijkt dat beide systemen aanleiding kunnen geven tot problemen in de instelling. In een bepaalde zaak werd door de interne beroepsinstantie die in voorkomend geval de volle rechtsmacht had het beroep gegrond verklaard en de initiële examenbeslissing vervangen door een nieuwe examenbeslissing waarbij de student in voorkomend geval geslaagd werd verklaard. De betrokken docent was zo
60
R. Stvb. nr. 2009/074.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
38
verontwaardigd dat hij zelf beroep instelde tegen de beslissing van de interne beroepsinstantie61. In enkele andere zaken hebben we reeds vastgesteld - al dan niet naar aanleiding van een tweede beroep- dat de beslissing van een interne beroepsinstantie die het beroep gegrond verklaard door de bijzondere examencommissie die in beroep uiteindelijk de nieuwe studievoortgangsbeslissing moet nemen gewoon terzijde wordt geschoven62. Het gevolg is vanzelfsprekend dat de student een extern beroep instelt. Voor de Raad is een zekere eenvormigheid wat de organisatie van het intern beroep wel gewenst. Doorgaans zijn nog steeds zowel de interne als de initiële studievoortgangsbeslissing voorwerp van de ingestelde beroepen. Het belangrijkste is dat de onderwijs- en examenreglementen de organisatie en de bevoegdheid van de betrokken instanties duidelijk aangeven.
4.2. Gegrondheid 62. Zoals eerder werd aangegeven stelde de Raad een duidelijke stijging vast van de gegronde zaken. In 36,9 % van alle ingediende en geregistreerde zaken en in 47,5 % van alle ontvankelijke verzoekschriften ging de Raad over tot het vernietigen van de betwiste studievoortgangsbeslissing. Van de in totaal 101 beroepen die in 2009 ontvankelijk verklaard werden, heeft de Raad er 45 gegrond en 3 deels gegrond bevonden. In dit verband dient wel opgemerkt dat in de loop van april 2009 na het afleggen van de examens van het eerste semester een groep van 15 studenten samen beslist hebben om een beroep in te stellen tegen een studievoorgangsbeslissing waarvan het voorwerp eenzelfde examen betrof en de schending van dezelfde middelen werden ingeroepen. Gezien de procedure voor de Raad niet beschikt over de mogelijkheid van een ‘class action’ werd elke beroep door de betrokken studenten afzonderlijk ingeleid en werd een apart rolnummer gegeven. Deze beroepen werden gegrond verklaard wat vanzelfsprekend het aantal vernietigingsbesluiten sterk heeft verhoogd waardoor er toch een licht vertekend beeld ontstaat63. Zoals ook andere jaren het geval was, zijn de in de voetnoot aangeduide gegronde en deels gegronde besluiten te raadplegen op basis van de rolnummers op de website van de Raad. 63. Bij heel wat studenten bestaat nog steeds de onduidelijkheid over de precieze bevoegdheid van de Raad. De decreetgever heeft de reikwijdte van de bevoegdheid van de Raad bij de beoordeling ten gronde van de studievoortgangsbeslissing echter duidelijk omlijnd64:
61
R. Stvb. nr. 2009/073. R. Stvb. nrs. 2009/122; 123; 124 en nr. 2009/120. 63 R. Stvb. nrs. 2009/018 tot 032 en 2009/034. 64 Artikel II.21, tweede lid Aanvullingsdecreet. 62
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
39
“De Raad stelt zijn appreciatie betreffende de waarde van de kandidaat niet in de plaats van die van het bestuur of enig orgaan dat werkt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur.”. De Raad als administratief rechtscollege beperkt zich derhalve tot de legaliteitstoets, i.e. de conformiteit met de rechtsregels. Daarnaast toetst de Raad de opportuniteit van de bestuursbeslissing slechts marginaal. De Raad onderzoekt enkel of de beslissing kennelijk (on)redelijk is. De Raad kan bijgevolg niet in de plaats treden van de onderwijsinstelling en een nieuwe studievoortgangsbeslissing nemen. De Raad is wel bevoegd om in een geval van een vernietiging de onderwijsinstelling te bevelen een nieuwe beslissing te nemen onder de door de Raad gestelde voorwaarden. Zo kan de Raad bijvoorbeeld voorwaarden inzake de organisatie van het examen of inzake de motieven die bij het nemen van de studievoortgangsbeslissing moeten worden betrokken, verbinden aan het nemen van een nieuwe beslissing. Bijgevolg neemt de Raad in verschillende besluiten overwegingen op in het licht waarvan een nieuwe beslissing moet worden genomen. Specifieke voorwaarden worden meestal in het dispositief van het besluit opgenomen. Bovendien stelt de Raad, indien een beslissing wordt vernietigd, telkens een vrij korte termijn vast waarbinnen een nieuwe beslissing moet worden genomen. De Raad kan tevens in een vernietigingsbesluit, zo hij dit op grond van de aangedragen feiten kennelijk noodzakelijk acht, tevens aan de onderwijsinstelling bevelen om in afwachting van een nieuwe beslissing de student voorlopig in te schrijven, alsof er geen nadelige studievoortgangsbeslissing was genomen. Een greep uit de rechtspraak: “De bevoegde instantie van de verwerende partij neemt uiterlijk op 13 maart 2009 een nieuwe studievoortgangsbeslissing rekening houdend met voormelde overwegingen van de Raad. De Raad beveelt verder dat de verzoekende partij, in afwachting van een nieuwe beslissing van de verwerende partij, opnieuw wordt ingeschreven.”.65 “Het bevoegde orgaan van de verwerende partij zal een nieuwe beslissing nemen wat betreft het opleidingsonderdeel ‘Wiskundige propaedeuse deel 1’ uiterlijk op 30 april 2009, nadat de verzoekende partij het examen op een in onderling overleg vastgelegde datum afgelegd zal hebben in overeenstemming met het examenreglement en, bij gebrek aan overeenstemming, niet voor 20 april 2009.”.66 “De beslissing van 2 april 2009 genomen in het kader van het intern beroep wordt vernietigd. Er zal een nieuw examen over het betrokken opleidingsonderdeel worden ingericht dat zal gelden als eerste examenkans, waarbij de bevoegde instanties van de verwerende partij erover zullen waken dat, ongeacht de wijze van evaluatie, deze een voldoende betrouwbaar beeld 65 66
R. Stvb. nr. 2009/004. R. Stvb. nr. 2009/014.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
40
geeft van de kennis van de student. Dit examen zal worden ingericht niet eerder dan 20 mei 2009 en niet later dan 27 mei 2009.”.67 “De bevoegde instantie van de verwerende partij zal een nieuwe beslissing nemen, uiterlijk op 15 september 2009 maar niet voor 1 september 2009, nadat een nieuwe evaluatie, desgevallend in gewijzigde vorm, in die periode zal zijn gebeurd.”.68 Deze laatste verwijzing had betrekking op een ‘permanente evaluatie’. Vandaar dat de Raad ook expliciet vermeld had dat naar een gepaste vorm diende gezocht te worden om op korte termijn een nieuw examen te kunnen organiseren. Ondergaand wordt een overzicht gegeven van de ingeleide betwistingen volgens de aard van de studievoortgangsbeslissingen: -
een examenbeslissing; een examentuchtbeslissing; de toekenning van een vrijstelling; een maatregel van studievoortgangsbewaking; een beslissing over het leerkrediet
Dit jaar - in tegenstelling tot het werkjaar 2008 – zijn er geen betwistingen gevoerd rond de beslissingen over het toekennen van een bewijs van bekwaamheid.
4.2.1. Beroep tegen een examenbeslissing 64. Huidig werkjaar werden 91 verzoekschriften die een examenbeslissing tot voorwerp hebben ingeleid. In 36 gevallen werd de examenbeslissing vernietigd69. De verschillende middelen die aanleiding hebben gegeven tot specifieke rechtspraak in 2009 worden hierna besproken. Het onderwijs- en examenreglement 65. Het is van essentieel belang dat de onderwijsinstelling haar eigen opgestelde examen- en onderwijsreglement nauwkeurig toepast. Meermaals heeft de Raad vastgesteld dat dit niet het geval is. De niet correcte toepassing ervan wordt logischerwijze door de student aangekaart en betwist bij de Raad. De instelling moet de examenregeling correct toepassen70:
67
R. Stvb. nr. 2009/018. R. Stvb. nr. 2009/047. 69 R.Stvb. nrs. 2009/014 t.e.m. 032; 034; 047; 048; 050; 062; 067; 068; 070;074; 076; 083; 084; 086; 088; 092;095; 097;098;104;120. 70 R. Stvb. nr. 2009/088. 68
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
41
“Wat betreft de klacht dat er niet geheim gestemd werd over haar resultaat terwijl zij toch slechts voor een opleidingsonderdeel een onvoldoende had, blijkt uit artikel 36 § 4 van de examenregeling van de verwerende partij dat geheime stemming verplicht is “over het totale examenresultaat van een student die slechts voor één opleidingsonderdeel van slechts één examinator een onvoldoende heeft behaald of enkel voor meer dan één opleidingsonderdeel van slechts één examinator en die volgens de criteria niet geslaagd is… …Het uiteindelijke resultaat van 9 op 20 is dus toe te schrijven aan een onvoldoende die door één examinator is gegeven zonder dat de andere examinatoren daarvan op de hoogte waren. Rekening houdend met de bedoeling van artikel 36, § 4 van het examenreglement, namelijk dat een onvoldoende bij één examinator niet zonder geheime stemming tot het resultaat van niet geslaagd kan leiden, had ook in dit geval een geheime stemming moeten plaatsvinden.”. De Raad stelt dikwijls vast, gezien ook het bovenstaande, dat de instellingen zich niet altijd houden aan hun eigen onderwijs- en examenreglement. Ook op vlak van de begeleiding van de student kan één en ander beter op punt gezet worden71: “Artikel 3.2.1., tweede lid, zesde tot tiende zin van het aanvullend departementaal onderwijs- en examenreglement luiden als volgt: “Indien de student wenst te werken met een mentor voor de begeleiding van de masterproef, dan maakt deze laatste ook deel uit van de interne jury voor de betrokken student. De jury wordt voorgezeten door het departementshoofd of zijn gemandateerde. De samenstelling van de jury wordt aan de studenten medegedeeld, ten minste twee werkweken (waarin onderwijs- en studieactiviteiten gepland zijn) voor de aanvang van de evaluatie. Wijziging van de samenstelling van de jury kan uitsluitend in geval van overmacht. Om geldig te kunnen jureren moeten er minstens drie lesgevers betrokken bij het OO atelier aanwezig zijn” … “Het blijkt dat de verzoekende partij bij e-mail van 4 februari 2009 gevraagd heeft om een bijkomende mentor aan te duiden (dossier verzoekende partij, stuk 14, bijlage 5), en dat de verwerende partij daarmee instemde (dossier verzoekende partij, stuk 9). Daarbij werd gemeld dat deze mentor wel aanwezig mocht zijn bij de jurering, maar geen quotering mocht geven. De verwerende partij ontkent niet dat deze mentor niet aanwezig was bij de jurering, en zij was zeker niet aanwezig op de bijzondere zitting van de examencommissie van 7 juli 2009. Het hiervoor aangehaald artikel 3.2.1 van het departementaal onderwijs- en examenreglement is ongetwijfeld bedoeld als een waarborg voor de student. De aanwezigheid van de door hem of haar gekozen mentor bij de jurering is gericht 71
R. Stvb. nr. 2009/067.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
42
op de bescherming van de belangen van de student. Het is duidelijk dat de mentor, zelfs als hij of zij niet stemgerechtigd is, door zijn of haar inbreng in de discussie kan bijdragen tot de besluitvorming. De aanwezigheid van de mentor is derhalve een substantiële formaliteit. Dat de jury in aantal was om rechtsgeldig te kunnen beslissen, doet daaraan niet af.”. De Raad aanvaardt ook geen tegenstrijdigheden in de bepalingen72: “Uit de samenlezing van beide in het geding zijnde bepalingen van het onderwijs- en examenreglement blijkt een tegenstrijdigheid. Enerzijds bepaalt artikel 74, §4 : “eens de student voor de opleiding geslaagd is verklaard en zijn graad van verdienste is vastgesteld, is het niet meer mogelijk om opleidingsonderdelen opnieuw af te leggen ten einde de graad van verdienste te verbeteren.” Anderzijds bepaalt artikel 57 § 2 van datzelfde reglement: “De student heeft recht om over elk opleidingsonderdeel in een volgende examenperiodes opnieuw geëxamineerd te worden, ook indien hij voor het betreffende opleidingsonderdeel is geslaagd en indien het deel uitmaakt van een deliberatiepakket waarvoor de student reeds is geslaagd. Dat gebeurt op eigen risico: de laatst behaalde examencijfers tellen mee bij de beoordeling van het betrokken deliberatiepakket waarvoor de student reeds geslaagd is verklaard , en bij het toekennen van de graad van verdienste wanneer de student voor de opleiding is geslaagd.” Voorts bepaalt artikel 29 §2 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen, zoals ingevoegd door het decreet van 16 juni 2006, “Een student heeft voor ieder opleidingsonderdeel waarvoor hij ingeschreven is, recht op twee examenkansen in de loop van het academiejaar.” Het is juist, zoals de verwerende partij daartegenover stelt, dat artikel 31 § 1, laatste lid van datzelfde decreet bepaalt dat een student aan een creditbewijs niet kan verzaken, maar die regel moet begrepen worden als strekkende tot bescherming van de student, en betekent niet dat de student van dat recht geen afstand mag doen. In zoverre het onderwijs en examenreglement van de verwerende partij bepaalt dat de student een tweede examenkans krijgt ook al heeft hij bij zijn eerste examenkans reeds een credit verworven, is dus niet in strijd met het voormelde artikel 31. Het is verder ook terecht dat de verwerende partij opmerkt dat een student ook na het behalen van zijn diploma toch nog opnieuw examen mag afleggen om zijn creditcijfer te verbeteren (in die zin is het ook een oneigenlijk examencontract dat tot stand komt). Een praktisch verschil dat zich zeker voordoet wanneer men dit geval vergelijkt met het geval van de student die 72
R. Stvb. nr. 2009/104.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
43
reeds bij zijn eerste examenkans dat betere resultaat zou geboekt hebben, lijkt te zijn dat zijn graad van verdienste niet wordt aangepast. Credits en rankings zijn de dag van vandaag allicht belangrijker dan de graad van verdienste, maar dat doet er niet aan af dat ook dat gevolg voor de betrokken student belangrijk kan zijn. Alles samen genomen ziet de Raad niet wat de reden kan zijn om een student wel de kans te geven om zijn tweede examenkans te benutten ook al behaalde hij een voldoende bij zijn eerste examenkans (en dus een credit) in alle gevallen behalve wanneer hij “voor de opleiding geslaagd is verklaard en zijn graad van verdienste is vastgesteld.”. De tegenstrijdigheden in het examenreglement geven aanleiding tot verschillende interpretaties van het reglement. In bovenstaand geval heeft de Raad geoordeeld dat wanneer een student slaagde voor een opleiding en toch zijn tweede examenkans benut, de instelling bij het bepalen van de graad rekening moet houden met dit resultaat en dat derhalve opnieuw moet gedelibereerd worden over de graad van verdienste. De Raad vernietigde de eerder genomen beslissing van de instelling. Voorliggende besluit van de Raad werd door de betrokken instelling opgevolgd. De student kreeg zijn graad van onderscheiding toebedeeld. De instelling heeft evenwel intussen een cassatieberoep ingesteld bij de Raad van State. De procedure is momenteel hangende. Het betreft inhoudelijk een moeilijke kwestie. Het Financieringsdecreet heeft een bepaling ingelast op grond waarvan een student niet kan verzaken aan een creditbewijs. Deze bepaling wordt niet door alle instellingen op eenzelfde wijze geïnterpreteerd. 66. In een zaak stelde de verzoekende partij dat de deliberatiecriteria zonder meer mogen worden toegepast in het licht van de nieuwe criteria die gelden voor studenten vanaf het daarop volgende academiejaar. De Raad volgde de student in deze niet: “De Raad stelt ten derde, wat betreft het retroactief toepassen van het nieuwe reglement, dat de verwijzing van verzoekende partij naar de regeling in de Strafwet niet dienstig is omdat in voorliggende geval de verlaging van de deliberatiedrempel van 54 naar 50 % met ingang van het academiejaar 20092010 geen strafrechtelijk karakter heeft en de regeling uit het strafrecht dus ook niet van toepassing is73”. De evaluatiemethodes 67. De Raad stelt vast dat er instellingen zijn die bij de aanvang van het opleidingsonderdeel nalaten de studenten schriftelijk, al dan niet elektronisch en gedetailleerd in kennis te stellen van de toegepaste evaluatievorm en de tijdstippen ervan. Dit kan uiteraard niet. De instellingen zijn ertoe gehouden de evaluatievormen aan de studenten mee te delen en studenten moeten te allen tijde de kans krijgen om deze evaluatievormen te raadplegen74. Een duidelijk voorbeeld uit de rechtspraak75: 73
R. Stvb. nr. 2009/087. R. Stvb. nr. 2009/014. 75 R. Stvb. nr. 2009/086. 74
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
44
“Verzoekende partij beklaagt er zich over dat een aantal elementen van de evaluatie niet of niet eenduidig voorafgaandelijk werden gecommuniceerd en dus haar niet bekend waren. Dit geldt in een eerste onderdeel over de gevolgen van een evaluatie van minder dan 8 voor het onderdeel ‘zwemmen’. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de berekeningswijze voor het onderdeel ‘zwemmen’ niet voorafgaandelijk aan verzoekende partij werd meegedeeld of voorafgaandelijk geraadpleegd kon worden. Wat het tweede onderdeel betreft, met name de permanente evaluatie voor het onderdeel ‘zwemmen’, vermeldt de studiegids uitdrukkelijk dat er geen permanente evaluatie is en zijn er de Raad geen afspraken bekend waarbij vaststaat dat verzoekende partij van een andersluidende regeling op de hoogte was. De Raad vestigt er zorgvuldigheidshalve de aandacht op dat de afwezigheid op 12 mei 2009, vermeld in het e-mailbericht dd. 9 oktober 2009 van de docent, zich situeert in de periode van een verplichte stage die door verwerende partij van 9 tot 17 mei 2009 was georganiseerd in Frankrijk. Zonder in te gaan op de twee andere beweerde onwettige afwezigheden, stelt de Raad vast dat de verzoekende partij minstens voor 12 mei 2009 geldig verontschuldigd was en de opgave van de afwezigheden door de docent op dat punt onjuist is. Wat het derde onderdeel betreft, stelt de Raad vast dat er geen stukken worden voorgelegd waaruit een weging voor de diverse onderdelen van ‘zwemmen’ moet blijken, inzonderheid het feit dat ‘onderwater zwemmen’ slechts voor een miniem percentage in aanmerking zou komen ten opzichte van de andere onderdelen. Zoals de Raad reeds eerder heeft gesteld, moeten vanuit de zorg voor een goed bestuur belangrijke elementen van de evaluatie van de examenverrichtingen met verstrekkende gevolgen voor de studenten, op zodanige wijze vooraf aan de studenten worden medegedeeld dat die evaluatieelementen aan de studenten bekend zijn en permanent kunnen worden geraadpleegd.”.
68. Het examenreglement moet voldoende duidelijk zijn en de evaluatie moet conform het reglement gebeuren. Wanneer in het examenreglement gestipuleerd staat dat een permanente evaluatie een regelmatige evaluatie van de studieprestaties verbonden aan een opleidingsonderdeel, in de periodes voorbehouden voor onderwijs- en studieactiviteiten zoals voorzien in de opleidingskalender inhoudt dan is het niet voldoende dat deze evaluatie mondeling gebeurde en op geen enkele traceerbarewijze gedocumenteerd werd. In dat geval zullen de prestaties van de student opnieuw geëvalueerd moeten worden, en dit via een andere evaluatievorm76.
76
R. Stvb. nr. 2009/047.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
45
69. De Raad ziet geen problemen in het organiseren van een meerkeuze-examen als evaluatievorm. Studenten stellen zich vragen bij deze vorm en vragen zich af of dit wel voldoet aan de definitie van ‘examen’ in artikel 2, 14° van het Flexibiliseringsdecreet aangezien een examen moet toelaten de door de studenten bereikte kennis en competenties adequaat te meten. Wat de wijze van evalueren betreft beschikt de onderwijsinstelling over een ruime marge van appreciatie, en een evaluatie op grond van meerkeuzevragen valt binnen die marge. In dit geval moet worden vastgesteld dat de evaluatie aan de hand van meerkeuzevragen beantwoordt aan het begrip ‘examen’ van artikel 2, 14° van het Flexibiliseringsdecreet77. De beoordelings- en deliberatiecriteria 70. Instellingen zijn ertoe gehouden dat zij hun deliberatiecriteria, zoals opgenomen in het examenreglement, correct toepassen. Volgens het examenreglement en de studiegids werden volgende deliberatiecriteria gehanteerd: de gewogen tekorten mogen niet groter zijn dan 1,25 % van het gewogen totaal met als bijkomende voorwaarde een gewogen minimumpercentage van 50 % en dat het aantal tekorten dat kan getolereerd worden, beperkt is tot maximaal 3 tekorten. De Raad stelde vast dat de student geen tekorten had die de norm overschreed78: “…Gewogen totaal van de masteropleiding = 60 studiepunten x 20 punten per vak = 1.200. Verzoekster heeft 9,5/20 behaald en dus een tekort van 0,5 punten op het opleidingsonderdeel ‘Masterproef’ met wegingsfactor 30 (nl. 2 onderdelen: 20 voor het onderdeel ‘Masterproef’ en 10 voor het onderdeel ‘Actueel ontwerp en onderzoek’). Haar gewogen tekort op dit opleidingsonderdeel bedraagt derhalve 0,5 x 30 = 15 gewogen punten tekort. Het gewogen tekort van 15 is 1,25% van het gewogen totaal van 1.200, zodat het gewogen tekort niet groter maar wel gelijk is aan de deliberatienorm van 1,25%...” In dezelfde zaak en tevens in de zaak van een medestudent die eveneens met betrekking tot hetzelfde voorwerp een verzoekschrift heeft ingediend79 werd opmerkelijk door de instelling in haar antwoordnota aangegeven dat zij zich wat de grond van de zaak betreft naar de wijsheid van de Raad gedraagt. In beide zaken werd het beroep als gegrond beschouwd. 71. De beoordelingscriteria dienen ook redelijk te zijn. Dit was niet zo in het volgende geval80: “Verzoekende partij acht het onredelijk en discriminerend dat voor ‘zwemmen 400 meter’ slechts punten worden gegeven in afnemende orde van 20 tot 7 en daarna onmiddellijk de quotering 0 op 20.
77
R. Stvb. nr. 2009/032. R. Stvb. nr. 2009/067. 79 R. Stvb. nr. 2009/068. 80 R. Stvb. nr. 2009/ 086. 78
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
46
Het is de Raad niet bekend of een dergelijke evaluatie reglementair wordt gehanteerd en het blijkt evenmin uit de voorgelegde stukken dat de studenten van deze wijze van evalueren voorafgaandelijk in kennis zijn gesteld. Verwerende partij heeft ter zitting op dat punt ook geen verduidelijking kunnen geven. Het middel is gegrond.”. 72. De Raad oordeelde getrouw aan zijn rechtspraak van de vorige werkjaren dat ingeval deliberatie een facultatieve bevoegdheid betreft, de instelling niet dient te motiveren waarom zij deze bevoegdheid niet wenst uit te voeren. “Tot slot laat de verwerende partij terecht gelden dat de verzoekende partij zich niet kan beroepen op gunstigere deliberatiecriteria die pas gelden in een ander academiejaar dan dat waarin de verzoekende partij haar examens heeft afgelegd. Overigens is de examencommissie niet verplicht uit eigen beweging te delibereren over een student die niet van rechtswege voldoet aan de deliberatiecriteria.”. Begeleiding en feedback 73. Ook dit werkjaar werd de slechte begeleiding meermaals door de studenten ingeroepen als middel. De rechtspraak van de Raad stelt duidelijk dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen een gebrek in de begeleiding tot vernietiging van de beslissing aanleiding kan geven. ‘In haar tweede middel klaagt de verzoekende partij erover dat de stagebegeleiding vanwege de verwerende partij gebrekkig was, met name laattijdig, te beperkt en zonder feedback. “Zoals de Raad reeds meermaals heeft geoordeeld, zijn gebreken in de begeleiding van een opleidingsonderdeel geen reden om van een slechte evaluatie een positieve evaluatie te maken. Dergelijke klachten dienen in voorkomend geval voor een ander forum gebracht te worden81.” “De verzoekende partij stelt dat zij door de betrokken docente slecht begeleid werd voor het onderdeel ‘schrijvende pers’, maar brengt geen elementen aan waaruit blijkt dat de evaluatie van haar prestaties op dit onderdeel op zichzelf genomen onterecht is, laat staan dat die kennelijk onredelijk is.82” “De Raad heeft reeds herhaalde malen geoordeeld dat een slechte begeleiding op zich geen reden is om een slechte evaluatie in een goede evaluatie te wijzigen. De stelling van de verzoekende partij, dat de promotor van de verhandeling niet dan wel zeer moeilijk te bereiken was, hetgeen ten stelligste en gedocumenteerd wordt tegengesproken door de verwerende partij, is in ieder 81 82
R. Stvb. nr. 2009/006. R. Stvb. nr. 2009/041.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
47
geval niet van aard, al ware de stelling van de verzoekende partij gegrond, de bestreden beslissing op die grond onwettig te bevinden.”.83 Het gelijkheidsbeginsel 74. Het gelijkheidsbeginsel is uitdrukkelijk verwoord in tal van grondwettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen. Het Aanvullingsdecreet stipuleert zeer duidelijk dat studenten gelijk moeten behandeld worden. Wanneer een student niet dezelfde richtlijnen kreeg dan andere studenten, dan schendt de instelling het gelijkheidsbeginsel. Het reglement laat het toe dat docenten aan studenten waarvan het project bij de voorjury niet goed geëvalueerd wordt, de raad te geven een project uit te stellen om het te verbeteren. Het spreekt daarbij vanzelf dat ze daarbij de redenen moeten kunnen vermelden die tot de slechte evaluatie hebben geleid zodat de student daarmee rekening kan houden bij de verbetering van het project. De student die dergelijke raad niet kreeg, betwist deze beslissing terecht84. In dezelfde zaak oordeelde de Raad dat er ook beperkingen zijn aan de toepassing van het gelijkheidsbeginsel: “In het tweede middelonderdeel klaagt de verzoekende partij erover dat zij, in tegenstelling tot andere studenten die ook een onvoldoende hadden voor hun masterproject, niet gedelibereerd werd, hetgeen een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt. Ook al zou vaststaan dat de medestudent waarnaar verzoekende partij verwijst, met miskenning van het onderwijs- en examenreglement toch geslaagd werd verklaard, dat geeft dit aan de verzoekende partij niet het recht om aanspraak te maken op een soortgelijke onwettelijke behandeling. Het gelijkheidsbeginsel gaat niet zover dat men aanspraak kan maken op eenzelfde onwettelijke behandeling die een ander te beurt is gevallen.” De motiveringsplicht 75. Op grond van de wet van 29 juli 199185 dienen de individuele bestuurshandelingen formeel gemotiveerd te zijn. De bestreden studievoortgangbeslissingen zijn individuele bestuurshandelingen in de zin van de wet. Formele motivering vereist dat het bestuur de motieven van zijn beslissing, zo in feite als in rechte, in de beslissing – voor zover op schrift gesteld – opneemt, of minstens in toegevoegde stukken die samen met de beslissing aan wie het behoort, wordt meegedeeld. De bedoeling van het opnemen van de motieven in de beslissing is om de lezer – lees student – in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de
83
R. Stvb. nr. 2009/093. R. Stvb. nr. 2009/048. 85 Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, B.S. 12 september 1991. 84
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
48
redenen die het bestuur gehad heeft, om die beslissing te nemen, en met die kennis te beslissen of hij zich bij die beslissing neerlegt of niet. Elke individuele studievoortgangsbeslissing dient niet enkel formeel maar ook materiëel uitdrukkelijk gemotiveerd te worden. Of een motivering afdoende is m.a.w. toelaat om na te gaan op grond van welke juridische en feitelijke gegevens de beslissing is tot stand gekomen, hangt samen met de aard van de genomen beslissing. Zowel de schending van de formele als de materiële motiveringsverplichting wordt als middel naar voor gebracht in de meeste beroepschriften. Een paar voorbeelden van de schending van de motiveringsplicht: “De verzoekende partij stelt ook dat zij in haar intern beroep bezwaar had gemaakt tegen het feit dat zij geen inzage had gekregen van het examen voor het opleidingsonderdeel ‘Bouwtechnieken V’, dit om te controleren of er geen materiële vergissingen of verkeerde afrondingen zijn gebeurd. Zij klaagt erover dat de beslissing op intern beroep op dit bezwaar niet antwoordt. De Raad stelt vast dat de interne beroepsinstantie op deze klacht niet heeft geantwoord, zodat het middel in dit onderdeel doel treft”.”86 en “De verzoekende partij klaagt erover dat haar examens over drie opleidingsonderdelen volgens haar strenger werden beoordeeld dan die van andere studenten, en dat zij haar resultaten niet begrijpt. In zoverre het middel betrekking heeft op het gebrek aan motivering van de examenresultaten, is het gegrond, nu de Raad uit geen door de verwerende partij bijgebracht stuk kan opmaken hoe de betwiste resultaten tot stand zijn gekomen, en de verzoekende partij ook in haar intern beroep dit euvel reeds aanklaagde.”.87 76. Doel van de motiveringsverplichting is om de bestemmeling van de beslissing te informeren over de motieven van de beslissing, zodat hij bij wijze van gevolg in staat is te oordelen of hij deze beslissing zal aanvechten, en zo ja, met welke argumenten. Dit heeft tot gevolg dat de verzoekende partij die, zij het laattijdig, kennis heeft kunnen nemen van de motieven van de bestreden beslissing, op grond daarvan het recht heeft in de lopende procedure voor de Raad middelen voor te dragen, in het eerste nuttige procedurestuk en desnoods ter zitting, die zij kan ontwikkelen door de kennis van deze motieven. Een ander alternatief wordt niet aanvaard88: “Het alternatief dat een instelling reeds heeft gesuggereerd, namelijk bij een eventuele vernietiging de gevolgen ervan uitstellen zodat de verzoekende partij de gelegenheid krijgt om een nieuw beroep bij de Raad in te dienen, is proceseconomisch niet verantwoord, omdat dit niet alleen tot uitstel leidt, maar vooraf al vaststaat dat de bestreden beslissing dezelfde zal blijven. In de mate 86
R. Stvb. nr. 2009/092. R. Stvb. nr. 2009/098. 88 R. Stvb. nr. 2009/084. 87
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
49
dat de verzoekende partij in staat is de middelen te ontwikkelen die zij kan formuleren op grond van de zij het laattijdige kennisneming van de motieven, ziet de Raad geen aanleiding om op de suggestie van de verwerende partij in te gaan. Dat deze partij dan mogelijk niet meer, of niet meer voluit, kan repliceren op deze middelen, is het gevolg van haar eigen tekortkoming, en kan overigens worden opgevangen doordat de verwerende partij in haar antwoordnota kan anticiperen op de toekomstige argumenten van de verzoekende partij, wat de verwerende partij in dit geval ook gedaan heeft.”. 77. De instelling schiet tevens schromelijk tekort indien ze de motieven van de beslissing pas aan de verzoekende meedeelt vijf dagen nadat de beslissing zelf werd meegedeeld. Dit is niet in overeenstemming met de eisen die de voormelde wet stelt89. Een vernietiging op grond van het ontbreken van een formele motivering is voor studenten vaak een frustrerende ervaring, als zij vaststellen dat achteraf dezelfde beslissing wordt genomen, temeer omdat aanvaard moet worden dat een gebrek in formele motivering achteraf kan worden goedgemaakt in de beslissing na de vernietiging van de eerste beslissing. Anderzijds mag men niet uitsluiten dat een bestuur, als het een nieuwe beslissing moet nemen, zich niet zal vergenoegen met het hernemen van de beslissing zonder meer, met de enkele toevoeging van de eerder maar laattijdig meegedeelde motieven, maar de zaak helemaal opnieuw zal beoordelen. 78. Wanneer een belangrijke link kan vastgesteld worden tussen twee opleidingsonderdelen, bv. wanneer dezelfde lessen beoordeeld werden in het kader van het opleidingsonderdeel ‘Stage’ en in het kader van het deel ‘voorbereiding’ van het opleidingsonderdeel ‘Project/Innovatie’, dan geldt een motiveringsplicht. Ook al is het mogelijk om voor beide opleidingsonderdelen een verschillende beoordeling uit te brengen, dan vereist deze samenloop een versterkte motivering wanneer voor het ene opleidingsonderdeel uiteindelijk een 16/20 wordt behaald en voor het andere een 2 op 5. In de mate dat de voorbereiding doorwerkt naar de uitvoering dient ook de motivering van de evaluatie van het onderdeel ‘uitvoering’ (3 op 10) en het onderdeel ‘product en mondelinge bevraging’ (2 op 5) afdoende te zijn. Wat de motivering betreft, treft men in de stukken die door de verwerende partij zijn overgemaakt enkel de volgende motivering aan: “Onvoldoende muzisch uitgewerkt/niet alle muzische gebieden komen aan bod of onvoldoende. geen rode draad in geheel om het MUHKA-volk te doen leven. Onvoldoende literatuuronderzoek. Niveau lessen ondermaats. Er worden vakinhoudelijke fouten gemaakt. Ondoordachte werking. Niet innoverend. Niet creatief.”. Deze beperkte motivatie wordt op onvoldoende wijze teruggekoppeld naar de andere elementen die in het dossier aanwezig zijn en met name de lesfiches. 79. Een instelling moet consequent zijn in haar motivering wanneer ze toegeeft dat de examinator ten onrechte een te strenge maatstaf heeft gehanteerd voor het evalueren van de student90: 89 90
R. Stvb. nr. 2009/015. R. Stvb. nr. 2009/074 en nr. 076.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
50
“Wat het eerste onderdeel betreft: de beroepsinstantie stelt enerzijds vast dat de examinator ten onrechte een te strenge maatstaf heeft gehanteerd voor het evalueren van de student, maar behoudt anderzijds het cijfer dat het gevolg was van deze bij veronderstelling ten onrechte te strenge beoordeling. De beslissing van de interne beroepsinstantie is op dit punt tegenstrijdig en dus niet naar behoren gemotiveerd.”. 80. Wanneer niet wordt betwist dat de student tijdens de interne beroepsprocedure vragen heeft gesteld over de gebruikte verdeelsleutel voor een vraag in een examen en de student krijgt daar geen enkel antwoord op, dan komt de instelling niet tegemoet aan haar motiveringsplicht91: “Verzoekende partij doet opmerken dat de motiveringsplicht werd geschonden, inzonderheid door het niet antwoorden op haar bemerkingen met betrekking tot een van de gestelde meerkeuzevragen voor het examen van het opleidingsonderdeel in kwestie. Het wordt niet ontkend dat verzoekende partij tijdens de interne beroepsprocedure vragen gesteld heeft over de gebruikte verbetersleutel voor vraag 3 van reeks 3 van het examen. De Raad stelt vast dat in de interne beroepsbeslissing niet wordt ingegaan op de gemaakte bemerkingen en op geen enkele wijze een antwoord wordt gegeven op omstandig geformuleerde vragen van verzoekende partij over de juistheid van de gehanteerde verbetersleutel. Op grond van voormelde overwegingen beslist de Raad dat de beslissing na intern beroep wat de gehanteerde verbetersleutel betreft onvoldoende gemotiveerd is.”. 81. Ook de motivering van de beoordeling van een masterproef is uiteraard zeer belangrijk omdat deze beoordeling toch zeer zwaar doorweegt92: “De verwerende partij stelt dat de Raad reeds herhaaldelijk heeft geoordeeld dat een slechte begeleiding van een student op zich geen reden is om een slechte evaluatie te wijzigen in een goede evaluatie. Wat deze zaak evenwel onderscheidt van die vorige zaken, is dat in dit geval de promotor, nadat hij de masterproef had ontvangen, masterproef die geëvalueerd moest worden, zich reeds positief daarover heeft uitgesproken. Hoewel deze uitspraak formeel gezien uiteraard niet de eigenlijke evaluatie van de masterproef was, behoeft het toch meer uitleg dan in de bestreden beroepsbeslissing te lezen is, waarom de promotor die op 27 juli 2009 een vrij positieve evaluatie in het vooruitzicht stelde, bij zijn eigen formele evaluatie enige weken later de masterproef terecht met 9/20 kon quoteren.” In dezelfde zaak oordeelde de Raad echter dat de formele motiveringsverplichting niet was geschonden: 91 92
R. Stvb. nr. 2009/083. R. Stvb. nr. 2009/084.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
51
“De eerste mededeling van de beslissing op intern beroep was niet gemotiveerd, en de motieven waren evenmin toegevoegd. De verwerende partij heeft deze fout evenwel hersteld door later, meer bepaald op 13 oktober 2009, de beslissing op intern beroep samen met de motieven ervan opnieuw te betekenen aan de verzoekende partij. Doel van de motiveringsverplichting is om de bestemmeling van de beslissing te informeren over de motieven van de beslissing, zodat hij bij wijze van gevolg in staat is te oordelen of hij deze beslissing zal aanvechten, en zo ja, met welke argumenten. Dit heeft tot gevolg dat de verzoekende partij die, zij het laattijdig, kennis heeft kunnen nemen van de motieven van de bestreden beslissing, op grond daarvan het recht heeft in de lopende procedure voor de Raad middelen voor te dragen, in het eerste nuttige procedurestuk en desnoods ter zitting, die zij kan ontwikkelen door de kennis van deze motieven. Het alternatief dat de verwerende partij suggereert, namelijk bij een eventuele vernietiging de gevolgen ervan uitstellen zodat de verzoekende partij de gelegenheid krijgt om een nieuw beroep bij de Raad in te dienen, is proceseconomisch niet verantwoord, omdat dit niet alleen tot uitstel leidt, maar vooraf al vaststaat dat de bestreden beslissing dezelfde zal blijven. In de mate dat de verzoekende partij in staat is de middelen te ontwikkelen die zij kan formuleren op grond van de zij het laattijdige kennisneming van de motieven, ziet de Raad geen aanleiding om op de suggestie van de verwerende partij in te gaan. Dat deze partij dan mogelijk niet meer, of niet meer voluit, kan repliceren op deze middelen, is het gevolg van haar eigen tekortkoming, en kan overigens worden opgevangen doordat de verwerende partij in haar antwoordnota kan anticiperen op de toekomstige argumenten van de verzoekende partij, wat de verwerende partij in dit geval ook gedaan heeft. In haar wederantwoordnota geeft de verzoekende partij te kennen dat zij na de tweede betekening van de beslissing op intern beroep een nieuw beroep bij de Raad heeft ingesteld ter vrijwaring van haar rechten, maar dat zij ook in de thans hangende procedure aantoont dat de bestreden beslissing niet deugdelijk gemotiveerd is (randnummer 6, voorlaatste alinea van de wederantwoordnota). Er is derhalve geen reden om de bestreden beslissing te vernietigen wegens schending van de formele motiveringsplicht.” Een soortgelijk besluit wat betreft de schending van de formele motiveringsverplichting en de vraag naar het proceseconomisch verantwoord zijn van een vernietiging komt aan bod in de zaak nr. 2009/093. Het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel 82. Een groot aantal studenten konden zich niet vinden in het meerkeuze-examen en vechten de redelijkheid van dergelijk examen aan. De studenten waren van oordeel dat de 10 meerkeuzevragen onvoldoende zijn om een correct beeld te geven van de kennis van de studenten. Er stelt zich volgens de studenten een probleem met de betrouwbaarheid van het examen, doordat er onvoldoende vragen zijn om
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
52
toevalsfactoren uit te sluiten bij het vaststellen of de studenten de materie voldoende beheersen. De Raad stelde vijftien studenten in het gelijk en is van oordeel dat een examen niet met de nodige zorgvuldigheid is ingericht indien93: - “de technische expert van oordeel was dat het aantal vragen toch erg gering was en dat ze zich een probleem stelde met de betrouwbaarheid van het examen, omdat het van belang is dat een examen uit een voldoende aantal vragen bestaat om toevalsfactoren uit te sluiten bij het vaststellen of studenten de materie voldoende beheersen, betrouwbaarheid die nog verder ondermijnd wordt doordat de interne beroepsinstantie dan nog een vraag geëlimineerd heeft; - de inhoudelijke expert van oordeel was dat van de negen vragen er twee waren waarop meer dan één goed antwoord mogelijk was, maar blijkbaar rekening moest gehouden worden met de stelling van de examinator, waarbij de raad aantekent dat dit in strijd is met het systeem zelf van de meerkeuzevragen, waarbij maar één antwoord ‘goed’ mag zijn, of anders de twee of meer als ‘goed’ in aanmerking komende antwoorden eveneens positief beoordeeld moeten worden, wat klaarblijkelijk niet gebeurd is; - het in vergelijking met de andere opleidingsonderdelen ongewoon hoge aantal studenten dat een onvoldoende behaald heeft voor dit opleidingsonderdeel dat deel uitmaakt van een master na master”. 83. Het zorgvuldigheidsbeginsel wordt niet nageleefd in het volgende geval: de betrokken docente had per vergissing gemeld dat de betrokken paper niet was ingediend. De instelling is van mening dat de student misbruik heeft gemaakt van deze vergissing, in de veronderstelling dat de ingediende en reeds verbeterde paper verloren was gegaan. De student zou de aanvankelijke versie van haar paper gewijzigd hebben door een passage te verschuiven en door een kolom aan toe te voegen. De instelling vermeldde bij de opdracht ‘P2’ een cijfer 0. De Raad onderzocht naar aanleiding van een beroep het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij oordeelde als volgt94: “Uit de vaststelling (1) dat de docent bij het inzagemoment verklaarde dat geen paper was ingeleverd, zoals bekend is door verwerende partij, en (2) dat achteraf slechts een onvolledig exemplaar werd aangetroffen, leidt de Raad af dat er onvoldoende zekerheid is over de vraag of er al dan niet van meet af aan een volledig exemplaar tijdig werd ingeleverd. Die onzekerheid moet worden uitgelegd in het voordeel van de verzoekende partij. Dit impliceert dat deze opdracht opnieuw zal moeten worden geëvalueerd aan de hand van het volledige exemplaar.”.
84. De Raad was van oordeel dat het redelijkheidsbeginsel niet werd geschonden in het geval dat een student pas in het derde jaar van de opleiding te horen kreeg dat zij niet geschikt was voor de opleiding: 93 94
R. Stvb. nrs. 2009/018- 019- 020- 021- 022- 023- 024- 025 - 026- 027- 028- 030- 031- 032- 034. R. Stvb. nr. 2009/062 en nr. 2009/067.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
53
“In een derde middel houdt de verzoekende partij voor dat het redelijkheidsbeginsel werd geschonden. Zij stelt dat de bewering dat zij niet geschikt is voor deze richting niet te begrijpen valt voor iemand aan wie in het eerste en het tweede jaar van de opleiding dergelijke opmerking nooit gemaakt werd, en die voor haar ’overige stage’ (naast de ‘didactische stage’ het tweede onderdeel van het opleidingsonderdeel ‘Praktijk 3’) een zeer gunstige eindbeoordeling heeft gekregen. Ook al kan met de verzoekende partij beaamd worden dat het niet evident is dat een oordeel dat zij niet bekwaam is om voor de klas te staan, niet in de vorige jaren gemaakt werd, en met haar kan worden vastgesteld dat zij voor de ‘overige stage’ een zeer gunstige eindbeoordeling heeft gekregen, dat doet, nogmaals, niet af aan de pertinentie van de door de verzoekende partij niet bekritiseerde motieven die tot een ongunstige beoordeling van de ‘didactische stage’ hebben geleid, en op grond waarvan niet gezegd kan worden dat de bestreden beslissingen kennelijk onredelijk zijn.”.95 Partijdigheidsbeginsel 85. De Raad stelde in één dossier de vooringenomenheid van de instelling vast. Dit is bv. het geval wanneer de instelling aan de verzoekende partij een andere beslissing op intern beroep werd gestuurd dan de beslissing die de instelling bijbrengt samen met haar antwoordnota. De beslissing zoals die aan de student werd meegedeeld, geldt voor haar als origineel en het is overigens tegen deze beslissing, zoals zij is geformuleerd, dat de student haar beroep bij de Raad heeft ingediend en haar klachten heeft geformuleerd. In dergelijk geval wordt door de handelswijze van de instelling, meer bepaald het bijbrengen van twee verschillende beslissingen, genomen in dezelfde zaak, die beide worden toegeschreven aan de interne beroepsinstantie, een ernstige schijn gewekt dat het interne beroep van de instelling met vooringenomenheid behandeld werd, ook al ligt geen bewijs voor dat de leden van de interne beroepsinstantie in de werkelijkheid met vooringenomenheid gehandeld hebben96. Vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel 86. De Raad oordeelde in een zaak dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel niet was geschonden ingeval de instelling tijdig een rechtzetting doet. “Met de verwerende partij dient te worden aangenomen dat de eerste mededeling vanwege de administratief secretaris dat de interne beroepsinstantie het beroep van de verzoekende partij gegrond had verklaard, op een materiële vergissing berust, en niet de weergave is van het werkelijk resultaat van het beraad van de interne beroepsinstantie. De mededeling van een beslissing is op zich een loutere materiële daad van uitvoering die geen rechtsgevolgen heeft naar de eigenlijke beslissing toe.
95 96
R. Stvb. nr. 2009/006. R. Stvb. nr. 2009/097.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
54
Hoe begrijpelijk ook de ontgoocheling is van de verzoekende partij wanneer zij kort daarna verneemt wat de interne beroepsinstantie werkelijk beslist heeft, namelijk haar beroep af te wijzen, zij kan aan de verkeerde informatie niet het recht ontlenen om de daarin vervatte informatie als juist en definitief te beschouwen, zeker niet bij tijdige rechtszetting zoals hier het geval is. Zover reikt het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel niet.”.97 Stagebeoordelingen 87. De Raad stelt uitdrukkelijk vragen bij het feit dat studenten de kans ontnomen wordt om de volledige duur van hun stage uit te doen. Op die manier kan de student niet aantonen dat alle leerdoelen zoals opgenomen in de ECTS-fiche werden bereikt98: “Ongeacht of 80 procent van de normale stageduur al dan niet volbracht werd, stelt de Raad vast dat aan de stage een einde werd gesteld één week voor de normale stageduur zonder dat is aangetoond dat de redenen, opgenomen in de stageovereenkomst zoals geciteerd in de wederantwoordnota van verzoekende partij en zonder tegenspraak ter zitting, om de stage te beëindigen aanwezig waren, met name het niet volgen van de richtlijnen of een onwaardig gedrag van verzoekende partij. Als gevolg van de vroegtijdige beëindiging van de stage is aan verzoekende partij bovendien de mogelijkheid ontnomen om aan te tonen dat de leerdoelen, zoals opgenomen in de ECTS-fiche, werden bereikt.” Ook de motivering lijkt nog steeds een knelpunt te zijn bij de stagebeoordelingen: “Noch uit de stukken, noch uit de verantwoording ter zitting van verwerende partij blijkt een verantwoording hoe de eindscore van het opleidingsonderdeel tot stand is gekomen, onder meer de deelscores die in aanmerking dienen genomen te worden voor het bepalen van de eindscore. Bijgevolg is de Raad van oordeel dat de beslissing niet naar behoren is gemotiveerd.” Openbaarheid van bestuur 88. Het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur is eveneens van toepassing op de onderwijsinstellingen. De openbaarheid van bestuur impliceert dat de hogeschool of universiteit als ‘bestuursinstantie’ gekwalificeerd kan worden ten aanzien van hun studenten. De openbaarheid van bestuur impliceert onder andere dat studenten inzage kunnen vragen van hun schriftelijk examen. Elke onderwijsinstelling legt autonoom in haar onderwijs- en examenreglement de procedure, termijn en tijdstip vast voor het inzagerecht. 89. Toch loopt het verzoek tot dergelijke inzage niet altijd zonder problemen99:
97
R. Stvb. nr. 2009/093. R. Stvb. nr. 2009/070. 99 R. Stvb. nr. 2009/083. 98
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
55
“De Raad stelt vast, zonder dat dit door verwerende partij wordt tegengesproken, dat verzoekende partij slechts met ingang van 28 september 2009 een kopie heeft kunnen bekomen van de examenkopij terwijl het intern beroep binnen de vijf kalenderdagen na de officiële bekendmaking van de resultaten op 11 september 2009 diende te worden ingediend. Verzoekende partij heeft dus geen kopie van de examenkopij in handen gekregen voor het indienen van het intern beroep en heeft de kopie gekregen op de dag van het verstrijken van de termijn om bij de Raad beroep in te stellen. Door een dergelijke handelwijze komt de verwerende partij tekort aan de verplichtingen inzake de openbaarheid van bestuur zoals verwoord in artikel 46 van het algemeen examenreglement voor het academiejaar 2008-2009.” “In een tweede onderdeel klaagt de verzoekende partij erover dat (1) de ombuds niet aanwezig was tijdens de nabespreking, dit in strijd met het examenreglement, en (2) dat zij het dossier pas kon inkijken op 12 februari 2009. Onregelmatigheden die zich voordoen nadat een bestreden beslissing werd genomen zijn niet van aard de wettelijkheid ervan te beïnvloeden, en het blijkt evenmin dat de verzoekende partij voor de behandeling op intern beroep inzage gevraagd heeft van het dossier”.”100 90. Ook wat de uitoefening van het hoorrecht betreft in het kader van de interne beroepsprocedure blijken studenten niet altijd tevreden met het verloop. “In een vijfde en laatste middel, eerste onderdeel, stelt de verzoekende partij dat zij niet gehoord werd, en dit in strijd met artikel 41 van het examenreglement en hoewel zij uitdrukkelijk gevraagd had om te worden gehoord. De verwerende partij erkent dat de verzoekende partij niet werd gehoord in het kader van het intern beroep, maar dat de ombuds, zoals bepaald in het examenreglement, aanwezig was. Artikel 41 van het examenreglement ziet op de procedure bij onregelmatigheden bij een examen; die bepaling is dus niet van toepassing in het kader van een intern beroep tegen een andere beslissing dan een beslissing over een onregelmatigheid. De toepasselijke regelgeving bepaalt niet dat een student moet worden gehoord in aangelegenheden als deze. Het intern beroepsorgaan is in dit geval naar behoren voorgelicht door het interne beroepschrift van de verzoekende partij en de aanwezigheid van de ombudsman”.”101 In een zaak oordeelde de Raad dat een laattijdige oproeping via aangetekende brief aangevuld met een e-mailbericht dat vroeger was verstuurd als niet onredelijk kan beschouwd worden. 100 101
R. Stvb. nr. 2009/005. R. Stvb. nr. 2009/005.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
56
“De verwerende partij had zich inderdaad moeten realiseren dat een aangetekende brief die op vrijdag 3 juli verstuurd wordt, de bestemmeling ten vroegste op maandag 6 juli kon bereiken op het (voor de instelling onbekende) gebruikelijke uur van de postbestelling. Als dit de enige wijze van oproeping was geweest, dan had de verwerende partij de beroepsinstantie op een latere datum moeten bijeenroepen. Het blijkt echter dat de verzoekende partij ook, en op 2 juli reeds, per e-mail en telefonisch op de hoogte werd gebracht van de datum van de bijeenkomst van de beroepsinstantie. Ter zitting heeft verzoekende partij verklaard dat deze email naar haar werd verstuurd en dat het bericht in haar voice-mail werd ingesproken. De verwerende partij heeft gedaan wat redelijkerwijze van haar verwacht kon worden om de verzoekende partij op de hoogte te brengen van dag, uur en plaats van de bijeenkomst van de beroepsinstantie. Dat de verzoekende partij tussen 2 en 6 juli noch haar mailbox, noch haar voice-mail heeft gecontroleerd, kan niet aan de verwerende partij worden aangerekend”.”102
4.2.2. Beroep tegen een examentuchtbeslissing 91. Huidig werkjaar werden 17 verzoekschriften die een examentuchtbeslissing tot voorwerp hebben ingeleid. In 6 gevallen werd de examentuchtbeslissing vernietigd103. 92. Het is als Raad niet altijd eenvoudig om te oordelen over een examentuchtbeslissing. De Raad gaat na of de besluitvorming van de instelling op rechtmatige wijze is gebeurd, en/of haar oordeel dat er fraude is gepleegd kan worden toegeschreven aan de student en binnen de grenzen van de redelijkheid ligt. De Raad gaat verder ook na of de naar aanleiding van de examenfeiten opgelegde sanctie, niet kennelijk onredelijk is in verhouding tot de ernst van de feiten. Zoals de Raad reeds eerder heeft gesteld, moeten vanuit de zorg voor een goed bestuur belangrijke elementen van de examenverrichtingen met verstrekkende gevolgen voor de student(e), op een eenduidige wijze geformuleerd worden en zodanig aan alle studenten worden medegedeeld dat die elementen aan de studenten bekend zijn en permanent kunnen worden geraadpleegd. Dat andere vormen van bekendmaking nuttig kunnen zijn maar niets afdoen aan het principe dat dergelijke zaken in het examenreglement of in een aanvulling ervan moeten worden opgenomen en zo moeten worden gesteld dat de bepalingen eenduidig kunnen worden begrepen. Dit is niet het geval wanneer er ter aanvulling van de examens bijzondere schikkingen werden getroffen omtrent het gebruik van de wetgevingscodex bij de examens en deze niet in een reglementaire vorm werden opgenomen en niet als zodanig werd bekendgemaakt104: “De Raad wijst er op dat de Interne Beroepscommissie, bij de behandeling van het intern beroep van verzoekende partij, van oordeel was dat er een 102
R. Stvb. nr. 2009/066. R. Stvb. nrs. 2009/039; 091; 113; 122; 123; 124. 104 R. Stvb. nrs. 2009/122; 123; 124. 103
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
57
onduidelijkheid bestaat wat de inhoud van de instructies betreft en er een probleem is wat de verspreidingskanalen en de spreiding over een lange periode betreft. Het is volgens de Interne Beroepscommissie zeer goed denkbaar en zelfs waarschijnlijk dat een student(e) die de codex gedurende het blok gebruikt heeft volgens de regels gecommuniceerd in het blokboek, of volgens de regels vermeld in de e-mail van 11 september 2009 verzonden bij de aanvang van het academiejaar, op het einde van het blok over een codex beschikt die niet conform is met de instructies verzonden per e-mail op 22 oktober 2009. De Raad sluit zich aan bij deze overwegingen en is met de interne beroepscommissie van oordeel dat het denkbaar is dat een student(e), bij het aanpassen van de codex aan de instructies van 22 oktober 2009, te goeder trouw een aantal aantekeningen, die toegelaten of niet expliciet verboden waren in eerdere instructies, over het hoofd heeft gezien voor het examen… … Het kan niet worden ontkend dat in voorliggend geval aan de studenten in de loop van het academiejaar wisselende instructies zijn medegedeeld. Zo is de vermelding in de e-mail van 11 september verschillend van de instructies die op 22 oktober 2009 per e-mail aan de studenten werden gegeven. Om al deze redenen is de Raad van oordeel dat het onredelijk is dat de examencommissie in deze zaak tot de vaststelling komt dat fraude of onregelmatigheden werden gepleegd”. “
93. De examentuchtcommissie kan over een zeer ruime mate van appreciatie beschikken maar vereist wel een dienovereenkomstige adequate motivering van de gekozen tuchtstraf105: “Wat betreft de schaal van examentuchtbeslissingen beperkt artikel 4.4. van het departementaal onderwijs- en examenreglement zich tot het volgende: “Bij een vastgestelde onregelmatigheid tijdens een (deel)examen wordt de student minimaal doorverwezen naar een volgende examenperiode voor het betrokken opleidingsonderdeel. De sanctie kan gaan tot volledige afwijzing.”. Deze bepaling laat een zeer ruime mate van appreciatie aan de examentuchtcommissie. Een systeem dat een dergelijke ruime appreciatie laat, is op zich aanvaardbaar, maar vereist wel een dienovereenkomstige adequate motivering van de gekozen tuchtstraf.“ De Raad kan aan de hand van de bijgebrachte stukken niet vaststellen uit welke tuchtsancties de tuchtoverheid kon kiezen en kan dan ook niet nagaan, bij gebrek aan motivering op dat punt, of er geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de zwaarte van de uitgesproken straf in verhouding tot de ernst van de feiten.”.
105
R. Stvb. nr. 2009/091.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
58
94. Het komt aan de onderwijsinstelling toe zorg te dragen voor het bewaren en bijhouden van de examenkopijen. Dat impliceert ook dat redelijke maatregelen genomen moeten worden om latere alteraties aan de examenkopijen te voorkomen. In het besluit met nr. 2009/039 oordeelde de Raad als volgt: “Rekening houdend met het feit dat de examenvorm van het beantwoorden van meerkeuzevragen bij uitstek fraudegevoelig is doordat de fraude op zeer korte tijd kan gepleegd worden, valt niet uit te sluiten dat in dit geval de toevoeging van het antwoord op vraag 14 gepleegd kan zijn op eender welk ogenblik, zelfs toen de examenkopijen opgeborgen waren in een lokaal waarvan niet beweerd werd dat alleen de docent in kwestie er toegang toe had en zeker ook toen de examenkopijen werden overgebracht naar het lokaal waar de feedbacksessie plaatsvond en ze aan de studenten werden gegeven. Uit het feit dat op verschillende momenten de fraude kan hebben plaatsgevonden en uit de korte tijd dat daarvoor nodig is, volgt er ook dat er onvoldoende zekerheid is dat verzoekende partij deze toevoeging heeft aangebracht of laten aanbrengen…” 95. De instelling is er tevens steeds toe gehouden te voldoen aan de bewijslast inzake de beweerde fraude. Dat dit niet altijd evident is, blijkt uit het volgende besluit van de Raad106: “Wat betreft het verwijt dat de verzoekende partij, na te zijn betrapt op het bezit van materiaal met ongeoorloofde in potlood aangebrachte aantekeningen, sommige ervan heeft weggegomd terwijl zij later aan het wachten was in het gesprekslokaal, dit steunt op de verklaring van de ombudsman van 1 september 2009. Uit die verklaring kan zeker niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat de bewuste aantekeningen zouden zijn weggegomd nadat de verzoekende partij betrapt werd op het bezit van dit materiaal. Uit die verklaring blijkt niet dat de verzoekende partij alleen in het gesprekslokaal bleef, en als dat al het geval was, hoe lang dat was. Volgens de verzoekende partij had zij die aantekeningen eerder weggegomd, op de bus of thuis, en op de vraag waarom ze dan niet alles weggegomd had antwoordde zij dat zij dit vergeten was. Volgens de verwerende partij is deze uitleg verward, tegenstrijdig en ongeloofwaardig. De Raad ziet niet in wat er verward of tegenstrijdig is in deze uitleg, en ook niet waarom die ongeloofwaardig zou zijn. Voorts verklaart de ombudsman niet hoe lang de verzoekende partij alleen bleef met het bewijsmateriaal, en verklaart zij evenmin dat er aantekeningen waren weggegomd die bij de controle nog wel aanwezig waren. Dit feit – het doen verdwijnen van bewijsmateriaal – is op grond van de voorgelegde documenten niet bewezen naar genoegen van recht. In zoverre de zwaarte van de sanctie mede steunt op dit feit, kan de bestreden beslissing dus niet in stand blijven.”. Ook in de hoger aangehaalde zaak107 achtte de Raad het onvoldoende bewezen door de instelling dat er een onregelmatigheid was gepleegd. “Rekening houdend met het feit dat de examenvorm van het beantwoorden van meerkeuzevragen bij uitstek fraudegevoelig is doordat de fraude op zeer korte 106 107
R. Stvb. nr. 2009/113. R. Stvb. nr. 2009/039.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
59
tijd kan gepleegd worden, valt niet uit te sluiten dat in dit geval de toevoeging van het antwoord op vraag 14 gepleegd kan zijn op eender welk ogenblik, zelfs toen de examenkopijen opgeborgen waren in het lokaal waarvan niet beweerd werd dat alleen de docent in kwestie er toegang toe had en zeker ook toen de examenkopijen werden overgebracht naar het lokaal waar de feedbacksessie plaatsvond en ze aan de studenten werden gegeven. Uit het feit dat op verschillende momenten de fraude kan hebben plaatsgevonden en uit de korte tijd dat daarvoor nodig is, volgt ook dat er onvoldoende zekerheid is dat verzoekende partij deze toevoeging heeft aangebracht of laten aanbrengen. Bovendien blijkt niet uit het examenreglement in welke richting de resultaten werden afgerond en blijkt evenmin dat de door de docent gehanteerde afrondingsregel op voorhand aan de studenten bekend was. Er was dus ook geen zekerheid dat de toevoeging van slechts één juist antwoord het resultaat positief zou beïnvloeden. In het licht van het voorgaande kan het oordeel van de verwerende partij dat de verzoekende partij zelf de toevoeging heeft aangebracht of dat die met haar medeweten is gebeurd, niet overeind blijven.”. 96. In een andere zaak, welke ruim in de pers aan bod is gekomen, besliste de Raad in het nadeel van de student dat verschillende elementen samengenomen de vastgestelde onregelmatigheid door de instelling als voldoende bewezen kan beschouwd worden. Het betrof twee studenten die beiden een verzoekschrift hadden ingediend omdat zij ondermeer op basis van een conversatie op facebook betrapt werden op spieken tijdens het examen108. “De verzoekende partij ontkent niet de juistheid van de op facebook uitgewisselde informatie. Het argument dat zij op 17 juni 2009 de verklaring dat zij met een medestudente tijdens het examen gepraat heeft, onder dwang heeft ondertekend, wordt door geen enkel gegeven gestaafd. Deze feiten zijn van aard dat de verwerende partij redelijkerwijze heeft kunnen aannemen dat de verzoekende partij fraude heeft gepleegd, en motiveren meteen afdoende dat oordeel. ….. Het oordeel dat de verzoekende partij zich schuldig gemaakt heeft aan fraude, steunt echter niet alleen op het praten met een medestudent tijdens examens, maar ook op andere informatie zoals berichten van medestudenten en de kennisname van de op facebook uitgewisselde informatie. Het is pas door het samenbrengen van deze verschillende elementen dat de verwerende partij kon vermoeden dat er mogelijk fraude was gepleegd. Van zodra deze gegevens haar bekend waren, heeft de tegenpartij zonder talmen de procedure aangevat en verder gezet. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond.”. 97. De Raad stelt duidelijk dat wat de strafmaat betreft het aan de instelling toekomt om deze te bepalen op grond van de vastgestelde feiten. Alleen wanneer er een kennelijke wanverhouding zou zijn tussen de ernst van de feiten en de zwaarte van de straf is er sprake van een onrechtmatige beslissing.
108
R. Stvb. nr. 2009/045 en nr. 2009/046.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
60
Het komt de Raad ook toe om na te gaan of de verwerende partij zich niet vergist heeft over de omvang van haar beoordelingsbevoegdheid bij het opleggen van de sanctie. In twee zaken werden twee studenten samen op een onregelmatigheid betrapt tijdens een examen. Zij werden ervan beticht om tijdens de test met elkaar te praten over de inhoud van de test. Beiden hebben een verzoekschrift ingediend. De Raad oordeelde dat: “In deze zaak kan niet gesteld worden dat er een kennelijke wanverhouding is tussen de feiten en de opgelegde straf, noch dat de verwerende partij zich vergist heeft over de omvang van haar beoordelingsbevoegdheid wat de te op te leggen straf betreft”.”109 98. De Raad legt de verantwoordelijkheid bij de student wat het gebruik van niet toegelaten materiaal betreft tijdens het examen. “Artikel 4.4 van het Hogeschoolonderwijs- en examenreglement definieert niet wat onder een ‘onregelmatigheid’ tijdens een examen moet worden verstaan. De verzoekende partij erkent dat er in de farde die gebruikt mocht worden bij het afleggen van het examen twee bladen aanwezig waren die daar niet mochten zijn. Dit kan beschouwd worden als een onregelmatigheid in de zin van het voornoemde reglement. Ook al kan in dit geval worden aangenomen dat deze bladen bij vergetelheid niet uit de farde waren verwijderd, volstaat het loutere feit op zich dat die bladen aanwezig waren in de farde om van een onregelmatigheid te kunnen gewagen. Noch de vorm, noch de inhoud, noch het al dan niet gebruiken van de informatie die op die bladen was opgenomen, noch het al dan niet noodzakelijk zijn van spieken veranderen daar iets aan. Het is aan de student ervoor te zorgen dat hij geen niet toegelaten materiaal in zijn bezit heeft tijdens een examen, en desnoods, in geval van twijfel, bij het begin van het examen te vragen of bepaald materiaal al dan niet gebruikt mag worden”.” 99. In het kader van de examentuchtbeslissingen werd de onregelmatigheid als gevolg van het plegen van ‘plagiaat’ eveneens als voorwerp van een betwisting aan de Raad voorgelegd. Instellingen hebben doorgaans in hun onderwijs- en examenreglement een specifieke regeling opgenomen wat het plegen van plagiaat betreft. Nauwgezet wordt hierop toegekeken en specifieke instrumenten worden gehanteerd om het plagiaat te detecteren. Doorgaans treden instellingen ook zeer streng op ingeval plagiaat wordt vastgesteld. De meeste reglementen bepalen duidelijk dat om tot de vaststelling van plagiaat te komen de intentie om bedrog te plegen niet terzake doet. De Raad volgt deze stellingname. De Raad legt ook de verantwoordelijkheid bij de student wat het kennen van de verwijzigingsregels betreft. De student moet zelf zorgen dat hij de regels inzake bronnenverwijzing kent en correct toepast. 109
R. Stvb. nr. 2009/037 en nr. 2009/038.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
61
Een voorbeeld uit de rechtspraak. “Dat een welbepaalde webpagina, in tegenstelling tot wat de bestreden beslissing vermeldt, wel terug te vinden is in de referentielijst, doet er niet aan af dat het niet vermelden van deze bron op de plaats waar zij geciteerd wordt en het niet tussen aanhalingstekens plaatsen van het citaat, wel degelijk plagiaat is in de zin van de hiervoor geciteerde reglementaire omschrijving. Het enkele feit dat deze bron wel vermeld wordt in de referentielijst weegt onvoldoende zwaar, gelet op het geheel van de andere door de verwerende partij vastgestelde en door de verzoekende partij niet betwiste overtredingen, om tot de conclusie te leiden dat de opgelegde sanctie kennelijk onredelijk is. Het tweede argument, namelijk dat de bestreden beslissing mede genomen is op grond van elementen die geen rechtstreeks verband houden met de feiten, elementen die dan geleid hebben tot een zwaardere sanctie, is niet gegrond. De verzoekende partij betwist niet dat zij reeds van een gunstmaatregel genoot om op de in dit geval bepaalde wijze te worden geëvalueerd, en het is dan niet onredelijk dat de verwerende partij daarom ook dit element in overweging neemt wanneer zij vaststelt dat de verzoekende partij ernstig te kort is geschoten in haar academische verplichtingen. Het derde argument, dat het hoge percentage van plagiaat bevestigt dat de verwerende partij de verwijzingsregels niet voldoende beheerste, is evenmin gegrond. Het was de zaak van de verzoekende partij om zich te informeren over de verwijzingsregels, en als zij dat niet gedaan heeft kan zij de gevolgen van haar eigen tekortkoming in dat verband niet afwentelen op de verwerende partij. Tot slot stelt de verzoekende partij dat het op geen enkel ogenblik haar intentie is geweest om bedrog te plegen. De vraag of de verzoekende partij de intentie had om plagiaat te plegen, is niet relevant. Artikel 79 van het onderwijs- en examenreglement bepaalt immers dat plagiaat ook zonder de intentie bedrog te plegen als examenfraude wordt beschouwd. Het is niet kennelijk onredelijk dat een zwaarder sanctie werd uitgesproken gelet op de omvang van het plagiaat. Het middel is niet gegrond”.”110
4.2.3. Beroep in verband met de toekenning van een vrijstelling 100. Huidig werkjaar werden 5 verzoekschriften die een vrijstellingsbeslissing tot voorwerp hebben ingeleid. Dit aantal blijft opvallend laag. In 2 gevallen werd de vrijstellingsbeslissing vernietigd.111 101. De Raad stelt vast dat de motivering van de toekenning of de weigering van een vrijstelling net als de motivering van een examenbeslissing niet evident lijkt. Bij de beoordeling van de toekenning van de vrijstelling moeten alle onderdelen goed 110 111
R. Stvb. nr. 2009/036; R. Stvb. nrs. 2009/035 en 2009/105.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
62
beoordeeld worden, ook die onderdelen die overgeheveld werden van het oude deelvak naar het nieuwe opleidingsonderdeel112: “Nu de verwerende partij zelf aangeeft dat een aantal, maar niet alle, topics van het oude deelvak Bedrijfskunde overgeheveld werden naar het nieuwe opleidingsonderdeel Projectmanagement, kon zij, bij het beoordelen van vragen van vrijstelling, niet volstaan met alleen maar rekening te houden met het globale resultaat voor het deelvak Bedrijfskunde, maar diende zij rekening te houden met de scores behaald voor de topics van dat deelvak die hernomen werden in het nieuwe opleidingsonderdeel. Door dat niet te doen heeft de verwerende partij haar beslissing tot weigering van de vrijstelling niet naar behoren gemotiveerd. Om aan de motiveringsverplichting te voldoen, zal de verwerende partij (1) moeten nagaan welke scores de verzoekende partij behaalde voor de topics van het deelvak Bedrijfskunde die overgeheveld werden naar het nieuwe opleidingsonderdeel Projectmanagement, (2) het globale resultaat van de verzoekende partij, bestaande uit de 7/20 voor het deelvak Projectmanagement + de scores voor de overgehevelde topics moeten vergelijken met het op dezelfde wijze berekende globale resultaat van de studenten die wel een vrijstelling hebben gekregen. Op grond van de aldus verkregen gegevens zal de verwerende partij vervolgens een nieuwe beslissing nemen wat betreft de vraag tot vrijstelling van de verzoekende partij.”. Als een vrijstelling wordt geweigerd omdat bepaalde opleidingsonderdelen ontbreken in het curriculum van de student en dat de opleidingsonderdelen die de student gevolgd heeft minder dan de decretaal vereiste studiepunten omvat, moet de instelling deze beslissing uiteraard verder motiveren113: “…De Raad stelt vast dat de Commissie Bijzondere Inschrijvingen enkel vermeldt dat bepaalde opleidingsonderdelen niet in de door de verzoekende partij doorlopen curriculum voorkwamen, maar daarbij geen verdere uitleg geeft…” 102. In 2009 werd de Raad met een dossier geconfronteerd dat in eerste instantie werd geschorst wegens het afwachten van de uitkomst van een ingestelde strafprocedure. De verdere behandeling van de zaak gebeurde in februari 2010. In dit dossier bleef de student onderstrepen dat hij beroep wou aantekenen tegen de beslissing aangaande de aanvraag tot rechtstreekse diplomering op grond van artikel 51 van het Flexibiliseringsdecreet. De Raad oordeelde dat dit niet het geval was en dat een betwisting rond de toekenning van vrijstellingen betrof: “de verwerende partij kent een procedure voor het behandelen van aanvragen voor vrijstellingen en een andere procedure voor het behandelen van aanvragen voor rechtstreekse diplomering. De verzoekende partij vecht een beslissing aan van de GIT-commissie. Deze commissie is bij de verwerende partij enkel 112 113
R. Stvb. nr. 2009/105. R. Stvb. nr. 2009/013.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
63
bevoegd voor het behandelen van aanvragen tot vrijstelling. Voor aanvragen tot vrijstelling is artikel 46 van het Flexibiliseringsdecreet van toepassing. Daaruit volgt dat de kritiek op de beslissing van de GIT-commissie voor zoverre die steunt op de schending van artikel 51 van het Flexibiliseringsdecreet - bepaling die van toepassing is voor aanvragen voor rechtstreekse diplomering – in rechte niet gegrond is.”. De Raad oordeelde ten gronde als volgt114: “Verzoekende partij verwijst in haar wederantwoordnota naar stuk 11 van de verwerende partij. Dit is de ECTS-fiche van het opleidingsonderdeel ‘Monetair Beleid’ voor het academiejaar 2008-2009. De in deze ECTS-fiche vermelde competenties zijn uitgebreider geformuleerd dan de eindcompetenties opgenomen in de ECTS-fiche voor het opleidingsonderdeel tijdens het academiejaar 2007-2008, met name “in staat zijn het monetaire beleid van de centrale banken te interpreteren. De Raad meent dat uit de bestreden beslissing van 24 april 2009 die enkel – onder meer verwijzend naar het gezag van gewijsde van eerdere besluiten van de Raad – de vroegere weigeringsbeslissingen bevestigt door te stellen dat verzoekende partij geen nieuwe informatie aanbrengt waaruit zou moeten blijken dat zij inmiddels de eindcompetenties die door het opleidingsonderdeel worden beoogd, geheel of ten dele zou hebben bereikt, niet blijkt of de GITcommissie daadwerkelijk onderzocht heeft of verzoekende partij eveneens niet aan deze nieuwe beschrijving van de eindcompetenties voldoet, vooraleer ze de huidige aanvraag tot vrijstelling geweigerd heeft.”.
4.2.4. Beroep in verband met het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking 103. Huidig werkjaar werden 9 verzoekschriften die een studievoortgangsbewakingsmaatregel tot voorwerp hebben ingeleid. In 2 gevallen werd de studievoortgangsbeslissing vernietigd. 104. De instelling kan de inschrijving van een student weigeren onder de vorm van een studievoortgangsbewakingsmaatregel, indien zonder positief resultaat bindende voorwaarden voor de inschrijving werden opgelegd. Ook deze beslissing moet uiteraard de toets aan het redelijkheidsbeginsel kunnen doorstaan. Het gebeurt dat een instelling een student die niet voldoet aan de opgelegde studievoortgangsmaatregel verplicht om uit te schrijven. Dit kan niet zonder meer. In een bepaalde zaak had de student niet de kans gehad om zijn recht op twee examenkansen uit te putten. De Raad was van oordeel dat het niet aanvaardbaar is om bij wijze van studievoortgangsmaatregel te bepalen dat een student slechts aan
114
R. Stvb. nr. 2009/035.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
64
één zittijd kan deelnemen. Per inschrijving - ook onder bindende voorwaarden - heeft de student recht op twee examenkansen. In voorkomend geval werd de student toegelaten om zich in te schrijven onder de dubbele bindende voorwaarde van verplichte deelname aan lessen en onderwijsactiviteiten en het slagen voor alle opleidingsonderdelen in elke examenperiode na eerste zittijd. De Raad oordeelde dat een student voorlopig opnieuw moest ingeschreven worden omdat de student slechts laattijdig aan de lessen kon deelnemen, in de onzekerheid verkeerde of zij al dan niet bleef ingeschreven, op drie van de vier examens een behoorlijke uitslag behaalde en er niet valt in te zien waarom de student ook voor het vierde examen geen voldoende evaluatie zou kunnen behalen.115 105. Naast de redelijkheidstoets ontsnapt de instelling niet aan de toets van de andere administratieve rechtsbeginselen waaronder de motiveringsplicht. Een instelling moet voldoende rekening houden met de bijzondere omstandigheden waarin de student zich bevond, nl. dat zij gedurende drie academiejaren getroffen werd door de onverwachte problemen van haar moeder. Zij nam voor haar moeder en haar broer de verantwoordelijkheid op. De Raad besliste in dit dossier als volgt:116 “Wat het tweede onderdeel betreft is uit de gegevens van de zaak en uit de mondelinge behandeling gebleken dat de omstandigheden waarin de verzoekende partij verkeerde de afgelopen jaren van die aard waren dat zij aannemelijk maken dat de verzoekende partij geen betere studieresultaten kon behalen. Met dat gegeven heeft de verwerende partij onvoldoende rekening gehouden zodat haar beslissing onvoldoende is gemotiveerd.”
4.2.5. Beroep tegen een beslissing ivm leerkrediet 106. De Raad werd dit jaar voor de éérste maal geconfronteerd met een betwisting van een beslissing rond leerkrediet. Artikel II.15, 3de lid van het Aanvullingsdecreet117 bepaalt dat de beslissingen genomen door het instellingsbestuur en door de stuurgroep Databank Hoger Onderwijs op grond van de procedure, zoals vastgelegd in artikel 113quater van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, kunnen worden aangevochten voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. De Raad beoordeelt in dat geval of de bestreden vermeldingen in overeenstemming zijn met de decretale en reglementaire bepalingen en, desgevallend, met de van toepassing zijnde onderwijs- en examenregelingen. De behandeling van een 115
R. Stvb. nr. 2009/004. R. Stvb. nr. 2009/118. 117 Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 10 juni 2004. 116
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
65
verzoekschrift ter zake door de Raad leidt tot de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of ongegrondheid ervan, of tot de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen beslissing. In dat laatste geval brengt het instellingsbestuur of de door de stuurgroep aangewezen persoon de bestreden vermelding onverwijld in overeenstemming met de dragende redenen die hebben geleid tot de uitspraak van de Raad. Het dossier betrof een student die wegens medische redenen in de onmogelijkheid was om deel te nemen aan de examens. Uit de meegedeelde medische attesten bleek dat de student met een bijzonder ernstige ziekte van lange duur en met een onvoorspelbaar verloop geconfronteerd werd. De Raad was daarbij van oordeel dat dit een geval van overmacht is aangezien dit beschouwd kan worden als een voorval dat buiten elk aanwijsbaar menselijk handelen voorkomt. De bevoegdheid van de Raad om kennis te nemen van betwistingen rond het leerkrediet is bepaal in artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet, zoals ingevoegd door artikel 72 van het Financieringsdecreet van 14 maart 2008. De vraag of het leerkrediet van de student als gevolg van overmachtsituaties kan teruggeven worden werd niet expliciet door de decreetgever geregeld. Als gevolg hiervan was er een grote onduidelijkheid hieromtrent zowel voor de instellingen als de betrokken studenten. De Raad heeft met zijn besluit 118 deze onduidelijkheid weggenomen. De Raad heeft gemeend dat hij de relevante bepalingen van dit decreet dient te interpreteren als volgt: “De memorie van toelichting stelt over het leerkrediet onder meer het volgende: “Studiesucces is een gedeelde verantwoordelijkheid van de instelling en van de student” en “Om de verantwoordelijkheid van de studenten voor studievoortgang in het hoger onderwijs uit te drukken, krijgt elke student een individueel leerkrediet.”119 Het gehele of gedeeltelijke verlies van het leerkrediet wordt dus gekoppeld aan de verantwoordelijkheid van de student. Naar het oordeel van de Raad moeten de relevante bepalingen van het Financieringsdecreet zo begrepen worden, dat de decreetgever niet gewild heeft dat een student zijn leerkrediet geheel of gedeeltelijk verliest wanneer hij ten gevolge van overmacht in de onmogelijkheid verkeerde zijn door de decreetgever gewilde verantwoordelijkheid op te nemen. Toegepast op het geval van de verzoekende partij leidt dat tot de conclusie dat zij wegens overmacht geen leerkrediet verliest voor de opleidingsonderdelen waarvoor zij wegens de vastgestelde overmacht niet aan de examens heeft kunnen deelnemen. “. Naar aanleiding van dit besluit werd het leerkrediet van de betrokken student teruggestort op verzoek van de instelling na een beslissing van de stuurgroep DHO genomen in uitvoering van het besluit van de Raad. Met ingang van september 2010 zal een nieuwe regeling van kracht worden wat betreft de beroepen tot aanpassing van het leerkrediet ingevolge een 118 119
R. Stvb. nr. 2009/111. Parl.St. Vl.Parl. 2007-08, 1468 nr.1, 15.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
66
overmachtsituatie. Over beroepen tot aanpassing van het leerkrediet ingevolge overmacht zal de Vlaamse Regering een beslissing nemen120.
4.2.6. Beroep tegen een beslissing waarbij het volgen van een schakel en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld.
107. In het werkjaar 2009 ontving de Raad één verzoekschrift met dergelijke betwisting.121 De Raad diende evenwel niet ten gronde te oordelen aangezien het verzoekschrift onontvankelijk werd verklaard. Het verzoekschrift was niet ondertekend.
4.3. Cassatieberoep bij de Raad van State 108. Tegen de besluiten van de Raad is een administratief cassatieberoep bij de Raad van State mogelijk overeenkomstig artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De Raad van State kan derhalve de in laatste aanleg gewezen beslissingen van het administratieve rechtscollege vernietigen wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten, zonder in de beoordeling van de feiten zelf te treden.122 In dit werkjaar werden 7 cassatieberoepen ingeleid bij de Raad van State. Dit is meer dan in het werkjaar 2008 maar is ongeveer hetzelfde als in 2007. Van grote afwijkingen is derhalve geen sprake. Onder randnummer 117 is een overzicht toegevoegd van de ingestelde cassatieberoepen de afgelopen werkjaren en de stand van de procedure. Van die 7 cassatieberoepen werden er twee ontoelaatbaar verklaard en vijf toelaatbaar. In een van die ontoelaatbare beroepen voerde de verzoekende partij de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. In een tweede middel voerde zij de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De Raad van State verklaarde het cassatieberoep ontoelaatbaar aangezien de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen een administratief rechtscollege is en bijgevolg de wet van 29 juli 1991 niet van toepassing is op de jurisdictionele beslissingen123. De toelaatbare beroepen werden niet beslecht in het werkjaar 2009.
120
Ontwerp van onderwijsdecreet XX zoals dit begin juni 2010 werd voorgelegd aan het Vlaams Parlement. 121 R. Stvb. nr. 2009/126. 122 Artikel 14, § 2 W.R.v.St. 123 R.v.St. nr. 4889, 6 oktober 2009.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
67
109. Een cassatieberoep heeft geen schorsende werking. Zoals reeds aangehaald in randnummer 65 werd tegen een besluit van de Raad124 dat handelde over de problematiek van het ‘verzaken aan een creditbewijs’ een cassatieberoep ingesteld bij de Raad van State. Voor de betrokken instelling betrof het immers een zeer principiële kwestie. Vermits dergelijk cassatieberoep echter geen schorsende werking hebben, heeft de Interne Beroepscommissie van de instelling niettemin reeds een beslissing genomen in het dossier en aan de student de graad van verdienste “onderscheiding” toegekend, doch onder uitdrukkelijk voorbehoud dat de beslissing van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen stand houdt. 110. In dit werkjaar oordeelde de Raad van State over besluiten die de Raad in het werkjaar 2007 nam (2007/046-2007/056-2007/083-2007/088-2007/048). In één van deze dossiers deed de verzoekende partij afstand van haar procedure voor de Raad van State. In drie dossiers kreeg de student gelijk en werd de uitspraak van de Raad vernietigd en in één dossier werd het beroep verworpen. Het beroep verworpen 111. De finaliteit van een cassatieberoep bestaat erin om de vermeende onwettige beslissing van een administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling aan het – anders samengesteld – rechtscollege wordt voorgelegd zodat de verzoeker in cassatie een nieuwe kans verwerft op een voor hem gunstiger beslissing van dat rechtscollege. De Raad van State heeft een beroep, ingesteld door een instelling tegen het besluit van de Raad nr. 2007/046, verworpen omdat de instelling al gevolg had gegeven aan een uitspraak van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. De Raad had immers de beslissing van de instelling vernietigd waarna de instelling een nieuwe weigeringsbeslissing tot inschrijving nam die niet door de student betwist werd. Doordat de instelling ten tijde van het instellen van het cassatieberoep zelf een nieuwe, autonome beslissing heeft genomen die niet door de student betwist werd aanzag de Raad van State deze beslissing als definitief125. Het beroep aanvaard 112. De Raad van State heeft ook een aantal beroepen aanvaard waardoor eerdere uitspraken van de Raad werden vernietigd. De Raad van State verklaarde het cassatieberoep tegen het besluit van de Raad nr. 2007/056 als gegrond. De in het besluit veruitwendigde motieven voldeden niet aan de motiveringsplicht die volgt uit artikel 149 van de Grondwet. De Raad van State oordeelde als volgt: “Conform artikel 149 van de Grondwet moet de motivering van de uitspraak aantonen op welke feiten de rechter steunt en welke gedachtengang hij volgt om zijn beslissing te nemen, zodat die beslissing voor de partijen verstaanbaar en aanvaardbaar is en zij bovendien kunnen nagaan of zij een rechtsmiddel kunnen aanwenden en zodat de Raad van State in voorkomend geval zijn 124 125
R. Stvb. nr. 2009/104. R.v.St. nr. 190.519, 17 februari 2009.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
68
opdracht als cassatierechter naar behoren kan uitoefenen en nagaan of de wet correct werd toegepast. … Wat de argumentatie van verzoeker betreft, dat de examencommissie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de tweede en de derde door hem ingeroepen bijzondere omstandigheden – de medische toestand van verzoeker en het recente overlijden van zijn grootvader – is in de bestreden beslissing te lezen126: “De Raad herinnert eraan dat hij zijn appreciatie niet in de plaats kan stellen van de examencommissie of de bevoegde instantie en enkel kan optreden wanneer het bevoegde orgaan, binnen de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid, kennelijk onredelijk heeft gehandeld. Na onderzoek van het dossier en de toelichting gegeven tijdens de hoorzitting, is de Raad van oordeel dat de hogeschool niet manifest onredelijk heeft gehandeld door de verzoekende partij als niet geslaagd te beschouwen voor het opleidingsonderdeel ‘Systeemanalyse’.” De enkele overweging dat “na onderzoek van het dossier en de toelichting gegeven tijdens de hoorzitting”, de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen van oordeel is dat de hogeschool niet manifest onredelijk heeft gehandeld door verzoekende partij als niet geslaagd te beschouwen voor het opleidingsonderdeel “Systeemanalyse”, levert geen voldoende inzicht in de gedachtegang van de administratieve rechter. Met name blijft iedere gedingpartij, en met hen ook de Raad van State, in het ongewisse over welke elementen – in feite of in rechte - nu precies hebben meegespeeld om tot de conclusie te komen dat de bestreden examenbeslissing “niet manifest onredelijk” is. Het wordt de Raad van State op die manier onmogelijk gemaakt om na te gaan of de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen op grond van dat onderzoek met recht tot die eindconclusie kon komen, met andere woorden om zijn wettigheidsonderzoek ter zake te voeren.”. 113. De Raad van State heeft tevens met het arrest nr. 190.520 de besluiten nr. 2007/083 en nr. 2007/088 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen vernietigd omdat de Raad volgens de Raad van State het beroep van de student ten onrechte ontvankelijk respectievelijk onontvankelijk verklaard heeft.127 In de eerste plaats erkent de Raad van State expliciet de keuze van de Raad om – ongeacht het principe van de devolutieve werking van een werkelijk georganiseerd administratief beroep – én de eindbeslissing én de initiële beslissing te vernietigen. Evenwel impliceert dat volgens de Raad van State ook dat de nieuwe beslissing van een onderwijsinstelling genomen in uitvoering van een voorafgaand besluit van de 126 127
R.v.St. nr. 190.521 van 17 februari 2009. R.v.St., Jacobs, nr. 190.520, 17 februari 2009.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
69
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen niet onmiddellijk beschouwd kan worden als een beslissing op intern beroep: “…Echter, verzoeker merkt terecht op dat, ondanks het feit dat verwerende partij de procedurele weg naar de raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen wijst, tegen deze beslissing van de examencommissie nog een georganiseerd beroep mogelijk was en dat het bestreden besluit voor hem inhoudt dat hij zijn zaak niet aan een beroepsinstantie heeft kunnen voorleggen. Dat administratief beroep was in de zaak met nr. 2007/083 nog niet uitgeput op het ogenblik van het instellen van het jurisdictioneel beroep bij de genoemde raad, zodat dat beroep onontvankelijk moest worden verklaard.” “Een bestuur dat geconfronteerd wordt met de vernietiging van ook de initiële (examen)beslissing, dient eerst een nieuwe initiële (examen)beslissing te nemen. Tegen die nieuwe beslissing moet vervolgens het georganiseerd administratief beroep worden ingesteld. Een dadelijk beroep bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen tegen die (nieuwe) initiële examenbeslissing is derhalve onontvankelijk.”. Dit leidt tot de vreemde stelling dat volgens de Raad van State in de zaak nr. 2007/083 waar de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen uitvoerig ten gronde is ingegaan op de opgeworpen middelen van de student, het beroep onontvankelijk had moeten worden verklaard, omdat het administratief beroep nog niet uitgeput was op het ogenblik van het instellen van het jurisdictioneel beroep bij de Raad, vermits verzoekende partij in deze geen intern beroep ingesteld had. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft in het besluit nr. 2007/088 dan weer ten onrechte het beroep van de student onontvankelijk verklaard, terwijl de student ook tegen het uitblijven van een beslissing op intern beroep – een intern beroep dat verzoeker in deze wél had ingesteld – kan opkomen bij de Raad binnen de termijn krachtens artikel II.24, § 1 Aanvullingsdecreet, waardoor het door de student ingestelde beroep wel tijdig was. De Raad van State was van oordeel dat bij vernietiging van een initiële examenbeslissing en de eindbeslissing na intern beroep, de student ertoe gehouden is eerst de interne beroepsprocedure uit te putten wanneer de instelling een nieuwe beslissing nam en de student niet akkoord kon gaan met deze nieuwe beslissing. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen was van oordeel dat in dergelijk geval de student geen interne beroepsprocedure diende te doorlopen128. Zoals hoger reeds vermeld onder randnummer 6, is de problematiek uit het arrest nr. 190.520 van de Raad van State generiek opgelost door het Onderwijsdecreet XIX waardoor aan artikel II.22 van het Aanvullingsdecreet, waarvan de bestaande tekst §1 wordt, een §2 wordt toegevoegd.
128
R.v.St. nr. 190.520, 17 februari 2009.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
70
Door de ingreep van de decreetgever is de student er niet meer toe gehouden de interne beroepsprocedure te doorlopen nadat de instelling een nieuwe beslissing nam ten gevolge van een vernietiging door de Raad. 114. Gelet op artikel 51, tweede lid van het K.B. van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State wordt in geval van verwijzing de zaak van rechtswege aanhangig gemaakt bij het rechtscollege. Bijgevolg heeft het secretariaat de zaken opnieuw geregistreerd en werd een schrijven gericht aan de student met de vraag of hij wenst een verzoek tot voortzetting te richten aan de Raad inzake de verzoekschriften nr. 2007/056, nr. 2007/083 en nr. 2007/088. De betreffende besluiten van de Raad werden initieel genomen tijdens het werkjaar 2007 van de Raad. De vernietigingsarresten dateren echter van 2009 zodat de Raad deze zaken na vernietiging pas heeft kunnen behandelen tijdens een zitting op 20 april 2009. 115. De student heeft intussen zijn studie afgewerkt. De student werd voor het betwiste opleidingsonderdeel ‘Systeemanalyse’ geslaagd verklaard en heeft op grond van dat behaalde resultaat zijn diploma verworven. Volgens de Raad van State in het arrest nr. 190.520 doet dit evenwel geen afbreuk aan het belang van de student om “een uitspraak te verkrijgen over de wettigheid van de studievoortgangsbeslissing betreffende het hier in geschil zijnde opleidingsonderdeel [d.i. het opleidingsonderdeel ‘Stage’] ten einde voor dit opleidingsonderdeel een correcte evaluatie, quotering en daarmee samenhangende graad van verdienste te krijgen”. 116. De Raad heeft in opvolging van de vernietigingsbesluiten van de Raad de volgende nieuwe beslissingen uitgesproken: In zijn besluit R.Stvb. 2009/009 werd het beroep niet ontvankelijk verklaart wegens niet uitputting van de interne beroepsprocedure. Onder randnummer 44 wordt hier dieper op ingegaan. In zijn besluit R.Stvb. 2009/010 werd het beroep ontvankelijk verklaart en ten gronde behandeld. De Raad besliste zoals ook aangegeven door de Raad van State dat verzoekende partij wel degelijk nog steeds belang had wat het opleidingsonderdeel ‘Stage’ betrof, “zelfs als een student een creditbewijs voor het betreffende opleidingsonderdeel behaalde en toch niet in aanmerking komt voor het toekennen van een graad van onderscheiding, het behalen van een hoger cijfer voor een bepaalde opleidingsonderdeel een voldoende belang voor de verzoekende partij inhoudt.”.129 De Raad verklaarde verder ten gronde dat het beroep wat de aangehaalde middelen betrof niet gegrond was. Het besluit werd uitvoerig gemotiveerd.
129
Zie R. Stvb. nr. 2008/064.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
71
In zijn besluit nr. 2009/011 ten slotte verklaarde de Raad het beroep niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang. “Vermits verzoekende partij voor het opleidingsonderdeel ‘Systeemanalyse’ met een examenbeslissing van 21 februari 2008 een nieuw en hoger cijfer (15 op 20) heeft gekregen en op grond daarvan haar diploma van Bachelor in de toegepaste informatica heeft behaald, een examenbeslissing waartegen verzoekende partij geen beroep heeft aangetekend en waardoor de aangevochten examenbeslissing van 7 september 2007 en de beslissing van 20 september 2007 genomen in het kader van het intern beroep zonder voorwerp zijn gevallen, heeft ook voorliggend beroep geen voorwerp meer en kan het niet leiden tot een verbetering van de huidige rechtspositie van verzoekende partij, met name dat zij geproclameerd is als professionele bachelor in de toegepaste informatica. Daarenboven is de Raad niet bevoegd om uitspraak te doen over eventuele geleden morele en/of financiële schade.”
117. Hierbij een overzicht van de cassatieberoepen en de stand van de procedure over de verschillende werkjaren van de Raad.
Rolnummer 2007/021 2007/046 2007/056
Toelaatbaarheid niet-toelaatbaar toelaatbaar toelaatbaar
2007/083
toelaatbaar
2007/088
toelaatbaar
2007/048
toelaatbaar
2008/006 2008/010 2009/072 2009/094 2009/104 2009/110 2009/116 2009/120 2009/130 2010/002003-005
toelaatbaar toelaatbaar niet-toelaatbaar toelaatbaar toelaatbaar toelaatbaar toelaatbaar niet-toelaatbaar toelaatbaar toelaatbaar – niet toelaatbaar toelaatbaar
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
Beslissing ---Arrest nr 190.519 dd. 17-02-2009 / beroep verworpen Arrest nr. 190.521 dd. 17-02-2009 / besluit Raad wordt vernietigd Arrest nr. 190.520 dd. 17-02-2009 / besluit Raad wordt vernietigd Arrest nr. 190.520 dd. 17-02-2009 / besluit Raad wordt vernietigd verzoekende partij doet afstand van de lopende procedure nog geen beslissing – opgeschorst – in behandeling nog geen beslissing – opgeschorst – in behandeling ----Nog geen beslissing Nog geen beslissing Nog geen beslissing Nog geen beslissing Nog geen beslissing Nog geen beslissing Nog geen beslissing
72
5. Opvolging door de instellingen 118. Met ingang van huidig werkjaar verzoekt de Raad steeds aan de instelling om haar op de hoogte te brengen van het gevolg dat aan de besluiten werd gegeven. De Raad acht het zeer belangrijk dat de rechtsbescherming van de student optimaal wordt gegarandeerd. Op die wijze kan de Raad ook nagaan of zij in bepaalde gevallen een goede beslissing heeft genomen die tot het gewenste resultaat voor beide partijen heeft geleid. De meeste instellingen rapporteren de Raad hier nauwgezet over. Hierna vindt u een aantal voorbeelden van de gevolgen die de uitspraken van de Raad met zich meebrengen. De Raad stelt vast dat de instellingen doorgaans correct opvolging geven aan zijn besluiten. In meerdere gevallen heeft het besluit geleid tot het geslaagd zijn van de betrokken student of tot de mogelijkheid om het examen opnieuw af te leggen: -
-
-
-
-
De student werd ingevolge de beslissing van de beroepscommissie in opvolging van het besluit van de Raad terug ingeschreven. De student krijgt de kans inhaalexamens te maken voor de examens die hij ingevolge zijn uitschrijving miste. De instelling stelde een regeling voor die door de student werd ondertekend. Ter opvolging van de besluiten die de Raad heeft genomen op de zitting van donderdag 7 mei 2009, liet de instelling weten dat er een nieuw examen werd georganiseerd. Van alle 15 studenten werd het schriftelijk akkoord ontvangen om het examen in een andere periode af te nemen dan opgelegd door de Raad, aangezien de opgelegde datum heel moeilijk viel in te passen in het examenschema van de studenten. Het werd een meerkeuze examen met 20 vragen, examenduur twee uur, zelfde giscorrectie als in januari. Het examen werd vooraf worden gescreend door een specialist in meerkeuze examens en door iemand die de materie kent, zoals beslist door de Interne Beroepscommissie. De interne beroepscommissie zal het examen quoteren. Op één student na slaagden alle studenten voor dit examen. De hogeschool heeft bevestigd dat de studente in uitvoering van het besluit van de Raad mag deelnemen aan de tweede zittijd. De examencommissie heeft een nieuwe beslissing genomen: geslaagd. Rekening houdend met en in uitvoering van de beslissing van de Raad heeft de examencommissie beslist dat het tekort van de studente net binnen de deliberatiecriteria valt omdat de uitsluiting van delibereren niet expliciet vermeld wordt in het departementaal onderwijs- en examenreglement 20082009 onder de hoofding ‘deliberatiecriteria’. Ze verklaarde de studente gedelibereerd en bijgevolg geslaagd, met behoud van de oorspronkelijke quotatie. De interne beroepscommissie van de instelling heeft ter opvolging van een besluit van de Raad een nieuwe beslissing genomen en de student een nieuwe examenkans geboden, in het bijzijn van de facultaire ombudspersoon. De student maakte gebruik van de nieuwe examenkans en slaagde. De studente kreeg de mogelijkheid tot een nieuwe evaluatie aan de hand van drie sessies waarin gepeild werd naar de te behalen competenties voor het betrokken opleidingsonderdeel. Onderwerp van deze sessies was de
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
73
-
therapeutische verdieping over de wijze van het verloop van de persoonlijke deelname aan het opleidingsonderdeel en van de daaropvolgende betwisting in de periode juni-september. Na elke sessie volgde via een schriftelijk verslag door de verantwoordelijke lesgever een tussentijdse evaluatie met een eindevaluatie na de drie sessies. De evaluaties werden telkens na elke sessie aan de studente bezorgd. De studente behaalde uiteindelijk een 9 op 20 voor de leereenheid praktijk groepstherapie en werd door de examencommissie gedelibereerd. De student werd door de examencommissie op 15 september 2009 geslaagd verklaard met compensaties.
Het gebeurt vanzelfsprekend ook dat de instelling wel degelijk in opvolging van het besluit van de Raad voldoet aan de opgelegde voorwaarden en een duidelijk antwoord biedt in de nieuwe beslissing op de overwegingen die tot de vernietiging hebben geleid, zonder dat dit noodzakelijkerwijze tot gevolg heeft dat de student ook slaagt. In sommige gevallen legt de student zich dan neer bij de nieuwe opnieuw negatieve studievoortgangsbeslissing: -
-
-
-
-
-
De instelling deelt mee dat ze binnen de voorziene termijnen en in overleg met de studente een nieuw examenmoment heeft gepland voor het betrokken opleidingsonderdeel. Er werd vervolgens een nieuwe examenbeslissing genomen die aan de student werd meegedeeld. De instelling deelt mee dat de examencommissie op datum van 22/04/2009 een nieuwe omstandige gemotiveerde beslissing ‘niet geslaagd’ genomen heeft en dat in de gemotiveerde betekende beslissing uitdrukkelijk is verwezen naar de mogelijkheid hiertegen intern beroep aan te tekenen bij de algemeen directeur. De student heeft geen beroep aangetekend zodat deze beslissing definitief is geworden. De examencommissie is bijeengekomen op woensdag 26 augustus en heeft geoordeeld dat paper 2 een 0 op 14 verdient. Het verschil tussen versie 1 en versie 2 heeft niet geleid tot een ander punt. De tabel ‘relevant-niet relevant’ op de laatste bladzijde van versie 2 heeft geen meerwaarde. Dit betekent dat de punten voor Strategische Marketing blijven zoals na de vervroegde 2e zittijd in juni: 9/20. De student ..........is momenteel opnieuw ingeschreven in de 3e bachelor bedrijfsmanagement afstudeerrichting marketing aan de KHLeuven. De Interne Beroepscommissie van de instelling heeft ter opvolging van het besluit nr. 2009/074 van de Raad een nieuwe beslissing genomen die erin bestond de student een nieuwe examenkans aan te bieden en dit in het bijzijn van de facultaire ombudspersoon. De student heeft evenwel geen gebruik gemaakt van deze (eerste) examenkans, doch wel van de tweede examenkans. De student slaagde evenwel niet. Het dossier werd herbekeken en aan de docent werd een motivering gevraagd. Het antwoord van de student was niet correct, terwijl het juiste antwoord tijdens het college letterlijk aan bod is gekomen. De uitgebreide motivering is gehecht aan de nieuwe interne beroepsbeslissing, genomen na het vernietigingsbesluit van de Raad. In navolging van het besluit van de Raad heeft de promotor van de masterproef zijn initiële evaluatie heroverwogen. Hij oordeelde dat de initiële
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
74
-
-
evaluatie moest worden bevestigd. Student is niet geslaagd voor de opleiding Master in de agogische wetenschappen. De Interne Beroepscommissie heeft, n.a.v. het besluit van de Raad, op 5 november jl. het intern beroep gegrond verklaard en de studente het examencijfer van 6/20 gegeven. De Interne Beroepscommissie was geheel anders samengesteld. De instelling legde het dossier opnieuw voor aan de programmacommissie van de opleiding waarbij de herberekening conform de door de Raad opgelegde wijze gebeurde. Deze nieuwe berekeningswijze toonde nog steeds aan dat de eindcompetenties onvoldoende beheerst zijn om de student een vrijstelling te verlenen.
119. Huidig werkjaar werd een tweede (en zelfs derde beroep in het werkjaar 2010) ingediend door een student die stelde dat de instellingen de overwegingen van de Raad in een eerder besluit flagrant naast zich neerlegde130. De Raad volgde de student en nam in die zin een besluit. “De Raad stelt vast dat de verwerende partij in haar beslissing van 23 november 2009 niet ten volle gevolg heeft gegeven aan de overwegingen die geleid hebben tot de vernietiging van de examenbeslissing van 9 september 2009 en de beslissing na intern beroep van 24 september 2009… …de examencommissie heeft dus om die redenen het gezag van het besluit van de Raad nr. 2009/086 van 21 oktober 2009 geschonden en kan dit niet goedmaken door verzoekende partij geslaagd te verklaren maar deze geen credit toe te kennen.” De Raad betreurt deze gang van zaken ten zeerste en pleit ervoor dat de instellingen de uitspraken van de Raad correct opvolgen. Indien de instelling de uitspraak niet correct opvolgt, zal de student terug naar de Raad gaan om orde op zaken te stellen. Dit leidt tot een nodeloos rekken van procedures en verdergaande rechtsonzekerheid voor de student. Een beslissing van de Raad heeft gezag van gewijsde en is een authentieke akte waarmee in voorkomend geval een student ook naar de gewone rechtbank kan stappen om uitvoering te bekomen.
6. Aanbevelingen van de Raad Administratieve ondersteuning 120. De Raad is van oordeel dat er momenteel geen noodzaak is tot extra administratieve ondersteuning. Dit belet echter niet dat gezien het stijgend aantal zaken en de bovenvermelde uitbreiding van bevoegdheden de noodzakelijke administratieve ondersteuning en bestaffing goed in het oog moet gehouden worden.
130
R. Stvb. nr. 2009/120.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
75
Opvolging besluiten Raad 121. Op schriftelijk verzoek van de Raad stelt het merendeel van de instellingen de Raad op de hoogte van het gevolg dat aan de besluiten werd gegeven. De Raad vindt deze informatie bijzonder nuttig aangezien dit de werking enkel ten goede komt. De Raad zou het dan ook wenselijk achten mocht dit opgelegd worden aan alle onderwijsinstellingen.
Jaarlijks verslagboek 2009 – R. Stvb.
76