Skip to main content

rapport Oude&Nieuwe Stiemer_compressed (1).pdf

Page 1

Landinrichting De Wijers Historisch ecologisch onderzoek in het kader van het landinrichtingsplan ‘Oude en Nieuwe Stiemer’

Steymer’s wetterland in Diepenbeek juli 2018

Vlaamse overheid

VLM.be LNE.be


Landinrichting De Wijers Historisch ecologisch onderzoek in het kader van het Landinrichtingsplan ‘Oude en Nieuwe Stiemer’ Steymer’s wetterland in Diepenbeek (intern rapport)

Eddy Dupae, 2018 (versie 5 oktober 2018)


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 2 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

INHOUD INHOUD ..................................................................................................................................... 3 INLEIDING ............................................................................................................................... 5

DEEL I 1 2

WAT IS ER: INVENTARISATIE ...........................................................7

BODEM .............................................................................................................................. 7 VEGETATIE ........................................................................................................................ 10 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

Bossen ......................................................................................................................................... 10 Houtkanten ................................................................................................................................. 14 Graslanden .................................................................................................................................. 17 Vloeiweiden................................................................................................................................. 23 IJzeroer........................................................................................................................................ 33 Vergelijking met de Biologische Waarderingskaart (BWK) ........................................................... 35 3 AMFIBIEËN ........................................................................................................................ 36 4 VOGELS ............................................................................................................................ 38 BESLUIT VAN DEEL I.................................................................................................................... 39

DEEL II 1

WAT WAS ER: HISTORISCHE ECOLOGIE ......................................... 40

DE RECONSTRUCTIE VAN HET VROEGERE LANDSCHAP ................................................................. 40 1.1 1.2 1.3 1.4

Toponiemen ................................................................................................................................ 40 Studie van de oude kaarten ......................................................................................................... 45 Het weteren in Diepenbeek ......................................................................................................... 68 De houtwallen ............................................................................................................................. 72 2 WAT REST ONS (AAN NATUUR) VAN HET VROEGERE LANDSCHAP EN WAT KWAM ERBIJ? .................... 77 2.1 De valleien .................................................................................................................................. 77 2.2 Het bos, de houtwallen en de oudbosplanten .............................................................................. 80 BESLUIT VAN DEEL II................................................................................................................... 82

DEEL III FAUNA ......................................................................................... 83 1

DE KAMSALAMANDER IN DE GEMEENTE DIEPENBEEK ................................................................. 83 1.1 1.2

Situatie in DIEPENBEEK en in de rest van de provincie.................................................................. 83 Ecologie van de kamsalamander ................................................................................................. 84 2 HET ‘LOOKVOSKE’ VAN DIEPENBEEK ....................................................................................... 89 2.1 Situatie in Diepenbeek en in de rest van de provincie ................................................................... 89 2.2 Ecologie van de boomkikker ........................................................................................................ 90 3 ‘HOUTKANTVOGELS’ ........................................................................................................... 92 3.1 Houtkantsoorten ......................................................................................................................... 92 3.2 Soortgerichte benadering, de geelgors ........................................................................................ 92 BESLUIT VAN DEEL III.................................................................................................................. 96

DEEL IV MIJMERINGEN OVER WAT ER IS, WAS EN ZAL ZIJN: ECOFILOSOFISCH KADER ............................................................... 97 DEEL V 1

WAT ZAL ER ZIJN: ECOLOGISCHE INRICHTINGSVOORSTELLEN ...... 101

HET WETERLAND MET ZIJN BOS, HOUTWALLEN, AMFIBIEËN EN HOUTKANTSOORTEN........................ 102

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 3 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

1.1 De vloeiweiden en overige graslanden....................................................................................... 102 1.2 De bossen en de houtwallen ...................................................................................................... 105 1.3 De amfibieën ............................................................................................................................. 107 1.4 De houtkantsoorten .................................................................................................................. 107 BESLUIT VAN DEEL V ................................................................................................................. 109

NAWOORD................................................................................................ 110 REFERENTIES ............................................................................................. 111 BIJLAGE 1: FLORAGEGEVENS ...................................................................... 119 BIJLAGE 2: HISTORISCHE KAARTENREEKS ................................................... 141 BIJLAGE 3: OP TE ZOEKEN LITERATUUR ...................................................... 143 BIJLAGE 4: KAARTENREEKS BIJ DE TEKST .................................................... 144

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 4 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

INLEIDING Het kader voor deze ecologische studie vormt het Masterplan Signaalgebied en Campus Diepenbeek (Anon., 2017). In dit Masterplan wordt een gedetailleerd inrichtingsvoorstel uitgewerkt o.m. voor het studiegebied (Kaart 1, alle kaarten waarnaar in de tekst verwezen wordt zijn in bijlage 4 te vinden). Een belangrijke randvoorwaarde daarbij is het GRUP waarbij een deel van het studiegebied de bestemming parkgebied en een ander deel de bestemming gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut kreeg opgeplakt (Kaart 2). Die laatste bestemming laat een belangrijke uitbreiding van de Campus met gebouwen toe. Het inrichtingsvoorstel in onze ecologische studie heeft dan ook vooral betrekking op de bestemming parkgebied. Belangrijke randvoorwaarden daarbij zijn de overstroombare zones (Fig. 1) en de ligging van de toekomstige collector (zie Kaart 1). De opstelling van een inrichtingsplan dient vanzelfsprekend vanuit zeer diverse invalshoeken te gebeuren. Dit rapport presenteert de insteek vanuit ecologie. Die sectorvisie ecologie dient nog met andere invalshoeken (landbouw, recreatie, hydrologie, …) “in confrontatie” te gaan om uiteindelijk te resulteren in een realistisch inrichtingsplan. Daarna volgt het uur van de waarheid voor de planners, t.t.z. het voorlopig ontwerp wordt tijdens verschillende inspraakmomenten aan een zo ruim mogelijk publiek en aan de politiek ter discussie voorgelegd en op basis van die inspraak wordt beargumenteerd beslist het ontwerp al dan niet aan te passen. In verband met die inspraak is de inbreng van de landbouwsector, nog steeds één van de belangrijkste gebruikers in het toekomstig parkgebied, zeker gewenst, zoals ook door de landbouwstudie werd aangegeven (Willems, 2016). Zonder het draagvlak vanuit die sector mist elk inrichtingsplan realiteitszin én democratisch gehalte. Ook al ligt het studiegebied niet in herbevestigd agrarisch gebied, toch legt de bestemming parkgebied geen inherente beperkingen op aan de landbouwsector. Die sector blijft dus ook in de toekomst een belangrijke speler in het gebied, o.m. omdat de gronden in het Signaalgebied nog meetellen in het areaal voor de betalingsrechten, omdat de bedrijven in het gebied niet als marginaal te bestempelen zijn en omdat sommige bedrijven er met hun huiskavel en heel wat omliggende percelen gelegen zijn.

Alvast kritisch leesgenot gewenst.

Met dank aan Inge, Katia, Tina, Piet, Anke en Wouter.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 5 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Fig. 1: De contour van het overstromingsgebied van de Demervallei met als referentie de storm van 2010

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 6 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

DEEL I

Wat is er: inventarisatie

In dit deel worden de veldgegevens besproken die in 2016 (Dupae, 2016) en in 2018 verzameld werden in het studiegebied (zie Kaart 3). Voorafgaand werd als voorbereiding een bodemgebruikskaart, inclusief de kleine landschapselementen opgesteld (Kaart 4). Voor de nummering van de geïnventariseerde percelen wordt verwezen naar Kaart 5. De werkwijze van het veldwerk komt sterk overeen met die van de BWK-kartering (Vriens e.a., 2011). Enerzijds omdat de BWK-kartering een vrij grove methode is die toelaat om in een relatief kort tijdsbestek toch een overzicht te krijgen van de botanische waarde van een gebied en anderzijds omdat die methode in het beleid, o.m. bij de mestwetgeving en beheersovereenkomsten, sterk ingeburgerd is. Het studiegebied omvat delen van de vallei van de Stiemer en de Demer en lag destijds ingesloten tussen de Rooier- en de Dorpsheide. Tal van straatnamen in de aanpalende wijken verwijzen daar nog naar: Schabertstraat, Stukstraat, Plagstraat, Dorpheidestraat, Turfstraat, Ijzerstraat (verwijzend naar ijzeroer?), Heidestraat, Rooierheidestraat en Steenblookstraat. Blook verwijst naar het woord biluiken, sluiten, een door omheining afgesloten akker. Bloken zijn tot stand gekomen door ontginning uit de heide, hier de Rooierheide. Overigens komen we in de literatuur en op kaarten tal van verschillende schrijfwijzen tegen voor de belangrijkste waterloop in het gebied, met name de Stiemer, bv. Die Stiemere (1480), die Stymeer (1494), de Steymer (1501), die Styemer (1514), die Steemeer (1515) de Stimer, … (Wissels, 1982).

1 BODEM De basis van elke vegetatie is de bodem. Voor de aard van de bodem beschikken we enkel over de oude bodemkaart waarvan de boringen tot 125 cm diepte uitgevoerd werden in 1965 –’66 (Baeyens, 1975; Kaarten 6, 7 en 8). Een actualisatie van deze bodemkaart is zeker aangewezen, omdat de situatie te velde sindsdien sterk kan gewijzigd zijn.

Textuur (Kaart 7) Het studiegebied bestaat grotendeels uit lemig zand (S op de bodemkaart). Daarnaast zijn er drie vlekken met zand (Z op de bodemkaart), met name in een strook vlakbij de Oude Stiemer, in het oostelijk deel van het studiegebied in de overgang naar de vroegere Dorpsheide en ook nabij de Miezerikvijvers. Tot slot heeft de Demer klei afgezet in het gebied tussen Demer en Kaatsbeek (E op de bodemkaart).

Drainage (Kaart 8) De drainageklassen gaan van c (matig droog), d (matig nat), e (nat, sterk gleyig met reductiehorizont) tot f (zeer nat, zeer sterk gleyig met reductiehorizont). Vanaf klasse e wordt gewoonlijk een reductiehorizont binnen boorbereik aangetroffen (minder dan 125 cm). Het overgrote deel van het studiegebied bevat de drainageklassen d en e, wat wijst op de vochtigheid van het gebied dat deel uitmaakt van het Pediment van Diepenbeek, een zacht hellende vlakte richting Demer die door grondwater vanuit het Kempisch plateau gevoed wordt (Kaart 9). ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 7 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Zeer natte f-bodems (Zfg) zijn enkel aanwezig ten noorden van de Miezerikvijvers. De droogste bodems (Zcg) liggen vlakbij de Alfons Jeurissenstraat en zijn haast volledig onder de bebouwing van die straat verdwenen. Kaart 10 toont de verspreiding van de ijzerkwel op basis van roestverschijnselen te velde. Die ijzerkwel komt goed overeen met de kwelgebieden op basis van reliëf en bodem (Kaart 11).

Profielontwikkeling Bij de profielontwikkeling gaat het vooral om het symbool g (gronden met duidelijke humus of/en ijzer B horizont). Verder treedt het profiel m op in een klein gebied nabij De Dijken. Profiel m wijst op gronden met diepe antropogene A horizont, m.a.w. een plaggendek. Soms zijn er geen tekenen van uitloging of aanrijking te zien. Dan hebben we met jonge sedimenten, vooral jong alluvium in de Demervallei te maken, aangegeven met het symbool p (gronden zonder profielontwikkeling). Tot slot treffen we eveneens een kleine oppervlakte gronden nabij het Wetenschapspark aan met een sterk gevlekte B horizont (symbool c). Hierna volgt een opsomming van alle bodemtypes in en om het studiegebied en hun landbouwgebruiksmogelijkheden volgens Baeyens (1975). De zandgronden: Zcg: matig droge zandgronden met duidelijke humus of/en ijzer B horizont. Zcg is geschikt voor weinig eisende gewassen en voor naaldhout. Zdg: matig natte zandgronden met duidelijke humus of/en ijzer B horizont. Zdg is geschikt voor akkeren tuinbouw, zowel voor zomer- als voor wintergranen (gerst, tarwe) en voor maïs en raaigras. De landbouwwaarde hangt af van de dikte van humeuze bovengrond. Zfg: zeer natte zandgronden met duidelijke humus of/en ijzer B horizont. Ongeschikt voor akkerbouw, weinig geschikt voor graasweide en slechts matig geschikt als hooiland, wel gunstig voor populierenteelt. De lemig zandgronden: Sdg: matig natte gronden op lemig zand met duidelijke humus of/en ijzer B horizont, geschikt voor akker- en tuinbouw. Sdm: matig natte gronden op lemig zand met diepe antropogene humus A horizont (hydromorfe plaggenbodem), geschikt voor de meeste teelten, maar het is een late, traag opdrogende bodem niet geschikt voor aardappel en asperge. Sec: natte lemig-zandgronden met verbrokkelde textuur B horizont. In natuurlijke toestand is Sec te nat en moet gedraineerd worden en is dan geschikt voor akker- en tuinbouw mits de humeuze bovengrond dik genoeg is, liefst 30-60 cm. Het normale gebruik beperkt zich tot weiland. Seg: natte gronden op lemig zand met duidelijke humus of/en ijzer B horizont. Seg is permanent nat met hoge winterwaterstanden en tijdelijke overstroming, te nat voor akker- en tuinbouw, enkel geschikt als weidegrond.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 8 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

De kleigronden: Eep: sterk gleyige, alluviale gronden op klei met reductiehorizont. Het betreft permanent natte gronden die te nat zijn voor akkerbouw, wel geschikt voor weiland en populierenteelt. OB: bebouwde zone

De bodem De bodemdiversiteit in het studiegebied is eerder gering. Het gaat vooral om lemig zand met drainage d (hoofdzakelijk akkerbouw) of e (eerder weidegrond). Enkel nabij de Demer komt natte klei voor en lokaal zijn wat vlekken eerder droge zandgrond aanwezig (drainageklassen c en d). Het bodemgebruik is grotendeels in overeenstemming met de bodemtoestand. Zo zijn de akkers vooral op de drogere plaatsen te vinden (Kaart 12).

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 9 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

2 VEGETATIE Het ecologisch veldwerk van het ca. 236 ha grote studiegebied had slechts een verkennend karakter, want elk perceel werd in principe slechts één-, hooguit tweemaal onderzocht op plantensoorten. Het aantal veldbezoeken was m.a.w. te klein om een diepgaand inzicht in de ecologie van het studiegebied te verwerven. Haast elk veldbezoek levert immers nieuwe inzichten op, zeker bij spreiding over meerdere seizoenen en jaren. Het spreekt voor zich dat dergelijk onderzoek geen definitieve uitspraken pretendeert, maar slechts een eerste, globale aanzet vormt naar visievorming toe. Van percelen met enige botanische waarden werden beperkte soortenlijsten opgesteld. Daarbij ging de aandacht vooral uit naar zeldzame soorten, naar soorten met een belangrijke syntaxonomische waarde, naar soorten met een belangrijke indicatorwaarde inzake het milieu (voedselarmoede en grondwaterinvloed) of inzake de ouderdom (‘rijping’, langdurig stabiel bodemgebruik) van het vegetatietype. Bijlage 1 toont de soortenlijsten per perceel, kaart 5 de perceelsnummers. Nogmaals, het betreft hier geen volledige soortenlijsten!

Perceel 11: groeiplaats moerasviooltje

2.1 BOSSEN De bossen in het studiegebied (zie Kaart 13) zijn vooral in het zuidelijk deel van het studiegebied te vinden. Ze zijn eerder klein en alleen al daardoor slecht ontwikkeld. Bovendien is vrij veel bos pas zeer recent aangeplant (perceelnrs. 22, 23, 24, 25, 31, 32, 37, 38) soms in waardevol grasland (bv. perceelnr. 31) en bijgevolg floristisch sterk verarmd, o.m. omdat oudbosplanten hier ontbreken. Omdat sommige bossen vlakbij bewoning liggen worden regelmatig tuinplanten in de bossen aangetroffen, bv. bonte gele dovenetel, bamboe, sneeuwklokje, ‘paplaurier’, mahonie, … , mogelijk ook lelietje-van-dalen en kleine maagdenpalm. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 10 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

De overgang van het bos naar zijn omgeving is in het studiegebied vaak abrupt, m.a.w. van een geleidelijke, structuurrijke overgang in de vorm van mantel-/zoomvegetaties is eerder zelden sprake.

Oudbosplanten Bossen worden op hun natuurbehoudswaarde getaxeerd met oudbosplanten. Oudbosplanten zijn typische, strikt aan bos gebonden soorten die in principe op een zeer lange ontwikkeling wijzen, op eeuwenoud bos dus. Deze soorten, en dan vooral de kruiden, want bomen en heesters zijn vaak aangeplant, worden gebruikt om bosvegetaties te beoordelen op hun ecologische waarde. Omdat oudbosplanten op Europese schaal regionaal verschillen in hun affiniteit voor oud bos, wordt best met regionale soortenlijsten van oudbosplanten gewerkt. Op basis van Cornelis e.a. (2009) beschouwen we voor ons studiegebied de volgende soorten als oudbosplant: bosanemoon, wijfjesvaren (niet specifiek gekarteerd), grote muur, pilzegge, lelietje-van-dalen, dalkruid, gewone salomonszegel, adelaarsvaren, gevlekte aronskelk (niet gekarteerd), daslook, kleine maagdenpalm; klimop, gladde witbol, wilde kamperfoelie, ijle zegge, ruwe smele, valse salie en beide bosviooltjes. De soorten in het vetgedrukt en schuin hebben de hoogste binding aan oud bos en enkel deze soorten worden in deze studie als oudbosplant weerhouden (zie Kaart 14, inclusief de oudbosplanten van de houtwallen; Tabel 1). Volgens Poschlod (2015) zou kleine maagdenpalm echter vooral op vroegere bewoning wijzen. Hetzelfde vermoeden wij van lelietje-van-dalen. Voor de heesters zijn de oudbosplanten in het studiegebied rode kornoelje, hazelaar, kardinaalsmuts, gelderse roos en hulst. Tot slot vonden we veel ‘oudbosplanten’ in een overhoekje (perceelnr. 28), maar bij navraag bij de eigenaar bleek dat het hier om bewust uitplanten en –zaaien gaat. In de ons omringende landen worden voor het studiegebied ook muskuskruid, smalle stekelvaren, hengel, blauwe bosbes, bleke zegge, knopig helmkruid en schaduwgras als oudbosplant beschouwd (Hermy et al., 1999), maar bij de waardering van de bossen (en houtkanten) in ons studiegebied houden we het bij de lijst van Cornelis e.a. (2009). Hengel is bv. een bosplant van zure, voedselarme droge tot matig vochtige bodem die echter ook in lanen, houtkanten, beschaduwde wegbermen en soms in de heide en in heischrale graslanden gedijt. Blauwe bosbes is een plant van zure min of meer droge, voedselarme bodem die vooral in de matige schaduw wordt aangetroffen en die in bossen op voormalige heide vaak het aspect bepaalt (Weeda e.a., 2002). Het aantal oudbosplanten in de bossen van het studiegebied is erg laag (maximum 2, versus 4 bij de houtwallen). Volgens Hermy et al. (1999) zijn er slechts 4 oudbosplanten in elzenbroek- en in berkenbroekbossen te vinden, slechts 7 soorten in de Eiken-Beukenbossen op arme zandgrond en geen enkele soort in naaldbossen. De meeste oudbosplanten zijn m.a.w. gebonden aan bossen op leem. Uit voorgaande volgt dat we sowieso al weinig oudbosplanten in de bossen van het studiegebied kunnen verwachten. De meest verspreide oudbosplanten in de bossen van het studiegebied zijn salomonszegel (sterk geconcentreerd ten zuiden van de Pastoors vijver), adelaarsvaren en grote muur. Uit tabel 1 kan mogelijk afgeleid worden dat een aantal soorten oudbosplanten eerder beperkt zijn tot het bos (bosviooltje, muskuskruid en bleke zegge), andere eerder tot de lineaire houtige structuren (hengel en pilzegge). Eikvaren is enkel in houtwallen te vinden. Die binding eerder aan houtwal dan aan bos geldt ook, weliswaar in mindere mate, voor valse salie, grote muur en adelaarsvaren. Enigermate waardevol, oud bos op basis van de oudbosplanten beperkt zich in het studiegebied tot de onmiddellijke buurt ten noorden van de Demer en de Kaatsbeek. Toch gaat het ook hier om eerder kleine bossen met erg weinig oudbosplanten, zowel wat soortenrijkdom als bedekking betreft (maximaal 2 oudbosplanten/bos). Van echt waardevol oud bos met een goed ontwikkelde, eerder soortenrijke kruidlaag met veel oudbosplanten is geen sprake in het studiegebied. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 11 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Tabel 1: voorkomen van een aantal ‘oudbosplanten’ in bos en houtwallen

Aantal bospercelen

Aantal houtwallen

Totaal

Grote muur

4

16

20

Gewone salomonszegel

7

10

17

Adelaarsvaren

5

14

19

Valse salie

2

4

6

Hengel

0

7

7

Blauwe bosbes

3

3

6

Bosanemoon

1

1

2

Pilzegge

1

6

7

Dalkruid

2

0

3

Lelietje-van-dalen

3

1

4

Kleine maagdenpalm

0

1

1

Bleeksporig bosviooltje

1

0

1

Muskuskruid

1

0

1

Bleke zegge

1

0

1

Vele bossen in het studiegebied kenmerken zich door ‘verstoringsvegetaties’: dominatie van braam, brandnetel, klimop of stekelvarens of door de aanwezigheid van exoten en tuinplanten: ‘paplaurier’, Chamaecyparis, mahonie, Amerikaanse eik, Amerikaanse vogelkers, bamboe, reuzenbalsemien, bonte gele dovenetel, sneeuwbes. Bij een aantal bossen kan uit de vegetatie afgeleid worden dat er vroeger eerder open (grasland)vegetaties voorkwamen. Zo bevat perceel 7 een open plek met een moerasspirearuigte wat laat vermoeden dat hier vroeger een dotterbloemhooiland stond, wat overigens te velde door een jager werd bevestigd. Ook in bos 6 is in een kapvlakte een moerasspirearuigte aanwezig met als opvallende soorten bijzonder veel hazenzegge, bleke zegge en geelgroene zegge! Bos 31 is relatief recent aangeplant in een soortenrijk historisch permanent grasland. Planten als knoopkruid, grasmuur, hazenzegge en veelbloemige veldbies wijzen daar nog op. Overigens verraadt prikkeldraad midden in het bos mogelijk ook naar een vroeger ander gebruik (bv. perceelsnrs. 7, 11, 26). De enige oudbosplant in tabel 1 beperkt tot bos is dalkruid. Merk echter op dat die soort gevonden werd in de rand van bos nr. 4, in een ogenschijnlijke boswal. Houtwallen bevatten alvast geen exclusieve oudbosplanten, maar eikvaren, hengel en schaduwgras zijn wel enkel in houtwallen en niet in het bos te vinden. Oudbosplanten zijn schaduwtolerant. Ze mijden te droge of te natte standplaatsen, verkiezen een neutrale pH en een mesotrofe bodem. Dalkruid en blauwe bosbes bv. koloniseren geen bos op natte bodems, t.t.z. voormalig moeras, omdat dat te nat en te voedselrijk is. Oudbosplanten, behalve de varens, beschikken over zeer beperkte verspreidingsmogelijkheden in de ruimte en in de tijd (haast geen ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 12 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

langlevende zaadbank). Zelfs bosplanten met voor vogels aantrekkelijke bessen/zaden worden zelden ver verspreid, omdat die bosvogels meestal vrij kleine territoria bezitten en zelden open gebieden oversteken. Het behoud van bossoorten moet zich dan ook vooral richten op soorten zonder persistente zaadbank of vegetatieve voortplanting, bv. blauwe bosbes en hengel. Hengel is overigens sterk gebaat bij een hoge graasdruk, omdat de dieren de plant mijden. De soort is voor zijn kieming afhankelijk van een lage, open vegetatie. In oude bossen verdwijnt hengel door strooiselophoping. Oude bospaden en houtkanten vormen een refugium voor deze soort (Clerkx & Bijlsma, 2003).

Dalkruid, een oudbosplant in het studiegebied.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 13 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

2.2 HOUTKANTEN De term houtwal slaat op een houtkant die op een walstructuur gelegen is. De houtkanten/wallen in het studiegebied (zie kaart 15) bevatten als struik- en boomlaag vooral hulst, braam, wilde kamperfoelie, klimop, Amerikaanse vogelkers (minstens in 81% van de gevallen vs 71% bij de bossen; zie Intermezzo: probleemsoorten), wilde lijsterbes, hazelaar, berk spec., zomereik, Amerikaanse eik, sporkehout en zwarte els; in mindere mate meidoorn, wilg spec., gelderse roos en eerder zelden tot slot treden brem, aalbes, (peterselie-)vlier, (haag)beuk, acacia, gewone den en trilpopulier op.

Vegetatiekundig kan de ondergroei van de houtwallen gerekend worden tot de Klasse van Gladde witbol en Havikskruiden, meer bepaald de Associatie van Hengel en Gladde witbol die heel wat soorten gemeen heeft met het zogenaamde Beuken-Eikenbos, wat mogelijk als de oorspronkelijke bosvegetatie van de zandstreek kan gezien worden. Het valt inderdaad op dat de vegetatie van de houtwallen in het studiegebied aanleunt bij het leemhoudende Beuken-Eikenbos. Zo is het Beuken-Eikenbos het optimale bostype voor hengel en valse salie. Zoomvegetaties van de Klasse van Gladde witbol en Havikskruiden, kenmerkend voor de zandstreek, komen voor in de bosrand, langs (brede) bospaden, in houtwallen en onder bomenrijen langs zandweggetjes. Kenmerkende soorten zijn gladde witbol, hengel, stijf- en schermhavikskruid, valse salie, bochtige smele, wilde kamperfoelie, blauwe bosbes, pilzegge, dalkruid, adelaarsvaren, gewone eikvaren, brem, struikheide, grasklokje, tormentil, bosanemoon, lelietje-van-dalen, hazelaar, klimop, hulst, pijpenstrootje, salomonszegel, dubbelloof, sporkehout, lijsterbes, gras- en grote muur; een soortenlijst die sterk overeenstemt met de situatie in het studiegebied.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 14 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Zoomvegetaties met Gladde witbol en Havikskruiden wijzen op eerder leemhoudend zand (Schaminée e.a, 1996). Bij eutrofiëring, bv. door het inwaaien van meststoffen, ontstaat een armsoortige rompgemeenschap gedomineerd door adelaarsvaren (Schaminée e.a., 2015), wat meer dan eens het geval is in het studiegebied (zie Intermezzo: probleemsoorten).

Intermezzo: probleemsoorten In het studiegebied komen in de houtkanten twee probleemsoorten voor, met name de inheemse adelaarsvaren en de exoot Amerikaanse vogelkers. Adelaarsvaren kan woekeren in houtkanten en daardoor de soortenrijkdom nadelig beïnvloeden. Vroeger werd adelaarsvaren waarschijnlijk in toom gehouden omdat men de plant oogstte als strooisel voor de stal, maar die praktijk is al lang verdwenen. Mechanisch is adelaarsvaren het best te bestrijden door tweemaal/jaar te maaien, een eerste keer midden juni wanneer het nutriëntengehalte in de bladeren maximaal is en vervolgens eind juli om de nieuwe scheuten af te snijden (Geudens e.a., 2005; Marrs et al., 2000), al zou 1 hooibeurt/jaar half augustus ook al effect hebben. Amerikaanse vogelkers vormt een veel groter probleem dan de inheemse adelaarsvaren. De soort is begin vorige eeuw ingevoerd als mengsoort bij heidebebossingen met vooral dennen (erg soortenarm, lichtrijk bos zonder concurrentie in de onderetage van schaduwtolerante soorten zoals beuk, haagbeuk, tamme kastanje, gewone esdoorn, winterlinde en struiken). Die dennen worden bovendien via kaalkap geoogst, wat door de grote verstoring veel vestigingsruimte voor pioniersoorten zoals de Amerikaanse vogelkers oplevert. Vooral op armere zandbodems belet de Amerikaanse vogelkers de natuurlijke verjonging en verstoort sterk de lokale plantengemeenschappen. De kans op Amerikaanse vogelkers stijgt met afnemende afstand tot een zaadbron en met afnemende afstand tot een houtkantenknooppunt. Verder dan 300 m van een zaadbron worden haast geen houtkanten meer gekoloniseerd. Die kolonisatie daalt al scherp vanaf 100 m. Verder dan 100 m van een houtkantenknooppunt is geen vestiging waargenomen. Zaadbronnen, houtkantenknooppunten en rustbomen bepalen dus sterk de verspreiding van de Amerikaanse vogelkers (Deckers, 2005; Deckers e.a. 2005). Naar beheer toe worden best alle grote zaadbomen verwijderd. Indien alle zaadbomen met een stamomtrek van 50 cm gekapt worden, vermindert het zaadaanbod met ca. 2/3de, of zelfs met meer dan 90% bij verwijdering van de zaadbomen vanaf 20 cm omtrek. Belangrijk is daarbij dat ook privépersonen meewerken aan de eliminatie van die zaadbomen (Deckers, 2005).

In het studiegebied groeien in houtwallen, in tegenstelling tot de bossen, meerdere begrazings- en lichtindicatoren, zoals gewone veldbies, schapenzuring, schapengras, gewoon biggenkruid, struikheide, vroege haver, havikskruiden en vogelpootje, maar bv. ook hengel, een bosplant die blijkbaar eveneens van begrazing profiteert. In de kruidlaag staan verder als oudbosplant (zie Tabel 1) vaak grote muur (16 houtwallen), adelaarsvaren (14 houtwallen), salomonszegel (10 houtwallen), pilzegge (6 houtwallen) en zeer zelden lelietjevan-dalen, bosanemoon en kleine maagdenpalm (elk in 1 houtwal). Bij de ‘secundaire oudbosplanten’ gaat het om hengel (7 houtwallen), ijle zegge (5 houtwallen), valse salie (4 houtwallen), blauwe bosbes en eikvaren (elk 3 houtkanten). Oudbosplanten worden nogal eens ‘de gevangenen van het bos’ genoemd, omdat ze in principe nooit buiten oud bos voorkomen, al vormen houtkanten dus blijkbaar ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 15 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

een uitzondering. Dat geldt zeker voor het studiegebied waar de verspreiding van een belangrijk deel van de oudbosplanten door de houtwallen wordt bepaald (Kaart 16), want de houtwallen in het studiegebied bevatten vaker oudbosplanten (33) dan niet (13). Deze met oudbosplanten worden als ecologisch waardevol beschouwd. Dat geldt ook voor die houtwallen die de eerder exclusieve ‘houtwalsoorten’ bevatten: hengel, valse salie, pilzegge, grote muur, eik- en adelaarsvaren. Het is bekend dat oudbosplanten eeuwen kunnen overleven in houtwallen/houtkanten (Tack e.a., 1993). Houtkanten vormen dus refugia voor (oud)bosplanten én voor autochtone, houtige soorten (Baas e.a., 2012). Zo vonden Van Den Berge e.a. (2014) in hun onderzoeksgebied dat van de 45 oudbosplanten in de streek er 22, zowat de helft dus, in houtkanten gedijen (versus 58% in de bossen).

De meest voorkomende bomen/struiken in houtkanten volgens de literatuur zijn beuk, zomereik, hazelaar, ruwe berk, lijsterbes, Amerikaanse vogelkers, braam, hulst, sporkehout, kamperfoelie, ratelpopulier, een weinig acacia of zwarte els en verder brem of vlier. Bij de kruiden gaat het vooral om gladde witbol, salomonszegel, lelietje-van-dalen, dalkruid, klimop, adelaarsvaren, stekelvarens, bochtige smele, pijpenstrootje, struikheide, dubbelloof, blauwe bosbes en soms ook grote muur en bosanemoon (Burny, 2012; Kollen, 1984, 1986; Nooren, 1981), wat grotendeels overeenkomt met de situatie in het studiegebied. Kollen (1984, 1986) vermeldt tevens boskortsteel, pil-, ijle en boszegge, liggend walstro, scherm- en gewoon havikskruid, hengel, gagel, witte klaverzuring, drienerfmuur, vogelmelk, zwarte bes, aalbes, kruisbes, kleine maagdenpalm en slanke sleutelbloem. Een aantal van deze soorten is ook in de houtwallen van het studiegebied aanwezig. Een specifiek te vermelden soort, ook al is het geen oudbosplant, tot slot is de eikvaren, omdat die relatief zeldzame varen in het studiegebied enkel in houtwallen voorkomt. Eikvaren is een plant van zure bodem die op vele plaatsen groeit: in houtwallen en holle wegen, op muren en rotsen, in knotwilgen en in lichte naaldbossen (Stortelder e.a., 1999). Vaak staat de soort op hellende tot zelfs loodrechte substraten, bv. greppelranden of hier houtwallen.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 16 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

2.3 GRASLANDEN Nu de houtige structuren de revue hebben gepasseerd, richten we de aandacht op de grazige vegetaties. Figuur 2 geeft een overzicht van alle graslandtypes in Limburg en kaart 17 de verspreiding van de waardevolle graslanden in het studiegebied. In het schema van figuur 2 staan de graslandtypes ingedeeld volgens hun vochtbehoefte en volgens de voedselrijkdom van hun bodem. Het valt te verwachten dat de graslandvegetaties in het studiegebied zich in de linkerhelft of in het midden van het schema bevinden, het eerder voedselarme (oligotrofe zand-) en matig voedselrijke (mesotrofe zandleem) bereik.

1. Een eerste graslandtype van het studiegebied behoort tot de zogenaamde Klasse der droge graslanden op zandgrond (meerbepaald de Associatie van Schapengras en Tijm; BWK-typologie: Ha) met typische soorten zoals muizenoor, gewoon biggenkruid, kleine leeuwentand, gewone veldbies, schapenzuring, smalle weegbree, gewone rolklaver, gewoon struisgras, duizendblad, vroege haver en kleine klaver. Bij beschadiging en intensief (gazon-) beheer treedt de vervangende pioniervegetatie met vogelpootje op (Vogelpootjes-associatie; BWK-typologie: eveneens Ha). Andere kenmerkende soorten van die laatste associatie, die evenwel niet aangetroffen werden in het studiegebied, zijn zilverhaver, klein tasjeskruid, dwergviltkruid, kleine hardbloem, zandblauwtje, wilde tijm, geel walstro en grasklokje. Wel aanwezige soorten in het studiegebied uit de Klasse der droge graslanden op zand zijn o.m. langbaardgras, pijpenstrootje, vroegeling, zandkool, zandhoornbloem, jacobskruiskruid, reukgras. Het beste beheer voor de Klasse der droge graslanden op zandgrond omvat schapenbegrazing. Dan nemen de zeldzame soorten zoals dwergviltkruid (wordt niet gegeten) en klein tasjeskruid spectaculair toe.

Een zogenaamd ‘Luzulagazon’ als mogelijk relict van de heide in de Vijverstraat

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 17 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

De droge graslanden op zandgrond zijn aan de volle zon gebonden en komen van nature o.m. in de heide voor langs paadjes en zandwegen. Ze wijzen vaak op zand dat enigszins leemhoudend is en ze zijn gebonden aan niet te voedselarme en te zure substraten. In het studiegebied komt dit graslandtype voor op de droge bodems aan de rand van de vallei of op kleine verhogingen in de vallei (wal, onder prikkeldraad, oever waterloop). In het studiegebied komt graslandtype Ha ook voor als zogenaamd ‘Luzula-gazon’ en in wegbermen, maar die biotopen werden niet onderzocht. Een specifiek ‘gazononderzoek’ kan dan ook nog heel wat bijkomende interessante gegevens opleveren en bijdragen aan een boeiende, meer historisch-ecologische kijk op die pareltjes van voortuinen, eventueel in combinatie met een onderzoek naar typische, oude hoevetjes en arbeiderswoningen. Naast wegbermen en gazons is het graslandtype Ha in het studiegebied ook te vinden als prikkeldraadvegetatie en uitzonderlijk als vlakvormig perceel. Bijzonder te vermelden hierbij is de prikkeldraadvegetatie nummer 123 door de aanwezigheid van tormentil, tandjes- en borstelgras! Meer dan eens zijn de droge graslanden op zandgrond in het studiegebied niet optimaal ontwikkeld en hebben we met zogenaamde verarmde gemeenschappen of rompgemeenschappen (RG) te maken, meerbepaald de RG van Gewoon struisgras en Gewoon biggenkruid (BWK-typologie: Ha°), de RG van Schapenzuring of de RG Gewoon Reukgras (Hp tot Hp+) die o.m. ontstaan door verschraling van voordien bemeste graslanden. Deze RG bevatten o.a. schapenzuring, duizendblad, smalle weegbree, gewoon biggenkruid, reukgras, gewone veldbies, pinksterbloem, muizenoor, kleine klaver, gladde witbol (Schaminée e.a., 2015). De rompgemeenschap van Gewoon struisgras en Gewoon biggenkruid is vaak aanwezig in schrale wegbermen of in gazons op droge zandbodems.

2. Een tweede graslandtype in het studiegebied zijn de zogenaamde Zilverschoonweilanden (BWKtypologie: Hp+). Zilverschoonweilanden, zoals de naam al suggereert, ontwikkelen zich enkel bij begrazing. Kenmerkende soorten in het studiegebied zijn o.m. geknikte vossenstaart, krulzuring, mannagras, kruipende boterbloem, ruige zegge, egelboterbloem, zilverschoon en veenwortel. Andere soorten die ook in dit weilandtype gedijen zijn veldrus, waterpeper, penningkruid en lidrus. Dit vegetatietype komt in het studiegebied sporadisch en eerder slecht ontwikkeld voor. Zilverschoongraslanden kennen grote waterstandsschommelingen, al zijn de beste vegetaties vermoedelijk aanwezig bij relatief kleine schommelingen. Ze staan onder water in de winter, zijn laat in de lente nog nat wanneer andere graslanden reeds volop groeien, maar het grondwater zakt in de zomer diep weg. Langdurige overstroming en begrazing zijn dé kenmerken van de Zilverschoonweilanden. Zelden nemen Zilverschoonweilanden grote oppervlakten in beslag. Het gaat eerder om smalle stroken tussen hoog en laag of om lokale depressies, waardoor ze moeilijk te begrenzen zijn.

3. Een deel van de waardevolle graslanden in het studiegebied omvat grondwaterafhankelijke graslanden aanleunend bij het Dotterbloem-verbond (BWK-typologie: Hc) met als typische soorten bv. zwarte zegge, tweerijïge zegge, hazenzegge, biezenknoppen, moerasmuur, waternavel, holpijp, dotterbloem, egelboterbloem, moerasrolklaver, moerasspirea, moerasvergeet-mij-nietje, echte koekoeksbloem, kale jonker, gewone wederik, moeraswalstro, wilde bertram. Deze graslandtypes zijn afhankelijk van specifieke hydrologische kwelcondities en scoren hoog binnen het natuurbehoud. De potenties op dit soort vegetatietypes uiten zich vooral in kwelindicatoren, in het bijzonder in de aanwezigheid van ijzerkwel (roestverschijnselen) en in het voorkomen van grondwaterafhankelijke soorten, zogenaamde freatofyten, als veldrus, holpijp, tweerijïge zegge, ...

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 18 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Figuur 2: overzicht van de graslandtypes in Limburg ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 19 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Vegetaties gedomineerd door veldrus rekenen we dus ook tot dit type (BWK-typologie: Hc°). Het enige echt goed ontwikkeld dotterbloemgrasland in het studiegebied is perceel 101, met soorten als dotterbloem, blaaszegge, holpijp, tweerijïge zegge, gewone waterbies en zwarte zegge. Meestal bevat het Signaalgebied echter relicten van dotterbloemhooilanden en daarvan afgeleide moerasspirearuigten en aanverwante veldrusvegetaties. Vaak zijn dat rompgemeenschappen. Dat heeft o.m. te maken met het feit dat er vermoedelijk nog zelden een juist hooilandbeheer wordt toegepast. Dotterbloemgraslanden groeien vooral op een bodem met drainage f of natter, m.a.w. laag in de vallei, wat vrij goed overeenkomt met de situatie in het studiegebied. Dit geldt ook voor de moerasspirearuigte (Hf, zie verder), wat te verwachten is, omdat dit een vervangingsgemeenschap is van het dotterbloemgrasland bij afwezigheid of onvoldoende intensief beheer. Zo bevat de moerasspirearuigte tussen de percelen 150 en 151 heel wat dotterbloemen. Dottergraslanden verschillen tussen de zand- en de leemstreek (Zonneveld et al., 1995). Zo ontbreken in de leemstreek soorten kenmerkend voor kleine zeggenvegetaties nagenoeg volledig: zwarte zegge, egelboterbloem, moerasstruisgras, wateraardbei, moerasviooltje, waternavel, hennegras … Daarentegen komen een aantal “rijkere” soorten net wel in de Zuid-Limburgse dottergraslanden voor bv. moesdistel of reuzenpaardestaart. Voorgaande is eigenlijk te verwachten, aangezien dottergraslanden vervangingsgemeenschappen van elzenbroekbossen zijn en ook die elzenbroekbossen verschillen tussen het zand- en het leemgebied. Dat geldt mogelijk ook voor Zilverschoonweilanden. Zo komt valse voszegge veel meer voor in de leemstreek dan in de Kempen.

Echte koekoeksbloem

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 20 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

4. Veel graslanden in het studiegebied zijn slecht ontwikkeld en dan gaat het vaak om zogenaamde witbol- en reukgrasgraslanden (BWK-typologie: Hp tot Hp+), vooral aanwezig op de drainageklassen d en e. Deze “onverzadigde rompgemeenschappen” worden vaak gedomineerd door een beperkt aantal grassen, in het studiegebied is dat vaak gestreepte witbol of reukgras. We hebben dan met de zogenaamde Rompgemeenschap van gestreepte witbol en echte koekoeksbloem te maken of met de RG Gewoon Reukgras (BWK-typologie: Hp+) met soorten als kruipende en scherpe boterbloem, pinksterbloem, echte koekoeksbloem, veldzuring, moerasrolklaver, reukgras, kale jonker, moeraswalstro, mannagras, lidrus, biezenknoppen, smalle weegbree, moerasspirea, eventueel wat veldrus, holpijp, waternavel, hazezegge of egelboterbloem. Een specifiek te vermelden RG in dit verband is bv. perceel 73 met bosanemoon en perceel 74 met waternavel, zwarte, hazen-, ruige en blaaszegge, naast wateraardbei en bosbies.

5. Wanneer dotterbloem- of veldrusvegetaties niet meer begraasd of gehooid worden, treedt een ruigtevegetatie van het Moerasspirea-verbond op (BWK-typologie: Hf). Hoge soorten zoals gewone valeriaan, gewone wederik, riet, rietgras, moerasspirea, wolfspoot, kale jonker, harig wilgenroosje, kattenstaart, leverkruid, wilde bertram, melkeppe, moerasrolklaver, moeraswalstro, engelwortel, zwarte zegge, groot glidkruid en holpijp treden dan meer op de voorgrond. Moerasspirearuigtes zijn in het studiegebied slechts beperkt aanwezig, vooral als lintvormig element langs sloten. Bijzonder te vermelden soorten in dit vegetatietype zijn adderwortel en holpijp.

6. Volgend graslandtype in het studiegebied is de Rompgemeenschap van pitrus (BWK-typologie: Hj), bv. perceel 144. Dergelijke pitrusruigtes wijzen op een instabiele grondwaterstand en staan vaak o.i.v. al dan niet vroegere bemesting. In deze rompgemeenschap handhaven zich vaak hoge soorten zoals gestreepte witbol, leverkruid, kale jonker, moerasrolklaver, mannagras, harig wilgenroosje, wolfspoot, engelwortel, heelblaadjes, kattenstaart, grote brandnetel en gewone wederik. 7. In de Demervallei tot slot lijken eerder glanshaverhooilanden te gedijen (perceelsnrs. 134, 137, 139) met opvallende soorten zoals veldlathyrus, groot streepzaad, margriet en grote bevernel. We besluiten de opsomming van de verschillende graslandtypes met een aantal wel heel bijzondere percelen. Zo werd per toeval op de campus aan het Vlaams Instituut voor Mobiliteit een bijzonder grasland gevonden (perceel 104) met soorten als waternavel, zwarte, ster-, en hazenzegge, waterbies spec., veenmos, tormentil, veelbloemige veldbies (incl. congesta), … Spijtig genoeg wordt dit grasland als gazon beheerd (!), waardoor het zeer moeilijk is de soorten te herkennen, maar het laat wel vermoeden dat er op de campus mogelijks nog meer erg bijzondere graslanden te vinden zijn. Detailonderzoek van de vegetatie van de campus dringt zich dan ook op. In elk geval is voor perceel 104 een aangepast maaibeheer dringend gewenst. Een tweede heel bijzondere vegetatie omvat de prikkeldraadvegetatie 110, waar veel blauwe knoop staat (RG Blauwe knoop en Blauwe zegge van het Verbond van Biezeknoppen en Pijpenstrootje?), naast bosanemoon, knoopkruid, grote muur, pilzegge, veldrus, tandjesgras en ruw walstro. Wat verderop is prikkeldraadvegetatie 123 te vermelden, met tormentil, tandjesgras en borstelgras en perceel 74 met blaas-, zwarte en hazenzegge, veldrus, waternavel, wateraardbei en egelboterbloem, wat ons laat dromen van vroegere heischrale graslanden, blauwgraslanden of kleine zeggenvegetaties! Maar zoals gezegd, het gaat o.m. om prikkeldraadvegetaties (!), m.a.w. om bijzonder kleine, mogelijk niet leefbare populaties en hoogstwaarschijnlijk dus om ‘voltooid verleden tijd’, want voor het overgrote deel omvat het studiegebied eerder banale rompgemeenschappen. Een opvallende soort tot slot in de percelen 78, 157 en 159 is de grote ratelaar die lokaal het aspect bepaalt. Mogelijk gaat het hier om de Rompgemeenschap van Grote ratelaar (Schaminée e.a., 2015). Het betreft graslanden op niet al te voedselarme, maar ook niet al te voedselrijke bodem, waar de ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 21 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

grote ratelaar massaal kan optreden. Het zwaartepunt van het voorkomen van deze RG ligt bij betrekkelijk vochtig hooiland dat ‘s winters onder water staat of langdurig drassig is, maar ook onder drogere omstandigheden kan de soort domineren. Algemene soorten als veldzuring, gewone hoornbloem, kruipende en scherpe boterbloem, smalle weegbree, pinksterbloem, gestreepte witbol en gewoon reukgras zijn constant aanwezig, naast soorten als moerasrolklaver, tweerijïge zegge, holpijp, riet en zelfs dotterbloem uit het Dotterverbond. Is de aanwezigheid van grote ratelaar in het studiegebied te wijten aan het weteren, zoals Burny (1999) vermeldt (zie verder)?! De lijst van zeldzame soorten (Kilometeruurhokfrequentieklasse KFK (gaande van 1 tot 10) volgens Van Landuyt e.a., 2006) ziet er als volgt uit: KFK 5 (vrij algemeen): vroege haver, zilverhaver, borstelgras, tandjesgras, kalmoes, wateraardbei, blauwe knoop, adderwortel, zwarte bes, blaaszegge, eikvaren, kleine duizendknoop, bronkruid, KFK 4 (vrij zeldzaam): knolsteenbreek, grote ratelaar, moerasviooltje, heidespurrie, bleke zegge, KFK 3 (Zeldzaam): eekhoorngras. Op basis van de zeldzame soorten is vooral de vallei van de Stiemerbeek stroomopwaarts de Plompaertstraat te duiden.

Blauwe knoop

Samenvattend komen in het gebied globaal gezien weinig echte ‘topgraslandvegetaties’ voor, al zijn er wel enkele interessante percelen zoals het dotterbloemgrasland van perceel 101 en een aantal interessante soorten zoals kalmoes en gele waterkers (perceel 138), grote ratelaar, wateraardbei, …. De meeste graslanden in het studiegebied zijn echter ecologisch sterk gedegradeerd. Globaal is het studiegebied met name een vrij intensief gebruikt landbouwgebied dat zich enerzijds kenmerkt door maisteelt in de akkers en anderzijds bovenal door paarden in de soortenarme weilanden.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 22 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

2.4 VLOEIWEIDEN Tijdens het ecologisch veldwerk kon, ondersteund met de digitale hoogtekaarten, op meerdere plaatsen in het studiegebied het bijzonder microreliëf van een vloeiweide of wetering vermoed of vastgesteld worden (Fig. 3a en b en kaart 18). De herkenning in het veld van een weterbeemd is nochtans niet eenvoudig, omdat er in elk beemdperceel wel greppels, zouwen genoemd, aanwezig kunnen zijn om het perceel te ontwateren. Vaak ligt er in een perceel een centrale hoofdgreppel, de ‘trekzouw’, die aansluit op de beek en van vele zijgreppels is voorzien. Volgens Burny (1999) liet het weteren herkenbare pedologische sporen na, maar volgens Baaijens e.a. (2001) zijn dergelijke beekleemafzettingen (zodenerts, ijzercarbonaat: Booij (1986) in Baaijens e.a., 2001) niet steeds aanwezig en er werd bij dit onderzoek niet naar gezocht. Vooraleer op het veldwerk en de resultaten ervan in te zoomen, geven we eerst wat duiding over het fenomeen weteren.

Figuur 3a: hoogtemodel wetering in perceel 97

Wat is weteren? Weteren is het verdelen van ‘opgeleid water’ voor een betere (hooi)productie. Een wetering is een ingenieus systeem waarbij men water aftapte, vaak uit een (molen)beek, om het met een ingewikkeld stelsel van grachten en bedden langzaam over grasland, de zogenaamde waterbeemd, te laten vloeien (Fig. 3). Vaak werd het gebied bij een watermolen tussen de nieuwe en de oude beek als wetering of vloeisysteem gebruikt (Burny, 1986, 1999). Watermolens zijn er in onze streken al vanaf de 7de eeuw. Het bevloeien van grasland is een eeuwenoud landbouwgebruik dat op vele plaatsen in Europa voorkwam en al in de Romeinse tijd zou bestaan hebben (Poschlod, 2015). Ook buiten Europa werd en wordt het bevloeien van grasland nog steeds toegepast. Zo werden in het Middellands zeegebied ook ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 23 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

de akkers bevloeid, naast de wijngaarden, de boomgaarden en de tuinen, maar ten noorden van de Alpen werd vooral grasland ‘bewaterd’.

Figuur 3b: dwarsdoorsnede doorheen perceel 73

Eeuwenlang beperkte in Europa de hooiopbrengst de akkerbouw. Wie akkers zegt, zegt mest en wie mest zegt, zegt dieren. Het hooi was de belangrijkste voedselbron om die dieren door de winter te krijgen. De hoeveelheid hooi bepaalde bijgevolg het maximaal aantal stuks vee wat men kon houden en indirect dus ook de hoeveelheid mest waarover men kon beschikken. Het bevloeien van grasland werd in die context als belangrijke productieverhogende factor uitgevonden (Leibundgut & Vonderstrass, 2016), want men kon nu vaker en vooral vroeger hooien en vroeg, jong gras staat voor krachtvoeding! Niet voor niets zei men vroeger: Die Wiese ist die Mutter des Ackers. Het weterwater werd soms zelf met mest of ander organisch materiaal, bv. stad- of keukenafvalwater, verrijkt om de grasproductie extra te verhogen.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 24 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Fig. 4: beddenbouw

De meeste weteringen zullen niet ouder zijn dan de vroege Middeleeuwen, omdat men pas toen de beboste valleien meer en meer heeft omgevormd tot open hooilanden (Spek, 2004). Zo schrijven Mennen e.a. (2013) dat het areaal hooiland waarschijnlijk pas langzaam steeg vanaf de 11 de eeuw. Het woord broek komt pas voor vanaf de 14 de eeuw. Mennen e.a. (2013) en ook Spek (2004) gaan ervan uit dat er voor de 15de eeuw maar weinig hooiland aanwezig was. Vooral de orde der Cisterciënzers en de Benedictijnerkloosters pasten in hun domeinen het weteren zeer vroeg in de Middeleeuwen toe en verspreidden het over heel Europa. In hun kloosterdomeinen waren er reeds vloeiweiden in de 1213de eeuw (Leibundgut & Vonderstrass, 2016). Het bevloeien van grasland kende in Europa twee hoogtepunten. Een eerste omvatte de periode van de zogenaamde traditionele bevloeiingen en dateert van de 12-14de eeuw. De tweede zogenaamde ‘industriële piek’ vond plaats eind 19de – begin 20ste eeuw (Leibundgut & Vonderstrass, 2016). Op meerdere plaatsen in Limburg heeft men dergelijke semi-industriële vloeiweiden aangelegd met water uit de kanalen. In de 19de eeuw gebruikte men in de Limburgse Kempen de naam “watering” om die semiindustriële vloeisystemen aan te duiden i.p.v. de oudere termen waterbroek of -beemd. In het noorden van de provincie zijn nog een aantal getuigen van die semi-industriële wateringen aanwezig (Lommel, Neerpelt, Maaseik, Bocholt, Hamont, Achel; zie Bats, ongedat.; Berten, 1989; Mertens & Simons, 1982). Toch zijn die grootschalige systemen tegen het eind van de 19 de – begin 20ste eeuw allemaal weer vrij snel verlaten.

Lente-aspect met pinksterbloem in de watering van Lommel

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 25 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Jansen (ongedat.) bespreekt in detail de opkomst en verspreiding van de industriële wateringen in Lommel. De aanleg ervan werd o.a. sterk aangedreven door de grote vraag naar hooi voor paarden als transportmiddel en trekkracht, o.m. vanwege het leger. Vooral de rijke, ‘elitaire burgerij’, t.t.z. graven, barons, gouverneurs, ingenieurs, de magistratuur en zelfs de koning, hoopten met de industriële wateringen veel geld te verdienen en hadden er zwaar in geïnvesteerd. Door de wetten van 1847 en 1851 waarbij de gemeenten verplicht werden de heide rendabeler te maken, werd de aanleg van naaldhout, maar ook van weteringen sterk gestimuleerd. Nogal wat heide is in de tweede helft van de 19de eeuw in grasland omgezet. Een aantal wateringen, zoals die van De Holen in Neerpelt (Anon, ongedat., Lauwers, 2015), herinnert aan die kortstondige periode van intense ontginningskoorts in de Kempen om de heide rendabel te maken. Die ontginning van de heide werd overigens stevig gestimuleerd door de Belgische Staat en was gebaseerd op het eeuwenoude, traditionele boerenbevloeiingsmodel. Misschien past de omzetting van heide destijds in (bevloeid) grasland in ons studiegebied ook in deze context. Verwijst het woord Bruwière temidden van de Kempenere Bampden op de kaart van Lecomte van 1778 (zie verder) hier niet naar? M.a.w. zou het kunnen dat een deel van het studiegebied dankzij de molens door bevloeiing van heide in grasland is omgezet? Het valt op dat pas vanaf het punt waar de Stiemer bedijkt is, er grasland i.p.v. heide verschijnt!

Zicht op perceelnr. 98 ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 26 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Het referentiesysteem van Leibundgut & Vonderstrass Leibundgut & Vonderstrass (2016) hebben zowat de ‘weterbijbel’ van Europa geschreven en stellen dat in Europa twee basisbevloeiingssystemen voorkwamen, weliswaar met veel varianten (zie ook Baaijens e.a., 2001): de bedden- en de hellingbouw. Bevloeien met water in beweging: bedden- en hellingbouw De zogenaamde beddenbouw met dubbel greppelsysteem (Fig. 4 & 5) werd vaak pas in de eerste helft van de 19de eeuw ingevoerd, terwijl hellingbouw met evenwijdige greppels veel ouder is. Bij hellingbouw zijn de greppels hoger aan de boven- dan aan de onderzijde. In vlakke terreinen werd vooral met beddenbouw gewerkt, in heuvel- tot bergachtig gebied werd eerder de hellingbouw toegepast (Fig. 6). Burny (1999) beschrijft gedetailleerd hoe een wa(e)tering met bedden er in de Kempen uitzag (Fig. 5). Zo een wetering is een opgehoogd en bevloeid hooilandperceel (watering, waterbroek, water-/weter/beemd-bamp genoemd) vaak ca. 70 are groot (meestal 0,2-1 ha groot, uitzonderlijk 2,5 ha). Het opgehoogd vloeibed bestond uit een bijna horizontale, blind eindigende aanvoergreppel, twee flanken en twee afvoergreppels, ook zouwen genoemd. Elke flank was ca. 1 tot 2x een zwad breed. Het hoogteverschil tussen aanvoer- en afvoerzouwen bedroeg 15-50 cm, zeer zelden tot 1 m. Een bed was in de Kempen enkele tientallen meters lang en 5-6m breed.

Figuur 5: Uitzicht van een wetering in beddenbouw (uit Burny, 1999)

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 27 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Een variant: bevloeien met water door inzijging in vlak gebied Bij deze bevloeiingsvariant lag het oppervlak van het ‘inzijgperceel’ vlak en het water bleef erop staan om ‘in te trekken’. Om grasrotting te voorkomen werd steeds in korte periodes het land onder water gezet. Veel voorbeelden van deze wijze van bevloeien zijn evenwel niet bekend.

Fig. 6: hellingbouw in de Ardennen (Uit: Braun, 1908)

De vloeiweide van perceelnr. 73 ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 28 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Effecten van het bevloeien van grasland Volgens Burny (1999) zorgde het weteren zowel voor een vroegere grasgroei na de winter, als voor een aanrijking van de bodem en dus voor een merkbaar hogere grasproductie. Een wetering bracht 23 keer zoveel hooi op als een niet-bevloeid hooiland, tot zelfs 4 à 5 keer zoveel volgens Dussart (1939). Deze auteur stelde ook dat vloeiweiden, op een uitzondering na, uitsluitend als hooiland werden gebruikt en niet als weiland. Meestal waren er 3 (Baaijens e.a., 2011) tot zelfs 4 oogsten per jaar: regelmatig werd al in de vroege lente groen gras pluksgewijs met de sikkel als eerste snede gemaaid en naar de beesten gebracht, daarna volgde een hooibeurt in juni en tot slot de toemaat vanaf half augustus. Volgens Baaijens e.a. (2011) werd hooiland in de winter onder water gezet om de zode te beschermen tegen vorst, waardoor het gras vroeger groeide (eerste snede reeds in maart), de productie 2-3 keer zo hoog was en het aandeel grassen t.o.v. zeggen toe nam. Voor het tijdstip van bevloeien zie Baaijens e.a. (2001, pg. 15). Overigens ging bevloeien steeds samen met een zekere vorm van ontwatering. Ook in de zomer werd na elke hooibeurt bij vochttekort bevloeid. Een hooiland werd dus niet elk jaar even vaak bevloeid. Eind april stopte de eerste bevloeiing tot de eerste hooibeurt ca. 6 weken later. Vervolgens werd in september weer bevloeid. Ook heide werd volgens Baaijens e.a. (2001) bevloeid om er grasland van te maken. Hei- en boomkikker waren volgens deze auteurs aan vloeiweiden gebonden, al is mij niet duidelijk waarom dit zo zou zijn, gezien de biotoopeisen van die soorten. Jansen (ongedat.) schrijft eveneens dat men destijds drie keer per jaar de weteringen langs de Dommel oogstte: een snede groen gras begin april, een hooibeurt rond half juni en de oogst van het nagras begin oktober. Volgens deze auteur werd er in de Kempen 3 maal/jaar bevloeid: in de herfst na de laatste snede na half september tot de eerste vorst; de tweede keer direct na de winter, begin maart tot eind mei en de laatste keer na de eerste hooibeurt tot half augustus. Het is moeilijk te bepalen in hoeverre het weteren tot soortenrijke(re) graslanden heeft geleid. Volgens Jansen (ongedat.) werden er in de vloeiweiden in Lommel tot nog toe 350 verschillende soorten op 214 ha gevonden. Volgens Baaijens e.a. (2011) zorgt het weteren wel degelijk voor meer soortenrijkdom. Zij bespreken de resultaten van een vijf jaar experimenteel onderzoek waarbij men naging of ondanks verdroging en verzuring bloemrijke hooilanden te herstellen zijn met bevloeiing. De resultaten na 5 jaar weteren in de winter waren bemoedigend. Bevloeiing van verdroogde en verzuurde dotterbloemgraslanden (door het wegvallen van de kwel) had een positief effect op de pH en bleek zelfs effectiever te zijn dan toediening van stalmest, kalk of ijzer. Het zorgde voor de onderdrukking van pitrus en voor de terugkeer van interessante soorten zoals echte koekoeksbloem, holpijp, draadrus, moerasviooltje, zomp- en zwarte zegge of voor de toename in dekking van moeraskartelblad (Kemmers e.a., 2007; Brinckmann, 2015). M.a.w. bevloeiing zou de kwelgestuurde aanvoer van bufferende stoffen (kalium, calcium ijzer) kunnen overnemen. Toch mogen we op basis van deze experimenten niet al te snel veralgemenen. Het onderzoek waarvan sprake stelde immers heel wat voorwaarden aan het succes, o.m. een niet te lage zomergrondwaterstand en vloeiwater dat veel zwevend organische stof en ijzer bevat, maar weinig leem, fosfaat en sulfaat. Theoretisch valt aan het effect op de soortenrijkdom zelfs te twijfelen vermits men vooral de dominantie van grassen en een veel hogere graslandopbrengst nastreefde (tot 6 ton hooi/ha: Jansen ongedat.), wat zeker niet bevorderlijk is voor een hoge plantenrijkdom! Diverse auteurs vermelden wel bijzondere soorten in weteringen, bv. de herfsttijloos, oorspronkelijk afkomstig van de Alpen (Leibundgut & Vonderstrass, 2016) of grote ratelaar (Burny, 1999). Tot slot merkt Brinckmann (2015) op dat in hooilanden met veel grondwater niet geweterd werd en dat door de grootschalige ijzeroerontginning waarschijnlijk heel wat weterbeemden letterlijk op de

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 29 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

schop zijn gegaan. Het bevloeien stopte uiteindelijk volledig in de jaren ’50, o.m. door het veralgemeend gebruik van kunstmest.

Het studiegebied 1. Veldwerk Bij het zoeken naar de weteringen in het studiegebied werd het boek van Baaijens e. a. (2011) als handleiding gebruikt. Zo dient er naar specifieke sporen gezocht te worden zoals een golvende, verticaal meanderende beekbodem (door de aanleg van stuwen?), een scherpe bocht in de beek waar men water verdeelde, beken binnen houtwallen waarvan de bodem met leem ‘gedicht’ werd, een zich stroomafwaarts vertakkende beek, grote, slootloze, driehoekige percelen waar het water ‘stapvoets op en in galop eraf’ ging. Volgens Brinckmann (2012) hadden houtwallen vaak met weteren te maken. Zo functioneerden dubbele houtwallen, vaak met ingeklopt leem, als waterleiding naar hooiland of om een spaarbekken te vullen. Een houtwal met een waterfunctie had vaak plaatselijk een verlaging, een ‘gat’, als uitstroompunt. Dit is goed te zien aan de houtkant bij de vroegere vijver van perceelnr. 74. Met zuur water werd niet geweterd. Daarom werd met ‘zuurwaterkerende’ houtwallen en ondiepe, brede en rechte sloten op de grens tussen heide en beekdal het zure heidewater geweerd. Men stuwde het bv. achter houtwallen om het te laten infiltreren, zodat het elders verrijkt weer kon uittreden. Dat verklaart waarom men soms dijknamen vindt midden in een voormalig heidegebied.

Element nr. 87

Ook hooggelegen, niet in het diepste punt van de vallei gelegen beeklopen/sloten, eventueel tussen een dubbele houtwal, en parallelle watergangen (beek met laak) evenwijdig met het dal duiden op bevloeien. Door het water in de hogere beek te stuwen liep het over in de vallei, waar het vervolgens door een laak werd afgevoerd. De laak is de benaming voor de afvoersloot. Het kon ook wel net andersom: een gegraven sloot op de valleiflank met een beek in de thalweg. Laken zijn o.m. bekend van de Terwaardenbeemden (Pipers, 1936; zie verder). ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 30 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Tot slot wijzen stabiele beekmeanders die zich niet verplaatsen, met afkalvende binnenbochten en flauw oplopende buitenbochten, m.a.w. net andersom dan bij de natuurlijke situatie, op een gegraven beek voor het weteren. Volgens Baaijens e. a. (2011) hadden haast alle beken een functie bij het bevloeien en daarom zijn veel beken gegraven in de flank van de vallei, van bron naar bron om al het kwelwater op te vangen. Men bevloeide met name het liefst met schoon, basenrijk kwelwater. Daarom lijken deze beken ‘natuurlijk’ te slingeren, maar in realiteit hebben ze een gegraven ‘pseudomeanderpatroon’ dat slingerde van kwelplek naar kwelpek. Wij hebben ons in het veld vooral laten leiden door de (restanten van) aanvoersloten, op- en afvoerzouwen en de 5 - 6 m brede bedden, de typische ‘ruggenvorm’ die her en der nog duidelijk te zien is (zie Fig. 7 & 8), maar ook door parallelsloten in de vallei. Kaart 18 toont de drie percelen waar we duidelijke sporen van het weteren terugvonden, naast percelen waar er vermoedens zijn dat er vroeger ook geweterd is. Kunnen deze (voorlopige) veldgegevens door andere actuele gegevensbronnen ondersteund worden?

Fig. 7: Vloeiweide van perceelnr. 97

2. Getuigenis (Met dank aan dhr. F. Wolfs en echtgenote voor de boeiende informatie en het warme onthaal). Op 5/3/2018 hadden we een interview met Dhr. Fernand Wolfs, boer met vroeger tot 30 stuks melkvee, maar ook lange tijd arbeider inzake grondwerken in combinatie met de boerderij. Dhr. Fernand Wolfs werd geboren op 31/1/1942 en verbleef vanaf de geboorte steeds op zijn huidig adres: Alfons Jeurissenstraat 91 in Diepenbeek. Volgens informant is hij één van de laatste boeren in de streek die het bevloeien, zelf noemt hij het ‘wetteren’, in zijn jeugd heeft zien uitvoeren en het zelf ook heeft toegepast tot in de jaren 50. Zo sprak hij over het ‘zouwen gaan in de winter’, t.t.z. de greppels met het zouwmes in de winter onderhouden, ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 31 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

afsnijden om ze weer in profiel en op de juiste afmetingen te brengen. Elk jaar na de nabegrazing moest de wetering ‘weer hersteld worden met de koord’. Dammetjes in de aanvoersloot om het water naar de oploopzouwen te sturen werden met graszoden gemaakt. Om een wetering te bevloeien waren volgens Fernand meerdere personen telkenmale vele uren bezig. Volgens informant werd er enkel in de winter/begin voorjaar geweterd, ook bij vriesweer, maar niet meer in de zomer. Het hooi uit een wetering was volgens hem niet hoger dan het hooi uit een gewone beemd en er werden maar 2 sneden/jaar gehooid, gevolgd door nabegrazing. Over een eerste ‘groene snede’ heel vroeg in het jaar was hem niets bekend. Het hooi was in zijn bedrijf vooral voor de koeien bestemd.

Fig. 8: perceelnr. 98

Zelf heeft hij nooit een wetering aangelegd of zien aanleggen, noch geweten dat een wetering werd ingezaaid met gras. Volgens informant weterde vroeger haast elke boer die ook maar enigszins over water kon beschikken. Na het gesprek nam informant ons mee te velde om ter plaatse, vlak achter zijn boerderij tot aan de Plompaertstraat, in detail uit te leggen waar het water vandaan kwam, waar het naartoe liep en welke percelen allemaal geweterd werden. Het resultaat daarvan is kaart 19. Het gesprek en terreinbezoek met Dhr. Wolfs bevestigden alvast een aantal plekken waar we in het veld resten van vroegere weteringactiviteiten gevonden hadden. Volgens Dhr. Wolfs mag je gerust stellen dat haast heel het gebied ten noorden van de Plompaertstraat vroeger geweterd werd, hierin bijgetreden door een tweede getuigenis vanwege Mhr. en Mevr. Maria en Maurice Pipeleers-Achten, eveneens woonachtig in de ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 32 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Alfons Jeurissenstraat. Zij bevestigen dat er tot voor 50 jaar overal geweterd werd in het gebied tussen de beide Stiemers, o.a. de grote akker gelegen vlakbij de Plompaertmolen tussen de Oude Stiemer en de Plompaertstraat. Tevens herinnerden zij zich dat er vroeger water vanaf de molen langs de Plompaertstraat naar perceel 97 en 98 liep om te weteren. Wel meenden zij dat er verder ten zuiden van de Plompaertstraat niet geweterd werd. Hier lagen wel erg natte hooilanden met grachten ter ontwatering. Verder vermeldden zij dat ook de eigenaar van de vijver aan de Plompaertstraat (perceel 74) vlakbij zijn vijver weterde (perceel 73?). Perceel nr. 90 aan de Plompaertmolen noemden zij ’t vijverke’.

2.5 IJZEROER Een wel heel bijzondere vorm van ijzer in de bodem in Diepenbeek is het zogenaamde ijzeroer, ook moerasijzererts of lokaal schurft genoemd. Zelf hebben we geen restanten van ijzeroer in het studiegebied gevonden, behalve dan een brok schurft op de bodem van poel nr. 5 (zie verder), het enige restant van de vroeger omwalling van hoeve Terwaerden. Mogelijk gaat het hier om een stuk bouwmateriaal en niet om een ‘in situ steen’. Verder vertelde de eigenaar van perceel 76 ons dat er ijzeroer onder haar perceel zit. Ijzeroer is een compacte aanrijkingshorizont waarin zandkorrels (zandbodems zijn dus een must) door ijzeroxiden en humuscolloïden aaneen gekit zijn. Vandaar dat de kans op ijzeroer in het studiegebied eerder klein is, vermits de meeste bodems hier lemig zand omvatten. Schurft wijst verder steeds op een erg ijzerrijke, aanhoudende kwelstroom en het vormt zich in drassige beekdalen, dus enkel in de beemden.

Het ijzeroer zat volgens sommige bronnen in de Kempen vaak niet meer dan 10 tot 30 cm diep. Het grasland/moeras met oerbanken werd met de hand open gegraven en de bovengrond werd tijdelijk op hopen gezet. Na het afgraven van het erts werd het grasland vervolgens weer geëffend en begreppeld. Na de ontginning had men betere hooilanden dan ervoor.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 33 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Frederix (1990) beschrijft de winning van ijzeroer in de vallei van de Stiemer in de omgeving van de Augustijnervijver. Die vijver zou volgens de auteur, net zoals de Dauteweyers, in de 19de eeuw ontstaan zijn door ijzerwinning. Andere auteurs betwijfelen nochtans de stelling dat vele vijvers door de winning van ijzeroer ontstaan zouden zijn. Volgens Romans (1956-1957) konden vele vijvers net aangelegd worden dankzij de ondoorlatende ijzeroerlaag! Ook volgens Pipers (1936) kwam er vroeger op sommige plaatsen rechts van de Demer ijzeroer voor (op klei?!). Rond 1820 kon men nog overblijfselen zien van een ijzerwasserij op de Dorpsheide langs de Stiemer en in 1860 werd volgens deze auteur nog ijzererts gedolven in de Dauten. Frederix (1986) bespreekt het bestaan van een ijzermolen op de Stiemer. De hoeveelheden ijzeroer moeten niet gering zijn geweest. Zo zou er in Diepenbeek in de eerste helft van 1870 meer dan 6349 ton ijzeroer vanuit het station van Diepenbeek zijn afgevoerd naar Luik en naar het Duitse Rijngebied. Voor Diepenbeek beschikken we over geen exacte gegevens waar op perceelsniveau ooit ijzeroer ontgonnen is. Hier ligt misschien een belangrijke, maar dringende taak weggelegd voor bijvoorbeeld de heemkundige kring van de gemeente, want vermoedelijk kan deze interessante periode in de geschiedenis van Diepenbeek dankzij het nog ‘levend archief’ nog net op tijd gedocumenteerd worden, voor het definitief te laat is! Waar exact, wanneer, hoe en met welke (ook ecologische) gevolgen werden vermoedelijk vele hectaren beemdgrond in de gemeente ooit ‘ontijzerd’? Een onderzoek op basis van toponiemen lijkt alvast weinig zinvol, want volgens Mennen e.a. (2013) zijn er van de winning van ijzeroer geen oude namen bekend. Het kwam op rond het einde van de 19 de eeuw en hield slechts enkele decennia aan, te kort blijkbaar om toponiemen na te laten. Dat leert ons dat een landschapsreconstructie nooit uitsluitend op basis van één bron, bv. toponiemen mag gebeuren, maar steeds multidisciplinair dient aangepakt te worden.

Postkaart over ijzeroerontginning (Uit: Timmermans, 2016)

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 34 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

2.6 VERGELIJKING MET DE BIOLOGISCHE WAARDERINGSKAART (BWK) Het Signaalgebied ligt niet in een speciale beschermingszone (Habitat- of Vogelrichtlijngebied) en er is ook geen VEN-gebied afgebakend. Uit de vergelijking met de BWK (zie kaart 20) volgt dat de achteruitgang van de natuur nog steeds niet gestopt is, ondanks alle wetgeving terzake (stand-still)!! Nog steeds verdwijnen waardevolle graslanden (Hp+, Hf) door verwaarlozing, bemesting en vooral door omzetting in (maïs)akker.

Vegetatie Het studiegebied bevat weinig waardevol bos, maar veel oudbosplanten komen wel nog voor in de houtwallen. Bij deze houtwallen ligt dan ook het accent inzake een ‘houtkanten-vriendelijk-natuurbehoudsbeleid’. Hierbij is de bestrijding van adelaarsvaren en Amerikaanse vogelkers in de houtkanten aangewezen. Overigens, de soortensamenstelling van de houtkanten verwijst mogelijk naar het oorspronkelijk bos in de streek, met name het Beuken-Eikenbos. De vrij waardevolle ‘natte’ graslanden in de valleien omvatten vooral rompgemeenschappen van het dotterbloemgrasland, een soortenrijk hooilandtype, en door verwaarlozing of te intensief gebruik daarvan afgeleide vegetaties, zoals veldrusgraslanden, moerasspirearuigtes of zogenaamde witbolgraslanden. Enkele prikkeldraadvegetaties geven ons nog een inkijk in een botanisch boeiend verleden, omdat soorten als borstelgras of blauwe knoop aangeven dat hier ooit zeer soortenrijke, eeuwenoude (heischrale of blauwgras-?) graslanden aanwezig zijn geweest. Tot slot komen verspreid in het gebied eerder soortenarme droge graslanden op zandgrond voor, o.m. in voortuintjes en wegbermen. Mogelijk vormen ze relicten van de vroegere heide. Toch omvat het overgrote deel van het studiegebied intensief landbouwgebied zonder of met erg weinig natuurbehoudswaarde. M.a.w. de natuur in het studiegebied is eerder marginaal te noemen en is er de laatste jaren nog verder op achteruitgegaan.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 35 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

3 AMFIBIEËN Kaart 21 toont de verspreiding van de watervlakken in het studiegebied. Die waterpartijen werden op 13 en 14 april 2018 op amfibieën onderzocht met twee soorten fuiken (een ijzeren fuik en een ‘gaasfuik’ - met dank aan Elfriede Schotsmans van het ANB) of met het schepnet. Vrij snel werd duidelijk dat de ijzeren fuiken veel meer salamanders vangen dan de fuiken van gaas. In die laatste fuiken werd slechts 1 alpenwatersalamander waargenomen in poel nr. 4.

Poelnr. 1

Uit het onderzoek (Tabel 2) volgt dat de soorten die op basis van de atlassen in Vlaanderen konden verwacht worden (Schops, 1999; Bauwens & Claus, 1990), inderdaad ook aangetroffen werden, met name bruine en groene kikker, gewone pad (larven), alpen-, kleine watersalamander en bovenal de kamsalamander. We merken i.v.m. tabel 2 op dat fuiken veel minder geschikt zijn om kikkers/padden te vangen dan salamanders en die tabel daardoor een vertekend beeld geeft van het voorkomen van beide amfibiegroepen. Van alle gevonden soorten is de kamsalamander de zeldzaamste soort volgens de Rode lijst in Vlaanderen (Bauwens & Claus, 1990). De kamsalamander geniet Europese bescherming en staat als enige inheemse amfibiesoort op de Bijlagen II en IV van de Habitatrichtlijn, wat betekent dat de soort zowel binnen als buiten SBZ actief beschermd moet worden.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 36 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Tabel 2: resultaten van het veldonderzoek met fuiken naar volwassen amfibieën in april 2018 Nr.

Rt

1 2

la

3

Re

meerdere ex. in de oever

4

Ta

Tv

Tc

5v, 3m 1v

1v, 1m

5 6

1 ex.

5v, 37m

1m, 3v 1m

Opmerkingen

3FF

4 geelgerande watertor

3FF + 1DF

6 drie- en 2 tiendoornige stekelbaars, geelgerande watertor 1 geelgerande watertor, 3 watersnippen Waterviolier, blauwbandgrondel

3FF + 2DF 1m

7 8 9 10

Tot.

Aantal fuiken 3FF + 1DF 3FF + 2DF

3FF + 1DF

Schepnet Schepnet

1

2

4

2

Volledig overschaduwde poel, ondiep 30 cm water, geelgerande watertor

Niet onderzocht, te ondiep Niet onderzocht, te ondiep Volledig vegetatieloos; 1,2x3x0,15m 1 Gamarus spec., schrijvertje spec., waterpissebed, poel- en posthoornslak, drie- en tiendoornige stekelbaars, bloedzuiger, blauwbandgrondel; veel sterrenkroos, betonbodem met dikke sliblaag, snelstromend water

1

Legende: Bb: gewone pad, Rt: bruine kikker, Re: groene kikker, Ta: alpenwatersalamander, Tv: kleine watersalamander, Tc: kamsalamander, la: larven; m: mannetje, v: vrouwtje; FF: ijzeren vangfuik, FD: drijvende fuik van gaas.

De ijzeren fuik links en de gaasfuik rechts

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 37 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

4 VOGELS De volgende vogelsoorten werden tijdens het veldwerk opgetekend, ook al werd er geen gericht broedvogelonderzoek uitgevoerd: buizerd, boerenzwaluw, boomklever, boomkruiper, bosrietzanger, braamsluiper, ekster, fazant, fitis, grasmus, groene specht, grote bonte specht, grote gele kwikstaart (langs de Stiemer vlakbij het verdeelpunt aan de Heidestraat), havik, heggenmus, holenduif, houtduif, houtsnip (in een houtkant: perceelnr. 81), huismus, ijsvogel (steeds aan het sluisje over de Oude Stiemer), kauw, kievit, kneu, koekoek, koolmees, merel, nijlgans, pimpelmees, rietgors, roodborst, staartmees, steenuil (bij de ponyhoeve), Turkse tortel, vink, Vlaamse gaai, waterhoen, watersnip (in februari aan poelnr. 5), wilde eend, winterkoning, zanglijster, zwartkop, zwarte kraai, zwarte roodstaart. De meeste soorten gebruiken het studiegebied als broedplaats of als foerageergebied, maar sommige vogels kunnen er enkel tijdens de trekperiode worden waargenomen (watersnip).

Wat ons in de lijst vooral opvalt, is de afwezigheid van de geelgors. We zijn vrij zeker dat die soort niet aanwezig is in het studiegebied, omdat er voldoende bezoeken tijdens de optimale periode voor de vaststelling van broedgedrag werden afgelegd en desondanks de typische, opvallende, gemakkelijk te herkennen roep van de geelgors niet gehoord werd. Het is bekend dat de landbouwintensivering tal van vogelgroepen, vooral akkervogels en zogenaamde houtkantsoorten, erg nadelig heeft beïnvloed, en de geelgors kan als ambassadeur van de houtkantsoorten worden beschouwd. Met houtkantsoorten worden vogels bedoeld die specifiek aan lineaire, opgaande, houtige structuren zoals hagen en houtkanten gebonden zijn en die structuren bovendien verkiezen boven bijvoorbeeld bomenrijen of bos. Tot deze soortengroep behoren vogels zoals zomertortel, koekoek, zanglijster, braamsluiper, tuinfluiter, grasmus, spotvogel, fazant, staartmees, boomkruiper, vink en geelgors (Kwak e.a., 1988, Gabriels e.a., 1994). Uit deze laatste referenties volgt dat in het studiegebied enkel algemene houtkantsoorten voorkomen. Daarnaast zijn er haast geen akkervogels aanwezig, op de kievit na.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 38 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

BESLUIT VAN DEEL I Uit de bodemkaart blijkt dat het studiegebied in hoofdzaak vochtige tot matig natte en natte lemige zandgronden bevat, naast zandgronden s.s. Opvallend is de aanwezigheid van oudbosplanten in houtwallen. Dit ‘houtwallenlandschap’ is zeker het beschermen waard. Het bosareaal is daarentegen eerder beperkt, versnipperd en waardevol oud bos is weinig te vinden. De ‘natte’ graslandvegetaties in het studiegebied omvatten vooral eerder soortenarme rompgemeenschappen, al komen daarin soms nog interessante soorten voor zoals holpijp, adderwortel, blauwe knoop of borstelgras. Het droge graslandtype op zandgrond is vooral te vinden als gazonvegetatie, in wegbermen of als prikkeldraadvegetatie. Een groot deel van het studiegebied bestaat uit intensief landbouwgebied zonder of met weinig natuurbehoudswaarde (maïsakkers, intensief beheerde, erg soortenarme graslanden). M.a.w. de natuur in het studiegebied is eerder marginaal te noemen en is er de laatste jaren zelfs op achteruitgegaan. Het studiegebied bevat tot slot haast geen akkervogels en slechts zeer algemene houtkantsoorten. Het is m.a.w. avifaunistisch niet erg bijzonder te noemen. Daarentegen is de vondst van de kamsalamander wel het vermelden waard.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 39 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Deel II

Wat was er: historische ecologie

1 DE RECONSTRUCTIE VAN HET VROEGERE LANDSCHAP Je kan het heden onmogelijk begrijpen zonder kennis over het verleden, om de eenvoudige reden dat het heden het resultaat is van het verleden. Dat geldt des te meer in de ecologie, omdat heel wat waardevolle vegetatietypes zoals soortenrijke graslanden of bossen met oudbosplanten ettelijke eeuwen ontwikkeling vergen. Vandaar dat dit rapport een stevige brok historische ecologie bevat. De reconstructie van het oude landschap doen we vooral met toponiemen, met oude kaarten en met het boek van Leibundgut & Vonderstrass (2016) als interpretatiekader voor het bevloeien van grasland.

1.1 TOPONIEMEN Een toponiemenonderzoek kan heel wat boeiende gegevens opleveren over het vroegere (bodem)gebruik en uitzicht van een streek. Vaak laat het toe het oude boerenlandschap te reconstrueren en dat is historisch-ecologisch nodig om de huidige natuurtypes te kunnen verklaren. Desondanks merkt Spek (2004) terecht op dat men toch enigszins met toponiemen moet oppassen, want de schrijfwijze kan sterk wijzigen, een term kan geografisch verschuiven door onnauwkeurigheden bij de cartografie of de betekenis kan veranderen in de tijd. Zo verwijst het woord broek in de vroege middeleeuwen naar moerasbos, in de latere middeleeuwen naar een halfopen mozaïeklandschap van bosjes en graslanden en in 18de eeuw naar een open, verkaveld landschap van graslanden. Tal van toponiemen kunnen wijzen op bevloeiing. Molemans (1971) vermeldt bv. de hydroniemen Heergra(e)af of Heergracht die op een watering slaan. Ook rijt (van rei ‘stromen’) is volgens Molemans een toponiem voor een gegraven waterloop om te bevloeien. Verwant met rijt zijn reije, reie, ree, rijen, rije, gracht en waterloop. Hierbij wordt verwezen naar het Latijnse rigare, bevloeien. Baaijens e.a. (2001, 2011) en Burny (1986, 1999) sommen een hele reeks ‘wetertoponiemen’ op: de leek of losbeek (voert het water af uit de vloeiweide); we(a)tering, w(a)eterbroek, wa(e)terbeemd, waterbam(p)(d), weterbem(p)(d); vloei(ke), vloij(e), vloey, vloijken, vloeide, vloed(graaf), vloot(je), vloeigracht, vloeten, vlottert, verlaat, vallaat; schut(ting), stuwe, stouw(e), stouwbeek, stouwmaat (grasland langs stuw); knijp(e), kniepe, kniepgat (kolk stroomafwaarts een stuw); renne- of runneboom als verwijderbare schotbalk; sluis, val, riessel (van het Duitse Riesselweide), ziepe (=sijpelen). Toch is voorzichtigheid geboden met het gebruik van toponiemen. Zo kwam er volgens Burny (1999) en Mennen e.a. (2013) vroeger veel meer bevloeid grasland voor dan men op basis van toponiemen kan afleiden. Anderzijds verwijzen toponiemen als waterbroek of wetering niet noodzakelijk naar het weteren (Mennen e.a., 2013). Waterbeemd kan een bevloeid grasland zijn, maar het kan evengoed gewoon om een erg nat perceel gras gaan. Spijtig genoeg hebben wij bij gebrek aan goede bronnen in het studiegebied geen doorgedreven toponiemenonderzoek kunnen uitvoeren. We beschikten met name niet over de oude kadastrale gegevens en dus beperkte het toponiemenonderzoek zich tot de oude namen op kaarten en in teksten. We overlopen nu, per categorie, de toponiemen die we over het studiegebied samen konden sprokkelen.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 40 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Waternamen Wijer (weyer): vijver voor visteelt. Wijer is volgens Molemans (1983, 2006b) steeds particulier bezit, vandaar dat de term vaak vooraf wordt gegaan door de persoonsnaam/eigenaarsnaam van de eerste bezitter of aanlegger van de vijver, bv. Pastoors vijvers. Vennen lagen in de heide en behoorden (in tegenstelling tot de wijers) tot het algemeen bezit. Door hun voedselarme aard waren ze ongeschikt voor de visteelt. Vennen dienden o.a. als rootkuil voor hennep, vlas of hout. Er werd turf (klot of moer) gewonnen en de dieren gingen er drinken. Wijers lagen vooral in het broek, in de vallei dus. Vennen daarentegen kwamen eerder in de heide voor.

Jac Douven

Vaak wordt gedacht dat veel vijvers ontstaan zijn na turf- of ijzeroerontginning in de 19de eeuw (zie bv. Timmermans, 2016), maar dat klopt volgens Zwaenepoel & Burny (2014) niet. De meeste zijn volgens deze auteurs aangelegd in de 20ste eeuw. Nochtans is de aanleg van wijers al eeuwenoud. Zo meldt Poschlod (2015) dat met de invoering van de Capitulare door Karel de Grote de aanleg van vijvers sterk gestimuleerd werd. Vele vijvers werden volgens Poschlod dan ook aangelegd vanaf 792-803, met een hoogtepunt in de 14-15de eeuw. Veel oude wijers, vaak met karper, zijn overigens door kloosters aangelegd. Die karper is door de Romeinen in onze streken ingevoerd, maar werd vooral vanaf de late Middeleeuwen sterk verspreid.

Toponiemenlijst i.v.m. wijers De Schae vijvers of Schaue Weyr, De Pastoors vijvers, Etang, De Plompaert Vyver. Ooit waren er vele locaties met vijvers in het studiegebied.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 41 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Beeknamen: Stimer, Vieux Stimer, Ruisseau Stimmer, Stiemer; Plompa(a)rt Beeck, Plompaert Beek; Swart water; Oude Demer, Aan de Laak, Laeck.

Bouwland Toponiemen voor bouwland zijn we in het studiegebied niet tegen gekomen, behalve dan mogelijk het woord Stimer Hofken of Stemer hoofken.

Hooi-/weiland Beemd. De term weiland is jonger dan het woord beemd. Weiland is vaak ontgonnen uit de heide, beemd daarentegen uit broekbos. Beemd is steeds privaat, door hout afgesloten bezit geweest en de beemden waren ‘gevrijd’, t.t.z. niet toegankelijk voor het dorpsvee. Het vee kon er niet zonder gevaar voor boete gehoed worden (Molemans, 1982). De hei daarentegen was open gebied. Toponiemenlijst i.v.m. beemd Gemen(t)e Bampden oft de Royer Bampden, Stock Bampt, Herkenrode Bampden, Kempener Bampt, De Kempenare Bemdens, Terwaerde Beemden, Waerdt Bampt, Sluys Bampt. Een aantal toponiemen verwijzen duidelijk naar de eigenaar van de beemd: Herkenrode, Terwaerden, de gemeente. Sluys Bampt verwijst naar een beemd bij een sluis en dat kan op weteren wijzen (Burny, 1999). Volgens Molemans (1982) ging de naam van een sluisinrichting wel vaker op de aangrenzende percelen over (bv. sluisbeemd, sluisbroek, …). Ook het toponiem val in het studiegebied, bv. den bampt opten val, wijst op weteren, met name op het neervallend plankje van een sluis.

Bos We vonden in de literatuur en op oude kaarten slechts twee toponiemen verwijzend naar bos, met name Ouver Bosch op de kaart van Ferraris (1777) en Plompart Bosch op de kaart van Lecomte (1778). Mogelijk gaat het om hetzelfde boscomplex.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 42 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Onbebouwd gemeenschappelijk land Heide: in het studiegebied en vlak errond treffen we verschillende verwijzingen aan naar heide: de term Bruwière op de kaart van Lecomte, vlakbij de Kempenare Bemdens; Bruyère de Diepenbeeck en De Royerheide. Volgens Molemans (2006a) omvatten gemene gronden veel termen, dus niet alleen het woord heide, maar bv. ook vroente, aard, gemeente, veld, kamp en woestijn verwijzen ernaar.

Wegnamen Dijk: slaat op een opgehoogde weg. Volgens Mennen e.a. (2013) verwijst de term dijk naar een opgehoogde grond dienende tot waterkering, later ook als wegnaam gebruikt. Dit lijkt alvast een goede verklaring voor de term de Dijken in het studiegebied., want langs de Dijken liep er vroeger inderdaad een voetpad. Straet: hoofdontsluitingsweg voor de bevolking. Stege: smalle verbindingsweg, voetpad. Toponiemenlijst i.v.m. wegen De Dijken; Waerd Straet, Roy(er) Straet, Peper Straet; Stimer Stege.

Wal tussen de percelen 97 en 98

Diversen Gebouw: Petit Chateau, Terwaerden, Terwaren, Ter Waerde(n), del Warde: allemaal namen voor hetzelfde, inmiddels verdwenen, grote, omwalde hof aan de Demer. Molen: Moulin de Roye, Royer molen; Moulin à l’huile sur le Stimer, Plompaert molen, Plombaert molen of Braeck Moulin (= de huidige Plompaertmolen). ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 43 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Schabbert: volgens Mennen e.a. (2013) diende het woord schabbert als benaming voor broek- en beemdpercelen waar zoden werden gestoken. Molemans (1983) stelt dat schabbert in de Kempen bekend is in de betekenis van heischab, een met de spade gestoken stuk heide dat men tot brandstof liet drogen. De Stukke, Stuk. Volgens Molemans (1982) is stuk, stuck, steuck het meervoud van stok en stok betekent boomstronk. Het woord herinnert daardoor aan vroeger bos. Mogelijk kan dit een verklaring bieden voor de termen Stukke, Stuk in het studiegebied, nml. een gebouw op de plaats van vroeger bos. Varia: Den Voorsten Plompaert, Den Plompaert; Ecluse, Eclusette aan Den sluis bemd. De laatste toponiemen verwijzen duidelijk naar de praktijk van het weteren. Samenvattend kunnen we uit de toponiemen afleiden dat het studiegebied bos, heide en wat akkers bevatte, maar vooral hooilanden en vijvers, wat voor een grotendeels valleigebied te verwachten is. In de valleien werd waarschijnlijk ook ‘geweterd’, t.t.z. het grasland werd bevloeid met water. Opvallende gebouwen in het studiegebied waren twee watermolens en Terwaerden, een grote, nu verdwenen hoeve.

Blauwe knoop

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 44 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

1.2 STUDIE VAN DE OUDE KAARTEN Met het historisch kaartmateriaal schetsen we hoe het landschap van het studiegebied de laatste eeuwen is veranderd, met bijzondere aandacht voor het bevloeien van grasland. Immers, enkele toponiemen lijken alvast naar dat bevloeien te verwijzen. Het herkennen van oude vloeiweiden op oude kaarten is nochtans niet eenvoudig. Volgens Burny (1999) worden op de oude topografische kaarten soms de sluisjes (Ecluse) aangeduid en daar vonden wij in het studiegebied inderdaad enkele voorbeelden van terug. Alle historische kaarten die hierna de revue passeren, zijn opgenomen in Bijlage 2. Wanneer naar kaarten in bijlage 2 verwezen wordt dan staan die in de tekst hierna in het rood aangeduid.

Kaart 1: De Ferrariskaart (ca. 1777) De oudste kaart waarover we beschikken is de kaart van Ferraris. Het is bekend dat deze kaart met de nodige voorzichtigheid moet geïnterpreteerd worden, zeker wat de onderlinge afstanden betreft. De nu volgende analyse is dus discutabel. De Oude Stiemerbeek staat aangeduid als Ruisseau Stimmer en stroomt ten oosten van de Plompaertmolen ogenschijnlijk vooral door struweelbos en moeras. De twee Demers staan duidelijk op de kaart afgebeeld, net zoals op de Frickx kaart (1712). Ten oosten van het studiegebied ligt een uitgestrekte heide, de Bruyère de Diepenbeeck, die doorloopt tot in Ghenck. Waarschijnlijk maakte een smal deel van het studiegebied, grenzend aan de Alfons Jeurissenstraat destijds deel uit van die heide, maar momenteel is dat ‘heidedeel’ volledig onder de bebouwing verdwenen. Toch menen we dat, net zoals in Zonhoven (Dupae, 2017), de voortuintjes met soortenrijke Droge graslanden op zandgrond, zogenaamde ‘Luzulagazons’, mogelijks nog relicten zijn van deze verdwenen heide, maar bijkomend onderzoek is nodig om deze hypothese te staven. Luzula is de latijnse geslachtsnaam die verwijst naar de gewone veldbies die in het voorjaar menig gazon bruin verkleurt.

Luzula-vegetatie als relict van verdwenen heide? Alfons Jeurissenstraat ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 45 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Het studiegebied bevat op de Ferrariskaart in hoofdzaak twee landschapstypes: -een vrij uitgestrekt Ouver Bosch dat een groot deel van het studiegebied buiten de vallei van de Demer en van de Oude Stiemer bedekt. Het lijkt erop dat de Plompaertbeek ofwel nog grotendeels door dat Ouver bosch stroomde, ofwel net op de westrand ervan lag. Ook op de kaart van Fricx (1712) is een uitgestrekt bos ten NW van de Kaatsbeek afgebeeld (Kaart 1a) met de Oude Stiemer in het midden. -moerassige weilanden langs de Demer (niet door KLE omzoomd) en moerassige weilanden ten westen van het Ouver Bosch, onder de Plompaertmolen, hier wel met KLE afgeboord. M.a.w. langs de Demer kwam, uitgezonderd vlakbij Terwaerden, een ongeperceleerd graslandschap en langs de Stiemer een eerder geperceleerd graslandschap voor. Terwaerden noemt op de Ferrariskaart Petit Chateau. Vlak voor het gebouw was er een knik in de weg. De Demer passeerde ook toen rakelings ten zuiden van het complex. Rond Terwaerden (Zie Intermezzo) is een brede ringgracht aanwezig en vlak ten oosten van het domein ligt een vijver (de Schaue Weyr). Verwijst de huidige straatnaam Vijverstraat daar nog naar?! Dat zou betekenen dat men bij de naamgeving van de straten in en om het studiegebied terecht bijzonder veel aandacht heeft besteed aan de historische context. Het is op de kaart van Ferraris moeilijk te zien of er molens aanwezig waren, maar in elk geval staan er gebouwen ingetekend nabij de huidige Rooier- en Plompaertmolen. Op de Fricxkaart staan wel twee molens ingetekend, op de Oude Stiemer en aan de kruising van de Oude Stiemer met de Demer. Ten zuiden van de Plompaertmolen is het enige akkerperceel te zien. De Royermolen was reeds gekend in 1436 (Frederix, 1986). De Plompaertmolen daarentegen is jonger, met als oudste vermelding 1548. Wat opvalt is een vijver op de rechteroever net stroomafwaarts van de huidige Plompaertmolen. Die vijver is vermoedelijk ook op de hierna te bespreken kaart afgebeeld, maar hij bestaat nu niet meer. De grote baan van Hasselt naar Maastricht over Diepenbeek heette le Grand Chemin en de Nier- en Ginderoverstraat noemden de Roy Straet. De Peperstraat bleef ten zuiden van beide Demers. In elk geval vinden we op de Ferrariskaart nergens aanwijzingen over het weteren.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 46 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Intermezzo: Ter Waerde(n), Terwarden (a Mr Achten), Petit Chateau, Terwaerden, Del Warde, Terwaren Tijdens het veldwerk was ons een specifiek microreliëf en watervlak opgevallen vlakbij de Demer. Op het digitaal hoogtemodel is duidelijk de ringgrachtstructuur te zien van de omwalling die destijds rond de hoeve genaamd Terwaerden lag (Fig. 9).

Fig. 9: de omwalling van Terwaerden

Interessante informatie over dit domein is o.m. te vinden bij Pipers (1936) en bij Daenen (1993). In 1247 is reeds sprake van Terwaerden in een overeenkomst tussen de abt van Villers en Ridder Hendrik van Kortessem i.v.m. de tienden van Ter Waerde. Van het leenhof Del Warde was in 1272 eveneens sprake bij de tienden die de abdij van Villers ontving. Bij de ingang van de straat die naar het hof van Ter Waerde ging, stond vroeger een kapel langs de heirbaan. Vandaar de naam Kapelstraat. De kapel wordt vermeld in een document van 1678: aen de capelle de Waertstraet gelegen nevens de Heerbaan. Waarschijnlijk is de kapel tijdens de Franse revolutie verwoest. Pipers (1936) bespreekt enkele pachthoven in Diepenbeek: o.m. het hof van Merel (Merlemont), vroeger in bezit van o.a. Jenne van Roisfort, echtgenote van Ridder Jan van Schoonvorst, heer van Diepenbeek. In de 16e eeuw kwam het hof van Merel in bezit van de heer Willem, voogd van Liers, die in Diepenbeek huwde met Meyne van Terwaerden. Hun dochter Joanna van Merlemont trouwde in 1552 en kreeg een dochter, Caterina Courtejoie die in 1603 huwde met Pieter Haywegen van het hof Terwaerden. De bewoners van Terwaerden behoorden m.a.w. duidelijk tot de hogere klasse. Dat wordt ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 47 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

ook ondersteund door het feit dat het hof op oude kaarten soms wordt aangeduid als “Het klein kasteel van Diepenbeek”. Pipers (1936) vervolgt dat het puin van Het hof van Del Warde (ter Waerden) voor 50 jaar nog verspreid lag tussen de brede grachten, maar schrijft dat dit puin tegen 1936 opgeruimd was en de grachten gedempt waren. Er resten enkel nog de namen Waardestraat, ter Waerdenbeemd, Ter Waerden Kerkweg, Terwaardenstraat, Terwaardenbrug. Daenen (1993) vermeldt dat het goed in 1893 werd afgebroken. Overigens schreef Daenen een interessant verslag over het wel en wee van de laatste inwoners van het hof, het geslacht Achten, Heusch en Jouck, in het bijzonder over kapelaan Petrus-Hendricus Achten (°1751, +1823) die tijdens de Franse tijd Terwaerden bewoonde, maar ondergedoken zat, omdat hij weigerde de eed van trouw af te leggen aan de Franse republiek en daardoor verbannen was. Kapelaan Petrus-Hendricus was tevens de boer van Terwaerden en zelfs één van de vier grootste boeren destijds van Diepenbeek. Hij bezat in 1809 2 paarden, één stier, 10 koeien, 40 schapen en 12 bonders land. Overigens, volgens Frederix (1984) waren er in 1834 maar 146 schapen meer in heel de gemeente Diepenbeek. De familie Achten was de laatste eigenaar van het goed en werd specifiek met naam aangeduid op Kaart 2 hierna. Pipers (1936) vermeldt tot slot dat de Terwaardenbeemden ‘vrijweide’ waren. Het recht op vrijweiden duurde vroeger van 9 augustus tot 15 april. Interessant tot slot om te melden is dat bij amateuropgravingen in 1983 en 1984 t.h.v. de site de fundering van een rechthoekig gebouw, een harde vloer, wat potscherven, een stijgbeugel en een tinnen schaaltje gevonden werden (Billen, 1984, Steegmans, 1985). Bijkomend archeologisch detailonderzoek lijkt ons in het kader van dit LIP absoluut aangewezen.

Restant van de omwalling van Terwaerden

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 48 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Kaart 2: ‘Carte Figurative et Geometrique’ (1778)

De kaart van Lecomte

Het interessante boek Hasselt extra muros (Caluwaerts, 2013) behandelt het bunderboek van het grondgebied van Hasselt. Dit bunderboek opgesteld door Petrus Vanpaesschen in 1783 was een voorloper van het kadasterplan. In het boek Hasselt extra muros staat op pagina 45 e.v. een bijzonder waardevolle kaart voor ons studiegebied, met name de ‘Carte Figurative et Geometrique’ vanwege landmeter Charles Lecomte. Deze kaart, specifiek opgesteld n.a.v. watertekorten in Hasselt, geeft metrisch vermoedelijk correct en erg gedetailleerd het waterlopenstelsel in en om Hasselt weer in oktober 1778. Daarbij vult deze kaart de Ferrariskaart temporeel perfect aan en dienen beide kaarten gezamenlijk gelezen te worden. Wel is de kaart van Lecomte veel nauwkeuriger en vermoedelijk betrouwbaarder. Zo is er op de kaart van Lecomte wel een Plompaertstraat te zien ten zuiden van de gelijknamige molen, in tegenstelling met de Ferrariskaart. Ook De Plompaert Beeck die zelfs niet afgebeeld werd op de Ferrariskaart is bij Lecomte daarentegen gedetailleerd ingetekend. In het boek Hasselt extra muros lezen we dat Graaf Arnold IV van Loon reeds in de 13e eeuw een Nieuwe Demer liet graven om de stad Hasselt van drinkwater, van extra molenstuwkracht én van verdedigingswater, t.t.z. een 30 meter brede ringgracht, te voorzien. Het debiet van de Oude Demer werd daardoor gehalveerd. De plaats aan de stad waar het water van de Nieuwe Demer naartoe geleid moest worden lag op 34m hoogte, terwijl de Oude Demer aan de Kempische steenweg slechts een peil van 30 m bereikte. Er diende dus stroomopwaarts in de Demervallei een punt gezocht te worden dat op minstens 34m hoogte lag en dat was in Diepenbeek aan de Peperstraat. Op dit punt, waar traditioneel het beginpunt van de Oude Demer wordt gesitueerd, stortte de Laeck (ou Swart Water) zich in de Demer. Het Swart Water ontspringt in de Bruwière ditte Gansebroeck en wordt verder stroomafwaarts Vieux Demer genoemd. Vieux Demer wordt als synoniem gebruikt zowel voor Swart Water als voor Laeck. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 49 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Om de Nieuwe Demer van voldoende water te voorzien werden alle zijlopen erop aangesloten; de Stiemer zelfs met een houten waterleiding over de Oude Demer heen! Op de figuratieve kaart van Lecomte wordt dit als volgt vermeld: Canal de bois par le quel le Stimer passe audessus de l’Eau dite Swart Water. Die houten constructie stond bij de Hasselaren bekend als de Meukens. De beken op de rechteroever en de Genkse Kaatsbeek bleven de Oude Demer van water voorzien. De Nieuwe Demer bevatte volgens Caluwaerts (2013) een aantal sluizen en irrigeerde de graslanden gelegen tussen de Oude en Nieuwe Demer. Tevens vermeldt Caluwaerts dat de Prins-bisschop in 1760 een verordening uitvaardigde waarbij de molenaars van Diepenbeek en Rooi en de molenaars verder stroomafwaarts ’s zaterdags en ’s zondags op vooraf gestelde uren de sluisschotten moesten openzetten. Dit was duidelijk voor het weteren bedoeld.

Het houten aquaduct over de Demer, Aquarel Paul Bamps, 1890 (Uit: Caluwaerts, 2013)

Op de kaart van Charles Lecomte staat een sluis (Ecluse) afgebeeld vlakbij Terwarden a Mr Achten, waarschijnlijk om de ringgracht van deze kasteelhoeve van Demerwater te voorzien. Het domein gaf zijn naam aan de straat vlakbij, de Waerd Straet die aansloot op de Chemin de Hasselt a Maestreicht. Terwarden gaf ook zijn naam aan een uitgestrekt beemdgebied vlakbij, Waerd Bampt genoemd. Dit uitgestrekt beemdgebied was gelegen tussen Oude en Nieuwe Demer, vanaf de Waerd Straet tot aan de Peper Straet, maar het lag ook ten noorden van de Oude Demer. Die grote oppervlakte hooiland wijst op het grote belang van Terwarden. Stroomafwaarts de Peperstraat (die beide Demers kruist) tot aan de Royer Straet (nu Nier- en Ginderoverstraat) liggen, tussen de Nieuwe Demer en het Swart Water, de Gemente Bampden oft de Royer Bampden, de Stock bampt en de Herkenrode Bampden. Ten noorden van Terwarden lagen langs weerszijde van de Waerd Straet twee vijvers, de Schaue Weyr genoemd. Deze locatie komt overeen met de vijver die ook afgebeeld staat op Kaart 1. Mogelijk bezat vooral de gegoede klasse de vijvers (Pastoorsvijvers, Drossaard, Terwaerden, … zie verder).

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 50 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

De Meukens, ca 1900. (collectie het Stadsmus Hasselt)

Op de Stimer lagen de Moulin de Roye en de Moulin à l’huile sur le Stimer (=de Plompaertmolen). Aan deze laatste molen vertrok de Stimer Stege (nu Plompaertstraat) met Fossés (=grachten) t.h.v. punt nr. 56 op de kaart van Lecomte. Ten noorden van de Stimer Stege lagen de Bruwière en de Kempener bampt. Vlakbij de Plompaertmolen bevond zich toen een vijver op de linkeroever (nu perceelnr. 90) en wat verder stroomafwaarts een tweede vijver (Etang a Mr Cler… Drossart de Diepenbeeck) op de rechteroever van de Stiemer. De Drossaard was de voormalige rechterlijk en bestuursambtenaar op het platteland, de plaatsvervanger van de heer en de voorzitter van de schepenbank. Net stroomafwaarts de ‘Drossaardvijver’ was er een brug voor karren over de Stiemer (bij punt nr. 45 op de kaart van Lecomte, waar nu een sluis ligt). Ten zuiden van de Stimer Stege liep de rechte Plompart Beeck op haar huidig tracé, deels in het Plompart Bosch en uitmondend aan de Peperstraat in het Swart water. Ten noorden van de Stimer Stege vermeldde Lecomte in de Kempener Bampt een ‘Ruisseau ou fosse’ (gracht, sloot) waarvan het tracé ook nu nog volledig is te volgen, bv. met een knik aan de vijver (perceelnr. 74) die toen nog niet bestond. Zo een rechte hoek in een beek kan op weteren wijzen (Baaijens e.a., 2011). In de begeleidende tekst vanwege landmeter Charles Lecomte, genoteerd op de ‘Carte Figurative et Geometrique’, staat heel wat interessants te lezen onder de titels Observations, Explications Generale, Observations de Stimer, o.m. dat de pijlen op terreinhellingen wijzen of de stroming van het water aangeven.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 51 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Onder Observations de Stimer lezen we: Au nr 42 il découle une partie du Stimer par des trous come a la Carte à travers d’un Bois & des Kempenere Bampden dans le Plompart Beeck & par celui dans le … au n° 29. M.a.w. de Plompaertbeek vertrok vanaf een bos aan de Stiemer en vloeide vervolgens door de Kempener beemden. Fungeert de Plompaertbeek hier als laak?! Een laak is dat deel van een wetering dat het ‘weterwater’ afvoert. Een laak ligt steeds op het laagste punt in het terrein. Au n° 44 (= aan de huidige Plompaertmolen) il d’écoule encore de l’eau du Stimer par un … et la Ruelle de Stimer dans le Plompart Beeck près de … dit Stimer Hofken (van punt 44 via 56 en 58 naar 53 op de kaart van Lecomte). NB le lit du Stimer est considérament … élevé a ceux du Démer & Swart Water. Verderop wordt dit punt nog eens extra benadrukt: Aan de Moulin à l’huile sur de Stimer vertrok de Stimer Stege (met Fossés: grachten) en in de bijgevoegde tekst op de kaart lezen we: Il y a encore un d’écoulement d’Eau hors du Stimer començant au Moulin a l’huile, d’écoulant par la Stimer Stege dans la Plompart Beeck comme il est rapporté sub … 36, 37 et 38. Het woord Fossé is ook de term die destijds werd gebruikt om de hoofdaanvoersloot van water naar een watering mee aan te duiden (Indekeu, 2004). Verder vermeldt Lecomte dat de Plompaert Beeck (tussen de punten 31 – 33) lager ligt dan de Stimer en aan de Peperstraat uitmondt in het Swart Water of Laeck.

De kaarsrechte Plompaertbeek

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 52 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

De Heidebeek of Laak is volgens Pipers de beek die uit de Dorspheide langs de Dauten naar de Terwaardenbeemden vloeit. In 1227-32, bij het graven van de nieuwe Demer, liep de Laak in de Demer t.h.v. de Peperstraat, waar nu de brug over de Demer aan de Dijken ligt (Pipers, 1936). Er is bij Lecomte ook sprake van een Ecluse a Godesheij langs de Goetscher Straet waar water vanaf de Nieuwe Demer langs die straat richting Swart Water werd afgeleid. Is het toevallig dat hier het toponiem Sluys Bampt staat? Tevens heeft Lecomte het over Ecluse par laquelle on arose (arroser: bevloeien) les Cretz du Prince. Duidelijker kan het niet. Terloops vermeldt Lecomte dat de Nieuwe Demer stroomafwaarts het studiegebied bijzonder vuil was: ‘bouché et rempli de Joncs’ zodat er nog nauwelijks water door kon stromen: Le Démer n’ a que deux pieds de cours. Tot slot leren we dat de Oude Maas of Oude Miezerikbeek een zijarm van de Oude Demer op grondgebied van Godsheide was. Samenvattend kunnen we uit de Carte Figurative et Geometrique vanwege landmeter Charles Lecomte afleiden dat alle fysische kenmerken (aantal, (hoogte)ligging en evenwijdige trajecten) van het waterlopenstelsel in het studiegebied aanwezig waren om te kunnen weteren op de plekken waar in het veld resten van vroegere weteringactiviteiten gevonden werden (zie Hoofdstuk 1.3). Zo is het duidelijk dat voor het weteren van perceel 97 het water aangevoerd werd uit de watervoerende gracht langs de Stimer Stege. Daarnaast verwijzen termen als Laeck, Ecluse, Sluys Bampt, Fossé, hoeken in beken, de expliciete vermelding dat de Stiemer hoger ligt dan de Demer, de aanwezigheid van de termen Bruwière vlakbij de Kempener Bampt (omzetting van heide in vloeiweide?) mogelijk eveneens op het weteren, los van de verordening van de Prins-bisschop. Op latere kaarten is te zien dat de Oude Stiemer ingedijkt is net stroomafwaarts punt 42 op de kaart van Lecomte, het punt aan de Stiemer waar de Plompaertbeek begint. Die laatste beek ligt dus in het laagste punt van het terrein. Voor de aanleg van de molen vormde de Plompaertbeek dan ook vermoedelijk de natuurlijke loop van de Stiemer. Nog steeds is het oude tracé van de beek zeer goed uit de kadasterkaart of op basis van het terrein af te bakenen. Dankzij de indijking van de Stiemer, stroomafwaarts punt 42, kon geweterd worden en daardoor kon de heide hier waarschijnlijk omgezet worden in (geweterd) grasland. Dat is duidelijk op latere kaarten te zien, maar ten tijde van Lecomte was de omzetting van heide in grasland mogelijk nog niet volledig voltooid, gezien hij nog steeds de term bruwière vermeldt?

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 53 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Kaart 3: Philippe Vandermaelen (ca. 1830?, 1846-1854) Op de kaart van Vandermaelen heeft de Oude Stiemer zijn huidig tracé en noemt Stiemer. Er is geen bedijking van de Stiemer naar de molen te zien, wat vanzelfsprekend niet wil zeggen dat die er niet is. Hetzelfde fenomeen doet zich trouwens ook voor bij houtkanten. Het wegje naar de huidige sluis op de Stiemer is nog steeds aanwezig en hier is net ten zuiden van de Stiemer een gebouw (Pieter Helven) afgebeeld (nu verdwenen). Ten noorden van de Plompaertstraat ligt de Plompaert Beek die, net zoals nu, een knik maakt vlakbij de grote vijver van perceelnr. 74. Die vijver is nu wel aanwezig. De Plompaert Beek stroomt hier door graslandgebied en de beek volgt een ander tracé dan de huidige Nieuwe Stiemer, vooral ten zuiden van de Plompaertstraat, waar ze ten tijde van Vandermaelen een opvallend kronkelend verloop kent. Betekent dit dat tussen 1778 (de kaart van Lecomte, = kaarsrechte beek) en Kaart 3 van Vandermaelen (= sterk kronkelende beek, 1846-54) de Plompaertbeek in haar zuidelijk deel weer is gaan meanderen?! Overigens, over de historiek van de Plompaertstraat schreef Frederix (2013) een boeiende bijdrage in het “Alvermenneke”, het tijdschrift van de heemkundige kring van Diepenbeek (zie Intermezzo: Plompaertstraat en omgeving volgens Frederix). Vlakbij de Plombaert Molen of Braek Moulin ligt nog steeds een vijver (nu perceelnr. 90), maar de vijver op de andere oever net stroomafwaarts is nu verdwenen. Verder lijkt het erop dat het akkerareaal rond de Plompaertmolen wat is toegenomen. Aan de Braek Moulin vertrekt een voetpad naar het zuiden, naar de Plompaertvijvers; een ander voetpad, langs weteringperceel 97, loopt eveneens naar de Plompaertvijvers. De banaalmolen Royer Molen ligt langs de weg die van de Heerbaan naar de Royerheide leidt (Pipers, 1936). De weg onder de Plompaertmolen stopt aan het Stiemer hofken bij de Plompaert Beeck, maar het is niet duidelijk of dit ook in realiteit zo was. Opvallend op kaart 3 is het grote aantal vijvers, die grotendeels in de bosrand gelegen zijn: een kleine wijer in perceel 98 (perceel 97 is bos), de Plompaertvijvers, de grote vijver net ten noorden van de Plompaertstraat (perceelnr. 74), één grote vijver aan Meserek en een vijvercomplex (de Pastoorsvijvers), t.h.v. De Stukke. Ten zuidoosten van deze laatste vijvers ligt een bosrestant. De Schaue weyr ten noorden van Terwaerden is daarentegen verdwenen. Wat tevens opvalt is het vrij grote bosareaal. Een groot deel van het studiegebied is nog steeds bebost, met name het deelgebied ten zuiden van de Plompaertstraat tot aan de Demer. Dit centrale bosdeel heeft ten noorden van de Plompaertstraat een uitloper op de westrand van de ‘Plompaertvallei’. Wat eveneens opvalt is een kleine strook heide ten oosten van deze noordelijke ‘bosuitloper’, nu volledig onder de bebouwing verdwenen. Vroeger waren er volgens Pipers (1936) op de rechteroever van de Demer nochtans geen bossen in de gemeente, maar in de 19de eeuw verkocht de gemeente veel grond om bossen de planten. Zo werd op de Dijken een dennenbos geplant door ridder de Corswarem. Om heide te bebossen werd er eerst duchtig gemest met 1000kg metaalslakken/ha, 400 kg kaïniet en 1000 kg kalk/ha. Inmiddels zijn vele particuliere bossen weer verdwenen, o.a. een groot deel van de bossen op de Dijken (Pipers, 1936). Tot slot merken we op dat Ter Waerden Ferme en de ringgracht nog intact zijn en dat de Peperstraat niet over de 2 Demers gaat. Samenvattend kan, in vergelijking met de kaart van Lecomte, uit Kaart 3 geen extra info inzake het weteren afgeleid worden, behalve dan dat het eventuele weteren in de vallei van de Plompaert Beek enkel mogelijk was ten noorden van de Plompaertstraat waar veel grasland voorkwam en niet ten zuiden van deze straat waar het bos nog steeds domineerde. Dit weteren was mogelijk door aanvoer van water vanuit de Oude Stiemer, maar mogelijk ook met kwelwater dat aan de voet van de noordelijke uitloper van het Plompaert Bosch (nu nog steeds) uittreedt.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 54 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Intermezzo: de Plompaertstraat en omgeving volgens Frederix In het Alvermenneke verscheen in 2013 een boeiende bespreking van de historische straatnaam Plompaertstraat vanwege Dhr. Frederix (2013). In het artikel analyseert de auteur uitgebreid de historische kaarten. Deze kaarten zijn niet allemaal opgenomen in dit rapport. Frederix meent dat de naam Plompaert verwijst naar de gele plomp of plompeplant, een waterplant die in het vijvergebied rond de Plompaertmolen veelvuldig moet aanwezig zijn geweest. Molemans (1971) vermeldt in zijn studie over de Noord-Limburgse gemeenten echter dat daar het toponiem den pompaert (1763) afgeleid is van pompe=sloot, wat ons een meer plausibele verklaring lijkt voor het toponiem Plompaert. Immers, zou het kunnen dat bij de oprichting van de molens en het verleggen van de Stiemer vanaf een bepaald punt naar de rand van de vallei, de oorspronkelijke Stiemer vanaf dit punt ‘sloot’ werd genoemd (pompe, later foutief veranderd in plompe)? Immers, eens de Stiemer afgeleid werd naar de molen bleef er van de oorspronkelijke beek niet veel meer dan een sloot over en die werd daarom P(l)ompaertbeek genoemd. Het zou niet de eerste keer zijn dat in de loop van de geschiedenis de schrijfwijze van een woord door fouten verandert. Overigens, Burny (1999, pg 180) vermeldt in zijn boek Pompaart, een perceel dat bevloeid werd. In combinatie met de opvallende gelijkenis met zijn figuur op pagina 146 (Fig. 10) zou men zich kunnen afvragen of de Plompaertvijvers vroeger ook ooit geweterd werden?!

Fig. 10: (Uit: Burny, 1999) ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 55 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Frederix gaat in zijn bespreking van de Plompaertstraat vooreerst uitgebreid in op het Primitief plan van 1813. Het molenrad van de Plompaert Meulen, die overigens niet langs de Plompaartbeek, maar langs de Oude Stiemer ligt (en Stiemermolen zou moeten heten?!), moest omstreeks 1813 twee molens aandrijven: naast de nog bestaande molen ook een waterhennepbraakmolen die aan de andere kant van het rad lag en in 1862 afgebroken werd. Die molen diende dus om het vlas of de hennep te braken, een techniek om de vezels in de gerotte stengels los te maken. Dergelijke molens werden in de volksmond bookmolen of kortweg book genoemd. Ten westen van de Plompaert Meulen lag een rechthoekig vijvertje (nu perceel 90), hoogstwaarschijnlijk volgens Frederix gebruikt als rootvijvertje om de hennep in te roten. Op de stafkaart van 1868 (Kaart 5) is dit vijvertje al in akkerland omgezet. De weg vanaf de molen naar het Stimer Hoofken, een private enclave in de gemeentegronden omgeven door grachten (ongeveer ter hoogte van perceel 164), werd in 1813 Den Plompert Meulen weg genoemd, een weg vanaf de Plompaertbeek naar de molen. De naam Dijken (bedoeld als weg?) is pas voor het eerst te zien op het grondplan van Jan Achten van 1895. Op de stafkaart van 1925 is het gebied de Dijken nog steeds een dennenbos. Het gebied de Dijken werd, inclusief de Plompaertmolen, in 1896 aangekocht door Laurens Jageneau, brouwer in Diepenbeek en grootvader van de notaris. Op het stratenplan van 1943 noemt de weg onder de molen Plompaert, zonder meer. Pas op het stratenplan van 1944 verschijnt de huidige naam Plompaertstraat. De naam Plompaertstraat aan de Plompaert Meulen werd i.p.v. de Stiemerstraat door de gemeenteraad aangenomen in 1944 voor het deel boven en in 1949 ook voor het deel beneden de Plompaertmolen. Het was een kiezelweg die pas begin jaren 60 “getaard” werd. In het artikel van 2013 vermeldt Frederix dat in 1927 de Plompaertbeek over een lengte van 250m opnieuw recht werd getrokken, omdat de snelstromende beek weer aan het meanderen was gegaan (zie Kaarten 5, 6 en 7).

Plompaertstraat, zicht op de molen

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 56 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Volgens Frederix bestond de naam Kempenare bemdens al in 1790. Mogelijk verwijst deze naam naar kemp of hennep. Verder schrijft Frederix dat, naar aanleiding van de stadrechten van Hasselt in het begin van de 13e eeuw, de Demer en de Stiemer opgeschoven werden naar een hoger niveau om de stadsgrachten van water te voorzien. Den Kempenare bemdens liggen precies tussen de oude en de nieuwe Stiemerloop in. Het verleggen van de beken gaf volgens Frederix aanleiding tot de ontginning van de gronden vlakbij. De kostelijke waterwerken werden dan ook gelijk gedekt door de inkomsten (tienden) op de ontgonnen gronden. De vroegere braakgronden brachten immers niets op. Vermoedelijk wordt hier indirect op de omzetting dankzij het weteren van heide (=lage waardeklasse in het kadaster) in grasland (= hogere waardeklasse in het kadaster) gewezen. Dit zou volgens ons kunnen betekenen dat er reeds vanaf de 13e eeuw is geweterd! Tot slot vertelt Frederix dat op 26 oktober 1548 door ‘waterschepenen’ een plaatsbezoek werd gebracht aan de Plompaertmolen, toen genoemd “Aert Coeninckx slaechmoelen gelegen aan de steynen bempt” (vandaar ook de naam Steenblookstraat) en aan “die coeren moelen van Roy” (d.i. de korenmolen van Rooi). De Plompaertmolen was dus een oliemolen (slagmolen) zoals aanvankelijk ook de Rooiermolen. Tijdens dit gerechtelijk onderzoek in Genk, Diepenbeek en Hasselt werd vastgesteld dat veel water verloren ging doordat de dijken doorgestoken waren en vele dammetjes het water richting beemden en vijvers leidden (Frederix, 1986), een duidelijke verwijzing naar het weteren. Samenvattend zijn er dus meerdere aanwijzingen te vinden dat er in het studiegebied vroeger bevloeid werd, met name de eventuele omzetting van heide in grasland, alsook het plaatsbezoek op 26 oktober 1548.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 57 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Kaart 4: Atlas van de Buurtwegen (1845) De Atlas van de Buurtwegen werd in dezelfde jaren opgesteld als de kaart van Vandermaelen. Beide kaarten kunnen dus als ‘duo’ gelezen worden. Ze vullen elkaar aan. De Plompaertstraat ten zuiden van de molen werd ten tijde van de Atlas der Buurtwegen (1841 – ‘45) door twee voetwegen (de nrs 75 en 76, respectievelijk de Plompaertschekerweg en het Peerdspad; Kaart 4a) verbonden met de Peperstraat. Beide voetpaden mondden uit op weg 74. Het Peerdspad aan de samenvloeiing van Laak en Plompaertbeek, de Plompaertschekerweg aan de Dijkenkapel. Die Plompaertschekerweg gebruikten de mensen van Mizerik als kerkpad (Frederix, 2013).

Het vroegere voetpad naar Diepenbeek

Op de gereduceerde kadasterkaart van 1849 in Frederix (2013) is voor het eerst schuin tegenover het Stimer hoofken, in de richting van de Alfons Jeurissenstraat, een grote vierkante vijver te zien, die tot aan het rechttrekken van de Stiemer eind jaren 60 als dusdanig fungeerde (Frederix, 2013). Ook het ‘rootvijvertje’ aan de Plompaertmolen is nog steeds aanwezig. Extra informatie over het weteren is op de gereduceerde kadasterkaart van 1849 niet te vinden.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 58 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Kaart 5: Historische kaart (1868)

Op de nieuwe vijver, opgetekend op de gereduceerde kadasterkaart van 1849 aan de Plompaertstraat na, zijn alle andere vijvers op de historische kaart van 1868 of bebost (De Plompaert Vyver, de Pastoorsvijvers), of omgezet in akker (weterperceel 97, 98) of in grasland (het ‘rootvijvertje’). Kaart 22 maakt dit overzichtelijk. De Miezerikvijvers daarentegen zijn sterk uitgebreid. Ter Waerden Ferme en grachten zijn nog steeds aanwezig. Het bosareaal op de historische kaart van 1868 is kleiner geworden. Een belangrijke oppervlakte bos werd in grasland omgezet, vooral rond de Plompaertbeek, al bleef hier nog een restantje over vlakbij het gebouw De Stukke of De Stuk, waar we nu nog veel oudbosplanten vinden. Ten noorden van de Plompaertstraat is nu zelfs helemaal geen bos meer aanwezig. Toch is er nog een vrij groot bos gespaard gebleven ten westen van de Plompaertvijvers, al gaan we vanaf nu in de toekomst het bos enkel verder zien krimpen tot op heden, op de zeer recente bebossingen vlakbij de Demer en de Nieuwe Stiemer vanwege ANB en de gemeente na. Er zijn nu twee brugjes te zien over de Demer tussen de Ginderoverstraat en Peperstraat. Hierlangs liep een voetpad dat het gehucht Roye verbond met buurtweg 74 en verder noordwaarts richting buurtweg 75 (ook op de kaarten van 1951 t.e.m. 1981). Delen van dit pad zijn vandaag nog duidelijk zichtbaar en afgeboord met houtkanten.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 59 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Het graslandareaal heeft zich vooral uitgebreid ten koste van bos en nu zien we voor het eerst ook een vrij groot graslandoppervlak opduiken ten zuiden van de Plompaertstraat, aansluitend bij de graslanden langs de Demer. Het graslandareaal ten zuiden van die straat is dus jonger dan het areaal ten noorden van de Plompaertstraat. Is dat laatste er eerder gekomen dankzij het weteren vanuit de Oude Stiemer? Ook het akkerareaal ten zuiden van de Plompaertmolen is verder toegenomen ten koste van bos, grasland en vijver. Het akkerareaal breidt zich in het studiegebied vooral uit op de droogste bodems, deze met drainageklasse c en d. Voor het eerst worden de houtkanten expliciet op Kaart 5 aangeduid, wat evenwel niet betekent dat die structuren niet ouder kunnen zijn, want vaak werden ze niet vermeld (Baas e.a., 2012). Zo is nu duidelijk te zien dat de Oude Stiemer (Le Vieux Stimer) met houtkanten bedijkt was vanaf het studiegebied. Veel houtkanten zijn inmiddels weer verdwenen, vooral door de bebouwing langs de Alfons Jeurissen- en de Ginderoverstraat, alsook door de inbuizing van de Oude Stiemer. Toch zijn ook vele houtkanten bewaard gebleven tot op heden (zie kaart 24). Van de heide rest nog een erg klein deeltje, met name op de plaats waar zich nu de hoeve van Fernand Wolfs bevindt (Alfons Jeurissenstraat nr. 91). De rest van de heide werd omgezet in bebouwing met door houtkanten omgeven akkers. Voorgaande geldt ook voor de directe omgeving van de Ginderoverstraat. De grote heideontginning is dus duidelijk begonnen. Ten noorden van de Plompaertstraat is geen Plompaertbeek te zien! Ten zuiden van de Plompaertstraat is de Plompaertbeek weer kaarsrecht. Op de gekleurde stafkaart van 1868 is voor het eerst, ten zuiden van de molen, een weg zonder gebouwen van de Plompaertstraat rechtstreeks naar de Dijken aangeduid, waarbij het Peerdspad gelijktijdig verdwijnt. De nieuwe weg is breder en droger, want gedeeltelijk op een dijk aangelegd (vandaar de naam De Dijken?). Daarnaast zijn er meerdere voetpaden aanwezig, bv. een voetpad vanaf de Plompaertmolen naar de kapel en verder over de Demer. Op die Demer staat een brug aangeduid en de Demer wordt op de kaart van 1868 Lake genoemd, wat naar weteren kan verwijzen.

Willem Roelofs - Genk 1846-51 ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 60 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Frederix (2013) merkt op dat op de kaart van 1868 op de hoek van de Plompaert- met de Ginderoverstraat een kruis is afgebeeld en dat verklaart volgens hem waarom oudere mensen hier nogal eens over de Kruisstraat spreken. Verder vermeldt Frederix dat de hennepbraakmolen in 1862 werd afgebroken en dat het erbij horende rootvijvertje toen verdween. Betekent dit dat er vanaf dan geen hennep meer geteeld werd in Diepenbeek?

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 61 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Kaart 6: De Atlas van de Waterlopen (1882) De percelering op de Atlas des cours d’eau non navigables ni flottables de la commune de Diepenbeek. Plan du Stiemer affluent du Demer van 1882 sluit perfect aan bij die op de kaart van Vandermaelen, maar niet bij de topografische kaart van 1868! Op de Atlas van de Waterlopen zijn in elk geval tal van toponiemen te vinden, zoals De Kempenare Bemdens, Stemer hoofken, De voorsten Plompaert, Schabbert, enz. Interessant is de vermelding van ‘wetergerelateerde’ namen zoals Aan de Laak, Ruisseau de décharge (ten noorden van de Plompaertmolen, midden in de grote, met houtkanten omwalde akker grenzend aan de Stiemer), Ecluse, Eclusette aan Den sluis bemd net ten oosten van hoeve Terwaren. Overigens is de Oude Demer recht getrokken in de periode tussen de kaart van Lecomte (1778) en die van Vandermaelen (ca. 1850). Op de Atlas is ook de vermoedelijke afwatering van de ringgracht rond Terwaerden richting Oude Demer te zien. Dit tracé is nog steeds op de huidige kadasterkaart en in het veld te herkennen. De Peperstraat kruist beide Demers met een brug. Op de Nieuwe Demer is een Passerelle te zien.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 62 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Kaart 7: Topografische kaart van 1951 We maken nu een sprong naar 1951, maar keren voor de tussenliggende periode eerst terug naar de tekst van Frederix (2013). Frederix (2013) Frederix schrijft dat op de stafkaart van 1935 voor het eerst de hoeve Smets (nu ponyhoeve) verscheen en een deel van de Dijken ontbost was, terwijl de Dijken op een kaart van 1925 nog met dennen beplant waren. In 1925 was er nog steeds maar één hoeve langs de Plompaertstraat ten zuiden van de molen en was het weteringperceel 98 grasland en 97 bos. De evolutie van beide percelen ziet er als volgt uit. In 1868 (Kaart 5a) was het weteringperceel 98 akker en perceel 97 was bos. Wat later, in 1873 (Kaart 5b) was perceel 98 nu in grasland omgezet en perceel 97 was nog steeds bos. Pas op de topografische kaart van 1939 zijn beide percelen grasland en sindsdien steeds grasland gebleven. M.a.w. vermoedelijk is die wetering, zeker het perceel 97, na 1925 ontstaan. De wetering achter de grote vijver langs de Plompaertstraat (perceel 73) was reeds op de kaart van Vandermaelen grasland en is dat steeds gebleven, behalve op de luchtfoto van 1971 waar het perceel deels geakkerd lijkt te zijn. Deze wetering kan dus ouder zijn dan die van de percelen 97 en 98.

Verder vernemen we bij Frederix (2013) dat de Plompaertstraat boven de molen nogal eens van naam veranderde, van Mieserikstraat en Stiemerstraat naar Plompaertstraat. Pas op het stratenplan van 1949 wordt het hele traject boven en onder de molen Plompaertstraat genoemd. Tevens stelt Frederix dat volgens een plan van 1927 het Stimer hoofken met ‘grachten’ (=houtwallen) omgeven was. Op de topografische kaart van 1939 is volgens Frederix te zien dat de grote akker omgeven door houtkanten (perceel 93) ten westen van de Plompaertmolen deels grasland was, met name tussen de Ruisseau de décharge en de Oude Stiemer in, de rest was akkerland. Werd hier geweterd? De huidige grote akker ten zuiden van de beek, tussen de Stiemer en de Plompaertstraat, is lange tijd grasland geweest.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 63 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Op de kaart van 1939 is het Plompaertbos erg in oppervlakte verminderd. Het voetpad vanaf de molen naar de Demer doorheen wetering 97 en 98 is nog steeds aanwezig. De naam Den Kempenare bemdens slaat volgens Frederix niet op de molenaar Kempeneers die ooit in de molen woonde, maar verwijst mogelijk naar de oude naam voor hennep, met name kemp. Omdat er een hennepbraakmolen in de buurt was, mag men volgens Frederix veronderstellen dat in de onmiddellijke omgeving van de molen een aantal percelen met dat gewas zullen gelegen hebben. Toch lijkt de naam beemden moeilijk te verzoenen met de teelt van kemp. Kemp voor de aanmaak van touw, zeildoek, linnen, olie … werd immers op dezelfde bodem als vlas en graan geteeld. Elke boerderij had vroeger een eigen kemphof(f). Kemp werd dus buiten de drie zaden van de winning geteeld in een afzonderlijk perceel, mogelijk omdat kemp de zwaarste bemesting (de plant kan tot 4m hoog worden en 15 ton droge stof/ha opleveren!) en diepste grondbewerking vroeg. Het kon op haast alle bodems, uitgenomen erg natte bodems geteeld worden. Kemp werd op dezelfde wijze als vlas behandeld en op kemp volgde vaak vlas of graan. De kemp liet men vaak roten op het veld en net zoals vlas werd kemp gebookt of gebroken. Is het mogelijk dat het destijds omheinde perceel (nrs. 57 en 58) net ten noorden van het lange tijd enige gebouw aan de noordzijde van de Plompaertstraet ooit een kemphoff was en zijn naam overdroeg op de Kempenaren bemdens?! Herinner u, schrijft Frederix tot slot, dat in de 13e eeuw de Demer en de Stiemer naar een hoger niveau werden gebracht voor de watervoorziening van Hasselt. ‘De naam Stimer hoofken, ogenschijnlijk ver van de beek gelegen, moet in dezelfde optiek bekeken worden (de verlegging van de Stiemer naar een hoger niveau). Voor het verleggen van de twee waterlopen (Demer en Stiemer), situeerde zich hier blijkbaar een hofstede met aangelegen land. Door het verplaatsen van de economische factor, een snelstromende beek, en dus perfect geschikt voor molens, verdween dit hof of verhuisde mee naar de nieuwe Stiemerloop. De Plompaertbeek moet dus voor deze feiten ook Stiemer hebben geheten.’ Haar nieuwe naam is –zeer logisch- gebaseerd op de omliggende plaatsnamen, aldus Frederix. We keren nu terug naar de kaart van 1951. -Situatie ten noorden van de Plompaertstraat De hoeve van Dhr. Fernand Wolfs is voor het eerst te zien, maar veel bebouwing is er nog niet aanwezig langs de Alfons Jeurissenstraat. Wel is nu alle heide definitief uit het studiegebied verdwenen en grotendeels in akker omgezet. Ten noorden van de Plompaertstraat zijn nu voor het eerst 3 waterlopen afgebeeld: de Oude Stiemer, met open loop, de Plompaartbeek (nu geschreven met dubbele aa, cfr Plompaartmolen) en een ‘kwelbeekje’ aan de valleirand. De grote vijver aan de Plompaertstraat (perceelnr. 74) is nog steeds vijver en het weterperceel erachter (perceelnr. 73) is grasland. -Ten zuiden van de Plompaertstraat T.o.v. de vorige kaart is de oppervlakte bos verder sterk gedaald. Een groot deel van het bos aan de Plompaertvijver is namelijk verdwenen. Ook hof Terwaerden is weg. De Plompaertvijvers en de Pastoors vijvers zijn ontbost en in akker omgezet. Er loopt wel nog steeds een voetpad vanaf de Plompaartmolen naar de Demer en naar de Plompaertvijvers. De wetering van perceelnrs. 97 en 98 bestaat volledig uit grasland. Aan de Royermolen is veel akkerland, net zoals in 1873. Het huis aan het sluisje langs de Oude Stiemer staat er nog, maar van weekend- of tuinvijvers (bv. poelnr. 4) is nog geen sprake.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 64 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Kaart 8: Topografische kaart van 1969 De grote vijver aan de Plompaertstraat is geen vijver meer, maar een moerassige zone. De weteringen van perceelnrs. 97, 98 en 73 zijn nog steeds grasland. De ontbossing gaat gestaag verder. Het pad van de molen naar de Demer is deels verdwenen. Ten noorden van de Plompaertstraat zijn nog steeds drie waterlopen te zien: de Oude Stiemer, een sterk kronkelende ‘noordelijke Plompaertbeek’ en de kwelsloot aan de valleirand. Ook nu wordt Plompaart(molen, -beek) met aa geschreven. Langs de Plompaertstraat is één gebouw bij gekomen. De bebouwing langs de Alfons Jeurissenstraat blijft daarentegen gering. Aan de Pastoors vijvers is een klein veelhoekig bosje te zien.

Kaart 9: Topografische kaart van 1971 Is de grote vijver ten noorden van de Plompaertstraat nu deels geploegd? Dat zou best kunnen, want tijdens ons interview vertelde Dhr. Wolfs dat een deel van die vijver inderdaad ooit geploegd was. Tevens zien we vlakbij de hoeve van Dhr. Wolfs de 2 vijvertjes, die hij, zoals hij ons vertelde, zelf heeft aangelegd. Voor het eerst verschijnt de rechte Nieuwe Stiemer ten noorden van de Plompaertstraat op zijn huidig tracé. Dat tracé is dus aangelegd tussen 1969 en 71. Het akkerareaal lijkt wat te zijn toegenomen. Het bosareaal is niet gewijzigd. Het bos beperkt zich nu quasi tot de onmiddellijke omgeving van de Demer. Het bosareaal bereikte rond 1970 zowat zijn dieptepunt. Het bos dat ANB relatief recent aanplantte was volgens deze kaart een overwegend (historisch?) graslandgebied met veel bomenrijen. Het perceel van de vroegere site Terwaerden is voor zowat de helft beplant met populieren. Van een weekendvijver (poelnr. 4) of een tuinvijver (poelnr. 6) is nog steeds geen sprake. Wetering 97-98 is grasland. De bebouwing langs de Alfons Jeurissenstraat neemt gestaag toe. Ook langs de Plompaertstaart zijn nu 3 woningen bij gekomen. De Oude Demer vlakbij Terwaerden tot slot is wat ‘rechter’ gemaakt.

Kaart 10: Topografische kaart van 1981 Vanaf het sluisje op de Oude Stiemer is voor het eerst een waterloop naar het zuiden ingetekend, alsook wat verder stroomafwaarts een voeding naar het noorden vanaf de Oude Stiemer richting Miezerikvijvers, waar nu bos staat, maar in 1981 nog grasland aanwezig was. Poelnr. 1 is in dat grasland ingetekend en vormt samen met poelnr. 5, de restant van de vroegere omwallingsgracht van Terwaerden, het enige potentiële voortplantingswater voor amfibieën in 1981 in het studiegebied. De Nieuwe Demer ten zuiden van het kaarsrechte traject van de Oude Demer is gedempt. Er rest enkel nog een droge bedding waarop later het fietspad zal worden aangelegd. Net ten noorden en ten zuiden van de Heidestraat zijn twee vijvers te zien, alsook een toevoer vanaf de Oude Stiemer naar het kwelslootje op de valleirand. De Oude Stiemerbeek heeft nog steeds een open loop. Het bosareaal ten noorden van de kapel neemt wat toe vlak onder de percelen 97-98. Voor het laatst is het onderste deel van de huidige grote akker ten noorden van de Plompaertmolen grasland tussen de Oude Stiemer en de Ruisseau de décharge.

Kaarten 11 en 12: Topografische kaart van 1989 en 1995 De Alfons Jeurissenstraat is nu volledig dicht gebouwd. Eén van de 2 vijvertjes van Dhr. Wolfs is inmiddels weer verdwenen. Nu zijn voor het eerst de poelen 4 en 6 te zien en er is wat bos aan de Pastoors vijvers bij gekomen. Onder de Plompaertmolen verschijnt een grote akker tussen de Oude Stiemer en de Plompaertstraat. Die Oude Stiemer is nu ‘ondergronds’ gegaan! ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 65 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Op de laatste kaart (Kaart 12: orthofoto van 1995) is het ‘ANB-bos’ (perceelnrs. 12, 22, 23, 37, 38) en het gemeentebos (perceelnrs 24, 25, 31 en 32) nog niet geplant en lijkt het bosareaal stabiel gebleven. Beide vijvertjes van Dhr. Wolfs zijn nu verdwenen en vlakbij ligt een voetbalveld.

Samenvatting van de kaartanalyse De Plompaertbeek ten noorden van de Plompaertstraat heeft steeds een kronkelend verloop gekend, tot ze rond 1970 vervangen werd door de huidige kaarsrechte loop en Nieuwe Stiemer werd genoemd. De Oude Stiemer werd ooit net vanaf het studiegebied ingedijkt en naar de rand van de vallei verlegd om de Plompaert- en de Rooiermolen aan te drijven. De Plompaertbeek vormt dus eigenlijk, voor de aanleg van die molens, de oorspronkelijke Stiemer. Ten zuiden van de Plompaertstraat is de rechte Plompaertbeek meer dan eens aan het meanderen gegaan. In de jaren 90 ging de Oude Stiemer ‘ondergronds’! Pas vanaf de kaart van 1951 is er een ‘kwelsloot’ ten oosten van de Nieuwe Stiemer te zien. Het graslandareaal heeft zich in de loop der jaren vooral uitgebreid ten koste van bos. Het graslandareaal ten zuiden van de Plompaertstraat is jonger dan het grasland ten noorden van de Plompaertstraat. Is het grasland hier eerder gekomen dankzij het weteren vanuit de Oude Stiemer? Langs de Demer is daarentegen steeds grasland aanwezig geweest. Er zijn heel wat aanwijzingen gevonden dat in het gebied vroeger het grasland geweterd werd. Dit was zeker het geval voor het deelgebied ten noorden van de Plompaertstraat, tussen de Oude en de Nieuwe Stiemer. Het akkerareaal lag steeds vooral net ten zuiden van de Plompaertmolen. De oppervlakte akker is in de loop van de eeuwen wat toegenomen ten koste van bos, grasland en vijver. Dat akkerareaal strekt zich in het studiegebied vooral uit op bodemtype Sdg (en wat op Zdg), m.a.w. de akkers bevi(o)nden zich op de relatief droogste bodems, deze met drainageklasse d. Enkel de huidige akkers in de voormalige Plompaertvijvers (Seg) en ten noordoosten van Terwaerden (Eep) wijken door hun natte bodems af van dit historisch beeld. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 66 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

De heide maakte aan de rand van het studiegebied vermoedelijk deel uit van het landschap. Die heide werd eerst omgezet in bebouwing met naastliggende akkers, omgeven door houtkanten, maar later verdwenen ook die akkers en vele houtwallen onder de toenemende bebouwing. Mogelijk vormen de huidige ‘Luzulagazons’ het enige restant van die vroegere heide. Daar waar de akkers eerder aan lemig zand (textuur S) gebonden zijn, was de heide op zuivere zandgrond (textuur Z, drainageklasse c en d) te vinden. Ten tijde van Ferraris was er in het studiegebied nog een uitgestrekt Ouver Bosch aanwezig dat nadien stelselmatig in oppervlakte is ingekrompen. Het bosareaal bereikte rond 1970 zijn dieptepunt. De recente bebossingen (na 1995) zijn niet uitgevoerd op oude boslocaties. Voor het eerst worden de houtkanten expliciet op de kaart van 1868 aangeduid, wat evenwel niet betekent dat die structuren niet ouder kunnen zijn. Veel houtkanten zijn inmiddels weer verdwenen, vooral door de bebouwing langs de Alfons Jeurissen- en de Ginderoverstraat, alsook door de inbuizing van de Oude Stiemer. Toch zijn vele houtkanten bewaard gebleven tot op heden en er lijken zelfs een klein aantal houtkanten bijgekomen te zijn. Op de historische functie van de houtkanten gaan we in het volgende hoofdstuk dieper in. Ooit telde het studiegebied vele vijvers, o.a. een mogelijk vijvertje voor het roten van hennep aan de Plompaertmolen. Haast al die vijvers zijn nu verdwenen. Zo zijn de Plompaertvijvers na de kaart van Vandermaelen geen vijvers meer, maar moeras of akker. Enkel de grote vijver vlak ten noorden van de Plompaertstraat (perceelnr. 74) is pas vanaf de kaart van 1969 niet meer als vijver ingetekend. Vanaf de jaren 90 is de Alfons Jeurissenstraat volledig dicht gebouwd. Langs de Plompaertstraat onder de molen is de bebouwing gelukkig steeds beperkt gebleven. In de jaren 90 verschijnen voor het eerst wat poelen en wat tuin- en weekendvijvers en in 1995 is het voetbalveld voor het eerst te zien. In de loop der jaren zijn heel wat voetpaden in het gebied verdwenen (Kaart 23). Lange tijd, gedurende meerdere eeuwen, liep er bijvoorbeeld een pad vanaf de Plompaertmolen via de Dijken, over de beide Demers, richting Diepenbeek. Tot slot blijkt dat Terwaerden in 1893 afgebroken werd.

Alphose Asselberghs - vijver in Genk

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 67 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

1.3 HET WETEREN IN DIEPENBEEK In deel I bespraken we twee gegevensbronnen, met name de veldgegevens en de getuigenissen, waaruit bleek dat in het studiegebied vroeger op meerdere plaatsen geweterd werd. Ook bij de kaartanalyse kwamen we meerdere aanwijzingen tegen voor het bevloeien van grasland. Nu gaan we tot slot op zoek naar geschreven historische bronnen om een idee te hebben over de eventuele uitgestrektheid van het fenomeen weteren vroeger in Diepenbeek.

Oploop naar de wetering in perceelnr. 98

Literatuurbronnen over het weteren in Diepenbeek en directe omgeving In België zijn weinig gegevens over het weteren in de literatuur te vinden. Zo spreekt Paul Lindemans (1994) haast met geen woord over het fenomeen in zijn tweedelig, nochtans monumentale boekwerk over de agrarische geschiedenis in België. In dat boek is ons enkel de vermelding bekend van vloedmeersen die overstroomd worden bij vloed en ontwateren bij eb en dan de vette slib, spier genoemd, achterlaten. Toch werd het weteren op vele plaatsen in België toegepast, o.m. in de Ardennen (abissadje – abissage). In de Ardennen groeiden in die vloeiweiden kalkminnende soorten zoals herfsttijloos, gulden sleutelbloem, beemdkroon, geel walstro, kleine pimpernel, bevertjes, ruige leeuwentand en zachte haver; terwijl hogerop zuur grasland gedijde (pâture-sart) met heide en brem (Leibundgut & Vonderstrass, 2016; Burny, 1999 pg. 191). In Limburg heeft Joël Burny als enige diepgaand en uitgebreid aandacht besteed aan het oude landgebruik van het weteren (Burny, 1986, 1999), al hadden Mertens & Simons (1982) er al eerder over geschreven. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 68 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

* Burny (1986, 1999) beschrijft in extenso waar, wanneer, hoe vaak en hoe er vroeger overal in de Kempen geweterd werd. Hij toont o.m. een foto van De Maten waar op de bodem van de Manevijver een vloeiweide voorkwam, die nu evenwel nagenoeg constant onder water staat. Vliebergh (1908) en Lyna (1936) bevestigen dat het bevloeien van grasland begin vorige eeuw nog op meerdere plaatsen in de Kempen bestond. In Limburg werd volgens Burny op erg veel plaatsen geweterd, in 1548 bijvoorbeeld vanuit de Demer tussen Hasselt en Diepenbeek. Ook in Lummen werd in de Demervallei geweterd, maar op plekken buiten het bereik van de winterse overstromingen, hogerop dus. In Genk werd volgens Burny langs de Stiemer op zeer veel plaatsen het grasland bevloeid. Zo lag er een grote wetering langs de Stiemer op de grens met Diepenbeek. Voor het bevloeien van de Haagbemden in Genk stonden er ongeveer 15 vaste, houten sluizen op de Stiemer, waarvan 2 op Diepenbeeks grondgebied. Die 2 sluizen in Diepenbeek lieten toe om drie vloeiweiden van een Genkse familie op de noordoever van de Stiemer te bevloeien. Eén ervan, in de oostelijk punt van het Overste Bos (Ouver Bosch?), is pas rond 1930 aangelegd op de plaats van enkele jaren tevoren gerooid dennenbos. Het ging hier om een hellingbouwbevloeiing die zeker tot 1945 in gebruik is geweest. Deze verwijzing van Burny hebben we echter niet kunnen lokaliseren. Nog vrij goed bewaarde vloeiweiden in Diepenbeek en omgeving liggen volgens Burny ‘in de hoek van de Galgebeek met de Universiteitslaan’ en ten noorden van Wolske (Hasselt). Er werd vooral op veen en zand geweterd, veel minder op zandleem. Op welke bodemtypes er bevloeid werd, is overigens uitgebreid te lezen in Burny (1986 pg. 96; 1999 pg. 188 e.v.). Burny stelt dat in Diepenbeek zelfs al het grasland bevloeid werd. Het vee in dit dorp bleef op jaarbasis veel meer in de stal dan in de Kempen. In de Demervallei in Diepenbeek werden zo goed als alle hooilanden, gegroepeerd in een aantal grotere complexen, via een beperkt aantal inlaten bevloeid. Bijna al deze hooilanden lagen volgens Burny in bedden. De waterafname bij het weteren gebeurde net voor de sluis en vaak werd stroomafwaarts van de sluis het water weer op dezelfde waterloop ingebracht, omdat het waterpeil hier door de sluis net erg laag stond. Op sommige vlakke plaatsen werd geweterd doordat bij het tijdelijk afdammen van de beek het water in haaks op de beek aangelegde greppels het grasland introk. Door het stijgen van het water vulden de greppels zich tot ze overliepen in het grasland. Vervolgens werd het dammetje geleidelijk afgebroken zodat het grasland via de greppels weer langzaam leeg liep. Dat grasland lag dus niet in bedden. Deze techniek werd o.m. in Diepenbeek toegepast ‘tussen de noordelijke randbeek van de reeks vijvers, De Lange Waters’, aldus Burny. Burny verwijst verder naar een zekere Geraerts E. (1866). Deze auteur vermeldt dat de irrigaties in de omgeving van Hasselt een vrij grote ontwikkeling hadden doorgemaakt. Tot slot merkt Burny specifiek voor Diepenbeek op dat grote ratelaar in de geweterde Demerbroeken voorkwam. * Remans (1962) bespreekt een reglement van de waterschepenen van het graafschap Loon (copie uit 1630 van een vermoedelijk veel ouder document) waarin de voorwaarden waarop geweterd mocht worden waren vastgelegd. Zo mocht er van half maart tot St-Remigius geweterd worden en verder heel het jaar door van zaterdagmiddag tot zondagmiddag. Een verslag van een ‘Visitatie’ op 17/8/1672 meldt dat “vele beemden werden beweterd in Diepenbeek en Hasselt. Aerdt Betten van Diepenbeek heeft “goeten” aangelegd van de Stiemer nabij “de Trichter vaert” naar de “viskuylen van het Roye”. In de ‘Visitatie van 23/7/1733’ lezen we: “Op de grens van Genk met Diepenbeek heeft Schonborn met “un tappon” de Stiemer afgeleid naar zijn “vivier des augus”- nabij de hoeve van Berwaerden (waarschijnlijk wordt Ter Waerden bedoeld). Aldus wordt daar het hele beekwater afgenomen. Ook de inwoners van Gotshey en de Kempeneers, die er beemden bezitten, wateren er hun weiden in die “Kempensche Hoeck”. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 69 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Overigens bestaan er overal in Europa zeer oude reglementen over de waterverdeling voor het bevloeien van grasland (Leibundgut & Vonderstrass, 2016). *Tijdens een excursie in Genk in mei 1903 zag men vele weiden die bevloeid werden met water van de Stiemer (Geraerts, 2009). Ook Meuwissen (2007) stelde dat in Genk het hooi geweterd werd. Op de Stiemer waren er daarvoor volgens deze bron 23 sluisjes aanwezig. Na het aflaten van de ondergelopen beemden vond men vaak paling in de zouwen. Meuwissen (2002) schreef dat de vroegere gehuchten in Genk bij ‘watervlieten’ lagen. *Pipers (1936) tot slot vermeldt dat de vele kleine sluizen die het water over de beemden naar de Oude Demer lieten vloeien niet zo lang geleden werden weggedaan of verkleind.

Joseph Coosemans – Lente in Genk

Samenvatting Op basis van het reliëf van sommige percelen, oude getuigenissen, toponiemen, oude teksten en oude kaarten, alsook op basis van de aard van het waterlopenstelsel kunnen we vrij zeker stellen dat er in het studiegebied vroeger op vrij grote schaal, zeker ten noorden van de Plompaertstraat, geweterd werd. Dat weteren of het met beekwater bevloeien van hooilanden voor een betere grasproductie is hoogstwaarschijnlijk in Diepenbeek en directe omgeving een courant gebruik geweest. Niet voor niets legden de schilders van de ‘Genkse school’ meermaals het weteren en de sluisjes op doek vast (Reulens, 2010, 2013, 2015). Meer gedetailleerd historisch onderzoek is echter nodig om de juiste omvang ervan te kunnen inschatten. Een gedetailleerde hoogtekaart kan daarbij een goede vertrekbasis zijn, maar nog beter is het uitgebreid interviewen van de laatste getuigen in de gemeente, een taak voor de heemkunde?

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 70 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Emile Van Doren

Edmond de Schampeleer

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 71 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

1.4 DE HOUTWALLEN Naast vloeiweiden vormden ‘grachten’, het lokale woord voor houtwal, vroeger een opvallend element in het Diepenbeekse landschap. Op het historisch belang van die grachten gaan we nu dieper in.

Functies In het taalgebruik van de Kempen worden houtwallen dus aangeduid als ’grachten’. Een houtwal ligt steeds binnen een kadastraal perceel, nooit op de grens tussen twee percelen. Op topografische kaarten worden houtwallen nu eens wel, dan weer niet aangeduid! Met een gedetailleerd digitaal hoogtemodel kunnen verdwenen wallen wel nog opgespoord worden (Baas e.a., 2012).

Houtwallen hadden vroeger tal van functies: •

bescherming tegen wild en vee: langs veedriften en rond de open akkers en hooilanden,

•

houtproductie,

•

windscherm: gras in een beemd omgeven door houtwallen zou beter groeien, omdat het er warmer is,

•

bodemontwatering: een grote dichtheid aan wallen wordt in verband gebracht met de drainerende werking ervan,

•

onderdeel van een bevloeiingssysteem om water te leiden: zo kwamen houtkanten soms middenin de heide voor om afstromend zuur water snel af te voeren of plaatselijk te laten infiltreren. Ook rond het middeleeuwse akkercomplex, de zogenaamde es in Nederland, kon een wal liggen om het relatief voedselrijke water te leiden voor beemdbevloeiing. In sommige

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 72 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

houtkanten zijn daarom laagtes aanwezig om het vloeiwater door te laten (Baaijens e.a., 2011; Mennen e.a., 2013). Soms komen dubbele houtwallen voor als waterleiding. Die kunnen samenvallen met verhoogde wegen als waterkering en hebben dan vaak een dijknaam. •

eigendomsgrens/afbakenen van bezit.

Houtwallen zijn anders dan vijverdijken. De dijk van een visvijver bevat immers geen hout en is beneden 4 m breed, heeft een hoogte van 1,5 m en een kruinbreedte van wel 2 m (Burny, 1999). Houtkanten daarentegen zijn 1-7 m breed. Eén flank van de wal kon steiler dan de andere zijn (Burny, 1999). Samen met de rein werd door de aanleg van houtwallen 15-20% van de akker niet als akker gebruikt. Het hakhout in een houtkant werd meestal om de 7-8 jaar afgezet (Burny, 2012). In de winter werden om de 2-3 jaar de bramen verwijderd en het strooisel werd als bemesting geoogst. Bij elke onderhoudsbeurt van de houtkant werd courant wat zand vanuit de greppel opgeworpen, het zogenaamde bezanden van ‘de gracht’, ter bewaring van het oorspronkelijk profiel. Elke houtkant heeft 1 (dan steeds aan de buitenzijde) en soms 2 greppels.

Ligging Uit de functies volgt dat houtwallen vroeger op tal van plaatsen voorkwamen. Houtwallen werden als begrenzing gebruikt waar dat met watervoerende greppels niet mogelijk was. Dat was vooreerst het geval rond de akkers. Zo stelde Vliebergh in 1908 dat alle akkers in de Kempen met houtkanten omgeven waren. Rond een akker kon het om 1 tot 4 houtwallen gaan, maar volgens Zwaenepoel & Burny (2014) hadden veel akkers maar aan één zijde een houtwal die meestal 4 m breed was. Oorspronkelijk was het akkerareaal vlakbij het dorp als geheel afgeboord, als grenswal dus tussen akkerland en heide, maar later werden ook private akkerpercelen ‘omwald’. Zo stelt Spek (2004) bv. dat individuele vlasakkers, de zogenaamde lienlanden, met houtwallen omgeven waren. Lienlanden waren een complex van zeer kleine akkers omgeven door vlechtwerk, een sloot of een houtkant. Ook de individuele ontginningen van enkele ha groot van heide naar akker, kampen genoemd, werden volgens Renes (1999) en Spek (2004) steeds omheind met hout. Molemans (2006b) beschrijft bv. dat in 1563 alle inwoners van Opglabbeek hun individuele percelen (kampen) met hout moesten afzetten. Kampontginningen gingen samen met alleenstaande boerderijen, zoals in de Alfons Jeurissenstraat. De stijging van het akkerareaal in de Middeleeuwen zou zelfs vooral het gevolg zijn geweest van een toename van het aantal kampontginningen, wat dus staat voor een grote toename van het aantal houtkanten in die periode. Synoniem voor kamp was blo(o)k of locht, look (loken=afsluiten). Het woord beloke betekent een afgesloten ruimte, bv. een land ‘besloten’ door houtkanten. Het verwijst dus naar een akker gewonnen uit de heide en afgesloten met een houtkant. Toponiemen als bellik en blook wijzen volgens Molemans (1982b) dan ook op de aanwezigheid van houtwallen. Uiteindelijk werd alle privaat bezit door hout omheind: naast de kampen, ook het erf. Houtkanten dienden tevens als afgrenzing van de private weilandpercelen in de bovenlanden (Spek, 2004; Spek e.a., 2015). In de valleien liggen op de overgang van hoog naar laag de zogenaamde bovenlanden die niet door het beekwater overstroomd worden en daarom eerder als weiland dan als hooiland in gebruik waren. De eigenlijke hooilanden lagen lager, vlak langs de beek, in de zogenaamde stroom- of onderlanden en werden wel door beekwater overstroomd. Vaak is de overgang tussen beide nu nog zichtbaar als de plaats waar de houtwallen overgaan in greppels. Enkel waar het te nat was werden houtwallen dus vervangen door greppels. Burny (1999) stelt dat houtwallen inderdaad haast niet in de vallei voorkomen, wel op de rand ervan.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 73 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Ook rond het bos en langs de veedriften kwamen houtwalen voor. Soms staat een houtwal nu middenin het bos. Dat wijst er volgens sommige auteurs op dat dat bos vroeger akker was, omgeven door houtkanten. Baas e.a. (2012) benadrukken evenwel dat het bos inderdaad afgegrensd werd, maar dat het ook binnenin met wallen onderverdeeld werd. Samenvattend dienden houtkanten vooral om het vee dat op de vroente graasde uit elk privaat perceel, uit de akkers, het hof, het grasland en het bos te weren. Buiten de ‘vreetijd’ mochten al die bossen, akkers en hooi-/weilanden net wel begraasd worden (Lindemans, 1994). Uit kaart 15 blijkt dat de houtwallen over heel het studiegebied verspreid liggen: in het bos en in de rand ervan, als begrenzing van een akker of beekbegeleidend, als vijverdijk van al dan niet verdwenen wijers en tot slot liggen er houtwallen in de vallei, al dan niet wetergerelateerd.

Eikvaren

Ouderdom Archeologisch onderzoek toont aan dat er al in de 14-15de eeuw houtwallen bestonden (Baas e.a., 2012). Ook volgens Zwaenepoel & Burny (2014) is er vanaf de late Middeleeuwen (14 de eeuw) een grote link tussen houtkanten en akkers. Op het kaartboek van Averbode van 1678 staan alvast heel wat houtkanten/wallen ingetekend, evenals op de kaart van Ferraris (Burny, 2012). Toch stellen de archeologen dat akkerwallen vooral een laat- en post middeleeuws fenomeen zijn. Vele wallen zijn zelfs erg jong, t.t.z. 19de eeuws (Spek, 2004). Volgens Spek e.a. (2015) werden houtwallen in verschillende periodes aangelegd, maar tussen 1750 en 1900 lag het hoogtepunt van hun aanleg, eerst door de grote graslandontginningen in de tweede helft van de 18de eeuw en daarna op grote schaal in de 19de eeuw door de markeverdelingen (=opdeling/privatisering van de gemene gronden). Volgens Baas e.a. (2012) werden al vanaf de 16 de eeuw de bovenlanden gescheiden met houtwallen of singels loodrecht op de beek. Elzenrijen en houtwallen in de groenlanden zouden volgens andere onderzoekers dan weer niet ouder dan de 17 de eeuw zijn. De verwarring is mogelijk te wijten aan het feit dat het meeste hooiland (onderland of stroomland) al in de Middeleeuwen verdeeld was, terwijl de weilanden, de bovenlanden, pas in de eeuwen erna volgden (Renes, 1999, 2011). In de 19de eeuw was enkel het bos, de hei en wat slechte graaslanden nog gemeenschappelijk bezit. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 74 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Ook volgens Deckers (2005) waren houtkanten in de Kempen eind 18 de eeuw vooral aanwezig rond de historische dorpskernen en in de valleien, maar ze namen in de loop van de 19 de eeuw sterk in aantal en in verspreiding toe door de omzetting van de heide in private percelen. Trouwens, de meeste houtkanten in West-Europa ontstonden volgens hem in de 18de-19de eeuw met de omzetting van het openfield systeem in omrande, private percelen. De dichtheid aan hagen/houtkanten was daardoor maximaal aan het einde van de 19 de eeuw. Zo nam die dichtheid in Peer bv. toe van 1789 tot 1900, maar halveerde tegen 1992, o.m. door het gebruik van het prikkeldraad (Deckers, 2005). De hoogste dichtheid aan houtkanten situeerde zich ook volgens Burny (2012) in de eerste twee decennia van de vorige eeuw. Allemeersch (ongedat.) stelt eveneens dat in de 19 de eeuw het aantal perceelscheidingen in de vorm van greppels en houtwallen na de ontginningswet van 1847 sterk toenam door de privatisering van de gemene gronden (heideomzetting naar akker of grasland). Tal van auteurs onderschrijven de hypothese dat de houtwaldichtheid zijn hoogtepunt bereikte op het einde van de 19e eeuw: volgens Nooren (1981) lag het maximaal aantal houtwallen rond 1875-1900; Kollen (1986) meent dat de grootste dichtheid na 1840 ontstond door de markeverdelingen van de gemeenschappelijke grond en ook Baas e.a. (2012) denken dat “de climax van het besloten landschap” eind 19de eeuw werd bereikt. Uit voorgaande kunnen we besluiten dat de dichtheid aan houtkanten hoogstwaarschijnlijk het grootst was rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw. Na 1900 zijn er haast geen wallen meer bijgekomen. Tot 1950 werden weinig houtwallen opgeruimd, maar daarna begon de grote kuis. Die achteruitgang had met de opkomst van het prikkeldraad te maken, maar ook met de vervanging van hout door steenkool en in een nog latere fase met de eisen vanwege de gestegen mechanisering in de landbouw. Het prikkeldraad heeft zich in Limburg vooral vanaf 1930 verspreid en is vanaf 1950 pas echt ingeburgerd geraakt (Burny, 1999).

Hengel

Samenvatting Houtwallen kenden vroeger tal van functies die nu grotendeels verdwenen zijn. Houtwallen kunnen eeuwenoud zijn, maar hun hoogste dichtheid bereikten ze rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw. Na 1950 begon de ‘grote opkuis’, o.m. door het gebruik van prikkeldraad. Nieuwe houtwallen zijn er na de eeuwwisseling haast niet bijgekomen. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 75 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Steymer’s wetterland in Diepenbeek Uit de toponiemen blijkt dat het studiegebied vroeger veel bos en wat heide bevatte, maar vooral hooilanden en vijvers, wat voor een grotendeels valleigebied te verwachten is. Opvallende gebouwen in het studiegebied zijn twee watermolens en Terwaerden, een grote, nu verdwenen hoeve. De Plompaertbeek* ten noorden van de Plompaertstraat heeft steeds een kronkelend verloop gekend, tot ze rond 1970 vervangen werd door de huidige kaarsrechte loop en Nieuwe Stiemer werd genoemd. Ook ten zuiden van de Plompaertstraat is de rechte Plompaertbeek meer dan eens aan het meanderen gegaan. In de jaren 90 ging de Oude Stiemer ‘ondergronds’! Het graslandareaal heeft zich vooral uitgebreid ten koste van bos, eerst ten noorden van de Plompaertstraat, mogelijk dankzij het weteren, later ook ten zuiden van de Plompaertstraat. Er zijn inderdaad heel wat aanwijzingen gevonden dat in het gebied vroeger het grasland geweterd werd. Dit was zeker het geval voor het gebied ten noorden van de Plompaertstraat, tussen de Oude en de Nieuwe Stiemer. Het akkerareaal lag vooral net ten zuiden van de Plompaertmolen. De oppervlakte akker is tijdens de eeuwen wat toegenomen ten koste van bos, grasland en vijver, vooral op de relatief droogste bodems. De heide maakte aan de rand van het studiegebied vermoedelijk deel uit van het landschap. Die heide werd eerst omgezet in bebouwing met naastliggende akkers, omgeven door houtkanten (kampen of beloken), maar nog later verdwenen ook die akkers en houtkanten onder de aaneengesloten bebouwing langs de Alfons Jeurissenstraat. Mogelijk vormen de huidige ‘Luzulagazons’ het enige restant van de vroegere heide. Ten tijde van Ferraris was er in het studiegebied nog een uitgestrekt Ouver Bosch aanwezig dat nadien stelselmatig in oppervlakte is ingekrompen tot het rond 1970 zowat zijn minimale oppervlakte bereikte. Houtwallen kenden vroeger tal van functies die nu grotendeels verdwenen zijn. Houtwallen kunnen eeuwenoud zijn, maar hun hoogste dichtheid bereikten ze rond de eeuwwisseling van de 19 de naar de 20ste eeuw. De grote opkuis, o.m. door het gebruik van prikkeldraad, situeert zich vooral na 1950. Vanaf de jaren 90 is de Alfons Jeurissenstraat volledig dicht gebouwd. Langs de Plompaertstraat ten zuiden van de molen is de bebouwing gelukkig steeds beperkt gebleven. In de jaren 90 tot slot verschijnen voor het eerst wat poelen of tuin- en weekendvijvers en in 1995 werd het voetbalveld aangelegd. *Dus, de Oude Stiemer is in feite de Nieuwe Stiemer en de Stiemer de P(l)ompaertbeek die dus in feite de Oude Stiemer is, maar nu de Nieuwe Stiemer heet … bent u nog mee?!

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 76 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

2 WAT REST ONS (AAN NATUUR) VAN HET VROEGERE LANDSCHAP EN WAT KWAM ERBIJ? Nu we weten wat er momenteel aan natuur in het gebied voorkomt en hoe het landschap er vroeger uitzag, overlopen we hierna kort wat er van het vroegere landschap aan natuur nog rest en of er in recente tijden natuur is bijgekomen.

2.1 DE VALLEIEN De historische hooilanden Hooilanden ontstonden vanaf de 12de eeuw, maar toch vooral vanaf de Volle Middeleeuwen (14 de 15de eeuw). In de Middeleeuwen werden de broekbossen stilaan gerooid en omgezet in hooilanden door het graven van greppels, het zogenaamde “begraven van een perceel” genoemd. Die percelen waren meestal 1-2 ha groot. De hooilanden waren in de Late Middeleeuwen al privaat bezit, terwijl de weilanden, de bovenlanden op de valleiflank dus, nog grotendeels onverkaveld en gemeenschappelijk werden gebruikt. Die weiden werden pas in de 16 de - 17de eeuw bij de privatisering, de zogenaamde groenlandscheidingen, omgezet in private percelen en, we herhalen het, met hout omgeven. Die groenlandscheidingen hadden immers ook meer houtproductie op het oog. Men stimuleerde daarom de aanleg van een houtwal rond elk perceel. De meeste houtkanten in de vallei dateren daarom pas vanaf de 17de eeuw.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 77 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

De beekdalen verloren na WOII grotendeels hun functie als hooileverancier toen men letterlijk van paardenkracht overschakelde op verbrandingsmotoren. De valleien vol botanisch waardevolle hooilanden werden daardoor niet meer of veel minder gehooid en verruigden of verbosten. Omgekeerd werden andere delen van de vallei net veel intensiever gebruikt en omgezet in raaigrasgraslanden of in maïs. De weinige ecologisch enigszins waardevolle (hooiland)vegetaties die we nu nog in de vallei nog aantreffen, zijn m.a.w. overgeleverde boerengeschiedenis!

De weteringen In het studiegebied bevinden zich een aantal relicten van vloeiweiden die vroeger vermoedelijk veel talrijker waren. Uit de kaartanalyse blijkt dat het relict ten zuiden van de Plompaertstraat relatief recent aangelegd werd, vermoedelijk na 1925. Mogelijk zijn de andere restanten van vloeiweiden in het studiegebied ouder. Ze vormen hoe dan ook de weinige overblijfselen van de traditionele ‘boerenweteringen’. Mogelijk zijn door de ijzeroerontginning heel wat weterbeemden destijds letterlijk op de schop gegaan, al zijn de meeste in het studiegebied waarschijnlijk langzaamaan verdwenen door verwaarlozing. Enkel een historisch detailonderzoek kan hierover meer klaarheid brengen.

De watering van Lommel

De wijers Ooit telde het studiegebied vele vijvers, o.a. een vijvertje mogelijk voor het roten van hennep aan de Plompaertmolen. Haast al die vijvers zijn nu verdwenen. Van de ca. 10 locaties met wijers in het studiegebied die op de oude kaarten terug te vinden zijn (zie Kaart 22), resten momenteel enkel de Miezerikvijvers! Zo zijn de Plompaertvijvers na de kaart van Vandermaelen geen vijvers meer, maar moeras of akker. Enkel de grote vijver vlak ten noorden van de Plompaertstraat (perceelnr. 74) is pas vanaf de ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 78 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

kaart van 1969 niet meer als vijver ingetekend. Wat opvalt door vergelijking van kaart 22 met kaart 15 is dat zonder uitzondering de locatie van al die vroegere vijvers momenteel nog steeds door houtkanten terug te vinden is! De meeste vijvers werden vroeger voor de viskweek gebruikt, maar bij droogstand dienden ze ook als akker- of hooiland. Men deed dus net zoals in de akkerbouw aan wisselteelt. Ook Leibundgut & Vonderstrass (2016) vermelden dat men bv. in Frankrijk wisselbouw kende tussen het gebruik als vijver (510 jaar) en als akker- of hooiland (3-5 jaar).

Willem Roelofs

Wijers werden na het afvissen dus tijdelijk als akker of als hooiland gebruikt. Om de 3-5 jaar werden ze volgens Poschlod ingezaaid met boekweit of met wikke. Volgens Reulens (2013) werden de vijvers in de streek van Genk om de zes tot acht jaar afgelaten en vervolgens in de lente met haver bezaaid. Net voor het oplaten werden de wijers vaak ingezaaid, o.m. met spurrie, dat dan dienstdeed als voedsel voor de jonge vis. Ook Molemans (1983) vermeldt dat er destijds na het aflaten en weer oplaten van de vijver haver of spurrie werd ingezaaid. Dit kon evenwel enkel bij vijvers met een zandige bodem, want in moddervijvers kon men niet komen om er te ploegen (Burny, 1999). Dhr. Wolfs vertelde ons dat ook hij in zijn vijvers spurrie zaaide voor de eiafzet en de voeding van de jonge vis. In het vijvergebied van Genk werden de dijken van de vijvers jaarlijks afgebrand om de opslag van hout te voorkomen, omdat hout op een dijk ervoor zorgt dat die dijk niet meer dicht te houden is (Burny, 1999). Daarom ook liet men waarschijnlijk de koeien op de dijken en ook in de vijvers, o.m. van het riet grazen. De viskwekers gooiden daarbij elke koeienvlaai die ze vonden in het water (Burny, 2014). Voorgaande betekent dat alle huidige houtkanten rond de vroegere vijvers mogelijk pas ontstaan zijn nadat die vijvers hun functie als viskweekplek verloren, want vijvereigenaars weerden vroeger alle hout op hun dijken.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 79 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

2.2 HET BOS, DE HOUTWALLEN EN DE OUDBOSPLANTEN Sinds de eerste houtwallen in 1868 op kaart ingetekend werden is er veel veranderd (Kaart 24). Veel houtwallen zijn verdwenen, vooral door bebouwing, bv. langs de Ginderover-, Alfons Jeurissen- en Plompaertstraat, maar ook door de inbuizing van de Oude Stiemer. Soms getuigt een eenzame zomereik, bv. op de grens tussen de percelen 76 en 78, nog van de vroegere aanwezigheid van een houtwal. Er zijn echter ook heel wat houtwallen bewaard gebleven tot op de dag van vandaag, o.m. verschillende houtwallen die vroeger in de bosrand lagen (nrs. 2, 3, 35, 36, 52, 63, 133) en dan haast bijna altijd oudbosplanten bevatten. Houtwallen zonder oudbosplanten liggen daarentegen eerder buiten of ook aan de rand van het vroegere bosareaal. Een mooie illustratie hiervan is houtwal nr. 117 die vermoedelijk in de vroegere heide is aangelegd en een echte graslandvegetatie bevat i.p.v. een bosbegroeiing met soorten als biggenkruid, schapenzuring, reukgras, kleine klaver, brunel, vroege haver, zandhoornbloem. Houtwallen met oudbosplanten zijn meestal met oud bos geassocieerd, uitgezonderd de houtwallen met grote muur, gewone salomonszegel en adelaarsvaren. Van die soorten is bekend dat ze ook vaak vrij ver buiten het bos in houtwallen groeien. Zo heeft in het studiegebied grote muur zich langsheen de beekbegeleidende houtwallen van de Oude Stiemer een heel eind buiten het vroegere bosareaal verspreid.

Kaart 25 toont het maximaal bosareaal op basis van de kaart van Vandermaelen (1846-54). Dit maximaal areaal staat ook in het geel afgebeeld op kaart 26 met het huidige bos als zwart gearceerde overlay. Daaruit blijkt dat een belangrijke oppervlakte van het huidige bos van recente datum is en dat het bosareaal in de loop van de beschouwde geschiedenis zeer sterk in oppervlakte afgenomen is. Wanneer we hieraan kaart 14 met de verspreiding van de oudbosplanten toevoegen, dan blijkt er over het algemeen een erg goede ‘match’ te zijn tussen de huidige verspreiding van oudbosplanten en het bosareaal ten tijde van Vandermaelen. M.a.w. de oudbosplanten in het studiegebied vertellen ons nog steeds waar vroeger het oude, maar inmiddels soms verdwenen bos, gelegen was! Alle oud bos dat momenteel nog voorkomt bevat namelijk oudbosplanten, terwijl in de recent aangeplante bossen ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 80 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

dergelijke planten niet voorkomen. Dit geldt zowel voor aanplanten op locaties die al sinds Ferraris ontbost zijn (de ANB-aanplanten), als voor plaatsen zonder bos sinds 1854 (de gemeente-aanplant). Enkel grote muur lijkt zich niet aan het voorgaande te houden. Die soort heeft zich namelijk vooral langs de Oude Stiemer ver buiten het bos verspreid op plekken waar vroeger geen oud bos stond. Ook adelaarsvaren en gewone salomonszegel lijken zich vanuit oud bos via houtkanten wat buiten de dekking van het bos verbreid te hebben, zie bv. de verspreiding van die soorten bij De Stukke.

Element nr. 72

Sinds 1868 lijken er ‘nieuwe’ houtwallen bijgekomen te zijn, vooral ten westen van de Plompaertvijvers. Deze zogenaamde ‘nieuwe’ houtwallen lagen vroeger allemaal binnen het vroegere grote bos … en opvallend: bijna al deze houtwallen lagen destijds langs voetpaden doorheen dat bos (zie Kaart 23 & 24)! Waarschijnlijk gaat het hier niet echt om nieuwe houtkanten, maar om bosrelicten die men langs de voetpaden heeft behouden, na rooing van de rest van het bos. In de loop der jaren zijn tot slot heel wat voetpaden in het gebied verdwenen. Lange tijd, gedurende vele eeuwen, liep er bijvoorbeeld een pad vanaf de Plompaertmolen via de Dijken, over beide Demers naar Diepenbeek (Kaart 23).

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 81 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

BESLUIT VAN DEEL II Uit het historisch ecologisch onderzoek volgt dat alle botanische waarden in het studiegebied gebonden zijn aan historische relicten. Die historische relicten van het vroegere landschap zijn te vinden in de valleien (relatief soortenrijke, oude hooilanden, aanwijzingen over het weteren) en in de vorm van houtkanten en bossen met oudbosplanten. Sommige soortenrijke wegbermen en gazons vormen vermoedelijk de laatste overblijfselen van de vroegere heide. Wat bij het historisch onderzoek in combinatie met het actueel ecologisch onderzoek opvalt, is dat er in het studiegebied sinds (het begin van) de vorige eeuw geen enkele natuurwaarde is bijgekomen, integendeel! De evolutie sindsdien is enkel verlies geweest. Verlies door de uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, door de intensivering van de landbouw en door de algemene negatieve milieuimpact. Het behoud van de historische overblijfselen van het oude landschap is bijgevolg niet alleen vanuit historisch en landschappelijk oogpunt, maar dus ook vanuit ecologisch standpunt te verdedigen. Maar is dat geen arbitraire keuze?! Het antwoord daarop kan enkel uit de (eco)filosofie komen. Daar gaan we zo meteen op in, maar eerst behandelen we het aspect fauna.

Grote ratelaar

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 82 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Deel III

Fauna

Wat de fauna betreft focussen we in het studiegebied in eerste instantie op die soorten waarvoor we een Europese verantwoordelijkheid dragen inzake hun behoud, met name de kamsalamander. Daarnaast krijgt ook de boomkikker de nodige aandacht. Beide soorten stellen grotendeels gelijkaardige eisen aan hun leefgebied en komen dan ook relatief gezien vrij vaak samen voor, bv. in de Dauteweyers. Daarna zoomen we in op de zogenaamde ‘vogels van de houtkant’, omdat er nogal wat houtkanten in het studiegebied aanwezig zijn.

1 DE KAMSALAMANDER IN DE GEMEENTE DIEPENBEEK 1.1 SITUATIE IN DIEPENBEEK EN IN DE REST VAN DE PROVINCIE Volgens de atlas van de amfibieën in Limburg (Schops, 1999) komt de kamsalamander niet voor in Diepenbeek, al zegt de auteur wel dat deze salamander in de rand van de Demervallei werd aangetroffen. Het kerngebied in de provincie ligt in vochtig Haspengouw en betreft de gemeenten Alken, Wellen, Borgloon en Kortessem. Nochtans vermelden Bauwens en Claus (1996) Diepenbeek wel degelijk als vindplaats van de soort in Vlaanderen.

O.m. omdat de kamsalamander wel en de boomkikker nog niet in het studiegebied voorkomt, gaan we uitgebreid in op de ecologie van de eerste soort.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 83 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

1.2 ECOLOGIE VAN DE KAMSALAMANDER Volgens Bitz et al. (1996), Günther (1996) en vele andere auteurs wordt er bij inventarisaties van de kamsalamander meestal slechts één individu gevangen (1-2 ex.: van Buggenum, 2017). Ook in Haspengouw werden meestal minder dan 5 exemplaren/poel aangetroffen (Bauwens & Munsters, 1992). De kamsalamander is overigens beter met fuiken dan met het schepnet op te sporen (Hachtel et al., 2011). Uit de literatuur blijkt verder dat de kamsalamander soortenrijke amfibieënpoelen indiceert en vaak samen voorkomt met de kleine watersalamander. Volwassen kamsalamanders eten larven van de bruine kikker, de gewone pad en zelfs volwassen exemplaren van de kleine watersalamander (Thiesmeier & Kupfer, 2000; Günther, 1996).

Figuur 11: Het ideale leefgebied volgens LANGTON T. et al. (2001) Legende: 1 Voortplantingswater 2 Plantenrijke, ondiepe oeverzones voor eiafzet 3 Schuilplaatsen vlakbij, onder hout, in holen 4 Extensief gebruikt grasland om te foerageren en te migreren 5 Struweel en bos als landbiotoop 6 Migratie naar nabij gelegen poelen 7 Houtwallen verbeteren de migratiemogelijkheden 8 Geschikte waters op korte afstand gelegen

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 84 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Het "ideale" biotoop van de kamsalamander (zie Fig. 11) ziet er als volgt uit: -semi-permanent. Poelen (eerder dan visvijvers: Jacob et al., 2007; Hachtel et al., 2011) die af en toe droogvallen (maximaal eens per 4 jaar: Anon., 2018) bevatten vaker kamsalamanders dan poelen die nooit of elk jaar uitdrogen. De optimale frequentie wordt op eens in de 10 jaar gesteld. Bij eens in de 4 jaar droogval is de kans op uitsterven van de populatie volgens Griffiths & Williams (2000) nog steeds erg groot (30%), zelfs bij vrij grote populaties. Lambeets & Lewylle (2012) stelden in Vlaams-Brabant eveneens vast dat de hoogste aantallen adulten en larven gevonden werden in soms uitdrogende poelen en aanzienlijk minder in permanente poelen. In de jaren na drooglegging of machinaal ruimen ontwikkelde zich hier een structuurrijke onderwatervegetatie in helder water met vele larven tot gevolg, in tegenstelling met permanente waters die al lang niet meer geruimd waren. Hier worden in het beste geval enkel volwassen dieren gezien. -oppervlakte. In Nederland werd een positief verband gevonden tussen poeloppervlak en soortenrijkdom, voor poelen ouder dan 7 jaar. Optimaal voor de kamsalamander is een oppervlakte van 500 - 700 m². -predatievrij, dus zonder vis. Daarom is het af en toe droogvallen van de voortplantingsplaats (visvrij zijn, zeker van stekelbaars) volgens Thiesmeier & Kupfer (2000) zo extreem belangrijk. Ook tal van andere auteurs, bv. Denoël & Ficetola (2008), Rannap et al. (2009) en Skei et al. (2006), vonden dat vissen en watersalamanders, in het bijzonder de kamsalamander, niet samengaan. In de Meertsheuvel komen stekelbaarzen enkel in die poelen voor die nooit droog hebben gestaan (Van Overstraeten e.a., 2009).

Kamsalamander

-vegetatierijk. Een goede voortplantingsplaats bezit een goed ontwikkelde (maximale dekking 41-60% volgens Skei et al., 2006; 50-75% volgens Gustafson et al., 2006; minimum 50%: Hachtel et al. 2011) ondergedoken vegetatie (ondiepe oeverzones tot 0,5 m diepte). De kamsalamander verkiest m.a.w. plantenrijke waters (van Buggenum, 2017). Planten zijn belangrijk voor de voeding, als dekking, als eiafzetsubstraat, ... De optimale dekking van zowel de emergente als de submergente vegetatie wordt bij 70 - 80% gelegd. Daarmee is de kamsalamander een soort van de latere successiestadia van een poel. -zonnig gelegen: minstens 60% zonbeschenen (best tussen 65-100%: Anon., 2018). Vanaf 60% overschaduwing is het nadelig, al kunnen volwassen dieren wel lang overleven in erg schaduwrijk water (Lewylle, 2011). Beschaduwing verhindert de ontwikkeling van een onderwatervegetatie en te veel bladinval van bomen geeft eutrofiëring, al is een zekere eutrofiëring niet negatief. Beschaduwing boven 60%, vooral van de ondiepe randzones, is erg nadelig.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 85 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

-stilstaand water van goede kwaliteit (matig voedselrijk tot voedselrijk) met kale plekken op de bodem voor de balts (aanwezigheid van diepere delen tot maximum 2 meter) en een groot voedselaanbod. - concentraties van nabijgelegen waterpartijen (Bauwens & Munsters, 1992; liefst 4-8/km2 (Jacob et al., 2007); minsten 5 poelen op maximum 500m van elkaar en op 200m van bestaande locaties (Anon., 2018); nieuwe poelen liggen best op minder dan 250m van de bronpoel, zelfs liever op minder dan 100m (Lewylle, 2011). Clusters van 4 - 6 waters zijn dus na te streven. Uit populatiemodelleringen blijkt dat een metapopulatie van de kamsalamander, t.t.z. de soort zit verspreid over meerdere, asynchroon fluctuerende (=risicospreiding) subpopulaties rond verschillende poelen, een hogere kans op overleving heeft dan een even grote unieke populatie (Griffiths & Williams, 2000). -het geschikte landhabitat omvat opgaande, houtige begroeiing vlakbij de poel, grootteorde enkele tientallen tot maximum 200 - 300 meter afstand (Anon., 2018). Ook steenhopen, hagen, houtstapels en holen van kleine zoogdieren zijn geliefde landverblijven (Jehle & Arntzen, 2000), alsook tuinen, vochtige hooilanden en weiden. Rannap et al. (2009) stelden vast dat de aanwezigheid van de kamsalamander geassocieerd was met de nabijheid van bos. Volgens Rannap et al. (2009) verkiest de kamsalamander een mozaĂŻek van onbemeste seminatuurlijke graslanden en bos in de onmiddellijke nabijheid (r = 50m) van de voortplantingsplaats, m.a.w. een extensief bodemgebruik (zie ook van Buggenum e.a., 2009; Porej et al., 2004; Gustafson et al., 2009; Malmgren, 2002). De kamsalamander is een erg honkvaste soort. Zo vonden Jehle & Arntzen (2000) 64% van de volwassen dieren terug binnen 20 meter (tot maximum 146 meter) van het voortplantingswater in struweel, hagen, bomen en vaak in holtes. Jehle (2000) vond 93% van de gezenderde dieren terug binnen een straal van gemiddeld 63 meter (2 - 146 meter) en Sztatecsny et al. (2006) merkten bij gezenderde dieren dat meer dan 95% van de terugvangsten binnen 100m en 50% zelfs binnen 15m van het water gelokaliseerd waren. Langton et al. (2001) stellen dat de soort hoofdzakelijk binnen 250 meter van de poel blijft.

Kleine watersalamander

Kolonisatie van nieuwe poelen treedt meestal pas op na een aantal jaren (5-10 jaren: van Buggenum, 2017). Van Buggenum e.a. (2009) melden dat het voorkomen van de kamsalamander inderdaad toeneemt met de leeftijd van nieuwe poelen (0% bezetting in poelen van 1-2 jaar; 25% bij 3-10 jaar; 60% i.g.v. 13-15 jaren). Volgens Puts & van Buggenum (2011) worden nieuwe poelen wel niet snel bevolkt indien ze verder dan 400 m van een bronpopulatie gelegen zijn.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 86 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Uitsterven Volgens Atkins (1998) is de kamsalamander veel gevoeliger voor uitsterven dan de andere watersalamandersoorten. Larven van de kamsalamander vergen veel grotere afmetingen voor hun metamorfose dan de larven van de andere watersalamandersoorten. Ze worden zelfs zo groot als de volwassen exemplaren van die laatste. Daardoor vergen ze een veel langere ontwikkelingsperiode. Ze zijn bijgevolg veel gevoeliger voor het vroegtijdig droogvallen van het voortplantingswater. Een goed voortplantingswater moet daarom tot september, zelfs liefst tot eind oktober, water houden. Waters die voor eind juli droogvallen laten geen voortplanting toe. Bovendien blijven de volwassen dieren ook vaak tot juli-augustus in het voortplantingswater aanwezig (Jacob et al., 2007). Kleine watervlakken die meer kans maken om droog te vallen, eerder dan grote waterpartijen, bevatten bovendien te weinig voedsel voor de larven van de kamsalamander om de populatie in stand te houden. Zo kon de auteur met bijvoederen van de larven in een kleine poel voor een beduidend groter aantal gemetamorfoseerde exemplaren zorgen.

Alpenwatersalamander

Voorgaande beperkt dus het geschikt wateraanbod in de range van de kleine waters, maar ook grote waterpartijen stellen hun specifieke problemen. Doordat de larven van de kamsalamander vrij groot moeten zijn voor metamorfose, hebben ze veel voedsel nodig en daardoor zijn het zeer actieve, vraatzuchtige jagers die vooral in het open water (nektonisch dus) op jacht gaan ... en dat maakt hen nu net bijzonder kwetsbaar voor vispredatie, zeker door stekelbaars. Volwassen kamsalamanders hebben door hun grootte en hun giftigheid daarentegen geen last van vispredatie. Het is bekend dat vispredatie, zeker door stekelbaarzen, hele kamsalamanderpopulaties kan doen uitsterven. Zo meldt Atkins dat watervlakken die door de aanwezigheid van stekelbaarzen jarenlang niet door de kamsalamander gebruikt werden, onmiddellijk door de salamander bevolkt werden volgend op een jaar waarin die watervlakken droog hadden gestaan. Blijkbaar zijn volwassen kamsalamanders in staat om het voorkomen van vissen te "detecteren". Op een andere plek werd een watervlak na toediening van een visdodend middel (pisicide) direct erna volop door de kamsalamander gebruikt voor de voortplanting, maar nooit voordien. Door de specifieke ecologische eisen van de kamsalamander is de ecologische range van geschikte waterpartijen voor de voortplanting van de soort dus erg beperkt: in te kleine waters is de kans op verhongeren of op vroegtijdig droogvallen reëel, in grote waters worden de larven massaal door vissen opgegeten. Ook de grote libellen van het geslacht Aeshna (Glazenmakers) en Anax (Keizerslibellen) kennen een vergelijkbaar nauw ecologisch spectrum: afwezig in vaak droogvallende én in visrijke waters (Stocks & McPeek, 2003). Net zoals de kamsalamander zijn het toppredatoren in visvrije, eerder permanente, aquatische milieus. Ficetola & De Bernardi (2004) merkten eveneens dat niet-permanente waters vaak het soortenrijkst zijn, ook al zijn permanente waters zonder vis waarschijnlijk ideaal.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 87 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Voorgaande betekent dat kamsalamanderpopulaties van nature grote populatieschommelingen (grootteorde van 15 en meer) vertonen (Kupfer & Kneitz, 2000, Griffiths & Williams, 2000, Meyer et al., 2004, Thiesmeier & Kupfer, 2000, Oldham et al., 2000). Soortkenmerken als hoge vruchtbaarheid, hoge levensduur en herhaalde voortplanting zijn waarschijnlijk aanpassingen aan het af en toe volledig mislukken van de voorplanting. De kamsalamander kan met name minstens 12 jaar oud worden en plant zich elk jaar vanaf het 2 e - 3de levensjaar voort, waarbij het wijfje telkenmale een groot aantal eieren afzet.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 88 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

2 HET ‘LOOKVOSKE’ VAN DIEPENBEEK Vroeger kwam volgens sommige oudere inwoners de boomkikker in het studiegebied voor, maar nu niet meer. Omdat deze typische Kempenaar evenwel, net zoals de kamsalamander, in de Dauteweyers aanwezig is (in vogelvlucht slechts één km verwijderd) en daardoor het studiegebied in potentie bereiken kan, schenken we toch de nodige aandacht aan het ‘lookvoske’, zoals hij ter plaatse genoemd wordt.

2.1 SITUATIE IN DIEPENBEEK EN IN DE REST VAN DE PROVINCIE In de jaren ’80 sloeg de toenmalige Stichting Limburgs Landschap alarm over de achteruitgang van de boomkikker in de provincie (Pluymers, 1981). Eerder had De Fonseca (1980) dat al gedaan voor Oost en West-Vlaanderen. Speybroeck (2000) merkt op dat de soort vroeger in het vijvergebied van Midden-Limburg in vele visvijvers aanwezig was, o.m. in Hasselt, Diepenbeek, Zonhoven, Genk, Heusden-Zolder en Beringen. Lewylle e.a. (2008) bepreekt de situatie van de boomkikker in Vlaanderen, en dus vooral in Limburg tot en met 2008. Zo was de vroegere kernpopulatie in De Maten in 2008 al 20 jaar verdwenen, maar in het voorjaar van 2018 doken er voor het eerst weer boomkikkers op in De Maten (Lewylle & Ramaekers, 2018). In Wijvenheide (Zonhoven) leek de boomkikker tussen 1980 en 2000 uitgestorven, maar in 2001 werden hier 18 exemplaren geteld en inmiddels zijn dat al enkele honderden exemplaren! Dat zou in de Wijvenheide vooral het gevolg zijn van het visvrij houden van de voortplantingswateren (Verschraegen & Beckers, 2015). Uit het onderzoek van Verschraegen & Beckers bleek tevens dat de boomkikker zich vanaf Wijvenheide over grote afstanden heeft verspreid, niet gehinderd door menselijke infrastructuur zoals brede kanalen of drukke wegen, en dit bij afwezigheid van soortspecifieke corridors!

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 89 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Ook op andere plaatsen in de provincie lijkt het de laatste jaren beter te gaan met de boomkikker. Zo werden in 2006 in de Brand 15 roepende dieren ontdekt en is het gebied nu een kerngebied met meer dan 400 exemplaren (Engelen, 2008; Engelen e.a., 2014)! Ook hier heeft de boomkikker zich in 6-7 jaar over 4-6 km verspreid en steekt daarbij eveneens drukke verkeerswegen over. Uit voorgaande praktijkonderzoeken blijkt alvast dat de boomkikker weinig behoefte schijnt te hebben aan soortspecifieke corridors om nieuw geschikt leefgebied te bereiken. In de Dauteweyers tot slot zijn boomkikkers in wisselend aantal tussen 1986 en 2008 steeds aanwezig geweest, met maximaal 35 roepende exemplaren in 1987, slechts 2 tot 7 roepende dieren in de periode 93-2001 en nog 25 roepers in 2005-06. Momenteel wordt door de VLM, samen met ANB en Natuurpunt Diepenbeek aan een LIP gewerkt dat specifiek gericht is op een verbetering van de situatie van de boomkikker in de Dauteweyers (Hermans, 2016). De laatste jaren nam het aantal boomkikkers hier sterk toe (Lewylle & Ramaekers, 2018).

2.2 ECOLOGIE VAN DE BOOMKIKKER De boomkikker kent van nature grote populatieschommelingen (van enkele tot bv. 250 dieren in enkele jaren tijd; pioniersoort), met regelmatig het verdwijnen/verschijnen van populaties. Soorten als de boomkikker zijn in feite r-strategen met een relatief hoge dispersiecapaciteit. Ze kunnen een populatie stichten met slechts een handvol dieren en vervolgens in pioniersituaties op korte termijn “exploderen”. De aanleg van nieuwe poelen leidt dan ook vaak tot een kortstondige, sterke toename van het aantal juvenielen. Het aantal groene kikkers in die nieuwe poelen stijgt pas later, omdat die soort meer begroeiing vergt, maar dan nemen de aantallen boomkikkers weer af (van Buggenum & Vergoossen, 2015). De boomkikker kwam vroeger in visvijvers voor met een goede vegetatiestructuur. Drie- en tiendoornige stekelbaarzen vormen, in tegenstelling met de kamsalamander, geen bedreiging voor de boomkikker. Deze kleine vissen eten haast niet van de eieren of van de larven, maar voor exoten zoals de blauwbandgrondel gaat dat helaas niet op (Lewylle & Ramaekers, 2018).. Daarom vergt de boomkikker nu helder, mesotroof, maar bovenal (exoten)visvrij water en daarom is periodieke droogval bijzonder gunstig voor de soort geworden. Dit pleit eerder voor vijvers dan voor poelen, omdat vijvers aflaatbaar zijn. Uit het langdurig onderzoek van van Buggenum & Vergoossen (2015, 2016) blijkt dat poeloppervlakte, de hoeveelheid zonbeschenen poeloppervlak, de gemiddelde dagtemperatuur tijdens de koorperiode, de hoeveelheid neerslag en zon in april-juli en een hoge wintertemperatuur allen een positief effect hebben op boomkikkerpopulaties. De poeloppervlakte die door de zon wordt beschenen is tevens een belangrijke factor bij de kans op kolonisatie. Uit een andere belangrijke studie (Vos, 1999) volgt dat een goed ontwikkelde drijvende vegetatie, een niet te hoge elektrische conductiviteit (de boomkikker zou erg gevoelig zijn voor vermesting), de dichtheid aan bezette poelen binnen 750 m en de hoeveelheid geschikt landhabitat binnen een straal van 1 km de aanwezigheid van de soort in een poel bepalen. Bezette poelen zijn dus minder geïsoleerd (liggen in een gebied met een hoge dichtheid aan poelen, liefst veel poelen op maximum 350-500 m van elkaar) en hebben meer geschikt landhabitat in de omgeving (zuidgeoriënteerde bosrand, (braam)struweel, houtkanten, ruigtes, zeggen- en (pit-)russenrijke graslanden). Het landhabitat ligt meestal binnen 250 - 300 m, best zelfs binnen 150 m van de voortplantingsplek. De maximale dispersieafstand is 2 km. Populaties op meer dan 3 km van elkaar worden als geïsoleerd beschouwd. Nochtans legden gezenderde dieren in 1 jaar gemiddeld 1469 m af, met een maximum ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 90 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

van 12 km! Tijdens de dispersie mijdt de boomkikker volgens Vos (1999) akkers en gebruikt in agrarisch gebied lineaire structuren zoals houtkanten als corridor. Bij de soort treedt soortspecifieke aantrekking op vanwege de koren. Hoe meer koren (poelen) binnen de 500 m hoe lager de kans op het verdwijnen van de soort in een poel. Toch kunnen veel poelen binnen 100 m onbezet blijven. Van nature is de boomkikker een soort van uiterwaarden, m.a.w. een soort van sterk onvoorspelbaar milieu en dan zijn goede kolonisatiecapaciteit en luide koorroep gunstige overlevingskenmerken.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 91 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

3 ‘HOUTKANTVOGELS’ Tijdens het veldwerk werden geen geelgorzen gehoord en van de overige houtkantvogels werden slechts algemene soorten waargenomen. Om de meereisende houtkantvogels en dan vooral de geelgors als ambassadeur van het vogelrijke houtwallenlandschap weer aan te trekken, dienen we zowel aandacht te besteden aan het kwantitatief als aan het kwalitatief aspect van houtkanten en hun omgeving (Dupae, 2011, Dupae e.a., 2011).

3.1 HOUTKANTSOORTEN Omdat soorten onderling verschillen, is geen enkel lineair element optimaal voor alle houtkantsoorten. Toch wordt hier getracht een beeld op te hangen van de ‘ideale houtkant’. Die moet als grootste gemene deler worden opgevat en ziet er als volgt uit: •

voldoende breed en hoog. Een breedte van tien meter wordt als een aanvaardbaar compromis beschouwd.

•

aanwezigheid van een vrij soortenrijke boomlaag met aanwezigheid van dikke, oude bomen en afgestorven exemplaren.

•

een soortenrijke en goed ontwikkelde struiklaag, alsook een soortenrijke kruidlaag. Begrazing van de houtkantbasis moet daarom vermeden worden.

•

de aanwezigheid van een greppel, die voldoende breed (minstens 2 m) is en de aanwezigheid van hoeken.

•

een niet jaarlijkse snoei. Dit bevordert onder meer de vruchtzetting, wat belangrijk is voor tal van overwinteraars.

Ook de houtkantdichtheid heeft een belangrijke invloed op de broedvogelsoortensamenstelling. Op plaatsen met veel houtkanten komen bv. meer bosvogels in deze structuren voor. De dichtheid aan houtkanten is zowel met de soortenrijkdom als met de vogeldichtheid positief gecorreleerd. De literatuur raadt een dichtheid van minstens 5 km/km2 aan. Niet alleen de totale lengte, maar ook de ruimtelijke verdeling van de houtkanten heeft belang. Volgens meerdere auteurs bedraagt de onderlinge afstand tussen houtkanten best maximaal 200-300 meter.

3.2 SOORTGERICHTE BENADERING, DE GEELGORS Devillers e.a. (1988) toont aan dat de geelgors in de jaren 70 nog over heel Limburg verspreid voorkwam. Gabriels e.a. (1994) stelden vast dat de soort begin jaren 90 reeds volledig verdwenen was in de gemeente Diepenbeek, ten noorden van de Demer. Overigens is de trend in heel Limburg erg negatief: van 6000 broedparen in de jaren 60, naar 4500 paren midden jaren 70 tot maximum 3000 broedvogels in 1992. Volgens Vermeersch e.a. (2004) is de soort inmiddels op tal van plaatsen verdwenen waar ze in de jaren 70 nog vrij algemeen was, o.m. in Hasselt, Genk, Zonhoven en waarschijnlijk ook in de gemeente Diepenbeek. De geelgors nam volgens Vermeersch e.a. (2004) de laatste 4 decennia in Vlaanderen met maar liefst 80% af! Ook uit gesprekken met oudere inwoners van het studiegebied bleek dat er vroeger wel degelijk geelgorzen aanwezig waren (evenals veel meer graanteelt dan

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 92 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

nu). Hoe kunnen we die soort doen weerkeren? Daartoe moeten er zowel meer als betere broedplaatsen aangeboden worden, evenals meer voedsel voor de kuikens én voor de volwassen dieren.

Broedplaats De geelgors is vooral in hagen, struwelen, bosranden en in houtkanten te vinden, maar ook in jonge bosaanplanten of in kapvlakten. Houtkanten zouden daarbij waardevoller zijn dan hagen, omdat zowel opgaande bomen als struiken voor deze soort hun belang hebben. Daarom hebben louter bomenrijen geen echte waarde. Ze worden best omgevormd tot houtkanten. De meeste kenmerken van de ideale houtkant gelden ook voor de geelgors. Doornige elementen met een greppel en een kruidenrijke zoom zijn bijzonder aantrekkelijk voor deze soort. Daarom worden houtkanten best door greppels en zomen “begrensd”.

De korenvos

Vooral de totale lengte lineair opgaand groen heeft een positieve invloed op de dichtheid van de geelgors. In ‘geelgorsgebieden’ wordt dan ook de aanleg van voldoende, duurzame houtkanten nagestreefd. Ideaal zijn hagen en houtkanten met brede zomen waarvan de buitenste rand gemaaid wordt (kort gras) en de binnenste rand, palend aan de haagbasis, een hoge vegetatie bevat. Hierbij wordt als streefdoel minimum 4 km KLE/km², een onderlinge afstand van 200 m-300 m en de aanwezigheid van een greppel en van een soortenrijke struik- en zoomlaag vooropgesteld. Als breedte geldt minimum 15 m (inclusief 4 m zoom en greppel). Een greppel zonder houtkant is weinig waardevol, evenals houtkanten zonder goede zoomvegetaties. De meeste nesten zijn immers aanwezig in de zoombegroeiing, niet in de haag/houtkantbasis zelf. Zomen smaller dan 1 meter zijn waardeloos. Liefst zijn ze minstens 3 - 4 m breed. Braam, meidoorn, sleedoorn, hondsroos en vlier zijn geschikte struiksoorten als nestplek (Hustings e.a., 2006).

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 93 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Foerageergebied De geelgors is in de zomer deels een insecteneter. In de winter daarentegen worden vooral granen en zaden van kruiden gegeten. De vogel zoekt zijn voedsel vooral op de bodem op plaatsen met een schaarse begroeiing. Het voedsel voor de jongen wordt voor een belangrijk deel buiten het eigen territorium gezocht. De geelgors foerageert 100 – 300 meter ver vanaf de nestplek en volgens sommige auteurs toont de geelgors daarbij een grote binding aan akkerland (tot 50 m vanaf de rand van de houtkant waar gebroed wordt). Plaatsen waar grasland en andere niet-graanteelten domineren worden gemeden (negatieve correlatie tussen de dichtheid en de proportie van het bodemgebruik onder weiland). Akkers met graanteelt worden dus veruit door de geelgors verkozen en hier behaalt de soort ook zijn hoogste dichtheden, op voorwaarde dat er ook houtkanten aanwezig zijn. Niet voor niets wordt de geelgors in Haspengouw ‘korrevos’ genoemd, verwijzend naar koren, graan! Waarschijnlijk is er een drempelwaarde van minimaal 10% van het bodemgebruik onder graanteelt nodig om een populatie geelgorzen te behouden. Het optimum ligt volgens sommige auteurs zelfs bij een aandeel van 50%. Op vele plaatsen in Vlaanderen heeft maïs het graan echter volledig vervangen, ook zo in het studiegebied en dat zou een verklaring voor de verdwijning van de geelgors in het gebied kunnen zijn. Maïs werd vooral populair in de tweede helft van de vorige eeuw. Zo groeide de teelt in Vlaanderen van 2400 ha in 1959 naar 170 000 ha in 2000 (Segers & Van Molle, 2004). Voorgaande betekent dat we meer graanteelt moeten nastreven indien we de geelgors in het studiegebied terug willen. Voor volwassen vogels zijn graankorrels en dikke graszaden het hoofdvoedselbestanddeel. Hoewel kuikens vooral met insecten worden gevoed en insecten veel voedzamer zijn dan granen, toch blijkt onrijp graan later in het broedseizoen soms een belangrijk deel van het kuikenvoedsel uit te maken, met name tijdens regenrijke, kille periodes wanneer er weinig insecten te vinden zijn. Het gebruik van insecticiden in het graan nabij de nesten heeft een erg negatief effect op de broedproductiviteit. Besproeide velden in het broedseizoen worden door de volwassen vogels gemeden. Best wordt daarom ofwel niet gesproeid in de periode 1/3 – 30/6 ofwel wordt voor onbesproeide alternatieven gezorgd. Hieraan kunnen wildakkers voldoen. Immers uit recent ophefmakend Duits onderzoek blijkt dat momenteel in het landbouwgebied maar lielst 80 tot 90% van de totale biomassa aan insecten verdwenen is t.o.v. enkele decennia geleden! Ruige, onbegraasde grasstroken zijn interessant in de winter. Ook graan dat in de winter blijft staan heeft een spectaculair effect op de grootte van de winterpopulatie en mogelijk ook op de broeddichtheid, omdat de geelgors erg honkvast is (zelden over meer dan 10 km terugvangst van geringde kuikens) en het winterhabitat sterk bepaalt waar het broedbiotoop zal gevestigd worden.

Geelgors én jacht Omdat de geelgors ook tot de akkervogels behoort en akker- en houtkantsoorten grotendeels gelijklopende eisen aan het landschap stellen, volgt hier een schets van het “ideale” bouwpakket, weliswaar voor de patrijs, omdat van alle akkervogels de ecologische eisen van deze soort het best gekend zijn (Figuur 12). De patrijs is momenteel niet meer in het studiegebied aanwezig, maar is altijd een erg geliefde jachtvogel geweest en met de aanleg van deze “patrijzenstroken” kunnen we ook de jagers betrekken bij de inrichting en dus het natuurbehoud in het studiegebied, want dergelijke stroken zijn ook ideaal voor de fazant, een soort die wel nog in het studiegebied voorkomt.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 94 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Bij het “ideale” bouwpakket is specifieke aandacht besteed aan overgangen tussen lage en hogere vegetaties, omdat die extra foerageermogelijkheden bieden. Het bouwpakket dient op verschillende plaatsen in het landschap voorzien te worden, liefst op rustig gelegen plaatsen, m.a.w. loodrecht op de belangrijkste ontsluitingswegen. Het spreekt voor zich dat het behoud van de akkervogels enkel mogelijk is wanneer de inrichtingsmaatregelen een duurzaam karakter hebben. De ervaring bij de VLM leert dat dat enkel het geval is wanneer die maatregelen op gronden staan in eigendom bij een openbaar bestuur of bij een natuurbehoudinstantie. Het beheer kan dan aan een wildbeheereenheid toevertrouwd worden.

Figuur 12: maatregelenpakket patrijs

Meer geelgorzen, kamsalamanders en boomkikkers in Diepenbeek? De geelgors als ambassadeur voor een goed ontwikkelde houtkantenvogelgemeenschap, kwam vroeger wel degelijk in het studiegebied voor, maar is inmiddels volledig verdwenen. Om die soort, naast andere zeldzame houtkantsoorten, terug te brengen, moeten we zowel aandacht besteden aan de kwaliteit van de bestaande houtkanten, alsook aan de aanleg van voldoende nieuwe houtkanten … maar vooral aan (insectenrijke) graanteelt! Dit laatste aspect kan best gebeuren door de jagers bij het verhaal te betrekken, want een soort als fazant is immers ook een houtkantsoort. Door de aanleg van graanakkertjes als wildakker vlakbij goede houtkanten zorgen jagers voor meer natuur … én voor meer jachtwild in het studiegebied. Twee vogels in één klap! Met de aanleg van behoorlijk wat poelen/vijvers nabij bos en houtkant, liefst in een extensief gebruikte omgeving, moet het mogelijk zijn om de kamsalamander beter te beschermen én boomkikkers aan te trekken!

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 95 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

BESLUIT VAN DEEL III Het studiegebied dient vooreerst met de habitateisen van de kamsalamander en de boomkikker rekening te houden. Dat is immers een Europese verplichting. Voor beide soorten is meer visvrij water vereist, in een extensief, houtkant- en bosrijk landschap. Hoewel de geelgors in het studiegebied verdwenen is, kan de bescherming van die soort gekoppeld worden aan de verbetering van het jachtbiotoop en dat laat toe om de jachtorganisaties te betrekken bij het LIP. Zij kunnen in theorie althans een belangrijke bijdrage leveren aan het natuurbehoud door het doordacht beheer van specifieke wildakkers.

Patrijs

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 96 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Deel IV

Mijmeringen over wat er is, was en zal zijn: ecofilosofisch kader

In het eerste deel van dit rapport zoomden we in op wat er momenteel aan natuur aanwezig is in het studiegebied. Daarna keken we naar het verleden en gingen we na hoe die natuur ontstaan is, om vervolgens te bepalen wat er ons nog rest van het oude landschap. Daaruit volgde dat alle natuur in het studiegebied historische relicten zijn en er hoegenaamd geen nieuwe natuur is bijgekomen. Hoe moeten we nu met die historische relicten omgaan?

Onze keuze bij dit landinrichtingsplan steunt op Ton Lemaire (1996, 2010) die ons leert dat de mens in feite onlosmakelijk tot de natuur behoort, niet alleen omdat de mens in die natuur door evolutie ontstaan is, maar ook omdat het verschil tussen mens en natuur niet absoluut, maar slechts van graduele aard is. De laatste jaren werd het immers steeds duidelijker dat wij mensen helemaal niet zo bijzonder of apart zijn, zoals we zelf maar al te graag geloven. Integendeel, al wat ons zogezegd menselijk maakt (hoogstaande intelligentie, zelfbewustzijn, empathie, een sociaal leven, politiek, cultuur, ethisch denken …) is ook in de natuur aanwezig. Het volstaat in dit verband te verwijzen naar de voortreffelijke boeken van Frans de Waal (1982, 2009, 2013, 2016). Het is overduidelijk dat wij mensen op alle ‘menselijke’ vlakken slechts gradueel verschillen van de natuur en dus deel zijn van een continuüm. Er is geen diepe kloof tussen de mens en het dier, eerder een greppeltje! Wij mensen vormen een ‘natuurlijk’ onderdeel van het continuüm wat natuur is, wat ook te verwachten is, vermits evolutie meestal ‘gradueel’ tewerk gaat. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 97 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Net zoals wij mensen deel zijn van het continuüm van het leven op aarde, zo ook is geschiedenis een continuïteit waar wij deel van zijn. We leven niet alleen in het heden. We halen graag herinneringen en verhalen op uit het verleden en we koesteren ze. Omdat we ooit zelf tot dat verleden zullen behoren, willen we dat zelf respecteren. Daarom pleit Lemaire voor het behoud van het traditionele boerenlandschap vol natuur, waarin de deelname van de mens, o.m. als traditionele boer, noodzakelijk is. Dat wordt perfect uitgedrukt met het woord ‘terroir’, iets waar Lemaire veel belang aan hecht. Los van het feit dat er in Vlaanderen sowieso nergens voldoende plaats is voor wat men de Nieuwe wildernis noemt, kiezen wij dus vooral op filosofische basis voor het behoud van de mens in de natuur, in ons geval dus voor het behoud van het oude cultuurlandschap, maar binnen een actuele context, ook vanuit het besef dat dat oude cultuurlandschap wel degelijk ‘echte natuur’ bevat, ook al werd die natuur sterk door de mens beïnvloed. Voor aanhangers van de Nieuwe wildernis, t.t.z. grootschalige natuur die volledig aan zichzelf, los van de mens, wordt overgelaten, is het halfnatuurlijke boerenlandschap geen échte natuur, maar daar ben ik het niet mee eens. Het oude cultuurlandschap of de Oude wildernis is natuur waarvan de vorm weliswaar door de mens is veranderd (cultuurgrasland als variatie van het natuurlijk grasland, heggen als vorm van het natuurlijk struweel, het rund als vervanging van het oerrund, …), maar waarin de vestiging van soorten en tal van natuurlijke processen nog steeds spontaan plaats vinden, niet bewust bepaald door de mens. Waarin de natuur m.a.w. spontaan reageert op het milieu dat wij met ons beheer ‘aanbieden’. De natuur heeft steeds gereageerd op externe veranderingen, of die nu van de mens komen of vanuit de natuur zelf, door zich te schikken naar alle situaties vanuit haar eigen logica en vanuit de autonomie van haar biologische processen. Daarom is zelfs natuur in de stad ‘echte’ natuur, want niet wij kozen er voor de ontmoeting met de slechtvalk. Dat deed de slechtvalk zelf. Wel moeten we beseffen dat een landschap nooit stil staat. Integendeel, er is maar één constante in het landschap en dat is verandering, omdat een samenleving nu eenmaal steeds verder evolueert. Verandering is op zich niet erg, zo lang we maar kwaliteit behouden of in de plaats krijgen. Dit betekent echter niet dat alles mag veranderen of verdwijnen. Sommige dingen zijn dermate waardevol dat we ze absoluut niet kwijt willen en dan is de kunst van het behoud vaak de kwaliteitsvolle verandering. Zo heeft de natuur bijzonder veel tijd, vele eeuwen zelfs, geïnvesteerd in die halfnatuurlijke ecosystemen van het aloude boerenland, bijvoorbeeld een soortenrijk heischraal grasland, zodat geen enkele generatie de volle vrijheid heeft om dat zomaar op te ruimen en te ontzeggen aan de komende generaties. Net zomin als we voor het behoud van het Brabants trekpaard echter terug kunnen keren naar een ‘Bokrijksamenleving’, zo ook kunnen we voor het behoud van de heide of van de wetering evenmin teruggaan naar de ‘keuterboerkes’ van weleer. Terugkeren naar het verleden is bovendien de vraag stellen naar welk verleden? Dat van de heide, of nog verder terug in de tijd naar dat van het oerbos? Elke keuze voor een historische referentie is steeds een arbitraire keuze die onmogelijk wetenschappelijk te verantwoorden is en dat stelt ons voor de vraag: Welke houvast hebben we dan nog voor de inrichting van het oude boerenlandschap? Het enige houvast bij de inrichting van een oud cultuurlandschap is ‘de geest’ ervan te vatten en die zit volgens vele landschapsfilosofen in de historische authenticiteit ervan, in het feit dat een landschap in een bepaalde gemeenschap is ontstaan. Een landschap is door zijn voortdurende aanwezigheid bij de activiteiten van mensen, vervlochten geraakt met allerlei verhalen van die personen. Een landschap vergaart aldus vele verhalen doorheen de tijd en wordt het archief van de geschiedenis van een gemeenschap, de plaats van het collectieve geheugen van een dorp.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 98 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

De nadruk op historische authenticiteit laat toe ook andere waarden (cultuur, verbondenheid, zorg, rituelen, gemeenschapsopbouw, natuureducatie, …. ) in het natuurbehoud te koesteren dan enkel biodiversiteit, waar de natuurverenigingen het vaak alleen maar over hebben. Voor sommige natuurbeschermers is een landschap slechts een middel in functie van biodiversiteit, maar voor de meeste mensen van ter plaatse en trouwens ook voor vele ‘groene jongens’ is een landschap een deel van hun leefwereld, van hun identiteit … van hun verhaal. Aldus wordt natuurbehoud ook een historische, culturele en sociale discipline (Deliège, 2010, 2011). Natuurbehoud gaat dan niet meer alleen over genen, soorten en ecosystemen, maar ook over het behoud van betekenissen voor de mens en over de mensen die om natuur bezorgd zijn. Door zijn geschiedenis bestaat een landschap uit een gelaagde tekst waarin de jongste jaren over de oudere heen geschreven zijn. De oudste lagen in het landschap werden uitsluitend door de natuur geschreven (geologie, hydrologie, bodem, …) en werden nadien door de mens overschreven met jongere verhalen. We proberen met de landinrichting al die lagen weer zichtbaar te maken, niet om terug te gaan in de geschiedenis, maar omdat ze de grondslag vormen van wat er nadien kan komen, net zoals de eerste hoofstukken in een verhaal de latere tekst inleiden en mee bepalen. Terugkijken om vooruit te gaan dus (Drenthen, 2017). Dat laat bv. toe om het behoud van bepaalde soorten of fenomenen te verantwoorden, niet omdat wij die soorten of bv. het weteren toevallig waarderen, maar omdat ze, zoals de boomkikker, de kamsalamander of de geelgors, onderdeel zijn van het verhaal van het in te richten gebied; in dat verhaal als het ware ‘hun plek hebben’. Het verlies van die soorten en van bv. de weterrelictpercelen zou het verlies betekenen van een bepaalde ‘vertellaag’ van het gebied. Het is net zoals woorden in een gedicht. Die kan je ook niet zomaar weglaten zonder het verhaal geweld aan te doen. Respect voor geschiedenis moet ons echter niet verhinderen om zelf ook sporen na te laten, m.a.w. om een eigen laag te schrijven. Een inrichtingsplan wordt dus niet ex nihilo opgesteld. Elk plan begint met een nauwgezette lezing van de geest van het landschap, t.t.z. de bodem, de hydrologie, de ecologie, de agrarische geschiedenis, … de verhalen van de lokale mensen. Al deze elementen behoren bij het ontsluiten van het archief, bij het verhaal over hoe het verleden leidde tot het heden. In het ideale geval leidt de ontsluiting van dat archief tot de opstelling van een heuse landschapsbiografie, zoals die bv van de Drentsche Aa (Spek e. a., 2015). Het archief is daarbij een vooraf gegeven referentiepunt dat recht doet aan de specificiteit van een plek (Deliège & Drenthen, 2013). Het archief en de actuele natuurwaarden bepalen dan ‘uit zich’ welke richting een gebied in de toekomst uit moet gaan. Het archief beperkt m.a.w. het aantal vrijheidsgraden waarover de inrichters beschikken, zonder die richting evenwel eenduidig vast te leggen. Het archief laat dus nog voldoende ruimte toe voor creativiteit én voor de inbreng van de lokale bewoners/gebruikers. Zo gesteld zijn de inrichters dus niet bezig met de realisatie van hun eigen voorkeuren, maar engageren ze zich om recht te doen aan een specifieke plek door die plek nauwgezet te ‘lezen’, wat wij met dit rapport probeerden te doen. Door de geest van een gebied recht aan te doen, vermijden we net zowel te veel subjectiviteit als te veel objectiviteit bij de inrichting (Deliège, 2014). De opstelling van een landinrichtingsplan baseert zich m.a.w. weliswaar op heel wat wetenschappelijke informatie over heden en verleden, maar het is dus duidelijk geen exacte wetenschap. Samenvattend gaan we in het studiegebied voor het behoud van het oude cultuurlandschap en dit op basis van het inzicht dat de mens in de natuur en niet erbuiten staat, op basis van de ruimtelijke onmogelijkheid voor Nieuwe wildernis in Vlaanderen, op basis van het inzicht dat het oude cultuurlandschap wel degelijk echte natuur bevat, omwille van het besef dat de authenticiteit van het oude landschap onvervangbaar is én het ons de richting naar de toekomst aanwijst, op voorwaarde tenminste dat de lokale bevolking intensief betrokken wordt bij de toekomstplanning van haar leefomgeving. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 99 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Charles Wellens ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 100 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Deel V stellen

Wat zal er zijn: ecologische inrichtingsvoor-

Op basis van voorgaande hoofdstukken hebben we gekozen voor het behoud van de historische relicten, maar in de huidige context van het natuurbehoud. Waar die relicten vroeger vooral een functie in de landbouw hadden (hooilanden, weteringen, houtwallen, poelen, …), krijgen ze nu dus vooral betekenis in het kader van het natuurbehoud. Daarnaast hebben die relicten onmiskenbaar ook hun belang op het landschapsesthetisch, cultuurhistorisch en recreatief vlak. Op het natuurbehoudsbelang van de relicten gaan we in dit hoofdstuk concreter in (zie kaart 27), maar vooreerst gaan we na wat de ‘impact’ van het Masterplan op het studiegebied is (Kaart 28). Die impact kan als volgt geduid worden: -het masterplan voorziet de aanleg van een fietspad dat de ‘collector’ verbindt met het bestaande fietspad langs de Stiemer opwaarts de Heidestraat en een insteek krijgt vanuit de woonwijk Rooierheide. Deze tracés zijn louter indicatief aangeduid in het masterplan. We wijzen erop dat een nieuw fietspad/wandelpad door het bos van perceel 40 als negatief wordt beoordeeld en best geschrapt of verplaatst wordt. Hetzelfde geldt voor de ‘passage’ doorheen de huiskavel van perceel 76. Haast niemand aanvaardt ongevraagde vreemdelingen in zijn tuin! -het Masterplan opteert eveneens voor ontbossing van percelen 24 en 31, net zoals dit LIP. -de bebouwing en begeleidende infrastructuur zal een belangrijk deel van het huidige akkerland in het studiegebied beslaan waardoor vrij goede landbouwgrond voor onze voeding definitief verloren gaat én de eventuele terugkeer van de geelgors zo goed als onhaalbaar wordt geacht, vandaar steenuilen i.p.v. geelgozen (zie verder). De verdwijning van wetering 97 door bebouwing is vanuit cultuurhistorisch en ecologisch standpunt compleet onaanvaardbaar. Hetzelfde geldt voor een gedeeltelijke inname van bos nr. 4. -de aanvankelijk voorziene aanleg van buffervijvers in percelen 100 en 101 (ondertussen geschrapt uit het masterplan) is onaanvaardbaar gezien de zeer hoge natuurbehoudswaarde van de vegetatie. De aanleg van die vijvers heeft ook weinig meerwaarde. -het masterplan wil poelen aanleggen in de omgeving van de nieuwe Stiemer, deze zijn louter indicatief aangeduid in het masterplan. We wijzen erop dat de aanleg van poelen in de huiskavel van de ponyhoeve sociaal niet verdedigbaar is. Ook de aanleg van poelen middenin een bos (perceel 25) of in waardevol grasland (perceel 150) is eerder af te keuren. Watervlakken ten noordenwesten van de Nieuwe Stiemer (ten zuiden van de percelen 40 en 156) is mogelijk een goede optie om aflaatbare systemen te voorzien gevoed vanuit de Oude Stiemerbeek. Dat wordt in het LIP trouwens ook voorzien voor de vroegere Plompaertvijvers. -het Masterplan kan tot slot zowel leiden tot het verdwijnen van houtkanten (nrs. 5, 33, 96), als tot een betere bescherming ervan door opname langs een fietspad/wandelpad (36, 131 en 132).

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 101 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

1 HET WETERLAND MET ZIJN BOS, HOUTWALLEN, AMFIBIEËN EN HOUTKANTSOORTEN 1.1 DE VLOEIWEIDEN EN OVERIGE GRASLANDEN Er resten ons momenteel slechts een handvol relicten van vloeiweiden, van dit historisch bijzonder landbouwgebruik. Tot nog toe werd vanuit cultuurhistorisch standpunt vooral aandacht besteed aan de semi-industriêle wateringen van de 19e eeuw. Zo werd op 12/1/2017 de Watering De Holen in Neerpelt als cultuurhistorisch landschap beschermd en momenteel wordt er hard gewerkt aan de internationale erkenning van de wateringen in Lommel als Europees waardevol erfgoed. De ‘traditionele, oude boerenwetering’ die nochtans model stond voor de industriële aanpak, kreeg vanuit cultuurhistorisch oogpunt daarentegen niet de aandacht die ze o.i. verdient. Voor zover bekend is met name geen enkele ‘traditionele boerenwetering’ officieel beschermd. Daarom voorziet dit LIP in het behoud van minstens twee nog duidelijk herkenbare weteringen in het landschap, met name de percelen 73, 97 & 98, als bewijs van het vernuft van de vroegere boeren. Langs deze weteringen wordt een wandel/fietspad voorzien.

De grootste concentratie ecologisch nog enigszins waardevol grasland ligt in de vallei van de Nieuwe Stiemer ten noorden van de Plompaertstraat. Het gaat hier om zilverschoonweilanden, relicten van dotterbloemhooilanden, maar ook om restanten (in de vorm van prikkeldraadvegetaties) van veel zeldzamere heischrale graslanden of blauwgraslanden die hier vroeger vermoedelijk veel meer voorkwamen (cfr Pomperik), maar nu volledig verdwenen zijn. Voor het behoud van de ecologisch en historisch waardevolle vegetatierelicten voorziet het LIP de uitbouw van een nieuw natuurgebied ten noorden van de Plompaertstraat en ten oosten van de Nieuwe Stiemer. Hierin zijn twee landbouwers met hun huiskavel betrokken, maar omdat het om ‘uitbollers zonder opvolging’ gaat, lijkt het wenselijk om deze boeren in te schakelen bij het beheer van het toekomstig natuurgebied. Wel bleek te velde ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 102 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

dat meerdere perceelsranden in het gebied, inclusief deze met adderwortel en blauwe knoop, met pesticiden ‘behandeld’ waren (bv. de nrs. 97, 110, 114, 148, 165). Pesticidengebruik en ook bemesting moeten vanzelfsprekend volledig gebannen worden en het achterwege laten ervan dient voor de boeren financieel gecompenseerd te worden. Daarnaast kan eventueel een beperkte herverkaveling van de gronden in eigendom van de gemeente langs weerszijde van de Nieuwe Stiemer een oplossing bieden voor de situatie van de getroffen landbouwers. Vele graslanden in het toekomstig natuurgebied zijn momenteel sterk verarmd tot zogenaamde witbolgraslanden en dienen ‘verschraald ‘te worden. Witbolgraslanden behoren tot het zogenaamde dominant-stadium (fase 2) uit de verschralingsreeks van Bax & Schippers (ongedat.). Dit is een reeks die optreedt wanneer bemeste graslanden uit productie worden genomen en verschraald worden d.m.v. hooien zonder verdere bemesting. In het dominant-stadium bedekt een niet glanzend gras (m.a.w. geen Engels raaigras of ruw beemdgras) meer dan de helft van de oppervlakte, vaak is dat gestreepte witbol of reukgras. Gestreepte witbol is een gras met een zeer brede ecologische amplitude en één van de weinige grassen met een permanente zaadbank. Daarom is dit gras vaak de eerste opvolger bij uit-cultuurname. Graslanden in het dominant-stadium moeten uiterlijk begin juni worden gehooid, voor de zaadzetting van gestreepte witbol. Bij later maaien wordt de actuele situatie bestendigd en treedt geen verschraling op en dus geen verdere positieve natuurontwikkeling. Dat geldt ook bij begrazing. Witbolgraslanden vormen een fase waar men als het ware ‘doorheen moet’. Begrazen kan pas wanneer de witbolfase doorbroken is. Runderen eten dit gras immers niet graag. Vanzelfsprekend zou een tweede natuurgebied ten noorden van de Plompaertstraat, tussen de Oude en Nieuwe Stiemer, optimaal zijn en dit kan op langere termijn nagestreefd worden. Alleen en in tegenstelling met bv. het instrument ruilverkaveling, is het moeilijk in te schatten hoeveel grond in het kader van dit project zal kunnen verworven worden. In afwachting kan best met beheersovereenkomsten (BO) getracht worden om de huidige botanische waarde in dit gebiedsdeel te bestendigen en zelfs te verhogen.

De boer inschakelen bij het toekomstig beheer

Toch willen we een kritische noot plaatsen bij de slaagkansen van het nieuwe natuurgebied en dus waarschuwen tegen een al te groot optimisme. Door de erg kleine populaties van de aandachtssoorten zoals adderwortel, blauwe knoop en tandjesgras is de kans reëel dat die soorten op termijn toch zullen verdwijnen, want zelfs bij aangepast beheer en inrichting kunnen kleine populaties op langere termijn ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 103 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

onvoldoende beschermd zijn tegen uitsterven (Jacquemyn e.a., 2002). Zo zijn als vuistregel minstens 500 individuen en liefst zelfs eerder 4000 planten een absoluut minimum voor een Minimum Levenvatbare Populatie (Honnay & Jacquemyn, 2010). Anderzijds is het zo belabberd slecht gesteld met de natuur in Vlaanderen dat elke kans, hoe gering ook, moet benut worden. Zo is de blauwe knoop al succesvol getranslokeerd (D’hulster e.a., 2018), al is het nog maar de vraag hoe echt succesvol die experimenten op de langere termijn zullen zijn. In elke geval is het aangewezen om kleine populaties te beschermen in een extensief gebruikt bloemenrijk landschap, al was het maar om de kansen op bestuiving te maximaliseren.

Blauwe knoop

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 104 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

1.2 DE BOSSEN EN DE HOUTWALLEN Het LIP beoogt vooreerst het maximaal behoud van het bestaand bos, op de ontbossing van twee percelen na waar enerzijds sowieso de aanplant van es in een waardevol grasland grotendeels mislukt is (perceelnr. 31) en anderzijds mogelijk een waardevol (heischraal?) grasland te ontwikkelen valt (perceelnr. 16) met soorten als bleke en geelgroene zegge. Daarnaast wenst het LIP met een beperkte bosuitbreiding een veel compactere structuur van het bestaande oud bos te bekomen om het specifieke bosinwendig klimaat te versterken en uitbreidingsmogelijkheden te bieden aan de oudbosplanten. In het studiegebied komen nog steeds heel wat houtwallen voor. Dergelijke structuren getuigen van het vroegere landgebruik en hebben dus een cultuurhistorische, maar ook een ecologische en landschappelijke waarde. Zo verwijzen sommige houtwallen in het gebied nog duidelijk naar de vroegere loop van de ‘molenbeek’. Het LIP voorziet geen opruiming van bestaande houtwallen, wel de aanplant van nieuwe houtwallen, o.m. ter vervollediging van de elementen 81, 91, 92 en 93 en langs de Oude Stiemer. De botanische waarde van houtwallen is vooral gebonden aan het voorkomen van oudbosplanten. Uit het onderzoek van Kollen (1984, 1986) en Grashof-Bokdam (1997) in Nederland en uit het werk van Van Den Berge e.a. (2014) en Deckers (2005) in de zandstreek van Vlaanderen volgt dat een beperkt aantal factoren het voorkomen van (oud)bosplanten in houtkanten bepaalt. Een ecologisch beleid gericht op die soorten betekent dat er voor houtkanten best gestreefd wordt naar:

Perceel 31 met grotendeels afgestorven essen

-een hoge dichtheid aan houtkanten. Isolatie heeft immers een belangrijke invloed op de aanwezigheid van bosplanten. Het aantal houtkanten vlakbij (tot 100 m) bepaalt mee de soortenrijkdom van een houtkant. Verbondenheid met bos, de afstand tot bos en de hoeveelheid bos in een buffer tot 50 m zijn eveneens belangrijk voor bosplanten. Voor de verspreiding van bosplanten mag er hoogstens enkele meters tussen houtkanten onderling of tussen houtkanten en bos liggen. Voor dalkruid hebben barrières van 100 m al een effect en voor hengel gaat het zelfs om nog kleinere afstanden. Houtkanten zijn dus liefst verbonden met oud bos en kennen geen onderbrekingen in het element, vandaar het voorstel in het LIP om bv. element 133 te herstellen, naast de aanleg van enkele nieuwe houtwallen om de connectiviteit onderling en met bos te verhogen, hetzij via BO of door verwerving. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 105 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

-hoe langer en breder de houtkant, hoe meer bossoorten aanwezig zijn. -aanwezigheid van greppel/wallichaam. Deckers (2005) vond een positieve invloed van de aanwezigheid van een wal en/of een greppel (voor vochtindicatoren) op het aantal bossoorten en op het totaal aantal soorten. Dat geldt ook voor de aanwezigheid van een oligotrofe bodem bv. voor valse salie, vandaar het belang van het aanpalend bodemgebruik. Bij het aanpalend bodemgebruik handelt het volgens Deckers (2005) vooral om de negatieve invloed van voedselaanrijking op de houtkant. Zo neemt het aantal bossoorten en het totaal aantal soorten af wanneer de houtkant naast een (maïs)akker ligt, terwijl langs onverharde wegen en langs semi-natuurlijke graslanden meer soorten in de houtkanten gedijen. Dat strookt met ander onderzoek naar de positieve invloed van onverharde wegen op de plantenrijkdom (Decleer, 1997, Hermy & De Blust, 1997, Zwaenepoel, 1995). Daarom worden op enkel plaatsen beheersovereenkomsten (teelt zonder bemesting) op landbouwpercelen langs houtwallen voorzien. -hakhoutbeheer. Bij het beheer is al dan niet hakhoutbeheer versus geen beheer bepalend. Een struiklaag is daarbij door de grotere invloed op het microklimaat belangrijker dan een boomlaag voor de diversiteit aan kruidachtige soorten. Bodemverstoring en meer licht in de vorm van hakhoutbeheer (= meer kiemplanten) wordt door tal van onderzoekers sterk aangeraden (bv. Honnay et al., 2005, 2006). Tot slot wordt zowel voor de bossen, de houtkanten als in het algemeen de bestrijding van invasieve soorten zoals Amerikaanse vogelkers, Japanse duizendknoop en bv. bamboe sterk aangeraden (zie Kaart 29).

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 106 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

1.3 DE AMFIBIEËN Voor zowel de kamsalamander als de boomkikker worden meerdere nieuwe poelen aangelegd en bestaande opgeschoond. Specifiek voor deze soorten worden ook aflaatbare waters voorzien. Zo is er momenteel een watertoevoer van de Oude Stiemer naar huisnr. 51 aan de Plompaertstraat. Kan deze aanvoer ook niet gebruikt worden om de vroegere Plompaertvijvers weer van water te voorzien en eventueel om water opnieuw langs het weterperceel 97-98 te sturen? Kan het vroegere ‘rootvijvertje’ ook niet opnieuw vijver worden, gevoed vanuit de Oude Stiemer? M.a.w. het water uit de Oude Stiemer wordt dan gebruikt, niet meer om te weteren, maar om er een aantal aflaatbare voortplantingsvijvers voor de kamsalamander en de boomkikker mee te voeden. Hoe ook, de lokatiekeuze voor de aanleg van de nieuwe watervlakken wordt best afgestemd met de resultaten van een gedetailleerd hydrologisch onderzoek of met boringen en hoogtemetingen ter plaatse. In elk geval overspannen de poelen best een range van bodemdraineringsklassen en liggen ze volgens Lambeets (2018) bij voorkeur op plaatsen die niet overstromen. I.v.m. het beheer stelden Declerck et al. (2006) vast dat poelen dichtbij akkers (liefst minstens 200 meter ervan verwijderd) en poelen die sterk door vee betreden worden, troebel zijn en een slecht ontwikkelde onderwatervegetatie bezitten. Ook volgens Martens et al. (2008) zijn de belangrijkste 'drivers' inzake biodiversiteit in poelen de afwezigheid van vis, macrofytenbedekking, turbiditeit en sedimentkwaliteit en die twee laatste factoren worden sterk beïnvloed door vee. Vee laat men daarom best hoogstens slechts gedeeltelijk toegang tot de poel (enkel in een smalle randzone). Voorgaande heeft mogelijk ook te maken met het feit dat veel poelen momenteel in bemeste graslanden liggen met een erg hoge veebezetting, waardoor begrazing door (teveel) vee nu voor een te sterke eutrofiëring zorgt. Vroeger was dat heel anders en was begrazing door vee waarschijnlijk wel positief. Het was hoogstwaarschijnlijk veel minder eutrofiërend dan nu (geen overbeweiding, noch overbemesting). Voorgaande pleit er in elk geval voor om de omgeving van de poelen te extensiveren en te verschralen.

1.4 DE HOUTKANTSOORTEN Volgens Hustings e.a. (2006) ontbreekt de geelgors in beekdalen. Daarom dient buiten de beekdalen naar geschikt habitat gestreefd te worden, maar een groot deel van het potentieel (akker)leefgebied dreigt in het studiegebied door de uitbreiding van de campus op termijn definitief verloren te gaan. Enkel een smalle zone ten zuiden van de Plompaertmolen blijft behouden. In dat gebied kan het ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 107 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

behoud en herstel (= verbreding) van de bestaande houtkanten, de omvorming van bomenrijen in structuurrijke houtkanten, maar ook de aanleg van bijkomende houtkanten nagestreefd worden. Daarnaast dienen vlakbij deze houtkanten wildakkers en/of soortenrijke graslanden voorzien te worden. De haalbaarheid van deze inrichting in het LIP wordt echter laag ingeschat, tenzij bij verwerving door een overheid en beheerd door een wildbeheerseenheid. De aanleg van knotwilgenrijen (en het ophangen van steenuilenkasten) is daarentegen wel een eenvoudig haalbare maatregel die de steenuilpopulatie in het gebied stellig ten goede kan komen. Steenuilen i.p.v. geelgorzen dus! Het LIP voorziet ter illustratie alvast enkel lokaties voor de aanplant van knotwilgenrijen. Zo kan de vroegere omwalling van Terwaerden met knotwilgen ‘gevisualiseerd’ worden.

Steenuil

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 108 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

BESLUIT VAN DEEL V Het ecologisch inrichtingsvoorstel is terug te vinden op kaart 27. In eerste instantie wordt gepleit voor het behoud van het bos en een belangrijke uitbreiding ervan, voor het behoud/herstel van het houtwallandschap met oudbosplanten en bovenal voor het oprichten van een nieuw natuurgebied ten noorden van de Plompaertstraat. Her en der wordt tevens gewezen op het behoud van bestaand waardevol grasland. Daarnaast mikt het LIP op een drastische verhoging van het aanbod geschikte voortplantingsplaatsen voor amfibieën, zowel door de aanleg van nieuwe waters als door de aanpassing van bestaande waterpartijen, inclusief aflaatbare watervlakken. Een sterk verhoogd aanbod knotwilgen tot slot moet dan weer de steenuil in het gebied ten goede komen. Dit ecologisch inrichtingsvoorstel dient nog aangevuld met andere sectorale invalshoeken en inrichtingsvoorstellen vooraleer tot een geïntegreerd plan te komen. Het inrichtingsplan is een ideaalvisie die niet noodzakelijk in haar totaliteit zal kunnen uitgevoerd worden. Het spreekt voor zich dat de realisatie ervan een zaak van vele jaren, maar ook van vele partners zal zijn, waarbij het LIP als leidraad kan dienen.

Succes.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 109 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Nawoord

… toch ben ik allesbehalve hoopvol. Tenzij ons (landbouw-)economisch systeem (wij allen dus en met drastisch veel minder) fundamenteel verandert, daar ben ik rotsvast van overtuigd, voel ook ik hevige landschapspijn (de Boer, 2017) én boerenpijn (Dupae, 2017)!

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 110 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Referenties Allemeersch L., ongedat. Heide in Limburg. Overzicht van de achteruitgang van het heide-areaal in Belgisch Limburg tijdens de laatste 2 eeuwen. PNC. Anon., ongedat. Beschermingsdossier: De Holen, Neerpelt – cultuurhistorisch landschap met overgangszone. Dossiernummer 4.001/72025/110.1. Anon., 2008. Kemp voor een koel klimaat. Wervel. Anon., 2017. Masterplan Signaalgebied en Campus Diepenbeek. AgenceTer & IMDC. Anon., 2018. Ontwerp soortenbeschermingsprogramma van de Kamsalamander (Triturus cristatus). AnteaGroup. Atkins W., 1998. 'Catch 22' for the Great Crested Newt. Observations on the breeding ecology of the Great Crested Newt Triturus cristatus and its implications for the conservation of the species. British Herpetological Society Bulletin 63: 17 - 26. Baaijens G.J. e.a., 2001. Traditionele bevloeiing van grasland. OBN-18. Baaijens G.J. e.a., 2011. Stromend landschap. Vloeiweidestelsels in Nederland. KNNV. Baas H. e.a., 2012. Tot hier en niet verder. Historische wallen in het Nederlandse landschap. De stand van kennis. Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Baeyens L., 1975. Bodemkaart van België. Verklarende tekst bij het kaartblad Hasselt 77 E. I.W.O.N.L. Bats H., ongedat. De vloeiweiden of watering te Lommel-Kolonie. M&L. Bauwens D. & K. Claus, 1996. Verspreiding van amfibieën en reptielen in Vlaanderen. De Wielewaal. Bauwens D. & K. Munsters, 1992. Verspreiding en habitatselektie van de kamsalamander in de provincie Limburg. Likonajaarboek. Bax I.H.W. & W. Schippers, ongedat. Veldgids Ontwikkeling van botanisch waardevol grasland. IKC natuurbeheer. Beebee T.J.C. et al., 2005. The amphibian decline crisis: a watershed for conservation biology? Biological Conservation 125: 271- 285. Berten B., 1989. Vloeibeemden, een vreemd en uniek biotoop. Natura Limburg 136: 399 – 413. Billen E., 1984. Opgravingen Waardestraat. “Alvermenneke” 5: 56-58. Bitz A. et al., 1996. De Amphibien und Reptilien in Rheinland-Pfalz. GNOR-Eigenverlag. Braun Th., 1908. Le Miroir de la Belgique. Tome I-III. Aux Editions N.E.A. Brinckmann E., 2012. Wallen en waterfuncties. Houtwallen als onderdeel van historische watersystemen. In: Baas H. e.a., 2012. Tot hier en niet verder. Historische wallen in het Nederlandse landschap. Stand van kennis. Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Brinckmann E., 2015. Bevloeien van grasland: traditie met toekomst? In: Spek Th. e.a., 2015. Landschapsbiografie van de Drentsche Aa: 312-317. Van Gorcum. Burny J., 1986. Het landgebruik in en rond de vallei van de Zwarte beek te Koersel (Limburgse Kempen), in het begin van de twintigste eeuw. OLVL 41: 79-111.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 111 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Burny J., 1999. Bijdrage tot de historische ecologie van de Limburgse Kempen (1910-1950). Natuurhist. Genootschap. Burny J., 2012. Hagen met knoteiken in historisch-ecologisch perspectief. Stichting Natuurpublicaties Limburg. Burny J., 2014. Historische ecologie in Limburg. Deelstudie De Wijers. Theoretisch rapport 04. Provincie Limburg. Caluwaerts G., 2013. Hasselt extra muros. Erfgoedcel Hasselt. Clerkx S. & R.-J. Bijlsma, 2003. Veluwse heide blijkt open boslandschap na ecologische interpretatie van het kadastrale archief van 1832. De Levende Natuur 104(4): 148-155. Cornelis J. e.a., 2009. Bosplantengemeenschappen in Vlaanderen. INBO. Daenen A., 1993. Terwaerden. “Alvermenneke” 14: 23-35. Deckers B., 2005. Linear, woody habitats in agricultural landscapes: spatio-temporal dynamics, plantcommunity assembly and invasive species spread. Doctoraatsproefschrift KUL. Deckers B. e.a. 2005. Exoten en endozoöchorie. Natuur.focus 4(3): 89-94. Decleer K., 1997. Vergeten en bijna verdwenen: onverharde wegen en punten. In: Hermy M. & G. De Blust. Punten en lijnen in het landschap. Stichting Leefmilieu. Declerck St. et al., 2006. Ecological characteristics of small farmland ponds, associations with the land use practices at multiple spatial scales. Biol. Cons. 131: 523-532. de Boer J., 2017. Landschapspijn. Over de toekomst van ons platteland. Atlas contact. De Fonseca Ph., 1980. De herpetofauna in Oost- en West-Vlaanderen. Verspreiding in functie van enkele milieufaktoren. Doctoraatsproefschrift, R.U. Gent. Deliège G., 2010. The Cinquefoil Controversy: Restoring Relics between Managers and Purists. Environmental Ethics 32: 17-32. Deliège G., 2010. Over natuurvervalsing in de Doelse Polders. Tijdschrift voor Filosofie 73: 421-444. Deliège G., 2014. Wat schuilt er achter de nieuwe wildernis. Deel 1. Oikos 68(2): 97-107. Deliège G., 2014. Wat schuilt er achter de nieuwe wildernis. Deel 2. Oikos 69(2): 97-107. Deliège G. & M. Drenthen, 2013. Botsende verhalen over de betekenis van de natuur. Filosofie & Praktijk 33(2): 69-84. Denoel M. & Ficetola G.F., 2008. Conservation of newt guilds in an agricultural landscape of Belgium: the importance of aquatic and terrestrial habitats. Aquatic Conservation 18: 714 - 728. Devillers P. e.a., 1988. Atlas van de Belgische broedvogels. Kon. Belg. Instituut voor Natuurwetenschappen. Devos K. e.a., 2016. De IUCN Rode Lijst van de broedvogels in Vlaanderen (2016). Natuur.oriolis 82(4): 109-122. de Waal Fr., 1982. Chimpansee politiek. Olympus. de Waal Fr., 2009. Een tijd voor empathie. Olympus. de Waal Fr., 2013. De bonobo en de tien geboden. Atlas contact. de Waal Fr., 2016. Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? Atlas contact. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 112 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

D’hulster Fl. e.a., 2018. Translocatie van graslandsoorten. Natuur.focus 17(1): 11-17. Drenthen M., 2017. Rewilding, landschap en identiteit. De Levende Natuur 118(1): 14-17. Dupae E. e.a., 2011. Inrichtingsplan leemontginning Lafelt. In opdracht van de Leembank cvba. Vlaamse Landmaatschappij Limburg. Dupae E., 2011. Het geelgorzenbeschermingsplan voor het westelijk deel van de ruilverkaveling Molenbeersel. Vlaamse Landmaatschappij Limburg. Dupae E., 2016. Verkennend vegetatieonderzoek Signaalgebied Campus Diepenbeek. VLM Regio Oost, zetel Hasselt. Dupae E., 2017. Landinrichting De Wijers, LIP Open ruimtegebied Kiewit-Zonhoven. Historische ecologie. 208 p. 5 bijl. Vlaamse Landmaatschappij Regio Oost, zetel Hasselt. Dupae E., 2017. Wat valt er te verliezen met natuurcompensaties? Oikos 81 (1): 100-111. Dussart F., 1939. Les irrigations en Campine. Assoc. Franç. P. Avanc. Des Sciences: 1029 – 1038. Engelen P., 2008. Boomkikker: actietijd voor een Limburgse kapstoksoort. Likonajaarboek nr. 18: 3847. Engelen P. e.a., 2014. De terugkeer van de boomkikker in het Kempen-Broek. Natuurhistorisch Maandblad 103(4): 82-86. Ficetola G. Fr. & F. De Bernardi, 2004. Amphibians in a human-dominated landscape: the community structure is related to habitat features and isolation. Biological Conservation 119: 219-230. Frederix R., 1984. Cartograaf Vander Maelen over Diepenbeek anno 1831-1832. “Alvermenneke” 5: 65-68. Frederix R., 1986. De ijzermolen op de Stiemer. “Alvermenneke” 7: 17-20. Frederix R., 1990. Ijzerontginning. “Alvermenneke” 11: 51-53. Frederix R., 2013. Plompaertstraat. “Alvermenneke” 34: 32-39. Gabriels J. e.a., 1994. Broedvogelatlas van Limburg. LIKONA. Geraerts J., 2009. Plantenkenners op excursie in Genk. Heidebloemke 68(1): 20-26. Geudens G. e.a., 2005. Adelaarsvaren: beheeropties. Bosrevue 14: 6-9. Geusens A., 1986. De ijzerertsontginningen te Genk. Heidebloemke nr. 1-12-1986. Grashof-Bokdam C., 1997. Colonization of forest plants: the role of fragmentation. IBN Scientific Contributions 5. Griffiths R.A. & C. Williams, 2000. Modelling population dynamics of Great Crested Newts (Triturus cristatus): a population viability analysis. Herpetological Joumal 10: 157 - 163. Günther R., 1996. Die Amphibien und Reptilien Deutschlands. Gustav Fischer. Gustafson D.H. et al., 2006. Great Crested Newts (Triturus cristatus) as indicators of aquatic plant diversity. Herpet. Journ. 16: 347-352. Gustafson D.H. et al., 2009. Pond quality determinants of occurrence patterns of Great crested Newts (Triturus cristatus). Joumal of Herpetology 43 (2): 300 - 310.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 113 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Haacks M. et al., 2009. Bundesweites Bestandserfassung von Kammolchen im Rahmen des FFH-Monitorings. Erfahrungen zur Fängigheit von verschiedenen Wasserfallentypen. Natur und Landschaft 84 (6): 276 - 279. Haacks M. & Drews A., 2008. Bestandserfassung des Kammolchen in Schleswig-Holstein Vergleichsstudie zur Fängigheit von PET-Trichterfallen und Kleinfischreuse. Zeitschrift für Feldherpetologie 15: 7988. Hachtel M. et al., 2011. Handbuch der Amphibien und Reptilien Nordrhein-Westfalens. Laurenti. Hermans St., 2016. Landinrichting Dauteweyers. Stiemerbeekvallei. Eindvoorstel Inrichtingsplan. VLM. Hermy M. & G. De Blust, 1997. Punten en lijnen in het landschap. St. Leefmilieu. Hermy M. et al., 1999. An ecological comparision between ancient and other forest plant species of Europe, and the implications for forest conservation. Biol. Cons. 91: 9-22. Honnay O. e. a., 2005. Gevolgen van langdurige vegetatieve groei voor de seksuele voortplanting. De bosplant dalkruid als voorbeeld. Natuur.focus 4(4): 112-115. Honnay O. et al., 2006. Consequences of prolonged clonal growth on local and regional genetic structure and fruiting success of the forest perennial Maianthemum bifolium. Oikos 112: 21-30. Honnay O. & H. Jacquemyn, 2010. Hoe groot is groot genoeg? Natuur.focus 9(3): 2010: 117-123. Hustings Fr. e.a., 2006. Avifauna in Limburg. Natuurhistorisch Genootschap van Limburg. Indekeu, 2004. Een halve eeuw ten dienste van de Belgische waterwegen en dijken: Ulrich Kümmer (1792-1862), ingenieur van Bruggen en Wegen. M&L 23(3): 4-30. Jacob J.-P. et al. 2007. Amphibiens et Reptiles de Wallonie. Aves. Jacquemyn H. e.a., 2002. Behoud van zeldzame plantensoorten in kleine landschapselementen: sleutelbloemen als voorbeeld. Natuur.focus 1(1): 19-24. Jaenen F. 1951. Ijzerertsexploitatie in Limburg. De Tijdspiegel 6(9): 212-215; 255-264. Jansen A., ongedat. Pratum marcidum. Historische, geografische, sociale en ecologische achtergronden van de Kempense Wateringen. Jehle R., 2000. The terrestrial summer habitat of radio-tracked Great crested newts (Triturus cristatus) and Marbled newts (T. marmoratus). Herpet. J. 10: 137-142. Jehle R. & Arntzen J.W., 2000. Postbreeding migrations of newts (Triturus cristatus and T. marmoratus) with contrasting ecological requirements. J. Zool. Lond. 251: 297-306. Joly P. et al., 2001. Habitat matrix effects on pond occupancy in newts. Cons. Biol. 15(1): 239-248. Jooris R. e.a., 2012. De IUCN Rode lijst van amfibieën en reptielen in Vlaanderen. INBO.R.2012.22. Kemmers R. e.a., 2007. Leidt bevloeiing van schraallanden tot eutrofiëring? De Levende Natuur: 127131. Kollen J., 1984. Ruimtelijke structuur en vegetatiekundige kwaliteit van houtwallen als onderdeel van de ecologische infrastructuur van het landelijk gebied. Rapport. Kollen J., 1986. Ruimtelijke structuur van houtwallen: betekenis voor de flora. Landschap 1: 18-28. Kupfer A., 1998. Wanderstrecken einzelner Kammolche (Triturus cristatus) in einem Agrarlebensraum. Z.f. Feldherp.: 238-242. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 114 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Kupfer A. & S. Kneitz, 2000. Population ecology of the Great Crested Newt (Triturus cristatus) in an agricultural landscape: dynamics, pond fidelity and dispersal. Herpetological Journal 10: 165 - 171. Kwak A. & L. Kuiters, 2014. Wildernis in een getemd Europa. In: J. Schaminée & J. Janssen, Het oude continent. Beschouwingen over de natuur in Europa: 161 – 177. KNNV, Vegetatiekundige Monografieën 6. Lambeets K., 2018. Natuurbeleid buiten Natura2000 als houvast voor de Kamsalamander. Natuur.focus 17(3): 128-129. Lambeets K. & Lewylle I., 2012. De Kamsalamander in Vlaams-Brabant, een voorbeeld voor Vlaanderen? Natuur.focus: 4-11. Langton T. et al., 2001. Great Crested Newt Conservation Handbook. Froglife. Halesworth. Lauwers S., 2015. Levend Water ‘De Holen’ Neerpelt. Leibundgut Ch. & I. Vonderstrass, 2016. Traditionelle Bewässerung- ein Kulturerbe Europas. Merkur Druck AG. Lemaire T., 1996. Filosofie van het landschap. Lemaire T., 2010. De val van Prometheus. Ambo. Lewylle I. 2011. De kamsalamander in Vlaams Brabant. Natuurpunt. Lewyll I. e.a., 2008. De boomkikker op een keerpunt? Natuur.focus 7(3): 84-93. Lewyll I. & J. Ramaekers, 2018. Boomkikker roept weer in koor dankzij vrijwilligers Natuurpunt. www.natuurpunt.be Lindemans P., 1994. Geschiedenis van de landbouw in België, Genootschap voor Geschiedenis en Volkskunde Antwerpen, 2 delen Lyna J., 1936. De Limburgsche Kempen. Geschied-& Oudheidkundigen Studiekring Hassselt. Malmgren J.C., 2002. How does a newt finds its way from a pond? Migration patterns after breeding and metamorphosis in Great Crested Newts (Triturus cristatus) and Smooth Newts (T. vulgaris). Herpetological Journal 12: 29 - 35. Marrs R. et al., 2000. Long-term experiments in ecological restoration. Proc. IAVS Symposium: 39-42. Martens K. et al., 2008. Integrated management tools for water bodies in agricultural landscapes (Manscape). SPSDII. Project EV/29. Mennen V. e.a., 2013. Koersel van Neusenberg tot Spiekelspade. Natuurpunt. Mertens A. & L. Simons, 1982. De vloeiweiden te Lommel-Kolonie. Limburg Natuurlijk 3. Meyer Fr. et al., 2004. Die Lurche und Kriechtiere Sachsen - Auhalts Suppl. Z.f. Feldherp. Nr 3. Meuwissen M., 2002. In en rond de Dorpsbeek. Heidebloemke 61(6): 266-272. Meuwissen M., 2007. Genker beken. Heidebloemke 66(6): 220-225. Molemans J., 1971. De naamgeving in relatie tot de bodemgesteldheid, het reliëf en de begroeiing. Naamkunde 3. Molemans J., 1982. Heidetoponiemen in de Kempen. In: Limburg, jg. LXI, nr. 2, p. 49 – 57. Molemans J., 1982b. Zonhoven. Historisch-naamkundige studie. Gemeente Zonhoven.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 115 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Molemans J.,1983. Wijers en heidevennen en hun relatie de visteelt, meer bepaald in Zonhoven. Limburg 62: 1-8. Molemans J., 2006a. De Kempen, toponomie, eenheid in verscheidenheid. Meded. van de Ver. Voor Limburgse Dialect- en Naamkunde nr. 36. Molemans J., 2006b. Naamgevingsfactoren in de Kempische toponymie. Geïllustreerd aan Opglabbeek. Dbnl. Nooren M.J., 1981. Ouderdom en cultuurhistorische waarde van houtwallen en heggen in Nederland. RIN-rapport 81/3. Oldham.S. et al., 2000. Evaluating the suitability of habitat for the great crested nèwt (Triturus cristatus). Herpet. J. 10, 143-155. Pipers P., 1936. Diepenbeek (heruitgave dd. 1978). Pluymers H, 1981. De boomkikker (Hyla arborea L.) eerlang onvindbaar in Limburg? Koerier 9(3): 1116. Porej D. et al., 2004. Care terrestrial habitat for conservation of local populations of salamanders and wood frogs in agricultural landscapes. Biological Conservation 120: 399 - 409. Poschlod P., 2015. Geschichte der Kulturlandschaft. Ulmer. Puts P.C.J. & H.J.M. van Buggenum, 2011. Kolonisatie van nieuwe poelen door watersalamanders. Natuurhist. Maandblad 100(1): 1-9. Rannap R. et al., 2009. Niche position, but not niche breath, differs in two coexisting amphibians having contrasting trends in Europe. Diversity and Distributions 15 : 692 - 700. Remans A., 1962. Loonse Waterschepenen op visitatie te Genk in de 17 de en 18de eeuw. Limburg 41: 23-40. Renes J., 1999. Landschappen van Maas en Peel. Renes H., 2011. Op zoek naar de geschiedenis van het landschap. Handleiding voor onderzoek naar onze historische omgeving. Uitg. Verloren. Reulens K., 2010. Genk door schildersogen. Davidsfonds. Reulens K., 2013. Onder de loep. Kunstenaars en wetenschappers op ontdekkingstocht in Genk (18001914). Emile Van Dorenmuseum. Reulens K., 2015. Emile Van Doren. Biografie van een schilder en zijn landschap. Stichting Kunstboek. Romans A., 1956-1957. Ijzererts-exploitatie vroeger te Genk. Heidebloemke 16(1): 18-20. Schaminée J. e.a., 2015. Veldgids Rompgemeenschappen. K.N.N.V. Schaminée J.H.J. e.a., 1996, 1999. De vegetatie van Nederland. Delen 3 & 5. Schops I., 1999. Amfibieën en reptielen in Limburg. Prov. Limburg. Schmidt Br., 2007. Prädatoren, Parasiten und Geduld: Neue Erkenntnisse zur Wirkung von Pestiziden auf Amphibien. Z.f. Feldherp. 14, 1-18. Segers Y. & Van Molle L., 2004. Leven van het land: boeren in België, 1750-2000. Davidsfonds.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 116 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Skei J. K. et al., 2006. Habitat use during the aquatic phase of the newts Triturus vulgaris (L.) and T. cristatus (Laurenti) in central Norway: proposition for a conservation and monitoring area. AmphibiaReptilia 27: 309 – 324. Spek Th., 2004. Het Drentse esdorpenlandschap. Uitg. Mattijs. Spek Th. e.a., 2015. Landschapsbiografie van de Drentsche Aa. Van gorcum. Speybroeck J., 2000. Beschermingsplan voor de Boomkikker (Hyla arborea) in en rond het Welleke te Zonhoven. RUG Steegmans E., 1985. Opgravingen Waardestraat. “Alvermenneke” 6: 38-40. Stocks R. & M. A. McPeek, 2003. Predators and life histories shape Lestes damselfly assemblages along freshwater habitat gradient. Ecology 84(6): 1576- 1587. Stortelder A. H. F. e.a., 1999. De Vegetatie van Nederland. Deel 5. Sztatecsny M. et al. 2004. The abundance of premetamorphic newts (Triturus cristatus, T. marmoratus) as a function of habitat determinants: an a priori model selection approach. Herpet. Journ. 14: 89-97. Tack G., et al., 1993. Bossen van Vlaanderen. Een historische ecologie, Davidsfonds. Thiesmeier B. & Kupfer A., 2000. Der Kammolch. Ein Wasserdrache in Gefahr. Z.f. Feldherp. Laurenti, Bielefeld. Timmermans M., 2016. Geologische fietsroute. De Wijers in de Lage Kempen. Provincie Limburg. van Buggenum H.J.M. e.a., 2009. Herpetofauna van Limburg. Natuurhistorisch Genootschap. van Buggenum H.J.M. & W.G. Vergoossen, 2015. De boomkikker in de Doort en omgeving. Deel 1. Natuurhistorisch Maandblad 104 (10): 185-190. van Buggenum H.J.M. & W.G. Vergoossen, 2015. De boomkikker in de Doort en omgeving. Deel 2. Natuurhistorisch Maandblad 104 (11): 199-205. van Buggenum H.J.M. & W.G. Vergoossen, 2016. De boomkikker in de Doort en omgeving. Deel 3. Natuurhistorisch Maandblad 105 (1): 1-7. van Buggenum H.J.M., 2017. Watersalamanders in enkele natuurgebieden van het Grenspark KempenBroek. Natuurhist. Maandblad 106: 125-130. Van Den Berge S. e.a., 2014. Houtkanten en bomenrijen: schatten in het landschap. Natuur.focus 13(3): 108-117. Van Der Coelen, R.J.E.M., 1992. Verspreiding en ecologie van amfibieën en reptielen in Limburg. Stichting Ravon. Van Landuyt W. e.a., 2006. Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest. INBO. Van Overstraeten F. e.a., 2009. Hernieuwd onderzoek over de Kamsalamander, Triturus cristatus, op de Meertsheuvel in Bos (Zoutleeuw, Vlaams-Brabant). Waarnemingen en bevindingen 2007 – 2008. Onuitgegeven rapport. Melkwezer; 63 pp., 6 bijl. Vermeersch Gl. e.a., 2004. Atlas van de Vlaamse broedvogels 2000—2002. Meded. van het Instituut voor Natuurbehoud 23. Verschraegen T. & G. Beckers, 2015. Visvrij amfibieënbeheer in vijvercomplex Midden-Limburg en de herontdekking van de Knoflookpad. Natuur.focus 14(1): 17-25. Vliebergh E., 1908. De Kempen. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 117 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Vos C.C., 1999. A frog’s-Eye view of the landscape. IBN Scientific Contributions 18. Vriens L. e.a., 2011. De Biologische Waarderingskaart. Mededeling I.N.B.O. Weeda E.J. e.a., 2002. Atlas van plantengemeenschappen in Nederland. Deel 2. Werner E.E. et al., 2007. Tumover in an amphibian metacommunity: the role of local and regional factors. Oikos 116: 1713 - 1725. Willems E., 2016. Landbouwscreening Signaalgebied Campus Diepenbeek. VLM. Wissels I., 1982. Beken te Genk. Heidebloemke 41(2): 55-70. Zonneveld L.M.L. et al., 1995. Achtergronddocument (Flora en) vegetatie voor de ecosysteemvisie graslanden. Werkdocment IKC-Natuurbeheer W96. Zwaenepoel A. & J. Burny, 2014. Historische ecologie in Limburg. Prov. Limburg. Zwaenepoel A., 1995. Floristic impoverishment by changing unimproved roads into metalled roads. Habitat Fragmentation & Infastructure, Proceedings international conference 17-21/9/1995, Maastricht: 127 – 137.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 118 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

BIJLAGE 1: FLORAGEGEVENS

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 119 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

De codes in deze bijlage, bv. Ha, Hp+, … verwijzen naar de typologie van de Biologische Waarderingskaart (Vriens e.a., 2011). In de bijlage zijn tevens de gegevens uit 2016 toegevoegd (Dupae, 2016). Bossen en houtkanten werden slechts één keer onderzocht in het voorjaar. Het graslandonderzoek had vooral in mei plaats, met een controle van de niet gemaaide percelen op 13, 14 en 18 juni. Verder merken we op dat de graslanden ten zuiden van de ponyhoeve niet onderzocht werden. Op 18 juni waren heel wat percelen net gehooid (perceelnrs. 44, 111, 118, 120, 124, 126, 155, 156). 16/4/2018 1. Wegberm bij huis nr 76: Ha° Kleine leeuwenklauw, duizendblad, gewone veldbies, vogelpootje, vroegeling, kluwenhoornbloem, muizenoor, veldzuring, zandkool, madeliefje, biggenkruid, veldereprijs, smalle weegbree. 23/4/2018 2. Khw van Amerikaanse en zomereik; 1x7m Veel adelaarsvaren, ijle zegge, hulst, lijsterbes, Amerikaanse vogelkers, schaduwgras, braam pl. dom., kamperfoelie, gladde witbol, rietgras, stekelvaren, berk, gelderse roos, grote muur, klimop pl. dom., pilzegge, salomonszegel. 3. Khw van zwarte els hakhout en zomereik; 1x3m Veel ijle zegge, grote muur, valeriaan, braam, rietgras, klimop, stekelvaren, grote brandnetel, gelderse roos, lijsterbes, Amerikaanse vogelkers, kamperfoelie. 4. Bos 4a: langs gracht gele lis, gelderse roos, speenkruid, grote brandnetel, ijle zegge, kleefkruid; stekelvaren, gewone den, lijsterbes, Amerikaanse eik, adelaarsvaren, braam pl. dom., kamperfoelie, look-zonderlook, bamboe, zevenblad, stinkende gouwe. 4b: Japanse duizendknoop, brandnetel pl. dom., wilg, meidoorn, pinksterbloem, robertskruid, hondsdraf, bamboe, braam pl. dom., hondsdraf, pitrus, is er nog een Khw van zomereik in het bos verscholen?, hulst, pl. rabatten, Amerikaanse vogelkers, adelaarsvaren, knopig helmkruid, groot vak dalkruid op eikenwal, hazelaar, valse salie. 5. Khw van zomereik; 1x4m Eikvaren, adelaarsvaren, hulst, lijsterbes, klimop, Amerikaanse vogelkers, berk, blauwe bosbes, braam. 6. Perceel aansluitend op bebouwing; Lh/Hp; Lh/Hr Engelwortel, berenklauw, vlier, klimop, stekelvaren, zomereik, bamboe, brandnetel, spar, eenst. meidoorn, wilg, hulst, zevenblad, hondsdraf, smeerwortel, dagkoekoeksbloem, rode kornoelje, sering, rietgras, kleefkruid, witte dovenetel, sneeuwklokje, hop, gele lis, braam, zwarte els, ijle zegge, speenkruid, valeriaan. 7. Bos, deels droog, deels nat, Hf-Hj Pitrus, pl. wilgstruweel, Amerikaanse vogelkers, stekelvaren, zomereik, mannagras, hondsdraf, brandnetel, rietgras, berk, klimop, wederik, braam, sloot staat droog, zwarte els, ijle zegge, open plek met moeraswalstro, zwarte zegge, wederik, echte koekoeksbloem, kale jonker, engelwortel, harig ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 120 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

wilgenroosje, bitterzoet, wolfspoot, veldrus, moerasmuur, kale jonker, hennegras, prikkeldraad langs sloot tussen open plek en bos; kamperfoelie, pl. begreppeld bos richting hoofdsloot, blauwe bosbes, klimop en schaduwgras langs de sloot (ligt die hoger dan de open plek erlangs?), pl. dom. mannagras in de open plek, egelboterbloem, pl. Mc van oeverzegge, pl. dom. in bos van ijle zegge en mannagras, veel berk, kamperfoelie, ruwe smele, gele lis, riet, zompzegge, hazelaar, hulst. Ijzerkwel. Perceel was ooit weiland volgens jager Camille. 8. Bos van Amerikaanse eik en gewone den gedomineerd door braam en stekelvarens Pl. veel gewone den, stekelvaren, Amerikaanse vogelkers, adelaarsvaren, pl. dom. braam, ‘paplaurier’, lijsterbes, berk, Amerikaanse eik, hulst, hazelaar, rabattenbos, hazelaar, hop, zevenblad, meidoorn, look-zonder-look, blauwe bosbes op rabatten, bosrand: muskuskruid, bleeksporig bosviooltje, hazelaar en speenkruid. Bont zandoogje. 9. Khw 1,5x6m Berk, lijsterbes, Amerikaanse vogelkers, adelaarsvaren, stekelvaren, braam, hulst, klimop. 10. Khw 1,5x7m, sluit aan op 9 Amerikaanse eik, lijsterbes, braam, hulst, adelaarsvaren; vroegere weg, afgezet aan de hoofdweg met prikkeldraad? 11. Moerasbos, wilgenstruweel Zwarte els, mannagras, pitrus, pitrus, brandnetel, Japanse duizendknoop, bamboe, rietgras, smeerwortel, engelwortel, stekelvaren, knopig helmkruid, gestreepte witbol, kamperfoelie, Amerikaanse vogelkers, kale jonker, kruipende boterbloem, ijle zegge, kleefkruid, gewone hennepnetel, gewoon nagelkruid, harig wilgenroosje, moerasviooltje (15tal, achter verbreding vd gracht)), moeraswalstro, speenkruid, bitterzoet, bosveldkers, vlier, sporkehout, prikkeldraad dwarst het bos; pl. berkenbos met zomp- en snavelzegge; wederik, kamperfoelie, blauw glidkruid, valeriaan, pluimzegge, riet, pijpenstrootje, wolfspoot, look-zonder-look. Ijzerkwel. 12. Bos Klimopereprijs, look-zonder-look, kleefkruid, zevenblad, speenkruid, braam, hondsdraf, vlier, peterselievlier, rode kornoelje, zomereik, brandnetel, bosveldkers, gelderse roos, esdoorn, hop, Amerikaanse vogelkers, moerasspirea, engelwortel, fluitenkruid. Citroenvlinder. 13. Bos Amerikaanse vogelkers, aalbes, rode kornoelje, meidoorn, lijsterbes, hazelaar, lelietje-van-dalen langs het pad, klimop, braam, berk, adelaarsvaren, kamperfoelie, gelderse roos, tamme kastanje, zomereik, hop. 14. Khw, 0,5x3m Adelaarsvaren, hulst, lijsterbes, Amerikaanse vogelkers, pitrus, klimop, hondsdraf, veldbies, braam, vogelmuur, pilzegge, boskriek, kruipend zenegroen, kamperfoelie. 15. Bos, haast zonder ondergroei Zomereik, Amerikaanse vogelkers, lijsterbes, klimop, hondsdraf, kamperfoelie, klimopereprijs, salomonszegel, kruipend zenegroen, pl. dom. braam. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 121 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

16. Bos Deels gekapt, zomereik, braam, veel Amerikaanse vogelkers, kleefkruid, brandnetel, es, pitrus, lelietjevan-dalen, klimop, hondsdraf, salomonszegel, aalbes, hazelaar, vlier, stinkende gouwe, reuzenbalsemien, ridderzuring, speerdistel, kruipende boterbloem, boerenwormkruid, drienerfmuur, bosveldkers, speenkruid, knopig helmkruid, echte koekoeksbloem, hazelaar. Landkaartje. Open plek in het bos: erg veel hazenzegge en bleke zegge, verder geelgroene zegge, echte koekoeksbloem, duizendblad, salomonszegel, knopig helmkruid, rolklaver spec., harig wilgenroosje, leverkruid, reuzenbalsemien, biezeknoppen, drienerfmuur, gele lis, bosbies, wederik, moerasspirea, engelwortel, blauw glidkruid, St-Janskruid, hennegras, rietgras, ruwe smele, margriet, gewoon struisgras, moerasandoorn, gladde witbol, struisgras spec., biggenkruid, valse salie in de bosrand nabij de Kaatsbeek. 17. Khw 1x3m Amerikaanse vogelkers, lijsterbes, klimop, braam, stekelvaren, hulst, adelaarsvaren, veel salomonszegel, hazelaar, kamperfoelie, drienerfmuur, veel spar en paplaurier aan de tuin, eikvaren, zomereik, Chamaecyparis, Amerikaanse eik, lelietje-van-dalen, blauwe bosbes, pilzegge. 18. Zomereikenbos Spar, zomereik, veel salomonszegel, esdoorn, lijsterbes, hazelaar, Amerikaanse vogelkers, gelderse roos, stekelvaren, stinkende gouwe, klimop, hulst, zompzegge?, grote zeggen spec. Rabatten. 19. Bos Veel salomonszegel, hazelaar, Amerikaanse vogelkers, lijsterbes, kamperfoelie, taxus, klimop, hulst, gelderse roos, zomereik, stekelbes, lelietje-van-dalen, paplaurier, blauwe bosbes. 20. Khw, 0,7x3m Veel salomonszegel, braam, Amerikaanse vogelkers, lijsterbes, taxus, hazelaar, hulst, kamperfoelie, klimop, adelaarsvaren. 21. Bos Salomonszegel, beuk, spar (lokaal zonder ondergroei), hazelaar, hulst, klimop, ruwe smele, Amerikaanse eik, zomereik, Amerikaanse vogelkers, lijsterbes, stekelvaren, bosanemoon (0,5m²), beuk. 22. Jong elzen- en lindenbos Sporkehout, braam, Amerikaanse vogelkers, meidoorn, hondsdraf, kleefkruid, gewone hennepnetel, elzenbos met grazige ondergroei, ridderzuring, look-zonder-look, stekelvaren, klimopereprijs, dagkoekoeksbloem, berenklauw, pitrus, brandnetel, speenkruid, vlier, zomereik, lindenbos met klimopereprijs als aspectbepalende soort. 23. Eiken- en plaatselijk esdoornbos Hondsdraf, klimopereprijs, kardinaalsmuts, berenklauw, kleefkruid, brandnetel, engelwortel, esdoornbos met ondergroei van netels, kleefkruid, speenkruid, klimopereprijs, look-zonder-look, hondsdraf, meidoorn, rode kornoelje. 24/4/2018 24. Aanplant van zomereik/Hr ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 122 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Bamboe langs de weg, pinksterbloem, engelwortel, kleefkruid, brandnetel, kale jonker, es, hop, hondsdraf, kruipende boterbloem. 25. Aanplant van zomereik/Hr Kardinaalsmuts, braam, Amerikaanse vogelkers, pl. dom. look-zonder-look, engelwortel, kruipende boterbloem, klimopereprijs, vlier, meidoorn, hazelaar. Ree. 26. Bos Abeel, pitrus, pl. braamstruweel, wolfspoot, gele lis, wederik, hop, engelwortel, wilg, zomereik, berk, sporkehout, kamperfoelie, tormentil, pinksterbloem, moeraswalstro, gewone hoornbloem, hazenzegge, schapenzuring, zwarte zegge, bitterzoet, kale jonker, wederik, reukgras, pijpenstrootje, lijsterbes, Amerikaanse eik, beuk, hazelaar, klimop, robertskruid, veel salomonszegel in rand met tuin. Prikkeldraad op wal met 2 greppels en 2 betondrinkbakken dwars door het bos, met pilzegge, stekelvaren, berk, kamperfoelie. 27. Khw met veel Amerikaanse vogelkers en klimop Sporkehout, look-zonder-look, vlier, lijsterbes, kamperfoelie, veldbies, salomonszegel, stekelvaren, hazelaar, Amerikaanse eik, langs gracht aan pad veel valeriaan. 28. Overhoekje, aangeplant Kleine maagdenpalm, wilde hyacint, bosanemoon, basterdwederik spec., sneeuwklokje, hazelaar, taxus, valeriaan, look-zonder-look, zomereik, salomonszegel, hazelaar, spar, zomerlinde, daslook, tuinnarcis, zevenblad, Amerikaanse vogelkers, aalbes, lelietje-van-dalen, speenkruid, kleefkruid, brandnetel, klimopereprijs, vlier, hulst, beuk, meidoorn, Canadese guldenroede. 29. Khw, 0,5x2m Zomereik, sporkehout, zwarte els, veel braam, Amerikaanse vogelkers, lijsterbes, berk, bamboe. 30. Khw, 0,2x1m Spar, valeriaan, linde, boswilg, zwarte els, Amerikaanse vogelkers, gelderse roos, hop, hazelaar, stinkende gouwe, wilde hyacint, ‘bosvergeet-mij-nietje’, overblijvende ossentong, Judaspenning. 31. Aanplant van grotendeels afgestorven essen/Hr +Hp+ Veldzuring, smalle weegbree, scherpe boterbloem, duizendblad, grasmuur, knoopkruid, veel pinksterbloem, hazenzegge, rood zwenkgras, engelwortel, ruwe smele, kale jonker, paardenbloem, gewone hoornbloem, berenklauw, veelbloemige veldbies. 32. Aanplant van zomereik 33. Bos/wilgenstruweel Kleefkruid, braam pl. dom., zomereik, els, ijle zegge, Amerikaanse vogelkers, brandnetel pl. dom., hazelaar, lijsterbes, zevenblad pl. dom., hop, hondsdraf, grote muur, speenkruid, dagkoekoeksbloem, look-zonder-look, bamboe, vlier, hazelaar, klimop, haagbeuk, taxus, meidoorn, wilgenstruweel met wolfspoot, smeerwortel, moeraswalstro, bitterzoet, wederik, sneeuwklokjes in de rand. Khw intern, 0,5x2m: klimop, zomereik, inl. vogelkers, ijle zegge, drienerfmuur, grote muur, populier. Khw langs beek: braam, klimop, grote muur. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 123 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

34. Bos Pilzegge, berk, zomereik, Amerikaanse vogelkers, els, pijpenstrootje, haas, 2 reeën. 35. Khw, 0,5x3m Amerikaanse vogelkers, kamperfoelie, lijsterbes, braam, gladde witbol, klimop, hengel. 36. Khk Veel havikskruiden, biggenkruid, kleine veldkers, berk, braam, veldbies spec., gelderse roos, wilg, zomereik, Amerikaanse vogelkers, vroegeling, witbol, kluwenhoornbloem, veldbeemdgras, St-Janskruid, pl. dom. braam, bijvoet, brandnetel, akkerdistel, zandhoornbloem, adelaarsvaren vlakbij de weg. Putniveau op bodemniveau van de greppel erlangs. 37. Aanplant zomereik Vooral hondsdraf, speenkruid en klimopereprijs, es, vlier, kleefkruid, berenklauw, meidoorn, stinkende gouwe. 38. Aanplant zwarte els en boskriek/Hr Vooral brandnetel en kleefkruid, look-zonder-look, speenkruid, hondsdraf, meidoorn, fluitenkruid, Amerikaanse vogelkers, kruipend zenegroen, mannetjesvaren, dagkoekoeksbloem, drienerfmuur, zevenblad, grote vossenstaart, groot aantal afgestorven essen/Hr, sleedoornrand. 39. Ha° Op opgehoogd deel: veel biggenkruid, schapenzuring, madeliefje, duizendblad, veldrus, veenwortel, rood zwenkgras, kleine klaver, bezemkruiskruid, kluwenhoornbloem, breedbladige lathyrus, scherpe boterbloem, zandhoornbloem, vroegeling, kleine leeuwenklauw, pinksterbloem, Jacobskruiskruid. Verder reukgras, smalle weegbree, veel veldbies en knoopkruid, grasmuur, klein bronkruid, veldereprijs. Langs Kb-els: Grote muur en winterpostelein. 40. Bos Hulst, stinkende gouwe, veel grote muur, Amerikaanse vogelkers, braam, els, hop, gewoon barbarakruid, vlier, pl. veel adelaarsvaren, zomereik, hazelaar, haagbeuk, klimopereprijs, klimop, zevenblad, aalbes, bonte gele dovenetel aan de bebouwing. Konijn. Gazonafval wordt in bosrand gestort! 41. Hp (Hp+: RG biggenkruid) Veel duizendblad en biggenkruid, veldzuring, knoopkruid, smalle weegbree, krulzuring, pinksterbloem, Jacobskruiskruid, kleine klaver, schapenzuring, reukgras, margriet, 1 echte koekoeksbloem, havikskruid spec., grijs havikskruid. 42. Khw Veel hengel op begraasd deel, grote muur, klimop, kamperfoelie, hulst, schapenzuring, biggenkruid, duizendblad, pijpenstrootje, veldbies, schapengras, zomereik, Amerikaanse vogelkers, sporkehout, knopig helmkruid. Kwelgracht staat droog.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 124 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

43. Bos Veel Amerikaanse vogelkers, stinkende gouwe, hulst, braam, klimop pl. dom., kamperfoelie, beuk, hazelaar, robertskruid, vogelmuur, lijsterbes, acacia, vogelmelk, grote muur aan de gracht. 44. Ha° Veel reukgras, biggenkruid, duizendblad, scherpe boterbloem, smalle weegbree, zachte ooievaarsbek, gewone rolklaver, pinksterbloem, veldzuring, rood zwenkgras, krulzuring, veldbies, 1 knolsteenbreek. 3/5/2018 45. Lh/S/Hr + Sbraam + Kws-els Engelwortel, kale jonker, zomereik, zwarte els, berk, pinksterbloem, veldzuring, kruipende boterbloem, schietwilg, veel Amerikaanse vogelkers. 46. Hp+, reeds kort afgegraasd door paarden (zilverschoonweiland) Veel reukgras, pinksterbloem, smalle weegbree, echte koekoeksbloem, mannagras, engelwortel, watermunt, zilverschoon, scherpe boterbloem, veldrus, hazenzegge, veenwortel, krulzuring. 47. Weekendverblijf met vijver, Sbraam Sneeuwklokjes, krokus, bamboe pl. dom., spar, Amerikaanse vogelkers, look-zonder-look, robertskruid, mahonie, kamperfoelie, Judaspenning, hulst, zomereik, klimop, meidoorn, sporkehout, stinkende gouwe, gelderse roos, gewoon nagelkruid, gele lis, hazelaar, zwarte els, stekelvaren, drienerfmuur, aalbes, den spec., Chamaecyparis, populier, witte waterkers, zevenblad, engelwortel, wolfspoot, boskriek, bitterzoet, sneeuwbes, haagbeuk, tuinnarcis, trilpopulier, bonte gele dovenetel, asbestdak op platen stal 6x4m. 48. Khw 2x0,4m Amerikaanse vogelkers, veel klimop, zwarte els, trilpopulier, grote muur, acacia, berk, gewone vlier, hazelaar, zomereik, robertskruid, stinkende gouwe, drienerfmuur. 49. Bos Look-zonder-look, gewone vlier, zomereik, hazelaar, Noordse esdoorn, knopig helmkruid. 50. Khw van zomereik, 3x0,5m Amerikaanse vogelkers, kamperfoelie, berk, gewone vlier, lijsterbes, trilpopulier, riet. 51. Khw; 1,5-3x0,5-1m Amerikaanse vogelkers, zomereik, look-zonder-look, zwarte els, berk, stekelvaren, trilpopulier, Amerikaanse eik, kamperfoelie, riet, valse salie, gladde witbol, gewone vlier, meidoorn, deels te herstellen. 52. Khw; 1,2x8m + Sbraam Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, lijsterbes, hazelaar, meidoorn, zomereik, zwarte els, lookzonder-look, gelderse roos, valeriaan, riet, hop, gewone esdoorn, populier, knopig helmkruid, konijnenburcht, jachthoogzit.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 125 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

53. Wastine + Sbraam (Hp+) Veel veenwortel, reukgras, veel gewone veldbies, Jacobskruiskruid, kale jonker, engelwortel, wederik, kruipend zenegroen, duizendblad, grasmuur, scherpe boterbloem, kantig hertshooi, rood zwenkgras. 54. Hp + Hp+ + Ha°; gestreepte witbolgrasland Pinksterbloem, reukgras, duizendblad, veel veenwortel, veldbies spec., lidrus, grasmuur, kleine klaver, kantig hertshooi, kleine leeuwenklauw, veelkleurig vergeet-mij-nietje, Jacobskruiskruid, scherpe boterbloem, schapenzuring, rolklaver, droog-vochtgradiënt vanaf de beek. 55. Rietsloot Wederik, leverkruid, hop. 56. Khw (6x1,5m)+Khk+gracht Amerikaanse eik, hulst, kamperfoelie, adelaarsvaren, zwarte els, lijsterbes, meidoorn, klimop, pilzegge, gewone veldbies. 57. Khw; 3x1,5m + Khk Amerikaanse vogelkers, hazelaar, lijsterbes, look-zonder-look, zomereik, zwarte els, kamperfoelie, acacia, klimop. 58. Hp, begraasd door schapen. Wetering? Greppels om de 7 m. 59. Hp+ - (Hc°) Witbolgrasland/zilverschoonweiland Reukgras dom., pinksterbloem, krulzuring, veldrus, rolklaver spec., zwarte zegge?; mannagras, krulzuring, wilde bertram, biggenkruid, St-janskruid, gladde witbol, egelboterbloem, hazenzegge, geknikte vossenstaart, zilverschoon, gewone veldbies, waterpeper, zakken calciummagnesiumcarbonaat + magnesiumoxide. Wisselweide met twee paarden. 60. Hr/Hp+ Wilde bertram, zilverschoon, pinksterbloem, watermunt, veldrus, reukgras, rolklaver spec., zwarte zegge, kruipend zenegroen, knoopkruid, veenwortel, gladde witbol, grasmuur, akkermunt, moeraswalstro, kattenstaart, wolfspoot, adelaarsvaren. 61. Bos Wolfspoot, egelboterbloem, kruipend zenegroen, penningkruid, hulst, salomonszegel, moerasmuur, zwarte bes, zwarte els, hop. 62. Khw Hulst, taxus, salomonszegel, kamperfoelie, Amerikaanse vogelkers, sporkehout, valeriaan, klimop, zwarte els, zomereik, hazelaar, Japanse duizendknoop. 63. Dubbele Khw +gracht Hulst, taxus, salomonszegel, klimop, hazelaar, kamperfoelie, Rhododendron.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 126 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

64. Khw Klimop, adelaarsvaren pl. dom., Amerikaanse vogelkers, hulst, salomonszegel, kamperfoelie, meidoorn, schaduwgras, valse salie, hop, havikskruiden, bochtige smele. 65. Khw, vroegere vijverdijk? Klimop, taxus, Amerikaanse vogelkers, hulst, aalbes, kamperfoelie, adelaarsvaren t.h.v. 64. 66. Hr/Sbraam + Q-verbraamd + Struweel van wilg en sporkehout, verdroogd en verbraamd elzenbroekbos Pinksterbloem, engelwortel, kale jonker, scherpe boterbloem, pl. dom. brandnetels, pl. dom. braam, gele lis, mannetjesvaren, kruipend zenegroen, moerasmuur, bamboe, reuzenbalsemien, ijle zegge, mannagras, adelaarsvaren op grens met 60. 67. Grote muur 68. Khw langs sloot Grote muur, klimop, salomonszegel, kamperfoelie, hazelaar, Amerikaanse vogelkers, hulst, ijle zegge (grote zomereik met grote muur aan voet). 69. Khw; 2x0,4m Hulst, kamperfoelie, klimop, grote muur, hengel, schaduwgras, havikskruiden, Amerikaanse vogelkers, gladde witbol, boskriek, pijpenstrootje, schapengras, pilzegge? 70. Bos Zevenblad pl. dom., bonte gele dovenetel, braam pl. dom., brandnetel pl. dom., aalbes, grote muur. 71. Khw; 4x1m a.: niet begraasd deel, veel hengel, bochtige smele, havikskruiden, kamperfoelie, Amerikaanse vogelkers, hulst, pijpenstrootje, schapengras, zomereik, zwarte els, beuk, ijle zegge, hazelaar, Amerikaanse eik, pilzegge, klimop. b.: begraasd deel, klimop, veel grote muur, winterpostelein, beuk, zomereik. 72. Khw Bosanemoon, grote muur, veel winterpostelein, pijpenstrootje, veldbies spec., zomereik, zwarte els, beuk, schapengras, hulst, bochtige smele. 73. Wetering, Hp+, witbolgrasland Prikkeldraadvegetatie in de rand met perceel 115: pinksterbloem, rood zwenkgras, wilde bertram, moeraswalstro, kruipend zenegroen, bosanemoon, speenkruid, egelboterbloem, veldrus, zwarte zegge. Perceel zelf: bosanemoon, reukgras aspectbepalend, pinksterbloem, gewone veldbies, hard zwenkgras, kattenstaart, gewoon struisgras, veldrus, zwarte zegge, kruipend zenegroen, tijmereprijs, hazenzegge, berk. Greppels: egelboterbloem, veldrus, zwarte zegge, geknikte vossenstaart, kleine duizendknoop, winterpostelein, moerasstruisgras, greppelrus en waterpeper. Oranjetip, haas. Op 18/6 begraasden 5 runderen perceel 73 samen met 74 en 115. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 127 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

74. Hc° + Hp+, 4 koeien en 1 stier, aspect van reukgras en veldrus. Reukgras aspectbepalend, veel veldrus, veenwortel, echte koekoeksbloem (1 ex.), waternavel pl. aspectbepalend, ruige zegge, kale jonker, zwarte zegge, madeliefje, pinksterbloem, moerasrolklaver, scherpe boterbloem, egelboterbloem, blaaszegge, wateraardbei (+veldrus, egelboterbloem en waternavel), bosbies, grote egelskop, tijmereprijs, hazenzegge, biggenkruid, gewone veldbies, veenwortel, waterpeper, moerasmuur, moeraswalstro, fioringras, mannagras, tormentil, wederik, kattenstaart. Keizerslibel. 4/5/2018 75. Khw, 2x0,2m Dom. van bonte gele dovenetel, hulst, salomonszegel, hazelaar, klimop, taxus, zomereik, kamperfoelie. 76. Hp+; gestreepte witbolgrasland Prikkeldraadvegetatie met perceel 78: lupine, schapenzuring, biggenkruid, grasmuur, gewone veldbies, duizendblad, reukgras, kantig hertshooi, sporkehout, Amerikaanse vogelkers, zomereik, pinksterbloem, margriet, gladde witbol, St-Janskruid, Canadese guldenroede. Lupine, Jacobskruiskruid, knoopkruid, gewoon struisgras, kantig hertshooi, 1 ex. beemdooievaarsbek, veel biggenkruid, rapunzelklokje, kleine klaver, veel veenwortel, gewone veldbies, reukgras aspectbepalend, pinksterbloem, scherpe boterbloem, echte koekoeksbloem, hazenzegge, duizendblad, rood zwenkgras, knolsteenbreek, dagkoekoeksbloem, gewone veldbies, grasmuur, margriet. Meer dan 30 jaar geleden was perceel nog maïsakker volgens eigenares. Zij beweerde ook dat er ter plaatse overal schurft in de bodem zit. Wordt 2x/jr gehooid zonder bemesting. Achterste deel is moestuin. 77. Khw van zomereik, 0,3x1,5m Amerikaanse vogelkers, hulst, klimop, lijsterbes, salomonszegel, drienerfmuur, berk, sporkehout, veel adelaarsvaren. 78. Ha° + Hp+, 1 paard; S-braam langs de weg Lupine, pinksterbloem, veel reukgras, echte koekoeksbloem 1 ex., herfstleeuwentand?, krulzuring, wolfspoot, kantig hertshooi, wilde bertram, teunisbloem spec., 1 vingerhoedskruid, moerasrolklaver, engelwortel, biggenkruid, tijmereprijs, knoopkruid, grasmuur, veel vogelmelk, kleine klaver, margriet, veenwortel, veel grote ratelaar, kattenstaart, gewoon struisgras, scherpe boterbloem, wederik, Canadese guldenroede, duizendblad; droog-vochtgradiënt, droogzuiging van put in perceel ernaast. 79. Hp + Hp+ a. Hp+: aspect van reukgras, scherpe boterbloem, duizendblad, veel wilde bertram, pinksterbloem, rood zwenkgras, biggenkruid, gewone veldbies, wederik, veldrus, veenwortel, kale jonker, biezeknoppen, gracht met gele lis, moeraswalstro, sporkehout, hazenzegge, St-Janskruid, margriet, moerasrolklaver. Rand tussen a en b: veldrus, veel wederik, hazenzegge. b. Hp: reukgras, pinksterbloem, grote vossenstaart, veldlathyrus, wederik, biggenkruid, wilde betrtram, raaigras. Rand met gele lis, echte koekoeksbloem, hazenzegge, mannagras. Gracht met aarden weg: moeraswalstro, kattenstaart, moerasspirea, moerasrolklaver, egelboterbloem, engelwortel, echte koekoeksbloem, gladde witbol, veldrus, lidrus.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 128 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Grens met perceel 84: veldrus, hazenzegge, wederik, gele lis, moeraswalstro, moerasrolklaver, waterpeper, akkermunt, echte koekoeksbloem, biezeknoppen, herfstleeuwentand?, wilde bertram, kattenstaart, tormentil. 80. Hp+; gestreepte witbolgrasland Scherpe boterbloem, pinksterbloem, veel reukgras (pl. codom.), veel wilde bertram, echte koekoeksbloem, kale jonker, ruw walstro, egelboterbloem, kattenstaart, grasmuur, knoopkruid, veenwortel, veldrus, vogelwikke, moerasrolklaver, rood zwenkgras, hazenzegge, duizendblad, margriet, gladde witbol, gewoon struisgras, tormentil, biggenkruid, kleine klaver, duizendblad, gewone veldbies, wederik, engelwortel, wetering? Gracht met bebouwing hoger gelegen? Greppels loodrecht op de straat: mannagras, echte koekoeksbloem, egelboterbloem, wederik, veldrus, tormentil, engelwortel, moeraswalstro, moerasstruisgras. 81. Khk-Khw Zwarte els, bonte gele dovenetel, berk, klimop, speenkruid, hazelaar, Amerikaanse vogelkers, lijsterbes, taxus, zomereik, stinkende gouwe, tuinschaafstro. 82. Hr/Hj-Hc° + wilgenstruweel Veel veldrus, wederik, engelwortel, pinksterbloem, wolfspoot, leverkruid, wilde bertram, kale jonker, bitterzoet, moeraswalstro, Canadese guldenroede, veel netels en pitrus, hop, echte koekoeksbloem, egelboterbloem. 83. Hp+, zilverschoonweiland-witbolgrasland Veel reukgras, pinksterbloem, veldrus, egelboterbloem, kattenstaart, mannagras, krulzuring, zwarte zegge, hazenzegge, geknikte vossenstaart, Engels raaigras, moeraswalstro, wederik, put -1m op 4:5 en -1,2m op 13/6. 84. Hp+; gestreepte witbol-zilverschoonweiland Veel reukgras, pinksterbloem, zwarte zegge, veldrus, tijmereprijs, kattenstaart, liggend vetmuur, kamgras, Jacobskruiskruid, grasmuur, gewone rolklaver, gewoon struisgras, veenwortel, biggenkruid, geknikte vossenstaart, mannagras, hazenzegge, scherpe boterbloem, wilde bertram, rood zwenkgras, egelboterbloem, kort afgegraasd door 2 paarden. Plaatselijk aspect van waternavel, veldrus, hazenzegge en herfstleeuwentand? Wetering? Panden 6m breed. 85. Prikkeldraad en bermvegetatie, Ha° Veel grote muur, reukgras, gewone veldbies, gele lis, wederik, biggenkruid, duizendblad, rood zwenkgras, schermhavikskruid, knopig helmkruid, klimop, Amerikaanse vogelkers, zomereik, zilverschoon, zandkool, grasmuur, schapenzuring. 86. Khk + Khw 1,5x3m, Sbraam Khk: zwarte els, zomereik, grote muur, schapenzuring, wederik, schermhavikskruid, reukgras, gewone veldbies, brem, hazelaar, kleine maagdenpalm. Khw: veel Amerikaanse vogelkers, spar, klimop, hulst, taxus, hop, gewone veldbies, gladde witbol, brem, kamperfoelie, schermhavikskruid, grote muur, hazelaar, wederik, kale jonker, zwarte els, zomereik, echte koekoeksbloem, grote delen dom. brandnetel, acacia, rolklaver spec., St-Janskruid.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 129 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

87. Khw, 1x4m Schapenzuring, pijpenstrootje, zomereik, Amerikaanse vogelkers, winterpostelein, Amerikaanse eik, brem, bochtige smele, kamperfoelie, valse salie, gewone ereprijs, gewone veldbies, gladde witbol, klimop, hazelaar, schermhavikskruid, haas. 88. Zomereikenrij op ‘voeten’, vroeger Khw Grote muur, veel vogelpootje, brem, klimop, biggenkruid, winterpostelein, duizendblad, kleine klaver. 89. Prikkeldraadvegetatie, Ha° Wederik, engelwortel, schapenzuring, rood zwenkgras, reukgras, duizendblad, gewone ereprijs, veldrus, gewone veldbies. 90. Hp-zilverschoonweiland Veldrus, mannagras, biezenknoppen, geknikte vossenstaart, winterpostelein, ruige zegge, pinksterbloem, veenwortel, krulzuring, oranjetipje, landkaartje, haas. Perceel erlangs met 1m opgehoogd? Geen vee op 17/5. 91. Khw van vooral acacia, 1x3m Klimop, Amerikaanse vogelkers, valse salie, zomereik, zwarte els, peterselievlier, grote muur. 92. Khw, 0,7x5m Veel klimop, zomereik, grote muur, hulst, berk, brem, lijsterbes, Amerikaanse vogelkers, zwarte els, peterselievlier, stinkende gouwe. 93. Khw van zomereik, 3x1m Duizendblad, biggenkruid, gewone veldbies, zwarte els, veel Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, klimop, hazelaar, schaduwgras, hulst, kamperfoelie, pl. dom. braam, eikvaren, havikskruid spec.. 94. Khw, 1x3m Veel grote muur, hulst, hazelaar, zomereik, klimop, wederik. 95. Bomenrij van zomereik, plaatselijk 5x0,5m dijk? Bonte gele dovenetel, hulst, Amerikaanse vogelkers, grote muur, kleine maagdenpalm, klimop, berk, Amerikaanse eik, winterpostelein, zwarte els, bamboe. 96. Gracht tussen dubbele Khw Grote muur, Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, zomereik, zwarte els, winterpostelein. 97. Hp+; zilverschoonweiland Gewone ereprijs, grasmuur, pinksterbloem, veelkleurig vergeet-mij-nietje, veldrus, reukgras, ruige zegge, moeraswalstro, gladde witbol, penningkruid, waterpeper, geknikte vossenstaart, engelwortel, wederik, 1 echte koekoeksbloem, hazenzegge, lidrus, riet, tijmereprijs, sloot met mannagras, rood zwenkgras, geknikte vossenstaart, krulzuring, wederik, kale jonker, veenwortel, veel larven gewone pad. Rand met Mr bespoten met herbiciden. Geen vee op 17/5 en op 13/6, wel reekalfje. Rand met

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 130 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

poelnr. 2: echte koekoeksbloem, wolfspoot, wederik, kale jonker. Poelnr. 2 bevat nog water op 13/6. Grote keizerslibel. 98. Hp+, zilverschoonweiland-witbolgrasland pinksterbloem, veldrus, gewone ereprijs, kamgras, wederik, mannagras, veenwortel, ruige zegge, gladde witbol, lidrus, brunel, waterpeper, rood zwenkgras, veel reukgras, holpijp, veelkleurig vergeetmij-nietje, moerasrolklaver, geknikte vossenstaart. Hoofdzouw: grote muur, egelboterbloem, zwarte zegge, reukgras, kruipend zenegroen, kale jonker, hazenzegge. Geen vee op 17/5 7/5/2018: de boeren zijn al volop aan het hooien! 99. Khw, 1x4m Trilpopulier, Amerikaanse vogelkers, klimop, hazelaar, sporkehout, Amerikaanse eik, kamperfoelie, zomereik, brem, zwarte els, hulst, stekelvaren, gelderse roos, schaduwgras, hop, bamboe. Gat. 100. Hp+ Veel reukgras, pinksterbloem, veel tijmereprijs, ruige zegge, scherpe boterbloem, krulzuring, kruipend zenegroen, veenwortel, zompvergeet-mij-nietje, holpijp, kale jonker. Sloot op -1,5m, cfr Miezerikbeek. Haas. Ca 30 koeien in perceel overzijde beek. Re-koor in de Miezerikvijvers. 101. Hc Veel veldrus, pl. veel holpijp, reukgras, pinksterbloem, scherpe boterbloem, grasmuur, blaaszegge, moerasrolklaver, krulzuring, penningkruid, zompvergeet-mij-nietje, tweerijïge zegge, dotterbloem, echte koekoeksbloem, kruipend zenegroen, kale jonker, egelboterbloem, zwarte zegge, gewone waterbies, veenwortel. Sloot op -1,5m. 102. Vijverdijk, elzenkant met gracht Veel ijle zegge, hulst, stekelvaren, klimop, kamperfoelie, berk, Amerikaanse vogelkers, zomereik, schermhavikskruid, gele lis, trilpopulier, wederik, valeriaan, lijsterbes, peterselievlier. Ijzerkwel. 103. Khw, 1x5m Dominantie klimop, lijsterbes, Amerikaanse vogelkers, hulst, stekelvaren, zomereik, kamperfoelie, Luzula congesta. 104. Hp+, gazon campus Nr. 13 Vl. Inst. voor Mobiliteit. Madeliefje, kale jonker, egelboterbloem, zwarte zegge, waterbies spec., ster-, hazen- en zwarte zegge, waternavel, veenmos spec., pinksterbloem, reukgras, veldrus, moeraswalstro, zompvergeet-mijnietje, kruipend zenegroen, wederik, blauwe zegge?, tormentil, moerasmuur, biggenkruid, echte koekoeksbloem, tijmereprijs, veelbloemige veldbies en Luzula congesta, mannagras. Wordt niet bemest, maar als gazon beheerd, met afvoer maaisel, maar wel laat beheerd, omdat het zeer lang zeer nat ligt. 105. Sloot, -0,7m, droog: Hf + Kb-fruitbomen Veel stekelvarens, engelwortel, kruipend zenegroen, pinksterbloem, penningkruid, kale jonker, wilde bertram, moerasspirea, reukgras, grote bevernel, gewone veldbies, klimopereprijs, duizendblad. Landkaartje, haas.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 131 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

106. Hp zz pinksterbloem, geknikte vossenstaart, z reukgras en scherpe boterbloem. 107. Sloot op -70cm, watervoerend: Hp+ Veel echte koekoeksbloem, reukgras, pinksterbloem, scherpe boterbloem, zompvergeet-mij-nietje, veel blaaszegge, zwarte zegge, penningkruid, moerasmuur, wilde bertram, moerasvergeet-mij-nietje, krulzuring, hoog struisgras, kattenstaart, moerasspirea, moeraswalstro. 108. Khw, grotendeels begraasd Klimop, Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, gelderse roos, klimopereprijs, wijfjesvaren, kamperfoelie, schaduwgras, ijle zegge, zevenblad, look-zonder-look, stinkende gouwe, haagbeuk, zomereik, gewone veldbies. 109. Hp (deel perceel is aardappelveldje t.h.v. Kw-els) Wat reukgras, pinksterbloem, veenwortel, krulzuring. 110. Prikkeldraadvegetatie, rand met perceel 111 Veel bosanemoon, scherpe boterbloem (samen met blauwe knoop bespoten op 18/6), duizendblad, pinksterbloem, wilde bertram, rood zwenkgras, gewone veldbies, blauwe knoop, kruipend zenegroen, reukgras, knoopkruid, echte koekoeksbloem, hazen- en pilzegge, grote muur, ruige zegge, ruw walstro, brandnetel, veldrus, Amerikaanse vogelkers, hengel, tandjesgras, gewoon struisgras, sporkenhout, veldrus, pijpenstrootje, gladde witbol, hard zwenkgras?, veenwortel, knoopkruid, rolklaver spec. 111. Hp van reukgras en gestreepte witbol. Pinksterbloem, rietgras, biggenkruid, rood zwenkgras, krulzuring. 112. Prikkeldraadvegetatie tussen perceel 106-109 Pinksterbloem, kruipend zenegroen, moerasspirea, duizendblad, reukgras, gewone veldbies. 113. Sloot, watervoerend Engelwortel, grote muur, knopig helmkruid, schapenzuring, ijle zegge, vingerhoedskruid. 114. Prikkeldraadvegetatie met aanplant, bespoten op 18/6 Duizendblad, adderwortel (indicator wetering? zeer klein, door langdurige droogte?), gladde witbol, veldrus, gewone wederik, wilde bertram, St-Janskruid, biggenkruid, schapenzuring. 115. Hp, omvat twee percelen naast elkaar Veel reukgras, zz pinksterbloem, zz scherpe boterbloem. 116. Khw, volledig begraasd, sterk gedegradeerd. Vroege haver pl. dom., schapengras, bochtige smele, 1 vogelmelk, biggenkruid, zomereik, beuk, gewone veldbies, Amerikaanse eik, klimopereprijs.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 132 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

8/5/2018 117. Khw van zomereik Veel biggenkruid en schapenzuring, reukgras, viooltje spec., gewone veldbies, schermhavikskruid, kleine klaver, brunel, vroege haver, Amerikaanse vogelkers, hulst, duizendblad, bezemkruiskruid, kamperfoelie, winterpostelein, stinkende gouwe, brem, zandhoornbloem. 118. Hp+, zilverschoonweiland Geknikte vossenstaart, veenwortel, dominantie reukgras, mannagras, tijmereprijs, pinksterbloem, veldrus, scherpe boterbloem, slootrand met holpijp, echte koekoeksbloem. 119. Hp+ Dominantie reukgras, pinksterbloem, holpijp, veldrus, egelboterbloem, knoopkruid, scherpe boterbloem, krulzuring, ruige zegge, wilde bertram, madeliefje, veel zwarte zegge, sloot op -40cm met wederik, holpijp, riet, moeraswalstro. 120. Hp in panden Dominantie reukgras, pinksterbloem, egelboterbloem, zwarte zegge?, veenwortel, sloot op -30cm op grens met 118: veel holpijp, wederik, wolfspoot, gele lis, sporkehout. Veldrus in sloot op grens met perceel 121. 121. Bomengroep van zomereik op panden, begraasd. Ha° Veel hengel, hulst, Amerikaanse vogelkers, kamperfoelie, gewone veldbies, veelkleurig vergeet-mijnietje, kleine leeuwentand, hard zwenkgras, klein bronkruid, kleine klaver, duizendblad, havikskruid spec., gladde witbol, biggenkruid, klimop, pl. veel vroege haver, grote muur, gladde witbol, tandjesgras, brunel, langbaardgras. 122. Khw langs sloot, 2x0,5-1m, begraasd Kamperfoelie, grote muur, schaduwgras, veel hengel, Amerikaanse vogelkers, havikskruid spec., veel ijle zegge in slootrand, vroege haver, biggenkruid, gewone veldbies, herfstleeuwentand?, schapenzuring, bezemkruiskruid, duizendblad. 123. Wegbermen weerszijde weg, prikkeldraadvegetatie. Ha° Veel gewone veldbies, hazenzegge, duizendblad, schapenzuring, rolklaver spec., biggenkruid, kleine klaver, sporkehout, braam, hard zwenkgras, vroege haver, vogelpootje, borstelgras, tormentil, akkermunt, gewoon struisgras, tandjesgras, gladde witbol, veldrus, schapengras, rode schijnspurrie, pijpenstrootje, langbaardgras, gewone wederik, hopklaver, kleine leeuwenklauw. 124. Hp + Hp+ Sloot langs sparren op -1m: ijle zegge, wolfspoot. Perceel: reukgras aspectbep., biggenkruid, pl. dom. schapenzuring, hard zwenkgras, scherpe boterbloem. 125. Hf: sloot op -1m Grote egelskop, groot moerasscherm, engelwortel, grote muur, geoord helmkruid, lidrus, gele lis.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 133 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

126. Hp + Hp+, vroeger vijver Reukgras, veel veenwortel, geknikte vossenstaart, biggenkruid, veelkleurig vergeet-mij-nietje, hard zwenkgras, herfstleeuwentand?, rietgras, pinksterbloem, tijmereprijs, duizendblad, schapenzuring, knopig helmkruid, grote muur. 127. Prikkeldraadvegetatie, S-braam a. vlak deel: adderwortel naast duizendblad en schapenzuring, biggenkruid, kantig hersthooi, wederik, veenwortel, braam, akkerviooltje. Kleine vuurvlinder. b. wal: Amerikaanse vogelkers, grote muur, Jacobskruiskruid, sporkehout, schapenzuring, Amerikaanse eik, acacia. 128. Hp + Hp+, 1 paard; zilverschoonweiland Biezenknoppen, wederik, veel egelboterbloem, veenwortel, kattenstaart, kale jonker, moerasrolklaver, hazenzegge, moeraswalstro, zomprus?, bosbies, mannagras, geknikte vossenstaart, madeliefje, moerasvergeet-mij-nietje, pinksterbloem, waterpeper, veldrus, in slootrand (vroegere Plompaartbeek) veel grote muur en veel wijfjesvaren. Landkaartje. 128a. Slootrand met perceel 129: Hf: kattenstaart, bosbies, moerasspirea, veenwortel, veldrus, adderwortel, rietgras, kale jonker, pinksterbloem, reukgras, wilde bertram, valeriaan, wederik. 129. Hc° (veldrusvegetatie), Hp+ (reukgras-witbolgrasland), Hp, Hf, Hj; 2 percelen aanpalend. Droognatgradiënt Holpijp, valeriaan, veel veldrus, kale jonker, pinksterbloem, veenwortel, biggenkruid, margriet, reukgras aspectbepalend, biezeknoppen, krulzuring, hazenzegge, Jacobskruiskruid, knoopkruid, geknikte vossenstaart; laag deel: echte koekoeksbloem, veldrus, moerasrolklaver, kale jonker, moerasmuur, biezeknoppen, veenwortel, mannagras . Geen dieren op 18/5 129a: prikkeldraadvegetatie Hf: dotterbloem, echte koekoeksbloem, veldrus, moerasspirea, kale jonker, krulzuring, veenwortel, moerasmuur, mannagras, geknikte vossenstaart, zwarte zegge, wilde bertram, wederik, bosbies, valeriaan, bitterzoet, adderwortel, holpijp, tweerijïge zegge, kruipend zenegroen. Prikkeldraadvegetatie op grens met 150: schapenzuring, Jacobskruiskruid, echte koekoeksbloem, moerasspirea, wilde bertram, pinksterbloem, holpijp, veldrus, kruipend zenegroen, reukgras, grote zegge spec., dotterbloem, kale jonker, blaaszegge, egelboterbloem. Hoornaar. 130. Wegberm: Ha° Muizenoor, vogelpootje, vroege haver, schermhavikskruid, havikskruid spec., schapenzuring, biggenkruid, duizendblad, gewone veldbies, peen, reukgras, hard zwenkgras, pijpenstrootje, vingerhoedskruid. 131. Khw, 6x1m Schapengras, gladde witbol, hengel, Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, pijpenstrootje, struikheide, riet, zomereik, bochtige smele, tormentil, zwarte zegge, havikskruid spec., hazenzegge, gewone veldbies, berk, gewone den, veelbloemige veldbies (incl. congesta), gele lis, lidrus, veldrus, sloot dwarst het element.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 134 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

132. Khw, 8x1m Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Japanse duizendknoop, gladde witbol, gewone den, struikheide, schapengras, pijpenstrootje, schapenzuring, hengel, bochtige smele, blauwe bosbes, grote muur, adelaarsvaren, zwarte zegge. Poel vlakbij: bitterzoet, veldrus, gewone waterbies, kale jonker, wolfspoot, nog steeds vol water. Fazant. 133. Khw, 7x1m, gedomineerd door Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik Adelaarsvaren, pijpenstrootje, bochtige smele, zomereik, havikskruid spec., kamperfoelie, hulst, pilzegge, wijfjesvaren, zwarte els, bamboe aan jachthut. Sloot van 1,5m diep dwars door Khw gegraven! 17/5/2018 134. Hu°, gestreepte witbolgrasland Aspect van grote vossenstaart en fluitenkruid. Veel knoopkruid, reukgras, kale jonker, kruisbladig walstro, gewone ereprijs, kleine klaver, grasmuur, grote bevernel, rood zwenkgras, glanshaver, kruipend zenegroen, kamgras, veldlathyrus, gewone veldbies, brunel, engelwortel, peen, gewoon struisgras, kale jonker, moerasrolklaver, veenwortel. 135. Lh/Hr Kale jonker, engelwortel. 136. Hp, begraasd door 2 ezels Aspect van fluitenkruid en scherpe boterbloem. Veldbeemdgras, gewone ereprijs, madeliefje, grasmuur, Jacobskruiskruid, veldlathyrus, brunel, 1 echte koekoeksbloem. 137. Hp + Hu°, gestreepte witbolgrasland Echte koekoeksbloem, margriet, krulzuring, reukgras, grasmuur, veel knoopkruid, veenwortel, kleine klaver, glanshaver, fluitenkruid, moeraszegge, veldbeemdgras, duizendblad, moerasspirea, groot streepzaad, rietgras, veldlathyrus, gewoon struisgras, rapunzelklokje, pl. dom. kweek, rietgras, Jacobskruiskruid. 138. Oeverzone poel, droogstaand Gele waterkers, kalmoes, liesgras, grote egelskop, bitterzoet, pitrus, gele lis, haagwinde, waterpeper, hop, kleefkruid, schiet- en boswilg, kattenstaart, Chenopodium spec., rietgras, harig wilgenroosje, wederik. Grote stenen en 1 ijzeroersteen. 139. Hu°: Wegberm Veel margriet, peen, duizendblad, biggenkruid, gewone veldbies, gewone ereprijs, kleine klaver, StJanskruid, grote bevernel, knoopkruid. 140. Hp+: Witbolgrasland Margriet, echte koekoeksbloem, reukgras, krulzuring, biezeknoppen, mannagras, engelwortel, zompvergeet-mij-nietje. Gemaaid op 13/6. 141. Hp+ Margriet, St-Janskruid, reukgras, rood zwenkgras, veldbeemdgras. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 135 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

142. Hx Pas ingezaaid met raaigras, echte koekoeksbloem, reukgras, krulzuring, veel kleine klaver, veenwortel, wederik, margriet, honingklaver. 143. Wegberm en gracht Adelaarsvaren, havikskruid spec., ijle zegge, duizendblad, kleine klaver, valse salie, peen, hengel, Amerikaanse eik. 144. Hj+Hf, 2 jaar geleden nog maïsakker Moerasrolklaver, echte koekoeksbloem, leverkruid, kattenstaart, geknikte vossenstaart, watermuur, biezenknoppen, ruige zegge, Canadese guldenroede, kale jonker, harig wilgenroosje, kruipende boterbloem, beekpunge, tengere rus, hazenzegge, grasmuur, wolfspoot, ruw beemdgras, engelwortel, heelblaadjes, lisdodden spec., reukgras, ijle zegge, grote muur, Jacobskruiskruid, riet, koningskaars, 1 ex. vrouwenmantel spec., wijfje platbuik, ree. Peilbuisgegevens? 145. Witbol-reukgrasgrasland Reukgras aspectbepalend op 17/5 en gestreepte witbol aspectbepalend op 13/6, moerasrolklaver, fioringras, pinksterbloem, rood zwenkgras, geknikte vossenstaart. Perceel erlangs, grenzend aan perceel 59 pas gemaaid: mannagras, reukgras, geknikte vossenstaart, pinksterbloem. 146. Hf langs zompige sloot, rest van het perceel was al gemaaid Mannagras, geknikte vossenstaart, niet begraasd deel van de sloot: veel holpijp, veenwortel, kale jonker, leverkruid, engelwortel, lisdodde, rietgras, hop, wederik, biezenknoppen, ruige zegge. Haas. 147. Prikkeldraadvegetatie en gracht Hazenzegge, wederik, reukgras, pinksterbloem, moeraswalstro, veenwortel, geknikte vossenstaart. 148. Hf. Prikkeldraadvegetatie en gracht Engelwortel, wederik, knopig helmkruid, holpijp, riet, bespoten! 149. Prikkeldraadvegetatie Zilverschoon, veenwortel, kale jonker, reukgras, veldrus, pinksterbloem, krulzuring, wilde bertram, geknikte vossenstaart, engelwortel, wederik, hazenzegge, kantig hertshooi. 18/5/2018 150. Hr + Hc°, Hp+, Hf; 2 pony’s, zeer kort afgegraasd. Droog-natgradiënt Waterpeper, Jacobskruiskruid, egelboterbloem, biggenkruid, duizendblad, schapenzuring, grasmuur, veldrus, wilde bertram, krulzuring, echte koekoeksbloem, kattenstaart, pinksterbloem, zwarte, blaasen hazenzegge, moerasspirea, kale jonker, liggend vetmuur, veenwortel, reukgras, bosbies, gewone waterbies, gele lis, grote egelskop, mannagras, tweerijïge zegge, wolfspoot, engelwortel, veel dotterbloem in rand met perceel 151. 151. Hp + Hf Rand met perceel 150 over 25m: reukgras, veldrus, veel echte koekoeksbloem, hennegras, Amerikaanse vogelkers, moerasspirea, kale jonker, wilde bertram, mannagras, kruipend zenegroen, ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 136 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

moerasrolklaver, pinksterbloem, rietgras, tweerijïge zegge, egelboterbloem, veenwortel. Onderste deel perceel aspect van gekinkte vossenstaart en mannagras, bovenaan: witbolaspect. 152. Hp Pinksterbloem, reukgras, veldrus, kap de populieren. 153. Witbolgrasland, Hp + Hp+. Wetering? Veldrus, wederik, biggenkruid, pinksterbloem, reukgras, rietgras, veenwortel, vogelwikke, kale jonker, Agrostis spec., gladde witbol, rolklaver spec., tweerijïge zegge, grote zeggen spec., grasmuur, duizendblad, veel wilde bertram, wederik, moerasrolklaver, echte koekoeksbloem, engelwortel, pinksterbloem, rood zwenkgras, blaaszegge, mannagras, kruipend zenegroen, biezeknoppen, egelboterbloem, grote zeggen spec., put op -1m op 18/5 en -0,5m tov grachtbodem op 14/6. Grote muur vlakbij de lager gelegen akker. 154. Ha° + Hp+, 2 pony’s. Droog-natgradiënt, zeer kort afgegraasd Waterpeper pl. dom., veldrus, veenwortel, Jacobskruiskruid, beklierde duizendknoop, biggenkruid, brunel, kleine klaver, wolfspoot, egelboterbloem, grasmuur, gewoon struisgras, gladde witbol, tijmereprijs, duizendblad, schapenzuring, pinksterbloem, reukgras, St-Janskruid. Onder prikkeldraad met 155: kleine leeuwentand en hazenzegge. 155. Witbolgrasland, Hp + Hp+; voetbalveldje Schapenzuring, reukgras, egelboterbloem, hazenzegge, veldrus, veenwortel, duizendblad, biggenkruid, egelboterbloem, rietgras, mannagras, rood zwenkgras. 156. Hr (Hp+) Knoopkruid, duizendblad, grasmuur, schapenzuring, biggenkruid, pinksterbloem, krulzuring, veldrus, echte koekoeksbloem, reukgras, wilde bertram, wederik, moeraszegge op grens met perceel 155, grote zeggen spec. Weg langs het perceel: langbaardgras, zandzegge, schapenzuring, zandhoornbloem, gewone reigersbek, duizendblad, biggenkruid, rood zwenkgras, grasmuur. 157. Hp+, wetering? Mr op de grens met de akker: wederik, echte koekoeksbloem, kattenstaart, veenwortel, zompvergeetmij-nietje, wilde bertram, leverkruid, gele lis, riet, wolfspoot, lisdodde spec., veldrus, veelkleurig vergeet-mij-nietje. Witbolgrasland: codom. reukgras, veel grote ratelaar, duizendblad, veenwortel, pinksterbloem, wilde bertram, grasmuur, kleine klaver, veldrus, echte koekoeksbloem, mannagras, geknikte vossenstaart. Geen dieren. Grens met 158: riet, wederik, veldrus, kattenstaart, moeraswalstro, vogelwikke, hazenzegge, moerasandoorn, egelboterbloem, kale jonker, Bidens spec., fioringras, biezeknoppen, Jacobskruiskruid, moerasrolklaver, mannagras, geknikte vossenstaart. 158. Hp+, witbol-reukgrasgrasland Veel knoopkruid, reukgras, biggenkruid, gewoon struisgras, hoog struisgras, brunel, rood zwenkgras, kleine klaver, duizendblad, Jacobskruiskruid, kruipend zenegroen, grasmuur. ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 137 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Lagergelegen deel: moerasspirea, veenwortel, knoopkruid, moeraswalstro, moerasrolklaver, grasmuur, St-Janskruid, veelkleurig vergeet-mij-nietje, reukgras, rood zwenkgras, 1 ex. echte koekoeksbloem, kruipend zenegroen. 158a. prikkeldraadvegetatie: kruipend zenegroen, schapenzuring, gewone veldbies, Jacobskruiskruid, biggenkruid, gladde witbol, wilde betram, knoopkruid, veldrus, grasmuur, duizendblad, veelkleurig vergeet-mij-nietje. Geen dieren. Grote muur langs de bovenste zijden van de knotwilgenrij. 159. Hp+ Veel grote ratelaar, veenwortel, wilde bertram, geknikte vossenstaart, herfstleeuwentand?, biggenkruid, vogelwikke, gewone wederik, reukgras, veelkleurig vergeet-mij-nietje, rood zwenkgras, pinksterbloem, grasmuur, kattenstaart, veldrus op grens met de akker. Slootrand met 157: grote ratelaar, wilde bertram, veenwortel, kattenstaart, gewone wederik, wolfspoot, duizendblad, veldrus, grasmuur, moeraswalstro. 160. Hf + Hp+, 2 paarden, zeer kort afgegraasd, wetering? Veldrus, reukgras, zilverschoon, pinksterbloem, hazenzegge, wilde bertram, kale jonker, egelboterbloem, grasmuur, veenwortel, wederik, mannagras, herfstleeuwentand? Akker erlangs ligt hoger. 160a. Hf: sloot in rand met perceel 161: tweerijïge zegge, moerasspirea, gele lis, kattenstaart, holpijp, wolfspoot, valeriaan, ruige zegge, pinksterbloem, veldrus, kale jonker, moerasrolklaver, duizendblad, grasmuur, akkerviooltje, veenwortel, kantig hertshooi, krulzuring, engelwortel, wilde bertram. Rand met perceel 159, talud: muizenoor, veldrus, duizendblad, biggenkruid, reukgras, akkerviooltje, grasmuur, zilverschoon, veelkleurig vergeet-mij-nietje. 161. Hp+ + Ha°, zeer kort afgegraasd door 2 paarden, wetering? Veelkleurig vergeet-mij-nietje, veenwortel, duizendblad, ruige zegge, veldrus, kattenstaart, wilde bertram, gladde witbol, leverkruid, lidrus, moerasdroogbloem, greppelrus en waterpeper, pinksterbloem, wederik. 161a. Bovenaan en perceel grenzend aan de akker: duizendblad, biggenkruid, schapenzuring, rood zwenkgras, brem, langbaard- en eekhoorngras, veldereprijs, veel kleine leeuwentand, gewoon struisgras, vogelpootje, hazenzegge, kleine leeuwenklauw, gewone rolklaver, veenwortel, schapengras, Jacobskruiskruid, St-Janskruid, grasmuur, zandhoornbloem, gewone veldbies, akkerviooltje, heidespurrie, kleine klaver, herfstleeuwentand?, akkermunt, gladde witbol. 162. Hp+ + Hc° Veenwortel, reukgras, holpijp, knoopkruid, veldrus, pinksterbloem, krulzuring, veelkleurig vergeet-mijnietje, kamgras, vogelwikke, geen dieren. Tussen 161 en 162: wilde bertram, biggenkruid, hazenzegge, grasmuur, kruipend zenegroen. 163. Aanplant Brem, hazelaar, berk, klimop, kleine maagdenpalm, hulst, winterpostelein, vingerhoedskruid, spar, buxus (aangetast door mot), els, look-zonder-look, veel tuinplanten? Wateraftappunt dat in de sloot langs de woning nr 51 aan de Plompaartstraat uitmondt en daar met afvalwater gemengd wordt.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 138 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

164. Hp+, zeer kort afgegraasd door 2 pony’s Veel duizendblad en reukgras, rolklaver spec., Jacobskruiskruid, biggenkruid, grasmuur, veenwortel, schapenzuring, hazenzegge, kleine leeuwenklauw. In de sloot langs de weg: holpijp, moerasspirea, engelwortel, veenwortel, wederik. 165. Hp+, gestreepte witbolgrasland Grasmuur, Jacobskruiskruid, geknikte vossenstaart, groot streepzaad, duizendblad, biggenkruid, reukgras, mannagras, gewone waterbies, moerasrolklaver, krulzuring, hazenzegge, echte koekoeksbloem, rood zwenkgras, veldrus, biezenknoppen, wederik. 165a. prikkeldraadvegetatie met perceel 166: blaaszegge, veenwortel, biezenknoppen, hazenzegge, reukgras, grasmuur, duizendblad, kruipend zenegroen, schapenzuring, kale jonker, grote muur, zilverschoon, veldrus, kattestaart, penningkruid, gewone veldbies, pinksterbloem, biggenkruid, echte koekoeksbloem, rood zwenkgras, wederik, moeraswalstro, riet, rolklaver spec., scherpe boterbloem werd bespoten, mierenbulten. 166. Hp, pas met gier bemest en zeer kort afgegraasd Veel reukgras, kale jonker, grasmuur, veel biggenkruid – duizendblad-gewoon struisgras, Engels raaigras, schapenzuring, Jacobskruiskruid, gewone raket, herderstasje, Canadese fijnstraal, greppelrus. Haas. 13, 14 en 18/6/2018 167. Hp Codom. Engels raaigras – gestreepte witbol, egelboterbloem, hazenzegge, ruige zegge, veenwortel. 168. Ha°, gazon (geïnventariseerd vanop de weg) Biggenkruid, gewone reigersbek, schapenzuring, kleine klaver, muurpeper, gewone veldbies, duizendblad, liggend hertshooi, herfstleeuwentand? 169. Hp+ Schapenweide, kort afgegraasd: reukgras, biggenkruid, gladde witbol, schapenzuring, gewone veldbies, duizendblad, gewone reigersbek, veldrus, ruw walstro, kale jonker, hazenzegge, kleine leeuwentand, brunel; in de wegberm: zilverhaver, kleine leeuwenklauw, zandmuur, langbaardgras. 170. Hp Reukgras dominant, biggenkruid, St-Janskruid, hazenzegge, rolklaver spec. 171. Hc + Hp+ (tuin paters) reukgrasgrasland. Poelen bijna uitgedroogd op 18/6 Egelboterbloem, moerasrolklaver, engelwortel, moerasspirea, kattenstaart, gewone wederik, kale jonker, grasmuur, veldrus, holpijp, knoopkruid, reukgras, leverkruid, bosbies, krulzuring, hazenzegge, rood zwenkgras, echte koekoeksbloem, valeriaan, gewone waterbies. Poel: grote waterweegbree, lisdodde spec., holpijp, zompvergeet-mij-nietje, egelboterbloem, gewone waterbies, drijvende waterweegbree. Poel met houten constructie: nog 10 cm water, haast volledig droog, drijvend fonteinkruid, kleine duizendknoop.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 139 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

Drijvende waterweegbree van perceelnr. 171

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 140 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

BIJLAGE 2: HISTORISCHE KAARTENREEKS

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 141 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 142 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Historische kaartenatlas Kaart 1: Ferraris 1777 Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

Bron: Web Map service met historisch kaartmateriaal van het Vlaamse landsgedeelte van BelgiĂŤ, Ferrariskaart (1777), Vlaanderen (informatie Vlaanderen 2017) aangemaakt op: februari 2020

0

100

200

300

400

500 m

Âą


Kaart 2


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Historische kaartenatlas Kaart 3: Vandermaelen (1846-1854) Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

Bron: Web Map service met historisch kaartmateriaal van het Vlaamse landsgedeelte van BelgiĂŤ, Topografische kaart Vandermaelen (1846-1854), Vlaanderen (informatie Vlaanderen 2017) aangemaakt op: februari 2020

0

100

200

300

400

500 m

Âą


LANDINRICHTING

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Historische kaartenatlas Kaart 4: Atlas der Buurtwegen (1841-1845) Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

Bron: Atlas van de Buurtwegen - Provincie Limburg, toestand 1845 (Provincie Limburg, 08/10/2002)

0

100

200

300

400

500 m

Âą

aangemaakt op: februari 2020


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Historische kaartenatlas Kaart 5a: Topokaart 1873 Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

Bron: Uittreksel CartoWeb-TOPO (1873), OpenGis® Web Map Tile Servive NGI© Nationaal Geografisch Instituut

0

100

200

300

400

500 m

±

NGI - IGN

aangemaakt op: februari 2020


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Historische kaartenatlas Kaart 5b: Topokaart 1904 Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

Opmerking: Op de topokaart van 1904 is de Terwaerden hoeve nog ingetekend. Volgens de archieven werd deze hoeve echter afgebroken in 1873.

Bron: Uittreksel CartoWeb-TOPO (1904), OpenGis® Web Map Tile Servive NGI© Nationaal Geografisch Instituut

0

100

200

300

400

500 m

±

NGI - IGN

aangemaakt op: februari 2020


Kaart 6


Kaart 7


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Historische kaartenatlas Kaart 8: Topokaart 1969 Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

Bron: Uittreksel CartoWeb-TOPO (1969), OpenGis® Web Map Tile Servive NGI© Nationaal Geografisch Instituut

0

100

200

300

400

500 m

±

NGI - IGN

aangemaakt op: februari 2020


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Historische kaartenatlas Kaart 9: Orthofoto 1971 Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

Bron: WMTS historische cartografie tijdreeks ortho's zw en kleur, OrthofotomozaĂŻek, kleinschalig, zomeropnamen, panchromatisch, 1971, Vlaanderen (informatie Vlaanderen 2017)

0

100

200

300

400

500 m

Âą

aangemaakt op: februari 2020


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Historische kaartenatlas Kaart 10: Topokaart 1981 Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

Bron: Uittreksel CartoWeb-TOPO (1981), OpenGis® Web Map Tile Servive NGI© Nationaal Geografisch Instituut

0

100

200

300

400

500 m

±

NGI - IGN

aangemaakt op: februari 2020


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Historische kaartenatlas Kaart 11: Topokaart 1989 Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

Bron: Uittreksel CartoWeb-TOPO (1989), OpenGis® Web Map Tile Servive NGI© Nationaal Geografisch Instituut

0

100

200

300

400

500 m

±

NGI - IGN

aangemaakt op: februari 2020


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Historische kaartenatlas Kaart 12: Orthofoto 1995 Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

Bron: WMTS historische cartografie tijdreeks ortho's zw en kleur, OrthofotomozaĂŻek, kleinschalig, zomeropnamen, panchromatisch, 1995, Vlaanderen (informatie Vlaanderen 2017)

0

100

200

300

400

500 m

Âą

NGI - IGN

aangemaakt op: februari 2020


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

BIJLAGE 3: OP TE ZOEKEN LITERATUUR Meuwissen M., Rechttrekking van de Stiemerbeek in 1903. Heidebloemke 46: 65-73. Pieters Jos, 1947. De Toponymie van Zuid-Limburg inzonderheid van de gemeenten tussen Demer en Herk. Diss. Leuven. Verlinden C., 1997. Landschapsgeschiedenis van het Zoerselbos. Zoerselbos-info, mei 1997: 12-28. Van Den Broek J., 1985. De haalbaarheid van de herinrichting van het vloeibeemdensysteem. In: De Bauw et al., 1985. Het Zoerselbos. Inventarisatieresultaten en richtlijnen voor het beheer. Koning Boudewijnstichting. Reeks stad en dorp 80, 12. Gemeente Zoersel en Brussel, 445 blz. en 4 bijl.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek

pagina 143 van 144


Steymer’s wetterland in Diepenbeek

BIJLAGE 4: KAARTENREEKS BIJ DE TEKST

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 144 van 144

Landinrichting De Wijers – Signaalgebied Campus Diepenbeek


Kaart 1: Masterplan Signaalgebied en Campus Diepenbeek


Kaart 2: Gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 3: Studiegebied Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer waterlopen 5

3 4 2

overige LIP's 1, Dauteweyers 2, Slagmolen 3, Schansbroek 4, Openruimtegebied Kiewit-Zonhoven 5, Mijn - Mangelbeekvallei

1

Legende inzetkaartje LIP Oude en Nieuwe Stiemer

Landinrichtingsproject

Stiemerbeekvallei de Wijers Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek de Wijers Roosterbeek-Mangelbeek de Wijers Beleven

bron: - Topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2008 (Informatie Vlaanderen) -Vlaamse Hydrografische Atlas - Waterlopen, toestand 01/2017, VMM (Informatie Vlaanderen, 2017) bron inzetkaartje: - WMS Carto-Web - Topo, Nationaal Geografisch Instituut (Informatie Vlaanderen 2017)

0

100

200

300

400

500 m

Âą

aangemaakt op: februari 2020


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Ur

Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur

Ur Ur

Ur

Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur

Ur

Ur

Ur

Ur

Ur

Ur

Ur

Ur Ur Ur

Ur

Ur

Ur

Ur

Ur

plein

Ur Ur

Ur

Ur Ur

Ur

Ur

Ur

T

Ur Ur

S/R

T

Ur R

Ur

S/R

Ur

Ur Ur

T

Ur Ur

Ur Ur

T Hr/S

Ur

Hr/S

Ur

Ur

Ur

Ur

Ur

Ur Ur

Ur

Ur

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

Ur

Ur

administratief perceel (GRB 2017)

Ur Ur Ur Ur

S/R S/R

Lh/R/S Ur

Ur

Ur

Ur Ur

Kaart 4: Bodemgebruik / KLE 2018

Ur

Lh/R/S

Lh/R/S

Ur

Ur

Ur

Ur

Ur Ur Ur Ur Ur

Ur Ur Ur

Ur Ur

S/R

Ur

Ur

Ur

Ur

S/R

Ur Ur Ur Ur

Ur

Ur

Ur

Ur

Ur Ur Ur Ur Ur

Ur

Ur

Ur

Ur Ur

Ur

Ur

Ur Ur Ur

Ur

Ur

Ur

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek

Ur Ur

Ur

grasland akker

Ur

bos

bramen

Ur

Ur

Hr/S, verruigd grasland met struweel

Ur

P

Ur Ur

Ur

Ur Ur

Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur

Ur

 kapel

Ur

Ur Ur Ur Ur Ur

! ( poel

Ur Ur Ur Ur Ur Ur

5

struweel

bomenrij haag

houtkant

Ur

Ur

houtwal

Ur

knotbomenrij

Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur

Ur

put

? solitaire boom

Ur Ur Ur Ur

Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur Ur

brug beton

ÒÒ brug hout 

gracht

rietland

Ur

voetpad

Lh/Hr Lh/R/S Lh/R/S Lh/R/S

Lh/R/S

S/R

Lh/Hr

0

100

200

300

400

500 m

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen

±

aangemaakt op: februari 2020


L A NDI NR I C H T I NG

10 2

100

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

100

101

171

48

57 5 0

27

12

13

22

15

28

76

78

26

17 18

37

16

38

300

400

500 m

128a

69

68 12 12 1 2

12 7a

42 113

114 10 7

1 10 05 8 1

lineair element, vochtig tot nat 1

63 61 21

19

167

60 66

64

65

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen

134

200

lineair element, droog

168

137

100

geĂŻnventariseerd perceel

112

140 75

136 135

0

administratief perceel (GRB 2017)

24

62

37

14

31

77

23

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

30

55

56

32 25

8

11 7

82 83

54

71b

72

116

84

47

20

9

51

10

52 53

71 a

44

Kaart 5: Inventarisatienummers

80

49

2

7

47

46

106

74

79a 79b

45

13 3

145

165

164

58

59 11

3

169 170

98 98 95 94

144

162

73

72

161a

110 109

115

160 166

29

132

89

161

120 126 123 118 111 125 111 43

119

81

97

161a

96

131

4a

4b

148

159

152

158 158 a

16 5a

87 14 6

35

149

143

4a

147

92 163

91

85

157

70

130

142

153

86 90

150

151

a 160

36

5

40

93

33 88

128

129

12 7b

3 10

39

34

6

40

156

129a

41

33

141

154

15 5

99 104

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek

67

155

138

9 13

Âą

aangemaakt op: februari 2020


Zbg Zdg

Zdg

OB

Zcg

OB

Zcg

Zdg

Zfg

L A NDI NR I C H T I NG

Zdg

Sep

Zeg

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

X

OT

Zcg

X

Zeg

Pfp

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek

Seg OB

OB

OB Zdg

Sec

Zeg

Kaart 6: Bodemkaart Legende

Sdg Sdm

perimeter historisch ecologisch onderzoek

Zdg

Sdg Sdm

OB

OB

Zcg

Zcg Zdg

OB

Seg

Zcg Pep

Oude en Nieuwe Stiemer waterlopen

Bodemserie Eep Ldc Lhc

Lep

Pcc

OB

Pdc

Pep

Zdg

Pfp OB

Zeg

Zdg

Zeg

Sdc

Sdc Sec Shc Scg

Sdg Seg

Sbm Eep

Scm

Seg

Sdm

Sdm Sep

Pep

OB

Scg Shc

Sdg

OB

Zeg

Sdg

OB

OB

Zeg Zfg

OB

Seg

OB

OB OT

OB

Shc

bron: -Vlaamse Hydrografische Atlas - Waterlopen, toestand 01/2017, VMM (Informatie Vlaanderen, 2017) -Bodemkaart 2_0, Dienst Land en Bodembescherming, correcties 2017 (DOV, 2017) -Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1991-2008 (Informatie Vlaanderen, 2017)

Zdg

OB Scm OB

Sbm

0 Pdc Ldc

Pcc 100 Ldc

200

300

400

OB

Scm

Sdm

OB

500 m Pdc

OB

OB Lhc

Zbg

Kunstmatige gronden

Sdm

OB

Zec

Zdg

Pep Sbm

Zdc

Zcg

Zec

Sdg

Eep

Pep

X

Zdg

OB

Sdm

Shc OB

Pep

Lep

Zdc

±

Pep

Eep

Pfp

aangemaakt op: februari 2020


Zdg

OB

Zdg

OB

Zbg Zcg

Zfg

Zcg

Zdg

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

X

OT

Zcg Seg

OB

OB

X

Zeg

Pfp

Sec

L A NDI NR I C H T I NG

Zdg

Sep

Zeg

OB

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek

Zdg Zeg

Sdg

Kaart 7: Bodemkaart: textuurklasse

Seg Sdm

Zcg Sdm

Zdg

OB Zcg

Sdg

OB

OB

Zdg

Zcg OB

Pep

Zdg

Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

administratief perceel (GRB 2017)

Textuurklasse E L

P S OB

Zeg

Zeg Sdm

Eep Pep

Seg

Eep

Sdg

OB

OB

OB

OB

200

300

400

OB Seg

Shc

OB

Ldc

Zec

OB

Sdm

Sbm

Ldc

Sdg

Pep

OB

Pcc 100

Zdg

Sdg

Pep

Sbm

Scm

OB

Scg

OB

Shc

0 Pdc

Z

Zdg

Zeg

Sdc

X

OB

Scm

Sdm

OB

500 m

Pdc

Sdm OB

Lhc

OB

OB

Shc OB

Pep

Lep

bron: -Bodemkaart 2_0, Dienst Land en Bodembescherming, correcties 2017 (DOV, 2017) - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen

Zdg

Zdc

±

Pep Pfp Eep

aangemaakt op: februari 2020


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 8: Bodemkaart: drainageklasse Legende

administratief perceel (GRB 2017)

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

Drainage

b : droog

c : matig droog d : matig nat e : nat

f : zeer nat h

bron: -Bodemkaart 2_0, Dienst Land en Bodembescherming, correcties 2017 (DOV, 2017) - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen

0

100

200

300

400

500 m

Âą

aangemaakt op: februari 2020


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 9: Digitaal hoogtemodel Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer waterlopen

administratief perceel (GRB 2017)

DHM II - 1m raster Value

High : 52,88 Low : 31,64

bron: -Vlaamse Hydrografische Atlas - Waterlopen, toestand 01/2017, VMM (Informatie Vlaanderen, 2017) -Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen II, DSM, raster, 1m, (Informatie Vlaanderen, 2015) - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen

0

100

200

300

400

500 m

Âą

aangemaakt op: februari 2020


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek

! (

! ( 9

! (

# *

Kaart 10: Ijzerkwel en grondwaterniveau

! (

Legende

! (

8

perimeter historisch en ecologisch onderzoek

# *

! ( ! (

Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017)

! ( 6

# *

! ( ijzerkwel waterput

# *

! (

7

# *

! (

! (

! ( ! (

! (

! (

4

# * 5

! (

10

! (

# *

niveau in waterput: 1. -20cm (12/02/2018) 2. -50cm (12/02/2018) 3. -30cm (16/02/2018) 4. -50cm (12/02/2018) 5. -100cm (07/02/2018) 6. 0cm (07/02/2018) 7. -50cm (07/02/2018) en -100cm (17/05/2018) 8. 0cm (19/02/2018) 9. -100cm (19/02/2018) en -250cm (18/05/2018) 10. -100cm (04/05/2018)

# *

! (

2

# *

! (

1

! (

# * ! (

! ( bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017)

3

aangemaakt op: januari 2020

# * 0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 11: Afwatering en fysisch systeem Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer grachten

afstromingskaart < 0,5 ha

0,5 - 5 ha 5 - 10 ha

10 - 20 ha 20 - 50 ha

50 - 100 ha > 100 ha

fysisch bodemsysteem infiltratiegebied

overgangsgebied kwelgebied

natte depressies en alluvia depressies en alluvia

laaggelegen en vlakke landschapsdelen+ valleiranden ruggen en stuifduinen

hogergelegen plateaudelen + stuifwallenlandschap

bron: - Afstromingskaart (meervoudige stroomlijnen), DOV Inspire View Service (Informatie Vlaanderen, 2017) -VectoriĂŤle versie van de Fysische Systeemkaart, VLM (Informatie Vlaanderen, 2017) -WMS GRB grachten en basiskaart - grijswaarden (Informatie Vlaanderen, 2017)

0

100

200

300

400

500 m

Âą

aangemaakt op: februari 2020


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 12: Maximaal akkerareaal (sinds Vandermaelen 1846-1854) Legende

perimeter historisch en ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017)

bodemtype Eep Sdg

Sdm Seg Zcg

Zdg

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek 70

40

Kaart 13: Verspreiding bossen Legende

33

perimeter historisch en ecologisch onderzoek

163

34

Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017)

43

bos

11 4

49 7 32

8

31

25 12

28

13

23

22

37

26 15 18

38

24

16

61 21

19

66

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 14: Verspreiding oudbosplanten Legende

perimeter historisch en ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017)

maximaal bosareaal (Vandermaelen 1846-1854)

_ adelaarsvaren ^

( blauwe bosbes !

( bleeksporig bosviooltje !

F bleke zegge G

( bosanemoon ! ( dalkruid !

_ eikvaren ^

) grote muur " ) hengel "

) lelietje-van-dalen " ) muskuskruid "

G pilzegge F * salomonszegel # * valse salie #

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek

zn

99 67

Kaart 15: Verspreiding houtwallen en houtkanten

127b 68

103

127

93

33 88

Legende

perimeter historisch en ecologisch onderzoek

86

87

92

91

zn

42

116 96 95

132

71

94

eikenrij

houtkant/houtwal

zn

72

131

Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017)

117

35

36

69

122

108

zn 5

2

57 133

3

2

zn

9 10

50

48

81

51 56

30

52 29 zn 14

27

zn

75

77 62

17

63 20 64

65

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 16: Verspreiding houtkanten met en zonder oudbosplanten Legende

perimeter historisch en ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017) maximaal bosareaal

houtkant/wal met oudbosplanten

houtkant/wal zonder oudbosplanten

privé houtkant/wal (niet geïnventariseerd)

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

±


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek 100

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek

101

155 zn

154

129 129 zn

zn

41

156 zn

39

125

157 zn

85

90

161

146

zn 161

149

148

zn

144

97

110

160

118

perimeter historisch en ecologisch onderzoek

Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017) graslandsoorten

165 74

zn

44

) adderwortel "

107

73

169

Legende

zn

130

zn

159

162

98

123 124

158

164

141

120

123 121 125

Kaart 17: Verspreiding graslandtypes

119

126

150

151

153

128

105

( blaaszegge !

# grote ratelaar * _ holpijp ^

1

graslandtype

Ha° - Struisgrasvegetatie (zwak ontwikkeld)

79

59

46

Hc - Dotterbloemgrasland

80 84

Hc°- Dotterbloemgrasland (zwak ontwikkeld) Hf - Moerasspirearuigte

82

Hp+ - Soortenarm permanent cultuurgrasland (goed ontwikkeld) Hp* - Zilverschoonweiland

83 53

Hu° - Mesofiel hooiland (zwak ontwikkeld) 54

76

78 140

60

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017)

137 134

0

125

250

500 Meters

aangemaakt op: januari 2020

139

±


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 18: (Mogelijke) weteringen

120

Legende

153

perimeter historisch en ecologisch onderzoek

157

Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017) mogelijke wetering

160 161

97

wetering

73

98

80 84 83

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 19: Informant F. Wolfs Legende

perimeter historisch en ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017)

mondelinge informatie F. Wolfs "gemeentebeek" Oude Stiemer beekloop

ontwateringssloot (geen relatie met weteren) steeds watervoerende sloot tussen wal met eiken en elzenkant gelegen voetpad naar de Dijken vroegere sluis watertoevoer vanaf de Oude Stiemer

door informant aangelegde vijver geen wetering - restanten van 'voren' zijn van voormalig aardappelveld voormalige vijver (jaren '50), later deels als haverakker gebruikt vroegere vijver met buis onder de straat en Oude Stiemer door vroegere wetering tussen Oude en Nieuwe Stiemer werd overal geweterd

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 20: BWK waardering Legende

perimeter historisch ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer

waterlopen

Biologische waarderingskaart Biologisch minder waardevol

Complex van biologisch minder waardevolle en waardevolle elementen

Complex van biol minder waardevolle, waardevolle en zeer waardevolle elementen Complex van biologisch minder waardevolle en zeer waardevolle elementen Biologisch waardevol

Complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen Biologisch zeer waardevol

bron: -Vlaamse Hydrografische Atlas - Waterlopen, toestand 01/2017, VMM (Informatie Vlaanderen, 2017) -De Biologische Waarderingskaart versie 2 en faunistisch belangrijke gebieden, toestand 2016, INBO (Informatie Vlaanderen, 2016) (Geopunt Vlaanderen 2017) -OrthofotomozaĂŻek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent, Vlaanderen

0

100

200

300

400

500 m

Âą

aangemaakt op: februari 2020


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 21: Verspreiding watervlakken

10

! ( 1

Legende

! (

perimeter historisch en ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017)

9

! ( open water/poel

! (

! ( tuinvijver

! (

2

! (

4

! (

8

! (

3

! (

7

! ( 6

! (

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

5

! (

0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

3,(4),5, 7,8,12

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek

10

9,10,11

Kaart 22: Verspreiding vroegere vijvers

9,10

Legende

(1),2

perimeter historisch en ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017)

2,3,4

voormalige vijver

3

Historische kaarten 1. Ferraris 1777 2. Lecomte 1778 3. Vandermaelen 1846-1854 4. Atlas van de Buurtwegen 1845 5. Topokaart 1868-1873 6. Atlas van de Waterwegen 1882 7. Topokaart 1951 8. Topokaart 1969 9 Orthofoto 1971 10. Topokaart 1981 11. Topokaart 1989 12 Orthofoto 1995

3,(4), 5,7

3

3

3 3

3

3 3

1,2

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017)

1,2,3,4,5,6 1,2,3, 4,5,6

0

125

250

500 Meters

aangemaakt op: januari 2020

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 23: Voormalig padennetwerk Legende

perimeter historisch en ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017) voormalig padennetwerk

nr. 75 nr. 76 (Peerdspad)

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 24: Evolutie van de houtwallen en houtkanten Legende

perimeter historisch en ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017)

evolutie houtwallen en houtkanten aanwezig sinds 1868

bestaande houtkant, vroegere bosrand mogelijk/deels aanwezig sinds 1868 ontstaan na 1868

verdwenen sinds 1868 eikenrij

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 25: Maximaal bosareaal (op basis van Vandermaelen 1846-1854) Legende

perimeter historisch en ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017)

maximaal bosareaal (Vandermaelen 1846-1854)

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 26: Relatie oud-nieuw bos Legende

perimeter historisch en ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017) huidig bosareaal

maximaal bosareaal (Vandermaelen 1846-54)

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 27: Inrichtingsplan Legende

perimeter historisch en ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017) aanleg wandelpad aanleg houtwal

aanleg knotwilgenrij

aanleg watertoeveoer vanaf Oude Stiemer beheerovereenkomst bufferstrook te behouden grasland te behouden wetering

kk j jk jbebossen jk k jk j

ontbossen aanleg watervlak

verbeteren watervlak

nieuw doorstroomwater nieuw natuurgebied

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek Kaart 28: Masterplan Legende

perimeter historisch en ecologisch onderzoek Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017)

voorgestelde elementen uit het Masterplan (aangepast) beektracĂŠ fiets-/voetpaden

verkeersontsluiting nieuwe waterpartij ontbossen

overstromingszone Demer uitbreiding(sfase) Campus

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

Âą


L A NDI NR I C H T I NG

De Wijers - Stiemerbeek-Zusterkloosterbeek

Vooronderzoek Landinrichtingsplan Oude en Nieuwe Stiemer: Historisch ecologisch onderzoek # *

Kaart 29: Verspreiding van enkele exoten Legende

perimeter historisch en ecologisch onderzoek

# *

Oude en Nieuwe Stiemer administratief perceel (GRB 2017)

exoot

! ( Japanse duizendknoop # * bamboe

! (

# * # *

( #! *

! ( ! (# *

# *

! ( ! (# * # * # *

# *

! (

# *

bron: - Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) toestand 09/2017, Informatie Vlaanderen (2017) aangemaakt op: januari 2020

0

125

250

500 Meters

Âą


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook